Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: 1812 - Historische roman
Author: Rellstab, Ludwig
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "1812 - Historische roman" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



  +----------------------------------------------------------------+
  |                                                                |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                   |
  |                                                                |
  | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit    |
  | e-boek op                                                      |
  |                                                                |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,     |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te      |
  | moderniseren.                                                  |
  |                                                                |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als      |
  | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als            |
  | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#.                       |
  |                                                                |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de           |
  | aangebrachte correcties.                                       |
  |                                                                |
  +----------------------------------------------------------------+



1812


[Illustratie: Een officier drong door de menigte heen, een papier in de
              hand houdende.]


1812

HISTORISCHE ROMAN

van

L. RELLSTAB

UIT HET HOOGDUITSCH

DOOR

J. J. A. GOEVERNEUR

7e DRUK

MET PLATEN



[drukkersmerk]

ROTTERDAM—D. BOLLE

STOOMDRUKKERIJ KOCH & KNUTTEL—GOUDA



EERSTE BOEK.


HOOFDSTUK I.

Op een zoelen April-avond van het jaar 1812, tegen het ondergaan der
zon, naderde Lodewijk Rosen, een jong Duitscher, het kleine, aan de
afhelling van den Simplon gelegene stadje Duomo d'Ossola. Te voet van
Baveno, aan den Lago Maggiore, gekomen, voelde hij zich vrij vermoeid,
ofschoon zijne wandeling door deze bekoorlijke, door den steilen
rotsmuur der Alpen tegen de barre winden van het noorden beschutte
landstreek verre van bezwaarlijk geweest was, maar hem integendeel
bij elke schrede afwisselende genoegens en nieuwe verrassingen
aangeboden had.

Zij zouden voorzeker een nog levendiger indruk op hem hebben gemaakt,
had hij niet onlangs eerst het zuiden van Italië verlaten, waar
hij, gedeeltelijk op Sicilië en te Napels, gedeeltelijk in Rome,
den winter had doorgebracht. Gaarne zou hij langer in 't schoone
land hebben vertoefd, dat ook nu nog, terwijl het geheele vasteland
door vreeselijke krijgsorkanen werd geteisterd, zijn eigendommelijk
karakter, als eene bij voorkeur door de Goden begunstigde, vreedzame
vrijplaats der kunsten, voor den vreemdeling ten minste, had weten
te bewaren; maar juist die geweldige gebeurtenissen, welke de beide
helften van het overige Europa tegen elkander in het harnas riepen,
waren het, die hem tot eene verhaaste terugreis noodzaakten. Zijne
moeder en zuster woonden te Dresden, in stille afzondering, veeleer
uit neiging dan door de omstandigheden gedrongen, daar het vermogen
der eerste haar eene onbekrompene, zoo al niet luisterrijke wijze van
leven veroorloofde. Zijn vader had hij als kind reeds verloren, hoe?
was hem onbewust, daar zijne moeder zich wel somwijlen enkele duistere
uitdrukkingen over het rampspoedig lot van haren echtgenoot had laten
ontvallen, maar steeds zorgvuldig vermeed, zich duidelijker daarover
uit te laten.—De laatste vier jaren, hoe noodlottig ook, waren zoo
kalm voor Noord-Duitschland voorbijgesneld, dat de beide vrouwen
zich, ook zonder mannelijke bescherming, tegen de gebeurtenissen des
dagelijkschen levens genoegzaam bestand konden achten; thans echter
kwamen de krijgsbenden der fransche legers wederom van alle zijden
oprukken, en Duitschland zag zich bij den aanvang der lente opnieuw
in een onmetelijk legerkamp herschapen. Daarom keerde de jongeling
terug; want zijn hart voelde zich gedrongen, de geliefde moeder, welker
gezondheid daarenboven, volgens het laatste bericht zijner zuster, door
eene borstziekte aanmerkelijk verzwakt was, in een zoo bedenkelijk
tijdsgewricht met raad en daad ter zijde te staan. Hij gehoorzaamde
aan de stem van zijn kinderlijken plicht, ofschoon met een beklemd
hart; niet omdat Italië hem zoo onweerstaanbaar boeide, maar wijl hij
huiverde, zijn ongelukkig, vernederd vaderland te betreden, waarin hij
dieper en bezwaarlijker te heelen wonden ontdekte dan die het zwaard
der Franken het had toegebracht. Reeds vroegtijdig was zijne ziel
tot ernst gestemd geworden; want onder ernstige indrukken waren hare
vermogens ontwikkeld en tot rijpheid gekomen. De akademie, voor anderen
niet zelden eene plaats der onbezorgdste vroolijkheid, was voor hem
eene sombere, strenge oefenschool geweest, want ook de vertroosting,
welke de wetenschappen in staat zijn aan te bieden, was toenmaals
nauwelijks vermogend genoeg, om ernstig gestemde duitsche jongelingen
eenigermate op te beuren, zóó ontmoedigend was de blik op het
tegenwoordige, zóó duister het uitzicht in de toekomst. Sinds een jaar
had hij nu den vaderlandschen bodem niet betreden, sedert twee jaren
moeder en zuster niet gezien; want uit Heidelberg, waar hij het laatste
jaar zijner studiën doorbracht, had hij dadelijk de reis aanvaard. Nu
stond hij weder voor den met sneeuw bevrachten, reusachtigen grensmuur,
die den somberen duitschen grond van de velden van het lachend Italië
afscheidt. Ach, hoe verlangend klopte zijn hart naar alles, wat hij aan
gindsche zijde der Alpen beminde en vereerde, hoe vurig wenschte hij
zich in de armen der zijnen, aan de heilige vaderlandsche haardsteden
terug. Maar wat hij beminde, was in rouwfloers gehuld, wat hij vereerde
smadelijk ontwijd! Daarom was zijn voet huiverig, het vaderland te
betreden, naar hetwelk zijn hart hem toch zoo verlangend voortdreef.

Met deze gevoelens in de borst naderde hij het kleine stadje, de
laatste plaats in Italië, die hem een gastvrij dak zou aanbieden. Een
heuvel ter zijde van den rijweg lokte hem uit, dien te beklimmen,
ten einde nog eenmaal, eer de zon in Italië het laatst voor hem
onderging, een afscheidsblik te werpen op het schoone land, dat vaak
door zulke zachte en vleiende vertroostingen het lijden zijner ziel
had in slaap gewiegd. Door het weelderig opgeschoten gras had hij zich
spoedig een pad gebaand en den top bereikt, vanwaar hij midden in het
kleine stadje nederzag, dat, gelijk in het zuiden steeds het geval
is, tegen den avond eerst recht druk en levendig begon te worden. Op
de velden bloeide en tierde alles in den rijksten, niet eens meer
eersten tooi der lente, terwijl de natuur aan gindsche zijde der
reusachtige, achter de stad oprijzende rotsgevaarten waarschijnlijk
nog in doodschen winterslaap lag gedompeld. Hier echter prijkten
de olmen en kastanjeboomen in vollen voorjaarsdos; een welriekend
tapijt, met ontelbare viooltjes en aurikels bezaaid, spreidde zich
over de velden uit; het graan was reeds hoog opgeschoten; ja, zelfs
de wijnstok had zich bereids met een breed loof bekleed en veroverde
met zijne groene ranken de kleine, sneeuwwitte gevels der zindelijke
woningen. Lodewijk kon ter rechterzijde den rijweg in zijne geheele
lengte overzien; ter linker lagen Duomo d'Ossola's kleine markt en
rechte straten als aan zijne voeten uitgestrekt. Hij zag de vroolijke,
levendige Italiaansche meisjes met hare breede stroohoeden zich op het
plein in bont gedrang dooreen mengen; duidelijk kon hij de kleine kraam
der fruitverkoopster onderscheiden, die hare vijgen en oranje-appelen
in volle manden uitstalde, terwijl vlugge knapen den bal behendig in
de lucht sloegen en fransche dragonders, van welke een piket in het
stadje gelegerd was, vreedzaam op de bank voor het stadhuis nederzaten
en in een vertrouwelijk gesprek gewikkeld schenen. Hij hoorde het
verwarde gedruisch der onderscheidene, tot een onverstaanbaar gemompel
ineensmeltende stemmen van jubelende kinderen, lachende meisjes en
gillende warenuitventsters; terwijl nu en dan enkele tonen van het
gezang eens citerspelers, die een talrijke schaar van toehoorders
om zich vergaderd had, door de stilte van den avond tot zijn oor
doordrongen. Dit woelig bont gewemel van menschelijke bedrijvigheid
en vreugde stak wonderlijk af bij den verheven ernst en de plechtig
zwijgende stilte, die op het steile gebergte heerschten, dat achter de
muren van het stadje zijne graniet-klompen opeenhoopte en, aan den voet
met een blauwachtigen nevel omhuld, zijne besneeuwde kruinen tot in de
wolken opstak.

De jongeling stond in gedachten verzonken, toen eensklaps de schelle
toon van een posthoorn en het lustig klappen eener zweep tot zijn oor
doordrongen. Een met vier paarden bespannen, open reiswagen kwam, van
de zijde van Baveno, den straatweg afrollen en ijlde op het stadje toe.
In dien wagen zaten twee vrouwen. De oudste scheen eene dienstbare;
de jongere, wier donker kleed een wit, doorschijnend kantboordsel
verlevendigde, droeg over den lichten reishoed een groenen sluier, die
juist door een luchtig windtochtje werd opgeheven. Dit gezicht wekte
eene levendige herinnering in het hart van den wandelaar op. Bij zijne
eerste intrede in Italië, toen hij over den hoogen St. Bernard in het
dal van Aosta afdaalde, had hij een vrouwelijk wezen ontmoet, welks
beeltenis niet uit zijn geheugen was gewischt en aan hetwelk hij in
zijne verbeelding een dergelijk uiterlijk herkenningsteeken verbonden
had. Toenmaals namelijk ontdekte hij, bij het bestijgen van den berg de
herberg naderende, op een geringen afstand voor zich uit eene karavane,
naar het scheen van reizende Engelschen, onder welke eene rijzige, op
een muildier gezetene vrouwelijke gedaante, die haar gelaat met een
groenen sluier bedekt had, om het tegen den verblindenden glans der
flikkerende sneeuw te beschutten, zijne aandacht vooral tot zich trok.
Schoon de reizigers slechts eenige honderden schreden vooruit waren en
hij, door een zonderling gevoel gedrongen, alle krachten inspande om ze
in te halen, gelukte hem dit toch niet, daar zij wel door een korten
afstand, maar tevens door een bezwaarlijk te betreden rotspad van hem
gescheiden bleven. Zoo strekte de groene sluier hem tot wegwijzer
door de glinsterende sneeuwvelden, tot ze eindelijk in de donkere
poort van de herberg verdween. Nu hoopte hij des avonds, aan tafel,
het voorwerp zijner, hemzelven onverklaarbare deelneming te zullen
leeren kennen; maar ook in die verwachting werd hij teleurgesteld. Na
enkele uitdrukkingen moest hij vermoeden, dat de ongesteldheid eener
oudere dame, waarschijnlijk de moeder van het jonge meisje, de reden
was, dat beiden op hare kamer bleven. Den volgenden morgen hadden de
reizigers zich reeds op een buitengewoon vroeg uur op weg begeven.
Nauwelijks had Lodewijk zulks vernomen, of een vurig verlangen naar
de onbekende maakte zich van hem meester en, schoon eenigszins over
zichzelf glimlachende, besloot hij zoo spoedig mogelijk haar spoor te
volgen en zijn vroeger voornemen, om hier een paar dagen te vertoeven,
op te geven. Een geoefend, krachtvol wandelaar als hij moest, naar
zijne berekening, vooral daar de weg afdaalde, eene karavane met zwaar
bepakte lastdieren spoedig inhalen. Inderdaad zag hij ook reeds,
na weinig uren, bij eene kromming van het dal, die een onbelemmerd
uitzicht in de verte vergunde, den groenen sluier diep onder zich in
den helderen zonneschijn blinken, en van toen af bleef hij de banier
der hoop, onder welke hij zijn intocht hield in Italië's velden. Met
onvermoeide inspanning vervolgde hij zijn weg; maar het kronkelend
rotspad onttrok het doelwit van zijn streven dikwijls weder aan zijn
zoekend oog. Hoe gelukkig echter was hij, als hij het bij eene volgende
wending weder meer in zijne nabijheid ontwaarde! Zoo bereikte hij,
onder afwisselende hoop en teleurstelling, de lagere streken van den
berg, waar het pad meer effen en gebaand wordt en eindelijk door de
smalle bergwagens kan bereden worden.

Thans was hij de vreemden tot zeer nabij genaderd; nog eenmaal kromde
zich de weg om een steil vooruitspringend rotsblok; hij verdubbelde
zijne schreden om hen daar te bereiken en voor het overige gedeelte
der wandeling hun metgezel te zijn. Toen hij echter den hoek omsloeg,
ontdekte hij, nauwelijks honderd schreden voor zich uit, eene kleine,
geheel met wijnranken omzoomde woning en, voor die woning, twee lichte
reiswagens, hoedanige men in deze bergachtige streken bestendig voor
vreemdelingen in gereedheid houdt. De gids, die den muilezel der
bevallige onbekende bestuurd had, was haar juist in het afstijgen
behulpzaam, terwijl een bejaard heer haar dadelijk den arm bood en naar
den gereedstaanden char-à-banc geleidde. Zou zij dan voor altijd aan
den jongeling ontrukt worden, in hetzelfde oogenblik, waarop hij had
gehoopt haar te zullen bereiken. Te lang had zijne verbeelding zich met
de liefelijke verschijning bezig gehouden, te prachtige luchtkasteelen
daarop gebouwd, dan dat hij deze wreede verstoring van zijn ingebeeld
geluk koelbloedig had kunnen verdragen. Geheel buiten adem snelde
hij voort; slechts eenmaal wilde hij het gelaat van den liefelijken
genius aanschouwen, die hem als aan een zachten tooverband, het land
der kunsten en der schoonheid had binnengeleid. En echter zou zijne
poging vruchteloos geweest zijn, ware niet een toeval, waarin hij een
nieuwen wenk van het noodlot waande te ontdekken, hem gunstig geweest.
In weerwil van zijn spoed toch, zag hij eensklaps iets glinsterends
voor zich in het stof blinken. Het was een armband met gouden slot.
Vol vreugde hief hij dien op, wijl deze vondst hem eene reden aan de
hand gaf, om het rijtuig, dat op het punt was van voort te rollen,
een luid halt na te roepen. De gidsen, die de vreemdelingen verzeld
hadden, keerden zich om en kwamen hem te gemoet; hij echter ijlde hen
haastig voorbij en snelde op den wagen der gesluierde dame toe. „Zou
ik gelukkig genoeg zijn,” sprak hij, steeds gewoon zijne moedertaal te
bezigen, haar in het hoogduitsch aan, ofschoon hij haar tot hiertoe
voor eene Engelsche gehouden had, „zou ik gelukkig genoeg zijn, u een
verloren eigendom weder ter hand te mogen stellen?” Tegelijk reikte
hij haar den armband over. De jonge dame wierp een verwonderden blik
op den vinder en vervolgens op de kleine hand, waaraan zij nu eerst
de ledige plaats ontdekte. „Het is inderdaad de mijne,” hernam zij;
„ik dank u hartelijk.” De toon dezer woorden, die, hoe vleiend en
welluidend ook, op eene wijze en met een tongval werden uitgesproken,
die dadelijk de uitheemsche verrieden, verraste Lodewijk op eene
zeldzame wijze. Hij voelde een blos in zijn gelaat opstijgen en hief
niet dan met eene zekere schuwheid zijne oogen tot de spreekster op,
die juist, hetgeen zij reeds dadelijk bij zijn naderen had willen doen,
den dichten sluier terugsloeg. Toen hij het teeder gelaat zoo eensklaps
onthuld zag, bracht de zachte glans harer schoonheid hem in de uiterste
verwarring. Het was hem, alsof zich plotseling eene heilige aan zijne
blikken vertoonde, zulk een levendig gevoel van eerbied en bewondering
doorgloeide zijne borst. Hare blauwe oogen, met lange wimpers
overschaduwd, bleven een poos lang met de onmiskenbare uitdrukking
van zachtheid en onschuld op hem gevestigd. Een vriendelijke lach
speelde om hare lippen, en door de innemende, edele bevalligheid, die
in alle hare trekken doorblonk, gevoelde Lodewijk zich onweerstaanbaar
getroffen. Te vergeefs poogde hij een antwoord uit te stamelen;
met den blos der verrassing paarde zich die der verlegenheid, en
alsof de gloed, die zijn gelaat bedekte, op dat der onbekende een
weerschijn vond, vertoonde zich een vluchtig rozerood op hare wangen;
zij boog zich, hem vriendelijk, schoon eenigszins gedwongen, vaarwel
groetende. De heer naast haar nam den hoed af, en 't rijtuig rolde
voort. Sprakeloos oogde de jongeling dat na en bemerkte nauwelijks,
dat nog eene tweede, oudere dame, eveneens onder mannelijk geleide, in
het volgende rijtuig steeg en hem voorbijreed. Zijn oog bleef op den
groenen sluier gericht, die door den wind opgeheven, zich meer en meer
in de verte verloor. Lang bleef hij zoo aan den grond vastgekluisterd
staan, tot eindelijk het laatste spoor der rijtuigen was verdwenen
en de achter hen opstijgende stofwolk zich nedergelegd had. Het was
hem, alsof hij uit een droom ontwaakte!——Dat aanminnige beeld
verliet hem niet weder. Door geheel Italië zocht hij het op te sporen,
doch vruchteloos. Trad het ook somtijds door de menigte van nieuwe
voorwerpen, die zich voor zijn oog als verdrongen en een levendigen
indruk maakten op zijn vurigen geest, voor eenige oogenblikken op
den achtergrond, van tijd tot tijd vertoonde het zich nochtans weder
in vollen luister, en de geringste aanraking met gelijksoortige
verschijningen riep hem telkens in zijne gansche levendigheid voor de
verbeelding terug.

En nu, daar hij op den laatsten drempel stond van het romantische
land, evenals toenmaals aan den voorhof, nu blonk hem dat eindpunt
van zijne hoop, van zijne verwachtingen zoo geheel onverhoeds weder
in het oog! Nauwelijks had hij dus de reizigers bespeurd, of met een
kloppend hart snelde hij den heuvel af, om de vluchtige verschijning
ras te grijpen, eer zij hem weder ontglippen mocht; maar het rijtuig,
dat pijlsnel voortrolde, was voorbij eer hij den straatweg bereikt had.
In het stadje moesten de paarden verwisseld worden; deze omstandigheid
gaf hem hoop, het voertuig dáár nog te zullen inhalen, eer het weder
afreed; want het geluk, om met het bekoorlijke wezen (en was hij dan
reeds verzekerd, dat zij 't was?) onder één dak te vernachten, was
te groot, dan dat hij het zich zou hebben durven voorstellen. Hij
verhaastte zijne schreden meer en meer; eindelijk had hij de kleine
markt, waarop wachthuis en herberg gelegen waren, bereikt. Hij zag het
rijtuig voor de deur staan, maar reeds voerde men versche paarden aan
om het verder te brengen. Eene talrijke schaar van nieuwsgierigen had
zich om de reizigers verzameld. Een officier, van de wacht toegesneld,
drong door de menigte heen en trad, een papier in de hand houdende, op
het portier toe, terwijl de jonge dame bij zijne nadering het rijtuig
verliet en hem een paar schreden te gemoet ging.—De officier boog
zich en sprak haar beleefdelijk aan, terwijl echter zijn herhaald
schouderophalen scheen aan te duiden, dat hij aan haar verlangen geen
gehoor kon verleenen. Lodewijk voegde zich thans bij de omstanders;
daar echter de vreemde, die hem gedurig meer gelijkheid scheen te
hebben met het beeld, dat hij in zijne verbeelding omdroeg, zich
op dit oogenblik naar de tegenovergestelde zijde wendde en het hem
onmogelijk maakte haar gelaat te aanschouwen, sloop hij in allerijl
om den kring van verzamelden heen en mengde zich aan de andere zijde
onder het gedrang.—Hemel, zij was het zelve! Slechts bleek en angstig
waren hare gelaatstrekken en zelfs een traan was in haar helder blauw
oog zichtbaar. Door een onwillekeurig gevoel gedreven, trad Lodewijk
op haar toe; hoeveel opzien het baren mocht, hij wilde de schoone
gestalte, die hem Italië, het land der wonderen, had binnengeleid, bij
het verlaten van dien heiligen bodem opnieuw begroeten en haar het
ras voorbijgesnelde oogenblik dier eerste ontmoeting in het geheugen
terugroepen. Zijn moed daartoe wies aan, daar hij haar zonder geleide
zag; want buiten den grijzen dienaar voor op den bok en de bejaarde
vrouw in den wagen, die insgelijks in eene dienstbare betrekking tot
de reizende scheen te staan, liet zich niemand bespeuren. Haastig trad
hij dus uit den zich verwijdenden hoop der burgers vooruit. Dadelijk
trof haar blik den zijnen en de schielijke, blijde ontsteltenis, welke
zich over haar gelaat verbreidde, liet Lodewijk geen twijfel over,
of zij herkende hem. Juist wilde hij zich buigen en zijne lippen tot
een groet openen, toen zij, met blijkbare overhaasting, de fransche
woorden: „_Voilà mon frère!_” uitriep en op hem toesnelde. Geheel
verbijsterd, vermoedde de jongeling een misverstand, doch eer hij
zich genoegzaam had kunnen herstellen en in staat was, haar eenige
opheldering te vragen, riep zij hem, voor alle omstanders verstaanbaar,
in het Italiaansch toe: „God dank, broeder, dat gij daar zijt!” en
voegde er fluisterend in het hoogduitsch bij: „Ik ben verloren, als gij
mij verloochent.” Even snel wendde zij zich weder tot den officier, nam
het papier uit de hand en gaf het aan Lodewijk over, met de fransche
woorden: „Deze heer wilde onze pas niet voor geldig houden, daar
gij niet bij ons waart. Dat komt van uwe wandeling langs romaneske
zijpaden, lieve broeder!—Gij zijt graaf Wallersheim,” lispelde zij hem
tevens in het hoogduitsch toe.

Hoe bevreemdend en zonderling dit alles ook aan Lodewijk mocht
toeschijnen, zoo begreep hij toch lichtelijk, dat het hier geheel in
zijne macht stond, het bekoorlijke wezen, dat angstig, met tranen in de
oogen voor hem stond, een gewichtigen dienst te bewijzen. Zonder zich
dus lang te beraden, besloot hij haar in hare list te ondersteunen en
antwoordde: „Wees gerust, lieve zuster, ik zal met dien heer spreken.”
Om tijd te winnen en tevens eenigermate met de toedracht der zaak
bekend te worden, wendde hij zich hierop tot den officier met de vraag:
„Gij zult dus zoo goed zijn, mijnheer, mij de bezwaren, welke gij tegen
onzen pas schijnt te hebben nog eens te herhalen? Gij beseft licht, dat
vrouwen in dergelijke zaken minder bedreven zijn.”—„Van dit oogenblik
af,” was het antwoord, „koester ik geen de minste bedenking meer.
Gij stondt op den pas als de begeleider van de gravin, uwe zuster,
vermeld, maar waart niet tegenwoordig. Dat scheen verdacht. Wel is waar
verzekerde mij de gravin, dat gij u slechts voor eenige oogenblikken
hadt verwijderd en te voet een zijpad waart ingeslagen, om u aan gene
zijde der stad weder bij haar te voegen; maar onze bevelen luiden voor
grensplaatsen als Duomo d'Ossola zóó stipt, dat ik genoodzaakt zou
geweest zijn, de jonge dame te verzoeken, zich zoo lang hier op te
houden, tot gij, heer graaf, op wien de pas luidt, weêr zoudt aanwezig
zijn. Wees echter verzekerd, dat ik dadelijk een mijner manschappen
in de richting van Sempione zou hebben uitgezonden, om u van deze
belemmering te onderrichten. Intusschen moet ik u toch waarschuwen, u
niet weder van de zijde der gravin te verwijderen, daar de bevelen,
voor zoo ver ons gebied reikt, overal van dien aard zijn, dat gij licht
weder eene soortgelijke vertraging zoudt kunnen ondervinden. Hebt gij
de zwitsersche grenzen achter u, dan houdt ons gezag op, en gij zult
met meerdere vrijheid kunnen reizen.”

Lodewijk was stom van verbazing, vooral toen de oude dienaar van den
bok steeg, hem zonder omstandigheden van den lichten, over zijne
schouders hangenden reiszak onthief, dien in het rijtuig legde en
hem nederig vroeg of hij verkoos in te klimmen. Vrij verward duwde
hij den officier eenige beleefde woorden toe en reikte hem de hand
tot afscheid. De oude rukte de voettrede naar beneden, de beleefde
Franschman was der jonge dame, die zich thans geheel in haren sluier
gewikkeld had, de bediende Lodewijk tot het opklimmen behulpzaam, het
portier werd gesloten, de officier boog zich en herhaalde zijn _bon
voyage_. Lodewijk nam, zonder bijna te weten wat hij deed, aan de zijde
der raadselachtige onbekende de plaats in, welke de bescheidene duenna
hem had overgelaten, en de wagen rolde voort.


HOOFDSTUK II.

Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan
den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen
in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den
samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een
stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige
minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en
vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing
van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene
Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien.
De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der
Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus,
vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list
te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit
was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien
gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van
den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare
beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen,
welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig
geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne
blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat
zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den
weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van
den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met
een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van
het rijtuig ophield. Nu greep de schoone gesluierde met onstuimige
hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de
hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder!
De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een
doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste
gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een
beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen
haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze
vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een
weldadigen stroom van tranen los.

De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid
vertoond had, scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen
de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van
eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden
kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om
vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste
de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed.
Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige
gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan.
Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal
ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de
jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op
de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten,
en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen
den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik
weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene
heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk
bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute
beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar
werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar
eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk
eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige,
gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk
bepalen aan welken landaard ze behoorden; nu eens waande hij spaansche,
dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde
intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen
gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van
de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van den Simplon nu
weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen
ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.

Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde,
dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag
het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood
met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke,
voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden
uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige
slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk
glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene
blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen.
„Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote
wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt
stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken,
en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het
blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had.
„Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand
ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de
wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om
het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne
vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne
reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.

„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de
gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden,
wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke
ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren,
ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de
hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw
bijstand willen verleenen?”

„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u
tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik
van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor
mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot
in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar
verbonden!”

Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af
te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.

„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de
onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij
zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik
moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen,
daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de
strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer
dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik
geen gravin Wallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel
niet twijfelachtig meer zijn.”

„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig
onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.

„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij
nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende
zijn.”

„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!”
herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met
het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn
hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid
en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De
vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was
er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove
tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde,
naarmate zij nauwer verbonden schenen.

Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te
aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart
klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in
zijn boezem.

Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gij ~moogt~ mij niet alleen
zuster noemen,” zeide zij met een vluchtig blosje, „maar gij ~moet~ het
ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan
dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon,
dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”

De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij
zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.

„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de
geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden,
zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op
mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner.
Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet
mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen
dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele
kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er
de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden.
Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen
het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk
misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand
wilde maken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik
te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit
wraak een verrader geworden.

Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het
stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming
daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger
plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder
nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland
wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet
uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen
en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij
waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan
gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”

„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak
Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige
aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou
maken, dan voor u te wagen.”

Bianca zweeg.

De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten
sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan
weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl
de Veriola schuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het
reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk
op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner
gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's
krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst
uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige
gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon
ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De
huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden
wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en
waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw,
verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde
hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan
eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als
donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers
slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche
gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond
der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich
geboeid houden?

Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende
brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als
een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een
posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep
in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare
ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat
onrust noch zorg haar meer beangstigden.

De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; de Veriola schoot
klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich
loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening
der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks
verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat
schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk
verdoofde een doffe donderslag het gehoor.

Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is
dat? Waar zijn wij?”

„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de
oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een
heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De
postiljon klapte met de zweep.

„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden
worden?”

„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene
zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was
Lodewijks antwoord.

„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan
verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief
den blik op tot de heldere sterren boven haar.

Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den
wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met
paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.

„_Votre passeport, Monsieur_,” luidde de beleefde, maar korte en
beslissende vraag.

„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens
tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten
moest.

Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe
weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het
bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag
zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn
ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.

De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij
terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „_Votre serviteur,
monsieur le comte._”

„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op
den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende
stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren
zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het
gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en
murmelend, als uit de verte.

„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.

„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat
voert.”

„Dit is de gaanderij van Trissinone,” liet zich de stem hooren van
den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle
verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te
deelen.

Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd
geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De
wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste
schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe,
vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers
opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder
verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een
twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien
minuten was men weder onder den vrijen hemel.

Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een
weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke
akelige gewelven?”

„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze
meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze
sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich
ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken
omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles,
wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik
het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag.
Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten
terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven
te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van
zijn machtigen wil tot stand gebracht.”

„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer
vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam
Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen,
waarop hare woorden schenen te doelen.

„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur; „op de
lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”

„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg
Bianca.

Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij
vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de
bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde,
onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds
meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren
naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van
den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en
dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.

„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld
onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert
ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis
der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een
streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders.
Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor
de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe
ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn
hart bloedt, als ik daaraan denk!”

Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het
oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen
in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een
door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude
wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den
nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en
kaatsten het maanlicht glanzend terug.

„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de
flonkerende sneeuwtoppen.

Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den
zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde
borst verlichtte, den vrijen loop.

„Die top links is de Sempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden
bediende wendende.

„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.

„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren
van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat
gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar
voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorp
Sempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen
schijnt, bereikt.

Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts
weinig oogenblikken, om zich door eene vluchtig genoten verversching
en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden
spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond
men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag
opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend
voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met
bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten
hield de postiljon zijne paarden staande.

„Wat is er?” vroeg Lodewijk.

„Hm, Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer
gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan
storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet
een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De
knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden,
duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.

„Het zal gaan,” sprak de postiljon en dreef de paarden opnieuw aan.

Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in
stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende
sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de
akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de
vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze
ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen
hadden.

Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.

„_Dio Sànto_!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf
hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en
met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.

Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht
zijne kalmte te behouden en sprak: „Er zal geen gevaar zijn; deze
menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”

Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne
hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte.
De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot
dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige
berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de
snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar
van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het
grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en
dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in
eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing
der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde
neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan
hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte
zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen
schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet
meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een
bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde
zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des
rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil,
zwijgend en donker als in het graf.


HOOFDSTUK III.

„Dat was redding uit den leeuwenkuil!” riep de postiljon. „Wij hebben
nog gelukkig de gaanderij bereikt.”

De woorden vervulden de van angst ontzielden met nieuw leven. „Wij zijn
niet bedolven?” riep Lodewijk ademloos.

„De lawine moet dicht achter ons neergeschoten zijn,” antwoordde de
postiljon, „want de ijssplinters en het sneeuwstof hebben mij half
blind gemaakt.—Maar éene as, mogelijk beide, zal het gekost hebben;
want ik merk wel dat wij wat na aan den rotskant geraakt zijn. Het was
ook geene kleinigheid, zoo in vollen galop de nauwe opening te treffen,
en dat nog wel in het donker!”

Lodewijk hoorde de laatste woorden van den postiljon niet meer, daar
hij bemerkte, dat Bianca naast hem nederzeeg, en hij de onmachtige in
zijn armen opving. „In 's hemels naam, zuster,” riep hij, terwijl hij
haar zacht aan zijn kloppend hart drukte; „zuster wat deert u?”—Zij
antwoordde niet; ook in het rond liet zich geen geluid hooren. Eene
rilling ging den jongeling door de leden. Had het ontzettend oogenblik
allen tegelijk het leven benomen?

Intusschen verdreven lichtvonken het duister. Het was de postiljon,
die vuur sloeg. Bij het flikkerend schijnsel zag Lodewijk, dat Bianca
bleek, met gesloten oogen en lippen in zijne armen lag, en dat ook hare
voedster bewusteloos op de bank was neergezonken.

„Licht, licht!” riep hij driftig.

„Dadelijk, signore!”

De lantaarn was ontstoken en verspreidde een droeve schemering door het
duister gewelf der gaanderij. De postiljon richtte zich op en vroeg:
„Er is toch niemand, die zich bezeerd heeft?—Maar wat duivel, waar is
dan de bediende toch?” Eerst nu bemerkte Lodewijk, dat deze ontbrak:
hij moest van den bok zijn gevallen. „Wij moeten hem opzoeken,” riep
hij en vlijde zijn dierbaren last voorzichtig op de wagenbank neder;
vervolgens sprong hij ter aarde, om gezamenlijk met den postiljon den
verongelukte op te zoeken. Dit was weldra geschied; want zij vonden
hem aan den ingang der gaanderij buiten kennis op den rotsachtigen
grond uitgestrekt. Aan zijn voorhoofd bloedde hij een weinig, doch de
wonde was onbeduidend; ook scheen hij overigens onverlet. De postiljon
wiesch hem met eene handvol sneeuw, die de wind tegen de zijwanden der
opening had aangedreven, het voorhoofd, terwijl Lodewijk hem poogde
op te richten en tot bewustzijn te brengen. De oude opende weldra de
oogen. „Waar ben ik?” vroeg hij, meer verbaasd dan uitgeput. Lodewijk
gunde zich den tijd niet om hem te antwoorden, maar ijlde, de lantaarn
in de hand, naar Bianca terug. Zij scheen gerust te sluimeren, zoo kalm
en zacht waren hare gelaatstrekken. Toen het schijnsel van het licht,
door Lodewijk op de voorbank geplaatst, haar op het oog viel, opende
zij dat, sloot het echter, door den glans verblind, weder even ras,
en haalde diep adem. Lodewijk greep hare hand en noemde fluisterend,
maar met innige warmte haren naam; verbaasd sloeg zij de oogen op en
vroeg vervolgens, als met bevreemding en nog ten halven in hare droomen
verzonken: „Wie roept mij toch?”

„Uw broeder, lieve Bianca,” sprak Lodewijk diep geroerd.

„Broeder! broeder!” riep zij, nog bewusteloos, angstig uit, neigde
zich bevende voorover en leunde zacht aan Lodewijks borst, die, door
zijn gevoel overweldigd, haar aan zijn hart en een zoeten kus op haar
voorhoofd drukte. Daar rees zij eensklaps ontwakende op, zag hem met
schuwe, verwonderde blikken aan, en terwijl zij zich met maagdelijke
beschaming aan zijne armen ontwond, stamelde zij: „Mijn God! De
bedwelming—ik weet niet, wat ik gedaan heb!” Tevens viel haar oog op
de voedster, die, nog bewusteloos en het hoofd op de borst gezonken,
in den hoek van den wagen zat. Eene uitdrukking van doodelijken angst
vertoonde zich bij den aanblik op haar gelaat; zij opende de lippen
tot een uitroep, maar deze stierf weg in een beklemden zucht. Daar
bewoog zich de onmachtige en uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft!
zij leeft!” juichte Bianca, in uitgelaten vreugde de armen om den hals
der neergezonkene slaande en haar met teederheid oprichtende. „O mijne
Margaretha, herkent gij mij?”

Hare omarming was zoo innig, dat Lodewijk hier eene nauwere betrekking
moest vermoeden, dan die tusschen meesteres en dienstbare bestaat. Doch
eer hij daarover had kunnen nadenken, wendde Bianca zich tot hem met de
angstige vraag: „Maar waar is—in Gods naam....” Lodewijk ried, wat zij
vragen wilde, en viel haar in de rede met het bericht, dat de dienaar
zich niet bezeerd had. Juist kwam deze met den postiljon op den wagen
toe. Bianca scheen eene rasse beweging te willen maken om hem te gemoet
te ijlen; de dienaar boog zich echter met eerbied en sprak ernstig:
„Het verheugt mij, dat uwe genade geen letsel heeft bekomen; ook ik ben
het gevaar nog gelukkig genoeg ontkomen.”

Men kon in Bianca's trekken lezen, dat eene zeldzame ontroering haar
binnenste schokte. Zij scheen hevig te kampen met eene begeerte,
waaraan zij niet dan met moeite weerstand bood. De oude bediende scheen
daar echter niet veel acht op te slaan en vervolgde koeltjes: „Nu
moeten wij toch maar spoedig eens zien, of de wagen ook veel geleden
heeft.” Tegelijk greep hij de lantaarn en begon as en wielen nauwkeurig
te onderzoeken.

Bianca scheen uitgeput. „Ik kan nog niet tot mij zelve komen; ook weet
ik immers nog volstrekt niet, wat er voorgevallen is en waar wij ons op
dit oogenblik bevinden,” sprak zij op een matten toon en neigde zich
inniger tegen de borst harer voedster, die bij dit alles een koelheid
en afgemetenheid bleef bewaren, die schenen aan te duiden, dat zij
vreesde, het tusschen beiden heerschend verschil van rang en stand uit
het oog te verliezen.

Lodewijk verhaalde in weinig woorden, wat er was voorgevallen en waar
men zich thans bevond.

„De wagen is zoo goed als in duizend stukken gesprongen,” berichtte
thans de postiljon, die gezamenlijk met Paul, den bediende, de wielen
en assen onderzocht. „De heerschappen zullen wel een oogenblik moeten
afklimmen.”

Lodewijk was de vrouwen daartoe behulpzaam. „Zou de ramp ons lang
ophouden?” vroeg Bianca, op de beide mannen toetredende, die bezig
waren het achterrad te bezichtigen.

„Nu ja, signora,” antwoordde de postiljon en nam eerbiedig zijne roode
muts af, „tot het naaste posthuis, misschien wel tot Brieg, zullen
wij het nog voortsleepen; maar daar zal de wagenmaker ons wel een dag
ophouden. De rechter vooras is door midden gebarsten en het rad houdt
met moeite de spaken nog in de naven. De dissel is ook beschadigd; dat
de kast vrij wat geleden heeft, wil ik niet eenmaal rekenen. Achter
gaat het zoo tamelijk, maar het linkerrad heeft ook uitgediend.”

Bianca wierp gedurende dit verslag bezorgde blikken op hare
reisgezellin en op Paul. De laatste begon eindelijk: „Het zal nog te
herstellen zijn, genadige gravin; als smid en wagenmaker goed betaald
worden, zullen, dunkt mij, weinig uren oponthoud voldoende zijn.
Evenwel mag er thans geen tijd verloren gaan.”

„Ja, mijn vriend,” zeide de postiljon; „maar zoo kunnen wij niet
voorwaarts; een paar jonge boomen moeten er eerst zijn: de een om tegen
de as, de andere om tegen den dissel te binden. Verwenscht is het maar,
dat wij hier bezwaarlijk geschikt hout zullen vinden, want heb ik ooit
goed uit mijne oogen gezien, dan wast op deze hoogte geen enkele stam,
zoo als wij dien noodig hebben; hier is alles laag en krom kniehout.
Een half uur verder naar beneden zal het beter gaan.”

„Laat ons dan zoeken,” hernam Paul; „want voorwaarts moeten wij; hare
genade heeft groote haast.”

De postiljon scheen besluiteloos. Lodewijk vermoedde, dat hij, volgens
den gebruikelijken trant der Italianen, eerst wilde zien, hoeveel hem
deze buitengewone dienst konde opbrengen, en beloofde hem derhalve
eene aanzienlijke belooning, wanneer hij den wagen spoedig weder in
gereedheid bracht. De kleine zwartkop schudde echter bedenkelijk
het hoofd en zeide: „Dat is wel licht gezegd, monsignore, maar niet
zoo licht gedaan. Als de sneeuw om dezen tijd eens begint neer te
ploffen, dan is men geen oogenblik van zijn leven zeker. De eene klomp
brengt de andere in beweging. Ja, als wij strenge vorst hadden. Maar
het is dooiweder en dan, vertrouw wie gij wilt, doch hoed u voor de
lawinen. Het kon licht mogelijk zijn, dat gij lang te vergeefs op onze
terugkomst wachten moest. Bij dag kan men beter op zijn hoede zijn;
ook houdt tegen den morgen het gevaar op, want wat de zon over dag los
gemaakt heeft, is dan naar beneden gestort, en zij moet weder nieuwe
massa's ontdooien. Maar nu, bij nacht, is het stuk niet te wagen.”

Lodewijk besefte, hoe pijnlijk deze vertraging der reize voor Bianca
zijn moest, alhoewel zij het dringendst gevaar ook reeds ontkomen
waren. „Ik verzel u, wij willen het gevaar samen deelen,” sprak hij dus
vastberaden.

„Dat ware goed en wel, monsignore,” antwoordde de postiljon, zonder
aan zijn bedenkelijk gelaat eene andere plooi te geven, „wanneer wij
het met een paar galgvogels te doen hadden, die aan den weg achter de
struiken op den loer zitten. Maar de lawine geeft er niet om, of wij
twee, of drie, of twintig te zamen zijn, en gaat toch haar gang.”

„Laat ons het dan ten minste beproeven, mijn vriend,” riep Lodewijk,
terwijl hij de lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.”

Bianca wierp hem een dankbaren blik toe, die hem nog meer in zijn
besluit versterkte. „Hebt gij een bijl?” vroeg hij.

„Bijl en touwen liggen in de kast onder den bok,” antwoordde Paul en
haalde het gevraagde te voorschijn.

„Zoo kom, mijn vriend,” sprak Lodewijk met vastheid tot den postiljon,
„de bediende mag bij de dames blijven.”

„Nu, dan moge Sint Borromeus ons bijstaan!” riep deze half zuchtende,
half verdrietig.

Paul trad voor. „Wanneer iemand gaan moet, heer graaf, dan ben ik het.
Gij zelf blijft dan tot bescherming der dames achter.”

Bianca was in tweestrijd, of zij Lodewijk smeeken zoude, het
waagstuk op te geven, ja dan neen. Dubbele, even machtige, maar met
elkander strijdige plichten en gevoelens bestormden hare ziel. Zijne
standvastigheid liet haar geene keuze.

„Ik ga zelf,” riep hij vol moed uit; „het blijft, gelijk ik gezegd heb.”

Bij deze woorden greep hij de lantaarn en ging voor. De postiljon
volgde hem.

„God moge u behoeden, mijn broeder,” snikte Bianca hem na.

De postiljon, met den weg bekend, nam hem nu de lantaarn uit de hand.
Nauwelijks waren zij vijftig passen voortgetreden, toen hij uitriep:
„Sante Borromeo! Ik geloof, dat de gaanderij versperd is! Zie slechts,
signore, de uitgang is geheel met sneeuw toegesloten. De lawine moet
zich verdeeld hebben en aan beide zijden van den gang zijn neergestort.
Daar zitten wij dus als muizen in de val; want dat de deur achter ons
toesloeg, hebben wij, de hemel weet het, maar al te duidelijk bemerkt.”

Het was inderdaad zoo, als de postiljon zeide. Eenige weinige schreden
waren toereikende, om Lodewijk te overtuigen, dat de uitgang volkomen
gesloten was.

„Wat vangen wij nu aan?” vroeg hij, niet zonder ongerustheid over deze
onverhoedsche gevangenschap onder de aarde.

„Wat wij aanvangen? Wij gaan naar de dames terug, want hier uitkomen
kunnen wij niet, voor men zoo goed is ons in te halen,” hernam de
postiljon.

„Maar zal men ons verlossen?”—„Pah! daar ben ik geen oogenblik bang
voor. Zij moesten in Sempione en in het naaste posthuis wel doof zijn,
als zij deze lawine niet gehoord hadden; en als men mij morgen vroeg
met mijne paarden niet terug ziet, gaan zij wel zoeken, waar ik beland
ben.”

Door dit antwoord eenigermate bemoedigd, keerde Lodewijk weder tot de
dames terug en berichtte haar, in hoedanigen toestand men verkeerde.
Bianca hoorde hem met meer gelatenheid aan dan hij verwacht had,
en zuchtte slechts, met kalme berusting de oogen opwaarts slaande:
„Wij moeten dulden, wat God ons toezendt; Hij zelf wil thans ons lot
beslissen. Zijn wil geschiede—ik ben op alles voorbereid.”

De postiljon, niets buitengewoons in het voorval ziende, zocht haar
gerust te stellen. „Het heeft geen gevaar, signora, men zal er ons wel
weer uithelpen, morgen middag zijt gij frisch en gezond in Brieg, maak
daarop gerust staat.—Evenwel zullen wij toch een sein zoeken te geven.
Zoo groot eene opening is toch licht door de sneeuw te maken, dat het
schot van mijn musket er door naar buiten kan. Als zij ons in het
posthuis, dat geen half uur van hier is, hooren, luiden zij dadelijk de
noodklok, en dan zijn er morgen bij het aanbreken van den dag handen
genoeg om ons uit te graven. Want hooger dan vijftien of twintig voet
blijft de sneeuw op den smallen weg niet liggen.”

Na deze woorden ging de luchthartige, vlugge Italiaan terstond aan
het werk en hief den disselboom op, waarmede hij een luchtgat door de
sneeuw wilde boren. Terwijl hij hiermede bezig was, hoorde men een
doffen knal in de verte.

Bianca rees verschrikt op. „Wat beteekent dat?” vroeg zij bevende.

„Zoo dadelijk zult gij het hooren,” riep de postiljon en luisterde
aandachtig toe. „Daar hebt gij 't! Zeide ik het niet? Het is een tweede
lawine.” De knal liet zich versterkt twee, drie ras opéénvolgende malen
hooren; daarop volgde een lang aanhoudend, schokkend gedreun, alsof
een zware last steenen in den afgrond nederstortte. Het kwam nader en
nader; eindelijk rolde het zoo dicht over de hoofden der luisterenden
heen, dat het gewelf der gaanderij scheen verpletterd te worden. Bianca
klemde zich angstig aan Margaretha vast; ook de mannen verrieden
schrik door hunne verbleekte wangen. De postiljon echter lachte en
riep: „Hier regent het niet door!”—Het gedruisch nam nu langzamerhand
af en smolt eindelijk weg in een dof gemurmel, gelijk aan dat van een
verren stroom, die woest over klippen heenbruist.

„Heb ik nu geen gelijk gehad?” vroeg de postiljon. „Wanneer het geluk
niet gewild had, dat de uitgang voor ons versperd werd, geloof ik, dat
wij den ingang thans bezwaarlijk zouden hebben weêrgevonden.”

Bianca dankte God door een stom gebed, dat Lodewijks grootmoedig
waagstuk verijdeld was geworden.

Intusschen had de postiljon den disselboom uitgelicht, aan welks
uiteinde hij met behulp van Paul nog een langen stok door middel
van touwen vastmaakte. Toen deze in gereedheid was gebracht, om er
de zachte sneeuw mede te doorboren, begaven beiden zich naar de
uitgang der gaanderij, aan de zijde van het dal, ten einde daar eene
opening, in den vorm van een schoorsteen, door te graven. Lodewijk en
de vrouwen volgden hen; want de afloop van de onderneming was voor
allen van zooveel belang, dat zij er van den beginne af ooggetuige
van wilden zijn. Het maken van een luchtgat geschiedde bij wijze van
trechtervormige boring, daar Paul en de postiljon den dissel gestadig
in korte slingeringen omzwikten. Na weinige minuten stortte een zware
last sneeuw uit de verwijde opening naar beneden. „Ha!” riep de
postiljon, „wij hebben genoeg gewroet, het dak zakt in. Waarlijk,”
vervolgde hij, ter aarde gebogen opwaarts ziende, „de maan schijnt
juist door het venster; als ik schieten wil, dien ik haar maar goed
in 't vizier te nemen.” Lodewijk had het geweer medegenomen en
middelerwijl geladen.

„Wij willen er nog een paar sterke proppen opzetten, dan geeft
het meer slag,” meende de postiljon en haalde eenige stukken oud
papier te voorschijn, die hij bedaard kauwde en met den laadstok
instampte.—„Zoo; nu moet ik een weinig naar boven gelicht worden,
opdat de tromp zoo veel mogelijk naar buiten uitsteke; anders hoort men
het schot niet ver genoeg.” Zonder omstandigheden liet hij zich door
Paul en Lodewijk op de schouders tillen, en schoot nu zijn geweer af.
Een doffe knal deed het gewelf daveren; duidelijk hoorde men het geluid
zich van berg tot berg voortplanten. „Bravo, bravissimo!” juichte de
postiljon, niet weinig over zich zelf voldaan. „Maar nu is het _da
capo_, anders verstaat men het niet.” Hij laadde en vuurde op nieuw,
en ten derdenmale. „Braaf,” riep hij, „nu is er geen bezwaar meer, nu
zullen zij ons niet vergeten. Maar om de lucht wat te zuiveren, willen
wij aan de andere zijde ook zien, wat wij doen kunnen.”

Hij ging met zijn disselboom naar het andere einde der gaanderij, en
bracht daar eene soortgelijke opening door de sneeuw tot stand.

De vrouwen hadden intusschen weder met Lodewijk in den wagen plaats
genomen, om daar het aanbreken van den dag geduldig af te wachten.
Reeds na weinige minuten hoorden zij een verwijderd klokgelui. Het was
de klok, waardoor van posthuis tot posthuis het teeken wordt gegeven,
dat zich op de baan iemand in gevaar bevindt. Zoo waren zij dan van
hunne redding verzekerd, en met kalmte hadden zij het oogenblik kunnen
verbeiden, waren de hun dreigende gevaren door deze vertraging niet,
als golven der zee bij wassenden vloed, al hooger en hooger komen
opstijgen. Nog tweemaal liet zich de donder van neerploffende lawinen,
schoon op grooten afstand, vernemen en vermengde bange siddering
voor die verschrikkelijke natuurverschijnsels niet de smartelijke
gewaarwordingen, welke Bianca's borst doorwoelden. Voor Lodewijk was
elke minuut in dit vertrouwelijk, donker toevluchtsoord aan de zijde
der geliefde doorgebracht, een onschatbaar gewin. Zoo ongelijkmatig
weegt het noodlot zijne gaven in dezelfde schaal aan ons stervelingen
toe!


HOOFDSTUK IV.

Tegen den morgenstond hadden uitputting en vermoeidheid allen
overweldigd, en de oogen gesloten, die zorgen en kommer lang wakend
hadden doen blijven.—Een schot, welks donderende weerklank de doodsche
stilte afbrak, deed de reizigers eensklaps ontwaken. „Dat is het teeken
van redding,” riep de postiljon, die naast Paul op den breeden bok
had plaats genomen, en door dien uitroep Bianca's ontsteltenis in de
levendigste vreugde veranderde. „Wij moeten dadelijk antwoord geven,”
voegde hij er bij, greep zijn geweer en begaf zich naar den uitgang,
aan de zijde van Brieg, waar hij zijn schot door de opening losbrandde.

Terstond verhief zich een luid geschreeuw van vele mannenstemmen zeer
nabij de plaats, waar de reizigers zich bevonden.

„De sneeuwlaag kan niet diep zijn,” riep de postiljon vroolijk uit.
„Binnen weinige uren zijn wij misschien reeds verlost.”

Er verliepen geen tien minuten, of reeds vertoonden zich eenige mannen
op de sneeuw aan den ingang, zoodat men met hen spreken konde. Spoedig
hadden ze eene opening gebaand, door welke men te voet naar buiten
konde komen, schoon deze aan den wagen nog geen doortocht vergunde. Zoo
was dan de poort der duistere gevangenis ontsloten! Lodewijk leidde
de geliefde over de opeengepakte sneeuwheuvels in de vrije lucht. Met
zoeten wellust begroetten beiden het schoone daglicht weder. Uit het
duister graf traden zij in eene romantische landstreek, welke men
bekoorlijk zou genoemd hebben, had niet de winter zijn looden scepter
nog daarover uitgestrekt. Voor hen gaapte een steile, loodrecht
neerdalende afgrond; de vlakte rondom hen was met slanke groene dennen
schilderachtig omzoomd, en diep beneden in het vriendelijke dal
zag men het kleine stadje Brieg, door de kronkelende Rhône met een
glinsterenden zilverband omstrikt, blinkend wit tegen de groene velden
afsteken, die reeds lang met den schoonsten dos der lente getooid
waren.—De lucht, schoon niet warm, was zacht, en de zon scheen helder
op de sneeuwtoppen. De luwe, zoete adem der italiaansche lentelucht,
die men gisteren had vaarwel gezegd, liet zich echter niet meer
bespeuren, en slechts een heldere Februaridag kon men op deze steile
hoogte verwachten. Vandaar dat Bianca met een glimlach zeide:

„Wij zijn sinds gisteren eenige maanden jonger geworden; dáár ademden
wij de Meilucht in, hier echter begroeten ons de eerste dagen van Maart
weder.”

„Zij waren mij van mijne jeugd af de liefste,” antwoordde Lodewijk met
vuur; „dan heeft de lente mij altijd het levendigst getroffen, wanneer
zij nog slechts vluchtig de ijskorsten des winters met haren adem
aanroerde, wanneer wij hare komst eer vermoedden dan reeds dadelijk
ondervonden. De zonneschijn, die het eerst van de boomen in den tuin
den ijzel deed afdruppen, de klokjes, die het eerst uit de sneeuw
oprezen, waren mij als knaap reeds oneindig liever, dan de bloeiendste
Meidag.”

Bianca's lippen bewogen zich tot een toestemmend gefluister, terwijl
zij met het schoone hoofd den jongeling vriendelijk toeknikte. „Het
is waar,” sprak zij peinzende, „het zijn de eerste dagen der genezing
na eene lange, akelige krankte. De kracht der gezondheid is nog niet
teruggekeerd, maar men gevoelt de weldaad der geringe gave ook des te
sterker.”

„Voorzeker,” hervatte Lodewijk, „zij doen ons, even als den behoeftige
het geringste geschenk, meer vreugde gevoelen, dan in dagen van
overmatig geluk het grootste gewin ons geven kan.”

Paul maakte een eind aan dit gesprek door aan de gravin den voorslag
te doen om te voet naar het naaste, slechts een half uur verwijderd
posthuis te wandelen en daar te vertoeven tot de wagen nakwam. Lodewijk
vond dit zeer aannemelijk, daar de vrouwen eenige verversching
behoefden; hij bood Bianca den arm en begaf zich met haar en Margaretha
op weg. Paul en de postiljon wilden, terwijl de landlieden de sneeuw
geheel uit den weg ruimden, het rijtuig zoo veel mogelijk weder
herstellen.

Men had het posthuis in minder dan een half uur bereikt. Het lag
zoo verre benedenwaarts, dat men er geen sneeuw meer ontdekte. Ook
schoot het geboomte er reeds hooger op, schoon nog alleen de dennen en
talrijke mossoorten met groen bekleed waren.

De net gebouwde, zindelijke woning, even toereikende om een huisgezin
tot verblijf te strekken en nog een of twee kamers den reizenden
vreemdeling aan te bieden, vertoonde een treffend beeld van vreedzame
kalmte en rust. Midden in de wildernis neergeworpen, eenzaam, ver boven
andere woningen van menschen verheven, door een sombere, dikwijls
vreeselijke natuur omringd, leverde zij toch zoo alle kenteekenen eener
schuilplaats van stil geluk en ongestoorde tevredenheid op, dat men de
bewoners zoude hebben kunnen benijden. Welke zorgen zouden zich hier
vestigen? Welke kwellende begeerten hier het geluk ondermijnen? Eene
geregelde huishouding, gezette bezigheid, geen mededinger, geen vijand,
geen afgunstig nabuur, genoegzaam verkeer met menschen om niet geheel
af te sterven, te weinig, om door de wisseling der gebeurtenissen in
de woelige wereld mede verontrust te worden—voorzeker, dit zijn de
natuurlijke, vaste grondslagen van een wezenlijk geluk, en slechts de
zich zelf vijandige dwaas vermag die omver te rukken. Maar de drift,
die zich blind en waanzinnig tegen eigen geluk aankant, heerscht
helaas! maar al te menigvuldig en te machtig in den boezem der
menschen. Daarom zal niemand zijn zwart noodlot ontvlieden, die het op
deze wijze in zich zelf omdraagt; maar niemand ook zal het lot vijandig
vinden, die in een kalm, tevreden gemoed den grond legt tot zijn geluk.

„_Mama, mama_,” juichte, toen Lodewijk en Bianca naderden, een klein
meisje, dat voor de huisdeur zat, en klapte vroolijk in de handjes,
„_Mama mia! Un signore, una signora!_” De moeder, eene italiaansche
vrouw, kwam toesnellen, nam het kind op den arm en trad de
vreemdelingen te gemoet.

„De heerschappen hebben een ongeluk gehad?” vroeg zij met deelneming in
die zoete welluidendheid in taal en stem, welke men slechts in Italië
kent. „Er is toch niemand die letsel heeft bekomen?”

„Gelukkig neen,” antwoordde Lodewijk in het italiaansch. „Kunnen wij
hier een ontbijt bekomen?”

„Gewis, signore. Gelieft het u binnen te treden?” Tevens trad zij op
zijde en wilde de vreemdelingen laten doorgaan. Bianca neigde zich in
het voorbijgaan tot het kleine meisje, dat in den beginne eenigszins
schuw terugweek, maar, toen de vreemde haar vleiend liefkoosde,
met onschuldige vreugde tot de moeder zeide: „_Una bellissima
signora_!”—„Ja wel, Giannettina,” hernam deze, „eene schoone,
voorname, lieve dame! Geef haar toch een handje.” De kleine stak de
hand uit; Bianca bracht hare lippen op den bloeienden rozenmond van het
lachend wicht, dat beide armen vertrouwelijk om haren hals sloeg en
haar recht van harte kuste.

„Giannettina!” riep de moeder. „Dat gij zoo stout zijt!”

„O, laat haar toch,” antwoordde Bianca, terwijl zij het kind op haren
arm overnam en mede naar binnen droeg; „ik speel zoo gaarne met
kinderen!”

Zij traden in het voor vreemdelingen bestemde vertrek, waaruit hun
een aangename geur van hyacinten, rozen, reseda en andere welriekende
bloemen te gemoet kwam, die in zindelijke potten de lage vensterbanken
en eene hoektafel versierden. „Ei wat schoone bloemen vindt men
hierboven!” zeide Bianca verwonderd.

„Hier groeit zoo weinig,” was het antwoord, „dat men wel het een en
ander uit het dal moet laten komen. De voerlieden en postiljons brengen
ze ons uit Duomo d'Ossola mede. Gelieft de signora plaats te nemen? Ik
zal dadelijk het ontbijt brengen.”

Zij ging. Bianca plaatste zich op de sofa en wiegde de kleine
Giannettina op haren schoot. Margaretha nam een stoel, Lodewijk trad
aan het venster en wierp verstrooide blikken op het landschap voor
hem. Hij overdacht zijne vreemde ontmoetingen sedert den vorigen
avond, en zij kwamen hem nog als een droom voor, waaruit hij vreesde
te ontwaken; bij tusschenpoozen vestigde hij zijn oog op Bianca
om zich in het gevoel der werkelijkheid te versterken. En deze
werkelijkheid, konde zij zelf zich niet in eene waarheid oplossen,
oneindig smartelijker, dan wanneer alles slechts een schijnbeeld zijner
verbeelding ware geweest? Neen! neen! En al moest hij dan ook alles
weder verliezen, wat hij thans bezat, deze oogenblikken, hoe vluchtig
ook, waren toch op zichzelve reeds een geluk. Hij had de geliefde
werkelijk aan zijn borst geprangd, had zijne lippen gedrukt op haar
zuiver voorhoofd. Zij wist dat en het had haar niet afkeerig van hem
gemaakt. Haar hart sloeg voor hem met minnend dankgevoel, en eene
heilige, onbedriegelijke gewaarwording zeide hem dit; het gevoel, dat
in hare borst woonde, beantwoordde aan den gloed, dien zijn binnenste
bezielde. Mocht ook vrouwelijke schaamte haar thans van hem verwijderd
houden, in een zalig, bedwelmend oogenblik had zij hem toch haar hart
geschonken, en niets was hem vreeselijker dan de gedachte, dat dit
eene dwaling kon geweest zijn. Opnieuw verliezen kon hij, daarop was
hij voorbereid; maar met het gevoel van nooit bezeten te hebben in die
akelige ledigheid van het niet geslingerd te worden, zoo iets ware hem
duizendmaal verschrikkelijker geweest. Met een door dankbaarheid diep
getroffen ziel beschouwde hij derhalve deze wending in zijn lot. Hij
gevoelde het innig, dat eene veredelende smart ons dierbaar kan worden,
dat een kortstondig, maar tevens waarachtig bezit zelfs door het meest
grievend verlies nimmer te duur gekocht wordt.

De waardin verscheen met een echt zwitsersch ontbijt. Op het schenkblad
stond eene reusachtig groote kan met koffie, een andere met chocolade;
versche boter, kaas, honig, ingemaakte vruchten en gebak werden haar
door een dienstmeisje nagedragen.

Men zette zich aan tafel. Bianca hield de kleine Giannettina bij zich
en liet haar mede ontbijten, ten einde, door zich geheel met het kind
bezig te houden, een angstvallig gespannen gesprek te vermijden, dat
zij met Lodewijk op den vertrouwelijksten toon had moeten voeren.

Korten tijd had men nog slechts vertoefd, toen de wagen kwam aanrollen,
die met behulp van eenige landlieden van de bekomen schade weder
eenigszins hersteld was. IJlende spoed nog altijd noodzakelijk
achtende, nam Bianca overhaast en vriendelijk afscheid van de lieve
kleine, die bitterlijk begon te weenen, toen de schoone signora haar
verlaten wilde. „Ik kom spoedig terug, mijne Giannettina,” sprak deze
vleiend; maar het kind weende voort en scheen niet tot bedaren te
brengen. Bianca kuste het, gaf het aan de moeder over en snelde naar
buiten.

„Hoe elk haar bemint en beminnen moet!” zuchtte Lodewijk, toen hij
haar naar den wagen geleidde en eene zachte aandoening op hare schoone
gelaatstrekken bespeurde.

In snellen draf spoedde men thans over den straatweg voort; want de
nieuwe postiljon, die getuige geweest was, hoe rijkelijk Paul zijn
voorganger en de landlieden in naam der gravin begiftigde, hoopte
insgelijks op een goed drinkgeld. Zoo bereikte men Brieg, in het kanton
van Wallis, binnen weinige uren, doch ook slechts te nauwernood, daar
't rijtuig bij elken schok uiteen scheen te zullen springen, zoodat men
zich op het laatst nog genoodzaakt zag, zachter te rijden wilde men
nieuwe ongelukken verhoeden.

De herberg bereikt hebbende, was het Lodewijks eerste werk voor de
herstelling van het rijtuig zorg te dragen. Smid en wagenmaker werden
ontboden; zij verklaarden dat ten minste vier uren daarmede zouden
verloopen.

Bianca zou gaarne den wagen met een anderen verwisseld hebben, doch
hiertoe was in het kleine stadje waarschijnlijk geen gelegenheid
te vinden; ook zou het verruilen van dit, overigens voortreffelijk
ingericht rijtuig een argwaan verwekt hebben, die gevaarlijker kon
worden dan de vertraging zelve. Men vergenoegde zich dus met, door de
belofte van een rijkelijke belooning, den ijver der werklieden aan te
wakkeren.

Bianca verkreeg met Margaretha een afzonderlijke kamer, terwijl
Lodewijk de daaraan grenzende betrok. Paul bleef beneden in de
schenkkamer, waar hij zich vermoeid in een leunstoel nederwierp. Hij
had een geneesheer ontboden, die de bloedende, pijnlijke wonde aan het
hoofd verbond. Zijne krachten schenen zeer uitgeput; in dit opzicht ook
waren eenige uren rust dus wellicht noodzakelijk, wilde men het leven
van den reeds vrij bejaarden dienaar niet aan gevaar blootstellen.

Lodewijk, die, hoe sterk eene begeerte hij er ook toe gevoelde, het
onvoegzaam oordeelde zijn gezelschap aan de zoo zeer rust en verademing
behoevende vrouwen op te dringen, wilde van dit uur gebruik maken, om
de gebeurtenissen der laatst voorgaande uren in zijn dagboek op te
teekenen. Met schrik echter ontwaarde hij, de brieventasch verloren
te hebben, welker bladen hij tot dat einde gewoon was te bezigen.
Hij herinnerde zich duidelijk, ze op geringen afstand van Brieg nog
gebruikt te hebben; zij moest dus in het huis of op den korten weg
daarheen verloren zijn geraakt.

Na vruchteloos zijne kamer doorzocht en bij den waard navorschingen
gedaan te hebben, besloot hij te beproeven, of het verloren goed,
waarop hij wegens de daarin vervatte papieren grooten prijs stelde,
misschien op den weg nog te vinden was. Hij bereikte het einde van
het stadje zonder iets te hebben ontdekt, en wandelde nu verdrietig
langs den straatweg voort. Thans eerst bemerkte hij, dat de plaats,
die hem bij het binnenrijden zoo nabij de stad gelegen scheen, nog een
vrij aanmerkelijken afstand daarvan verwijderd was. Bijna een uur had
hij in snellen tred afgelegd, en nog niets gevonden. Reeds gaf hij
alle hoop op, toen hij eenige schreden voor zich uit iets roods in het
gras zag liggen; hij ijlde er op toe en vond inderdaad het vermiste
weder. Vroolijk spoedde hij zich naar de stad terug. Omstreeks een
vierde uur mocht hij nog van haar verwijderd zijn, toen hij achter
zich den hoefslag van een paard vernam. Hij wendde zich om en bemerkte
een ruiter, die in vollen galop kwam aanrennen, ettelijke honderd
schreden achter dezen zag hij eene, door een tweeden ruiter vergezelde
reiskoets den, door de kromming van een weg veroorzaakten hoek omslaan
en vervolgens met buitengewone snelheid de straat afrollen. Dit maakte
zijne opmerkzaamheid gaande. Hij had echter nog den tijd niet gehad om
eenige gissingen te maken, toen de eerste ruiter hem reeds genaderd
was, het paard aanhield en in het fransch vroeg:

„Zijt gij uit Brieg, mijnheer?”

„Dat niet,” antwoordde Lodewijk, „ik ben een reiziger en keer van eene
kleine wandeling naar de stad terug.”

„Weet gij niet, of daar een wagen met vier paarden, twee dames, een
heer, benevens een bediende op den bok is aangekomen?”

Lodewijk wilde juist neen antwoorden, toen de reiskoets naderde en
stilhield. De heer, die zich in gezelschap van een Franschen officier
daarin bevond, boog zich uit het portier en herhaalde dezelfde
vraag. Dit stelde Lodewijk, die terstond een samenhang tusschen deze
navorschingen en Bianca's vlucht vermoedde, in staat, zich op eenig,
gevaar afleidend antwoord voor te bereiden. Hij herinnerde zich,
dat het posthuis vooraan in het stadje lag en men dus van paarden
kon verwisselen, zonder tot de herberg door te rijden. Vrij bedaard
antwoordde hij dus: „Reeds voor eenige uren heeft die wagen hier
stilgehouden. Er was, geloof ik, eene as gebroken, die men eerst weder
hersteld heeft. Doch voor ongeveer een kwartier, juist toen ik de stad
uitging, zijn die vreemden ook weer weggereden.”

„Duivel!” bromde de heer uit de koets, „welke richting namen zij?”

„De eenige, die zij nemen konden, over Sion naar Genève,” was het
antwoord. „Daar ginds ziet gij de straat, op zijde van de Rhône.”

„Kan men niet recht doorrijden?” vroeg de reiziger met drift.—„O ja,”
dus nam de postiljon van Lodewijk het woord op, „daar beneden kan men
terstond links afslaan en indien uwe genade niet bevreesd is voor een
weinig water, dat misschien in den wagen kan komen, zoo rijden wij de
beek door en winnen een groot half uur uit, zonder de stad te raken.
Wanneer uwe genade daarmee tevreden is, hoop ik de reizigers nog in te
halen; want zij moeten op dit oogenblik in het bosch daar beneden zijn,
wijl men anders van hier den wagen op de landstraat zien zou.”

„Is de zijweg gevaarlijk?”

„In het minst niet, slechts een weinig hobbelig; in één uur op
zijn langst hebben wij de reizigers achterhaald, als uwe genade
verantwoorden wil, dat ik het posthuis voorbij rijd.”

„Ik sta voor alles,” riep de officier in den wagen, „en bovendien
behoudt gij de twintig gouden napoleons, die ik u beloofde, zoo wij de
vluchtelingen vóór Brieg achterhaalden. Kom, voorwaarts!”

De wagen rolde voort.

Lodewijk stond als versteend van schrik; doch spoedig besefte hij, dat
hem geen keus overbleef. Buiten adem spoedde hij zich naar het stadje
terug, om de vrouwen van het gehoorde te onderrichten. In minder tijds
nog, dan voor eenige uren met den wagen, had hij de herberg bereikt en
stond hij, hijgend, in Bianca's kamer. „Mijn hemel, wat deert u?” vroeg
deze, zijne ontroering en ontsteltenis bespeurende. Ademloos begon hij
te verhalen, wat hem bejegend was.

„Barmhartige God,” viel zij hem angstig in de rede, „dan zijn wij
verloren! Welk voorkomen had de reiziger? Had hij zwart haar en donkere
oogen, een bleek gezicht, zeer witte tanden?”

„Het scheen mij zoo,” antwoordde Lodewijk; „doch daar hij zoo dicht
in zijn mantel gewikkeld was, kon ik zijn gelaat niet behoorlijk
onderscheiden; ook beken ik, daarop juist geen bijzonder acht geslagen
te hebben, daar de zaak zelve mij te zeer ontroerde; doch hoor
verder!”—Hij berichtte nu, door welk eene zeldzame aaneenschakeling
van omstandigheden de vervolgers op een dwaalspoor waren gebracht.

„God zij gedankt,” riep Bianca en drukte hare voedster nauwer aan het
hart. „O, gij zijt onze beschermengel!” ging ze, zich tot Lodewijk
wendende, voort en reikte hem de hand.—„Maar wij hebben geen oogenblik
te verliezen!” Met deze woorden rees zij driftig op en schelde om Paul.

„Ten minste twee uren moeten er verloopen,” riep Lodewijk, „eer zij
hunne dwaling bemerken; want in een groot uur dacht de postiljon de
reizigers eerst te bereiken. Hij zal van de eene minuut tot de andere
door valsche hoop verder gelokt worden en misschien wel tot de volgende
posterij doorrijden. Dan kunnen zij vóór den nacht niet terug zijn, en
in dien tijd schaf ik met Gods hulp raad.”

Bianca sidderde hevig en wees den arm van Lodewijk, die haar
ondersteunen en naar een stoel geleiden wilde, niet terug. „God
heeft ons zóó zichtbaar beschermd,” sprak zij, na van den eersten
schrik bekomen te zijn, met meerdere kalmte, „dat ik ook verder op
Hem mijn vertrouwen stel. Gij werdt ten tweede male onze redder.
Zonder het toeval, dat u op de landstraat voerde,—hetgeen anders
hoogst gevaarlijk had kunnen zijn,—waren wij onherstelbaar verloren.
Doch de Algoede is kennelijk met ons!” Daarbij richtte zij een
onbeschrijfelijken blik, waarin een traan van kinderlijke dankbaarheid
met een van angst te zamen smolt, ten hemel.

Paul was naar boven gekomen. Margaretha nam hem ter zijde en fluisterde
eenige woorden, die den ouden dienaar bleek en verschrikt deden
terugtreden. „Dadelijk vertrekken,” riep hij uit, „geen ander redmiddel
blijft ons. Naar den wagen kunnen wij niet wachten; ook zou deze ons
niets baten, daar wij geen anderen weg kunnen inslaan, dan dien onze
vervolgers reeds genomen hebben. Ongemerkt, elk afzonderlijk en te
voet moeten wij de stad verlaten en het gebergte zien te bereiken; dat
is alles wat wij doen kunnen. Pak dus het onontbeerlijkste bijeen,
genadige gravin, en tracht met vrouw Margaretha buiten de stad te
komen. Gij neemt uwen weg het dal door, de Rhône opwaarts en houdt
haren linkeroever. Bij het voorbijrijden heb ik gezien, dat een sterk
betreden voetpad langs de rivier voortloopt; buiten twijfel strekt zich
dat tot het dal uit. Een half uur van hier wacht gij mij op en kiest
daartoe eene boschachtige plaats aan den oever, vanwaar gij den weg
naar de stad overzien kunt, opdat wij elkander niet misloopen. Ik zal
het huis in eene tegenovergestelde richting verlaten; mijnheer de graaf
moet schijnbaar een derden weg inslaan, opdat het zooveel mogelijk
verborgen blijve, waarheen wij ons gewend hebben. Als wij eens weder
bijeen zijn, zullen wij wel gidsen vinden, die ons over het gebergte
leiden, en wellicht zijn ook muildieren te bekomen, om onze reis te
bespoedigen.”

Paul sprak deze woorden met zulk eene vastheid, dat zij als bevelen
klonken; intusschen was zijn raad zoo goed, dat men er daarom alleen
reeds onvoorwaardelijk gehoor aan had moeten verleenen. Lodewijk
bewonderde de koele vastberadenheid en den klaren, krachtigen
spreektrant van den ouden man, die zijne bedaardheid van geest ook
aan anderen scheen mede te deelen; want zelfs Bianca liet bij al hare
angstvalligheid eene kalmte en zielkracht blijken, welke Lodewijk
met recht verbaasde. Zij zocht hare papieren, hare brieventasch en
eenige andere kleinigheden bijeen, terwijl Margaretha de noodigste
kleedingstukken uitkoos en in hare reticule, in het werkmandje der
gravin, gedeeltelijk ook in beider hooge stroohoeden verdeelde. In
minder dan vijf minuten waren de vrouwen reisvaardig en verlieten
ze het vertrek. Een kamermeisje ontmoette haar in de gang en werd
door Bianca aan een venster gebracht, dat naar de zijde van Sion, de
tegenovergestelde richting van haar voorgenomen vlucht, een uitgestrekt
uitzicht opleverde. „Hoe ver is het wel?” vroeg deze, met den vinger
op eene nabijgelegene hoogte wijzende, „van hier tot aan den top van
gindschen heuvel? Kunnen wij nog vóór het duister eene wandeling
derwaarts doen?”

„Wanneer de dames vlug ter been zijn, zal het nog gaan; maar het is een
goed uur,” antwoordde het meisje.

„Dan komen wij niet voor donker, misschien ook wel iets later terug,”
zeide Bianca; „zorg dan slechts, dat onze kamer in orde zij, mijn kind.”

„Verkiest uwe genade het avondeten op hare kamer?”

„Zekerlijk; voor drie personen; maar niet vóór negen ure,” luidde
Bianca's antwoord, en hierop zweefde zij, aan de zijde harer gezellin,
de trappen af.

Lodewijk riep haar met opzet luid na: „Veel vermaak, lieve zuster; ik
voor mij voel geen lust, mij nog meer te vermoeien; zoo ik niet liever
geheel thuis blijf, zal ik mij met eene kleinere wandeling tevreden
stellen.”

Hierop boog hij zich uit het venster en zag, welke richting zij
insloegen. Nog vijf minuten liet hij verloopen, toen zocht ook hij het
noodwendigste bijeen en verliet, onder het neuriën van een liedje, het
huis, als wilde hij slechts een eindweegs de straat opwandelen. Onder
het voortdrentelen zag hij nog een paar malen naar Paul om, doch werd
hem niet gewaar. Weinig schreden van huis ontmoette hij den stalknecht,
wien hij opdroeg, aan Paul te gelasten nog eens naar den smid en
wagenmaker te gaan en hen tot spoed aan te manen, daar hij dadelijk na
het avondeten vertrekken wilde.

De stalknecht antwoordde: „De kamerdienaar laat juist daar beneden
in de straat een horlogeglas voor uwe genade inzetten; wanneer hij
terugkomt, zal ik hem de boodschap dadelijk overbrengen.” Lodewijk wist
nu ten minste, dat Paul ook reeds onder een geschikt voorwendsel het
huis verlaten had.


HOOFDSTUK V.

Met een kloppend hart bereikte Lodewijk het vrije veld en hij was er nu
slechts op bedacht, de ter bijeenkomst bestemde plaats op de beste en
zekerste wijze op te sporen. Dit was echter niet gemakkelijk, want de
verschillende bochten der kleine straat, die hij gevolgd was, hadden
hem naar de geheel tegenovergestelde zijde van het stadje gevoerd. De
binnenweg, dien hij vervolgens insloeg, was aan weerszijden met tuinen
omgeven en vergunde hem niet eenmaal het gezicht op de Rhône. Een
geruimen tijd hield hij dien weg, verdrietig zich bij voortduring door
heggen, heiningen en staketten omringd te zien. Eindelijk toch bereikte
hij de vlakte, maar ontdekte tevens zoo diep in de landstreek te zijn
doorgedrongen, dat het hem niet mogelijk was te bepalen op welke hoogte
hij zich bevond. Op goed geluk af spoedde hij zich dwars over akkers
en weilanden in de richting voort, welke hij nemen moest. Voor meer
dan een half uur had Bianca het huis reeds verlaten; elke minuut was
hem derhalve kostbaar, wilde hij de geliefde niet aan eene angstige
onzekerheid overlaten en, door zijn lang achterblijven, aan eenig
nieuw gevaar blootstellen. Hij verhaastte zijne schreden en bereikte
eindelijk een pad, dat naar eene hoogte opvoerde, vanwaar hij de Rhône
moest ontdekken. Deze beklommen hebbende, zag hij zich tot zijne niet
geringe ontsteltenis aanmerkelijk verder van de rivier verwijderd,
dan hij in den beginne geweest was. De Rhône toch kronkelde zich,
eenigszins ter zijde van Brieg, met eene zoo sterke, bijna achterwaarts
springende bocht, dat Lodewijk, den oorspronkelijken loop der rivier
tot grondslag van zijne richting genomen hebbende, thans dat gedeelte
van den oever, dat omstreeks een half uur van de stad verwijderd
lag en waar Bianca dus volgens afspraak op hem wachtte, op een vrij
aanmerkelijken afstand achter zich zag liggen. Ging hij dus van de
plek waar hij zich nu bevond in eene rechte lijn op den vloed af, dan
bereikte hij dien ver aan gene zijde der plaats van samenkomst; nam hij
zijn koers zoo, dat hij vóór het punt, waar Bianca hem vermoedelijk
verbeidde, de rivier raakte, dan moest hij een terugweg maken, grooter
dan die, welke hem thans van de stad scheidde, en een geheel uur
ging volstrekt verloren. Het raadzaamst was dus rechtstreeks op de
rivier af te gaan en haar loop te volgen, tot hij zijne reisgenooten
van de tegenovergestelde zijde bereikt had. Hij raapte daarom al
zijne krachten bijeen en spoedde voort. Daar breede aardkloven,
zandhoogten en enkele moerassige plaatsen hem dikwijls tot kleine
omwegen noodzaakten, was er weldra een half uur voorbijgegaan zonder
dat hij den oever bereikt had. De zon was reeds achter den rotsmuur
der Alpenketen weggezonken en de blauwachtige schaduwen van den avond
begonnen zich over het diepe dal van Brieg uit te breiden. Thans hoorde
hij de Rhône ruischen; nog eene rotsachtige met distelachtige struiken
overdekte, tamelijk steile hoogte, die den vloed als een dam scheen te
vergezellen, moest hij beklimmen, dan hoopte hij het oeverpad bereikt
te hebben. Moedig begon hij opwaarts te klauteren. De hoogte was echter
steiler dan hij bij den eersten, vluchtigen aanblik vermoed had;
slangvormige kronkelende braamstruiken spreidden zich als strikken over
den grond uit en wondden met hunne scherpe, puntige doornen door de
laars heen zijn voet. Eindelijk had hij deze hindernissen met bloedige
handen en voeten doorworsteld en de hoogte bereikt. Haastig trad hij
voort, om aan de andere zijde af te stijgen, toen hij eensklaps in
zijn loop gestuit werd; hij stond voor een afgrond en hoorde onder zich
de Rhône in hare diepe bedding voortrollen; hare golven zien kon hij
niet, daar de rots waarop hij stond met eene schuine helling voorover
neigde. Omkeeren en de hoogte, de rivier afwaarts, volgen, was het
eenige dat hem overbleef, nergens echter ontwaarde hij een begaanbaar
voetpad en hij moest dus vreezen, zich nog niet op den weg te bevinden,
waarop hij de geliefde hoopte aan te treffen. Hij zag zich intusschen
genoodzaakt, langs den stellen oeverkant voort te gaan, die, gestadig
dichter met hoog kreupelhout begroeid, hem eindelijk het uitzicht in
de verte geheel belette. Tot zijne bemoediging echter ontdekte hij,
dat de grond van lieverlede meer gebaand werd en eindelijk in een druk
betreden voetpad uitliep. Dit moest voorzeker den weg zijn, dien Paul
bedoeld had. Lodewijk trad dus met verdubbelde snelheid langs dien weg
voort. De spoed echter deed hem vergeten op het bruisen van den stroom
acht te geven, en eerst na een kwartier te zijn voortgegaan, bemerkte
hij de doodelijke, zwijgende stilte, die in het rond heerschte en hem
deed vreezen, dat hij wederom van de rivier was afgedwaald. Gelukkig
werd het pad nu minder dicht begroeid, en dit maakte het vertrouwen
bij hem levendig, dat hij nu toch eindelijk de vlakte zoude bereiken,
waar hij stellig verwachtte, Bianca spoedig te zullen opsporen.
Nauwelijks echter vergunde het lage kreupelhout hem een onbelemmerd
uitzicht, of tot zijne levendige ontsteltenis zag hij zich weder ver
van de Rhône verwijderd. De bedriegelijke stroom had andermaal door een
breede kronkeling zijn loop veranderd. Van spijt en bezorgdheid buiten
zich zelf, sloeg de jongeling nu dadelijk rechts af en richtte zich
lijnrecht naar de rivier. Geheel ademloos bereikte hij haar en vond
inderdaad een betreden voetpad, dat den gekromden oever van de stad
af scheen te volgen en verder daar langs voortliep. Hij raadpleegde
zijn horloge. Volle twee uren was hij nu reeds op weg en nog slechts
een half uur van de stad verwijderd. Enkele donkere groepen van braam-
en vlierstruiken vertoonden zich van tijd tot tijd aan den oever en
waren buiten twijfel geschikte schuilplaatsen voor de vrouwen geweest
om er de komst der mannen te verbeiden. Maar wachtten zij nu, daar
het duister reeds begon te vallen, nog op hem? Hadden zij het punt om
hem te ontmoeten op de hoogte waar hij zich thans bevond, of wellicht
niet ver achter hem gekozen? Dit waren twee vragen, die hem met bange
onzekerheid vervulden. Intusschen draalde hij niet met het nemen van
een besluit. Hij wilde zoo ver terugsnellen, tot hij verzekerd kon
zijn, dat het punt van samenkomst niet meer tusschen hem en de stad
lag. Dan ten minste kon hij met zekerheid zijne schreden voorwaarts
richten. Zoo snel mogelijk ijlde hij dus weder op de stad toe; in elk
naderend boschje hoopte hij de dierbare te zullen ontdekken; telkens
bedroog hij zich. Thans zag hij iets wits schemeren; zij moest het
zijn! IJdele hoop! Het was een stuk linnen, dat, tegen de afhelling
van een grasheuvel te bleeken gespannen, door de bijna ontbladerde heg
heenblonk. Nu was hij de stad zoo na genaderd, dat Bianca onmogelijk
reeds hier had kunnen wachten. Daar zag hij, niettegenstaande de
toenemende duisternis, twee gedaanten zich in het naaste, ongeveer
honderd schreden verwijderde boschje bewegen. Zijn hart sprong op van
vreugde; hij ijlde er op toe. Het waren vrouwen; zij droegen hooge
reishoeden; hij zag een witten doek. Hemel, zij is het! juichte hij
ademloos en voelde zijn beklemde hart door de zoetste vreugde verruimd.
Naderbij gekomen ontdekte hij, dat zij, in een gesprek verdiept, den
blik opwaarts naar de met sneeuw bedekte bergtoppen gericht hadden,
die, daar de zon reeds verdwenen was, als bleeke nachtspooksels aan
den schemerenden gezichtseinder oprezen.—Paul was niet bij de vrouwen;
hare houding verried geenerlei onrust of gejaagdheid; dit bracht
Lodewijk aan het twijfelen. Thans wendden zij zich om, door zijne
haastige nadering opmerkzaam gemaakt, en hij had zich wederom bedrogen!

Hij stond als verpletterd; met moeite herstelde hij zich in zoo verre
van zijn schrik, dat hij vragen kon of zij niet twee dames onder
geleide van een bediende gezien hadden. De eene ontkende het, de andere
herinnerde zich, voor omstreeks een uur, op hare wandeling dieper in
het dal, in de verte twee dames onder mannelijk geleide den weg naar
de Rhône te hebben zien inslaan. Lodewijk dankte in haast voor dit
naricht, en verheugd nu ten minste eenig spoor ontdekt te hebben, en te
weten, werwaarts hij zich wenden moest, snelde hij weer terug, den loop
van den schuimenden stroom te gemoet. De angst bevleugelde zijn spoed.
Spoedig had hij de plaats weder bereikt, vanwaar hij was uitgegaan en
hij volgde nu rusteloos het pad aan den oever. Doch nu was het in het
diepe, aan beide zijden door den hoogen muur der Alpen ingesloten dal
reeds volkomen duister, en binnen het uur kon men niet verwachten, dat
de maan den wandelaar zou te hulp komen. Huiveringwekkende eenzaamheid
omringde hem; de landstreek werd spoedig woest en ongebaand. De ruwe
bergklompen stapelden zich gestadig steiler en reusachtiger opeen; de
glinsterende spitsen der sneeuwkruinen staken hoog boven de zwarte
granietwanden uit. Bruisend stuwde de Rhône haar breeden vloed nevens
hem voort en bekranste hare zwarte golven met sissend waterschuim.
Thans werd de oever aanmerkelijk steiler; dra zelfs boog zich een
dreigend rotsblok ver daarover heen. Lodewijk ontwaarde, dat dit de
plaats was, waar hij voor meer dan een uur op de hoogte stond; het
pad liep onder de hellende rots door. Wellicht was Bianca juist op
hetzelfde oogenblik met een angstig beklemd hart hier beneden voorbij
gespoed, dat hij daarboven in doodelijken angst voor den afgrond stond
en niets hoorde dan den rollenden stroom, die aan zijne voeten door
de klippen worstelde.—De weg werd zeer ongebaand en zelfs bij de
steeds toenemende duisternis zeer gevaarlijk; want nu eens steeg hij
steil tegen de rotswanden op, dan weder daalde hij bijna loodrecht
in de diepte neder. Lodewijk getroostte zich gaarne deze hinderpalen
en gevaren, daar hij hoopte, dat Bianca daardoor zoolang zoude zijn
opgehouden, dat hij haar spoedig moest inhalen. Met bedaarden moed
drong hij voort, ofschoon zijne handen bloedden en zijne door den
verhaasten loop als vuur gloeiende voeten hem bij elke schrede eene
hevige pijn veroorzaakten. Een groot uur bleef de weg even bezwaarlijk;
toen steeg hij bij de hoogte op en voerde Lodewijk op een heuvel, waar
het laatste spoor van een gebaand pad, deels door het diepe zand, deels
door de lage, overhangende struiken geheel onzichtbaar werd. De angst
der onzekerheid maakte zich opnieuw van den jongeling meester; want hoe
licht kon hij hier zijne richting geheel uit het oog verliezen en, bij
de woestheid van het dal, in geheel ontoegankelijke streken uitkomen!
Wel is waar bemoedigde hem de gedachte, dat de hoofdrichting van den
weg geen andere zijn konde en dat hij dus waarschijnlijk den volgenden
morgen zou kunnen inhalen, wat hij heden verzuimde; doch welk een zorg
en bekommernis moest die vertraging hem niet doen doorstaan! In allen
gevalle won hij iets, wanneer hij zooveel mogelijk voorwaarts trachtte
te komen; hij hield dus, voor zoover het duister zulks toeliet, de
hoofdrichting in het oog en gunde zich rust noch verademing. Andermaal
verstreek er een uur. Daar schemerde hem een lichtstraal in de oogen;
hij bevond zich in de nabijheid van een hut, de eerste menschelijke
woning, welke hij tot hiertoe op zijn pad had aangetroffen.

Een zoet voorgevoel zeide hem, dat hij daar de geliefde moest
aantreffen; want verder konden hare zwakke krachten haar toch
onmogelijk hebben gebracht. Haastig trad hij op den vriendelijken glans
van het licht toe; binnen weinige minuten had hij het huis bereikt. Hij
klopte aan.

„Wie is daar?” deed zich een ruwe mannenstem hooren en twee zware
holsblokken rammelden in langzamen tred over den grond.

„Een verdwaald reiziger,” antwoordde Lodewijk.—„Goed vriend; ik zal
dadelijk openen,” klonk het van binnen.

Zijn hart sloeg met hevigheid in de hijgende borst; elke seconde,
die voor het openen van de deur verliep, folterde hem met
onbeschrijfelijken angst.

De grendel werd eindelijk teruggeschoven en een grijsaard met
zilverwitte haren en neerhangenden baard stond, door den vlammenden
houtspaan, dien hij in de hand hield, wonderbaar verlicht, voor hem en
heette hem vriendelijk welkom.

„Hebt gij geen andere gasten, goede Vader?” vroeg Lodewijk.

„Geen mensch,” hernam de grijsaard; „wie zou mij armen, ouden man hier
in de wildernis ook komen opzoeken?—Ik vrees niet eens booze gasten,
want bij mij is niets te vinden, dat de hebzucht kan opwekken. Maar
wie zijt gij, lieve vriend, en hoe komt gij zoo laat in den avond nog
hierheen?”

Er verliepen eenige oogenblikken eer Lodewijk, door deze grievende
teleurstelling geheel verbijsterd, in staat was eenig antwoord te geven.

„Ik ben in het gebergte verdwaald en van de mijnen, over wie ik nog
in de grootste ongerustheid verkeer, gescheiden. Zij wilden van Brieg
het dal door op de Rhône afgaan; ik volgde hen en ben, zonder eenig
spoor van hen te vinden, hier eindelijk aan de eerste menschelijke
woning gekomen, waar ik hen stellig dacht aan te treffen, daar, naar ik
meende, een andere weg zijlings af niet mogelijk was.”

„Zeker wel,” hervatte de oude: „de hoofdweg van het dal loopt langs den
anderen oever der Rhône; maar gij hebt vermoedelijk in de duisternis de
plaats waar men overgaat niet bemerkt. Dit pad verliest zich in onze
wildernis.”

„Kunt gij mij op den rechten weg brengen, goede vader?” riep Lodewijk
driftig. „Ik zal u rijkelijk beloonen.”

„Morgen vroeg gaarne, mijn goede heer,” was het antwoord „doch heden
avond zijn mijne zwakke, vermoeide krachten er niet meer toe in staat,
want de weg is in het donker uiterst gevaarlijk, zelfs voor de beste
bergbeklimmers, die hem nauwkeurig kennen.”

Lodewijk had, hoe vermoeid ook, gaarne den geheelen nacht
doorgewandeld; maar een blik op den zwakken, sidderenden grijsaard
overtuigde hem, dat het onmogelijk was van hem te vorderen, nog dezen
zelfden avond den tocht te ondernemen. Hij nam derhalve de gastvrije
uitnoodiging om den nacht in de hut door te brengen aan en volgde zijne
vriendelijke gastheer in het kleine, bekrompene, door den brandenden
houtspaan mat verlichte woonvertrek.

„Het doet mij leed, dat mijn zoon niet te huis is,” sprak de oude; „die
zou beter voor u kunnen zorgen. Doch morgen tegen den avond komt hij
eerst van Sion terug, waar hij bij zijne moei ter bruiloft genood is.
Dus moeten wij ons alleen trachten te behelpen.”

„Goede vader,” sprak Lodewijk, „ik heb slechts rust noodig en die zoude
ik toch niet vinden, al kondt gij mij het kostelijkste bed geven.—Het
eenige, dat ik u verzoeken wil, is, dat wij morgen vroegtijdig
opbreken.”

„Dat zullen wij,” sprak de grijsaard, „daar de maan reeds vóór 3 uur
opkomt; neem het thans met een stuk zwart brood en alpenkaas voor lief;
ook eene teug melk kan ik u geven. Heden morgen had ik nog een restje
wijn, maar dat heb ik waarlijk zelf al leeggeschonken.”

Lodewijk zette zich met den ouden aan den landelijken maaltijd. De
eenvoudige kost zoude hem voortreffelijk gesmaakt hebben, wanneer zijn
hart niet met kommer en bange zorgen was vervuld geweest. Intusschen
deed het genot van rust en verkwikking zijne frissche krachten en
met deze zijne zoete verwachtingen langzamerhand terugkeeren. Hij
voelde spoedig de zware lichaamsvermoeidheid, welke zijn rusteloos
voortsnellen langs onbegaande paden, dat meer dan vijf uren geduurd
had, na een slapeloozen nacht en de vermoeiende wandeling van gisteren
natuurlijk moest te weeg brengen. De legerstede van geurig alpenhooi,
door den vriendelijken oude voor hem uitgespreid, was hem dus van harte
welkom en spoedig zonk hij in een diepen slaap, die, hoe dikwijls ook
door akelige droomen verontrust, zijne krachten deed terugkeeren en hem
tot de nieuwe, moeielijke wandeling sterkte.


HOOFDSTUK VI.

Aan Bianca's zijde had de bedriegelijke droomgod den jongeling
verplaatst, en hij waande eene bloeiende landstreek met haar te
doorwandelen, toen de stem van zijn huiswaard hem wekte.

„Het wordt tijd, mijnheer; de maan komt even boven den Simplon op en
schijnt helder in het dal. Wanneer gij haast hebt, moeten wij thans op
weg.”

Nog half in den droom verward, hoorde Lodewijk des grijsaards woorden
aan en hij kon zich niet bezinnen, waar hij zich bevond; want uit de
lachende velden van Italië, uit den helderen zonneschijn, die zijn
sluimerend oog had omgeven, zag hij zich thans, daar hij het opende,
in eene enge, duistere ruimte verplaatst, waar het bleeke maanlicht
zonderling kampte met het roodachtige schijnsel van den mat glimmenden
dennespaander. Eerst toen de oude hem de hand reikte om hem op te
richten, en de maanschijf hem door het kleine venster vriendelijk in
de oogen blonk, kwam hij volkomen tot bewustzijn. „Zoo dadelijk, goede
vader; ik was nog half in den droom; zoo dadelijk.”

Met deze woorden sprong hij van zijne harde legerstede op en was binnen
weinige oogenblikken geheel reisvaardig.

„Gij moet eerst ontbijten mijn goede heer,” sprak de oude; „ik heb de
melk al gewarmd. De morgenlucht is koel en de koude zou u bevangen, als
gij zoo nuchteren buiten kwaamt. Een warme dronk is altijd goed.”

Door des grijsaards gulhartige voorzorg getroffen, wilde Lodewijk de
aangeboden verversching niet afslaan; echter vergunde hij zich daartoe
slechts weinige oogenblikken, daar de onrust van gisteren zich weder
geheel van zijne ziel had meester gemaakt.

De grijsaard liet bij het verlaten der hut de deur ongesloten. „Hier
berooft ons niemand van ons weinigje bezitting,” zeide hij; „enkel des
nachts schuiven wij den grendel toe om wilde dieren buiten te houden,
want aan wolven is geen gebrek hier op het gebergte.”

De maan scheen vrij helder op hun pad; weldra bemerkten zij ook de
schemering van den dageraad. Lodewijk moest toestemmen, dat de weg
inderdaad gevaarlijk was want zelfs nu nog, terwijl men zien kon waar
men den voet zette, was behoedzaamheid noodig, wilde men geen gevaar
loopen van uit te glijden. Echter scheen hem zijn leidsman al te
omzichtig, al te zorgvuldig toe en vooral waar de weg effen was, stelde
diens wankelende, slepende grijsaardstred zijn geduld meermalen op de
zwaarste proef.

Na ongeveer twee uren wandelens, zeide de oude met zijn stok vooruit
wijzende: „Ziet gij, mijnheer? Daar links hebben wij nu de brug over de
Rhône.”

Lodewijk zag op eenigen afstand twee sterke, zeer lange boomstammen
in de schuinte over de rivier gelegd en herkende ook de plaats weder
aan eenige vreemd gevormde rotsklompen, die den vorigen avond zijne
aandacht getrokken hadden: in het duister had hij de boomen niet
voor eene brug, maar voor een sterk naar het water overhellenden den
gehouden, hoedanige hij er meer langs den oever had gezien. Dat het
pad zich hier verdeelde, was, vooral bij avond, voor een vreemdeling
nauwelijks merkbaar; want naderbij gekomen zag hij, dat men om de
brug te genaken, eensklaps ter zijde wenden en alsdan eenige steile
rotstrappen beklimmen moest, die, bij dag zelfs, bezwaarlijk voor een
pad te onderkennen waren.

Juist wilde Lodewijk aan zijn geleider de vraag doen of hij zich
stellig kon verzekerd houden, dat de weg aan de overzijde der Rhône de
eenige was, dien de reizigers welke hij zocht, konden zijn ingeslagen,
toen een voorwerp, dat bij toeval zijn oog trok, hem met blijde
verrassing vervulde. Hij werd namelijk aan een boomstam, juist bij de
plaats waar de rotstrap naar de rivier afdaalde, een rozerood lint
gewaar, dat in den koelen morgenwind lustig heen en weer fladderde! Vol
zoete verwachting snelde hij er op toe en bemerkte met verrukking, dat
een strik van Bianca's kleed daaraan was vastgehecht.

„O, dat de nacht dat schoone teeken gisteren voor mij verbergen moest!”
riep hij uit en voelde een traan in zijn oog opwellen. „Voorzeker
vervulde mijn achterblijven haar met angst en wilde zij mijne schreden
richten en voor afdwalen behoeden.”

Hij knoopte het lint van den boom los, verborg het zorgvuldig in zijne
brieventasch en trad met vernieuwden moed verder. Aan de overzijde der
rivier gekomen, hield de grijsaard hem andermaal staande met de vraag:
„En waarheen moet ik u nu verder brengen, mijn goede heer?”

„Wel, het dal door; er is immers maar één weg,” antwoordde Lodewijk.

„Nu ja, een hoofdweg,” hervatte de oude; „maar gij zeidet gisteren, dat
uwe vrienden, het gebergte door, Zwitserland dieper in wilden, en dan
hebben wij ruime keus, want hier zijn verscheidene wegen, die u over
de Alpen in het Berner-bovenland brengen; de vraag is maar, welken gij
verkiest.”

Lodewijk stond eene poos besluiteloos. Eensklaps rees de gedachte bij
hem op: zij zal mij voorzeker wel een tweede teeken geven en ook verder
op het spoor doen blijven. „Voorwaarts maar,” sprak hij; „zoodra de
weg zich verdeelt, zullen wij verder zien.”

Zij traden voort en kwamen spoedig op een weg, die voor bergwagens en
muilezels bruikbaar begon te worden. Bovenal op spoed bedacht, zoude
Lodewijk gaarne zijne schreden verdubbeld hebben, maar de loome tred
van den oude, die met moeite de wandeling voortzette, noodzaakte hem
zijne vurige drift te beteugelen. Na reeds verscheiden jonge landlieden
ontmoet te hebben, wier voorkomen de kracht en vlugheid aanduidde,
welke Lodewijk zoo gaarne aan zijn gids had toegewenscht, nam deze
eindelijk uit eigen beweging het woord op en zeide: „Ik zie wel
mijnheer, dat gij gaarne sneller voort wildet dan mijne zwakke krachten
toelaten. Wilt gij niet liever een geleider nemen die wat vlugger ter
been is? Zoo dadelijk komen wij aan eene hoeve, waar ik bekend ben en u
licht een gids kan bezorgen, die tot Bern of Zurich nauwkeurig den weg
weet.”

Lodewijk, wien dit voorstel reeds lang op de lippen zweefde zonder dat
hij er, om den goedhartigen oude niet te krenken, voor dorst uitkomen,
nam het met blijdschap aan en antwoordde: „Het zal daarom uwe schade
niet zijn, oude heer; maar spoed is voor mij van zooveel aanbelang,
dat ik desnoods alleen verder zou gegaan zijn om maar haastiger voort
te komen. Ik moet, het koste wat het wil, mijne vrienden van daag nog
inhalen.”

„Daar komt Jozef waarlijk zelf aan!” viel hem de grijsaard met een
vroolijken uitroep in de rede en wees op een jonkman, die met een korf
op den schouder, in de verte naderde.

„Ei, Seppi,” riep hij hem op eenigen afstand toe, „gij komt juist van
pas; wilt gij dezen heer over het gebergte brengen?”

„Van harte gaarne,” antwoordde de gevraagde met eene krachtige basstem;
„was ik dan maar van dit pak bevrijd, dat naar Brieg moet.”

„Geef maar over,” riep de oude; „dat bezorg ik voor u; brengt gij den
heer maar verder.”

Lodewijk nam een hartelijk afscheid van den wakkeren grijsaard, en
moest zich, door met spoed zijn weg voort te zetten, aan de luide en
herhaalde dankbetuigingen onttrekken, waarin eene rijkelijke belooning
den oude deed uitbarsten. Zijne eerste zorg was nu bij den nieuwen gids
te vernemen of deze misschien ook eenig spoor van de door hem gezochte
reizigers ontdekt had.

Het antwoord was ontkennend.

Eene tweede taak was, uit te vorschen welken weg de vreemden, die
spoedig en zonder opgemerkt te worden hunne reis wenschten voort
te zetten, wel konden genomen hebben om op de veiligste wijze over
het gebergte te komen en de Duitsche grenzen te bereiken. Dit was
bezwaarlijk, zonder den samenhang der omstandigheden te doen gissen;
nochtans verzon hij eene fabel, waardoor hij alle verdenking van Bianca
en hare geleiders hoopte af te weren, en zeide op een vertrouwelijken
toon: „Ik zal u maar zonder omwegen bekennen, goede vriend, dat vurige
liefde voor eene jonge engelsche dame, die ik, van Italië komende,
op den Simplon ontmoette, mij tot zulk een haast aanzet. Te Brieg
vernam ik, dat zij, niettegenstaande het vroegere jaargetij, besloten
had, midden door het gebergte te trekken om de woeste natuur te beter
te leeren kennen. Daar hare reis overigens grooten spoed vordert,
wilde zij een weg nemen, die haar daartoe het best de gelegenheid
aanbood en tevens nader naar Duitschland bracht. Haar mijn geleide
aanbieden durfde ik niet, daar zij, alleen door eene kamenier en
een oude bediende vergezeld, verder geen gezelschap verlangt, maar
vrij en zelfstandig de wereld wil doorreizen, zooals dat wel meer de
verkiezing der engelsche vrouwen is. Echter was mijn verlangen om bij
haar te blijven zoo groot, dat ik vast besloten had haar heimelijk te
volgen en mij dan in het gebergte, waar de wegen niet zoo spoedig weer
uiteen loopen, als toevallig bij haar te voegen. Of zij mijn voornemen
geraden had en het opzettelijk wilde verhinderen, weet ik niet; doch
hoe 't zij, gisteren tegen den middag, terwijl ik eene wandeling deed,
heeft zij Brieg verlaten, schoon zij mij gezegd had, niet voor den
volgenden morgen te willen vertrekken. Het eenige, dat ik met zekerheid
heb kunnen gewaar worden, is dat zij dezen weg langs de Rhône heeft
ingeslagen. Wat dunkt u nu, dat ik verder moet doen om haar op het
spoor te komen, goede vriend? Was ik gelukkig genoeg haar te vinden,
dan zou ik u rijkelijk voor uwen goeden raad beloonen.”

„Ja, mijnheer, dat is waarlijk eene moeielijke zaak, iemand op te
zoeken van wien men niet weet, welken weg hij genomen heeft. Er zijn
hier eene menigte van wegen. Als wij bij Naters, dat daar beneden
voor ons ligt, over de bergen gaan, kunnen wij, de Jungfrau voorbij,
in het Bovenland komen. Dat zou de naaste weg naar Bern zijn, maar in
dit jaargetij is hij hoogst gevaarlijk en de beste gemzenjager zou
hem niet licht uitkiezen. Drie uren verder bovenwaarts loopt nog een
pad over de steilte, dat de Jungfrau links laat liggen en waarlangs
wij, zoo God wil, Grindelwald bereiken kunnen. Maar dat is ook al een
weg, dien men in den zomer neemt; bij wintertij, zooals nu, wordt hij
zelden of nooit gebruikt. Die wegen denk ik dus niet, dat de dame
genomen heeft, ook zou zij daartoe bezwaarlijk een gids vinden. Nu
blijft er nog een pad over, dat bezijden den Grimsel heenloopt, of,
willen wij in het Rhônedal blijven, een ander, dat over de Furca naar
Realp, Hospital en vervolgens op de Gotthardstraat brengt. Dat zijn
de vier hoofdwegen; wie klimmen en klauteren wil en voor omwegen niet
bang is, kan nog verscheidene andere nemen, maar met die bijpaden zijn
wij landlieden niet bekend, en om daarop te recht te komen, dient men
een goed bergjager bij zich te hebben, die dag en nacht in de bergen
rondzwerft. Thans echter, in het voorjaar, daar de sneeuw nog zoo
hoog ligt en men elk oogenblik lawinen te wachten heeft, thans is het
waarachtig niet te wagen, mijnheer! Ik geloof dus zeker, dat de dame òf
over de Grimsel òf over de Furca gegaan is en, heeft zij haast, dan is
de laatste weg nog de beste; want hij loopt regelrecht op den grooten
weg naar Altorf uit en gaat verder door Brunnen en Zug naar Zurich.
Nader weg op Duitschland is er niet; er zijn er wel, die meer rechtuit
loopen, maar daar ze dikwijls zoo ongebaand en gevaarlijk zijn, vallen
zij bij slot van rekening doorgaans nog wel eens zoo lang. Wanneer het
weêr bovendien eens onstuimig werd, konden wij licht acht dagen op het
gebergte liggen, zonder een voet verder te komen.”

Lodewijk hoorde deze niet zeer troostrijke berichten onder het
voortwandelen aan. Hij besloot, tot aan Maienwand het dal te volgen
en op ieder zijpad scherp acht te slaan, om te zien, of Bianca hem
misschien ook eenig nieuw teeken mocht hebben achtergelaten.

Vrij spoedig bereikte men het kleine dorpje Naters, waar het meisje
waarschijnlijk moest overnacht hebben. Lodewijk won overal berichten
in, doch niemand wist hem eenig uitsluitsel te geven. Toen hij, het
dorp verlatende, aan de plaats kwam waar de weg ter linkerzijde naar
het gebergte afsloeg, zag hij te vergeefs naar een lint of eenig ander
teeken om: geen spoor van de geliefde was in het rond te ontdekken.
Hoe bekoorlijk het dal ook zijn mocht, door hetwelk hij aan de zijde
van zijn geleider stilzwijgend voortwandelde, trok toch geene der
hem omringende schoonheden zijne oogen tot zich. Zijne gansche ziel
was met Bianca vervuld, die hij thans vreezen moest even snel en
onverhoeds weder te zullen verliezen als hij haar gevonden had. Elken
wandelaar, dien hij ontmoette, ondervroeg hij; in verschillende aan
den weg gelegene woonhuizen deed hij onderzoek naar de reizigers; doch
al zijne pogingen bleven zonder gevolg. Nauwelijks vergunde hij zich
zooveel rust, als hem en zijnen leidsman tot verademing volstrekt
noodzakelijk was. Met klimmende beangstheid zette hij zijn tocht
voort; de laatste bewoonde plaats die hij aantrof, was Ulrichen. Het
was drie uur in den namiddag toen hij daar aankwam; twaalf volle uren
had zijn wandeling nu reeds geduurd en de weg was bij tusschenpoozen
uiterst vermoeiend geweest. Onbegrijpelijk scheen het hem, dat hij
tot hiertoe zelfs niet het geringste spoor van het voorwerp zijner
navorsching ontdekt had. Verder toch kon zij, ook bij den grootsten
spoed, bezwaarlijk gekomen zijn; ja, al had zij ook den ganschen
nacht door hare vlucht voortgezet, het laatste gedeelte van den weg
moest zij toch bij helderen dag hebben afgelegd en kon zij dus, daar
eene reizende dame in het tegenwoordige vroege jaargetij een zeldzaam
verschijnsel was, onmogelijk onopgemerkt zijn gebleven. Dit deed hem
meer en meer bevreesd worden, dat zij, om te spoediger de nasporingen
harer vervolgers te ontkomen, het gewaagd had een dier gevaarlijke
bergpaden te nemen; en zoo kwelde hem nu niet alleen de gedachte van
haar gescheiden te zijn, maar ook de bezorgdheid, welke hij voor haar
leven moest beginnen te koesteren. De eenige en laatste hoop die hem
overbleef, was deze, dat hij aan den Maienwand, waar het steile pad
naar den Grimsel opwaarts stijgt, een teeken vinden mocht, dat hem
uitnoodde dezen weg te vervolgen, of dien naar den Gotthard in te
slaan. Zijne uitgeputte krachten vergunden hem echter niet de reis
verder te voet voort te zetten; hij droeg dus aan Jozef den last op,
twee muildieren te huren, welke deze hem reeds vroeger gezegd had,
dat hier voor vreemdelingen, die zich het beklimmen van den steilen
Maienwand gemakkelijk wilden maken, doorgaans wel te bekomen waren. Na
verloop van een half uur, terwijl de vermoeide jongeling een vluchtig
middagmaal nuttigde, kwam Jozef dan ook reeds met twee goed gezadelde,
door een drijver geleide muilezels terug, en onverwijld begaf zich
de kleine karavane nu weder op weg. Spoedig had men den Maienwand
bereikt en Lodewijk onderzocht met angstvolle opmerkzaamheid elken
boom en elken struik, dien zich aan den weg vertoonde; doch helaas!
geen rooskleurig schijnsel liet zich tusschen het nauw ontloken groen
bespeuren.

Nu bleef hem geen keus meer over. De geliefde had hem ook hier geen
wenk gegeven om de baan te verlaten; was zij hem dus nog vooruit, dan
moest zij den weg over den Gotthard gekozen hebben. Van nu af begon de
landstreek woest en eenzaam te worden; slechts weinige, thans verlaten
herdershutten vertoonden zich in de nog geheel met sneeuw overdekte
wildernis. Ter linkerzijde der reizigers hief het ijspaleis van den
Rhônegletser, door de brekende zonnestralen met ontelbare verven
gekleurd, zijne glinsterende spitsen omhoog; ter rechter stapelden zich
onmetelijke rotskolossen uit de diepte opeen, en vóór hen verloren de
beide sneeuwpiramiden der Furca hare witte toppen in het heldere blauw
van den onbewolkten hemel. Het dal was bij een prachtigen voorhof van
het versteende, fonkelende rijksgebied van den winter te vergelijken,
op welks diamanten bodem plant noch bloesem ontkiemt en de warme
zonnestraal in zeven koude kleuren afstuit.

Lodewijk ontdekte nog een groen heestertakje, dat op eene zonnige
plaats van den rotswand, tusschen de steenkloven uitstak en zijne
teedere bladeren even begon te ontwikkelen. Hij plukte het, om een
herinneringsteeken van de laatste grenzen der lente in het barre
wintergebied mede te voeren. Het pas ontloken groen was een beeld van
zijne hoop, wier even geopende kelk, tegen den storm van zoo gedurige
en ruwe teleurstellingen niet bestand, zich bijna geheel weder gesloten
had. Wie weet, dacht hij, of de bloesems mijner hoop niet reeds
geheel zijn afgevallen, als deze nauwelijks geopende knoppen aan den
dorren stam beginnen te verwelken. Hij hechtte de twijg op zijn hoed
vast en reed in diep stilzwijgen naast zijne geleiders verder. Toen
zij den hoogen sneeuwpas, waarover het spoor door lange seinstaken
was afgebakend, bereikt hadden en zich, door snerpende winterkoude
verkleumd, aan den voet der beide steile rotskegels bevonden,
waartusschen de beroemde straatweg heenkronkelt, wierp hij nog eens
den blik terug. De zon, de hooge bergkruinen tot zeer nabij genaderd,
schoot hare laatste vlakke stralen over de blauwe, nevelachtige
steilten in het dal neder. Zoo ver zijn oog reikte, waren slechts
sneeuwvelden en granietklompen te bespeuren. De aanblik van dit sombere
kerkhof der natuur verlevendigde het smartelijk gevoel, dat zijn
boezem beklemde. O God, zuchtte hij, laat mij haar wedervinden, haar,
de eenige, die den helderen straal der hoop in mijn treurend, diep
gewond hart deed nederdalen. Gij zondt mij haar toe als eene hemelsche
verschijning uit uw zalig rijk, o laat haar niet als een ijdel
droombeeld spoorloos weder verdwijnen; ontruk mij haar niet, evenals
gij mij haar geschonken hebt!

De ruwe storm, die gierend over de kale hoogte heenblies en de sneeuw
in dwarreling deed opstuiven, was het eenige antwoord, dat zich op deze
klacht deed hooren; de zon zonk weg achter eene breede rotskruin en
eene reusachtige schaduw breidde zich over het sneeuwvlak uit.

„Verder,” riep Lodewijk den gids toe en wendde zijn muildier om,
„verder!”

„Wij zullen onzen tijd ook noodig hebben,” was het antwoord, „willen
wij Andermatt nog vóór den nacht bereiken. Als de storm aanhoudt, kon
het licht mogelijk zijn, dat wij bij den kapucijn te Realp overnachten
moesten.”

Men reed door, Lodewijk in sombere mijmering verzonken, zijne geleiders
onder het voeren van een levendig gesprek in den zwitserschen tongval,
waarvan een vreemde, ook als hij er naar geluisterd had, weinig
verstaan kon.

Toen men de hoogte achter den rug had, werd de storm minder hevig
en, vroeger dan men gedacht had, kwam men te Realp aan, waar men
eenige oogenblikken in de hut vertoefde van den kapucijn, die de
vreemdelingen op brood, honig en melk gastvrij onthaalde. Deze
ververschingen worden om niet aangeboden; wat de reiziger daarvoor
betalen wil, is eene vrijwillige gift, en de goede pater, die in deze
sombere eenzaamheid zijne dagen vreedzaam slijt, ontvangt het in naam
van zijn klooster in eene armbus. Op zijne navorsching naar Bianca
ontving Lodewijk ten antwoord, dat sedert 17 October geen enkele
reiziger was voorbijgekomen, en tot bevestiging legde de monnik hem
het vreemdelingenboek des voorgaanden jaars voor. Hiermede was zijne
laatste hoop verdwenen; hij haalde diep adem, bedwong met moeite zijne
tranen en stond op om te gaan. „De hemelsche Vader trooste en zegene u!
Gij schijnt niet gelukkig,” sprak de monnik en reikte hem vriendelijk
de hand. Lodewijk drukte die met warmte en verliet haastig de kleine
cel.

Toen hij weder onder den vrijen hemel stond en de snijdende wind hem de
fijne stuifsneeuw in het aangezicht joeg, scheen het hem een oogenblik
toe, dat hij zijne gestoorde zielrust moest terug bekomen in een rustig
verblijf, te midden eener zwijgende eenzaamheid als deze, waar hij tijd
had alleen voor zijne droomen en in de wereld der herinnering te leven,
onbekommerd over het lot der aardbewoners, die daar buiten door den
storm der wisselende gebeurtenissen rusteloos heen en weder geslingerd
worden.

Maar neen, dacht hij weder, gij zoudt ook hier den storm niet
ontvlieden, die in uw eigen boezem zich verheft. Sluimeren niet in de
ziel, ook des eenzamen, al die verderfelijke zaden, die eensklaps tot
giftplanten opschieten, wanneer de vijand ze ontkiemen doet? En wie
anders is des menschen vijand dan hij zelf? Neen, ook die hoop zou
grievende teleurstelling baren!

Allengs begon het duister te vallen. De storm verhief zich opnieuw en
deed de aan weerszijden van den weg opeengehoopte sneeuwheuvels in
tallooze vlokken verstuiven. Het werd vinnig koud. Nu begon Lodewijk
eindelijk te voelen, dat zijne krachten waren uitgeput, dat zijn
afgetobd lichaam na de geweldige overspanning dringend rust behoefde.
Met zekere ontevredenheid over zich zelven bespeurde hij, dat het
bereiken eener herberg, het vinden van een goed bed, ongemerkt de
vurige wensch was geworden, die zich, nevens het verlangen naar het
verlorene, van geheel zijn hart had meester gemaakt. De laatste dagen
waren dan ook boven alle beschrijving vermoeiend geweest, en misschien
had wel nooit een reiziger in één dag den afstand afgelegd, die zich
tusschen zijn voorgaand nachtverblijf en Andermatt, het plaatsje dat
hij nu naderde, uitstrekte.

Door den vochtigen nevel en de toenemende duisternis, waarmede de nacht
het dal overtoog, liet zich van tijd tot tijd een flikkerend schijnsel
van verlichte vensters in de verte ontwaren, dat den vermoeiden
reizigers tot eene troostende leidstar diende. Eindelijk bereikte
men de eerste huizen en, na verloop van eenige minuten, steeg men af
voor een vrij aanzienlijk gebouw, welks benedenverdieping van heldere
lichten straalde.


HOOFDSTUK VII.

„God dank, dat wij onder dak zijn!” riep Jozef. „Het was geen klein
dagwerk. Ik ben anders geen van de zwaksten, maar wij hebben toch een
eindweegs afgelegd van daag!”

De gids hielp Lodewijk uit den zadel stijgen; een gedienstige
huisknecht was met hetzelfde oogmerk toegesneld en noodigde hem uit
in het warme vertrek te treden, alwaar reeds eenige, zoo even eerst
aangekomen gasten tot den avondmaaltijd verzameld waren.

Het verwekte bij den jongeling eene zeldzame gewaarwording, zich zoo
eensklaps uit de woeste, zwijgende wildernis, die hem den ganschen
dag had omgeven, in den vriendelijken kring des gezelligen levens
verplaatst te zien. Hij trad toch in eene ruime, door een aantal
kaarsen helder verlichte zaal, in wier midden eene zindelijk gedekte
tafel hem uitlokkend toelachte. Aan het boveneinde, om de gloeiende
kachel, zaten drie reizigers, voor wie men juist het avondeten had
opgedragen.

„De heeren hebben zich reeds aan tafel gezet,” zeide de knecht:
„verkiest mijnheer dadelijk aan den maaltijd deel te nemen, of zich
eerst op zijn kamer te ontkleeden?”

Lodewijk, niets anders bij zich hebbende dan hetgeen hij aan het lijf
droeg, zou dat gemak moeten ontberen, al ware het hem ook niet zoo
aangenaam geweest, dadelijk aan tafel te kunnen gaan, om zich daarna
te spoediger ter rust te begeven. Hij trad dus op de vreemden toe en
groette beleefd, zonder hen echter aan te spreken. Zij beantwoordden
zijn groet met eene zoo voorkomende vriendelijkheid, dat hij zich
daardoor reeds aangenaam verrast gevoelde. Naar hunne kleeding en
hunne door de zon verschroeide gelaatstrekken te oordeelen moesten zij
officieren zijn. Schoon zij hem in het Fransch hadden aangesproken,
verried een zeker iets in hun voorkomen, dat zij tot eene andere natie
behoorden. Twee, de oudste ongeveer zes en dertig, de jongere omstreeks
twintig jaar oud, hadden zwart haar en kleine zwarte knevels; de derde
was blond en blozend van gelaatskleur. Lodewijk nam plaats en trachtte,
zich zelf geweld aandoende, de opgeruimde stemming der vreemden ten
minste uiterlijk tot de zijne te maken. „Komen de heeren uit Italië of
zijn zij derwaarts op weg?” vroeg hij.

„Onze weg,” hernam de oudste, wiens rijzige gestalte en, men had kunnen
zeggen, koninklijk voorkomen hem iets gebiedends gaven, „onze weg leidt
ons waarschijnlijk diep het noorden in. Voorloopig echter gaan wij naar
Duitschland en wel naar Dresden, werwaarts de Fransche keizer zich
dezer dagen begeven moet.”

„De oorlog is dan zeker?” vroeg Lodewijk.

„Wij hopen het,” sprak de vreemdeling op een toon, die meer uitdrukte
dan de gewone vreugde des krijgsmans, die bij het begin van een
veldtocht eene reeks van glansrijke daden en overwinningen door de
onzekere toekomst ziet heenblinken.

Lodewijk zweeg. Als Duitscher zag hij met diepen weemoed de vreemde
krijgsbenden zijn ongelukkig vaderland opnieuw overstroomen; echter
zeide hem de onwraakbare rechterstem der waarheid, dat Duitschlands
smaad niet geheel onverdiend was en dat, hoe zwaar het vreemde juk
knellen mocht, hoe grievend het ware, zich zonder vrije keus en
onvoorwaardelijk aan den overwinnaar te moeten aansluiten, dit, schoon
vernederender voor de vorsten, voor de volken toch nog steeds eervoller
bleef, dan langer zich te zien prijsgeven, aan die ontzenuwde,
smadelijke en baatzuchtige staatkunde, waardoor sedert eene eeuw, en
voornamelijk sinds den dood van den grooten Frederik, de duitsche natie
zoo schandelijk was verlaagd geworden. De drie woorden des vreemden:
„wij hopen het” wekten derhalve den innerlijken tweestrijd zoo levendig
weder in zijne borst op, dat zelfs de bange bezorgdheid, die hem sinds
gisteren vervulde, voor een oogenblik daardoor verdrongen werd.

De vreemdeling scheen den indruk te bevroeden, die zijn gezegde op
Lodewijks ziel had te weeg gebracht. Na eenig stilzwijgen vervolgde
hij in het hoogduitsch. „Het bevreemdt u, mijnheer, dat ik van een,
naar alle waarschijnlijkheid bloedigen oorlog zeide: wij hopen, dat
hij zeker zij; het bevreemdt u te meer, daar gij, naar ik hoor, een
Duitscher zijt. Door een lang verblijf zijn wij het ten halve; vergun
dus, dat wij ons van de taal van uw land bedienen. Het moet u ten
hoogste roekeloos en lichtzinnig toeschijnen, dat wij op een keer der
wereldgebeurtenissen hopen, die half Europa met siddering en bange
verwachting te gemoet ziet. Het is inderdaad hard, zich in een toestand
te bevinden, waarin men slechts uit een groot, algemeen onheil eenige
gegronde hoop op de herkrijging der eigene, dierbaarste goederen kan
opvatten; wij echter bevinden ons in dat geval.”

Hier hield hij een oogenblik op en scheen door een hevige
gemoedsbeweging verhinderd om verder te gaan. Zijne mannelijke
gelaatstrekken kenteekenden innigen, diepen weemoed; eene donkere wolk
van zwaarmoedigheid breidde zich over zijn open voorhoofd uit en zijn
oog staarde mijmerend voor zich heen, zonder dat de wil den weifelenden
blik bestuurde.

Lodewijk waagde 't niet de diepe stilte af te breken; ook de beide
jongelingen zwegen en vestigden weemoedige blikken op het peinzend
gelaat van hun geleider.

„Wij zijn Polen, mijnheer!” vervolgde deze eindelijk op vasten,
mannelijken toon. „Wij verwachten van den op handen zijnden krijg
een vaderland, terwijl wij nu als arme ballingen rondzwerven. Gij
zult thans toestemmen, dat ik zeggen mocht: wij hopen op oorlog!”

Lodewijk was zoo verrast, dat hij niet wist wat dadelijk te antwoorden;
doch de vreemdeling bespaarde hem die moeite, door het gevulde wijnglas
op te vatten met den uitroep: „Het vaderland! Met dien dronk kan ieder
instemmen, tot welk land hij ook behoore.”

Met dit glas wijn scheen de vreemdeling als door een toovermiddel zijne
sombere stemming op eens verbannen te hebben. „Wij zijn reizigers,”
ging hij voort, „die elkander in een buitengewonen tijd, op een
buitengewone plaats aantreffen. Uit de gebergten van den Gotthard,
waarop wij ons bevinden, ontspringen bronnen naar alle vier deelen
der wereld, die hare stroomen uitgieten over Duitschland, Frankrijk
en Italië. Daarentegen loopen de wegen dier landen op dit ééne punt
te zamen en ontmoeten elkander in dit middelpunt. Men bevindt zich
hier als het ware op den kruisweg der wereld. Morgen volgt deze den
Rijn of de Reuss, die den Tessino, een derde de Rhône. Het oogenblik
van samenzijn moet men genieten, het als eene vroolijke en zoete
herinnering in aandenken houden, want wie weet of men elkander op de
wegen dezer aarde wel immer weer ontmoet.—Wij drieën,” ging hij zich
tot Lodewijk wendende voort, „kennen elkander, zijn landslieden en
krijgsmakkers. Gij moet ons vreemd blijven, wij u, wanneer wij hier
geen vriendschappelijke vertrouwelijkheid laten heerschen; zoo kon
een gelukkig uur, waaraan wij naderhand nog wel eens gaarne zouden
terugdenken, ons koud en ongenoten voorbijvliegen. Mij dunkt dus, wij
geven naam voor naam. Ik noem mij Stephanus Rasinski en ben overste
bij het keizerlijk leger; deze mijne jonge vrienden en kameraden zijn
officieren bij hetzelfde regiment, graaf Boleslaw en graaf Jaromir, en
gij, mijnheer?”

„Mijn naam is Lodewijk Rosen, ik ben een Duitscher,” antwoordde de
gevraagde.

„Welkom dan! Rosen is een schoone naam. Wel hem voor wien nog rozen
bloeien, al zijn 't slechts alpenrozen. Die tijd is voor mij voorbij,
want wie dra zijn veertigste jaar bereikt heeft, mag niet meer aan
bloesems denken en kan ten hoogste nog op eenige late vruchten hopen.
Nu, ook ik zag bloesems ontluiken en zag ze vallen! Op de ontwikkeling
van elken schoonen bloesem der jeugd, der hoop en der liefde! Klinkt
meê, jonge vrienden want de wensch betreft meer u dan mij zelf!”

Lodewijk hief met ontroering den beker omhoog. Rasinski's woorden
troffen zijn hart, maar vervulden het tevens met een zachte schemering
van hoop, daar hij, gelijk men in eene dergelijke gemoedsstemming vaak
aan kleinigheden pleegt te hechten, er eene gelukkige voorbeduidenis
in waande te ontdekken. Nog eene tweede gedachte rees bij hem op. Hoe
gelukkig werkte de gulle openhartigheid van den graaf, daar zij vier
vreemden door het eenvoudige, maar tooverachtig werkende middel eener
mededeeling van namen en naaste betrekkingen zoo ras met elkander
in verbintenis bracht. Wanneer ik, dacht hij, door schuwe blooheid
weerhouden, slechts niet verzuimd had aan het bekoorlijke wezen,
hetwelk mij hare betrekkingen verbergen moest, ten minste de mijne
op te geven, en haar mijn naam te noemen, dan ware de band tusschen
ons beiden, nog niet geheel afgebroken, schoon ik haar nu ook al
dadelijk niet wedervond. Neen, hoe nauw de vrouwelijke kieschheid ook
in hare handelingen beperkt zij, voorzeker zou Bianca mij toch een
teeken hebben weten te geven, waardoor ik haar naderhand nog eens kon
opsporen. Zoo heeft dat pijnlijk verzuim mij wellicht voor altijd het
geluk van mijn leven ontroofd!

Dergelijke gedachten vervulden zijne ziel, terwijl het gesprek over
verschillende onderwerpen voortliep. Graaf Rasinski scheen de droeve
snaar welke hij in den beginne had aangeroerd, opzettelijk te vermijden
en de jonge officieren eerden daarin bescheiden zijn wensch. Men sprak
over Italië, over Parijs, over de verdiensten des keizers als veldheer
en staatsman, van zijn tocht over den grooten St. Bernard, in welks
nabijheid men zich bevond, van de vreeselijke toerustingen tot den
aanstaanden oorlog, over de reusachtige ontwerpen van zijn heldengeest,
die Frankrijks vanen van de piramiden naar den Taag, van den Taag naar
Ruslands sneeuwvelden rusteloos voortjoeg; kortom, men sprak over alles
wat toenmaals ieders hart en hoofd bezig hield en de tongen van geheel
Europa in beweging bracht.

Ongemerkt was een uur vervlogen; het maal was afgeloopen en men begaf
zich ter rust.

Door een vloed van gedachten en tegenstrijdige gewaarwordingen zoo
geslingerd, dat hij, niettegenstaande zijne geweldige afmatting, den
slaap niet dadelijk vatten kon, overdacht Lodewijk op zijne zachte
legerstede, wat hem den volgenden dag te doen stond. Zou hij de reis
voortzetten, of terugkeeren? Moest hij Bianca langs een anderen weg
opsporen, of den kortsten, die naar Duitschland voerde, blijven volgen?
Het was hem niet ontgaan, dat de Polen met hem dezelfde bestemming
hadden, en in het eerste oogenblik had zijne vreugde daarover hem
bijna verraden; bij nader inzien deed het hem echter genoegen, te
rechter tijde gezwegen en zich zelven beheerscht te hebben, daar een
dergelijk geleide hem alle mogelijkheid zou benomen hebben, om zijne
navorschingen voort te zetten. Hij besloot derhalve, wanneer zulks
doenlijk was, zonder zijn hoofddoel te ver uit het oog te verliezen,
zijn nieuwe bekenden zoodra mogelijk weder vaarwel te zeggen en alleen
de reis te vervolgen.

Onder deze overleggingen overviel hem eindelijk de slaap, welke zijne
uitgeputte krachten zoozeer noodig hadden.


HOOFDSTUK VIII.

Het was reeds helder dag, toen hij door een zacht tikken aan zijne deur
ontwaakte. Op zijn: „binnen!” trad de jongste der drie officieren, de
blonde, bloeiende graaf Jaromir de kamer in. „Vergeef mij,” sprak deze,
„dat ik u zoo stoor. Ons allen zou het echter zulk een groot genoegen
zijn, de reis in uw gezelschap te mogen voortzetten, dat ik door mijne
kameraden verzocht ben u daarover te spreken; eene opdracht, die ik
zeer gaarne op mij neem, zelfs op het gevaar af van u vertoornd te
hebben.”

Lodewijk verontschuldigde zich over zijn lang slapen en beloofde
dadelijk op te staan en in de ontbijtzaal te komen. Binnen weinige
minuten trad hij die binnen en werd door de officieren met hartelijkheid
begroet. Rasinski, die alle gezellige betrekkingen gaarne zoo ver
mogelijk scheen uit te breiden, verklaarde dat hij het was, die het
voorstel gedaan had, op Lodewijk te wachten, daar men onmogelijk had
kunnen besluiten, vóór hem af te reizen en hem de beroemde straat van
den Gotthard alleen te laten langs trekken. „Twee menschen,” meende
hij, „die gezamenlijk over de Duivelsbrug gegaan zijn, blijven door die
herinnering hun leven lang even nauw verbonden, als de beide oevers
der Reuss door de brug zelve worden aanéén gehecht. Zelfs de wilde
vloed des levens zal niet alle banden tusschen hen verbreken, zoo
onuitwischbaar is de herinnering aan een belangrijk uur, hetwelk men te
zamen doorleefde.” Lodewijk gevoelde de waarheid van deze opmerking en
dankte den graaf met warmte voor zijne vriendschappelijke oplettendheid.
De frissche, wintersche morgen, het gevoel van teruggekeerde
lichaamskracht, de innemende gulhartigheid zijner reisgezellen, dit
alles te zamen was bij hem van eene zoo gelukkige uitwerking, dat hij
zelfs een zweem van opgeruimdheid gevoelde, ofschoon Bianca's beeld
niet uit zijne ziel week en als eene stomme, treurende gestalte stand
hield te midden der schoone, frissche tooneelen, welke het tegenwoordige
oogenblik hem voorspiegelde.

De muildieren waren getoomd, de gidsen reisvaardig. Men verliet het
statelijke hotel der Drie Koningen te Andermatt en reed nu het dal
afwaarts, op zijn donkere uitgangspoort toe. De gelijksoortigheid dezer
landstreek met die, welke hij een paar dagen vroeger was doorgetrokken,
maakte weemoedige herinneringen bij den jongeling levendig. Evenals op
den Simplon opende zich thans de duistere kloof, het Urnerloch genaamd;
gelijk dáár stortte zich de stroom schuimend in de diepte neder, gelijk
dáár viel in het midden van den doorgang eene kortstondige schemering
door eene vierkante opening naar beneden en zag men de Reuss, een
wit spooksel gelijk, al schuimende voorbijschieten. Nu verdoofde de
vreeselijke donder van den rollenden stroom het oor. De kloof opende
zich, en men stond in de door hemelhooge rotsen ingesloten bergpas,
waar de bruisende Reuss klaterend in den afgrond nederstort en in hare
onstuimige woede boorden en oeverdammen dreigt vaneen te rijten. Over
dezen borrelenden, ziedenden waterketel is de smalle brug met zulk eene
koenheid heengeslagen, dat de overlevering gelijk schijnt te hebben,
wanneer zij beweert:

    _Die brug is het werk niet der menschelijke hand,
    Wie toch zou zich zoo iets vermeten._

Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich
de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski
hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich
en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets
zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich
elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene
huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert
zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts
de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en
verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen
en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer
de Reuss plotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men
zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.

Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend
verhevene schouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog
gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe
ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was,
over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere
kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds
heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door
onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met
een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol
schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering
voor langen tijd!

Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper
inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner
metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan
hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik
het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht
bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.

Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte
granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog,
doch rechts baande zich de Reuss, in eene onafgebroken keten van
watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den
rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor.
Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen
toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het
glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder,
in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen
grond des hemels afteekenden.

Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig
bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de
winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste
rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker
begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer
begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere,
groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.

In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan
indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door
de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk
de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart
zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een
tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke
van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere
hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel
eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe
prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel
nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het
voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was
zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven,
dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker
onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende
minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij
kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over,
tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart
opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven
dood gelijkt.

Reeds vroegtijdig bereikte men het dorp Am Steg, waar het Schaechendal
zich met kronkelende bochten van de Reuss afscheidt. Hier ontbeten de
reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naar Altorf in, die in het
breede, groene dal tusschen frissche grasvelden heenvoert en waarop
men niet meer door het donderen en klateren der Reuss verdoofd, maar
slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.

De reisgenooten van Lodewijk wilden het Vierwaldstättermeer bezichtigen
en haastten zich Flüelen te bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den
avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen,
het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar
Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, te meer daar hij
het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder
verwijl over Zurich op Schaffhausen voort te zetten. Hij moest dus
van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik
zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die
vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne
groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben
vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van een vetturino, en
hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den
weg van Milaan naar Duomo d'Ossola had doen zoek raken.

Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld
gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem
eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders
ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te
doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas
reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om
zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.

Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk
hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men
elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder
weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen
wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden
wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne
aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.

In de herberg te Altorf bevond zich toevallig een voerman, die met
een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats
en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver
uit Ulrichen ontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder
verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond te Zug aan, en den
volgenden middag bereikte hij over den Albiss, welks hoogte hem een
laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en
meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer
zij haren weg door eene der bergpassen van het kanton Wallis genomen
had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht
hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne
beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel
en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of
hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten,
dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te
winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij
nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor
de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der
hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging
hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend
hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar
zijne woonplaats aan te nemen. Over Schaffhausen en Freiburg kwam hij
binnen weinige dagen te Heidelberg aan.

Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige
plaats, waar hij zoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht,
binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden
gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen,
en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel
vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.

Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld
had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten
van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest,
het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het
frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te
heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid
in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis
te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost
en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den
volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.

Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij,
om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten,
eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve,
zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand,
waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den
naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.

„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag
te hebben.

„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der
aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen
en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke
krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij
reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden
de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich
in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen
brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze
regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp
een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de
eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven
meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van
het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige
slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in
dezer voege:

            „Aan den onbekenden Vriend!

Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde als ~zuster~
begroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij
vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel
weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme
toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de
scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van
de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en
droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden
der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem
verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar
wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem
alles, alles verschuldigd is.

                                            De geredde B.....”

„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die
het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon
afwenden.

„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht
zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo
roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo
duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het
lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal
zulk een romaneske droomer!”

„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want
juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge
gewaarwordingen, dat men nooit jong, nooit met eenig dichterlijk gevoel
bezield moet geweest zijn, zoo men in zijne verbeelding niet het
bekoorlijkste vrouwelijke wezen voor zich staan en de zoetste tranen
vloeien ziet, welke ooit een helder oog verdonkerd hebben. Ja, ik zou
bijna durven beweren, dat elk mensch in zijn leven de een of andere
ontmoeting gehad heeft, waaraan hij hier op eene zonderlinge wijze
herinnerd werd.”

Het gesprek over dit onderwerp werd opnieuw zeer levendig en gaf
Lodewijk tijd om tot bedaren te komen. Het uur van den maaltijd scheen
hem eindeloos lang te duren, en niet zoodra was deze afgeloopen, of
hij stond op, maakte zich heimelijk van het kostelijke blad meester
en snelde naar zijne kamer. Hier gaf hij in een stroom van lang
weerhouden, heete tranen den beklemden boezem lucht. Door grievende
smart overweldigd, boog hij zich neder en smeekte uit het diepste
zijner ziel: „Algoede Vader! houd mij niet voor eeuwig van haar
gescheiden, laat het schoone gesternte nog eenmaal op mijn donker
levenspad lichten! Neen, niet daarom hebt gij mij de zaligheid des
levens getoond, om mij voor altijd weder in den duisteren afgrond der
vertwijfeling terug te stooten.”



TWEEDE BOEK.


HOOFDSTUK I.

„Nu is alles gereed, lieve moeder,” sprak Maria, met van vreugde
glinsterende oogen en een tevreden lachje op het zachte gelaat in de
kamer tredende en een sleutel op de tafel leggende, waaraan de moeder
zich met eenig naaiwerk bezighield. „Nu mag hij elke minuut komen: hij
vindt ons voorbereid.”

„Gij hebt toch ook de boeken in de kast in orde geschikt?” vroeg de
moeder.

„Ik heb niet het minste vergeten,” antwoordde het meisje, „en als hij
nog de oude broeder is, als zijne neigingen niet geheel veranderd zijn,
zal hem de nieuwe kamer gewis bevallen. Wat heeft zich alles toch
voorspoedig geschikt en hoe gelukkig, dat wij dadelijk eene woning
vonden, die voor ons allen ruim genoeg en zoo geheel naar onzen smaak
is! Maar nu kan ik het uur van zijne aankomst ook nauwelijks meer
afwachten, zoo verlangend ben ik, den trouwen, goeden broeder weer
aan het hart te drukken!—Doch gij, lieve moeder, zijt niet vroolijk
genoeg. Hebt gij eenige zorg, eenigen kommer.”

Met deze woorden boog zich Maria vol deelneming over de moeder heen en
sloeg den arm vleiend om haren hals. Deze zag de dochter geroerd in
het schoone, door de zoetste hoop verhelderde gelaat en sloot haar met
teederheid aan de kloppende borst. „Geene, lieve Maria, geene, dan die
het moederhart immer gevoelt. Wij hebben Lodewijk nu in twee jaren niet
gezien; hij heeft de wereld doorgezworven en ze van hare glansrijkste
zijde leeren kennen. Zal zijn toenmaals reeds zoo trotsch, vurig hart
in onzen huiselijken kring voldoening vinden? Zal hij met tevredenheid
op de levensbaan blikken, die vóór hem ligt?—Wanneer gij mij ook al
niet onvermengd vroolijk ziet als gij zelve u gevoelt, schrijf het
niet aan mindere, maar wel aan sterkere en daardoor meer bezorgde
liefde voor hem toe. Daar uw jong onervaren hart geene andere dan de
kleine huiselijke wereld kent, waarin wij ons met eenige vertrouwde
vrienden bewegen, daar al uwe wenschen in den beperkten kring, die ons
omgeeft, bevrediging vinden en dien nimmer overschrijden, gelooft gij
daarom, dat Lodewijk zich hier even gelukkig zal gevoelen?—Het zal
hem misschien met alle betrekkingen des levens even zoo gaan als met
zijne kamer; omdat de vensters het uitzicht op de Elbe hebben en het
slaapvertrekje in den tuin uitkomt, noemt gij ze heerlijk gelegen.
Vergeet echter niet, dat hij te Heidelberg den Neckar onder zijne
vensters voorbijstroomen en het tegen hem over gelegene trotsche
slot zich in de golven spiegelen zag, herinner u dat hij uit Italië,
uit Zwitserland terugkeert. Evenals onze landstreek hem wellicht te
eentonig, de ligging onzer woning hem te bekrompen zal voorkomen, kan
hij ook in onze burgerlijke, huiselijke, geheel vrouwelijke levenswijze
geene bevrediging voor zijne wenschen meer vinden. En wat dan nog,
wanneer een blik op zijne toekomstige loopbaan hem overtuigt, dat hij
zich steeds binnen die enge grenzen zal moeten beperkt zien? Meent gij,
dat hij dan gelukkig zal zijn?”

„O voorzeker, lieve moeder,” hernam Maria, „hij had immers altijd
een zoo licht bevredigd, welwillend hart, zooveel gehechtheid aan de
stille genoegens van onzen kleinen kring, dat hij zich ook verder onder
ons volkomen gelukkig en te huis zal gevoelen. Ik ben zeker, dat het
eerste gezicht zijner kamer hem geheel den ouden maakt. O, wanneer
hij nu slechts dadelijk terugkwam en zag, hoe de breede prachtige
Elbe tusschen de rozenstruiken voor het venster heenschemert, hoe de
avondzon achter de blauwe bergen van den anderen oever wegzinkt en
hare laatste stralen door de wijnranken in de kamer werpt! En dan de
nieuwe kast, waarin ik al zijne boeken geplaatst heb, zooals zij altijd
stonden, en vaders afbeeldsel boven de sofa en daar tegenover de lieve
kleine piano met de oude, welbekende muziekboeken, waaruit wij zoo
dikwijls samen gezongen hebben—o gewis, goede moeder, wanneer hij dat
alles weerziet, zal hij op eens weder geheel te huis bij ons zijn!”

„Gij, lieve dweepster,” sprak de moeder met een glimlach, „daar
gij, meisje, bij het zien van het sierlijke, zoo zorgvuldig door u
ingerichte vertrek eene kinderlijke vreugde gevoelt, meent gij, dat
het ook de wenschen des vurigen jongelings geheel moet bevredigen. Hoe
weinig kent gij de mannen en de wereld, Maria!”

„Maar ik ken toch mijn broeder, ik ken Lodewijk,” hervatte zij levendig
en een traan van zusterlijke liefde welde in haar blauw oog op; „ik
geloof niet, dat hij zich gelukkig zal gevoelen, omdat hij zijne kamer
in orde en bewoonbaar vindt, maar wijl hij dadelijk bespeuren zal, dat
hem hier de oude liefde, en de oude hartelijkheid der moeder en zuster
wacht!”

Een posthoorn liet zich hooren. „Hij is het!” riep Maria en snelde
naar het venster. Ook de moeder richtte zich met ontroering op, doch
eensklaps bezon zij zich en zeide:

„Waar denkt gij aan, Maria! Gelooft gij dan, dat hij als een voornaam
heer met extra-postpaarden hier zal aankomen? Bedenk toch, dat hij
slechts als student gereisd heeft. Misschien,” voegde zij er lachend
bij, „komt hij wel, omdat zijne beurs uitgeput is, zeer deemoedig te
voet zijne vaderstad binnenwandelen.”

Maria, die intusschen hare overijling had ingezien, wendde zich
weder tot de moeder met de woorden: „ik stel mij zijne komst op elke
wijze als mogelijk voor. Wanneer er bedaard en zachtjes aan de deur
geklopt werd, zou ik denken, dat hij het was, die ons door zijne
heimelijke komst dubbel verrassen wilde. Rijdt er eene fraaie koets
voorbij, waarom zou hij daarin niet kunnen zitten en in gezelschap
van een rijken vriend of reisgenoot zijn aangekomen? Verbeeld ik mij
de huisdeur of een mannelijken tred te hooren, dadelijk denk ik aan
Lodewijk en verwacht immer, hem de kamer te zien binnentreden.—Groote
hemel, daar is hij zelf!” riep zij, daar de deur inderdaad geopend
werd, en met den uitroep: „Broeder, beste broeder!” vloog zij den
binnentredende te gemoet en klemde zich in warme omhelzing aan zijn
hals vast. Zij kuste, snikte, lachte, weende in een adem en liet zich
half onmachtig naar de moeder dragen, die zich sidderende van de
sofa poogde op te richten, maar door den hevigen schok der vreugde
overweldigd, weder terugzonk, tot Lodewijk hare beide handen aangreep,
ze met heete vreugdetranen besproeide en diep getroffen zijn gelaat aan
de moederlijke borst verborg.

Deze legde beide handen zegenend op zijn hoofd, hief het oog ten hemel
en dankte in sprakelooze verrukking den Almachtige voor het wederzien
van den eenigen, boven alles beminden zoon. Maria had intusschen de
hand des broeders niet losgelaten; zij hield die met zachten druk
in hare rechterhand vastgeklemd, terwijl zij den linkerarm om de
moeder sloeg en hare gloeiende wang aan haar schouder drukte, als
wilde zij zich toch een klein deel van den stroom der moederlijke
liefde toeëigenen, die zich in dit oogenblik geheel over den broeder
uitstortte. Het was echter slechts om hem, toen hij het hoofd eindelijk
weder ophief, dadelijk opnieuw te kunnen kussen, streelen en door
duizend zusterlijke liefkozingen hare vreugde te kennen te geven.

Nadat de eerste oogenblikken, die in vreugde zoowel als in smart iets
verdoovends en overstelpends hebben, voorbij waren, gevoelden zich de
drie nauwverbonden harten in dien onbeschrijfelijk zaligen toestand
verplaatst, waarin men kalm genoeg is om zijn geluk geheel te bevatten,
en toch nog de geheele frischheid van den eersten indruk geniet. Dan
eerst verheugt men zich recht in het bezit en geniet de gaven, waarmede
de weldadige Godheid ons plotseling in ruime mate overstelpt heeft.

Nu namen ook die vroolijke ontboezemingen van innige hartelijkheid een
aanvang, dat vragen naar duizend lieve kleinigheden, dat te binnen
roepen van ontelbare herinneringen, die zoete, eerste uitstorting
der volle harten, dat mededeelen van de nieuwste, zachtste indrukken
der ziel, door wier onderlinge uitwisseling men als het ware eerst
weder recht met elkander vereend en vertrouwd wordt en de kleine
vervreemdingen doet verdwijnen, die tijd en afstand ook in de nauwst
verbonden gemoederen plegen te weeg te brengen.

Maria streek haren broeder de lokken van het voorhoofd en snapte,
het oog vol teederheid op hem gevestigd houdende: „Gij zijt geheel
onveranderd, broeder; uw voorhoofd is slechts wat bruiner en
mannelijker geworden, maar nog open en edel als eertijds. Wanneer gij
u achter eene heg verborgen hadt en ik niets anders van u had kunnen
zien, zou ik u toch dadelijk herkend hebben.”

Lodewijk blikte in het vriendelijk oog, dat hem met zooveel liefde te
gemoet straalde.

Hij beantwoordde het kinderlijke spel door haar de eene hand op het
voorhoofd te leggen en met de andere het gelaat te bedekken, zoodat
slechts de oogen zichtbaar bleven. „En u,” zeide hij, „zou ik in het
verre Sicilië herkend hebben, wanneer gij, zooals nu door mijne beide
handen, door de opening van groene jalousieën hadt uitgezien. Uw lieve
blauwe oogen zouden u terstond verraden hebben. En toch komen zij mij
nog helderder voor dan eertijds; ja, lieve zuster, gij zijt in alles
schooner geworden.”

„Ga toch!” zeide Maria en keerde zijne handen zachtjes van haar gelaat
af, dat door een licht blosje hooger gekleurd werd. „Wij willen elkaar
liever vrij en ongedwongen aanzien. Ook moet gij mij duizend dingen
vertellen, waarnaar ik u lang had willen vragen. Doch halt! zeg mij
eerst, zijt gij met den wagen gekomen, die hier zooeven met vier
postpaarden voorbijreed?”

„Met denzelfden, Maria,” antwoordde Lodewijk, „maar ik wilde u
verrassen, daarom was ik reeds aan den hoek uitgestegen en sloop in
huis, terwijl de wagen voorbij dreunde, zoodat gij niet eens het
opengaan van de deur kondt hooren.”

„Dat was heerlijk van u bedacht; en hoe goed is het gelukt!” riep
Maria. „Maar hoe kwaamt gij aan dien wagen met vier paarden?”

De moeder scheen eene dergelijke vraag op de lippen te hebben. Lodewijk
antwoordde: „Zeldzaam genoeg, lieve moeder; reeds in Zwitserland had
ik kennis met eenige Poolsche officieren gemaakt, die ik in Leipzig
opnieuw aantrof. Nu drongen zij er bij mij op aan, dat ik met hen
rijden zoude en ik maakte met vreugde van het vriendelijk aanbod
gebruik. Van uwe goedheid, lieve moeder, zal ik echter de beantwoording
dezer beleefdheid verzoeken moeten, want ik zal bezwaarlijk kunnen
vermijden, hen uit te noodigen nu en dan ons huis te bezoeken.”

„Wanneer zij in den stillen kring van twee vrouwen behagen scheppen,”
hernam de moeder, „weet gij, dat uwe vrienden mij steeds welkom zijn.”

„Maar gij hebt uwe kamer immers nog niet gezien,” riep Maria met
levendigheid uit; „o, die moet ik u dadelijk toonen! En waar zijn dan
uwe koffers?”

„Die kunnen wij naderhand uit het Hôtel de Pologne laten afhalen, lieve
zuster. Zij waren zoo met die mijner vrienden bijeengepakt, dat ik ze
niet spoedig genoeg krijgen kon; ook heeft het immers thans geen haast.
Toon mij nu, waar ik wonen zal.”

„Zeker recht aardig, en mij dunkt, alles is zoo ingericht, dat gij er
terstond smaak in zult vinden,” sprak Maria en huppelde, den sleutel in
de hand, vroolijk vooruit.

Toen Lodewijk het stille, vriendelijke vertrek binnentrad, overviel hem
een onweerstaanbaar gevoel der diepste weemoedigheid. Het ligt in den
mensch, zijne smart levendiger te gevoelen, wanneer hij een schijn van
geluk om zich heen bespeurt. De liefde van moeder en zuster had hem
zoo hartelijk ontvangen, en de kamer, welke hij thans binnentrad en
waar hij alles vereenigd vond, wat hem ooit belangstelling ingeboezemd
en gelukkige uren geschonken had, leverde van die liefde een nieuw
bewijs op. Vóór weinige weken nog zoude hij zich zoo gelukkig in
dat bewustzijn, zoo tevreden in dezen vertrouwelijken kring gevoeld
hebben, en thans werd de grievende, maar zekere overtuiging bij hem
levendig, dat dit alles slechts een schijn van geluk opleverde. Wat hem
tot hiertoe bevredigde, verblijdde, zijn hart geheel vervulde, had
plotseling alle kracht verloren en kwam hem te akeliger voor, naarmate
het hem voorheen dierbaarder geweest was.

In hare argelooze vreugde kon Maria niet vermoeden, hoe hevig zijne
ziel geschokt was; zij hield den traan die in zijn oog blonk, voor
een tolk der vroolijke verrassing of geloofde hem aan de zoete, oude
herinneringen gewijd, die ook in haar met vernieuwde levendigheid
ontwaakten en ook haar tranen van zachte verteedering in de oogen
joegen. „Niet waar, Lodewijk, wij verstaan elkander?” vroeg zij, en
drukte hem met een glimlach de hand.

„Neen! neen! wij verstaan elkander niet!” weergalmde het luid in zijn
binnenste, doch hij opende zijne lippen niet, verwrong ze tot een
smartelijk lachje en liet de zuster de hand, die zij inniger in de hare
sloot.

„Wat schoone rozestruiken,” zeide hij na eenig stilzwijgen, „en vol
knoppen!”

„Zij waren altijd uwe lievelingsbloemen,” hervatte Maria, verheugd dat
hij den blik naar het venster wendde: „en hier staan ook viooltjes.
Vormen zij niet een schoonen voorgrond van het landschap daar in de
verte? Blinkt de Elbe niet als zilver tusschen de groene bladeren door,
en de avondzon als goud en de hemel blauw of, als de ondergaande zon
hem kleurt, als gloeiend purper?”

„Purper, zilver en goud en azuurblauw en groen der bladeren, hoe
tooverachtig klinkt dat; men zou wanen in het zuiden van Italië te
zijn! Maar gij hebt gelijk, lieve zuster, het is hier recht schoon,”
antwoordde Lodewijk en trachtte onder eene gezochte wending zijne ware
gevoelens te verbergen.

Maria opende nog twee vensters, om aan de zachte Meilucht den vrijen
toegang in het vertrek te laten. Den arm om haren hals geslagen, trad
de jongeling aan het venster en vestigde het oog op den breeden,
glansrijken stroom. Hij zweeg, Maria eveneens; doch haar zwijgen was
dat der schoonste innerlijke gemoedsrust, het zijne dat van het stomme
sprakelooze zielelijden. Had zij thans het flonkerend oog opgeslagen,
zij zou in zijne bleeke gelaatstrekken, in zijne sombere blikken
gelezen hebben, dat eene zware strijd zijn binnenste schokte.

„Vertel mij nu iets van moeder, lieve Marie,” begon hij eindelijk; „zij
ziet er bleek uit, is hare ziekte bedenkelijk? Lijdt zij nog aan de
borst?”

„De geneesheer geeft bij voortduring de beste hoop en wij verwachten
alles van den zomer, beste broeder,” antwoordde zij geruststellende.

„En hoe leeft gij overigens in dezen onrustigen tijd? Is moeder
bezorgd, zijt gij het?”

„Nu gij hier zijt, ben ik ook weder geheel zonder vrees,” hervatte het
meisje en vlijde zich zacht aan den broeder. „Tot hiertoe heeft het
ruwe krijgsgewoel en zelfs de glansrijke wapenpracht, die men hier
ten toon spreidt, mij beklemd en beangstigd. Morgen zegt men, komt de
keizer zelf; vele vorsten zijn reeds verzameld om hem te ontvangen.
Welk een geweld moet die man toch op de menschen uitoefenen! Hoe is hij
wel in staat, hen tot zulke vreeselijke opofferingen te bewegen, die
zij hem toch gewis niet dan met innerlijken weerzin brengen? Slechts
onze koning niet, die hem met onzinnige verblinding aankleeft, die...”

„Spreek niet verder, Maria,” viel Lodewijk haar met ernst in de rede.
„Veroordeel niet, waar de verstandigste huivert een vonnis te vellen.
Weet gij, wat een vorst al in de weegschaal heeft te leggen? Beseft gij
de onwederstaanbare kracht, welke een reuzengeest, als die des keizers
in staat is uit te oefenen? Plicht en gevoel mengen zich hier dikwijls
zoodanig dooreen, dat het den scherpzinnigste niet gelukt ze behoorlijk
te onderscheiden.”

„Hoe,” sprak Maria met smartelijke verwondering, „zoudt gij ook een
aanhanger van den man zijn, die ons vaderland in zulk eene namelooze
ellende gestort heeft en het nog dagelijksch rampzaliger maakt?”

„Lieve zuster,” antwoordde Lodewijk, „gij spreekt als een meisje, maar
tevens als vele mannen, die slechts op het naastbij gelegene achtgeven,
niet de keten van oorzaken en gevolgen overzien, welke Duitschlands
beklagenswaardigen val hebben voorbereid, die niet meer oordeelen
kunnen daar zij reeds partij in den strijd gekozen hebben. Houdt gij
mij voor een vijand van het vaderland? Hoe echter, wanneer een volkomen
oprecht, niet een gehuicheld aansluiten aan Frankrijk alleen in staat
was het vaderland te redden?—Maar laten wij dat daar; dat zijn
moeilijke vragen, die ons thans niet bekommeren en ons de eerste uren
des wederziens niet verbitteren moeten.” Maria zweeg en sloeg het oog
onrustig neêr.

„Zie mij aan,” ging Lodewijk voort, „ik ben eerlijk en trouw als immer,
ben uw broeder als voorheen; gij moogt mij nog van harte liefhebben,
want ik heb niets gedaan, dat mijner onwaardig was. En of ik het
welzijn van mijn vaderland wil? Maria, zoudt gij daaraan twijfelen,
ook zelfs wanneer ik het langs een anderen weg wilde dan gij, dan zoo
velen, die gelijk met u denken?”

„O, gij zijt voorzeker braaf en goed van ganscher harte,” riep Maria;
„maar daarom zoude het mij toch even diep bedroeven, wanneer wij hierin
verschillend dachten.”

„Wij zullen elkander wel leeren verstaan,” hervatte Lodewijk; „laat ons
thans naar moeder terugkeeren.”

Zij gingen.

Daar Lodewijk met mannelijke kracht zijne stemming meester werd
en in het verhaal zijner reizen, dat hij opzettelijk uitvoerig en
stelselmatig inrichtte, eene afleiding vond, die hem verhinderde zich
aan zijne sombere mijmeringen over te geven, vloog de avond onder
vertrouwelijke gesprekken spoedig daarheen, veraangenaamd door de
liefderijke, echt zusterlijke oplettendheden van Maria, die alles
aanwendde, om het den broeder in het moederlijke huis recht genoegelijk
te maken, zijne geringste wenschen te vervullen en, zoo dacht zij, na
het gesprek op zijne kamer en zonder het zich zelve te willen bekennen,
hem weder geheel de hare te doen worden. Want zonder het te berekenen,
gevoelde zij toch, hoe vast de mensch door de kleine, fijne draden des
dagelijkschen levens en der naaste betrekkingen omsponnen wordt, en
hoe hij door deze gebonden, dikwijls aan eene grootere macht weerstand
biedt, of wel gemakkelijker eene sterke boei verbreekt, dan hij zich
van die duizend bijna onzichtbare weefsels kan loswinden.


HOOFDSTUK II.

Den volgenden avond leverde Dresden het trotsche schouwspel der
samenstrooming eener ontzaglijke volksmenigte en der geordende
tentoonstelling eener schrikwekkende krijgsmacht op. De intocht des
keizers, dien men met eene sombere, aan bange ontzetting grenzende
spanning te gemoet zag, was de reden van dit rusteloos wenden en woelen
in de anders min levendige stad. Zijne verschijning zoude het teeken
zijn tot eene onderneming, wier reusachtige stoutheid zelfs de koenste
hoofden deed duizelen. Aan dit gevoel paarden zich de gewaarwordingen
van schrik, van haat of van bewondering, welke de zeldzame man allen
zijnen tijdgenooten inboezemde; gewaarwordingen, die bij sommigen
wellicht elk afzonderlijk opwelden, doch bij de meesten gelijkelijk
gepaard gingen.

Het was de vijftiende Mei.

Lodewijk had moeder en zuster naar het huis eener vriendin gebracht,
waar zij den intocht des keizers zonder stoornis konden zien. Hij zelf
verkoos onder den woeligen, onrustigen volkshoop te blijven, die in
ongeduldige verwachting de straat op en neder golfde.

Eensklaps hoorde hij zijn naam noemen. Het was Rasinski, die op een
prachtigen poolschen schimmel door de onafzienbare gelederen der
soldaten reed en met lossen teugel op hem toerende.

„Goeden avond, mijn vriend van den Gotthard!” riep hij Lodewijk toe,
„u heden reeds weer te zien had ik niet verwacht, want wij hebben
een drukken dag gehad. Ik heb mij zooals gij ziet, reeds uitgerust;
Boleslaw en Jaromir zoeken nog naar paarden. Binnen een uur zal de
keizer hier zijn, en ik weet, dat zij gaarne den dubbelen prijs
betalen, om, als hij aankomt, nog in zijn gevolg te zijn.”

Daar Lodewijk met een officier sprak, lieten de gebaarde krijgers,
die dezen omringden, hem gewillig den toegang. Hij reikte Rasinski de
hand. Toen hij den fraaien man in zijn schitterende uniform zoo fier en
ongedwongen te paard zag en in het zwarte oog de krijgszuchtige vreugde
zag flonkeren, die hem zelfs boven de diepe smart over zijn ongelukkig
vaderland verhief, moest hij bijna onwillekeurig den stand benijden,
die het leven zoo frisch, zoo schuimend en bruisend geniet, daar hij
slechts van het naaste oogenblik verzekerd is. Het scheen hem alsof de
toekomst, hoe treurig, geen zorg kon baren, alsof het noodlot zelfs
alle macht over het menschelijk hart moest verliezen, waar het niet
met toekomstige rampspoeden bedreigen, niet door verre verwachtingen
misleiden kan, maar de schaar der Schikgodin elk oogenblik bereid is
den draad af te snijden, en de mensch dus slechts op uren, niet op
jaren van geluk zijne hoop en uitzichten vestigt.

„Gij beschouwt mij zoo nauwkeurig,” vroeg Rasinski, „is er iets aan
mij, dat uwe aandacht wekt?”

Lodewijk wilde antwoorden, toen zich eensklaps het geroffel der trommen
deed hooren en de soldaten hunne gelederen ordenden en sloten, zoodat
hij zich ijlings uit den kring verwijderen moest. Een generaal kwam met
een luisterrijk gevolg van het slot aanrennen; het was de koning van
Napels, die in zijne met goud overladen, vreemdsoortige huzarendracht,
op een snuivenden andalusischen goudvos in waarlijk koninklijke houding
voorbij reed, om den keizer bij den Freiberger slagboom op te wachten.
Zijn fonkelend oog vloog met bliksemsnelheid over de scharen heen; hij
scheen tevreden. Rasinski had zijn paard ter zijde gewend en begroette
den generaal met eerbied; deze hield stil, sprak eenige woorden met hem
en drukte hem vertrouwelijk de hand. Men bespeurde, dat deze eervolle
onderscheiding den ganschen stoet een zekere achting voor den poolschen
generaal inboezemde, want zelfs de generaals boden hem, toen hij zich
in hun midden voegde en zich bij het gevolg aansloot, een minzamen
groet.

De prachtige ruiterschaar, waaronder zich maarschalken, generaals, de
voornaamste staf-officieren en ook vele Duitsche vorsten bevonden,
stoof spoedig voorbij, de Slotstraat door en op de Wilsdrufferpoort
toe, welke de keizer moest binnenrijden. Vroolijke stoutheid, zelfs
koene overmoed, was op aller gezichten te lezen. Lodewijk stond eene
wijl in gepeins verzonken en liet zijne gedachten den vrijen loop,
toen de naderende hoefslag van eenige paarden hem deed omzien. Het
waren de beide jongere Polen, Boleslaw en Jaromir, die met losse
teugels voorbij stoven om den trein nog in te halen. Ook zij bemerkten
Lodewijk en wierpen hem in het voorbijsnellen een vriendelijken
handgroet toe.

Gij gelukkigen, dacht hij, wat zou uw vroolijken moed kunnen doen
wankelen, daar gij de toekomst met geen ander verlangen te gemoet
ijlt, dan om elk oogenblik uw leven voor uwe dierbaarste wenschen op
het spel te zetten! Gij wint wanneer gij zegepraalt en uw wit bereikt,
gij verliest niet wanneer gij eervol sneeft, eer gij de vruchten hebt
mogen plukken! Gelukkig ieder krijgsman, maar bovenal gij, die zoo van
heeler harte der zaak zijt toegedaan, voor welke gij strijden zult,
die, terwijl gij de stem der eer en der roem volgt, te gelijker tijd
den heiligsten en zoetsten plicht vervullen kunt!—In zulke gedachten
verdiept, liet hij zich door de golvende menigte voortslepen, zonder op
haar zijne aandacht te vestigen of te bemerken, wat rondom hem voorviel.

Plotseling hoorde hij luide zijn naam uitroepen, en toen hij zich
omkeerde, voelde hij zich door mannelijke armen omstrengeld, terwijl
een warme kus van broederlijke vriendschap op zijne wang brandde, nog
eer hij den tijd had gehad te ontdekken, wie zijner vertrouwde vrienden
hem zoo hartelijk begroette. „Lodewijk! herkent gij mij dan niet?”
vroeg de vriend, met verbazing de verrassing en onzekerheid bemerkende,
welke Lodewijks gelaatstrekken onmiskenbaar uitdrukten. „Hebt gij mij
dan zoo geheel vergeten of ben ik dan zoo ontzettend veranderd?”

„Bernard, mijn goede, beste Bernard!” riep deze thans; „zou ik u niet
herkennen? Maar hoe kon ik u hier vermoeden?”

„Nu voor den drommel, toch even goed als ik u,” juichte Bernard, hem
vroolijk onder de oogen ziende, terwijl hij de hand, die hem nog steeds
vasthield, met warmte drukte.

„Mijne zuster zeide mij gisteren nog dat gij sinds twee jaren in
Noorwegen en Schotland rondzwierft.”

„En ik, die ook gisteren pas ben aangekomen, wist van u niet anders dan
dat gij op den Vesuvius of Etna omklauterdet. Maar zou ik u daarom niet
herkennen? Al had ik u op den Hekla ontmoet,—om nu ook maar dadelijk
den derden vuurbalg in Europa te noemen—meent gij dat ik u voor een
ijsbeer zou hebben aangezien?”

„Maar gij paktet mij zoo onverwachts aan en smoordet mij bijna in uwe
armen, ik had immers pas een seconde...”

„En ik pas eene halve, want ik zweer u, dat ik niets van u gezien
had dan hoogstens een achtste profiel, toen ik juist uit de
Wilsdrufferstraat kwam en gij voorbij schoot. Maar al had ik ook enkel
deze lok van uw haar in den wind zien fladderen, ik zou u herkend
hebben, daar ik oude vrienden in 't geheugen houd, en dat doet gij
niet, gij verrader!”

„Omdat gij een schilder zijt,” sprak Lodewijk glimlachend en verheugd,
den trouwen makker nog geheel den ouden te vinden; „een schilder, die
van zijne vrienden slechts de omtrekken in het hoofd houdt, terwijl wij
meer op het innerlijke letten en hem daarom des te meer beminnen.”

„Ook goed; maar ik doe beide en zou een bont slangenvel juist niet
bijster hartelijk omhelzen; wie echter als gij eene dragelijke ziel in
eene dragelijke huid rondvoert, die kan op mijn geheugen staat maken.
Maar zou het niet verstandiger zijn, broertje, dat wij bij den Italiaan
Longo onder dak kropen en gingen zitten en dronken en elkaar de zonden
der verloopen jaren opbiechtten? Het verveelt mij reeds lang, mij
hier door elken pakhuisknecht, snijdersgezel of brillenjood te laten
aangapen en op de teenen trappen: men raakt al die drukte ontwend, als
men zoolang op de Schotsche bergen heeft omgezworven. Kom, een glas
italiaansche wijn smaakt hem, die uit Napels komt, in de herinnering,
en hem, die van de Hebriden aanlandt, in het vooruitzicht even
kostelijk. Kom dan, want ik heb eigenlijk een donkeren hoek noodig om
mijn waarachtig reisrelaas op te dreunen, en ik zal tusschenbeiden een
duchtigen slok nemen, zoodat ik 't op den wijn kan schuiven, als mij nu
en dan een kleur in 't gezicht stijgt, die het janhagel schaamteblos
noemt. Kom vriendje, kom!”

Bernard was van kindsbeen af de schoolmakker en boezemvriend
van Lodewijk geweest; reeds van oudsher had hij zijne diepere
gewaarwordingen, zooals dat menschen van een krachtigen wil meer eigen
pleegt te zijn, met den sluier der scherts en van den spot trachten te
bedekken; zijne vertrouwde vrienden kenden echter het edele gelaat,
hetwelk zich achter dat grijnslachend masker verborgen hield. Lodewijk
was derhalve overtuigd, dat Bernards ontroering en vreugde over het
onverwachte wederzien niet geringer waren dan zijne eigene, en voldeed
gewillig aan diens uitnoodiging, daar hij wist, hoe gaarne Bernard
den vurigen gloed zijner ziel door de kracht van den wijn tot heldere
vlammen placht op te jagen.

„Geef ons eene flesch Syrakuser, Signor Longo, of Lacrymaë Christi,”
riep deze bij het binnentreden; „maar zorg, dat ze vurig, geurig en
krachtig, kortom dat ze echt zij.—Kom hier aan 't venster, Lodewijk,
waar wij het volk kunnen zien woelen en tot een barometer gebruiken,
die ons aanwijst wanneer het tijd is voor den dag te springen om den
keizer te zien.”

De wijn kwam, de vrienden klonken; Bernard ledigde zijn glas, Lodewijk
had het zijne slechts even aan de lippen gebracht.

„Ik dien vooraf wel eene pleitrede te houden,” begon de eerste,
„om niet in eene valsche verdenking bij u te komen. Gij mocht eens
gelooven, dat ik een zuiper geworden was, wijl ik dat edele vocht zoo
gulzig binnenzwelg als een vampyr het hartebloed. Neen, broertje!
slechts op hooge feestdagen steek ik zulke vreugdevuren aan, maar dan
wil ik ook dat zij ras in vlam staan. Maanden lang leef ik ingetogen
als een Carthuizer of Spartaan, van tijd tot tijd echter moet men den
levensdroesem, dien de beste kerel zoo goed afscheidt als het edelste
metaal, in zulk vuur oplossen. In den grond is het niets anders dan
het logge, aardsche lijf des filisterdoms, dat men op dien vlammenden
brandstapel verteert, opdat de ziel zich reinige als asbest en
ontslagen worde van hare banden en juichend opstijge als een feniks uit
de asch. Ik was sedert ettelijke maanden weer sterk aan 't aanzetten,
zoodat hart en ziel in de aarden korst, die zich daaromheen bakt als
de schelp om de parel, bijna stikken moesten en de arme dingen zich
in de verwenschte kooi de vleugels lam sloegen; want ik hield een
engelsche lord gezelschap op zijne reis naar Duitschland—waarom zeg ik
u naderhand wel eens—en derhalve wordt het tijd, dat ik de lont in 't
kruit steke en den rommel in de lucht doe springen. Klink meê! Wat ons
lief is! Dat is en blijft mijn oude heildronk.”

[Illustratie: Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met
              aandoening.]

Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening.
Hij maakte thans de ervaring, dat, wanneer onze ziel ergens mede
vervuld is, zij ook door alle toevallige uiterlijke aanrakingen en
ontmoetingen daarop wordt teruggebracht en dat niets zoo vreemdsoortig
is, dat haar daaraan niet op eenige wijze herinnert. Het is waar, de
herinnering door Bernards heildronk opgewekt, was zeer natuurlijk, maar
ook elke andere omstandigheid, elk ander voorval vond in hem steeds een
verbindingspunt met het voorwerp zijner liefde. In de eenzaamheid hield
hij zich met haar bezig, in het woeligste gedruisch vormde zij het
tegenbeeld van alles, wat hem omringde, evenals de zeeman te midden der
onstuimige golven slechts het stille lichtpunt van den verren vuurtoren
in het oog houdt.

Maar ook Bernard werd, nadat hij gedronken had, een oogenblik nadenkend
en zag peinzend voor zich neder; de eene of andere zoete, maar
weemoedige herinnering, dit bemerkte zelfs Lodewijk in weerwil zijner
eigene ontroering, gleed over het koene, fiere voorhoofd heen, evenals
het dichte wolkenfloers zich soms voor eenige oogenblikken vaneen
scheurt en de stille maan laat aanschouwen, wier zachte gloed voor ons
oog zoo lang werd verduisterd. Doch spoedig werd hij die verteedering
meester, terwijl zijn oog eenige fonkelende vuurstralen door den
donkeren gezichteinder liet kruizen, als ware hij beducht zijne
aandoening te hebben verraden.

„Wat ons lief is,” riep hij uit, „vurige kussen of vurige wijn! Eene
kuische Muse of eene lokkende Aspasia! Mijn dronk legt ten minste
niemand boeien of voetangels aan. Wie er meê in het moeras wil blijven
steken, het is zijne zaak; wie de vleugels uitspreidt om naar de
sterren te vliegen, goede reis! wie in stilte zijne eigen gezondheid
drinkt, in 's hemels naam, ik zal het hem ook niet verbieden, ja, ik
drink zelfs meê.—Maar drink dan toch, Lodewijk, en zie mij aan en
vertel, waar gij gezworven hebt die vier jaren, dat wij elkander niet
gezien hebben.”

Lodewijk verhaalde het een en ander van zijne studiën en zijne reis,
doch zweeg van Bianca.

„En ik,” dus nam Bernard het woord op, „kan even kort zijn. Nadat
gij vertrokken waart, copiëerde ik een jaar lang staag drie narren-
of apentronies tegen één Raphaël, zoodat het mij ongeveer als de
soldaten ging, die, na drie dagen streng diëet, den vierden wat beter
kost krijgen dan brood en water. Dat verdroot mij; en nu begon ik
staljongens, keukenmeiden, oude heksen bij 't spinnewiel, kwakzalvers,
tandmeesters, dronken boeren, ja zelfs zwijnenkotten en aangrenzende
departementen naar 't leven op het doek te tooveren, en dat bracht
geld aan. De menschen toch hebben het meest met die kunstwerken op,
waarin zij hun eigen natuur het getrouwst weervinden.—Wat ik in de
beschaafde wereld gewonnen had, besloot ik in de wildernis te verteren,
in Noorwegen en Schotland namelijk, daar 't mij reeds lang op de leden
lag, mijn hart aan die koude noordsche landschappen eens ter deeg te
verwarmen. Zonder grootspraak, Lodewijk, ik heb ettelijke zeestormen,
een half dozijn rotsen en een paar watervallen geschilderd, die
misschien een handvol zilverlingen waard zijn en meer nog. Maar dit in
't voorbijgaan. Pas was ik te Londen, of daar kwam een brief van mijn
oom, die mij allerlei zotternij van mijne geboorte, mijne ouders en
ik weet niet wat al niet meer voorleuterde, die mij eene poos geheel
van streek bracht. Spoedig echter wierp ik den ganschen rommel, die
eigenlijk op niets anders neerkwam, dan dat mijn vader een schelm was,
die zich zijn leven lang niet om mij bekommerd had, door alle vensters
van mijn hart uit; want ik had in die dagen aan vrij wat gewichtiger
dingen te denken dan aan zulke kleinigheden. Ik was blij, dat ik mijn
bestaan eigenlijk aan niemand te danken had, en besloot meer dan ooit
de wereld te trotseeren en te veroveren, wat ik bezitten wilde. Dat was
toenmaals niet weinig, broertje, want....”—

Hier hield hij op. „Want?” herhaalde Lodewijk.

„Stil! hoort gij dat kanonschot? De keizer komt! Zie hoe het volk in
beweging raakt! Daar dienen wij bij te zijn, kom, vriend, naar buiten!”

Met deze woorden sprong hij op en sleepte Lodewijk driftig met zich
voort.

De menigte, die zich tot hiertoe zonder bepaald doel op en neder
bewoog en zich ook hier en daar meer in de verte verspreid had, vloeide
nu van alle zijden te zamen en stroomde op de Wilsdrufferpoort toe.

Intusschen was het bijna geheel donker geworden; men ontstak reeds de
lantaarnen, en ook de pekkransen, die tot meerdere verlichting der
straat dienen zouden, was men bezig in gereedheid te brengen.—„Wij
zullen een nachtstuk te zien krijgen,” zeide Bernard, „daar ben ik een
vriend van. Nu de keizer zich zoo lang heeft laten wachten, wensch ik
ook maar dat hij nog wat langer uitblijve, anders branden vuurbekkens
en lantaarnen niet helder genoeg, om zijn gezicht niet behoorlijk te
kunnen opnemen”.

Het was inderdaad slechts een loos alarm geweest; men had een ander
rijtuig voor dat des verwachten gehouden. De saamgeschoolde menigte
verstrooide zich weder.—„In het somber kerkerhol werd het mij te eng,”
ging Bernard voort; „laat ons hier liever de vrije lucht inademen.” Zij
wandelden tusschen de woelende en wendende volkshoopen op en neder,
die, half door het roodachtig schijnsel der ontvlammende pekkransen
bestraald, half in het duister van den nacht gehuld, eene zonderlinge
vertooning opleverden. „Zie eens, broeder,” sprak Bernard, „hoe vredig
de zachte Meihemel zijn helder sterrenkleed uitspreidt over de woelige
aarde, welker gedruisch tot hem niet doordringt.—Doch hoor! Het komt
nader en nader het gejoel! Nu moet er toch iets ophanden zijn.” Hij
sprong op den nog ledig gebleven drempel eener stoep, die voor twee
plaats bood. „Daar komt hij!” riep Bernard en wees op een wagen,
waarachter men vele ruiters ontdekte, wier sabels en lansvaantjes
in rooden vuurgloed blonken. Het was de poolsche edelgarde, die den
wagen begeleidde. De keizer zat in een hoek gedoken en scheen zich
niet te willen vertoonen. Doch, dicht bij de plaats gekomen, waar
de beide vrienden stonden, boog hij zich, daar eenig toeval den
doorgang stremde, uit het portier voorover, en men kon zijne, door den
toortsgloed hel verlichte gelaatstrekken onderkennen. „Dat is hij!”
fluisterde Bernard met ingehouden adem. Alles in het rond was doodstil,
als had het oog des machtigen, die de wereld met zijn roem en zijn
schrik vervulde, dit eerbiedig zwijgen geboden. Bernard en Lodewijk
hielden hunne blikken onbewegelijk op het hoofd des keizers gevestigd.
Eerst toen het verdween en het rijtuig verder rolde, ontwaakte Lodewijk
als uit eene zinsverdooving en wendde zich tot Bernard. Nog meer dan
over zich zelven, verwonderde hij zich over dezen; want de zeldzame
mensch, die den ernst bijna nimmer over zich meester liet worden, dien
ten minste niet dan hoogst zeldzaam blijken liet, stond thans roerloos
als een marmerbeeld en hield de vurige, sombere blikken strak en
onwrikbaar op de plek gericht waar de keizer verdwenen was. „Bernard!”
riep Lodewijk hem in het oor en vatte hem bij de hand.

Thans ontwaakte hij en staarde den vriend verschrikt aan. „Ja, zoo!”
hernam hij, zich met de hand langs het voorhoofd wrijvende. „Hm! Hij
zag er goed uit! Een schilder mag wel oplettend zijn op zijns gelijken.
Zóó had ik hem mij niet voorgesteld. Geen enkele schoone trek in het
gansche gezicht en toch zoo'n zeker iets! Op mijne eer, ik weet nog
niet, met welk soort van lijnen en strepen men uitdrukt hetgeen op zijn
voorhoofd stond en wat ik in zijn oog gelezen heb!—Maar ik bid u,
zie nu eens al die verdraaide, alledaagsche, scheeve, laffe, nuchtere
tronies hier om ons heen! Heb ik dan nog nooit een gezicht gezien? Zijn
dat gezichten? Ik weet niet wat ik er van denken moet, maar mijn leven
lang heb ik niet zoo veel versleten, misselijke, flauwe, verdroogde
kalfskoppen bij elkander gezien. Als ik den kring rondkijk, is 't mij
of ik een slok zeepwater na een beker Johannesberger moest naar binnen
slaan.”

Lodewijk zocht te vergeefs naar een beeld of naar woorden, om den
indruk, dien hij ondervond, weer te geven.

„Mij scheen het,” begon hij, „alsof eene machtige adelaar met
uitgespreide wieken te midden eener schaar van geringe vogels
voorbijtoog.”

„Juist, juist, gij hebt gelijk,” antwoordde Bernard, „louter ganzen,
eenden, nachtuilen en spreeuwen. Of liever een leeuw, die door een
hoop ezels voorbijdraafde. En voor den duivel, slenterden wij ook niet
meê met den troep? of denkt gij, dat onze twee gezichten als zijne
bijzonnen geblonken hebben aan het grauwe firmament, dat hem omgaf?”

Onder deze woorden had hij Lodewijk bij den arm gevat en voerde hem uit
den stroom van het gedrang in een stille zijstraat. Ernstig en zwijgend
wandelden zij nevens elkander voort. Eensklaps sprak Bernard: „Goeden
nacht, broeder! Tot weerzien op morgen!” rukte zich van den vriend los
en verdween in het duister. In somber gepeins verzonken ging Lodewijk
naar huis; zelfs het vriendelijke: „Goeden nacht!” hetwelk Maria hem
toewenschte, kon zijn gefronst voorhoofd niet ontrimpelen.


HOOFDSTUK III.

Den volgenden morgen deed Lodewijk eene wandeling op het Brühlsche
terras. Eensklaps stond Bernard voor hem. „_Salve!_” riep deze hem toe.
„Zoo even heb ik onzen Pluto of Jupiter, of hoe gij hem noemen wilt,
zien voorbijrijden.”

„Den keizer?” riep Lodewijk met vuur, terwijl hij de aangeboden hand
vriendschappelijk drukte; „nu, hoe ziet hij er bij dag uit?”

„Ik weet waarachtig niet, hoe ik u dat beschrijven zal,” begon Bernard;
„het was een leven als de hel; klokkenspel, kanonschoten, volksgewoel,
troepen, die naar de parade wilden, kortom een satansch geweld, maar ik
hoorde er niets van. Wanneer ik mij als schilder den keizer voorstel,
dan had hij, dacht mij, een aschgrauw gezicht, hoekig, puntig, ongeveer
zóó, als een hond dat het liefst een stuk papier zou naar binnen
slikken. Een paar grijsachtige zwarte oogen, een korte dikke vent—de
duivel mag weten wat een leelijke kabouterman. Maar zie, dat is het
juist, waarover ik mij, had ik niets beters te doen, den armen kop
gek zou kunnen denken en half en half aan 't malen zou raken, daar ik
maar niet begrijpen kan, wat voor een spook mij toch eigenlijk zoo
behekst heeft. Dan scheen 't mij toe, als trok langs den bleek-blauwen
nuchteren hemel eene zware onweerswolk die bliksems schoot, waarbij
de zon er uitzag als een meisje, dat de koorts heeft; dan weer kwam
't mij voor, dat een donkerrood, fonkelend gesternte tusschen grauwe
nevelwolken heentoog, zoodat alles in het rond als bloed gekleurd
werd, eindelijk, en dat duurde het langst,—gij zult mij er echter
om uitlachen,—was het mij, als werd de Rijnval eensklaps doodstil,
alsof de plechtige stilte mij belette zijn gedruisch te hooren, wat
intusschen al zeer vreemd klinkt.”

„Waarlijk niet zoo vreemd, als gij wel denkt,” riep Lodewijk; „want wat
is stilte? Er bestaat eene plechtige, verheven stilte der ziel, die
heerschen kan te midden van het levendigste gewoel der buitenwereld.
Toen de keizer gisteren voorbijreed, kwam het mij voor, dat elk die
hem zag, zich in die zwijgende, eerbiedige gemoedsstemming voor hem
moest nederbuigen; en zoo zou mij ook thans het gevoel van diepe
stilte doordrongen hebben, niettegenstaande het gelui der klokken,
het donderen der kanonnen en het gewoel van het volk. En daar gij
den Rijnval noemt, moet ik u zeggen, dat ik daar, zoowel als aan den
bruisenden val van de Reuss op den St. Gotthard, nog zeer onlangs eene
dergelijke bevinding gehad heb. Want de verhevenheid in den omtrek
dezer natuurtooneelen verwekt in de ziel bijna dezelfde gewaarwording
en werkt bovendien nog door de tegenstelling der versteende, eenzame
rotskegels en der onmetelijke hoogte van den kalmen hemel, zoodat het
gedruisch zelfs van het nederstortende water den indruk der stilte, die
slechts in ons gevoel, niet in de werkelijkheid heerscht, verhoogen
kan.”

„Gij spreekt als een boek,” antwoordde Bernard, „als Thales, ja zelfs
als Solon, dien ik hooger stel, daar hij goede wetten voor weerspannige
menschen wist te geven, terwijl de eerste slechts de wetten der natuur
met eenig geluk bestudeerde. Intusschen hebt gij gelijk. Hetzelfde
heb ik in Schotland opgemerkt, in de Fingalsgrot onder anderen,
waar ik meermalen dacht: Zou men hier nu het bulderen en loeien van
wind en golven wel hooren, als het niet zoo stil was als in eene
Hernhuttersche broederkerk? Ook in eene enge, diepe rotskloof vóór een
waterval, door welks gedruisch mij hooren en zien verging, dacht ik
bij mij zelf: Hier is het stil als in 't graf, men hoort slechts dien
stroom bruisen en klateren. Dat gevoel trof mij nog meer, toen ik een
wilden rozenstruik op een vooruitspringend rotsblok gewaar werd, welks
teedere groene takken en knoppen over den schuimenden afgrond hingen,
zonder in het minst bewogen of door een windje gewiegd te worden, zoo
stil en kalm was alles rondom. Deze tegenstelling van de zachtste en
de vreeselijkste natuurkrachten verlevendigde mijne gewaarwordingen
buitengemeen. Iets dergelijks, en tevens iets geheel verschillends,
voelde ik bij een hevigen brand te Edinburg waar ik op eene
bovenverdieping, die reeds in lichtelaaie stond, tusschen de woeste
vlammen een verlaten kanarievogel ontdekte, die in zijne kleine kooi
aan het venster was blijven hangen. Hij geleek een goudvischje in den
onstuimigen wereldoceaan.—Maar, bij den hemel, dat is een schoon man,
die daar aankomt! Die ziet er ook uit, of hij keizer zijn kon,” viel
hij eensklaps zich zelf in de reden en stiet Lodewijk aan, die zich
nauwelijks had omgewend, of hij zag den overste Rasinski toesnellen en
uit de verte reeds vriendelijk wenken en groeten.

„Ziedaar, vriend!” sprak de Pool hem met een van vreugde flonkerend
gelaat aan, „nu kunnen wij elkander toch eindelijk eens behoorlijk
welkom heeten. Vijf of zes dagen ben ik mijn eigen meester en eenige
daarvan zullen wij naar ik hoop toch gezamenlijk doorbrengen.
Intusschen moogt gij mij geluk wenschen. De keizer heeft mij de
oprichting van een regiment lichte troepen opgedragen, dat als
vrijkorps zal te velde trekken en waarbij mij de onbeperkte keus der
manschappen en officieren is gelaten. Aangenamer betrekking in het
leger had ik niet kunnen wenschen. Drie dagen zullen er misschien nog
verloopen eer ik de noodige besluiten, volmachten en aanwijzingen
schriftelijk in handen heb, dan regel ik al mijne zaken en vertrek
dadelijk naar Warschau, waar ik onder mijne Poolsche landslieden mijne
kameraden denk uit te kiezen.”

Bernard hield het oog onbewegelijk op den schoonen Pool gevestigd en
zag hem met blikken aan, die aanduidden dat hij hem dadelijk voor
eeuwig in het geheugen wilde prenten. Rasinski scheen dit zeldzaam
aanstaren bijna beleedigend te vinden, weshalve Lodewijk, eene
onaangename verklaring duchtende, zich haastte hen aan elkander voor
te stellen. „De beste vriend mijner jeugd, Bernard, een schilder—graaf
Rasinski, dien ik in Zwitserland op den St. Gotthard heb leeren kennen.”

„Ik vertrouw, dat de vrienden eens derden ook onderling zullen bevriend
worden,” sprak Bernard levendig; „reeds volgens mathematische gronden
is zulks noodzakelijk.”

„Het is zoo,” hernam Rasinski glimlachend en greep Bernards ten halve
aangeboden hand; „twee grootheden, die aan een derde gelijk zijn, zijn
aan elkander gelijk, intusschen...”

„Heeft de stelling in mijn geval evenveel voor als tegen zich,” viel
Bernard hem schielijk in de rede; „dat stem ik u al dadelijk toe; maar
toch hoop ik gelijk te houden.”

„Niets zal mij meer verheugen,” hernam Rasinski.

„Wilt gij,” sprak Lodewijk, „om de waarheid uwer stelling nader te
onderzoeken, heden beiden mijne gasten zijn? Ik heb mijne moeder reeds
beloofd,” ging hij zich tot den graaf wendende voort, „u en onze beide
jongere vrienden in ons huis in te leiden, wanneer zij namelijk mijne
uitnoodiging in onzen beperkten huiselijken kring niet versmaden.”

„Welke vreemde woorden, mijn jonge vriend!” sprak Rasinski vriendelijk,
terwijl hij den vinger tot eene schertsende bedreiging ophief. „Gij
weet, hoe wij ons reeds in dat vooruitzicht verheugd hebben. En kan den
soldaat, wiens leven een gestadig eenzaam omdolen is op de opene straat
der wereldgebeurtenissen, wel iets aangenamer en genoegelijker zijn,
dan een vertrouwelijke, hartelijke familiekring?”

„Ik had gedacht,” merkte Lodewijk op, „dat de krijgsman slechts de
drukkende beperktheid zulker betrekkingen gevoelen kon.”

„Ach, beste vriend, gij weet niet, hoe hoog men het geluk van den
huiselijken haard leert schatten, wanneer men gevoelt overal een
vreemdeling te zijn. Eén enkele dag op deze menschelijke schoone wijze
doorgebracht, nadat men maanden lang in de eenzaamheid omzwierf als
een opgejaagd wild zonder leger, wordt een onschatbaar geluk. Wel is
waar worden daardoor ook weemoedige gewaarwordingen opgewekt, want men
ziet gouden vruchten, die men niet plukken mag, maar het doet toch
zoo innerlijk goed, nu en dan ook door uitwendige omstandigheden en
ontmoetingen er aan herinnerd te worden, dat er eens een tijd was,
waarin men zelf ook zoon, broeder, wellicht echtgenoot en vader wezen
mocht!”

„Hm,” sprak Bernard, „daar is iets waars aan. Half en half heb ik sinds
langen tijd de rol van den wandelenden Jood gespeeld en begin daarom
tusschenbeiden naar rust te verlangen; maar op den duur zou ik ze toch
niet gaarne met eene andere verwisselen. Ik heb een onoverwinnelijke
afkeer van de slaapmuts en de pantoffel; geen vestingmuur, geen
tralievenster, geen kerkerkot, die mij zoo benauwen kan.”

„Wie er aan gewoon is,” meende Rasinski, „den hemel des levens
dagelijks tusschen storm en zonneschijn te zien afwisselen, die
gevoelt zich, het is waar, ook door het vermoeiende eener gestadige
kalmte beëngd. Wie echter standvastig en trouw aan den gekozen
levensregel vasthoudt, ontdekt in zijne eentoonige kleur duizend
kleine schakeeringen, die aan het zachter gestemde gemoed hetzelfde
genot schenken, hetzelfde bonte wisselspel des levens voortooveren;
natuurlijk moet hij alle scherpe afscheidingen, alle reten, scheuren,
kloven en afgronden, die de schoone vlakte zijner dagen konden
afbreken, vermijden. Wint men er echter wel bij, wanneer men zich
aan de sterkst prikkelende gewent? Worden wij niet spoedig zoo
geheel verstompt, dat wij de afwisseling van ijs en gloed nauwelijks
meer bemerken? Zoo doen onze afgestompte zintuigen ten laatste eene
soortgelijke eentoonigheid ontstaan, met dit onderscheid slechts, dat
in onze leefwijs een ruwe, woeste toon de heerschende is, terwijl dáár
eene zachtere melodie de ziel vervult en verteedert.”

„De rivier is voor de ranke boot, de oceaan is voor den driedekker,”
merkte Bernard vluchtig aan. „De eerste wordt door de onstuimige
golven verzwolgen, de laatste blijft op de zandbanken van het ondiepe
vaarwater vastzitten. Wat mij betreft, ik houd het met de volle zee,
van tijd tot tijd moet ik daarop rondzwalken, en een enkele storm of
schipbreuk veraangenaamt de vaart. Werp ik al somtijds aan een stil,
vreedzaam eiland het anker uit, de eerste gunstige wind de beste voert
mij toch weer in het ruime sop terug. Maar—om over iets anders te
spreken—uwe uitnoodiging, Lodewijk, bevalt mij in het geheel niet.
Hebben wij niet een schoonen Meidag met zonneschijn en blauwen hemel?
Moet men zich dan tusschen vier muren inkerkeren? Mij dunkt, wij
moesten gezamenlijk een tochtje naar buiten doen.”

„Gaarne,” antwoordde Lodewijk; „en dan stel ik eene vaart op de Elbe
voor.”

„Voortreffelijk!” riep Rasinski, „één dag in de vrije natuur, onder den
helderen, blauwen hemel doorgebracht, verbindt de menschen sneller en
inniger, dan een jaar te zamen in de gezelschapszaal gesleten.”

„Hoe laat dus?” vroeg Bernard. „Drie uur is, dunkt mij, een geschikte
tijd.”

„Goed,” hernam Lodewijk. „Ik haast mij de boot af te huren. In allen
gevalle verzoek ik, dat wij ons ten huize mijner moeder verzamelen;
zoo eenige hindernis in den weg mocht komen, kunnen we ons nog aan ons
eerste voornemen houden.”

Na deze woorden namen de vrienden afscheid van elkander. Lodewijk
bleef nog een oogenblik aan het terras staan, zag den stroom over en
overlegde bij zich zelven, waarheen men de voorgenomen vaart het best
richten zoude. Het voorstel daartoe was hem eigenlijk door verrassing
ontlokt geworden, daar Bernard met zijn onstuimigen aandrang en
Rasinski door de vreugde, welke hij op het denkbeeld van een dag in de
vrije natuur door te brengen, had te kennen gegeven, hem geene keus
hadden overgelaten. Hij besefte echter, dat het voor zijne zuster niet
zeer voegzaam was, zulk een tocht onder geleide van zoo vele vreemde
officieren te ondernemen, te minder, daar zij het eenige jonge meisje
onder het gezelschap zoude zijn. Bovendien was een groot deel der
bevolking van Dresden hevig Duitschgezind en haatte de vreemdelingen
als vijanden en onderdrukkers des vaderlands, schoon ook Saksen zich
sinds lang aan hen had aangesloten en den keizer zelfs den schijn eener
niet onbelangrijke verhooging en uitbreiding te danken had. Maria
deelde levendig in die gezindheid; maar al ware dit ook al niet het
geval geweest, zoo bevonden zich toch te veel deftige familiën onder
de tegenpartij, bij welke een jong meisje, door openlijke verkeering
met de over het algemeen niet in den besten reuk staande officieren der
armee, in een dubbelzinnig licht gesteld werd. De gansche zaak was hem
dus zeer onaangenaam en hij overlegde nog op welke wijze hij bij zijne
moeder zijn voorstel het best zoude inrichten, toen hij deze met Maria
en meer andere dames het terras zag opkomen.

Nog eer hij bij zich zelven tot het besluit was gekomen of hij haar te
gemoet zoude gaan dan niet, huppelde Maria, die hem reeds van verre
herkend had, met lichten tred uit de rij der overige vrouwen op hem toe
en riep: „Daar vind ik u immers, lieve broeder! Wees hartelijk welkom.
Gij zijt mij nog zoo vreemd, zoo nieuw, dat, als ik u een uur niet
gesproken heb en dan wederzie, het mij voorkomt, als kwaamt gij zoo
even eerst aan en als moest ik u opnieuw om den hals vliegen.”

„Gij goede zuster,” sprak Lodewijk en drukte innig haar kleine hand,
„denkt gij, dat het mij anders gaat?”

Maria glimlachte zonder te antwoorden. Eindelijk vervolgde zij: „Kom nu
eens spoedig meê, gij zult oude bekenden weerzien; ik ben nieuwsgierig
of gij haar nog kennen zult.” Dit zeggende leidde zij Lodewijk naar de
dames, die op eenigen afstand bij eene bank, vanwaar men een schoon
uitzicht over de landstreek had, naar het scheen, opzettelijk waren
blijven staan, om hem op te wachten.

Hij trad, door Maria geleid, met eenige verlegenheid nader. Eene
bejaarde en twee jongere dames bevonden zich in gezelschap zijner
moeder. De bloeiende meisjes glimlachten schalkachtig, toen zijn
blik twijfelachtig op haar rustte; de oudere dame hield het met een
breeden stroohoed bedekte hoofd eenigszins voorover gebogen, zoodat
men haar gelaat niet zien kon. Het scheen, dat zij niet herkend
wilde zijn, om hare dochters niet te verraden, in welke Lodewijk met
recht twee kinderen vermoedde, die gedurende zijne afwezigheid tot
volwassen jonkvrouwen waren opgegroeid. Zijne moeder zag hem met een
geheimzinnigen glimlach aan. „Hij heeft een trouweloos hart,” zeide zij
eindelijk; „hij vergeet zijne eeden, zooals de mannen altijd.” De eene
der beide jonge meisjes bloosde bij deze woorden als eene liefelijke
roos, de andere vertrok den frisschen mond tot een bevallig lachje.
Thans hief de oude dame het hoofd op en zag Lodewijk aan.

„Beste tante!” riep deze vroolijk uit, „is het mogelijk! Emma en Julie?”

„Wie anders,” was het antwoord; „maar staat het fraai, zijne naaste
bloedverwanten zoo geheel te vergeten?”

Lodewijk kuste zijne tante de hand; hoe hij de dochters begroeten
moest, wist hij niet; want ofschoon hij zijne gansche jeugd met haar
doorleefd had, ontstaat toch tusschen den tot man rijpenden jongeling
en het volwassen meisje, vooral wanneer in den tijd der ontwikkeling
eene langdurige scheiding heeft plaats gevonden, eene natuurlijke
verwijdering, welke met de vroegere vertrouwelijke betrekking geheel
strijdig is. Het bleef dus bij eene welkomstgroet met vriendelijke
woorden en een, hoewel iets warmeren kus en druk der hand, dan bij de
moeder.

Emma en Julie waren nauw aan Lodewijk verwant, want hare moeder,
Elisabeth, was de zuster der zijne, weduwe als deze, en leefde met
hare dochters op een klein landgoed eenige uren van Dresden. Als knaap
had hij er dikwijls weken en maanden doorgebracht, zoodat tusschen hem
en de bloeiende meisjes de kinderlijkste, gulste vertrouwelijkheid
geheerscht had. Zij waren thans met hare moeder onverwachts in de
stad gekomen, om den keizer te zien en de openlijke feestvieringen
bij te wonen, welke met diens tegenwoordigheid verbonden waren. In
alle opzichten greep hier dus de vroolijkste verrassing plaats, en
het wederzien zoude gewisselijk nog hartelijker geweest zijn, wanneer
men zich niet op eene plaats had bevonden, welke eenige terughouding
vorderde. Derhalve drong Maria op een spoedig naar huis keeren aan,
dewijl men zich in de vriendelijke woning geheel vrij en ongestoord aan
de vreugde der ontmoeting zou kunnen overgeven.

Het was tegen den middag, en de lucht begon warm, zelfs drukkend te
worden; aan den verren gezichteinder stegen dampen op, die zich tot
onweerswolken dreigden saam te pakken. Lodewijk zag niet ongaarne, dat
het weder scheen te veranderen, daar zulks hem een geschikt voorwendsel
aan de hand gaf, om de in overijling vastgestelde vaart op de Elbe
op te schorten. Hij was intusschen te openhartig, om zijne moeder
het gebeurde te verzwijgen; hij voerde haar een oogenblik ter zijde,
kwam rondborstig uit voor de onbezonnenheid, welke hij begaan had, en
vroeg haar om raad aangaande de wijze, waarop men, zonder iemand te
beleedigen, het plan gevoegelijk zoude kunnen verijdelen. Tegen zijn
vermoeden antwoordde de moeder vriendelijk: „Het is mij juist wel niet
aangenaam, mij zoo openlijk met vreemde officieren te vertoonen, maar
toch, daar het Polen zijn, wier hertog onze koning is en die wij dus
bijna als landslieden beschouwen kunnen, is er naar mijn gevoel niets
dadelijk onvoegzaams in gelegen. Daar bovendien mijne zuster en hare
dochters ons gezelschap vergroot hebben, kunt gij volkomen gerust zijn
en den uitslag aan de gunstige of ongunstige beschikking van het weder
overlaten.”

Zonderling genoeg kan ons eene oogenblikkelijke zorg of bekommering
dikwijls meer onrust verwekken, dan eene doorgaande, diepe, reeds lang
gekoesterde smart; dit was met Lodewijk het geval geweest, en daarom
voelde hij zich na deze verklaring zeer opgeruimd, ja zelfs vroolijk
gestemd. In het midden der beide bloeiende gezellinnen zijner jeugd,
die zich, vertrouwelijk als voorheen, van zijn arm hadden meester
gemaakt en met vrouwelijke nieuwsgierigheid van de wonderen wenschten
te hooren, welke hij op zijne reis moest gezien hebben, kreeg hij
zijne vroegere welbespraaktheid geheel terug. Zijne ziel ontsloot
zich voor de tooverachtige herinneringen zijner zorgelooze kindsheid;
het was hem alsof hij op den top van een door donkere, het uitzicht
belemmerende wouden omringden en met moeite beklommen berg stond en
den blik in het stille dal terugwierp, waar hij met lieve naburen lang
genoegelijk gewoond had. Lag het ook reeds op een verren, schemerenden
afstand achter hem, zijn oog kon toch de welbekende paden en geliefde
schuilplaatsen nog onderkennen, welke het zijnen voet niet meer vergund
was te bewandelen.—Vroegen dus Julie en Emma naar den Etna of den
Vesuvius, dan gaf hij een kort, luchtig antwoord en vernam dadelijk
naar de beide wijnbergen, die op het goed der tante lagen en waarop
hij zoo menigen vroolijken dag had doorgebracht. Deden de luisterende
nichtjes onderzoek naar het Colosseum, dan wilde hij daarentegen weten,
of het tuinhuisje nog in wezen was, dat hij zelf mede had helpen
opbouwen. Maria, die niet dan ongaarne de plaats aan den arm haars
broeders had afgestaan, ging nu naast hem, dan vóór hem uit en zag
bij elke vraag en antwoord met vergenoegde blikken om, daar zij zien
moest, welken indruk die te weeg brachten, en het haar zoo goed deed,
dat zij even trotsch op de bereisdheid van haren broeder zijn konde,
als zij hem beminnen moest om de nauwkeurigheid, waarmede hij tot zelfs
de geringste genoegens zijner jeugd in aandenken had gehouden.—Zoo
bereikte men de woning. Hier maakte de moeder het plan tot het
riviertochtje bekend, waarmede de onbezorgde meisjes zeer schenen
ingenomen. Om te spoediger gereed te zijn, maakte Maria dadelijk
toebereidselen tot den maaltijd en liet Lodewijk met de beide moeders
en de meisjes alleen, onder uitdrukkelijke voorwaarde echter, dat hij
niets vertellen zoude, wat zij reeds van hem gehoord had. „Want,” zeide
zij, „moeder hoort het gaarne tweemaal en ik mag niets verliezen.”

Nauwelijks had men zich nedergezet, of er werd aan de deur geklopt en
Bernard trad de kamer binnen.

Als de vertrouwde boezemvriend van Lodewijk werd hij met groote
vriendelijkheid ontvangen; ook Emma en Julie herinnerden zich zijner
nog zeer wel, daar hij haar dikwijls kleine teekeningen geschonken of
die op hare kinderlijke bestellingen zelfs wel opzettelijk voor haar
vervaardigd had.

„Het zal u verwonderen, beste vriend!” dus begon hij, „mij zoo
vroegtijdig hier te zien. Maar er zijn gewichtige dingen ophanden,
die ik u noodzakelijk mededeelen moet. Het gansche hof trekt namelijk
heden avond naar Pillnitz, om den Porsberg te bestijgen en vervolgens
bij fakkellicht terug te keeren. Ik vermoedde dus, dat het de dames
wellicht aangenaam zijn zou, dat schouwspel bij te wonen, wanneer
echter, vooral als het bij het roeibootje blijft, een vroeger vertrek
volstrekt noodzakelijk wordt, daar wij tegen den stroom op niet snel
zullen vorderen. Buiten mij, die het zoo even van den hofmaarschalk
gehoord heb, weet geen mensch in Dresden iets van de geheele zaak,
waardoor wij gemakkelijk rijtuigen of gondels, als ook plaats te
Pillnitz zelf kunnen krijgen.”

Bernards nieuwstijding werd, vooral door de beide landmeisjes, met
blijdschap aangehoord. Lodewijk voelde wel is waar meer geneigdheid,
om in eene meer afgezonderde landstreek de natuur en het heerlijke
lenteweder te genieten, doch niettemin was ook hij dadelijk bereid om
Bernards voorstel aan te nemen. Men besloot de afreize te bespoedigen,
maar, in plaats van eene gondel, twee wagens te kiezen, met welker
bezorging Bernard zich gewillig belastte, terwijl hij tevens op zich
nam den graaf Rasinski en diens jongere geleiders op te zoeken en
van het veranderde reisplan te verwittigen. Hij verwijderde zich dus
dadelijk weder. Intusschen was Maria met hare voorbereidsels tot het
eenvoudige, burgerlijke maal gereed; men zette zich aan tafel en bracht
een zeer genoeglijk uur met elkander door, zoodat zelfs Lodewijk de
diepe wonden vergat, welke in zijn binnenste bloedden.

Het was nauwelijks twee uur geslagen, toen een der door Bernard
bestelde wagens kwam aanrollen; een kwartier uur later volgde de
tweede, waarin de drie officieren en Bernard reeds plaats genomen
hadden. Lodewijk snelde naar de deur om hen te ontvangen en naar
boven te geleiden. Toen de kamerdeur zich thans opende en de
rijzige, mannelijk schoone Rasinski met de edelste ongedwongenheid
binnentrad, was eene blijde verrassing op de gelaatstrekken der
vrouwen onmiskenbaar te lezen, die bij de drie meisjes weldra voor
een donkeren blos plaats maakte, bij het alleszins gegronde, ofschoon
slechts duistere gevoel, dat de indruk, dien de verschijning van den
Pool op haar te weeg bracht, zich door hare trekken verraden had.
Bovendien stak het van nature statige en ontzagwekkende voorkomen van
Rasinski, door den glans zijner prachtige monteering nog opgeluisterd,
op eene in het oog loopende wijze af bij de eenvoudigheid van het
burgerlijk ingerichte vertrek en de huiselijke kleeding der vrouwen.
Zelfs Lodewijks moeder, die overigens den juisten toon in den omgang
met hoogere standen geenszins miste, was een oogenblik verrast, ja
bijna verlegen; doch de welwillende vriendelijkheid en de ongekunstelde
wellevendheid van den graaf lieten dien toestand ook slechts een
oogenblik duren. Daar Lodewijk hem met de woorden: „De graaf Rasinski,”
aan zijne moeder had voorgesteld, zeide hij op innemenden toon: „Mijne
rechten op het hart van mijnheer uw zoon zijn nog te nieuw, mevrouw,
om mij er over te durven beklagen, dat hij mij niet als zijn vriend
voorstelt, want anders zouden de eerste woorden die ik met u wissel in
eene aanklacht moeten bestaan.”

„En toch,” hervatte de moeder, „moet mijn zoon op zijne rechten als
vriend al veel vertrouwen stellen, daar hij slechts op deze steunende u
in een kring dorst binnenvoeren, welke u niets kan aanbieden dan gaven,
die slechts bij innig bevriende betrekkingen eenige waarde bezitten.”

„Het zijn de eenige, die ik waardeer, maar die mij echter ook boven
alles dierbaar zijn,” hernam Rasinski met vuur.

Lodewijk maakte nu ook de overige personen met elkander bekend, eene
taak, welke hem door den aangenamen, vrijen gezelschapstoon, zijnen
vriend geheel eigen, en de innemende wellevendheid van Maria, die door
ongedwongenheid niets aan fijnheid verloor, aanmerkelijk verlicht werd.
Slechts Julie en Emma, den steedschen omgang minder gewoon, waren in de
eerste oogenblikken een weinig bedeesd en verlegen.

Daar de mannen elke aangebodene verfrissching van de hand wezen, stond
niets het afrijden meer in den weg. Rasinski geleidde de gastvrouw,
Lodewijk zijne tante naar beneden, waar men het over de verdeeling
spoedig eens werd, en de tante, Maria, Bernard, benevens de beide
jongere officieren in het eerste, de moeder, Rasinski, Julie, Emma en
Lodewijk in het tweede rijtuig plaatsnamen.


HOOFDSTUK IV.

Het besluit tot een rit naar den Porsberg was zoo onverwachts bij het
hof opgekomen, dat er in de stad weinig van bekend werd en men Pillnitz
dus nog bijna geheel ledig vond. Lodewijk maakte hiervan gebruik,
door in de herberg dadelijk eene vrije kamer in beslag te nemen, wijl
naderhand de toeloop lichtelijk zoo groot kon worden, dat het aan
plaats ontbrak. Nadat de dames aldaar haar toilet een weinig in orde
hadden gebracht, besloot men tot eene wandeling in den tuin, waar de
schaduwrijke lanen bij de nog tamelijk drukkende hitte eene aangename
schuilplaats beloofden. Eerst later, bij de invallende koelte, wilde
men den berg beklimmen, daar het hof eerst tegen het ondergaan der zon
op den top verwacht werd.

De tijd vlood onder het wandelen hoogst genoeglijk voorbij. Reizigers,
vooral soldaten, die een zwervend leven leiden, worden oneindig veel
spoediger bekend in de kringen met welke zij vluchtig in aanraking
komen, dan zulks met anderen het geval is. De dra op handen zijnde
scheiding leert daarbij de waarde van het oogenblik hooger schatten;
men beschouwt elk, dien men slechts voor korten tijd zien zal, om
hem dan wellicht voor eeuwig vaarwel te zeggen, veel opmerkzamer,
dan hem, wiens levensweg met den onzen langer schijnt te zullen
samenloopen. Ook vindt onder zulke omstandigheden eene eigenaardige,
wederkeerige toenadering en belangstelling plaats. De blijvende
beschouwt den vreemdeling, die verre landstreken doorkruist heeft, en
nog meer verwijderde te gemoet snelt om er wellicht de zonderlingste
ontmoetingen te beleven, met verhoogde deelneming; de omdolende
vreemdeling daarentegen wordt door den aanblik van het gelijkmatige,
zorgelooze geluk eener stille huishoudelijkheid tot een weemoedig
verlangen gestemd, dat ook hem alle voorwerpen in een bekoorlijker
daglicht vertoont. Zoo kunnen ook persoonlijke hoedanigheden, die ons
in den gewonen omgang misschien onverschillig zouden hebben gelaten,
in zulk een geval hoogst aantrekkelijk worden en daar vooral, waar
eene inderdaad zeldzame vereeniging van belangwekkende eigenschappen
gevonden wordt, vormt zich niet zelden, wanneer een rechtstreeksch
verschil van levens- en lotsbestemming de wederzijdsche toenadering
versterkt, eene innige verbintenis der harten, die, hoe snel en
vluchtig aangeknoopt, dikwijls nimmer weder kan verbroken worden
zonder de smartelijkste wonden achter te laten.

Dit was bij de jeugdige gemoederen het geval, die zich thans in
argelooze openhartigheid voor elkander ontsloten. Het kon wel niet
anders, of twee in de stilte van het landleven opgegroeide meisjes,
die een gelukkigen aanleg bezaten, maar wier opvoeding echter door
de omstandigheden eenigermate gebrekkig was geweest, moesten worden
medegesleept door het onderhoud van twee vurige jongelingen, wier borst
in edele geestdrift voor den krijg en het vaderland ontvlamd was,
en wier leven van hunne vroegste jeugd af zoo rijk aan merkwaardige
ontmoetingen en eervolle daden was geweest. Jaromir bezat daarenboven
die, zijn volk eigene, bijna kinderlijk eenvoudige levendigheid, welke,
met eene vreemdklinkende uitspraak der duitsche taal en eene daaruit
ontstaande geheel eigendommelijke wijze van uitdrukking gepaard,
iets zeer innemends had; Boleslaw integendeel was ernstig in zijn
voorkomen, doch de adel zijner gelaatstrekken, zijn hoog met donkere
lokken overschaduwd voorhoofd, zijne vurige oogen verzekerden hem
al dadelijk bij zijne eerste verschijning een warme belangstelling.
Daarentegen moesten twee jonge helden, die eerst voor eenige dagen het
ruwe legerkamp verlaten hadden en een vertrouwelijken omgang met edele,
beschaafde vrouwelijke wezens niet dan uit de herinneringen hunner
kindsheid kenden, wellicht nog sneller door de banden geboeid worden,
die zich zoo spoedig tusschen de onverbasterde, jeugdige harten laten
aanknoopen. Onder zulke omstandigheden pleegt wel is waar niet zoo
licht een diep indringende hartstocht te ontstaan, wijl het vluchtige,
voorbijgaande en kortstondige der genieting zich telkens aan de ziel
voordoet; maar het oogenblik doet daarvoor zijne rechten ook des te
levendiger gelden.

Deze beide paren genoten dus een schuldeloos geluk, zonder zich van de
oorzaak daarvan rekenschap te geven; het vervulde en verkwikte hun de
borst, gelijk een zachte lentedag, welks verrukkende tooverkracht ons
ook uit verborgen bronnen in de ziel dringt en slechts een algemeen
verlangen doet ontwaken, zonder den blik op bepaalde verwachtingen te
doen vestigen.

Beter was Bernard, die, gelijk eene plant van het gloeiende zuiden,
door den geweldigen vuurgloed zijner ziel vroeger tot een ongelijk
hoogeren wasdom en eene meerdere ontwikkeling van al zijne krachten
gerijpt was, zich den aard zijner gewaarwordingen bewust. In zijne
borst was het zelden helder dag; hij kende slechts nacht en vlammen,
en deze brandden nooit zuiver, maar wierpen, gelijk de vuurkraters
der zon, gestadig reusachtige sintelmassa's uit, die zich tot zwarte
vlekken vormden op de lichtende schijf. Intusschen werd ook de duistere
nacht bij hem verlicht, hetzij door bliksemstralen, hetzij door eenige
in de verte fonkelende sterren, op welke hij het oog met smachtend
verlangen gericht hield. Deze fantastische beschouwing van zijn
binnenste was bij hem opgekomen, toen hij een weinig met Lodewijk was
achtergebleven en beiden, stilstaande, met het oog de wentelende golven
van den stroom volgden.

„Tusschenbeiden,” begon hij, „komt het mij voor, dat het in het
uiterste noorden van den nachtelijken hemel mijner ziel begint te
schemeren en de maan zacht en glansrijk moet opkomen. Maar zij stijgt
bloedig op, en die gansche schemering was slechts de weerschijn van een
brand, die mij, de duivel weet wat vernielt.”

„En mij is het,” antwoordde Lodewijk, wien deze vergelijking bij zijne
tegenwoordige gemoedsstemming diep ontroerde, „mij is het alsof die
schemerende gloed slechts het ondergaan van eenig schoon gesternte
aanduidde, waarna alles spoedig duistere nacht zal zijn.”

„Gij kunt gelijk hebben,” sprak Bernard ruw en kortaf, zooals hij
gewoon was; „maar keeren wij tot het gezelschap terug.”

„Ik troost mij daarmede,” vervolgde Lodewijk onder het voortgaan, „dat
elk ondergaand gesternte in eene andere wereld opgaat.”

„Ja, ja, recht lief,” merkte Bernard op; „het rad, dat mij lenden en
ribben en mijnenthalve het hart daartusschen stuk rijdt, draait aan de
as van een triomfwagen voor een ander, die misschien een ezel is; of
eene gans en een aap zitten dood op hun gemak in de kales, of rijden
naar de kerk in de bruiloftskoets, waarvan de wielen mij verpletteren
en radbraken. Dat troost ongemeen!”

„Zoo meende ik het niet, Bernard,” sprak Lodewijk een weinig geraakt;
„ook hebt gij mij met opzet misverstaan. Niet eene wereld van anderen,
maar die, welke voor ons zelven eene andere, betere zal zijn, bedoelde
ik.”

„Goede Lodewijk,” antwoordde Bernard, terwijl hij uit dien bitteren
toon in zijne gewone spotachtige luim overging, „het is waarlijk eene
zeer aangename geruststelling, die wij in Ariosto lezen, dat dingen,
die hier voor ons verloren gaan, in de maan zijn weer te vinden; wat
mij nochtans betreft, ik behield liever het weinige dat ik heb; men
spaart zijne moeite daarbij. Is de zaak intusschen inderdaad zoo, dan
kan ik u verzekeren, dat mijne meeste goederen in de maan liggen en dat
ik in het daar berustende register van hypotheken, als het eenigszins
goed in orde is, met aanmerkelijke vorderingen moet staan ingeschreven.
Maar als wij zoo voortbabbelen en de oogen niet eens opslaan, zullen
wij ons gezelschap ook spoedig onder de dingen kunnen tellen, die wij
eer in de maan wedervinden dan hier; want had ik niet zoo even de
beide moeders daar achter het vlierboschje zien verdwijnen, dan zou ik
waarlijk niet weten, of ik de dochters rechts of links zoeken moest,
vooral dewijl aan gindschen hoek zooveel wegen door elkander kruisen,
dat wed ik, in geheel Duitschland geene betere plaats voor eene
duivelsbezwering te vinden is.”

Terwijl beide vrienden haastig voortspoedden en juist de donkere laan
wilden inslaan, waarin de overigen verdwenen waren, ontmoetten zij
twee vreemde heeren, van welke de een zorgvuldig gekleed was en het
roode lint van het legioen van eer in het knoopsgat droeg. De ander
hield zich een weinig achter hem en had daardoor het voorkomen van
kamerdienaar of misschien wel geheimschrijver te zijn. Op nog verderen
afstand volgden twee livreibedienden. Met beleefdheid groetende, snelde
de heer met de orde hen voorbij, de andere zag naar de knechts om en
stond een oogenblik stil. Toen hij zich daarop omwendde, waren Lodewijk
en Bernard hem juist genaderd. Beide schenen zijne aandacht tot zich
te trekken; hij groette vluchtig, doch verzuimde niet hen onder het
voorbijgaan nauwkeurig op te nemen. Toen Bernard, wien het gelaat des
vreemden wellicht nog meer getroffen had dan dezen het zijne, zich
omkeerde om hem na te zien, bemerkte hij, dat de ander hetzelfde deed.
De bedienden waren zij intusschen achteloos voorbijgegaan.

„Dat gezicht ken ik,” zeide Bernard, „en ik ben verzekerd het meer
gezien te hebben; maar liegen moest ik, als ik zeide dat het mij
beviel. Verwenscht is het, dat ik als schilder de lijnen en hoeken der
schurkachtigste wezenstrekken nauwkeurig onthoud, terwijl de passen,
waarop zij door de wereld reizen, met alle overige toevoegsels van het
signalement, mij dadelijk door het hoofd gaan; ik bedoel de namen en
verdere betrekkingen. Mijn herinneringsvermogen, hoe groot ook, baat
mij dus weinig meer dan eene spraak, waarvan ik alle woorden weet,
zonder de zaken te kennen die zij beteekenen.”

„Hij viel mij ook in het oog,” antwoordde Lodewijk; „maar ik heb voor
gezichten, die mij noch op zich zelf noch door de omstandigheden belang
inboezemen, bijna volstrekt geen geheugen.”

„Wanneer hij ons ooit of immer al meer tegen 't lijf is geloopen,”
vervolgde Bernard, „zult gij hem aan de noord-, ik hem aan de zuidpool
gezien hebben, daar ik van Schotland kom en gij uit Napels in Dresden
beland zijt. Mij kwellen dergelijke verloren gezichten, wier bijschrift
ik niet vinden kan, dikwijls; maar zóó heeft er mij in lang geen
geplaagd.”

„Het scheen, dat hij u of mij kende,” hernam Lodewijk; „ten minste hij
zag ons scherp aan.”

„Licht mogelijk, dat hij zich ons beiden herinnert en verwonderd is,
wat hij aan deze en de overzij van den aequator gezien heeft, hier
in den tuin te Pillnitz op denzelfden graad noorderbreedte weer te
vinden.—Verdrietig!—Ik wed, de kerel ontneemt mij voor den ganschen
namiddag mijne goede luim, want ik ben zeker, dat hij mij gedurig voor
oogen zal staan, juist omdat ik mijn best doe hem uit mijne gedachten
te stellen.”

„Bekommer u niet langer over hem, mijn vriend,” sprak Lodewijk. „Bij
slot van rekening is het een eenvoudig reiziger, met wien wij ergens in
een postwagen of aan een open tafel gezeten hebben en die niet waard
is, dat gij uwe goede stemming door hem verliest.”

Intusschen hadden de vrienden hun gezelschap ingehaald, en Bernard
voegde zich bij Maria, aan wie Rasinski tot hiertoe de zorgvuldigste
oplettendheid gewijd had.

Het was middelerwijl tijd geworden om den berg te bestijgen. Daar
hiertoe bijna een uur gevorderd werd, drong Lodewijk er op aan, dat
de vrouwen eerst een weinig uitrusten en eene verversching gebruiken
zouden. Men begaf zich dus naar de herberg terug.

Hierop begon men de wandeling. Reeds begonnen de verschillende wegen,
die naar boven voerden, een zeer levendigen aanblik te vertoonen,
en vrouwen en mannen uit alle standen mengden zich in bont gewoel
dooreen en beklommen moedig de hoogte. Toen men de ruïne bereikt
had, verklaarde de moeder, dat de zwakke borst haar het opstijgen
bezwaarlijk maakte en zij dus van het genot van het uitzicht op den top
afzien en hier vertoeven wilde, alwaar zij genoeg bekenden uit Dresden
ontdekte, aan welke zij zich kon aansluiten. Hare zuster gaf hetzelfde
verlangen te kennen. De jongelieden vervolgden dus alleen hunne
wandeling, terwijl de moeders voor eene, in het boschje bij den bouwval
opgeslagen tent, waar ververschingen werden te koop geboden, plaats
namen.

Lodewijk en Bernard, den weg kennende, dienden tot geleiders. Zij
weken, waar het mogelijk was, van den breeden rijweg af en kozen de
meer eenzame paden, die door het kreupelhout slingerden. Hier omringde
hen eene groene, weldadige schemering; het met bloemen bedekte,
weelderige grastapijt ademde liefelijke geuren uit; de hemel blonk
blauw en helder door de reten van het dichte loofdak; kleine beken
murmelden en ruischten onder de struiken ter zijde van het pad en
dartelden langs zilveren kronkelpaden naar beneden; het gezang der
vogels klonk schel en vroolijk uit elken boom; duizende insecten
gonsden door de lucht; de lente leefde en werkte in bosch en bloem, in
lucht en water, en wiegde de ziel in zoete droomen. Van tijd tot tijd
opende zich het hout en verleende het uitzicht in de diepte en verte!
Nu eens zag men Pillnitz zich in den breeden Elbestroom spiegelen,
dan weder zweefde het oog over vruchtbare vlakten en zag in het verste
verschiet de boheemsche bergen opblauwen. Zoo werd de wandeling door
eene gestadige afwisseling der bevalligste tafereelen verkort en had
men den top bereikt, zonder eenige vermoeidheid te bespeuren.

Hier waren en werden nog feestelijke aanstalten gemaakt, om de hooge
bezoekers te ontvangen. Een groot aantal arbeiders en tuinmeisjes was
onder opzicht van den hoftuinier bezig de plaats met bloemenfestoenen
en kransen, die van boom tot boom geslingerd werden, te omgeven. Eene
prachtige tent was op het grasveld opgeslagen en zelfs de wachttoren,
van welks tinnen men een vrij uitzicht had over het naaste woud,
werd met bloemen versierd, die zonderling bij den grijzen, bemosten
steenklomp afstaken. Bernard overzag met een snellen blik het geheel en
zeide: „Recht aardig; juist niet kunstmatig schoon, maar feestelijk;
evenals enkele volksdrachten, hoe weinig schoon soms ook, toch vaak
eene warme, bevallige levendigheid bezitten en daardoor voor de kunst
dienstiger worden dan edele antieke kleedervormen. Maar den armen toren
hadt gij met vrede moeten laten, goede lieden! Dat is, alsof gij een
tachtigjarigen kaalkop een krans opzettet; bloemen passen der jeugd,
kransen voegen in het donkerlokkige haar.”

Dit zeggende nam hij eene der bloemenvlechtsters een juist voltooiden
krans van vroege rozen, viooltjes en reseda's uit de hand en drukte
dien met eene vlugge beweging op Maria's donkerbruine lokken, zoodat
deze verschrikt opzag; spoedig herstelde zij zich echter en vroeg
blozende en hem toelachende: „Staat hij mij goed?”

„Eene lentegodin!” riep Bernard. „Allerliefst!” meenden Julie en
Emma, haar aandachtig beschouwende. Bernards gedachte had zooveel
bijval gevonden, dat Rasinski der vlechtster eenige geldstukken in
de hand liet glijden en daarvoor nog twee dergelijke kransen bekwam,
welke hij aan Julie en Emma overreikte, met dringende bede, dat ook
zij zich daarmede tooien zouden. Wel weigerden zij dit blozende en
huiverden bij de gedachte van opzien te zullen verwekken; doch Maria
voegde haren aandrang bij dien der overigen en zoo gaven zij eindelijk
toe. Vooral bewoog haar daartoe de omstandigheid, die thans eerst met
verwondering door allen werd opgemerkt, dat zij zich geheel alleen
onder de arbeiders bevonden, daar van de vele toeschouwers nog niemand
tot deze hoogte was doorgedrongen. Zonder het te weten, hadden zij dit
aan de officieren en wel voornamelijk aan Rasinski te danken; want
er was bevel gegeven, alle personen, die niet tot het hof behoorden,
slechts tot op eene zekere hoogte van den berg toe te laten, en te
dien einde waren op den grooten weg verschillende posten uitgezet. Het
kleine zijpad was onopgemerkt gebleven. Op den kruin bevonden zich wel
is waar ook wachtposten, doch daar Rasinski de schitterende uniform
droeg en door twee jonge officieren begeleid werd, meenden de soldaten,
bij wie de monteering in het algemeen voor een vrijpas pleegt te
gelden, daarin het onwedersprekelijke bewijs te zien, dat hij met zijn
gezelschap het recht had om op den berg te blijven, te meer daar zij
veronderstelden, dat men hem ook beneden reeds om dezelfde reden had
doorgelaten. Bovendien had zijn geheele voorkomen iets zoo gebiedends
en voornaams, dat ondergeschikte lieden hem zelden aan het algemeene
verbod onderworpen geloofden, maar hem gewoonlijk met onmiskenbaren
eerbied voor zijn persoon als eene volkomen geldige uitzondering op den
regel beschouwden.


HOOFDSTUK V.

Thans ging men den toren bestijgen; Rasinski bood Maria den arm om
haar de kleine trap op te leiden. Schoon deze het ruime uitzicht van
boven thans niet voor de eerste maal genoot, was haar de verrukkelijke
schoonheid daarvan toch telkenreize weder nieuw. Van de hooge
torenspits over de groene bosschen, die tot hiertoe het uitzicht
van alle zijden belemmerden, heenzwevend, zag het oog achter den
wiegelenden voorgrond van frissche boomtoppen een onmetelijk verschiet
geopend. De landstreek vertoont eene zachte afwisseling van golvende
korenvelden en boschrijke heuvels, tusschen welke tallooze dorpen
en steden verspreid liggen. Door zijn breeden zilverband deelt de
Elbestroom het bekoorlijke landschap in twee regelmatige helften.
Gaarne volgt het oog de reeks van schoone beelden, welke de rivier
in haar helderen waterspiegel terugkaatst, en zweeft van de blauwe,
schemerachtige torens van Dresden op de wijnbergen van Loschwitz,
van deze op de steile rotskegels van den König- en Lilienstein over,
die, als half ingestorte egyptische piramiden, zich reusachtig boven
hunne omgevingen verheffen. In het midden van dit zachte, met duizend
bonte, maar door den afstand minder glansrijke verven doorweven tapijt,
rijst de groene, frissche berg, met zijne nu langzaam, dan loodrecht
afdalende woudhellingen, statig omhoog en vormt als het ware het hart
van het uitgestrekte panorama.

Terwijl de mannen met eene zekere onverschilligheid de schoonheden
voorbijzagen, die de waarlijk schilderachtige partijen van den berg
zelven hun aanboden, en met onzekere blikken de met hun rusteloos
voorwaarts strevenden geest meer verwante verte doorkruisten, richtte
zich het oog der vrouwen om gelijke reden, op de voorwerpen die haar
van meer nabij omringden. Zij beschouwden de ruimte, die zij zoo even
doorwandeld hadden, en Maria inzonderheid zag met welgevallen op
het groene, feestelijk versierde grasperk neder, dat zij nauwelijks
verlaten had en waarop de bezige, meerendeels in het wit gekleede
bloemenvlechtsters inderdaad eene aardige vertooning maakten.

Bernards blik zweefde over de aarde heen en verloor zich in de
wolkgevaarten, die zich in zonderlinge vormen aan den gezichteinder
opeenstapelden en aan zijne verbeelding meer voedsel boden van den
bekenden landbouw, die hem, wanneer hij ze met de stout verhevene,
grootsche natuur van het noorden vergeleek, waardoor hij nog zoo
onlangs omringd was, vrij eentonig en nuchteren voorkwam. Ditmaal
echter werd uit den droomer, die zoo gaarne tusschen duistere
nevelgestalten en vluchtige wolkenbeelden omdoolde, een zeer
dagelijksch, gewoon mensch. „Wij krijgen onweer,” merkte hij zeer
bedaard op; „sinds den middag heeft het gebroeid en thans hebben wij
het tweede keerpunt, dat van zes uren namelijk, wanneer de balans der
weegschaal juist tusschen middag en middernacht in staat en het spoedig
blijken moet of zij tot de duisternis dan tot het licht overslaat, dat
is, of wij een helderen hemel houden of onweer krijgen. Gij moet weten,
dat ik op mijne verre zeetochten een bijster groot weerkundige ben
geworden, en dus profeteer ik niets goeds, want de wind kruipt in een
anderen hoek en er begint drift in de lucht te komen.”

Werkelijk kwamen donkere wolken van achter het gebergte opzetten;
een dof gesuis verhief zich en men kon aan het golven en wiegen
der boomstammen bespeuren, dat de luchtstroom over de boschrijke
hoogten naderde. De uitbarsting van het onweder scheen door Bernards
voorspelling verhaast te zijn, zoo plotseling brak het van alle
zijden los. Een hevige windvlaag gierde om den toren en had door
haar onverhoedschen aanval de hoeden en doeken der vrouwen bijna
medegevoerd. Enkele zware vooruitdrijvende wolken bedekten thans
de zon, zoodat reusachtige slagschaduwen zich over het landschap
uitstrekten en de lucht meer en meer verduisterd werd.

Met angstvallige verlegenheid zagen de meisjes elkander aan; het
onweder dreigde hevig te worden en was reeds zoo nabij dat men het
niet meer ontvlieden kon. De toestand waarin zij verkeerden was dus
inderdaad bedenkelijk, en toch werd het schouwspel zoo verheven,
dat de aanblik daarvan alle bezorgdheid en vrees eenigermate op den
achtergrond deed treden. In dichte massa's pakten de zware, met vuur en
sulfer bezwangerde donderkruinen zich aan den oostelijken gezichteinder
opeen en hulden het gebergte in een steeds dichteren sluier. Een
nachtelijk duister breidde zich over het gansche landschap uit; slechts
eenige ten deele met witte pleistergebouwen bekroonde hoogten, waarop
de zon van tusschen de scheuren der wolken hare schuine lichtstralen
nederschoot, glansden in lichte omtrekken op den donkeren grond. In het
westen was het helder lichtblauw nog niet geheel door de zwarte wolken
omsluierd, die, somber en dreigend voor de zonneschijf gelegerd, met
vurige, getakte goudboorden door haar omzoomd werden. Herhaalde malen
verhief zich de storm met woeste vlagen, schudde de kruinen der eiken
en dennen en joeg het stof in dwarlende zuilen naar boven; gedurende de
tusschenpoozen was de stilte daardoor des te doodscher en beklemde eene
zwoele drukking de borst. Geen vogel liet zich hooren; slechts hier en
daar zag men er nog een angstig fladderend zijn nest zoeken. Op eenmaal
zetten roode vuurstralen den ganschen westelijken hemel in vlam en
kronkelend schoot de bliksem in den breeden stroom neder. De zwangere
wolken waren intusschen nog tamelijk ver verwijderd; want er verliep
een halve minuut eer het doffe rollen van den donder door de lucht
dreunde en ratelend van berg- tot bergkruin voortliep.

„Heerlijk!” juichte Bernard. „Een dozijn schooner dagen geef ik
voor zulk een onweer! Hoe prachtig vallen die lichttinten op het
landschap! Dag en nacht in scherpe toetsen naast elkaar gelegerd! Zie
den Sonnestein daar boven den Pirna nog glanzen en fonkelen tegen de
blauwzwarte wolken, die zich achter hem opeenstapelen; en de witte
zeilen daar op de Elbe, die als meeuwen over den grijzen stroom
schieten!”

De meisjes waren van de verheven schoonheid van dit tooneel zoo
doordrongen, dat zij zich wel wachtten, voor de kleeding en hoeden
eenige bezorgdheid te doen blijken. Echter trok het onweder met zulk
eene vreeselijke majesteit boven hare hoofden samen, dat het een
vrouwelijk hart wel met eenigen angst vervullen kon.

„Daar ginder begint het al sterk te regenen,” merkte Lodewijk op,
terwijl hij met den vinger de richting aanwees.

„Waar?” vroeg Maria.

„Daar, rechts van den Königstein, waar die dichte, grauwe en
purperkleurige strepen uit den schoot der wolk tot de aarde afdalen;
men kan duidelijk zien, dat de regen meer en meer naar het westen
trekt.”

„Zou het mogelijk zijn,” vervolgde Maria, „dat wij Pillnitz bereikten
eer de bui geheel losbreekt?”

„Bezwaarlijk,” hernam Lodewijk; „ook durf ik niet aanraden er de proef
van te nemen; daar wij hier boven in het kleine gewelf van den toren,
dat men ons gewis gaarne zal openen, eene veilige schuilplaats hebben.
Wellicht trekt ook het onweder nog geheel voorbij, want de storm
schijnt hevig genoeg te zullen worden om het over onze hoofden weg te
drijven.”

Inderdaad togen de wolkgevaarten thans zoo gebroken over de bergkruin
heen en pakten zich aan de overzijde van den stroom zoo dicht samen,
dat Lodewijks gissing eenige waarschijnlijkheid bekwam. Terwijl men nog
overleide, welke partij te kiezen, kwam een ruiter in vollen galop den
berg opstuiven en bracht den hoftuinier het bericht, dat de fakkelrit
plotseling was uitgesteld, zoodat de toebereidsels ter ontvangst der
hooge gasten tot morgen konden worden opgeschort. De arbeiders, die van
alle zijden door het bosch omgeven, de nadering van het onweder eerst
door den donderslag bemerkt hadden, haastten zich nu hunne afgelegde
kleedingstukken en gereedschappen bijeen te rapen, ten einde zoo
spoedig mogelijk onder dak te komen. De meisjes wierpen hare doeken
over het hoofd en vluchtten ijlings langs het bergpad naar beneden. Van
de mannen bleef nog een klein aantal op last van den opzichter terug,
om de tent af te breken, die bezwaarlijk tegen de regenvlagen zou
bestand geweest zijn.

Deze aanstalten en vooral de haastige vlucht der tuinmeisjes
vermeerderden de bezorgdheid der vrouwen, die nog op de hoogte van den
toren stonden en hare in den wind fladderende, lichte kleeding met
moeite in bedwang hielden. Maria was van oordeel, dat men nog even
goed als deze eene schuilplaats zoeken en eene woning bereiken konde,
die meer beschutting tegen het weer aanbood. Lodewijk snelde dus in
allerijl de trappen af om bij den hoftuinier naar het een en ander
te vernemen. Deze liet juist de tent en de tot het opslaan gebezigde
gereedschappen in de enge ruimte brengen, welke de toren aanbood. Op
Lodewijks vraag verzekerde hij niet te twijfelen, of men zou Pillnitz
nog gelukkig kunnen bereiken, daar de weg bergaf spoedig was afgelegd
en de onweders hier boven op de hoogte, waar men door niets tegen den
storm beschut was en den ganschen gezichteinder overzag, steeds nader
en dreigender schenen dan zij inderdaad waren, zoodat er wellicht nog
een uur verloopen kon eer het begon te regenen. Verkoos echter het
gezelschap hier boven te blijven, zoo wilde hij gaarne den sleutel tot
de kleine bergplaats in den toren geven, schoon ze met gereedschappen,
stoelen en tafels reeds grootendeels opgevuld, slechts een klein getal
personen bevatten kon.

Lodewijk nam dit aanbod met dankbaarheid aan en beloofde de deuren
zorgvuldig te zullen sluiten en den sleutel in Pillnitz af te geven.
Ofschoon de tuinier de ondervinding voor zich had, scheen hij zich toch
ditmaal in de nabijheid van het onweder te bedriegen; althans Lodewijk
wilde der vrouwen nog eerst de keus laten of zij den terugweg boven het
hem verkieslijker schijnend schoon ook al niet zeer aangenaam oponthoud
de voorkeur gaven. Hij nam dus den sleutel aan en spoedde de trappen
weder op om zijne berichten over te brengen. De stemmen waren verdeeld.
De mannen, vooral Bernard, stemden eenparig om te blijven, daar men
klaarblijkelijk geen dak meer bereiken konde eer de onweersvlaag in
volle woede losbarstte; de meisjes daarentegen, voor de ongerustheid
bekommerd waarin de moeders bij langer uitblijven natuurlijk verkeeren
moesten, drongen er op aan den gevaarlijken tocht te wagen en dadelijk
op weg te gaan. Daar hare wenschen het meest in aanmerking kwamen en er
geen eigenlijk gevaar te duchten was, besloot men dan te vertrekken.
Toen Maria echter, door Rasinski geleid, den voet op de eerste trede
der smalle, steile trappen zette, lichtte het zoo sterk, dat de gansche
hemel in vlammen stond en men het oog, door het schijnsel verblind,
onwillekeurig sluiten moest. Verschrikt en bevende deinsde Maria terug
en drong zich angstig aan haren geleider; maar bij de haastige beweging
gleed haar voet uit, en zij zoude, had Rasinski haar niet spoedig in
zijne armen opgevangen, onvermijdelijk naar beneden zijn gestort;
althans het gevaar scheen zoo dreigend, dat Emma en Julie een luiden
gil gaven en sidderend toesprongen. Spoedig echter had zij zich weder
opgericht en antwoordde op de, haar van alle zijden overstelpende
vragen, of zij zich ook bezeerd had, met een geruststellend lachje op
het verbleekte gelaat: „O neen, ik ben slechts een weinig geschrikt, 't
zal niets te beteekenen hebben.”

Rasinski ondersteunde haar zorgvuldig en leidde haar behoedzaam naar
beneden. Eerst toen zij den vlakken grond bereikt hadden, bemerkte
hij dat het gaan haar bezwaarlijk viel. „Ik voel wat pijn aan den
voet,” gaf zij op zijne vraag ten antwoord; „maar die zal wel spoedig
verdwijnen.” Blijkbaar spande zij alle krachten in om de smart meester
te worden en een vasten tred te houden. Zulks was haar nochtans
onmogelijk, de voet zwikte en zij moest zich aan Rasinski vasthouden om
niet neder te zijgen.

„Nu zal ik toch wel moeten blijven,” zeide zij, „want het snelle
afstijgen is mij niet mogelijk.”

„Ook niet, als ik u aan de andere zijde ondersteun, lieve Maria?” vroeg
Lodewijk en vatte haar bij den rechterarm.

Het meisje deed eenige schreden voorwaarts, maar moest zich bedwingen
om de hevige pijn niet door een luiden schreeuw te verraden. „Ik geloof
ook zóó niet,” zuchtte zij.

„Wij dragen haar naar beneden,” riep Bernard haastig.

„Neen, neen,” hervatte Maria met een vriendelijk lachje; „ik kan immers
hier boven blijven, Lodewijk zal mij wel gezelschap houden.”

„Dan blijven wij allen,” riep Julie met vastheid, en Emma gaf hetzelfde
besluit te kennen.

„Het is waarlijk ook beter,” sprak Lodewijk, „want er vallen al droppels
en de al te groote spoed bij het afklimmen kon, wanneer wij door den
regen verrast werden, licht nog erger gevolgen hebben. Daar de vlaag
zoo hevig schijnt te worden, zal zij ook wel schielijk voorbij zijn.”


HOOFDSTUK VI.

De laatste werklieden verlieten juist de plaats,—de opzichter was
reeds vroeger vertrokken, zoodat Lodewijk door niets verhinderd werd,
zich in het volle bezit van den toren te stellen. Hij opende het kleine
vertrek, dat, met opeengestapelde tafels, stoelen en tentstangen
onordelijk opgevuld, aan zoovele personen te nauwernood den toegang,
veel minder eenige gemakken aanbood. De mannen gingen intusschen
moedig aan het werk en trachtten, door een zorgvuldiger bijeenpakken
en op elkander schuiven der verwarde huishouding, eenige ruimte te
veroveren. Dit gelukte eindelijk in zoo verre, dat men voor de acht
aanwezigen acht stoelen ontledigde; de deuren moesten natuurlijk,
om lucht en licht door te laten, geopend blijven; want aan het
ontsluiten der verschanste vensterluiken was niet te denken. Juist
te rechter tijde was men met deze voorbereidselen in gereedheid, daar
de groote regendroppels steeds dichter en dichter nedervielen en de
storm zich nederlegde. Een hevige donderslag, dicht over de hoofden
der verzamelden heenrollende, scheen de wolken eensklaps vaneen te
rijten en voor de waterstroomen des hemels de baan te openen. Zware
hagelsteenen, met scherpe ijssplinters doormengd, vereenigden zich met
den geweldigen stortregen, die kletterend neerplaste, en sloegen het
teedere loof der boomen met eene verheerende kracht en snelheid ter
neder. De schuilenden moesten zich nu inderdaad gelukkig achten de
terugreis niet ondernomen te hebben; want een onweder in die hevigheid
was ongetwijfeld met groot gevaar verbonden, wanneer het hen midden op
den weg overvallen en hun geen tijd gegund had naar eenige schuilplaats
om te zien. Eene duisternis, de laatste schemering evenarende, omgaf de
bergkruinen. De donderwolken legerden zich gestadig dichter daarom heen
en bliksemstraal volgde op bliksemstraal, zoodat de gansche atmospheer
in laaien vuurgloed stond, terwijl het rollen des donders niet meer
ophield, maar slechts enkele, verdoovend krakende slagen zijne
ontzagwekkende gelijkvormigheid afwisselden.

De aanblik van dit verheven natuurtooneel liet de mannelijke, met het
gevaar vertrouwde borst niet geheel onbewogen, en hoeveel te meer moest
die der vrouwen daardoor dan niet met bangen angst vervuld worden!
Stil en bleek zaten de drie meisjes naast elkander aan die zijde, waar
zij tegen het inslaan van den regen het best beschut waren. Maria leed
bovendien nog hevige pijnen aan den verzwikten voet; tusschen Julie
en Emma zittende, leunde zij het hoofd tegen den schouder der eerste,
terwijl de andere de hand der lijdende vriendin deelnemend in de
hare sloot. De mannen zochten door eene uiterlijke gerustheid, welke
Rasinski door onverschillige aanmerkingen, Bernard zelfs door scherts
poogde aan den dag te leggen, den moed der vrouwen staande te houden.
Intusschen verried zich het gemaakte dier kalmte te duidelijk, om niet
eene tegenovergestelde uitwerking te weeg te brengen. En inderdaad werd
de bezorgdheid, welke het schijnbare gevaar aan de vrouwen inboezemde,
nog door de vrees overtroffen, die een beter inzicht in het werkelijke
bij de mannen verwekte. Niemand hunner kon het zich toch langer
ontveinzen, dat het onweder tot de hevigste behoorde, die ooit plegen
voor te komen, en dat deze eenzame hoogte, om welke de bezwangerde
wolken zich gestadig dichter opeenpakten, de gevaarlijkste plaats
was, die men tot een toevluchtsoord had kunnen uitkiezen. Lodewijk
inzonderheid was zeer bezorgd, dat de bliksem in den toren mocht
neerslaan, daar de afleider hem op verre na geen toereikende zekerheid
scheen te verleenen. Een geluk was het overigens, dat niemand de spits
daarvan zien konde, anders zouden de lichtkrans, die om de staalpunt
vlamde, en de vuurstraal die bij voortduring langs de neerhangende
stang afgolfde, de vrees nog aanmerkelijk vermeerderd hebben.

Ongeveer een half uur woedde het onweder met volle hevigheid; daarna
nam het af, de donder en bliksem werden minder en de regen stroomde,
hoewel nog steeds rijkelijk genoeg, toch min onstuimig naar beneden.

De meisjes haalden weder ruimer adem en genoten het vroolijke gevoel,
dat na een doorworsteld gevaar het hart bezielt en waardoor de
schuldelooze borst slechts tot zachte, dankbare aandoeningen gestemd
wordt. Maria zag haren broeder met een onbeschrijflijk liefderijken
blik aan; Lodewijk verstond dien. Hij reikte haar de hand en zeide:
„Goede Maria, lijdt gij nog pijn?”

„Neen,” antwoordde zij, niet geheel naar waarheid; „maar het gaan zal
mij toch nog bezwaarlijk vallen.”

„Mij wordt het hier te eng in de bedompte kooi, ik moet mij
verfrisschen!” riep Bernard en sprong haastig naar buiten, waar de
frissche, thans slechts als zilverstof neervallende regen hem de
gloeiende wangen afkoelde. Ook Lodewijk trad in de vrije lucht en
volgde zijn vriend naar de andere zijde van den toren, waar men den
hemel beter overzien kon. „Dat regent nog vier en twintig uren voort,”
sprak Bernard. „Maar wat ik zeggen wou, gij hebt eene zuster, die, de
hemel weet het, meer deugt dan gij en ik te zaam genomen. Waarachtig,
zij kan gelden voor eene vrouw, en bemint u meer dan gij misschien
verdient. Van jongs af zijn tranen mij een gruwel geweest, te weten in
mijn eigen oogen, anders wil ik er niet voor instaan, of, toen zij u
zoo vriendelijk aanzag...”

„Gij hebt een traan in het oog,” sprak Lodewijk, en zag hem met
vriendelijken ernst aan, „o, schaam u daarover niet.”

„Mocht de drommel!” riep Bernard gemelijk; „een regendrop is 't, die
mij op de wang spatte! Ik zeg u immers, tranen in 't mannenoog zijn
mij zoo hatelijk als een matrozenvloek op meisjeslippen, zelfs vrouwen
zie ik niet gaarne weenen, want het steekt aan. In de werkelijkheid
namelijk; want dat ik gaarne treurende vrouwenbeelden schilder, wil ik
niet loochenen en kan ik u terstond bewijzen.” Tegelijk kreeg hij het
schetsenboek met perkamentbladen te voorschijn, dat hij gestadig bij
zich droeg.

„In dit boekje,” zeide hij, „staat menig gezicht dat het aanzien waard
is, schoon niet altijd een blauwe hemel uit de blauwe oogen lacht.
Waarlijk, uwe zuster kwam er thans ook in, als die verdrietige regen
mij het werken maar niet belette. De geheele groep zou ik willen
afteekenen, met Mars Rasinski aan 't hoofd, die de drie duiven als een
arend onder zijne vleugels neemt, schoon ik den kerel van ganscher
harte naar de maan begin te wenschen.”

„Het doet mij genoegen,” antwoordde Lodewijk, „dat gij die schetsen
bij u hebt, want de regen kan aanhouden en in die statige verwachting
schijnen de uren zich te verdubbelen. Konden wij de vrouwen een uur
misleiden, het zou mij hoogst aangenaam zijn. Kom dan meê naar binnen
en laat de meisjes uw boek zien.”

„Ik heb er vrede meê,” hervatte Bernard, „schoon het eigenlijk voor de
kunst, die ons in kalme, rustige uren als eene goddelijke leidsvrouw
verzellen moest, wat smadelijk is, dat wij haar tot vogelverschrikker
tegen een paar rondfladderende zorgen, of liever tot verguldsel op de
pil gebruiken, die het lieve noodlot ons te slikken geeft.” Zij traden
binnen.

„Wij hebben de lucht naar alle zijden opgenomen,” sprak Lodewijk, „en
hopen dat de regen weldra zal ophouden. Intusschen wil Bernard ons met
zijne schetsen den tijd verkorten, zoodat wij aan onzen tegenspoed nog
een onverwacht geluk te danken hebben.”

„En is dat gewoonlijk niet het geval?” vroeg Maria glimlachend.

„Voorzeker,” antwoordde Bernard, „en ik vooral hoop mij de ramp ten
nutte te maken; want als ik hier mijn teekenboek vertoonen zal, kan het
onmogelijk bij elk omslaan van het blad van hand tot hand rondgaan,
daar ik als uitlegger en oppermachtig bezitter de beschouwing zelf
behoor te besturen. Voor eenige oogenblikken moet ik dus volstrekte
gehoorzaamheid vorderen en onderwerping aan de maatregelen, welke ik
nemen zal om mij eene benijdenswaardige plaats te verzekeren.”

Men was dadelijk bereid aan dezen eisch te voldoen. Bernard plaatste
dus vier stoelen op een rij; aan den rechtervleugel moest Maria plaats
nemen, hij zelf zette zich nevens haar en nam Emma en Julie aan zijne
linkerzijde. De overige vier mannen moesten zich achter de stoelen
scharen; Rasinski trad achter Maria, Lodewijk achter Bernard, de beide
jonge officieren achter Julie en Emma.

„Zoo,” begon Bernard, „nu zal ik met strenge onpartijdigheid nu rechts
dan links bij de dames beginnen en van alles eene stipte verklaring
geven. Één ding verzoek ik echter: vraag mij bij landschappen,
bij mannen, kortom bij alles, naar pas, stand en naam; maar de
vrouwenbeelden blijven incognito, daar ik het geheime boek van mijn
hart waarlijk niet voor ieder durf openleggen.”

Ook aan deze harde wet onderwierp men zich gewillig en ging met
gespannen verwachting tot het beschouwen der handteekeningen over.
De meeste waren, als Bernards gemoedsaard, stout, levendig, met
weinige gespierde trekken eer scherp aangeduid dan uitgewerkt, zelden
sierlijk, uitvoerig en zuiver. Bij wijlen echter straalde ook de fijne
bevalligheid zijner stift in de behandeling door. De inhoud van het
boek bestond uit landschapstukken, als: romantische rotspartijen,
boomgroepen, watervallen; soms ook ontmoette men een volledig
landschap; hiertusschen waren figuren in verschillende volksdracht,
noorweegsche visschers, trotsche jagers, kudden rendieren en dergelijke
tafereelen vluchtig neergeworpen. Alles was geheel oorspronkelijk en
boeide door de vreemdsoortigheid der onderwerpen.

„Gij zult bespeuren,” merkte de vertooner op, „dat er een zekere
plaatselijke samenhang in mijn werk heerscht, daar gij er mijne
reisroute uit volgen kunt en kunt zien, waar ik mij in steden en onder
menschen, waar in de eenzaamheid ophield. Van den beginne af had ik
het mij tot wet gemaakt, niet nu hier dan daar het boek te openen en
aan het teekenen te gaan, maar het eene blad na het andere te vullen
en daarbij zooveel mogelijk plaats te besparen, daar ik het meesleepen
van onnutte dingen haat en gaarne alles bijeenhoud. Vandaar heb ik
nog, schoon ik van den eersten dag der reis mijne schetsen begon op te
zamelen, eenige groote bladen over, waarop ik dezen toren en ons allen
daarin afteekenen kan, als het weer mij slechts een half uur den tijd
gunt. Maar zie hier dezen Bergschot met zijne dochter; de partij op
den achtergrond behoort bij het meer Kathrin. Wij naderen nu met elk
blad de beschaafde wereld en weldra bevinden wij ons in het midden van
Londen.—Waarachtig, daar is reeds eene lady, wie ik, zonder dat zij
't wist, haar portret ontkaapte, terwijl zij voor haar landhuis op het
terras zat en ik mij in een vlierbosch schuilhield.”

„Hoe lief en onschuldig vlijt zich dat kind aan haren schoot,” zeide
Maria. „De bloemkrans, dien het der moeder brengt, is toch wel eigen
vinding?”

„Zeker niet,” antwoordde Bernard; „de stoute spring-in-'t-veld had
eene gansche handvol madeliefjes, aurikels en andere kleine bloemen
verzameld en bestrooide er zijne moeder meê, die hem daarvoor, naar
mijn oordeel, eens duchtig had moeten afstraffen, den wilden vernielal,
die in eene minuut meer afplukte dan in eene week weer kon aangroeien;
maar zij deed het niet en lachte, en kuste den kleinen krulkop; ook
daaraan heeft mijne vinding geen deel. Over het geheel is het gansche
boek als het ware een zakspiegel, waarin ik slechts de beelden der
werkelijkheid opving.”

Men bladerde voort en vond eenige caricaturen, daarop verschillende
aardige landmeisjes, pachtersdochters, melkverkoopsters en dergelijke
beelden. Eindelijk was men in Londen. Naar hij vooraf gezegd had, liet
hij teekeningen van vrouwelijke gestalten en beelden zonder verklaring
voorbijgaan, wat Lodewijk zeer lief was. Deze begreep nu toch, dat
zijn vriend die voorwaarde opzettelijk gemaakt had om der vrouwen eene
verlegenheid te besparen, daar onder de herinneringen uit Londen enkele
waren, die het oog der mannen lichtelijk voor de zoodanige herkende,
over wie nadere uitlegging onvoegzaam was. Dat de schilder ze als
gelaatkundige studiën behandeld had, kon hem niemand ten kwade duiden.
Te midden der schalksche, moedwillige gezichten was ook wel hier en
daar eene zachte, eerzame engelsche te vinden.

„O hoe schoon!” riep Maria, toen Bernard een nieuw blad omslag; „hoe
verrukkelijk schoon!”

Rasinski, door dezen uitroep opmerkzaam gemaakt, boog zich dieper over
den schouder van het meisje. Onwillekeurig riep ook hij: „Bij den
hemel, dat gelaat is bekoorlijk!”

„Onbeschrijfelijk!” vervolgde Maria. „Maar wie is zij? Deze ééne moet
gij ons noemen,” voegde zij er vleiende bij.

„En als ik nu juist om dit portret mijn beding gemaakt had?” begon
Bernard. „Maar schoon zulks niet het geval is, ben ik hier toch
gedwongen, mij daaraan strikt te houden. Ik ontvreemdde dit gezicht,
als Prometheus het goddelijke vuur uit den hemel, in het _Kings
theatre_ te Londen, toen de Romeo en Julia gegeven werd en ik in eene
loge slechts deze Julia zag, die mij van die op het tooneel niet het
minste deed zien of hooren. Daar roofde ik dit gelaat, met zijne
zachte, hemelsche uitdrukking.”

„O, welke roerende tranen!” sprak Maria.

Lodewijk, die zich tot hiertoe bescheiden had teruggehouden, om
Rasinski niet te hinderen, boog zich nu voorover om de teekening te
zien, welke Maria hem vriendelijk voorhield. Nauwelijks echter had
hij een blik op het blad geworpen, of tot in het diepst zijner ziel
geschokt, beefde hij terug, daar hij Bianca's beeltenis herkende. Een
snelle kreet ontsnapte zijne lippen; maar, zonder zich zelf bewust
te zijn door welke macht, werd hij zich toch in zoo verre meester,
dat hij op het, hem in de eerste hartstochtelijke drift ontvallen: „O
hemel!” een meer koel: „Welk een bekoorlijk wezen!” kon laten volgen.
Meer vermocht hij niet. Zijn oog werd beneveld; ofschoon het zachte
gelaat zijne blikken met onbeschrijfelijke tooverkracht tot zich trok,
scheurde hij zich met geweld daarvan los, om zijne aandoening niet nog
meer te verraden. In angstvolle spanning verbeidde hij, of hem thans
door het zonderlingste toeval een geheim, waarvan het geluk van zijn
leven afhing, zoude ontsluierd worden; want Maria, die maar niet kon
begrijpen, dat Bernard niet weten zou wie dit bekoorlijke wezen was,
vroeg nogmaals: „En gij kondt dan werkelijk niets van haar ontdekken?
Een zoo belangwekkend wezen kon immers zelfs in het onmetelijke Londen
niet onbekend blijven.”

„Waarlijk, ik weet niets,” hervatte Bernard. „Wel deed ik moeite om
iets te ontdekken, maar mijne proef liep vrij ongelukkig uit, hoe?
zal ik u dadelijk vertellen. De zachte verhevenheid van dit gelaat,
de onbeschrijfelijk roerende droefheid daarop geteekend—want op
mijn woord, ik heb er slechts eene caricatuur van geleverd,—bracht
mij,—waarom zou ik 't niet bekennen?—op mijne plaats in het parterre
niet weinig aan 't dwepen. Ik moest het gezicht hebben, daar zwoer
ik een duren eed op, maar hoe het te schetsen zonder dat zulks in
het oog viel? Naast mij zat een koopman, die lang in Konstantinopel
gewoond en zich daar de oostersche wijze van spreken aangewend had. Ik
kende hem eenigszins. Deze bemerkte wel, dat ik staag naar de loge
en niet naar het tooneel zag, schoon Julia zoo even van Romeo haar
roerend afscheid nam. Hij fluisterde mij toe: „Niet waar, sir, een
gezicht om uit te schilderen, ofschoon uit den helder blauwen hemel
der oogen vochtige dauwdroppen op de rozen der wangen parelen.” Zij
weende namelijk de schoonste tranen, die ik immer gezien heb. „Bij den
hemel, dat is het!” antwoordde ik, „maar waar en hoe?”—„Daar boven is
eene loge onbezet,” fluisterde hij mij in 't oor; „wanneer gij daar
gaat zitten en de deur van den dwarsgang een weinig openlaat, valt u
juist zooveel licht op het blad als gij noodig hebt, terwijl gij zelf
in de schaduw zit.”—Ik verzuimde geen oogenblik dien raad te volgen.
Mijn standpunt was allergunstigst; op de achterste bank der loge zat
ik geheel onbemerkt en zag het hemelsche wezen vlak in het gezicht,
terwijl zij het vochtig oog onafgewend op het tooneel gericht hield.
De onschatbare roof gelukte mij zoo volkomen, als het maar zijn kon.
In mijn arbeid verdiept, had ik echter niet bemerkt, dat iemand de
loge was binnengetreden. Plotseling beet mij eene ruwe, onaangename
stem een fluisterend „Sir!” in het oor. Verschrikt sprong ik op. „Een
woord, sir!” sprak de stem, die een man van omstreeks dertig jaren
toebehoorde, die mij wenkte in den gang te komen. De norsche onbekende
gaat met mij op straat en begint mij daar vrij onbeschoft te vragen,
met welk recht ik mij veroorloofde eene dame te teekenen zonder hare
toestemming. Ik antwoordde kortaf; het gesprek werd wat driftig en
het gevolg was de afspraak tot eene ontmoeting in Hydepark tegen den
volgenden morgen te acht uur. De vreemde verliet mij hierop zonder in
den schouwburg terug te gaan; ik stapte intusschen weer naar mijne
loge, om nog het een en ander nauwkeuriger uit te werken. Maar nog
heden zou ik razend kunnen worden van spijt; toen ik binnentrad,
was de andere loge geheel ledig en de dame met haar gezelschap
spoorloos verdwenen. Ik ondervraag den deurwachter: „Zij zijn zoo even
weggereden,” is het antwoord, „maar ik ken ze niet.” Ik vlieg naar
mijn koopman in het parterre. Ook deze is vertrokken. Thans bleef mij
geen andere troost over dan de ontmoeting in Hydepark, waar ik althans
hoopte te vernemen, wie mijne tegenpartij was. Stipt te half acht ben
ik op de plaats, maar indien ik er nog stond, ware er misschien nog
niemand gekomen. Kortom, ik had elk spoor verloren, want ook de Turk
was geheel onverwachts weder naar de Levant afgereisd, zonder dat ik
hem gesproken had. Naderhand heb ik menigmalen mijne beeltenis aan
vertrouwde vrienden vertoond, maar niemand kende het oorspronkelijke;
te vergeefs heb ik drie maanden lang alle schouwburgen van Londen
bezocht en geene enkele vertooning van Romeo en Julia verzuimd, nooit
is het mij gelukt, ook zelfs het geringste spoor van mijne onbekende te
ontdekken.”


HOOFDSTUK VII.

Bernards verhaal had zoozeer aller aandacht geboeid, dat niemand
bemerkte, hoe de regen allengs heviger werd en de duisternis meer en
meer begon toe te nemen. Thans eerst werd Maria daarop opmerkzaam en
niet weinig verontrust door de gedachte, dat de toestand van haar en
hare jonge vriendinnen nu inderdaad bedenkelijk begon te worden. Zij
beproefde of zij in staat was te gaan en wilde dan stoutmoedig het
weder trotseeren, maar het was haar niet mogelijk; de voet scheen
sterk opgezwollen en veroorzaakte haar bij de minste beweging de
hevigste pijnen. Lodewijk had door de ontroering, die in zijn binnenste
heerschte, de bezwaren van het oogenblik geheel vergeten en zag stil
en peinzend voor zich neder. Maria greep zijne hand en vroeg hem
fluisterend: „Wat moeten wij nu aanvangen, broeder? Ik begin werkelijk
angstig te worden, want gaan kan ik niet, al zag ik ook niet tegen den
regen op.”

Lodewijk bedacht zich een oogenblik en antwoordde vervolgens: „Nu, daar
de bui aanhoudt, is de zaak licht gevonden. Ik ga alleen naar beneden
en kom u met de rijtuigen van hier afhalen.”

„En gij zoudt u aan den regen blootstellen?” sprak Maria.

„Het zal mij goed doen,” hernam hij; „hier is het zoo drukkend, dat ik
naar eenige koele verfrissching smacht. Maar het is hoog tijd, anders
overvalt ons de avond, eer de wagens aankomen.”

De mannen boden thans om strijd aan, Lodewijk te verzellen. Deze had
Bernard gaarne tot geleider meêgenomen, om zoo mogelijk nog iets
anders uit te vorschen; maar het scheen hem welvoegelijker, dat de
schilder, als een ouder huisvriend, de drie meisjes gezelschap hield,
dan dat deze zoo alleen met de drie vreemde officieren achterbleven.
Hij wees dus aller aanbod vriendelijk van de hand, hoe dringend
Rasinski en de jongere Polen er ook op bleven aandringen het bezwaar
met hem te deelen. „Het is volstrekt onnoodig,” gaf hij op hunne gulle
aanbiedingen ten antwoord. „Eén is volkomen genoeg; waarom er dan twee
mede te belasten?” Zonder verdere aanzoeken af te wachten, begaf hij
zich ijlings op weg en beloofde binnen een groot uur met de wagens
terug te zijn.

Deze tijd scheen de meisjes eindeloos lang te duren, daar zij,
door haren natuurlijken beschermer en bloedverwant verlaten, het
onaangename van haren toestand dubbel beseften. De regen ruischte en
kletterde immer heviger, een grauwe nevel trok zich om den berg samen,
de duisternis nam gestadig toe. Thans was er een uur verstreken.
Van minuut tot minuut hoopte Maria de rijtuigen te zien aankomen.
Angstvallig luisterde zij naar elk geruisch en beeldde zich telkens in,
het klappen eener zweep in de verte te vernemen. Hare ongerustheid wies
aan; want er verliep een half uur boven den bepaalden tijd, zonder dat
de vurig verlangde hulp kwam opdagen.

Het was buiten stikdonker geworden. Schoon men dit gedeeltelijk aan den
regen en den donkeren, bewolkten hemel wijten kon, moest het toch reeds
zeer laat zijn. Maria vroeg Bernard eenige malen naar den tijd; deze
antwoordde haar aanvankelijk niet geheel naar waarheid en verklaarde
vervolgens, het niet meer te kunnen zien.

Het was nu niet slechts de verlegenheid, waarin zij zelve verkeerde,
die Maria kwelde; maar ook andere bekommeringen begonnen gedurig
levendiger in haar op te rijzen. Zou Lodewijk ook eenig letsel
bekomen, zou de angst over het uitblijven harer kinderen de zwakke
moeder ook kwaad gedaan hebben? Hiermede paarde zich de lichamelijke
pijn, die langzamerhand zoozeer was toegenomen, dat zij in een bijna
koortsachtigen toestand verkeerde.

Noch Bernard, noch de overige mannen konden het zich thans langer
ontveinzen, dat er iets buitengewoons moest hebben plaats gegrepen,
want twee groote uren waren er reeds verloopen sinds Lodewijk hen
verlaten had. Zij begonnen dus heimelijk te beraadslagen wat hun te
doen stond, en of de plicht jegens den vriend, wien toch licht eenig
ongeval kon bejegend zijn, niet vorderde dat men onverwijld ernstige
navorschingen naar hem in 't werk stelde. Bernard achtte het thans
ook 't best, rond voor de zaak uit te komen, ten einde de nu reeds zoo
angstige meisjes door een welgemeend, maar vruchteloos ontwijken en
bemantelen niet nog meer te verontrusten. Allen waren van hetzelfde
gevoelen. Zonder omwegen gaf hij dus aan Maria te kennen, dat hij zelf
over het uitblijven van haren broeder bezorgd begon te worden en het
zijn plicht achtte, onderzoek naar hem te doen.

Maria beantwoordde deze bekentenis met een warmen handdruk, want reeds
lang had het haar op het beklemde hart gelegen, aan de heeren den
dienst te verzoeken, waartoe zij zich thans vrijwillig aanboden.

Bernard, als het best met de gelegenheid van den berg bekend, en
Jaromir begaven zich thans op weg, na beloofd te hebben van wat er
ook mocht zijn voorgevallen onmiddellijk bericht te zullen brengen of
zenden. Schoon de regen nog als bij stroomen werd nedergegoten en men
geen hand voor de oogen zien kon, kostte het den beiden wandelaars in
den beginne weinig moeite den rechten weg te vinden. Zonder zwarigheid
bereikten zij de ruïne en meenden hun doel reeds nabij te zijn, toen
zij, meer achteloos geworden, eensklaps van het breede spoor waren
afgeweken en zich tusschen het hooge gras bevonden. Zij poogden de
straat weder te vinden, maar te vergeefs. Om geen tijd te verliezen,
besloten zij op den ongebaanden weg te blijven en door struiken, hoog
gras en zaailand zich in eene rechte lijn bergafwaarts te spoeden, daar
zij toch van de hoofdrichting bezwaarlijk konden afdwalen. Intusschen
was dit niet gemakkelijk; want al spoedig werden zij door eene vrij
breede en diepe, door den regen gevulde gracht opgehouden, en toen
zij dezen eindelijk achter den rug hadden, stonden zij voor eene
ondoordringbare dichte doornheg. Zij moesten langs deze voorttasten,
om haar einde of eene opening te vinden; doch plotseling stuitten zij
op eene kruisheg, die hen noodzaakte wederom bergopwaarts te klimmen.
Gelukkig ontdekte Bernard eene plaats, waar men gemakkelijk kon
doorkruipen. Zij deden het en zagen nu in de verte een licht, dat in
een der tot het slot behoorende gebouwen scheen te branden. Hadden zij
dit maar eerst bereikt, dan was het gemakkelijk de herberg te vinden.
Spoedig bespeurden zij echter, dat het schijnsel zich bewoog en nader
kwam; het waren lieden met twee lantaarns. Daar Bernard en Jaromir door
de dichte duisternis omgeven, gene daarentegen helder verlicht werden,
was het niet moeielijk reeds op tamelijken afstand twee fransche
gendarmen te onderkennen, die vermoedelijk een gevangene overbrachten.
Bernard was door zijne menigvuldige reisontmoetingen voorzichtig
gemaakt en aan Jaromir was het als officier bij de lichte cavalerie
tot een tweede natuur geworden, bij donker altijd de behoedzaamheid
der sluikpatrouilles in acht te nemen. Een wederzijdsche wenk was dus
voor beiden het teeken, de mannen met de lantaarns eerst nader te laten
komen en hen voorloopig uit een donkeren schuilhoek aan den weg in
oogenschouw te nemen. Met verbazing werden zij, toen de kleine troep
naderde, gewaar, dat de gendarmen Lodewijk in hun midden hadden, en
met nog meer verbazing herkende Bernard in een vierde, met een wijden
regenmantel geheel omwikkelde gestalte, die eveneens met eene lantaarn
ter zijde ging, den man, wiens gezicht hem dezen middag in den tuin
reeds zoo bekend was voorgekomen. Een handdruk strekte ten teeken, dat
men zich vooreerst nog stilhouden en zwijgende toeschouwers blijven
zoude. Tegen een boomstam gedrukt, den adem inhoudende, wachtten zij
de kleine bende af, en toen deze ongeveer vijftig schreden voorbij
was, volgden zij met de grootste omzichtigheid, waarbij hun het
matte lichtschijnsel, dat de lantaarnen terugwierpen, uitmuntend te
stade kwam. Bernard stelde te veel vertrouwen op Lodewijk en kende
hem te goed, om niet te vermoeden, dat hier òf eene misvatting, òf,
wat in deze tijden, helaas! maar al te menigvuldig plaats greep, eene
staatkundige verdenking, òf eindelijk, wat hem door de medewerking van
den hatelijken vreemdeling het meest waarschijnlijk toescheen, een
schelmstuk in het spel was. De gegrondheid van dit vermoeden was bij
hem zoo boven allen twijfel verheven, dat hij besloot om Lodewijk, het
kostte wat het wilde, uit zijn toestand te verlossen; want dikwijls
kwam het in die dagen slechts dáárop aan, iemand aan zijne geheime
rechters of vervolgers in het eerste oogenblik te ontrukken, om hem
daarna geheel gered en in veiligheid gesteld te zien. Hij fluisterde
dus Jaromir in het oor: „Ik vrees, vriend, dat hier een schurkenstreek
volvoerd wordt, en ik heb mijne gegronde redenen tot dien argwaan.
Gelukte het ons slechts onzen vriend uit de handen der drie mannen
los te krijgen of hem een enkelen wenk te geven, dan zouden wij wel
middelen vinden om hem ook verder te helpen. Wilt gij met mij het
waagstuk ondernemen?”

Jaromir, wien het bewust was, wat hij op het spel zette, wanneer
hij als soldaat eene wacht, en dat wel de geheiligde personen van
twee fransche gendarmen, gewelddadig aanrandde, vond de onderneming
bedenkelijk; aan de andere zijde koesterde hij evenwel te veel
vriendschap voor Lodewijk, om ze van de hand te willen wijzen. Ook
was hem de jeugdige lichtzinnigheid eigen, die de gevolgen eener
daad slechts oppervlakkig overziet. Misschien ook was het een dieper
trek van het poolsche volkskarakter, dat zich zonder den uitslag te
berekenen, tot de dolste ondernemingen leent, die hem besluiten deed;
althans hij sloeg toe.

„Goed dan,” sprak Bernard, „en wij zelven zullen niet het minste gevaar
loopen, als wij het slechts bedachtzaam aanleggen. De weg waarop
wij gaan is opgehoogd; hier rechts aan de heuvelzijde loopt, om het
regenwater af te leiden, eene smalle gracht, die echter diep genoeg is,
om iemand die er intuimelt, eenige minuten te laten omspartelen eer hij
er uitkomt; links daalt de weg slechts drie of vier voeten steil naar
beneden. Wanneer wij nu de gendarmen zachtjes nasluipen, hen onverhoeds
in den rug vallen, den een rechts in de gracht, den ander links van de
hoogte doen buitelen en vervolgens met vereende kracht den man in den
regenmantel tegen het lijf rennen, vinden wij tijd genoeg om ons met
Lodewijk uit de voeten te maken.”

Elk oogenblik was verzuim. Zachtjes, op de teenen, maar toch met
rassen spoed volgden de rappe jongelingen het geleide, dat hun vriend
verzelde; onbemerkt waren zij tot op tien passen genaderd. Lodewijk
ging nog midden tusschen de gendarmen in, van welke de een dicht
aan den rand van den weg, de ander in het gras langs den grachtkant
rustig voortstapte. Eenige schreden vooruit ging de gemantelde met de
lantaarn. „Dien rechts neem ik,” fluisterde Bernard; „nu!”

Als twee wedrenners in volle vaart, stoven de koene aanvallers
voorwaarts, terwijl zij tegelijk een woest geschreeuw aanhieven. Nog
eer de gendarmen konden omzien, werden zij, de een rechts, de ander
links, met zulk eene kracht naar beneden geslingerd, dat zij onmogelijk
bemerken konden, door wie en vanwaar de aanval geschiedde. Volgens
afspraak wilden beiden thans den vreemdeling overhoop rennen, maar deze
bespaarde hun die moeite, want bij den eersten kreet der toesnellenden
had hij de lantaarn reeds van zich af geslingerd, zoodat zij uitging,
en liep, wat hij loopen konde, den weg af naar beneden. Bernard achtte
het niet raadzaam hem te vervolgen, maar beet Lodewijk, die verbaasd
en roerloos stond, driftig in het oor: „Wij zijn goede vrienden; vlucht
met ons!” Tevens greep hij hem bij den arm en riep: „Mij na!” Lodewijk
herkende hem dadelijk en verzuimde niet hem te volgen; daar ook de
lantaarns der gendarmen bij den val waren uitgebluscht, begunstigde de
diepste duisternis de zeldzame vlucht. Pijlsnel ijlden alle drie in
het donker voort, den weg op dien zij gekomen waren. „Mij na!” riep
Bernard onder het loopen. „Wij moeten bij elkaâr blijven, dan hebben
wij desnoods nog de overmacht.”

Een goed eindweegs hadden zij reeds afgelegd, toen zij achter zich twee
schoten hoorden vallen. Het waren de gendarmen, die hunne karabijnen in
de richting afvuurden, welke de vrienden genomen hadden.

„Schiet maar!” riep Bernard. „Wij hooren de kogels niet eens fluiten:
ons treffen kunt gij niet meer!”

Naar den afstand van het geluid en den tijd vóór de losbranding
verstreken, konden de vluchtenden zich tamelijk zeker achten. Echter
zetten zij hunne vlucht zoo snel mogelijk voort. Thans liep er een
zijweg linksom den berg op, dien Bernard insloeg; eenige honderd
schreden verder vertraagde hij zijn tred en zeide: „Nu langzaam, anders
verliezen wij kracht en adem! Voorloopig zijn wij in veiligheid;
slechts geen woord spreken!”

Onder diep stilzwijgen klauterden zij opwaarts. Van tijd tot tijd
luisterde Bernard, of hen ook iemand volgde. Alles bleef stil. Na een
vierde uur, toen men rondom door dicht kreupelbosch omringd was, kon
men met zekerheid aannemen, dat er geen gevaar meer te duchten bleef.

„Wat nu aan te vangen?” vroeg hij stilstaande.

„Allereerst,” sprak Lodewijk met vuur en greep de handen zijner
geleiders, „allereerst u mijn hartelijken dank, gij trouwe vrienden!
Maar zegt mij toch, hoe gij mijne aanhouding te weten kwaamt en door
welk wonder mijne redding u gelukte?”

Bernard verhaalde hem het toevallige der ontdekking en de beweegredenen
tot de welgelukte onderneming.

„Mijn goede engel heeft u geleid,” hernam Lodewijk met aandoening;
„want ik was, geloof ik, het verderf nabij.—Maar wat hebt gij
gewaagd!” riep hij eensklaps met diepe ontroering en omarmde beiden met
broederlijke warmte.

„Gewaagd?” hervatte Bernard; „het zou wat! Ten hoogste was het een
studentenstreek, die ons niet aan de galg zou gebracht hebben, al was
men ons ook te handig geweest. En hoe zou men ons gesnapt hebben? Wie
kent ons, wie heeft achterdocht op ons? Al liepen wij den gendarmen
nog ditzelfde oogenblik in den mond, geen haar op hun hoofd zou er aan
denken, dat wij het waren, aan wie zij dat lieve modderbad te danken
hadden. Maar waarom hebben zij u dan toch bij de lurven gepakt? Of ben
ik misschien nieuwsgieriger dan mij betaamt?”

„De geschiedenis is vreemd genoeg en mij zelf nog half een raadsel,”
antwoordde Lodewijk. „Ook is het verhaal zoo ingewikkeld, dat ik het
liever tot een gelegener tijd wil uitstellen.”

„Ook al goed,” hernam Bernard, „maar de hoofdomstandigheden dienen wij
nu toch te weten om er ons gedrag naar in te richten en in de eerste
plaats te bepalen, waar gij thans het meest veilig kunt zijn. Zoudt gij
naar Dresden durven terugkeeren?”

„Ik vrees neen,” antwoordde Lodewijk. „Maar ik wil u een kort verhaal
doen. Gij herinnert u den mensch, die ons in den tuin zoo bekend
voorkwam?”

„Voorzeker, en verder?”

„Toen ik van den berg afkwam en de ruïne bereikt had, vond ik daar
nog een aantal menschen verzameld, die voor den regen gevlucht waren.
Natuurlijk zag ik rond of ik mijne moeder en tante ook ontdekte. Ik
vond haar niet; het waren meest lieden, die tot den hofstoet behoorden.
Toen ik daarop verder ging en pas honderd schreden van de ruïne
verwijderd was, riep mij een fransch gendarm een vrij norsch „_Bon
soir, Monsieur!_” na. Ik groette terug en wilde mijn weg vervolgen,
toen hij mij te kennen gaf, dat ik hem verzellen moest. Ik vroeg waarom
en waarheen? Daarop mocht hij niet antwoorden. Mijzelf bewust niets
misdreven te hebben, besloot ik, hoe ongaarne dan ook, te gehoorzamen
en hoopte, dat de gansche zaak zich terstond als een misverstand zou
oplossen. Toevallig omziende, bemerkte ik een man in een regenmantel
en een tweeden gendarm, die ons op den voet volgden. Toen zij nader
kwamen, herkende ik den bewusten vreemdeling. Hij trad op mij toe en
zeide met een terugstootenden grimlach: „Gij zult zoo goed zijn ons tot
een klein verhoor te volgen, mijnheer!”—„Dat heb ik met verwondering
gehoord,” antwoordde ik, „en het zou mij hoogst aangenaam zijn de reden
te mogen vernemen.” Daar hij zweeg vervolgde ik: „Ik kan hier slechts
eene misvatting veronderstellen en verwacht genoegdoening voor deze
krenkende beleediging.”

„„Die zal niet uitblijven,” gaf hij droogjes ten antwoord, en wij
draaiden naar het slot af.

„Het was mij inderdaad niet onaangenaam, dat de regen nog hevig
neerstroomde en wij dus niemand ontmoetten; want het wekte een zeker
gevoel van schaamte in mij op, als een galeiboef tusschen twee wachters
vervoerd te worden. Aan de poort van het slot gekomen, werd ik in de
kleine portierskamer gebracht, waar ik, door beide gendarmen bewaakt,
een goed uur wachten moest, terwijl de vreemde zich verwijderd had.
Dit tijdsverloop maakte ik mij ten nutte, om een besluit betrekkelijk
mijn te houden gedrag te nemen. Ik nam mij voor, mij over niets uit
te laten, maar slechts tegen het wederrechtelijke mijner aanhouding
te pleiten. Natuurlijk was ik ook dadelijk op middelen bedacht, om
mijne moeder den schrik te besparen, dien haar het bericht van mijn
wedervaren buiten twijfel veroorzaken moest. Intusschen werden de
plannen, die ik te dien einde opvatte, geheel verijdeld, zooals gij
terstond hooren zult. Na een groot uur kwam de onbekende terug; het was
reeds stikdonker, zoodat ik niet recht wist, waarheen ik vervolgens
gebracht werd; denkelijk naar een der zijvleugels van het slot. Nadat
ik eene steile trap opgeklommen en een vrij langen gang doorgegaan was,
werd ik in eene kamer geleid, waar ik denzelfden man met het legioen
van eer aantrof, die ons dezen middag ontmoette. Hij sprak enkel
fransch. Ik beklaagde mij over mijne gevangenneming. Hij glimlachte,
trok de schouders op en meende, dat de reden mij wel bekend zoude zijn.
Hierop ging hij tot een volledig verhoor over en verlangde in de eerste
plaats mijn naam te weten. Ik verklaarde dien niet te zullen noemen,
alvorens ik wist op welken grond men mij van mijne vrijheid beroofde.

„„Gij zijt beschuldigd van hoogverraad,” antwoordde hij driftig.

„En door wien?” vroeg ik bedaard.

„„Door dien heer dáár”, hernam hij en wees op den vreemdeling.

„Ik ken dien heer niet,” zeide ik vrij gemelijk.

„„Maar hij u des te beter,” antwoordde mijn ondervrager op heftigen
toon.

„Wel nu,” sprak ik, „als die heer mij beschuldigt van hoogverraad, zal
hij gewis ook in staat zijn u mijn naam te zeggen, dien ik zelf weiger
te noemen, daar ik de rechtbank waarvoor ik sta, niet als wettig erken.”

„De vreemdeling wist op deze woorden niets te antwoorden, maar
wierp mij een half beschaamden, half grimmigen blik toe. Eindelijk
fluisterde hij hem, die zich tot mijn rechter had opgeworpen, eenige
woorden in het oor. Deze vervolgde: „Het spreekt van zelf, dat uw naam
ons bekend is, mijnheer, maar de vorm van het verhoor vordert, dat gij
zelf dien noemt.”

„Ja, de vorm van het als wettelijk erkende verhoor,” hernam ik.

„Mijn ondervrager werd rood van spijt bij deze nieuwe tegenwerping.
Eenige malen ging hij de kamer op en neder en verliet toen met mijn
aanklager het vertrek. Na verloop van een kwartier kwamen zij weer
binnen. De man met het kruis trad met trotschheid op mij toe en zeide:
„Men zal u thans naar eene plaats brengen, die misschien eenigen
invloed op uw hardnekkigheid kan uitoefenen. Wees zoo goed dezen
heer te volgen.”—Thans vielen mij moeder en zuster, hare zorg en
bekommering te binnen.

„Gij zult toch veroorlooven, dat ik eenige vrienden, met welke ik op
deze plaats gekomen ben, van mijn toestand naricht geef?” zeide ik met
drift.

„„Ik kan u zulks niet vergunnen,” was het antwoord.

„Hoe!” riep ik, „schuwt uwe rechtbank zoozeer het daglicht? Dat is de
wreedheid eener inquisitie!”

„„Een gevangene, die zich zelf niet noemen wil, kan onmogelijk op eene
dergelijke vergunning aanspraak maken.”

„Welaan dan,” riep ik, „ik zal mijn naam noemen, zoodra ik aan de
mijnen bericht toegezonden en hen daardoor in staat gesteld heb, om
tegen mijne willekeurige en gewelddadige arrestatie op te komen. Ik
schrijf twee regels; binnen tien minuten kan ik ze onderteekend terug
hebben. Zoodra dit bewijs, dat de mijnen onderricht zijn, in mijne
handen is, zal ik op elke billijke vraag van uw verhoor antwoorden.”

„De man scheen eene poos besluiteloos. Eindelijk kreeg ik ten antwoord:
„Ik moet uw verlangen onvoorwaardelijk van de hand slaan en mag u geen
gemeenschap, hoegenaamd ook, met de uwen vergunnen. Overigens zal ik
wel middelen weten te vinden, om van u te vernemen, wat wij weten
moeten. Tot wederzien!”

„Hij vertrok. Ik was in eene hevige gemoedsbeweging. De voorstelling,
welke ik mij maakte van den angst mijner moeder op het vernemen,
dat ik verdwenen was, zonder dat zij het geringste spoor van mijn
verblijf ontdekken kon, bewoog mij, den afkeer, mij door den hatelijken
onbekende ingeboezemd, in zoo verre te overwinnen, dat ik mijne
trotschheid tegen hem ter zijde stelde en hem met vriendelijker woorden
aansprak. „Van uwe menschelijkheid verwacht ik, mijnheer,” begon ik,
„dat gij mij in de gelegenheid zult stellen, om mijnen vrienden ten
minste eenige mondelinge tijding te doen toekomen en hen daardoor van
hunne bezorgdheid te ontheffen.”

„„Gij hebt slechts mijne bevelen op te volgen,” antwoordde hij met
bitse koelheid.

„En waarin bestaan deze? Ik zal toch mogen weten, werwaarts men mij
brengt?”

„„Uwe oogen zullen er u tijdig genoeg van onderrichten.”

„Ik durf u gerust bekennen, dat woede over dezen ellendeling en
bezorgdheid wegens moeder en zuster mij de tranen uit de oogen persten.
Met moeite bedwong ik de hevige drift, die mij tot uitersten dreigde te
vervoeren, die mijn nu reeds hachelijken toestand slechts verergeren
konden. Thans trad een der beide gendarmen binnen en fluisterde, doch
zóó dat ik het verstaan kon: „De wagen is reeds aan het veer en zal aan
de overzij der Elbe wachten. Ook de boot is gereed.”

„Op dit bericht gingen wij,—en van nu af kent gij mijn wedervaren;
want op den weg, dien wij thans insloegen, werdt gij mijne redders.”—

„De weinige minuten, die uw verhaal ons heeft opgehouden, zijn niet
verloren,” dus nam Bernard het woord op: „want nu eerst kunnen wij een
geregeld plan ontwerpen. Het grootste geluk is, dat gij u niet genoemd
hebt, ofschoon 't nog altijd een bedenkelijk stuk blijft, u naar
Dresden terug te brengen. Maar wat ter wereld kunnen die kerels toch
met u voorhebben?”

„In de eerste oogenblikken was ik zelf door de ontmoeting te zeer
onthutst, om aan hare aanleiding te kunnen denken; thans heb ik wel is
waar eenig vermoeden, maar voor het tegenwoordige kan ik mij daarover
niet nader uitlaten. Misschien wordt het geheele voorval nog de
onvoorziene grondslag van mijn volgend geluk.”

„Niets zou mij meer verheugen, beste vriend!” hervatte Bernard; „maar
nu wordt het tijd, dat wij ook aan de overigen denken. Uwe zuster
verkeert daar boven in doodelijken angst, uwe moeder beneden wellicht
niet minder. Wij werden afgezonden om u op te zoeken en de wagens te
ontbieden; dat moet dus nu ons eerste werk zijn. Wat u betreft, het
beste is, dunkt mij, dat gij regelrecht naar boven gaat en daar in
alle bedaardheid onze terugkomst afwacht. Uw uitblijven kunt gij bij
de meisjes verontschuldigen door te zeggen, dat er iets aan de wagen
gebroken was, dat u van minuut tot minuut heeft opgehouden. Zeg ook,
dat gij ons ontmoet hebt, en dat wij de verdere bezorging op ons namen,
terwijl gij u haasttet haar omtrent u zelf gerust te stellen. Ik zal
intusschen beneden alles in orde brengen en voorbereiden; vertel gij
echter geen sterveling iets van uwe werkelijke ontmoeting.—Nu, tot
wederzien, want wij hebben geen tijd meer te verliezen.”

„O, mijne vrienden!” riep Lodewijk, „hoe kan ik u ooit genoeg danken?
Wie weet, aan welk onheil gij mij ontrukt hebt!”

„Ei wat,” hernam Bernard, „dank het toeval, niet ons. Somwijlen spookt
mij zoo'n ding, wat men in 't gemeene leven voorgevoel noemt, door
de ziel, en dat heeft mij heden tot dat dollemansstuk aangedreven.
Verdrietig zoudt gij worden, als gij naar de eerste drijfveer van ons
doen, niet naar de gevolgen daarvan richten wildet. Immers, ingeval
men niet werkelijk een schurkenstreek met u voor had, ingeval uwe
gevangenneming, en dat moest ons toch wel het waarschijnlijkste
voorkomen, uit een bloot misverstand of uit eene nietsbeduidende reden
was voortgesproten, kon de onnoodige aanval op de gendarmen en uwe
gewelddadige bevrijding ons allen verduiveld slecht te staan komen en
u zelf tienmaal dieper in den nood brengen. Maar van achteren wordt
men wijs. Intusschen, één ding moet ik u zeggen: in den grond komt
alle eer er van aan mijne kunst toe. Bezwaarlijk zou ik mijn dolzinnig
plan volvoerd hebben, had ik met mijn scherpziend schildersoog niet
ettelijke lijnen op uw gezicht ontdekt, die onmogelijk door eene
bloote verdrietelijkheid of lichte bezorgdheid op uw voorhoofd konden
ingedrukt zijn. In weerwil van het matte lantaarnschijnsel, zou ik er
op gezworen hebben, dat de horizontale en vertikale strepen om het
centraalpunt uwer gansche physionomie, vooral aan de grenzen tusschen
voorhoofd en neusbeen, door de hand van een ernstig ongeluk geteekend
waren. Een groot meester herkent men dadelijk aan twee of drie trekken.
Dien dus hebt gij alles te danken en het blijft: leve de kunst! Maar
nu, vlieg vrij en frank als een arend naar boven, waar de arme jongen
uit het nest angstig naar u uitkijken.—Voorspoedige reis!”

Met deze woorden ijlde hij met Jaromir naar beneden, zonder Lodewijks
vernieuwden dank af te wachten.

„Mijne beste handteekening wou ik geven,” sprak hij onder het voortgaan
tot den jongen Pool, „wanneer de beide gendarmen ons ontmoetten en
naar het spoor vroegen der twee verwenschte spitsboeven, die hen zoo
onridderlijk uit den zadel gelicht en van hun buit ontheven hebben.
Ik zou hen eer naar den berg Sinaï, dan naar den top van den Potsberg
zenden.”

Lodewijk klom intusschen opwaarts. In de nabijheid van den toren
gekomen, klonk hem een luid „Werda?” tegemoet en hij herkende de
stem van Rasinski, die beurtelings met Boleslaw in een geregelden
voorpostendienst voorzag en juist eene verkenning deed. „Goed vriend!”
riep Lodewijk verheugd. „Eindelijk!” juichte men hem tegen, en Rasinski
bood hem vriendelijk de hand. „Wat zal uwe zuster verheugd zijn, die
zich reeds zoozeer over u verontrust heeft!” Als in triomf leidde hij
den wedergevondene naar den toren, waar de meisjes in sprakeloozen
angst neerzaten. „Lodewijk, zijt gij eindelijk daar?” riep Maria, de
armen naar hem uitstrekkende; „hoe kondt gij ons ook zoo lang alleen
laten?”

Volgens afspraak verontschuldigde Lodewijk zijn uitblijven zoo goed
hij konde en kondigde de meisjes eene spoedige verlossing uit de
zonderlinge gevangenis aan. „O, nu gij bij ons zijt en moeder niet meer
ongerust is, nu willen wij gaarne geduld hebben,” antwoordde Maria.
Zij wilde hem verzoeken, zich aan hare zijde neer te zetten, doch
onder voorwendsel, dat zijne kleederen doornat waren en hij derhalve
liever in beweging wilde blijven, wees hij deze bede van de hand.
De hoofdoorzaak echter was eene heimelijke bezorgdheid, of Bernard
zoude terugkomen dan niet; en deze hoopte hij, met de mannen buiten
rondwandelende, beter te zullen verbergen.

Eindelijk, na een bang half uur, hoorde men zweepgeklap in het bosch
en spoedig kon men het gedreun der langzaam aanrollende rijtuigen
duidelijk onderscheiden. Thans blonk een lichtschijnsel door de
struiken, en na eenige minuten werd men overtuigd, dat men zich niet
bedrogen had. Jaromir kwam te voet vooraan en bracht het bericht dat de
beide moeders mede naar boven kwamen, om een aanmerkelijken omweg te
besparen. Nu was het eene rijtuig genaderd; de koetsier sprong behendig
van den bok,—het was Bernard.

„Daar zijn wij,” riep hij, „en wel ik om goede redenen als koetsier.
De een der beide Autemedons was zoo smoordronken, dat hij tot niets
te gebruiken was. Wij hebben hem rustig en wel op het stroo laten
liggen, en ik was zoo vrij mij tot erfgenaam van zijn mantel te
verklaren, daar mijn rok zoo doornat is, als ware ik met Leander den
Hellespont overgezwommen. Nu ben ik bijna weer droog en kunt gij er u
mede verwarmen Lodewijk.” Meteen wierp hij den mantel aan zijn vriend
toe en beet hem onbemerkt in het oor: „Dat is uwe vermomming; men kan
niet weten wat er voorvalt. Gij moet op den bok en ons naar de stad
terugbrengen; de koetsiers zijn reeds onderricht en weten wat zij te
doen hebben.”

Met een zwijgenden handdruk dankte Lodewijk den vriend voor dezen
schrander overlegden maatregel. Deze had het hierbij niet laten
berusten, maar was er ook op bedacht geweest eenige flesschen goeden
wijn en een behoorlijken mondvoorraad mede te brengen ten einde men
zich hier boven een weinig zou kunnen versterken, om niet genoodzaakt
te zijn in den laten avond naar de herberg terug te keeren, wat voor
Lodewijk gevaarlijk had kunnen worden. Toen na al deze schikkingen
en toebereidsels eindelijk ook de beide moeders verschenen, welke
Bernard door het voorwendsel, dat men daardoor een aanzienlijken omweg
bespaarde, tot den laten rit, waartegen zij wel een weinig opzagen,
overreed had, was de laatste zorg uit het hart der drie meisjes
verbannen. Onbekommerd gaven zij zich aan een vroolijker stemming over,
ja, begonnen zich zelfs te verheffen op de romantische avonturen van
den dag, en waren ook geenszins de laatste, die van de goede gaven,
door Bernard medegebracht, een dankbaar gebruik maakten.

Eindelijk schikte men zich tot den terugrit. Zoowel de toestand van
Maria, die haren voet steeds uitgestrekt moest houden, als het late uur
maakten het voegzamer, dat heeren en dames gescheiden werden. Bernard
had bovendien zeer gegronde redenen, om zulks te wenschen, daar het in
geval van nood altijd goed was, dat de mannen alleen en bij elkander
waren, en ook de wagen, waarin zich enkel vrouwen bevonden, bij
mogelijk onderzoek aan de poort geenerlei vertraging te duchten had.
Deze laatste reed het eerste af en werd door den wezenlijken koetsier
bestuurd. Daar de mannen nu alleen waren, gaf Bernard een zoo beknopt
mogelijk verslag van het voorgevallene, ten einde die zonderlinge
verkleeding van Lodewijk als koetsier te verklaren. Men beloofde
elkander in volkomen overeenstemming te zullen handelen, en Rasinski
verzekerde daarenboven, dat zijne uniform toereikend zijn zoude, om ten
minste voor het oogenblik elk gevaar af te wenden. Lodewijk drukte de
door Bernard meegebrachte koetsiersmuts diep in de oogen, wikkelde zich
zorgvuldig in den mantel en sprong op den bok. Onder het rijden gaf
Bernard een meer uitvoerig verhaal van het gebeurde, ten einde daardoor
het gevaar uit den weg te ruimen.

Ongehinderd bereikte men het veer en de overzijde der Elbe. Nu boog
Bernard zich uit het portier en verzocht Lodewijk, stil te houden.

„Het is wel hoogst waarschijnlijk,” zeide hij, „dat men u in het
geheel niet kent, doch zeker is het niet. De mogelijkheid bestaat,
dat men u in het huis uwer moeder komt opzoeken. In allen gevalle is
het voorzichtiger, dat gij er dezen nacht niet doorbrengt en u schuil
houdt, tot wij den grond verkend hebben. Een geschikt voorwendsel kunt
gij aan mij overlaten. Roep nu uwen collega, den eersten koetsier,
slechts toe, dat hij stilhoude, dan vindt zich het overige van zelf.”

Lodewijk gehoorzaamde. Zijn vriend sprong uit den wagen, snelde naar de
vrouwen en verzocht deze zich niet te verontrusten, zoo men haar alleen
verder liet rijden, daar de paarden van het laatste rijtuig dermate
vermoeid waren, dat zij niet meer van de plaats wilden, en men dus
genoodzaakt was, hen te voederen en wellicht een uur rust moest houden.
Den koetsier wenkte hij ter zijde, gaf hem een drinkgeld en sprak:
„Wees onbezorgd, wij blijven u op korten afstand volgen, maar hebben
onze redenen, waarom wij niet tegelijk met de dames de stad wenschen
binnen te rijden.”

„'t Is wel,” mompelde deze, nam zijne plaats weder in en reed door.

Alsof zulks hem thans eerst inviel, liep Bernard het damesrijtuig na
en riep het portier in: „Nog iets! Daar wij waarschijnlijk veel later
aankomen dan gij, zal Lodewijk u niet storen, maar den nacht bij mij
doorbrengen.”

Zonder antwoord af te wachten, ijlde hij naar zijne vrienden terug. „Nu
is alles in orde,” riep hij vroolijk. „Wij zijn vermomd, gemaskerd,
geharnast en verschanst; heeft nu iemand lust de vesting te bestormen,
te belegeren of te laten uithongeren, hij zal den kop stooten, wees
daar gerust op.”

Vijf minuten later dan de vrouwen zetten ook de mannen hun rit voort,
zoodat zij genoegzaam in de nabijheid bleven, om ze, wanneer een
onverwacht voorval zulks vorderde, dadelijk bij te kunnen springen.

Op den ganschen weg bejegende hun niets verdacht; ongehinderd bereikten
zij de poort van Dresden; bij het binnenrijden werden zij echter
aangehouden.

Een politiebeambte en een gendarm traden op het rijtuig toe en vroegen
vanwaar men kwam en wie men was. Volgens afspraak belastte Rasinski
zich met de beantwoording dezer vragen, welke Bernard wel had voorzien.
De uniform en de rang van den graaf boezemden den ondervragers
onmiskenbaar ontzag in; zij traden eenige schreden terug en schenen met
elkander te beraadslagen. Bernard, wien niet het geringste ontging,
bespeurde, dat een derde, in een langen mantel gehulde gestalte zich
bij hen vervoegde. Zijn geoefend oog had weinig moeite, om daarin den
hoofdvijand van Lodewijk te herkennen; men bevond zich dus inderdaad in
een gevaarlijken toestand. Rasinski boog zich eindelijk ongeduldig uit
het portier en riep: „Waarop hebben wij nog te wachten? Het is laat;
men houde ons niet langer op.”

Men talmde nog een poos; eindelijk trad de gendarm met eene lantaarn
nader, lichtte in den wagen en zeide beleefd: „Vergeef mij, heer
overste; maar wij zijn gelast, een persoon die van Pillnitz komen moet,
hier dadelijk aan de poort van eene hoogst gewichtige aangelegenheid
bericht te geven. Ik heb dus slechts te onderzoeken, of hij zich
misschien ook in uw midden bevindt.”

„Mocht de duivel,” riep de overste driftig. „Deze heeren zijn mijne
regimentskameraden, die dáár is mijn vriend, en geen van ons heeft zoo
laat in den nacht berichten te wachten. Laat ons met rust! Voorwaarts
koetsier!”

De wagen rolde voort, en zonder verdere belemmering bereikte men het
Hôtel de Pologne, waar Rasinski en zijne krijgsmakkers hun intrek
namen. Daar zou Lodewijk den nacht vertoeven, terwijl Bernard op zich
nam het rijtuig naar den stal des eigenaars terug te brengen. Den
volgenden morgen wilde men verdere maatregelen nemen.


HOOFDSTUK VIII.

Dien volgenden morgen maakte Bernard zich vroegtijdig gereed om
Lodewijk te bezoeken. Hij nam zijn weg door de Slotstraat en overlegde
onder het voortwandelen, wat in deze hoogst onaangename zaak wel het
raadzaamst was en of het niet voorzichtig zijn zou, dat Lodewijk, ten
minste voor eenigen tijd, Dresden verliet, toen hij, in gedachten
verzonken en weinig op hem omringende voorwerpen achtgevende, vrij
onzacht tegen den elleboog eens voorbijgangers aanstiet. Werktuiglijk
grepen beiden naar hunne hoeden en wilden zich beleefdelijk jegens
elkander verontschuldigen, toen Bernard zag, dat hij den vreemdeling
voor zich had van wien het gansche onheil voortsproot.

Alleen een koelbloedig, nooit zijne tegenwoordigheid van geest
verliezend zwerver als Bernard, vermocht daarbij bedaard te blijven.
Met de grootste beleefdheid verzocht hij verschooning wegens zijne
lompheid; de vluchtige verrassing, die op zijn gelaat zichtbaar werd,
kon evengoed aan ontsteltenis over den vrij hevigen stoot, als aan
het gevoel worden toegeschreven, dat het zien van den persoon hem
inboezemde.

De vreemdeling antwoordde even hoffelijk; met valkenoogen bespiedde
Bernard zijne gelaatstrekken, om te ontdekken of hij herkend werd
dan niet. De onbekende scheen te twijfelen. Daar rees eensklaps het
denkbeeld bij hem op: hoe, indien het u eens gelukte, den schoft
vertrouwelijk te maken en u van zijne domheid te bedienen? Columbus
kon met de plotselijke gedachte die hem eene nieuwe wereld achter de
onbekende zeeën deed vermoeden, niet meer zijn ingenomen dan Bernard
met dezen inval was. „Gij zijt mij vreemd, mijnheer,” hervatte hij, „en
toch moet ik u reeds ergens anders gezien hebben dan hier, waar het
toeval ons zoo onzacht op elkander doet stooten.”

„Mij komt het ook zoo voor,” antwoordde de vreemde, met die pijnlijke
onzekerheid op het gelaat, welke het ons veroorzaakt, wanneer wij eene
donkere persoonsherinnering niet terstond op de rechte plaats weten te
brengen.

„Mijn hemel, daar valt het mij binnen,” riep Bernard; „waart gij
gisteren niet in den tuin te Pillnitz? Wij ontmoetten elkaar immers aan
het vlierbosch.”

„Juist, juist,” riep de vreemde met een van boosaardige voldoening
schitterend gelaat; „te Pillnitz; maar gij waart, dunkt mij, niet
alleen?”

„Ik wandelde met een reiskennis, dien ik in de herberg aantrof,” hernam
Bernard op onverschilligen toon. „Later beklommen wij den Potsberg,
maar het onweer dreef ons uitéén. Zijt gij er misschien ook door
verrast geworden?”

„Een weinig; evenwel....”

„Ik ter deeg,” viel Bernard hem opzettelijk in de rede; „geen drogen
draad hield ik aan 't lijf en ik had ten overvloede geen gelegenheid
om naar de stad terug te komen, daar de schoelje van een koetsier dien
ik besteld had, gevlogen was, denkelijk omdat de een of ander hem meer
had geboden. Gelukkig vond ik een paar fransche officieren, uitmuntende
menschen, die mij naar Dresden meenamen, anders zat ik er misschien
nog. Ik was juist van plan hen op te zoeken; daar de heeren gewoonlijk
vroeg uitgaan, zult gij vergeven dat ik haast maak.”

Met deze woorden nam hij den schijn aan van zich te willen verwijderen,
doch de vreemdeling hield hem terug. „Een woord, als ik u bidden mag.
Wie was de heer, die u vergezelde?”

„Inderdaad,” hervatte Bernard, „daarvan kan ik u weinig of niets
zeggen. Ik reis veel; voor langen tijd ontmoette ik hem te Mannheim
en eenige dagen geleden vond ik hem aan eene table d'hôte te Leipzig
weer. Wij dronken samen koffie in Tivoli, gingen naar den schouwburg en
soupeerden 's avonds in een oesterkelder. Gisteren zagen wij elkander
toevallig in den tuin van Pillnitz, en even toevallig werden wij door
het onweder weer gescheiden. Dit is alles, wat ik weet. Naar stand en
naam heb ik hem niet gevraagd, want welk reiziger bekommert zich in dat
opzicht om den ander? Zoo er u echter iets aan gelegen is, kan ik u
gemakkelijk de vereischte inlichting verschaffen, daar wij tegen heden
middag eene bijeenkomst bij Hegereuter in den Plauenschen tuin hebben
afgesproken.”

„Hoe laat, als ik u vragen mag?”

„Te vier uur. Wilt gij mede van de partij zijn, zoo haal ik u af en wij
gaan samen.”

„Gij zoudt mij bij uitstek verplichten; doch vergun mij u de moeite
te besparen, mijnheer, en liever u af te halen; mag ik uwe woonplaats
weten?”

„Voor geen geld ter wereld zou ik dat van u vergen! Maar om den strijd
te vereffenen, zullen wij elkander te drie uur bij den Italiaan Longo
aantreffen. Voor het oogenblik moet ik u vaarwel zeggen. Tot het
genoegen van u weer te zien.”

Zonder antwoord af te wachten nam Bernard met al de bedrijvigheid van
een jongen windbuil een vluchtig afscheid en vloog de straat op, doch
slechts om onbemerkt in een der naaste huizen te sluipen en vandaar
den verdachten vreemdeling met arendsblikken te volgen. Toen hij
waande dit veilig te kunnen doen, volgde hij hem, vast besloten hem
niet uit het oog te verliezen. De bespiede trad een aanzienlijk huis
in de Slotstraat binnen; Bernard wist dat het een portier had, dien
hij eenigermate kende, en besloot dezen uit te vragen. Hij volgde den
vreemdeling in huis en vroeg den portier of hij hem kende.

„Niet bij naam,” antwoordde deze; „maar hij woont hier in huis en
behoort tot het gevolg van den baron St. Luces; ik geloof dat hij diens
secretaris is.”

Bernard wist genoeg. Als een pijl uit den boog vloog hij naar Rasinski,
wien hij met Lodewijk en de jonge Polen aan het ontbijt vond. Zijne
berichten werden met gretigheid verslonden. Bij den naam St. Luces
fronste Rasinski bedenkelijk het voorhoofd. „Dat is geen goede
naam voor u, lieve vriend! De man is half raad van legatie, half
politiebeambte, half spion; zeer geslepen, maar listig en hebzuchtig,
onmisbaar, maar verachtelijk. Eigenlijk heet hij Rumigny, werd wegens
zijne schurkendiensten op den kruiwagen genomen, en is op die wijze
tot den zoogenaamden adelstand verheven, die sedert het keizerschap in
Frankrijk als paddestoelen opschiet. Ik ken hem, helaas! te goed. Maar
wat ter wereld kan hij tegen u in 't schild voeren.”

Lodewijk had zijne ontmoeting in Italië, waaraan hij zijne
inhechtenisneming zonder bedenking toeschreef, tot hiertoe zorgvuldig
verzwegen; thans verhaalde hij ze in haar geheelen omvang, zonder
echter het aandeel te verraden, hetwelk zijn hart daarin genomen had.
Bernard luisterde met sprakelooze verbazing toe. Dus ook Lodewijk
kende het geheimvolle wezen en had tot haar in de vertrouwelijkste
betrekking gestaan? O, hoe diep, dacht hij bij zich zelf, moet onder
zoo zonderlinge omstandigheden het aanminnige beeld in het hart van
den vriend zijn ingeprent! Hem zelf was de schoone gedaante als een
droombeeld verschenen en ontvloden; thans echter, daar hij den vriend
in zulk eene innige verbinding der werkelijkheid met het ideaal zag,
dat hem tot hiertoe slechts als eene schepping van Raphaël voor den
geest zweefde, thans werd zijn hart hevig geschokt en voelde hij, dat
oude, half gesloten wonden opnieuw bloedden. Naar zijne gewone wijze
zette hij echter den ernst, dien hij nooit ernstig uitte, de narrenkap
op. „Een avontuur zonder weerga!” riep hij. „En zou men nu nog om
uwentwille bezorgd zijn? Voor eene reis over den Simplon, in de luwe
Italiaansche nachtlucht, aan de zijde van zulk een engel, die mij
broeder noemde, liet ik mij tienmaal hangen: zou men u dan beklagen,
zoo men 't u deed?”

„Scherts ter zijde,” vervolgde Rasinski, zich tot Lodewijk wendende.
„Ik vrees, dat de zaak nog eene zeer ernstige wending nemen zal;
want zonder het te vermoeden hebt gij eene daad begaan, die men u
bezwaarlijk zal vergeven. In allen gevalle moet gij vooreerst nog
verborgen blijven. Hier ontdekt u niemand, ook uw vriend zou ik raden
zich niet naar de afgesproken plaats te begeven, voor ik terug ben. Ik
ga dadelijk berichten inwinnen.”

„Voor mij zelf vrees ik niets,” sprak Lodewijk somber, „maar wat moet
ik mijne moeder, mijne zuster zeggen?”

„De zuivere waarheid, beste vriend,” hervatte Rasinski; „want zijn de
uwen in het geheel niet of verkeerd onderricht, zoo konden zij licht
tegen wil en dank uwe verraders worden. Wel is waar schijnt men tot
hiertoe slechts uw persoon, niet uw naam te kennen, maar hoe spoedig
kan die ook uitgevorscht zijn! Ik zelf wil op mij nemen, uwe moeder op
de voorzichtigste wijze van alles kennis te geven en zal vervolgens den
stand der zaken onderzoeken, waartoe ik de beste middelen in handen
heb.”

Lodewijk reikte den bedachtzamen vriend zwijgend de hand; Bernard
stampte ongeduldig met den voet, Jaromir en Boleslaw toonden
broederlijke deelneming.

„Wij mogen geen tijd verliezen,” sprak Rasinski en gespte zijn sabel
om. „Ik ga op weg; gij doet intusschen het best, u in dit zijvertrek te
begeven en voor ieder schuil te houden. Vooreerst lieve vriend, begeef
ik mij naar uwe moeder; de omstandigheden zullen mijn vroegtijdig
bezoek verontschuldigen. Dan begin ik mijne navorschingen; weldra zult
gij bericht van mij hebben.” Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps aan
de deur staan, alsof hem iets te binnen schoot. „Ja, dat zal het best
zijn. Ik moet u iets verzoeken,” dus wendde hij zich tot Lodewijk,
„zonder 't welk ik niets vermag, twee regels namelijk van uwe hand, die
mij tot volmacht bij uwe moeder kunnen dienen.”

„Zij zal u onbepaald vertrouwen schenken,” hervatte Lodewijk.

„Schenk mij eerst het uwe,” sprak Rasinski; „de regels, die ik verlang,
zijn mij misschien volstrekt noodzakelijk.”

„Gaarne,” antwoordde Lodewijk.

„Zet u dus neder en schrijf: Dierbare moeder! Dringend bid ik u, den
overbrenger dezer regels een onbepaald vertrouwen te schenken en aan
zijn verlangen onvoorwaardelijk te voldoen.”

Lodewijk huiverde, doch schreef wat Rasinski eischte; deze ging en werd
spoedig door zijne beide landslieden, die dienstzaken te verrichten
hadden, gevolgd.

Bernard bleef met Lodewijk alleen. Beiden gingen zonder een woord te
spreken de kamer op en neder, de laatste over zijn zorgelijken toestand
ernstig bekommerd, de eerste, wijl het in het diepst van zijn hart
sluimerend gevoel weder in zijn volle kracht ontwaakt was. Bijna een
uur hadden ze dus in stilzwijgen doorgebracht, toen Bernard daaraan een
einde maakte.

„Uw geval is verwenscht leelijk; voor u namelijk, want zoo 't mij
overkwam, zou ik er mij geen zier om bekommeren, daar ik toch op een
isoleerstoel in de wereld sta en de galeiketen, die mij met de menschen
verbindt, kan wegwerpen, zoodra 't mij goeddunkt. Gij zit niet op
zulk een glasvoetigen zetel, maar hebt wortels in de vaderlijke aarde
geschoten, die zich niet laten uitrukken zonder een lap lands mee
te nemen, waarop nog menige lieve bloem kon gebloeid hebben, en ten
laatste verdort men zelf. Mijn scheepje heeft geen andere last dan
mijzelf; op elke ree ga ik voor anker en met elke frissche koelte zwalp
ik weer het ruime sop op. Wordt mijn gebrekkig tuig bij gelegenheid
eens in den grond gezeild, dan roepen hoogstens een paar meewarige
zieltjes: „O wee, hij verzuipt!” maar niemand maakt zich den vinger
nat om mij te redden, en met dien kreet is elk gevoel uit de borst
verdwenen; kom ik niet weer opduiken, dan is mijn aandenken zoo ras
uitgewischt als een grafschrift, dat mij iemand met een stokje op de
golven had geschreven. Gij echter hebt nog goed aan boord dat waarde
heeft, en zet koers naar eene gewenschte haven; gij ziet met vreugde
den gunstigen wind der hoop in uwe zeilen blazen, gij—nu, voor den
drommel, wat babbel ik! nu ja, gij moet wel een weinig bevreesd zijn
voor onweerswolken, klippen, zandbanken en dergelijke. En toch houd ik
mij overtuigd, Lodewijk, dat gij over de daad, die u en de uwen thans
vrij gevaarlijk op 't spel zet, nog geen berouw hebt.—Zie mij in 't
gezicht! Ik geloof, al moest gij heden daarvoor aan de galg en gij
slechts genade kreegt doordien de strop brak,—morgen ondernaamt gij
het stukje voor de tweede maal, al wou men u ook als Simson aan zeven
splinternieuwe hennepstrikken opknoopen. Nu spreek dan, galgvogel!”

„De plicht der eer...” antwoordde Lodewijk.

„Haal de duivel den plicht! Als 't een dikke engelsche lord geweest
was, die over de grenzen moest gesmokkeld worden, zoudt gij gezegd
hebben: uwe genade zij zoo goed den genadigen hals alleen te wagen,
ik ben uw whist niet bij de partij, wij konden _schlem_ worden en er
in allen gevalle eer een strik dan een trek bij winnen. En gij hadt
misschien gelijk gehad. Maar de broeder eener zoo schoone zuster te
zijn—spreek vrij uit de borst, Lodewijk, gij tradt niet terug?”

„Ik geloof neen!”

„En wanneer gij den Hellespont onder het kruisvuur der Dardanellen
door moest, wanneer de vaart tusschen de Scylla en Charybdis door,
wanneer zij over den Acheron, den Phlegethon en de Styx ging, ook dan
nog sprongt gij in de boot en riept: Ik ben uw redder, Bianca, ik vaar
over—gij deedt het, schoon moeder en zuster kermend aan den oever
stonden—spreek op, gij deedt het?”

Lodewijk verwonderde zich over deze zeldzame wending en het vuur in
Bernards woorden. „Zeg mij dan, deedt gij het?” herhaalde deze.

„Ik geloof ja,” antwoordde Lodewijk.

„Dat geloof ik ook, _upon honour_!” hernam Bernard op den koelen toon
van droge scherts, schoon hij tot hiertoe den climax zijner „wanneers”
in het hevigste crescendo had opgedreven. Vervolgens keerde hij
zich naar het venster, trommelde met de vingers op de glasruiten en
beschouwde aandachtig de daken der tegenover gelegen huizen. Een enkele
traan welde in zijn oog op. Verdrietig wischte hij dien af en mompelde,
gelijk hij in oogenblikken van hevige gemoedsbeweging gewoon was, half
voor zich zelf, half dacht hij ook slechts: „Hij bemint haar! Dat weet
ik, en zij hem, dat weet ik ook; want dat zegt mij eene stem in mijn
binnenste, die ik meer vertrouw dan mijne eigen oogen. Dwaze droomer,
die ik ben! Hoe, zou ik niet eenmaal meer de kracht bezitten, om al die
zotte luchtkasteelen te verdelgen? Kinderspel!”

Lodewijk had intusschen zijne brieventasch geopend, kreeg een blad te
voorschijn, tikte Bernard zachtjes op den schouder en reikte het hem
over met de woorden: „Lees dat, mijn vriend!”

Het was het dagblad, waarin Bianca van haren redder afscheid nam.

Bernard las; de weinige regels maakten zijn vermoeden tot zekerheid.
Zijn vast, sterk hart dreigde in heete, gloeiende tranen te smelten,
doch hij bedwong zich met ijzeren kracht. „Lief, hartelijk, roerend!”
sprak hij, het papier teruggevende, doch gedwongen zich weder tot het
venster te wenden. „Zeide ik 't niet?” dacht en mompelde hij als zoo
even. „O, deze stem heeft nooit gelogen! Welaan dan, ik wil de kiem
met wortels en al uit mijne borst scheuren, al bleef mijn hart er aan
hangen!”

Haastig kreeg hij zijn teekenboek te voorschijn, greep eene schaar
die op de tafel lag, en knipte het blad met Bianca's beeltenis er
uit. „Daar,” riep hij en legde het voor Lodewijk neder. „Tot hiertoe
hadt gij slechts noten, hier is de tekst; gij moet mij echter
philologisch verstaan, anders geldt het omgekeerd; gij hebt den tekst,
de dorre koude woorden, en hier zijn de noten, dat is: de melodie,
de hemelmuziek; want wie verstaat dat gedrukte tuig daar, als hij
niet weet uit welke borst zulke woorden klonken, aan welke lippen zij
ontvloeiden, in welk oog de afscheidstraan fonkelde! Daar, het portret
is voor u!”

„Bernard!” riep Lodewijk getroffen; „beste vriend, welk een schat
schenkt gij mij....”

„Een schat? Ik zou niet weten waarom een schat. Als ik 't van alle
kanten beschouw, denk ik er heel anders over en moet ik ronduit
verklaren, dat gij een ezel zijt. Denkt gij, dat ik het beeld weggeef?
Geen trek zal er mij van ontgaan, want schilders hebben een goed
geheugen, schoon ik geloof, dat ook anderen zulk een gezicht onthouden
kunnen, want men ziet het niet dagelijks. Twintig malen op een dag kan
ik het teekenen, als ik er maar lust toe heb. Gij ontvangt dus slechts
ongeveer 21 duim gemalen vodden of ezelsvel, want het is perkament,
item een weinig afzwartsel van zilverkrijt en meer niet. Ik geef niets
meer weg, dan wanneer ik u de neergekladde noten van eene melodie
schonk, die ik in hemeltonen heb hooren zingen en die mij nimmer
meer uit oor en borst verdwijnen kan—nu, gij hebt haar immers zelf
gehoord;—doch het is waar, gij verstaat dat alles niet, want ik spreek
hier natuurlijk als schilder. Daarin zijt gij intusschen een ezel,
dat gij dit smerige dagblad bewaart, als zoudt gij anders de woorden
vergeten, die hier zoo kostelijk met roet, zwartsel en olie op morsige
lompen gedrukt staan. Hebt gij een plaats, waar zij vaster staan
ingegrift dan op een vod, die gij pas driemaal in elkaar kunt vouwen of
zij scheurt als een versleten bankbiljet? Niet aanzien kan ik het blad,
of ik word bleek van ergernis bij de gedachte, waar de gansche overige
oplaag beland is, en in hoevele kaaskelders of komenijswinkels snuif,
Frankforter varkensworst of misschien wel stinkende pekelharingen
daarin gewikkeld worden! Ik raad u het prul te verbranden en u de asch
in den hartkuil te wrijven, Lodewijk,—doch wat babbel ik als een oud
wijf? Wij hebben ernstiger dingen te doen. Het beeld is het uwe, dat
spreekt van zelf, en bij gelegenheid teeken ik wel een ander; maar wat
ik zeggen wou—de graaf blijft lang weg, dunkt mij?”

Lodewijk had Bernards rusteloos voortvloeienden woordenstroom met
verwondering aangehoord. Het innerlijk gemoedsbestaan van den vriend
was hem nog te nieuw, dan dat hij een vrijen blik in de diepste
geheimen daarvan had kunnen werpen. Niet onaangenaam was het hem dus,
dat Bernard zelf aan het gesprek eene andere richting gaf.

„Hij is bijna twee uren afwezig,” antwoordde hij op de laatste vraag.
„Ik weet niet of ik dit voor een goed dan voor een kwaad voorteeken
moet houden.”

„Waarlijk, ik ook niet!” riep Bernard. „Maar het ongeduld brandt
mij reeds in handen en voeten. Ik ben hier in zeker opzicht met u
ingekerkerd, daar ons samenzijn in den tuin van Pillnitz mij tot uw
verrader maakt. Misschien heet het: meê gevangen, meê gehangen. Nu,
wees gerust, gij zult een getrouwen Pylades in mij hebben. Maar ik hoor
voetstappen op de trap. Waarachtig hij is het!”


HOOFDSTUK IX.

Rasinski trad binnen. Zijn oog was somber, zijn voorhoofd gefronst.

„Vrienden, ik houd u voor mannen,” begon hij, „die tegen een ramp
bestand zijn. Maar uwe zaken staan op een hachelijken voet en wel
door uw eigen toedoen, mijn vriend,” dus wendde hij zich tot Bernard;
„de portier van het huis, waar St. Luces ingekwartierd is, heeft u
verraden.”

„Hemel! En hoe was dat mogelijk?” riep Bernard.

„Op de eenvoudigste wijze van de wereld. Nadat gij naar den
vreemdeling, dien ik u thans als St. Luces' secretaris, Beaucaire, kan
aanduiden, onderzoek had gedaan en het huis verliet, stond deze zelf
boven aan het venster. Natuurlijk moest het zijne aandacht trekken,
dat gij hem waart gevolgd; ook van zijne zijde won hij bij den portier
berichten in en, daar deze u kent, vernam hij alles wat hij wenschte te
weten. Tot overmaat van ongeluk wil het toeval, dat juist die zelfde
portier gisteren mede naar Pillnitz geweest is en u daar met onzen
Lodewijk, die hem helaas! niet minder goed bekend is, gezien heeft,
terwijl gij arm in arm St. Luces en Beaucaire voorbij gingt. De eerste
is de doortraptste spitsboef van de wereld, de laatste schijnt het te
zijn, en dus kan het ons niet verwonderen, dat hun spoedig niets meer
bleef uit te vorschen, dan het uitgestrekte komplot, welks bestaan zij
vermoeden, daar Lodewijk op zulk eene koene wijze aan hunne klauwen
ontrukt is.”

„Een kogel zou ik mij door den kop willen jagen!” riep Bernard.

„En mijne moeder?” vroeg Lodewijk.

„Is reeds van alles onderricht.”

„Heeft men haar reeds verontrust?”

„Nog niet; want gelukkig kent de portier slechts uw naam, niet uwe
woonplaats, welke men thans bezig is op te sporen. Daarmede zullen
intusschen wel eenige uren verloopen, en van dien tijd moeten wij
gebruik maken. Ik heb reeds een plan gevormd, en hoop met mijne
aanstalten nog tijdig genoeg in gereedheid te zijn. Stelt u thans met
dit naricht tevreden; want ik moet terstond mijne pogingen voortzetten.”

„Nog eene minuut!” riep Lodewijk. „Wanneer ik mij, om allen die in
mijne zaak gewikkeld zijn op eenmaal van elke verantwoording te
ontheffen, vrijwillig in handen mijner vervolgers stelde?”

„Dan wilde ik geen oogenblik voor uw leven instaan, jonge vriend,”
hernam Rasinski. „Gij hebt, naar mij gezegd is, een der gevaarlijkste
geheime agenten onzer vijanden in Italië, wien men reeds op het spoor
was en bij wien men zich verzekerd hield, de belangrijkste papieren te
zullen vinden, doen ontvluchten.”

„Heeft men u den man genoemd?” vroeg Lodewijk driftig en hopende op
deze wijze iets van de onbekende, aan wien hij zijn hart gewijd had, te
ontdekken.

„Neen,” antwoordde Rasinski; „ik deed onderzoek naar hem, doch men
gaf mij te kennen, dat dit een staatkundig geheim was, dat St. Luces
vermoedelijk aan niemand openbaren zoude. Weet gij werkelijk volstrekt
niets?”

„Niet het geringste,” hernam Lodewijk; „in dat opzicht ben ik althans
volkomen onschuldig.”

„Uw weten of niet weten, zelfs wanneer men er geloof aan hechtte,”
antwoordde Rasinski, „komt daarbij hoegenaamd niet in aanmerking. Onze
krijgswetten spreken het doodvonnis over u uit. Geef intusschen den
moed niet verloren! Gij zult u wellicht een smartelijk offer moeten
getroosten, maar uw leven hoop ik te redden. En nu vaartwel, spoedig
zult gij meer van mij vernemen. Nog iets: aan mijne beide jonge
kameraden kunt gij u blindelings toevertrouwen; zij zijn als zoons aan
mij gehecht.”

Hij snelde weg.

De vrienden bleven in kommervolle onrust achter; Bernard deed zich zelf
de bitterste verwijten.

„Dat ik ook alles zoo lichtzinnig opneem!” riep hij uit. „Mijne
dwaasheid stort u in 't verderf en mij zelf daarbij; want, wat ik zou
kunnen verdragen, geen gewetenswroeging over zulk eene handelwijs.”

„Uw doel was immers goed, beste Bernard,” sprak Lodewijk, „en kunt gij
vergeten, dat ik de hoop die mij nog overblijft, alleen aan u te danken
heb? Was ik nu misschien niet reeds veroordeeld, wanneer gij mij niet
uit de handen mijner vijanden verlost hadt?”

„Gaf dat mij recht,” viel Bernard hem met onstuimigheid in de rede,
„om u thans aan den beul over te leveren? En wel beschouwd, was mijne
handelwijze te Pillnitz immers de domheid zelve! Stonden de zaken niet
slecht, dan had ik ze slecht gemaakt?”

„Het was toch goed,” antwoordde Lodewijk, terwijl hij moeite deed om
te glimlachen, „dat gij daar niet zoo verstandig waart als gij in dit
oogenblik hier zijt; anders zat ik wellicht op den Königstein of in
eenige andere gevangenis en wachtte op den geestelijke, die mij naar
den zandhoop geleiden moest.”

Bernard zag hem met zijn donker, vurig oog eene poos lang weemoedig
aan; eensklaps breidde hij de armen uit, drukte den vriend onstuimig
aan zijne borst en riep: „Broeder! Mij geeft niemand de absolutie als
ik zelf het niet doen kan, en geloof mij, ik ben een streng biechtvader
voor mij zelven! Hier kan ik niets dan goedmaken. Ik heb de koeien
in de sloot geholpen en wil trouw mijn best doen om ze er weer uit
te halen; maar lukt dat niet, dan mogen de kinderen mij op de straat
naschreeuwen, als ik niet alles met u doorsta, wat u een haar krenkt.
Ja, ik zweer u, knoopt men u aan de galg en laat men mij loopen, ik
hang mij zelf met eigen handen naast u op.”

„Getrouwe vriend!” sprak Lodewijk met aandoening en hield hem vast
omarmd. „Gij, ruwe diamant, ik weet het, uw binnenste is zuiverder dan
kristal!”

De vrienden werden door een gedruisch aan de deur gestoord; het was
Rasinski die terugkeerde; met gespannen verwachting staarden zij hem
aan.

„Ik wil u,” begon hij zonder verdere inleiding, „met één woord uw lot
bekend maken, want gij zijt mannen. Ik kan u redden, wanneer gij in
mijn vrijkorps wilt treden; de uniform baant u den weg uit Dresden,
anders weet ik er geen, dien de list uwer vijanden niet reeds voor u
heeft afgesneden. Bovendien zijt gij dan tegen elke verdere navorsching
beveiligd; want eens bij de armee aangekomen, staat gij onder mijne
bescherming, onder mijn opzicht. Ik weet de keus, die gij te doen hebt,
is bitter, maar zij is de eenige.”

„En konden wij niet onder bescherming dier uniform de stad verlaten en
vervolgens een anderen weg inslaan?” vroeg Bernard, in wiens ziel eenig
mistrouwen tegen Rasinski opsteeg.

„Ik kan u slechts passen naar Warschau verschaffen; daartoe heb
ik vergunning en de noodige middelen. Daar moet gij u bij het
divisie-kommando, waartoe ik behoor, aanmelden. Naamt gij een anderen
weg dan dien, welke mijn reiswijzer u voorschrijft, zoo zoudt gij als
deserteurs behandeld worden, en ik zelf ware niet in staat verder iets
voor u te doen. En op welke andere wijze wilt gij uit Dresden ontkomen?
Werwaarts wilt gij u begeven? Bij de politie zijt gij reeds uitgeduid
en als voortvluchtig of ergens verborgen opgegeven. Alle besturen
bekomen de aanschrijving om u aan te houden; op het geheele vasteland
bevindt zich geen enkel punt, waar gij voor de fransche politie—want
deze is het, die u vervolgt—in zekerheid zijt, uitgenomen bij de
armee, waar men u ten eerste niet zoekt, en waar ten tweede door den
onmiddellijken invloed van den chef alle navorschingen van dien aard
zich laten verijdelen, wanneer men ze slechts verijdelen wil.”

„Ik zal mij aan het onvermijdelijke weten te onderwerpen,” sprak
Lodewijk met kalmte. „Maar—mijne moeder, mijne zuster zullen
ontroostbaar zijn! Door haar lijd ik onuitsprekelijk! En ook door u,
mijn Bernard! Dat ik u in dezen afgrond moet storten!....” Hier wendde
hij zich af en legde de hand zwaarmoedig op het voorhoofd.

Bernard hield het oog somber en zwijgend op den grond gericht; na
eenige oogenblikken begon hij: „Soldaat of galeislaaf is naar mijn
gevoel hetzelfde. Ik althans liet mij in plaats daarvan gaarne aan de
galg knoopen. Doch al zat ik niet aan u vast gekoppeld, al kon ik vrij
en frank het Kanaal overvliegen naar Engeland—hier is mijne hand er
op, ik trek toch den bonten rok aan en word uw kameraad.”

Lodewijk drukte hem sprakeloos de hand; zijne ontroering belette hem
een woord uit te brengen.

„Gij zult behagen vinden in uw nieuwen stand, mijne vrienden,” sprak
Rasinski, „en den dienst slechts van zijne schoonste en roemrijkste
zijde leeren kennen. Als vrijwilligers treedt gij in de gelederen,
en door de eene of andere dienstbetrekking zal ik u ten nauwste aan
mijn persoon verbinden, zoodat wij als vrienden en tentkameraden
leven kunnen. Het stond in mijne macht u dadelijk tot officieren te
benoemen; maar zulks ware tegen mijn geweten en tegen uw eigen belang.
Als bevelhebbers toch; al ware het ook van weinig manschappen, zou
eene verantwoordelijkheid op u rusten, waarvan zelfs de keizer u niet
kan ontheffen. Om daarbij geen gevaar te loopen, moet gij den dienst
eerst grondig verstaan, den krijg kennen. De eerzucht van den soldaat
kan u niet aanvuren; derhalve is de betrekking, waarvoor ik u bestem,
verreweg de verkieselijkste voor u. Uwe beschaving verzekert u den
omgang met mijne officieren; de vriendschap die ik u toedraag zal u de
verdere voordeelen verschaffen, die voor jongelingen van uwen stand
waarde hebben. Zoodra er slechts eenige maanden verloopen zijn, doet
zich misschien wel een uitweg op, die alles weder terecht brengt.
Beschouwt uwe nieuwe betrekking als eene verkleeding, die gij voor
korten tijd hebt aangenomen, daar gij toch door de eene of andere
vermomming het loerend oog uwer vijanden zoudt hebben moeten ontduiken.
Die, welke ik u voorsla, schijnt mij in allen gevalle het meest eervol,
het lichtst te verdragen en, wat vooral in aanmerking komt, de eenig
zekere toe.”

Rasinski's verstandige en bemoedigende rede boezemde zelfs den
hardnekkigen Bernard vertrouwen in en bracht zijne hevige drift
eenigszins tot bedaren. Lodewijk erkende dat er geen keus overbleef;
zijne terugkeerende wilskracht deed hem het onvermijdelijke met meer
kalmte dragen. Maar vriend, zuster en moeder in dit ongeluk te zien
deelen, dit smartte hem diep.

„Weet mijne moeder reeds iets van het gebeurde,” vroeg hij met eene
bevende stem.

„Zij is genoegzaam voorbereid,” antwoordde Rasinski, „en heeft zich
aan de harde noodzakelijkheid onderworpen met eene vastheid, die ik
billijkerwijze bewonderen moet. Uwe zuster is veel dieper geschokt.”

„Maria,” riep Lodewijk smartelijk uit. „O, ik weet, wat haar daarbij
het grievendst krenkt! Het duitsche, trouwe hart!”

Bernard fronste somber het voorhoofd.

„Zal men echter,” vroeg Lodewijk, „mijne vlucht niet aan moeder en
zuster doen ontgelden? Kan de wraak mijner vijanden niet op haar
neerkomen? Zoodra ik verneem, dat een van beiden een haar gekrenkt
wordt, keer ik terug.”

„Wees gerust,” antwoordde Rasinski; „ik heb alles zoo ingericht, dat de
uwen niets te vreezen hebben. Reeds op dit oogenblik bevinden zij zich
niet meer in Dresden, maar op het buiten van uwe tante.”

„Hoe?” riep Lodewijk, „dus zou ik haar wellicht niet wederzien?”

„Ik hoop ja,” was het antwoord, „schoon ik het u niet met zekerheid
beloven kan.”

„Dat ware het bitterste van allen,” zuchtte Lodewijk. „Zou echter het
verblijf op het landgoed haar genoegzame veiligheid aanbieden?”

„Ten minste voor eenige dagen, en dan zal veel een ander aanzien
bekomen, daar ik van goederhand onderricht ben, dat St. Luces niet
langer dan hoogstens nog twee dagen hier blijven kan. Is hij, de eenige
wien ik tot eene dadelijk schurkachtige handelwijs in staat acht,
eenmaal vertrokken, dan gaat de zaak haar gewonen gang en zal er, na de
voorzorgen die ik genomen heb, niets meer te vreezen zijn. Echter moet
ik de stellige belofte van u eischen, dat gij blindelings naar mijne
inzichten en voorschriften handelen zult; anders durf ik voor niets
instaan.”

„Onvoorwaardelijk,” riep Lodewijk.

Bernard zweeg; in zijne ziel was de vreeselijke argwaan opgerezen, dat
Rasinski het niet eerlijk met hen voorhad. Bijna had hij besloten zich
door eene koene verklaring zekerheid te verschaffen en te antwoorden,
dat hij _niet_ gehoorzamen, _niet_ soldaat worden, maar alléén zijne
redding beproeven wilde; doch zijn vast genomen besluit, om in
Lodewijks lot, hoe hachelijk het ook worden mocht, te deelen, hield
hem van de onbezonnenheid terug, welke hij op het punt was te begaan.
„Wat er ook gebeuren mag, ik deel in het lot en de gevoelens van mijn
vriend, meer kan ik niet beloven,” sprak hij na eenige seconden, en
reikte den graaf zijne hand.

Rasinski vermoedde min of meer, wat er in zijne ziel omging; dat maakte
hem een oogenblik verdrietig, doch zijne grootmoedige ziel vergaf de
verongelijking, hem door dit mistrouwen aangedaan bijna even spoedig
als hij ze ontdekt had.

„Welaan,” antwoordde hij, „hoort dan wat gebeurd is en wat nog gebeuren
moet. Ik ken de vrouwen; de nauwgezetheid van haar geweten is dikwijls
zoo groot, dat zij zich zelfs tegen de arglistigste boosheid niet met
eene onwaarheid, hoe gering ook, wapenen zullen. Mijne gansche poging
om u te redden, kon schipbreuk lijden op de waarheidsliefde uwer
moeder en zuster, die het haar onmogelijk maakte, bij een gerechtelijk
verhoor eenige omstandigheid te verzwijgen of anders op te geven dan
zij zich werkelijk had toegedragen. Deze teederheid van het vrouwelijk
gevoel welke zij in hare afzondering van de ons mannen maar te dikwijls
verpestende samenleving zoo vlekkeloos weten te bewaren, kon hier
ons allen in het verderf storten. Daarom koos ik den zekersten weg,
dien namelijk, om aan de uwen slechts te doen weten, wat zij mogen
bekennen zonder ons te benadeelen. Met de regels van uwe hand, die
mij tot volmacht moesten dienen, zond ik een krijgsmakker, dien ik
gisterenmorgen toevallig ontmoette en op wiens getrouwheid ik huizen
kan bouwen, naar uwe moeder. Hij moest er op aandringen, dat zij
dadelijk met hare dochter naar het landgoed uwer tante afreisde, daar
gij gisteren te Pillnitz met een franschen officier in een verschil
waart gewikkeld, dat dezen morgen met den degen was beslecht geworden
en u, benevens uw vriend en secondant Bernard wellicht, noodzaken kon,
Dresden ten spoedigste te verlaten. Zoo zulks het geval werd, bleef
u geen andere gelegenheid om haar nog te spreken dan buiten bij uwe
tante. Dit bericht, door uw handschrift geloofbaar gemaakt, deed haar
dadelijk tot een overhaast vertrek besluiten, en zoo men haar thans op
de pijnbank ondervroeg, zou zij niets anders kunnen getuigen, dan wat
ik u daar zooeven verhaald heb. Gij zelf moet haar nu tot een verblijf
van eenige dagen op het buiten bewegen, onder voorwendsel, dat dan
eerst de onaangename gevolgen, waarmede ook zij bedreigd wordt, geheel
uit den weg geruimd kunnen zijn.”

Met vroolijk berouw zag Bernard thans zijne dwaling in.
„Voortreffelijk, slimme Ulysses,” riep hij uit, „gij redt ons
waarachtig uit het hol van den Cycloop. Neem daarvoor mijne hand tot
onderpand, dat mijn kop u nu altijd ten dienst zal staan.”

„Gij bemerkt wel, lieve vrienden,” vervolgde Rasinski, „dat ik van uwe
wederzijdsche toestemming moest verzekerd zijn; want hadt gij geweigerd
u in alles naar mijn voorschrift te gedragen, dan was mijn gansche plan
uit gemis aan overeenstemming in onze maatregelen vanzelf in duigen
gestort.—In geval het landgoed niet te ver van den weg naar Polen,
dien gij heden nog moet inslaan, verwijderd ligt, is van het afscheid
geen gevaar te duchten. Voor een grooten omweg is de tijd ons te
kostbaar.”

„Goddank,” riep Lodewijk en drukte den graaf met vroolijke aandoening
de hand, „het ligt geen kwartier bezijden den straatweg.”

„Jaromir en Boleslaw,” vervolgde Rasinski, „zijn reeds van alles
onderricht. Voor den eerste heb ik een koerierspas weten te verkrijgen,
onder voorgeven, dat ik hem, ten einde de regeling van mijn regiment
te bespoedigen, noodzakelijk moest vooruitzenden. Gij beiden bekomt
passen van mij, als uw chef, en verzelt hem. Boleslaw, wiens grootte en
figuur met de uwe vrij wel overeenkomt, heeft zich bij een franschen
regiments-kleermaker twee volledige monteeringen laten aanmeten,
die dezen middag nog afgeleverd worden, zoodat gij bij helderen dag
zonder herkend te worden de stad kunt uitrijden. Voor geld en verdere
behoeften zal ik zorgdragen, zoodra gij maar eerst in zekerheid zijt,
en voorloopig is Jaromir van alles voorzien.”

Deze trad juist binnen en was, naar jongelingsaard, zeer verheugd, dat
de avontuurlijke, nog altijd eenigszins gewaagde onderneming aan hem
was opgedragen. Met innige hartelijkheid begroette hij zijne nieuwe
krijgsmakkers en voorspelde hun de gelukkigste dagen. „Gij weet nog
niet, hoe vroolijk de krijg is,” riep hij uit. „Het is hier in Dresden
zeer schoon, ja soms verrukkelijk,”—hier kreeg hij een lichten blos:
vermoedelijk dewijl hij aan een der schoone meisjes dacht, welke hij
gisteren had leeren kennen;—„maar toch mocht ik het zorgelooste
verblijf hier niet met paard en sabel verwisselen. Het hoogste geluk
zou mij ongelukkig maken, wanneer ik niet meer in den zadel springen en
meêvechten kon! En dan zult gij Warschau zien, mijne lieve vaderstad!
O, ik ben zeker, dat het u daar bevallen zal.” De beminnelijkheid van
den openhartigen jongeling miste, zelfs in deze ernstige oogenblikken,
hare uitwerking niet. Weldra keerde ook Boleslaw terug met het bericht,
dat de uniformen te zes uur gereed zouden zijn. Deze meer ernstige
jonkman besefte, hoe hoog hij zelf ook den krijgsmansstand waardeerde,
toch het treurige van den toestand der beide vrienden in zijn geheelen
omvang en schonk hun de hartelijkste deelneming.

Zoo verstreek de tijd in gulle hartelijke vertrouwelijkheid. Eindelijk
sloeg het uur van scheiden. De uniformen waren gekomen; Bernard en
Lodewijk werden gekleed; Jaromir maakte zich reisvaardig; de postiljon
blies op den horen; zij stegen in en rolden in hunne glansrijke
verkleeding door de, in de stad en voor de poort in bont gewoel
opeengedrongen, wandelaars heen, zonder dat iemand van deze vermoedde,
wat beklemde, zorgvolle harten onder dat blinkend uiterlijk klopten.

Op korten afstand achter de eerste wisselplaats, welke zij tegen den
avond bereikten, lag het huis, waar Lodewijk de zijnen voor het laatst
omhelzen zoude. Rasinski had hem wel ingescherpt, zich daar niet in
uniform te vertoonen; ook was Jaromir uitdrukkelijk voorgeschreven, de
vrienden _niet_ te verzellen, hoe gaarne hij ook van Maria, Emma en
Julie afscheid zou genomen hebben. Lodewijk en Bernard legden dus de
monteering af, trokken hunne overjassen aan en verlieten heimelijk het
posthuis, om het smartelijk zoete vaarwel aan hunne geliefden toe te
roepen.

Lodewijk, wien alle wegen nog zeer goed bekend waren, leidde Bernard
langs een binnenpad, dat naar eene tuindeur voerde, die voor een
bekende gemakkelijk te openen was. Geheel onbemerkt bereikten zij zoo
het huis en loerden voorzichtig door de reten der vensterblinden in het
reeds verlichte woonvertrek, om verzekerd te zijn dat er geen vreemden
aanwezig waren. Slechts de vrouwen zaten, zich met huiselijken arbeid
onledig houdende, om de kleine tafel. Sidderend klopte Lodewijk aan de
deur; toen hij die opende, was Maria de eerste, die hem te gemoet vloog
en snikkend aan zijn hals hing. De moeder poogde zich op te richten,
doch vermocht het niet; Lodewijk had zich honderdmaal voorgenomen
mannelijk bedaard te blijven, maar thans gevoelde hij, dat zijne kracht
onder de woedende smart dreigde te bezwijken. Hij trad op haar toe,
greep hare hand en kuste ze met kinderlijke teederheid. Diep geroerd
legde zij de rechterhand op het hoofd des zoons en sprak: „O Lodewijk,
wist gij, hoe een tweegevecht reeds eenmaal het geluk van mijn leven
verwoestte, wellicht hadt gij mij deze zorg bespaard! Doch misschien
_moest_ het zijn! Ik wil niet richten; maar mag ik dit hoofd nog
zegenen? Behoort het niet aan een ongelukkige, een schuldige toe?”

„Waarlijk, gij moogt het,” sprak Lodewijk, bijna met de uitdrukking van
vreugde. „Er rust geen schuld op mij!”

„Dan is alles gelukkig geëindigd?” riep de moeder met flonkerende
oogen; „dan behoeft gij niet te vluchten?”

Lodewijk verschrikte over den ijdelen waan der vreugde, dien zijne
onvoorzichtige woorden bij de moeder hadden doen oprijzen; hij geraakte
in verwarring, niet wetend, hoe zich te redden en voor zijne vlucht
thans nog eene geldige reden op te geven. Bernard, die intusschen ook
naderbij was getreden, was hem door zijne tegenwoordigheid van geest
behulpzaam. „Lodewijk is volkomen onschuldig,” zeide hij, „door een
eed zou hij zich van elk vermoeden kunnen zuiveren. Maar niet ieder,
dien de onpartijdige goddelijke rechter moet vrijspreken, wordt daarom
door den wereldlijken onschuldig verklaard, vooral niet wanneer
deze, zooals hier het geval zijn zoude, zijn rechterambt met dat der
wraak wil verwisselen. Onze vlucht is voor het oogenblik volstrekt
onvermijdelijk, slechts weinige minuten zijn ons tot afscheid vergund.
Meer mag ik u niet zeggen, want alleen van uwe geheele onwetendheid
verwachten wij, dat gij, en wellicht allen, die hier verzameld zijn,
zoo min mogelijk in onzen rampspoed betrokken wordt.”

Maria, in wier oog bij Lodewijks woorden heldere stralen der zoetste
hoop geflonkerd hadden, werd thans weer bleek en leunde bevend op den
schouder van den boven alles geliefden broeder.

„Wij hebben u jaren lang gemist,” riep zij in tranen uitbarstende, met
smartelijke hevigheid uit; „eindelijk omarmen wij u weder, en reeds na
weinige uren wordt ge ons opnieuw ontrukt en wie weet voor hoe langen
tijd! O, dat is gruwzaam!”

„Bedaar, lieve zuster,” sprak Lodewijk, die in Maria's smart een
dubbele opwekking zag, om al zijne krachten als man bijeen te rapen;
„gij zijt zoo zacht, zoo goed, gij kunt niemand haten, die u gekrenkt
heeft. Draag ook deze smart geduldig, die de algoede Vader daarboven
ons toezendt. Zijne donkere wegen zullen eindelijk toch op ons heil
uitloopen!”

„Ach Lodewijk!” Meer vermocht de door smart overweldigde niet uit te
brengen. De broeder hield haar zacht in zijne armen geklemd, tot hij
bespeurde, dat hare hijgende borst zich verruimde. „En nu vaarwel!”
snikte hij, „mijne moeder, vaarwel! Gij allen, mijne beminden—gij zult
van mij hooren!”

Thans wilde hij, gevoelende dat de overkropte smart hem meester werd,
zich ijlings losscheuren en naar buiten snellen, doch Maria liet hem
nog niet gaan; zij klemde zich nog eenmaal aan hem vast en bedekte zijn
gelaat met kussen en tranen. Eensklaps bedwong zij zich, wischte de
tranen uit haar oog en zeide: „Ga nu, broeder! Gij zult ons allen trouw
in aandenken houden, dat weet ik! Doch waarheen vlucht gij?”

Lodewijk had alle kracht en bezinning verloren; zijn vriend, die tot
hiertoe een stilzwijgend, maar diep getroffen getuige van Maria's
roerende liefde voor haren broeder geweest was, antwoordde in zijne
plaats: „Ook dat moet nog een geheim blijven; maar wees onbezorgd, gij
zult spoedig bericht ontvangen.”

Maria zag Bernard met betraande oogen aan: „Gij zijt zijn vriend,
gij zijt zoo getrouw en goed, o verlaat hem niet, blijf zijn trouwe
leidsman, zijn broeder, want de zuster kan immers niet meer voor hem
waken—ik wil dan ook uwe zuster zijn, en hij zelf zal mij voortaan
niet nader aan het hart liggen, dan gij.” Tegelijk reikte zij hem de
hand toe, om zijne belofte te ontvangen.

Toen Bernard haar in het schoone, droef smeekende oog zag, waaruit de
getrouwste, edelste ziel hem zoo zuiver tegenglansde, verloor hij ook
bijna zijne gedwongen bedaardheid. Hare blikken vielen als een zacht
maanlicht op de donkere, onstuimige golven zijner ziel. Het was hem als
zouden alle stormen van het lot door zulk een zacht woord tot kalmte
gebracht worden, als moest zelfs zijn bruisende levensstroom eensklaps
helder en klaar tusschen lachende oevers daarheen vloeien, wanneer zij
het gebood. Een zachte weemoed, die zijn trotsch, ijzeren hart geheel
verteederde, maakte zich van zijne ziel meester; zoete, lang vervlogen
tonen uit zijne kindsheid schenen hem opnieuw in het oor te ruischen,
liefelijke, lang vergeten droombeelden uit oude schoone tijden opnieuw
voor hem op stijgen, en een koele, weldadige traan bedauwde zijn donker
brandend oog.

„Het zusterhart kan gerust zijn,” sprak hij met blijkbare aandoening,
„een broederhart zal het vervangen. Maar nu wordt het tijd, vaartwel!”
Hij greep Lodewijk bij den arm en trok hem ijlings met zich voort.

Toen zij eenige minuten stom en zwijgend, als de nacht die hen
omringde, hun weg vervolgd hadden, begon Bernard: „Zonder de vrouwen
zou er geen ongeluk bestaan; schoon, aan den anderen kant, ook geen
bijzonder geluk; maar hare tranen pekelen en verbitteren alles, wat
anders in het ergste geval in het geheel geen smaak heeft. Geen
zier gaf ik er om, of wij beiden in Rusland door de wolven werden
opgekloven, zoo gij niet moeder en zuster hadt. Maar uwe zuster is een
braaf meisje; als kind reeds was zij zacht en goed, en het valt mij
nu in, dat zij mij eens recht lief en zacht verbonden heeft, toen ik
hier buiten uit een boom was gevallen en aan het voorhoofd bloedde.
Zij bemint u sterker, dan gij verdient; want wij mannen deugen over 't
geheel niet genoeg om recht bemind te worden. Het moet evenwel toch
goed doen. Ik heb 't nog niet ondervonden, ten minste niet van ouders
of zusters. Mij heeft het lot zeer spartaansch behandeld, want—'t is
mogelijk, dat ik bij mijne geboorte ziekelijk was—dadelijk werd ik in
de wildernis te vondeling gelegd. Nu, den koning Agesilaüs ging 't ook
niet beter! Wie weet, voor welken troon ik bestemd ben; in onze dagen
is zoo iets licht mogelijk. Nu, gij spreekt immers geen woord? Schaam
u! Waarom zouden wij thans meer aangedaan zijn dan eene minuut geleden?”

„Gij zijt het immers zelf, Bernard,” antwoordde Lodewijk op een
zachtverwijtenden toon. „Schaam u die aandoening niet; zij getuigt van
uwe menschelijkheid! Omdat wij menschen gevoelen, buigen wij voor de
macht der zinnen en die van het oogenblik!”

„Amen! Gij hebt gelijk, broeder,” riep Bernard en reikte den vriend de
hand.

Beiden stonden stil. Een plechtig duister omhulde hen; zwart en
dreigend legerde zich het gebergte aan den helderen gezichteinder; de
sterren lichtten zacht en troostend; een heilig zwijgen, als in den
tempel der Godheid, heerschte in het rond. Geroerd zonken de vrienden
in elkanders armen, klemden borst aan borst, en deden een stomme
gelofte van onverbrekelijke trouw.

„Dat zal de laatste weekhartige minuut geweest zijn,” sprak Bernard,
nadat hij een zachten vriendschapskus op Lodewijks voorhoofd gedrukt
had; „laat ons van nu af koud en bezonnen, als oude zeebonken, aan
de stormen van het lot het hoofd bieden. Wij zijn soldaten geworden
en moeten ten minste voor duitsche manneneer vechten, daar de strijd
voor het duitsche vaderland nog niet daar is. Als de roode morgenzon
mij weer in de oogen kijkt, zal zij sidderen en verbleeken voor het
barsche ijzervretersgezicht, dat ik dezen nacht denk op te zetten. En
nu voorwaarts, marsch, kameraad, anders komen wij te laat in dienst.”

Zij verhaastten hunne schreden en bereikten na weinige minuten het
posthuis, vanwaar zij hunne duistere toekomst weldra verder te gemoet
rolden.


HOOFDSTUK X.

Rasinski was niet zonder grond bezorgd geweest, dat de navorschingen,
naar Lodewijk en Bernard in het werk gesteld, zich tot de familie
des eerstgenoemden zouden uitstrekken. Weinige uren nadat deze de
stad verlaten had, vertoonden zich ook reeds twee fransche gendarmes
aan de woning der moeder, om naar den vluchteling onderzoek te doen.
Zij vonden die geheel verlaten; want Rasinski had er zeer wijselijk
door zijn vertrouwden afgezant op laten aandringen, dat men ook de
dienstmeid mede naar het landgoed zoude nemen, ten einde er niemand
achterbleef, wiens verklaringen op eenige wijze tegen zijne plannen
konden inloopen. Krachtens hunne willekeur geboden dus de gendarmes den
huisheer de kamers te openen, doorzochten ze allernauwkeurigst en, daar
ze niets verdachts vonden, verzegelden zij niet slechts de kasten, maar
ook de buitendeuren, waarop zij hun verslag gingen afleggen. Rasinski
werd door zijn getrouwen rijknecht Andreas van alles verwittigd, wat
uiterlijk kon waargenomen worden, terwijl zijn onderhandelaar, die met
St. Luces bureau in nauwe betrekking stond, hem van alles wat daar
geschiedde onverwijld bericht gaf. Zoo vernam hij, dat deze volstrekt
niet wist, waar Lodewijks betrekkingen te zoeken, daar niemand hem de
plaats, werwaarts deze gereden waren, wist op te geven. Toevallig toch
had de tante hare zuster, sinds deze de nieuwe woning, welke zij voor
hare, door Lodewijks terugkomst vergroote huishouding huren moest,
betrokken had, nog niet bezocht, zoodat niemand in huis deze verwante
kende. Gemakkelijk konden de verspieders dus het verblijf van deze
niet uitvorschen, en er was alle reden om te vertrouwen, dat St. Luces
afreizen zoude, eer hij het had opgespoord. Dit gebeurde werkelijk;
want in den vroegen morgen van den derden dag zag Rasinski hem zelven
benevens zijn secretaris de poort naar Weenen uitrijden, in welke stad
hij waarschijnlijk om gewichtige aangelegenheden een geruimen tijd
vertoeven zoude.

Den daarop volgenden avond keerden moeder en dochter terug. Met
verbazing vonden zij hare woning verzegeld en vernamen van den
huisheer, wat gedurende hare afwezigheid was voorgevallen. Het
moederlijk hart begon iets ergers te vermoeden en werd door de hevigste
ongerustheid gefolterd; ook had zij raad en ondersteuning noodig, en
tot wien kon zij zich dadelijk wenden? Eensklaps trad Rasinski, door
den onvermoeid waakzamen Andreas van hare komst verwittigd, als bij
toeval, het huis binnen. Niet alleen door zijne betrekkingen, maar
ook door zijne mannelijke welberadenheid was hij de meest gewenschte
helper in dezen nood, terwijl zijn vriendelijke deelneming de
vrouwen verzekerde, dat zij in hem een reddenden en vertroostenden
beschermengel zouden vinden. Schoon hij zich om aan zijne rol getrouw
te blijven, volstrekt onwetend houden en aan het moederlijke hart
de smartelijke taak opleggen moest om een verhaal te doen van het
voorgevallene, wist hij toch deze pijnlijke oogenblikken zelfs te doen
strekken om den overkropten boezem der beangste lucht te geven in
een mededeelend vertrouwen, terwijl hij zijne krachtige medewerking
beloofde en zich aanbood, dadelijk naar den kommandant te gaan.

Hij deed zulks. De vrouwen traden intusschen het vertrek van den
huiswaard binnen, waar zij een angstig half uur doorbrachten. Vooral
Maria was vol smart en bezorgdheid. Ach, hoe was de hoop, welke zij op
gelukkige dagen gekoesterd had, eensklaps verijdeld! De tijd, waarin
zij zich jaren lang in het vooruitzicht verheugd had, was nu gekomen;
maar tot welk eene smartelijke werkelijkheid werd het zusterlijk hart
uit de schoonste droomen gewekt! Hoeveel had zij willig ontbeerd,
om de toekomst des broeders te helpen grondvesten en opbouwen! Hoe
gewillig had zij met de moeder in enge, huiselijke beperking geleefd,
opdat hij, dien zij zoo boven alles lief had, zijn rijken, edelen
geest vrijer ontwikkelen en al het goede, schoone en edele leeren
kennen en genieten zoude. Haar bescheiden, nederig hart verlangde
niets, dan zich eens in het geluk van den broeder te kunnen verheugen;
zijn uitgebreide kennis, zijne menigvuldige ervaringen zouden hare
voldoening zijn; voor zich zelve zou zij zich gaarne vergenoegen met
het vriendelijke weerschijnsel van den glans, die zijn leven zoo
rijkelijk omstralen moest. De zorgvuldig verpleegde kiemen waren tot
volle, zwellende knoppen gedijd, reeds openden zich deze en beloofden
het rijke, eindelijke loon van alle bemoeiingen, alle zorgen, alle
ontberingen—daar schudt een ruwe storm den jeugdigen stam, eensklaps
staat hij ontbladerd, verdord voor hare verlangende blikken, en de
gedachte aan hetgeen hij beloofde, wekt diepe, grievende smart!

Uit deze sombere mijmeringen deed Rasinski's terugkomst Maria ontwaken;
hij werd door twee gendarmes verzeld, die de zegels afnamen en de
woning voor de vrouwen openden.

Door borg te blijven, dat de dames zich niet aan een gerechtelijk
verhoor zouden onttrekken, had de graaf deze toelating verkregen;
echter moesten de kasten en verdere bergplaatsen voorloopig nog met den
keizerlijken arend verzegeld blijven. Eenigen tijd daarop verscheen
een hooger beambte der fransche politie, die bescheiden, maar tevens
beslissend de uitlevering van alle papieren vorderde. Deze werden hem
met het zuiverste geweten overhandigd, waarop hij alle zegels afnam en
zich met eene verontschuldiging over de onaangename verplichting, welke
zijn ambt hem opleide, beleefd verwijderde.

Nu gaf de beangste moeder eindelijk aan haren boezem lucht. „Om Gods
wil, wat beteekent dat?” vroeg zij Rasinski. „Zoo handelt men niet ten
gevolge van een duel. Ik bezweer u, zeg mij, wat is er voorgevallen?
wat heeft Lodewijk misdaan?”

„Daarover ben ik,” hervatte Rasinski, „bijna evenzeer in het onzekere,
als gij zelve, waarde mevrouw. Het duel echter, zooveel weet ik
thans, was slechts een voorwendsel van zijne vlucht; hij is van de
eene of andere daad aangeklaagd, die gevaarlijke gevolgen kan hebben.
Vermoedelijk heeft hij zich met eene verbintenis ingelaten, die....”

„O,” riep Maria, niet zonder een gevoel van trots op den broeder uit,
„voorzeker heeft zijn edel, vaderlandsch hart.....” hier brak zij af,
hield een oogenblik stil, slaakte een diepen zucht en sprak toen met
vastheid, maar met de uitdrukking der diepste smart: „Wij leven in een
tijd, waarin vaak de edelste gezindheid voor een misdaad geldt!”

Rasinski stond getroffen; hij, wiens gansche ziel voor het eigen
vaderland gloeide, moest Maria's smart in haar vollen omgang gevoelen.
Op hare anders zoo teedere, slechts vrouwelijke zachtheid ademende
gelaatstrekken werd een edele gramschap zichtbaar, die, een vluchtigen
vuurgloed op de bleeke, door tranen bevochtigde wang uitgietende,
aan hare droefheid den adel verleende eener trotsche worsteling van
innerlijke waarde tegen de onrechtvaardigheid van den uitwendigen
nooddwang.

„Matig uw onstuimig gevoel, lieve Maria,” sprak de moeder, met
bezorgdheid de hevige gemoedsbeweging harer dochter bemerkende;
„bedenk, dat gij zoodoende het lot van uwen broeder verergeren kunt.”

„Waarlijk niet, wanneer _ik_ er slechts de getuige van ben!” riep
Rasinski met vuur. „Wat is heiliger dan de liefde voor het vaderland?
Ik zelf gloei voor mijn volk, voor het land mijner geboorte; hoe zoude
ik dat zelfde gevoel in een ander wraken? Neen, uw geestdrift is
schoon, is edel!”

Met deze woorden reikte hij Maria de hand. Een zachter blos kleurde
thans de wangen van het meisje, terwijl een bekoorlijke verwarring
zich met de smartelijke uitdrukking vermengde, die in hare trekken te
lezen was. Eenigszins beschroomd legde zij hare hand in die, welke
Rasinski haar aanbood, en zeide: „O, gij zult ons helpen; op u heb ik
vertrouwen!”

Gaarne had hij thans den sluier van alle voorvallen en gebeurtenissen
der laatste dagen opgeheven, wanneer hij niet, als een ervaren kenner
van edele vrouwelijke harten, eene te gegronde bezorgdheid voor de,
van elke verbloeming afkeerige oprechtheid had gekoesterd, waarmede
zij zich dan aan de macht der vijandelijke vervolgers zouden hebben
prijsgegeven. Hij was verzekerd, dat zij noch den broeder, noch hem
zelf verraden zouden; maar dan waren ze ook zelve de offers, daar hare
bekentenis zou geweest zijn: Ik weet maar ik zwijg. In haar eigen
belang liet hij haar dus in deze weldadige onkunde.

De vrouwen verzochten hem haar dezen avond niet weder te verlaten; hij
beloofde het en bracht eenige uren bij haar door. De smart opende hem
geheel het edele hart van Maria, want niets beweegt de vrouwelijke ziel
tot inniger vertrouwen dan eene diep treffende ramp, waarin een man
haar met vastheid op zijde treedt; terwijl ook niets het mannelijk hart
met sterker banden naar dat der vrouw heentrekt dan het lijden van een
zacht, bekoorlijk wezen. Rasinski zou dezen avond een der gelukkigste
van zijn leven geacht hebben, wanneer niet een zoo treurig voorval
hem dien had doen genieten. Van zijne vroegste jeugd was hij door de
gebeurtenissen, die niet slechts zijn vaderland, maar ook het overige
Europa geschokt hadden, op de opene zee des levens voortgestuwd.
Zelden had het lot hem vergund, in eene rustige haven het anker te
werpen; te dieper dus moesten hem de kortstondige oogenblikken eener
kalme windstilte treffen, waarin het ook hem eens vergund was van de
vruchten te genieten, welke hij anders slechts van verre aan de kusten
zag rijpen, die hij in snelle vaart voorbijstevende. Hij had thans
den mannelijken leeftijd bereikt; zijn hart dreef hem niet meer zoo
onstuimig als voorheen door het leven voort; in oogenblikken, waarin
het rusteloos voortwentelen zijner dagen hem een korte verademing
liet, was het verlangen om eindelijk eens te rusten dikwijls levendig
in zijn boezem ontwaakt. Was het te verwonderen, dat thans, daar eene
zoo liefelijke gedaante hem scheen te wenken om aan deze stem in zijne
borst gehoor te geven, de wensch bijna tot een besluit rijpte? Een
koene zin streeft stoutmoedig naar het verwijderde doelwit, ook als hij
het over diepe kloven en afgronden in de schijnbaar ontoegankelijke
verte ziet schemeren; het kan dus niet bevreemden, dat bij Rasinski op
een tijdstip, toen een gansch werelddeel onder de wapenen stond, de
bodem nog onder gansche volken wankelde en niemand wist, of de volgende
dag hem redding dan vernietiging zou aanbrengen, het verlangen oprees,
om den grondslag te leggen tot eene vreedzame toekomst. Echter was een
koen besluit bij hem geen onbezonnen overijling; hij bezat mannelijke
vastheid genoeg, om het in zich zelf tot rijpheid te laten komen en
niet eer het lot eens vreemden met zijne eigene hoop en verwachtingen
dooreen te vlechten, dan wanneer hij de wegen overzag, langs welke
hij hare vervulling bereiken konde. Derhalve hield hij thans de in
hem ontwaakte, diepere liefde voor Maria nog verborgen en wijdde haar
daarvoor een des te warmer vriendschappelijke deelneming, met het vaste
besluit evenwel, om ze haar vóór zijn vertrek te ontdekken.

De avond verstreek in die weemoedige innigheid, welk een vertrouwelijk
bijeenzijn in dagen van kommer en rampspoed doet geboren worden.
Rasinski vertrok later dan hij zich had voorgesteld. Den volgenden
morgen begaf hij zich vroegtijdig naar de woning van den kommandant,
om bij een hem bekenden officier van het bureau naar den staat der
zaken onderzoek te doen. Tot zijne geruststelling vernam hij, dat
de kommandant zich op eene welwillende wijze over Lodewijks moeder
en zuster uitgelaten en bepaald had, dat men, in geval er geene
overtuigende gronden tot verdenking tegen de beide dames voorhanden
waren, van alle verdere vervolging moest afzien. Met dit vertroostend
naricht haastte hij zich de bezorgde vrouwen te verrassen. Toen hij
in het huis trad, ontmoette hij reeds een fransch beambte, die het
huis verlaten wilde. Deze had op bevel van den kommandant zoowel Maria
als hare moeder reeds in den vroegen morgen verhoord; beiden konden
natuurlijk niets anders opgeven dan hetgeen zij wisten, en zulks was
zoo weinig, dat men onmogelijk eenige verdere vervolging tegen haar in
het werk kon stellen. Gelukkigerwijze bevonden zich onder de in beslag
genomen papieren ook brieven, door Lodewijk uit Italië en Zwitserland,
kort vóór en na zijne ontmoeting te Duomo d'Ossola geschreven die
daarvan geene de minste melding maakten. Deze omstandigheid hielp het
hoogstwaarschijnlijk maken, dat beide vrouwen geenerlei aandeel in of
kennis van het voorval hadden, dat Lodewijks vervolging ten gevolge
had. Na eenige uren werden haar de gezamenlijke papieren ook werkelijk
teruggezonden met de verzekering, dat zij verder geene vervolging,
hoegenaamd ook, te duchten hadden.

Deze bezorgdheid was derhalve geweken; intusschen bleef Rasinski
nog de moeielijke taak over, de bezorgde moeder en zuster met het
eigenlijke lot der beide vluchtelingen bekend te maken. Hij verschoof
dit opzettelijk zoo lang mogelijk; middelerwijl kon hij der vrouwen
een door Jaromir overgezonden brief van Lodewijk langs een omweg doen
toekomen. Zonder opgave van plaats behelsde deze slechts eenige regels
waarin Lodewijk het welgelukken zijner vlucht benevens zijn en Bernards
welstand berichtte. Rasinski wilde bij de vrouwen niet als medeweter
bekend zijn, vóór hij Dresden verlaten kon, om welke reden hij alle
nadere verklaringen tot op weinige uren voor zijne afreis uitstelde.


HOOFDSTUK XI.

Met een bezwaard hart ging hij, na alles in gereedheid gebracht te
hebben, tegen het vallen der schemering tot haar, om afscheid te nemen;
dat hij komen zoude, had hij reeds vooraf laten weten.

Maria opende hem; zij bevond zich alleen. Eene huiselijke
aangelegenheid hield de moeder eenige oogenblikken in een ander vertrek
bezig.

„Zoo komt dan werkelijk de laatste vriend om afscheid van ons te
nemen?” sprak zij, Rasinski in zijne reispels voor zich ziende.

„Binnen weinige uren heb ik deze muren achter mij,” antwoordde hij.
Beiden zwegen eenige oogenblikken, deels uit aandoening, deels uit
verlegenheid. „Kan de troost mij vergezellen,” vroeg de graaf op een
zacht smeekenden toon, „dat gij mij niet zoo ras vergeten wilt, als de
tijd onzer verkeering kort was?”

„Kunt gij dat vragen?” hervatte Maria diep geroerd. „U, die ons in de
verschrikkelijkste dagen van ons leven alles waart, van wien wij ook
thans nog alles verwachten, wat onze smart lenigen kan!”

„O, wanneer ik dat konde, wanneer ik haar slechts nog niet vermeerderen
moest!”

„Hoe?” vroeg Maria, in bange verwachting, en staarde hem verschrikt aan.

„Wij willen daarover spreken, als uwe moeder komt; thans....”

„Ik zal haar roepen,” riep zij angstig en wilde voortsnellen.

„Neen, neen, blijf!” bad Rasinski en greep hare hand; „in dit oogenblik
heb ik een woord met u _alleen_ te spreken.”

De toon, waarop hij deze woorden sprak, zijn innige, warme handdruk,
nog meer echter de geheime wensch van haar kloppend hart hadden Maria
alles onthuld wat hij haar bekennen wilde, eer nog een woord aan
zijne lippen ontvloeid was. Als een bliksemstraal schoot het haar
door de ziel, dat zij beminde en bemind werd. Door een zoeten schrik
overweldigd, stond zij bevende, niet in staat een woord uit te brengen,
met neergeslagen oogen voor hem.

„Kunt gij mijn levenslot met mij deelen, Maria?” sprak Rasinski, wien
de seconden kostbaar werden, met eene ernstige, bevende stem. „Ik
pers u geen beslissend _Ja_ af; slechts dan, als gij een beslissend
_Neen_ uitspreken moet, slechts dan antwoord mij. Wij staan voor eene
toekomst, die niemand zijn aanstaand noodlot laat overzien of zelfs
laat vermoeden; het zij verre van mij, u thans mede in den stroom te
willen slepen, welks golven mij spoedig zullen voortsleuren. Niets zal
u binden, ja, ik zou zelfs het onherroepelijk ja! terugwijzen, wijl
mijn geweten mij verbiedt het aan te nemen. Dit echter moogt gij mij
zeggen en dit mag ik u vragen, of ik, als de storm uitgewoed en de
stroom mij niet verzwolgen heeft, of ik dan mijn oog nog weder naar
dezen vriendelijken oever richten mag?”

Maria's ziel werd onder deze woorden door eene onnoembare smart
vaneengereten. De eerste bedwelming was voorbij, zij had het oog
geopend en zag voor welken afgrond des jammers zij stond. De schuld der
dankbaarheid, die haar aan Rasinski boeide, zijn hoogere stand, zijne
meer eerbied dan vertrouwelijke neiging inboezemende persoonlijkheid,
ja, zelfs zijn op handen zijnd vertrek hadden haar tot hiertoe het
ware gevoel, dat haar hart voor den edelen man koesterde, verholen.
Eensklaps was zij uit den droom tot het volle bewustzijn ontwaakt
en zag nu ook, door welk een wijde kloof het lot haar van hem
scheidde, die haar hart gewonnen had en het verlangde. Hij stond in
verbond met hen, die zij slechts als de vijanden van haar vaderland
beschouwde; zij kon hem als een edelman vereeren, als een grootmoedig
vriend liefhebben, doch nimmer kon zij hem toebehooren, nimmer haar
gansche lot aan het zijne verbinden, zonder plichten te verzaken,
van welker heiligheid hare ziel ten diepste doordrongen was. Daarom
stond zij sprakeloos, door den aanblik van het Medusahoofd van haar
lot versteend, vóór hem, en kon door geen troostend woord, door geen
weldadigen traan aan hare verscheurende smart lucht geven. Rasinski
voelde hare bevende hand krampachtig in de zijne samentrekken; eene
voorzeggende stem verried hem, wat in haar hijgenden boezem omging, en
deed hem de reden van haar stilzwijgen bevroeden. Echter vroeg hij nog
eenmaal: „Maria, hebt gij geen antwoord voor mij?”

„O God!” riep zij op een toon der smart, die haar het hart scheen
vaneen te scheuren, „nooit, nooit!” Zij rukte zich met geweld los,
wankelde eenige schreden voort en zeeg hijgend op een stoel neder.

„Ik versta u,” sprak Rasinski met eene zachte stem; „ik versta u
en eerbiedig uwe gezindheid. Wij kunnen echter toch....,” hier
overweldigde hem zijn gevoel, hij moest ophouden. „Het lot der volken,”
vervolgde hij na eenige oogenblikken met meer vastheid, „gaat vóór het
lot des enkelen. Ik beklaag mij zelf niet. Van mijne jeugd af ben ik
gewoon, mijn eigen geluk door dat van de wereld verwoest te zien. Deze
harde noodzakelijkheid kunnen wij niet ontwijken; het is de plicht
des mans zich daarboven te verheffen; ik geloof, dat ik hem weet te
vervullen! Maar niet altijd strijden de belangen der wereld tegen die
der enkelen; dikwijls gaan zij hand aan hand; de dwaling vordert zoowel
hare offers als de waarheid; zijn die niet talrijk genoeg, welke wij
aan de laatste brengen?”

Zij zag hem weemoedig aan en hervatte: „O, ik weet, wat gij zeggen
wilt! Gij geeft mij ongelijk. Wellicht dwaalt mijn verstand, wellicht
bedriegt zich mijn oordeel. Welke de _rechte_ waarheid zij, weet ik
niet; de _heilige_ is die, welke ons hart ons voorschrijft—ach, tot
zijn eigen verderf!”

Men hoorde de moeder komen. „Laat ons het gebeurde verzwijgen,” sprak
Maria; „het zoude mijne moeder misschien nog dieper bedroeven—en blijf
mijn vriend.”

Rasinski drukte hare hem toegereikte hand onstuimig, maar stom aan
zijne lippen. Niet slechts de smart verscheurde zijne borst, ook
eene bange zorg belastte ze met verpletterende zwaarte. Met welk
een gevoel toch, moest Maria het lot van Lodewijk, dat hij haar nu
ontdekken zoude, vernemen? Hoe zoude zij het denkbeeld verdragen, dat
haar eigen broeder tegen de zaak diende, voor welke zij den moed en
de verplichting gevoelde, hare liefde op te offeren? Den bloedigsten
veldslag was hij met meerdere gerustheid te gemoet gegaan, dan dit
pijnlijk uur.

De moeder trad binnen; Maria ging haar te gemoet. „Onze vriend komt
reeds afscheid nemen, lieve moeder,” sprak zij nauwelijks hoorbaar.

„Ja,” viel Rasinski haar in de rede en trad op de binnentredende toe,
„binnen weinige uren zullen wij elkander wellicht voor altijd moeten
vaarwel zeggen!”

„Dat verhoede God!” antwoordde de moeder. „Zijne raadsbesluiten zijn
vaak liefderijker dan ze aan onze bezorgdheid toeschijnen, en daarop
willen wij ook ditmaal hopen.”

Rasinski liet de laatste woorden onbeantwoord; hij bood de edele vrouw
zijn arm, om haar in het aangrenzende vertrek te geleiden, waar men
gewoon was zich des avonds te verzamelen. Ten einde hare ontroering te
verbergen, verliet Maria de kamer, om licht en de thee te bezorgen,
welke Rasinski deze laatste avonden gewoon was met haar te gebruiken.
Deze huiselijke bezigheden deden eenige minuten verloopen; eerst
nadat alles geordend was en Maria tegenover hem had plaats genomen,
nam Rasinski het woord: „Ik moet dit laatste uur tot mededeelingen
besteden, welke ik u, hoe treurig ook, niet onthouden mag. Lodewijk
heeft zich bij zijne terugreis uit Italië aan een vergrijp schuldig
gemaakt, dat onze strenge krijgswetten, die ik door niets verdedigen
wil dan door hare noodzakelijkheid, onherroepelijk met den dood
straffen. Hij is een persoon, dien ik zelf niet nader ken, maar aan
wiens inhechtenisneming de keizer alles gelegen was, daar hij de
gewichtigste bewijsstukken en papieren bij zich voerde, in zijne
vlucht behulpzaam geweest en wel in een oogenblik, dat men op het punt
was zich van dien man meester te maken. Om die reden werd hij, toen
men hem toevallig in Pillnitz ontdekte en voor den dader herkende,
onverwijld gevangen genomen; met behulp van Bernard gelukte het hem
aan zijne geleiders te ontkomen, waarop zulke strenge bevelen gegeven
werden om beiden te vervolgen, dat zij in allerijl de vlucht moesten
nemen. Daartoe was slechts één middel, dat ééne middel slechts kon hun
het leven redden; gelukkigerwijze stond het in mijne macht. De uitweg
was ruw, maar onvermijdelijk.” Hier aarzelde hij een oogenblik voort
te gaan; de vrouwen staarden hem met angstige verwachting aan. „Onze
vrienden,” vervolgde hij op een toon, welks weekheid het harde der
mededeeling moest pogen te verzachten, „onze vrienden konden zich
slechts dààrdoor tegen de vervolgingen hunner vijanden in zekerheid
stellen, dat zij zich ten nauwste aan hen aansloten en zich daarheen
begaven, waar niemand hen vermoeden kan—zij dragen thans de kleeding,
die ik zelf draag.”

„Almachtige hemel!” snikte Maria; „zij dienen in het leger der
Franschen?”

„Ik weet, wat gij zeggen wilt,” hervatte Rasinski; „zij voeren de
wapens tegen hun eigen vaderland.”

Met sprakeloozen schrik had de moeder deze jobstijding aangehoord. Zij
scheen den zin van Rasinski's woorden nog niet geheel gevat te hebben,
zoo angstig vragend hingen hare strakke blikken aan zijne lippen.

Maria kon hare woedende smart niet langer beheerschen; luid weenende
wierp zij zich aan de borst der moeder en kermde: „O moeder, moeder! Nu
zijn wij rampzalig! Wat kan ons nu nog treffen?” De ontroerde vrouw was
niet in staat haar te antwoorden; zij klemde de dochter in hare armen;
een hevig, bijna krampachtig snikken dreigde harer zwakke borst den
adem te rooven. Rasinski werd door dezen aanblik meer dan smartelijk
getroffen; hij werd ten diepste gekrenkt, ja, bijna beleedigd. Na alles
toch wat tusschen hem en Maria was voorgevallen, moest hij de zaak
welke hij diende, waaraan hij met hart en ziel verkleefd was, voor
waarlijk veracht, voor verfoeid houden. Zijn mannelijke trots joeg
hem bij dit denkbeeld een donkeren vuurgloed op het gelaat. Maar hij
dacht aan de droefheid der moeder, zag Maria's tranen en zijne ziel was
verzoend. „Ween uwe smart uit,” sprak hij deelnemend; „ik begrijp, dat
zij hevig is; maar weiger toch daarom den vriend, die het oprecht en
eerlijk met u meent, geen gehoor. Wat hij tot zijne rechtvaardiging te
zeggen heeft, zal tevens ook u tot troost dienen.” De moeder trachtte
zich te herstellen; zij wenkte met het hoofd, dat hij spreken zoude;
zij zelve was daartoe nog niet in staat.

„Gij beschouwt dien stap voorzeker van eene te donkere zijde,”
vervolgde de graaf. „Ik wil gelooven, dat de Duitscher reden heeft
om den Franschman te haten; ik vind natuurlijk, dat hij hem haat.
Maar is daarom alles wat Frankrijk doet, tegen Duitschlands welzijn
gericht? Deelen niet velen der eerbiedwaardigste mannen in het
gevoelen, dat eene vrijwillige, oprechte verbintenis tusschen beide
volken beiden tot heil moet verstrekken? En is er op dit oogenblik
niet een zoodanig verbond gesloten? Strijden niet de legers van het
Rijnverbond, van Oostenrijk, van Pruisen, ja zelfs van Saksen, dat uw
eigenlijk vaderland is, voor de zaak des franschen keizers? Kunt gij
nu wel met billijkheid beweren, dat de enkele, die den volksstroom
van het gansche vaderland volgt, zich verraderlijk daaraan vergrijpt?
Gij zult misschien antwoorden, dat de volkeren door eene staat-
of geschiedkundige noodzakelijkheid gedreven worden, maar dat de
afzonderlijke personen daarentegen meesters van hun lot zijn. Dat is
echter niet het geval. Een staat, een volk wil zijn aanzijn redden door
onderwerping aan den nooddwang der omstandigheden, en wat wil de enkele
burger anders? Waarom zou den eenen tot misdaad worden aangerekend,
wat den anderen vergund is. En bestaan Pruisens, bestaan Oostenrijks
legers niet uit enkelen? Rustte op deze allen, op ieder voor zich zelf
niet de verplichting, zich tegen de algemeene noodzakelijkheid te
verzetten? Zoo ja, bestond er dan wel een algemeene noodwendigheid?
Neen, mijne vriendinnen, een _ongeluk_ hebt gij te beweenen, maar niet
eene _misdaad_ der uwen te betreuren of te vergeven. Ik daag ieder uit,
op zijn geweten te verklaren, dat hij, in den toestand dezer beide
jongelingen verplaatst, anders zoude gehandeld hebben. Waarom zouden
zij als nuttelooze slachtoffers gevallen zijn, daar het in hunne macht
stond, leven en krachten voor eene betere toekomst te bewaren? Wanneer
eens geheel Duitschland zoo diep van het gevoel der schending zijner
heiligste rechten doordrongen is, dat het al zijne krachten bijéénraapt
en als een eenig man tegen Frankrijk opstaat, dan mag het ook voor
enkelen plicht zijn zich onder de vanen des vaderlands te scharen en
elke gemeenschap met den ouden vijand af te breken; dan echter zullen
ook onze vrienden niet achterblijven. En waarlijk, niet ik zal de man
zijn, die hen veroordeelt, wanneer zij dan eene boei verbreken, die
slechts door de ijzeren hand der noodzakelijkheid werd vastgesmeed,
evenmin als ik thans kan veroordeelen, dat zij zich onder die zware
hand gebogen hebben.”

Maria had den graaf sprakeloos aangehoord; schoon zijne woorden
tot haar oor doordrongen, op haar hart gleden ze als matte pijlen
af. Zij zweeg echter, deels wijl zij niets wist te antwoorden en
tegen Rasinski's verstandsgronden slechts door de zwakke stem harer
innerlijke overtuiging gewapend was, deels, daar zij vreesde hem
te zullen krenken, deels ook uit geheele uitputting. Te duidelijk
gevoelde zij toch, dat hier geen tegenstand baten konde, dat haar niets
overbleef, dan zich geduldig onder het verpletterend rad des noodlots
te krommen. De moeder, minder onstuimig in haar gevoel, minder vast aan
hare meeningen gehecht, was voor Rasinski's troost toegankelijker. „Het
is liefderijk van u,” sprak zij, „dat gij ons door eene zoete hoop wilt
opbeuren, schoon die ook nog slechts in de donkere toekomst schemert.
Maar bedenk, hoe moeielijk het is een moederhart gerust te stellen, en
vergeef het dus, zoo uwe edelmoedige poging door de gewaarwordingen
verijdeld wordt, die mijne borst doorkruisen. Hoevele bange zorgen
verontrusten eene moeder reeds, wanneer zij haren zoon voor eene zaak
ziet ten strijde strekken, die zij zelve voor heilig houdt en voor
welke ieder zoon des vaderlands gewillig bloed en leven moet opofferen!
Hoe angstig weegt zij de gevaren die hem dreigen, hoe telt zij de
minuten, gedurende welke zij omtrent zijn lot in onzekerheid is! En dan
nu, daar zij weet, dat zijn hart niet voor de zaak slaat, welke hij
dienen moet, dat hij de wapens torscht als eene keten, dat het leger
hem eene gevangenis, de dag des gevechts een dag des bloedgerichts is:
hoe kunnen troost en hoop nu in het beangste hart eener moeder ingang
vinden?”

Na deze woorden, met de grootste inspanning uitgesproken, liet zij
het matte hoofd aan de wang der dochter rusten en vergoot bittere
tranen. Hoe koelbloedig Rasinski ook aan alle stormen des levens het
hoofd wist te bieden, door zulke aanvallen op zijn hart voelde hij
zich hevig geschokt. Met teedere deelneming greep hij de hand der
lijdende en zeide: „Wie zou willen loochenen, dat gij reden hebt om
diep bedroefd te zijn? Geloof mij, ik zelf lijd in dit oogenblik
meer dan gij wellicht vermoeden zult.” Dit zeggende wierp hij een
zwaarmoedigen blik op Maria, die, als een weenende heilige, bleek
en zwijgend tegenover hem over zat. Een stille zucht ontglipte hare
borst, toen Rasinski's oog het hare ontmoette; echter wendde zij het
niet af, maar zag hem zacht en weemoedig aan. „Intusschen is er iets
in de ziel van den man,” ging hij voort, „waardoor hem het lot, dat
onze vrienden getroffen heeft, verlicht en dragelijk gemaakt wordt.
Ik bedoel het aan alle mannen eigene eergevoel van den moed, dat in
het gevaar reeds eene veredeling der daad ziet en voor elke koene
onderneming, juist wijl zij koen is, in geestdrift kan ontstoken
worden, zonder zich om het doel te bekommeren. Niet alleen bij den
soldaat wordt dit gevoel gevonden, het is het eigendom der mannen in
het algemeen. En ware dit ook niet het geval, zoo verbindt zich toch
zelfs met de gedwongene keus van een stand terstond het plichtbesef,
dat die ons inboezemt. De teerling, die over ons lot beslissen moest,
is nu eenmaal geworpen, gebeurtenissen weten even weinig van omkeeren
op de baan die vóór ons ligt, als de vliegende pijlen van den tijd; en
hebben keus, toeval, geluk of noodzakelijkheid ons nu eenmaal op een
zeker standpunt geplaatst, wij willen ons ook waardig en door de vrije
kracht van onzen wil daarop handhaven. Het verledene is afgesloten,
zijne deuren vallen achter ons toe; slechts vóórwaarts staat de baan
nog open; hoe wij daarop ook tegen wil en dank zijn voortgeslingerd,
thans is het onze taak, staande te blijven. Daarin vinden wij troost,
versterking, opbeuring, en nimmer zal ons de kracht ontbreken, om het
noodwendige uit vrije wil te vervullen.” Rasinski had, terwijl hij
op deze wijze aan zijne denkbeelden een geregelden vorm gaf, zich
die ook zelf levendiger voor zijn eigen geest gebracht en zoo in dit
oogenblik, waarop hij zelf haar zoozeer behoefde, de kracht gevonden,
waarvan hij sprak. Hoe vruchteloos alle schijngronden van vertroosting
zijn mogen, de ware troostredenen vinden ook tot het meest benepen
hart een gereeden toegang. Zoo ook hier; wat Rasinski uit de volste
overtuiging zijner mannelijke ziel gesproken had, was ook tot de
vrouwelijke doorgedrongen. Hij had den eenigen vasten grond, waarin
troost en hoop met zekerheid het anker konden uitwerpen, aangewezen; de
boot werd niet meer zoo doelloos op de onstuimige golven heen en weder
geslingerd. Doch een nieuwe, wondende doorn drong Maria in het hart;
want hoeveel te zwaarder moest het haar thans vallen, zich van een man
los te rukken, bij wien de zachte, teedere bloesem der liefde in de
ongeveinsde hoogachting, die hij haar inboezemde, een zoo hechten steun
vond.

De sombere beklemdheid, die tot hiertoe zoo drukkend op allen gerust
had, was verdwenen; de verdooving der smart had opgehouden; kalmte en
bedaardheid keerden in de geschokte gemoederen terug.

„Gij zijt een trouw, een edel vriend,” sprak de moeder en drukte den
graaf de hand; „hoe dankbaar erken ik het als eene onuitsprekelijke
weldaad van God, dat juist gij in deze gevaarvolle dagen de geleider
en beschermer van mijn zoon worden zult! Ik zie daarin een onderpand
zijner ontferming, dat ons eene gelukkige ontknooping voorspelt van
alles, wat ons nu nog verward en duister toeschijnt. In dat vertrouwen
onderwerp ik mij met gelatenheid aan zijne vaderlijke beschikking.”

„Dus zullen wij niet oneenig, maar als vrienden scheiden?” vroeg
Rasinski.

„En dat kunt gij nog vragen?” riep de moeder met levendigheid uit.
„Met welken grond zouden wij misnoegen koesteren tegen hem, die ons
het dierbaarste gered heeft en het thans nog onder zijne liefderijke
bescherming wil nemen?” Rasinski kuste de moederlijke hand met eerbied
en innigheid; hij scheen diep getroffen. Het was hem te moede, alsof
de dagen zijner jeugd terugkeerden, uit welke de herinnering hem het
beeld zijner eigene, eerwaardige moeder, die reeds zoo lang in den
koelen schoot der aarde rustte, trouw en levendig voor den geest deed
treden. Het gevoel, zoon te zijn, dat de jaren sinds lang in zijn hart
hadden uitgewischt, drong eensklaps met de oude warmte en eerbied door
zijne ziel. O, hoe gaarne had hij haar, voor wie zijn hart de gevoelens
van een zoon koesterde, ook met den naam moeder begroet!—Een heilige
stilte heerschte in het vertrek; de late nachtegaal, wiens tonen men
door het opene venster in de luwe Meilucht hoorde wegsmelten, vervulden
de harten met eene zoete, weemoedige beklemdheid. Maria rees op,
trad aan het venster en verborg het door tranen bevochtigd gelaat in
de verkoelende bladen van een loofrijken rozestruik. Het maanlicht
bescheen haar met zijne zachte stralen; zij hief het schoone hoofd uit
het bloemenhulsel omhoog en sloeg een blik vol kinderlijk vertrouwen
ten hemel, als wilde zij zeggen: „Aan U, algoede Vader daarboven,
vertrouw ik de heeling van dit bloedende hart, waaraan gij in hetzelfde
uur den broeder ontrooft en den geliefde.” Rasinski sloeg haar
onbemerkt gade; hij gevoelde, dat dit beeld hem voor eeuwig door het
leven zou verzellen.

Een posthoorn liet zich op straat hooren. Maria wendde zich verschrikt
om: „Moet gij vertrekken?” vroeg zij angstig en zacht.

„Het geldt niet mij,” antwoordde Rasinski. Dit toeval vormde den
overgang tot een nieuw gesprek. Hoeveel toch moest nog besproken
worden, hoevele groeten hadden moeder en zuster aan Lodewijk te
zenden!—Zoo vervloog een uur; nu was het oogenblik der scheiding
gekomen.

Maria verdween in een zijvertrek; na eenige minuten keerde zij met
een klein zakje in de hand terug. Zij reikte het aan Rasinski over
en fluisterde nauwelijks hoorbaar: „Wilt gij de overbrenger van dit
aandenken voor mijn broeder zijn?”

Hij knikte een zwijgend ja.

„Maar moeder moet er nog eerst iets bijvoegen,” vervolgde zij blozend
en trad op deze toe. „Eene haarlok!” sprak zij, en maakte zich gereed
die af te knippen, wat de moeder gewillig toeliet. Maria bond het haar
met een zijden strikje bijeen en legde toen der moeder een blad papier
voor: „Een woord, lieve moeder; ik wil de lok daarin wikkelen.”

De moeder nam de pen, welke het meisje haar aanbood, en schreef
met door tranen verdonkerde oogen: „Gods oog wake over u! Uwe
Moeder.”——„Meer vermag ik thans niet,” sprak zij geheel uitgeput.

Maria vouwde het moederlijk aandenken zorgvuldig in het kleine blad,
nam de brieventasch nog eenmaal uit Rasinski's hand, opende ze en legde
er het haar in. Bij het teruggeven, fluisterde zij hem zachtjes toe:
„Open haar, als gij alleen zijt.”

Men moest scheiden. Rasinski drukte nog een eerbiedigen kus op de hand
der moeder, een gloeiende op die, welke Maria hem sidderend aanbood, en
snelde toen stom en zwijgend het vertrek uit; want hij gevoelde, dat
zijne mannelijke kracht de smart niet langer kon beheerschen.

Op zijne kamer wachtte hem zijn rijknecht Andreas; Boleslaw was nog met
inpakken bezig.

Juist kondigde het blazen van den postiljon de aankomst van den
reiswagen aan. Andreas snelde naar beneden. Rasinski maakte van dit
oogenblik, dat hij alleen was, haastig gebruik en opende Maria's
geschenk. Hij vond een blad met het opschrift: „Aan den vriend!” en
daarin een haarlok van het meisje, waarbij de woorden geschreven waren:
„Aan den onvergetelijken vriend—de getrouwe, minnende, doch voor
eeuwig van hem gescheiden vriendin Maria!”

Lang beschouwde Rasinski het geschenk met stomme smart; hij drukte
het aan zijne lippen, aan de borst. Andreas trad binnen. „Alles is
reisvaardig, heer graaf!”

Eene koortsachtige rilling beving hem. „Zoo geef mij den mantel,” riep
hij haastig en kortaf, wikkelde zich daarin, drukte de reismuts diep
in de oogen, snelde naar beneden, wierp zich met Boleslaw in den wagen
en rolde in den nacht voort, die zich, als een beeld zijner toekomst,
zwart, duister, door geene vriendelijke star verlicht, over de aarde
gelegerd had.



DERDE BOEK.


HOOFDSTUK I.

Het was op een Zondag in den laten namiddag, dat Jaromir, Lodewijk
en Bernard van eene hoogte de torens van Warschau zagen blinken. De
weg had lang door een dicht dennenwoud geleid, dat geen uitzicht
vergunde; thans sloeg hij een hoek om en steeg tegen een met heide
en braamstruiken bewassen heuvel op, van welks kruin men de gansche
landstreek konde overzien. Aan de uiterste grenzen rezen Warschau's
trotsche paleizen en torenspitsen statig omhoog. De Weichsel slingerde
een wijden boog om de velden en schemerde met zilverglans tusschen het
smaragdgroen der oevers; eene reeks van zeilen liet de richting van den
stroom tot in de blauwe verte vervolgen. De vurige Jaromir riep den
postiljon een driftig „halt” toe en sprong met van vreugde flonkerende
oogen uit den wagen. „Dat is mijne vaderstad!” riep hij uit, „sedert
acht jaren heb ik haar niet gezien, maar nog ken ik elk huis, elken
gevel, elke torenspits hier in den ganschen omtrek. Komt, vrienden,
stapt ook uit en laat ons te voet den heuvel afstijgen. Hier door het
braambosch loopt een pad, dat langs weilanden en korenvelden weer
op den grooten straatweg brengt. Onder 't voortwandelen zal ik u de
merkwaardigste plaatsen hier in 't rond aanwijzen; want zoover uw oog
reikt, ziet gij geen kerktoren, waarbij geene poolsche helden begraven
liggen, die voor het vaderland vochten en sneuvelden. Ach, wanneer
zal deze grond eindelijk het zaad der vrijheid zien bloeien, dat onze
vaderen met hun bloed bevochtigden!—Ziet gij dat dorp, dáár recht voor
ons uit? Dat is Wielka Wola, waar Kosciuszko in 1794 gevochten heeft;
hier links tegenover, achter het dennenbosch, ziet gij den spitsen
toren van Opalin, en verder naar beneden dien van Wawryscew. Op beide
plaatsen stroomde het poolsche bloed in 't zelfde jaar, en bij Opalin
viel mijn oom Kasimir, graaf Brescinsky! O vrienden, hier ligt menigeen
begraven, die bloedige tranen waard is. Ik had liever gezien, dat wij
tegen het opgaan der zon hier waren aangekomen; want het beteekent
niets goeds, dat ik die torens mijner vaderstad in 't goud der avondzon
zie blinken!”

Hij schudde zwaarmoedig het hoofd en eene uitdrukking van edele
gramschap omwolkte het vrije, heldere voorhoofd.

„Gij zijt een slecht waarzegger,” riep Bernard uit; „ik wil u de
toekomst anders uitleggen. Ziet gij uw vaderland niet in de lente
weder, waarin alles kiemt, ontspruit en bloeit? Dringen niet zelfs uit
graven bloemen te voorschijn en golfden niet alle boomgaarden, die wij
voorbijreden, gelijk eene zee van bloesems, als de zachte lentewind
door de toppen blies? Tegen den herfst voorspel ik u rijpe vruchten,
dan zult gij het gezaaide inzamelen en een oogstfeest vieren, dat
vreugde en jubel het gansche land doen weergalmen!”

„Gij zijt een profeet,” riep Jaromir met wilde onstuimigheid en klemde
Bernard vast in zijne armen; „als uw woord vervuld wordt, dan mag vrij
de juichtoon op mijn graf klinken, wanneer ik slechts weet, dat vrije,
gelukkige, poolsche aarde mij dekt!”

Onder dit gesprek hadden de jongelingen den voet des heuvels bereikt en
traden op een bevallig pad tusschen vruchtbare akkers voort, terwijl
Jaromir voortging hem op geschiedkundig merkwaardige plaatsen in
den naasten omtrek opmerkzaam te maken en tevens de gebeurtenissen
te vermelden, door welke de poolsche naam zich daar vereeuwigd had.
Lodewijk luisterde slechts toe, maar nam toch een warm aandeel in het
gesprokene, terwijl hij in stilte dezelfde wenschen voor zijn vaderland
ontboezemde, welke Jaromir zoo luid en vurig voor de Polen geuit had.
Na een groot half uur bevonden zij zich weder op den grooten rijweg,
stegen in en ijlden in snellen rit op de poorten der hoofdstad toe.

Achter Wielka Wola werd het landschap door wandelaars, ruiters en
wagens uit de stad verlevendigd. Jaromir zag met zijne bliksemende,
zwarte oogen scherp in het rond, of hij niet ergens een oud vriend of
bekende ontdekken kon. Intusschen scheen het geluk hem in dit opzicht
niet gunstig, en half verdrietig riep hij uit: „Het is waar, in acht
jaren wordt men vreemd in zijn eigen vaderland; naar het schijnt,
ken ik hier niemand meer en wordt zelfs nog veel minder door iemand
herkend!” Nauwelijks had hij deze klacht ontboezemd, of men hoorde uit
een, het hunne in snellen draf voorbijsnellend rijtuig eene vrouwelijke
stem de woorden roepen: „Graaf Jaromir, is het mogelijk? Zijt gij
het, of bedrieg ik mij?” Jaromir had zich reeds bij het eerste woord
omgewend en riep, geheel vergetend dat hij zich op den openbaren weg
en in een vreemd gezelschap bevond, vol vuur uit: „Gravin Micielska!
Groote hemel, gij herkent mij nog?”

De beide koetsiers, een gesprek tusschen den graaf en de dame
aangeknoopt ziende, hielden de paarden in. De gravin was eene vrouw
van eene rijzige, verheven gestalte; zij kon misschien dertig jaren
oud zijn, maar haar zwart oog fonkelde nog met jeugdig vuur van onder
het glanzend witte, hooge voorhoofd, dat door rijke, donkere lokken
overschaduwd werd. In hare jeugd moest zij betooverend schoon geweest
zijn. Bernard met zijn geoefend schildersoog, had haar bij den eersten
aanblik voor eene zuster van Rasinski herkend, nog eer Jaromir haar als
zoodanig met zijne geleiders bekend maakte. Deze overhandigde haar een
open brief van haren broeder, die de beide vrienden aan de gastvrije
zorgen zijner zuster dringend aanbeval. „Hoe verheugt het mij,” sprak
de gravin, nadat zij de weinige regels haastig gelezen had, „dat ik u
hier dadelijk bij uwe aankomst aantref! Het spreekt van zelf, dat gij
bij mij uw intrek neemt; de tijd van uw verblijf zal, vrees ik, maar
al te kort van duur zijn; gij kunt het mij dus niet ten kwade duiden,
dat ik mij elk oogenblik ten nutte wil maken om berichten van mijn
broeder en zooveel andere lieve bekenden en landslieden in te winnen.
Derhalve moet gij mij de zelfzucht vergeven, waarmede ik u tot mijne
huisgenooten of, zoo gij wilt, tot gevangenen in mijn huis maak.” Zij
sprak deze beleefde woorden, door welke zij aan hare gastvrijheid eene
zoo bescheiden inkleeding gaf, met evenveel warme hartelijkheid als
innemende vriendelijkheid, zoodat men duidelijk bespeurde, dat het
haar genoegen deed, den jongen landsman weder te zien en hem, benevens
zijn geleiders, in hare woning te ontvangen. Jaromirs levendige
dankbetuiging ontweek zij door te verklaren, dat zij snel vooruit wilde
rijden, ten einde het noodige ter ontvangst harer gasten in gereedheid
te brengen, daar men toch van het eene rijtuig in 't ander het gesprek
niet onbelemmerd kon voortzetten. Haar koetsier liet den vurigen
schimmels de volle teugels, zij boog zich vriendelijk groetende en het
rijtuig rolde voort.

„Een heerlijk voorteeken!” riep Bernard, „dat mij gunstiger voorkomt,
dan de twaalf gieren, die Romulus op den Aventinus zag vliegen. In eene
stad waar eene zoo verheven Juno ons welkom heet, moet de Olympus ons
wel geopend worden.”

Jaromir glimlachte en knikte toestemmend met het hoofd.

Onze vrienden bereikten de poort, waar zij zich als vreemdelingen
eenig oponthoud getroosten moesten; eerst tegen het invallen van de
duisternis kwamen zij voor het paleis der gravin aan. Het was een groot
gebouw, in edelen, schoon eenigszins ouderwetschen stijl opgetrokken;
zoodra de wagen stilhield sprongen twee bedienden op het portier toe,
een derde ontving de uitstijgenden en voerde hen, met den zilveren
armblaker voorlichtende, naar de voor hen bestemde vertrekken. „De
gravin,” zeide de kamerdienaar, „laat den heeren verzoeken, zich eerst
van de overtollige reiskleeding te ontdoen en dan, zoodra het hun
mogelijk en aangenaam is, in de zaal te komen, waar zij op de thee
gewacht worden.” De vrienden hadden spoedig hunne reisjassen afgelegd
en zich in de uniform gekleed van hun nieuw op te richten regiment.
Reeds vroeger waren zij onderling overeengekomen, dat Lodewijk en
Bernard hunne ware namen afleggen en vreemde aannemen zouden; de eerste
had zich door eene kleine omzetting zijner naamletters Soren geheeten;
Bernard, aan eene ontmoeting aan het Loch Lomond in Schotland denkende
en over het geheel het zonderlinge beminnende, gaf zich voor een graaf
Lomond uit.

Thans begaven zij zich naar de gezelschapszaal der gravin. In de deur
trad deze hen reeds te gemoet en heette hen nogmaals welkom. Nu zag
men eerst hoe rijzig en edel hare gestalte was en hoe zij ook in dit
opzicht volkomen haren broeder geleek. „Laat ons plaats nemen,” zoo
wendde zij zich tot de binnentredenden, „vooreerst moet gij mijner
vrouwelijke nieuwsgierigheid de vraag vergeven, wie ik het genoegen heb
mijne gasten te noemen, want mijn broeder heeft mij slechts geschreven,
dat graaf Jaromir door twee vrienden verzeld zou zijn. Naderhand zal ik
u uitvragen zelfs over de kleinste omstandigheden; want niets is mij
onverschillig van hetgeen op mijn broeder en dezen krijg betrekking
heeft.” Zij had zich bij deze woorden op de sofa nedergezet; de heeren
namen naast en tegenover haar op de stoelen plaats.

„Nu zeg mij, Jaromir,” begon de gravin, „wie zijn uwe geleiders en wat
beweegt hen, als vreemden, de poolsche monteering te dragen?”

„Ieder zal best voor zich zelf kunnen spreken,” antwoordde Bernard.
„In mij ziet gij een half schotschen graaf, schoon op duitschen grond
geboren; echter geloof ik, dat mijn graventitel niet meer waard is dan
mijn graafschap, dat ik voor 't spiegelbeeld eener schaduw stellig niet
te goedkoop verkoopen zou. Intusschen, wie prijs stelt op een beroemden
naam, kan met dien van graaf Lomond tevreden zijn. Wat mij betreft, ik
beken, dat ik op mijn stand trotscher ben dan op mijn rang, en vandaar
mijn penseel hooger schat dan mijn wapen. Gij bemerkt, genadige vrouw,
dat gij een schilder voor u hebt, die, zoolang hij leeft, is verplicht
geweest een graaf den kost te geven, waarvoor deze, en dat is misschien
zijn eenige deugd, hem van harte dankbaar is.”

„Dus kon,” hervatte de gravin glimlachend, „uw penseel uw wapen
kleuren.”

„Wellicht,” hernam Bernard, „doch dit is zeker, dat het de laatste
arbeid zal zijn, dien het onderneemt.”

Zonder eene vraag af te wachten, maakte nu ook Lodewijk zich bekend en
gaf als reden van zijn dienstnemen de neiging op, welke hij, zoowel
als zijn vriend, sinds lang voor 't krijgsleven gekoesterd had; verder
verklaarde hij, dat zijne kennismaking met Rasinski hem bij voorkeur de
poolsche uniform had doen kiezen.

„Hoe verheugt het mij,” sprak de gravin, „dat vriendschap voor mijn
broeder u tot vrienden der zaak van ons vaderland gemaakt heeft.
Ja, wij verwachten en hopen veel van den krijg, die thans wordt
voorbereid; het zal voor ons een heilige kampstrijd zijn.”

„Dat is mede een van de oorzaken,” hervatte Lodewijk, „waarom ik,
schoon Duitscher, in eene poolsche legerafdeeling wenschte te dienen;
want de zaak van Polen is ongetwijfeld rechtvaardig, roemrijk en
schoon. Als Duitscher gevoel ik geene roeping om voor den roem des
franschen keizers te vechten; in den toestand, waarin mijn vaderland,
dat bijna even ongelukkig is als Polen, zich bevindt, kan ik daarvoor
het zwaard niet trekken. Het duitsche leger valt daarbij slechts de
half eervolle taak ten deel, den roem der oude duitsche dapperheid te
handhaven; een hooger doel, waarvoor onze landslieden hun bloed storten
konden, bestaat voor het tegenwoordige niet.”

„Ik geloof zelfs,” hernam de gravin, „dat de meesten liever wenschen
zouden overwonnen te worden, dan te overwinnen.”

„Voorzeker,” antwoordde Lodewijk. „Intusschen zou ik mij zelf niet
onvoorwaardelijk onder dezulken willen rangschikken. Duitschland heeft
behoefte aan eene andere vriendschap dan die, welke Rusland ons zoude
aanbieden. De ruwe kracht van dezen reusachtigen noordschen kolos mag
mijn vaderland dienstig zijn, om het aan den invloed van vreemden,
waaronder het thans zucht, te ontrukken, ik vrees bijna, dat deze
dienst ons duur zou te staan komen, en dat wij ten slotte wellicht
slechts van heer en gebieder zouden verwisseld hebben. Moet ik mij aan
iemand onderwerpen, niemand zal mij ten kwade duiden, dat ik liever aan
de kracht van een machtigen geest, dan aan ruw stoffelijk geweld wensch
te gehoorzamen.”

„Buiten twijfel,” riep Bernard levendig uit; „een man van eer, die
tusschen het zwaard en den knoet de keus heeft, kiest het eerste. Wij
konden geene betere plaats vinden om Rusland te leeren wantrouwen, dan
juist Polens hoofdstad, waar de wind nog de aschhoopen van den brand
doet opstuiven, dien een barbaarsch vijand in deze muren slingerde.”

„O,” riep de gravin met smartelijke aandoening, „wij kunnen nog de
brandwonden aantoonen, en het weeklagen des jammers, dat toenmaals
opsteeg, is nog niet gesmoord. Schoon jong, was ik getuige van die
afgrijselijke gebeurtenis en hare zwarte schrikbeelden staan mij voor
eeuwig in het geheugen gegrift. Eer kan ik mijn naam vergeten, dan dat
gevoel van onmachtige vertwijfeling, dat toenmaals mijn en ieders hart
verscheurde.”

Na deze woorden stond zij in hevige gemoedsbeweging op en ging eenige
malen de zaal op en neder. De mannen zwegen; eindelijk begon Jaromir:
„Het zal nu anders worden; de boete, die door de hand der wrekende
geschiedenis aan ons vaderland is opgelegd, loopt ten einde. De tijd is
nabij, gravin, dat wij uit onze babylonische ballingschap weer naar den
haard der vaderen terugkeeren.”

De gravin scheen slechts de eerste woorden van Jaromir te hebben
gehoord. „Het _zal_ anders worden?” vroeg zij, voor den jongeling
stand houdend. „Het _moet_ anders worden. Schoon het nog duizend jaren
zoo voortduurde, de stem in mijne borst zou luid blijven uitroepen:
het _moet_ anders worden. Of waant gij, dat de moeder die gebonden
ter aarde ligt, terwijl moordenaars haren zuigeling slachten, aan een
vergeldenden God slechts _gelooft_? Zij _ziet_ hem; zijn wrekende arm
_moet_ de bloedige gruweldaad straffen. Hij _moet_, of het gewelf des
hemels is doof en ledig en niemand heerscht in het eindeloos niet.” Bij
deze laatste woorden had zij de hand half tot eene bedreiging, half tot
eene gelofte omhoog geheven; haar oog straalde van een donkeren gloed,
een edele onwil kleurde haar gelaat. Slechts aan den vochtigen glans
van een traan, die nog aan hare wangen hing, bemerkte men een spoor
van de zachtere stemming, waaraan de hartstochtelijke drift haar geheel
ontrukt had.

„Hoe dikwijls ik mij voorneem,” sprak zij na eenig zwijgen, terwijl zij
weemoedig het hoofd schudde en de opgeheven hand weder zinken liet,
„mijn gevoel te beteugelen, telkens overweldigt het mij opnieuw! Ach,
deze smart verstompt of verouderd niet in onze borst! Met elke zon
verrijst zij als opnieuw, maar met geene gaat zij onder.”

Op dit oogenblik drongen de welluidende tonen eener zachte zilverstem,
door de luwe lucht van den Meinacht voortgedragen, wel uit de verte,
maar toch helder en verstaanbaar door de open vensters der zaal;
smeltende akkoorden eener harp vermengden zich met de zoete melodie.
Allen luisterden met ingehouden adem.

„De lieflijke sirene, Françoise Alisette,” sprak de gravin glimlachend;
„o, die tooveres heeft reeds menigwerf de zwarte droombeelden
verbannen, die zoo zwaar op mij rustten. Het is eene jonge zangeres,
eene Fransche, sinds enigen tijd aan het tooneel dezer stad verbonden.”
Men luisterde aandachtig naar het bekoorlijk gezang; toen het verstomd
was, trok de gravin aan de schelkoord en sprak eenige woorden tot den
binnentredenden kamerdienaar. Deze ging. „Heden avond wacht ik het
bezoek van eenige vriendinnen,” wendde zij zich tot hare gasten; „het
zal u toch niet onaangenaam zijn...” Zij werd verhinderd voort te gaan,
daar de deur van een aangrenzend vertrek zich opende en eene jonge dame
in lichte witte lentekleeding binnentrad.

De mannen sprongen ijlings van hunne stoelen op, de gravin ging de
komende te gemoet, nam haar bij de hand en stelde haar voor met de
woorden: „Mijne huisgenoote; den naam verzwijg ik, om graaf Jaromirs
geheugen op de proef te stellen.” Jaromir beschouwde de schoone
gestalte met de uitdrukking van verwarde bevreemding, welke een
zoodanige eisch tot herkennen altijd te weeg brengt, wanneer men van
de getrouwheid van zijn geheugen niet volkomen verzekerd is. De edele
trekken der onbekende werden door een bevallig blosje verfraaid. De
maagdelijke schuwheid, die hare geheele houding kenteekende, verleende
haar bijna het voorkomen van eene kloosterlinge, waartoe ook de lange,
witte sluier het zijne bijbracht, die, met gouden naalden in het
donkere haar bevestigd en bevallig achter de lokken teruggeslagen,
langs de bloeiende wang nedergolfde en over de schouders tot aan de
knie afdaalde. De ranke leest, die de lichte zomerkleeding veeleer deed
uitkomen dan verborg, het beschroomde, weifelachtige in de houding, het
beschaamde lachje, de schuwe en toch vertrouwelijke blik voltooiden de
betooverende aanvalligheid, die in de gansche verschijning gelegen was.

„Waarlijk,” riep Jaromir eindelijk, „ik ben geheel beschaamd; wanneer
gij dochters hadt, gravin....”

„Dan zoudt gij nog verkeerd raden,” viel deze hem in de rede.

„Ik was nog te jong,” begon het meisje met een welluidende stem, „om
op eene plaats in het geheugen, zelfs van een naasten bloedverwant,
billijk aanspraak te kunnen maken.”

Na dezen wenk vestigde Jaromir scherper vorschende blikken op het
bekoorlijke wezen, dat hem met zachte innemendheid toelachte, als wilde
zij zeggen: „Nu, herkent gij mij nog niet?” Daar riep hij eensklaps
uit: „Lodoiska, zijt gij het?”—„Eindelijk gevonden,” sprak de gravin;
doch Jaromir had de hand van Lodoiska reeds gegrepen, kuste ze vurig,
klemde het schoone, blozende meisje teeder aan zijne borst en drukte
haar den naar poolsche gewoonte veroorloofden kus op het blanke
voorhoofd. Zij beantwoordde deze vertrouwelijke begroeting wel een
weinig verlegen, maar toch met innige hartelijkheid.

„Beider nu reeds lang overleden vaders waren broeders,” sprak de gravin
tot Bernard en Lodewijk. „De stervende moeder heeft mij dezen kostbaren
schat nagelaten. Zij was mijne geliefde vriendin,” voegde zij er
weemoedig bij, terwijl haar oog met teedere belangstelling op Lodoiska
rustte. „Mijne pleegdochter en haar neef Jaromir zijn te zamen opgevoed
en beschouwden elkander van hunne jeugd af als broeder en zuster.”

Inderdaad had zich de vertrouwelijkheid tusschen de vroegere
speelgenooten zeer spoedig weder hersteld; Jaromir plaatste zich aan
de zijde van Lodoiska, liet hare hand niet weder uit de zijne en deed
duizend vragen, welke zij met de innigste belangstelling beantwoordde.
Intusschen verstonden Lodewijk en Bernard weinig of niets van het
gesprek der beide gelukkigen, die zich met de herinneringen hunner
jeugd, zooals natuurlijk was, in hunne moederspraak bezighielden.
Het duurde niet lang, of men hoorde het rollen van een rijtuig, en
spoedig daarop traden twee bejaarde dames binnen, welke de gravin als
hare vriendinnen voorstelde. Het gesprek werd nu algemeen en bijna
uitsluitend in het fransch gevoerd; echter richtte de gravin, die
vloeiend duitsch sprak, zich ook dikwijls in deze taal tot hare beide
gasten, daar zij die taal lief had en in de edele wijze, waarop vooral
Lodewijk zich daarin wist uit te drukken, ongemeen behagen schepte.


HOOFDSTUK II.

Men was op deze wijze in een zeer levendig onderhoud gewikkeld, dat
niet belemmerd werd, ofschoon het zich dikwijls in drie verschillende
talen kruiste.

„Het zou mij verwonderen,” sprak de gravin, „zoo de overste uitbleef,
die toch anders niet licht een avond bij mij pleegt te verzuimen.
Schoon ik zeer goed weet, dat niemand mijner huisgenooten hem eenig
belang inboezemt, treft hij hier niet zelden een lieveling aan, en ook
heden zal dat het geval zijn, hoewel ik hem die verrassing aanvankelijk
niet had toegedacht.”

„En wien bedoelt gij?” vroeg Bernard met eene beleefde wending; „wien
kondt gij nog verwachten, die beter in staat was een man aan dit huis
te boeien, dan de reeds verzamelde dames?”

„Dat blijft, ik hoop nog slechts eenige minuten, mijn geheim; dan zal
ik u door de daad kunnen antwoorden. Maar waarlijk, ik kan het nu
reeds,” riep de gravin, naar de deur ziende, en zij ijlde de jonge
dame te gemoet, die juist binnentrad. „O, hoe vriendelijk,” sprak zij
de komende aan, „dat gij op mijne late uitnoodiging zoo bereidwillig
ja hebt gezegd. Maar uwe tonen boezemden mij zulk een onwederstaanbaar
verlangen naar u zelve in, dat ik niet nalaten kon het onbescheiden
verzoek te wagen.”

„Moet gij mij dan altijd beschamen?” hernam Françoise Alisette, want
zij was de binnentredende, met eene betooverende welluidendheid in toon
en stem, en boog zich, om met kinderlijke teederheid, maar tevens ook
met eerbied voor den hoogen rang der rijke gravin, de hand van deze aan
hare lippen te drukken. De gravin verhinderde dit echter en kuste het
bekoorlijke meisje recht hartelijk op den frisschen rozenmond.

„Gij weet immers maar al te goed,” sprak deze, „dat het mij
onuitsprekelijk gelukkig maakt een avond bij u te mogen doorbrengen.”

Het gelaat van het meisje vertoonde een zoo zonderling mengsel van
teederheid en schalkschheid, dat men nauwelijks wist, of zij het
ernstig met de gravin meende, dan wel den spot met haar dreef.
Intusschen, al ware ook het laatste het geval geweest, men had het
haar toch moeten vergeven, daar het met eene zoo onweerstaanbare
aanvalligheid geschiedde, dat aan toornig worden niet te denken viel.
Aan de hand der gravin naderde Françoise het gezelschap, groette
vriendelijk, alsof zij met allen bekend was, den kring rond, en nam
vervolgens tusschen Jaromir en Bernard plaats. Zij begon terstond een
vroolijk gesprek, waarin Bernard spoedig levendig deelnam; Jaromir
scheen zich minder om de bekoorlijke burin te bekommeren, maar zette
zijn vertrouwelijk onderhoud met Lodoiska voort. Alisette was nu
vroolijk, dan weemoedig, met eene ongeloofelijke snelheid verviel
zij van de eene stemming in de verst tegenovergestelde, zonder dat
daarbij eenige opzettelijke toeleg of gemaaktheid te bemerken was.
Hare gelaatstrekken vertoonden, 't zij uit gewoonte van op het tooneel
de meest verschillende hartstochten uit te drukken, 't zij uit
natuurlijken aanleg, den getrouwsten spiegel harer gewaarwordingen of
liever harer woorden. Dit verleende haar eene geheel eigenaardige,
bezwaarlijk te beschrijven aantrekkelijkheid; haar gelaat geleek in
zeker opzicht dat van een kind in den vroegsten leeftijd, waarop
zich ook de geringste opwellingen van smart of vreugde onmiddellijk
inprenten. Niets echter evenaarde hare verrukking, toen zij hoorde,
dat Bernard in Engeland en Schotland was geweest. „Ach,” riep zij uit,
„zoo vind ik toch eindelijk iemand, met wien ik van het land spreken
kan, waar ik mijne schoonste dagen doorleefd heb; schoon ook mijne
treurigste,” voegde zij er eensklaps diep bedroefd bij. Bij de eerste
woorden glansde haar gelaat zoo vroolijk als de lentehemel, en hare
lachende lippen vertoonden het blinkendst parelsnoer van witte tanden;
bij de laatste scheen eene donkere schaduw het vrije, heldere voorhoofd
te omhullen en meende men haar flonkerenden blik door een traan
verduisterd te zien.

„Uwe gelukkigste en treurigste dagen hebt ge daar doorleefd?” vroeg
Bernard. „Van mij zelf kan ik bijna hetzelfde zeggen. Maar mag ik u
vragen, wat uw geluk verstoorde? Want te willen uitvorschen wat het
grondvestte, zou voorzeker te vermetel zijn.”

„Hoe moedwillig en ijdel op hetzelfde oogenblik,” riep Alisette met
luimigen toorn uit, en fronste het voorhoofd in ernstige vouwen; „recht
naar mannentrant; want waarlijk, gij allen beeldt u in, dat men slechts
door u gelukkig kan worden.”

„En is het niet al bescheiden genoeg,” hervatte Bernard, de scherts
beantwoordende, „dat ik voor het ongeluk ook andere gronden gelden
laat?”

„Neen, daarmede moet gij niet spotten,” sprak Françoise weemoedig
en zacht, zoodat zij hare woorden slechts tot Bernard richtte: „ik
verloor mijne eenige, boven alles beminde zuster, die kort te voren
weduwe geworden was en mij geen ander aandenken achterliet, dan haar
nu ouderloos dochtertje Nadine, dat mij eenmaal het verlies der moeder
vergoeden zal. Ach, mijnheer, gij zoudt niet gelooven, hoeveel jammer
zich in dit leven kan opeenhoopen! Gij rijken en aanzienlijken weet
niet met wat heillooze rampen de arme en vooral het hulpelooze meisje
maar al te dikwijls overstelpt wordt! Doch laat ons daarvan zwijgen:
het is hier de plaats niet van lijden te spreken; vertel mij liever,
hoe het u in Engeland bevallen is.”

„Minder goed dan in Schotland,” antwoordde Bernard; „want hier boeide
mij de wonderbare natuur des lands en der menschen; terwijl in Londen
de wonderlijke niet-natuur der laatsten mij terugstiet. In Schotland
vond ik duizendwerf meer voorwerpen voor mijn penseel—want ik ben
schilder—dan in Engeland.”

„Gij zijt schilder!” riep Alisette vroolijk uit. „O, dat is heerlijk!
Dan hebt gij zeker vele teekeningen medegebracht, die gij mij moet
laten zien, want ook ik heb het land in alle richtingen doorkruist.”

„Zeer gaarne,” hernam Bernard; „doch voor elk blad dat ik u toon, moet
gij een lied zingen!”

„Duizend, als gij wilt,” riep Alisette, en het laatste spoor van ernst
of smart was van haar gelaat uitgewischt. „Of meent gij, dat ik niet
gaarne zing? Ach, mijn gansche ziel is gelukkig, als ik maar zingen
kan.” Bernard wilde juist antwoorden: „Wel nu, maak dan u zelve en
tevens ons allen gelukkig,” toen hun gesprek door het binnentreden
van een vreemde, den overste Regnard, werd afgebroken. Hij was een
man van een trotsch voorkomen en wellicht veertig jaren oud, schoon
zijne gelaatstrekken schenen aan te duiden, dat hij het leven sneller
had genoten dan heilzaam pleegt te zijn. Zijn voorhoofd werd door
het breede litteeken, dat zich van het oog tot de slapen uitstrekte,
niet ontsierd; zijn blik verried nog slechts een afnemend vuur; zijne
trekken waren scherp geteekend, belangwekkend, geestrijk, doch zonder
levendigheid. Voor het overige vertoonde hij de fijnste ongedwongenheid
in al zijne bewegingen en de bedaardheid in voorkomen en houding, die
den Franschman zelden eerder dan op den leeftijd van den overste eigen
wordt. De Duitscher verkrijgt ze tien jaren vroeger.

Regnard trad op de gastvrouw toe en begroette haar met de fijne
wellevendheid van een man naar de wereld; voor de overigen maakte
hij eene lichte, koele buiging; slechts Alisette wierp hij een
vriendelijken, vertrouwelijken blik toe. „Ik zie hier iets,” begon hij
na eenige oogenblikken, „dat mijn belangstelling dubbel gaande maakt;
drie mij geheel vreemde heeren in eene mij even onbekende uniform.
Mag ik u bidden,” dus wendde hij zich tot de gravin, „mij met mijne
kameraden bekend te maken?” Zij stelde hem de nieuwe aankomelingen voor.

„Dus zal graaf Rasinski spoedig hier zijn?” vroeg de overste, toen
hem de betrekking, waarin de jongelieden tot dezen stonden, werd
bekend gemaakt. „Dat verheugt mij zeer, want wij hebben in Spanje en
Italië menig heeten dag met elkander doorgebracht. Een voortreffelijk
soldaat,” vervolgde hij, zich half tot de gravin, half tot de drie
vrienden wendende; „de keizer kon de aanvoering van een vrijkorps aan
niemand beter toevertrouwen. De graaf heeft den echten krijgsmansblik,
hij overziet den samenhang van groote bewegingen en beoordeelt
met scherpzinnigheid op welk punt de schijnbaar geringe hulp van
onberekenbaar belang kan worden. De meeste hoofden van dergelijke
korpsen tasten dáárin mis, dat zij hunne ondernemingen slechts op
zich zelf beschouwen en uitvoeren. Het is goed en wel, dat men den
vijand een transport levensmiddelen ontkaapt, zoo de kans gunstig is,
of hem nu en dan van ter zijde bestookt en daardoor afmat; doch tot
den uitslag der groote zaak doet zulks al zeer weinig af. De ware
partijganger moet òf de rol der bij spelen, die den jager in de hand
steekt op het oogenblik, dat hij losbranden wil; òf die van de muis,
die het net doorknaagt, waarin de leeuw zich verward heeft.”

De overste sprak over krijgskundige onderwerpen met eene groote
duidelijkheid en zeer beslist, zonder echter in den onaangenamen
toon te vervallen, die steeds schijnt te vooronderstellen, dat men
geheel onkundigen te onderrichten en hun uiterst belangrijke schatten
van wetenschap heeft mede te deelen. Hij droeg zijne persoonlijke
denkbeelden en gevoelens vluchtig, als dingen, die eigenlijk van
zelf spreken, voor, en op zijne bovendien weinig veranderlijke
gelaatstrekken vertoonde zich niets, dat op een vleiende goedkeuring
van zijne geuite meeningen scheen te wachten. Daar Jaromir de
opmerkingen van den overste toestemmend beantwoordde, waren beiden
spoedig in een gesprek over de hedendaagsche wijze van krijgvoeren
gewikkeld, dat Bernard en Lodewijk met belangstelling volgden. Dit
trok hunne aandacht een weinig van het onderhoud der dames af en zij
werden dus te aangenamer verrast, toen zich eensklaps eenige heldere
klavierakkoorden lieten hooren. Het was Françoise Alisette, die tot
zingen uitgenoodigd, met beminlijke levendigheid voor het speeltuig had
plaats genomen en, terwijl zij als onwillekeurig eenige grepen deed,
peinzend opwaarts blikte, als overleide zij, wat tot voordracht te
kiezen.

„St!” sprak de overste. „Laat ons nu toeluisteren, mijne vrienden!
Onherstelbaar verlies zou het zijn, zoo een toon dier zilverstem voor
ons verloren ging.”

Allen richtten het oog op Alisette, die thans onder een zacht wiegelen
van het bevallig hoofdje een fransche romance zong, wier smeltende
melodie zij met verteederende innigheid voordroeg. Het was inderdaad
een genot haar daarbij aan te zien; want zonder eenige gemaaktheid,
zonder eenige gedwongenheid te verraden, stemden toch haar gebarenspel
en de uitdrukking harer trekken met die woorden en tonen tot in de
fijnste bijzonderheden overeen. De schoone golvende lijnen van haar
gelaat schenen door den zachten adem der klanken bewogen te worden,
gelijk de heldere spiegelvlakte van het meer zich aan het spel der
lentekoeltjes al wiegelend aansluit. En welk eene wegsleepende
tooverkracht lag in die heldere zilvertonen, die met zulk een zoet
gevlei in het oor drongen, door zulke roerende beden het hart schenen
te willen verteederen! Alles luisterde met ingehouden adem. Bernard
liet zijne vorschende blikken in het rond gaan en had gaarne alles
geportretteerd, wat in het vertrek oog en oor had, daar de aandoening,
die op elks gelaat te lezen stond, ook aan elks wezen een eigenaardig
schilderachtig karakter verleende. Steeds gewoon de uitdrukking der
trekken uit de verborgenste diepten der ziel te verklaren, wijl hij
overtuigd was, dat alle uitwendige bewegingen aan innerlijke roerselen
gehoorzamen, schoon die voor onze zintuiglijke bevatting niet altijd
dadelijk verstaanbaar zijn, beijverde hij zich ook nu, dit schoonste
hiëroglyphenschrift te ontraadselen; bij welke poging men wel is waar
niet zelden op even donkere dwaalwegen geraakt, als wanneer men de
geheimen der egyptische grafsteden uit het duister beeldschrift der
priesters tracht op te sporen. Intusschen trokken twee bijzonderheden
zijne aandacht. Lodoiska scheen zelve minder door het gezang getroffen
te worden, dan wel met gespannen, bijna angstige opmerkzaamheid den
indruk gade te slaan, dien het op Jaromir te weeg bracht; de jongeling
daarentegen was zoo geheel in den aanblik der zangeres verzonken, dat
hij niet bemerkte, hoe deze op eene in het oog loopende wijs blikken
en woorden bijna uitsluitend tot hem richtte. Nog een derde opmerking
deed Bernard kort voor het einde van het lied, namelijk, dat de overste
het laatste gedeelte zijner waarneming ook scheen gemaakt te hebben
en daarover het voorhoofd in toornige rimpels trok. Bernard was te
zeer geoefend in de school der ervaring, om uit hetgeen hij zag niet
menige gissing af te leiden. Eenige uitdrukkingen der gravin hadden
duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat de overste zich aan de gunst
der schoone Alisette bijzonder veel liet gelegen liggen, wanneer deze
dus aan den bloeienden, jeugdigen Jaromir de voorkeur gaf, kon dit
lichtelijk tot bittere onaangenaamheden aanleiding geven, daar de
overste niet de man scheen, die een medeminnaar straffeloos zou kunnen
dulden. Bij allen schijn van maagdelijke onschuld en reinheid, die
in Françoises gedrag en wezen doorblonk, kwam het Bernard toch niet
onmogelijk voor dat die schijn bedriegen kon. Te dikwerf reeds was hij
in de gelegenheid geweest, te ondervinden, in welk eene mate de vrouwen
door haar uiterlijk het innerlijke weten te vermommen, en hoe moeielijk
het valt te beslissen, of eene schuldelooze blik uit eene schuldelooze
ziel voortkomt. Hij had weinig grond om Alisette te verdenken, en wat
hij zooeven opmerkte, kon, daar Jaromir juist tegenover haar stond,
zoowel toeval als opzet zijn; intusschen was het, alsof eene stem in
zijn binnenste hem heimelijk toefluisterde: de blauwe, heldere spiegel
van dit water, dat zonnelicht en hemel zoo heerlijk terugkaatst, bedekt
eene gevaarlijke diepte!—Daarentegen drukten Lodoiska's edele, zachte
trekken onfeilbaar de diepste verborgenheid harer ziel uit, en zonder
door de bekoorlijkheid dezer gestalte meer dan vluchtig getroffen te
worden, scheen haar beeld hem toch gestadig toe te roepen: deze kunt
gij vertrouwen; haar oog is ook haar hart.—Maar scheen niet dat zelfde
oog, nu het zoo angstig op den jongeling gevestigd was, te kennen te
geven: Jaromir, vriend mijner jeugd, u bemin ik uit den diepsten grond
dezer trouwe borst? Moet ik zien, dat deze lokkende sirene u met den
zilveren tooverdraad harer tonen omspint, om u aan mij te ontrukken?


HOOFDSTUK III.

Het lied was geëindigd. De gravin snelde op Alisette toe, greep hare
hand, streelde haar vriendelijk de kin en zeide: „Hoe teeder, hoe
zachtroerend! O, mij dunkt, zulke smeltende tonen moeten den hevigsten
storm in de borst tot zwijgen brengen. Zij zijn de verzachtende olie,
die de zeeman in de branding uitgiet, om de onstuimige golven te
bedaren. Welk een geluk wanneer men eene zoo hemelsche vertroosting
gestadig met zich omvoert!”

„Ach,” antwoordde Alisette met een half gesmoorden zucht, „zij mag het
leed van anderen verzachten, de brandende wonde in den eigen boezem
heelt zij niet!”

„Hoe?” sprak Lodewijk, „zoude op zulk een geschenk des hemels, de
omgekeerde vloek van Cassandra rusten?”

„Hoe zoo?” vroeg de gravin.

„Zij,” was het antwoord, „verkondigde de waarheid en niemand geloofde
haar; aan deze schoone profetes schenkt elk geloof; slechts haar zelve
zou de zoete waarheid eeuwig onverstaanbaar blijven?”

Alisette scheen door deze aanmerking getroffen; Bernard, die ze
gehoord had, trad nader en zeide: „Onze Cassandra heeft gelijk. In
vele gevallen gelijkt de kunst aan de zon, die alles verwarmt en
bezielt, maar zelve òf een koud lichaam is, òf een vuurkolos, die
door eigen gloed wordt verteerd. Gewoonlijk vindt het laatste plaats.
De wereld noemt de kunstenaars gelukkig, wijl zij geluk verspreiden;
weinigen echter weten, hoe duur het kunstwerk dikwijls door den
kunstenaar betaald wordt. Wilde ik een zachter beeld, zoo kon ik de
gaven der kunst bij eene dauwende wolk vergelijken, die het veld
met verkwikkende paarlen bestrooit, maar zelve verteert en in nevel
verdwijnt.”

„O, dat is zoo waar,” riep Alisette met een weemoedigen blik; „hoe
vaak was het mij, alsof ik in mijne tonen sterven moest, en welk een
smartelijk zoeten dood!”

„Ik kan mij niet voorstellen,” hervatte Lodewijk, „dat de ware kunst
niet eene troostende, opbeurende leidsvrouw door het leven zijn zoude,
wier vleugel ons draagt en verkoelend beschaduwt, wanneer het pad door
verzengde woestijnen leidt.”

„Dat doet zij ook,” riep Bernard, „als gij u eerst in zulk eene
woestijn bevindt; maar daarvoor drijft deze schijnbaar zoo zacht
leidende en troostende genius u ook met duivelsch geweld uit alle
effene en gebaande wegen des levens de wildernis in; hij sleept u langs
afgronden voort, sleurt u bij steile rotsen op en slingert u in de
schuimende kolk van den woedenden oceaan, om u door de koude golven op
de kust van het een en ander eenzaam eiland te doen uitwerpen.”

Lodewijk schudde ernstig het hoofd. „Wat gij zegt is gedeeltelijk
waar,” hervatte hij; „doch gij schildert slechts de helft, spreekt
slechts van de onstuimige nachten van het kunstenaarsleven, van de
onweders der lentedagen, maar niet van den goddelijken dag, dien het
voor u aanbreken, niet van de duizende bloesems, die het op uwe paden
ontspruiten, niet van den zachten maneschijn, dien het tot in de meest
verborgen diepten der treurende borst vertroostend schemeren doet.”

„Hoe dieper wonden, hoe zoeter troost; ziedaar alles in één woord
gezegd,” antwoordde Bernard kort, hevig, schoon niet zonder een lichten
zweem van weemoed.

De gravin en Françoise hadden met belangstelling het gesprek
aangehoord. „Hoe vreemd is het toch,” sprak de laatste, „dat men niet
zelden iets kent en ondervonden heeft zonder het eigenlijk te weten;
hoe dikwijls heb ik dat alles gevoeld, en toch wordt het mij nu eerst
recht duidelijk! Hoe benijd ik de mannen, die hunne gedachten en
gewaarwordingen zoo klaar en helder weten uit te drukken! En gij hebt
beiden gelijk,” sprak zij tot Bernard en Lodewijk, „ofschoon gij van
verschillende meening schijnt te zijn.”

Het ernstig onderhoud was nog een tijdlang voortgezet, had niet de
overste daaraan een einde gemaakt door zich tot Alisette te wenden
en haar naar gezellig gebruik eenige verplichtende woorden over haar
verrukkelijk gezang toe te voegen.

„Gij hebt ons getroffen, ik zou kunnen zeggen, te veel verteederd,”
sprak hij; „maar ik weet, dat gij ons heimelijk uitlacht en u zelve wel
bewust zijt, de tooverkracht te bezitten, waardoor gij de vroolijkheid
even licht weder terugkeeren en opnieuw ronddartelen laat, als gij
haar thans de moedwillige vleugels gebonden hebt. Wij weten dat gij
niet slechts een Proteus zijt, die zich zelven, maar ook een Circe,
die anderen naar willekeur verandert. Maar wat baat het, zich tegen
de macht der bekoorlijke tooveres te verzetten? Zij zou des te
moedwilliger aan hare luimen den teugel vieren; er blijft ons dus niets
over dan tot bidden de toevlucht te nemen. Dat doe ik dan ook, schoone,
grootmachtige gebiedster! Zou het u niet kunnen behagen, de donkere
nachtvogels, welke gij door uw klaaglied uitgelokt hebt, te verdrijven
en eenige bonte dagvlinders te doen rondfladderen, die zich met hunne
glansrijke vlerken zoo liefelijk in de zonnestralen wiegelen?”

Alisette zag hem met een bevallig, schalkachtig lachje aan en gaf een
welluidend: „Gaarne, zeer gaarne!” ten antwoord.—Bijna in hetzelfde
oogenblik begon zij ook reeds het voorspel van een vroolijk liedje, dat
zij met zulke heldere frissche tonen aanhief, dat men den leeuwrik
waande te hooren, die op een schoonen lentemorgen over het bedauwde
veld in den blauwen hemel opstijgt; en deze ochtendfrischheid verruimde
ieders borst, zoodat zelfs de ernstige Lodoiska een tevreden lachje om
haar lippen liet spelen.

Zoodra Françoise geëindigd had, sprong zij op en ijlde naar Lodoiska,
die in den hoek van de sofa zat. „Nu, lieve gravin,” smeekte zij, „moet
gij ook een lied zingen; uwe kleine, poolsche volksliederen hoor ik zoo
gaarne, hoe weinig ik dan ook van de woorden mag verstaan.”

„O neen, neen,” hernam Lodoiska, haar zacht afwijzende, „hoe zoude ik
mijn treurig gezang, mijne bevende stem na zulke liefelijke tonen laten
hooren!”

„O, zij klinkt zoo teeder, zoo roerend! Of meent gij, dat ik u nooit
beluisterd heb, wanneer gij soms laat in den nacht op uwe kamer die
lieve liederen onbeschroomd voor u zelve zongt? Ja,” vervolgde zij,
de hand van het blozende meisje zoet vleiend in de hare klemmende,
„de nacht en open vensters verraden dikwijls de zoetste geheimen. Het
kleine lied,” hier neuriede zij de eerste noten er van, „zou ik nu zoo
gaarne eens hooren zingen, daar ik het reeds twee achtereenvolgende
nachten gehoord heb.”

Lodoiska gloeide als eene donkere roos; want, zonder het te weten, had
Françoise haar zeer in verlegenheid gebracht, daar de woorden van het
lied hem, die het poolsch verstond, inderdaad hartsgeheimen moesten
schijnen te verraden.

„Het lied,” sprak zij, „is eene herinnering uit mijne vroegste jeugd,
toen ik het dikwijls van mijne moeder hoorde; zeer toevallig heb ik het
twee avonden na elkander gezongen, daar de nachtegaal hier tegenover
mij uit den slaap hield.”

„Zoo zing het ook den derden avond,” hervatte Françoise; „ik smeek
er u om, lieve gravin!” Zij vleide hierbij zoo onwederstaanbaar, dat
Lodoiska zeer dringende gronden moest gehad hebben, wilde zij deze bede
afslaan. Zij zoude die wel is waar gaarne hebben ingebracht; doch thans
besefte zij, dat het beter was in te willigen dan door weigeren aan de
woorden van het lied, in plaats van eene toevallige eene werkelijke
beteekenis te geven, te meer daar zij veronderstellen moest, dat
Jaromir en de gravin het aan de melodie reeds herkend hadden. Zij liet
zich dus, hoewel eenigszins verlegen, door de vleister naar het klavier
geleiden, zette zich neder en begon:

    Eenzaam richt ik mijne gangen
      Naar een stil en vredig oord,
    Waar geen vreugdetoon de zangen
      Van den droeven vogel stoort;
        In een sombre streek,
        Aan den zoom der beek,
    Vlei ik me op de bloemsprei neder:—
    Gij, ach, wanneer keert gij weder!

    Op de wiek der bloesemgeuren
      Daalt de zachte lente neer,
    Vreugde en kalmte hun die treuren,
      Troost den droeven brengt zij weer;
        Bloem en loover spruit,
        Filomeele fluit
    De oude klachten, smeltend, teeder—
    Gij, ach, wanneer keert gij weder!

    Zie 'k de zwaluw opwaarts stijgen,
      't Nestje aan 't vreedzaam dak ontvlucht,
    Gaarne zou ik met haar tijgen
      Door het ruim der blauwe lucht.
        Wierd de wang me al bleek,
        Aan uw zijde eerst streek
    Ik op matte vlerken neder—
    Gij, ach, wanneer keert gij weder!

    Als de beek haar kleine vlieten
      Rustloos voortstuwt naar het meer,
    Zal ik traan op traan vergieten,
      En die wel verdroogt niet weer.
        Ach, toeft gij nog lang,
        't Leed wordt mij te bang,
    'k Leg het matte hoofd ter neder—
    Gij, ach, wanneer keert gij weder!

Lodoiska had eene zachte, ongemeen roerende stem, welke zij uit
beschroomdheid slechts zwakke tonen ontlokte, die echter door hunne
zuivere uitdrukking aan de bevende, wegsmeltende klanken der windharp
geleken. Vereenigd met den lichten blos, die, bij het denkbeeld dat
de woorden van het lied de geheime gevoelens van haar hart schenen
te verraden, haar edel gelaat kleurde, maakte haar gezang een geheel
eigenaardigen indruk. Het was de maagdelijke onschuld zelve, die
hier als het ware in tonen verzinlijkt werd; geen kunstwerk, maar
een lieftallig beeld der natuur, door deze in een heilig oogenblik
geschapen en met alle roerende bevalligheid des levens uitgerust.
Gemakkelijk liet het zich verklaren, waarom Lodoiska het lied, dat zij
gisteren nog zonder eenige beschroomdheid zou gezongen hebben, heden
met eenige verlegenheid voordroeg. Daar zich toch sedert eenige uren
in hare borst de eerste kiemen tot eene bijzondere betrekking dezer
woorden op haar eigen leven begonnen te ontwikkelen, bracht dit duister
gevoel die huiverige beklemdheid te weeg, welke zij anders niet zoude
gekend hebben.—Eer dan het meisje, is de jongeling geneigd aan het
louter toevallige, wanneer het met zijne wenschen overeenkomt, eene
vaste bedoeling te hechten; derhalve waagde het Jaromir, en zijn hart
klopte daarbij van onstuimige vreugde, deze woorden op zich zelf toe
te passen. Hij bedacht, dat zij, gelijk Françoise verraden had, dit
lied in de stille uren van den nacht placht te zingen. Had zij daarbij
aan hem gedacht? Ja! Ja! zeide hij bij zich zelf en geloofde, wat hij
zoo vurig wenschte. Deze vermeende bekentenis harer liefde ontvlamde
dan ook de zijne tot een machtigen gloed; hij genoot het zeldzame
geluk, niet te twijfelen, of de geliefde ook voor hem dezelfde neiging
koesterde, maar meende ook haar hart reeds onthuld te zien. Wel is
waar niet door haar eigen toedoen, want zij droeg het als de roos in
den binnensten bloesemknop verborgen; maar de hand van een gelukkig
toeval spreidde de zachte bladeren van den kelk uiteen en vertoonde het
kleinood, dat daarin verholen lag; als een diamanten dauwdrup glansde
het in den diepen bloemschoot, en in den luchtschijn, waardoor het
omstraald werd, waande Jaromir zijn beeld te zien rondzweven.

Het was geene gedachtelooze, armzalige ijdelheid, die deze overtuiging
in hem deed oprijzen, maar het vertrouwend geloof van een minnend hart,
de koene hoop der jeugd, die vurige wenschen en blijde vervullingen
in zoete beguicheling pleegt te verwisselen. Hier echter bedroog hij
zich niet, schoon hij wellicht ook meer geraden had, dan verraden werd,
ja, dan Lodoiska kon verraden, daar zij zich hare gevoelens nog niet
volkomen bewust was.

De wensch van den overste, dien de muziek eer vermaakte dan trof, drong
op een duet aan; doch Lodoiska sprak een bescheiden, maar beslissend
neen. Daar hij niet in deze eerste poging scheen te willen berusten,
wist de gravin een tweede aanzoek te voorkomen, door hem te verzoeken
haar naar tafel te geleiden. Hij reikte haar beleefd den arm; Jaromir
bood den zijnen Lodoiska aan, Lodewijk, die bij een der oudere dames
stond, geleidde deze, en Bernard nam Alisette aan den linker, de
andere, nog alleen overige vriendin der gravin aan den rechterarm. „U
heb ik aan de zijde, waar mijn hart slaat,” fluisterde hij Françoise
in het oor, die hem door een vertrouwelijken blik antwoordde. De
vleugeldeuren der glansrijk verlichte eetzaal vlogen open; men trad
binnen.


HOOFDSTUK IV.

Niet vóór middernacht begaven de jeugdige krijgsmakkers zich naar de
hun aangewezen kamers, die alle drie op één breeden kruisgang uitkwamen
en het gezicht op den tuin hadden. Door deze schikking waren de
vrienden bijeen en tevens gescheiden; elk bewoonde een eigen vertrek,
doch ééne schrede bracht hem in dat des nabuurs. Jaromir wenschte den
beiden anderen goeden nacht; hij scheen vermoeid te zijn. Bernard en
Lodewijk bleven in de kamer des eersten nog een tijdlang te zamen en
spraken van de zonderlinge wisselingen van hun levenslot, dat eensklaps
eene zoo geheel andere wending had genomen. Dit was eigenlijk het
eerste vertrouwelijke uur, dat zij sedert hunne afreis van Dresden met
elkander doorbrachten; want om verschillende redenen hadden zij de reis
zoo overhaast moeten doorzetten, dat, zelfs in het bijzijn van den
hun nog minder bekenden Jaromir, geen tijd tot een bedaard en rustig
onderhoud was overgebleven.

„'t Zal mij verwonderen,” sprak Bernard, „of Fortuna ons hier met haar
net nog eenige gelukkige trekken zal laten doen. Ik althans heb als een
statelijke graaf Lomond eene breede zegen uitgeworpen, terwijl gij,
als Lodewijk Soren, hoogstens een paar armzalige stekelvorens aan uw
jammerlijken hengel te wachten hebt. Ik visch met de wijde fuik der
gravenkroon en vertrouw, dat aan de zeven punten eene zoo van belang
blijft hangen. Ja, hier in Polen krijg ik al half berouw, dat ik mij
maar niet liever den vorstenhoed heb opgezet; in het lange echte
parelsnoer van poolsche magnaten zou toch niemand de valsche schotsche
parel ontdekt hebben. Nu, wie weet wat nog gebeurt!”

„Ik zou u die goede luim kunnen benijden,” hervatte Lodewijk; „maar
wat moeite ik doe, om ons lot van eene lichte zijde te beschouwen,
het wil mij niet gelukken. Ik geloof, dat ik de toekomst met ernst en
bedaardheid onder de oogen zal zien; maar thans ligt zij voor mij als
eene kale, steile rots, waarop ik niet zooveel vruchtbare aarde ontdek,
dat eene enkele bloem er op ontspruiten kan.”

„Er zal eene hand komen,” antwoordde Bernard, „die als Mozes tegen de
steenrots slaat en eene rijke, frissche bron doet ontspringen. Soms heb
ik oogenblikken, waarin ik door onzichtbare handen op den drievoet der
Pythia geplakt word en de wijsheid van den delphischen God uit mijn
mond doe stroomen. Thans juist verbeeld ik mij, gemakkelijk en wel in
den tooverstoel te zitten, en zie een gansch heirleger van rooskleurige
beeldjes uit onze toekomst voorbij marcheeren. Ik begrijp niet, waarom
wij niet bij het eerste gevecht de officiersepauletten verdienen, bij
het tweede in den ritmeesterszadel klauteren, bij het derde een paar
majoorssporen zouden buit maken. Heeft de russische keizer slechts
twee of drie dappere generaals, zoo begrijp ik niet, waarom de oorlog
niet zeven jaren zou kunnen duren, en die tijd is dan toch waarachtig
lang genoeg, om een maarschalkstaf met eene vorstenkroon er op te doen
groeien, waartegen ik mijn valschen schotschen adelbrief voordeelig
verruilen kan. En zou de titel Vorst van Petersburg, of Hertog van
Archangel, of zelfs, zoo het geluk wou dat ik den rechtervleugel der
armee kommandeerde, Prins van Astrakan niet even goed klinken als
Prins van Pontecorvo, Hertog van Albufera of Dalmatië? Mij dunkt, ik
zou mij zelfs tevreden kunnen stellen, als men mij slechts Hertog van
Kamschatka, of Prins van de Lena maakte en eene mammoethsrib bij mijn
wapen voegde.”

„Gij wilt den oorlog wat al te lang rekken,” hervatte Lodewijk
glimlachend; „intusschen blijf ik er bij, gij zijt te benijden, daar
gij op den zwarten achtergrond der toekomst zulke vroolijke beelden
weet te tooveren.”

„Dat is een schilderstalent,” riep Bernard, „en ik heb er mij veel in
geoefend. Sta ik voor een recht zwarten onweershemel, dan zie ik in
de dreigend opeengepakte wolken en getakte zwavelmassa's de schoonste
luchtpaleizen en gebergten van de wereld. Maar gij schijnt moê en
ik ben het; laat ons dus onderzoeken of de legersteden bij de Juno,
die ons zoo gastvrij herbergt, met haar overigens waarlijk olympisch
onthaal overeenstemmen.”

Lodewijk reikte Bernard de hand, wenschte hem een goeden nacht en
ging naar zijne kamer. Bernard voelde den geest des edelen tokayers,
dien hij niet spaarzaam gedronken had, nog te vurig door zijne aderen
bruisen, om zich dadelijk aan den loomen slaap te kunnen overgeven.
Hij trad aan het venster, opende het en blikte in den tuin, die zich
langs den eenen zijvleugel van het paleis uitstrekte. Eene koele
avondwind ruischte door de populieren en wiegde de toppen der heesters
heen en weder; de maan stond laag aan den hemel en wierp de lange,
donkere schaduwen van het gebouw over het groene loovertapijt heen;
dáár echter, waar hare stralen door niets gebroken werden, verlichtte
zij de bloeiende jasmijn-priëelen en breede grasperken met bijna
zonneklaarheid. Bernard herinnerde zich, dat Alisette hem aan tafel
had gezegd: „Wij zitten hier juist tegenover mijne vensters, die den
ganschen nacht door de maan vriendelijk verlicht worden.” De gedachte
rees hierdoor bij hem op, om eene nachtelijke wandeling naar de,
in den anderen vleugel van het slot gelegen eetzaal te ondernemen,
ten einde vandaar de vensters van het schoone meisje een weinig te
bespieden. Besluit en uitvoering waren bij hem gewoonlijk het werk
van hetzelfde oogenblik; hij schoot zijn overjas aan en verliet het
vertrek. Slechts eene enkele matte lamp schemerde aan het eind van den
gang. Behoedzaam luisterde hij, of alles stil was; geen geluid liet
zich in het uitgestrekte gebouw vernemen. Met zachte schreden ging hij
op de lamp, die in het hoofdverwulfsel brandde en vandaar haar licht
naar beide zijden uitwierp, toe. Zonder iemand te ontmoeten, sloop
hij het wijde voorportaal door en bereikte den anderen vleugel; op
de plaats, waar de zijgang den hoek omsloeg, flikkerde eene tweede
lamp, die aan het uitgaan was. Zij gaf intusschen nog schijnsel
genoeg, om de verschillende deuren, die uit den gang in de vertrekken
voerden, te onderkennen. De derde was die der eetzaal; dit had Bernard,
die zeer veel opmerkzaamheid en geheugen, vooral voor bouwkundige
plaatsgelegenheden bezat, nauwkeurig onthouden. Behoedzaam draaide
hij aan den knop, om te ontdekken of de deur ook gesloten was; zij
was het niet, hij trad binnen en stond nu in de groote, donkere zaal,
welker witte, toegeschoven venstervoorhangen hem bleek en spookachtig
toeschemerden. Voorzichtig naderde hij het venster, sloeg het golvende
satijnen voorhangsel een weinig terug en zag naar buiten. Aan de
overzijde der niet breede straat, in den helderen maneschijn stond
een klein huis, welks vensters der tweede verdieping met jalousieën
gesloten waren. De slagschaduw van het paleis strekte zich zoo ver
uit, dat het onderste deel der woning daardoor geheel bedekt werd. Zoo
bezwaarlijk men dus iemand in de benedenverdieping of aan de huisdeur
kon onderkennen, zoo gemakkelijk was het, de voorwerpen dáár, waar
zij door de maan bestraald werden, nauwkeurig op te nemen. Volgens de
beschrijving moest Alisette in dat huis haar verblijf houden en hare
vensters die der middelverdieping zijn. Bernards scherpziende blik zag
door de jalousieën licht schemeren, en eene zich bewegende schaduw gaf
hem de zekerheid, dat zich nog iemand wakend moest bevinden.

Eensklaps hoorde hij het geknars van een, hoewel met behoedzaamheid
in het slot rondgedraaiden sleutel; de huisdeur tegenover werd
voorzichtig geopend, en eene lange gestalte, die zich zorgvuldig
in een mantel had gewikkeld, sloop op de teenen naar buiten, stak
haastig de straat over en verdween in de schaduw van het paleis,
zoodat Bernard de richting welke zij nam, niet met het oog volgen,
noch ook uit het geraas der voetstappen met zekerheid gissen konde. De
jongeling was geheel onthutst door deze ontdekking, die, in verband
gebracht met onderscheiden andere waarnemingen en vermoedens, waartoe
Françoise hem aanleiding had gegeven, hem de overtuiging opdrong,
dat die onbekende niemand anders zijn kon dan de overste, die een
nachtelijk bezoek bij de lichtvaardige schoone had afgelegd. Met
arendsblikken hield hij nu hare vensters bewaakt, verwachtende, dat
zij zich misschien nog vertoonen en daardoor zijn vermoeden bevestigen
zoude, maar alles bleef stil; de matte lichtschijn schemerde nog
immer door de enge vensterreten en werd slechts van tijd tot tijd
door eene voorbijzwevende schaduwgedaante verduisterd; verder liet
zich niets zien of hooren. Langer dan een half uur vertoefde hij nog
in zijn donkeren schuilhoek; eindelijk besloot hij naar zijne kamer
terug te keeren. Hij keerde zich om en wilde op de deur toetreden,
toen hij eensklaps roerloos van verbazing bleef staan, want de deur
opende zich en eene witte, in een sluier gehulde gestalte, welke de
door het venster van den gang invallende stralen der maan met een
twijfelachtigen lichtglans overgoten, zweefde de zaal binnen. Eene
koude rilling liep hem over de leden; het was echter, hoe raadselachtig
de verschijning anders wezen mocht, niet eene nachtelijke geestenvrees,
welke hem die huivering aanjoeg, maar veel meer de bezorgdheid van
op eene zoo zeldzame, ja bijna onverklaarbare nachtwandeling betrapt
te worden. Met ingehouden adem en verheugd, de witte, doorschijnende
gordijnen niet meer tot achtergrond te hebben, klemde hij zich aan een
uitstekenden pijler vast. De deur sloot zich achter de geheimzinnige
gedaante, die met nauwelijks hoorbare schreden de zaal in hare gansche
lengte doorkruiste en in het duister dat de groote ruimte vulde, voor
het oog slechts als een voorbij zwevende witte nevelvorm zichtbaar
werd, die zich langzamerhand in nacht en verte verloor. Met hoeveel
inspanning Bernards scherpe blikken de verschijning ook trachtten te
volgen, het was hem niet mogelijk te ontdekken, werwaarts zij haren weg
richtte. Zij verdween aan het uiterste einde der zaal; men hoorde niet
dat eene deur geopend of gesloten werd, en echter keerde niemand terug,
ook liet zich niet het geringste gedruisch vernemen. In den beginne
vermoedde Bernard, dat de gedaante zich nog in het vertrek bevond, en
hij bleef dus, om zich zelf niet te verraden, nog een geruimen tijd
bewegingloos staan; niets bespeurende, naderde hij behoedzaam de deur,
bereikte gelukkig den gang en, schoon alle lampen waren uitgegaan,
eindelijk de deur zijner kamer. Toen hij die van Jaromir voorbijging,
trok het zijne aandacht, dat deze nog niet ter rust was; hij hoorde
hem met driftige schreden het vertrek op- en nederwandelen. Dadelijk
begaf hij zich nu te bed; maar er verliep nog een geruime tijd, eer
de menigvuldige gewaarwordingen en gissingen, welke de avontuurlijke
ontmoeting bij hem had verwekt, hem lieten insluimeren.


HOOFDSTUK V.

Den volgenden morgen was Jaromir het eerst wakker, sprong haastig van
zijne legerstede en wekte de beide vrienden, want thans moesten de
ernstige uren van stipte dienstvervulling een aanvang nemen.

Bernard en Lodewijk waren weldra in volle uniform; men vertrok. In
het paleis was alles nog in diepe rust; ook de straten waren stil
en doodsch. De woning van Alisette voorbijgaande, wierp Bernard
bespiedende blikken naar boven. De jalousieën waren nog gesloten.
Jaromir daarentegen vestigde het oog op de breede spiegelglazen van
het paleis en scheen de witte venstergordijnen met zijn blik te willen
doorboren.

„Wat zoekt uw oog daar boven toch?” vroeg Bernard; „wend het liever
hier naar deze zijde, want in een dezer huizen moet, naar zij mij
gisteren zeide, de schoone Françoise Alisette wonen.”

„En daar woont....” riep Jaromir levendig, maar brak plotseling af,
want een der venstergordijnen begon zich te bewegen, vloog omhoog, het
raam werd geopend, en Lodoiska boog zich naar buiten.

Een donker purper verfde haar gelaat, toen zij de drie jongelieden
ontdekte; maar ook Jaromirs wangen werden door een vurigen gloed
overtogen en hij geraakte in zulk eene verwarring, dat hij bijna
verzuimde te groeten, toen Bernard en Lodewijk zich reeds vriendelijk
voor het meisje gebogen hadden.

„Welzoo, gravin,” sprak Bernard haar aan, „zijt gij niet bevreesd
voor de morgenlucht? Kenners beweren, dat zij voor de schoonheid niet
gunstig is!”

„Ik ben bijna altijd zoo vroeg in den tuin,” zeide Lodoiska eenigszins
verlegen.

„Dan moeten de kenners zich grootelijks bedriegen,” was het snel
gevatte antwoord.

Lodoiska sloeg de schoone oogen neder en glimlachte, zonder iets te
antwoorden.

De vrienden bogen zich nogmaals en ontvingen een vriendelijken
wedergroet; daarop verdween de schoone van het venster, en zij
vervolgden hun weg.

Een blik in Jaromirs oog moest een zoo fijnen kenner van menschelijke
gelaatstrekken als Bernard, zijn gansche hart verraden. Hij beminde en
werd bemind, dat bewees zijne en hare onmiskenbare vreugde, schoon zij
thans ook geen woord met elkander gewisseld hadden. Uit de ligging der
vertrekken maakte Bernard ook dadelijk op, dat het niemand anders dan
Lodoiska kon geweest zijn, die hij dezen nacht in de zaal gezien had.
„Hm!” sprak hij en zag Jaromir vorschend aan, „de jonge gravin schijnt
hier in huis het laatst en het vroegst op te zijn. Ik moet mij zeer
bedriegen, wanneer ik haar gisteren niet als eene geestverschijning
gezien heb.”

„Wat zaagt gij?” viel Jaromir hem haastig in de rede; „wat, bid ik u?”

„Hoe, zijt gij bang voor spoken?” vroeg Bernard een weinig spotachtig.

„O scherts niet,” smeekte Jaromir, half verdrietig, half verlegen; „zeg
mij, wat gij gezien hebt, ik stel er belang in!”

„Ik zag lang na middernacht,” sprak Bernard met geheimzinnigen nadruk,
„de kamerdeur van een jong officier openstaan, en hij zelf, hoe
vermoeid hij van de reis wezen moest, was nog op.”

„Hebt gij geluisterd, Bernard, ik bezweer u,” riep Jaromir.

„Wat een kwaad geweten zich al niet inbeeldt!” luidde het schertsend
antwoord. „Geluisterd? Neen! maar ik zag spoken, witte vrouwen,
geheimzinnig gesluierde gestalten.”

„Gij maakt mij nieuwsgierig,” sprak Lodewijk. „Spoken, verschijningen?
Vertel toch op!”

„Lieve vrienden!” riep Jaromir, zonder Bernards antwoord af te wachten,
en greep beider handen, „ik wil u alles bekennen, daar ik toch reeds
half verraden ben. Maar zweert mij geheimhouding, zoo mijn geluk u lief
is.”

„Van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk en gaf hem de hand.

„Bij den Styx,” zwoer Bernard, „schoon ik alles reeds weet of ten
minste raden kan. Maar biecht op!”

„Lodoiska was de speelgenoot mijner jeugd; zij is mijne naaste
bloedverwante. Wij hebben onuitsprekelijk gelukkige dagen op het
landgoed van haren vader aan den Narew doorgebracht. Moet ik u
bekennen, dat ik als knaap het schoone meisje reeds beminde? Zij was
eerst dertien jaren oud, toen ik zeventien telde, maar bloeide als een
liefelijke rozeknop en was reeds toen zoo goed, zoo verstandig, ach,
duizendmaal beter dan ik! In dien tijd moest ik van haar scheiden, ik
werd soldaat; dat is nu zes jaren geleden. Sedert heb ik door de halve
wereld rondgezworven en in het wilde krijgsgewoel geleefd; maar gelooft
gij wel, lieve vrienden, dat het beeld van het zachte kind mij overal
verzelde en dat, hoe menig schoone Spaansche en bevallige Fransche ik
ontmoette, nog geen vrouwelijk wezen een dieper indruk op mij gemaakt
heeft dan zij? Maar de jaren en het krijgsleven doen veel vergeten!
Wanneer ik aan mijn vaderland dacht, ja dan stond ook Lodoiska voor
mij, doch telkens zeldzamer verscheen mij haar beeld en van lieverlede
verloor zich het gevoel van heimwee, dat mij lang gekneld had, in de
eeuwigdurende wisseling der gebeurtenissen. Wie nergens te huis is,
wordt spoedig overal te huis!—Eerst toen wij de torens van Warschau
voor ons zagen, ontwaakte het oude verlangen opnieuw in mijne borst, en
ook Lodoiska's beeld zweefde mij weder zacht en liefelijk voor de ziel.
Maar ik kon mij haar slechts als het kind van toenmaals voorstellen;
wel herhaalde ik duizendmaal bij mij zelf, dat zij nu tot jonkvrouw
moest zijn opgewassen, mijn hart echter zag haar nog als voorheen.”

„En mij dunkt, uw hart zag juist,” viel Bernard hem in de rede; „want
hare ziel is nog die van een kind en blinkt door hare schoonheid heen
als door een doorzichtig hulsel. Zelden vertoont zich de onschuld van
het hart zoo open achter het helder kristal van het oog als bij haar;
geloof mij, vriendje, ik versta dat, want reeds menigen engel heb ik
geportretteerd, maar helaas ook menigen satan!”

„Gij neemt mij de woorden uit de ziel,” riep Jaromir met levendige
vreugde. „Daarom waren wij dan ook dadelijk weder zoo vertrouwelijk als
op den dag, toen wij elkander vaarwel zeiden. Zoodra ik haar gisteren
avond goeden nacht gewenscht had en op mijne kamer alleen was, werd ik
echter weder geheel mismoedig; verontrustende gedachten kwelden mij,
ik wist niet, wat mij ontbrak. De maan scheen zoo helder, de nacht was
zoo zoel, ik ging aan 't venster; op eens zag ik eene witte gestalte
door de heesters van den tuin zweven. Wanneer zij het was, dacht ik,
en gij haar een oogenblik spreken kondt! Ik vloog naar beneden, zocht
haar in alle hoeken, doch te vergeefs. Eensklaps hoorde ik in de verte
de tonen van een liedje, dat zij 's avonds gezongen had, ik ging op de
zachte klanken af en ontdekte het lieve meisje in een priëel bij de
springbron. Eerst wilde ik luisteren; maar spoedig werd ik gramstorig
op mij zelf, trad eensklaps op haar toe en sprak haar aan.”

„Gij waart zeer stoutmoedig, lieve vriend,” viel Lodewijk hem op den
zachten toon van bezorgde deelneming in de rede: „gij hadt daarmede
veel kunnen bederven!”

„Dat gevoel ik thans ook; maar gisteren moest ik, ik kon niet anders,
waarachtig niet!” antwoordde Jaromir met een tevreden lachje.

„_Habeas absolutionem, sed confiteri pergas_,” sprak Bernard met
deftigheid, „mij dunkt, ik had evenzoo gedaan.—Maar de gravin, wat
deed zij?”

„Zij was verschrikt, werd toornig, smeekte....”

„Ik ken dat,” merkte Bernard op; „is men nog niet dol en razend van
liefde, dan wordt men het daardoor. Verder!”

„Maar zij reikte mij de hand en zag mij aan met dien engelreinen blik,
en....” Hier liep het volle hart van den jongeling over, de reinste
zaligheid straalde uit zijne oogen, verder spreken kon hij niet, hij
viel Bernard, viel Lodewijk om den hals en drukte hen onstuimig aan
zijne borst. „Lodewijk,” riep hij uit, „zij wil de mijne zijn; zacht
weerstrevende gaf zij mij het zoete jawoord, maar ontvluchtte mij ook
dadelijk met angstvallige gejaagdheid. Op dit oogenblik wellicht stort
zij haar onbedorven hart voor hare moeder uit: o vrienden, hoe kan men
nog gelukkiger zijn?”

Jaromir, die zich geheel aan de onstuimigheid der jeugd en der liefde
overgaf, bemerkte niet hoe ernstig en diepgetroffen Lodewijk voor hem
stond, hoe zelfs op Bernards voorhoofd sombere rimpels samentrokken.
De eerste dacht aan zijne liefde, die als een vluchtig droombeeld uit
de werkelijkheid was verdwenen; hij plaatste de schaduwgestalte van
zijn eigen verleden naast het beeld der toekomst, dat den jongeling
aan zijne zijde met blijde hoop en levenslust bezielde. De smart,
die Bernard gevoelde, was wellicht nog bitterder, daar de liefde
duisterder en dieper in zijne borst verscholen lag. Voor Lodewijk was
zij eene aan den gezichteinder nedergedaalde zon, wier avondrood den
ganschen nacht door naschemert, tot de heldere morgen aanbreekt en het
koesterend gesternte herrijzen doet; voor Bernard slechts eene schoone,
ongenaakbare ster, die een mat schijnsel in de diepste groeve der borst
nederwerpt, zonder ze te verlichten. Wanneer Jaromir hem langer gekend,
hem over het geheel beter in zijne diepste diepte doorgrond had, zoude
hij uit zijn antwoord den waren toestand van zijn binnenste hebben
kunnen opmaken.

„Geluk er mee!” sprak hij en schudde hem de hand; „gij kunt zalig
zijn, ten minste gelukkig, of vergenoegd, of redelijk goed geluimd.
Zachte armen zijn zachte ketens, maar het blijven toch ketenen. Eene
kooi blijft eene kooi, al is zij zoo eng als de vogelknip, waarin men
Jan van Leiden aan den dom te Munster te pronk hing, of zoo donker als
het zwarte hol in Indië, of beide te gelijk, zooals het kot, waarin
wij allen rondkruipen. Ik meen de aarde, namelijk die, waarop wij
schijnlevend omwandelen, niet dat onmetelijke groote graf—kortom,
zooals ik zeide, ketenen zijn ketenen en men mag zich gelukkig achten,
als men nog een paar ongekortwiekte vlerken heeft, om in 't rond
te fladderen. Maar wat wilde ik zeggen? Ja, nu begrijp ik ook de
geestverschijning, die ik ontmoette, toen ik zelf rondwaarde en in de
ridderzaal uit spoken ging.”

Jaromir zag hem verwonderd aan. Bernard verhaalde nu zijne ontmoeting
in de zaal, waarbij hij echter zorg droeg zich zelf slechts als een
zonderling te doen voorkomen, die gaarne bij nacht en ontijden in
vreemde gebouwen rondsloop; de oorzaak, die hem gedreven had, alsook
den argwaan, hem door Alisette ingeboezemd, verzweeg hij zorgvuldig.

Onder deze gesprekken hadden zij het doel hunner wandeling bereikt,
de wapenplaats namelijk, waar Bernard en Lodewijk hun werkelijken
dienst beginnen en zich in de eerste gronden oefenen zouden. Men
vond reeds ruiters en onderofficieren van twee onvolledige eskadrons
poolsche lanciers, die het nieuw op te richten regiment ten grondslag
moesten dienen, verzameld. Jaromirs eerste werk moest zijn, uit deze
verwarde bouwstoffen een geheel te vormen. Inmiddels vertrouwde
hij zijne vrienden aan een ouden duchtigen groenrok, die hen in de
behandeling van paard en wapen onderrichten moest. Johan Petrowski,
een onderofficier, die nog onder Kosciuszko gevochten had, werd hun
leermeester. Deze aanvaardde de hem opgelegde taak met een zekeren
eerbied, die hem niet zoozeer de voorname stand zijner rekruten,
als wel het ernstig doeleinde der zaak zelve inboezemde. Het gold
de vorming van twee krijgslieden, die voor het vaderland zouden
strijden, voor het heilige, dierbare vaderland, waarvoor hij zelf
in zijn krachtigen, mannelijken leeftijd, toen zijn oude veldheer
Kosciuszko Polens zonen te wapen riep, zoo gewillig bloed en leven
in de waagschaal had gelegd. Thans naderde hij met rassche schreden
den ouderdom; want als het weder lente werd, kon hij zich onder
de zestigers tellen; maar den grijzen schedel, die reeds door zoo
menigen sabelhouw geteekend was, bood hij nog met vreugde aan het
lieve vaderland ten offer, en in het oude hart gloeide nog, als wijn
die door de jaren slechts veredeld wordt, de oude, heilige vlam van
vaderlandsliefde en heldenmoed. Onder het half kale, half met grijze
lokken omkranste voorhoofd flonkerden twee vurige, met borstelige
wenkbrauwen overschaduwde oogen; de arendsneus kromde zich statig over
de ernstige lippen, die door den grijzen knevel, waarop Johan Petrowski
een weinig trotsch was, ternauwernood zichtbaar waren. Zijn commando:
rechts zwenkt! links zwenkt! marsch! en halt! sprak hij met denzelfden
ernst, als de priester bij de mis het _Dominus vobiscum_! Zijne
leerlingen gehoorzaamden hem met evenveel ijver als liefde; daardoor
maakten zij snelle vorderingen, en meester en kweekelingen waren met
elkander tevreden. Zoo spoedde de dag in dienstverrichtingen voorbij,
en eerst tegen den avond was het den vrienden vergund in den kring
hunner beminnenswaardige huisgenooten verademing en ontspanning te
zoeken.

Uit Lodoiska's oogen straalde het zuiverste geluk; de gravin heette
Jaromir zoo vriendelijk welkom, dat deze over hare gezindheid geen den
minsten twijfel meer behoefde te voeden. Bernard en Lodewijk beseften,
dat eenige oogenblikken van ongestoord onderhoud voor Jaromir de
hoogste waarde moesten hebben; zij verschaften hem die, door zich naar
hunne kamers te begeven, nog eer hij hen daarom verzocht had. Tegen
etenstijd kwam de gelukkige jongeling hen zelf roepen en vertelde in
de volle vreugde van zijn hart: „Ook de gravin is mij gunstig en de
moederlijke goedheid zelve; maar gestreng is zij ook, want zij heeft
mij bevolen tot Rasinski's komst mijn hart te bedwingen, daar zij aan
hem de beslissing wil overlaten. Dus nu geen woord, geen blik, lieve
vrienden, waardoor onze liefde verraden kon worden. Ik heb Lodoiska
beloofd, mij bedaard te houden, en wil mijn woord mannelijk gestand
doen.”

„Braaf, fiks!” sprak Bernard ruw en barsch, naar hij gewoon was; „en
wij willen uw voorbeeld volgen. Blijft gij standvastig, dan wil ik u
ter belooning het beeld uwer bruid schilderen, of ten minste teekenen,
als wij niet meer tijd hebben.”

Zoo traden zij de gezelschapszaal binnen; geen woord verried het geluk,
maar het verwijlde toch in den stillen vredigen kring en lachte uit
aller blikken.


HOOFDSTUK VI.

Zoo snelden eenige dagen vrij gelijkvormig voorbij. Alisette en
Regnard, zelden anderen, waren de gasten, die den kring der familie,
van welke Bernard en Lodewijk zich thans als leden begonnen te
beschouwen, vergrootten. Regnard bracht steeds berichten aangaande
de krijgsgebeurtenissen, het oprukken van troepen en soortgelijk
nieuws mede en hield de kleine, vertrouwelijke vereeniging daardoor
eenigermate met de buitenwereld in betrekking. Zijn scherpziend oog had
Jaromirs neiging voor Lodoiska en de beantwoording van deze spoedig
ontdekt, niettegenstaande het jonge paar ze zorgvuldig trachtte te
verbergen; vandaar verdween de lichte vlaag van jaloerschheid, welke
Alisette bij hem had doen oprijzen, weder geheel en al, en niets
stoorde verder het vroolijk verkeer. De zangeres was sedert twee dagen
weggebleven, daar de opera, die men den volgenden avond zoude geven,
haar geheel bezig hield; de overste, die eene halve proefvoorstelling
had bijgewoond, prees die zeer, maar had den titel vergeten. „Ik was
recht verdrietig,” zeide hij, „dat ik niet tot het einde toe kon
blijven, maar ik werd door een lastig voorval gestoord. Mijn adjudant
meldde mij, dat men met zekerheid ontdekt heeft, dat een russisch
generaal, die met geheime, staatkundige opdrachten in Frankrijk
geweest en van daar ontvlucht is, zich in de stad verborgen houdt en
het voornemen heeft, dezen nacht zijne vlucht voort te zetten. Daar
mijn regiment juist de poortwachten heeft, moest ik weg om voor de
verdubbeling der posten te zorgen.”

„En wie moet de vluchteling zijn?” vroeg de gravin.

„Dat weten wij niet,” hervatte Regnard. „Eenigen beweren de generaal
Cz...., die inderdaad te Parijs in eene menigte verbintenissen
gewikkeld is geweest, op last van Napoleon in hechtenis moest genomen
worden, maar tijdig gewaarschuwd, Straatsburg achter den rug had, eer
de telegraaf het bevel kon overbrengen. Het is bijna onmogelijk, dat
hij zich zoo lang op vijandelijk grondgebied heeft schuil gehouden.
Anderen willen weten, dat het de graaf Winzingerode is, een Duitscher
in russischen dienst; dit luidt waarschijnlijker. Maar men noemt
nog andere mannen, en bij slot van rekening weet niemand iets met
zekerheid.”

De overste sprak nog, toen een ordonnans binnentrad en aan Jaromir
een verzegelden brief overhandigde. „Waarachtig, in dezelfde zaak,”
riep deze na gelezen te hebben; „ik krijg bevel, de wijk, waarin onze
stallen liggen, en vooral de uitgangen naar den Weichsel met mijne
lieden te bezetten.”

„Ja, ja, de zaak schijnt ernstig te worden behandeld,” merkte de
overste aan. „Ik werd van het gezang der schoone Françoise verstoken,
gij zult u de opoffering van uw maaltijd moeten getroosten! Dat zijn
soldatenkansen!”

„Zij zijn te verdragen,” antwoordde Jaromir glimlachend; „slechts is
het verdrietig, dat ik ook onze vrienden van hun avond en misschien
wel van den nacht moet berooven; het ontbreekt mij nog aan welberaden
mannen en ik moet toch, daar de dienst des daags zoo vermoeiend is, op
ten minste drie aflossingen rekenen. Ik kan u dus niet verschoonen,
lieve vrienden; gij zult heden uwe eerste wacht moeten betrekken!”

„Op staanden voet gekommandeerd!” riep Bernard vroolijk, „in 's hemels
naam. Als het wild bij mij opspringt, zal ik het niet laten ontsnappen.”

Er was geen tijd te verliezen; men nam afscheid van de dames en den
overste, gespte de sabels om en ging. Jaromir liet zijne trompetters
verzameling blazen, bepaalde de uit te zetten posten, deelde zijne
manschappen af en beval den afmarsch.

Bernard werd aan het verst verwijderd einde der gansche wijk geplaatst.
De weg derwaarts liep door eene stille straat tusschen twee steile
muren, waarvan de eene den tuin van een klooster begrensde. Een
dwarssteegje doorsneed ze en voerde afwaarts naar den Weichsel.
Tweehonderd schreden van dit punt stond de naaste schildwacht; verder
op geene meer, wijl zich daar geene uitgangen naar den stroom bevonden.
Jaromir zelf had de posten opgebracht.

„Gij staat hier tamelijk afgezonderd,” zeide hij, toen Bernard de
sabel getrokken en zich in de houding gesteld had; „ik zou de post
verdubbelen, wanneer ik meer volk had. Juist daarom gaf ik u deze
plaats, wijl hier omzichtigheid noodig zal zijn; ook is het goed dat
gij fransch spreekt, want onze Polen kunnen zich bezwaarlijk aan de
vele fransche soldaten doen verstaan. Binnen twee uren zal Lodewijk u
hier aflossen.”

„Mijnentwege laat mij den ganschen nacht hier,” hervatte Bernard; „het
is zwoel en warm, vermoedelijk krijgen wij een verkwikkenden regen. En
wat de eenzaamheid betreft, wees daarover niet bezorgd; ik weet mij den
tijd te verdrijven en heb niemand noodig om mij wakker te houden.”

„Wanneer u iets bijzonders mocht ontmoeten, schiet dan uw pistool af en
gij zult dadelijk hulp van den naasten post bekomen.”

„Wees onbezorgd; de schildwacht heeft geen tweeden voor zich zelf
noodig; ik zal mij weten te redden.”

Jaromir ging, Bernard bleef alleen. De hemel werd dicht bewolkt;
middernacht was nabij; een fijne warme stofregen vermeerderde de
duisternis.

De gevelspitsen en torentjes van het oude klooster, welks omtrekken
Bernard tot hiertoe als zwarte schaduwbeelden op den nachtelijken hemel
had afgeteekend gezien, verloren zich thans in onmiskenbare vormen.
Slechts een mat lamplicht schemerde uit eenige kleine vensters. Het was
doodstil. Slechts nu en dan hoorde men in de verte een nachtegaal slaan
en het zachte ruischen van den voorbijvlietenden stroom.

„Het is goed, dat ik een paar scherpe oogen heb,” mompelde Bernard,
„want hier dient men ze waarachtig open te zetten, wil men iemand zien,
die voorbijsluipt. Ik zal verstandig doen met mijne sabel van tijd tot
tijd als een voelhoren vooruit te steken en, als bij 't blindeman, met
uitgestrekte armen rond te tasten. Ha, nu wordt het helderder; zij
hangen eene lantaarn uit daar boven in 't klooster; die komt mij goed
te pas.”

Inderdaad werd in een der bovenste vensters eene lamp zichtbaar,
waarmede iemand naar buiten scheen te lichten; het schijnsel bewoog
zich eenige malen heen en weder, vervolgens verdween het.

„Nu is 't eerst recht duister geworden; dat verwenschte licht heeft mij
geheel verblind. Wilde hier iemand ontsnappen, hij zou verstandig doen,
eene londensche straatlantaarn onder den arm te nemen, de schildwacht
daarmee eerst eens fiksch onder de oogen te lichten, ze hem vervolgens
naar den kop te gooien en dan naar de maan te loopen! Maar halt! wat
was dat?—Heeft het gebliksemd? Al weer!”

Een zeer mat, flikkerend schijnsel, als van een verwijderden bliksem
verlichtte van de stroomzijde het dichte duister. De enge straat
belemmerde het uitzicht daarop, doch eensklaps zag Bernard kleine
vonken vliegen en ontdekte dat iemand op de rivier, naar het scheen na
aan den oever, vuur sloeg.

Zijn vlugge geest bracht deze verschijning dadelijk met het licht in
het klooster in verband. Zou men elkander hier seinen? dacht hij.
Holla, vriend! de oogen in 't zeil! Het zou niet onaardig wezen, als
het wild u eens in 't net liep.—Hm! dacht hij verder, ik wil 't niet
hopen; mijn plicht vordert, dat ik den vluchteling aanhoud, en wellicht
lever ik den Franschman dan een even onschuldig offer in handen, als
Lodewijk of ik bijna geweest waren. Ik wou, dat hij een anderen uitweg
nam uit zijn schuilhoek!

Eensklaps stond hij stil en luisterde. Hij hoorde zachte schreden;
neen, het was geen bedrog. Het hoofd voorover gebogen, den adem
inhoudende, gaf hij geen geluid. Ras, maar behoedzaam kwam het nader;
eenige fluisterende en mompelende tonen lieten zich vernemen. Men
naderde, Bernard hield den blanken sabel vaardig en riep in het
poolsch: „Werda!”

Een oogenblik bleef het stil; vervolgens trad eene mannelijke gestalte
met vaste schreden vooruit, eenige woorden mompelende, die Bernard niet
verstond. Zij klonken bijna als een vrome groet.

„Ik spreek geen poolsch!” zeide hij in die taal, en gaf door eene
beweging met zijn sabel te kennen, dat hij niemand mocht doorlaten.

„Dus fransch?” vroeg eene welluidende vrouwelijke stem.

„Desnoods; doch liever duitsch,” hernam Bernard in het fransch.

„Een duitsch soldaat,” riep dezelfde stem, als onwillekeurig, op den
toon van blijde verrassing.

„Ja, een Duitscher,” hervatte Bernard; „en daar gij deze taal verstaat,
zeg ik u hiermede, dat ik niemand mag doorlaten, die niet van een
bewijs is voorzien, dat hij zich aan de hoofdwacht gemeld heeft en daar
onverdacht is bevonden.”

„O mijn God!” hernam het vrouwelijke wezen met eene gesmoorde bevende
stem: „wij hebben haast; deze vrome man moet eenen stervende, die aan
de overzijde met den dood worstelt, den laatsten troost brengen; daarom
hebben wij hem hier uit het klooster gehaald. Gij zult het heilige werk
toch niet verhinderen?”

Eerst thans zag Bernard, dat de vreemde in monniksdracht gehuld scheen;
achter hem stond nog eene vrouwelijke gedaante. Duidelijk liet zich in
de diepe duisternis niets onderkennen.

„Ik mag van mijne bevelen niet afwijken; is alles waarheid wat gij
zegt, ga dan tusschen de muren voort; na twee honderd passen stoot gij
op den eersten post en vraagt dezen naar den officier. Hij is in het
wachthuis, en zal u zeker door eenige mannen, die zich van de waarheid
overtuigen kunnen, laten geleiden, zoodat gij uw vroom werk ongestoord
verrichten kunt.”

„Twee honderd schreden van hier staat de naaste post?” vroeg de monnik
thans met eene stem, die niet meer de vrome zalving van zoo even had.

„Tweehonderd.”

„Dat is tamelijk ver.”

„Ik kan 't niet veranderen.”

De vreemde scheen besluiteloos; er heerschte een gespannen stilzwijgen.
Eensklaps vertoonde zich weder het helder lichtgeflonker in de richting
van den stroom, maar ditmaal zeer in de nabijheid, en tevens kon men
het slaan der roeiriemen duidelijk onderscheiden. Bernard werd onthutst
en wendde het hoofd naar de rivier: een voorgevoel zeide hem, dat
deze verschijning met die vóór hem in het nauwste verband stond. Maar
niet zoodra was deze gedachte in zijne ziel opgerezen, of plotseling
voelde hij zich door eene sterke vuist in den nek gegrepen en zag eene
dolkspits tegen zijne borst flikkeren. De stoot trof, gleed echter
op den breeden riem der sabelkoppel af en schramde slechts de huid.
Door een koenen sprong rukte hij zich los, greep de vuist, waarin de
aanvaller den dolk hield, met zijne linkerhand krachtig in het gewricht
aan en deed met de rechter een forschen sabelhouw naar het hoofd van
zijn onbekenden vijand. Deze week terug, ontdook den slag, maar gleed
uit en viel op den grond; thans trok Bernard zijn pistool uit den
gordel, zette haar den liggende op de borst en riep: „Gij zijt des
doods, als gij u beweegt.”

Doch op hetzelfde oogenblik wierp de vrouwelijke gestalte zich aan
zijne voeten, hief de armen biddende tot hem omhoog en riep met de
uitdrukking van den doodelijksten angst:

„Erbarmen! Erbarmen! dood hem niet!”

Bernard was verbaasd; de stem drong tot het binnenste zijner ziel door.
Hij was voornemens geweest, luide om hulp te roepen, doch de aanblik
der smeekende, die zijne knie hield vastgekneld, bewees hem, dat hij
hier geen gevaar meer te duchten had.

„Ik wil geen wraak nemen,” sprak hij vast en beraden, „maar mijn plicht
vordert gestrengheid. Ik moet nu achterdocht voeden; gij zijt mijn
gevangene.”

„Schiet mij slechts door de borst, jonkman,” sprak de nog ter aarde
liggende somber; „uw gevangene te zijn, is mij onverdragelijker dan de
dood.”

„O, mijn vader!” snikte het jonge meisje en greep zijne hand. „Neen,
neen, niet sterven. Hij zal medelijden hebben! Ik wil voor u bidden!”
Zij sprong op en wendde zich tot Bernard. „O, uwe spraak verraadt,
dat gij tot de beschaafden behoort! Uw hart zal den angst der dochter
beseffen. Wij zijn verloren, als gij ons niet laat ontvluchten. Wees
grootmoedig, houdt ons niet terug. Ik zou u goud bieden, maar ik durf
den man niet beleedigen, van wien ik eene edele daad vorder!”

Bernard was met zich zelf in tweestrijd. „Ik vermag niet—houd op! Elk
uwer woorden verzwaart de hardheid van mijn plicht. Ik vermoed nu, wie
ik voor mij heb!”

De onbekende had zich intusschen weder opgericht. „Gij zijt een
Duitscher,” sprak hij; „wat u hier ook brengen mag, uwe eerste
plichten behooren het vaderland. Ik betuig u, gij schendt ze niet door
mij de vlucht te vergunnen.”

„Neen, bij den hemel hierboven, dat doet gij niet,” riep het jonge
meisje en hief de hand als tot eene bezwering omhoog; „het is geen
misdaad, waartoe u mijn smeeken verleiden zal. Nooit, nooit zal uw hart
u eenig verwijt behoeven te doen.”

In de verte liet zich het kletteren van wapens vernemen; men scheen te
komen. Bernard wendde zich verschrikt om.

„O hemel!” riep de biddende, „als gij nog eene minuut toeft, is het te
laat! Hoor het smeeken der radelooze!”

Bernard werd door de hevigste twijfeling geslingerd. Zou hij den
eersten plicht der eer, dien zijn stand hem oplegde, schenden? Zou hij
wellicht den vriend, die hem hielp redden, in het verderf storten? En
toch, zijn eigen noodlot, maar bovenal de hem onbeschrijfelijk diep in
het hart dringende stem der smeekende overwon hem. „Vlucht dan,” sprak
hij haastig en liet zijne gewapende hand zinken, „maar ik mag, ik wil
niet zien waarheen! Weg! weg!”

„Dank, dank!” fluisterde de schoone gestalte hem met eene in tranen
en vreugde smorende stem toe, greep zijne hand en wilde ze aan haar
vochtig gelaat brengen. Bernard verhinderde dit: „Haast u,” zuchtte
hij, „om Gods wil, men komt nader!”

Toen hij den warmen handdruk der dankbaarheid ontving, bestormde een
smartelijk, zalig gevoel zijne borst. Vinden en verliezen in hetzelfde
oogenblik! Zou deze wonderbare, groote minuut, die twee zielen in ééne
heilige gewaarwording deed samensmelten, spoorloos verdwijnen, als
een regendrop die in den oceaan valt? Neen, dat mocht zij niet! Een
aandenken, een herkenningsteeken voor toekomstige dagen wilde Bernard
ten minste behouden. Daarom trok hij haastig den lichten handschoen
van de hand van het belangrijke wezen, om dezen te behouden. Doch
terwijl zijne vingers over hare zachte, bevende hand heengleden, voelde
hij eensklaps een ring aan de hare. De gedachte, dat deze een teeken
kon zijn, waardoor zij zich aan een ander voor eeuwig verbonden had,
drong hem ijskoud door de ziel. Alsof hij haar aan de macht van dezen
zou ontrukken, wanneer hij het onderpand der trouw roofde, greep hij
driftig naar den ring en vorderde dien haar af. „Ik weet niet, wie ik
hier ontmoette, ik mag het niet weten,” riep hij omstuimig, terwijl hij
de sidderende, die zich juist wilde losrukken, om den reeds naar den
oever ijlenden vader in te halen, half vasthield, half geleidde; „laat
mij daarom dit aandenken, waardoor we elkander in gelukkiger dagen
kunnen wedervinden.”

Terwijl hij sprak, trachtte hij haar het kleinood reeds van den vinger
te schuiven. Zij bood een oogenblik tegenstand. „Juist dezen ring,
ach juist dezen!” zuchtte zij; doch Bernard, vreezende, dat zij zou
uitspreken, wat hem in duister voorgevoel beangstigde, viel haar heftig
in de rede:

„Juist dezen wil ik; voleind niet; juist dezen of niets!” Maar hij
had den roof reeds bemachtigd en haar tevens zijn eigen ring met
onstuimigheid aan den vinger gedrukt. „De uwe kan u niet dierbaarder
zijn dan mij de mijne,” ging hij voort, „ik geef u veel, misschien
alles, wat ik te hopen heb. Maar mijn geloof staat vast, dat ik hem
eens zal inlossen.”

Zijne drift had elke weigering vruchteloos doen zijn, ook wanneer de
plicht der dankbaarheid het der onbekende niet onmogelijk gemaakt had,
haren redder thans zijne eenige bede, al eischte deze wat haar het
dierbaarst was, af te slaan.

„Zoo neem hem dan,” fluisterde zij onder het voortsnellen, „maar ik
moet hem terug hebben, wanneer de krijg niet meer elken zachteren band
tusschen de menschen vaneen scheurt.—Leef dan gelukkig en zij de
Algoede steeds met mijn redder!”

Bij deze laatste woorden begaf haar de stem; zij wilde hare hand
zachtkens uit de zijne losmaken, doch hij hield haar vast en drukte er
een gloeienden kus op. Eindelijk reet hij zich met een bloedend hart
los en ijlde terug.

Nauwelijks had hij zijne standplaats bereikt, of hij hoorde, dat
de boot van den oever stiet en met vlugge riemslagen de golven
doorkliefde. Hij haalde ruimer adem. „Thans zijn zij gered; het was
hoog tijd!” En waarlijk, de aflossing naderde; nog kon hij het ruischen
der roeispanen in de verte vernemen, toen ze voor hem stond.

„Niets nieuws op uw post?” vroeg de onderofficier; het was Petrowski.

„Niets,” sprak Bernard met bedaardheid.

„Afgelost!”

Lodewijk nam thans de plaats van zijn vriend in; voor Bernard was de
dienst van dezen nacht afgeloopen. Haastig snelde deze naar huis; onder
het voortspoeden vatte hij het besluit op, om het gansche voorval
in zijn hart te begraven en noch aan Lodewijk, noch aan Jaromir het
geringste mede te deelen, ten einde hen, bij mogelijke ontdekking,
niet misschien ook met de verantwoordelijkheid belast te zien. Hij
bereikte zijne kamer; in allerijl ontstak hij eene waskaars, om den
ring nauwkeuriger te bezien. „Duivel!” riep hij uit, toen hij dien
tegen het licht hield. „Is dat een goochelspel van den satan, of ben ik
krankzinnig geworden?” Hij had zijn eigen ring in de hand. „O dwaas,
die ik ben!” riep hij uit en drukte zich de vuist gramstorig tegen het
voorhoofd; „die plompe, botte vingers hebben de ringen verwisseld. De
hersens kon ik mij inslaan en met Frans Moor uitroepen: „Dat was dom,
dom!””

Driftig stapte hij op en neder. „Ha! ha! ha!—Nu moet ik waarachtig
de geschiedenis voor geheel de wereld uitkraaien; ha, zij is te
potsierlijk fraai, om verborgen te blijven, als zij niet tevens zoo
venijnig boosaardig was! En als zij nu de dwaling bemerkt! In welk
hemelsch daglicht van onnoozele belachelijkheid moet de slimme redder
voor haar staan. Bernard! Bernard! dat was een meesterstuk. Als die sul
van een tooverleerling, staat gij thans voor de gesloten poort en hebt
het woord vergeten, waarop zij openspringt.”

Hij werd week; tranen drongen in zijn oog. Hij wierp zich op een stoel
en leunde met het hoofd op de hand.

„Ja, ja, dat gaat zoo,” mompelde hij voor zich zelf, „'t is mij
geen nieuws meer; ik heb het immers meermalen ervaren. Het is de
Nemesis van 't lot, dat mij, omdat ik het in mijne grimmigheid
altijd een grijnslachend masker vertoon, in plaats van een krijtend
melkmuilsgezicht, gewoonlijk met gelijke munt betaalt. Hoe vaak, als
ik een vriend of eene geliefde aan 't hart dacht te drukken, schoof
het mij eene smalle stroopop in de armen! Het doet toch zeer!—Een
aandenken aan die schoone minuut had ik toch gaarne gehad.—Het is mij
niet om 't weervinden te doen; want duizend tegen een, dat ik haar
ooit weer te zien krijg. Wat de nacht met zijn geheimzinnig donker mij
tooverachtig schoon deed voorkomen, is wellicht alledaagsch, als de zon
er hare gemeene stralen op neer werpt!—En wil ik haar vinden, dan vind
ik haar toch zonder den ring of andere nesterijen—maar—een aandenken
had ik toch gaarne van haar gehad!”

Half treurende, half verdrietig wierp hij zich op zijn leger, om er
den slaap niet te vinden.


HOOFDSTUK VII.

De opera, waarvan Regnard gesproken had, zoude dien avond worden
opgevoerd. Noch uit de benaming van het stuk, noch uit de personen, op
het aanplakbiljet genoemd, kon Lodewijk opmaken van wien het was, en
van den componist had men in het geheel geen melding gemaakt. Hij was
dus zeer begeerig de muziek te hooren, te meer, daar Françoise aan de
gravin verhaald had, dat ze verrukkend schoon was. Te zeven uur reed
men naar den schouwburg; de gravin Lodoiska, Regnard en onze drie jonge
vrienden waren te zamen in ééne loge. Met welgevallen liet Bernard
zijne blikken langs de reeks van schoone vrouwen en meisjes zweven, die
den eersten rang der loges versierde. „Waarlijk,” riep hij en stiet
Lodewijk aan, „nog nooit zag ik eene zaal met zulk een heerlijken
bloemkrans getooid als deze hier. In Drurylane, in _Kings theatre_, in
Vauxhall vond ik de loges vrij lief bezet; de engelsche vrouwen zijn
onweerstaanbaar door haar fijne leest, door haar smaakvolle kleeding,
door de zachte maagdelijke uitdrukking van haar groot blauw oog; maar
bij Sint Lukas, den patroon aller schilders, ik betuig u, 't zijn alle
slechte onechte boheemsche steenen tegen de diamanten van het zuiverste
water, die men hier ziet glanzen.”—„Lodoiska is toch nog verreweg de
schoonste,” fluisterde Lodewijk, „ofschoon ik moet toestemmen, nog
nooit een zoo rijken kring van schoone, vrouwelijke gestalten te hebben
gezien.”

„De schoonste is zij niet, daarin moogt ge een oud kenner als ik ben
vrij gelooven,” merkte Bernard op, „maar zij is de bekoorlijkste,
de aanvalligste, de liefelijkste. Als alle schoone borstbeelden in
de loges hier tegenover in marmer veranderen, zouden velen van deze
ongetwijfeld edeler vormen vertoonen, ja, ik twijfel bijna, of zelfs
de gravin haar misschien niet verdonkeren zou. Iets anders zou het
zijn, wanneer wij al deze beelden op het doek voor ons hadden, en
het tooverachtige spel der kleuren een schitterenden glans over den
helderen hemel van het aangezicht wierp. Dan, geef ik u toe, zou
Lodoiska de lenteroos, de slanke zachte lelie, het bescheiden viooltje,
kortom, al wat bekoorlijk is tevens en de liefelijkste bloesem op dit
gansche volle bloembed zijn.”

De invallende ouverture brak het gesprek af; Lodewijk werd aan
den eersten toon gewaar, dat het geen andere opera dan _die
Schweizerfamilie_ was, die men hooren zoude. Hij glimlachte wel een
weinig over de sterke geestdrift, waarmede de overste van het werk
gesproken had, maar begreep toch, dat Alisette als Emmeline, die op
het biljet den herdersnaam Dorina bekomen had, eene zeer bevallige
verschijning moest zijn. En dat was inderdaad zoo. De eerste inleidende
tooneelen, trouwens ook niet dan zeer middelmatig voorgesteld, liepen
af zonder bijzonderen indruk te verwekken. Maar reeds het eerste
optreden van Alisette maakte de belangstelling in de hoogste mate
gaande. Zij had het karakter zeer eigenaardig opgevat en uit de
beperkte vormen en verven van den zwitserschen volksaard in een half
denkbeeldig gebied overgedragen, zonder daarom zijne kenschetsende
eigendommelijkheid geheel uit het oog te verliezen. In hare
kleeding had zij wel is waar eenige aanduidingen van de zwitsersche
volksdracht behouden, maar toch hier en daar eene smaakvolle wijziging
aangebracht. Het haar droeg zij in vrije lokken, slechts met eenige
linten saamgebonden, waarvan een van eene donkere kleur, het heldere,
blanke voorhoofd begrensde; hals, boezem en nek waren niet zoo
zorgvuldig bedekt als in de werkelijke landdracht, schoon zij het
sierlijke, zwarte keurslijfje behouden had. Het kleed daarentegen
hing, welvoegelijker dan gewoonlijk, tot ver over de enkels neer; ook
was het niet zoo bolvormig, eirond opgevuld, maar deed de gestalte
zeer voordeelig uitkomen. Met groote behendigheid wist zij den kleinen
voet, die, met sneeuwwitte kousen bekleed en in een eng schoeisel
besloten, de sierlijkheid zelve was, te doen opmerken, waardoor haar
gang, haar stand en hare bewegingen iets zeer bevalligs erlangden. Zij
geleek half een zwitsersch landmeisje, half eene herderin, zooals de
idylle ze ons vertoont, en had op deze wijze de vorderingen van het
eigenaardige volkskarakter zeer gelukkig met die der volmakende kunst
in overeenstemming gebracht. Toen de eerste klanken harer liefelijke
stem in zijn oor drongen, kon Lodewijk zich niet genoeg verwonderen,
dat dit schijnbaar zoo teeder orgaan in staat was, de gansche ruimte
der inderdaad niet kleine zaal in zulk eene mate met welluidende tonen
te vervullen. Van het zachtste aanademen der tonen tot het zoete,
zielvolle aanzwellen, was de klank in zijne zilveren helderheid overal
te vernemen; men ontwaarde nergens eenige leemte, maar van de zachtste
tot de hevigste uitdrukking van den hartstocht vond de betooverende
kunstenares immer de juiste maat. Daar zij bovendien het gansche
lichaam in al zijne bewegingen, tot zelfs het fijnste spel der gebaren
en blikken, met de ziel harer tonen vervulde, moest het bekoorlijke
beeld, dat zij voorstelde, wel aller harten onweerstaanbaar boeien.
Reeds bij het eerste bedrijf versmolt Lodoiska in tranen. Bij de
woorden: „Wie hoorde me immer klachten uiten!” waarin Alisette als ware
het den doodsangst der overstelpende vreugde uitdrukte, terwijl haar
oog toch een zoo onbeschrijfelijk smartelijken blik ten hemel sloeg,
dat men gevoelde, hoe haar hart dreigde te breken onder den last van
het overmatig geluk—bij deze woorden bracht het geschokte meisje de
hand onwillekeurig aan het hart, als wilde zij het daardoor tot bedaren
brengen. Terwijl twee groote tranen in hare oogen opwelden slaakte hare
borst een zachten, half gesmoorden zucht; zij was zoozeer door innig
mededoogen getroffen, dat zij de smart, welke Alisette zoo bedriegelijk
voorstelde, bijna zelf gevoelde. Of was het eene voorzeggende stem, die
zich half verstaanbaar in hare borst liet vernemen? Was het een duister
voorgevoel, levendig geworden door de nabijheid van haar, die een
verderfelijken invloed op het gesternte van haar leven dreigde uit te
oefenen? Zag zij reeds den zwarten kop der adder, die zich nu nog onder
geurige rozen schuil hield?

Jaromir, wiens frisch, levendig gemoed door elken indruk ras geboeid
werd, was geheel oog en oor. Als eene betooverende Armida wist
Alisette zijn hart te leiden; Bernard meende inderdaad te bespeuren,
dat zij spel en blikken, gelijk reeds op den eersten avond, dikwijls
uitsluitend tot den schoonen jongeling richtte. Doch ook hij zelf,
wiens vrije blik anders zoo zelden beperkt werd, was thans door de
kunst van het meisje te zeer betooverd, om zijne waarnemingen met de
vereischte koele bedaardheid te kunnen voortzetten. En dit scheen bij
alle verzamelde toeschouwers en hoorders het geval; door den wenk van
haar oog beheerschte Alisette elke borst; onweerstaanbaar sleepte zij
het hart uit den diepsten afgrond der smarten tot het toppunt der
vreugde met zich voort en deed het even snel weder dalen als rijzen.

Na het eindigen van het bedrijf verliet Regnard de loge; Bernard, die
hem met argusoogen bewaakte, zag dat hij naar het tooneel ging. Hij
werd meer en meer overtuigd, dat tusschen Alisette en den overste eene
zeer nauwe betrekking moest bestaan, doch even stellig hield hij zich
ook verzekerd, dat het hart van het meisje daarin weinig deel had.

Jaromir wendde zich tot Lodoiska en vroeg: „Is dat niet
onbeschrijfelijk schoon?”

„Maar ook onbeschrijfelijk beangstigend,” antwoordde deze en haalde
diep adem.

Lodewijk, de eenige die de opera kende, en geoefend kunstgevoel
genoeg bezat, om de welsprekende voorstelling niet met de wezenlijke
waarde van het werk te verwisselen, uitte zich daarover veeleer als
beoordeelaar dan wel als bewonderaar. De gravin, door hare jaren reeds
boven de macht van onmiddellijke gemoedsindrukken verheven, luisterde
met belangstelling naar zijne opmerkingen; ook Lodoiska liet zich
gaarne uit hare onrustige, gejaagde stemming in die van een kalmer
genieten overbrengen en was niet verstoord, dat Lodewijk haar door
zijne bezadigde oordeelvellingen menige begoocheling aangaande de
schoonheid van het kunstwerk ontroofde. Slechts Jaromir wilde niet
gelooven, dat in hetgeen zijn jeugdig hart zoo diep getroffen had,
iets gebrekkigs, iets minder schoons zoude te vinden zijn. Hij was tot
hiertoe zoo ver van alle kunst verwijderd geweest, had zoolang met de
ruwste bouwstoffen des uiterlijken levens te worstelen gehad, dat deze
eerste stralen en klanken uit eene hem nog onbekende schoonere wereld
hem natuurlijk als iets onovertrefbaars moesten voorkomen.

Het tweede bedrijf begon, en reeds de eerste tooneelen daarvan
bewezen den onervarene, dat hij nog op verre na niet aan de grenzen
van het bereikbare gestaan had; want gestadig nam de belangrijkheid
toe, en toen eindelijk de laatste ontknooping van het werk daar was,
met hare diep weemoedige vreugde, met haar weenenden jubel, toen
dreigden de jonge, minnende harten onder den overstelpenden vloed van
hartstochtelijke gewaarwordingen te bezwijken. Alisette was echter ook
zoo schoon, zoo roerend, zoo verheven in hare vreugde, dat zij zelfs
voor den met bewustzijn genietenden Lodewijk het kunstwerk uit de
lagere kringen, waarin het op zwakke, matte vleugels omzweeft, in eene
hoogere meer zuivere sfeer overbracht, waar het zich op vrije vlerken
in den zonneglans wiegen kon.

Lodoiska was tot in het diepste der ziel getroffen, maar niet gelukkig;
duister rees het beklemmend gevoel in haar op, dat zij niet vermogend
was zich met deze machtige tooveres, die haar zelve zoo tegen wil en
dank medesleepte, te meten. Hoe zou zij den geliefde boeien, wanneer
gene hare verleidelijke netten uitspande, hare zoetlokkende stem
klinken liet en de zachte, blanke armen naar hem uitstrekte? Zij dacht
dit alles wel niet dadelijk, maar het drukkend gevoel van armoede en
zwakheid, dat edele zielen zoo licht bekruipt, daar zij hare eigene
hooge waarde miskennen, doordrong hare borst. Wie ben ik, dacht zij, om
met mijne liefde het hart des vriends te vervullen in eene wereld, die
zoo oneindig veel schooners aanbiedt?—Het schuldelooze meisje besefte
niet, dat een rein hart de schoonste diamant is, die het eigen leven en
dat des vreemden versieren kan. Slechts de verblinde gaat dit kleinood
achteloos voorbij, slechts de waanzinnige werpt het roekeloos van zich.
Doch hoevelen legt een nijdige genius een zwarten blinddoek voor de
oogen, zoodat zij in eeuwig duister door het leven ronddwalen en het
geluk niet vinden, wanneer het de open armen naar hen uitstrekt!


HOOFDSTUK VIII.

De gravin en Lodoiska reden in gezelschap van den overste naar huis,
de drie jongelieden volgden te voet en kwamen dus iets later aan het
paleis. Toen zij de breede marmeren trappen opvlogen, kwam de gravin
hun met een geheimzinnig, maar zeer tevreden lachje te gemoet. „Niet
naar de eetzaal,” sprak zij, „volgt mij nog eerst in het spreekvertrek,
want de tafel is nog niet behoorlijk gedekt.” Gewillig volgden haar
de vrienden en vonden niemand dan den overste. „Lodoiska verkleedt
zich,” vervolgde de gastvrouw, „en wij zullen ook nog eenig geduld
moeten hebben, daar de lieve Alisette beloofd heeft van het gezelschap
te zijn.” De vrienden zaten in een vertrouwelijk gesprek met den rug
naar de deur gewend, toen Jaromir eensklaps twee handen voor zijne
oogen voelde, om hem te laten raden, wie de onbekende was; doch daartoe
bleef hem de tijd niet, want eer hij nog gissen kon, waren Lodewijk
en Bernard reeds met den luiden vreugdekreet: „Graaf Rasinski!” van
hunne stoelen opgesprongen. Boleslaw was het, die Jaromirs oogen
bedekt hield. Deze sprong op en omarmde den vriend en krijgsmakker
met onstuimige heftigheid: Rasinski begroette hem met hetzelfde vuur.
„Hoe is 't u gegaan? Zijt gij gezond en wel?” klonken de hartelijke
vragen verward dooreen, zonder dat het antwoord afgewacht werd, daar
men elkander frisch en bloeiend voor zich zag. „Duizend groeten
van de uwen,” waren de eerste woorden, welke Rasinski na de eerste
luidruchtige verwelkoming tot Lodewijk richtte; „mijne afreis kwam
zoo overhaast op, dat er geen tijd was mij wijdloopige brieven mede
te geven; intusschen heb ik toch eenige regels voor u, en met den
volgenden postdag meer.”

De groet van de zijnen, dit eerste aanknoopingspunt met een gelukkig
verleden, moest Lodewijk in eene weemoedige stemming brengen. Maar
met dien weemoed doordrong hem tevens het vertroostend gevoel, dat er
op verren afstand nog lieve wezens waren, die het donker pad zijns
levens met bezorgde deelneming volgden, welker hartelijke wenschen en
gebeden hem als wakende beschermengelen omzweefden. Hij dankte dus den
overbrenger der zoete boodschap met een innigen handdruk en verzocht,
het voor hem bestemde te mogen ontvangen.

Bernard, die steeds de omzichtigste was en zich niet licht door
eenig gevoel zoozeer liet wegslepen, dat hij daardoor de bedaarde
behoedzaamheid verloor, werd eensklaps door de gedachte verontrust,
dat Rasinski hunne aangenomen namen nog niet kende en daardoor het
gepleegde bedrog gemakkelijk verraden kon. Ongemerkt verliet hij dus
het vertrek en zond een bediende naar binnen, om den graaf in de
spreekkamer te roepen. Deze was zeer verwonderd en kon bezwaarlijk
begrijpen, wie hem in eene plaats, waar hij zich eerst sinds een
kwartier ophield, over dienstzaken kon te onderhouden hebben. Hij zond
dus Boleslaw, aan wien Bernard de reden zijner bezorgdheid mededeelde.
Als ware de zaak van de dringendste aangelegenheid, ging deze nu naar
binnen en keerde met den graaf terug, waarop Bernard zijn verlangen
nader uiteenzette.

„Voortreffelijk, mijn jonge vriend,” sprak Rasinski, „gij verraadt
aanleg tot een partijganger en houdt oog en oor open. Dat zal mij een
goed teeken zijn, graaf Lomond; gij kunt op bevordering aanspraak
maken. Bovendien is het prijselijk, dat gij een graventitel hebt
aangenomen, want hoezeer het woeste dobbelspel van den tijd oud en
nieuw in den beker 't onderstboven heeft geschud, lood zinkt nog altijd
naar den grond en olie drijft boven. Zoo zullen rang en rijkdom zelfs
dan nog gelden, als het russische rijk in eene atheensche republiek en
Madrid en Napels in een tweede Sparta herschapen zijn. Uit u, vriend,
kan iets goeds worden, en Lodewijk mag willen of niet, bij zijn Soren
moet hij een graaf of vrijheer voegen, al ware 't enkel om hem te
gemakkelijker te kunnen betitelen.”

Zij traden het vertrek weder binnen.

„Nu, die dienstzaken moeten wel dringend zijn,” riep de gravin hun te
gemoet, „daar zij u reeds in het eerste oogenblik uwer aankomst aan ons
onttrekken.”

„Gij weet,” antwoordde Rasinski, „de soldaat is eenvoudig een rad van
het groote werktuig, dat zich naar de beweging van het geheel moet
regelen, zal dit niet gestremd of het weerspannige deel verpletterd
worden. Intusschen is alles voor dezen avond vermoedelijk afgeloopen
en kunnen wij ons onverdeeld aan u toewijden.” Hij zette zich onder
deze woorden naast zijne zuster neder en nam vriendelijk hare hand. Zij
beschouwde hem met eene zekere liefderijke bezorgdheid, als wilde zij
onderzoeken, of hij nog de oude, beminde broeder ware. „Ik weet niet,”
sprak zij na eenige oogenblikken, „maar gij schijnt mij een weinig
verouderd, Stephanus; hier op het voorhoofd ontdek ik een rimpel,
die, dunkt mij, naar droefgeestigheid zweemt. Waarlijk, broeder, uw
voorhoofd is niet meer de heldere, onbewolkte hemel, wiens aanblik mij
voorheen zoo vaak bemoedigde.”

„De ouderdom, Johanna, oefent zijne rechten op mij uit,” hernam hij met
een glimlach, zonder dat zich echter de diepe ernst zijner trekken door
een zoo licht hulsel van opgeruimdheid omsluieren liet.

„Het is geen trek van den ouderdom, hij is door zorg of kommer
ingeprent. Deel der zuster de helft van uw last mede, anders draagt zij
de dubbele zwaarte, zonder dat gij het verhinderen kunt; gij weet, elke
onzekerheid vergroot gevaren en zorgen.”

Het gesprek werd tusschen beiden gevoerd, zonder de aandacht van het
gezelschap tot zich te trekken; daarom herhaalde de gravin met meer
aandrang hare bede om mededeeling, daar de broeder de eerste slechts
door een ernstig zwijgen en peinzend hoofdschudden had beantwoord.

„Het vaderland,” zeide hij nu, „eischt buiten de gansche kracht van ons
leven ook menig ander offer; wij brengen ze gewillig, maar beschuldigen
zal men ons daarom toch niet, wanneer wij niet ongevoelig voor de
smart zijn, die ons het verlies of het opgeven van zulke goederen
veroorzaakt, die door de meesten als het hoogste geschat worden, ja
niet zelden voor het doel van ons aanzijn gelden.”

De zuster zag hem medelijdend aan en reikte hem de hand; hij drukte ze
zwijgend en blikte haar welwillend en dankbaar in het liefdevolle oog.

De opmerkzaamheid der overigen werd thans door een ander voorwerp in
beslag genomen. Alisette trad binnen. Als eene lentegodin zweefde zij
over den drempel van het vertrek en hield een vollen ruiker jonge
rozen, waarvan er eene aan hare borst prijkte, in de hand. Vriendelijk
groetend spoedde zij de heeren voorbij en trad op de gravin toe, die
mijmerend en in gedachten verzonken, de verschijning dezer liefelijke
Flora niet bemerkt had. Ook Rasinski ontdekte haar eerst, toen zij
dicht vóór hem stond, en sprong beleefd op, om haar als eene vreemde te
begroeten.

„Daar ben ik,” fluisterde zij, zich bevallig buigend; „maar mag het
zwitsersch meisje wel in zulk een voornamen kring verschijnen?”

„Welkom, welkom,” hervatte de verraste vrouw des huizes; „en welk een
keur van gaven brengt mijne schoone sirene mede!” riep zij, de geurige
bloemen bemerkende; „in geheel mijn tuin is nog geen enkele knop te
ontdekken, maar in uw hand bloeit reeds de rijkste rozengaard!”

„Het is eene beleefdheid, die ik, wien weet ik niet, te danken heb,”
hernam Alisette. „Ik bevond mij nog in de kleedkamer, toen men
aantikte. Constance, mijne kamenier, opende de deur op een reetje en
vroeg, wie het was. In plaats van antwoord, reikte eene onbekende
hand mij dezen heerlijken ruiker over. Het is eigenlijk wreed, niet
waar? zoovele schoone rozen een rassen dood te wijden. Alle tuinen in
Warschau moet de onbekende, verkwistende vriend geplunderd hebben, want
zij zijn nog zeldzaam en op den kouden grond bloeien er nog geene.”

„Gelukkig zij, die tot eene zoo schoone bestemming geplukt zijn,”
merkte Rasinski op. Eerst thans bemerkte Françoise hem en was verrast,
een vreemde te zien. „Mijn broeder,” sprak de gravin en maakte dezen
met haar bekend door dadelijk van het onbeschrijfelijk genot te
verhalen, dat Alisette's kunst dezen avond allen bereid had. Het meisje
scheen zeer gelukkig met een zoo vleiende getuigenis, maar weerde toch
met bescheidenheid alle verdere lofspraken af. Vervolgens nam zij de
rozen en riep: „Ik moet dankbaar zijn voor zooveel goedheid. Zooveel
huldigingen, zooveel rozen! Hier, hier!” Tevens bood zij aan ieder met
schertsende vriendelijkheid eene roos; Regnard echter bekwam er geen.
„Gij hebt mij niet geprezen, u geef ik ook geen bloem; daarentegen zult
gij er twee hebben,” wendde zij zich tot Jaromir en gaf hem de twee
schoonste van den ganschen ruiker. Zonder zijn dank af te wachten,
keerde zij met ledige handen tot de gravin terug, die haar met dreigend
opgeheven vinger en met de woorden ontving: „Stoute verkwistster! zoo
lichtzinnig verspilt gij de gaven van uwen vereerder? Als hij nu eens
hier tegenwoordig was?” voegde zij er bij, een blik op Regnard werpende.

„O dat mag hij; hij zou slechts zien, dat zijn geschenk mij de grootste
vreugde verschaft heeft, duizendmaal meer, dan wanneer ik het in een
glas op mijne kaptafel zag verwelken. Om mij genoegen te doen, heeft
hij het mij waarschijnlijk toch geschonken.”

Lodoiska was, stil als eene verschijning, in de zaal getreden en stond
onverhoeds naast de gravin.

„Ach, daar zijt gij immers,” riep Alisette uit en trad op haar toe;
„hoe, en gij zoudt geene roos hebben, die mij zoo welsprekend geprezen
hebt? Of meent gij, dat ik uwe tranen niet bemerkt heb? Wanneer ik u
aanzag, waande ik in een spiegel te zien, welks zuiver kristal mij de
onverhulde waarheid toonde. Als mijne tonen u tot glimlachen of tot
tranen bewogen, dan wist ik, dat zij waarlijk tot het hart drongen.
En u zoude ik niet eenmaal eene roos ten dank geven! Maar hier is er
immers nog eene,” riep zij verheugd en zag op die, welke in den gordel
van haar kleed aan de zwoegende borst liefelijk bloeide. Zij nam ze en
wilde haar aan Lodoiska's boezem steken, doch deze weerde de hand af en
bleef vriendelijk maar dringend weigeren.

Het was inderdaad een bevallig schouwspel, dezen kleinen twist der
beide schoone meisjes aan te zien. Alisette, in haar wit golvend
gewaad een beeld der lente, der jeugdige Hebe; Lodoiska, in het donker
zijden kleed, ernstig en tevens vriendelijk; Alisette's wangen en
lippen met het gloeiendst purperrood overgoten, in haar blauw oog de
vreugde zelve, het helder voorhoofd met lichtbruine haarlokken omgeven;
Lodoiska aan de lelie gelijk, eene zachte doorschijnende rooskleur op
de wangen, het oog ernstig, zachtzinnig, groot, het marmeren voorhoofd
en de sneeuwwitte nek door rijk, zwart haar overschaduwd, vrouwelijk
edel in gelaat en houding; Alisette haar met rustelooze levendigheid
omzwevende, vleiende, overredende, smeekende.

Eindelijk gelukte het haar de roos in den gouden gordelband, die het
kleed der wederstrevende omsloot, vast te hechten en de zachte bloem
schemerde bevallig op den donkeren grond.

„Nu ben ik tevreden, nu ben ik gelukkig!” riep Françoise uit, toen
zij van hare overwinning verzekerd was. „Nu eerst schijnt mij de roos
schoon;—ik verdien haar waarlijk niet.”

Bij deze laatste woorden bespeurde Bernard een zweem van
zwaarmoedigheid op de heldere gelaatstrekken van het meisje; het was
alsof zij met spijt gevoelde, dat in dit gezegde eene bittere waarheid
voor haar zelve lag opgesloten.

Zoude zij werkelijk eene schoone Magdalena zijn, voor wie de tijd der
boete nog niet gekomen is? dacht hij bij zich zelf en besloot zijne
navorschende waarnemingen voort te zetten. Toen de vleugeldeuren der
eetzaal geopend werden, trad hij dus op haar toe en bood haar, als voor
drie dagen, den arm. Zij nam dien vriendelijk aan en zeide: „Gij hebt
geen woord gehouden, in vele opzichten niet. Gij woudt mij voor elk
lied eene teekening schenken, mij uw schetsenboek laten zien, ja mij
zelve schilderen! Maar gij hebt dat alles vergeten, mij zelfs niet eens
bezocht, schoon wij toch buren zijn. Nu, ik moet wel dankbaar zijn, dat
gij thans toch aan mij denken en mijn nabuur aan tafel wilt zijn.”

Bernard antwoordde op deze schertsende beschuldiging door eene
vernieuwing zijner beloften; men zette zich neder en hij nam met
genoegen aan de zijde der bekoorlijke zangeres plaats.

Boleslaw zat aan de eene, Jaromir aan de andere zijde van Lodoiska.
Deels uit welwillende beleefdheid, deels ook wijl de gravin haar een
wenk had gegeven, zich niet te verraden en voor het doordringend oog
van Regnard en de fijne opmerkzaamheid van Alisette op hare hoede te
zijn, richtte Lodoiska dikwijls het woord tot Boleslaw, met wien zij,
als haar landsman en den, schoon minder vertrouwelijken vriend harer
jeugd, in vele punten van aanraking stond.

Lodewijk bemerkte dat de ernstige jongeling warm werd, dat een zacht
vuur uit zijne oogen straalde. Zou, dacht hij, de schoone burin hem
ook gevaarlijk kunnen worden? Hij zag het met bezorgdheid, want zijn
juist oordeel zeide hem, dat eene vlam in Boleslaws borst niet vluchtig
kon opwakkeren en gebluscht worden. Vatte de vonk vuur, dan moest de
gloed tot in het diepste binnenste en duurzaam voortbranden. Gaarne
had hij hem gewaarschuwd; maar dit was niet mogelijk, en bovendien had
hij aan Jaromir een onvoorwaardelijk stilzwijgen beloofd. Wat zoude
het ook gebaat hebben? Wanneer Boleslaw in dit schoone wezen vond, wat
zijne ernstig gestemde ziel geheel vervullen kon, wanneer de macht der
liefde zich snel en goddelijk in hem openbaarde, zou dan het kennen der
zachte banden, die den vriend reeds omstrikt hielden, dit veranderen?
Neen, slechts met te grievender smarten ware de gloeiende pijl den
ongelukkige in het hart gedrongen. Nu bleef het ten minste de vluchtig
voorbijzwevende minuut eens schoonen drooms en het kortstondig geluk
eener zoete, hoopvolle verwachting.


HOOFDSTUK IX.

De dagen van vreugde en gezellig verkeer werden door andere van ernst
en strenge dienstvervulling gevolgd. Rasinski werd door bevelen
van hooger hand genoopt, de vorming van zijn korps te bespoedigen;
dagelijks oefende men zich dus te voet en te paard, er waren wachten
te betrekken, de velddienst moest worden aangeleerd, kortom noch
officieren noch soldaten hielden tijd over, om aan uitspanning of
verstrooiing te denken. De keizer werd van den eenen dag tot den
anderen te gemoet gezien, en Rasinski wilde dezen een ten minste
eenigermate gevormd regiment voorstellen. De onderscheidene teedere
en zachte betrekkingen werden dus door de strenge hand des levens
bijna geheel verbroken. Wat Jaromirs vurigste wenschen betrof,
Rasinski had wel is waar zijne voorloopige bewilliging gegeven, en de
gelieven waren dus onuitsprekelijk gelukkig; maar tevens had hij het
noodzakelijk geacht, een ouderen oom van Lodoiska te schrijven en ook
diens toestemming te verzoeken. Zoo lang moesten de minnenden hun geluk
geheim houden en op een afstand van elkander blijven, die den jongeling
soms ondragelijk hard toescheen. Bernard en Lodewijk waren bijna altijd
in dienst; nauwelijks kon de laatste tijd vinden, om een brief aan
moeder en zuster, waarin hij haar voor de mondelinge tijding en het
geschenk, hem door Rasinski overgebracht, dankte, te voleindigen. Dat
ook Bernard onder deze omstandigheden noch aan het voortzetten zijner
waarnemingen omtrent de verleidelijke Alisette, noch aan het schilderen
van Lodoiska's beeltenis denken kon, is licht te begrijpen.

Op zekeren avond trad Rasinski de zaal, waar Jaromir, de gravin en
Lodoiska bijeen zaten, driftig binnen met de woorden: „Ons lot is
beslist. De keizer heeft den 29sten Mei Dresden verlaten, zal zich
eenige dagen in Posen ophouden en trekt dan vermoedelijk, zonder
Warschau aan te doen, op Thorn. Wij hebben bevel bekomen, om morgen op
te rukken en den weg naar Kowno in te slaan. Een dag is ons dus nog
overig, en dien willen wij in den huiselijken kring doorbrengen. Heden
nog kan ik broeder en vriend zijn, morgen ben ik niets dan soldaat.”
Zijn oog fonkelde helder bij deze woorden en verhoogde den adel van den
zachten ernst zijner wezentrekken. Op de vrouwen daarentegen maakte de
tijding, die het hart der mannen, de onzekerheid sinds lang moede, met
blijdschap vervulde, een bedroevenden indruk. Lodoiska verbleekte en
sidderde; op de trekken der gravin stond eene kommervolle bezorgdheid
te lezen: „Dus werkelijk reeds zoo spoedig?” vroeg zij opstaande en
naar den broeder toetredende.

„De oorlog,” vervolgde deze, „schijnt thans onherroepelijk verklaard.
Alle onderhandelingen, die laatstelijk door Narbonne gevoerd werden,
zijn afgebroken. Men zegt dat vooral het lot van ons vaderland den
twistappel tusschen de beide heerschers werpt; Napoleon wil ons als
eene vrije, zelfstandige natie erkend zien, doch Rusland is niet
gewoon, den roof, dien het tusschen de bloedige klauwen houdt, los te
laten. Het toont grimmig de tanden. Laat ons zien, of de Hercules,
wiens opgeheven knods Europa doet beven, den kamp met dit monster
zegevierend ten einde zal brengen!”

Een vuurgloed van verontwaardiging kleurde zijn gelaat. De zuster stond
met treurige blikken voor hem, streek hem het haar van het voorhoofd en
zeide, hare hand op zijn arm leggende: „Gij hadt vroeger een vroolijker
vertrouwen, toen minder sterren van hoop aan den gezichtseinder
blonken. Vat moed, broeder! Wanneer wij ons niet aan uwe moedige
kracht kunnen opbeuren, wat zal ons dan ondersteunen en staande houden?”

Rasinski glimlachte. „Ik heb soms uren, zuster, dat ik alles uit een
somber oogpunt zie; zulks is echter spoedig voorbij, en waar ik kracht
en vertrouwen tot handelen noodig heb, ontbreken ze mij niet. Doch
laat dat daar; heden en morgen behoor ik aan u, aan de lieve beperking
van den huiselijken kring, en wil mij daarin geheel verplaatsen. Zelfs
mijne blikken zullen de heilige grens niet overschrijden, die, als een
gewijde toovercirkel, de zwarte geesten des levens van ons verwijderd
houdt. Want treed ik over die tooverlijn, dan word ik een speelbal van
de woeste zee, en de losgelaten stormen mogen mijne boot naar willekeur
voortzweepen. Wij hebben immers ook nog huiselijke zaken af te doen,”
vervolgde hij en wierp een blik op Lodoiska, „uwe schoone pleegdochter
maakt aanspraak op onze zorg.” Het meisje sloeg het zachte oog ter
aarde en een licht rood schemerde op hare wangen. „Ja, mijne kinderen,”
vervolgde hij, tusschen de gelieven tredende, „hebt gij wel overlegd,
wat gij doen wilt? Wie zou uwe liefde niet met vreugde aanzien? Gij
zijt elkander waardig; Jaromir ken ik, hij zal een hart als het uwe,
Lodoiska, als een kostbaar kleinood weten te schatten en te beschermen.
Maar zijn dit tijden, om banden der liefde aan te knoopen? Mag men
op een zaad hopen, dat in den stormwind wordt uitgestrooid? Wie gaat
scheep, als de zee woelt en bruist; wie geeft een vreugdefeest in een
huis, dat boven den afgrond waggelt? Hebt gij een maatstaf, waarnaar
gij de vervulling uwer hoop berekenen kunt? Gij werpt u in den woeligen
stroom, zonder te weten of de naaste golf u scheiden, dan aan een
veiligen oever werpen zal.”

Lodoiska blikte Rasinski schroomvallig aan en zeide: „Zijn het dan
niet juist de tijden van zorgen en gevaar, die men gemeenschappelijk
te lichter draagt? Het geluk, den zonneschijn des levens geniet ook de
eenzame voor zich zelf.”

„Maar de man zal geen wezen aan zijn lot verbinden, wanneer dit zelf
onzeker is als de wentelende baar.”

„Waarlijk,” riep Jaromir levendig, „ik mag thans niet om u aanhouden,
want alles staat op een te onzeker spel! Maar een verbond der hoop zou
ik toch gaarne met u aanknoopen.”

Hij sprak deze laatste woorden met een zoo onschuldig smeekend gelaat,
dat Rasinski onwillekeurig moest glimlachen. „Wanneer gij,” vervolgde
hij, beider handen aangrijpende, „ernstig bedacht en overwogen hebt,
wat gij doen wilt; wanneer het niet enkel de vluchtige roes van een
oogenblik is; wanneer gij, Jaromir, uwe jeugdige lichtzinnigheid genoeg
beheerschen kunt, om de proef van lange, ernstige jaren te doorstaan,
dan hebt gij recht om eene verbintenis der trouw te sluiten en geen
gevaar, dat haar van buiten bedreigt, mag u terugschrikken. Ook ik
weet de edele gezindheid in den mensch op prijs te stellen, die in een
donker uur des levens minnende harten meer voor de bezwaren dan voor
de genoegens daarvan te zamen bindt. Uw oom, Lodoiska, heeft mij eene
vaderlijke volmacht gezonden, om u met Jaromir te verloven. Wanneer gij
dus niet beschroomd zijt, den ernstigen stap in het gebied der plichten
te wagen, mag ik uwe handen ineen leggen en de ringen uwer gelofte
wisselen.”

Het schoone wezen stond bevend en met donkeren rozegloed op de wangen
voor den ernstigen, vaderlijken vriend. „Gij wilt dus?” sprak deze.
In plaats van antwoord te geven, zonk zij sprakeloos aan de borst der
gravin, doch liet hare rechterhand aan Rasinski die ze zachtkens in
die van den verrukten jongeling nederlegde.

„O, hoe onuitsprekelijk gelukkig ben ik,” riep hij uit, terwijl hij de
hand van het bevende meisje aan zijne lippen bracht.

„Zij is nu uwe bruid,” sprak Rasinski, „en door de heiligste plichten
zijt gij aan haar verbonden. Zult gij den moed hebben, die te
vervullen?”

„Tot aan mijn dood!” riep Jaromir heftig en drukte het bekoorlijke
wezen, dat zich met de gansche teederheid van het vrouwelijke hart aan
hem overgaf, onstuimig aan zijne borst.

Juist trad Boleslaw binnen en werd bleek als de dood, toen hij de twee
in elkanders armen zag; ook hij toch had eene ernstige, diepe liefde
voor de schoone Lodoiska opgevat, en niet vermoed, dat zij de verloofde
van den vriend zijn konde. Met eene zelfbeheersching echter, die zijn
streng, wel hartstochtelijk, maar toch vast karakter alleen mogelijk
maakte, bedwong hij schrik en smart tevens en vertoonde een kalm
gelaat, terwijl de doodsteek hem de borst verscheurde. Met vasten tred
ging hij op de aanwezenden, van wie niemand zijne komst bespeurd had,
toe. „Mag ik u geluk wenschen?” vroeg hij, zich tot Jaromir wendende.

„Neen,” riep deze vurig, „want ik bezit reeds het zaligste geluk, dat
de aarde ons aanbiedt!”

De vrienden omhelsden elkander hartelijk; voor Lodoiska boog de
jongeling zich ernstig, greep hare hand en sprak: „Wees gelukkig, in
alles gelukkig!”—Nu sidderde en verbleekte hij toch; zijne jeugdige
heldenkracht dreigde te bezwijken. „Weet gij al, dat wij overmorgen
oprukken, graaf Rasinski?” richtte hij zich tot dezen, om het gesprek
eene andere wending te geven.

„Voorzeker,” was het antwoord.

„Ook dat de overste Regnard met zijn regiment marcheert en de
dragonders en de drie compagnieën rijdende artillerie eveneens?”

„Ik had slechts zooveel van het bevel vernomen, als mij zelf betreft.
Overigens moet ik bekennen, dat dit geleide mij niet uitstekend
behaagt, want hoe talrijker wij zijn, hoe slechter nachtkwartieren
wij te wachten hebben. Ik bemin ons vaderland, maar zijne gastvrije
steden en dorpen zijn eer geschikt om vijandelijke legers te laten
verhongeren, dan om bevriende den kost te geven.”

Bernard en Lodewijk, die tegelijk met Boleslaw te huis gekomen,
zich eerst naar hunne kamers hadden begeven, traden thans binnen en
maakten den vriendenkring voltallig. Ook aan hen werd het bruidspaar
voorgesteld, ook zij ontboezemden hunne beste wenschen.

Rasinski liet in den loop van den avond eene zachte opgeruimdheid
blijken, die hem uiterst beminnelijk maakte. „Hoe jammer,” riep hij
in het vervolg van het gesprek uit, „dat onze vriend Bernard sabel en
lans zoo druk te hanteeren heeft gehad. Hij had waarlijk geen tijd, om
aan penseel of krijt te denken; anders had hij mij het beeld der lieve
bruid moeten teekenen.”

„En hij had het mij zelfs beloofd. Ten voeten uit wou hij haar
schilderen!” riep Jaromir.

„Schoon ik tot het laatste geen tijd gehad heb, kan ik ten minste nog
eene teekening beproeven,” viel Bernard hem in de rede. „De avond is
lang; eene, hoe vluchtige schets is toch beter dan niets, en weinige
uren zijn daartoe volkomen toereikend. Het is eene goede eigenschap
van ons bedrijf, dat het in zulke gevallen slechts op een deel onzer
krachten aanspraak maakt en noch ons zelf, noch anderen in het gezellig
onderhoud hinderlijk is; ten minste verlangen wij slechts zeer geringe
opoffering. Hand en oog arbeiden, maar het oor kan den loop van het
gesprek vrij volgen en de geest leent zich gemakkelijk tot beide
verrichtingen. Vergunt mij dus, mijne kleine, vluchtige werkplaats hier
voor eenige oogenblikken op te slaan, laat mij de lichten naar mijn
zin plaatsen, geeft mijne oogen de anders niet zeer kiesche vrijheid,
om zich scherp op het voorwerp mijner bezigheid te richten, en ik hoop
nog iets te leveren, dat althans tot eene kleine vergoeding voor de
grootere uitvoering, waartoe ons thans geen tijd blijft, dienen kan.
Geeft u vrij en ongedwongen aan het gesprek over. Dikwijls heeft eene
beeltenis oneindig meer waarheid en leven wanneer wij haar, zonder dat
ons doel vermoed wordt, heimelijk afloeren, dan wanneer het voorwerp er
zich toe zet, om op het doek te worden overgedragen. Het rampzaligst
van alles is, wanneer iemand alle plooien en plooitjes van zijn gezicht
met angstvallige bezorgdheid in orde schikt, om er de uitdrukking van
ongedwongenheid toch recht kunstmatig in te brengen, of wel om het nog
mooier te maken, een onnatuurlijk lachje om de lippen beitelt, zooals
de naaister een kleed met linten garneert.”

Zijn gereedschap werd door een bediende binnengebracht, hij verplaatste
de lichten, koos een geschikt standpunt en ging ijverig aan het werk.
Het gesprek der overigen werd inmiddels voortgezet en ook hij nam
daaraan ongedwongen deel, schoon hij soms slechts toeluisterde en
slechts nu en dan enkele woorden daartusschen wierp om eene geuite
meening goed te keuren, haar door eene losse opmerking te ondersteunen
of een scherpen pijl der tegenspraak daarop los te laten.

Men behandelde intusschen slechts algemeene onderwerpen, die wel
eene zekere deelnemende levendigheid verwekken, maar toch geene
hartstochtelijke bewegingen der ziel veroorzaken konden. Zulks had
Bernard uitdrukkelijk gevorderd, daar hij bij het losbarsten van
onstuimige gemoedsdriften onmogelijk op de rustig begonnen wijze had
kunnen voortteekenen; met groote behendigheid wist hij deze stemming te
doen standhouden en steeds te rechter tijd het gesprek te beteugelen of
aan te sporen, al naarmate het dreigde te verflauwen of al te levendig
te worden.

„Ik ben klaar,” riep hij, nadat er twee uren verloopen waren, en sprong
met het blad in de hand op. Nieuwsgierig drongen allen om hem heen, om
zijn werk te beschouwen. Hij trad eenige schreden achteruit en hield
plagend het blad met de rugzijde naar het gezelschap toe.

„Geen spanning, geen verwachting!” riep hij; „het is eene half mislukte
schets, meer niets. Had ik tijd, die morgen te herhalen, ik zou het
blad verbranden, eer iemand van u het gezien had; dat betuig ik u bij
mijne kunstenaarseer, die ik juist op het punt ben een weinig aan de
kaak te stellen.”

Thans wendde hij het blad om; men zag twee teekeningen. De eerste
stelde Lodoiska voor, de tweede Jaromir, beide in borstbeeld, slechts
vluchtig, maar geestig uitgevoerd en sprekend gelijkende. Allen
verheugden zich in het geslaagde werk en bewonderden de zinrijke
uitvoering; maar vooral Jaromir was verrukt en riep uit: „Welk een
heerlijk geschenk, welk eene dubbele verrassing! Nu kan ik het beeld
van mijn meisje medenemen en haar het mijne achterlaten.”

Lodewijk was de eenige, die de teekeningen nauwkeuriger beschouwde;
na eenige oogenblikken zeide hij glimlachend: „Inderdaad, ik wist in
den beginne niet, waarom gij die ouderwetsche lijsten om de beelden
getrokken hadt; daar ik u ken, vermoedde ik dadelijk eene oorzaak, die
ik nu meen gevonden te hebben. Waarlijk, de inval is goed en nog beter
uitgevoerd.”

„Ja, ja, gij kent mijne streken,” hernam Bernard, „en weet, dat ik
zelden honderd schreden rechtuit ga. Bokkesprongen op den effen weg
zijn mij nu eenmaal tot behoefte geworden, want de Uilenspiegel zit mij
onveranderlijk, van mijne geboorte af, in den nek.”

Na dit gesprek werden de overigen zeer begeerig, het geheim ontraadseld
te zien. Nu men er eens opmerkzaam op gemaakt was, werd dit zeer
gemakkelijk. Bernard had namelijk om elken kop een vierkante,
schijnbaar ouderwetsch opgeluisterde lijst geteekend, elke hoek
vertoonde een gezicht, en wel de uiterst welgelijkende beeltenissen
der aanwezigen. Aan de beide bovenzijden waren Rasinski en zijne
zuster, beneden Lodewijk en Boleslaw afgebeeld. Bovendien had hij aan
elke lijst een knop gegeven, waaruit zijn eigen gezicht met hekelende
spotachtige trekken op het gansche werk scheen neder te zien.

Deze luimige toegift tot het geschenk werd met levendigen bijval
bekroond. Van alle zijden werd de schilder met lofspraken overstelpt en
vooral Jaromir gaf zijne vreugde door luide ontboezemingen te kennen.
„Zulk een beeld,” riep hij uit, „maakt mij waarlijk gelukkig, ja
verheugt mij meer dan de schoonste schilderij; dit immers kan ik altijd
bij mij dragen en mij in den aanblik verkwikken zoo vaak ik wil. Hoe
trouw haar beeld mij ook overal verzellen zal, het is toch iets anders,
als men het zoo werkelijk met de oogen zien kan.”

„Evenals het nog niet iets anders en duizendmaal schooner is,” hernam
Bernard, „als men de geliefde zelve voor zich ziet, niet waar?”

Lodoiska sloeg het oog neder, daar Bernard haar bij deze woorden
aanzag; doch spoedig hief zij het weder op en blikte Jaromir met eene
onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde aan, als wilde zij daardoor
Bernards woorden bevestigen.

Hoeveel reden ook elk der aanwezigen hebben mocht om sombere gedachten
te koesteren, door deze kleine verrassing was toch zulk een aangenaam,
helder licht op de donkere grondkleur der gemoederen gevallen, dat
men, zoo al niet in een vroolijke, dan toch in eene kalme en zacht
opgeruimde stemming geraakte.

Zoo voldeed de kunst dan ook hier aan hare schoone roeping, door zacht
bemiddelend in den ruwen strijd des levens te treden en zijne donkere,
moeielijke paden te verlichten en te effenen. O, niet genoeg kunnen
wij den goedertieren Schepper danken, dat Hij eene schoone gestalte
uit zijn Hemel deed nederdalen, wier taak het is, de scherpe omtrekken
der werkelijkheid door eene zachte schakeering der kleuren te doen
wegsmelten en over de woest neerbruisende stortbeek der hartstochten
den schemerenden stofregenboog uit te spannen, die ons bewijst, dat de
stralen der goddelijke zon tot in de diepste, verborgenste aardkloof
doordringen.


HOOFDSTUK X.

Reeds in den vroegen morgen dreunde het roffelen der trommen en
het schetteren der trompetten door Warschau's straten en riep de
troepen tot den afmarsch te zamen. Het vervulde Lodoiska met bange
beklemdheid, daar zij thans den geliefde harer ziel aan duizend
dreigende gevaren zoude prijsgeven.

Niet zoo angstig bezorgd, maar de borst met zoete verwachtingen voor
het vaderland vervuld, zag de gravin de scheiding te gemoet; zij
was te zeer poolsch, om niet met een inmengsel van blijden trots de
krijgszuchtige tooneelen te beschouwen, welke de onrustige dagen van
dien tijd haar zoo ruimschoots aanboden. Ook haren broeder, die haar
het liefste op aarde, ja, die haar alles was, daar zij zonder hem
geheel alleen stond, ook hem zag zij met kalmte aan den spits zijner
schaar ten strijde trekken.

Een gekletter van sabels op de trap verkondigde haar het naderen van
Rasinski en zijne kameraden, die in het vertrek der vrouwen traden
om afscheid te nemen. Zij waren in volle uniform; sjerp en sabel
versierden hen en van de czapka wuifden blinkende vederbossen. Het
krijgsmanskleed verleent aan lichaam en ziel dezelfde krijgshaftigheid.
Het is, alsof men zich de roeping van dien stand door zijne uiterlijke
kenteekenen te beter bewust wordt. Vandaar waren de mannen bij het
werkelijk afscheid nemen minder geroerd, dan hunne vroegere weeke
stemming had doen vermoeden. Rasinski drukte de zuster met broederlijke
warmte aan zijne borst en sprak mannelijk en vast: „Wij trekken uit
tot eene hooge roeping; geen smartgevoel beklemme onze ziel. Slechts
heilige geestdrift voor het vaderland mag haar doorgloeien. Wij
zullen onze ontwijde altaren reinigen, den verdreven vaderlandschen
goden eene nieuwe haardstede vesten, aan onze oude grenzen het wapen
der Jagellonen weder neerplanten, hunne heilige vanen wederom laten
wapperen tot roem van ons volk! Vaarwel, zuster! niet mij, niet ons,
slechts onze wapenen verzelle uw zegen, slechts voor de overwinning
rijze uw gebed tot den Almachtige omhoog! 't Zij wij vallen of
wederkeeren, 't is hetzelfde, als slechts Polens witte arend met
trotsche vleugels uit de donderwolken van den slag tot den helderen
hemel der vrijheid opstijgt. Leef wel! God spare u voor eene betere
toekomst!”

Hij liet den opgeheven arm zinken, omhelsde de zuster nog eenmaal,
drukte ook op Lodoiska's bleeke wangen een kus, verliet met rasse
schreden het vertrek en ijlde naar beneden, om zich in den zadel te
werpen.

Jaromir klemde zijne bruid onder het storten van heete tranen aan
de borst; verlangend sloeg zijn hart den kamp voor het vaderland te
gemoet, maar het bloedde bij het scheiden van de geliefde. Zij weende
nauwelijks, want eene kille doodsangst, vreeselijker dan de diepste
smart, had hare tranen versteend. Slechts uit hare bleeke wangen en
lippen, uit haar koortsachtig rillen liet zich de hevigheid van het
lijden opmaken, dat haar in dit oogenblik bijna ontzielde.

Jaromir legde het sidderend marmerbeeld aan de borst harer moederlijke
pleegster.

Deze weende haar angst in tranen, welke zij tot hiertoe bedwongen had,
over het geliefde wezen uit. Voor het afscheid der drie jongelingen,
die haar niet zoo nauw aan het hart lagen, schoon het, vooral in het
uur der scheiding met warme vriendschap voor hen sloeg, voor dit
vaarwel had zij slechts benevelde blikken en eene in sprakeloosheid
toegereikte hand.

Boleslaw bleef de laatste in het vertrek. In zijne ernstige, hijgende
borst woedde de storm van den hartstocht met verteerende macht. Hij
zag haar, die voor eeuwig de zijne en hem voor eeuwig ontrukt was,
als een beeld des doods voor zich, zag haar met mat gesloten oogen in
de armen der moeder hangen; hij beefde, hij vermocht nauw staande te
blijven, zoo krampachtig verscheurde hem de smart, die vruchteloos om
den zachten dauw van een traan kampte. De storm der driften dreigde hem
te overweldigen; het scheen hem, als mocht, als moest hij de geliefde
aan het hart klemmen en hare liefde vorderen, daar de zijne grooter,
waarachtiger, heiliger was dan die van Jaromir. Eene innerlijke stem
riep hem toe: Drink, drink ten minste eenmaal den beker der zaligheid
van hare lippen; drink, al moest hij u tot gloeiend gif worden! Eene
koortsrilling huiverde hem door alle leden. Doch zijn betere genius
behield de zege. „Neen,” riep hij sidderend, „dat ware meer dan
broedermoord! Weg, weg!”—met deze woorden stormde hij het vertrek uit.

Eigen smart en verdooving hadden den blik der vrouwen zoo verduisterd,
dat zij deze worsteling niet eenmaal opmerkten. Lodoiska hing nog immer
bewusteloos in de armen der moeder; eindelijk sloeg zij het oog op
en barstte in een stroom van tranen uit, doch met deze bezweken hare
laatste krachten en zij zeeg, door de armen der gravin gehouden, in
zwijm op een rustbed neder.

Daar buiten schetterden luid de trompetten. Men hoorde den dreunenden
hoefslag van af- en aanrennende ruiters. De gravin snelde naar het
venster. Het was Rasinski's nieuw regiment, dat zich voor het paleis
verzamelde, om den chef te ontvangen. Eene krijgszuchtige veldmuziek
vormde de spits van den trein; eenige officieren kwamen met lossen
teugel aanstuiven, om Rasinski te begroeten. Deze kwam op zijn
steigerenden arabischen schimmel, mannelijk schoon, in eene vorstelijke
houding uit de slotpoort te voorschijn. Jaromir volgde hem op een
slanken goudvos, die met de sierlijke vlugheid van een hert over den
grond heenvloog; eenige oogenblikken later zag men Boleslaw op een
ros, welks manen verwilderd om den trotschen nek zwierden, in eenige
stoute sprongen uit de poort hollen. Hij was bleek als de dood en zijn
oog rolde woest en somber onder de donkere wenkbrauwen, toen hij zich
half in den zadel omwendde en naar de gravin opzag, die hem met een
vriendelijk lachje haren groet toewierp.

Thans daverde de luide juichtoon der krijgslieden, die hun aanvoerder
welkom heetten; de vroolijke veldmuziek viel jubelend in, vaandels
golfden in den morgenwind, wapens flikkerden in zonneglans, rossen
brieschten en snoven, vederbosschen wapperden, levendiger en levendiger
werd het bonte gewoel. De kalmte, die bij den aanblik dezer moedige
scharen de borst der gravin doordrong, gaf haar de overtuiging, dat ook
Lodoiska's smart daardoor gelenigd en zij zelve tot een edelen moed
ontvlamd moest worden. Zij trad dus op de machteloos neergezonkene toe
en noodigde haar vriendelijk uit op het balkon te treden, ten einde den
uittocht der dapperen mede aan te zien. „Schep moed, kom tot u zelve,”
sprak zij met zachte overreding; „elk vast willen en moeten wordt een
hecht steunsel, waaraan de smart, waaronder wij meenen te bezwijken,
zich staande houdt. Het zal u troosten en sterken, den geliefde als man
en held te zien, daar hij in blinkenden wapendos te velde trekt, om
voor het vaderland te vechten. De achting doet onze liefde toenemen, en
met haar de kracht, om te dragen en te lijden. Kom, zamel uwe krachten
bijeen, toon den scheidenden vriend een bemoedigend gelaat; hij gaat
ernstige beproevingen en gevaren te gemoet, die hij lichter overwinnen
zal, als het beeld eener sterke, geloovig vertrouwende geliefde hem
verzelt, dan wanneer zij hem weeklagende en hopeloos kermende voor de
oogen zweeft.”

Lodoiska voelde zich door deze zachte, overtuigende toespraak gesterkt;
haar minnend hart erkende, dat het plicht was, den vriend het uur des
afscheids min smartelijk te maken. Zij verzamelde dus al hare krachten
en volgde de gravin, die haar door de aangrenzende zaal op het balkon
bracht.

Reeds het gezicht der woelende, golvende gelederen verruimde den
geprangden boezem; kracht toch verwekt kracht. Juist begonnen de
klokken der hoofdkerk ter vroegmis te luiden, zoodat deze ernstige,
statige tonen zich met het luidruchtige krijgsgejoel vermengden.
Het lichtblauw gewelf des hemels werd door geen wolkje ontluisterd,
de vogels dartelden vroolijk door het groen; de frissche adem van
den schoonsten, heldersten morgen deelde aan alles lust, leven en
veerkracht mede. Het was, alsof de goedheid Gods zich eens recht
levendig vertegenwoordigen en door duizend teekenen aan den mensch
verkondigen wilde: Ik ben u eeuwig nabij met mijne onuitputtelijke
liefde en ontferming. Welke smarten, welk lijden gij in uwen waanzin
ook bereiden moogt, ik ben altijd tegenwoordig, om met zachte hand de
wonden te heelen, die gij u zelven in uwe verblinding toebrengt.

Rasinski had de vrouwen opgemerkt en wenkte haar een vriendelijken
groet toe. Zijn gelaat gloeide van geestdrift, alle sporen van smart
waren verdwenen; want met mannelijke zelfbeheersching wist zijn
vaste geest de onstuimige opwellingen van het gevoel te beteugelen
en in eigen boezem kracht tot eene vroolijke plichtsvervulling te
vinden. Met een ongefronst voorhoofd wilde hij voor zijne manschappen
verschijnen, opdat des aanvoerders opgeruimd vertrouwen ook aan hen
moed en hoopvolle verwachting mocht inboezemen; hij wilde het, wilde
het met vastheid, en derhalve was het hem mogelijk. De verschijning
der vrouwen stoorde hem dus hoegenaamd niet in het geven zijner
verordeningen; zonder een blik van zijne lieden af te wenden, zonder de
geringste kleinigheid uit het oog te verliezen, wist hij zijne zuster
toch herhaalde malen te kennen te geven, dat hare aanwezigheid en
bemoedigende deelneming hem aangenaam was. Anders was het met Jaromir;
deze liet zich door den aanblik der geliefde verstrooien en gaf zijnen
makkers dikwijls aanleiding tot een moedwillig lachje, wanneer hij, de
oogen naar het paleis gericht, onachtzaam door zijne eigen manschappen
heenreed en ruiters en paarden daardoor in verwarring bracht. Boleslaw
daarentegen had al zijne krachten bijeengeraapt en vestigde de
nauwlettendste opmerkzaamheid op zijn dienst. Met doordringend oog
monsterde hij man, paard, tuig, pakkage en wapening; slechts eens
wierp hij, als tot een vluchtigen, heimelijken roof, een blik naar de
vrouwelijke gestalten op het balkon.

Het regiment stond thans in de vrij breede straat tegenover het paleis
in front opgemarcheerd. Alle vensters der huizen aan de overzijde
waren met toeschouwers opgevuld. Menige traan glansde in schoone oogen
of verborg zich achter den sluier, die naar oud-poolsch volksgebruik
de meisjes bij hare openlijke verschijning van de gehuwde vrouwen
onderscheidt.

„Richt u!” klonk Rasinski's donderstem, en als een pijl vloog hij
naar den rechtervleugel, om met zijn valkenblik de linie te meten.
Thans heerschte de ademlooze stilte van den dienst; elk oog was op
den nevenman gericht, elk oor voor het commando geopend. „Sabel uit!”
De klingen bliksemden. „Eerste colonne, voorwaarts! In colonne rechts
zwenkt! Marsch!”—De frontlijn brak; de vroolijke krijgschmarsch der
trompetten schalde; Rasinski plaatste zich aan de spits van zijn
regiment en voerde het in statigen optocht de vensters van het paleis
voorbij. Het balkon genaderd, groette hij met den degen en wierp
tevens een warmen liefdeblik naar boven. De gravin wuifde met een
witten zijden doek, dien zij achteloos om den hals had geknoopt. Naar
de schoone oud-poolsche gewoonte, die aan de vrouwen vergunde, den
uittrekkenden krijgsman openlijk een aandenken van hare hand mede te
geven en zoo door de zachte, maar machtige aanblazing uit vrouwelijke
borst den moed hooger te ontvlammen; naar die gewoonte, welke in
vroegere tijden vooral door vorstinnen gehuldigd werd, liet zij den
doek naar beneden fladderen. Rasinski ving dien met zijne sabelspits
op en bond hem om den arm. Een luide kreet van toejuiching ging op.
Dadelijk golfden doeken, strikken, linten, sluiers uit alle vensters
naar beneden. Niet de zuster schonk den broeder, niet de bruid den
verloofde, niet de gade den echtgenoot eene gedachtenis; neen, de
Poolsche schonk die den Pool. Met de lansen, met de sabels vingen de
krijgers de geschenken op. Eene beeldschoone vrouw, met rijke, donkere
haarlokken, die tegenover het paleis aan een venster stond, scheurde
haren sluier doormidden en liet beide helften neerdwarlen. Toevallig
waren juist Lodewijk en Bernard de gelukkigen, die ze met hunne
lanspunten opvingen. De laatste wierp vurige, vlammende blikken en, in
overmoedige stoutheid, zelfs een warmen handkus naar boven; de schoone
lachte betooverend vriendelijk. Lodewijk groette met weemoedigen ernst
en dacht aan eene andere gestalte, die hij misschien voor altijd
verloren had. Bernard riep in het fransch uit: „Ik ben geen Pool, maar
bloed en leven heb ik voor Polen veil.” Zijn loon was eene roos, die
zij van een in het venster staanden struik afbrak en hem toewierp.
Behendig ving hij de bloem in het vallen op, stak haar aan zijne borst,
groette nog eenmaal de bevallige geefster en sprong ijlings weder in
het gelid.

Lodoiska was besluiteloos. Den sluier kon zij niet wegschenken, daar
deze hare diepe droefheid voor de oogen der menigte verborgen hield.
IJlings maakte zij een strik van haren boezem los en liet hem voor
Jaromir neervallen. Maar de nijdige wind voerde het lichte geschenk
weg, en Boleslaw was de gelukkige in wiens hand het geraakte. Hij
drukte den ongehoopten schat aan zijne lippen en wierp het meisje een
vurigen blik toe. Jaromir bemerkte zulks en vatte den argwaan op, dat
het lint niet hem was toegedacht, schoon Lodoiska juist een tweede liet
neerfladderen, dat door een gunstig windje gedragen, zich van zelf op
zijn schouder neerliet. Ras ontvlammend in gramschap als in liefde,
had hij even snel weder vergeven als hij vertoornd was, nam den strik,
dankte de dierbare met wenk en blik, en hechtte, niet weinig trotsch op
dien tooi, het liefdeteeken op zijne borst.

De trein sloeg thans de engere zijstraat in, waar Alisette woonde. Zij
stond aan het raam en zag de ruiters voorbijtrekken. Alle officieren,
die ze kende, knikte zij toe; zij zelve werd, als de bevallige
zangeres, bijna door allen herkend en gegroet. Met fransche vlugheid en
levendigheid wenkte zij nu vroolijk, dan treurig met hoofd en hand, en
wanneer iemand dicht onder hare niet hooge vensters voorbijreed, riep
zij hem ook wel een zoet, welluidend vaarwel toe. Vooral Bernard werd
een buitengewoon vriendelijken groet toegeroepen, dien hij even zoo
beantwoordde, hoewel niet zonder eenig inwendig gevoel van weemoed, dat
hij thans van dit aanvallige wezen wellicht voor altijd scheiden moest.
Zijne vroegere achterdocht zou thans geheel verdwenen zijn, wanneer hij
niet, nog eenmaal omziende, bespeurd had hoe zij van kleur veranderde,
toen Jaromir, die een rot achter hem reed, het venster naderde. Zij
kreeg een krans van rozen en vergeet-mij-niet, dien zij tot hiertoe
verborgen had, te voorschijn, wierp dien den jeugdig schoonen ruiter
toe en zeide hem met woorden en blikken het roerendst vaarwel. Jaromir,
dien èn beschaming èn vreugde de wangen verfde, hield de teugels aan,
sprak eenige oogenblikken met het beminnelijke meisje en dankte haar in
bijna teedere uitdrukkingen.

Hm! dacht Bernard en schudde bedenkelijk het hoofd, vooral toen hij
bemerkte, dat Lodoiska, om de troepen nog verder na te zien, aan
een venster der eetzaal was getreden en het voorval mede aanzag,
zonder dat Jaromir haar bespeurde. Spoedig daarop maakte hij van eene
oogenblikkelijke verwarring, waarin de gelederen door de enge ruimte
der straat gebracht waren, gebruik om op Jaromir toe te rijden en hem
half ernstig, half spotachtig in het oor te fluisteren: „Trouwelooze!
Wat hebt gij gedaan? Dus aan die schoone, verleidelijke Phryne hebt gij
den laatsten afscheidsgroet toegeworpen? Zij is de laatste aan wie gij
hier blijft terugdenken?”

„Neen, waarlijk niet,” riep Jaromir, „nu en eeuwig behoort mijn hart
aan Lodoiska. Maar Alisette was altijd zoo vriendelijk jegens mij!”

„Misschien te vriendelijk! Neem u in acht!” hernam Bernard.

Jaromir glimlachte. „Het heeft geen gevaar! Maar keer thans naar uw rot
terug, want zoo dadelijk komen wij aan de brug van Praga, waarover wij
in goede orde defileeren moeten.”

De voortgang werd nu gestremd, daar de spits op verschillende
troepenafdeelingen stiet, die uit andere straten kwamen oprukken.

De overste Regnard vertoonde zich aan het hoofd zijner colonne. De
marschorde was intusschen spoedig geregeld; Rasinski met zijne lichte
cavalerie rukte vooraan, eene afdeeling dragonders volgde hem, Regnard
met het voetvolk sloot achter deze aan, de artillerie eindelijk vormde
de achterhoede. Het was een verheven schouwspel, toen de trein nu de
brug bedekte, en de prachtige Weichselspiegel de glansrijke gestalten
terugkaatste, die in afwisselende groepen over hem heentogen. Beide
oevers waren door eene tallooze menigte omkranst; tot in de wijde verte
klonk het vroolijk jubelen en juichen; de witte lansvanen glinsterden
in den zonneschijn; het gekletter der wapenen, de hoefslag der paarden,
het ratelend dreunen der kanonnen voltooiden de indrukwekkende
verhevenheid van het grootsche tooneel.



VIERDE BOEK.


HOOFDSTUK I.

Op de goederen van den graaf van Dolgorow, niet ver van Smolensko
aan den Dnieper gelegen, was alles in de grootste opschudding. Twee
narichten, die de bewoners van het slot, alsmede de tot de heerlijkheid
behoorende dorpen voor eenige uren ontvangen hadden, brachten eene
algemeene, hoewel zeer tegenstrijdige ontroering te weeg. Het eene was
verblijdend, want een vooruitgezonden jager meldde de aankomst van den
graaf uit Petersburg. Hij had zich met zijne betrekkingen meer dan
twee jaren buitenlands opgehouden; gedurende dien tijd hadden zijne
lijfeigenen het wel streng, maar naar hunne begrippen rechtvaardig
beheer dikwijls gemist. Zijne nabijzijnde terugkomst verwekte dus
eene algemeene vreugde. Deze werd intusschen zeer getemperd door
eene andere tijding, welke de rentmeester, die in de stad ter markt
was geweest, vandaar had medegebracht. De vijand, heette het, was
werkelijk in het rijk gevallen, de krijg had een aanvang genomen,
en reeds trokken de russische legers, tegen de zegevierende wapenen
van den franschen keizer niet bestand, op alle punten terug. Zooals
gewoonlijk waren de geruchten uiterst overdreven. Men wilde reeds
weten, dat vorst Bagration volkomen geslagen was; volgens anderer
zeggen, moest generaal Barclay de Tolly den maarschalk Davoust bij
Grodno ontmoet en na een bloedigen slag den terugtocht aangenomen
hebben. De grootste ontsteltenis had zich dus van de landlieden meester
gemaakt; want, van de afstanden onkundig, geloofden zij het verderf
reeds nabij. Troepsgewijze schoolden zij voor de poorten van het slot
samen en verlangden raad en uitkomst; de rentmeester had moeite hen tot
bedaren te brengen, en dit gelukte hem slechts door de verzekering, dat
de komst van den heer geen ander doel had, dan om in deze gevaarlijke
omstandigheden voor de zijnen zorg te dragen. Intusschen heerschte
er toch een bangen schrik onder de gemoederen, en de hoogbejaarde
geestelijke van het dorp, Gregorius, had al de waardigheid van zijne
bediening noodig, om de moedeloozen eenigszins op te beuren. „Vreest
niet, mijne vrienden,” sprak de waardige priester, in het midden
van den kring tredend; „Ruriks volk staat onder de bescherming des
Hemelschen Vaders, van Moeder Maria en van alle heiligen. Denkt
gij, dat zij de heilige altaren aan den roekeloozen vijand zullen
prijsgeven? Nimmermeer, zeg ik u, zullen die vreemden den ouden stam
der Russen onder het juk brengen! De heilige Iwan, wiens gouden kruis
te Moskou op den koepel der hoofdkerk staat, is machtiger dan al die
duizenden, die de vreemde veroveraar aanvoert. Ik zeg u, de stem des
verderfs is het, die zij volgen, zij vlamt bloedig voor hen uit en lokt
hen in een gewissen ondergang! Even als de scharen van koning Farao in
de golven der zee omkwamen, zoo zullen ook de boosdoeners versmachten
in onze duizendjarige bosschen, waaraan nog geen bijl geraakt heeft.
De huilende wolf zal aan hunne beenderen knagen, de krassende raaf zal
zich aan hun bloed zat drinken. Want met ons zijn de heerscharen der
engelen, en ons beschermt de gebenedijde Moeder Gods. Daarom moogt
gij niet bevreesd zijn, maar moet u wapenen, als kampvechters van den
heiligen Iwan. Van de Niemen, die Ruriks rijk in het westen begrenst,
tot aan de breede Wolga, tot aan het Uralgebergte, dat aan den
uitersten rand van Europa ligt, zal de vijand geene plaats vinden, waar
hij het hoofd veilig kan neerleggen. Gastvrij is de haard van den Rus,
herbergzaam zijne hut, maar aansteken zult gij ze met het vuur van den
eigen haard, eer zij tot schuilplaats dient aan den vijand, die gekomen
is, om de graven onzer czaren in de heilige stad om te woelen en de
altaren van onzen God omver te halen. Daarom moet gij niet vluchten,
mijne kinderen, maar vechten. Wien de bijl van den man niet neerslaat,
dien moog de vergiftigde maaltijd van de huisvrouw van de aarde
verdelgen. Krijt niet, trekt u het grijze haar niet uit het hoofd en
den baard. Ik zeg u, gij zult leven, gij en uwe kinderen, om gelukkige
dagen te zien!”

Zoo sprak de vurige priester tot het verzamelde volk der Muskovieten,
die hem met verbazing en eerbied aanhoorden; want reeds vijftig jaren
woonde hij in hun midden als een getrouw zielverzorger, en reeds
vierenzeventig malen had hij het ijs der rivieren door de lentezon zien
losdooien.

Het slot lag op eene hoogte, van waar men de bochten van den Dnieper
tot op verren afstand overzien konde. Deze kronkelde tusschen groene,
steile heuvels door, langs welke de landstraat naar Smolensko heenliep;
in het verschiet rezen de torens dier stad, door het avondrood
verlicht, omhoog. Een der landlieden, die zijn scherp oog naar die
zijde gericht hield, riep eensklaps: „Daar komt onze heer!”

Allen wendden de blikken in die richting en barstten in een luid
gejuich los, toen zij drie wagens op de straat zagen naderen. Met
vroolijk geschreeuw snelden zij den heuvel af, om de aankomenden te
begroeten. Het was inderdaad de graaf Dolgorow met zijne gade en
dochter Feodorowna: de beide vrouwen zaten in het eerste rijtuig;
in het tweede bevond zich de graaf en naast hem een vreemde van een
krijgshaftig voorkomen; in het derde volgden eenige bedienden. Zoodra
hij de verzamelde landlieden gewaar werd, liet de graaf de wagens
stilhouden en steeg uit. Met deemoed, de handen over de borst gekruist,
groetten de vasallen hun gebieder en beijverden zich de zoom van
zijn kleed te kussen. De vrouwen bogen en kromden zich met gelijke
deemoedigheid voor de gravin. Feodorowna, eene rijzige gestalte, was
de eenige die deze slaafsche eerbetuigingen niet duldde, maar vrouwen
en meisjes, die haar naderden, vriendelijk de hand reikte. De graaf
wees na eenige minuten de onstuimige genegenheidsblijken zijner
onderhoorigen slechts in zoo verre met koelheid af, als zij hem lastig
begonnen te worden. Intusschen spraken hij en zijne gemalin welwillend
met de lieden en beklommen, tusschen hen doorgaande, den heuvel. Ook de
geestelijke, wiens schreden de ouderdom vertraagde, was thans genaderd,
drong door de menigte heen en begroette den graaf met eerbied, doch
zonder kruipende gedweeheid. „Zie daar vader Gregoor, wees mij welkom,”
sprak Dolgorow. „Ik was bijna bekommerd, dat ik u niet weder zou
vinden, want bij mijn laatste afwezigheid reeds stondt gij aan den
grenspaal des levens. Het verheugt mij, dat deze lentezon ook nog voor
u is opgegaan.”

„Mijne krachten zijn nog onverzwakt,” hernam de priester; „schoon ik
elken dag de roepstem verwacht, die mij voor den troon des Almachtigen
daagt, kan ik toch, Zijner ontferming zij dank, nog op aarde de
plichten vervullen, die Hij mij hier op de schouders heeft gelegd.”

Inmiddels trad Feodorowna nader. „Heil en zegen op uw hoofd, mijn
vader! Hoe innig verheugt het mij, u nog zoo gezond en krachtig weder
te zien.”

„De Moeder Gods zij met u en neme u in hare heilige bescherming,” sprak
de grijsaard en klemde met zijne linkerhand die van Feodorowna vast,
terwijl hij de rechter zegenend op haar hoofd leide. „Gij hebt u wel
bevonden in de hoede van de engelen des Heeren, mijne dochter, en zijt
schooner teruggekeerd, dan gij, als eene teedere spruit, van ons henen
gingt. De heiligen hebben mijne beden verhoord, want dagelijks smeekte
ik hen, u op uwe gangen te geleiden.”

„O, voorzeker zijn uwe vrome beden verhoord, goede vader,” hervatte
Feodorowna met merkbare aandoening, „want God was ons steeds nabij in
gevaren en nood.” Zij scheen meer te willen zeggen, doch een ernstige
blik des vaders, wien de vertrouwelijke toon tusschen zijne dochter en
den priester blijkbaar onaangenaam was, deed haar afbreken en zwijgen.
Op hetzelfde oogenblik trad de vreemde, een schoon, rijzig man in den
bloei der jaren, op haar toe en bood haar den arm, om haar den steiler
wordenden weg verder op te geleiden. De graaf wandelde inmiddels
tusschen zijne vasallen voort en sprak nu dezen dan genen aan, om naar
hunne huiselijke omstandigheden en hetgeen gedurende zijne afwezigheid
voorgevallen was, onderzoek te doen. „Gij hebt uwe vrouw verloren,
Isaäk,” zeide hij tot een reeds bejaarden landman. „Ja, genadige heer,”
was het antwoord, „zij stierf in den verloopen winter, en sedert
ontbreekt eene huishoudster in mijn hut.”

„Uw oudste zoon zal trouwen,” hervatte de graaf; „Wasiliews dochter
kan zijne vrouw worden; ik zal dezer dagen voor de bruiloft zorgen.”
De oude man boog zich nederig bij dit bevel; want dat was het woord
van den heer.

De rentmeester vernam behoedzaam naar de krijgsgebeurtenissen.

„De vijand rukt tegen onze grenzen op,” hernam de graaf; „met man en
macht dringt hij voorwaarts; ik ben hoofdzakelijk hier gekomen, om de
vereischte maatregelen van voorzorg te nemen.”

„Ik hoorde heden morgen in Smolensko...” begon de oude met een
geheimzinnig en tevens bedenkelijk gelaat.

„Denkelijk dezelfde oudewijvenpraat, die ook mij vervolgde,” viel de
graaf hem barsch in de rede, zonder zich verder uit te laten.

De nieuwsgierige rentmeester beproefde nog eenmaal zijn geluk en
vervolgde met een bedrukt gelaat: „Men was hier reeds zeer bezorgd...”

De graaf, niet gewoon, zich met zijne dienstbaren in gesprek in te
laten, keerde hem zonder antwoord den rug toe en sprak den geestelijke
aan: „Ik zal uwe hulp van noode hebben, Gregoor, om den moed mijner
onderdanen staande te houden, vooral wanneer men hen door de
uitstrooiing van ongerijmde sprookjes onnutte bezorgdheid verwekt.”
De rentmeester verschool zich onder den hoop, weltevreden, dat zijne
voorbarigheid niet strenger gestraft werd.

„Ik zal de harten des volks ontvlammen voor het geloof hunner vaderen,
voor den ouden troon der czaren, voor het heiligdom des vaderlands,”
antwoordde de grijsaard.

„Gij zult wèldoen,” hernam de graaf; „doch haat vermag meer dan liefde,
en daarom zag ik liever, dat gij hunne zielen met onverzoenlijken
wrok tegen de vijanden vervullen wildet. Schilder de Franschen af als
roovers, slechts gekomen, om onze velden te verwoesten, onze dorpen
en steden met vuur te vernielen, de kudden weg te voeren, vrouwen en
dochters te onteeren en de mannen te vermoorden.”

„Mochten zij dit alles, mochten zij nog vreeselijker gruweldaden met
ons voor hebben,” hervatte Gregoor, „mijn plicht als priester zou
daarom nog vorderen, vergevensgezindheid en liefde jegens hen te
prediken; maar zij komen als vijanden Gods, als omverwerpers onzer
tempels, en dien gruwel moeten wij wreken; de andere goederen, de
vergankelijke schatten des levens, mogen wij slechts verdedigen.”

Een diepe rimpel op des graven voorhoofd bewees, dat hij met dit
antwoord niet tevreden was. Doch hij zweeg, wel bewust, dat hij eer
eene steenrots dan Gregoors geloofsbelijdenis en godsdienstige meening
aan het wankelen kon brengen.

Middelerwijl had men de slotpoort bereikt en de graaf trad zijne
woonstede binnen, terwijl de landlieden buiten bleven. Slechts
vader Gregoor volgde hem op zijn wenk de trappen op. „Wacht ons in
de eetzaal, vrome vader,” sprak hij; „zoodra wij onze reiskleeding
afgelegd hebben, zullen wij u daar opzoeken. Ik zelf zal binnen eenige
minuten weer bij u zijn, om eene belangrijke aangelegenheid met u te
bespreken.” Met deze woorden verdween hij; de vrouwen begaven zich
eveneens naar hare vertrekken; de vreemdeling werd naar de voor hem
bestemde kamer geleid.

Gregorius trad de zaal binnen, waar hij den graaf moest wachten.
Sinds twee jaren had hij dit gedeelte van het slot niet betreden. Het
vertrek was in een voorvaderlijken, zonderling gemengden stijl gebouwd.
Vier hooge gothische boogvensters zagen naar de rivierzijde op het
landschap uit, zoodat de gloeiende avondhemel zijn gulden weerschijn
in de verwulfde hal wierp. De wanden waren met zuilen van zwart
marmer versierd; in de tusschenruimten hingen de levensgroote, in
ouderwetsche lijsten gevatte beeltenissen van het grafelijk geslacht.
De vloer was van hout; even zoo de lambrizeeringen en paneelwerken,
naar den trant der eeuw van Lodewijk XIV, met vergulde richels
afgezet. Twee reusachtige kroonlichters hingen van het verwulfsel der
zoldering naar beneden; ter weerszijden aan de wanden prijkten zware,
dubbelarmige kandelaars. Het geheel getuigde van pracht en rijkdom,
maar had tevens een somber, bijna huiveringwekkend aanzien, dat zich
zelfs aan de landstreek en den hemel, voor zoover beiden zich in de
gothische boogswijze vensterlijsten vertoonden, mededeelde en, schoon
men zich eerst in Juni, de eigenlijke lentemaand dezer gewesten,
bevond, daaraan een herfstachtigen, treurigen tint verleende.

Gregorius zette zich in een der breede leunstoelen neder en gaf aan
zijne ernstige, sombere mijmeringen den vrijen loop. Vierenzeventig
jaren heb ik geleefd, dacht hij, en mijn werken was vroom en vreedzaam;
geen snood geweld bedreigde de heiligdommen, die aan mijne zorg waren
toevertrouwd. En nu, in de late herfstdagen mijns levens, daar mijn
pad reeds dicht aan den rand van het graf heenloopt, nu moet ik nog
de palm des vredes met het zwaard der wraak verwisselen! Maar Gods
wil geschiede. Hem is de frissche dauw, de zachte regen, de warme
zonnestraal; Hem zijn ook de bliksems en donders van den verduisterden
hemel. Hij zende zijne dienaren tot zegen of ter wrake uit, om de
vromen te bemoedigen en liefderijk tot hem op te leiden of om de
goddeloozen in den afgrond der hel, waaruit zij gekomen zijn, terug te
slingeren: Gregorius zal zijn grijs hoofd gewillig buigen onder den
last, dien de Vader hem oplegt.

Terwijl hij, in deze gedachten verdiept, zijn gelaat naar de
ondergaande zon, het schoone beeld zijns aardschen levens, gewend
had, waren de vleugeldeuren der zaal geopend en was graaf Dolgorow
binnengetreden. Niettegenstaande zijn trotschen gang, niettegenstaande
den heerschersblik, die onder het fiere voorhoofd vlamde, scheen toch
zijn gansche wezen onder den knellenden last van kommer en bezwaren
gebukt te gaan. „Ik heb ernstige dingen met u te verhandelen, vader
Gregoor,” begon hij, driftig op den grijsaard toetredend en hem
verhinderend van zijn zetel op te staan; „wij moeten van dit oogenblik,
dat wij alleen kunnen zijn, gebruik maken.” Dit zeggende greep hij een
stoel en nam tegenover den priester plaats.

„Het is een ernstige tijd,” hernam Gregoor en schudde bedenkelijk het
eerwaardige hoofd.

„Eer wij over zaken handelen, die het land en ons allen betreffen,
heb ik dingen met u te bespreken, die mij in het bijzonder aangaan.
De vreemde heer, die mij verzelt, is de vorst Ochalskoi, overste
in het keizerlijk leger. Ik wil mijne dochter Feodorowna aan hem
uithuwelijken, maar zij zoekt uitvluchten en tracht zich door het
kinderachtig besluit van in een klooster te gaan aan mijne vaderlijke
bevelen te onttrekken. Gij Gregoor, hebt den meesten invloed op haar
hart; van u verwacht ik dus, dat gij haar tot gehoorzaamheid bewegen
zult.”

De priester wilde antwoorden, doch Dolgorow kwam hem voor: „Laat mij
uitspreken, vader. Gij weet wellicht niet, wat ik in deze gevaarvolle
tijden voor het vaderland heb opgeofferd. De vurige begeerte, om in
eene gewichtige betrekking te geraken en eereposten en beambten te
erlangen, waardoor ik deel kon nemen in het bestuur der zaken, deed
mij alles op het spel zetten. Mijn aanzienlijk vermogen is te niet en
nog ben ik niet aan het doel, dat ik mij had voorgesteld. Het huwelijk
mijner dochter met den prins moet het mij doen bereiken; niet slechts
zijn onmetelijke rijkdom, maar ook zijne machtige betrekkingen geven
mij daartoe de middelen in handen; zelfs ben ik reeds op dit oogenblik
door zulke verplichtingen aan hem verbonden, dat ik mij slechts door
hem op het standpunt kan handhaven, waarop ik mij thans bevind. Het
geldt het geluk, de eer des vaders; na deze verklaring zult gij
Feodorowna's plichten uit het juiste oogpunt weten te beschouwen. Op
u stelt zij vertrouwen; van u, vrome vader, verwacht ik hulp. Ik zou
haar kunnen dwingen; doch liefst wil ik dat uiterste vermijden. Ook
vrees ik, dat des vorsten trotschheid hem eene gade zou doen weigeren,
die niet vrije verkiezing, maar nooddwang in zijne armen voert. Want
waarlijk, hij bemint Feodorowna.”

Gregorius zweeg eenige oogenblikken, vervolgens antwoordde hij zacht,
maar met vastheid: „Het grieft mij, vader en dochter in onmin te zien;
maar ik ken Feodorowna's hart; het is groot, edel, zacht en goed.
Heeft zij het aan eene heilige bestemming gewijd, wil zij werkelijk
afstand doen van de genietingen dezes levens, om in de stilte des
kloosters gemoedsrust en zielstevredenheid te vinden, dan mag de
dienaar des Heeren haar van dien naasten en heiligsten weg ter eeuwige
gelukzaligheid niet afkeerig maken.”

De graaf sprong driftig op en blikte den priester met rollende oogen
aan. „Hoe, ook van u ondervind ik tegenstand? Is dat misschien de vrome
roeping van den geestelijke, weerspannige kinderen tegen den vader in
bescherming te nemen? Maar weet, wilt gij het tot het uiterste drijven,
ik doe het ook, en de tijd zal leeren of de hardnekkigheid van een
meisje, door een priester ondersteund, den ijzeren wil eens vaders
breken kan.”

Gregorius zag den graaf ernstig, maar bedaard aan. „Gij verstaat mij
zeer verkeerd, heer graaf,” antwoordde hij, „wanneer gij gelooft,
dat ik de ongehoorzaamheid eener dochter tegen den vader verdedigen
wil; veeleer het tegendeel. Maar ik wil haar beproeven en zien of zij
werkelijk een gebod van haren Vader in den hemel vervult; en dit zult
gij toch toestemmen, dat Zijne bevelen meer kracht hebben, dan de uwe.”

De graaf knarsetandde van woede en stapte onstuimig de zaal op en
neder, terwijl Gregorius bedaard zijne plaats hield, en, daar de
stralen van het avondrood op zijne zilveren lokken neervielen, in zijne
ernstige, vrome houding een heilige geleek. Dolgorow trad weder op hem
toe en sprak met gedwongen kalmte: „Wees verstandig, Gregorius, schik u
naar mijne wenschen. Herinner u, dat gij mij nog veel te vragen hebt.
Uw wensch, de kerk vernieuwd te zien, zal niet slechts vervuld, maar
zelfs verre overtroffen worden. Van den grond af zal ik haar prachtig
opbouwen, het Lieve vrouwenbeeld.....”

„Wilt gij den Heer des hemels en der aarde omkoopen?” hervatte
Gregorius, het hoofd schuddende. „O heer graaf, reeds dertig jaren woon
ik op dit goed, en nog kent gij mij zoo weinig. Uw vader.....”

„Het is genoeg,” viel Dolgorow hem grimmig in de rede. „Ik hoopte met
goedheid mijn doel te bereiken, uwe stijfkoppigheid dwingt mij tot
geweld. Welaan dan, gij moogt uw zin doen, en Feodorowna mag beproeven
of zij macht heeft, den vader weerstand te bieden, die haar huwelijk
onherroepelijk besloten heeft.”

„De keus van een echtgenoot hangt van u af,” hervatte Gregorius; „doch
haar wil is vrij; verlangt zij ongehuwd te blijven en den sluier aan te
nemen, zij mag het; want zij is vrij geboren en niet uwe lijfeigene.”

„Zij is....” barstte de graaf, door Gregorius' onveranderlijke
bedaardheid nog meer verbitterd, in woede uit, maar bedwong zich
eensklaps, daar de deur geopend werd en de gravin binnentrad. „Wij
spreken er morgen verder over,” sprak hij haastig, doch zacht, en
ging zijne echtgenoote te gemoet. Met de behendigheid eens hovelings
wist hij de hartstochtelijke beweging zijner ziel onder een vroolijk,
welwillend lachje te verbergen en sprak haar op de ongedwongenste wijze
aan. „Nu, lieve, wees welkom in deze welbekende zalen. De menigvuldige
zorgen, die ons zoo lang ontrustten, zullen, hoop ik, niet verhinderen,
dat wij ons hier eenige dagen recht thuis en tevreden gevoelen.”

„Ook ik hoop het,” hervatte de gravin, „ofschoon ik de toekomst met
zorg en kommer te gemoet zie. Wat zullen de eerstkomende maanden,
die anders slechts het schoone brengen, niet al de rampen over ons
vaderland uitstorten!”

„Daarvoor zal, vertrouw ik, de winter, die ons anders zoo ruw en
barsch toeschijnt, voor ditmaal de weldadige beschermer van ons land
worden. De verschrikkingen, die Rusland boven het hoofd hangen, komen
ons vreeselijker voor dan zij inderdaad zijn; de vijand weet niet,
achter welke wallen en muren dit rijk zeven maanden lang elken aanval
trotseeren kan. Wij zullen misschien den oogst van een jaar, den
tienjarigen wasdom van onze onmetelijke bosschen verliezen; meer ducht
ik niet. Geven wij dien vijand dezen grond voor één zomer ten beste,
den naastvolgenden zal hij ons dien, door zijn bloed gemest, des te
vruchtbaarder teruggeven. In veldslagen mag de groote wereldveroveraar
onoverwinnelijk zijn; laat zien of hij ook op velden van zand en asch
oogsttijd houden, of hij zijne soldaten onder den vrijen hemel tegen
den noordschen herfst, laat staan tegen den winter beschutten kan.
Hij moet, terwijl wij spreken, over de Niemen zijn getrokken; het is
zijn Rubicon; Caesars schijngeluk nam een droevig einde. Niet waar,
eerwaarde vader,” wendde hij zich tot Gregorius, „ook gij hebt hoop,
dat Rusland dezen kamp roemrijk zal ten einde brengen.”

„De kracht des volks en de genade van God zullen het staande houden,”
hervatte de geestelijke. „Wanneer alle gemeenten tegen de bloedige
verdelgers onzer heiligdommen zoo handelen, als ik het van de mij
toevertrouwde schaar verwachten mag, dan zouden de heirscharen van
Xerxes niet toereikend zijn, om ons vaderland ten onder te brengen.”

Vorst Ochalskoi trad, in de uniform van zijn regiment, de zaal binnen.
Dolgorow verwelkomde hem en trok hem dadelijk in het gesprek. „Het
verheugt mij,” ging hij hierop voort, „dat gij reeds uit eigen beweging
werkzaam geweest zijt, vader Gregoor; want eene hoofdreden, waarom ik
thans mijne goederen bezoek, is, daarover met u te spreken en u den wil
des keizers omtrent het een en ander mede te deelen. In den grooten
krijgsraad te Petersburg is besloten, den _schijn_ der overwinning
zoo lang mogelijk aan den vijand te laten, ten einde de _zekerheid_
des te gemakkelijker voor ons zelven te kunnen behouden. Onze legers
zullen hem dus slechts daar weerstand bieden, waar hij elk voordeel
met tallooze offers betalen moet; te vergeefs zal hij op een slag
hopen, te vergeefs in rustelooze marschen dag en nacht de krachten van
zijn leger uitputten, om het eeuwig voor hem uitzwevende schijnbeeld
der overwinning te grijpen. Nergens zal hij eene rustplaats voor de
vermoeiden vinden, overal moet hem de ledige, schrikbarende wildernis
ontvangen, tot eindelijk moedeloosheid en muiterij de banden tusschen
leger en veldheer losknoopen.”

„De hemel geve,” sprak de gravin half zuchtende, „dat het plan gelukke,
dat zoo vele offers niet vruchteloos zijn mogen!”

„Wat zal er worden opgeofferd,” hernam Ochalskoi, „dan eenige weinige
dorpen en steden, die tegen de onmetelijke uitgestrektheid van ons rijk
in het niet verdwijnen! En hun, die verliezen moeten, zal de genade des
keizers rijkelijk vergoeding schenken.”

„Doch waar blijft Feodorowna?” vroeg Dolgorow, die reeds meermalen
onrustig naar de deur gezien had. „Ga naar boven,” gebood hij den
bediende, die aan de deur postvatte om op den eersten wenk des
meesters bij de hand te zijn, „en zeg aan gravin Feodorowna, dat hare
tegenwoordigheid ons hoogst aangenaam zal zijn.” De bediende ging en
berichtte na eenige minuten, dat de gravin eenige meisjes uit het dorp
bij zich had.

„Waarschijnlijk de gespelen harer jeugd,” zeide de moeder, „welke zij
dadelijk heeft laten ontbieden.”

„Dan zullen wij nog een uur geduld moeten hebben,” sprak Dolgorow
gemelijk. „Ga in allen gevalle zeggen, dat wij de gravin bij het
avondeten wachten, en draag zorg, dat de tafel spoedig gereed zij. Want
ik denk,” hiermede wendde hij zich tot de overigen, „dat gij allen even
hongerig en vermoeid zijt als ik, die door de reis inderdaad een weinig
overspannen ben.”


HOOFDSTUK II.

Op hare kamer gekomen, had Feodorowna dadelijk haar kamermeisje
uitgezonden om eenige meisjes te roepen, die met haar in het slot
als gespelen waren opgevoed. Het lot dezer arme kinderen scheen haar
uiterst droevig, want nadat zij het geluk van eene betere betrekking
en hoogere beschaving ten halve gesmaakt hadden, moesten zij in den
nu eerst recht drukkenden stand der lijfeigenschap terugkeeren en
de akelige woningen en ruwe bezigheden der behoeftige ouders tot de
hare maken. Het waren drie dochters van landlieden, met wie zij de
gelukkige, zorgelooze uren harer jeugd doorleefd had: Kathinka, Olga en
Axinia. Alle drie waren van haren leeftijd; Kathinka en Olga, goede,
schuldelooze wezens, doch door de bekrompene, slaafsche denkwijze, die
den lijfeigenen door alle betrekkingen des levens wordt opgedrongen,
bijna geheel verstompt. Zij ontvingen de bewijzen van liefde en de
geschenken, haar door Feodorowna medegebracht, met eene deemoedige
dankbaarheid, zonder den moed te hebben hare blijdschap te uiten.
Axinia daarentegen toonde eene diepe innerlijke aandoening; zij was
dankbaarder voor de liefde dan voor de gaven; echter drukten de tranen,
die haar wangen bevochtigden, ook nog iets anders uit. Feodorowna, die
met deelneming naar alles onderzoek deed, wat tot de omstandigheden
harer drie voormalige gezellinnen betrekking had, trachtte ook de reden
van Axinia's kommer uit te vorschen. Maar het schuwe meisje blikte
beschaamd en blozend ter aarde, barstte in tranen uit, doch zweeg en
zuchtte uit beklemde borst.

Juist op dit oogenblik trad de bediende binnen, die haar het verzoek
van den graaf om bij het avondeten te verschijnen, overbracht.

„Men wacht misschien op mij?” vroeg Feodorowna.

„Zijne genade,” antwoordde de dienaar met eene diepe buiging, „heeft
althans bevolen, ten spoedigste op te dragen.”

„Bericht mijnen vader, dat ik terstond zal komen.” De bediende
verwijderde zich. „Ik moet u thans laten gaan,” sprak zij tot de
meisjes, „maar morgen in de vroegte komt gij mij weer bezoeken. Zoolang
ik hier blijf, hoop ik u ten minste elken dag ééns te zien.”

De meisjes gingen, slechts Axinia aarzelde en scheen nog iets op het
hart te hebben. „Begeert gij nog iets, mijne lieve?” zeide Feodorowna,
de besluiteloosheid van het meisje bespeurende, en nam haar vriendelijk
bij de hand.

Axinia, in tranen stikkende, was niet in staat te antwoorden; zij
sidderde merkbaar. „Wilt gij het mij alleen toevertrouwen?”—„Ja, ja!”
riep de weenende.—„Nu, kom dan morgen zeer vroeg, of als gij durft,
wacht mij hier op mijne kamer tot na het avondeten. Den ganschen nacht
door blijft het licht en Kathinka zal uw vader wel waarschuwen, dat gij
later te huis komt.”

Dankbaar kuste Axinia de hand harer weldoenster en smeekte te mogen
blijven. Feodorowna vergunde haar zulks en snelde hierop naar beneden,
om hare ouders niet te laten wachten. Toen zij in de zaal trad, werd de
tafel reeds gedekt; de vader hoorde hare verontschuldiging wegens het
lang vertoeven met somber stilzwijgen aan; Ochalskoi voegde haar eenige
hoffelijke uitdrukkingen toe, op dien kouden toon, welke tot juister
maatstaf van het gesprokene verstrekt, dan de woorden zelve. Men zette
zich aan tafel; het gesprek was gedwongen en koel. Het knellend gevoel
van innerlijke tweespalt, dat de aanwezigen drukte, belemmerde elke
vrije en warme ontboezeming van het gevoel. Zelfs Gregorius was niet in
staat de vertrouwelijke toenadering zijner kweekelinge zoo hartelijk
te beantwoorden, als anders na lange afwezigheid het geval placht te
zijn, want ook hem verontrustte de gedachte aan de mededeelingen,
welke de vader hem gedaan had. Zoo was de maaltijd spoedig afgeloopen,
en men groette elkander even koel als men bijeen had gezeten.
Gregorius vertrok en nam een hartelijk afscheid van Feodorowna. Zijne
medelijdende blikken ontroerden haar, want zij verstond die. O God!
alles, wat hare ziel lijden moest, had zij aan die ouders te wijten,
voor welke zij van hare jeugd af de vurigste liefde gekoesterd, wie
zij duizend offers gebracht had! Om hare tranen te verbergen, trad
zij aan een der vensters en vestigde het oog op de landstreek, die
nog altijd in de roodachtige schemering van den avondhemel gloeide,
daar de zon in deze noordelijke streken slechts een weinig onder den
horizont daalt, zoodat avond- en morgenrood als inéénsmelten en den
ganschen luwen Juninacht met een zacht schijnsel verlichten. De stroom
wentelde zijne ruischende golven tusschen de steile heuveloevers
voort; twee visschersbooten doorkliefden met regelmatige riemslagen
zijne zwellende vlakte; een gier-arend met breed uitgespannen vlerken
zweefde statig boven de woudkruinen van den anderen oever; de torens
der vesting Smolensko rezen als zwarte basalt-rotsen uit de vuurzee
van den avondhemel omhoog. Eene plechtige stilte heerschte over de
gansche landouw. Feodorowna blikte weemoedig over de velden heen,
waar zij de dagen harer kindsheid doorleefd had. „Ach,” zuchtte zij
heimelijk, „is mijn hart dan een vreemde plant op dezen bodem? Heeft
hij het niet gekweekt? Of hebben zachter zeden en warmer streken mij
zóó ontaard, dat ik moet wegkwijnen in het ruwe noorden? De wieg mijner
dagen lacht mij niet vroolijk meer toe als voorheen, maar schijnt mij
zwart en donker, als moest zij mijn graf worden. Is dan niets waar en
eeuwig in de natuur? Bedriegen zelfs de heiligste banden? Goedertieren
God! vergeef mij; maar gelijk de plaats mijner geboorte mij vreemd is
geworden, zoo is het mij ook, als de heilige bron mijns levens troebel
wordt, alsof het hart van het kind niet meer warm en vrij voor de
ouders kan slaan. Koud als eene slang bekruipt dat gevoel mijne borst!
Zou het dan waar zijn, dat er nog slechts een _plicht_ der liefde voor
mij bestaat, maar dat deze zelve geheel in mij is uitgedoofd? Neen,
neen! Dat kan, dat mag niet zijn, het is slechts de eeuwige vijand, die
mij verblindt. De natuur is heilig, waar, rechtvaardig, slechts ons
hart ontaardt. Hemelsche Moeder Gods, louter het mijne, doe de oude,
heilige liefde daarin weder ontbranden, die het schuldelooze kind zoo
gelukkig deed zijn.”

Een groot, edel besluit was in dit oogenblik in hare ziel tot rijpheid
gekomen; biddende, berouwvol, weenende wilde zij zich aan de voeten der
moeder en des vaders werpen en van hunne liefde afsmeeken, wat zij zich
tot hiertoe voorgenomen had door eigen standvastigheid te verkrijgen.
Haastig wendde zij zich om; de zaal was ledig; slechts de bedienden
waren nog bezig de tafel af te nemen. Hare ouders en vorst Ochalskoi
hadden zich reeds onverschillig, zonder nachtgroet verwijderd. Hevig
geschokt nu zij de vurige ontboezeming, de volle uitstorting van haar
overkropt hart op zulk een grievende wijze verhinderd zag, kostte het
Feodorowna moeite, hare uiterlijke bedaardheid te behouden. Eensklaps
echter rees de zacht vertroostende gedachte bij haar op; er is immers
ook eene ongelukkige, die verzachting van haar lijden van mij verwacht;
ik wil haar vriendelijk aan dit hart drukken; wat haar kwelle of
beangstige, bij mij zal zij die liefde vinden, waarnaar ik zelve zoo
vruchteloos uitzie.—Met deze gedachte ging zij naar boven, om Axinia's
klachten aan te hooren.

Toen zij hare kamer opende, zag zij het meisje voor een Mariabeeld
geknield liggen, dat tegenover de deur in eene nis geplaatst was. Om
haar niet te storen, bleef Feodorowna aan den ingang staan. Axinia
knielde zoo, dat slechts een klein deel van haar gelaat zichtbaar
was, dat echter door het zachte schijnsel, dat van ter zijde door de
vensters inviel, tooverachtig verlicht werd. De sneeuwwitte armen
had zij omhoog geheven en de handen gevouwen; het hoofd was naar de
hemelsche beschermvrouw gekeerd. In twee sierlijke vlechten golfde
het rijke, bruine haar over den nek naar beneden. Behoedzaam trok
Feodorowna de deur achter zich toe en deed zachtkens eenige schreden
voorwaarts, zoodat zij het gezicht van het meisje nu bijna geheel van
ter zijde kon opnemen. Thans eerst bespeurde zij de koude, versteende
tranen, die het arme kind op de bleeke wangen hingen, welke zelfs de
heldere gloed van den avond die haar omgaf, niet vroolijk kleuren
wilde. Haar boezem zwoegde onder bange, diepe zuchten, de lippen
bewogen zich al fluisterend tot een gebed; het oog hing zoo strak
en roerloos aan het gelaat der hemelsche moeder, hare ziel was zoo
geheel van de buitenwereld afgetrokken, dat zij de komende nog niet
bemerkt had, toen deze reeds naast haar stond. Eerst toen Feodorowna
haar toefluisterde: „Axinia, gij bidt?” rees zij verschrikt op, stond
sidderend voor de liefderijke meesteres en wilde zich deemoedig
nederbuigen om hare hand te kussen.

„Neen, neen, dat niet,” sprak Feodorowna, nam haar vriendelijk in de
armen en blikte haar met onbeschrijfelijke teederheid aan, „wees weder
de oude vertrouwelijke vriendin. Stort uw gansche hart voor mij uit,
mijn goed meisje, want ik zie, gij hebt diepen kommer!”

„Ach, gij zult mij verstooten, zult mij verachten,” snikte Axinia,
rukte zich los en wrong wanhopig de handen.

„Axinia, wat deert u, spreek, verklaar u,” vroeg Feodorowna met
angstvol vermoeden.

„Neen, neen, ik kan niet,” riep de ongelukkige en bedekte haar gloeiend
gelaat met beide handen.

Wat waren er nog woorden noodig! Elke trek van het onder angst,
schaamte en wanhoop bezwijkende meisje sprak te duidelijk. „Axinia, gij
zijt gevallen! Gij?” sprak Feodorowna met smartelijke ontroering, doch
zonder verwijt.

Het meisje zeeg, als bezwijmende, aan hare voeten neder.

„Vertreed de rampzalige in het stof,” riep zij woest en onstuimig;
„ach, wees barmhartig en laat mij niet langer bidden!”

Feodorowna boog zich tot haar neder en trachtte haar op te richten. „O
gij ongelukkige! Sta op, wees bedaard; gij hebt troost bij mij gezocht,
ik zal u niet van mij stooten.”

„Neen, laat mij aan uwe voeten liggen!” riep Axinia en klemde zich,
het gelaat in de plooien van haar kleed verbergende, aan Feodorowna's
knieën vast.

Feodorowna legde hare beide handen als zegenend op het hoofd der
knielende en sprak diep ontroerd: „God richt uwe schuld. Mijn hart, dat
zelfs menschelijk dwaalt, zal u niet veroordeelen; ik wil met u weenen,
wil uwe smart lenigen, als dit in mijn vermogen is. O, gij waart goed,
Axinia, gij waart goed ook jegens mij. Gij hadt een zacht, gevoelig
hart; het kan niet slecht geworden zijn. Ik wil u niet van mij stooten,
daar ik weet, wat het hart der ongelukkige zoekt. Stel vertrouwen in
mij, sta op, wees geheel openhartig; dat is de eerste schrede der
berouwvolle afgedwaalde.”

Axinia hief het gelaat langzaam omhoog en zag naar Feodorowna op. „O,
gij zijt zacht en goed, als eene heilige,” riep zij, terwijl heete
tranen haar over de wangen rolden, bedekte de hulpvaardig uitgestrekte
hand met kussen en liet zich door de liefderijke gebiedster oprichten,
daar hare bevende knieën haar die dienst ontzeiden. Feodorowna leidde
haar naar eene rustbank en zette zich bij haar neder.

Lang duurde het, eer de ontroering en schaamte Axinia vergunden,
de bekentenis harer zwakheid af te leggen. De graaf had een jongen
Duitscher, met name Paul, als tuinier in dienst, dien hij zeer
begunstigde. Deze koesterde sinds lang eene vurige genegenheid voor
de bevallige Axinia, schoon haar vader, Wasiliew, zich tegen beider
verkeering verzette, daar de graaf afwezig en diens toestemming tot een
huwelijk volstrekt noodzakelijk was. Zijn verblijf was toenmaals aan de
bewoners der goederen geheel onbekend, daar hij sinds jaren reeds in de
verst verwijderde landen van Europa rondreisde. Ook koesterde de oude
bezwaren, wijl Paul de protestantsche godsdienst was toegedaan. Axinia
intusschen was door de innigste liefde aan den jongeling verbonden,
en onderhield met hem eene heimelijke, teedere betrekking. Toen nu de
naderende lente alle levensgeesten met zoete krachten vervulde, kreeg
ook in de jeugdige gemoederen de hartstocht op het strenge verbod
der plichten de overhand. Paul, wiens duitsch hart zich niet met de
slaafsche gezindheid der lijfeigenen vereenigen kon, geloofde bovendien
het recht van den vrijen mensch te mogen uitoefenen en vertrouwde, dat,
wanneer Axinia eens door de banden der liefde zijne vrouw was, zich
ook de wetten naar zijn wil zouden voegen. Met koene onstuimigheid
bestormde hij het zwakke, teedere meisje; haar wederstrevende wil werd
zwakker en zwakker en gaf zich ten laatste krachteloos aan de zoete
bedwelming van het hart over. Zijn gloeiende beden, zijne vurige kussen
overwonnen hare tranen, hare bange zuchten; en te laat ontwaakte zij
uit die smartelijk zalige verdooving, te laat ontdekte zij de adder,
die onder de rozen schuifelde, waarop zij was ingesluimerd.

Met stommen doodsangst in de borst, hield zij zich nu in huis van haren
vader verscholen en zag zelfs den geliefde niet weder. Jammervolle
nachten volgden op treurige dagen. Zoo verliep er eene maand. Paul
zwierf intusschen stom en radeloos om. Het bericht, dat de graaf
terugkeerde, deed de hoop herleven. Den meester, die hem liefhad,
wilde hij alles bekennen, van zijne gunst de geliefde afsmeeken.
Onder de schaar der landlieden snelde hij hem met bange verwachtingen
te gemoet. Daar was het eerste woord, dat hij uit den mond van zijn
gebieder hoorde, de belofte, om zijne geliefde, Wasiliews dochter,
aan den zoon des ouden Iwans tot vrouw te geven. Dat de graaf zulke
besluiten, zulke toezeggingen niet terugnam, was hem maar al te goed
bewust. In doodsangst ijlde hij naar Axinia, die, terwijl de overigen
de aankomende heerschappen begroetten, stil en treurig te huis was
gebleven, daar zij het niet wagen durfde, de anders zoo vurig beminde
gebiedster onder de oogen te treden. Terwijl hij nog in stomme
vertwijfeling bij het meisje vertoefde en met haar vruchteloos op raad
en uitkomst zon, kwam Feodorowna's boodschap, die de oude speelnoot
naar het kasteel riep. Door de kracht der liefde bemoedigd, door het
gestadig nader komende onheil tot handelen gedreven, besloot Axinia aan
hare meesteres alles te ontdekken, en door de zwakke schemering van
hoop, aan dit besluit verbonden, opgebeurd, spoedde zij zich naar het
slot.—Thans had zij het volvoerd en voor haar ongeluk vertroostende
deelneming, voor hare afdwaling liefderijke vergiffenis gevonden.

Nadat Feodorowna deze bekentenis had aangehoord, trachtte zij de
radelooze door vriendelijke toespraak op te beuren. „Alles kan
misschien nog geschikt worden, Axinia; morgen zoo vroeg mogelijk zal
ik mijn vader bidden, dat hij uwe verloving met Paul inwillige; voor
de belofte, welke hij aan den ouden Iwan gedaan heeft, zal wel eene
andere vergoeding te vinden zijn. Denkt mijn vader als ik, dan zal
hij uwe verbintenis met Paul voor een plicht houden, waaraan hij zich
niet kan onttrekken. Ga nu naar huis en leg u welgemoed ter rust;
voor dezen avond is het te laat, maar morgen in de vroegte wil ik
Paul laten roepen en zelve met hem spreken. Goeden nacht dan, Axinia.
God heeft uwe tranen, uw berouw gezien; Hij zal u vergeven. Hebt gij
bittere nachten, troostelooze dagen te doorworstelen gehad, geloof
vrij, dat gij niet de eenige ongelukkige op deze aarde zijt.” Haastig
wendde zij zich om, bedekte het gelaat met haren zakdoek en liet het
afgematte hoofd op het kussen nederzinken. Axinia greep diep geroerd
en vol dankbaarheid de krachteloos neerhangende hand harer gebiedster,
overdekte ze met kussen en tranen en verliet snikkend het vertrek.—In
het slot was alles reeds in diepe rust; het kamermeisje, Jeannette,
eene duitsch en fransch sprekende Zwitsersche, die Feodorowna eerst
voor eenige weken te Petersburg in haar dienst had genomen, wachtte
nog in de voorzaal op de bevelen harer gebiedster. Zij geleidde Axinia
tot aan de groote poort, die de oude portier gemelijk opende. Naar
den vastgestelden regel van het huis, die, vooral nu de heer zelf
was teruggekeerd, met stipte nauwkeurigheid werd in acht genomen,
bevonden zich alle dienaars en beambten reeds in hunne woningen. Hoe
gaarne Axinia haren vriend van de gelukkige wending van haar lot
onderricht had; hoe stellig zij zich overtuigd hield, dat hij met bange
angstvalligheid daarop wachtte, was haar dit thans toch niet meer
mogelijk; haastig, door het late uur een weinig huiverig, sloop zij dus
naar de vaderlijke hut, waar zij, voor het eerst sedert eene maand,
den nacht doorbracht, zonder weenend en in hopeloozen jammer op hare
legerstede te waken.


HOOFDSTUK III.

Feodorowna was laat ingesluimerd; zij ontwaakte dus eerst, toen de zon
reeds hoog aan den hemel stond. Toen zij haar kamermeisje schelde,
trad deze snikkend en met tranen in de oogen binnen. „Wat deert u,
Jeannette?” vroeg zij verwonderd.

„Ach, genadige gravin, hoe gruwelijk wordt men hier in dit land
mishandeld! De ongelukkige man zal er voorzeker het leven niet
afbrengen!”

„Wie?” vroeg Feodorowna ongeduldig; „wat is er gebeurd? wie wordt
mishandeld?”

Onder snikken en beven stamelde Jeannette: „Mijnheer de graaf is
al te driftig! O hemel, als dat mij eens gebeuren moest! De arme
jongen—veertig zweepslagen! Hij viel al zoo bleek als een doek op den
grond, toen mijnheer de graaf het bevel gaf!”

Feodorowna was meer dood dan levend. „Wie, wie?” riep zij buiten zich
zelve, trad verbleekend terug, toen Jeannette Paul, den tuinier,
noemde, en zou in onmacht zijn neergezegen, wanneer het meisje haar
niet in de armen had opgevangen. Echter was die bezwijming slechts
eenige oogenblikken van duur; met geweldige inspanning vermande zij
zich en riep: „Geef dadelijk bevel, dat men ophoude; ik verantwoord
het! Vlieg, vlieg naar beneden, eer het te laat is.”

Jeannette vloog als een ree de voorzaal door, de trappen af, het
plein op, waar drie knechts juist bezig waren den ongelukkige aan den
geeselpaal vast te binden.

Intusschen kleedde Feodorowna zich in allerijl aan, wierp een sluier
om en spoedde zich met wankelende schreden naar haren vader. Zij vond
hem in hartstochtelijke gemoedsbeweging het vertrek op en neder gaande.
Met een gramstorigen blik en de barsche vraag: „Wat wilt gij?” werd de
komende ontvangen.

„Genade voor een ongelukkige, mijn vader! O, trek uw overijld bevel
weder in; het was niet uw menschelijk hart, dat u zulk een vonnis deed
uitspreken.”

„Kent gij zijne misdaad?” riep de graaf met rollende oogen. „Al die
vreemden zijn huichelaars en verraders; het uur is gekomen, dat de
wraak hen treft. Zoo zij er op steunen, dat onze wet hen niet geldt,
zullen zij ten minste ondervinden, dat onze macht hen straffen kan,
en dat zij, die aan geen wetten willen gehoorzamen, ook door geene
beschermd worden. Liet ik zulk een vergrijp tegen den geheiligden
persoon des meesters ongestraft, ik was waard, dat mijne vasallen
mij verachten. De hand tegen zijn gebieder op te heffen! Er ontbrak
slechts, dat eene dochter, die de kinderlijke gehoorzaamheid
verloochent, nog voor weerspannige, oproerige schurken partij trekt!”

Feodorowna, hoezeer door dit ruwe antwoord verschrikt, verloor toch
den moed niet, maar trachtte nog eens door eene roerende bede op het
hart van den vader te werken. „Ik ken de misdaad van den ongelukkige
niet, ik weet slechts, dat zijne straf gruwzaam, dat zij afgrijselijk
is. Hebben de zachte zeden van vreemde landen u niet afkeerig gemaakt,
mijn vader, van die bloedig strenge wetten, waaronder de bewoners van
dit land zuchten? Ik had mij heden bovendien reeds voorgenomen, u
eene weldaad voor den armen Paul af te smeeken. Zijn lot is zoo nauw
verbonden aan dat.....”

„Het schijnt, dat gij in verstandhouding staat met mijne losbandige
dienaars,” riep de graaf verontrust. „Dus kent gij reeds vroeger dan
ik de misdaden, die hier bedreven worden! Wie heeft het gewaagd, mijne
dochter tot vertrouwde te maken van wanbedrijven, die het vrouwelijk
oor zelfs niet mag hooren noemen?”

Feodorowna bloosde van gramschap en schaamte tevens. Met het fiere
bewustzijn van eigenwaarde wilde zij antwoorden, doch zij bedwong die
opwelling en sprak op zachten toon: „De vriendin mijner jeugd, dierbare
vader, de ongelukkige Axinia bekende mij gisteren avond onder tranen
van angst en vertwijfeling haren misstap. Was het niet natuurlijk dat
zij haar hart in een zusterlijk gezinden boezem uitstortte? Neen, mijn
vader, zoozeer zult gij uwe dochter niet miskennen, dat gij zulk een
krenkenden argwaan omtrent haar koesteren kunt!” Dit zeggende blikte
zij den vader zoo smartelijk met hare blauwe, vochtige oogen aan,
dat zijne toornige aandoening door eene zachtere aandoening scheen
getemperd te worden. Ernstig vervolgde hij: „Ik had den lichtzinnige,
die als vreemdeling de eer van een russisch meisje zoo gering schatte,
dat hij ze met voeten dorst treden, wellicht vergiffenis geschonken,
wanneer hij met deemoed en tijdig zijn misdrijf bekend had. Waarom liet
hij mij gisteren mijn woord geven? Heb ik dat ooit aan den geringsten
mijner vasallen gewroken? Kan ik het ooit, zonder voor mij zelf te
blozen? Maar de dolkop, te laf om rondborstig voor zijne schuld uit
te komen, waagt het niet den mond te openen, waagt het niet, wat hij
toch licht had kunnen doen, naar Petersburg te schrijven en mij het
voorgevallene te berichten! En heden morgen, voor dag en dauw, komt
hij als razend bij mij, begeert onstuimig, wat hij met diepen ootmoed
smeeken moest, en daar ik het hem met gestrengheid weiger, stuift hij
in dolle woede op mij in en bedreigt met dat gindsche mes mijn leven!”
Dolgorow wees op een snoeimes, dat op de tafel lag.

„O, vergeef de waanzinnigheid der vertwijfeling,” bad Feodorowna,
„en bekroon het werk uwer genade door eene nog schoonere daad van
menschelijk mededoogen!”

„Genoeg,” hervatte de graaf met vastheid, „het recht hebbe zijn loop!
Inderdaad, eene liefdevolle dochter, die den moordenaar haars vaders
beloond wil zien!”

„O, almachtige God der genade,” riep Feodorowna en wrong wanhopend de
handen; „zoo moet dan het afgrijselijk, onmenschelijk vonnis volvoerd
worden en mijn smeeken kan den ongelukkige niet redden! Vader! vader!
Er is een God in den Hemel; Hij zal u richten, gelijk gij gericht
hebt! Op welke genade kunt gij hopen, wanneer gij uw hart tegen het
medelijden verstaalt? O land des jammers, waar de willekeur geen
grenzen kent! Vader, verhoor de bede uwer dochter, oefen het goddelijk
recht der genade uit!” Feodorowna stond bleek en bevend, met smeekend
opgeheven armen voor den vader en was gereed aan zijne voeten neder te
zinken, toen het angstvolle geschrei eener vrouwelijke stem zich in de
gang hooren liet en Axinia eensklaps met vliegende haren het vertrek
binnenstormde.

„Ontferming! ontferming!” kermde zij. Hare stem verstikte in ademlooze
angst; onstuimig klemde zij het gelaat aan de voeten des gebieders,
die haar, in het gevoel van zijn onrecht, maar te trotsch, om aan de
stem der menschlievendheid gehoor te geven, gramstorig aanblikte.
„Laat mij los, ontuchtige deerne!” riep hij. „Weet het mijner
ontferming dank, dat ik uwe schande door een eerlijk huwelijk verbergen
wil!” Krachteloos liet Axinia de armen los en sloeg een strakken,
vertwijfelingsvollen blik naar boven; thans eerst werd zij Feodorowna
gewaar. „O, bid, bid voor mij!” steende zij, poogde zich op de knieën
tot haar voort te slepen, maar zeeg uitgeput en bewusteloos op den
grond neder.

[Illustratie: Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan
              den wand geleund.]

Feodorowna kampte met een vreeselijk besluit; haar boezem golfde, zij
rilde krampachtig. Eindelijk waggelde zij met onzekere schreden op den
vader toe. „Vader!” riep zij, „erbarmen, vader!—Ik wil, ik moet,—o,
op deze pijnbank wordt mij het _ja_ ontwrongen!—Welaan dan, het zij
zoo! Het geldt hier de redding van twee schuldelooze offers! Ik
kan ze niet laten bloeden.—Ik mag niet.—Genade voor hen—en ik ben
Ochalskoi's gade!” Als een ijskoud marmerbeeld zonk zij in Dolgorows
armen.

Deze liet haar op een stoel neerglijden en schelde. „Ga naar beneden en
laat den tuinier Paul losbinden; zijne straf is voorloopig uitgesteld,”
riep hij den dienaar toe. „Roep ook de kamenier der gravin; mijne
dochter is ongesteld geworden!”

Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand
geleund; de armen hingen machteloos bij haar neder, de donkerblauwe
hemel van het oog was door het gesloten ooglid bedekt. Axinia lag
nog steeds in doffe bedwelming op den grond. Een tijger zou deze
aanblik van hartverscheurenden jammer, dit aandoenlijke beeld van
zelfopoffering en lijdzaamheid vermurwd hebben, maar op de koude,
door het bederf der in de hoogere standen heerschende liefdeloosheid
van jongs af versteende en vergiftigde borst van Dolgorow gleed de
pijl, als op een ijzeren pantser, af. Het zal wel voorbij gaan, dacht
hij en hield Feodorowna's smart voor de dwaasheid eener dweepster;
terwijl Axinia's jammer hem geen de minste aandoening veroorzaakte,
daar zij tot een soort van wezens behoorde, welke hij nimmer anders
dan als eigendommen beschouwd had. Hij verheugde zich slechts, dat
deze toevallige gebeurtenis de hinderpalen uit den weg ruimde, die hem
nog gisteren hadden doen wanhopen aan de bereiking zijner plannen,
en ijlde haastig naar Ochalskoi, om ook dezen van het voorgevallene
te onderrichten, terwijl hij aan de juist binnentredende Jeannette
de zorg voor haar gebiedster overliet. Deze sloeg weldra de oogen
weder op en beijverde zich nu ook Axinia weder in het leven terug
te roepen. Toen het meisje eindelijk uit hare verdooving ontwaakte,
blikte zij verwilderd in het rond en scheen met de oogen een voorwerp
te zoeken, dat zij niet vermocht te noemen. Aanvankelijk was haar oor
voor de troostende toespraak van Feodorowna doof en gevoelloos; zij
wist niet, wat de ijdele klank der woorden, die zij vernam, moest te
kennen geven. Eindelijk toch, toen de gravin haar toefluisterde: „Wees
gerust, Axinia, de akelige droom is voorbij; gij zult gelukkig zijn!”
keerde haar bewustzijn terug. In den roes der verrukking en met heete
vreugdetranen wierp zij zich aan de borst harer weldoenster, die de
beide armen opende en haar liefderijk aan het hart sloot. „Gij zult
gelukkig zijn, Axinia!” riep zij nog eenmaal met een onbeschrijfelijk
smartelijk gevoel. Maar gij weet niet tot welk een prijs! klonk het
snijdend in haar binnenste. Lang hingen beiden wang aan wang, borst
aan borst; de machtige, overstelpende golven der smart en der vreugde,
waaraan hare harten ten speelbal verstrekten, hadden elken dam, die
anders beider levensbedding scheidde, overstroomd, en als geredde
schipbreukelingen omarmden zij elkander aan het strand, waarop de
vloed des levens haar had uitgeworpen. Ten laatste begaven Feodorowna
de krachten en zij smeekte: „O, breng mij naar mijne kamer! Ik ben
zeer uitgeput!”—Goedertieren hemel! dacht zij, heb ik dan niet op de
folterbank gelegen, tot mij de smart mijn eigen doodvonnis afperste!
Maar zij zweeg, en geen geluid verried het onmetelijk offer, hetwelk
zij aan de menschelijkheid gebracht had. Langzaam geleidde Jeannette en
Axinia haar naar hare kamer; hier vond zij eenzaamheid en rust, om een
helderen blik op de ontknooping van het verwarde raadsel van haar lot
te werpen.


HOOFDSTUK IV.

De plechtstatige verloving zoude dadelijk plaats hebben; de
huwelijksvoltrekking zelve vorderde wegens de noodzakelijk daarmede
gepaard gaande plechtigheden een langer uitstel, en men moest den tijd,
waarop dit feest het gevoegelijkst kon gevierd worden, vooralsnog aan
den loop der omstandigheden overlaten. Dat Feodorowna haar woord weder
zoude intrekken, daarvoor was de vader niet beducht, daar hij wist, dat
zij, bij de gestrengheid harer grondstellingen, eene gedane belofte te
heilig achtte, om die, onder welk voorwendsel ook, te verbreken.

Dolgorow en Ochalskoi gingen, om haar de heugelijke tijding mede te
deelen, naar het vertrek der gravin, die, gewoon laat op te staan, van
het voorgevallene nog niet het geringste vernomen had.

Middelerwijl had Feodorowna op hare kamer een treurig uur met Axinia
doorgebracht en inmiddels ook den ganschen samenloop der omstandigheden
vernomen, welke deze haar onderhoud met den vader zoo onverhoeds
had doen afbreken. Om Paul van hetgeen de gravin voor beider geluk
wilde doen te onderrichten, had zij reeds van den vroegen morgen eene
gelegenheid gezocht om hem te spreken; maar telkens was haar dit
mislukt. Juist wilde zij ten derdenmale naar het slot gaan, toen de
rentmeester, Pauls gezworen vijand, haar bij de poort ontmoette en het
bericht van 's graven bevel haar met honende woorden mededeelde.

Nauwelijks had zij deze verpletterende tijding, welker samenhang met
haar eigen noodlot zij maar al te wel bevroedde, vernomen, of zij zag
ook reeds den armen Paul op het plein aan den schandpaal.

Dit te zien, de trappen op te vliegen, door de schaar der bedienden
heen te dringen, in 's graven vertrek te stormen en zijne knieën te
omarmen, was het werk van eene minuut geweest. Gelukkigerwijze had
Jeannette het bevel der gravin, om Pauls straf op te schorten, nog
tijdig genoeg overgebracht; men had hem onverwijld losgebonden en in
een klein vertrekje gevoerd, waar hij thans nog als gevangene bewaakt
werd. Axinia was in den beginne nog eenigszins over zijn lot bekommerd,
maar liet zich spoedig gerust stellen, daar Feodorowna haar niet alleen
plechtig verzekerde, dat hem verder geen haar zoude gekrenkt worden,
maar ook tevens, in het bewustzijn van thans volkomene vrijmacht
tot handelen te hebben, door Jeannette liet geven, den gevangene
onmiddellijk op vrije voeten te stellen en bij haar te zenden.

Dolgorow liet zijne dochter bij zich verzoeken. Zij ging met een
bloedend hart, doch bedaard, bleek, doch zonder tranen. De ouders waren
alleen. Zij vond den vader vriendelijker dan ooit, ook de moeder scheen
vergenoegd. „Gij wilt nu gehoorzaam zijn, wilt onze wenschen vervullen,
Feodorowna?” sprak deze vleiend. Het was sinds maanden het eerste woord
van liefde, dat de minnende dochter uit den mond der moeder hoorde.

„Ja, mijne moeder,” hernam zij; „ik wil thans het geluk van mijn leven
opofferen aan eene verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken mocht.
Maar ik maak het tot eene uitdrukkelijke voorwaarde, dat ik thans over
het lot der ongelukkigen vrij en ongehinderd beschikken mag.”

„Het is u vergund,” sprak Dolgorow bijna met teederheid.

„Nog eene tweede voorwaarde moet ik maken,” ging Feodorowna voort. „De
schrede welke ik op het punt ben te doen, moet ik met bedaardheid, met
vrouwelijke waardigheid volvoeren; ik mag ook niet met een door smart
verwrongen gelaat voor mijn bruidegom treden; want mijne gelaatstrekken
zouden het ja mijner lippen te bitter tegenspreken. Het zoude hem
beleedigen, en dat wil ik niet, want van het oogenblik af, dat ik hem
tot echtgenoot kies, ben ik hem achting verschuldigd; mijne te hevige
smart zoude aan deze te kort doen. Daarom eisch ik drie dagen om mijn
hart tot bedaren, mijne ziel tot kalmte te brengen; de vrome toespraak
van vader Gregorius zal mij dien zwaren kampstrijd lichter maken. Op
den vierden morgen ben ik bereid, den verlovingsring met Ochalskoi te
wisselen; tot zoo lang verlang ik stilte en eenzaamheid.”

„Ook dit staan wij u toe,” sprak de vader; „gij weet, uwe ouders
hebben u altijd liefgehad, en slechts uwe hardnekkige, onbegrijpelijke
ongehoorzaamheid kon hun hart van u vervreemden.”

Feodorowna sloeg haar oog ten hemel en zuchtte diep. O, hoe gaarne
had zij aan deze woorden geloof gehecht; maar zij gevoelde, het was
onmogelijk, want hunne handelwijze streed daarmede te zeer. Hoe hadden
minnende ouders hun kind jaren lang aan een duldeloos lijden kunnen ten
prooi geven? Ook was geen blik van liefde in hunne oogen te lezen; het
woord alleen bootste de doode vormen der teederste neiging na.

Zij keerde naar hare kamer terug.

In het woonvertrek trad Paul haar bleek en met kommervolle
gelaatstrekken te gemoet; hij was te zeer door den storm der woedendste
hartstochten geslingerd geworden, om uit eene eerste schemering
van hoop moed te kunnen vatten. Eerst thans, nu Feodorowna hem de
verzekering gaf, dat zijn lot geheel in hare macht stond, keerde het
vertrouwen in zijn hart, het bloed in zijne wangen terug. Zij beval
hem, haar te volgen; in hare kamer gekomen, voerde zij zelve hem op de
blozende Axinia toe en legde beider handen ineen. „Zijt gelukkig!—Gij
waart niet zonder schuld, doch hebt zwaar daarvoor geboet. Laat nu uwe
liefde door den heiligen band des huwelijks inwijden. Vervolgens, Paul,
verlaat gij dit land en keert naar dat uwer geboorte terug. Wee hem,
die het vaderland doemen moet; wel hem, die een ander toevluchtsoord
kent! Beschermen kan ik u slechts, zoolang ik hier bij u ben; dit zal
misschien maar voor eenige weken zijn. Zoodra gij dus den weg geopend
ziet, trekt gij naar die landen, waar eene zachte wet voor _allen_
waakt. Laat mij thans alleen; gaat, weest gelukkig!”

Zij wendde zich af om de smart te verbergen, die haar overweldigde.

Beschaamd en blozende, doch op den toon der innigste liefde, vroeg
Axinia nog eenmaal: „Hebt gij mij waarlijk alles vergeven? Ach, en
verdien ik het ook? O, zie mij nog eens vriendelijk aan!”

Feodorowna richtte het hoofd op en lachte haar door tranen vriendelijk
toe. „Uw hart is rein! Gij bemint! Om der liefde wil wordt ons veel,
veel vergeven. Ik vergeef u alles. En al kon de bloesem van uw geluk
slechts uit mijn graf ontspruiten—nog uit het stille, koele graf zou
ik u zegenen. Doch gaat, gaat!”

Zij verlieten stilzwijgend het vertrek.

„Hemelsche beschermster! Genadige moeder Gods!” riep Feodorowna thans
en boog hare knie voor het Mariabeeld, „geef mij troost en kracht. Aan
uwe genaderijke goedheid geef ik mij over. Gij zult mij niet verlaten
in den kouden, akeligen nacht des levens. Uw zacht gesternte zal over
mij lichten, ook als de gansche hemel verduistert!”

Na dit gebed drong een troostvolle kalmte in hare borst. Dankbaar
gevoelde zij dat er eene hand is, die onze brandendste wonden vermag
te heelen, een oog dat over ons waakt, ook in de donkerste diepte
van den afgrond. Van tusschen de grijze, dreigende nevelwolken harer
toekomst brak een lichtstraal door en deed eene zachte kiem der hoop
in hare ziel ontspruiten. Wanhoop niet, riep het haar toe, schoon ook
uw sterfelijk oog geen pad meer ziet, dat u tot een gelukkig doel kan
voeren, achter dezen donkeren nevelsluier rust immers de hemel in zijne
eeuwige klaarheid. Een ademtocht des Almachtigen en het wolkenfloers
opent zich, en boven u glanst het reine, blauwe gewelf des aethers met
zijn koesterenden zonnegloed.

Feodorowna trad aan het venster. De lente tooide het aardrijk en
verleende daaraan, zelfs in deze noordsche wildernis, de frischheid der
jeugd. De stroom liet zijn donkerblauwen band door de groene velden
wapperen; de toppen der dennen werden door een zacht koeltje bewogen;
uit de struiken klonk het gefluit der meerlen; boven de velden verhief
zich de leeuwrik; zwaluwen kruisten over den spiegel des waters; aan de
steile, groene heuvelzijden, die naar den stroom afdaalden, graasden de
kudden; overal waarheen het oog zich wendde, zag men leven, vreugde,
liefde! Juist riep de statige toon der kerkklok ter vroegmis, want het
was feestdag! Eene zoete weemoedigheid beving de lijdende; de beelden
en droomen der jeugd drongen met de oude, heilige kracht in haar hart;
zij vergoot zachte tranen. Met elken droppel, die haar oog ontvloeide,
werd hare borst meer verruimd, voelde zij haar geloovig vertrouwen
terugkeeren. „God is mij nabij,” riep zij getroost en bemoedigd: „ik
ontwaar zijne zegenende kracht. Moed dan, Feodorowna, gij hebt naar
Zijn gebod gehandeld. Hij zal u niet verlaten.”

Hierop besloot zij naar de kerk te gaan en in de gebeden der
landslieden te deelen.

Toen zij terugkeerde was alles op het slot in drukke beweging. Een op
het plein vastgebonden kozakkenpaard deed haar de aankomst van een
renbode vermoeden. Nauwelijks was zij dan ook op hare kamer gekomen,
of haar vader trad binnen en sprak haar in dezer voege aan: „Gij
weet, mijne dochter, dat ik gewoon ben mijn gegeven woord stiptelijk
te houden; thans kom ik echter, om mij ten deele daarvan te laten
ontslaan. Gij wildet drie dagen voor u zelve hebben. Gaarne had
ik die toegestaan. Maar voor eenige minuten is een bode, door den
generaal aan ons afgezonden, met brieven voor mij en Ochalskoi hier
aangekomen. De vijand is werkelijk over de Niemen getrokken en rukt
met onbegrijpelijke snelheid voort. Dit dwingt ons, nog heden naar het
leger te vertrekken; mijne afreize is noodzakelijk, die van den graaf
nog meer. Onder zulke omstandigheden zult gij gewisselijk van het u
verleende uitstel afzien, daar het voor mij van het grootste belang is,
deze zaak zoover mogelijk geregeld te zien, eer ik mijn leven en dat
van uw toekomstigen gemaal aan den onzekeren uitslag van een veldtocht
prijs geef.”

Slechts door de kinderlijk vrome gemoedsstemming, waarin zij zich op
dit oogenblik bevond was het voor Feodorowna mogelijk, den wensch haars
vaders te vervullen. Echter liep haar eene koude rilling over de leden
en niet dan met moeite kon zij antwoorden: „Wanneer het zijn moet, ben
ik gereed te gehoorzamen. Laat mij nog slechts een uur alleen, mijn
vader!”

„Wij zullen ons inmiddels tot de afreis gereed maken,” hernam deze,
„want elke minuut is ons thans kostbaar. Na verloop van een uur zal ik
u laten roepen.” Hij verliet het vertrek.

Feodorowna zonk uitgeput op een stoel neder. Zij had den moed gehad
het offer te brengen, het oogenblik der onherroepelijke beslissing
vernieuwde den smartelijken kampstrijd in hare borst. „Nog is
terugkeeren mogelijk—nog kan dit hart kiezen—,” riep zij en wrong de
handen, „één uur verder, en alles is voorbij!—Neen, het is thans reeds
voorbij, want gij hebt uw onschendbaar woord gegeven. Volbreng dan met
gelatenheid den plicht, dien de drukkende arm des Almachtigen u oplegt.
Hij alleen, die uw hart verbrijzelt, vermag het weder te heelen,
vertrouw u aan Hem toe!”

Zij schelde. Jeannette verscheen.

„Gij moet mij voor mijne verloving opschikken, meisje,” sprak zij
weemoedig glimlachend, „binnen een uur spreek ik het beslissend ja uit.”

Jeannette vermoedde, wat er in het hart harer meesteres omging, en
verrichtte heimelijk weenende hare kleine diensten.

„Welk kleed?” vroeg zij.

„Het zwarte... neen, het witte; ik treur immers om niemand, ik ben
immers zelve het offer. O ware ik eene bruid, die men voor het graf
tooide!”

Het was een uitroep van diepen, hartverscheurenden jammer, die der
lijdende ontvoer. Duizelend zonk zij in Jeannette's arm en weende aan
hare borst.

Na eenige minuten richtte zij zich weder op en wierp een vromen blik
op het Mariabeeld, dat juist door eenige zonnestralen beschenen werd.
„Een troost, een hoop blijft ons immers nog over,” zuchtte zij, „waarom
zoude ik dan versagen? Na dit aardsche lijden moet het uur komen, dat
gij uw kind tot eene eeuwige zaligheid tot u roept.”

Van nu af bleef zij bedaard. Schoon als eene lelie vertoonde zij zich
in het licht zijden gewaad. Aan Jeannette's arm zweefde zij naar de
zaal, waar zij hare ouders, Ochalskoi en Gregorius reeds bijeen vond.
Stilzwijgend begroette men elkander.

„Ik wensch, dat vader Gregorius mijne verloving inzegene, schoon dit
anders niet gebruikelijk is,” verzocht Feodorowna vriendelijk, maar op
een toon, die geene weigering toeliet.

De priester sprak eenige woorden. Hierop werden de ringen gewisseld
en de bruid duldde zonder tegenstand den kus en de omarming van hem,
aan wien zij zich thans zoo plechtig had overgeleverd. In zijne armen
verbleekte zij echter, haalde diep adem, wankelde, en bewusteloos moest
men haar naar hare kamer dragen.

Zij werd aan de zorg der moeder overgelaten, want reeds trappelden de
paarden voor den wagen, waarin Dolgorow en Ochalskoi onverwijld naar
het leger afreisden.


HOOFDSTUK V.

Het was op den 22sten Juni dat Rasinski met zijne ruiterschaar
op de hoofdcolonne des legers stiet, welke de keizer in persoon
aanvoerde. Een bevel, onderweg ontvangen, had zijn marsch verhaast. De
overige corpsen, Regnards regiment, de artillerie en twee escadrons
zware cavalerie konden hem niet zoo ijlings volgen. De zon daalde
reeds achter de blauwe bosschen, die den westelijken gezichteinder
begrensden, neder, toen men van eene verhevenheid het fransche leger
voor het eerst gewaar werd. Tot zoover het oog reikte bedekten de
zwarte troepenmassa's de zachte helling, welke aan deze zijde der
heuvelreeksen, die den oever der Niemen begrenzen, langs den zoom van
het uitgestrekte woud van Pilwiski heenloopt. Rasinski was met Bernard
en Lodewijk, die hij gewoonlijk als zijne ordonnansen gebruikte, het
regiment ongeveer duizend schreden vooruitgereden. „Groote hemel!”
riep hij uit, „welk eene wereld onder de wapenen! Ziet, vrienden,
ziet daar voor ons. Wel eene mijl strekt zich de linie der dicht
opééngesloten colonnes uit. Ziet van weerszijden zijn nog ontelbare
massa's in aantocht. Welk een reusachtige geest, die de krachten van
zoo ontelbaar vele duizenden alle in het middenpunt van zijn wil
vereenigt! Alle talen van Europa kunt gij in dit wereldleger hooren.
Van de Ebro en den Vesuvius, van de zonen der Alpen en Pyreneeën tot
aan de Slavonische stammen, die onze barre vlakten bewonen, heeft elke
stad, elk dorp, elk gehucht zijne kinderen gezonden, en allen volgen
in gloeiende geestdrift of stomme onderwerping den wenk des gebieders.
Zij gehoorzamen hem vrijwillig, zij vertrouwen op hem, als op een God,
voor wien de mensch zich buigt, ook zonder hem te doorgronden!—Ziet
de heerlijke artillerieperken, die daar de hoogte zijn opgestegen; ik
begroot de sterkte op vier- tot vijfhonderd vuurmonden, en toch is het
nauwelijks de helft van het geschut, dat Napoleon medevoert, om dood en
verderf op den vijand te braken.”

Rasinski hield stil en zag opmerkzaam in het rond. „Daar, over die drie
boomen, ligt Kowno; vermoedelijk zal het hardnekkig door de Russen
verdedigd worden. Ginds loopt de weg van Königsberg, die zich in het
gindsche bosch met den onzen vereenigt. Het gehucht daar beneden in
het woud heet Pilwiski; die spitse toren links behoort tot het stadje
Schirwindt. Neemt de ligging der plaatsjes nauwkeurig op, vrienden,
misschien moet ik er u nog dezen nacht heenzenden, daar de staf er
waarschijnlijk legeren zal.”

Terwijl Rasinski zijne geleiders op deze wijze met de landstreek bekend
maakte, was zijn regiment genaderd. Hij plaatste zich thans aan de
spits en liet het in geregelde orde naar het leger voortrukken.

Eer hij de uiterste posten had bereikt, kwam hem een stafofficier te
gemoet rennen. „Ik ben gelast, heer overste,” sprak deze hem aan, „u de
plaats aan te wijzen, waar gij voor uwe troepen het bivak kunt opslaan.
Wij waren reeds van uwe komst verwittigd. Op gindschen heuvel, naast de
keizerlijke garde, is uwe legerplaats.”

Rasinski besefte dadelijk de eervolle onderscheiding, die in deze
aanwijzing gelegen was, en gaf zijne vreugde daarover onbewimpeld te
kennen.

Door den stafofficier begeleid, rukte het regiment thans midden
door het leger voort. Deze doortocht leverde een uiterst bont en
afwisselend schouwspel op. De lange rijen van zwaar geschut, door dicht
opeengepakte perken van munitie-wagens afgebroken, moest men eerst
voorbijtrekken. „Dat zijn de ijzeren knoken van het oorlogsmonster,”
sprak Lodewijk tot Bernard.

„Of veeleer zijne vuurbrakende kelen,” hernam deze. „Ik ben zonderling
te moe,” vervolgde hij na eenige oogenblikken; „terwijl ik dit
voorportaal van den krijg binnentrek, kom ik mij zelf, tegenover deze
reusachtige strijdkrachten, eensklaps zoo geheel nietig en onbeduidend
voor, verlies ik zoo geheel het gevoel van zelfstandigheid en eigene
wilskracht, dat ik mij bij een armzaligen notendop vergelijken kon,
die op den onstuimigen oceaan drijft. Maar voor mijn teekenboek zal
ik genoeg te doen krijgen, want elke tien passen zie ik een kostelijk
genrebeeld en merk, dat men maar ééns door eene legerplaats behoeft te
rijden, om een Filip Wouwerman te worden, wanneer men er overigens het
penseel toe heeft en nog geen is.”

Thans was men de eerste bivakken der infanterie genaderd en kon men
de groepen opnemen, die zich om de vuren gelegerd hadden. In de
verte hoorde men de half verwaaide tonen der veldmuziek, die den
marseillaanschen marsch speelde. Op den voorgrond lagen een dozijn
grenadiers om een helder vuur uitgestrekt. Een baardig sappeur roerde
ijverig in den blikken kookketel en was telkenreize genoodzaakt, zijn
langen baard voor de opwakkerende vlam in zekerheid te stellen; eenige
jonge borsten, die zijne verlegenheid bespeurden, dreven den spot met
hem. Een tamboer had het omwonden hoofd op den randsel neergevlijd en
sliep; zijne kameraden hadden hem met houtskool een monsterachtigen
knevel gegeven. Twee anderen stonden overeind en worstelden met de
handen. De overigen zaten of lagen in een breeden kring en beschouwden
al geeuwend het voorbijtrekkende regiment, zonder dat dit voor hen
alledaagsche gezicht hunne nieuwsgierigheid bijzonder scheen gaande te
maken.

Eenige schreden verder was eene andere groep gelegerd en luisterde
aandachtig naar den muzikalen kunstenaar, die op eene kleine dwarsfluit
de romance: „_Il pleut, il pleut bergère_,” blies. Dit geliefkoosde
liedje scheen de teederheid van een sergeant te ontvlammen, die achter
den kring zijner gelegerde kameraden voor eene hupsche markententster
de fijnste vleitaal uitkraamde en haar met eene zekere vaderlijke
welwillendheid de kin streelde, schoon zijne flonkerende oogen eene
geheel andere gezindheid jegens het vlugge meisje te kennen gaven.
Zij knikte vroolijk met het kleine hoofdje naar de maat der muziek en
bekommerde zich weinig om den minnaar, wiens stoute hand zij slechts nu
en dan afwerend terugsloeg.

„De liefde is overal thuis,” sprak Bernard glimlachend; „ook op het
bivak schiet zij hare wortels. De altijd dorre grond, waarop zij niet
voort wil, schijnt mijn hart te wezen; bloesems van gelukkige liefde
althans heeft mijn herbarium nog bitter weinig aan te wijzen.”

Lodewijk zweeg en gaf zich aan de sombere gedachten over, die Bernards
zeggen in hem verlevendigd had.

„Nu, lomperd,” riep deze een weinig verdrietig, toen een stevige
dragonder hem op een gespierd brouwerspaard zoo dicht langs het lijf
reed, dat de onzachte aanraking hem bijna uit den zadel deed tuimelen.
De vent liet zich echter den lomperd getroosten en draafde zonder om te
zien zijns weegs.

„Zie daar zoo'n plompen, ongelikten vlegel met zijn lange beenen over
den dikken slepersknol hangen,” bromde Bernard; „de vent rammelt mij
armen en beenen stuk met zijn olifant.”

„Dat zijn de kleine beleefdheden van het leger,” riep Jaromir lachende.
„Gij zult ze u zoolang getroosten moeten, tot gij ze zelf leert
uitdeelen.”

„Pah!” hernam Bernard; „in dat opzicht ben ik als meester geboren en
gelijk sommige echo's, die het geluid niet slechts vermenigvuldigen,
maar ook versterkt teruggeven. Een vlegel krijgt mij gewoonlijk in een
brandspiegel te zien, waarin ik hem de grimmigste bekken toetrek.”

Een bivak der ruiterij volgde, waar de paarden in lange rijen aan
lijnen stonden. Het snuiven en hinniken der rossen maakte het
schouwspel levendiger. Toen het regiment naderde, rukte een der dieren
zich los en wilde zich onder de broederlijke gelederen scharen;
dadelijk waren eenige dragonders bij de hand om het te grijpen; maar
het sloeg achteruit, wierp eenige veldketels om, zoodat de juist
gereede avondsoep over den grond stroomde, en vloog vervolgens in
gestrekten ren den heuvel af. De infanteriebataljons, die in de
nabijheid lagen, hieven een jubelend gelach over deze jacht aan en
trachtten het schuwe dier door geschreeuw terug te jagen. De poolsche
ruiters zagen eveneens lachend naar het schouwspel om, toen het
commando:

„Richt u! Oogen rechts!” hen eensklaps in de strenge boeien van
den dienst legde. Het was een fransch generaal, dien Rasinski naar
krijgsgebruik groeten wilde. Hij reed op een prachtigen appelschimmel,
welks tuig en schabrak met gouden versieringen en borduursels bedekt
waren. Groetend bracht hij de hand aan den hoed en monsterde de
manschappen in het voorbijrijden met een groot, opmerkzaam oog. De
forsche, gespierde gestalte, de ernstige, vurige blik, de strenge
rimpels op het hooge voorhoofd, dit alles te zamen verleende hem het
voorkomen van persoonlijke meerderheid, dat zelden nalaat den soldaat
een onbepaald vertrouwen op zijn aanvoerder in te boezemen.

Lodewijk, op wien deze verschijning een buitengewonen indruk gemaakt
had, vroeg zachtjes aan Boleslaw, die naast hem reed: „Wie is die
generaal?”

„De maarschalk Davoust, prins van Eckmühl,” antwoordde deze met een
ernstig, veelbeteekenend gelaat, dat de eerbied te kennen gaf, dien ook
hij voor den beroemden veldheer koesterde.

„De maarschalk Davoust,” fluisterde Lodewijk Bernard toe, en beiden
staarden hem met gespannen aandacht na, tot hij zich in het gewoel des
legers verloor.

Het begon reeds duister te worden, toen het regiment de plaats
zijner bestemming bereikte. De ruimte, welke het beslaan mocht, was
reeds zorgvuldig afgebakend. Men bevond zich namelijk op een heuvel,
die, op de kruin vlak en kaal, rondom door kreupelhout omzoomd
werd. Ettelijke honderd schreden verder had men op den top van een
anderen, eenigszins hoogeren heuvel de tent des keizers opgeslagen.
De driekleurige vlag hing van die tent neder; twee grenadiers der
oude garde hielden wacht aan den ingang. Hoofdofficieren, adjudanten
en ordonnansen gingen zonder ophouden af en aan. Bernard hield het
oog onwrikbaar op de plek gericht, waar het lot van Europa op dit
oogenblik beslist werd. Intusschen bleef hem niet lang tijd tot ijdele
bespiegelingen; de aangenaamste taak voor den soldaat, het aanleggen
van het bivak, moest worden aangevangen. De stallingen voor de paarden
werden door piketpalen en uitgespannen lijnen afgedeeld; men regelde
de stookplaatsen, eenige haalden hout en stroo, anderen brachten water
aan. Weldra vlamden de vuren lustig op: de makkers schaarden zich
in een breeden kring, vertrouwelijke gesprekken werden aangeknoopt,
men werd vroolijker en vroolijker. Een goede dronk, dien Rasinski
deed uitreiken, verhoogde de onbezorgde, luchtige stemming; ja zelfs
jubelende krijgsliederen werden aangeheven, tot het invallen van de
duisternis en de vermoeienissen van den dag den slaap deden neerzinken,
die de woelige onrust van het leger in eene zwijgende stilte herschiep.


HOOFDSTUK VI.

Middernacht was voorbij. Aan een groot vuur, onder een breed getakten
eik, lag Rasinski in zijn mantel gewikkeld op het schrale legerstroo
uitgestrekt en sliep, zonder door het dak eener hut of tent tegen
de koude nachtlucht beschut te worden. Boleslaw, Jaromir, Bernard en
eenige jonge officieren waren om hem heen gelegerd.

Een ordonnans trad in den kring en vroeg Lodewijk, die juist de
vuurwacht had, naar den overste. Nog eer hij antwoorden kon, sprong
deze, wiens lichte sluimering door het noemen van zijn naam was
afgebroken, van zijne harde legerstede op. „Wat is er?” vroeg hij.

De ordonnans reikte hem een verzegelden brief over, dien hij bij het
schijnsel van het vuur openbrak. „Zeer wel, kameraad! Ik zal komen,”
sprak hij, na den inhoud doorloopen te hebben.

De bode verwijderde zich; Rasinski riep zijn rijknecht. „Zadel dadelijk
mijn paard,” gebood hij dezen; „en ook gij, mijne vrienden,” hiermede
wendde hij zich tot Lodewijk en Bernard, die intusschen ook ontwaakt
was, „tuigt uwe vossen, wij moeten terstond op weg.”

Haastig sprongen zij overeind en ijlden naar de omheining. Binnen
weinige minuten keerden zij te paard terug; Rasinski zat reeds in
den zadel. De overige officieren waren wakker geworden en opgestaan.
„Tegen het aanbreken van den dag ben ik waarschijnlijk terug,” sprak
de overste; „mocht er gedurende mijne afwezigheid iets voorvallen,
zoo hebt gij u bij den ritmeester Negolinski, als den oudsten van het
korps, te vervoegen. Hij is reeds gewaarschuwd. Tot wederziens!”

In stap reden zij den heuvel af, het hout door op de tent van den
keizer aan.

„Hoe laat is het?” vroeg Rasinski.

„Half twee,” hernam Bernard.

„Dan komen wij nog te vroeg. Te twee ure, in de eerste schemering, wil
de keizer de Niemen verkennen. Ik ben gelast mij aan zijn gevolg aan
te sluiten, daar ik met de landstreek bekend ben.—Ik verzoek u de
hoogst mogelijke stilte, mijne vrienden; want in dergelijke gewichtige
oogenblikken, wanneer hij zijne reusachtige plannen ontwerpt, haat de
keizer alle gedruisch.”

De jongelingen werden door dit gezegde in eene ernstige spanning
gebracht. Voor de eerste maal zouden zij thans getuigen van een dier
grootsche oogenblikken zijn, waarin Europa's beheerscher de eerste
draden van een koen, reusachtig weefsel uitspande. Zij werden als
het ware in de werkplaats der wereldgeschiedenis gevoerd, zouden de
schijnbaar nietige bronwel der gebeurtenissen naderen, die, tot een
oceaan aangewassen, bestemd was, het lot van gansche volkeren op zijne
bruisende vloeden te wiegen.

Stom en zwijgend hielden zij, door nacht en woud heen, tusschen rechts
en links flauw schemerende legervuren door, op de tent des keizers aan.
Daar gekomen, vonden zij reeds verschillende generaals en officieren
verzameld. Eenige minuten later kwam de keizer te voorschijn en wierp
zich in den zadel. Het begon reeds te dagen, echter was de gansche
landstreek nog met een grauwen sluier, dien de morgennevel hier en daar
verdikte, omtogen. In minder dan een vierde uurs had men de boschrijke
hoogten bereikt, die den loop der Niemen verzellen. Mat glanzend, de
half verdoofde starren flauw terugspiegelend, blonk de schoone stroom
tusschen de donkere oevers.—Aan genen oever begint het Russische
gebied.

De keizer hield op de hoogte stil en zag eenigen tijd opmerkzaam in
het rond. Vervolgens snelde hij in korten galop den heuvel af en op
de rivier toe. Toen zijn paard de moerassige vlakte van den oever
bereikte, zonk het eensklaps met de voorpooten daarin weg, viel, en
slingerde zijn ruiter ter aarde.

Een oogenblik scheen elk door dit voorval, dat zoozeer het aanzien
van een noodlottig voorteeken had, geheel onthutst. Rasinski
was zoo verrast, dat hij als onwillekeurig uitriep: „Een Romein
zoude terugkeeren!” Het zwijgen dat in den kring heerschte, en de
morgenstilte, die elk geluid zoo gereedelijk voortplant, bewerkten,
dat deze woorden door allen verstaan werden. Zelfs den keizer, die ras
opgesprongen was, moesten zij niet ontgaan zijn; want verwonderd zag
hij om, zonder echter iets te zeggen. Bedaard steeg hij weder op zijn
paard en zette de grondverkenning voort. Hij riep Rasinski tot zich en
sprak lang en levendig met hem. Een uur reed hij langs den oever voort;
vervolgens wierp hij zijn paard om, rende een heuvel op, wenkte den
maarschalk Berthier tot zich en beval, terwijl hij met de hand op den
stroom duidde, dat met het aanbreken van den dag op drie punten van
den oever, welke hij uitdrukkelijk aanwees, bruggen moesten geslagen
worden. Hierop keerde hij naar zijne tent terug, en Rasinski reed met
zijn geleide weder naar het bivak.

In gespannen onrust liep de dag voorbij. De tent van Napoleon
werd opgebroken. Hij begaf zich naar eene in de nabijheid gelegen
boerenwoning, die hij van tijd tot tijd verliet, om een rit door het
leger en den moed der soldaten door zijne tegenwoordigheid aan te
wakkeren. Het werd zwoeler en zwoeler. De drukkende hitte der lange
zomerdagen van het noorden dreigde alles te verstikken; de zon schoot
gloeiende pijlen. Amechtig lagen de troepen op den grond uitgestrekt;
de verzorging van paarden en wapenen was de eenige bezigheid; doch ook
deze vermoeide in de verzengde lucht. Elk schaduwgevend plekje werd
zorgvuldig opgezocht; een frissche dronk was de eenige verkwikking,
waarnaar men streefde. In Egypte, in Syrië, niet in het noordelijk
Rusland, scheen men krijg te voeren.

Eindelijk werden de schaduwen weer langer, de zon neigde ten ondergang.
Tegen acht ure braken eenige afdeelingen pontonniers naar den stroom
op, om de bruggen te slaan. Met de al nader en nader komende minuut der
beslissing werd de spanning grooter. Eindelijk, tegen middernacht, kwam
het bevel om op te rukken. In diepe stilte moest men uittrekken; geen
geluid mocht gehoord, geen vonk gezien worden.

Rasinski liet opzitten en rukte in dicht gesloten gelederen op een
breeden weg voort, die naar den stroom geleidde. Na een half uur
hield men halt op een met graan bewassen heuvel. De hongerige paarden
weidden het jonge koren af; de ruiters legerden zich op den vochtigen
grond. Met ongeduld beidde men den dageraad. Duistere nachtelijke
nevelwolken deden dien vertoeven. Eindelijk stak een frissche wind op,
verstrooide de dampen en onthulde het eerste, zachte morgenrood, dat
den wachtenden over Ruslands wildernissen tegenblonk. Thans kon de
blik langs den anderen oever zweven, die men van de heuvels waarop men
stond, tot in de nevelachtige verte voor zich zag. Welk een sombere
aanblik! Slechts onmetelijke wouden en woeste zandvlakten breidden
zich voor het oog uit. Hoe? Droeg men daarom de wapenen, om met
tallooze offers, met stroomen bloeds een zoo bar, onherbergzaam land,
dat slechts eene onmetelijke gevangenis geleek, te gaan veroveren?
Eene drukkende moedeloosheid maakte zich van de zielen der krijgers
meester.—Daar roffelden trommen en schalden trompetten; de zon kwam
bloedig, maar glansrijk van achter het zwarte dennenbosch te voorschijn
en eene frissche aanblazing der morgenkoelte vervulde de borst weder
met moed en veerkracht. Aller oogen richtten zich naar de plaats,
waar de krijgszuchtige toon ten optocht riep. Het was bij de tent des
keizers, die men gedurende den nacht naar het hoogste punt van den
oever verplaatst had. De zon verlichtte ze met hare stralen; vroolijk
glansden de witte, blauwe en roode banen der driekleurige vlaggen,
die op de hoeken golfden; een luisterrijke stoet van maarschalken en
generaals omstuwde den ingang. De keizer trad naar buiten, groette en
besteeg zijn arabischen schimmel. Thans braken de legerkorpsen als
door een wenk gedreven uit den zoom van het woud te voorschijn. Weldra
waren alle heuvels met de zwarte, stroomende massa's bedekt, wier
blanke wapenen de gloeiende morgenzon duizendvoudig terugkaatsten. De
gansche landstreek woelde en golfde; het hart zwol bij den aanblik
dezer ontzettende strijdkrachten. In die breede stroomen rolde de
zwarte vloed over de gele zandvlakte van den oever naar de drie bruggen
voort, die de zoomen der rivier verbonden, wier spiegel welhaast de
scharen verdubbelde. Thans brak ook de keizer op, reed, de gelederen
door, op de middelste brug toe en trok met zijn gevolg den stroom over.
Niet schroomvallig, niet aarzelend betrad hij den vijandelijken bodem;
onstuimig, vurig sprong hij daarop over, als vloog hij eene bruid
in de armen. Thans hield hij zijn paard staande en liet de scharen
voorbijtrekken; de blik van zijn donker oog deed de borst der krijgers
in moed en geestdrift ontvlammen. Zij begroetten hem met wild gejubel,
zoodat de gansche landstreek dreunde en het donderend geluid van heuvel
tot heuvel, van woud tot woud werd voortgeplant.

Eerst tegen tien uur trok Rasinski met zijn regiment over de brug; de
keizer zag hem met welwillendheid aan en groette vriendelijk, toen de
Polen een juichend: „Leve de keizer!” in hunne volkstaal aanhieven.
Daarop gaf hij zijn paard eensklaps de sporen, joeg pijlsnel langs den
zandigen landweg het bosch in en was weldra uit het gezicht zijner
krijgers verdwenen. Een zeldzaam, onrustig gevoel maakte zich van hunne
zielen meester, toen zij hem, die hen in deze barre noordsche vlakten
gevoerd had, plotseling en alleen daarin zagen verdwijnen, als ware
hij door de wildernis verslonden. Doch welhaast keerde hij met lossen
teugel terug. Zijn voorkomen was onrustig en mismoedig; het scheen
hem te verdrieten, dat hij den vijand, naar wien zijn strijdzuchtig,
roemgierig hart zoo verlangend uitzag, niet had aangetroffen.

Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort. Thans hoorde
men in de verte den donder der kanonnen. Men luisterde. Nogmaals hoorde
men een dof, aanhoudend dreunen en kraken van vuurmonden.

In aller trekken was eene onrustige, angstvolle spanning te lezen; de
gelederen sloten dichter opeen en ordenden zich strenger; adjudanten
vlogen heen en weder; de generaals renden de hoogten van den oever op.
Men moest vermoeden, dat een der vleugelkorpsen onder den koning van
Westfalen of den onderkoning van Italië den kamp had aangenomen. Daar
klonk het doffe rollen sterker en aanhoudender; echter was het niet dat
van een verren slag, maar de donder van een dreigend opkomend onweder.

Reeds stapelden de zwarte, met sulferachtige lichttinten doorkruiste
wolkgevaarten zich boven de boschrijke heuvelen opeen; de stroom stuwde
zijne donkere golven onstuimig deinend voort; de zon verdween. Van alle
zijden trok het zwarte hulsel voor het heldere blauw van den hemel te
zamen; eene zwoele, drukkende hitte beklemde den adem. Zwijgend en
langzaam kroop het leger voort; men hoorde niets dan het geheimzinnig,
hoog boven de hoofden en rondom in de diepte der wouden murmelend
gedreun van den donder. Thans verhief zich de storm, kalm bulderend
nader en zweepte de baren met schuimende kruintoppen tusschen de oevers
voort. Plotseling siste een vlammende straal door het ruim des hemels,
zoodat de gansche horizont in vuur stond en de Niemen den roodachtigen
gloed helder terugkaatste. Met verbleekt gelaat zagen de krijgers
elkander aan. Daar kraakte de donder verdoovend boven hunne hoofden, de
hemel scheurde vaneen en in volle stroomen plaste de regen neder.

Dat was de welkomstgroet op Ruslands bodem!



VIJFDE BOEK.


HOOFDSTUK I.

Sinds Lodewijks overhaast vertrek vloden de dagen voor moeder en
zuster stil en treurig daarheen. Maria droeg haar lijden met zachte
gelatenheid; zij klaagde niet, zij weende niet, slechts in verdubbelde
liefderijke zorg voor hare moeder zocht zij troost en opbeuring; over
haar gansche wezen lag eene weemoedige vriendelijkheid verbreid, die
haar eene nieuwe, zachtere aantrekkelijkheid verleende. Zij werd, en
dit is de natuur van edele zielen, door haren kommer beter, en hoe meer
zij zelve leed, des te medelijdender en gevoeliger werd zij ook voor
het lijden van anderen. Aan de geliefde kranke, wier borstkwaal sedert
de laatste hevige gemoedsschokken aanmerkelijk verergerd was, wijdde
zij alle gedachten harer ziel; in den vroegen morgen reeds, wanneer
zij, vóór den dag ontwaakt, eenzaam op haar leger zat, bepeinsde zij
hoe door kleine verrassingen de zieke op te beuren en haar door stille
genoegens de slepende, smartelijke uren van den langen dag te korten.
Heimelijk kwelde haar echter de gedachte, dat de dagen der dierbare
ten einde spoedden. En niet zonder grond; ze wist het, dat diepe smart
de krachten der moeder langzaam sloopte en nog meer de gezondheid der
dierbare ondermijnde, wijl die smart zoo weinig werd geuit. Een vreemde
zou bij de bestendige bedaardheid, welke zij vertoonde, bij hare
vriendelijke, hoewel niet levendige belangstelling in alles wat om haar
voorviel, bezwaarlijk vermoed hebben, dat die zachte, welwillende vrouw
onder eene zoo zware zorg, onder een zoo drukkenden kommer gebukt ging.
Maria echter kende haar en vreesde het ergste.

Niettegenstaande dit alles, was toch deze tijd van beproeving voor
Maria hoogst weldadig, daar de strenge eischen van den plicht, dien
zij jegens de kranke moeder te vervullen had, haar verhinderden zich
te zeer met hare eigene smart bezig te houden, waardoor deze allengs
veel van hare bitterheid verloor en onmerkbaar begon te genezen,
zoodat zij ten laatste niet meer de pijn der wonde zelve, maar slechts
de zachte afmatting gevoelde, die pleegt te volgen wanneer de hevige
bloedstorting voorbij is. Ook de uitwendige bedrijvigheid, waartoe
zij zich thans dikwijls genoodzaakt zag, was haar heilrijk, daar zij
hierdoor belet werd te veel in zich zelven in te keeren, terwijl
verder de tegenwoordigheid van Julie en Emma, welke lieve meisjes haar
beurtelings gezelschap hielden, er veel toe bijbracht, om haar van hare
sombere mijmeringen af te trekken.

Zoo was de helft van den zomer verwonderlijk snel voorbij gevlogen
en de dagen begonnen reeds merkelijk te korten, toen de moeder zich
toch eindelijk weder sterk genoeg geloofde om de reis naar Teplitz te
ondernemen, welke badplaats zij jaarlijks gewoon was te bezoeken. De
Julimaand was nog niet geheel ten einde, toen beide vrouwen op een
schoonen morgen de stad verlieten; de hemel glansde blauw en helder
boven de verfrischte aarde, de dauw had zijn flikkerend zilvernet over
de velden uitgespreid. In eene eenzame aan den weg van Peterswald
gelegen herberg brachten zij de uren van den middag door, in welken
tusschentijd een onverhoedsche regenvlaag die zich in een vruchtbaren
stortregen ontlastte, den gloeienden dampkring weldadig afkoelde. Zij
reden verder toen de regen nog zacht neerruischte, ofschoon de wolken
reeds gebroken en heldere blauwe strepen door den donkeren nevelsluier
zichtbaar waren. Zoo bereikten zij den Nollendoffer berg, dien zij
langzaam opstegen. Tegen den namiddag kwamen zij op den top bij de
kleine kerk aan, en nu lag het gansche koninkrijk Boheme aan hare
voeten uitgestrekt.

Beiden verlieten den wagen en wandelden langzaam naar de kleine kapel,
in welker schaduw zij zich op eene bank neerzetten. Het ertsgebergte
strekte zijn groenen, lommerrijken woudmuur ver naar het zuidoosten
uit; in de diepe dalen glansden de zindelijk gepleisterde gebouwen van
vele gehuchten, sloten en abdijen; de lange woudachtige heuveltakken
drongen dikwijls tot diep in het land door, eer zij zich in korenvelden
of groene akkers verloren; de straatweg hing als een wit glansrijk lint
in slingerende bochten bij de berghelling neder, deelde het dennenwoud
doormidden en reeg vervolgens de rijke dorpen der heuvelvlakte het een
na het ander aan zijn onafzienbaar snoer. Maria liet met welgevallen
hare blikken over de bekende landouw rondzweven. Mijmerend vestigde
zij het oog op de hooge, blauwe bergkolossen der beide Milischauers,
die als een reusachtig broederpaar in het hart van Boheme oprezen en
het grootste gedeelte der oostelijke begrenzing van den gezichteinder
besloegen. Ver achter deze, daar, waar de westenwind de verspreide
onweerswolken voortdreef, lag het onmetelijke land, waar thans de
dierbaarsten verwijlden, die zij op aarde bezat. Warm toch en hevig
klopte haar hart ook voor hem, wiens mannelijk, waardig voorkomen en
edele gezindheid hare liefde te gelijk met hare innigste hoogachting
gewonnen hadden en wien zij gaarne gevolgd ware, wanneer zij zich niet
door heiliger banden aan haar vaderland had gekluisterd gevoeld.

Het rijtuig moest wegens de steile afhelling met spijlen voorzien
worden, weshalve de vrouwen een nader voetpad insloegen, dat haar
spoedig weder op den grooten straatweg bracht. Hier klommen zij
in het rijtuig en bereikten na weinige uren hare oude, welbekende
verblijfplaats. Met de uiterste hartelijkheid werden zij door den
schrijnwerker Holder en zijne vrouw, bij welke goede menschen zij reeds
meermalen haar verblijf genomen en die zij nu weder van hare komst
verwittigd hadden, ontvangen, en Maria had het genoegen door alle
kinderen van het huis, zelfs door het kleine vierjarig meisje, dadelijk
herkend te worden. De beide stille tuinkamers waren, evenals vorige
jaren, voor haar in gereedheid gebracht, en weldra gevoelde zij zich
daar even vertrouwelijk en wel als in haar eigen huis. De deur van het
woonvertrek kwam onmiddellijk in den vrij grooten tuin uit, die wel is
waar grootendeels met ooftboomen en keukengroenten bezet was, maar toch
ook eenige bloemperken en schaduwrijke plaatsjes aanbood, waar Maria
reeds menig genoegelijk uur doorgebracht en zich in het gezicht van den
Schlossberg verlustigd had, dien men met zijne heerlijke ruïne in de
verte zag oprijzen.

De bijzondere, alleen aan vrouwen eigene begaafdheid van zich op
elke plaats recht vertrouwelijk als het ware in te nestelen en in te
bouwen, bezat Maria in eene hooge mate; het was haar een tweede natuur
geworden, om alles om zich heen een vriendelijk, uitlokkend voorkomen
te geven. Een ongeordend vertrek veroorzaakte haar, zonder dat zij
zich dikwijls zelve de reden bewust was, eene onaangename, pijnlijke
gewaarwording; daarentegen gevoelde zij zich gelukkig, wanneer zij eene
plaats die haar verblijf moest worden, regelen, versieren en daaraan
een lachend, aardig, net aanzien geven konde. De wijze, waarop zij
hare bloempotten rangschikte, hare kleine vrouwelijke benoodigdheden
door het vertrek verdeelde, hare boeken, muziekbladen en kleine
teekeningen om zich heen ordende, dit alles droeg blijken van een
smaakvolle regelmatigheid, waardoor elk die een blik in hare kamer
wierp, zich aangenaam verrast gevoelde. Zoo was dan ook nu hare eerste
bezigheid, de koffers te ontpakken en elke ruimte van het vertrek
deels aan te vullen, deels op te sieren. Haar vrouwelijke zin voor
orde was echter niet op den uiterlijken schijn alleen gericht, maar
strekte zich ook tot dingen uit, die het oog van den vreemden opmerker
onmogelijk navorschen konde. In hare werkdoos, in hare kleerkast
heerschten dezelfde sierlijke netheid en orde, welke men op hare kamer
aantrof, ja in hare kleeding, in heur kapsel bespeurde de nauwlettende
waarnemer het in acht nemen der zelfde regelen, de werkzaamheid van
dezelfde eigenschappen der ziel. Is het te verwonderen, dat deze
zachte regelmatigheid, deze overeenstemmende verbinding van ruimten en
dingen ook zelfs in haar karakter eenigermate doorstraalden? Zij had
een donkeren kerker bewoonbaar weten te maken door vrouwelijk schikken
en ordenen, hoe zoude zij dan ook niet, door een gestadig opmerkzaam
vergelijken harer krachten en plichten, door een dankbaar en gewillig
erkennen van het goede dat haar bejegende, aan de droeve verwarring van
diep smartelijke rampen een zachter, vriendelijker voorkomen gegeven en
door een vasten wil de hevigheid van opbruisende hartstochten op eene
schoone, weldadige wijze beteugeld hebben!

Aan deze bijzondere gemoedsgave was zij eene zachte opgeruimdheid
verschuldigd, die haar zelfs in zoo treurige tijden als zij thans
doorleefde, niet verliet en zich ook aan allen, die haar omringden,
weldadig mededeelde. Ook stroomde de gezegende uitwerking dezer, het is
moeielijk te beslissen, of door oefening van den wil of door gelukkigen
natuurlijken aanleg verkregen zielskracht op haar zelve terug; want
gelukte het haar, hare betrekkingen en vooral hare geliefde moeder
daardoor op te beuren, zoo werd zij zelve hierdoor kalmer, gelukkiger,
tevredener, hoopvoller en zag zij, hoewel nog altijd door eenige
donkere sluiers met vrijer, geruster blikken in de toekomst uit.

Dezen eersten avond wilde beide vrouwen hare woning niet verlaten.
Maria had de theetafel naar het groen priëel laten brengen, waar men,
door wilde wijnranken overschaduwd, koel en rustig zitten kon en den
Schlossberg met zijne ruïne in het goud der avondzon zag blinken. Hier
liet zij Anna en Therese, de beide dochtertjes van den huisheer, bij
zich komen; de eerste een twaalfjarig vlug en levendig kind, dat haar
reeds menige nutte onderrichting te danken en die wel gebruikt had;
de ander een blond, vierjarig krulkopje, waarover zij peettante en
dat haar, om zijn koddige vroolijkheid en zoete vleitaal, even lief
als een zustertje was. Anna was er bijzonder door vereerd, dat zij
met hare breikous, als een groote dame, aan de theetafel der vreemde
dames mocht plaats nemen; de kleine Threes snapte onophoudelijk
voort en deed duizend kinderlijke vragen. Maria zorgde voor beiden
met de vriendelijkheid eener oudere zuster, wist zich geheel in de
kinderwereld te verplaatsen en was met de oudste reeds in een druk
gesprek gewikkeld, toen Therese, ongeduldig zoo lang te zitten, met
eene krakeling in de hand lustig weghuppelde en de tante uitdaagde haar
te krijgen. Als een kleine Amor sloop het kind door de heesters, om
de onder schertsende bedreigen haar naijlende Maria te ontkomen; deze
zette het moedwillig spel een tijdlang voort en lachte vriendelijk,
toen de kleine haar lokkig kopje van tusschen de groene bladeren te
voorschijn stak en met haar zilverstemmetje riep: „Piep, tante, hier
ben ik!”

Intusschen was het avondrood verdwenen en bleek maanlicht vermengde
zich met de blauwachtige schemering, die den tuin omhulde; de sikkel
der nieuwe maan dreef op den kalmen oceaan des hemels en wierp
vriendelijke blikken door de fluisterende heesters. De kinderen moesten
nu naar huis om te bed gebracht te worden, en Therese was ook na al
haar stoeien en dartelen zoo moe en slaperig, dat zij zich gewillig
door het dienstmeisje op den arm liet nemen. De toenemende avondkoelte
bewoog ook de moeder naar hare kamer terug te keeren; Maria wandelde
nog een tijdlang in den tuin op en neder; vervolgens ging ook zij naar
binnen en genoot weldra eene zoete, verkwikkende rust, die zelfs het
treurende hart niet ontvliedt, wanneer het tevens rein en schuldeloos
is.

Den volgenden dag begonnen de toebereidselen, welke men tot het
gebruiken der baden te maken had; een zeer vroeg opstaan werd
noodzakelijk, de overige bezigheden moesten daarnaar geregeld worden.
Hiertoe behoorden ook de wandelingen, welke de arts had voorgeschreven,
Maria verzelde hare moeder altijd en overal; wanneer deze zich in het
bad bevond, deed zij met eenige bekenden uit Dresden, die zich hier
reeds langer hadden opgehouden, eene wandeling, gewoonlijk in den
slottuin. Op deze wijze werd zij, hoe eenzaam zij overigens leefde,
toch langzamerhand met de verschillende, ten deele zonderlinge figuren
bekend, die zich in het stadje verzameld hadden. Van lieverlede wist
men, met wie men het badseizoen doorbracht, afreizenden werden vermist,
nieuw aangekomenen dadelijk opgemerkt. Het vrije ongedwongene verkeer,
aan badplaatsen eigen, bracht als van zelf mede, dat men ook met
vreemde heeren licht in gesprek geraakte. Deze sloten zich ook zeer
gaarne aan het gezelschap, waarin Maria zich bevond, aan; want hare
tengere, slanke gestalte maakte reeds in de verte de opmerkzaamheid
gaande, hare sierlijke, hoewel hoogst eenvoudige kleeding trok velen
aan, de zachte vrouwelijke uitdrukking harer gelaatstrekken, de heldere
blik van het blauwe oog en vooral haar innemend, evenzeer van schuwe
blooheid als van aanmatigend zelfvertrouwen verwijderd, voorkomen
boeiden zoo onweerstaanbaar, dat oudere en jongere mannen zich om
strijd beijverden met haar in gesprek te komen. Ook op vrouwen maakte
Maria's voorkomen een gunstigen indruk, en eenstemmig beklaagde men
zich, dat deze liefelijke verschijning slechts gedurende dat ééne
morgenuur zichtbaar was en voor het verdere gedeelte van den dag
spoorloos verdween. Dit was evenwel gedeeltelijk eene dwaling, want
schoon Maria slechts de schoone avonden tot wandelen gebruiken konde,
wijl de moeder zich voor koude en vochtigheid wachten moest, was zij
toch niet zelden met deze en ook met een kleinen kring van nadere
bekenden in de schoone omstreken van Teplitz aan te treffen. Dan echter
koos zij niet de bij de groote wereld vooral geliefkoosde oorden, waar
men verzekerd is eene schitterende menigte bijeen te vinden, maar
zocht bij voorkeur de schoone, eenzame punten op, die geene andere
genietingen aanbieden dan de zuivere, verkwikkende gaven, welke de
natuur ons uit de eerste hand welwillend toereikt. Intusschen had het
verschijnen op de morgenwandeling haar langzamerhand bij de jongere
badgasten zoo bekend doen worden, dat men hare tegenwoordigheid
bij een landelijk feest dat men geven wilde, volstrekt noodzakelijk
achtte, zoude het niet van zijn schoonsten tooi verstoken blijven.
Toen zij dus op zekeren morgen als naar gewoonte met hare vriendinnen
in de nabijheid der bron verscheen, trad een plechtig gezantschap van
eenige jongelieden op haar toe; een oostenrijksch ritmeester, Arnheim,
die het bad bezocht, om de genezing van zijn, in den slag bij Wagram
zwaar gewonden arm te bespoedigen, stond aan de spits en sprak haar
bescheiden en vriendelijk aan: „Ik heb u in naam van de badgasten eene
nederige bede te doen, mijne dame; maar ik vrees bijna dat gij ons die
zult afslaan.”

„Voorzeker niet,” antwoordde Maria vriendelijk, „wanneer de vervulling
in mijne macht staat. Ofschoon ik niet weet,” voegde zij er met een
ongedwongen lachje bij, „wat ik zou kunnen doen, waaraan het gezelschap
iets gelegen kan zijn?”

„Gij zijt tot hier toe slechts eene morgenster voor ons geweest, die
bij het toenemen van den dag verdween,” vervolgde de ritmeester; „wij
wilden u bidden, ook eens als avondster voor ons te glanzen. Tegen
morgen hebben wij een gemeenschappelijk feest aangericht; het zou ons
zeer leed doen, wanneer het den luister, dien uwe tegenwoordigheid
daaraan verleenen zou, ontberen moest. Mogen wij op uw bijzijn hopen?”

Tevens waren de overige jongelieden nader getreden en vereenigden hunne
beden met die van den ritmeester.

„Van harte gaarne zal ik de uitnoodiging aannemen,” sprak Maria
vriendelijk, „wanneer mijne moeder het vergunt.”

„Ontvang voorloopig onze hartelijke dankbetuiging,” hernam Arnheim
levendig, terwijl ook zijne vrienden hunne vreugde luid te kennen gaven.

„Maar waar zult gij het feest geven?” vroeg Maria na eenige
oogenblikken.

„Wij hebben voorgenomen,” antwoordde Arnheim, „eene kleine uitvlucht in
het gebergte te ondernemen en ons daarbij door scherts en spel en, als
het zijn kan, ook door dans onder den vrijen hemel zoo goed te vermaken
als mogelijk is. Vervolgens willen wij naar Aussig rijden en van daar,
de Elbe op, naar den Schreckenstein roeien. Het overige zullen wij aan
de gunst van het weder overlaten.”

„Waarlijk, niets kon beter met mijn smaak overeenstemmen,” hervatte
Maria.—De jongelieden gaven nogmaals hunne dankbaarheid en vreugde te
kennen en verwijderden zich hierop, om zich onder de overige wandelaars
te mengen. De familie uit Dresden, waaraan Maria zich had aangesloten,
was ook tot het feest genoodigd, en de dochters boden haar dadelijk
eene plaats in het rijtuig aan, in geval de moeder niet verkiezen mocht
van de partij te zijn.

„Dat is helaas! maar al te zeker,” zeide Maria, „want aan de
onzekerheid van het weder mag zij zich volstrekt niet blootstellen en
ook de koelte van den stroom en den avond zoude gevaarlijk voor haar
zijn. Gaarne zal ik dus onder uw geleide het feest bijwonen, niet zoo
zeer wijl ik mij groot genoegen daarvan voorstel, als wel omdat het mij
grieven zoude een zoo welwillend verzoek van de hand te wijzen.”

Terwijl zij nog sprak, kwam hare moeder de laan door uit het bad
terug. Maria droeg haar dadelijk de zaak voor en bekwam eene gereede
toestemming.


HOOFDSTUK II.

De helderste morgen was aangebroken; het sloeg juist zes uur, toen
Maria in een licht, wit zomerkleedje, dat slechts door eenige
lilastrikken versierd was, met luchtigen tred door den tuin spoedde,
om, de kleine deur in de heining uitgaande, den naasten weg naar
hare vriendinnen in te slaan. Reeds vond zij een kapwagen voor het
huis gereed staan en de beide jonge meisjes kwamen haar op de trap
te gemoet snellen. „Wij zullen het heerlijkste weder hebben,” zeide
Maria na de eerste begroetingen; „ik stel mij veel genoegen voor van
het romantische landschap, dat ik in lang niet gezien heb.” Gedurende
dit gesprek traden ook de ouders binnen, heetten Maria welkom, en
gezamenlijk ging men nu naar beneden om in het rijtuig te stijgen.
Weldra had men de huizen van het stadje achter zich en rolde men
tusschen bedauwde struiken, heggen, weilanden en korenvelden langzaam
voort. Men verwonderde zich zeer nog geene wagens op den straatweg
te ontdekken, daar toch een aanzienlijk getal personen aan het feest
deel zou nemen.—Op eene kleine hoogte, ongeveer een vierde uur van
de stad, werd men op het aangenaamste verrast. Reeds van verre was
het zichtbaar, dat de weg met bloemfestoenen gesloten werd; naderbij
gekomen werd men een zeer bevalligen eereboog gewaar. In een lossen,
golvenden boog hing de lange bloemketen, uit de toppen van twee, aan
weerszijden van den weg staande beuken naar beneden, en de struiken,
die deze omringden, had men met rijke kransen versierd, die van tak
tot tak rondzwierden en zoo eene wel onregelmatige, doch juist door
hare willekeur en schilderachtige losheid hoogst verrassende vertooning
opleverden. Met vermaak rustten de blikken der meisjes op dit tafereel,
dat haar een gunstig voorteeken voor de verdere genoegens van den dag
scheen te geven, toen eensklaps van weerszijden uit de struiken een
ruiter te voorschijn sprong, wiens hoed met groene takken en bloemen
bevallig was opgesierd; dezen volgden anderen, die zich aan beide
zijden van den weg in orde schaarden en der vrouwen een jubelenden
morgengroet toeriepen. De aanvoerders reden naar het portier en
overhandigden aan elke dame een geurige ruiker. Het was de ritmeester,
die Maria op deze wijze verwelkomde; hij en nog een tweede ruiter
sloten zich hierop aan den wagen aan en verzochten dadelijk, dat men
stapvoets mocht rijden, ten einde daardoor aan de andere rijtuigen den
tijd te geven, om hen in te halen en zoo een langen trein te vormen.
„Wij zijn dus de eersten?” vroeg Maria, toen de wagen verder rolde.
„Voorzeker,” antwoordde Arnheim, die aan hare zijde naast het portier
reed. „Wij hadden allen dames verzocht, stipt te zes uur af te rijden,
en heimelijk met elkander afgesproken, dat wij die te paard zijn,
alsdan hier op de hoogte de aankomenden begroeten en ons twee aan
twee bij elk rijtuig aansluiten wilden, waarbij wij het, door ons in
gelederen te rangschikken, geheel en al aan het toeval overlieten, van
wie wij op deze wijze de ridders zouden worden. Zoo moest elke strijd,
elke schijnbare voorkeur vermeden worden; het toeval ordent de wagens
en paart de geleiders; want wij hadden elkander plechtig beloofd aan
geene der dames iets van de kleine verrassing hierboven te verraden,
doch aan allen hetzelfde uur van den afrit op te geven. Zoo zijn wij
dan ook van de lastige verplichting ontslagen, om op den rang der
verschillende personen angstvallig acht te slaan, en wij hopen, dat,
wanneer de stijve rechten der geboorte eens zijn opgeheven, zij ons
ook verder in het zorgelooze genot niet zullen storen.—Maar terwijl
wij spreken, is onze karavane immers reeds aanmerkelijk vergroot!
Zie slechts, hoe wagen op wagen nadert, om onzen trein te verlengen.”
Inderdaad bespeurde men op de hoogte, die men zoo even was afgereden,
drie rijtuigen, die, door hunne ruiters verzeld, op verschillende
tusschenruimten der straat kwamen aanrollen. Weldra hadden zij het
eerste bereikt, en reden nu langzaam achteraan voort. Daar men nog bij
voortduring den weg, tot aan het punt waar de eereboog was opgericht,
konde overzien, was het een vroolijk schouwspel de wagens te zien
aankomen, die door de veelkleurige doeken, bonte kleederen, glanzende
hoeden en groene sluiers der dames, alsmede door de bloemruikers,
waarmede de ruiters getooid waren, levendig tegen de akkers en velden
afstaken en een schemerenden glans van verven in het rustige beeld
van het landschap brachten. De verstrooide punten, waarop het oog
rustte, drongen dichter en dichter opéén en vormden weldra een rijke,
veelvervige keten, die door de velden heenkronkelde, die slingerende
bochten der straat volgde en nu eens bij eene zachte hoogte opsteeg,
dan weder schilderachtig in het diepe dal nederdaalde. De gansche
optocht, nu hij, onder den helderen blauwen hemel en door de morgenzon
vriendelijk beschenen, langzaam daarheen trok, leverde een zóó
bekoorlijk schouwspel op, dat alle aanwezigen reeds daardoor alleen tot
vreugde gestemd werden en zich den gelukkigsten dag durfden beloven.

Daar thans niemand meer in de reeks ontbrak, kon men van tijd tot tijd
de paarden aanzetten, en bereikte men dus spoedig de, tusschen Teplitz
en Aussig gelegene hoogte, waar men een landelijk ontbijt, voor hetwelk
de ondernemers gezorgd hadden, gebruiken wilde. De heuvel vergunde een
vrij uitzicht op de landstreek; aan den voet lag een klein, half in het
hout verscholen dorpje uitgestrekt, door 't welk eene breede beek haar
kronkelenden loop nam; verder opwaarts zag men golvende korenvelden,
die zich over de heuvels uitbreidden en slechts hier en daar door
groene grasvlakten doorstreept werden. Om dezen vriendelijken voorgrond
trok het hoogere gebergte zijn blauwen, in vochtige morgennevels
gehulden ringmuur op. Achter de plaats, welke men tot rustpunt gekozen
had, steeg de rotswand iets steiler en dicht met struiken bewassen
omhoog, en boog vervolgens linksaf naar het stadje Aussig, waar hij bij
den Mariënberg verdween.

Een oude linde bood een schaduwrijke plek tot het ontbijt aan; eenige
gevelde boomstammen, in den omtrek verstrooid, werden spoedig in
landelijke zetels herschapen; ook spreidde men de wagenkussens op
den grond uit en bekwam zoo turksche rustbedden, waarmede de vrouwen
zeer tevreden waren. Spoedig was de gansche kring gelegerd en zag
men elkander met vergenoegde blikken aan. Ieder prees de bestuurders
van het feest; dezen gingen ijverig rond, deden onderzoek naar
ieders wenschen en behoeften en raadpleegden met de dames, hoe het
een en ander nog doelmatiger in te richten. Intusschen werden de
ververschingen rondgediend; in de handen der heeren zag men gevulde
glazen, de geest van den wijn openbaarde zijn machtigen invloed; kout,
scherts en moedwil heerschten alom; de vertrouwelijkste band der
gezelligheid knoopte alle aanwezigen nu reeds zoo nauw aaneen, alsof
zij jaren te zamen verkeerd hadden, schoon de meesten elkander niet
eens bij name kenden. Zelfs Maria werd vroolijk in dezen vroolijken
kring; doch ook in de gelukkigste tijden, was hare vreugde steeds van
een stillen aard; met een bekoorlijk lachje op de lippen genoot zij
het schoone, dat haar het oogenblik aanbood, als het ware slechts door
een innerlijk weltevreden beschouwen der beelden, die van buiten af in
hare ziel drongen. Zoo liet zij ook nu hare blikken langs den kring
der verzamelden rondzweven en beschouwde de menigvuldige gestalten,
van welke ernstige en komische, bevallige en terugstootende in bonte
verscheidenheid waren dooreengemengd. Vooral trokken twee vrouwen hare
aandacht, die tamelijk ver van haar verwijderd, tegen een boomstam
geleund, op kussens zaten en door een bejaarden en een jongeren man
in een levendig onderhoud gewikkeld werden. Zij vroeg den ritmeester,
die aan hare zijde had plaats genomen, wie de beide dames waren.
„Inderdaad,” antwoordde deze, „ik kan het zelf niet met zekerheid
opgeven; zooveel weet ik slechts, dat het vreemden zijn, die gisteren
pas aankwamen en nog niet op de badlijst zijn ingeschreven. Dezen
morgen eerst, toen de vele, haar hôtel voorbijrijdende wagens haar op
ons voornemen opmerkzaam maakten, zijn zij tot het feest uitgenoodigd.
Toevallig logeerde een der medebestuurders, die teruggebleven was om
eenige kleinigheden te bezorgen, die eerst tegen den middag te Aussig
moeten komen, met haar op denzelfden gang. Hij ontmoette haar, toen
zij juist naar de bron wilden gaan; zij vroegen, wat men voorhad, en
natuurlijk kon hij niet nalaten haar te verzoeken mede van de partij te
zijn. Daar de wagen, waarmede zij naar het bad wilden rijden, voor de
deur stond, behoefden zij slechts van richting te veranderen, om zich
dadelijk aan onze karavaan aan te sluiten. Ook geloof ik, dat wij er
bij gewonnen hebben, want de moeder vertoont nog de sporen van hooge
schoonheid en de dochter is inderdaad een bevallig wezen. Ik ben nog
niet in de gelegenheid geweest mij met haar te onderhouden, maar beider
voorkomen reeds verraadt de fijnste beschaving. Vergun mij slechts u
een oogenblik alleen te laten, om bij den baron Erlhofen naar de namen
onderzoek te doen.”

Eer Maria het verhinderen kon, was de ritmeester opgesprongen en
weggesneld. Inmiddels had zij tijd, de beide edele gestalten opmerkzaam
op te nemen, en moest heimelijk bekennen zelden schooner vrouwen gezien
te hebben; bovendien vertoonde de oudste zulk een verheven adel in
gelaat en houding, dat de jongere, hoewel met alle bekoorlijkheden
van jeugd en schoonheid toegerust, daardoor eenigermate op den
achtergrond werd gesteld. Het rijke, zwarte haar, dat slapen en
voorhoofd bedekte, verleende in vereeniging met het groote, donkere
oog aan het gelaat een zweem van edele zwaarmoedigheid, dien de
oudachtiger trekken, inzonderheid de mindere frischheid der wangen,
nog sterker deden uitkomen. Hoewel de vreemde zat en een breede
donkerroode sjaal den bouw harer gestalte verborgen hield, was men
verzekerd, dat zij, wanneer zij opstond, eene vorstelijke houding
moest hebben. Tegenover deze prachtig ondergaande zon vertoonde de
dochter het beeld der zachte, bleek oprijzende maan. Van gelijkenis
tusschen beider gelaatstrekken kon men niets bepaalds opgeven; echter
was eene nationale verwantschap zoo in het oogloopend merkbaar, dat een
oppervlakkige blik reeds voldoende was, om beide als nauwe verwanten te
begroeten.

Terwijl Maria zich nog met deze beschouwing bezighield, keerde de
ritmeester terug en zeide: „Ik heb mijne berichten ingewonnen; het zijn
poolsche dames, de oudste is eene gravin Johanna Micielska, de jongere
hare pleegdochter Lodoiska.”

Maria sidderde van blijde verrassing, want door de brieven haars
broeders kende zij deze namen en wist, dat Johanna Rasinski's
zuster was. Tegelijk echter bekroop haar eene beklemmende, angstige
verlegenheid, daar zij volstrekt niet wist, of Rasinski wel ooit van
haar had melding gemaakt; hare betrekking tot Lodewijk kon hij niet
medegedeeld hebben, daar deze thans een anderen naam voerde; echter
was het mogelijk, dat hij haar bij zijne zuster genoemd had, te eer,
daar zij al hare brieven onder zijn adres afzond en hij ook Lodewijk
en Bernards antwoorden in een omslag van zijne hand en met zijn zegel
insloot en die zoo aan hare moeder deed toekomen. Zij brandde van
verlangen, om de schoone vrouw te spreken en naar haren broeder en naar
Bernard onderzoek te doen. Eene zachte, maar dringende stem in haar
binnenste, waaraan zij echter geen gehoor wilde geven, dreef haar ook
aan naar den man te vernemen, die haar zoo boven alles dierbaar was
geworden; welk een strijd zou het haar kosten, wanneer zij gedwongen
was al deze heilige, machtige opwellingen in de stomme banden des
stilzwijgens te leggen! Hare vatbaarheid voor de vreugde van het feest
was voorbij; al hare gedachten richtten zich slechts op dat ééne
punt; zij was bijna niet in staat de blikken weder van de gravin af
te wenden. De ritmeester knoopte een gesprek met haar aan, maar zij
moest hare gansche kracht bijeenrapen, om slechts de onvermijdelijkste
antwoorden te kunnen geven. Hoe levendig de beschaafde man sprak, hoe
welsprekend hij haar ook de gezellige beteekenis van zulk een feest
wist af te schilderen, Maria werd dikwijls met ontsteltenis gewaar,
dat zij hem ja, opmerkzaam aangezien, maar geen woord van al wat
hij sprak gehoord had. Zij zag niet, hoe schilderachtig de groepen
zich in het groen legerden, hoorde niet, hoe scherts en kortswijl
immer luidruchtiger werden, ja hoe zelfs de vroolijke moedwil reeds
een weinig stoutmoedig begon los te breken. Het was haar dus hoogst
aangenaam, dat men na een half uur weder opbrak en de ritmeester haar
den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden. Hier ontstond echter
eene niet geringe verwarring; want niet alle feestgenooten hadden op
de wagens, waarmede zij gekomen waren, nauwkeurig acht geslagen, en
daar dit meerendeels huurrijtuigen uit Teplitz waren, konden slechts
weinigen de hunne wedervinden. Zoo geraakte men in een schertsenden
twist, dien de moedwil van eenige heeren nog meer aanstookte. Ook
Maria geraakte in verlegenheid, daar eenige vreemde dames zich reeds
van den wagen bemachtigd hadden, waarop zij met haar gezelschap recht
en aanspraak meende te hebben. De beslissing was moeilijk, vooral
daar eenige spotvogels de koetsiers door een drinkgeld aanmoedigden,
te beweren, dat ook zij geen geldige getuigenis in de zaak konden
afleggen, doordien zij altijd den rug aan hunne passagiers hielden
toegekeerd en dus niet weten konden, wie zich achter hen in den wagen
bevond. De strijd werd hierop grootmoedig; met beschaafde hoffelijkheid
wilde ieder zich vergist hebben en voor den ander onderdoen; hierdoor
kwam men trouwens nog minder tot het doel. Eindelijk riep de baron
Erlhofen, een der bestuurders van het feest, die als een welgedaan
veertiger reeds eenig ontzag inboezemde, met luider stem om gehoor. Men
verlangde stilte, om zijn voorstel aan te hooren. Luchtig sprong hij op
een afgeknotten boomstam, wuifde met den zakdoek om zijne toehoorders
bijeen te krijgen, en toen zich eene aanzienlijke _corona_ om hem
verzameld had, begon hij in dezer voege: „Hoog achtbare vergadering! Ik
ben noch Cicero noch Demosthenes maar beide redenaars zouden in mijn
geval even verlegen zijn geweest als ik; elk menschelijk verstand toch
heeft zijne grenzen. De wereldgeschiedenis maakt grooten ophef van de
onuitsprekelijke verwarring bij den torenbouw van Babel, zij spreekt
van de niet te ontvluchten doorgangen van den Cretensischen labyrint,
van de niet te ontwarren strikken van den Gordiaanschen knoop, van de
onmogelijk te onderscheiden zaadkorrels, die Asschepoester schiften
moest, van de onontwarrelijk verwikkelde beenen der Schildburgers—maar
dat alles, wat is het bij de vreeselijke verwarring en verblinding,
waardoor een god of een demon ons in een onberekenbaar verderf dreigt
te storten? De ijzeren mannen, die uit de drakentanden, gezaaid op
den akker, dien Jason op raad van Medea met de vuurbrakende stieren
beploegde, opschoten, versloegen elkander om den steen, dien de
roover van het gulden vlies in hun midden wierp, niet met zulk eene
verbittering, als wij, edele vrienden, in den kamp om de Teplitzer
huurwagens reeds getoond hebben. Trojanen en Grieken vochten niet
met zulk eene woede om het bezit der trouwelooze Helena, ja zelfs
Juno, Pallas en Venus streden niet zoo driftig om den appel van Eris,
als onze schoonen om de plaatsen in de rij van gindschen trotschen
wagenburg. De wijsheid van Minos of koning Salomo zou niet in staat
zijn dit pleit te beslechten. Of het daarom onbescheiden van mij zijn
zou, wanneer ik mij zelf een weinig verstandiger rekende dan die
beiden, zoo ik een uitweg gevonden had, die alles in orde bracht; of ik
in dat geval niet eene lauwer-, eiken- en muurkroon tegelijk verdiend
had,—daarover mogen de onpartijdigen in deze doorluchte vergadering
het oordeel vellen. Mijn voorslag intusschen is, om, daar toch eenmaal
eene revolutie in onzen nomadischen herderstaat onvermijdelijk is,
dadelijk eene waarlijk Lycurgische wet uit te vaardigen en vrijheid
en gelijkheid vrij wat volkomener te handhaven dan in de fransche
republiek het geval was, en wel daardoor, dat wij alle privaateigendom
van het huidige oogenblik af opheffen en gindsche gezamenlijke wagens
en paarden voor nationaal eigendom verklaren. Maar dit is nog niet
genoeg; mijn republikeinsche geest kan niet eenmaal dulden, dat men
zich zelf als privaat eigendom bezitte! Mijn voornemen is dus, het
gezelschap als scheepsbevrachting te beschouwen en gelijkmatig op
gindsche talrijke vloot over te laden, die slechts daarin van de
engelsche verschilt, dat deze met uitgespannen zeilen, de onze met
voorgespannen paarden voortstevent. De gelijkelijke verdeeling hoop ik
daardoor te bewerkstelligen, mijne hoog geëerde vrienden, dat wij eene
polonaise opvoeren en ons zoo al dansend paar na paar inschepen. Draagt
deze voorslag, die ons uit eene der akeligste ontmoetingen onzes levens
redden moet, uw bijval weg, mijne schoonen, geeft zulks dan daardoor te
kennen, dat gij uwe zachte hand aan de wachtende ridders toereikt, en
mij, die als _dux gregis_, waartoe de uitstekende spitsvondigheid van
mijn vernuft mij van zelf verheft, den dans zal aanvoeren, paarsgewijze
volgt.”

Na deze, op een ernstigen toon door den baron gehouden rede, verhief
zich een algemeen bravo, en zijn voorstel werd eerst door toejuiching
en vervolgens ook door de daad goedgekeurd, daar men hem, toen hij
de gravin Micielska opleidde, terstond willig volgde. Elke heer die
niet te paard geweest was, reikte aan eene dame de hand, en zelfs zij,
die zich reeds in de wagens gezet hadden, daar hunne aanspraken niet
bestreden waren, verlieten ze weder, om zich aan de wet van den nieuwen
Lycurgus te onderwerpen. Erlhofen voerde de rij eenige malen het groen
rond, totdat zich alles aangesloten en geordend had, en nam vervolgens
zijn weg naar de naaste kales, die hij met het hem volgend paar innam.
Zoo schikte zich alles spoedig en geregeld, en zelfs de strengste
moeders lieten voor ditmaal de schikkingen van het toeval gelden. Ook
de verrassing deed het hare om de vreugde te verhoogen, want eerst
bij het instijgen werd men gewaar, welk paar het tweede in den wagen
zijn zou. Maria had al dadelijk bij het begin van den dans met een
kloppend hart bemerkt, dat zij met de gravin in denzelfden wagen rijden
zoude, daar zij door den ritmeester, die zijn paard aan een vriend
had overgegeven, geleid, onmiddellijk op den baron volgde. Hoewel
haar zonderlinge toestand haar beklemde, moest het zich thans toch
beslissen, of zij der gravin geheel onbekend blijven, dan wel in eene
nadere betrekking met haar treden zoude, daar zij licht kon vermoeden,
dat Erlhofen en de ritmeester, te meer daar beiden bestuurders van het
feest waren, de dames aan elkander zouden voorstellen. Zulks gebeurde
ook zoodra zij ingestapt waren, en nauwelijks had Erlhofen Maria's naam
genoemd, of de gravin vroeg haar dadelijk met belangstelling, of zij
uit Dresden was en den overste Rasinski, haar broeder, gekend had.

Toen Maria dit toestemmend beantwoordde, vroeg de gravin ook naar haren
broeder en hare moeder, en of beiden aanwezig waren.

„Mijne moeder,” hervatte Maria eenigszins verlegen, „is wel in Teplitz,
maar werd door zwakheid verhinderd dit feest bij te wonen; mijn broeder
bevindt zich weer op reis, zoodat ik voor dit oogenblik zijn verblijf
niet kan opgeven.”

De gravin gaf haar verlangen te kennen, om tenminste de moeder te
ontmoeten, daar zij zich eene maand in Teplitz dacht op te houden.
„Dresden,” vervolgde zij, „is voor mijn broeder eene zeer gelukkige
plaats geweest; want schoon hij er slechts kort vertoefde, heeft hij er
twee vrienden gevonden, die uit neiging tot hem in zijn regiment hebben
dienst genomen en te Warschau eenigen tijd mijne gasten geweest zijn.
Voorzeker kent gij hen: graaf Lomond en de heer Von Soren.”

Maria geraakte in eene kwellende verlegenheid; vooreerst was elke
verheling, elke, zelfs de onschuldigste waarheid zoo geheel vreemd aan
haar aard, dat zij ook in dringende gevallen daarvoor terugbeefde, en
ten anderen was het haar volstrekt onbewust, in hoe ver Bernard en
Lodewijk hadden opgegeven, met haar bekend te zijn. Nauwelijks hoorbaar
en over het gansche gelaat als purper gloeiende, stamelde zij dus: „O
ja, ik ken hen, schoon niet van nabij.” Hare verwarring was aan de
gravin niet ontgaan; intusschen schreef zij die aan eene andere reden
toe en meende uit Maria's merkbare ontroering te mogen opmaken, dat
haar hart een warmer aandeel in die kennis nam, dan een jonge meisje
durft verraden. Met een zacht, even snel als het ontstond, onderdrukt
lachje liet zij dus dit gesprek varen en ging tot andere onderwerpen
over. Met de behendigheid eener vrouw naar de wereld wist zij dadelijk,
zonder een merkbaren sprong te maken, op de genoegens van het feest
terug te komen, waarvan zij zoo onverhoeds de deelgenoote geworden was.
Maria daarentegen vroeg naar de dochter der gravin, voor welke zij de
jonge Lodoiska hield. „Om haar,” hervatte deze, „kom ik hoofdzakelijk
deze baden bezoeken, minder wijl haar gezondheid het gebruik daarvan
vordert, dan wel omdat zij eene verstrooiing behoeft, die onze, zoo
nabij het tooneel van den oorlog gelegen vaderstad Warschau haar thans
niet geven kan. Niets kon mij dus aangenamer zijn, dan dadelijk bij
onze aankomst op eene zoo recht vroolijke wijze begroet te worden en
ik meen ook bespeurd te hebben, dat dit voorteeken, om het zoo eens
te noemen, op Lodoiska een hoogst gelukkigen indruk gemaakt heeft. De
lieve droomster is sinds eenige maanden zoozeer tot zwaarmoedigheid
geneigd, dat ik soms bijna aan de mogelijkheid wanhopen moest van haar
ooit weder voor de blijde genietingen des levens vatbaar te maken;
echter werkt niets krachtiger op den mensch dan het ongehoopte, het
onvermoede, waarin hij geen voordacht, geen opzet, maar eene voeging
en als het ware eene wending van zijn eigen lot ziet, die hem oneindig
sterker geloof en vertrouwen inboezemt, dan wanneer hij daarin vooraf
beraamde menschelijke bemoeienissen waant te zien doorstralen.”


HOOFDSTUK III.

Onder dergelijke gesprekken, waardoor men elkander ten minste
eenigszins van meer nabij leerde kennen, was de karavane nader en nader
aan hare bestemming gekomen. Reeds zag men het stadje Aussig, dat zich
schilderachtig langs den oever der Elbe uitstrekt, op een kleinen
afstand voor zich. De ruiters, die tot hiertoe de wagens verzeld
hadden, renden met lossen teugel vooruit, om de nadering der dames te
berichten en alles tot hare ontvangst voor te bereiden. De gansche
plaats geraakte in beweging, toen de statelijke trein van jonge lieden
zijn intocht hield; alles vloog aan venster of huisdeuren. De hupsche
meisjes met hare nette boheemsche neepmutsjes en levendige zwarte oogen
gluurden nieuwsgierig naar de voorname jonge heeren en trokken half
beschaamd, half tevreden lachend de aardige kopjes terug, wanneer haar
een kus toegeworpen of een groet toegewenkt werd, met welke beleefdheid
de jonge ruiters in hun vroolijken luim geenszins karig waren. De
waard van de herberg was reeds van hunne komst verwittigd; met
dienstvaardigen ijver sprongen hij en zijne lieden de aankomenden te
gemoet en grepen de teugels der paarden. „Alles is al volmaakt in orde,
mijne heeren,” riep hij; „het gansche huis is tot uw dienst, de kamers
zijn schoon gemaakt en opgesierd, voor eene goede tafel is gezorgd,
kortom, ik hoop, dat de genadige heeren over mij tevreden zullen zijn.”

„Wij zullen zien,” sprak de baron Heilborn, een der bestuurders, „en
willen alles in oogenschouw nemen. Hoogstens in tien minuten komen de
wagens met de dames en dan mag niets ontbreken. Hebt gij ook bloemen
in voorraad, om de stoep te bestrooien, en is de ingang behoorlijk
bekranst?”

„Dat zou ik denken, uwe genade,” hernam de waard; „en niet alleen de
deur, maar ook de gansche eetzaal, zoo goed wij 't schikken konden
en zoo goed het juist niet uitstekend fraaie lokaal toeliet.” Onder
deze woorden ging men de trappen op, om de tweede verdieping van het
huis, die tot ontvangst der gasten was ingericht, te bezichtigen.
Pronkvertrekken dorst men zekerlijk niet verwachten, want vier vrij
blauwselachtig gewitte muren, waarop eene lage zoldering rustte,
plompe, gebrekkig sluitende deuren, met donkerbruine verf aangestreken,
kleine, sombere vensters, met ronde schijven in het lood gezet, en een
vloer van ruwe planken, die nergens waterpas lagen, konden bezwaarlijk
een glansrijk paleis vormen, en behalve eenig stukadoorwerk aan de
wanden was niets te ontdekken, dat men eene bouwkunstige versiering
had kunnen noemen. Intusschen had de huiswaard de deuren met dikke
kransen van eikenloof, waardoor ook eenige bloemen heenschemerden,
behangen; de smaak in rangschikking was wel niet de fijnste, maar
leverde toch een vroolijk aanzien op, gelijk trouwens groen en bloemen
ons altijd vriendelijk toelachen, hoe kunsteloos zij ook geordend
zijn. In denzelfden trant als de deur, was ook de zaal getooid; van de
vier wanden hingen de groene volle eikenkransen in bevallig golvende
bogen—een schoone vorm, dien de wet der zwaartekracht van zelf
medebrengt—tot ongeveer twee voet onder de zoldering naar beneden.
De binnentredenden zagen het vertrek rond en riepen den waard een
eenparig bravo toe; een vroolijk gestemd gemoed toch schept in alles
behagen, wat zijne stemming zoekt te gemoet te komen. Echter had men
den tijd niet om lang in de zaal te vertoeven, daar de wagens elke
minuut konden aankomen. De jongelieden ijlden dus naar beneden, zorgden
dat stoep en gang met loof en bloemen bestrooid werden, en schaarden
zich nu rustig aan de deur om de aankomst der overigen te verbeiden.
Alle vensters van het stadje waren met nieuwsgierigen bezet, die de
dingen, welke komen zouden, met gespannen verwachting te gemoet zagen;
eene menigte kinderen was om het huis verzameld. Hoe armoedig en
half naakt de meesten ook zijn mochten, was toch de vreugde over het
ongewone schouwspel dat hen wachtte, in de helder flonkerende oogen ten
duidelijkste te lezen. De waard wilde hen verjagen, opdat de genadige
heerschappen in hun genot niet gestoord mochten worden, maar Heilborn
belette hem dit en zeide: „Laat de kinderen vroolijk zijn, heer waard;
zij storen onze vreugde niet; dat zij dan ook de hunne hebben. Waarlijk
men wordt zelf nog lustiger, als men zoo'n kleinen jubelenden zwerm om
zich ziet; laat hen dan rondspringen en buitelen en juichen en in de
handjes klappen, zooveel zij willen; wij zullen zien, wie het vandaag
in vroolijkheid winnen, zij dan wij.”

Thans ratelde de eerste wagen over de hobbelige straat van het stadje;
alle hoofden keerden zich naar het punt, waar de straat van de poort
op de markt uitliep. Een jubelgeschrei rees onder de kinderen op,
toen de vurige schimmels van den eersten wagen uit de enge straat te
voorschijn kwamen. „Laat ons als de kleinen doen,” riep Heilborn, „en
welkom heeten!” Tevens kreeg hij zijn zakdoek te voorschijn en wuifde
de komenden vroolijk tegen; de overigen volgden dit begroetingsteeken
na en de kinderen verdubbelden hun gejuich. Het waren de gravin, Maria,
de ritmeester en Erlhofen, die in den eersten wagen zaten, welke
onmiddellijk door den tweeden gevolgd werd. De jongelieden vlogen naar
het portier, om de dames bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. „Daar
zijn wij,” riep Erlhofen, „en ziedaar eene gansche volksverzameling
om ons te ontvangen. Dat is betamelijk, dat is recht, dat verheugt
mij, gij mijne medegenooten en medebestuurders van dit olympische
feest. Bij gewichtige gelegenheden moet echter ook geld onder het volk
worden uitgedeeld.” Dit zeggende kreeg hij eene lange groene beurs te
voorschijn, schudde eene menigte klein en groot zilvergeld in zijne
hand uit en strooide het, als een triomfeerend Romein in den wagen
staande, met den statigen uitroep: „_Panem et circenses_!” onder de
kleine menigte uit. IJlings sprong hij hierop van zijne triumfkar en
snelde de reeds in huis getreden dames na.

Wagen op wagen volgde en de sierlijkste gestalten zweefden de breede
deur der herberg binnen. De rijkelijk gestrooide bloemen ontlokten aan
elken schoonen mond een blijden uitroep van verrassing. Eindelijk zag
men het laatste nette voetje de trede afwippen en in luchtigen tred
de stoep opsnellen. Boven in de zaal en aangrenzende vertrekken was
Erlhofen, ondersteund door Arnheim, Heilborn en de overige aanleggers
van het feest, onvermoeid bezig stoelen voor de dames te plaatsen, zich
bevlijtigende haar behulpzaam te zijn in het afleggen en bezorgen van
doeken, hoeden, mantels, zonneschermen en al de duizend kleinigheden,
die onafscheidelijk met het bestaan der vrouw verbonden zijn. Toen
eindelijk de eerste verwarring voorbij en de orde teruggekeerd was,
rees natuurlijk de vraag op, wat men nu beginnen moest. Erlhofen
scheen niet weinig lust te gevoelen, om opnieuw het redenaarsgestoelte
te beklimmen en eene ciceroniaansche verhandeling, zooal niet _de
offices_ of _de amicitia_, dan toch _de deliclis_ voor te dragen, toen
de ritmeester hem voorkwam en zeide: „Een staat moet geregeerd worden
en in beslissende tijden heeft zelfs de republiek een dictator noodig.
Wanneer wij over alles beraadslagen en de stemmen opnemen wilden, zou
daarmede zooveel tijd verloopen, dat, wanneer wij van duizend besluiten
het beste genomen hadden, ons niets meer ontbrak dan tijd om het ten
uitvoer te brengen. Ik sla dus voor een koning en eene koningin te
kiezen, aan wier bevelen wij van daag gehoorzamen willen; deze kunnen
dan, zoo het noodig is, hoogstderzelver ministers benoemen, in één
woord, de regeling van de gansche huishouding van staat op zich nemen.”

Het voorstel werd met eenparigen bijval begroet, en men ging onverwijld
tot de verkiezing van een monarch over, wiens benoeming bij voorkeur
aan de dames werd opgedragen. Erlhofen was de gelukkige, die met
algemeene stemmen verkozen werd, en men liet aan hem over, welke
schoone hij als koningin naast zich op den troon wilde plaatsen. De
gekroonde ging in eene fiere houding den kring rond, en wierp genadige,
doch tevens vorschende blikken op de zwakkere helft zijner onderdanen;
vervolgens trad hij met statigen ernst op de gravin Micielska toe, boog
eene knie voor haar en sprak: „Die mij door het lot is toegevoegd, zij
mijne gebiedster; zij deele den schoonsten troon van Europa, want hij
is het minst door zorgen verontrust, met haren koninklijken gemaal.”

Glimlachend reikte de gravin hem de hand, stond op, deed hem oprijzen
en sprak met bevalligheid: „Ik zal heerschen, maar zooals het der vrouw
betaamt, door overreding en ik eerbiedig den wil van mijn vorstelijken
heer.” Een luid gejubel begroette het doorluchtige paar, dat dadelijk
tot den eersten plicht der nieuwe waardigheid, het benoemen van een
ministerie, overging. „De justitie,” sprak Erlhofen, „houden wij
aan ons. Een minister van oorlog zullen wij, hoop ik, niet van doen
hebben, het finantie-wezen komt niet voor van avond in aanmerking; wel
beschouwd, kunnen wij ons met huisminister en een voor de openbare
vermaken tevreden stellen. Daar intusschen beider werkzaamheden zeer
menigvuldig kunnen worden en het ons, naardien wij er geene betalen, op
de bezoldiging niet aankomt, zoo bezetten wij deze posten twee-, drie-,
viervoudig, door alle bestuurders van het feest daartoe te benoemen,
terwijl wij aan ons zelven voorbehouden, hun nadere bevelen te geven.”

Men was met deze schikking der nieuwe monarchen volkomen tevreden en
scheen over het geheel zeer geneigd, zich aan het goeddunken van het
vorstelijk paar willig te onderwerpen. Het eerste bevel luidde, dat
men eene wandeling naar den Mariënberg ondernemen zoude, die, niet
ver van het stadje gelegen, een verrukkelijk uitzicht op het Elbedal
aanbiedt en niet moeilijk te beklimmen is. Daar gekomen, zou men het
verdere bespreken. Het was een vroolijke optocht, die zich eerst langs
de straten van het stadje door de gapende inwoners een weg baande
en vervolgens over de lachende velden onder het lommer der boomen
voorttrok. Doeken, linten en strikken wapperden lustig in het frissche
koeltje, de bonte, lichte zonneschermen schemerden helder door het
groene loof der struiken. De krommingen van het bergpad volgende, begon
men tusschen de wijnperken en moestuinen, die de helling bekleedden,
rustig opwaarts te stijgen. Erlhofen trad, de gravin aan den arm
houdend, aan de spits van zijn volk vooruit; van tijd tot tijd stond
hij stil, deels om te laten rusten, deels om op de schilderachtige
gezichtspunten, die het dal aanbood, opmerkzaam te maken. De kruin was
spoedig bereikt en vergunde, schoon geen ruim, een uiterst bevallig
uitzicht op de gansche landouw. Als van een hoogen toren zag men
in de straten van het stadje neder. „Wij kunnen ons rijk duidelijk
overzien,” sprak de baron, met den vinger op de herberg wijzende; „ook
onze gansche legermacht kunnen wij tellen, die zich daar in den vorm
van een wagenbrug in de schaduw van het raadhuis op de markt heeft
neergeslagen. Ik begrijp echter niet, waarom ik slechts onze naaste
bezittingen tot ons gebied rekenen zou! Wat heet bezitten? Naar mijn
oordeel bezit men dat alles wat men geniet, ten minste zoolang men
het geniet. Derhalve strekken de grenzen van ons gebied zich tot in
het onmetelijke uit; het Elbe-dal, welks schoone natuur ons heden
verkwikken zal, is ontegenzeggelijk ons eigendom; en dat men tegen ons
nog over de zon, die ons verwarmen, over de maan, die ons heden avond
naar huis lichten moet, iets zou inbrengen kan ik mij bezwaarlijk
voorstellen.”

„De schoonere helft onzer bezitting,” hernam de gravin, terwijl zij
vriendelijk omzag, „schijnt mij het bezielde deel onzer onderdanen te
zijn; ik zal mij, als eene ware landmoeder, vooral in het welzijn van
mijn volk gelukkig gevoelen.”

„Inderdaad,” riep Erlhofen, „uwe Majesteit heeft gelijk! Wanneer
ik onze onderhoorigen beschouw, zou ik bijna durven beweren, dat
geen monarch in Europa eene zoo beschaafde, rijke en zoo gehoorzame
bevolking regeert. Wij hebben in onzen staat wel is waar gebrek aan de
noodzakelijkste inrichtingen, maar uit zeer goede gronden. Eene politie
kennen wij niet, wijl wij geen vagebonden hebben; van een gerechtshof
willen wij niets weten, daar het ons aan misdadigers ontbreekt, en een
advocaat zou onder ons honger lijden, want, zoolang onze troon staat,
is nog geen enkel proces gevoerd. Armbesturen zijn geheel onnoodig,
daar niemand bedelen wil, of het mocht om een kus zijn, en in dat geval
zal men, vertrouw ik, ruime liefdadigheid uitoefenen.”

„Niet te voorbarig, lieve Sire,” hervatte de gravin glimlachend,
„niet te vroeg mogen wij ons over den bloeienden staat van ons
rijk verheugen. Wie weet of niet spoedig tweespalt en oproer
daarin losbarsten; uwe laatste vooronderstelling tenminste kon een
gerechtshof, een minnehof natuurlijk, dringend noodzakelijk maken.”

„Dan bekleeden wij den voorzittersstoel,” riep de baron levendig, „ik
wenschte slechts, dat wij reeds een klagend liefdepaar voor ons zagen.”

Onder deze gesprekken had men eene bevallige plek gevonden, die
met zacht mos begroeid en door groene struiken overschaduwd eene
bekoorlijke rustplaats aanbood. De koning verordende, dat men zich paar
aan paar legeren zoude, en de gehoorzame onderdanen volgden dit bevel
gewillig op. „Wij regelen ons, dunkt mij,” dus verhief de heerscher
zijne stem, „in onze genietingen deels naar onze krachten, deels
naar de wenken, die ons door de natuur zelve gegeven worden. In deze
stille voormiddaguren, nu de zon hooger en hooger stijgt en de warmte
allengs toeneemt, moeten wij rustend het schoone genieten. Eerst de
namiddag, als met elke minuut een koeler adem de lucht verfrischt, is
tot lichamelijke uitspanningen geschikt. Thans mogen kout en scherts
ons bezighouden, die ons niet verhinderen, naar het zachte gegons en
gezwerm der insekten te luisteren of den blik opwaarts naar de groene
looverkruinen te richten, die fluisteren en suizen en zonnestraal en
hemelsblauw tusschen hare kleine traliereten laten doorgluren. Een
luchtig spel laat ik mij welgevallen, slechts geen dier vermoeiende,
waarbij men zich buiten adem loopt en die voor een koninklijken
hofstoet zoo weinig voegen.”

Men was van zijne meening en de gravin, door de dames tot een voorslag
uitgenoodigd bracht een pandspel tot stand. Dit gaf aanleiding tot
allerlei vroolijke scherts, daar de koning die niet alleen toeliet,
maar zelfs menig koene vrijheid bij de inlossing uitdrukkelijk gebood.
Toen deze was afgeloopen, gelastte hij op te breken en eene nieuwe
legerplaats te zoeken, waar men tegen de stralen der zon, die het dunne
loofdak, waaronder men nu zat, niet meer buitensloot, geheel beschut
was. Daar hij zijne ministers in verschillende richtingen als boden had
uitgezonden, keerde de ritmeester na eenige minuten met de verzekering
terug, dat hij een plekje had opgespoord, dat alle vereischten van
een aangenaam toevluchtsoord in zich vereenigde. Men volgde hem; hij
ging het gezelschap op de kruin des bergs dalwaarts voor, en sloeg
vervolgens een voetpad in, dat, een weinig van de hoogte afdalende,
zich in eene donkere woudstreek verloor, waar steile beuken de koelste
schaduw aanboden. Eene heldere bron welde uit eene rotskloof op en
verzamelde zich in een door haar zelve uitgehold bekken, om vervolgens,
over den rand heenstroomende, lustig in het dal neder te dartelen.
De helling van den berg vormde de gemakkelijkste zitplaatsen; de met
mos bekleede tronk van een ontwortelden beuk bood eene verhevenheid
aan, die het koninklijk paar tot troonzetel kon dienen. Tevens was
men, niettegenstaande den donkeren woudnacht, niet zonder een schoon
uitzicht, daar een hooge, boogvormige opening in het boomgewelf een
blik op de Elbe vergunde, aan wier anderen oever, juist te midden der
door de groene takken begrensde ruimte, het slot Schreckenstein op
zijne zwarte grondvesten omhoog rees. Daarenboven kon men ook recht
voor zich uit in het dal nederzien, waar de golven der breede rivier
als zilver door het loof heenblonken. De plaats verraste zoozeer
door hare natuurlijke, schilderachtige schoonheid, dat zij door het
gezelschap met een luiden kreet van bewondering begroet werd. De
monarch nam op den zachten troonzetel plaats, de koningin zette zich
aan zijne zijde neder, paar bij paar legerden zich de overigen in het
groen en sloten eenen breeden, trapsgewijze bij de helling afdalenden
cirkel om het vorstelijk paar.

„Hier is het ook voor spel te schoon,” begon de koningin; „het oord
is bijna te eerwaardig, om door luchtige scherts te worden ontwijd.
Met genoegen zou men hier naar een verhaler of zanger luisteren, die
ons van de romantische wonderen van dit dal wist kond te doen. Heeft
niemand onzer onderdanen den oude dezer rots gesproken? Verscheen
niemand de berggeest of de liefelijke nimf van den stroom? Heeft zij
geen onzer ridders, die op de jacht van het spoor dwaalden, in het
geheimzinnige duister van het woud aangesproken, den dorstende een
verkoelenden laafdronk gereikt, den vermoeiden den helm ontgespt en
hem met zoet gevlei uitgenoodigd, het hoofd in haren schoot te leggen?
Heeft zij hem toen niet verhaald van hare sloten in de diepe rotskloof
of onder de koele zilveren spiegelvlakte van het water? Heeft zij niet
zoete liederen met het suizen en lispelen der bergvlieten en boomen
gepaard, om hem in haren arm in slaap te wiegen? Voerde zij niemand
in hare paleizen binnen; liet zij niemand den dans aanschouwen van
de nimfen, hare zusters? Of is er wellicht een gelukkige onder ons,
dien zij vleiend met zich lokte naar de schemerdonkere grot, om in
vertrouwelijke eenzaamheid met hem te koozen? Ach ik vrees, de schoone
tijd der wonderen is voorbij; nauw geeft de dichter ons nog bericht
van die gulden dagen, toen goden de sterfelijken bezochten! Ware hier
echter iemand, die het zelf ervaren heeft, dat de oude, schoone droomen
nog immer voortduren, dat de goedige wezens, met wie onze stamvaders
bevriend waren, nog altijd omwandelen, schoon ook het onheilige
gedruisch en gewoel der wereld in de diepste eenzaamheid ontweken: dat
hij optrede en ons verhale, wat hij gezien heeft.”

Alles bleef stil; men glimlachte slechts over de bevallige wijze,
waarop de gravin de feestgenooten tot het verhalen eener sage of
overlevering had aangemoedigd. Eindelijk stond een jongeling op, die
nauwelijks twintig jaren oud scheen, maar door zijn zacht, bescheiden
en bijna vrouwelijk voorkomen, zijne schoone, blonde haarlokken en
frissche, bloeiende gelaatskleur reeds vroeger de aandacht geboeid had,
en sprak: „Ik ben wellicht de jongste uit dit gezelschap en durf niet
hopen door mijne voordracht belangstelling te wekken; echter ben ik in
deze bergen opgevoed en ken menig schoone sage, die hier onder het volk
in aandenken is gebleven. Wanneer ik....”

„O vertel, wij bidden u, vertel,” riepen vele stemmen en braken
zoo de inleiding af, die hij schuw en blozend begonnen had. Ook de
gravin stond op en zeide: „Dat is prijselijk, dat gij uwe gebiedster
gehoorzaam zijt; maar de verhaler moet eene plaats hebben, waar ieder
hem zien en hooren kan; zet u dus, zoolang de sage duurt op mijn troon
neder.”

De gravin had hare woorden niet kunnen voleinden, toen Erlhofen reeds
opsprong en uitriep:

„Dat verhoede de hemel, dat mijne koningin haren troon zoude verlaten!
Maar de dichter en zanger is de ware koning, want hij beheerscht de
harten, vooral die der vrouwen. Hij neme dus mijn zetel in en zitte aan
de zijde der koningin, wier nabijheid zijn geestdrift ontvlammen moge.”

Een vroolijk handgeklap getuigde van de goedkeuring der onderdanen,
en Benno, zoo heette de jongeling, nam met eene bedeesdheid en
schroomvalligheid, die zijn jeugdig gelaat ongemeen goed stonden, aan
de zijde der gravin plaats. Na eenig nadenken droeg hij eene, door hem
zelven naar eene der volksoverlevering van het gebergte vervaardigde
legende voor. Zij behelsde de geschiedenis van een door de bewoners
der bergen en stroomen begunstigden jongeling, die de liefde eener in
de diepte van het meer wonende jonkvrouw wint, en haar eeuwige trouw
zweert. Doch hij moet zware beproevingen doorstaan; geheime krachten
en machten omgeven hem van alle zijden. Schoon de geliefde hem door
geheimzinnige, wondervolle geschenken en gaven tegen de betooverende
werkingen in zekerheid stelt, wordt hij verblind, wordt hij ontrouw,
ziet zich eensklaps door alle drogbeelden van zijn waan verlaten en in
diepe ellende gedompeld. Vol vertwijfeling beneemt hij zich het leven
door in dat meer te springen, op welks bodem het kristallen paleis
zijner geliefde verborgen is. Sinds dien tijd zijn de blauwe baren
donker en troebel geworden; en zelfs bij den heldersten hemel spiegelt
de zwarte watervlakte geen enkelen zonnestraal terug.


HOOFDSTUK IV.

Toen Benno zijn verhaal geëindigd had, verkeerden alle gemoederen in
eene zekere angstige spanning, en een diep stilzwijgen heerschte in den
breeden kring. Hij had de gebeurtenis zoo levendig voorgesteld en zijne
toehoorders zoo volkomen van de nabijheid der schouwplaats, waar die
moest zijn voorgevallen, overtuigd, dat zij het omliggende landschap
met bijna dezelfde gewaarwordingen beschouwden, die het bezoeken van
de eene of andere geschiedkundig gedenkwaardige plek te weeg brengt,
waar men als het ware nog de voetstappen der daar plaats gehad hebbende
belangrijke voorvallen op den heiligen bodem vindt ingeprent en ze met
eerbied en aandoening gadeslaat.

„Bevindt zich werkelijk zoodanig meer in dezen omtrek?” Met deze vraag
brak de gravin het algemeene stilzwijgen af.

„Het is weinig bekend,” hervatte Benno, „en inderdaad, de plaats
verdient ook nauwelijks bezocht te worden, zoo het niet om de
overlevering was. Intusschen heb ik meermalen meenen op te merken, dat
onze voorouders, in weerwil van hun romantischen aanleg tot poëzie,
ten opzichte der landschappen, waaraan zij hunne sagen verbonden, niet
zooveel gevoel voor natuurlijk schoon ontwikkeld hebben, als men van
zulke dichterlijke gemoederen wel verwachten zoude.”

„Die aanklacht schijnt mij een weinig onbillijk,” merkte Maria op;
„vooreerst toch vinden wij vele sporen, dat onze vaders het schoone,
stoute en verhevene in de natuur wel degelijk en met bewustzijn
gevoeld hebben, zooals dit ook reeds uit de namen van enkele bekende
bergen, rotsen en holen genoegzaam blijkt; maar ten anderen was de
overlevering toch zeker niets louter willekeurigs, en wanneer zij ook
al ten deele uit de plaatselijkheid zelve geboren werd, zoo vereischte
zij toch evenzeer eene gebeurtenis, eene handeling, weshalve men haar
in zeker opzicht als eene geheimzinnige dochter der daad en der plaats
beschouwen kan. En hoe dikwijls ziet men, dat ook de schouwplaats der
gebeurtenissen ten nauwste met deze in verbinding staat.”

„Gij hebt voorzeker gelijk,” antwoordde Benno een weinig blozend;
„intusschen vindt men ook meermalen, dat de schoonste sprookjes aan
een weinig beteekenende plaatselijkheid verbonden zijn, en dat is ook
met mijne overlevering het geval. Echter beken ik gaarne, dat mijne
algemeene gevolgtrekking uit deze voorbeelden eenigszins te gewaagd
was.”

„Dat mag zijn, hoe het wil,” sprak de gravin, „uw verhaal heeft ons
een aangenaam uur verschaft. Ik, als koningin, ben verplicht den
dichter van mijn minnehof te beloonen, en ik vertrouw, dat zulks op
eene waarlijk vorstelijke wijze zal geschieden. Uwe overlevering is
uit den zuiveren schoot der natuur ontsproten; met hare zuivere,
oorspronkelijke gaven zal zij ook beloond worden. Zij verheft op eene
treffende wijze de trouw, als de waarachtige ziel der liefde, en trekt
zich dus inzonderheid ons geslacht aan, dat van de trouweloosheid
der mannen zooveel te lijden heeft; het is dan ook billijk, dat eene
vrouwelijke hand den zinrijken dichter, want als zoodanig moeten wij
den verhaler beschouwen, de belooning toereike. Ik beveel dus aan al
de schoone maagden van ons hof, dat zij zich opmaken, om de schoonste
veldbloemen op te garen. Bij den terugkeer onzer edele jonkvrouwen zal
ik zelve drie van haar uitkiezen, om een eerekrans uit de bloemen te
vlechten, en vervolgens zal het lot beslissen, welke dezer drie den
dichter kronen en, zoolang ons rijk duurt, zijne dame zal zijn.”

Een luid gejuich van goedkeuring deed zich hooren, toen de vorstin dit
besluit bekend maakte. De mannen klapten in de handen en prezen de
schoone koningin, die een minnehof zoo treffelijk wist te regeeren.
Erlhofen greep met kluchtige geestdrift een groenen tak als scepter,
hield dien met statigen ernst omhoog en riep: „Gij, mijne volkeren!
hoort! Ik hecht bij dezen aan de uitspraak mijner koninklijke gemalin
het zegel mijner allerhoogste goedkeuring. Gaat dus henen, gij
jonkvrouwen, en keert niet terug, eer gij ons vorstelijk rijksgebied
van zijne schoonste bloemen beroofd hebt.”

Na deze rede stonden de meisjes op en trokken met hare golvende
schitterende kleeding het groene woud in, om op zonnige plaatsen de
bloemlezing te beginnen. Vele mannen hadden grooten lust de vrouwen
te geleiden, doch de vorstin verbood zulks met ernst, want op dezen
tocht mochten de jonkvrouwen in haren ijver niet gestoord worden. Men
kon dus slechts uit de verte zien, hoe de bevallige gestalten luchtig
over het groen zweefden, nu in de struiken verdwenen, dan weder te
voorschijn kwamen, zich bukten, om de geplukte bloemen in mandjes en
doeken bijeen te zamelen, bij eene gelijktijdig ontdekte schoone bloem
wedijverend daar op toesnelden, in één woord, al die behendigheid en
vlugheid ten toon spreidden, welke der vrouwelijke jeugd in het oog van
den jongeling zooveel bevalligheid verleenen.

„Ziet het bosch er niet uit, alsof het door nimfen bevolkt was?” vroeg
de gravin, met welgevallen het landelijk tooneel gadeslaande.

„Het zijn de liefelijkste Oreaden, Dryaden, Hamadryaden, Sylfen, Elfen,
Feeën en Peri's, die ik van mijn leven gezien heb,” riep Erlhofen uit.

Terwijl de gesprekken nog lustig voortliepen over het gelukkig lot van
den dichter, over den ijver der vrouwen om hem te beloonen, over het
twijfelachtige geluk van zijne gezellin te worden, hadden de nimfen
korfjes en doeken gevuld en keerden tot het gezelschap terug, waar zij
haren geurigen roof voor den troon uitschudden.

„Zeer schoon,” sprak de gravin, met vorschende blikken den voorraad
monsterende; „thans zal ik mijne kransvlechtsters benoemen.” Hare keus
viel op Maria, Lodoiska en Louise, de zeer bevallige dochter van een
welgesteld inwoner van Teplitz, die door de brongasten, die in haar
huis inwoonden, tot het feest genoodigd was. De drie meisjes zetten
zich dadelijk in het gras neder en begonnen den krans te winden, die
onder hare vlugge handen spoedig gereed was. De gravin koos hierop
drie bloemen, eene wilde roos, eene korenbloem en een viooltje uit,
waarvan zij, nadat de dichter geblinddoekt was, aan elk der meisjes
eene ter hand stelde. Nu moest Benno kiezen; hij noemde de roos, en
Lodoiska werd zijne gezellin. Deze moest dus ook den vollen, geurigen
krans op des jongelings blonde lokken drukken. Maagdelijk schuw en met
een lichten blos op de wangen, nam zij dien uit de hand der gravin
aan; Benno boog de knie voor zijne gebiedster neder en ontving met een
kloppend hart het loon voor zijne dichterlijke gave. „Moge deze krans
u zoo gelukkig maken,” sprak het meisje, „als uw schoon verhaal ons
hart geroerd heeft.” De bekroonde stond op, greep hare hand; drukte die
met vuur aan zijne lippen en antwoordde met de een weinig veranderde
woorden des dichters:

„_Dat slechts mijn loon u niet tot straf moog wezen!_”

Hij bood haar hierop den arm en geleidde haar naar hare plaats in het
groen, waar hij zich aan hare zijde nederzette.

Inmiddels was de zon de middaglijn genaderd en slechts de hooge
gewelven der takken deden het aangenaam koel blijven. Nu werd het tijd
naar het stadje terug te keeren, wilde men het middagmaal niet laten
wachten. Erlhofen verklaarde dit voor de gewichtigste aangelegenheid
van den dag en dreigde ieder met de gruwzaamste straffen, die hierin
weerspannigheid of onwil mocht doen blijken. Deemoedig nam de gravin
dus zijn arm aan, en de trein zette zich paarsgewijze, zooals hij
gekomen was, in beweging, om weder in de diepte neder te dalen.

De maaltijd was gereed, en in bonte rij zette men zich om den langen
eikenhouten disch. Erlhofen en de gravin zaten natuurlijk voor; de
eerste liet het niet aan menigvuldige toespraken ontbreken, waartoe de
tafel hem genoegzame gelegenheid aanbood, en stelde ook verschillende
toasten in, die algemeene toejuiching verwekten. Zulks bracht te weeg,
dat de wijn, hoe spaarzaam hij ook hare schoone lippen bevochtigde,
de vrouwen toch ongemerkt met zijne macht bekroop en haar tot de
levendigheid en den moedwil aanzette, die, wanneer een beschaafd
zedelijk gevoel ze binnen de grenzen van het schoone doet blijven,
haar zoo ongemeen bekoorlijk staan. Zij verliezen dan onwillekeurig
slechts het te veel der bedeesdheid en zelfbeheersching, verkrijgen
het open vertrouwen, dat haar den moed inboezemt, om zich ook eenmaal
van ganscher harte vroolijk te toonen; en, gelijk zij zelve geheel
argloos zijn, worden zij meer en meer in het geloof versterkt, dat
in geen boezem op den wijden aardbodem iets onreins of misdadigs kan
oprijzen of huisvesten. Dan treedt de schoone vrouwelijke natuur geheel
ontslagen van die boeien te voorschijn, die toch slechts door het in
onze zeden en gezindheden diep ingedrongen bederf aan hare sekse zijn
opgelegd en die zij zich gedurende haar ganschen leeftijd getroosten
moeten. De knellende band, waaraan zij angstvallig langs den grond
plegen te fladderen, wordt verbroken, en ook zij zweven eenmaal op de
vrije vlerken der vreugde in het verwijde gebied rond en wagen zich in
tot hiertoe ongekende hoogten en ruimten. Eerbaarheid en deugd blijven
haar als schoone, vriendelijke gezellinnen op zijde, maar beheerschen
haar niet meer als vreemde, strenge gebiedsters.

De warmte der zaal, hoewel door open vensters en den frisschen geur der
kransen en bloemen gematigd, begon na eenigen tijd toch drukkend te
worden, en weldra kostte het vooral der jeugd moeite, zich langer op
de bestemde plaats te houden, hoe aangenaam die overigens ook door het
gezelschap zijn mocht. Met algemeene vreugde werd dus het door Heilborn
en Arnheim medegedeelde bericht ontvangen, dat twee gondels op de Elbe
gereed lagen, om de feestgenooten naar den Schreckenstein te voeren,
waar men den namiddag wilde doorbrengen. Erlhofen zou wel gaarne nog
eenigen tijd aan tafel vertoefd hebben, daar de voorraad champagne nog
op verre na niet was uitgeput, doch het ongeduld der jongelieden was
niet meer te beteugelen en zelfs zijn koninklijk gezag schoot daartoe
te kort. Men brak dus op, de paren bleven geordend, gelijk zij tot
hiertoe geweest waren, en de trein sloeg het pad naar den stroomoever
in.

De met lustig wapperende wimpels en kransen versierde gondels leverden
zulk een schilderachtige vertooning op, dat men daardoor reeds de
schoonste verwachting van de voorgenomen vaart opvatte. Een zachte
muziek van blaasinstrumenten, door boheemsche bergwerkers uitgevoerd,
liet zich uit een opzettelijk daartoe ingericht vaartuigje vernemen.
De zindelijk gekleede bootslieden, wier hoeden met linten en strikken
prijkte, begroetten het gezelschap met een juichend vivat; de planken
werden uitgelegd, de dames wipten luchtig aan boord, de paren namen,
naarmate zij elkander opvolgden, op de banken plaats; spoedig
waren de gondels gevuld, de muziek gaf een luiden toon aan, onder
het gejubel der verzamelde toeschouwers stiet men van wal en, met
krachtige roeislagen voortgedreven, doorkliefden de ranke booten de
breede watervlakte. Thans eerst, nu men het midden bereikt had, kon
men recht diep in het prachtvolle wouddal nederzien, waaruit de Elbe
te voorschijn bruischt. Op den achtergrond rees het stadje aan den
groenen oever vriendelijk omhoog en spiegelde zich in de golven; vóór
zich ontdekte men slechts donkere woudterrassen, die naar den stroom
afdaalden en hun duister beeld in de diepte wierpen; ter linkerzijde
werd het uitzicht door de zwarte rotsen van den Schreckenstein
begrensd, die, in schuinsche richting uit het gebergte oprijzende, zijn
kruin ver over de golven neigt en de muurkroon van vervallen torens
over den afgrond laat neerhangen. Eene frissche, uit het dal opkomende
koelte maakte het roeien onnoodig; men kon de zeilen ontspannen en zich
door hen tegen den ruischenden stroom laten opvoeren. Vliegensvlug
scheen de oever de varenden voorbij te zweven en vertoonde eene
lange reeks van afwisselende beelden. Nu eens gleed men onder een
hoogen bergkegel door, die zijn breede schaduwen schuins over den
stroom wierp, dan weder dansten de gondels op zilveren, in helderen
zonneschijn flikkerende golven, terwijl de oever, met dichte pijnen
en lommerrijke eiken omzoomd, in nachtelijk duister gehuld scheen. Nu
vernauwde zich de bedding, en de stroom schoot bruisend tusschen en
over rotsen daarheen, dan verwijdde hij zich tot een kalm en helder
meer, in welks diepte de wolken rustig voorttrokken. Na een uur had men
het doel, den Schreckenstein en zijn rotsburg, bereikt.

„Ik had mij de rots toch hooger voorgesteld,” sprak Lodoiska tot Benno,
terwijl zij, aan den oever staande, een blik naar de torenspitsen
omhoog wierp; „van verre kwam zij mij veel verhevener voor. Het is de
eerste steile rots, die ik ooit gezien heb; want bij ons in Polen is
het land vlak en met bosch of kreupelhout doorsneden.”

„Laat ons maar eerst den top beklimmen,” hernam Benno, „en gij zult
spoedig bemerken, dat de rots niet onbeduidend is. Thans, het is
waar, verdwijnt zij tegen de veel hooger gebergten, die achter haar
opstijgen.”

Lodoiska hield nog gestadig hare oogen op de stout voorover hangende
kruinspits gevestigd. „Berglanden zijn toch zeer schoon!” sprak zij na
eenig zwijgen, „Polen heeft ook bergen, maar enkel in het zuidelijke
deel, waar zich eenige takken van de Karpathen verheffen. Ik ben daar
nooit geweest.”

Een deel van het gezelschap was, terwijl beiden spraken, den weg, de
hoogte op, reeds ingeslagen; ook Benno reikte dus aan zijne schoone den
arm en voerde haar behoedzaam het steile bergpad op. Toen zij de rots
half bestegen hadden, wilde Lodoiska zich omwenden om naar beneden te
zien, doch Benno verzocht haar zulks niet te doen. „Gun mij de vreugde
u boven op het schoonste punt met het overzicht van het geheel te
verrassen. Ik zou u smeeken de oogen geheel te sluiten, wanneer het
pad niet zoo was, dat zelfs de opmerkzaamste geleider niet voor kleine
ongevallen behoeden kan. De grond is te ruw en oneffen, er liggen te
veel puntige steenen in den weg, de richting verandert zich vaak te
onverhoeds, om met gesloten oogen vasten voet te kunnen houden. Maar
vestig uwe oogen slechts stijf op het pad voor u, tracht van u zelve te
verkrijgen, dat gij noch rechts noch links uitziet, en ik durf u eene
rijke vergoeding voor uwe zelfbeheersching voorspellen.”

Lodoiska beloofde dit gewillig en liet zich geheel aan de leiding van
den jongeling over. De overige leden van het gezelschap schertsten
wel over hare gehoorzaamheid, doch daaraan stoorde zij zich niet,
maar glimlachte stil voor zich heen en zeide: „Ik vertrouw mijn gids,
want hij kent dit gebergte nauwkeurig en weet de schoonheden daarvan
te gevoelen.” Tevergeefs zochten eenige moedwillige jongelieden
hare nieuwsgierigheid gaande te maken, en roemden nu dezen blik in
de diepte, dan dat uitzicht op het dal; zij bleef standvastig. Na
eene kleine wandeling stond zij op de kruin en Benno geleidde haar
door vervallen muurpuinen naar een hoektoren, dien men langs eenig
half ingestorte trappen beklimmen moest, waarop men zich in een
klein vertrek met breede venstergaten bevindt, dat zoo dicht aan den
uitersten rand der rots is gebouwd, dat men geen grond onder zich
gewaar wordt, maar vrij over den Elbespiegel schijnt te zweven. Eer het
meisje hier intrad, had zij het oog, op Benno's raad, geheel gesloten
en liet zich zoo door dezen aan het hoofdvenster plaatsen.

„Nu”, sprak Benno, „open nu de oogen! Nu is het tijd, om in het rond te
zien.”

„Almachtige hemel!” riep Lodoiska en trad verbleekend eene schrede
terug, toen zij den duizelingwekkenden afgrond zoo eensklaps voor
zich geopend zag. Doch spoedig had zij zich hersteld, trad, hoewel
nog een weinig sidderend, aan Benno's hand weder dicht aan de lage
vensteropening en blikte naar beneden. „Welk een huiveringwekkend
genot!” sprak zij, angstvallig rondziende. „Schoonheid en ontzetting,
hoe zonderling gaan zij hier gepaard!”

„Welnu,” vroeg Benno, „is de rots hoog? Verdient zij haren naam: Rots
der Verschrikking?”

„Voorzeker, voorzeker! O het is hier verrukkelijk schoon!” riep
het meisje, wier angst weldra in bewondering overging. „Hoe klein
schijnen onze gondels daar in de oeverbocht. Reeds het tuintje van den
poortwachter hier dicht onder ons ligt diep, en van daar daalt de rots
toch eerst recht steil naar beneden. Zie slechts, hoe de zwaluwen bijna
zoo diep onder ons vliegen als anders boven ons!”

„De roofvogels blijven toch nog altijd hoog boven onze hoofden,” merkte
Benno aan; en wees op een havik, die juist schuins over het dal streek
en zich op breede vlerken wiegde.

Lodoiska sloeg het oog naar boven. Juist stond de roofvogel bijna
onbewegelijk en liet zich op de wijd uitgespannen wieken drijven.
Eensklaps schoot hij pijlsnel op eene vlucht bergduiven neder, die
vreedzaam onder hem rondkruisten. De verschrikte dieren fladderden
haastig naar alle richtingen uiteen; maar de roover had reeds een in
het oog gevat en joeg het met uitgebreide vleugels voor zich uit. De
duif nam hare vlucht naar den toren, doch bijna in hetzelfde oogenblik,
dat zij deze zekere schuilplaats bereikte, was ook de vijand haar
genaderd en greep, nabij de plek waar Lodoiska stond, het angstig
fladderende diertje met zijn scherpe klauwen grimmig aan. Het meisje
zag eenige witte veeren vliegen en hoorde het angstig gekrijsch van het
schuldelooze offer. In de snelle vaart zijner vlucht streek de havik
zoo na aan den toren voorbij, dat hij met de breede, grijze vleugels
de hoeksteenen raakte, waarna hij zich, schuw voor de menschen, doch
zonder zijn roof te laten varen, weder hoog in de lucht verhief.

De vrouwen—want ook Maria, de gravin en eenige andere dames waren
inmiddels in den toren getreden—hadden met deelneming het schouwspel
aangezien. Medelijden met het gekwelde diertje, dat niemand redden kon,
en zelfs ook schrik voor den wilden, heesch krijschenden roofvogel
hadden allen meer of min getroffen; maar Lodoiska zag bleek als de dood
en sidderde hevig. Door het beklemmend gevoel, dat het duizelingwekkend
hooge standpunt, waarop zij zich zoo eensklaps had verplaatst gezien,
in haar verwekt had, was zij nog te zeer ontroerd, om niet door een
tweede, soortgelijke gewaarwording ten hevigste geschokt te worden. Het
gelaat afwendende trad zij terug, en toen haar oog de gravin ontdekte,
wierp zij zich met eene krampachtige stuiptrekking aan hare borst en
uitte eenige woorden in hare moedertaal. Hare moederlijke vriendin
fluisterde haar in dezelfde taal een antwoord in het oor en wendde zich
vervolgens, als om het gebruik der vreemde taal te verontschuldigen,
tot de aanwezigen: „Zij heeft iets dergelijks gedroomd, daarom heeft
het gezicht haar zoo getroffen.”

„Ja, het was een droom, een recht akelige droom,” stamelde Lodoiska met
een gedwongen lachje; „maar ik wil niet verder daaraan denken,” voegde
zij er met meer kalmte bij en trad in den kring der overigen terug.


HOOFDSTUK V.

Ten einde den lichten schrik te doen vergeten, sloeg Benno voor, den
grijzen brug nauwkeuriger in oogenschouw te nemen, hetgeen, vooral
daar hij zich als geleider aanbood, met dankbaarheid werd aangenomen.
Vervolgens hield men zich met allerlei gezellige spelen bezig, schoot
met een armboog, kaatste met den bal en wierp met het raket, bij welk
laatste spel vooral Lodoiska veel bevalligheid en vlugheid aan den dag
legde.

De zon neigde zich intusschen reeds dieper naar de bergen, en hare
stralen begonnen den roodachtigen tint te krijgen, waardoor de
landschappen zich in den lateren namiddag in zulk een warmen lichtgloed
vertoonen. Niet zonder reden was men beducht, op de terugvaart door die
snelle afkoeling der lucht verrast te worden, die in hooger liggende
landen bespeurd wordt, zoodra de bergen zich geheel in hun schaduwen
gewikkeld hebben. De wensch, dat men opbreken mocht, werd dus van
verschillende zijden geuit, hoewel men ongaarne juist op den schoonsten
tijd van den dag van het romantische punt afscheid nam, waar men de
middaguren zoo genoeglijk had gesleten. Ook bracht Arnheim hier tegen
in, dat niets verrukkelijker zijn zoude, dan tegen den tijd, dat het
purper van den avond met het zilverlicht der maan ineensmelt, zonder
roeislag met de golven van den stroom af te drijven, en daar nog
anderen met hem weinig geneigdheid tot de verhaaste afvaart aan den dag
legden, kwam men eindelijk overeen, dat men zich zoude verdeelen. Wie
voor de avondkoelte bevreesd was, kon met de eerste gondel dadelijk
terugkeeren, de overigen wilden een uur later volgen, terwijl allen van
meening waren, dat men gezamenlijk het avondeten gebruiken moest. Na
deze vriendelijke schikking klom de grootste helft van het gezelschap
van den berg naar beneden; de andere, waartoe het koninklijk paar,
Maria, Lodoiska, de ritmeester, Benno en eenige andere behoorden,
besloten, op voorslag van den laatste, tot eene wandeling hooger het
gebergte op, waarvan men zich nog menig verrassend uitzicht in het dal
voorstelde. Een voetpad, waarop nauwelijks twee personen naast elkander
konden gaan, voerde in slingerende bochten bergopwaarts door het woud.

De weg had iets ongemeen bevalligs; kronkelend en als heimelijk door
het woud sluipend, liep hij onmerkbaar hooger naar de kruin op. Door
de reten van het loover zag men boven zich den hemel schemeren, in
de diepte den blinkenden stroom glanzen; breeder openingen van het
kreupelhout verrasten door schilderachtige gezichten in het dal, die
bij elke kromming van het pad afwisselden. Allengs werd het eenzamer
en stiller, het pad verdween bijna in het hoog opgeschoten gras, het
struikgewas hield op, en de koele schaduw van een donker dennenbosch
ontving de wandelaars. Thans had men inderdaad de wildernis van
het gebergte bereikt. Een betreden voetspoor was nergens meer te
ontdekken, maar een zacht moskleed lag over den grond uitgespreid en
de lucht was bezwangerd met de balsemachtige geuren van welriekende
gewassen. De volle berg-aardbezie was hier in rijken overvloed en liet
de donkerroode vrucht tusschen de lichtgroene bladeren doorblinken,
enkele steile varenkruiden schoten in weelderige bosschen nevens de
verstrooide rotsblokken omhoog, van onder welke het heldere welwater
lustig opborrelde. Een zacht ruischen en ritselen fluisterde door
de toppen der dennen, de gansche natuur blikte hier den mensch met
eenvoudig verhevene trekken aan. Benno, die met de landstreek
nauwkeurig bekend was, deed het gezelschap eene, van de tot nu toe
gehoudene afwijkende richting inslaan, om een hoog rotsblok te
bereiken, dat in dezen omtrek op eene vrije grasvlakte schilderachtig
lag neergestrekt. Op een afstand van ettelijke honderden schreden
zag men het reeds als een reusachtige sarcophaag voor zich liggen,
welks bovenste hoek echter stout vooruit sprong en zich ver over de
grondvlakte uitstrekte. Onze wandelaars geloofden zich geheel alleen
op deze hoogte te bevinden, toen hun tot hunne verwondering een witte
windhond te gemoet sprong, hen eerst van verre aanblafte, maar spoedig
vertrouwelijk naderde en Lodoiska's liefkoozingen door vriendelijk
opspringen en vleiend indringen beantwoordde. Als om den weg te wijzen,
verdween het vlugge dier achter het breede rotsblok.

„Vermoedelijk zal daar een jager uitrusten,” sprak Benno, „want wild is
hier boven in groote menigte te vinden.”

Men was inmiddels de rots genaderd en ging, om te zien of men werkelijk
niet alleen was, er om heen. Aan de andere zijde vond men, gelijk Benno
met grond vermoed had, twee heeren in jachtgewaad, die echter, door
het werk van den dag vermoeid, in diepen slaap lagen en noch door het
geblaf van den windhond, noch door de nadering van het gezelschap in
hunne rust gestoord werden.

„Het moeten badgasten zijn,” fluisterde Benno, „daar ik hen gisteren
reeds in Teplitz gezien heb. Waarschijnlijk logeeren zij in den Gouden
Leeuw, waar zij na de morgenwandeling ingingen, zonder dat ik er hen
weder uit zag komen, schoon ik mij een uur in het huis tegenover
ophield.”

Intusschen hoorde men op niet verren afstand een schot vallen; de
hond sloeg aan, de jagers rezen uit den slaap op. Zij schenen zeer
verbaasd een zoo talrijk gezelschap van heeren en dames in de nabijheid
te zien, sprongen in allerijl op, begroetten de aankomenden en
verontschuldigden zich dadelijk wegens den toestand, waarin men hen had
aangetroffen.—Het waren Franschen. Als groote liefhebbers der jacht
hadden zij van de beleefdheid van een boheemsch edelman, die hen had
uitgenoodigd op zijn grondgebied te komen jagen, met vreugde gebruik
gemaakt, waren echter van hem afgedwaald en rustten hier boven uit om
nieuwe krachten tot het voortzetten hunner uitspanning te verzamelen.
Het zooeven gevallen schot moest door hun vriend gelost zijn, wiens
fraaien jachthond men reeds in de verte ontdekte. Het duurde ook niet
lang, of men zag hem zelf van onder de boomen te voorschijn komen en
regelrecht op het gezelschap toetreden. Het was de baron Sedlazeck, een
rijk landeigenaar uit den omtrek, dien Erlhofen, Arnheim en Benno van
nabij kenden. Men begroette elkander met de verhoogde deelneming, die
een ontmoeting op eene geheel ongedachte plaats te weeg brengt, en de
baron vroeg vergunning om zich met zijne beide vrienden, die hij als
de heeren St. Luces en Beaucaire voorstelde, bij het gezelschap aan te
sluiten, 't geen natuurlijk met beleefdheid werd toegestaan. Maria had
onderwijl op eenigen afstand gestaan en de namen der aankomelingen niet
gehoord; anders zoude zij voorzeker hevig zijn ontroerd geworden, daar
zij wist welken invloed beide personen op het lot van haren broeder
uitoefenden.

Men nam hierop gezamenlijk den terugtocht naar het slot aan. De beide
vreemden wisten zich met fransche behendigheid bij de vrouwen in te
dringen en waren spoedig zoo levendig met haar in gesprek gewikkeld,
alsof zij de oudste vrienden van de wereld waren. Daar men zich bij
het afklimmen moest verdeelen, hield St. Luces den ritmeester een
weinig terug en vroeg met de gewone gezellige nieuwsgierigheid, naar
stand en naam der aanwezigen. Ook Beaucaire drong nader. De namen
Erlhofen, Benno, zelfs die der gravin en van Lodoiska schenen hen
vrij onverschillig te laten; toen Arnheim echter Maria noemde, viel
de andere vreemde hem met belangstelling in de rede: „Hoe? Rosen? Uit
Dresden? Hebt gij 't gehoord, Beaucaire?”

„Zeker heb ik,” antwoordde deze met een gelaat, welks zeldzame
uitdrukking Arnheims aandacht tot zich trok.

„Kent gij de jonge dame?” vroeg deze verwonderd.

„Eenigszins geëerde vriend,” hervatte St. Luces, „eenigszins. Ik heb
haar in Dresden, waar ik mij voor eenige maanden ophield, meermalen in
den schouwburg gezien en, daar haar bevallig uiterlijk mijne aandacht
trok, naar haren naam gevraagd. Ziedaar onze geheele kennis.” Dit
zeggende wierp hij echter Beaucaire een zoo zonderlingen blik toe, dat
de ritmeester wel bemerkte, dat hier iets anders moest schuilen, wat
zijne nieuwsgierigheid niet weinig spande. Hij mocht het zich zelf toch
bekennen of niet, Maria had een diepen indruk op zijn hart gemaakt,
en deze onverwachte kennis welke St. Luces met haren naam toonde te
hebben, deed allerlei ijverzuchtige vermoedens in hem levendig worden.

„Zeg mij toch,” ging deze inmiddels voort, „is de jonge dame alleen of
met hare bloedverwanten hier?”

„Voor zoo ver ik weet enkel met hare moeder,” antwoordde Arnheim, „die
evenwel wegens ziekelijkheid is te huis gebleven.”

„Dus is haar broeder hier niet?”

„Haar broeder? Ik ken hem niet. Het is echter wel mogelijk, dat hij
hier geweest is of verwacht wordt; daar ik eerst sinds eenige dagen de
eer heb de dame te kennen, kan ik u omtrent hare betrekkingen niet de
minste inlichting geven.”

„Dus kan de broeder wellicht nog gewacht worden?” vroeg St. Luces met
eene drift, die bewees, dat hij daarin een meer dan gewoon belang
stelde.

„Daaromtrent zal de zuster zelve u het best kunnen inlichten,” hernam
de ritmeester, wien het wederzijdsche toewenken en oogknikken der
beide vreemden gestadig merkbaarder en onaangenamer werd. Zij vroegen
intusschen niet verder na, en Arnheim zocht zich van hem los te maken,
wat hem te gemakkelijker werd, daar beiden tamelijk ver achterbleven en
driftig met elkander fluisterden. Daarentegen bevlijtigde hij zich te
meer, Maria op zijde te komen, ten einde haar te zeggen, dat de beide
vreemden haar kenden, en zoo mogelijk gewaar te worden, hoe het met de
kennis, waarvan zij van hare zijde niet het geringste had doen blijken,
eigenlijk gelegen was. Bij eene kromming van het pad gelukte het hem
door een stouten sprong de voor hem gaanden af te snijden en Maria op
zijde te komen.

„Gij zijt de eenige uit het gezelschap,” zeide hij, nadat eenige
onbeduidende woorden van weerszijden gewisseld waren, „die aan de
vreemdelingen niet geheel onbekend is. Zij beweren, reeds in Dresden
het geluk gehad te hebben....”

„Voor zoover mij bewust is niet,” antwoordde Maria een weinig overijld;
„het schijnen mij fransche officieren te zijn, met wie ik in geene
betrekking hoegenaamd heb gestaan.”

„Wellicht in geene nadere,” vervolgde Arnheim; „en toch waart gij den
ouderen heer bij name bekend, en zij verzekeren u meermalen in den
schouwburg te hebben gezien.”

„Onmogelijk”, hervatte Maria, „sinds langer dan een jaar heb ik dezen
niet bezocht, en nooit wanneer fransch garnizoen in Dresden lag.” Zij
sprak met zooveel geestdrift, dat Arnheim vreesde haar mishaagd te
hebben; en inderdaad, Maria voelde zich eenigermate beleedigd, daar
zij het, bij haren diep ingewortelden haat tegen de vijanden haars
vaderlands, bijna eene schande achtte met fransche officieren omgang te
hebben, ook al ware een dubbelzinnige naam in dien tijd niet zoo licht
het gevolg van zulk eene verkeering geweest.

„Ik kan u betuigen,” vervolgde Arnheim, „dat ik slechts letterlijk
herhaal, wat die heeren mij daar op het oogenblik gezegd hebben.”

„O, u wil ik gaarne gelooven,” hernam Maria op zachter toon, wijl zij
vermoedde Arnheim te hebben gekrenkt; „maar gij weet, het ligt in den
aard der Franschen, overal gewetenloos te handelen, zelfs met den
naam van een meisje. Dat de heeren aan mij kennis hebben is mogelijk,
wanneer zij mij op straat of op eene wandelplaats gezien hebben; deze
bestaat echter, dit verzeker ik u nogmaals, enkel aan hunne zijde.”

Arnheim, wien het genoegen deed, dat geen zijner vermoedens zich
bevestigde, brak het gesprek, dat Maria zoo kennelijk onaangenaam was,
terstond af, en van de beide vreemdelingen werd niet verder gerept.

De weg naar beneden liet zich spoediger afleggen, dan die naar boven;
men bereikte dan ook weldra den Schreckenstein, waar men nog eene wijle
vertoefde, om vervolgens, toen de ondergaande zon den helderen hemel
met een rooden lichtgloed kleurde en de bleeke volle maan tegenover
haar in den blauwen aether oprees, de gondel weder te bestijgen en op
de golven van den schoonen stroom naar het kleine stadje af te zakken.

Het gezelschap gaf zich geheel aan het genot der riviervaart en van den
inderdaad verrukkelijken avond over. De gevreesde koelte liet zich niet
bespeuren; slechts een zoel windje stoeide met de kabbelende golven. De
kruinen der bergen waren aan de eene zijde met purperen schemerschijn
overgoten, aan de andere spreidde de maan een dunnen lichtenden
zilversluier over de zwarte toppen uit. De Elbe spiegelde hemel en
oever in zacht kronkelende lijnen helder terug; uit het water steeg
een koele, verfrisschende ademtocht op. Men zat stil, bijna zonder te
spreken, in het kalme, alle weemoedige gewaarwordingen van het hart
opwekkende genot verloren, toen zich eensklaps de zachte akkoorden
eener gitaar lieten hooren.

Alles luisterde. Een zonderling gevoel maakte zich van de borst meester
bij het vernemen dezer tonen, die zoo zeer aan het land der vreugde,
aan Italië herinnerden. Wie toch had niet, hetzij door beschrijving
van anderen, hetzij door eigene ondervinding, reeds die zoete
gewaarwording gekend, welke door de schommelende boot en het lied van
den gondelier in ons wordt opgewekt? Het was alsof de stroom met zijne
oevergebergten eensklaps onder den hemel van Italië was overgebracht,
alsof het de golven van den Brenta of de Po waren, waarop men zachtkens
voortdobberde.

De schoone, blonde Benno was het, die de snaren had geroerd, om
eene ballade voor te dragen, welke hij naar eene overlevering van
den Schreckenstein vervaardigd had. De bootslieden zaten luisterend
aan het roer en vestigden hunne blikken op den zanger; de overige
hoorders, verheugd over de verrassing, wenkten elkander met de oogen
stilte toe. Men vernam thans niets dan het zachte ruischen der golfjes
aan de kiel van het vaartuig. De maan wierp hare stralen op Benno's
gelaat, die aan een zuidelijken improvisator gelijk, het groote
blauwe oog naar het licht opsloeg en met eene welluidende stem het
in verzen gebrachte verhaal begon voor te dragen, volgens hetwelk een
wreed vader de geliefde zijner dochter, toen deze bij nacht de steile
rots beklauterde, arglistig opgewacht en in den grondeloozen afgrond
neergestort moest hebben. De minnende wierp zich in hare wanhoop hem
na in den stroom, en de rusteloos voortwentelende baren strekten de
trouwe gelieven tot een graf en verkoelden den gloed hunner noodlottige
vlammen.

Bij het slot van dit lied zaten allen, als vóór dien tijd, in diep
stilzwijgen verzonken. Wien had de droeve mare niet ontroerd? Zelfs
St. Luces en Beaucaire hadden te veel verfijnd gevoel, om de stilte
dadelijk af te breken, alhoewel zij nieuwsgierig waren den inhoud van
het gezang te vernemen, welks woorden zij niet verstaan hadden.

Inmiddels was men het stadje genaderd en het drukke gewoel aan den
oever, benevens eenige lustig heen en weer kruisende roeibooten
met jongelieden braken de kalme rust af, die tot hiertoe in het
landschap had geheerscht. Van lieverlede werd dus ook het lang
verstomde onderhoud weder aangeknoopt en onder drukke gesprekken
kwam men bij de landingsplaats aan wal. Daar hadden de overige leden
van het gezelschap, die vroeger waren afgevaren, zich verzameld,
en verwelkomden de aan land springenden met een blij gejuich. In
ongeregelde, verwarde groepen stroomde men naar de herberg, waar eene
helder verlichte zaal het gezelschap ontving en den uitlokkenden
aanblik van eene, met vruchten, koude spijzen en wijn rijk bezette
tafel aanbood, om welke men zich voor de terugreis nog eenmaal in een
vertrouwelijken kring schaarde en met scherts en kout den genoegelijk
doorgebrachten dag besloot. Eindelijk, het was bijna middernacht, moest
men toch scheiden en zich tot den terugrit gereed maken. Erlhofen kon
echter deze voegzame gelegenheid tot eene plechtige aanspraak niet
ongebruikt laten voorbijgaan. Hij rees met deftigheid op, vulde zijn
glas en sprak: „Na een kort, maar, naar ik hoop, roemruchtiger bewind
dan ooit een scepter-dragend koning gevoerd heeft—want gedurende mijn
beheer werd geene minuut anders dan tot het geluk mijner onderdanen
besteed—na zulk eene Titusregeering neem ik de mij opgezette kroon
weder van het hoofd en leg den scepter nevens haar neder. Geen oproer
heeft mij verdreven, de hand des doods heeft mij niet weggeraapt,
en toch verdwijnt mijn rijk nog spoorloozer van de aarde, dan dat
van koning Priamus; want mijne onderdanen verstrooien zich, aan den
ijzeren wil van het noodlot gehoorzamende, over alle landen der wereld.
De door een scepter verlengde arm strekt zich reusachtig over verre
landstreken en hare millioenen bewoners uit; men ontneme hem den twee
voet langen heerschersstaf, en hij wordt twintigmaal zoo vele uren
korter en krimpt tot een liliputschen stomp ineen, die tevreden is,
wanneer hij eene vlieg van den neus kan wegknippen. Hoe smartelijk
grieft het mij dus, mijne vrienden en onderdanen, dat ik reeds zoo
schielijk die smartelijke afzettingskuur moet doorstaan! Nog ben ik uw
gebieder, nog houd ik u met den band onzer vriendschappelijke grondwet
te zamen; ettelijke zandkorrels verloopen, en wij rijten ons vaneen
of liever, wij rijden te zamen naar huis. Thans eerst beginnen de
moeielijke en gevaarvolle wegen, en thans juist geeft de afval van uw
meester u aan het toeval ten prooi, dat u zoo licht ten val kan brengen
op de hobbelige straat naar Teplitz. In 's hemels naam dan, mijne
onderdanen, rijt u los, maar rijdt voorspoedig!” Haastig ledigde hij
zijn glas, reikte der gravin den arm en geleide haar naar den wagen.
Ook de overigen hadden spoedig in de rijtuigen plaats genomen en, door
het schoone schijnsel der maan, die haar blinkenden sluier over bergen
en dalen uitwierp, vriendelijk omschenen, rolden de feestgenooten naar
huis.

De dag der vreugde was genoten, de vroolijke juichtoon verstomd.
Slechts eene zwakke echo trilde nog in menige borst na en vervulde ze
met zoet weemoedige aandoeningen.


HOOFDSTUK VI.

De morgen daagde reeds, toen Maria de kleine tuindeur weder binnentrad,
waarvan zij den sleutel had medegenomen, om, zonder iemand te storen,
hare slaapkamer te kunnen bereiken. 't Verwonderde haar, in het vertrek
harer moeder nog licht te zien. Voorzichtig sloop zij nader en gluurde
door het met wijnranken begroeide venster naar binnen. De nachtlamp
brandde; het lichtschijnsel wierp eene donkere schaduw op het bed
en daarvóór, in een leunstoel, zat eene vrouwelijke gestalte, wier
gelaatstrekken zij niet onderscheiden kon. Eene angstige rilling liep
haar bij dit gezicht over de leden en deed haar de knieën knikken,
zoodat het haar bijna onmogelijk was zich staande te houden en in
huis te gaan. Was de moeder plotselijk zoo verergerd? Was haar eenig
onheil bejegend? Door deze gedachten gepijnigd, wankelde zij naar hare
kamer en opende behoedzaam de deur van het vertrek der moeder. Toen
zij binnentrad, ontwaakte vrouw Holder, want deze was het die in den
leunstoel zat, uit de lichte sluimering, welke haar had overvallen;
zij herkende Maria dadelijk en wenkte haar met den vinger op den mond
stilte toe, terwijl zij met de andere hand op de rustende kranke wees.
Maria bleef in bange verwachting aan de deur staan; vrouw Holder kwam
haar op de teenen tegemoet en volgde haar in het nevenvertrek.

„Om Gods wil, wat deert mijne moeder?” vroeg zij, zoodra de deur
gesloten was, met bevende stem.

„Beangstig u niet te zeer, lieve juffer,” antwoordde de huisvrouw
geruststellend; „het toeval zal geen gevolgen hebben. Dezen morgen,
toen mevrouw zich, door mij geleid, met vele andere brongasten op de
groote wandelplaats bevond, werd er eensklaps geroepen: een dolle
hond, een dolle hond! Alles liep verward dooreen en zocht toevlucht
in de naaste huizen. Ook wij liepen zoo hard wij konden, om een huis
te bereiken. Plotseling hoorden wij achter ons een luid geschreeuw,
en toen wij omzagen ontdekten wij inderdaad, dat het woedende dier
in dezelfde richting kwam aanstuiven, die wij hadden ingeslagen.
Hevig ontsteld vlogen wij zijwaarts, de kleine hoogte op, naar de
kastanjeboomen toe. Wij bereikten ze gelukkig; het dolle dier vloog ons
strijkelings voorbij en op de stad aan, waar het ook is doodgeschoten.
Inspanning en schrik hadden ons evenwel geheel buiten adem gebracht, en
vooral uwe moeder klaagde over pijn in de borst, dat is de reden van
hare onpasselijkheid.”

Bevende, beurtelings gloeiend en verbleekend, had Maria het verhaal
aangehoord. Thans, nu het geëindigd was, schepte zij weder adem en
zei met kalmte: „Zeg mij alles, lieve vrouw Holder, alles, volstrekt
alles. Ik moet het immers weten, als ik mijne moeder wil oppassen!
Is de dokter hier geweest? Wat heeft hij voorgeschreven?”—Onder het
spreken verloor zij hare met moeite verkregene bedaardheid weder, want
gestadig meer beangstigende voorstellingen rezen onder deze vragen in
hare ziel op.

„Zekerlijk hebben wij dadelijk naar den dokter gezonden,” antwoordde
vrouw Holder; „hij heeft vooral rust aanbevolen, toen hij hoorde, dat
de zieke een weinig bloed had opgegeven.”

„Eene bloedspuwing!” riep Maria, door dat verschrikkelijk woord
verpletterd. „Almachtige God, ook dat nog!”

Het was te veel voor hare krachten; de gansche vrouwelijke sterkte
harer ziel was door dezen onverhoedschen slag als verlamd. Daar zij
de kwaal harer moeder kende, kon zij het gevaar in zijn vollen,
vreeselijken omgang beseffen. Zij moest zich door vrouw Holder naar
een stoel laten leiden, waarop zij uitgeput neerzeeg. „Wees niet al
te bezorgd,” sprak deze, „de geneesheer heeft de beste hoop gegeven.
Slechts de meest mogelijke rust heeft hij ons aanbevolen, opdat het
toeval niet terugkeere. Ga daarom rustig slapen, ik zal wel verder
bij de zieke waken. Zij weet nu eenmaal, dat ik bij haar ben, en zou
wellicht schrikken, wanneer zij u eensklaps bij haar bed zag. Bovendien
heb ik haar plechtig moeten beloven, u bij uwe terugkomst niet het
minste van het gebeurde te zeggen, daar morgen alles toch wel weer
geschikt zal zijn en gij u dan noodeloos zoudt bekommerd hebben. Dat
dorst ik echter niet zoo geheel op mij nemen. Maar nu moet gij toch
vooral stil en bedaard in uwe kamer blijven en u rustig neerleggen;
want anders zoudt gij zelve ziek worden. Gij moet doodelijk vermoeid
zijn van het lange rijden en wandelen.”

Maria was inderdaad vermoeid; evenwel zou zij krachten genoeg
hebben gehad, om ook deze nieuwe inspanning te verdragen, wanneer
de plotselinge schrik haar niet zoo hevig had aangegrepen. Thans
echter moest zij zelve bekennen, dat de opgewonden toestand, waarin
zij verkeerde, haar tot de behoorlijke verpleging der kranke geheel
ongeschikt maakte, en het was hierom dan ook, dat zij besloot, de
welgemeende aanbieding der huisvrouw aan te nemen, die er met ernst
en liefderijke deelneming op aan bleef dringen, dat zij zich ten
minste voor eenige uren ter rust zoude begeven. Zij legde zich te bed,
schoon overtuigd, dat geen zachte slaap haar verkwikken zou; nochtans
had de groote vermoeidheid van het lichaam, verbonden met de hevige
afmatting der ziel, eene zoodanige ontspanning harer krachten ten
gevolge, dat zij in eene soort van bedwelming wegzonk, gedurende welke
de onstuimigheid harer gemoedsbewegingen, door de macht der natuur
overwonnen, tot kalmte werd gebracht. Zoo kreeg ook het lichaam de
noodige verkwikking, die zij zich vrijwillig niet zoude vergund hebben.

Na eenige uren trad vrouw Holder aan hare legerstede en deed haar uit
hare lichte sluimering ontwaken.

Haastig rees zij op, kleedde zich vluchtig aan en trad in het vertrek
der kranke. Met vastheid had zij zich voorgenomen hare gewaarwordingen
in toom te houden en hare bange bekommeringen op geenerlei wijze te
verraden.

„Goeden morgen, beste moeder,” sprak zij op fluisterenden toon; „hoe
gaat het u? Voelt gij u iets beter?”

De zieke vertoonde in de zachte trekken van haar gelaat de onmiskenbare
uitdrukking van die kalme gelatenheid in 't lijden, waarmede zij sinds
lange jaren alle schijnbaar harde slagen van het lot met christelijke
onderwerping had gedragen, zonder ooit het goede voorbij te zien, dat
haar door dezelfde hand werd toegezonden.

Vriendelijk, doch zonder te spreken, lachte zij hare dochter toe en
bood haar de op het dek rustende hand door een langzaam omwenden en
openen aan, daar zij de kracht niet had, die op te heffen. Met het
scherpziend oog der bezorgde kinderlijke liefde, doorzag Maria alras
het lichte waas van kalmte en rust, waaronder de moeder haren waren
toestand trachtte te verbergen. Bij den eersten aanblik reeds van dat
lieve, lijdende wezen drong zich de verpletterende waarheid aan haar
op: zij is voor u verloren! Het matte oog, de bleeke lippen spraken te
duidelijk, ook zonder die stomme begroeting, dat haperen der taal, dat
der anders zoo vriendelijke moeder zoo smartelijk moest vallen. Haar
hart dreigde te breken onder den last van dezen nieuwen jammer, die
haar werd opgelegd; maar zij behield hare uiterlijke bedaardheid en
haar mond glimlachte, terwijl hare borst door de grievendste smart werd
verscheurd.

„Mijn lieve, goede moeder,” sprak zij; „terwijl ik den dag in
onbezorgde vreugde en lichtzinnigheid doorbracht, moest u zulk een
vreeselijk onheil treffen en u in den korten tijd, die tot herstelling
van uw zwak lichaam bestemd was, een nieuw lijden veroorzaken! Maar ik
vertrouw zeker, dat het even spoedig zal voorbijgaan als het onverhoeds
is opgekomen. Blijf slechts bedaard, antwoord mij nergens op, troost
mij niet, vraag mij niets, ik kan alles, wat u ontbreekt, wat gij
wenscht, in uwe oogen lezen, en mijne liefde zal raden, wat gij niet
door wenken kunt uitdrukken.”

Tegelijk beijverde zij zich, het afgegleden kussen weder te recht te
leggen, ten einde de beklemde borst daardoor eene vrijer ademhaling te
verschaffen. Vervolgens vulde zij een kopje met thee, die de arts had
aanbevolen, en bracht het, bij kleine tusschenpoozen, aan de lippen
der kranke. Toen deze gedronken had, vroeg zij: „Zal ik u voorlezen,
moeder?” Een matte oogwenk was voldoende, om haar het boek te doen
halen, waarin hare moeder gewoon was te lezen. Met eene zachte, maar
vaste stem begon zij hare ernstige bezigheid. De gemoedelijke geest,
de kinderlijke gezindheid, die in het gansche werk doorstraalden,
versterkten ook haar neergebogen hart en gaven het kracht, om zich
in geloovig vertrouwen boven de aardsche rampen en bekommernissen
te verheffen. Na eenige bladzijden gelezen te hebben, kwam zij aan
eene plaats, die opzettelijk voor haren toestand geschreven scheen te
zijn. Tot in het binnenste der ziel van de waarheid doordrongen, las
zij die met zulk een innig gevoel, met zulk eene toenemende kracht
van geloof en vertrouwen, dat de moeder zich door die zachte woorden
van vertroosting merkbaar gesterkt voelde en met levendiger oog
toeluisterde. Maria, die niet naliet van tijd tot tijd over het boek
heen de kranke aan te zien, ten einde hare geringste wenschen dadelijk
te kunnen vervullen, bemerkte spoedig den indruk, dien deze plaats had
te weeg gebracht. „Zal ik dit nog eens herhalen, lieve moeder?” vroeg
zij, hare gewoonte kennende om plaatsen, die haar bijzonder troffen,
meermalen te herlezen. De kranke glimlachte en knikte met het hoofd.
Maria las:

„Er zijn tijden in ons leven, dat de heldere hemel zich geheel voor ons
oog schijnt te verbergen, dat gestadig zwarter en dreigender wolken
aan den gezichteinder opstijgen en zich boven ons hoofd samenpakken.
Nu is de maat gevuld, denken wij dan dikwijls, nu kan geen harder lot,
geen smartelijker leed ons meer treffen. Daarin spreekt echter de
gezindheid van een twijfelmoedig, ondankbaar hart, dat de oneindige
weldaden Gods miskent en roekeloos voorbijziet. Zijne genade is te
groot, om u den kelk des lijdens tot den bodem toe te doen ledigen; gij
zoudt het niet verdragen; eer de beker ten halve geleegd is, bezwijken
uwe aardsche krachten. Maar waarom gelooft gij, dat gij de diepte des
jammers hebt uitgeput? Wijl gij niet meer met een dankend hart opmerkt,
welk een rijke overvloed van goddelijke weldaden ook dan nog over u
wordt uitgestort, wanneer gij enkel de grievende pijn der smart meent
te voelen. Eéne vrucht van den boom des levens wordt door den worm
doorknaagd en valt verdord ter aarde, maar nog prijkt heel de overige
kroon met ontelbare vruchten, bloesems en kiemen tot duizend nieuwe
vruchten. Gij echter beweent enkel wat gij verloren hebt, en sluit uw
ondankbaar oog voor alles, wat u is overgebleven. Eene moeder verliest
haar geliefd kind; zij klaagt in troosteloozen rouw en ziet niet, dat
een bloeiende kring van zonen en dochteren haar nog omringt, door
welker liefde de Heer haar de gelukkigste toekomst wilt schenken. En
wanneer u ook alles ontroofd werd, wanneer eene wees alléén, zonder
betrekkingen, zonder vrienden, zonder raad of hulp achterbleef, wanneer
zij nergens een uitweg ontdekte, die uit den diepen afgrond der ellende
in het schoone dal van het geluk terugvoerde—bleef haar dan niet
nog de liefderijke Vader in den hemel? Opent zijne hand niet duizend
paden, wanneer het sterfelijk oog nergens uitkomst meer bespeurt? Is
al het leed, dat u treft, niet een ras voorbijspoedend leed der aarde?
Woont niet de eeuwige vreugde in de zalige gewesten van den hemel? Als
het hier duistere nacht is, als nevels en wolken elke ster aan uw oog
onttrekken, vlammen dan toch niet tallooze bliksemende zonnen in de
onmetelijke ruimte boven den lagen dampkring der aarde? Ja, koestert
zich niet de eene helft dezer aarde in licht en zonnegloed, terwijl de
andere in een kortstondig duister gehuld is? Zoo zeker het aanbreken
van den dageraad na den donkeren nacht is, zóó zeker wacht den
geloovigen de zaligheid, na den korten tijd der aardsche beproeving.
Daarom, lieve vrienden, zijt getroost. Er is een oog, dat door nacht
en wolken dringt en de tranen telt der bedrukten, die het oog geloovig
naar boven richten; er is een hart, dat het lijden voelt in elke borst,
die zich niet trouweloos van hem afwendt; er is eene hand, die tot in
den donkersten afgrond reikt en de hand aangrijpt van den hulpelooze,
die van haar redding wacht. Dat oog waakt steeds over u, dat hart klopt
met het uwe, die hand leidt u op de duistere wegen van rampspoed en
gevaar. Daarom zijt gij getroost, want waar gij wandelt, daar wandelt
de Heer met u, en Hij verlaat niemand, die Hem getrouw blijft.”

Onder het ijverig lezen had Maria niet bemerkt, dat de geneesheer was
binnengetreden, en reeds eenige minuten aan de deur toeluisterde,
zonder door haar of de kranke gezien te worden. Thans naderde hij en
nam, om Maria eene lichte verwarring te besparen, den schijn aan,
alsof hij zoo even eerst gekomen was. De reeds bejaarde man groette
haar vriendelijk goeden morgen en trad op de kranke toe, wier pols hij
opmerkzaam onderzocht.

„Hm, nog altijd een weinig gejaagd,” sprak hij: „wij moeten met de
kalmeerende middelen voortgaan.”

Na nog eenige vragen te hebben gedaan, schreef hij een geneesmiddel
voor, welks spoedige bereiding hij dringend aanbeval, en nam
afscheid. Maria deed hem uitgeleide, onder den schijn van burgerlijke
beleefdheid, maar inderdaad, om door hem omtrent den wezenlijken
toestand van hare moeder onderricht te worden, daar zij overtuigd was,
zelfs de grievendste zekerheid met meer kalmte en standvastigheid
te zullen dragen, dan die angstvallige weifeling tusschen vrees en
hoop, waardoor zij tot op dit oogenblik geslingerd werd. Op een
biddenden toon, maar toch met bedaarde vastheid, sprak zij hem dus
in het woonvertrek aan: „Zeg mij de waarheid, dokter, de volle
zuivere waarheid. Houd mij niet voor een zwak vrouwelijk wezen, dat
in nuttelooze klachten uitbarsten of in onmachtige moedeloosheid
neerzinken zal, wanneer het gevaar dreigend is; maar gun ook aan eene
bedrukte dochter den troost der hoop, die uwe uitspraak haar verleenen
kan. Zeg mij de zuivere waarheid, ik smeek het u nogmaals, houdt mij
niet het geringste verborgen!”

„Mijn goed kind,” antwoordde de geneesheer vriendelijk, maar met
aandoening, „gij doet wel, u aan de schoone woorden van troost te
houden, die ik u bij mijn binnentreden hoorde lezen. Ik heb weinig
hoop! Keert de bloedstorting terug, dan is alles voorbij. Tegen den
middag zal zich denk ik, alles beslissen.”

Hoewel Maria zich op het ergste had voorbereid, schoon zij zich met
vastheid had voorgenomen, elke weekelijke uitstorting van haar gevoel
met alle inspanning te bedwingen, deed toch dit zekere doodvonnis
voor een oogenblik hare krachten bezwijken. Bittere, stille tranen
welden in haar oog op en bevende moest zij zich aan den schouder van
den geneesheer vasthouden, die haar met zachte woorden trachtte op te
beuren.

„Het is nu overwonnen,” sprak zij na eene poos; „ik voel mij sterk
genoeg, om naar mijne stervende moeder terug te keeren. Ik dank u, dat
gij mij niets verborgen hebt. Ik neem nu het smartelijkste voor zeker
aan en getroost mij het verlies van het dierbaarste, van het éénige,
dat ik thans op aarde bezit!”

„Denk aan het oog, dat de tranen van het uwe telt, aan het hart, dat
met het uwe slaat, aan de hand, die u geleiden wil op uw eenzamen
levensweg,” sprak de arts; „dat zal u moed en sterkte geven, als het
uur dáár is. Vaar thans wel! Binnen weinige uren ziet gij mij weder.
Als inmiddels het geringste mocht voorvallen, laat gij mij waarschuwen,
en ik zal terstond hier zijn.”

Dit zeggende vatte hij hare hand, drukte ze met warmte aan zijne
borst en verliet haastig het vertrek, om niet zelf door zijn gevoel
overweldigd te worden.

Maria wierp zich op de knieën neder en bad God, dat hij haar kracht en
sterkte mocht verleenen in het uur der beproeving. Nog eens gaf zij aan
hare kinderlijke tranen den vrijen loop; hierop richtte zij zich op en
keerde met eene verruimde borst naar het bed harer moeder terug.


HOOFDSTUK VII.

St. Luces en Beaucaire waren, in hunne woning terugkeerende, te
vermoeid, om zich over de gebeurtenissen van den dag breedvoerig te
onderhouden; den volgenden morgen echter toen de bediende Beaucaire het
ontbijt bracht, was het zijne eerste gedachte, de ontdekking, welke hij
gisteren gedaan en de menigvuldige plannen, die hij daarbij dadelijk
ontworpen had, verder te vervolgen. Hij begaf zich dus naar St. Luces,
dien hij reeds aan de schrijftafel vond, groette hem en begon: „Ik
geloof, dat wij gisteren eene gelukkige jacht gehad hebben; althans
zijn wij op het spoor van een edel wild gekomen, dat ons duizend gouden
napoleons buitgeld kan opbrengen.”

„Zeker, zeker,” hernam St. Luces met een tevreden glimlachje; „de vraag
is maar, hoe wij het voor het schot krijgen. Ik ben reeds bezig mijne
maatregelen te nemen, door naar Dresden te schrijven en de noodige
volmachten te verzoeken, om ook het bestuur hier in den arm te kunnen
nemen; wij, zoo als wij hier zijn, kunnen niets uitvoeren.”

„Dat is de weg niet, dien ik zou inslaan,” hervatte Beaucaire; „ik
vrees, hij brengt ons geen stap verder, dan wij de eerste maal gekomen
zijn. Wij hebben met bewoners van een bevriend land te doen, tegen
wie men niet met gestrengheid handelen _wil_; anders had men reeds
lang door moeder of zuster het verblijf van den broeder kunnen gewaar
worden, daar het sprookje van het duel en de volstrekte onkunde der
moeder omtrent het verblijf van den zoon toch al te ongerijmd waren, om
daaraan geloof te hechten. Maar gesteld ook, dat zij het toenmaals niet
kende, vroeger of later heeft zij het toch zeker moeten te weten komen.
Had men dat dus door de beteekenis der vrouwen _willen_ ontdekken, zoo
ware niets ter wereld gemakkelijker geweest. Ik twijfel dus, of men
ons de vereischte volmachten zal geven; en deed men het ook, zoo zou
de zaak toch licht eene hatelijke opschudding kunnen te weeg brengen,
voor wier gevolgen ik bij de verbittering, die, niettegenstaande het
bondgenootschap des keizers en zijne betrekking tot het huis van
Oostenrijk, hier nog altijd tegen ons heerscht, niet wil instaan.
Echter dunkt mij, dat er nog wel andere middelen te vinden zijn, om
achter het geheim te komen.”

„En die waren?” vroeg St. Luces opmerkzaam.

„Wij moeten slechts niet gierig zijn,” ging Beaucaire met een sluw,
boosaardig lachje voort, „en van de duizend napoleons vijftig tot
honderd door de vingers laten glippen, die de postmeester van dit
stadje verdienen zou, ingeval hij ons alle brieven, die door beide
vrouwen afgezonden worden of onder haar adres aankomen, ter vluchtige
inzage overleverde. Denkt gij niet, dat ons heet mes het zegel van een
meisjesbrief niet even goed zal losmaken, als de zorgvuldig gestempelde
staatsstukken?”

„Ik vrees slechts, dat men ons reeds herkend heeft en op zijne hoede
zal zijn!”

„Wie zou ons herkend hebben?” riep Beaucaire. „Het jonge meisje? Dat
hadden wij dadelijk moeten bemerken; maar ik ben overtuigd, dat zij
niet eens onze namen gehoord heeft, want toen wij voorgesteld werden,
was zij te ver verwijderd, en van het oogenblik af, dat ik hoorde wie
zij was, heb ik geen oog van haar afgewend.”

„Ook ik niet,” hervatte St. Luces; „maar juist aan hare houding, aan
hare blikken meen ik te hebben waargenomen, dat zij, zoo ze ons al
niet kent, dan toch eenige achterdocht tegen ons voedt, of naar eene
herinnering zoekt, waarmede zij ons in verband wil brengen.”

„En al kenden de vrouwen ons ook, wat zou ons daar nog aan gelegen
zijn?” riep Beaucaire uit.

„Zij zouden hoogst omzichtig zijn, hare brieven langs omwegen
verzenden, wellicht zelve afreizen!”

„Laat haar! Hare omzichtigheid kan zich toch slechts tot de af te
zenden, niet tot de aankomende brieven uitstrekken, en deze laatste
zullen ons in allen gevalle meer licht geven dan de eerste, die
wellicht onder een valsch adres verzonden worden. Dat toch zal de
voortvluchtige ridder wel vooreerst beschikt hebben.”

St. Luces ging nadenkend op en neder.

„En zult gij,” vroeg hij eensklaps, „niet op de domme eerlijkheid van
den duitschen beambte het hoofd stooten en ons beider goeden naam aan
de kaak stellen?”

„Ik verbeeld mij, heer baron,” hervatte Beaucaire eenigszins geraakt,
„u reeds eenige blijken gegeven te hebben, dat ik onderhandelingen
wist aan te knoopen, waarbij nog meer op het spel stond. Wanneer ben
ik zoo waanzinnig geweest ons vroeger bloot te geven, dan nadat ik van
mijne partij zeker was?—Wees volkomen gerust, laat de zaak geheel aan
mij over; ik zal wel middelen vinden, om den draad, waaruit ik den
vangstrik voor onzen avonturier hoop saam te knoopen, fijn genoeg aan
te leggen en uit te spinnen.”

St. Luces ging nog eenige malen besluiteloos het vertrek op en
neder; eindelijk reikte hij zijnen vertrouweling de hand en zeide:
„Mijnentwege dan; ik laat u begaan, ik wil u ook het grootste aandeel
der belooning laten; doe slechts wat in uw vermogen is, om den roem
van onze behendigheid staande te houden. Juist, wijl hier elk spoor
verloren scheen en men ongaarne tot in het oogloopende, de gemoederen
verbitterende dwangmiddelen de toevlucht zou nemen, is er mij veel
aan gelegen, de zaak tot een gewenscht einde te brengen, teneinde mij
daardoor tot nieuwe gewichtige ondernemingen aan te bevelen. Wij zijn
nauw met elkander verbonden, vriend, want gij volgt mijne loopbaan
schrede voor schrede. Klim ik opwaarts, dan neemt gij de plaats in,
die ik openlaat, en gij kunt er op rekenen, dat ik u de hand zal
toereiken om u op te trekken, eer iemand anders zich daar tusschen kan
dringen.—Nog eens, ik geef de zaak geheel aan u over, maar trek mij
ook geheel terug, wanneer zij eene onaangename wending mocht nemen.”

„Laat alles vrij op mij aankomen,” riep Beaucaire met eene nederige
buiging; „ik haast mij het net uit te werpen, want wij hebben geen
minuut te verliezen.”

Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijne kamer terug,
om zich te kleeden. Hierop begaf hij zich op weg, om zijne taak te
beginnen.

Zijn eerste werk was in een koffiehuis te gaan, om op de badlijst de
woning der vrouwen, welke hij zoo arglistig wilde omspinnen, op te
zoeken. Tevens knoopte hij een gesprek met eenige burgers aan, ten
einde met het karakter van den postmeester eenigszins bekend te worden;
wat hij hoorde, scheen zijne plannen uitermate te begunstigen.

Hij ging derhalve welgemoed naar het postkantoor om zijne
onderhandelingen aan te knoopen. Tot zijn verdriet moest hij vernemen,
dat de postmeester dezen zelfden morgen naar Dresden was vertrokken en
er misschien veertien dagen zoude vertoeven. Dit naricht werd hem door
een ouden schrijver gegeven, in wiens grijnzende trekken en fonkelende
groene oogen Beaucaire een zeker iets waande te lezen, waarvan hij zich
den besten uitslag voorspelde.

„Gij neemt waarschijnlijk de zaken inmiddels waar, mijnheer?” vroeg
hij beleefd, „en wellicht kan ik mij tot u wenden om een dienst te
verzoeken, waarvoor ik zeer dankbaar zijn zoude?” Bij deze woorden
schudde hij den oude vriendschappelijk de hand en liet met behendigheid
eenige goudstukken daarin nederglijden. Dit placht Beaucaire's
doorgaande proefneming te zijn, wanneer hij den grond dien hij betreden
wilde vooraf moest onderzoeken. Hij gaf, eer hij zeide waarvoor; wie in
zulke gevallen aanneemt, zonder te weten of men werkelijk zijne moeite
beloonen, dan slechts zijn geweten met goud tot zwijgen wil brengen,
verraadt daardoor reeds, dat zijne rechtschapenheid te overwinnen is.
Intusschen ging Beaucaire ook nog verder met behoedzaamheid te werk;
hij verzocht eerst om de vroegere uitlevering zijner eigen brieven en
gaf vervolgens, daar de oude zich gedurig geldzuchtiger toonde, al
duidelijker en duidelijker zijne eigenlijke begeerte te kennen. Nog had
hij zich niet volmondig verklaard, toen beiden door de aankomst van de
brievenmaal gestoord werden. De beambte opende de lijst, waarop de
adressen der aangekomen brieven waren aangeteekend; ook Beaucaire wierp
een vluchtigen blik daarop, en las, door het toeval geleid, den naam
Rosen.

Als een valk op de duif, schoot zijn roofgierige ijver op deze
ontdekking los. De brandende begeerte, om den brief machtig te worden,
deed hem zijne bedachtzaamheid een oogenblik uit het oog verliezen en
driftig, maar fluisterend vragen: „Wilt gij mij dezen brief voor een
kwartier overlaten, zoo zijn twintig goudstukken de uwe.” Tegelijk
tastte hij in zijn zak, om het geld over te geven. De beambte hield
zich alsof hij niets gehoord had, schoof den brief zachtkens ter
zijde, ontving het geld met een heimelijken handdruk en tuurde met de
grootste oplettendheid op het aktenstuk, dat nevens hem op de tafel
lag. Beaucaire verstond dien wenk, greep haastig toe en maakte zich van
den brief meester. Met verbazing zag hij aan het postmerk, dat hij uit
het hoofdkwartier kwam. Onverwijld ijlde hij naar huis, trad met een
triomfeerend gelaat in St. Luces' kamer en sprak: „Wat nu, heer baron,
indien ik reeds de overwinning in de hand had, indien de sleutel van
het geheim reeds mijn ware!”

„Onmogelijk!” riep deze en sprong driftig op. Beaucaire reikte hem den
brief over; St. Luces las verbaasd het opschrift.

„Nu? Wat zegt gij? Deze brief zal ons dan toch wel eenig uitsluitsel
geven?”

„Hoe zoo?” zeide St. Luces.

„Slechts geduld, wij zullen dadelijk zekerheid hebben,” hervatte
Beaucaire en maakte zich gereed, den brief te openen. „Ziedaar dan!”
juichte hij, met van boosaardige vreugde tintelende oogen, toen hij het
blad uit den omslag getrokken en ontvouwd had: „„Uw getrouwe L.” de
onderteekening.—Zijn dat sporen? Hebben wij den draad in handen?”

„Gij zijt inderdaad zeer gelukkig geweest,” sprak St. Luces; „echter
zal uwe ontdekking ons weinig baten, want de vluchteling heeft
zekerlijk een valschen naam aangenomen, de armee is een half millioen
sterk en onder die menigte juist hem op te sporen, dien wij zoeken,
tegen hem vervolgingen in het werk te stellen,—dat alles vereischt
zulk een wijdloopigen omslag, dat ik er weinig geneigdheid toe gevoel.”

„Mijne ontdekking is zóó gelukkig,” hernam Beaucaire, „en ik ben zóó
verheugd over de wijze, waarop ik bij den postmeester geslaagd ben, dat
ik mij voorloopig daarmede tevreden stel. Wie weet echter, of de inhoud
van den brief ons nog niet uitvoeriger berichten geeft.”

Hij zette zich neder en doorliep vluchtig den inhoud. Zijne trekken
teekenden gestadig meer voldaanheid, drukten eene steeds toenemende
boosaardige vreugde uit. Bij het slot riep hij: „Er blijft ons niets te
wenschen over; want uit dit schrijven laat zich met zekerheid opmaken,
dat de beide vluchtelingen bij de armee, en wel hoogstwaarschijnlijk
bij het regiment van den graaf Rasinski staan. Ofschoon geen enkele
naam in dezen brief voluit geschreven is, behoeft iemand, die de
plaatsing der regimenten kent, geen oogenblik meer te twijfelen. Wij
hebben dus niets meer te doen dan voor de aangifte te zorgen, en
hoogstens hier nog de namen uit te vorschen, welke beide jongelieden
vermoedelijk hebben aangenomen om onbekend te blijven. Bij mijne
tegenwoordige betrekking met den postbediende is niets gemakkelijker,
want wij behoeven slechts het antwoord af te wachten.”

St. Luces was inwendig hevig geërgerd, dat Beaucaire in deze ontdekking
zoo voorspoedig geslaagd was, want de verdienste daarvan aan hem toe
te schrijven, daartoe gevoelde hij niet de geringste neiging. Hij
was echter listig genoeg, om uiterlijk hoegenaamd niets van zijne
innerlijke gevoelens te doen blijken. Met rassche schreden wandelde hij
de kamer op en neder en trachtte zich het voorkomen te geven, alsof de
ijver, die men thans in het vervolgen der ontdekking moest aanwenden,
hem geheel bezig hield. Heimelijk intusschen koesterde hij geheel
andere gedachten, die op een tweeledig doel uitliepen. Tot welken prijs
ook, wilde hij Beaucaire's ontdekking verijdelen, het liefst echter
die aan zijne eigene belangen dienstbaar maken. Met het vriendelijkste
gelaat van de wereld overstelpte hij hem dus met lofspraken, om hem
daardoor elken argwaan te benemen. „Ik moet aan uwe talenten volle
recht laten wedervaren, mijn lieve Beaucaire,” sprak hij. „Gij hebt in
deze zaak met eene scherpzinnigheid en bedachtzaamheid gehandeld, die
waarlijk voorbeeldeloos zijn. Gaarne beken ik, dat ik in het eerste
oogenblik een kleine opwelling van verdrietelijkheid gevoelde, die nijd
op uwe meesterlijke uitvoering van den gelukkigen inval in mij deed
levendig worden. Beschouw dezen kleinen naijver, dien ik nu geheel
bedwongen heb, als de waarachtigste lofspraak op uwe verdienste; zij is
wellicht ook de vleiendste.”

Gelijk de sluwheid van alle schurken niet dan tot eene zekere hoogte
gaat en het gansche kunstige weefsel hunner verstandsberekeningen
eigenlijk slechts in eene verlengde domheid bestaat, daar de vaste
grondslagen der rede en dus ook der zedelijkheid daaraan ontbreken,
zoo vond ook Beaucaire's scherpzinnigheid hier hare grenzen, vermits
zijne ijdelheid hem het oog verblindde, waarmede hij anders de dingen
uit het juiste gezichtspunt wist te beschouwen, zonder zich licht
door een valschen schijn te laten misleiden. St. Luces bezat echter
ook in eene hooge mate de kunst, zijne gelaatstrekken in elke plooi
te leggen, om den overtuigenden toon der welmeenende waarheid aan te
nemen en daardoor zelfs hen te bedriegen, die reeds getuigen geweest
waren, hoe hij die zelfde wapenen tegen anderen gebruikt had. Beaucaire
kon niet nalaten, nog een tijd lang praalzuchtig, hoewel met de
uitdrukking en vormen der bescheidenheid, op zijne geslepenheid en de
snelle uitvoering van zijn heerlijken inval terug te komen. St. Luces'
ongelijk scherpzichtiger blik drong tot den bodem van zijn hart door;
des te veiliger kon deze hem dus in zijne verblinding versterken en hem
door de vleiendste verzekeringen in slaap wiegen.

Daar in deze aangelegenheid voorloopig niets verder te ondernemen was
en men vóór alles den brief aan het postkantoor moest terugbezorgen,
wilde men in het vervolg niet van deze hulpbron verstoken zijn, nam
Beaucaire dit laatste op zich en ijlde, nadat hij den omslag weder
verzegeld had, naar den beambte, aan wien hij het toevertrouwde pand
onopgemerkt overhandigde.

St. Luces bleef in gedachten verzonken aan het venster staan en
overlegde, hoe het aan te leggen, om de pogingen van zijn lastigen
mededinger te verijdelen en tevens de verdiensten van diens ontdekking
zich zelf toe te eigenen.


HOOFDSTUK VIII.

Terwijl Maria met angst en bezorgdheid aan het bed der kranke moeder
zat, vermoedde zij niet, dat boosheid en hebzucht samenspanden, om
haar nieuwen kommer te bereiden. Ach, en al had zij het ook geweten,
dan zoude haar toch de naaste zorg haar de meer verwijderde hebben
doen vergeten; want onder overstelpend lijden is de zwakheid der
menschelijke borst hare eenige redding, daar zij, hoe de vloeden des
jammers ook op haar mogen aandringen, slechts eene zekere mate daarvan
bevatten kan. Het overige verdwijnt in de wijde ruimte van het heelal
als de klank en het licht, die oog en oor aanraken, zonder daarin
door te dringen. Maria's innig, stom gebed was de oprichting van hare
moeder. Als een beschermende engel zat zij aan hare legerstede en
weerde alles, wat de kranke vijandig naderen kon, met zachte vastheid,
met onvermoeide volharding af. Doch in den raad des Eeuwigen was het
anders besloten.

De moeder had een geruimen tijd met een smartelijk lachje om de lippen
op het kussen achterover geleund, gelegen. Maria's opmerkzaam oog
bespeurde reeds lang een heimelijken strijd in de trekken der kranke;
herhaalde malen had zij naar de reden gevorscht en de moeder gevraagd
of zij pijn voelde, doch telkenreize had deze zulks door stomme wenken
of door een zacht neen ontkend. Thans fluisterde zij plotseling: „Mijne
dochter, ik voel.... het zal ras voorbij zijn,.... ik zal het niet
te boven komen. Een geheim voor u en Lodewijk,.... uw vader,.... de
papieren in de geheime lade mijner schrijftafel,.... ach mijne dochter,
in uw armen....!”

Na deze, met de grootste inspanning geuite woorden breidde zij hare
armen vol verlangen naar haar kind uit. Een krampachtige hoest trok
hare borst samen; zij trachtte zich met behulp van Maria, die haar
weenende omarmd hield, omhoog te richten. Deze greep, terwijl zij met
de rechterhand de moeder ondersteunde, met de linker naar de schel, die
aan het bed stond, en schelde driftig. „De dokter! de dokter!” riep zij
ademloos, toen vrouw Holder intrad, en deze ijlde haastig weder terug,
om dien te ontbieden.

„O moeder, moeder, verlaat uwe dochter niet,” dit waren de eenige
woorden, welke zij vermocht uit te brengen. De kranke was door de kramp
te benauwd om te kunnen hooren, veel minder kon zij antwoorden. Zoo
verstreken eenige minuten in den vreeselijksten angst voor Maria, die
alléén, zelve bijna hulpbehoevende, alle inspanning harer ziel noodig
had, om niet door den aanblik van het lijden der dierbare moeder en de
eigene hartverscheurende smart ongeschikt tot den bijstand te worden,
dien zij aan de kranke verleenen moest. Eindelijk nam de stuip af,
maar slechts om voor eene andere plaats te maken, die de oplossing
verhaasten moest. Een hevige bloedbraking gaf der gekwelde lucht; met
deze zwijmden hare laatste krachten en zij zeeg bleek en roerloos op
het kussen achterover.

Sidderende, een beeld der vertwijfeling, met stomme, onophoudelijk
vlietende tranen, zat Maria aan de legerstede en zag met benevelde
blikken, hoe de dierbaarste ziel welke zij op aarde bezat zich aan
het stoffelijk hulsel ontworstelde. De moeder staarde nog slechts mat
en kwijnend, maar toch met innige liefde en vriendelijkheid uit half
gebroken oogen de achterblijvende aan. De borst werd door den zachten,
slependen adem nauwelijks meer bewogen; de doodskramp wilde de lippen
smartelijk samentrekken, maar werd overwonnen door een stil lachje,
de weerglans van het namaals in de reeds brekende, sterfelijke borst.
De vlottende ziel behoorde reeds ten halve aan de zalige kringen van
eeuwig licht, waar zij haar oorspronkelijk vaderland zoude wedervinden.

Nog één mat glanzende blik der liefde, en het oog brak; Maria rees
bevende op en boog zich over het bleeke gelaat, om nog één ademtocht
op te vangen; te vergeefs, hij was ontvloden;—geen teeken des levens
was op de verstijvende trekken meer te bespeuren.

Het was beslist; zij was eene wees en stond nu eenzaam en alleen op de
wereld.

Eenige minuten zat zij versteend, alléén met de droefheid, wier
ganschen vreeselijken omvang zij nog niet overzien konde. De eersten,
die deze doodsche stilte afbraken, waren de geneesheer en vrouw Holder.
„Wij komen te laat,” riep de eerste uit, zoodra hij een vluchtigen blik
op het leger had geworpen, „ik vreesde het wel, hier was geen hulp
meer mogelijk!” Deze woorden deden Maria uit haar doffe, gevoellooze
bedwelming ontwaken. Zij richtte zich tot de bedroefde, weenende vrouw
Holder, en wilde haar stil en zacht zeggen: „Mijne moeder is dood!”
doch met ieder woord sloeg de smart heviger tonen aan en eindigde in
een luiden angstkreet, waarmede zij der toesnellende in de armen zonk.
Deze heftige gemoedsbeweging, de uitbarsting der zoolang met kracht
beteugelde gewaarwordingen, die thans de te zwakke banden doorbraken,
was echter niet van langen duur. Weldra hield de stroom der droefheid
op woest tusschen de oevers voort te bruisen, en vlood weder met
meerdere kalmte in de diepe bedding daarheen.

Maria liet zich de zorg niet ontnemen, ten minste zij wilde die niet
aan vrouw Holder alleen overlaten, om de afgestorvene op een schoon
rustbed over te brengen en haar in een eenvoudig, maar zindelijk
doodkleed te wikkelen.

Zij ontvlood hare droefheid niet, gelijk zwakke zielen gewoon zijn,
maar bekende, dat deze haar thans boven alles dierbaar, dat het haar
eenige, ware troost was, zich geheel, zoowel uit- als inwendig,
daarmede bezig te houden.

Elke diep gevoelende ziel heeft hare smart lief en smaakt dan alleen
eene weemoedige vreugde, wanneer zij zich onverdeeld daaraan kan
toewijden. Zij ontvliedt de verstrooiingen des levens, daar zij weet,
dat die schijnbeelden van vroolijkheid en geluk, waarmede men zich
kan omgeven, in zulke dagen slechts de vreugde huichelen, dat naast
deze blinkende leugen de sombere gestalte der waarheid oprijst en de
begoocheling doet wijken. Het leven toch gelijkt een spiegel; wie daar
vóór treedt, ziet slechts zich zelven; al de bekoorlijke beelden op den
achtergrond zijn enkel schijn en eeuwig ongenaakbaar voor hem, die ze
niet in den eigen boezem omdraagt.

De beide dochtertjes van de vrouw des huizes, Anna en Therese, traden
binnen toen Maria het kleeden der moeder juist voleindigd had. In witte
lakens gehuld, lag deze op de baar; het gelaat was zacht en kalm,
zonder eenige smartelijke uitdrukking; een stil glimlachje speelde om
de lippen.

De kinderen droegen een korfje met bloemen, dat de moeder haar gegeven
had, om het leger der doode daarmede op te sieren. Anna, de oudste,
zoude deze taak volbrengen, doch het arme kind snikte luid en kon geen
woord uitbrengen; Therese daarentegen riep met schuldelooze vreugde:
„Zie eens, tante, die fraaie bloemen zijn alle voor u.”

Maria beschouwde de kleinen met een weemoedig lachje. Zij kuste de
oudste en drukte haar zacht weenend aan het hart; vervolgens nam zij
de kleine Therese, die de handjes vol verlangen naar haar uitstrekte,
op den arm, liet zich door het lieve wicht met liefkozingen overladen
en verborg haar betraand gelaat in die vleiende omhelzing. Ook het
kind begon thans te weenen, daar de droefheid der anderen haar angstig
maakte. Maria bracht het met troostende woorden tot bedaren en zeide:
„Schrei niet, mijn engel, zie, ook ik ben weer vroolijk; kom, wij
willen de bloemen nemen en moeders bed bestrooien. Ziet gij wel, hoe
gerust zij slaapt?”

Het kind werd weder rustig en sprak: „Ik zal u helpen, tante.”

„Ja, dat zult gij ook, Therese, gij zult mij de bloemen toereiken.” Zij
gaf hierop aan de kleine het korfje over, die het naast zich neerzette
en haar de bloemen een voor een met de mollige handjes overgaf. Anna
hielp het leger der ontslapene daarmede versieren; het vrome werk
werd bijna zonder spreken voortgezet; slechts nu en dan maakten de
onschuldige vragen en kinderlijke uitroepen der kleine Therese een
vriendelijken wenk van Maria noodzakelijk.

De afgestorvene lag nu in een sneeuwwit gewaad, met bloemen omgeven, op
het doodbed; de laatste treurige plichten had Maria aan haar vervuld.
Stom, met neergezonken, saamgevouwen handen stond zij in ernstige
mijmering aan de baar en vestigde haar oog op het moederlijke gelaat.
Nog zweefde de adem des levens over de kalme trekken, nog was het niet
dat koude versteende masker der dooden, nog scheen zij in een zachten
sluimer verzonken te zijn, waaruit zij elk oogenblik weder ontwaken
kon. Het kwam Maria eene poos geheel onmogelijk voor, dat de band van
vereeniging nu voor altijd was afgebroken, dat dit oog haar nimmer
weder vriendelijk aanblikken, die mond haar nooit weder vriendelijke
woorden toespreken zoude. Eensklaps beving haar een hevige angst en
beklemdheid; zij moest naar buiten, moest de vrije lucht inademen.
Haastig nam zij de kinderen bij de hand en sprak: „Laat ons een weinig
in den tuin gaan, de zon schijnt zoo schoon.” Zij gingen.

Toen Maria de deur opende, stonden twee vrouwelijke gestalten voor
haar, die zij, daar de smart haar van alles vervreemdde, niet dadelijk
herkende, maar verrast en onzeker aanstaarde. Het waren de gravin en
Lodoiska, die, om de gisteren aangeknoopte kennis voort te zetten, een
eerste bezoek bij Maria en hare moeder wilden komen afleggen.

Nog meer dan Maria over de komenden, ontstelden deze op het gezicht der
bleeke, wankelende gestalte; doch die wederkeerige bevreemding duurde
slechts eenige seconden, daar het meisje op de vraag der gravin: „Mijn
God, wat is u overkomen?” met eene zwakke stem antwoordde: „Gij treedt
in een huis der droefheid! Eene wees staat voor u!” Overweldigd door
haar gevoel, zonk zij half bewusteloos in de geopende armen, welke de
gravin medelijdend naar haar uitstrekte. Met warmte drukte deze het in
stomme smart aan hare borst rustende meisje een kus op het voorhoofd
en sprak troostend: „Wees _mijne_ dochter!”—„En _mijne_ zuster!”
fluisterde Lodoiska en greep Maria's nederhangende hand.

O, hoe weldadig, hoe zacht drongen deze vertroostende stemmen van
deelnemende, gevoelige zielen, die de hemel der treurende in het
oogenblik van hare diepe eenzaamheid op aarde toezond, in het
verscheurde, bloedende hart! Hoe had dit ééne warme oogenblik den
kouden ijzeren grensmuur, dien het leven dikwijls zoolang tusschen de
menschen doet standhouden en waardoor zij somtijds voor altijd van
elkander verwijderd blijven, bijna geheel doen verdwijnen. Jaren in
gemeenzamen, onbeduidenden omgang met elkander doorgebracht, verbinden
niet zoo vast en innig, als eene enkele diep treffende ontmoeting,
waarbij de menschelijke ziel, in het verhoogde gevoel der nietigheid
van al het uiterlijke en toevallige, slechts haars gelijken zoekt en
slechts in de liefde de waarheid erkend. Op den helderen stroom der
vreugde vloeien de zielen der menschen inéén; nog inniger echter op den
donkeren vloed der smarte en des lijdens.

Zoo waren de drie vrouwen in deze weinige minuten voor haar leven
verbonden, en Maria besefte met helder inzicht de eerste zegening, die
God den mensch uit droeve rampen bereidt, deze namelijk, dat zijne
ziel rijker in en vatbaarder voor liefde wordt.—De beklemde, gejaagde
toestand, waarin zij nog immer verkeerde, vorderde, dat zij, eer zij
de nieuwe moederlijke en zusterlijke vriendinnen aan de baar bracht,
eenige malen den tuin op en neder ging, om hare kalmte te herwinnen.

Toen de ernstige, vertrouwen inboezemende toespraak der gravin en
Lodoiska's teedere zusterliefde hare treurende borst op deze wandeling
met zulk een zoeten troost vervulden, kwam het haar eensklaps als bijna
misdadig voor, dat de geringste schuilhoek van haar hart voor háár
verborgen zoude blijven, wier liefde zich op zulk een roerende wijze
openbaarde. Het besluit, aan beiden mede te deelen, wat Rasinski voor
den geliefden broeder gedaan had, werd haar eene dringende behoefte.
„Ik kan,” sprak zij en zij sloeg haar open, blauw oog vertrouwelijk
tot de gravin op, „ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat ik eener
zoo edele vrouw half versluierd, met argwaan en achterhouding onder de
oogen treed. Gij hebt mij naar mijn broeder gevraagd: o, gij kent hem,
want in uw huis vond hij als Lodewijk Soren met zijne vriend Bernard de
liefderijkste toevlucht.”

„Hoe?” riep de gravin verbaasd; „die jonkman, die door zijn
mannelijken, ernstigen aard ons allen zoo aantrok, was dat uw broeder?”

„Hij is het; maar zulks moet het diepste geheim blijven,” sprak Maria,
en verhaalde hierop den ganschen samenhang der omstandigheden, waardoor
Lodewijk in zijn zonderlingen toestand was verplaatst geworden. Hierbij
noemde zij ook de namen St. Luces en Beaucaire, waarop de gravin, die
voor alle ontmoetingen een opmerkzaam oog had, haar dadelijk aan de
beide vreemden van gisteren herinnerde en de slechts al te gegronde
bezorgdheid te kennen gaf, dat juist deze de gevaarlijke mannen zijn
konden. Thans viel Maria ook te binnen, wat Arnheim haar gisteren
gezegd had, en dat was genoeg om haar elken twijfel te benemen. Zij
zag, na haar deze mededeeling gedaan te hebben, de gravin angstig
en vragend aan. „Men mag den moed niet verliezen,” sprak deze, „en
moet hoogst omzichtig zijn. Schoon ik, als Poolsche, den keizer der
Franschen met geestdrift vereer en Frankrijk als onzen reddenden
bondgenoot beschouw, ken ik toch alle verdrukkingen en gruwelen dier
ter beheering van vijandelijke landen gebruikte beambten, die, noch
soldaten, noch mannen van moed, ook mannelijken moed niet waardeeren
en slechts over machteloozen weten te zegepralen. Tot dezulken kunnen
uwe vijanden wellicht ook behooren. Voorzichtig dus, meidlief!—Hoe
verzendt gij uwe brieven?”

„Onder het opschrift aan den graaf Rasinski,” hervatte Maria niet
zonder te blozen.

„Goed,” vervolgde de gravin haastig, zonder op Maria's verwarring
acht te slaan; „maar misschien is dit nog niet voldoende. Geef mij
uwe brieven. Ik ken vele officieren van 't regiment, dat mijn broeder
aanvoert. Ik kan van adres verwisselen en het toch zoo inrichten dat
mijn broeder de brieven opent. Door mij dus, lieve, voert gij in het
vervolg uwe briefwisseling.”

Onder dit gesprek was men in huis teruggekeerd en Maria geleidde de
beschermster en de vriendin, welke zij gevonden had, naar het ontzielde
hulsel van haar, in wie zij beide verloor.

In diep stilzwijgen stonden de drie vrouwen om de baar. Maria leunde
zacht op de innig ontroerde Lodoiska en weende stil aan hare borst.

„Hoe vriendelijk is dat gelaat,” sprak de gravin en leide hare hand
op het voorhoofd der doode, om het haar nog een weinig op zijde te
strijken. „Hoe zacht moet de ziel uit dat lichaam gescheiden zijn! Hoe
kalm, hoe vroom, hoe rustig!”

„O zij was zacht als de avondzon!” sprak Maria; „gelijk deze ging zij
onder, en in dit kalme, vriendelijke gelaat schemert het avondrood
harer ziel uit de schoone wereld, waarin zij nu is overgegaan, nog in
deze terug. Spoedig echter zal zij in den langen, stikdonkeren nacht
neerzinken, die haar voor eeuwig aan ons oog onttrekt.”

Therese en Anna huppelden binnen en hielden een brief in de hand. Hij
was van Lodewijk; dezelfde, dien Beaucaire voor een uur met misdadige
handen geopend had.

„Van mijne broeder aan mijne moeder,” sprak Maria en barstte opnieuw
in tranen uit.—„Ach, die arme Lodewijk! Hij wist niet, dat zij,
aan wie hij zijne woorden richtte, die niet meer vernemen zal! Voor
_zijn_ leven beefden wij, daar hij door duizend gevaren omringd is,
en wie weet of hij ons beiden niet overleeft. O, dan zou ik hem
diep beklagen!——Maar neen! Zulk eene beproeving zal God ons niet
toezenden,” ging zij na eenige oogenblikken met een verhelderd gelaat
voort; „hij zal ons niet scheiden. Zijne vertroostende engelen zullen
mij staande houden, de beschermende over mijn broeder waken.”

De gravin deed thans aan Maria den voorslag, het sterfhuis te verlaten,
om met haar mede te gaan en bij haar in te wonen, ten einde niet geheel
eenzaam in de nu zoo treurige woning achter te blijven, maar eene
vertrouwde borst te hebben, waaraan zij hare droefheid kon uitweenen.
Met dankbaarheid nam de verlatene dit aan, daar zij voor den eersten
eenzamen nacht angstig terugbeefde. Lodoiska, die de smart geheel met
haar deelde, doch zich, daar zij de gezegende gaaf der mededeeling
miste, dan het minst uitte, wanneer haar hart het volst was, bleef
nog bij de nieuwe vriendin terug, om haar in eenige noodzakelijke
toebereidselen behulpzaam te zijn. De gravin begaf zich naar huis, om
aanstalten tot hare ontvangst te maken.

Maria bracht intusschen hare kleine bezitting in orde, koos eenige
weinige boeken, kleederen en papieren uit, welke zij naar de nieuwe
woning wilde medenemen, en hulde zich vervolgens in het nog voorhanden
zijnde rouwgewaad. Toen zij verkleed uit het zijvertrek te voorschijn
trad, was Lodoiska inderdaad verbaasd over de zachte verhevenheid harer
edele gestalte. Vroeger was zij enkel beminnelijk en schoon geweest,
slechts aanvalligheid had haar voorkomen de innemende bekoorlijkheden
verleend, waardoor zij ieder zoo onwederstaanbaar boeide; thans echter
scheen zij eene treurende vorstin te zijn, zoozeer werd hare schoonheid
door de ernstige kleeding en houding, alsook door de diep smartelijke
uitdrukking harer gelaatstrekken geadeld.

Met hartelijke kussen en tranen nam Maria van de beide kleinen, met
warme dankbaarheid van beider moeder afscheid en begaf zich, het
gelaat door een zwarten sluier voor de lastige nieuwsgierige blikken
der menigte bedekt, aan de zijde harer jonge, ernstige vriendin op
weg naar hare nieuwe woning. Onder het gaan was het haar, als moest
de bewustheid haar verlaten, daar zij thans de lieve plaats vaarwel
zeide, waar zij nog voor eenige uren de stem harer moeder gehoord,
haar vriendelijk oogwenken gezien had. En nu alles zoo stil en stom en
doodsch!

In de huisdeur stond vrouw Holder met haar beide meisjes. De goede
vrouw reikte Maria nogmaals de hand, terwijl zij zich met het
voorschoot de tranen uit de oogen wischte. Anna verschool zich schuw
en treurig achter de moeder; maar de kleine Therese hief met zoet
gevlei hare armpjes naar Maria omhoog en riep: „Tante, kom toch gauw
weer te huis!”

„Spoedig, spoedig, recht dikwijls, mijn lief kind!” sprak Maria met
eene in tranen gesmoorde stem, en drukte de kleine onstuimig aan hare
borst. Eindelijk reet zij zich los en ging met rassche schreden voort,
om hare uitgeputte krachten als met geweld op te richten.


HOOFDSTUK IX.

Op den vroegen morgen van den derden dag werd de ontslapene ter aarde
besteld. Slechts Maria, de gravin, Lodoiska en vrouw Holder waren
tegenwoordig, toen men haar neerliet in den somberen grafkuil. Maria
toonde zich ernstig, bedaard; zij rechtvaardigde de vrees der gravin
niet, die haar dringend gesmeekt had, de treurige plechtigheid niet
bij te wonen. Hare even standvastige als zachte ziel wist zich aan het
gebeurde, aan het onvermijdelijke weldra met kalmte te onderwerpen;
alleen de twijfel, de zorg, de vrees voor het komende schokten haar zoo
hevig. Voor de dreigend opgeheven hand van het lot sidderde zij; was
de verpletterende slag echter gevallen, dan kampte zij met zedelijke
sterkte, met onwrikbaar christelijk geloof tegen het vernietigend
geweld.

Ofschoon den ganschen dag ernstig en somber, nam zij toch met stille
vriendelijkheid aandeel in het gesprek. Eerst toen de zon reeds in haar
roodachtigen gloed achter de blauwe bergen stond en de weemoed der
avondstilte zich over het landschap verbreidde, toen eerst werd ook
zij week en vergoot zij bittere tranen. Zij kon den aandrang, die haar
naar de moederlijke rustplaats dreef, niet langer weerstand bieden; de
troostende vriendinnen wilden haar verzellen, maar zij smeekte, dat men
haar alleen zoude laten gaan. „Gelooft niet, dat deze gang mij dieper
zal neerbuigen, neen, hij zal mijn hart opbeuren, mijne beklemde borst
door tranen verlichten. Mijne wonden moeten vrij uitbloeden; wellicht
zijn zij doodelijk; zij worden het echter zeker en sneller, wanneer gij
de pijn er van gewelddadig in mijn binnenste wilt terugpersen. O, ik
zal troost vinden op het graf mijner moeder!” Zij ging.

Het graf was met frissche zoden bedekt; nog had het geen ander
versiersel. Het kerkhof lag eenzaam, vredig, door hoog geboomte
overschaduwd. Maria zette zich op den kleinen terp neder en zag
peinzend voor zich neer, terwijl stille tranen langs hare wangen
neervloeiden. Eensklaps deed het naderen van een mannelijken tred haar
opzien; zij ontwaarde St. Luces, die recht op haar toetrad.

Onaangenaam, bijna hatelijk door zijne nabijheid gestoord, rees zij
op, beantwoordde zijn eerbiedigen groet met eene lichte, angstvallige
buiging en wilde het kerkhof verlaten. Hij volgde haar echter met
rassche schreden en sprak haar aan.

„Vergeef mij, wanneer ik uwen rouw gestoord heb;—het toeval voerde mij
herwaarts, ik had u niet vroeger herkend, anders zou ik mij eerbiedig
verwijderd hebben.”

St. Luces loog met tong en oog even behendig; even geveinsd toch
als deze woorden, waren ook zijne schijnbaar verlegen blikken en de
kunstig gehuichelde droefheid op zijn gelaat. Reeds sinds drie dragen
bespiedde hij namelijk op elke mogelijke wijze eene gelegenheid,
om Maria te spreken. Het bericht van den dood der moeder was hem
uiterst welkom; want deze begunstigde zijne misdadige plannen. Maria's
betooverende schoonheid had, zoodra hij haar de eerste maal zag,
zijn ontaarden, lagen hartstocht doen ontvlammen. Op de aan alle
ellendelingen zoo eigen kunstgreep steunende, om, door van den benarden
toestand van anderen gebruik te maken, hun het uiterste af te persen,
ontwierp hij dadelijk het helsche plan, om eerst den angst der zuster
door de voorstelling van het gevaar, dat den broeder bedreigde, ten top
te voeren, ten einde zich vervolgens door het beloven van redding—aan
het nakomen was hem weinig gelegen—van hare gunst te kunnen
verzekeren. Uit dien hoofde stond Beaucaire's hebzuchtige regelrecht
op het doel uitloopende list hem zoo hevig tegen de borst. Nog meer
verbitterd zou hij geweest zijn, wanneer hij vermoed had, dat deze zijn
medeminnaar was en met meer stoutheid, maar juist daarom ook met min
kunstig verfijnde boosheid hetzelfde doel nastreefde.

St. Luces wilde een heimelijken minnehandel aanknoopen; hij berekende,
dat het verteederde hart eener treurende het meest vatbaar is voor den
troost, die eene gehuichelde deelneming aanbiedt; met één woord: hij
wilde Maria doen vallen, maar niet zonder haar gelegenheid te geven, om
hare zwakheid door eene soort van heiligen schijn te verhullen, daar
hij aan hare gunst de redding des broeders dacht te verbinden.

Beaucaire had hetzelfde plan, doch ruwer; met het zwaard des beuls
boven het hoofd van den broeder wilde hij de radelooze zuster in zijne
armen drijven. Hem was het slechts om zinnelijk genot te doen, en aan
den afschuw, dien hij zijn offer inboezemde was hem hoegenaamd niets
gelegen.

St. Luces meer beschaafd en door vele dergelijke ontmoetingen zijns
levens, waarbij hem zijn zeer innemend voorkomen, want in zijne jeugd
was hij inderdaad een schoon man geweest, steeds grootelijks te stade
was gekomen, in eene hooge mate verfijnd en geslepen, berekende, dat
de waarde van eene zoodanige verbintenis door de wederkeerige neiging
van het vrouwelijke gemoed oneindig verhoogd werd. Hij wilde daarom
zijn masker eerst dan afwerpen, wanneer volkomen verzadiging en
bevrediging zijner driften hem het voorwerp, dat die thans zoo hevig
deed ontvlammen, ten eenenmale onverschillig deden zijn. Beaucaire
en St. Luces hielden deze plannen natuurlijk allerzorgvuldigst voor
elkander verborgen; en inderdaad, geen hunner vermoedde het opzet des
mededingers, deels dewijl zij een geheel verschillenden weg insloegen,
deels ook, wijl de een den ander niet voor sluw of boosaardig genoeg
hield, om zich den ingewikkelden toestand der zaken zoo dadelijk ten
nutte te maken. Beaucaire deed onvermoeide nasporingen, om het verblijf
van Lodewijk bij de armee, en den naam, dien hij thans voerde, met
zekerheid te weten te komen. Zich als de mierenleeuw in zijn duister
hol schuil houdende, loerde hij slechts op een brief van Maria aan
haren broeder, om dien met zijne uitgestrekte grijptangen naar zich toe
te sleepen. Dan wil hij der ongelukkige onder de oogen treden, haar
door het Medusahoofd zijner ontdekking versteenen en zoo de machtelooze
aan zijne driften opofferen. De dood der moeder was dus ook hem welkom
geweest, daar hij met grond vermoeden kon, dat Maria den broeder
dadelijk of ten minste binnen weinige dagen van dit voorval bericht zou
toezenden. Hij had derhalve geen geld ontzien, om den schurkachtigen
postbeambte opmerkzaam te maken. Ditmaal echter had hij het vruchteloos
verspild, wijl Maria's brief reeds lang door de gravin was verzonden,
die hem aan een naar Dresden vertrekkenden landsman had medegegeven,
om hem daar op de post te doen. Van het opzet van St. Luces, die hem
met vleierijen en vriendschapsbetuigingen overlaadde en daardoor te
meer in zijn ijdel, licht te misleiden zelfvertrouwen versterkte,
vermoedde Beaucaire niet het geringste en sloeg dus ook weinig acht op
de wandelingen, welke deze, òf onder eenig waarschijnlijk voorwendsel
òf geheel buiten zijn weten, dagelijks ondernam.

Het was thans de eerste maal, dat St. Luces Maria alleen vond. Op
zijne verontschuldiging, voegde zij hem eenige koele woorden toe
en wilde zich verwijderen; doch hij hield zich, alsof hij zulks
niet bemerkte, en dwong haar te blijven door haastig het gesprek te
hervatten. „Hoe arglistig weet het lot ons somwijlen te treffen! Wie
had kunnen vermoeden, dat gij, van het genoegelijk uitstapje vroolijk
terugkeerende, zóóveel ongeluk en jammer in uwe woning zoudt vinden! O
geloof mij, de slag die u trof, heeft geen hart ongeroerd gelaten; nog
keert de gedachte, het gesprek telkens weder daarop terug, en er is
zeker geen oog in deze, met vreemdelingen vervulde plaats, dat u niet
een stillen traan van medelijden heeft gewijd.”

Maria rilde; daar zij wist, welken invloed St. Luces op het lot haars
broeders had uitgeoefend, vervulde zijne nabijheid haar met eenige
huiverige angstvalligheid. Echter trachtte zij bedaard te blijven.

„Ik weet het,” sprak zij na eenige minuten, „dat de plotselinge dood
mijner moeder opzien heeft verwekt, te meer, daar deze met een voorval
in verband stond, dat velen verschrikt heeft. Doch juist dat opzien
moet mij smartelijk zijn, daar de treurende het liefst de ongestoorde
eenzaamheid opzoekt.”

St. Luces verstond de bedoeling der laatste woorden zeer goed; slechts
wilde hij ze niet verstaan en wist zijn innerlijken spijt volkomen te
beheerschen. „Voorzeker,” sprak hij; „echter is niet altijd dat, wat
de kranke begeert, hem heilzaam; eenige oogenblikken moest gij toch
afzonderen voor hen, die waarlijk uwe vrienden zijn.”

Hij zweeg; ook Maria deed zulks.

„Het is bijna donker geworden!—Het schijnt mij plicht, u te
herinneren, dat gij in dit uur nauwelijks alleen naar de stad kunt
terugkeeren,” begon St. Luces opnieuw.

„Gij hebt gelijk, ik had reeds moeten gaan,” sprak Maria beleefd,
groette en ging.

Nauwelijks had zij het hek van de begraafplaats bereikt, of zij hoorde
zijne schreden opnieuw achter zich.

„Ik ben in tweestrijd geweest,” sprak hij haastig, „of het mijn
plicht was, u ongevraagd de volle waarheid te zeggen, of ik gronden
heb, die dringend genoeg zijn om mijne tusschenkomst in de zaken van
geheel vreemde personen te rechtvaardigen. De beslissing luidt: ik
moet spreken. Weet dan, ik kwam niet bij toeval hier; ik zocht u op.
Ik weet, dat iemand, die u hoogst dierbaar is, in gevaar verkeert,
dat men op het punt is van zijne verblijfplaats te ontdekken, die
op dit oogenblik wellicht reeds ontdekt heeft. Gij kondt door
onvoorzichtigheid in de droevigste onaangenaamheden gewikkeld
worden—een gevoel,” hier sloeg hij het oog als verward ter aarde,
„dat slechts jongeren plegen te kennen, dat mij echter van het eerste
oogenblik, dat ik u zag, doordrong, waarvan ik geen meester ben....
dwong mij.... ik vrees tot eene schending van mijn plicht. Meer mag ik
niet doen.... wees op uwe hoede!”

Met deze woorden keerde hij zich om en wilde haastig voortsnellen.
Maria, die hem met angstige verbazing had aangehoord, riep hem na: „Om
Gods wil, verklaar u duidelijk. Ik smeek u dringend!”

St. Luces stond stil; hij scheen met zich zelf te kampen. Eindelijk
keerde hij terug. „Duidelijker? Is het niet genoeg, dat gij mij
verstaat? ik kom aan mijne plichten te kort .... en toch, als ik uwe
tranen zie, hoe kan ik weerstand bieden!” Hij trad nader op Maria toe
en greep hare hand, die zij hem noch toereikte, noch waagde terug te
trekken.

Op hetzelfde oogenblik ruischte het in de struiken dicht nevens hen en
Benno trad te voorschijn. Maria's bleek gelaat werd door een donkeren
schaamteblos overgoten, daar zij op deze eenzame plaats alleen en in
eene zoo vertrouwelijke houding met den vreemde verrast werd. Zij
vermoedde niet, dat Benno haar goede engel zijn zoude; want in de
verrassing ware het St. Luces wellicht gelukt, haar vertrouwen te
winnen en haar daardoor nog dieper in het verderf te storten.

Benno was zelf nog te jong en onschuldig, om uit dezen lichten schijn
eenigen krenkenden argwaan op te vatten. Zijne dichterlijke droomen
hadden hem naar de rustplaats gevoerd, waar zoo menig vroeg ontslapen
vriend den eeuwigen morgen verbeidde. Toen hij Maria gewaar werd,
van wier treurig verlies ook hij reeds onderricht was, trad hij met
diepe aandoening op haar toe en sprak haar aan. „O dat ik u hier moet
wedervinden na dien schoonen, onvergetelijken dag; wie had dat kunnen
denken!” Ook hij greep, zijne ontroering geen meester, hare hand en
drukte ze met warmte aan zijne lippen. Het was Maria, of haar een
sluier van de oogen en een zware last van het hart zonk, toen zij
Benno's natuurlijk medelijden met St. Luces' geveinsde deelneming, de
heilige, eenvoudige trekken der waarheid met het gekunstelde masker
der huichelachtige logen vergelijken kon. Het onderscheid tusschen
beiden was niet meer te miskennen. Een zachte handdruk was het eenige
antwoord, dat zij geven konde, het dankte den jongen vriend voor zijne
deelneming en zijne argeloosheid tevens. Een enkele blik toch op zijn
open gelaat had haar ten volle overtuigd, dat niet de geringste schijn
van achterdocht in zijne schuldelooze ziel was opgerezen.

„Het is laat.... ik moet gaan,” sprak zij na eenige oogenblikken en
wilde zich verwijderen.

„Het is zoo laat, dat ik u onmogelijk alleen kan laten gaan,” riep
St. Luces, en Benno voegde er met de zuiverste welwillendheid bij:
„Voorzeker, wij willen u geleiden.”

Maria voelde zich verruimd, toen deze liefderijke beschermengel haar
op zijde trad; op St. Luces trekken werd de vroeger reeds met moeite
verheelde spijt over des jongelings tusschenkomst zoo duidelijk
zichtbaar, dat het meisje gedurig meer recht meende te hebben, om aan
de zuiverheid zijner bedoelingen te twijfelen.

Bijna zonder te spreken, wandelde men naast elkander voort. Maria
haastte zich naar huis te komen. Toen men zich weder in de eerste
straat der voorstad bevond, haalde een onbekende hen van achteren
in, wierp een vluchtigen blik zijwaarts, groette en sprak onder het
voorbijgaan: „_Bonsoir Monsieur de_ St. Luces!” Deze zag verrast op;
het was Beaucaire.

Men had het hôtel bereikt, waar de gravin woonde; Maria nam met
een stommen, verlegen groet afscheid van hare geleiders. In huis
gekomen, verhaalde zij dadelijk, wat haar bejegend was. De gravin
koesterde denzelfden argwaan tegen St. Luces en vermeerderde dien nog
door verschillende, niet onbelangrijke opmerkingen, waaruit men het
voorbedachtelijke zijner handelwijze met zekerheid kon opmaken.

De klok der Slotkerk had juist tien geslagen en de vrouwen wilden zich,
naar het gebruik der badplaats, reeds ter rust begeven, toen met drift
aan de huisdeur werd gebeld. De bediende bracht een brief boven, dien
een onbekende had afgegeven. Het opschrift luidde aan Maria. Zij opende
en vond slechts een blad met de woorden:

„Wacht u voor den heer St. Luces!

                                              Uw Vriend.”

Wie was de raadselachtige waarschuwer? Te vergeefs beijverden de
vrouwen zich het te raden; de eenige, op wien zij gissen konden, was
Benno. En toch, wat zou hij weten of vermoeden?

Vol nieuwe, bange zorgen legde Maria zich ter rust; maar de
beangstigende voorstellingen vervolgden haar ook in hare droomen,
en zij rees dikwijls verschrikt op uit de zware bedwelming van den
koortsachtigen slaap. Ach, was het dan niet genoeg, eene moeder te
beweenen, moest zij ook voor het leven des broeders sidderen!


HOOFDSTUK X.

Maria had nog slechts in Teplitz willen vertoeven, totdat hare moeder
was ter aarde besteld en zij aan de verschillende verplichtingen, welke
de burgerlijke wetgeving bij sterfgevallen voorschrijft, voldaan had.
Daarna wilde zij zich naar de zuster der afgestorvene begeven, om zich
verder aan de bescherming dezer naaste, haar zoo hartelijk liefhebbende
verwanten toe te vertrouwen. Voorloopig had zij hare tante door een
brief van den nieuwen slag kennis gegeven en zag het antwoord elken dag
met verlangen te gemoet.

Na den in onrust en kommer half doorwaakten nacht werd zij eindelijk
tegen den morgen door eene zachte sluimering verkwikt, die haar tot
laat na het gewone uur aan hare legerstede geboeid hield. Toen zij de
oogen opsloeg, was het helder dag, zoodat de zon over de daken der
tegenover gelegen huizen reeds in het vertrek scheen. Bijna beschaamd
over den langen slaap, kleedde zij zich in aller ijl aan en trad in
de gemeenschappelijke ontbijtkamer. Met verbazing werd zij dadelijk
bij het openen der deur eenige dames in diep rouwgewaad gewaar en
voelde zich, eer zij tijd had te gissen, wie het zijn konden, door
vriendelijke armen omstrengeld. Het was Emma, die ter zijde van de deur
aan het venster gezeten, de binnentredende het eerst gezien en herkend
had. De blij verraste, doch weemoedige uitroep der beide meisjes
bewerkte, dat ook de andere vrouwen, die het openen der deur bemerkt
hadden, opsprongen en haar te gemoet snelden. Het waren Julie en hare
moeder; alle drie kwamen, om Maria in hare treurige eenzaamheid op te
zoeken en haar vervolgens mede naar buiten te nemen.

Liefde en vriendschap wedijverden. De gravin en Lodoiska wilden Maria
niet laten vertrekken, hare verwanten haar zoo spoedig mogelijk tot
zich nemen. Eindelijk werd besloten, dat de beide eerstgenoemde haar
voor eenige dagen naar het landgoed verzellen zouden, en men bepaalde
de afreis op den volgenden morgen.

Nadat men eenigen tijd in vertrouwelijke gesprekken had doorgebracht,
gaven de aangekomenen haren wensch te kennen, om het graf der
afgestorvene te bezoeken. Maria geleidde haar derwaarts.

Reeds nabij de poort gekomen, ontdekten zij in eene zijstraat een
oploop van menschen die haar het voortgaan belette. Zij wilden juist
naar de reden vernemen, toen Benno op haar toetrad en verhaalde, dat
men een beambte van het postkantoor wegens zoo even eerst ontdekte,
schandelijke verduistering van geld en brieven met geldswaarde in
hechtenis had genomen en thans bezig was, de woning van den gevangene
te onderzoeken, zijne papieren in beslag te nemen en alles te
verzegelen.

Dit voorval zoude eene minder levendige belangstelling bij Maria
verwekt hebben, wanneer een angstig voorgevoel haar niet had
doen vreezen, dat zij zelve misschien een der slachtoffers dier
trouweloosheid zijn konde. Thans werd het mogelijk, ja zelfs
waarschijnlijk, dat St. Luces van alles onderricht en zijne
waarschuwing gegrond was. Maar ook hemzelf had men haar verdacht
gemaakt! Wie kende hare geheimste betrekkingen zoo nauwkeurig? Was zij
van rondom met netten omstrikt, bewaakt, beloerd, bespied van alle
zijden?

Terwijl zij zich nog met deze bekommerende gedachten bezig hield, trad
een bevallig bloemenmeisje, wier uiterlijk echter een lichtvaardigen
levenswandel scheen aan te duiden, op haar toe en bood haar ruikers te
koop aan. Maria wees haar verstrooid af; het meisje vernieuwde hare
bede met de vriendelijke overreding aan dergelijke vleiende wezens
eigen.

„Dezen ruiker neemt gij mij toch zekerlijk af,” sprak zij; „zie eens
nog drie rozen in dit late jaargetij.” Tegelijk drukte zij dien Maria
met geweld in de hand en fluisterde daarbij de woorden: „Om uws
broeders wil!”—Maria verschrikte, het meisje glimlachte en vervolgde
op den vleiendsten toon: „Ja, dezen houdt gij; hij is de schoonste van
alle en kost maar drie stuivers!”

Maria wilde het meisje ondervragen, doch deze sloot haar de lippen door
een heimelijken oogwenk en een nauw hoorbaar: „Strikte geheimhouding!”

Benno wilde zich intusschen beleefd tonen en kocht haar voor elk der
dames een ruiker af. De kleine nam het geld met een vergenoegd gelaat
aan, wenkte Maria nog éénmaal toe, als wilde zij zeggen: verraad u
door geen enkel woord—en huppelde luchtig verder, om ook aan andere
voorbijgangers hare geurige waren aan te bieden.

Maria was door deze ontmoeting hevig ontsteld en sidderde merkbaar,
zelfs aan het graf der moeder, dat men spoedig bereikte, waren hare
gedachten niet bij de doode, maar te midden van de woelingen der
wereld. Te onbedreven in de kleine kunstgrepen der liefde, had zij
er nog niet aan gedacht, de bloemen nader te onderzoeken, toen een
toevallige blik haar daartusschen een strookje papier deed bespeuren.
Met gespannen verwachting trok zij het onbemerkt te voorschijn en las
de woorden: „Gij kunt uwen broeder redden, wanneer gij dezen avond met
klokslag van negen uur _alleen_ in den slottuin aan de oude linde komt.
Hij is verloren, wanneer gij achterblijft of het geringste verraadt.
Ten tweede male waarschuwt men u voor St. Luces.”

Zij stond als versteend, toen zij deze regels had gelezen. Welk een
nieuw verschrikkelijk geheim! Dus deze uitnoodiging en de waarschuwing
van gisteren kwamen van dezelfde hand? Zou zij het geheim ontdekken?
Zou zij zich aan haar, die zij beminde, toevertrouwen, zich onder hare
bescherming stellen? Maar konden deze den broeder redden, wanneer
boosaardige list hem wilde verderven?

Neen, ik wil het wagen; het is mijn heilige plicht het te wagen, dacht
zij, zich vermannend; eindelijk moeten deze raadsels zich oplossen.
En wie zegt mij dan, dat ik een nieuw onheil te gemoet ga? Kan het
niet een grootmoedig vriend zijn, dien ik, wanneer ik het stilzwijgen
verbrak, in het verderf bracht? Gij, mijne moeder, blikt uit gindsche
zalige kringen in mijn beklemd hart, uw geest zal mij omzweven, aan u
wil ik mij toevertrouwen.

Na dit onwrikbaar besluit werd hare ziel weder kalmer en geruster.

De dag verstreek, het bestemde uur naderde. Maria ging naar hare kamer,
verzegelde het geheimzinnige blad, dat zij ontvangen had, en voegde
er de woorden bij: „Dit zal mij rechtvaardigen, wanneer een onwaardig
vermoeden mij treft, mij redden, wanneer mij gevaar dreigt. Het zegt
u waar ik ben”. Op den omslag schreef zij: „Aan mijne geliefden! Doch
dan slechts te openen, wanneer ik te middernacht niet terug ben.” Dezen
brief legde zij op hare tafel en verliet hierop in een mantel gehuld en
zorgvuldig gesluierd het vertrek en het huis.

Het was reeds volkomen donker en geheel eenzaam; zij sidderde, maar
verloor hare bedaardheid niet. Schuw en huiverig betrad zij de donkere
kastanjelaan; de aangeduide linde stond in het eenzaamste en verst
verwijderde gedeelte van den tuin. Dit vermeerderde hare bezorgdheid.
Een tuinarbeider ontmoette haar en zag haar verwonderd aan. Eensklaps
viel haar in, dat zij zich van den bijstand van dien man verzekeren
konde, zonder hem iets te ontdekken. Zij wendde zich om, ging hem na en
sprak hem aan: „Mijn vriend, wilt gij een goed drinkgeld en wellicht
nog meer verdienen?”

„Daartoe ben ik nu en altijd bereid.”

„Blijf dan een uur hier op deze bank zitten of vertoef ten minste hier
in de nabijheid, doch zorg dat men u niet bemerkt. Neem dit vooreerst
aan; als ik terugkom, krijgt gij driemaal zooveel. Hoort gij mij luid
om hulp roepen, kom dan spoedig bij de groote linde, daar beneden aan
den tuinmuur.”

„Daar, waar de heer met den mantel staat?” vroeg de arbeider.

„Juist, daar,” antwoordde Maria niet zonder schrik.

„Hm! Hm! Uwe genade moest liever in het geheel niet gaan,” meende de
oude en schudde bedenkelijk het hoofd. „Dien heer zijn vreemde lieden
in den tuin juist zoo lastig, als zij voor uwe genade noodig kunnen
zijn. Hij heeft mij daareven vijf guldens gegeven, opdat ik met werken
ophouden en naar huis gaan zou.”

„Dat mag zoo zijn,” sprak Maria bevend, „ik wil ook niet, dat gij dáár
komen zult, maar blijf hier in den omtrek,” tevens gaf zij hem eenige
geldstukken.

De arbeider scheen besluiteloos en zweeg eenige oogenblikken; eindelijk
sprak hij: „Nu dan, aan mij zal 't niet haperen, ik zal hier blijven
en uwe genade kan op mij staat maken. Maar neem u toch in acht; de
heer ziet er uit als een volleerde italiaansche spitsboef, dien ik heb
leeren kennen, toen ik als bediende met vorst Clary in Napels was. Doch
vergeve uwe genade mijn gebabbel, gij zult voorzeker wel weten, met
wien gij te doen hebt.”

„Ja wel, ja wel!” sprak Maria op een toon, die het tegendeel te kennen
gaf. Zij wankelde in haar besluit. Doch met vernieuwde kracht sprak
zij tot zich zelve: „Gij hebt er het dierbaarste, uwen naam, reeds
aan gewaagd en zoudt gij nu voor uw leven sidderen? Dwaasheid! En
welk belang kan iemand bij uw dood hebben? Het is niets; de vrees is
ingebeeld, uw zusterplicht vordert dien gang van u.”

Met haastigen tred zette zij haren weg voort. Toen zij in de nabijheid
der linde kwam, zag zij eene donkere gestalte onder deze op en
neder gaan. Schoorvoetend trad zij nader. De onbekende had haar
echter nauwelijks ontdekt, of hij ijlde ras op haar toe en sprak:
„Het verheugt mij, dat gij moeds genoeg gehad hebt, om aan mijne
uitnoodiging te voldoen.”

Eene ijskoude rilling greep Maria aan, toen zij deze stem vernam;
het was Beaucaire, voor wien een onoverwinnelijke afkeer haar van het
eerste oogenblik af had gewaarschuwd. Echter bedwong zij zich, daar zij
duidelijk besefte dat het noodzakelijk was zich tegen dezen man met al
de vastheid, al den adel te wapenen, die het gevoel van onschuld en
recht aan een vrouwelijk wezen verleenen kunnen.

„Ik moest inderdaad wel,” hervatte Maria, „daar gij mij door eene
geheimzinnige bedreiging hier heen gesleept en mij zoo den gewaagden
stap, waartoe ik anders voor geen prijs zou besloten hebben, tot plicht
gemaakt hebt.”

Beaucaire scheen misnoegd over dit korte antwoord, dat hem door de
vastheid, waarmede het gegeven werd, zeer ver van het doel zijner
wenschen terug wierp. Hij gevoelde, dat zijne taak niet gemakkelijk
zijn zoude, en besloot derhalve, met het stalen voorhoofd van
schaamtelooze stoutheid door te dringen. „Gij neemt,” sprak hij, „een
trotschen toon aan, die u dunkt mij weinig voegt. Weet dan, dat het
lot uws broeders in mijne hand ligt, dat ik alleen in staat ben hem te
redden of te verderven. Ik ken zijne schuilplaats; hij heeft haar sluw
genoeg daar gekozen, waar niemand hem zoeken zou, bij het leger.”

Maria stond sprakeloos daar; de schrik had haar stem en adem benomen.

„Gij moogt dus,” ging Beaucaire met spotachtigen nadruk voort, „nog wel
iets meer doen, dan ik tot hiertoe van u geëischt heb, in geval het
u op den bijstand van den man aankomt, op wiens lippen het leven uws
broeders zweeft.—Doch, gevoelt gij u niet wel?”

Maria was genoodzaakt geweest, zich aan den stam der linde vast te
houden, om niet machteloos neer te zinken. Beaucaire geleidde haar,
terwijl hij haar met onzachte ruwheid vast omklemde, naar eene, weinige
schreden verwijderde tuinbank.

„Zeg mij,” sprak Maria met inspanning, „wat ik voor mijn broeder doen
kan. Ik zal het zwaarste niet schuwen, ik mag het niet; van de volle
dankbaarheid eener liefhebbende zuster kunt gij u verzekerd houden,
wanneer gij mij grootmoedig den weg tot redding aantoont.”

„Vooreerst geeft gij mij nauwkeurig op,” viel Beaucaire haar in de
rede, „hoe ik uwen broeder papieren van gewicht langs den zekersten
weg kan toezenden; hij moet onverwijld onderricht en van middelen ter
ontvluchting voorzien worden, daar zijne gevangenneming van dagen,
wellicht van uren afhangt.”

Maria had inmiddels zooveel bezonnenheid herkregen, dat zij zich door
die arglistige vraag niet verrassen liet. „Wat gij mijnen broeder
toezenden wilt, geeft gij aan mij,” hervatte zij haastig; „ik doe het
hem zeker toekomen. Een anderen weg kan ik u niet opgeven.”

Beaucaire knarsetandde van spijt over dit antwoord; Maria had het
nauwelijks gegeven, of zij zelve verwonderde zich schier over den
gelukkigen uitweg, dien zij als door eene hoogere ingeving gevonden
had. Inderdaad had dan ook, in het tijdsbestek van weinige seconden,
eene reeks van gedachten en samenknoopingen van omstandigheden hare
ziel doorkruist, die haar noodzakelijk den hoogsten argwaan tegen
Beaucaire moest inboezemen. Het voorval met den postbeambte liet haar
thans geen twijfel meer, of het brievengeheim moest ook in betrekking
tot haar geschonden zijn; met de hoogst mogelijke nauwkeurigheid
riep zij zich dus den inhoud van Lodewijks laatste letteren voor den
geest terug, om te berekenen, of zij ook iets behelsden waaruit zijn
verblijf, zijn naam en verdere betrekkingen nader waren op te sporen.
Met een verruimd hart kwam zij tot de overtuiging, dat door den brief
niets kon verraden zijn, dan dat hij zich bij het leger ophield. Met
de scherpzinnigheid, de verhoogde zielskracht, welke de hemel in
oogenblikken van gevaar aan schuldelooze zielen verleent, ontdekte de
anders zoo argelooze thans het weefsel der boosheid, waarmede men haar
omstrikken wilde, zonder echter de zwartste diepte van den helschen
afgrond te vermoeden, waarin Beaucaire haar trachtte neder te storten.

„Gij schijnt mij niet te vertrouwen,” sprak deze eindelijk misnoegd
en geraakt; „ofschoon ik u door deze samenkomst toch wel eenige
bewijzen van mijn goeden wil, om u van dienst te zijn, gegeven heb.
Bedenk echter, dat ik ook reden heb om voorzichtig te zijn; in
mijne betrekking moest ik zonder verschooning te werk gaan en mij
op de strenge baan der wetten houden. Waag ik uit medelijden een
omweg, dan moet ik volle zekerheid hebben, dat mij deswege geene
verantwoordelijkheid treffen kan. Op zulke gevaarlijke paden kan men
echter slechts zich zelf vertrouwen.”

„Hoe?” riep Maria levendig, „vreest gij, dat de zuster, wier broeder
gij redt, u verraden zal?”

„Niet opzettelijk; maar onvoorzichtigheid, gebrek aan inzicht, aan
kennis der omstandigheden....”

„Dit alles is hier onmogelijk,” viel Maria hem in de rede; „want de weg
dien ik heb in te slaan, is te eenvoudig, om mij daarin te bedriegen.”

„Gij wantrouwt mij dus?” vroeg Beaucaire grimmig.

Maria beefde, het was hare bedoeling niet om hem te verbitteren. Zij
antwoordde dus op een zachten toon: „Ik heb een vreemd geheim te
bewaren; gij zult voorzeker niet verlangen, dat ik er misbruik van
maak. Uit de getrouwheid, waarmede ik dezen ouderenplicht vervul,
kunt gij de overtuiging opdoen, dat ik omzichtig en nauwgezet ook met
betrekking tot u handelen zal, daar gij mij eene weldaad wilt bewijzen,
welke ik door levenslange dankbaarheid niet zal kunnen vergelden.”

Beaucaire geraakte in verwarring; het edele, vaste en toch vrouwelijk
zachte gedrag van Maria oefende zelfs op zijn ontaard hart zulk een
onwederstaanbaar vermogen uit, dat hij bijna den moed verloor tot
het doen der schandelijke voorslagen, om welke te beproeven hij deze
eenzame samenkomst met haar had opgezocht. Onwillekeurig had het
gesprek, dat hij door den schrik der eerste bedreigingen op zijn
eigenlijk doel had trachten te brengen, eene geheel andere wending
genomen, en hij zag zich thans ten eenenmale afgesneden van den weg,
dien hij gemeend had in te slaan. De spijt echter, dien hij over
zichzelf gevoelde, daar hij zijne vaste besluiten door weinige woorden
van een meisje aan het wankelen had laten brengen, deze valsche
schaamte der verharde boosheid dreef hem aan, het masker plotseling af
te werpen.

„Op dankbaarheid,” sprak hij, „hoop ik natuurlijk en durf daarop
rekenen, daar eene schoone zuster juist de beste middelen bezit, om
voor een gewichtigen dienst, dien men den broeder bewijst, de schuld af
te doen.”

Met deze woorden greep hij de rechterhand van Maria en drukte en kuste
ze op eene wijze, die het verschrikte meisje op eens een nieuwen blik
in den zwarten achtergrond der misdadige bedoelingen openen moest.
Schuw sprong zij op en riep: „Mijn God! wat wilt gij?” Beaucaire liet
haar echter niet los, wilde haar bij zich neertrekken en sprak: „Niet
zoo schroomvallig, liefje, het leven eens broeders is toch wel den kus
eener zuster waard!”

„Ellendeling!” riep Maria, die thans den ganschen omvang zijner
afschuwelijkheid overzag, met onstuimige hevigheid. „Laat mij los, of
ik roep hulp!”

„Bedaar, bedaar,” sprak Beaucaire, zonder de zich krachtig verwerende
los te laten; „luister een oogenblik toe. Uw broeder is bij de
armee, morgen vertrek ik naar het hoofdkwartier. Twee uren zijn dáár
voldoende, om hem, dien ik zoek, op te sporen, en vierentwintig bij den
krijgsraad meer dan genoeg, om van de aanklacht tot de voltrekking over
te gaan. Uw broeder heeft den dood verdiend, zijn leven is in mijne en
uwe hand.... wilt gij....”

„Nimmer!” riep Maria en rukte zich met geweld uit zijne armen los.
„Mijn broeder zou een leven verachten, dat hij op die wijze moest
koopen. Waag het niet, mij te naderen; een enkele schreeuw brengt mij
hulp aan!”

„Vrees geen geweld,” stamelde Beaucaire met verstikte woede, „ik ben
geen roofdier dat u verslinden zal. Doch thans raad ik u voor de
laatste maal,” ging hij met snijdende koelheid voort, „versmaad mijne
aanbieding niet. Hier achter den slottuin wacht ons een rijtuig; het
brengt u aan eene veilige plaats. Daar vind ik u binnen twee uren
en overhandig ik u de papieren, waarmee uw broeder ongehinderd naar
Engeland, waar hij volkomen zeker is, kan afreizen. Gij zelve kunt u op
weg bij hem voegen. Verklaar u thans.”

Maria was in hevigen tweestrijd met zich zelve. Plotseling wierp zij
zich aan Beaucaire's voeten neder, klemde zich aan zijne knie vast en
riep met snikken en tranen: „Neen, het is onmogelijk! Het is slechts
eene gruwelijke scherts, maar zij is te gruwelijk. Houd op, ik smeek u,
maak een einde aan mijn angst, aan mijne vertwijfeling. Laat mij niet
langer op de folterende pijnbank. Ik deed u onrecht, zeker, schreeuwend
onrecht, en thans straft gij mij daarvoor. Maar het is genoeg, ik heb
genoeg geboet! Keer nu tot de waarheid terug! Ach, gij kent niet den
doodsangst eener zuster, die voor het leven haars eenigen broeders,
ach, van het eenige, dat zij nog op aarde bezit, beven moet.”

„Sta op, ik hoor iemand komen,” sprak Beaucaire driftig, maar zacht.

Het was de oude arbeider, die, door het levendige gesprek opmerkzaam
gemaakt, nader trad.

„Neen, neen!” riep Maria, „niet, eer gij mij zweert...”

„Gij zijt waanzinnig,” hervatte Beaucaire woest en reet zich met geweld
van haar los. „Wilt gij mij volgen of niet? De tijd is mij kostbaar!”

„Nimmer!” riep Maria met terugkeerende kracht en bezinning, terwijl zij
zich met waardigheid oprichtte. „Mijn broeder moest mij vervloeken en
ik mij zelve verachten. Ga dan, bloeddorstig monster, en volvoer uwe
schanddaad. Voeg ook nog dien gruwel bij de tallooze misdaden, die uw
rampzalig volk in ons arm vaderland begaat. Ik vraag naar niets meer!
De dood is een oogenblik, de toekomst eeuwig. Moord mij ook, als gij
wilt. Wij sidderen niet voor den dood! Ik, een meisje, weet te sterven;
gelooft gij, onze mannen zouden het niet kunnen? Zegenen zal mij mijn
broeder, daar ik weigerde, hem op zulk eene schandelijke wijze te
redden.”

Beaucaire stond, door woede en schaamte gefolterd, voor de door edelen
toorn bezielde gestalte; hij vreesde te vluchten en waagde niet te
blijven. „Die razernij zal u berouwen!” riep hij, toen de arbeider
nader en nader trad, met de doffe stem van verkropte woede. Hierop
drukte hij zich den hoed in de oogen en verdween met verhaaste schreden
in de donkere laan.

Maria bedekte het weenende gelaat met beide handen; na eenige minuten
hief zij het weder op en sprak, terwijl zij het oog naar den donkeren
hemel sloeg: „Gij, mijne moeder, die daar boven de sterren woont, gij
zult mij troosten en beschermen, wanneer ik geheel alleen ben op deze
aarde.” Uitgeput wankelde zij naar de bank en zette zich neder. Nu trad
de welmeenende oude op haar toe en vroeg:

„Heb ik verkeerd gedaan, uwe genade te storen? Maar God weet het, ik
hoorde zoo driftig spreken, dat ik onraad begon te vreezen.”

„Neen, goede oude,” hernam Maria, „gij hebt recht goed gedaan.—Maar
wilt gij mij thans naar huis brengen; ik zal het gaarne vergelden.”

„Met alle vreugde,” sprak de grijsaard, en op zijn arm geleund, verliet
Maria met waggelende schreden den tuin.



ZESDE BOEK.


HOOFDSTUK I.

„Bij den satan, wat is 't nu weer?” Met deze woorden stoof Bernard, die
in zijn mantel gewikkeld, aan het bivaksvuur lag, verdrietig op, toen
eene mannelijke hand hem uit den slaap schudde, waarin hij eerst voor
eenige minuten verzonken was. „Ach, zijt gij 't Lodewijk?” voegde hij
er dadelijk zachter bij, toen hij den vriend herkende. „Al terug?....
Nu, welke avonturen hebt gij in Witepsk gehad?”

„Van verschillenden aard,” antwoordde Lodewijk; „maar gij zijt toch
niet boos, dat ik u zoo laat nog stoor?”

„Zoo moe ben ik niet, of ik kan nog wel een uurtje met u keuvelen.
Vertel op dan.”

„Raad eerst wie ik in Witepsk gezien heb.”

„Wie, den grooten mogol, of den paus, of den koning van Engeland?”

„Neen, in ernst, Bernard!”

„Dat zeg ik u; hoe zal ik van de tienduizend mogelijkheden de
werkelijkheid treffen, wanneer mijn raden niet eene scherts zal zijn.
Dus wien zaagt gij?”

„Ik ging een klein huisje in eene dwarsstraat voorbij, toen ik eene
vrouwenstem hoorde zingen. Verwonderd keerde ik mij om en zag in een
half met bloemen bezet venster de jonge zangeres uit Warschau.”

„Françoise Alisette?” riep Bernard, met de uiterste verbazing.

„Dezelfde.”

„Zijt gij er wel zeker van? Hebt gij haar gesproken?”

„Dat niet, want zij sprong verschrikt terug, toen zij mij ontdekte.
Echter ben ik zeker van wat ik gezien heb.”

„Hm!” mompelde Bernard en beet zich in den knevel, „zou alles zoo naar
mijn vermoeden uitkomen? Hoor, Lodewijk, ik zou durven wedden, dat de
overste Regnard ook met zijn regiment in de stad ligt.”

„Gij vergist u; ik heb hem er wel ontmoet, doch weet, dat zijn regiment
in Ostrowno staat.”

„Pah!” riep Bernard, „dat zijn vijf kleine uren en dood op zijn gemak
rijdt men ze in twee. Maar, weet gij wat het zal best zijn, dat wij er
Jaromir niets van zeggen, zoo hij het niet al weet.”

„Dat denk ik niet; maar waarom?” vroeg Lodewijk verwonderd.

„Uit menigerlei gronden. Vooreerst geloof ik, dat Regnard jaloersch op
hem is, en dat kon aanleiding tot eene onaangename ontmoeting geven;
vervolgens vermoed ik half en half, dat de overste niet zoo geheel
en al ongelijk heeft, ten minste voor zoover de schoone Alisette het
verantwoorden moet. Te Warschau reeds keek zij Jaromir met blikken aan,
die voor een jong, onervaren mensch als hij, licht gevaarlijk konden
worden; dus is zwijgen hier zeker goed.”

„Naar gij wilt,” antwoordde Lodewijk.

Eensklaps brak een pistoolschot in de nabijheid het gesprek der
vrienden af. De in het rond gelegerde lieden sprongen, want men
bevond zich op de uiterste voorposten, haastig op en grepen naar de
wapens, den wenk verwachtende, om zich tot het gevecht te regelen. Men
luisterde of zich een nieuw geraas vernemen liet, doch alles bleef
stil; slechts in de verte, aan de zijde der postenketen, hoorde men
eenige stemmen driftig spreken. Boleslaw, die de veldwacht had, zond
den wachtmeester Petrowski met eene patrouille af, om bericht wegens
het voorgevallene in te winnen. Deze keerde na eenige minuten terug
en voerde een jongen man en eene jeugdige vrouw, naar hare kleeding
eene Russin, als gevangenen mede. Het meisje klemde zich angstig aan
haren geleider vast en zocht de blikken der nieuwsgierig toedringende
soldaten beschaamd te ontwijken.

„Waarachtig, een aardig kind!” riep Bernard zijnen vriend toe, toen
zij nader gebracht werden en de weerschijn van het vuur de groep
verlichtte; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de jonge
man stond stil en sprak hem aan: „O, mijnheer, gij zijt een Duitscher,
help gij een landsman die in groote verlegenheid is, daar hij alleen
duitsch en russisch spreekt, dat deze Polen niet verstaan of niet
willen verstaan.”

„Gaarne,” hernam Bernard, „ik zal u verzellen.”

Inmiddels was ook Boleslaw nader getreden en vroeg den wachtmeester,
wie die lieden waren en wat zij wilden.

„Zij zijn,” sprak Petrowski, „zoo even met eene slede aangehouden. Toen
wij hen aanriepen, gaven zij geen antwoord, maar wilden ras omwenden;
eerst toen de schildwacht het pistool afschoot, hielden zij stil. Het
zijn denkelijk spions.”

Bernard mengde zich in het gesprek en vroeg Boleslaw verlof, om de
lieden in het Duitsch te ondervragen. „Vanwaar komt gij?” sprak hij hen
aan; „hoe is uw naam? wat het doel uwer reis?”

„O, mijnheer,” antwoordde de gevangene, „geen ander, dan in vrede
naar Duitschland te trekken, vanwaar ik geboortig ben. Ik heet Paul,
en dit is mijne jonge vrouw, Axinia, eene Russin. Tot hiertoe was ik
als tuinier in dienst van den graaf Dolgorow; daar de oorlog alles in
verwarring brengt, heeft hij mij laten gaan, om naar mijn vaderland
terug te keeren.”

„Hebt gij papieren, goede vriend, die uw voorgeven bevestigen?” vroeg
Bernard verder.

„O, in de beste orde, mijnheer!” antwoordde Paul en kreeg eene
brieventasch, waaruit hij zijn doopcedel, zijne dienstgetuigenis en een
in Smolensko uitgereikten pas aan Bernard overgaf.

[Illustratie: „Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.]

„Deze papieren mogen volkomen in orde zijn, mijn vriend,” hervatte
deze; „maar russische passen, begrijpt gij licht, geven u geen toegang
in het fransche leger. Schoon het mij van harte leed doet, zal men u
toch moeten afwijzen.”

„O, mijn hemel, dan ben ik verloren!” riep Paul uit, „want slechts
door een wonder is het mij tot hiertoe gelukt, met mijne kleine
bezitting aan de zwermen van rondstroopende kozakken te ontsnappen. Ik
bid u, beste heer, wanneer gij eenigszins kunt, help ons door, want
waarachtig, wij zijn eerlijke lieden en begeeren niets, dan ongestoord
verder te kunnen reizen.”

„Waarom hebt gij niet de rechte lijn naar Witepsk genomen? En waarom
kiest gij den nacht tot de reis? Dat verwekt kwaad vermoeden.”

„Enkel om de kozakken te vermijden, en bovendien zeide men ons, dat
wij hier den linkervleugel der armee konden voorbijkomen en dan zonder
verdere hindernis over Boiszikowo de rechte straat naar Wilna bereiken.”

„Ja nu, stroopers zult gij daar ook nog in menigte aantreffen,” merkte
Bernard op en dacht na, hoe hij de lieden het best konde voorthelpen.
„Zij schijnen mij eerlijk en onverdacht toe,” sprak hij tot Boleslaw;
„maar al liet gij hen ook door, zoo zou het hun nog niet veel baten,
daar men hen, waar zij komen, opnieuw zal aanhouden. Vooral is deze
jonge vrouw eene waar, voor welke ik de verzekering niet gaarne op mij
zou nemen op de verwoeste wegen van hier naar Wilna, waar nog altijd
naloopers omzwerven en joden en boeren rooven, wat die overlaten.”

„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem. Het was Rasinski,
die met omgeworpen mantel, eene veldmuts diep in de oogen gedrukt,
onverhoeds onder de sprekenden trad. Bernard berichtte hem het voorval.

„Bij wien stondt gij in dienst?” richtte de overste zijne vraag aan
Paul.

„Bij graaf Dolgorow,” antwoordde deze.

„Uwe papieren?”

Paul vertoonde ze.

Rasinski doorliep ze met snellen blik. „Zij zijn richtig; dat is de
handteekening van den graaf. Ik zal u tot uwe verdere reis behulpzaam
zijn. Dezen nacht moet gij in het leger doorbrengen; morgen gaat een
transport zieken naar Wilna terug, daar kunt gij u bijvoegen. Ik zal u
de gevorderde passen bezorgen.”

Paul dankte met blijde woorden en nog vroolijker blikken; op Axinia's
bezorgde gelaatstrekken keerde de gerustheid terug. Thans eerst scheen
Rasinski haar gewaar te worden. Vriendelijk trad hij op haar toe en
vroeg haar in hare moedertaal: „En ook gij wilt naar Duitschland
trekken en zijt toch eene dochter uit Ruriks rijk, gelijk ik uit uwe
kleeding opmaak?”

Axinia bloosde en sloeg de oogen voor zich neder. „Het was de wil der
jonge gravin Feodorowna,” stamelde zij.

„En waarom zond de jonge gravin u naar Duitschland?” vervolgde hij na
eenig nadenken.

„Wij zouden, meende zij, daar gelukkiger zijn.”

„Thans? Dat is de vraag; dat land is ook niet bovenmate rijk in
geluk.—Is de gravin Feodorowna de dochter van graaf Dolgorow?”

„Zoo is het, genadige heer!” hervatte Axinia, terwijl zij ter
bevestiging en met de uitdrukking van deemoed het hoofd boog. „In mijne
kindsheid werd ik als gespele der gravin met haar opgevoed; ik ben haar
alles verschuldigd.” Hier scheen zij zoo ontroerd, dat zij niet in
staat was verder te spreken.

„Wanneer gij zoo aan haar gehecht zijt, waarom verliet gij haar dan of
zond zij u weg?”

Axinia bloosde en zweeg.

„Ik versta u,” vervolgde Rasinski met een weemoedigen glimlach; „wel
nu, het is de plicht der vrouw den man te volgen. Gij hebt welgedaan.
Wijst dezen lieden eene plaats op zijde van den heuvel aan, waar zij
veilig kunnen overnachten,” sprak hij, het gesprek afbrekend, en wenkte
met de hand.

„Nu vrienden,” begon hij, toen de nieuwe gasten zich verwijderd hadden,
„morgen zetten wij onzen marsch voort; dat had ik u nog niet gezegd.
Ik verwacht Jaromir elk oogenblik met orders uit Witepsk terug; bij
zijne terugkomst zal ik u kunnen zeggen, werwaarts wij onzen weg nemen
moeten. Dat wij bij het gros der armee blijven, geloof ik niet. Het
wordt eindelijk tijd, dat wij aan het handelen komen.”

„Waarlijk,” riep Bernard, „wanneer de Rus slechts stand wil houden.
Tot hiertoe hebben wij met een schaduwbeeld gevochten. Wanneer wij
den vijand dicht voor oogen hadden en hem eindelijk als Achilles aan
Hector, konden toeroepen: Sta en kamp!.... dan verdween de verschijning
weder in den donkeren nacht. Ik beken, dat deze wijze van oorlogvoeren
mij tusschenbeiden eene bijna angstige huivering verwekt heeft. De
grootste veldheer moet toch een tegenstander hebben, om hem te kunnen
overwinnen.”

„Dit is nu eenmaal de vorm van den verdedigingskrijg, wanneer het
terrein den aanvaller door zijne uitgestrektheid ongunstig is; reeds
de eerste scythische bewoners dezer gewesten voerden op die wijze den
oorlog tegen de perzische koningen,” antwoordde Rasinski. „Ik was van
den beginne daarop voorbereid, want ik ken de Russen en hun land.
Maar dat juist is mijn troost. Hier is de plaats nog niet, waar dit
rijk het hart slaat; half vochten wij nog op eigen grond en bodem,
op oud-poolschen; ook Littauwen behoorde eertijds aan den stam van
Jagello. Deze bodem is den Rus geen heiligdom. Thans eerst raken wij
zijne grenzen: hier begint zijn vaderland, zijne kerk. Geeft acht, hier
zullen Ruriks zonen hunne haardsteden en altaren verdedigen; naar mate
wij verder op den zetel des heiligen Iwans, de eerwaardige stad Moskou,
aanrukken, zal ook het volk zich met meer geestdrift tegen ons wapenen.
Niet alle bewoners van het russische gebied hebben één vaderland. De
grensprovinciën zijn bij voorhoven en buitenzalen te vergelijken, waar
het heir der zonder vaste bezitting omdolende slaven gelegerd is. Deze
geeft men licht prijs, doch in het binnenste des huizes wonen de zonen
en zij zullen altaren en heiligdommen met bloed en leven verdedigen.
Dan zal het aan veldslagen en ik hoop ook aan overwinningen niet
ontbreken.”

Men hoorde een ruiter in galop naderen. Het was Jaromir. Vlug uit den
zadel springend, reikte hij Rasinski zijne orders over, die deze bij
den schijn der vlammen doorliep terwijl de jongeling zijne vrienden
begroette.

„Morgen tegen vier uur breken wij op. Goeden nacht dan; gebruikt den
tijd die ons blijft tot rusten, want de dag van morgen vordert wellicht
uwe krachten.” Met deze woorden keerde Rasinski naar zijne tent terug,
en de overigen legerden zich weder om het wachtvuur, waar zij spoedig
in vasten slaap verzonken.

Toen de dag aanbrak, bevond Rasinski zich met zijn regiment reeds op
marsch. Hij trok op eene uitgestrekte hoogte voort, langs den zoom van
een dennenwoud, dat aan zijne rechterzijde tot diep in de landstreek
voorttrok, terwijl links eene heuvelachtige, met kreupelhout en laag
struikgewas doorsneden wildernis het uitzicht begrensde. Boleslaw,
Jaromir, Lodewijk en Bernard reden aan zijne zijde. „De keizer heeft
een stout ontwerp beraamd,” dus brak hij het eerst de stilte af;
„gelijk gij ziet, nemen wij eene richting, die ons van den vijand, die
ver links bij Rudnia en Inkowo zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen,
verwijdert. Wij zullen over den Dnieper gaan, dan, op de linkerflank
door den stroom gedekt, tot Smolensko voortdringen, de russische armee
omtrekken, ons midden tusschen haar en Moskou inwerpen. Waarlijk eene
kolossale onderneming, die, wanneer zij gelukt, den ganschen veldtocht
op eenmaal beslissen moet. Wat de maarschalk Davoust door den misslag
van den koning van Westfalen tegen Bagration te vergeefs beproefde,
zal thans hoop ik, tegen Barclay en Bagration tegelijk gelukken. Onze
taak daarbij is, de zwermen lichte cavalerie, die zich nog op onze
rechterflank bevinden konden, te verjagen en op zulk een afstand te
houden, dat zij de bewegingen onzer hoofdarmee niet te vroeg bespeuren.”

De zon was thans opgegaan en wierp hare stralen op het uitgestrekte
landschap, dat men van de hoogte kon overzien. „Ziet gij die massa's te
voorschijn komen?” sprak Rasinski met den vinger links wijzende. „Hier,
aan deze zijde van den zwarten stroom, is alles nabij en duidelijk;
maar op gindschen oever ontdekt men enkel aan de stofwolken, dat
cavalerie oprukt, en achter genen heuvel, die te ver verwijderd is, om
de troepen zelve te onderscheiden, ziet men toch de wapens blinken.
Dezer dagen kan veel beslist worden!”

Lodewijk overzag de vlakte, waarover de zwarte stroomen der volkeren
voortgolfden met een zonderling gevoel.

„Wat hier voorbereid en beslist wordt,” vroeg hij zich zelf ernstig
af, „zal het der wereld tot heil of ten verderve strekken? Wanneer de
geweldige geest, die deze duizendtallen in beweging zet, hier eens,
als weleer Alexander in Indië, den eindpaal zijner daden vond? Wanneer
de kolossale, ruwe macht van Rusland haar overwicht in Europa geldend
maakte?—Of als, omgekeerd, de stroom der overwinning voortbruiste
tot in het hart van het oude Rusland en Frankrijks vanen ook op den
zetel der czaren neergeplant, van de trotsche tinnen van het Kremlin
wapperden?—Ware het dan niet gedaan met Duitschlands zelfstandigheid?
Moest dan niet alles voor den franschen overmoed bukken? Zou de naam
„vaderland” dan niet een ijdele klank, een ledig niets voor ons worden?”

Uit deze mijmeringen deed Bernard hem oprijzen, die, als schilder,
alle uitwendige verschijningen uit het oogpunt eener schilderij
opvatte. „Wat kunnen toch ook doode landschappen niet eene eigenaardige
schoonheid hebben,” sprak hij zijn vriend aan; „zie slechts hoe fijn
deze blauwachtig zwarte woudzoom zich met zijne zachte spitsen tegen
den hemel afteekent, deze treurige eenvormigheid heeft iets treffends,
gelijk ook de woestijn een eigenaardigen indruk maakt. En de breede
boschstreken, die daar beneden door het land kruisen, de naakte heuvels
daartusschen, waarop het roode heidekruid schemert, de vervelooze
hemel, de lange grauwe wolkstrepen,—bij tijd en wijle zou ik iets
dergelijks liever schilderen, dan zwitsersche landschappen.—Zoo lag
ik ook in Schotland bij stille, heldere herfstdagen gaarne op de barre
heiden van het Hoogland en liet de wolken over mij heentrekken.”

„Zoo lang de mensch met het huiveringwekkende en sombere vrij speelt
en het van zich af kan wijzen, wanneer hij wil,” antwoordde Lodewijk,
„zoo lang vindt hij er ook een bijzonder welbehagen in, de meer
heldere zijden des levens voorbij te zien; doch wanneer de strenge
noodzakelijkheid ons hare ernstige paden doet bewandelen, dan zien wij
het duister voorkomen van het lot met geheel andere oogen aan.—Maar
wat ik zeggen wilde,” dus brak hij eensklaps af, „ja, wat dunkt u?
Boleslaw schijnt zeer droefgeestig; sinds wij Warschau verlaten hebben,
wordt hij dagelijks somberder.”

„En dagelijks schooner,” hernam Bernard. „Zie eens, hoe edel die bleeke
trekken zijn, hoe trotsch dat voorhoofd, waarop de sombere schaduwen
der zwaarmoedigheid rondzweven! En het zwarte haar, de donkere gloed
van het oog, de fijne mond!—Hij is de Orestes bij den zorgeloozen
Pylades Jaromir, het romantische nachtstuk bij een zonsopgang, of
immers het herfsttafereel bij diens lentelandschap.”

Men was onder deze gesprekken aan een kruisweg gekomen; links daalde
de heuvelreeks naar de vlakte van Liozna af, rechts boog zij het woud
in, naar Babinowiczi en Orsza. Rasinski sloeg den laatsten weg in en
achtte het, daar hij het terrein vóór zich niet meer kon overzien,
noodzakelijk, eene voorspits en zijpatrouilles uit te zenden. Jaromir
ontving het bevel over de eerste, Boleslaw moest de laatste verdeelen,
Lodewijk en Bernard bleven in Rasinski's nabijheid, die zich van hen
als adjudanten bediende, om bevelen aan de verspreide troepen over te
brengen. Men marcheerde intusschen tot aan den avond, zonder op den
vijand te stooten. Des nachts bivouakeerde men deels in, deels buiten
een ellendig dorp, dat door de inwoners geheel was verlaten. Met de
morgenschemering rukte het regiment weder op en trok op Rasasna aan,
waar de armee den overtocht over den Dnieper bewerkstelligen wilde.

De keizer was reeds met de afdeeling van Davoust aangekomen; de bruggen
bij Rasasna, die haastig in goeden staat waren gebracht, wemelde
bereids van troepen, die in lange zwarte massa's overtrokken. Ook
Rasinski sloot zich daar achter aan en betrok zijne legerplaats aan
de overzijde van den stroom, boven Rasasna, waar ook de tent van den
keizer werd opgeslagen. Een littauwsche Jood, die zich aan Rasinski
tot spion had aangeboden, nam tegen eene goede belooning op zich, nog
eenige uren verder voorwaarts te gaan, ten einde uit te vorschen, of
de vijand van de aannadering der armee onderricht en misschien ook
voornemens was, krachtdadig wederstand te bieden.

Tegen drie uren in den morgen, toen het nog volkomen duister was,
keerde de spion terug. Bernard was juist ontwaakt en had het vuur
opgestookt, toen de zonderlinge gedaante van den Israëliet, die, daar
schuwe bedachtzaamheid hem reeds tot eene tweede natuur was geworden,
zonder het minste geruisch nadersloop, in den weerschijn der vlammen
zichtbaar werd. Een boosaardig toovenaar scheen hij den verschrikten
Bernard toe, toen hij zoo eensklaps uit den donkeren nacht in den
hellen lichtkring van het vuur trad. Een lang, zwart opperkleed, om
de middel door een lederen gordel vastgesnoerd, omhulde de gestalte;
de spitse, roode baard hing tot op de borst neder, het smalle, bleeke
gezicht stak loerend uit de wildernis der verwarde haarlokken te
voorschijn, en de scherpe, grijze oogen vlamden listig, maar tegelijk
boosaardig, uit hunne diepe holen. Een grijnzend lachje vertrok zijne
lippen, toen hij Bernard in zijn joodschen tongval aansprak:

„Jongeheer! zeg mij dan gezwind, waar de heer overste slaapt! Ik heb
hem toch noodwendig te spreken, hoort gij, jongeheer?”

„De vent ziet er uit, als de duivel in een vossenvel gekropen,”
mompelde Bernard. „Hebben zij u niet opgeknoopt, Isaäk?” vroeg hij den
Jood.

„Vader Abraham, wat de jongeheer voor vragen doet! Zou de oude Isaäk
zoo lang geleefd hebben, om niet te weten, hoe men ontsnapt aan een
hennipstrik? Maar breng mij gezwind bij den heer overste, het heeft
haast!”

„Kom, zone Abrahams, zet uwe zolen op de sporen mijner voetstappen,
zoo zult gij komen, waar gij hem vindt, wiens geld gij zoekt.
Voorwaarts!” Met deze spotachtige woorden ging Bernard voor en geleidde
den ouden sluwkop door de groepen der rondom de vuren gelegerde ruiters
naar de plaats, waar Rasinski, in zijn mantel gehuld, op een bos stroo
sliep. Bij de aannadering der schreden richtte deze zich dadelijk op en
zag scherp rond. „Zijt gij het, vriend Isaäk?” riep hij, de komenden
herkennende. „Nu? Brengt gij nieuws van belang?”

De Jood wenkte met geheimzinnige gebaren en trok hem ter zijde. Bernard
wilde zich verwijderen, doch Rasinski gebood hem te blijven. Inmiddels
sprak deze lang en heimelijk met den Jood en hoorde, naar het scheen,
met toenemende belangstelling diens berichten aan. De trekken van den
spion werden gestadig levendiger; het grijnzend boosaardige lachje
straalde van minuut tot minuut duidelijker door, naarmate Rasinski met
de narichten meer en meer tevreden scheen te zijn.

„Vervloekte Judas!” mompelde Bernard. „Ik zou die tronie niet
vertrouwen, al bezwoer de vent op ziel en zaligheid, mij regelrecht
naar het paradijs te brengen. Doch Rasinski kent dat volk!”

Isaäks bericht was ten einde; deemoedig stond hij voor den overste en
scheen met diepen eerbied diens verdere bevelen te willen afwachten.
Rasinski trok zijne beurs; het gelaat van den Jood glansde van vreugde,
de begeerte naar het metaal flonkerde in zijne oogen, en toen hij
eindelijk in de gierig uitgestrekte hand een aantal goudstukken voelde,
barstte hij in de uitbundigste dankbetuigingen los.

„God Abrahams!” riep hij, terwijl hij zich beijverde Rasinski's handen
te kussen; „bescherm mijn weldoener, die mij niet laat omkomen in den
tijd van ellende en gevaar. De honger zou verscheuren mijne ingewanden,
dat ik huilde als de wolf in den winter, als gij niet waart mijn
grootmoedige redder, edele heer!”

Rasinski wenkte met de hand en gebood hem te zwijgen. De Jood wilde
zich verwijderen en trok onder het gaan een kleinen lederen buidel
te voorschijn, om de goudstukken te bergen. Doch tegelijk trok hij
onvoorziens eene tweede, aanmerkelijk zwaardere beurs, waaraan de koord
der eerste moest zijn vastgehaakt, uit den gordel op en liet ze voor
zijne voeten neervallen. Isaäk schrikte kennelijk en wilde toegrijpen,
maar Bernard, die het gezicht van den Jood in den weerschijn der
vlammen bespied had, kreeg dadelijk argwaan en sprong eveneens toe, om
den buidel meester te worden. Daar het gras hoog en de grond niet door
het vuur verlicht was, tastten beiden eene poos tevergeefs in het rond,
tot eindelijk Bernard met zijn vond opsprong.

„Geef hier, mijn lieve jongeheer,” riep Isaäk haastig, „het is mijn
zuur verworven goed. Wat men thans niet bij zich draagt, is niet zeker!
Ik bid u, geef.”

De angstige toon, waarop hij deze woorden sprak, en zijne driftige
gebaren versterkten niet alleen Bernards achterdocht, maar maakten ook
Rasinski's opmerkzaamheid gaande.

„Hm! zwaar, zeer zwaar,” sprak Bernard opzettelijk overluid;
„vermoedelijk enkel goud?”

Rasinski trad nader.

„Ei, beware!” riep Isaäk, „een weinig zilver en koper, met een paar
oude dukaten daarbij.” Tevens strekte hij den arm driftig naar de beurs
uit en wilde haar grijpen. Bernard trok echter de hand terug, hield den
schat tegen het schijnsel der vlammen, en sprak nog luider: „Zilver?
koper? Wat ik bij het licht van 't vuur door de reten glinsteren zie,
schijnt mij zuiver goud te zijn.”

„Laat eens zien!” sprak thans Rasinski en kwam haastig nader. Lachend
gaf Bernard hem de beurs over; de Jood waagde niet iets in te brengen,
doch sprak sidderend en op een deemoedig smeekenden toon: „Grootmoedige
heer! Het is het weinige, dat ik heb gered uit den nood. Gij zult de
bezitting van een ouden hulpeloozen man niet rooven.”

„Rooven?” sprak Rasinski verachtelijk. „Ben ik een strooper? Maar,”
ging hij op dreigenden toon voort, „gij zult mij niet wijs maken, dat
dit geld reeds lang uw eigendom geweest is. Denkt gij, dat ik niet
beter weet, wat een Jood van uws gelijken in Littauwen besparen kan?
Ik zou gelooven, dat gij met dezen schat bij u van het eene leger in
het andere als spion zoudt rondsluipen? Tien voeten onder de aarde, in
het dichtste bosch zoudt gij uw geld nog niet veilig achten. En waarom
ontkent gij, dat het goud is. Waar is het zilver en koper onder deze
nieuwe dukaten? Beken, Jood, van waar hebt gij het goud?”

Isaäk rilde over al zijne leden; eindelijk stotterde hij met moeite:
„Wat kunt gij denken, genadige heer overste? Hoe zou de oude Isaäk
bezitten ander goud, dan wat hij in de zestig jaren van zijn leven
bespaard heeft? Waar zou hij het begraven? Welke grond is zijn, dat
hij kon weervinden den schat? En daar ik het verbergen wou, dat ik
ettelijke dukaten bespaard heb, zoo zeg mij toch, wanneer is het
raadzaam met zijn geld openlijk te loopen te pronk?”

„Ellendige uitvluchten!” riep Rasinski. „Hier neem uw geld terug, ik
verlang het niet. Dit echter zeg ik u, smelten laat ik het en gloeiend
zult gij het doorslikken, als uwe tong mij leugenachtig bedrogen heeft!
Deze dukaten schijnen mij het Judasloon voor gewichtiger narichten, dan
gij mij gebracht hebt. Hebt gij den vijand iets verraden, mislukt het
plan dat wij voorhebben, dan sidder, want gij zult weten, met wien gij
te doen hebt!”

De Jood wierd bleek als de dood; zijne knieën knikten; plotseling
wierp hij zich aan Rasinski's voeten neder en kermde op den toon der
vertwijfeling: „Genade, barmhartigheid!”

„Recht!” donderde Rasinski hem toe. „Onderzoekt hem dadelijk ten
strengste, of hij papieren of iets dergelijks bij zich draagt.”

Een onderofficier en twee soldaten maakten zich terstond van den
jammerende meester, sleepten hem naar het naaste vuur en bevalen hem
zich dadelijk tot op het hemd te ontkleeden.

Zulks was weldra geschied. Men doorzocht het opperkleed, de broek, den
lijfgordel, de kousen en schoenen, zonder iets te vinden; zelfs eene
snede door de schoenzolen bracht tot geene ontdekking. Isaäk stond
inmiddels in het bloote hemd en volgde met angstige blikken de beweging
der soldaten. Zijne trekken helderden nochtans op en werden rustiger,
toen het eene stuk zijner kleeding na het andere onverdacht bevonden
en ter zijde gelegd was. „Zoo waar God Jehova boven mij leeft,” riep
hij uit, „ik ben een onschuldig oud man. Geef mij, ik bid u, het mijne
terug, en mijne kleedingstukken, en laat mij in vrede heentrekken naar
mijne hut!”

„Daar, trek den rommel aan,” riep een onderofficier en wierp hem de
broek toe. Isaäk ving haar met beide handen op; maar in hetzelfde
oogenblik wierp een soldaat hem ook het opperkleed op dezelfde wijze
toe. Daar de Jood juist naar het eerste stuk gegrepen had, kwam het
tweede hem, eer hij het afweren konde, op het hoofd te land, zoodat hij
zich een oogenblik in de plooien verwarde. Dit gaf den moedwilligen
soldaten aanleiding hem te sarren, daar zij hem het wijde kleed al
verder over het hoofd neertrokken, tot hij geheel daarin verwikkeld
werd en als verbijsterd, maar toch met luid gekerm en driftigen
tegenstand heen en weer tuimelde.

Juist wilde Rasinski aan dit woeste spel een einde maken, toen de
Jood, door een soldaat met kracht voortgesleurd, struikelde en op den
grond viel, zoodat het kleed in de handen der krijgers bleef. Doch
tegelijk met het gewaad, was den gevallene ook de valsche haarpruik,
die tot nog toe door niemand was opgemerkt, ontrukt geworden, en zijn
kale schedel werd voor aller oog zichtbaar. Niets kwaads vermoedend,
lachten de soldaten over dit nieuwe onheil dat den Jood bejegende,
toen Bernards scherpziend oog een strookje papier ontdekte, dat de
Jood tusschen schedel en pruik verborgen gehad en zoo even verloren
moest hebben. Hij wilde het oprapen, maar Isaäk, zich zelf niets goeds
bewust, kwam hem voor, greep het aan en slingerde het, eer Bernard zijn
arm kon tegenhouden, in den gloed van het helder vlammend wachtvuur,
waar het oogenblikkelijk tot asch verbrandde. Deze omstandigheid
gaf aanleiding tot een nieuw onderzoek. De Jood lochende alles; hij
zwoer bij den God zijner vaderen, dat hem van een papier niets bewust
was, en dat hij niets in het vuur geworpen, maar slechts zijn witten
doek van den grond opgeraapt had. Rasinski liet hem dadelijk den
schedel nauwkeuriger onderzoeken, en men ontdekte, dat het haar eerst
onlangs was afgeschoren en Isaäk dus geen pruik had noodig gehad.
Met loosheid bracht hij tot zijne verdediging in: „God der genade!
wat ik gedaan heb, om u te kunnen dienen, dat zal thans worden bij
u mijn verderf? Toen ik mij aanbood, uit honger en nood, om voor u
te wagen het gevaarlijk werk, moest ik toen niet bedenken, hoe ik
u nuttig kon worden, zonder u te verraden? Wist ik, wat ik voor u
zou te doen hebben? Heb ik niet altijd gehoord, dat men brieven,
berichten en andere papieren voorzichtig moest overbrengen? Daarom
heb ik—en nu treft mij de straf!—geschonden de heilige wet, en een
scheermes gebracht aan mijn hoofd! Moet gij mij straffen, wijl ik
gezondigd heb, om u te dienen? Spreek, en neem tot getuige uw God, heer
overste, als gij mij hadt gezegd: Isaäk, hier is een brief, ga heen,
breng hem aan den vijandelijken generaal, doch laat hem niet vallen
in vreemde handen! zoudt gij dan hebben gevraagd wat de oude Isaäk
had aangevangen, om te doen naar uw woord? Hadden zij mij gesnapt en
gehangen, zoudt gij niet geroepen hebben: hem geschiedt naar recht;
waarom is hij niet voorzichtig en slim, als een kondschapper past?
Is het mijne schuld, dat gij mij niets anders dan eene mondelinge
boodschap gegeven hebt?”

Op dezen toon ging de Jood, door doodsangst gefolterd, met toenemende
welsprekendheid voort, en inderdaad, zijne gronden waren bezwaarlijk te
wederleggen. Echter gelukte het hem niet Rasinski van zijne onschuld
te overtuigen, die beval, hem zorgvuldig te binden en, wanneer men
oprukken mocht, op een pakpaard mede te voeren.

„Bespeur ik aan de bewegingen van den vijand,” riep hij den Jood toe,
toen deze werd weggeleid, „dat hij gewaarschuwd is, dan zijt gij rijp
voor de galg en zult haar niet ontgaan. Hebt gij niets verraden of
kunnen verraden, loopt dan waarheen gij wilt, tot anderen u hangen:
achter Liady zijt gij toch niet te gebruiken, daar de Rus uw, bloed
en merg der armen uitzuigend geslacht op zijn bodem niet duldt; het
eenige, wat ik in dat volk prijzen kan. Nu marsch! Bewaakt hem wel!”

De luid jammerende en weeklagende Jood werd onder den hoon en den spot
der moedwillige soldaten in hechtenis gebracht; zoo veracht toch is het
snoode, maar helaas onontbeerlijke handwerk van den spion, dat zelfs
zij, wie hij van nut is, hem liever mishandeld dan beloond zien.


HOOFDSTUK II.

Bij het aanbreken van den dag was het gansche leger der Franschen reeds
weder op marsch.

Rasinski had bevel bekomen, zich bij de voorhoede onder den koning
van Napels aan te sluiten. Op een zijweg, dien Isaäk aanwees, won hij
zooveel grond, dat hij de lange colonne infanterie, die de maarschalk
Davoust aanvoerde, voorbijtrekken en zonder verdere hindernissen het
punt zijner bescherming bereiken kon. Hier vond men den prins Murat
reeds door verschillende stafofficieren omgeven, en bezig het voor hem
uitgestrekt liggende terrein met rassche blikken te monsteren. Rasinski
reed op hem toe, ten einde zich te melden en den koning te berichten,
dat hij aan Isaäk verschuldigd was, mede te deelen, zonder echter zijne
vrees te bewimpelen, dat de spion zich van een dubbel masker bediend
had en den vijand wellicht meer tot nut was geweest dan het leger van
den keizer.

„Wanneer slechts dat waarheid is,” antwoordde de prins, „wat de Jood u
heeft opgegeven, dan kan een onverwijld handelen nog alles redden. Wij
moeten het korps van den generaal Newerowskoi afsnijden, vernietigen
en Smolensko op die wijze vroeger bereiken dan hij. Het hoofdleger
des vijands kan de vesting uit zijne standkwartieren onmogelijk zoo
snel naderen, dat wij hem nog niet zouden kunnen voorkomen. Dit is
het oogenblik, waarin wij den veldtocht van het geheele jaar kunnen
beslissen. Snelheid is thans onze eerste plicht; laat ons dien
vervullen.”

Deze woorden waren ook het teeken tot oprukken.

De hoofdarmee zette haren marsch langs den Dnieper voort, zoo echter,
dat tusschen den stroom en de groote heirbaan nog eene aanmerkelijke
ruimte bleef. Rasinski marcheerde met zijn regiment het naast aan den
vloed; hij zond eene patrouille vooruit, welke Jaromir, een andere op
de rechterflank, die een jonger officier aanvoerde; ter linkerzijde
verleende de stroom genoegzame zekerheid.

„Een verdrietig werk,” wendde Rasinski zich tot Lodewijk, „zoo altijd
den vluchtenden vijand na te trekken, zonder hem ooit te kunnen
bereiken. Hier moeten zeer onlangs kozakken geweest zijn; zie slechts,
de sporen zijn nog versch en duiden onbeslagen paarden met kleine
hoeven aan. Aan hen hebben wij het vermoedelijk te danken, dat alle
bruggen en vlonders zijn afgebroken, zoodat wij gestadig door het water
kunnen rijden. Maar wat gebeurt daar! Jaromir zendt bericht.”

Men zag een lansier naderen; Rasinski galoppeerde op hem toe, om het
naricht des te spoediger te ontvangen. Jaromir liet weten, dat hij zoo
even, bij het beklimmen eener hoogte, twee kozakken ontdekt had, die
dadelijk in een vooruit gelegen boschje verdwenen waren en vermoedelijk
tot een sterken troep behoorden.

„Hadden wij hen eindelijk!” riep Rasinski met van vreugde fonkelende
oogen en beval in draf voort te rukken. Het regiment stoof den heuvel
op, van wiens kruin men een uitgestrekt, vlak terrein voor zich zag,
dat slechts door het gemelde boschje, dat nauwelijks een paar honderd
schreden diep en ook niet veel breeder scheen, doorsneden werd. De
patrouilles werden ingetrokken en men rukte in gesloten gelederen met
allen spoed voorwaarts. Het hout genaderd, deelde Rasinski het regiment
af en liet een escadron rechts, een ander links omrijden, terwijl hij
zelf met de overigen den rechten weg, midden door het bosch, vervolgde,
en iets langzamer reed, opdat men te zelfder tijd de ruimte weder
bereiken mocht. Nog dampende paardenmest, die men op den weg ontdekte,
alsook de vele sporen van hoeven zonder ijzers bewezen met zekerheid,
dat eerst eenige minuten te voren een sterke troep kozakken door het
bosch moest gekomen zijn. Thans opende het zich en had men het vrije
veld voor oogen.

„Waarachtig, daar zijn zij!” riep Rasinski en duidde met den vinger
op een korenveld, boven hetwelk men vele lansspitsen en pieken zag
uitblinken; „nu zullen zij ons niet weder ontsnappen. Blaast ten
aanval!”

De trompetten klonken. Met bliksemsnelheid braken de strijdmassa's uit
het bosch te voorschijn. Rasinski beval in front op te marcheeren en de
diepe colonne vormde zich tot eene breede linie. De beide escadrons,
die het hout waren omgereden, werden thans ook aan den zoom daarvan
weder zichtbaar en sloten zich in gestrekten galop bij het hoofdkorps
aan.

Het gedruisch, door eene op deze wijze aanrukkende ruiterij te weeg
gebracht, moest de kozakken, die vreedzaam voortreden en den vijand
niet zoo nabij waanden, dadelijk opmerkzaam maken. Een gevecht scheen
met hunne bedoeling niet te strooken; zij zetten hunne paarden aan en
renden met lossen teugel voort, tot zij in de door struiken en heuvels
begrensde verte verdwenen.

Toen het stof, door de vluchtelingen veroorzaakt, gevallen was, werd
men eene kleine stad gewaar, die geen uur meer verwijderd scheen. „Dat
zal Krasnoi zijn,” sprak Rasinski. „Waar is de Jood Isaäk? Hij moet het
weten.” Isaäk had tot hier toe, met geknevelde handen op een pakpaard
gezeten, het regiment met den trein en wagenknechten moeten volgen.
Hier zocht men hem ook thans, doch te vergeefs; in het gewoel van den
aanval was het hem gelukt te ontkomen.

„Dus hebben de kozakken ons toch nog schade toegebracht,” riep
Rasinski; „dien Jood had ik met hart en ziel de galg gegund.”

Intusschen was toch een gedeelte der infanterie en eenige lichte
ruiterij met het korps van den generaal Newerowskoi slaags geraakt,
die na dappere tegenweer terug geworpen werd.—Tegen het ondergaan der
zon sloeg Rasinski's regiment het nachtleger op. Juist had men zich om
het helder vlammend vuur in een kring geschaard, toen de donder der
kanonnen zich eensklaps liet hooren.

Alles geraakte in beweging, doch spoedig vernam men, dat het
vreugdeschoten, ter eere van het zegenrijk gevecht met de Russen en van
den geboortedag des keizers waren.

„Waarlijk!” riep Rasinski uit, „bijna zou ik vergeten hebben, dat wij
heden den 15 Augustus schrijven. Dit salvo is iets waard, want het
wordt met russisch, heden buit gemaakt kruit gelost. Laat ons dan ook
den dag niet vergeten, mijne vrienden, maar in een vroolijken kring op
het welzijn des keizers drinken.”

Deze uitnoodiging werd met blijdschap aangenomen. Het vuur vlamde
spoedig helder op; daar omheen legerden zich de officieren van het
regiment en de beide vrienden, die steeds door Rasinski als tot zijn
staf behoorende beschouwd werden.

„Onze drinkschalen zijn wel niet van de glansrijkste,” sprak Rasinski,
toen ieder het glas, den beker, of wat anders bij de hand was, gevuld
had, „de tafel is wel niet te rijk bezet, maar de gasten zijn,
vertrouw ik, zoo edel, als zij ooit in eene pronkzaal bijeen zaten. Zoo
heet ik u dan welkom, mijne kameraden!”

Eensklaps werden zijne trekken ernstig; met waardigheid trad hij voor
den kring der gelegerde broeders, steunde met den linkerarm op de sabel
en hield met den rechter den gevulden beker omhoog.

„Vrienden!” begon hij op plechtigen toon, „na lange jaren betreden wij
heden, door den grooten keizer der Franschen aangevoerd, het gebied van
oud-Rusland voor het eerst weder met de wapens in de vuist! Wij staan
op den bodem, waar onze vaderen eertijds zoo menigen roemrijken kamp
met den gehaten nabuur gestreden hebben. Herinnert u, broeders, hoe er
een tijd was, dat Polens vanen in Moskou van het Kremlin waaiden, dat
onze waiwoden den Russen hunnen czaar gaven. De czaar Boris Godunow,
die de oude stad Smolensko, welke daar achter gindsche heuvels door het
duister van den nacht bedekt wordt, grondvestte en de muren met hunne
torens bouwde, die wij morgen wellicht in stormloop beklimmen—die
czaar Boris Godunow verloor den troon door de dapperheid onzer
voorvaders. Dat waren Polens glansrijke dagen! Maar zij keeren weder!
Als een feniks uit de asch zal de witte arend zich uit het rookend puin
verheffen, waaronder ons vaderland bedolven ligt, sinds verraad en
overmacht de brandfakkels in onze steden en velden slingerden. In de
diepte smeulde de vonk voort; in de borst van elken Pool blaakt nog de
machtige vlam van den ouden heldenmoed, van de oude vaderlandsliefde.
De dag der vergelding, der verzoening, der gerechtigheid is daar!—De
wereldgeschiedenis heeft den grooten man aan het licht gebracht, die
dezen dag doet aanbreken. Zijne banieren volgende, stormen wij ter zege
over onze vijanden! Op dan, ledigt op hem dezen beker. Leve de keizer,
leve Polen, leve de vrijheid!”

Gelijk een stormwind de losgebarsten vlammen opjaagt, drongen de
vurige woorden van Rasinski in het hart zijner van vaderlandsliefde
en heldenmoed gloeiende strijdgenooten. Tot marmerbeelden versteend,
hadden zij elk woord van zijne lippen opgevangen; slechts het vurige
oog verried het leven in hunne borst. Thans sprongen zij op. Onder
tranen en gejuich herhaalden zij den kreet: „Leve de keizer, Polen, de
vrijheid!” Met duizendvoudige echo's klonk de juichtoon verder, want
de kring had zich door de van alle zijden toedringende krijgers tot in
het onafzienbare uitgestrekt. Toen Rasinski zijn beker geledigd had,
slingerde hij dien hoog in de lucht, breidde de armen uit en sloot
den naasten makker onstuimig aan de borst. De vrienden omringden hem,
wierpen zich aan zijne voeten, grepen zijne handen, bedekten ze met
kussen en tranen. Eene bijna waanzinnige geestvervoering had zich van
allen bemachtigd; luid weenend hielden jongelingen en mannen elkander
omstrengeld. Diepe smart en namelooze verrukking welden tegelijk met
machtige golven in de ziel op en dreigden de geschokte gemoederen
geheel te overstelpen. De ouden van dagen gevoelden zich verjongd en
over den grijzen knevelbaard van Petrowski rolden even heldere tranen,
als over Jaromirs bloeiende wangen.

Lang duurde het eer de hevig opbruisende vloed weder in de kalmere
bedding terugkeerde. Een milde, zachte ernst vervulde hierop de
gemoederen. Vertrouwelijk bleef men om de vlam gelegerd en gaf zich
aan het zoet gevoel van hartelijke, broederlijke gemeenschap over.
Al langzamerhand nam de gloed der legervuren af; de vermoeide natuur
gevoelde na de verdubbelde inspanning eene verdubbelde afmatting. De
zachte slaap deed de krijgers den een na den ander nederzijgen. Jaromir
legde het blonde hoofd op Bernards schouder, die dien last gewillig
droeg en eindelijk, zelfs door den sluimer overmand, met hem op het
gras terugzonk. Lodewijk bleef nog lang wakende. Alles zweeg om hem
heen; de verteerde denneblokken braken doormidden; de vlam verdoofde;
de nachtelijke hemel welfde zich donker over het leger; door den in
breede dwarlende zuilen langzaam opstijgenden rook schemerden matte
sterren. Een ernstig, somber beeld!

En donker werd het in de ziel van den jongeling. Het hopeloos
treurend vaderland, de verre geliefden, het dierbare beeld van een
onbekend, spoorloos verdwenen wezen, dat zijn hart nog altijd geheel
vervulde—dat waren de treurige gestalten, die zich op den somberen
achtergrond van den nacht voor hem afteekenden.

Die diepe, onuitsprekelijke angst beklemde zijne borst; het was hem
eensklaps, alsof hij aan de smart niet langer weerstand kon bieden,
alsof hij onder deze bezwijken moest. Met al de innerlijke kracht
zijner ziel moest hij zich wapenen, om niet moedeloos neer te zinken
onder den last, die op zijn hart drukte. Zijn oog viel op Bernard, die,
door den matten glans van het vuur bestraald, nevens hem sluimerde.
Toen hij in dat trouwe, edele gelaat blikte, waarop fierheid en kracht
zich met welwillende zachtheid innig paarden, waaruit de liefde hem uit
broederlijke, hartelijke trekken vriendelijk toelachte, toen keerde
eene vertroostende kalmte in zijn geschokten boezem terug, en hij
dacht: „Neen, hij mag zich nog niet ongelukkig noemen, die aan de zijde
van zulk een vriend insluimert!”

En rustiger vlijde ook hij thans het hoofd aan de borst van den vriend
neder, hulde zich in den mantel en sliep in.


HOOFDSTUK III.

„Dat zijn de torens van Smolensko!” riep Rasinski, toen hij aan de
spits van zijn regiment eene boschrijke hoogte bestegen had, vanwaar
men de grijze stad op nauwelijks een uur afstand voor zich zag. „Wij
moeten nu langs den zoom van den heuvel, door het kreupelhout, afdalen,
om ongemerkt tot dicht onder de muren te komen.—Ik vrees, ik vrees,
dat wij een harden strijd zullen te kampen hebben. Ziet gij daar die
stofwolken op de heuvels aan gindschen oever van den Dnieper? Dat
kunnen geen troepen van ons leger zijn! In den zwavelpoel der hel zou
ik den Jood wenschen; want het is zoo goed als zeker dat hij het opzet
van den keizer beluisterd of geraden en aan Barclay overgebracht heeft.
Mijn kop wil ik er op verwedden, dat het de russische hoofdarmee is,
die daar aanrukt!”

„Nu, dan is de gewenschte slag immers daar?” hervatte Bernard op
vragenden toon.

„Misschien; maar nog niet zeker, en in allen gevalle onder veel
ongunstiger omstandigheden, dan wanneer wij Smolensko vroeger bereikt,
het bezet en zoo den weg naar Moskou voor den vijand afgesneden hadden.
Dan moest hij ons de vesting ontrukken; thans zullen wij duizenden voor
haar bezit opofferen.—Ware het ons slechts gelukt, Newerowskoi af te
snijden, dan zouden wij nog de eersten geweest zijn!”

Onrustig stoof Rasinski alleen vooruit naar een nabijliggenden heuvel,
die een vrijer uitzicht vergunde; het regiment trok intusschen langs
den aangeduiden weg, die in breede bochten op de stad aanliep, langzaam
voorwaarts.

„De landstreek is toch niet geheel onbevallig,” sprak Lodewijk tot
Bernard, daar eene breede opening in het kreupelhout juist een verren
blik in het Dnieperdal vergunde. „Ziet gij ginds dat kasteel aan genen
oever op den heuvel?”

„Een statig gebouw,” hervatte Bernard. „Het schijnt van zonderlingen,
voorvaderlijken bouwtrant, voor zoover men van hier kan zien. Wellicht
zullen wij er spoedig ons nachtkwartier in opslaan, daar het, met het
aanzienlijke dorp, dat zich ginds ter zijde uitstrekt, waarschijnlijk
even verlaten zal zijn, als alle plaatsen, die wij tot hiertoe
doortrokken.”

„Inderdaad eene treurige wildernis, die wij doortrekken!” hernam
Lodewijk. „Maar het gindsche slot brengt een zonderlingen indruk op mij
te weeg. Ik ondervind hier voor het eerst, dat de verte, de vreemdheid,
haren invloed merkbaar doen gelden. De bouworde, de ligging, alles wekt
een zonderling, zeldzaam gevoel in mij op.”

„Ook in mij flikkeren eenige vonken van avontuurlijk romantische
verschijningen op,” sprak Bernard luchtig. „Hoe, wanneer daar eene
bekoorlijke prinses woonde, of wanneer het slot bestormd werd, in brand
vloog, en wij een liefelijk wezen van onbegrijpelijke schoonheid uit de
vlammende zalen redden? Mij dunkt, ik zie den rooden gloed nu reeds om
de zonderlinge torenspitsen spelen.”

„Scherts niet,” sprak Lodewijk ernstig. „Uwe voorzegging kon ten minste
gedeeltelijk bewaarheid worden; wie weet, met welk vreeselijk onheil de
ongelukkige bewoners werkelijk bedreigd worden!”

„Licht mogelijk, dat zij zelven de pekkransen in hunne bezitting
slingeren; het slot schijnt niet ver van den landweg gelegen, die
langs den anderen oever heenloopt, en tot hiertoe hebben wij niet vele
onverwoeste dorpen en sloten op onzen weg aangetroffen. Het schijnt,
dat de Russen ons liever eene verwoeste provincie, dan eene onvernielde
stad inruimen. Doch daar komt immers Rasinski met lossen teugel terug.”

Inderdaad kwam deze met zulk een spoed aanrennen, dat zijn paard
wild uit de neusgaten blies en het stof in dwarlende wolken achter
hem opsteeg. Reeds van verre wenkte hij met de sabel. Zijn naaste
plaatsbekleeder, majoor Negolinski, verstond dit teeken en liet het
regiment in vliegenden galop bij den volgenden heuvel oprukken. Thans
zag men Smolensko voor zich; tegelijk kon men de gansche landstreek
tot in de verte overzien en ontdekte verschillende korpsen der groote
armee, die op eenige punten reeds tot binnen de geschutlijn der vesting
waren doorgedrongen. Op genen oever werd men daarentegen de tallooze
russische legermassa's gewaar, die in vliegenden stormmarsch op
Smolensko aanrukten, om de stad te bezetten, eer de Franschen zich van
haar hadden meester gemaakt.

„Voorwaarts, voorwaarts!” schreeuwde Rasinski. „Het dal af, langs den
stroom op, wellicht gelukt het ons den vijand te verrassen.” Hij zelf
rende wederom ver vooruit, alsof hij het oogenblik, waarop men zich met
den vijand meten zoude, niet kon afwachten.

Toen men de rivier bereikt had, lag Smolensko op zijne beide steile
heuvels aan deze en gene zijde van den Dnieper, dicht voor de
aanvallers, ja bijna boven hen. Reeds hoorde men kanongedonder en klein
geweervuur. Wolken van stof en rook omhulden het dal en den stroom;
slechts de tinnen van den ouden stadsmuur en de hooge torens verhieven
zich boven den nevel. De ruiters volgden hun aanvoerder, zonder te
weten, of zij vriend of vijand voor zich hadden; want in den dichten
damp, dien de wind hun te gemoet joeg, was niets te onderscheiden.

Plotseling kwam Rasinski weder op hen toe. „Halt!” was zijn commando.
Het regiment stond als een muur; de ruiters, door den overhaasten rit
op den oneffen grond ten deele uit hunne gelederen gedrongen, ordenden
zich in stilte weder. „Eerste escadron links zwenkt! Regiment marsch!”

Langzaam voerde Rasinski de zijnen de helling weder op en boven over de
heuvelachtige vlakte naar eene, met hout bedekte hoogte, die buiten het
bereik der vesting lag.

„Het was te laat,” zeide hij in het terugrijden. „De koning van Napels
wilde van deze zijde met de cavalerie, de maarschalk Ney van gene
zijde met de infanterie de stad overvallen, maar de Russen zijn te
vast verschanst en hebben te veel geschut. Binnen een half uur moet
bovendien de hoofdarmee hier zijn, en dan ware het dwaasheid, juist
hier den kamp te beginnen. Echter heb ik hoop, dat men zich morgen door
een slag van het bezit der vesting zal trachten te verzekeren, daar
het er hier op aankomt, de hoofdpoort te verdedigen, die naar Rusland
voert.”

Het regiment betrok het bivak.

Tegen den avond kwam een adjudant van den generalen staf aanrennen en
vroeg naar Rasinski. Hij werd bij den keizer ontboden, die, benevens
de maarschalken, ook alle der landstreek kundige officieren om zich
verzameld had, ten einde betrekkelijk den aanval, dien hij morgen op
de stad wilde ondernemen, van hen eenige inlichtingen te bekomen. Om
mogelijke bevelen spoedig te kunnen afzenden, liet Rasinski zich door
Bernard en Lodewijk verzellen. Zij hadden moeite de tent van den keizer
te bereiken, wijl de tot nabij de stad voortgerukte troepen op bevel
van Napoleon hun bivak ontruimen en het verder achterwaarts weder
moesten opslaan.

„Wat beteekent die beweging?” vroeg Rasinski aan een adjudant, die met
hem den zelfden weg nam.

„De keizer wil den vijand een slagveld vrijlaten; hij hoopt, dat de
russische liniën morgen eindelijk geordend voor ons staan en den kamp
zullen aannemen.”

„En onze stelling?” vroeg Rasinski verder.

„Daar op het gindsche amphitheater van heuvels, die een halven kring om
de stad sluiten. Het zijn slechts holle wegen en engten, waartegen wij
leunen; bij een terugtocht eene bedenkelijke stelling!”

„Het woord terugtocht heeft de keizer in zijn woordenboek
doorgestreken,” hernam Rasinski; „voor elk ander veldheer ware de
misslag groot. Hij echter heeft de zekerheid van de overwinning; tot
hiertoe ontbrak hem niets dan de vijand. Gave de hemel dat die morgen
toch eindelijk stand hield!”

„Hm! Ik twijfel er aan. Waarom zou hij vóór de vesting een slag wagen,
wanneer hij het daarachter even goed kan?”

„Bagration heeft, naar men verneemt, den grootsten lust tot een
gevecht.”

„Barclay des te minder.”

„Hij is niet bemind; de Rus haat hem, slechts de keizer is zijn
steun. In zijn eigen vaderland aangetast, moet het den Rus in zijne
eer ten diepste krenken, dat hij, zonder weerstand te bieden, telkens
wijken moet. Barclay zal _moeten_ vechten, daar het leger hem
anders niet langer gehoorzaamt. In zeker opzicht staat de veldheer,
niettegenstaande zijne onbeperkte macht, nog altijd onder het bevel
des legers. En het zwaarst van alles is, den strijdzuchtigen soldaat
van den slag terug te houden; tevens is het ook het gevaarlijkst, want
hij toont naderhand juist in het beslissende oogenblik onwil, wanneer
men vroeger zijne dapperheid met geweld in boeien heeft gelegd. Een
veldheer moet niet slechts het terrein, hij moet ook den innerlijken
mensch weten te beoordeelen; verrekent hij zich dáár, dan zal al zijne
taktiek hem weinig baten.”

„Hoopt gij iets goeds van den slag?” vroeg de officier na eene poos
stilzwijgen.

„Zonder twijfel de beslissendste overwinning; echter zal zij bloed
kosten.”

„Voorzeker, veel. Reeds bij den aanval van heden hebben wij een geducht
verlies geleden. Van het bataljon, waarmede de maarschalk Ney liet
aangrijpen, zijn twee derden gebleven. Zij geraakten in het flankvuur
der russische batterij, één enkele kogel trof zoo moorddadig, dat hij
vier en twintig soldaten verpletterde. Wij konden het van de hoogte
maar te duidelijk aanzien.”

„Te vallen is de ernstige bestemming van den soldaat,” hernam Rasinski.
„Maar hoor! Tirailleursvuur!”

„De keizer heeft bevolen, dat het eerste korps den vijand verontrusten
zal, om hem misschien op dezen oever der rivier te lokken.”

Gedurende dit gesprek was men, deels tusschen bivaksvuren en gelegerde
troepen door, deels om terugtrekkende afdeelingen heenrijdende, aan de
legerplaats der oude garde gekomen, in welker nabijheid de tent des
keizers op eene boschachtige hoogte was opgeslagen. Men zag hem juist
met een vrij talrijk geleide afrijden, vermoedelijk om den omtrek te
verkennen; Rasinski stoof in gestrekten galop na, de beide vrienden
volgden op een behoorlijken afstand. Ongeveer een half uur reed de
keizer met zijn gevolg van den eenen heuveltop naar den anderen.
Van wat inmiddels verhandeld werd konden Lodewijk en Bernard niets
verstaan, daar zij met andere ordonnans- en jongere officieren ten
minste dertig tot veertig schreden achter de maarschalken reden. Thans
hield de keizer stil en sprak met den maarschalk Ney en den koning van
Napels; hierop wenkte hij Rasinski, dien hij een uitvoerig bevel scheen
te geven, want hij sprak lang en met driftige gebaren.

Dadelijk reed deze terug, liet zich door Lodewijk verzellen en beval
Bernard, den trein verder te volgen en daarna bij de keizerlijke
tent te wachten, tot hij eenig schriftelijk of mondeling bevel ter
overbrenging zou hebben ontvangen.

Bij het toenemen der duisternis keerde Napoleon naar zijne tent terug.
De maarschalken Berthier, Ney, Murat, Davoust en de onderkoning van
Italië volgden hem. Twee grenadiers van de garde hielden wacht aan de
tent; Bernard en drie ordonnans-officieren plaatsten zich nabij den
ingang, om de bevelen af te wachten. Binnen een kwartier werden de drie
afgevaardigd, Bernard bleef alleen zonder verdere bestemming. Het was
stil geworden; de vermoeide troepen lagen in hunne mantels gewikkeld en
sliepen; ook het minste geruisch in de verte begon hoorbaar te worden.
Zoo kon Bernard thans onderscheiden, dat in de tent levendig gesproken
werd; echter was het hem onmogelijk den loop van het gesprek te volgen.
Slechts enkele woorden verstond hij en wel bij herhaling de namen
Smolensko en Moskou. Gaarne ware hij eenige schreden nader getreden,
maar de beide baardige grenadiers met hunne hooge berenmutsen, die met
afgemeten passen voor de tent op- en nedergingen, hielden hem door den
ernstigen blik hunner zwarte oogen op een eerbiedigen afstand.

„Men spreekt van den slag, dien wij wellicht morgen leveren,” begon hij
eindelijk; „kunt gij het gesprek volgen, mijne vrienden?”

„De schildwacht des keizers hoort niets, kameraad,” antwoordde een der
grenadiers met strengen blik.

„En spreekt ook niet,” voegde de andere er op verwijtenden toon bij.

Pas had men deze woorden gewisseld, toen de maarschalken Ney en
Davoust, beiden zichtbaar in hevige gemoedsbeweging, met rassche
schreden de tent verlieten en een verschillenden weg insloegen, zonder
van elkander afscheid te nemen. Het viel onmiskenbaar in het oog, dat
zij zich in een uiterst verbitterde stemming bevonden. Intusschen werd
het gesprek in de tent nog driftiger. Bernard onderscheidde duidelijk
de stem van den keizer, die luid en heftig sprak. De vice-koning van
Napels verliet eenige oogenblikken later de tent. De schildwachten
trokken het geweer aan, toen hij voorbij kwam; maar de anders zoo
vriendelijke, welwillende man verzuimde den groet te beantwoorden;
hij scheen, innerlijk zoo geschokt en ontroerd, dat de uiterlijke
voorwerpen hem geheel ontgingen. Bernard kon bij den schijn van een,
niet ver van de tent brandend vuur, waaraan de keizerlijke keuken
bezorgd werd, de edele veelbeteekenende trekken van den vorst, op wiens
voorhoofd zorg en kommer duistere wolken samentrokken, vrij duidelijk
onderscheiden. Er lag zooveel zachtheid in dat gelaat en zooveel
mannelijke stoutheid met vriendelijken adel gepaard, dat de indruk,
dien het teweeg bracht, onvergetelijk zijn moest. Nog volgde Bernard
met onafgewende blikken de edele gestalte, toen het kletteren eener
sabel zijn oog opnieuw naar den ingang der keizerlijke tent trok. Het
was de koning van Napels, die in zijne avontuurlijk vreemdsoortige
dracht, een reigerveer op de met pels omzoomde muts, onder het
onverstaanbaar mompelen van eenige, toorn en ijver verradende woorden
uit de tent te voorschijn trad. Zonder Bernard te bemerken, ging hij
strijkelings diens paard voorbij, en duidelijk kon deze verstaan, dat
hij stampvoetend en met eene halfgesmoorde stem uitriep: „_Moscou!
Moscou! Cette ville nous pendra._”

Nauwelijks was hij echter eenige schreden verder, toen hij eensklaps
als zich bezinnend, bleef staan, zich omwendde en riep: „Waar is de
ordonnans van overste Rasinski?”

Bernard wilde van het paard springen en zich aanmelden, doch de koning
riep hem toe: „Blijf zitten! Deze order voor den overste! Haast u!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, en Bernard rende met lossen
teugel op het bivak van zijn regiment toe.

Met een gelukkig plaatsgeheugen begaafd, gelukte het hem, in weerwil
der duisternis en der van alle zijden verwarrend flikkerende
legervuren, die, wijl hunne verte en nabijheid zoo moeilijk te
berekenen zijn, dikwijls als dwaallichten van den rechten weg afleiden,
toch in korten tijd de legerplaats zijner kameraden te ontdekken.
Rasinski brak de order met driftig ongeduld open en verslond de regels
bij den glans van het vuur.

„Goed, goed,” mompelde hij, „ik vrees maar, dat het onnoodig zal zijn.”

De nacht verstreek zonder eenige bijzondere ontmoeting; men had de
wachten verdubbeld, en een deel der manschappen bleef onder de wapenen;
intusschen werd de rust der overigen door niets gestoord. Bij het
aanbreken van den dag verwachtte men den vijand in slagorde geschaard
te zien. Men had zich bedrogen. De wijde ruimte, die men hem tot een
slagveld had gelaten, was eenzaam en ledig. De stad met hare oude,
dikke, met achttien torens gekroonde muren lag stil en doodsch in de
vale morgenschemering; geen geluid liet zich daaruit vernemen. Het
gansche leger der Franschen stond onder de wapens; op den eersten wenk
konden de troepen in slagorde uitrukken. Men zag den keizer, door
maarschalken omstuwd, meermalen over het veld rijden; hij rende de
eene hoogte na de andere op en zag in het rond, deels om, ingeval het
tot een treffen kwam, zijne maatregelen te nemen, deels in de gestadige
verwachting, dat de vijand toch eindelijk nog zou komen opdagen.

Een maarschalk, het was Belliard, kwam op Rasinski toe, wenkte en
sprak eenige woorden met hem. Dadelijk beval deze het eerste escadron,
hetwelk door Boleslaw werd aangevoerd, hem te volgen.

Zij reden een eindweegs langs den Dnieper voort; bij eene kromming van
den weg stieten zij op twintig of dertig kozakken, die, zoodra zij den
vijand in het oog kregen, als een zwerm opgejaagde vogels ijlings over
de vlakte stoven. In ééne minuut waren zij verdwenen; echter ontdekte
men hen eenige oogenblikken later weder aan den voet eens heuvels,
waar zij op eene plaats van den stroom, die tot hiertoe door zijne
kromming onzichtbaar was geweest, met hunne paarden naar den tegenoever
overzwommen.

„Duivel!” riep Rasinski plotseling uit en wendde zich tot den
maarschalk, terwijl hij met de sabel voor zich uit wees. „Ziet gij naar
die massa's! Het is de russische armee in vollen aftocht op den weg
naar Moskou.”

De maarschalk sloeg een mistroostigen blik naar de overzijde. „De
keizer zal buiten zich zelf zijn; tot hiertoe had hij nog altijd
gehoopt, het leger hier tot den slag te zien uitrukken, en Davoust
versterkte hem in dien waan. Nu is de begoocheling voorbij, zie slechts
die onmetelijke rijen artillerie, infanterie en cavalerie, die den weg
bedekken. Doch ik wil het dadelijk melden.” In gestrekten galop vloog
de maarschalk thans over de vlakte terug op de tent des keizers toe.

Rasinski droeg aan Boleslaw op, met het escadron den vloed hooger
opwaarts te verkennen en eene ondiepte te zoeken, waardoor men met de
ruiterij en desnoods ook met infanterie en geschut den anderen oever
konde bereiken; want hij vermoedde terstond, dat de keizer bevel zoude
geven, de armee in de flank te vallen en haren aftocht te verontrusten.

Boleslaw reed verder dan een uur langs den oeverkant voort. Overal,
waar het water slechts een schijn van ondiepte vertoonde, was hij de
eerste, die beproefde er door te waden, doch nergens vond hij, wat
hij zocht, en bijna had hij eenige manschappen bij zijn vruchtelooze
pogingen ingeschoten. Verdrietig, dat het hem niet gelukken wilde, den
last te volvoeren, was hij op het punt van den teugel om te wenden,
toen hij achter zich den donder eener batterij vernam. Hij wierp zijn
paard om en zag den oever met geweldige artilleriemassa's beplant, die
op de, aan de overzijde van den stroom zich langzaam voortbewegende
russische armee hun vuur uitbraakten. Thans wierp ook deze eenige
batterijen op, om het vijandelijke vuur tot zwijgen te brengen, en
spoedig werd men de vreeselijke uitwerking daarvan gewaar. Eene wolk
legerde zich als een nachtelijk monster op het veld; slechts eenige
roodachtige tongen bliksemden door het duister en werden onmiddellijk
daarop door den rollenden donder gevolgd. Boleslaw, die de hoop om eene
doorwaadbare plaats te vinden, nu had opgegeven, besloot met zijne
lieden terug te rijden. Zoo had hij dan het veld der verwoesting en des
doods voor zich, want niet slechts de batterijen vuurden onophoudelijk
op elkander, maar ook de gansche vlakte van Smolensko dreunde van een
verbitterd gevecht.

De keizer had den aanval op de stad bevolen, waarvan hij zich thans ten
spoedigste wilde meester maken. De zwarte massa's infanterie rukten dus
van alle zijden aan, ten einde den vijand, nadat hij door het vuur der
artillerie verzwakt was, geheel te verdrijven. De aarde scheen angstig
te zwoegen onder het dof gedreun; grijze rookwolken trokken langzaam
over de strijdenden voort en overschaduwden het veld des doods. Als
een bloedig oog blikte de verduisterde zon op de slachting neder.
De vogels fladderden angstig en verschrikt in het rond en vluchtten
van de schouwplaats der verdelging. Buiten den doffen donder van den
slag, dien Boleslaw slechts in de verte vernam, liet zich geen geluid
hooren. De natuur lag in diepe stilte; geen windje ritselde door het
loover. Zwijgend en ernstig reed Boleslaw aan de spits der zijnen langs
den rug des heuvels op het slagveld aan. De kamp, die de krijgers
met vlammenden moed vervult, wanneer zij zich midden in zijne golven
zien neergestort, verwekte thans, daar zij hem uit de verte moesten
aanzien en geen aandeel in de beslissing konden nemen, eene angstige
beklemming in hunne borst. Buiten de handeling geplaatst, gevoelden zij
hare vreeselijke beteekenis te dieper, naarmate zij die beter overzien
konden.

„Daar in dien kuil spookt de baardige satan, geloof ik,” sprak de oude
Petrowski en wees naar eene plaats, waar de fransche vuurmonden in den
dichtsten damp gehuld stonden.

„Zij schijnen in drievoudig kruisvuur te staan,” hernam Boleslaw.

„Voorzeker; de drie zwarte wolken daarboven bliksemen er al op los! En
zij treffen. De kruitwagens vliegen in de lucht, alsof zij op vlammende
mijnen stonden. Daar komt eene reservebatterij aandraven; zij moeten er
al verduiveld van gelust hebben. De Moskoviten beginnen er ernst mee
te maken. Hadden wij hen maar op de vlakte, waar de cavalerie er op
los kan houwen! De sabel is mij van daag zoo licht in de hand als een
wandelstok! Ik zou hen.... Donder en hel! alweer eene kruitkist naar
den duivel!”

Inderdaad scheen de plaats, waarop Petrowski gewezen had, vooral thans,
nu men nader kwam, een vuurspuwende vulkaan. De rook dwarrelde in dicht
opeengepakte wolken daaruit omhoog, en trok langzaam, in donkere,
zwarte wentelingen over de vlakte voort. Daardoor juist werd het
vuur van den vijand zoo verderfelijk, dat hij het voordeel had, zijn
tegenstander duidelijk te zien, terwijl hij zelf door den voorwaarts
trekkenden rook dicht omhuld was. Zoo sloegen de kogels en granaten
onophoudelijk met verheerende kracht op de batterij neer. Raderen
en assen werden tot splinters geschoten, de paarden steigerden en
verscheurden zeelen en strengen, granaten barstten, kruitkarren vlogen
in de lucht, en bij dat alles kraakte en donderde het eigen legervuur
der batterijen, dat de grond, waarop zij stonden, sidderde en dreunde.

„Wij moeten, geloof ik, nog verder links rijden,” sprak Boleslaw tot
Petrowski, „anders komen wij zelve in de geschutlijn.”

„Ik geloof het ook,” antwoordde de oude; „wij konden geheel zonder
noodzaak een half dozijn paarden kwijt raken en ik verlies niet gaarne
iets, waar niets te winnen valt.”

„Gij hebt gelijk, oude! Er zal ons dan niets overblijven, dan achter
gindschen heuvel om te rijden,” hervatte Boleslaw, na een blik over de
landstreek geworpen te hebben.

Hij sloeg een hollen weg in en was dus spoedig buiten het bereik
van het vijandelijke vuur, maar kon ook niets meer van het slagveld
overzien. Weldra had hij het bivak bereikt, waar hij Rasinski van zijne
vergeefsche pogingen bericht gaf.

„Ik wist het reeds,” antwoordde deze; „want wij hebben intusschen
eenige lieden opgespoord, die met de landstreek bekend zijn. Verder
opwaarts is evenwel nog een doortocht te vinden, waarvan wij echter
niet vóór den avond willen gebruik maken daar er slechts weinig lieden
tegelijk over kunnen trekken en de plaats door de steile oevers voor
het geschut geheel ongenaakbaar is. De aanval met een geheel korps op
de achterhoede der Russen is dus niet denkbaar, maar toch kunnen wij
wellicht een blinden schrik onder hen brengen, een troep naloopers
gevangennemen en eenigen buit maken. Dit is aan ons opgedragen. Het
verheugt mij, dat wij dan toch nog eenig aandeel in den dag van heden
krijgen zullen, daar de cavalerie overigens ledig toeschouwster blijven
moet.”

Intusschen werd het gevecht onder de muren der stad met verbittering
voortgezet. Rasinski was met zijne officieren naar een punt gereden,
waar zij het bloedig tooneel in zijn ganschen omvang konden overzien.
Ook thans nog was de stelling der batterijen aan den stroom de plaats,
waar dood en verwoesting het vreeselijkst woedden. Met bezorgdheid
richtten zich de blikken der toeschouwers daarheen, waar zoovele
kameraden aan het lot van den dag moesten worden opgeofferd. Een aantal
ruiters kwam uit de dichte rookzuilen te voorschijn rijden en nam zijn
weg over de vlakte naar de tent des keizers. Met verbazing herkende
men, toen zij naderden, den koning van Napels. Hij reed langzaam
voorbij en beantwoordde den eerbiedigen groet der officieren, zonder
verder naar hen om te zien. Een officier uit zijn gevolg rende op
Rasinski toe. Het was de overste Regnard.

„Om 's hemels wil,” vroeg hem Rasinski, „wat hadt gij daarboven in dien
ziedenden ketel te doen en bovenal wat wilde de koning daar?”

„Wat hij wilde? Bezwaarlijk, wat hij nu doet: weder terugrijden.
Er moeten gisteren zeldzame dingen tusschen hem en den keizer zijn
voorgevallen, want hij is geheel veranderd. Hij bleef hardnekkig bij
zijn voornemen, om zich in dien helschen kuil te laten neerschieten.
Toen wij hem bezwoeren terug te rijden, riep hij: „Ik wil niemand met
mij in het verderf storten,” en wilde zijne adjudanten wegzenden.
Eenstemmig verklaarden zij, geene schrede van hem te zullen wijken.
Op hetzelfde oogenblik sloeg een houwitser neer en deed het paard van
zijn lieveling Duteuil ter aarde storten, zoodat hij dezen zelf gedood
meende. Verschrikt sprong hij uit den zadel en trok hem zelf van onder
het stuiptrekkend dier weg. Toen hij hem nog in leven en ongekwetst
zag, kuste hij hem en zeide: „Laat ons dan terugrijden.””

Bernard hoorde dit verhaal met gespannen deelneming aan en bracht het
dadelijk in verband met wat hij gisteren voor de tent des keizers
waargenomen, maar aan niemand medegedeeld had.

„En vermoedt men wat tusschen den keizer en zijn zwager kan zijn
voorgevallen?” vroeg Rasinski.

„Ieder gist het zijne,” antwoordde Regnard de schouders ophalende;
„hij zal evenmin als Duroc, Daru, Lobau, kortom, als wij allen met den
veldtocht tevreden en daarover met hem in strijd geraakt zijn. Het oude
lied met het oude refrein. Nu, wanneer wij heden een twintig duizend
man laten, om den steenhoop daar ginds te veroveren, zal er wel een
luid deuntje in het geheele leger worden gezongen. Ten minste zal ieder
het stil voor zich zelf neuriën. Goeden morgen!” Met deze woorden reed
hij verder en liet Rasinski in sombere mijmeringen achter.


HOOFDSTUK IV.

De aanvallen op Smolensko werden den ganschen dag door onophoudelijk
vernieuwd. De Russen verdedigden zich koelbloedig, maar vreeselijk.
Duizende krijgers zonken op het veld des doods neder, en nog immer was
de prijs voor deze offers niet gewonnen, toen de zon reeds begon te
dalen en achter grauwe wolken verdween.

Thans was de gunstige tijd voor Rasinski's plan gekomen. Hij liet
opzitten en trok met zijn regiment langs den Dnieper voort, maar hield
zich zoo ver van den oever verwijderd, dat men hem van de overzijde
niet ontdekken konde. Nadat men een uur had afgelegd, werd deze
voorzorg overbodig, daar het geheel donker was geworden.

„Ieder houde zich doodstil! Niemand mag rooken of vuur slaan!” luidde
het bevel dat de overste van rot tot rot liet voortloopen. Hij had
een jongeling uit den omtrek bij zich, die hem tot gids diende. Met
dezen onderhield hij zich in het russisch, zoodat niemand der overigen
verstaan konde, waarover hij met hem sprak. De gansche tocht werd als
een geheim behandeld.

Men bevond zich in een vrij dicht kreupelhout, toen Rasinski halt
liet houden. Hij zelf reed, enkel door zijn geleider verzeld, verder
voorwaarts en beval het regiment, zijne terugkomst af te wachten.

Eene hooggespannen verwachting heerschte in de gelederen. Rondom
ademlooze stilte; de donder van den slag, dien men nog lang in de verte
gehoord had, was verstomd. De vallende avond had aan den bloedigen
moord een einde gemaakt. Slechts de wind ruischte in de toppen der
berken en dennen, van tijd tot tijd hoorde men het geroep van den
roerdomp. Een half uur bracht men op deze wijze door. Eindelijk kwam
Rasinski terug en gebood stapvoets voort te rukken. Men moest eenige
woeste heuvels, die met bramen en varenkruiden bedekt waren, op en
af; hierop stond men onverhoeds aan eene steile helling en hoorde de
Dnieper ruischen, in wiens golven de zwarte, nachtelijke hemel zich
donker afspiegelde. „Bij tweeën afgebroken en mij gevolgd!” fluisterde
Rasinski den vleugelman toe; en met dof gemompel liep dit bevel door
de gelederen voort. Hij liet daarop zijn paard behoedzaam bij de
helling afklauteren en reed door de, hier nauwelijks drie voet diepe
stroombedding. Boleslaw volgde met zijn escadron. De overigen moesten,
daar die overtocht zich slechts langzaam liet bewerkstelligen, een
geruimen tijd op de hoogte wachten.

Bernard, die zich altijd met de plaatselijkheid nauwkeurig zocht bekend
te maken, stiet Lodewijk zachtkens aan en fluisterde, met den vinger
naar den anderen oever wijzende: „Zie ik daar ginds in de hoogte niet
flauw verlichte vensters? Mij dunkt, ik moest mij zeer bedriegen, zoo
wij ons hier niet zeer in de nabijheid van het slot bevinden, dat ons
dezen morgen reeds zoo in het oog viel.”

„Mogelijk,” antwoordde Lodewijk. „Maar zie eens dien helderen schijn
daar achter ons. Wat mag dat beduiden? Boven de boomtoppen is de hemel
gloeiend rood.”

„Het zal de opkomende maan zijn,” sprak Jaromir, die zich intusschen
bij hen gevoegd had.

„Dat kan niet zijn,” meende Bernard; want die komt eerst tegen
middernacht op.

Daar lichtte eensklaps een roode bliksemstraal door den nachtelijken
hemel en een bloedigen weerschijn werd op de golven van den vloed
zichtbaar.

„Dat is brand,” riep Jaromir met eene gesmoorde stem. „Ziet, ziet! Nu
breekt het uit;—de vlammen slaan wild omhoog. Het is Smolensko, dat in
brand staat.”

Men kon er niet meer aan twijfelen, want de donkere gloed, met lichter
vuurstrepen doortinteld, breidde zich verder en verder over den
gezichteinder uit en begon zijn helder schijnsel tot zelfs op de plaats
neer te werpen, waar de ruiters zich opeendrongen. Thans werden ook
de zwarte torenspitsen van den stadsmuur op den blakenden achtergrond
zichtbaar, en de boomkruinen in den omtrek schenen als door de late
avondschemering roodachtig verlicht te worden.

„Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” met deze woorden wendde Bernard zich
nu weder tot Lodewijk en wees naar den anderen oever. „Herkent gij nu
het slot in den flikkerenden weerglans der vlammen? Hoor de klok van
het dorp. Ik geloof, men luidt storm!”

Inderdaad lag het oude gebouw duidelijk en nauwelijks een vierde uur
verwijderd voor hunne oogen. Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich
van Lodewijks ziel meester. Zou de in scherts gesproken voorzegging
bewaarheid worden? Zouden moord en brand ook hier woeden?

Doch de tijd tot verdere bespiegelingen werd hem benomen, daar het rot,
waartoe hij behoorde, zich juist in beweging zette, om door de rivier
te rijden. Bernard sloot dicht nevens hem aan; toen de hoeven hunner
paarden in het water plasten, zeide hij half in scherts, half ernstig:
„Rijden wij door den Phlegethon, door den Styx of Cocytus? Men weet
waarlijk niet, of het een zwarte, dan een vurige, helsche stroom is!”

De bloedige weerschijn der vlammen, die zich ver over de wentelende
golven uitstrekte, gaf hem aanleiding tot deze vergelijking. „Ten
minste,” vervolgde hij, „is het voor ons de Rubicon, dien wij
overtrekken. _Jacta est alea!_ Wij weten nauwelijks, of wij de
overzijde bereiken, veel minder of wij dezen weg terug zullen rijden.
In allen gevalle maak ik hiernevens mijn testament, broertje. Als de
visschen in den Dnieper of de raven van oud-Rusland mij buit mochten
maken, zijt gij mijn eenige erfgenaam. Maar mijn hart—ik begeer daarom
niet, dat gij mij den kouden vleeschklomp uit de borst snijdt—breng
dat aan uwe zuster Maria en deel het in vrede.”

„Hoe komt gij thans op mijne zuster?” vroeg Lodewijk geroerd.

„Zij is een kostelijk meisje, een engelachtig, braaf kind en verdiende
een betere broeder, dan gij zijt. Waarom zij echter juist in dit
oogenblik voor mijne ziel staat, als had ik haar zelf zoo trouw als
haar spiegelbeeld geportretteert, dat weet ik niet; wij zien onze
gedachten wel bloeien, maar weten niet, waar zij gezaaid zijn. Genoeg,
schoon mijne gedachten dagelijks een twintig-, dertigmaal naar Dresden
en Teplitz reizen, zijn zij toch in deze minuut met buitengewoon
driftige vlucht derwaarts heengetrokken; zij vliegen als zwaluwen naar
het huisdak. Het moet zijne oorzaak hebben, want alles in de wijde
schepping steunt op goede gronden; ik wil het echter nauwkeurig in
gedachtenis houden, dat ik op den 17 Augustus, 's avonds te tien uur,
aan Maria gedacht heb, en dat zij mij juist in deze minuut nog tienmaal
liever is geworden dan te voren.”

Lodewijk drukte den vriend met warmte de hand. Reeds meermalen had
hij gemeend te bespeuren, en zich daarover in stilte verheugd, dat in
Bernards borst eene zachte warme liefde voor de zuster woonde, doch de
zonderlinge mensch liet zelfs den vriend bijna nooit anders, dan door
de misvormende, gekleurde glazen van schertsende luim in het binnenste
van zijn hart blikken. Daarenboven had Lodewijk steeds het gevoel,
alsof Bernards ziel door zoo velerlei grootere gewaarwordingen en
diepere, meer woeste hartstochten, zelfs dezulke waaronder zich eene
vrouwelijke gestalte verborgen hield, bewogen werd, dat de stille
bloem eener liefde voor de zachte, vriendelijke Maria in dien woeligen
chaos onmogelijk wortel kon vatten. Er lag iets in zijne natuur, dat
scheen aan te duiden: ik zou wel gaarne onder de schaduw dezer boomen
vertoeven, deze vrucht plukken, in deze hut vreedzaam wonen, maar ik
kan niet, ik mag niet, eene onbekende, overmachtige kracht drijft mij
tegen mijn wil voorwaarts. Als de stroom, moet ik de vriendelijke
oevers voorbijsnellen, en spiegel ik al somtijds den blauwen, lachenden
hemel op mijne vlakte af, ras zwellen de woest schuimende golven met
vernieuwde drift op en vernielen het zachte, liefelijke beeld weder.
Hoe vurig deze borst ook naar een vreemd hart verlangt, ik durf er geen
aan mij verbinden, want ik zou het in den woelenden maalstroom van mijn
lot moeten medeslepen. Eene teedere bloem zoude ik, door haar aan deze
gloeiende borst te drukken, slechts verzengen, zoodat zij ras verdord
neerzonk,—ik zou haar vernietigen, al was zij mij dierbaarder dan mijn
leven. Semele sterft aan de borst van Jupiter; zelfs de vader der goden
vermag hare bestemming niet te keeren, hoe diep ook de wonde in zijn
eigen onsterfelijk hart dringt.—Deze ééne warme ontboezeming echter,
die zoo even van Bernards lippen vloeide, verdreef eensklaps al deze
gewaarwordingen en twijfelingen; op den hartelijksten toon antwoordde
hij: „Het is wel natuurlijk, dat gij aan haar denkt. In ernstige
oogenblikken onzes levens treden de beelden onzer geliefden te lichter
te voorschijn, naarmate de grond, waarop zij zich afteekenen duisterder
is. Ook ik....”

„Ja, ja, gij hebt gelijk,” sprak Bernard, als om het gesprek af te
wenden, „het beeld hier heeft een verduiveld zwarten grond; maar er
vallen reeds lichttinten in, want de pekfakkels daar beneden branden in
lichtelaaien gloed. Dra kan men de muizen over het veld zien loopen.
Maar mij dunkt, de Dnieper is verwenscht koud, en uw knol heeft mij nog
daarenboven een ganschen bek water over de lendenen gespogen. Gij moet
beter op uw paard passen, als gij een goed kameraad wilt zijn.—Den
hemel zij dank! Land! Ik ben nooit een liefhebber van zeereizen
geweest.”

Zoodra het regiment op den anderen oever verzameld was, rukte Rasinski
in de hoogst mogelijke stilte op het recht vóór hen gelegen slot aan.
Toen men nog eenige honderden schreden daarvan verwijderd was, liet hij
halt houden. „Vrienden,” sprak hij, „wij zijn aan het doel. Daar in
het slot zijn, naar ik met zekerheid onderricht ben, eenige russische
generaals en voornamen op een bruiloftsfeest bijeen. Hen op te lichten,
is het oogmerk onzer gewaagde onderneming. Thans langzaam voort, tot
wij een vlakken bodem voor ons zien en geenerlei beletsel ons meer kan
ophouden. Dan echter als de bliksem er op in! Nu voorwaarts, vrienden,
houdt u wakker, zijt vlug, koen, doch behoedzaam! Voorwaarts!”

Zij rukten voort, tot aan eene zachte helling. Thans liet Rasinski
stormloop blazen, en in den vollen ren der snuivende rossen stoof de
schaar den weg naar slot en dorp op.



ZEVENDE BOEK.


HOOFDSTUK I.

De geweldige aandoeningen, die in een zoo kort tijdsbestek Feodorowna's
boezem geschokt hadden, moesten haar, niettegenstaande de vrome
gelatenheid en zedelijke sterkte, waarmede zij zich aan haar lot
onderwierp, toch eindelijk overweldigen. Zij was op het ziekbed
neergezonken; eene hevige koorts gloeide in de tot het uiterste
gespannen zenuwen; de geneesheer hield haren toestand voor gevaarlijk.
Tot geen prijs wilde Axinia thans van de zijde der dierbare gebiedster
wijken, hoewel zij met recht de bangste vrees voor haar eigen lot moest
koesteren, wanneer Feodorowna bezwijken mocht, eer zij met haren Paul
het land verlaten had. Te minder nog kon zij zich aan dezen plicht
der dankbaarheid onttrekken, daar de kranke slechts hare nabijheid en
oppassing duldde en dadelijk in een onrustigen en dus gevaarlijken
toestand verviel, wanneer iemand anders hare legerstede naderde. De
tegenwoordigheid der moeder vooral scheen haar telkens sterker te
ontroeren en vervulde haar eindelijk met een zoo hevigen angst, dat
zij tot woeste ijlhoofdigheid oversloeg, wanneer zij deze slechts
in de verte bespeurde. In kalmer oogenblikken mocht Jeannette de
uitgeputte Axinia vervangen; maar niet zoodra verhief zich de hitte
der koorts weder, of, met de aan kranken eigen onstuimigheid, vorderde
zij de zusterlijke verpleging van de vriendin harer jeugd. Bijna eene
maand ging op deze treurige wijze voorbij; eindelijk begon Feodorowna
langzaam te herstellen, doch was door de ziekte zoo uitgeput, dat
men nog altijd voor haar leven te duchten had. Schoon toch de hevige
aanvallen der koorts geweken waren, scheen het nog immer twijfelachtig,
of het lichaam kracht genoeg zou hebben, om de uitterende afmatting te
boven te komen.—Het zachte jaargetijde was echter van eene heilzame
uitwerking; de Julimaand met haar koesterenden zonnegloed, die zelfs
der noordsche aarde een groenend tapijt ontlokt, deed de kwijnende kiem
des levens tot nieuwe bloesems ontspruiten. Feodorowna genas, bijna
tegen haren wil, en had niet het diep verborgen lijden, dat aan haar
hart knaagde, zijne sporen om wang en lip ingedrukt en den helderen
gloed van haar blauw oog eenigszins verduisterd, zoo zou de schoone
gestalte weder zoo liefelijk ontloken zijn als eene roos, waarin nog
de droppen van een voorbijgetogen onweder glanzen. Maar zij was niet
verfrischt door den dauw des hemels, zij was slechts door zijne stormen
geknakt.

Wie zelf lijdt, heeft een gevoelig hart voor de wenschen en het lijden
van anderen. Zoo gevoelde ook Feodorowna, dat thans haar eerste plicht
was, het laatste dreigende wolkje van den hemel van Axinia's geluk te
verdrijven en de verbintenis en afreis der gelieven te bespoedigen.
Gregorius gaf het jonge paar de kerkelijke inzegening, denzelfden dag
nog verliet het, rijkelijk begiftigd, het grafelijk slot, om zich
midden door het gewoel van den oorlog den weg te banen tot vreedzaam
geluk onder een zachteren hemel.

Feodorowna stond nu geheel alleen; want niettegenstaande het onmetelijke
offer, dat zij gebracht en de gewillige gehoorzaamheid, waarmede zij
zich aan het gebod der ouders onderworpen had, bleef de moeder nog
even koel als voorheen en scheen niet eenmaal medelijden te gevoelen
met het lijden, dat Feodorowna om harentwille zoo geduldig droeg. Het
is waar, zij had zich nooit anders betoond en de innigste liefde der
dochter ook in vroeger jaren niet dan met eene hoofsche vriendelijkheid
beantwoord; maar Feodorowna was daaraan gewoon geworden en had in deze
koude vormen slechts het overwicht van het moederlijk aanzien erkend en
geëerbiedigd; doch gevoelde thans, dat een beminnend, zich opofferend
kind een ander moederhart eischen mag. Zoo veranderde ook hare liefde
in een bangen, schuwen eerbied, en wat gedurende de ziekte zoo kenbaar
gebleken was, liet ook thans nog duidelijke sporen achter; een angstige
rilling greep haar aan, wanneer zij zich in de nabijheid van diegene
bevond, bij wie haar gewond hart troost en verzachting had moeten
vinden.

Ochalskoi en Dolgorow waren bij de armee; in de eerste dagen van
Augustus schreef de laatste, dat hij binnenkort op het goed zoude
komen, ten einde het huwelijk tusschen zijne dochter en den vorst te
voltrekken. De verhinderingen, die zulks tot hiertoe belet hadden,
waren grootendeels in de familie-betrekkingen van Ochalskoi gelegen,
die, ten gevolge van een verdrag, dat sinds onheuchelijke jaren in zijn
geslacht bestond, de toestemming van eenige naastbestaanden noodig had,
eer hij zich in den echt kon begeven. Daar het belang van sommigen
hunner hierbij ten deele in het spel kwam en zij uit baatzuchtige
inzichten eene vereeniging van den graaf met eene nadere verwante
gewenscht hadden, had het moeite gekost hunne bezwaren uit den weg te
ruimen, en was Ochalskoi niet zonder belangrijke opofferingen daarin
geslaagd. Thans was hem een verlof van drie dagen toegestaan, om zijne
echtverbintenis te sluiten, waarop zijne jonge gade met hare moeder
terstond over Kaluga naar zijne goederen in Azië zou afreizen, om
geheel uit de onrustige landstreek van het krijgstooneel verwijderd te
zijn. Dit was juist op het tijdstip, dat de groote russische armee zich
in allerijl naar Smolensko had teruggetrokken, ten einde niet door den
franschen keizer afgesneden te worden. In den nacht na haren reeds ten
deele volbrachten aftocht naar Moskou kwamen Dolgorow en Ochalskoi op
het kasteel aan. Den volgenden middag zoude Gregorius het jonge paar
inzegenen, de viering van den bruidsnacht moest hierop naar Dolgorows
uitdrukkelijke begeerte nog op het kasteel plaats hebben, maar den
morgen daarna zouden de mannen zich dadelijk weder naar het leger
terugbegeven, terwijl de vrouwen over Jelnia en Kaluga hare reis naar
Ochalskoi's goederen aannamen.

Zoo was dan het verschrikkelijk oogenblik gekomen, dat Feodorowna den
duisteren kerker zag ontsluiten, waarin zij haar leven verzuchten
zoude. Zelfs de zoete troost, dat zij door dit offer den grond gelegd
had tot het geluk van anderen, werd krachteloos bij de naderende
werkelijkheid. Tranen had de ongelukkige niet meer te vergieten;
slechts met eene koude ijzing blikte zij in de toekomst. Alles
vereenigde zich, om den dag recht vreeselijk te maken. In de verte
de doffe donder van het geschut uit de belegerde vesting, trad zij
aan het venster van haar vertrek, nog altoos talrijke ruiterscharen,
die als de laatste afdeelingen der terugtrekkende groote armee, op
den, een half uur van het slot verwijderden landweg naar Moskou in
woeste zwermen voorbijtogen. Het gezicht dezer horden van Tartaren,
Baschkiren, Kozakken en andere barbaarsche volksstammen, in wier
midden zij voortaan hare dagen zou slijten, vervulde haar met schrik
en afgrijzen. „O, waarom heb ik schooner landen, zachter zeden,
edeler, beschaafder menschen leeren kennen!” zuchtte zij uit eene
beklemde borst. „Gelukkig gevoelde ik mij ook dáár niet; slechts korte,
schoone droomen verlichtten voor oogenblikken den donkeren nacht mijns
levens. Slechts éénmaal had ik een zaligen droom! En nu! Gij zacht
flonkerende leidstar op mijn donker pad, die zoo snel weder in de
diepste duisternis verdwenen zijt, gij edele gestalte, die mij eens zoo
liefderijk de hand bood, gij vriend in bitteren nood, wien mijn hart
eeuwig zal toebehooren—o vergeef mij het verraad, waaraan ik mij thans
tegen u schuldig maak!—Gij zijt de leidsman mijns levens, sprak eene
heilige stem van dankbaarheid en liefde in mijne borst, u, u alleen
is mijn aanzijn gewijd, riep het luid in mijn binnenste, en toch—het
was eene ijdele begoocheling! De hand der Voorzienigheid, die ik
vertrouwde, verscheurde den band; een woeste storm verdreef de beelden
van den schoonen droom, het floers van nacht en vergetelheid omhult
alles!”

In droef gepeins verloren stond de rampzalige bruid aan het venster
en staarde op het woeste landschap, dat door het gewoel van den
krijg verlevendigd, naar den donkeren hemel, die door de wolken van
den slag verduisterd werd. Eensklaps voelde zij een zachte hand op
haren schouder. Het was Jeannette met het bruidskleed over den arm.
Feodorowna's knieën knikten, echter uitte zij geen luiden klaagtoon,
maar liet zich geduldig optooien als een offer, dat naar het outer
gevoerd wordt.

Juist had Jeannette haar den krans op de lokken gedrukt, toen Ochalskoi
binnentrad, om haar te begroeten en naar de kerk te geleiden, waar
Gregorius hen wachtte. Wanneer de nood daar was, vond Feodorowna
heldensterkte in hare groote ziel. Ernstig, zwijgend, doch zonder te
wankelen, zweefde zij aan Ochalskoi's arm de breede trappen af. In
de zaal werd zij door hare ouders en de verzamelde gasten opgewacht.
Het waren slechts eenige naverwante leden van beide familiën, meest
bejaarde mannen van hoogen rang, en verscheidene generaals, die men
op het feest genoodigd had. Met het bruidspaar aan de spits, begaf
men zich in statigen optocht naar de kerk. De dorpelingen waren van
alle zijden toegevloeid en vormden eene straat, door welke Feodorowna,
met weemoedige vriendelijkheid groetende, voorttrad. Men had bloemen
op het pad gestrooid; zij konden den donkeren afgrond niet bedekken,
dien de bruid aan hare voeten geopend zag. Ook de gasten en de menigte
waren ernstig, want een bruiloftsfeest, waarop de plechtige toon der
kerkklokken zich met het gedonder van den naburigen slag vermengt,
waarop duizende bloedige offers op den achtergrond vallen, terwijl
woorden van vrede en zegening van de lippen vloeien,—zulk een
bruiloftsfeest is waarlijk niet vroolijk te noemen. Gregorius sprak
met ernst, aandoening en warmte; alles luisterde in ademlooze stilte.
Spoedig was de kerkelijke plechtigheid geëindigd, en men begaf zich
langs denzelfden weg naar het slot terug, waar het middagmaal de gasten
wachtte.

Gedurende den maaltijd hield het donderen der vuurmonden aan, ja werd
nog heviger. De gravin werd angstig en vroeg, of het niet raadzamer
zoude zijn, terstond op te breken.

„Wij zijn hier volkomen in zekerheid,” antwoordde een oude generaal;
„Smolensko is de sleutel van dezen weg. Zoolang die poort niet geopend
is, kan de vijand niet verder voortdringen. Tegen kleine overvallen
zijn wij door de kozakken gedekt, die nog in tallooze zwermen den
rivieroever bewaken.”

„Ik wenschte toch,” sprak Dolgorow met sombere blikken, „dat men meer
ernstige aanstalten tot verdediging gemaakt had, ofschoon het met
mijne familieplannen zeer goed overeenkomt, dat het niet gebeurd is,
daar ik anders bezwaarlijk een dag zou gevonden hebben, waarop mij de
uithuwelijking van mijne dochter mogelijk geweest was. Maar het welzijn
van het vaderland acht ik hooger, en dat zou, dunkt mij, dringend
gevorderd hebben, dat men hier, waar alles ons gunstig is, een slag had
aangenomen. Ik kan mij, dit beken ik rondborstig, niet met de inzichten
van den veldmaarschalk vereenigen, die slechts in den terugtocht zijn
heil zoekt.”

„En voorzeker niemand van ons,” antwoordde de generaal met nadruk.
„Ware graaf Barclay de Tolly een geboren Rus, dan zou hij den smaad
van ons vaderland ook niet zoo geduldig verdragen. Doch hier, waar ik
slechts echte Russen bijeen zie, kan ik wel een woord in vertrouwen
spreken. Ik geloof, dat het den langsten tijd zoo geduurd zal hebben;
men verzekert, dat de keizer aan de dringende voorstellen van alle
standen en van de hoogste staats-ambtenaren eindelijk gehoor gegeven en
besloten heeft, het opperbevel aan een ander op te dragen.”

„Aan vorst Bagration?” vroeg Dolgorow driftig.

„Ik mag hem nog niet noemen,” was het antwoord; „doch het is een edel,
waardig Rus, en men is reeds in onderhandeling met hem getreden. Voor
een krijgsmakker van Suwarow zal het bewaard zijn, Ruslands ouden
wapenroem te handhaven.”

„Dan is het vorst Kutusow en geen ander,” riep Ochalskoi met vuur. „Den
waardigen grijsaard, hij worde onze veldheer of niet, zij dit glas
toegebracht!” Tegelijk stond hij op en hief den gevulden beker omhoog;
alle mannen volgden zijn voorbeeld en klonken.

„Wie ook onze aanvoerder zijn moge,” sprak Dolgorow met krachtige stem,
„wij willen onzen dronk zoo inrichten, dat hij altijd een waardigen
geldt: De zoon van Rusland, dien de smaad des vaderlands bloedig
wreekt!”

„Hij leve!” riepen de mannen en ledigden hunne glazen.

De gravin Dolgorow stond op; in hare oogen fonkelde een ongewoon
vuur; de anders zoo koude trekken verlevendigden zich. „Zoo wil ook
ik aan de oud-vaderlandsche gewoonte indachtig zijn,” sprak zij, „en
gij, Feodorowna, volg mijn voorbeeld.” Onder deze woorden rukte zij
den sluier van haar hoofd, scheurde dien door midden en verdeelde de
stukken onder de naast haar zittende mannen. Ook de bruid nam den
sluier, waaronder zij tot hiertoe haar bleek gelaat had trachten te
verbergen, van het hoofd. Een lichte blos kleurde hare wangen, toen
zij hem in stukken scheurde en verdeelde. „Neem, mijn gemaal,” sprak
zij met eene bevende stem, „dit aandenken uwer achterblijvende gade
met u in den kamp, ontvangt ook gij het, waardige helden van mijn
vaderland! Moge het u in het uur des gevaars herinneren, dat op uwe
dapperheid de edele verplichting rust, om het heiligdom van vrouwelijke
onschendbaarheid voor Ruslands dochteren te verdedigen, en dat u de
vurigste dankbaarheid wacht, wanneer gij, met lauweren bekranst, ons
eenmaal dit teeken der inwijding tot den kampstrijd vlekkeloos en door
edel vaderlandsch bloed geheiligd terugbrengt.”

Feodorowna sloeg de schoone oogen neder, toen zij deze woorden tot den
grijzen krijgsman richtte, die de eereplaats aan hare rechterzijde had
ingenomen. Deze greep hare hand, kuste ze vurig en antwoordde: „Met een
aandenken uit zulk eene hand gaat men den slag even vroolijk als een
bruiloftsfeest te gemoet. Spoedig hoop ik, schoone vorstin, dit teeken,
met echt russisch bloed versierd—want daarop zoude ik trotsch zijn—te
kunnen terugbrengen, om het, naar de gewoonte van ons vaderland, te
zien ingelost.”

Een hooger rood kleurde de wangen der jonge gade, want de vergunning
om driemaal de frissche lippen der vrouw of jonkvrouw te kussen, wier
veldteeken men aldus geverfd terugbracht, mocht den dapperen zoon des
vaderlands door geene dochter uit Ruriks stam geweigerd worden; een
gebruik, dat, schoon lang uit de zeden des tijds verdwenen, in de
geschiedkundige overlevering was bewaard gebleven en thans weder in
het leven werd teruggeroepen. Bij gewichtige gelegenheden toch plegen
de volken zich hunne oude gebruiken weer levendiger en dankbaarder te
herinneren; dikwijls niet zonder innerlijk zelfverwijt, dat zij zoo
lang, met zekere trouweloosheid jegens hunne waardige voorvaderen, de
heilige overleveringen vergeten en veronachtzaamd hadden.

Het was avond, toen de gasten van tafel opstonden en zich in de
aangrenzende vertrekken verdeelden. Met angstige beklemdheid zag
Feodorowna het uur nader en nader komen, waarin zij, alleen niet haren
echtgenoot, den laatsten vreeselijken strijd met haar hart zoude te
kampen hebben. Zij had zich juist in een nevenvertrek begeven, om,
van het gezelschap verwijderd, eenige oogenblikken met hare sombere
gedachten alleen te zijn, toen Jeannette haar kwam berichten, dat vader
Gregorius op hare kamer wachtte en dringend verlangde haar te spreken.
Hoe gaarne haastte zich Feodorowna, den wensch van den eerwaardigen,
geliefden grijsaard te vervullen! Ach, haar gansche hart drong haar tot
hem; want van hem alleen hoopte zij troost en sterkte voor de zware
beproeving, die haar te wachten stond.—Zij vond hem op hare kamer;
zijn gelaat was ernstiger dan gewoonlijk.

„Mijne dochter,” sprak hij haar aan, „het uur is gekomen, dat ik u van
hoogst gewichtige dingen spreken moet. Gij zijt onherroepelijk de gade
van vorst Ochalskoi, want de plechtige inzegening heeft u voor het oog
van God vereenigd. De dood alleen kan dien band verscheuren.”

„O mijn goede vader,” viel Feodorowna hem in de rede, „ik weet het;
maar ik zal in mijn plicht niet wankelen. Hem, aan wien mijn woord mij,
hoewel met een wederstrevend hart, verbonden heeft, zal ik getrouw en
onderdanig zijn tot aan het einde mijner dagen. Ach, ik hoop, het zal
niet lang zijn!” Door smart overweldigd leunde zij het moede hoofd aan
de borst van den grijsaard.

„Het is niet dat, waarover ik u spreken wil, lieve dochter,” hernam
hij; „want van de kracht uwer deugd ben ik verzekerd. Ik kwam om u een
geheim te openbaren, dat uwe voedster Ruschka op haar sterfbed onder
het zegel der laatste biecht in mijn oor gelegd en dat zij, mocht de
dood ook mij wegnemen, aan deze papieren toevertrouwd heeft. Ik had
haar bij mijn priesterlijken eed beloofd, het u eerst dan te zullen
ontdekken, wanneer uw huwelijk voltrokken was. Zulks is gebeurd, ik mag
dus thans mijne lippen openen. Gij zijt niet de dochter van Dolgorow,
gij zijt geen Russin. Duitschland is het land uwer geboorte, maar uwe
ouders rusten reeds lang onder de aarde. Graaf Dolgorow nam u als kind
aan, daar zijne echtgenoote hem geen hoop gaf zelf vader te worden. Dit
zijn de beeltenissen uwer ouders, mij door Ruschka ter hand gesteld.”
Met deze woorden gaf hij Feodorowna een brief en eene geopende
brieventasch met twee portretten, eene jonge vrouw en een officier
voorstellende.

Met strakke, verbaasde blikken, bevend, bijna bewegingloos stond
Feodorowna voor den priester en poogde te vergeefs te spreken; half
bewusteloos nam zij aan, wat hij haar toereikte en legde het voor zich
op de tafel neder. Eindelijk bracht zij, de gevouwen handen krampachtig
tegen de borst drukkende, met een angstigen kreet der vertwijfeling de
woorden uit: „Niet hunne dochter!—En toch.... o almachtige God!”

„Herstel u, mijne dochter,” sprak Gregorius, „verhef uw hart geloovig
tot God, die het lot der menschen wonderbaar beschikt.—Ik heb u het
gewichtigste, het noodwendigste ontdekt. Lees deze papieren door en gij
zult het overige vernemen. Ik verlaat u thans. Laat eerst den hevigen
storm tot bedaren komen, die nu in uwe borst woedt. Wanneer gij alleen
zijt, zult gij u zelve wedervinden. Als gij mij noodig hebt, laat mij
roepen.”

Met deze woorden verliet de grijsaard het vertrek; Feodorowna was niet
in staat hem iets te antwoorden; met moeite wankelde zij naar een zetel
en leunde het zware, door den onverwachten slag bedwelmde hoofd, in de
beide handen. Het duurde lang eer zij de papieren, die het geheim van
haar leven ontsluieren zouden, vermocht te ontvouwen. De beeltenissen
harer ouders lagen voor haar; onafgewend hield zij hare oogen daarop
gevestigd, maar de stroomende tranen verduisterden haar gezicht.
Eindelijk brak zij de vijf zegels van den aan haar gerichten brief open
en las, wat Ruschka met eene, door ouderdom bevende hand geschreven had:

          „Mijn dierbaar Kind!

„Zoolang ik leefde, bond een strenge, vreeselijke eed mijne tong;
wanneer ik van de aarde weggenomen ben, zal mijne stem nog uit het graf
oprijzen, om u de geheimen te ontdekken, die op uwe geboorte rusten.
Gij zijt niet de dochter van den graaf en de gravin Dolgorow. Slechts
eenige dagen waart gij oud, toen zij u in Duitschland na den dood uwer
moeder als kind aannamen. De graaf was toenmaals reeds vier jaren
gehuwd; hij had de hoop om vader te worden, opgegeven. De ledigheid
van een kinderloozen echt, als ook zijne begeerte om vreemde landen
te leeren kennen, hadden hem tot het ondernemen van groote reizen
bewogen. In Mei van het jaar 1793 bevond hij zich te Pyrmont; hier
leerde hij uwe moeder kennen, die zich als weduwe met haar vijfjarig
zoontje, Benno genaamd—gij waart nog niet geboren—daar ophield,
om haar ondermijnde gezondheid te herstellen. Zij heette Louise
Waldheim; haar man was officier geweest en in een duel doodgeschoten.
Daardoor plotseling in een meer bekrompen toestand geraakt, zwak en
ziekelijk, de geboorte van een tweede kind te gemoet ziende, maakte
zij, niettegenstaande hare afgezonderde levenswijze, toch spoedig
de opmerkzaamheid van eenige rijke badgasten gaande. De gravin
Dolgorow, die de eerste verdieping van het huis gehuurd had, waarin
uwe moeder een klein kamertje bewoonde, deed haar het voorstel, als
gezelschapsdame bij haar te komen en daarbij tevens de verplichting
op zich te nemen, om den graaf en haar zelve in de duitsche taal te
onderwijzen, welke zij beiden toenmaals gaarne grondig wilden leeren.
Uwe moeder, door den nood gedwongen, nam dit voorstel aan; drie
maanden later, toen wij Pyrmont reeds verlaten hadden en Zwitserland
en Italië doorreisden, werdt gij geboren. In eene afgelegen herberg in
de omstreken van Freiburg, midden in Zwitserland, hebt gij het eerst
het daglicht gezien. Toen de verlossing uwer moeder naderde, wilde de
graaf haar eerst aan de zorg der eerlijke landlieden toevertrouwen, mij
achterlaten en de reis alleen met de gravin voortzetten, tot wij ons
weer bij hen zouden kunnen vervoegen: doch eene lichte ongesteldheid
der gravin zelve bewoog hem in onze eenzaamheid te deelen, tot uwe
moeder weer geheel hersteld zoude zijn. De arme vrouw herstelde echter
niet; op den elfden dag na uwe geboorte stierf zij. Ik was hare
verzorgster in de laatste dagen haars levens; stervende droeg zij
mij de zorg voor hare kinderen op en stelde mij hare gansche kleine
nalatenschap voor u ter hand. Daaronder waren ook de trouwringen van
haar en haren echtgenoot. Terstond na de begrafenis bemerkte ik,
dat de graaf zich met een gewichtig plan moest bezig houden. Hij
sloot zich meermalen met de gravin op, hield lange, niet zelden zeer
hevige redewisselingen met haar en sprak, wanneer ik tegenwoordig
was, dikwijls engelsch, dat ik niet verstond; nochtans bemerkte ik
duidelijk, dat gij het onderwerp van het gesprek zijn moest, daar zij
u gedurig met eene zonderlinge opmerkzaamheid beschouwden. Eenige
dagen daarna gaf de graaf, onder voorwendsel, dat hij in Italië
inboorlingen in zijn dienst wilde nemen, aan zijne beide duitsche
bedienden hun afscheid, schonk hun reisgeld en liet hen naar hun
vaderland terugkeeren. Eindelijk riep hij mij op een morgen alleen en
verklaarde mij, dat hij voornemens was, u als zijne dochter aan te
nemen. Natuurlijk was ik daarover zeer verheugd, wijl het lot der beide
kinderen mij reeds niet weinig verontrust had; maar spoedig veranderde
mijne vreugde in diepe droefheid, toen hij mij zeide, voor den broeder
op eene andere wijze te zullen zorgdragen, daar het volstrekt geheim
moest blijven, dat de gravin niet de echte moeder van het kind was.
„Dus moeten dan de kleinen gescheiden worden!” riep ik verschrikt en
bedroefd uit.—„Het zal geen ongeluk voor hen zijn, die elkander nooit
gekend hebben,” antwoordde de graaf. „Gij zijt de eenige, die van
het geheim weet, en ik eisch van u, dat gij mij op de gewijde hostie
zweert, het nimmer te zullen ontdekken. Breekt gij uw woord, herinner
u dan, dat gij en uwe broeders lijfeigenen zijn en dat ik u door één
woord weder in den staat der diepste slavernij kan terugslingeren.”
Deze bedreiging was vreeselijk. Mijne broeders waren door de gunst van
den ouden graaf, den vader van uw pleegvader, welgestelde kooplieden in
Petersburg geworden; maar de trotschheid der russische grooten, die er
roem op dragen, rijke lijfeigenen te bezitten, was oorzaak, dat hij hun
de vrijbrieven steeds geweigerd had. Ik wist, welk een verschrikkelijk
lot hun en mij zelve boven het hoofd hing, wanneer ik den eed weigerde.
Daar bovendien het besluit van den graaf uw geluk verzekerde, daar ik
bedacht, dat gij aan een broeder, dien gij nooit gekend hadt, niets
verliezen kondt, daar eindelijk de graaf mij beloofde, voor den knaap
grootmoedig zorg te zullen dragen, besloot ik, mij aan zijn wil te
onderwerpen. Doch thans, in het uur van mijn naderenden dood, nu gij,
mijn geliefd kind, verre van mij omzwerft, thans eerst bekruipt mij
een zware gewetensangst en kan ik niet besluiten, dien last met mij in
het graf te nemen. Ik weet, welke oorzaken den graaf bewogen, u tot
zijne dochter aan te nemen. De gravin kon een aanmerkelijk deel harer
goederen eerst dan erven, wanneer zij moeder was. Het was geen liefde,
het was eigenbaat, die hen dit plan deed ontwerpen. Voor twee jaren
eerst, kort voor uwe afreis naar Engeland, is haar die erfenis te beurt
gevallen, die nauwelijks toereikend was, om des graven door zucht tot
praal en verkwisting geheel versmolten vermogen eenigermate weder te
herstellen. Thans hoopt hij door u, wier schoonheid en engelachtige
goedheid aller harten moeten innemen, een rijken schoonzoon te winnen.
Gij zijt in den stand der rijken, der voornamen opgevoed, gij hebt
de voordeelen eener vrije geboorte verkregen. O lieve, zij zijn
onberekenbaar! Verneemt gij het geheim uwer geboorte te vroeg, zoo kunt
gij ze verliezen. Daarom zal het u eerst ontdekt worden, wanneer gij,
als de gade van een vrijen Rus, voor eeuwig van de rechten van uw stand
verzekerd zijt. Aan den vromen vader Gregoor heb ik gebiecht, wat mij
op het hart drukte; ik vertrouw het aan dit papier toe, opdat hij het
in de sakristij beware, het vernietige, wanneer gij ongehuwd sterven
mocht, en het u overgeve, wanneer niemand u dat, wat gij met het
verlies eens broeders gewonnen hebt, ontrooven kan.”

Feodorowna moest het blad uit de hand leggen, daar tranen haar
verhinderden verder te lezen. Het ongeduld echter, om meer, en vooral
ook het lot van haren broeder te vernemen, richtten haar spoedig weder
uit die afmatting op.

„Nadat ik den eed had afgelegd, dien de graaf van mij vorderde,
verliet ik zijne kamer. De lieve vijfjarige knaap, uw broeder, huppelde
mij vroolijk te gemoet en wees mij met zijn vingertje op de wieg, om
mij te doen opmerken, dat gij zoo gerust sliept. Thans dacht ik aan
de beide ringen. Een donker voorgevoel, waarvan ik mij zelve geene
rekenschap wist te geven, spoorde mij aan den knaap ten minste dat ééne
aandenken te laten. Haastig nam ik zijn kleedje en naaide den eenen
ring in den gordel daarvan vast. Wel mij, dat ik het gedaan had, want
eenige minuten later trad de graaf binnen en beval mij den knaap aan
te kleeden, daar hij met hem wilde uitrijden. Een veelbeteekenende
blik zeide mij, wat hij voorhad. Onder snikken en tranen voldeed
ik aan het bevel. De knaap begreep niet, waarom ik weende, maar
verheugde zich slechts in den schoonen rit. Zijn ongeduld, ja zijne
onstuimigheid—want hij was even wild en driftig als goedhartig—kon
het oogenblik, dat hij met den graaf in het rijtuig zou klimmen,
onmogelijk afwachten. „Mij drukt hier iets,” riep hij verdrietig, toen
ik hem het kleedje toeknoopte, en hij greep naar den ingenaaiden ring.
Bezorgd, dat hij zelf op die wijze mocht verraden, wat ik gedaan had,
sneed ik haastig met de schaar een ingelegden naad van het rokje los,
om de spanning te doen ophouden. Had de graaf mijn geheim ontdekt, het
zou slecht met mij zijn afgeloopen.—Tot mijne verwondering zag ik,
dat de reiswagen met postpaarden bespannen was. De graaf steeg met het
kind in, en ik heb het sinds dien tijd niet weer gezien. Wat er van hem
geworden is, weet ik niet, want den volgenden morgen reed ik, met de
gravin en u, den, zooals het heette, vooruit gereisden graaf na, dien
wij na drie dagen te Keulen weder aantroffen. Hij zweeg; ik dorst niets
vragen. Vandaar vertrokken wij naar Holland en staken vervolgens naar
Engeland over, daar de tijdsomstandigheden het gevaarlijk maakten naar
Italië te reizen. Eerst na drie jaren keerden wij naar Rusland terug
en gij gingt nu door voor de gravin Feodorowna Dolgorow en werdt als
zoodanig opgevoed. De ring, dien ik u, mijn dierbaar kind, bij mijne
afreis gaf en u zoo dringend bad, niet te verliezen, maar steeds uit
liefde tot mij te dragen, is de trouwring uwer moeder. Door hem kunt
gij wellicht nog eens uw broeder wedervinden. Meer heb ik niet te
ontdekken. Ik bezweer u echter, bewaar deze geheimen in het diepste van
uw hart en houd ook voor uwe pleegouders verborgen, dat gij daarmede
bekend zijt, want zij zouden aan mijne nog levende broeders vreeselijk
wraak nemen. Niemand weet iets van hetgeen ik u mededeelde dan gij
en vader Gregorius, wien het heilige zegel der biecht voor eeuwig de
lippen sluit.

En nu vaarwel, mijn geliefd kind. Vergeef mij, wat ik tegen u misdaan
heb, om der liefde wil, die ik steeds voor u koesterde. Mocht gij op
aarde zoo gelukkig zijn, als gij goed en schoon zijt, dan zult gij niet
zooveel tranen vergieten, niet zooveel angst en kommervolle nachten
doorbrengen, als ik in mijn leven geteld heb. Uwe oude, getrouwe,
zeventigjarige voedster

                                                          RUSCHKA.”


HOOFDSTUK II.

Feodorowna was in de hevigste gemoedsbeweging en wist in haren angst
tot geen besluit te komen. Nu wilde zij Gregorius roepen, dan naar hare
pleegouders snellen, dan wederom haren echtgenoot alles ontdekken. Met
door tranen verduisterde oogen beschouwde zij de beeltenissen harer
ouders. „O, hoe zacht, hoe teeder zijn de trekken mijner moeder, hoe
edel, vurig, mannelijk die mijns vaders!” zuchtte zij, bij den aanblik
der geliefde, nooit gekende dooden. „Ach, gij zoudt uwe dochter warmer
bemind hebben! Thans weet ik, waarom ik geofferd werd.” Lang stond
zij besluiteloos; eindelijk schelde zij Jeannette en liet door deze
Gregorius roepen. Hij had in de voorzaal gewacht. „O mijn vader, mijn
redder, wat heb ik te doen!” riep zij hem toe en wrong de handen; „wat
moet ik rampzalige nu beginnen!” Daar voelde zij Ruschka's ring aan
haren vinger. „Dit is het eenige teeken,” vervolgde zij, „waaraan ik
mijn broeder weder herkennen kan. Ach, onlangs was ik op het punt van
het voor altijd te verliezen! Doch God waakte over mij! Het was—o
vergeef mij, ik wilde een nutteloos verhaal beginnen, nu, daar de
seconden onschatbaar zijn. Wat raadt gij mij, vader? Wat moet ik doen?
Ik ben niet langer graaf Dolgorows dochter, ben hem niet meer het offer
mijns levens schuldig.”

„Gij hebt het gebracht,” viel Gregorius haar zacht, maar ernstig in
de rede, „gij zijt de gade van vorst Ochalskoi, het onverbrekelijk
sakrament der kerk heeft u vereenigd, en die band kan alleen door den
dood verbroken worden.”

„O hemelsche barmhartigheid!” snikte Feodorowna; „ook dan niet, wanneer
hij door bedrog en leugen gesloten is?”

„Ook dan niet, mijne dochter!”

„Zoo moge ik zijne gade heeten, maar nimmer wil ik het zijn, voor en
aleer mij de broeder, die mij ontroofd werd, is teruggegeven. O, waarom
drong het licht der waarheid niet één eenige dag vroeger tot het zwarte
weefsel des bedrogs door! Gregorius, gij kondt mij hebben gered uit
dezen afgrond des jammers, maar uw mond zweeg!”

Uitgeput zonk zij op een stoel neder en liet de armen machteloos
zinken. Gregorius trad op haar toe en greep hare hand in de zijne,
terwijl hij de andere ten hemel hief: „Geloften zijn heilig, zijn
onschendbaar, mijne dochter. De Heer zegent hen, die het Hem gegeven
woord trouw gestand doen. Bedenk ook gij zulks, die heden voor Zijn
heilig aangezicht eeuwige trouw, liefde en gehoorzaamheid beloofd hebt.
Denk aan de beden der stervende, aan het lot harer....”

„Hoe?” riep Feodorowna onstuimig, „zou de vrees voor eene nieuwe
euveldaad van hem, die mij den broeder ontroofd heeft, mij beletten,
mijne heiligste rechten te doen gelden? Ruschka vreest voor het lot
harer broeders; moet ik daarom den mijnen voor eeuwig verliezen? Neen,
den graaf Dolgorow onder de oogen treden, dat wil ik en hem vragen:
Waar is mijn broeder? Hij alleen is in staat, mij hem terug te geven.”

„Dierbare dochter, gij zijt buiten u zelve, gij weet niet, wat gij
doen wilt,” sprak Gregorius; „maar gij moet kalmer worden en anders
handelen. Hoe, wanneer graaf Dolgorow Ruschka's bekentenis voor valsch
verklaarde? En kon hij anders, wanneer hij zich niet de verderfelijkste
gevolgen op het hoofd wil laden? Of waant gij, dat de moed tot die
leugen hem zou ontbreken, die den moed tot de daad bezat? Welke
bewijzen hebt gij tegen hem? Zal zijne getuigenis niet meer gelden,
dan die eener arme lijfeigene? Hebt gij den heiligen doop niet als
zijne dochter ontvangen? Heb ik zelf u niet in deze kerk de slapen
bevochtigd met het gewijde water des Heeren? O mijne dochter, bedwing
thans uw overstelpt hart, want gij zoudt slechts ramp op rampen hoopen!
Den haat des vaders, der moeder, van den echtgenoot zoudt gij op u
laden, tweedracht en verwarring uitzaaien en door dat alles noch raad
noch troost winnen. En kunt gij den heiligen eed vergeten, dien gij
voor eenige uren hebt afgelegd? Is het uw echtgenoot, die u bedrogen
heeft? Moogt gij hem trouw en gehoorzaamheid ontzeggen, wijl anderen u
onrecht deden? En was dat onrecht niet met duizende weldaden verbonden?
Zijt gij niet met liefde en zorgvuldigheid grootgebracht?—Neen, mijne
dochter, wijk niet af van het pad der zachtmoedigheid en lijdzaamheid,
dat de Heer u gebiedt te bewandelen. Blijft u nog eenige hoop, den
broeder immer weder te vinden, dan is het slechts, wanneer gij nu
zwijgt en het geheim in de diepte van uw hart bewaart. En weet gij
dan, of gij niet misschien hem zelven ten verderve brengt, wanneer gij
eischt, dat hij u worde teruggegeven? Kunt gij weten, hoe ver of hoe
nabij hij zijn kan? Hoor naar de woorden van uw ouden, trouwen vader,
beloof hem, dat gij zijn raad volgen wilt, dan zal hij u zoolang hij
nog op aarde omwandelt met getrouwe liefde op zijde staan. En roept de
Heer hem van hier weg, dan zal hij nog daar boven den zegen des hemels
op uw hoofd afsmeeken.”

De grijsaard hield Feodorowna's hand in de zijne geklemd. Eene
krampachtige trekking beefde door haren, onder den hevigsten kamp
zwoegenden boezem. „Nu welaan dan, het zij zoo,” sprak zij eindelijk.
„Ook dat is overwonnen. Ik beloof u te zwijgen, Gregorius. Maar,”
vervolgde zij, zich met hoogheid oprichtende en de rechterhand plechtig
ten hemel heffende, „ik zweer ook.... en de Almachtige moge mijn eed
vernemen!.... ik zweer ook, van dit uur af onvermoeid naar mijn broeder
te vorschen, en wanneer ik hem vind, dan zal geene macht op aarde mij
terughouden, hem aan het hart te sluiten en te roepen: Ik ben uwe
zuster!—Ik moet mij thans weder naar het gezelschap begeven; ik kan
het, ik ben bedaard. Verlaat mij, mijn vader; maar bezoek mij morgen
nog eenmaal, eer ik dit slot misschien voor eeuwig vaarwel zeg.”

Zij reikte hem de hand. Gregorius legde de zijne zegenend op haar
gebukt hoofd en knikte haar sprakeloos vaarwel toe.

Feodorowna had nog eenige oogenblikken noodig eer zij genoegzaam
bedaard was, om weder in het gezelschap te kunnen verschijnen; juist
wilde zij het vertrek verlaten, toen de deur geopend werd en Ochalskoi
binnentrad. Verschrikt en bevende week zij onwillekeurig eene schrede
terug.

„Heb ik u verschrikt, lieve?” vroeg de binnentredende, haar verbleeken
gewaar wordende, op vleienden toon en bracht hare hand aan zijne
lippen. „O, gij zult mij vergeven, dat mijn verlangen mij dreef u op te
zoeken. Bijna een uur mist men u. Ik kan u niet berispen, dat gij het
gezelschap ontvlucht; maar gij zult licht begrijpen, dat mij dezelfde
neiging voortdrijft, Feodorowna! Het gelukkigste uur mijns levens heeft
geslagen. Ik sluit de schoonste, de beste, de beminnenswaardigste
van haar geslacht in mijne armen. De scheidsmuur is nu tusschen ons
gevallen; zult gij nu ook geheel met liefde de mijne zijn?”

Hij had haar bij deze woorden vertrouwelijk omvat en kuste hare bleeke
lippen en wangen. Sidderend vermocht zij noch weerstand te bieden, noch
op zijne teedere liefdetaal te antwoorden; sprakeloos duldde zij de
liefkoozingen, waartoe hij gerechtigd was.

„Wanneer gij wilt, Feodorowna,” ging hij dringender voort, „is het
oogenblik onzer vereeniging daar. De ras voorbijsnellende minuten van
ons geluk zijn zoo spaarzaam afgemeten, dat het wreedheid ware, ze
moedwillig te verkorten. Zoudt gij dat willen, geliefde? Wij zijn in
het vertrouwelijke heiligdom der liefde, niemand kan ons meer storen.
Uwe moeder zelve zeide mij, u op te zoeken. De gasten hebben zoo even
het slot verlaten. Slechts de landlieden en bedienden vieren thans nog
op hunne wijze bij dans en spel den dag van ons geluk; ook Jeannette
heb ik weggezonden; of hebt gij nog iets noodig? Geliefde, de tijd is
kort, dien wij het lot ontrooven, dat ons morgen reeds weder vaneen
scheidt; laat ons dien dan gebruiken. Niet waar, gij laat mij niet
weder gaan?”

De angst roofde der ongelukkige de spraak. Ochalskoi hield haar zwijgen
voor maagdelijke schaamte, haar stom lijden voor minnend, niet langer
weerstrevend toegeven, het krampachtig hijgen harer borst voor de
onstuimige opwelling der overstelpende liefde.

Driftig drukte hij zijne gloeiende lippen op hare verbleekte wangen en
sloot haar met den rechterarm aan zijne kloppende borst, terwijl hij
met de linkerhand hare rijke haarvlechten losknoopte.

Met reeds bezwijmende krachten trachtte Feodorowna zich uit zijne
omarming los te winden. „Ik versta u, hemelsch meisje,” fluisterde hij,
„uw zwijgende lip is zoet welsprekend! Slechts in een heilig duister
bloeit de zachte nachtbloem der liefde.” Hier liet hij de angstig
afwerende los, om de op de tafel brandende lichten uit te dooven. Zij
wilde hem ontvluchten, maar wist niet meer, wat zij deed; de handen
wringende, wankelde zij op de deur van het bruidsvertrek toe, opende
die en zeeg met een luiden angstkreet bewusteloos op den grond neder.

Ochalskoi sprong, zelf hevig verschrikt, op haar toe; want toen
Feodorowna de deur had geopend, zag hij hare gestalte door een
donkerrooden gloed verlicht en een breeden, bloedigen vuurschijn in het
duistere vertrek vallen.

„Dood en hel, wat is dat?” riep hij, toen de gloeiende weerglans hem
uit het nevenvertrek in de oogen straalde.

Het was het brandende Smolensko, welks hoog opflikkerende vlammen juist
door het zwarte rookkleed heenbraken, dat haar zoolang omhuld had. De
vesting lag juist tegenover de vensters van het bruidsvertrek, waar de
gordijnen nog niet neergelaten waren.

Ochalskoi hief de onmachtige Feodorowna op, sloot haar in zijne armen
en trachtte haar gerust te stellen. „Wees bedaard, lieve! Het is eene
vreeselijke bruidsfakkel, die ons ontstoken wordt, maar zij zal onze
heilige verbintenis niet storen. De tijd zal komen, dat wij de toortsen
der wraak zwaaien.”

Feodorowna's oog bleef gesloten. Ochalskoi wist niet, of hij hulp
vragen dan alleen beproeven zou, haar in het leven terug te roepen.
De donkerroode weerschijn der vlammen speelde op de doodelijk bleeke
wangen der onmachtige, zoodat zij door den zachten lichtgloed der
avondschemering bestraald scheen. „Gij zult aan mijne borst ontwaken,”
stamelde hij, haar met bevende armen omvattende en gloeiende kussen op
haren mond drukkende; „Feodorowna, ontwaak, of neen, blijf....” In dit
oogenblik vielen drie schoten in de nabijheid.

„Wat was dat!” riep Ochalskoi, sprong op en rukte het venster open. Het
geschreeuw van verwarde stemmen en dadelijk daarop eene onregelmatige
losbranding van geweer- en pistoolschoten, die het gevecht van een
aantal strijders aanduidden, drongen door de stilte van den nacht in
zijn oor.

„Overrompeling! Verraad!” riep hij in dolle woede. „Dood en verderf,
en in dit uur!” Met deze woorden stoof hij onstuimig op de deur toe en
snelde naar buiten.

In het slot heerschte reeds eene onbeschrijfelijke verwarring. De
bedienden en landlieden waren het eerst door het kleppen der stormklok,
die het uitbarsten van den brand verkondigde, in hunne vreugde gestoord
geworden. Thans had men de krakende schoten gehoord en waande den
vijand reeds binnen de muren van het slot. In gangen en zalen, op
trappen en portalen verdrongen knechts en vrouwen, speellieden en
landmeisjes elkander in steeds toenemend gewoel.

„Sluit de poort,” riep Dolgorow. „De brug op! verzamel u op het
slotplein. Geen moed verloren! Het kan een blind alarm zijn!”
Terwijl hij zich te vergeefs beijverde, door deze bevelen de orde te
herstellen, kwam een boer ademloos de poort binnensnellen en riep: „De
vijand, de vijand! Zij overvallen ons! Vlucht allen in het bosch!”

De verschrikte slotbewoners, de landlieden en alle meisjes vlogen met
luid angstgeschreeuw en gejammer naar hof en tuin, deels om zich te
verbergen, deels om te ontvluchten. Anderen drongen door de slotpoort,
om hunne huizen in het dorp te bereiken. Het ophalen der brug en
sluiten der poort werd daardoor geheel onmogelijk. Schuimbekkend van
woede hieuw Dolgorow met de vlakke sabel op de vluchtenden, die hem
niet gehoorzaamden in, en vermeerderde daardoor de ontsteltenis en
verwarring.

Thans rende een troep vluchtende kozakken de poort voorbij en huilde:
„De vijand! De vijand! Vlucht, steekt aan!”

„Het is te vergeefs, weerstand te beproeven,” riep Ochalskoi, die zich
intusschen met sabel en pistolen gewapend had. „Laat ons slechts de
vrouwen redden. Wij vluchten door den tuin en bereiken zoo het woud,
waar wij volkomen in zekerheid zijn.”

„Ten minste de poort moet versperd worden,” schreeuwde Dolgorow,
„anders baat de schandelijke vlucht ons niets.”

Thans vond zijn bevel gehoor, daar de ingang juist vrij was. Hij zelf,
Ochalskoi en drie bedienden trokken ijlings de kettingen, waarmede de
vleugeldeuren aan den slotmuur vasthaakten, terug, wierpen de poort toe
en schoven de grendels er voor.

Het was hoog tijd, want juist rende Rasinski aan de spits zijner
manschappen den heuvel af, en nauwelijks was de deur gesloten, of men
hoorde reeds de donderende hoeven der paarden op de ophaalbrug.

Dolgorow en Ochalskoi vlogen de trappen op naar het bruidsvertrek, om
Feodorowna te redden, terwijl de gravin ijlings hare kleinooden en
hetgeen zij op de vlucht noodzakelijk behoefde, bijeen raapte. Het
gedruisch had de onmachtige uit hare bedwelming doen ontwaken. Met
kalmte—want uitwendige schrik oefende weinig geweld op haar uit, die
thans niets meer vreesde—had zij hare kleeding reeds veranderd en
hare belangrijkste bezitting, eenige brieven en de beeltenissen harer
ouders, bij zich gestoken. Haastig wierp zij den mantel om en snelde
met vasten tred aan de zijde van haren echtgenoot naar de zaal, waar de
gravin wachtte. Toen men het voorplein bereikte, beukten de stormenden
zoo geweldig tegen de poort, dat men elk oogenblik verwachten moest,
die te zien bezwijken. Echter konden de vluchtenden niet dan langzaam
doordringen, want een aantal bedienden en landlieden, thans van den
eersten schrik bekomen, sleepten van alle zijden groote bundels hooi,
stroo en rijshout aan, om de ruimte voor de poort daarmede op te
vullen. „Wij willen hen door een vuurwal van ons scheiden,” riep
Dolgorow en schoot zijn pistool in het droge stroo af, dat dadelijk
vuur vatte. „Nog meer hooi, stroo en takkenbosschen; dat de rook en
walm de honden verstikke, wanneer zij het slot willen indringen!”
riep de verbitterde Rus, en in hun ijver verstikten de dienaars bijna
in de vlammen door de menigte van ras opgeworpen brandstoffen. „Zoo,
goed zoo, jongens!” riep de graaf, „steekt het slot aan de vier hoeken
aan; daar wij het verlaten moeten, willen wij het ook den vijand niet
gunnen.”

Daar hij zag, dat zijn bevel werd opgevolgd, ijlde hij Ochalskoi en de
vrouwen na, die reeds door den tuin vluchtten, om door eene achterpoort
het woud te bereiken. Weldra hadden ook de teruggebleven bedienden
hunne meesters achterhaald, en toen men omzag, steeg een zwarte, dichte
rookzuil uit de slotmuren op.

„Zij zullen niet lang in het kasteel huizen,” riep een der knechten met
honende jubel; „in elken stal brandt een duchtig bos stroo. Eer tien
minuten om zijn, moet de vlam boven de daken uitslaan. Zij zal ons,
denk ik, nog een poosje in het bosch voorlichten. Jammer, dat wij de
paarden niet konden meênemen, doch daartoe was geen tijd, laat staan
tot zadelen en optoomen.”

„Zwijgt thans,” gebood Dolgorow; „onze vlucht zij zoo stil mogelijk.”
Zacht, maar met verhaaste schreden ijlden de vliedenden voorwaarts.
Nog hadden zij den grensmuur van het park niet bereikt, toen zij de
heldere vlam reeds door de groene boomen zagen blinken. Door de kleine
achterpoort geraakte men op het vrije veld en snelde langs een smal
voetpad op het nabijgelegen woud toe. Juist was men den zoom daarvan
genaderd, toen eene talrijke ruiterbende in gestrekten galop den hoek
van den tuinmuur omsloeg, om de vluchtelingen na te zetten. In vollen
loop ijlden dezen op het bosch toe, maar met losse teugels renden de
ruiters hen na, en eer het veilige toevluchtsoord nog bereikt was,
floten de pistoolkogels door de lucht, en flikkerden dadelijk daarop de
blinkende sabels boven de hoofden der vluchtenden.

Inmiddels had Rasinski met twee aan den weg gevonden boomstammen de
slotpoort onder den voet geloopen. Zoodra die opensprong, sloeg hem
een verstikkende, gloeiende rook te gemoet, doch eensklaps gierde de
stormwind door de hem geopende baan, joeg de vlam naar binnen op hof
en tuin aan en werd het smeulende hooi, stroo en rijs door den hevigen
luchtstroom mede voortgedreven, zoodat men geene kunstige kunstmiddelen
noodig had, om zich den weg te banen. In twee minuten had de storm alle
vonken uitgedoofd, en slechts een aschhoop in het voorportaal verried
nog de sporen van het aangelegde vuur. Onverwijld drong Rasinski nu
met zijne scharen het gebouw binnen en riep: „Bezet alle ingangen!
Laat niemand ontkomen. Boleslaw, gij rijdt rechts met uw escadron den
slotmuur om, Jaromir links. Alle gevangenen worden hier gebracht.
Niemand wage zich in het dorp! Het slot blijft onze verzamelplaats.”

Driftig sprong hij van het paard en ijlde, door de boden, Lodewijk,
Bernard en eenige officieren gevolgd, de trappen op, ten einde het
binnenste van het gebouw zelf te onderzoeken. Spoedig had hij de
lange rij van vertrekken doorkruist, daar alle deuren openstonden,
terwijl alles de overhaaste vlucht der bewoners verried; maar zijne
navorschingen bleven vruchteloos en verdrietig begaf hij zich naar
de groote zaal terug. „Zou het nog mislukt zijn?” riep hij mismoedig
uit. „Ik vrees, dat de brand van Smolensko ons onzen buit heeft doen
verliezen en de bruiloftsgasten te vroeg uiteengejaagd!”

De bode haalde de schouders op en hernam: „Mijne schuld is het
niet, heer overste; ik heb u goed onderricht. Was de vesting niet in
brand geraakt, zoo zouden wij hier geweest zijn, eer een mensch onze
tegenwoordigheid vermoed had, en de generaals en andere hooge gasten
waren uwe gevangenen geweest.”

„Gij hebt uw loon verdiend, neem,” antwoordde Rasinski en wierp den Rus
eene beurs toe, die deze begeerig opving.

„Wanneer wij thans slechts een weinig infanterie met een paar kanonnen
hadden,” vervolgde de overste, tot de officieren gewend, „zou ik,
zonder een oogenblik te aarzelen, daarmede de achterhoede aangrijpen
en haar door een onverhoedschen aanval ten minste een duchtigen schrik
aanjagen. Zooals wij hier zijn, is het echter niet raadzaam, ons dieper
in het land te wagen. De infanteriepatrouilles en de bende kozakken,
die wij bij het dorp aantroffen, moeten toch alarm gemaakt hebben, en
licht kon een overmachtige hoop tegen ons aanrukken, die ons, bij het
ééne smalle pad, dat ons tot den terugtocht blijft, hoogst verderfelijk
zou zijn. Mij dunkt dus, wij laten verzameling blazen, trekken onze
troepen weer bijeen en keeren even stil over den stroom terug, als wij
gekomen zijn.”

De officieren waren van dezelfde meening.

Weldra keerde Boleslaw, zonder iets ontmoet te hebben, met zijne
ruiters terug en werd spoedig daarop door Jaromir gevolgd, die eenige
bedienden van den graaf als gevangenen medevoerde. „Ik stiet,”
berichtte hij, „dicht bij het woud op de vluchtenden. Het waren de
bewoners en bedienden van het slot met eenige vrouwen; een deel vlood,
anderen boden tegenstand. Bij het licht der vlammen, die van het
slotplein oversloegen, bemerkte ik een officier, die eene jonge dame op
zijne armen naar de dichte struiken trachtte te dragen, waar wij met
onze paarden niet voortkonden. Ik sprong uit den zadel en poogde hem
in te halen; toen ik door het hout heenworstelde en hem naderde, zette
hij de dame op den grond neder en wachtte mij af. Ik riep hem toe, dat
hij zich gevangen zou geven, maar hij schoot op mij, doch miste. Nu gaf
ik vuur; hij viel. Juist wilde ik toespringen, toen eenige Russen zich
tusschen hem en mij in wierpen en mij terugdrongen, zoodat ik bijna
overweldigd was geworden. Gelukkig bereikte ik nog eene vrije plaats,
waar mijne lieden mij te hulp konden komen. Zij bevrijdden mij en wij
maakten drie gevangenen. Volgens hun zeggen was de getroffene vorst
Ochalskoi, die heden met de dochter van graaf Dolgorow, wien dit slot
toebehoort, moet getrouwd zijn.”

„Ware ons ten minste die ééne vangst gelukt,” riep Rasinski
mistroostig; „maar dat wijt ik u niet, Jaromir, want gij hebt meer dan
uw plicht gedaan,” voegde hij er vriendelijk bij. „Het geluk heeft ons
niet genoeg begunstigd. Maar laat ons nu opbreken, eer het ons nog
verder tegenloopt.”

Nadat men zich overtuigd had, dat er onder de gevangenen niemand van
beteekenis was, liet men hen vrij, met de bedreiging, van hen dadelijk
te zullen neersabelen, zoodra men hen weder in handen kreeg. Op die
wijze trachtte Rasinski te verhoeden, dat men zijn terugweg naspoorde,
wijl hij in het oogenblik, dat hij over den Dnieper terugtrok, door een
aanval in den hachelijksten toestand kon gebracht worden. Ook wilde hij
de lieden in den hun opzettelijk ingeprenten waan laten, dat hij door
een aanzienlijk legerkorps gedekt werd, dat in den nacht over de rivier
was getrokken. Zoo begaf men zich weder op marsch en liet de brandende
schuren en stallingen aan de woede der vlammen over.

Eerst toen men de rivier doorwaad en den anderen oever bereikt had,
bemerkte Rasinski dat de oude Petrowski en Bliski, een geoefend, dapper
ruiter, vermist werden. Vol bezorgdheid zond hij Boleslaw met eenige
manschappen terug, om hen op te zoeken. Twee uren wachtte hij op diens
terugkeer; eindelijk kwam hij, maar zijne pogingen waren vruchteloos
geweest, de beide wakkere kameraden schenen verloren.

„Zouden wij deze beide dapperen ten offer moeten brengen?” riep
Rasinski. „Vrienden, laat ons nog hopen, wellicht zijn zij slechts
verdwaald en keeren tot ons terug. Wij moeten er nu den geheelen nacht
aan wagen en willen langzaam verder trekken, om van tijd tot tijd
seinen te geven. Hier zijn wij immers volkomen in veiligheid.”

De trouwe krijgsmakkers gehoorzaamden gaarne, want het waarschijnlijke
lot hunner kameraden ging hun allen na aan het hart. In tragen stap en
onder diep stilzwijgen reed men langs den oeverkant voort.

„Hoor! Wat was dat?” vroeg Rasinski den nevens hem rijdenden Boleslaw.
„Ruischt het niet in het water? Het was, alsof iemand van den anderen
oever neerplompte. Halt!”

„Waarachtig, daar beweegt zich iets,” fluisterde Boleslaw. „Zal ik
aanroepen?”

„Nog niet, wij moeten eerst beter kunnen zien; men kan niet weten, wat
het is, want wij zijn hier reeds dicht bij de vesting. Het zijn twee
zwemmers.”

„Werda? Halt! Antwoord!”

„Goed vriend,” antwoordde de welbekende stem van Petrowski en eene
algemeene juichtoon ging er op. Twee minuten later sprongen zij aan
land.

„Die mij liefheeft omarme mij niet!” riep Bliski, eenige kameraden
koddig afwerende; „wij zijn van boven tot onder slijk en eendekroos;
brr! het bad was frisch.”

„Hoe komt gij te voet, spreekt op, vertelt!” vroeg Rasinski met
belangstelling.

„Bliski was mijn redder,” begon Petrowski.

„Gekheid, laat mij vertellen,” viel de vroolijke ruiter hem in de rede.
„Toen wij naar het slot wilden terugrijden, kwam hij te vallen; drie
russische spitsboeven, die zich in de struiken verborgen hadden, kwamen
voor den dag springen, om hem te plunderen. Gelukkig zag ik het en
vloog er op in. Daar beukt een van de schurken mijn arm paard met een
knuppel op de hersens, dat het schuw op zij springt en ik uit den zadel
tuimel. Des te beter, dacht ik, en stond gauw op de voeten. Tegen ons
tweeën dorsten de helden geen stand te houden; maar de paarden waren
de vlakte opgeloopen. Daar wij niet weten konden, of het kreupelhout
meer soortgelijke vruchten droeg, sukkelden wij te voet op het slot
aan, in de hoop, dat onze arme dieren den grooten hoop wel achterna
zouden draven. Maar nu sneed het uit het dorp vluchtende kanalje ons
den weg af. Wij moesten het bosch in en dwaalden in het donker heen
en weer, maar hielden altijd de vlammen van Smolensko in het oog.
Eensklaps staan wij voor een grooten weg, dien ik dadelijk voor de
baan naar Moskou herken; want ik ben lang in Rusland geweest en hier
zoo redelijk goed bekend, heer overste. Juist toen wij uit de struiken
wilden treden, om eens in het rond te loeren, ziet de wachtmeester
gelukkig, dat er een troep ruiters aankomt; wij als de wind weer onder
het hout gekropen en den mond toegehouden. Pas zijn de ruiters voorbij,
of wij hooren het ratelen van kanonnen. Het waren zoo ongeveer honderd
stukken en kruitkarren, ook ander voertuig in menigte; daarop kwam
de infanterie in lange, dichte colonnes, dan weer cavalerie; kortom
een gansch legerkorps; het duurde wel een uur eer alles voorbij was.
Eindelijk werd de baan vrij, wij sprongen voor den dag en keken in het
rond; een tijdlang hielden wij den grooten weg, sloegen toen linksaf
en kwamen binnen vijf minuten aan de rivier.”

Hoe innig het Rasinski ook verheugde, zijne brave lieden gered te
zien, maakte toch Bliski's verhaal ook nog in een ander opzicht zijne
belangstelling levendig gaande. Hij werd namelijk meer en meer in het
vermoeden bevestigd, dat misschien de gansche, ten minste een deel
der bezetting de vesting verlaten had, en besloot derhalve door de
watervoorstad, welke ook voor ruiterij toegankelijk is, in de stad door
te dringen, om de eerste te zijn, die van dit gewichtige, ofschoon
thans weinig gevaarlijke voordeel gebruik maakte. Hij beval daarom
in diepe stilte voort te rukken, en hield zich bij voortduring dicht
aan den rivieroever. Zoo bereikte hij de eerste huizen, zonder op een
enkele schildwacht te stooten. De dageraad begon aan te breken, toen
hij de eerste straat insloeg. Geen geluid, geen spoor verried, dat nog
bewoners in de half ingestorte, half smeulende steenhoopen verwijlden.
Men bereikte eene dwarsstraat; met verbazing zag Rasinski ook door
deze ruiters aankomen. Zij waren van het korps van vorst Poniatowski;
men begroette elkander met vroolijke verrassing en zette den weg in
verschillende richtingen voort. Rasinski reed de buitenstad in en zag
bij de schemering eene mannelijke gedaante behoedzaam rondsluipen. Hij
hield ze voor een Rus en riep dus in die taal aan; doch de persoon
antwoordde niet en zocht te ontkomen. Hopende van hem met zekerheid
te vernemen of de vesting geheel verlaten was, rende Rasinski den
vluchteling na en had hem weldra met eenige lanciers zoozeer in het
nauw gebracht, dat hem geen uitweg meer overbleef. „_Vive l'Empereur!_”
riep de moedige soldaat en leide zijn geweer op Rasinski aan. Thans
eerst herkent deze de fransche uniform en maakte zich aan den
dappere, dien hij voor den vijand gehouden had, bekend. Het was een
onderofficier van het korps van Davoust, die de vermetele onderneming
gewaagd had, om alleen over den muur in de vesting te dringen. Zoo werd
dan de roem van de vijandelijke plaats het eerst betreden te hebben,
ten derde male twijfelachtig. Intusschen was de hoofdzaak ontwijfelbaar
zeker, men bevond er zich in; zeer spoedig overtuigde men zich ook,
dat de Russen de stad verlaten en zich, na het vernielen der bruggen,
op den anderen oever teruggetrokken hadden, waar zij de aldaar gelegen
vestingwerken waarschijnlijk nog bezet hielden.

De dag begon aan te breken en de eerste zonnestralen vielen op een
akelig tafereel. Waar men het oog wendde, ontwaarde men rookende puinen
en opeengehoopte lijken, die bloedend of half verbrand, meerendeels
geheel uitgeschud, op de omgewoelde aarde lagen neergestrekt. Andere
zag men verkoold, zwart van rook en brand, ten deele onder de smeulende
asch bedolven liggen; enkele ledematen des lichaams waren door de
vlammen verschroeid of geheel van vleesch ontbloot; slechts het naakte,
uitgebrande gebeente stak nog te voorschijn. Rasinski had het regiment
teruggevoerd, daar de enge, door ingestorte balken, steen en aschhoopen
versperde straten den doortocht belemmerden; hij zelf reed echter, door
Jaromir verzeld, weder in de vesting terug, ten einde de schouwplaats
der verwoesting nauwkeuriger op te nemen. „Eene treurige overwinning!”
zuchtte hij. „Het bloed, voor de verovering der russische wildernissen
gestort, schijnt bijna vruchteloos verspild, daar zij ons in plaats van
steden en dorpen weldra niets meer dan de aschhoopen zullen aanbieden,
waaronder zij begraven liggen.”

Ook den vroolijken, luchthartigen, aan de sombere tafereelen van
den oorlog gewonen Jaromir liep eene ijskoude rilling over de
leden, toen hij in dezen dampenden baaierd van puin en lijken
rondreed. „Inderdaad,” antwoordde hij, na eenig nadenken: „en nog
onbegrijpelijker is het mij, hoe dit verwoeste land de tallooze
volksmassa's voeden zal, die het van alle zijden overstroomen. Eer hier
niet weer opnieuw gezaaid en geoogst is, zou men gelooven, dat geen
menschelijk wezen in deze woesternij zijn aanzijn ook slechts voor
eenige dagen verlengen kon.”

„De wolf zal naar Polen en Pruisen op roof moeten uitgaan, wijl hij
hier van honger zou omkomen,” sprak Rasinski, bij den half schertsenden
vorm zijner woorden inwendig huiverend.—„Hoor! Muziek!”

Het was de fransche garde, die met vliegende vaandels en luid klinkende
tonen de stad binnentrok. Het vroolijk geschal in dit uur, in deze
omgeving, scheen de vreeselijkste hoon. Rasinski trok zijn paard in
eene zijstraat terug en liet de troepen voorbijtrekken. De muzikanten
bliezen den marseillaanschen marsch; doch deze krachtige tonen, die
anders in elk fransch hart de gloeiendste geestdrift, in elk oog den
vurigsten moed deden ontvlammen, schenen ditmaal eene onverstaanbare
taal tot de dappere krijgers te spreken. Diepe ernst stond op hunne
trekken te lezen; somber richtten zij het oog op de verwoesting rondom
en trokken de zwarte wenkbrauwen dreigend te zamen. Men ontdekte wel is
waar geen spoor van vrees en moedeloosheid op het ruwe, verschroeide,
met breede litteekens bedekte gelaat dezer dapperen, maar ook geene
schemering van vreugde en zelfvoldoening straalde uit hunne blikken.
Met stout opgericht of somber gefronst voorhoofd traden zij over
lijken, puin en asch voort; zij geleken een opkomend onweder in hunne
stomme ijzeren houding.

Thans naderde de keizer op zijn fraaien arabischen schimmel. Hij wierp
de scherpe blikken overal opmerkzaam in het rond, zonder zich daardoor
in zijn levendig gesprek met den generaal Lobau te laten storen.

„De keizer is dezelfde als op de parade te Dresden,” fluisterde Jaromir
met merkbare verwondering.

„Het ligt in zijn aard,” hernam Rasinski, „zich zelf in storm en
zonneschijn steeds gelijk te blijven. Doch wij willen hem volgen; ik
ben verlangend zijne jongste bevelen te vernemen, en misschien geven
die ons nog werk genoeg, eer het avond wordt.”

Met deze woorden drong hij, door Jaromir gevolgd, over de rookende
puinhoopen en nevens het gedrang der binnenrukkende troepen voort, om
zich bij den staf aan te sluiten, met welken de keizer de vesting nader
in oogenschouw nam.


HOOFDSTUK III.

„Ik begin bijna verdriet in het leven te krijgen,” zuchtte Bernard,
terwijl hij een zwaren zak van den schouder liet glijden, waarbij
Lodewijk hem behulpzaam was. „Voor mij zelf had ik den verren,
gevaarlijken strooptocht niet ondernomen, maar mijn arme magere klepper
moet toch ook iets anders te smullen hebben dan onrijpe haver en dor
heigras.”

„Gij zijt gelukkig geweest,” antwoordde Lodewijk, „wij hebben niet
zooveel gevonden. Alles in den omtrek is woest en ledig; de dorpen zijn
verlaten en verbrand. Ik weet niet, hoe dat eindigen moet!”

„Het is waar, wij stevenen een woesten oceaan in, maar hebben een
Columbus aan boord, wiens kompas nog lang streek houdt, wanneer ons
oog geene enkele star aan den hemel meer ziet, waarop wij koers kunnen
zetten.—Doch help mij de paarden voeren, ik kan de dieren niet laten
wachten, totdat Rasinski's rijknecht komt; zij zullen groote oogen
opzetten over het gastmaal, dat wij hun opdisschen.”

„Gaarne,” hernam Lodewijk.—„Het is goed,” vervolgde Bernard,
terwijl hij de haver in den voederzak schudde en den hongerigen
dieren voorhing, „dat wij hier tamelijk afgezonderd liggen en ten
minste nog een oude schuur tot stal hebben bij dit koude, vochtige
herfstweder. Stonden wij op het vrije veld, zoodat men een uur ver zien
kon, wat wij buit gemaakt hebben, wij zouden meer ongenoode gasten
krijgen, dan zomers vliegen op de melk afkomen.—Zie, zie hoe de oude
sukkels smullen! Ja, mijn bruintje, zulke haver is tegenwoordig geen
alledaagsche kost voor u.”

Terwijl beiden in deze genoegelijke bezigheid, de verzorging hunner
paarden, geheel verdiept waren, trad Rasinski binnen, die van een rit
naar het hoofdkwartier, waar hij op de parade geweest was, zoo even
terugkeerde. „Waarachtig,” riep hij, „gij voert immers zoo rijkelijk
en prachtig als in den hofstal van St. Cloud. Waar hebt gij dien schat
opgedaan?”

„Ha, goeden avond!” riepen de vrienden hem vroolijk toe. „Niet waar,”
vervolgde Bernard, „dat zal den kleppers goed doen na den langen
vastentijd? Ik had de dragonders beloerd; zij kwamen met eenige zakken
haver daar ginds uit het bosch aanslepen. Hm, dacht ik, daar is
misschien nog meer te halen, volgde als klein Duimpje het spoor der
verloren korrels en breede laarzen en kwam spoedig aan een gehucht,
waar voor acht dagen misschien een dozijn huizen gestaan hebben, maar
dat thans nog slechts een dozijn puinhoopen vertoont. Ik klauterde
over asch en balken heen, snuffelde alle gaten en spleten rond en vond
eindelijk in een hoek nog dezen zak met haver, dien de dragonders òf
niet gezien, òf, wijl zij hem niet konden meêdragen, daar verborgen
hadden.—Maar gij hebt immers brieven? Wat nieuws?”

„Voor Lodewijk; en gewichtige narichten voor ons allen. Morgen zal het
eindelijk tot een slag komen.”

„Werkelijk?” riep Bernard levendig.

„Eindelijk!” sprak Lodewijk, maar bedoelde daarmede de aankomst der
sinds verscheidene weken gewachte brieven der zijnen. Terwijl hij ze
opende, tikte Rasinski Bernard heimelijk op den schouder en wees hem
met een veelbeteekenenden oogwenk op Lodewijk.

Bernard begreep niet, wat dit beduiden moest, maar zweeg en vestigde
opmerkzame blikken op zijn vriend. Deze las met toenemende ontroering;
hij verbleekte, groote tranen rolden over zijne wangen; plotseling
bracht hij de rechterhand voor de oogen, liet de linker met den brief
zinken en reikte dien met een smartelijken zucht aan Bernard over, als
wilde hij bij dezen troost en sterkte zoeken. Deze greep driftig toe,
terwijl Rasinski den geschokten vriend de hand op den schouder legde en
hem met weemoedige aandoening aanzag.

„Mijne moeder.... mijne moeder....! Lees zelf....” meer vermocht
Lodewijk niet uit te brengen.

„Ik wist het reeds,” sprak Rasinski en sloot den jongeling met warmte
aan zijne borst, „wist het door mijne zuster, die mij den brief in den
haren toezond; maar gij moest het niet van mij vernemen. Wie kan een
bitteren kelk met zachter hand toereiken dan eene zuster?”

Bernard las intusschen met eene aandoening, welke zelfs zijne sterke
ziel niet bedwingen kon.

        „Hartelijk geliefde Broeder!

„Hoe moet ik beginnen, om met de verpletterende tijding die ik u niet
onthouden kan, tegelijk ook den troost der liefde in uw hart uit te
storten? Der liefde, die u op dien verren afstand nauwelijks nog vermag
te bereiken! Ach Lodewijk, onze moeder is niet meer; dezen morgen is
zij in mijne armen ontslapen! Hare oude borstkwaal, waarvan ik reeds
zoolang het ergste vreesde, nam door onvoorziene toevallen eensklaps
zoo hevig toe, dat aan de redding van haar dierbaar leven niet te
denken was. Echter waren de laatste uren kalm en rustig; de ziel der
liefderijke moeder hield zich slechts met hare kinderen bezig. O, mijn
broeder, bij deze diepe smart komt nog die, welke veel grievender is,
dat gij eenzaam en verlaten in eene ruwe wildernis omzwerft, waar uwe
klachten door het woeste krijgsgewoel verdoofd worden. Mijne droefheid
over de afgestorvene is zacht en kalm, maar mijn hart wordt als
toegeschroefd, als ik aan u denk, mij uwen toestand voorstel. O kon ik
bij u zijn, kon ik met zusterlijke liefde uwe wangen afdrogen, als zij
door tranen bevochtigd zijn! U zijn alle goederen des levens ontrukt,
die ons in donkere dagen vertroostend toelachen. Uit uw vaderland
verdreven, in een barre wildernis geslingerd, is uwe bezigheid eer een
geesel dan een straf voor u. Gij kunt geen troost, geene afleiding
vinden in uw beroep, dat u slechts nog meer ter neerdrukt. O, ik gevoel
het, Lodewijk, dat deze slag voor u veel verpletterender zijn moet dan
voor mij. Een zachte genius voerde de ontslapene uit mijn armen weg;
een vreeselijke demon rijt haar u van het bloedend hart. Laat toch
geene zorg of bekommering over mijn lot uw lijden vermeerderen. Dat ik
diep bedroefd ben en onze lieve moeder hartelijk beween, kunt gij u
niet verhelen: maar ik treur niet alleen: moederlijke vriendschap en
zusterlijke liefde staan mij ter zijde. Vrees dus niet, dat ik eenzaam
en verlaten ben. Juist wijl het ouderlooze meisje geheel hulpeloos
is, biedt haar ieder de hand, toont ieder haar medelijden en ziet
zij zich—zoo althans ging het mij—door de roerendste liefdeblijken
overstelpt. Met den man handelt men anders, hij is sterk, hij moet door
eigen kracht staande blijven; wijl hij zelf hulp en raad kent, gaat
ieder hem koel voorbij, en zoo is hij dikwijls meer verlaten dan wij
zelve. Wie toch vermag zich alleen staande te houden in deze wereld vol
stormen?—Ach waarom kan ik niet slechts het eerste, bittere uur aan
uwe borst rusten, en u de tranen van de wangen kussen! Voorzeker, gij
zoudt minder lijden!

De warme hand der liefde zou de ijskoude der smart van uwe borst
afweren. Slechts door mannen zijt gij omgeven. Zal hunne verharde ziel
uw lijden zoo diep gevoelen? Kunnen zij u zoo teeder beminnen, als mijn
zusterhart? Kunt gij u tot hen om troost wenden, als tot mij? Maar, zij
zullen in uw lijden deelnemen, u bemoedigen, u niet verlaten in uwe
droefheid, gelijk zij u in andere bittere rampspoeden zoo trouw ter
zijde stonden. Dat smeek ik van God, die zoo genadig is, ook als Hij
ons beproevingen toezendt; ik vertrouw op hen—ach, mijn gansche hart
zal hun eeuwig dankbaar zijn.

Vaarwel, mijn broeder! Gij het eenige, dat mij nog op aarde blijft!
O, mogen duizend goede engelen u op uwe gevaarvolle paden omzweven!
Wanneer de gedachte bij mij oprijst, dat ook gij—neen, neen, dat zal
de liefderijke Vader in den hemel mij niet opleggen, want Hij weet,
dat wij zwak zijn en wat wij dragen kunnen. Leef wel! Zijn zegen, Zijn
troost zij met u!

                                                        Uwe MARIA.”

„Gij hebt een machtig schild voor u, dat morgen in het uur des
gevaars u dekken zal,” sprak Bernard met eene stem, waaraan hij
te vergeefs hare gewone vastheid poogde te geven; „omzweefden mij
zulke beschermgeesten, ik zou aan den mond van den Vesuvius rustig
insluimeren. Broeder Lodewijk, wij zouden u troosten? Troost gij ons,
die van niemand zulke woorden der liefde hooren.—Lees, lees,” dus
wendde hij zich tot Rasinski en reikte hem den brief over, „hij staat
mij in het hart gegrift.”

„Ik zal haar dus niet wederzien!” sprak Lodewijk met eene gesmoorde
stem en leunde het hoofd aan Bernards borst.

„Dat de duivel ons nu nog tot morgen op de pijnbank moet laten
omspartelen!” riep deze verdrietig. „Nu dadelijk heb ik lust tot den
slag, dadelijk. Dapper? Dapper zal ik niet zijn; maar dat mij ooit van
mijn leven iets onverschilligers ontmoeten kan, dan eene batterij, die
een Niagarastroom van kartetsen uitbraakt, dat geloof ik niet.—Kom,
laat ons naar de hutten gaan, waar Jaromir en Boleslaw liggen; op
een avond vóór den slag moet men elkander toch nog eens goeden dag
zeggen.—Maar is het dan ernst?”

Bernard had, zoolang hij sprak, Lodewijks hand niet uit de zijne
gelaten en ze bijna krampachtig vastgeklemd. De laatste woorden richtte
hij tot Rasinski, die uit eene sombere mijmering oprees.

„Ernst? Zoo zeker als de bittere slag, die onzen vriend getroffen
heeft.”—Hij drukte zich de hand op het voorhoofd, als kostte het hem
moeite zijne gedachten te verzamelen. „Wat wilde ik toch zeggen?—Ja,
ja.—Kutusow wil morgen vechten—zonder twijfel. De keizer heeft het
slagveld reeds opgenomen. De dag van gisteren was slechts een voorspel.
De zevende September is bestemd, om in de boeken der geschiedenis te
worden ingeschreven.”

„Dan zal men hem met roode letters in den almanak kunnen drukken,
denk ik,” hernam Bernard. „Mij goed. Hoe meer de dood in massa oogst,
des te koeler zie ik het aan. Wat ziet men met meer onverschilligheid
dan de sterflijsten van een groot rijk bij het einde des jaars? En
geen veldslag, de bloedigste zelfs niet, is zoo moorddadig als een
enkel jaar van den rustig voortloopenden tijdstroom. Wat zeg ik? Een
jaar? Een dag, een uur, een oogenblik, wanneer wij over den molshoop,
waarop wij rondwoelen, heenzien! Ik ken niets dwazers dan aan dood
en doodsgevaar gewicht te hechten; het gevaarlijkste is geboren te
worden, want daarmede begint niet alleen de last des stervens, maar ook
die des levens met zijn zondvloed van rampspoeden, jammer, ellende,
schurkestreken en nesterijen. Maar komt, vrienden.—De paarden smullen,
dat het een lust is. Wat doen wij langer hier.”

Met drift vatte hij Lodewijk onder den arm en geleidde hem naar buiten.
„Ik volg u dadelijk,” riep Rasinski de heengaanden na.

„Nu, een ijsbeer ben ik nou ook juist niet, vriend,” mompelde Bernard,
toen zij alleen waren; „maar mijne tranen heb ik slechts voor mij
zelf en voor hen, die ik lief heb als mijn eigen ik.” Hier klemde hij
den vriend onstuimig aan de borst en drukte een warmen kus op zijn
voorhoofd. Lodewijk voelde Bernards heete tranen en met deze zijne
gansche liefde, den vollen troost zijner opofferende trouw.

Arm in arm beklommen zij eene kleine hoogte, vanwaar zij de met mannen
en paarden bedekte vlakte geheel konden overzien. Reeds had de herfst
het loof verbleekt, de berken strooiden dorre bladeren over het gras
uit, het groen was dood en vertoonde een vaal grauw; de hemel hing
loodkleurig over de velden, ruwe windrukken gierden van tijd tot tijd
door de vochtige, nevelachtige lucht.

„Zoo is het thans in mijne ziel gesteld, beste broeder,” sprak
Lodewijk met eene onzekere stem; „zoo ledig en vreugdeloos en toch zoo
onstuimig, als in dit doode, schoon met een onrustig gewoel vervulde
landschap.”

„In de mijne is dat eigenlijk de alledaagsche kleur,” hernam Bernard,
„slechts zelden werpt de zon, als op hooge feestdagen, een vluchtigen
blik door het grijze nevelfloers. En zelfs dan wekt hare verschijning,
evenals elk te vluchtig geluk, eer smart, dan vreugde en doet slechts
het verlangen van ons hart uit zijne doffe sluimering ontwaken.
Drogbeelden naderen ons; wij zijn vol liefde, maar wanneer wij de
armen uitbreiden, om haar te omvangen, zijn zij verdwenen. Ik voor mij
pleeg dan nog gewoonlijk het geluk te hebben van met de knokkels tegen
den wand te stooten of mij de wollen deken in het gezicht te drukken
in plaats van de geliefde.—Gij wordt wellicht verdrietig, Lodewijk,
maar er is iets dat mij ergert, en ik moet het u zeggen. Het zou mij
een goed voorteeken geweest zijn, wanneer het uur en de dag waren
overeengekomen; intusschen zie ik, dat zulks het geval niet is.”

„Hoe zoo, broeder?”

„Toen wij door den Dnieper reden, moest ik, gij weet het immers, zoo
levendig aan uwe zuster denken, alsof zij voorbij ons heenzweefde.
Wanneer dat nu het doodsuur uwer moeder geweest was—ik ben een man,
ik weet het, maar ik hecht nu eenmaal aan zoo iets. Uwe moeder is des
morgens en drie dagen vroeger overleden.”

Lodewijk glimlachte weemoedig, Bernard zag strak voor zich neder,
beiden zwegen.

„De goede Maria!” begon Lodewijk eindelijk weder, „zij bekommert zich
over mijne eenzaamheid en staat toch zelve zoo geheel verlaten.”

„Zoo moet het ieder toeschijnen, die niet altijd het eerst aan zich
zelf denkt. Ook komt daar nog eene zeer algemeene dwaling bij. Nooit
kan de mensch geheel uit zijne eigene gewaarwordingen in die van een
ander overtreden. Wijl Maria u zoo ver van haar zelve gescheiden
gevoelt, meent zij u ook van allen gescheiden; en gij omgekeerd
evenzoo. Niets is bij ons natuurlijker, dan dat wij ons den bewoner
van Siberië of Spitsbergen als geheel verstooten van den aardbodem
voorstellen, want wij bedenken niet, dat een Parijzenaar de Groenlander
even verwijderd, even ver naar de uiterste grenzen van den bewoonden
aardbodem verbannen moet toeschijnen, ja dat deze hem als beroofd
en verstoken van alle weldaden der natuur beschouwt, dewijl alles,
wat Frankrijk kan opleveren, ver buiten den kring zijner wenschen en
voorstellingen ligt.—Doch zie, hoe de wind den rook der wachtvuren
over de vlakte jaagt; de damp beklemt de ademhaling.—Denkt gij met
bezorgdheid aan den slag?”

„Neen, Bernard, mijn ziel houdt zich zoo geheel anders bezig. Wanneer
wij midden in het gewoel zijn, wellicht dat het mij dan medesleept. Ik
had mij vroeger het bijwonen van een veldslag als hoogst belangrijk
voorgesteld; heeft het gevaarvolle zwervende krijgsmansleven, die
gedurige herhaling van het voorspel tot het hoofddrama, mij verstompt
of is het, omdat mijne gedachten zoo ver van hier omzwerven, althans
voor mijn gevoel is het op dit oogenblik eene schier onverschillige
omstandigheid, dat morgen het lot van twee volken beslist moet worden.
Intusschen zegt mijn verstand mij het tegendeel.”

„Vriend,” begon Bernard, „ik vroeg dat niet zonder opzet, anders had ik
thans wel over andere dingen gesproken. Maar vergeef mij, ik denk mede
aan Maria; het slot van haren brief—ik geloof wel, dat hare beden in
den grond meer afdoen dan tien beschermheiligen—en toch—om uwentwil
vrees ik den slag en het zou mij, rondweg gezegd, recht aangenaam zijn,
wanneer gij buiten het gedrang woudt blijven. Laat mij met Rasinski
spreken.”

„Neen!” antwoordde Lodewijk zacht, maar met vastheid. „Gij weet, dat
geen innerlijke beweeggrond mij tot den strijd aanvuurt, dat mijne
wenschen zelfs meer tot de zaak onzer tegenstanders overhellen, wijl
hunne overwinning ons vaderland ten minste van de onderdrukking, die
het in dit oogenblik dulden moet, bevrijden zou; maar toch druischt uw
voorslag zoozeer tegen mijn gevoel in, dat ik geene minuut weifelen
kan. Vooreerst ben ik een man; daardoor reeds zoude ik mij zelven
verlaagd gevoelen, wanneer ik mij in het uur des gevaars aan mijne
roeping onttrok.”

„Waarlijk, ik denk slechts aan Maria,” riep Bernard, „en weet, dat gij
een smartelijk offer zoudt brengen; maar ik twijfel of gij zulks niet
verplicht zijt!”

„Slechts voor haar wensch ik te leven,” hernam Lodewijk, „en de hemel
is mijn getuige, dat ik, moet ik vallen, alleen treur om de eenzaam
achtergelatene. Doch neen, neen, de scherpzinnigheid mijner gronden mag
kunnen bestreden worden, het gevoel, dat in mijne borst spreekt, kan
het nimmer. Maria zelve zou zich mijner schamen; zoomin zij mij door
iets, dat harer onwaardig is, het leven zou willen behouden, zoomin kan
zij verwachten, dat ik zulks voor haar doen zoude. Neen, Bernard, uwe
liefde voert u te ver!”

„Gij zijt door uwen waren moed boven den schijn dezer verdenking
verheven; ik ben het ook en zou mij, in geval ik reden had om mij aan
den slag te onttrekken, geen oogenblik bezinnen.”

„Ook ik niet, indien het terugblijven zelf het doel mijner handelwijze
was; maar niet, wanneer dat het middel zijn moest. Vergeet ook niet,
dat de stand dien wij kozen, eigenlijk ons leven beschermt; daardoor
rust op ons de dubbele verplichting om het heiligdom van zijne eer
ongeschonden te bewaren. En dan, Bernard, dezen weg des doods wilt gij
voor mij afsluiten; maar hoe de duizend andere paden, waarop hij ons
dagelijks kan overvallen? Sterk u met het geloovig vertrouwen, dat
Maria zelve koestert; zij vordert niet, dat ik het gevaar ontvluchten
zal, maar hare krachtige ziel vertrouwt er op, dat hoogere machten
mij zullen beschermen. En zoudt gij dan mij en Rasinski en Jaromir
en Boleslaw in den slag kunnen laten trekken en in zekerheid uit de
verte aanzien, hoe het zwaard des doods boven de hoofden uwer vrienden
zweefde? Bernard, raadpleeg uw eigen hart en laat dat u antwoorden.”

„Recht hebt gij zekerlijk, maar stond het in mijne macht u onrecht
aan te doen, ik deed het dadelijk in dit geval. Ware ik in Rasinski's
plaats, ik liet u onder eenig voorwendsel handen en voeten binden, en
heden avond nog tien dagmarschen achter onze achterhoede tusschen vier
muren zetten.”

„Gij deedt het zeker niet,” sprak Lodewijk en drukte hem met aandoening
de hand.

„Laat dan loopen het ijzeren rad van het noodlot!” riep Bernard en
stampvoette van spijt. „Het verplette wien het wil, maar dat zweer
ik u, het zal geene ruimte vinden, om tusschen u en mij door te
rollen!———Komen Jaromir en Boleslaw daar niet de hoogte op?”

Zij waren het. Door Rasinski van Lodewijks verlies onderricht,
kwamen zij den bedroefden vriend door hunne liefde en hun medelijden
vertroosten. De jeugdige, licht voor aandoeningen vatbare Jaromir
bedwong zijne tranen niet; Boleslaw, door eigen lijden meer gehard,
vermocht slechts den zachten ernst te toonen.

Zij gingen te zamen den heuvel af, om zich aan het wachtvuur bij
Rasinski's hut te legeren, waar deze alle officieren verzameld had,
om den avond vóór den slag in vriendschappelijke vertrouwelijkheid
door te brengen. De zon moest haren ondergang reeds nabij zijn; sedert
den middag had zij zich achter grauwe wolken verscholen. De avond
naderde en was gevoelig koud, zoodat zelfs het vuur en de dichte
mantels de vorst niet geheel konden afweren. De gansche dag was in
doodsche rust voorbijgesneld; het scheen, dat de beide vreeselijke,
tegenover elkander gelegerde strijdmachten zich deze korte verademing
wilden vergunnen, om den volgenden morgen met verdubbelde woede den
verbitterden kamp der verdelging te kunnen beginnen. Deze beklemmende,
alle frissche levenskrachten verlammende stilte werd door de stemming
der enkelen nog vermeerderd; want ieder zag natuurlijk het uur der
beslissing met somberen ernst te gemoet. Zoo wilde dan ook het
gesprek in den kring der gelegerde kameraden niet levendig worden, en
zelfs dan, wanneer Lodewijk en zij, die het nauwst met hen verbonden
waren, niet bijzondere oorzaken hadden gehad, om zich aan zwijgende,
afgetrokken mijmeringen over te geven, zoude op dezen avond geen
vrije, zorgelooze opgeruimdheid onder de krijgers geheerscht hebben.
De toekomst vertoonde zich te donker, de hemel was te zwart betrokken,
de donder rolde te dreigend in de verte, om aan het bloed een vrijen
omloop door de aderen te vergunnen. Te vergeefs trachtte Rasinski door
het gestadig vullen der bekers, door het herinneren aan vroegere,
belangrijke ontmoetingen, door het uiten der schoonste verwachtingen
voor de toekomst de gemoederen te vervroolijken; een oogenblik nam men
een levendig aandeel in het gesprek, maar na eenige minuten was ieder
weder in zijne eigene, stille overdenkingen verdiept.

Het schemerde reeds, toen een kanonschot uit het vijandelijk leger de
doodsche stilte afbrak. Men sprong op, vorschte, vroeg. In zulke uren,
onder zulke omstandigheden is een schot bijna altijd het teeken van
een gewichtig voorval, ieder hield het voor eene waarschuwing, om op
alles bedacht te zijn. Ditmaal echter bleek de vrees voor dadelijke
verontrusting ongegrond te zijn, schoon men reeds na eenige minuten
vernam, dat dit enkele schot misschien het lot van den ganschen
veldtocht had kunnen beslissen. Het was op eene bende ruiters gelost,
onder welke zich de keizer bevond, die, door de vrees gefolterd, dat
het russische leger zijne hoop op een veldslag andermaal door een
overhaasten nachtelijken aftocht mocht verijdelen, zich te paard
geworpen en van de schemering gebruik gemaakt had, om de stelling
van den vijand nog eenmaal op te nemen. Tot zijne vreugde had hij
uit de in zwarte massa's opdagende colonnes, die zich over de vlakte
verspreidden, uit de lange, van Moskou aanrukkende rijen van ammunitie-
en proviandwagens en de geduchte, nog gedurig versterkt wordende
verschansingen op de hoogten de zekerheid verkregen, dat de lang
gewenschte dag gekomen was. Hij aarzelde nu niet meer, zijne troepen
hiermede bekend te maken. Een half uur na het vallen van het schot werd
de legerorder rondgedeeld. Rasinski ontving ze van een adjudant en
haastte zich, de woorden des keizers aan zijne vrienden voor te lezen.

„Soldaten! De dag van den veldslag, dien gij lang gewenscht hebt,
is daar. De zege staat ons op zijde; zij is noodzakelijk, zij zal u
overvloed, veilige winterkwartieren, een spoedigen terugtocht naar het
vaderland verzekeren. Gedraagt u als te Austerlitz, Friedland, Witepsk
en Smolensko, opdat uwe late nakomelingen nog met trotschheid van hunne
voorvaderen zeggen mogen: Hij streed in den geweldigen slag onder de
muren van Moskou!”

Deze korte, ernstige woorden maakten een krachtigen indruk op het
hart der krijgers. Een edel vuur straalde uit hunne blikken, en toen
Rasinski de sabel trok, haar plechtig omhoog hief en luid uitriep:
„Leve de keizer!” werd die kreet door duizend stemmen juichend
herhaald, zoodat de daverende toon, door den wind voortgedragen, tot in
het leger des vijands weergalmde.

De komende dag vorderde groote inspanningen; Rasinski vermaande
derhalve zijne manschappen, zich tot rusten te leggen, ten einde
frissche krachten tegen den volgenden morgen te verzamelen. Om eene
opgewekte stemming levendig te houden; maar vooral ook om Lodewijk
te verstrooien, sloeg hij den officieren nog eene wandeling door de
legerplaats der gardes naar de tent des keizers voor, welke niet ver
van het bivak der cavalerie was opgeslagen.

Spoedig had men den grooten vierhoek bereikt, dien de gardes om de
keizerlijke tent gesloten hadden. De aanblik dezer uitgelezen dapperen,
onder welke men geen voorhoofd zonder litteekenen, geene borst zonder
orde zag, moest de mannelijke ziel met krachtvol zelfgevoel vervullen;
zelfs de weemoedig gestemde Lodewijk richtte zich vrijer op, toen hij
door de rijen dezer helden trad. Nog levendiger werd Bernard door dit
gezicht verrast.

„Waarlijk, eene gansche galerij van studiebeelden!” riep hij uit. „Tien
jaren zou ik hier kunnen zitten teekenen. En welk eene verscheidenheid
van koppen en drachten! Zie eens dien gindschen grenadier, die juist
zijn geweer poetst. Met welken ernst beschouwt en onderzoekt hij zijn
wapen; in elken trek leest men, dat hij het als een heiligdom in eere
houdt. Zie hoe hij den schijn der vlammen op het slot laat spelen en
zich in den blanken loop spiegelt! Hm, de oude knevel mag zich vrij
laten zien en mij dunkt, hij heeft zelf schik in den breeden naad,
die zijn rimpelig voorhoofd halveert. Nu is hij klaar, doet een paar
handgrepen, legt aan. Zeker bedenkt hij reeds, hoe hij morgen in den
dichtsten kruitdamp zijn vijand in 't vizier nemen en met oogen zal
aanzien, die doorborender schijnen dan de kogels in den loop.”—Onder
het voortwandelen zweefde zijn geoefend oog over alle groepen in het
rond, en waar hij een belangrijken kop zag, maakte hij de vrienden in
zijne levendige, schertsende voorstelling daarop opmerkzaam, vooral
ook met het doel, om zijn treurenden vriend hierdoor eenige afleiding
te verschaffen.—„Zie daar vóór ons den baardigen grijskop, die zich
het bloedig voorhoofd verbindt. Hoe koel en onverschillig scheurt hij
zijne oude slobkous tot windsels! Nu, hij is aan wonden gewoon! Ik zie
daar nog een breeden hoekigen hieroglief, die vermoedelijk door eene
Mammelukkensabel aan de piramiden geteekend is. Zijn voorhoofd is eene
volmaakte gedenkrol. Wie zich ingeschreven heeft, blijft zekerlijk in
aandenken, schoon bezwaarlijk, in het vriendschappelijkste.—Die kerel
ginds bevalt mij! Waarachtig hij scheert zich;—met gladde kin, als tot
den zondagsdans in de tuinen van Neuilly of in de lustige wijnhuizen
van St. Denys waar zooveel lieve meisjes zijn, wil hij morgen in den
slag gaan. Hij is een Spartaan, die zich ook versierden en bekransten
voor den strijd. Ik geloof, deze grenadier ziet er weinig onderscheid
in, of hij met zijn liefjen de française opvoert of aan den vleugel
van zijn regiment op eene batterij aanrukt. Muziek heeft men bij beide
gelegenheden. Ik wed, dat hij zich verzekerd houdt, morgenavond in
Moskou te zullen zijn en nu zijn toilet in orde brengt, wijl het
dan misschien aan tijd kon ontbreken. Zijn gansche voorkomen roept:
„_Vive la bagatelle!_” en een slag, een geheele veldtocht telt mee
onder de rij der bagatellen. Hij ziet er echter niet jong meer uit en
kan misschien wel van Marengo en Arcola meespreken. Geluk op reis,
goede vriend, ik hoop, dat gij morgen nog zoo vroolijk zijn moogt als
heden en bij uw avondeten zoo zorgeloos uw liedje neuriën, als op dit
oogenblik.”

„Ik heb toch deze soldaten reeds in eene geheel andere stemming
gezien,” hernam Rasinski; „zoo woelig het leger hem moge toeschijnen,
die het in dezen veldtocht voor het eerst ziet, zoo stil en doodsch
komt het hem voor, die het reeds sinds lange jaren kent. Kalmte,
bedaardheid, gevatheid op het ergste is op de gezichten dezer lieden
te lezen, maar niet dat blijde vertrouwen, die brandende begeerte naar
kamp en overwinning, die men anders op dagen vóór den slag in hunne
oogen zag blinken.—Zie, daar is de tent des keizers. Wat mag wel de
reden van dien oploop zijn?”

Men zag de soldaten in groote troepen naar de tent snellen en zich in
dicht gedrang daarom heen scharen. De terugkeerenden vertoonden een
vroolijk gelaat en waren levendig met elkander in gesprek. Uitroepen
van verwondering, van vreugde verhieven zich uit den zwarten hoop.

„Wat is daar te zien?” vroeg Rasinski een grenadier, die uit het
gedrang terugkeerde.

„Wat er te zien is, mijn kolonel? O, wat schoons en prachtigs! Een
kind, een kostelijk kind! De zoon des keizers! Ja, mijn overste,
het is een jongen van melk en bloed. O, men is ook vader! Ik heb
een zoon, die pas acht dagen ouder is. Zijn portret kan ik wel niet
laten nakomen, maar ik heb het toch in het geheugen. De schelm staat
mij hier”—daarbij wees hij op zijne met de orde van het legioen
van eer versierde borst—„zoo duidelijk afgeteekend, dat ik geen
beeltenis noodig heb. Maar het is toch aangenaam, als men die hebben
kan!—Verzuim niet, overste, 't is de moeite waard, het zelf te zien.”

De verrukte soldaat werd in den stroom zijner rede gestuit en door
den hoop medegesleept. Rasinski en zijne geleiders trachtten zich een
doortocht te banen, maar het gedrang was te groot; zij konden slechts
uit de verte zien, dat voor den ingang der tent, onder de bewaking van
twee baardige grenadiers, eene schilderij was ten toon gesteld, welke
de soldaten met nieuwsgierige deelneming beschouwden.

„Het heeft in mijn oog iets roerends,” sprak Lodewijk, „dat zich te
midden dezer vreeselijke krijgstoerusting niet alleen de veldheer, maar
ook de liefhebbende vader vertoont, die zijne dapperen in zijne vreugde
wil doen deelen.”

„Ja, ja,” sprak Rasinski glimlachend, „hij is een grondig
menschenkenner, de keizer. Door niets kan hij zijne oude knevelbaarden
levendiger aan het vaderland en hunne geliefde betrekkingen herinneren,
dan door zulk eene vertooning. Nu verlangt ieder met vurige drift naar
het schoone Frankrijk, waar deze zijne kinderen, gene zijne jonge
vrouw, die wellicht moeder is geworden, een derde zijn bevallig liefje
heeft achtergelaten. Een andere weg naar Parijs, dan die over Moskou is
er niet, dat weten zij allen te goed. Als grimmige leeuwen zullen zij
dus op den vijand instormen, die dezen weg voor hen sluiten wil.”

„Mij dunkt toch,” hernam Lodewijk, „door zulke herinneringen moest het
hart van den soldaat verteederd worden, hij moest den krijg, die hem
van alles wat hem dierbaar is scheidt, haten en met weerzin verder
voortdringen.”

„Voorzeker,” antwoordde Rasinski, „doch slechts niet op den dag vóór
den slag. Moeite en bezwaren verdraagt hij met tegenzin, gevaren
gewillig; hij waagt liever dan hij duldt. De tijd der vermoeienissen
is nu voorbij, er komt een kortstondig oogenblik van gevaar; dat gaat
hij getroost te gemoet, want er is altijd meer bij te winnen dan te
verliezen. Toon hem slechts een zekeren prijs der overwinning en
waarlijk, hij zal met vreugde de hel bestormen, om in het paradijs te
komen. De belooning echter moet ontwijfelbaar zeker zijn; hij moet zijn
vast doel hebben, dat hij, door zijn leven te wagen, bereiken kan. Zijne
geloofsartikelen luiden: zege, vrede, terugkeer. Wordt zijn verlangen
naar het laatste levendig opgewekt, dan behoeft gij voor de eersten niet
bezorgd te zijn.”

„Goeden avond, graaf,” riep eene bekende stem Rasinski toe. Het was
Regnard. „Goed, dat wij elkander heden nog aantreffen, morgen zullen
wij naar menigeen te vergeefs vragen. Ik denk, dat de slag naar
de aanstalten zal beantwoorden, die men er toe gemaakt heeft; men
marcheert geen achthonderd mijlen, om een voorpostengevecht te leveren.”

„Nu, tot hiertoe hebben wij nog weinig anders te doen gehad,”
antwoordde Rasinski.

„Elke vrucht moet rijp worden, graaf. In Rusland oogst men later dan
bij ons. Geef acht, morgen zullen de maaiers de handen vol hebben. De
Russen meenen het ditmaal zeer ernstig.”

„Is men daar reeds zoo zeker van?”

„Men kan er geen oogenblik aan twijfelen. Zoo even was ik er bij
tegenwoordig, dat een overlooper zijn bericht aflegde. De oude Kutusow
houdt zich verzekerd, dat wij morgen aanvallen, en heeft besloten
als een muur stand te houden. De Rus is op een beslissenden kamp
voorbereid, is plechtig tot den dood gewijd. Gij hoordet immers tegen
den middag die zonderlinge muziek wel overwaaien en hebt de beweging in
het leger bemerkt, toen de manschappen onder de wapens traden?”

„Voorzeker! Doch wat beteekende het?”

„Het was de feestrede voor de bruiloft, die wij vieren zullen. De oude
vorst heeft zich met al zijne priesters en archimandriten omgeven, die
in hunne prachtgewaden het leger doortrokken. Zij droegen een heilig
beeld, dat zij uit Smolensko gered hebben, door de gelederen der
soldaten. De Rus bidt het als een wonderdoenden beschermheilige aan;
zijne kerk vervult hem met geestdrijvende woede. Zijne priesters hebben
hem nu tot den kamp gewijd, wie valt, is van de hemelsche zaligheid
verzekerd. Gij kampt morgen voor de altaren van uwen God, heeft men hun
toegeroepen, gij moet uwe heilige stad Moskou, die de vijand verdelgen
wil, beschermen, uwe vrouwen en dochters voor smaad en slavernij
beschutten. Zoo iets werkt; de gemeene rus verlangt thans reikhalzend
naar den martelaarsdood, brandt van begeerte om door onze kogels te
vallen. Ik heb ook de oproeping gelezen; ik verzeker u, men vleit
ons niet, en het zou moeite kosten een hongerigen noordschen dog zoo
grimmig aan te hitsen, als de oude cycloop daarboven zijne brommende
ijsberen tegen ons opstookt. De zaak komt mij verduiveld ernstig voor,
want uit scherts, dat weet gij, windt men den soldaat zoo niet op, daar
eene dergelijke stemming geen zes weken aanhoudt en men zich wachten
moet haar noodeloos te verwekken, wijl anders de herhaling slecht
uitvalt. Daarom zeg ik u, wij vinden den vijand morgen nog op dezelfde
plek: wellicht nog overmorgen. Een ijzeren muur werpt men zoo licht
niet overhoop, en geestdrijvers zijn nog taaier dan ijzer.”

„Hoe, gij twijfelt aan de overwinning, Regnard?” riep Rasinski bijna
verdrietig.

„Geen oogenblik! Maar zij zal bloed kosten. Een twintig, dertigduizend
man kunnen morgen avond hier den grond mesten en zoo vreedzaam naast
elkander liggen, als zij gedurende den dag grimmig gevochten hebben.
Mochten wij onder dat getal zijn, overste, zoo laat ons thans afscheid
nemen, want ik moet naar mijn korps terug!” Zij drukten elkander
vriendschappelijk de hand. „Vaartwel mijne heeren, tot wederzien!
Morgenavond in Moskou; wordt intusschen de een of ander verhinderd
woord te houden, wij zullen het hem voor ditmaal niet ten kwade duiden.
Vaartwel!”

Met deze woorden verdween hij in het gedrang; op hetzelfde oogenblik
zag men Petrowski naderen, die den overste een verzegelden brief
overbracht.

„Wij moeten terug,” sprak deze, na gelezen te hebben. „De troepen
zullen nog dezen nacht andere stellingen innemen. Komt dan, vrienden,
de tijd is kostbaar.”

Zij bereikten hunne legerplaats; Rasinski beval de vuren uit te
blusschen, de manschappen moesten onder de wapens treden. Weldra bracht
een adjudant het bevel tot opzitten en het regiment begaf zich op
marsch. Onder het rijden bespeurde men, dat alle vuren in het fransche
leger waren uitgedoofd of slechts flauw en donker brandden. In dat
der Russen daarentegen vlamden zij hoog op en beschreven een breeden
gloeienden lichtkring om den zwarten gezichteinder.

De marsch was slechts kort; men had zich nader naar het centrum der
armee teruggetrokken. Aan de helling van een heuvel, die breed opliep,
maakte men halt; rechts was het terrein met struikgewas bedekt, dat den
overgang tot een hooger woud vormde. Groote massa's cavalerie schenen
hier verzameld te zijn. Tegen elf ure had men eene vaste stelling
ingenomen. Rasinski liet afzitten, echter moesten de paarden gepakt en
gezadeld blijven. De manschappen legerden zich op den vochtigen grond.
Stomme, beklemmende verwachting deed alle harten driftiger slaan, lang
scheen de slaap de oogleden te willen ontvluchten, doch eindelijk kreeg
lichamelijke vermoeidheid op de ontroering der gemoederen de overhand,
en in weerwil van den kouden, guren herfstnacht zonken alle krijgers
in diepe rust. Ook Lodewijk; maar bange, weemoedige droomen deden hem
dikwijls weder ontwaken en in eene werkelijkheid terugkeeren, zwarter
en dreigender dan zijne droombeelden zelve.


HOOFDSTUK IV.

De gewichtige morgen brak aan. De hemel was helder, slechts enkele
blauwe nevelstrepen lagen over de diepe bedding der Kalotscha en eenige
andere beken, die het slagveld doorkruisten. Een frissche morgenwind
had deze vluchtige dampen spoedig verjaagd. Thans rees de zon van
achter de donkere toppen van het dennenwoud bij Utiza op en wierp haar
verblindende stralen over de vlakte, waar de massa's van het fransche
leger, reeds tot den slag geordend, hare komst met ongeduld verbeiden.
De lange rijen der bajonetten lichtten en flonkerden, de adelaars
blonken en op het harnas der kurassiers gloeide het volle beeld der
zon, zoodat het zich langs de onafzienbare gelederen gelijk eene
bloedige slang over de velden kronkelde.

„Dat is de zon van Austerlitz,” riep de keizer, die van eene hoogte ter
linkerzijde der in linie geschaarde cavalerie het slagveld overzag,
terwijl hij met den vinger op het glansrijke hemellicht duidde.
Rasinski was benevens andere hoofdofficieren den heuvel opgesneld,
om een vrijer uitzicht op de vlakte te hebben, en hem tot zoo nabij
genaderd, dat zij deze woorden konden verstaan. De generaals, tot welke
zij gericht waren, gaven geen antwoord.

Lodewijk en Bernard sloten, als Rasinski's geleiders, dicht achter
de hoofdofficieren op. Ook zij hadden den luiden uitroep des keizers
gehoord.

„De stralen vallen ons te verblindend in het oog,” fluisterde de
laatste, „wij kunnen den vijand niet zien en ons moet hij des te
duidelijker onderscheiden. Deze zon is ons dus ten minste nog niet
gunstig.”

Thans zag men de batterijen, die gedurende den nacht hare stelling te
ver van de linie der Russen genomen hadden, aanrukken, om de nabij
gelegen hoogten te bezetten. De vijand liet dit gunstig oogenblik
ongebruikt voorbijgaan. Het scheen, alsof hij in dezen oorlog, waarin
hij zich altijd slechts verdedigd had, zelfs op het gekozen slagveld
niet het eerste bloed vergieten wilde, maar den aanvaller ook thans nog
keus en gelegenheid laten, om van zijne onderneming af te zien.

Daar dreunt eensklaps aan den linkervleugel de doffe donder van het
geschut; bij het dorp Borodino ziet men rook en stofwolken opstijgen.
De heilige stilte is afgebroken, de zwarte nevelsluier der onzekerheid
vaneen gereten, de bliksem slaat verdelgend neder. Met verplettend
gewicht ontschiet het ijzeren rad aan de handen van het noodlot;
verbrijzele 't wien 't wil, geene menschelijke macht is thans meer in
staat zijn woedenden loop te stuiten.

De bevelen des keizers vliegen over het veld. Op hetzelfde oogenblik
dondert het van alle hoogten, die zoo even nog als sluimerende
nachtgedrochten in doffe stilte rustten. Rook en vlammen stijgen van
hunne kruinen omhoog, de aarde beeft, de lucht trilt in het vreeselijke
gedaver. Een breede vloed van zwarten damp wentelt zich, gelijk een
losbrekende helsche stroom, over de sidderende vlakte; het bloedig oog
der zon is te zwak, om die golvende duisternis te doorboren.

Met een angstig beklemd hart beschouwden de beide vrienden deze
ontwikkeling van het, den oudsten krijgsman ontroerende schouwspel, dat
voor hen nog alle verschrikkingen der nieuwheid met zich voerde. Echter
vonden zij, gelijk de standvastige en beschaafde altijd, kalmte en
bedaardheid in het gevoel van plicht en mannelijke waarde.

Rasinski scheen te vermoeden, wat in hen omging. Hij reed op hen toe en
zeide: „Gij hebt u met mij ingescheept, vrienden; thans stormt en woelt
de zee. Ik wenschte, dat ik een veilig eiland wist, waar ik u aan wal
kon zetten.”

„Dat ware slechts een toevluchtsoord der schande,” hernam Lodewijk met
vastheid; „wij willen ons verheugen, dat onze mannelijke gezindheid op
eene ernstige proef gesteld wordt.”

De kamp had zich thans langs de geheele heuvelreeks uitgestrekt. Ter
rechterzijde, vóór de plaats waar Rasinski stond, doch buiten het
bereik van het geschut, lagen drie vijandelijke verschansingen, die
den ijzeren dood uit ontelbare vuurmonden op de aanrukkende troepen
uitbraakten.

„Maarschalk Davoust zal veel volk verliezen,” sprak Rasinski, toen
diens colonnes zich op de vlakten ontwikkelden, om de vreeselijke
redouten te bestormen.

Vast opééngesloten, doch met verbazende snelheid drongen deze,
door strenge krijgstucht tot één lichaam, waarin slechts ééne ziel
leefde, te zamen gesmede massa's op den versterkten vijand aan.
Dertig mortieren verzelden hen. Weldra waren zij zoodanig in stof en
kruitdamp gewikkeld, dat men niets meer van hen ontdekken kon.

Met arendsblikken overzag Rasinski het slagveld. Op den rechtervleugel
had ook vorst Poniatowski den aanval begonnen; hij rukte uit het woud,
dat zijne stelling gedekt had te voorschijn en drong naar het scheen
den linkervleugel des vijands met beslissend overwicht, doch slechts
langzaam terug.

Uit den vuurspuwenden vulkaan, door welken Davoust en zijne scharen
verslonden schenen, kwam thans een adjudant met lossen teugel
aanrennen. Hij joeg recht op de plaats aan, waar de keizer zich
bevond, die zijn standpunt eenige honderden schreden verder voorwaarts
genomen had, om een duidelijker overzicht van het gevecht te hebben.
Men kon niets van zijn rapport vernemen, maar dadelijk daarop zag men
hem met den generaal Rapp in vliegenden ijl naar het dichtste gewoel
terugspoeden.

Om te vernemen, welken keer het gevecht nam, reed Rasinski op een
transport gewonde officieren toe, dat juist naar de achterhoede
vervoerd werd.

„Nu, kameraden? Hoe staat het? Gij zijt de eerste offers?” vroeg hij.

„Maar zullen niet de laatste zijn,” antwoordde een kapitein, wiens arm
verbonden was; „de batterijen daar boven braken een hagel van kartetsen
uit. Generaal Compans is gevallen, de maarschalk gewond!”

„Maarschalk Davoust?”

„Zeker, wie anders?”

„Het gevecht is dus bloedig?”

„Het zal lichter zijn de overblijvenden te tellen dan de dooden.”

„Ik dank u, kameraad, en wensch u eene spoedige genezing,” met deze
woorden reed Rasinski terug.

De slag had zich thans reeds algemeener ontsponnen. Juist rukte de
maarschalk Ney met zijne drie divisiën voorwaarts.

Een gekwetste generaal werd uit het gewoel gebracht. Het was Rapp, die,
toen hij nauwelijks in het gevecht gekomen was, door een kartetskogel
van het paard geworpen werd. Het was de _twee en twintigste_ wonde,
die de onverschrokken krijgsman op dezen dag ontving.—Langzaam droeg
men hem bij de hoogte op, waar de keizer stond.—Ney's divisiën
ontwikkelden zich thans op het vrije veld; onder het vernielend vuur
des vijands drongen zij met onbezweken moed voorwaarts. Het scheen,
dat zulks spoedig eene beslissing ten gevolge zoude hebben, waardoor
ook aan de cavalerie gelegenheid gegeven werd aandeel aan den kamp te
nemen. Rasinski begaf zich derhalve naar zijn regiment terug, om op den
eersten wenk gereed te zijn.

De koning van Napels kwam aanrennen; zijne adjudanten stoven naar alle
richtingen uiteen. Hij verzamelde de lichte cavalerie, om den vijand op
de hoogte aan te tasten. Rasinski moest mede aansluiten. In langzamen
draf stelden de massa's zich in beweging. Thans roffelden de trommen
der infanterie ten stormtred. Men zag haar met bliksemsnelheid de
hoogte opvliegen. De donder der kanonnen verdubbelde; de gansche vlakte
was eene zee van stof, rook en vuur. Men zag niet, wie viel, zag niet,
wie voortdrong. Daar verstomde plotseling het gedreun der mortieren;
een luid jubelgeschrei verhief zich; de redouten waren door Ney's en
Davousts dappere scharen genomen.

In vliegenden galop kletterden thans de, door den ridderlijken
koning van Napels aangevoerde ruiterbenden over het slagveld; stof
en keien werden hoog in de lucht geslingerd; de bodem dreunde onder
den stampenden hoefslag. Bernard wierp een blik op Lodewijk, die hem
ter zijde reed; deze knikte hem toe, aan spreken was niet te denken.
In weinige minuten was de hoogte bereikt. De russische troepen, uit
de batterijen verjaagd, waren grootendeels op het veld verstrooid en
werden door de cavalerie nog verder teruggeworpen. Eensklaps echter
vernam men opnieuw den donder van het geschut en bijna op hetzelfde
oogenblik sloeg eene hagelbui van kogels en kartetsen in de gelederen
neder. Tegelijk zag men nieuwe korpsen in zwarte massa's van achter de
heuvels van het verwoeste dorp Semenowskoi te voorschijn komen. Het was
de vorst Bagration, die, op Kutusows bevel, met deze frissche benden
aanrukte, om de overhoop geworpen scharen te ondersteunen. Rondom, op
alle hoogten, vertoonden zich rijdende batterijen, die hare vernielende
kogels op de voorwaarts dringenden nederslingerden. Rasinski's regiment
scheen het doelwit te zijn, waarop alle stukken tegelijk gericht waren,
daar zulk eene menigte kartetsen door het front en van ter zijde door
de rechterflank in de gelederen nedersloeg, dat in weinige oogenblikken
de ontzettendste verwoesting was aangericht. Het verpletterend ijzer
had wijde bressen geboord, paarden en menschen stortten ter aarde, het
luid jammergeschrei der gewonden en half verbrijzelden verscheurde het
oor. Het scheen, alsof men zich in den maalstroom van eene woedende
windhoos bevond, zoo wild raasde de dood door de rijen. Rasinski hief
de sabel omhoog en riep met al de kracht zijner metalen stem den zijnen
een: „Voorwaarts!” toe. Door de onverschrokkenheid des aanvoerders
bemoedigd, drongen de reeds wankelende gelederen met een nieuwen,
geweldigen aanloop voort. Doch in dit oogenblik kletterde hun een
kartetsenhagel tegen, welks dichtheid de lucht bijna verduisterde.
Lodewijks paard werd getroffen, steigerde, deed een zijsprong en
slingerde zijn ruiter ter aarde. Bernard zag het, een onbeschrijfelijke
angst verscheurde zijne borst, doch aan hulp was niet te denken, want
de nadringende stroom dreef hem met onweerstaanbaar geweld voorwaarts
over de gevallenen heen. Maar reeds had de verstrooide russische
infanterie zich weder verzameld en rukte in gesloten gelederen op. Van
alle zijden stormde de dood in de rijen; spoedig waren alle banden van
tucht en orde verbroken. De aanvoerders verdwenen in stof en rook of
waren reeds gevallen; naar geen bevel werd meer geluisterd, de schrik
kreeg de overhand. Twee escadrons dragonders, die ver vooruitgedrongen
waren, wierpen zich, een vernielend kartetsvuur ontwijkend, in wilde
vlucht op Rasinski's nog stand houdende manschappen. Door dezen schok
werden ook zij deels in den teruggolvenden stroom mede voortgesleurd,
deels afzonderlijk over de vlakte verstrooid. In weinige minuten was de
gansche linie der cavalerie ontbonden en op de vlucht.

Bernard was door eenige wilde zijsprongen van zijn gewond paard uit
het gedrang geraakt. Verdoofd door het gedreun en gewoel, waarin zijn
oog de enkele voorwerpen nauwelijks meer onderscheiden kon, zag hij
slechts naar Rasinski om, ten einde diens lot tot het zijne te maken.
Op eenmaal bespeurt hij aanrennende kozakken, die hem bijna reeds
omringd hadden. Driftig wil hij zijn paard omwerpen; daar ziet hij den
koning van Napels in gevaar van omsingeld te worden. Hij vliegt hem
te hulp; tegelijk dringen ook reeds de zijnen van alle zijden toe,
om den geliefden veldheer te redden. Het gelukt!—Murat wuift met
zijn golvenden vederbos ten teeken van verzameling. Zijn paard wordt
door een kogel ter aarde geworpen; hij zelf echter blijft ongekwetst.
Vast besloten, roemrijk te sneven of te overwinnen, werpt hij zich
in de redoute; de weinigen, die nog om hem verzameld zijn, volgen
hem. Ook Bernard, wien na Lodewijks val nog slechts de dood welkom
is, springt van zijn, door de wonde onbruikbaar paard, om in het lot
dezer dapperen te deelen. Thans druischen twee vijandelijke, dicht
opeengepakte kurassiersregimenten en als eene ijzeren deining over de
vlakte tegen de schans aan. Reeds geloofden de benarden zich verloren,
toen de maarschalk Ney aan de spits der herzamelde infanterie zich
opnieuw aan den rand der hoogte vertoonde. De zijwaarts oprukkende
artillerie boort met hare vuurmonden eene wijde bres in den stalen
muur der voortdringende russische kurassiers; de infanterie opent een
moorddadig bataljonsvuur en volgt in stormloop met gevelde bajonet
na. De vijand wankelt, deinst; zijne gelederen zijn gebroken, door
het vuur gedund; enkelen wijken voor de overmacht van den schrik; de
stroom sleept ook de koeneren met zich voort, en weldra is het veld
met vluchtenden overdekt. Onder luid gejuich dringen de overwinnaars
van alle zijden na; thans eerst, daar zij de zege bevochten, de eer
gehandhaafd, den veldheer gered zien, houden zij, ademloos, uitgeput
door de geweldige inspanning, op de hoogte stil, om krachten tot nieuwe
daden te verzamelen.

Bernard maakte van dit eerste oogenblik, waarin het mogelijk was naar
de gewonden om te zien, gebruik, om Lodewijk op te zoeken. Men was
reeds ijverig bezig, eenige generaals en hoofdofficieren achteruit te
brengen, die op het met bloed doorweekte veld gevallen waren; om de
menigte der overigen kon men zich nog niet bekommeren. Ofschoon zulks
met het uiterste gevaar verbonden was waagde Bernard zich koelbloedig
op de tusschen beide legers vrijgebleven ruimte, waar de lijken van
het regiment moesten liggen. Het bloed stolde hem in de aderen, toen
hij dit veld der verwoesting bereikt had en daarop voorttrad. Niet de
dooden vervulden hem met ontzetting, maar de afgrijselijk verminkten,
die jammerend om redding smeekten en welker ellende hij niet verzachten
kon. Huiverend, met afgewend gelaat, spoedde hij hen voorbij. Zij
strekten de bloedige armen krampachtig naar hem uit, riepen met
hartverscheurend snikken zijne hulp in. Onmogelijk! Hij moest verder.
Deze afschuwelijke aanblik bracht hem met verdubbelde levendigheid
voor den geest, dat hij, die hem het dierbaarste op aarde was, in
denzelfden hulpeloozen toestand versmachtte. Lijken van menschen en
paarden belemmerden hem bij elke schrede in het voortdringen. Een
ongelukkige, die in krampachtige zenuwtrekken op den bloedigen grond
rondwentelde, greep den voorbijsluipende aan en klemde de armen als
ijzeren boeien om zijne voeten. „Help mij, red mij, ik versmacht!”
kreunde hij. Het was een Duitscher! Bernard hoorde de taal van zijn
vaderland. Moest hij den landsman, den krijgsmakker, die kermend om
redding smeekte, die met afgrijselijk vaneen gereten lijf, waaruit
bloed en ingewanden opwelden, aan zijne voeten kroop, van zich stooten?
Moest hij met een wreeden voetschop de nog glimmende vonk der heilige
levensvlam voor eeuwig uitdooven? En anders konde hij zich niet uit
die stuipachtig saamgeknelde armen losrukken! „Lodewijk! U moge God
redden! Ik kan het niet!” snikte hij, door zijn gevoel overweldigd, en
boog zich tot den kermende neder, om hem op de schouders te laden en
naar eene veilige plaats te dragen. Doch reeds werd de vaste knoop,
waarmede de ongelukkige hem omkluisterd hield, losgebonden; de armen
zonken krachteloos neder, het met brekende oogen opgeheven gelaat
zeeg ter aarde, de alle spieren en zenuwen verwringende doodskramp
was voorbij, het leven ontvloden. Eene ijskoude rilling liep den
jongeling over de leden, bevend trad hij terug en drukte beide handen
voor de oogen.—Eensklaps hoort hij in de verte eene stem roepen,
die als hemelsche tonen in zijn oor klinkt. Hij ziet op, het is
Lodewijk, die te paard komt aanrennen, om den vriend, dien hij onder
de gevallenen waande, op te zoeken. In woesten galop vliegt deze op
hem toe; zij vallen elkander sprakeloos in de armen, tranen van vreugde
en dankbaarheid rollen langs hunne wangen.—Doch er is geen tijd te
verliezen. „Spring op!” roept Lodewijk, „wij moeten naar de onzen
terug.” In ééne seconde zit Bernard achter den vriend te paard, en deze
snelt met den kostelijken buit naar de plaats terug, waar Rasinski de
zijnen opnieuw verzamelt en ordent.

Met een luiden vreugdekreet ijlen Jaromir en Boleslaw de naderenden
te gemoet. „Gij leeft dus? Zijt ongekwetst?” luidt de wederkeerige
begroeting. Ook Rasinski komt vol vreugde aansnellen en ontvangt de
geredden, die men reeds verloren waande. „Een paard hier!” roept hij,
en terstond staat een van die, welke zonder ruiter, zich uit natuurlijk
instinct midden uit het slaggewoel weder in hunne oude gelederen
geschaard hebben, voor Bernard in gereedheid.

Eenige oogenblikken rust zijn den vermoeiden vergund. Bernard verhaalt,
hoe het hem gegaan is; Lodewijk, dat hij zich, toen zijn paard was
neergestort, hoewel door den val eenigermate bedwelmd, toch vrij
spoedig weder opgericht, een los rondloopend paard opgevangen en zich
opnieuw bij het regiment aangesloten heeft, tot de terugwijkende
benden ook hem medegesleept hadden. Toen de vrienden zich verzamelden,
ontbreekt Bernard. Zonder hem geen leven! Met lossen teugel vliegt hij
naar 't slagveld terug, maar, nog eer hij de plaats bereikt heeft, waar
zijne gevallen kameraden moeten liggen, ziet hij Bernard van verre,
herkent hem aan de uniform en redt den vriend, die hem redden wilde.

Zoo, door nieuwe banden der liefde aan elkander gesnoerd, wordt hunne
vriendschap nog versterkt en als edel goud in de vlam der beproeving
gelouterd.

Maar opnieuw sleurt de woede van den slag hen voort. Op bevel van den
koning van Napels verzamelden zich de cavalerie-regimenten ten tweeden
male, om den, door 't geschutvuur aanmerkelijk verzwakten vijand geheel
overhoop te werpen. Rasinski voegt zich bij de dappere brigades, welke
Bruyères en Nansouty aanvoeren. Deze massa's doen den vijand wijken en
werpen hem op zijn centrum terug; maar tallooze lijken, de troepen der
overwinning, bedekken het slagveld.

De zoom der hoogten achter Semenowskoi is nog altijd met sterke
batterijen beplant, die hare verderfelijke ladingen onophoudelijk
losbranden. De zege wordt twijfelachtig en schijnt nu naar deze, dan
naar gene zijde over te hellen. Met lijken koopt men elke schrede
voorwaarts, met lijken teekent men de baan van den terugtocht.
Eindelijk stormt het voetvolk met inspanning der laatste krachten de
steile heuvels op, het vuur van den vijand verflauwt en laat andermaal
een korte verademing toe.

Rasinski bevond zich met zijn regiment in eene diepte, waar hij,
terwijl de infanterie het gevecht op een voor de ruiterij ongunstig
terrein had overgebracht, voor den kogelregen gedekt was. Ernstig
reed hij de gelederen door en berekende het getal dergenen, die
hij miste. Eene sombere wolk legerde zich op zijn voorhoofd, toen
hij nauwelijks de helft der zijnen aanwezig zag; een vol derde was
gesneuveld, de overigen lagen gewond op de vlakte. En toch was het
eerst middag en de bloedigste arbeid wellicht nog te doen. Een adjudant
van Murat kwam pijlsnel aanrennen en bracht hem het bevel over om
onmiddellijk naar den linkervleugel der armee te trekken en de in
massa oprukkende artillerie te dekken. Tegelijk besteeg de officier
met hem de naaste hoogte, ten einde hem het punt, werwaarts hij zich
te begeven had, nader aan te wijzen. De slag was nu reeds tot dicht
bij de vijandelijke stellingen doorgedrongen. De Russen raapten hunne
reserves bijeen, om met hardnekkige dapperheid een tweede bedrijf van
het bloedige schouwspel te beginnen. Ter verijdeling van hun opzet
liet de keizer thans de gansche onafzienbare linie zijner artillerie
in beweging brengen, ten einde de oprukkende colonnes reeds op verren
afstand met dit vreeselijk wapen te verpletteren. Rasinski volgde
drie zware batterijen, die zich tot eene eenigszins afgezonderde
hoogte vooruitwaagden, waar zij lichtelijk door de vijandelijke lichte
cavalerie konden verrast worden, tegen welke hij haar in dat geval
beschermen moest.

Het rumoer van den slag, dat men tot hiertoe vernomen had, geleek
slechts het dof gedreun van een verwijderd onweder tegen de krakende
donderslagen, die thans over de vlakte rolden. Op de tegenovergelegen
hoogten waren de Russen in lange colonnes in slagorde geschaard. De
kogels sloegen met vreeselijke zekerheid in de zwarte massa's neder.
Men zag den vijand in gansche rijen nederstorten; echter week hij niet,
maar ordende zich telkens weder opnieuw.

„Zij bieden hardnekkig tegenstand,” sprak Rasinski, „maar zij offeren
zich te vergeefs op. Niet dáár moesten zij zich verzamelen, maar òf
verder terugtrekken òf met allen spoed voorwaarts rukken. Zij zullen
dien misslag duur betalen.”

„Zie, zie,” riep Jaromir, „hoe de blauwe hemel gedurig door den zwarten
muur zichtbaar wordt, wanneer onze kogels eene opening boren. Zij zijn
waarachtig waanzinnig, hunne beste manschappen zoo nutteloos op te
offeren.”

„Maar ook wij verzuimen onzen tijd, vrees ik,” antwoordde Rasinski.
„Wanneer thans de gardes aanrukten en van de voordeelen, die wij, met
het bloed onzer kameraden betaald hebben, gebruik maakten, moesten wij
de gansche armee der Russen op haren rechtervleugel terugwerpen en
tusschen de Moskowa en de Kalotscha insluiten kunnen. Ik zie niet in,
hoe zij ons ontkomen zouden.”

„De koning van Napels, daarvan was ik zelf in de redoute getuige, heeft
reeds voorlang zijn adjudant aan den keizer gezonden en op voortrukken
der garde aangedrongen,” hernam Bernard.

„Ook maarschalk Ney,” sprak Boleslaw.

„En hij weigerde het?” vroeg Rasinski.

„Vermoedelijk.”

„Onbegrijpelijk! onbegrijpelijk!—Hij is te ver van het slagveld
verwijderd, hij moest hier op ons standpunt staan en ik ben verzekerd
dat hij den aanval in stormmarsch bevelen zoude.”

„Ik kan mij niet voorstellen,” sprak Lodewijk, „dat een veldheer als de
keizer niet gewichtiger redenen zou hebben, om aan dit verlangen niet
te voldoen, dan zij opgeven, die het aan hem te kennen gaven.”

„Wat hem doet aarzelen, geloof ik te kunnen gissen,” antwoordde
Rasinski; „men is aan de beide vleugels nog zoover niet, als op het
centrum. Echter ziet men toch duidelijk, dat ook vorst Poniatowski
grond wint, en de onderkoning van Italië heeft ten minste nog niet
ongelukkig gevochten.—Maar is dat niet Regnard, die daar aankomt?”

Hij was het inderdaad. Met verbonden hoofd en arm reed hij langzaam,
door twee zijner soldaten ondersteund, uit het gevecht terug. Rasinski
snelde op hem toe.

„Nu, hoe staat het, vriend?” riep deze hem toe.

„Hoe het staat? Met mij verduiveld slecht, zooals gij zien kunt.
Echter kan ik nu verzekerd zijn, dat ik in dezen slag mijn leven niet
verliezen zal. Ik ben onbeduidend gekwetst, maar de helsche arbeid en
het bloedverlies hebben mij zoo verzwakt, dat ik mij niet langer te
paard kan houden. En dan het ongeluk, het verdriet, deze arglist des
satans dreigen mij razend te maken!”

„Wat dan?” vroeg Rasinski verwonderd,

„Gij vraagt nog? Ziet gij dan niet hoe de slag staat? Barsten kon ik
van spijt, dat de keizer niet meer de keizer, of liever, dat hij enkel
de keizer en niet meer de veldheer is. Hij moet ziek zijn, de koorts
spookt hem in de hersens, geen mensch kan hem begrijpen. De overwinning
ligt vóór hem en hij, die anders in eene Charybdis sprong om haar te
grijpen, is thans bevreesd er den arm naar uit te strekken. Murat,
Davoust en Ney hebben hem bezworen, hun de garde tot versterking toe
te zenden. Hij heeft het afgeslagen. Slechts op de hoogte mag zij zich
vertoonen, om den vijand voor onze reserve bevreesd te maken. Het
schijnt, dat een helsche demon zijne gedaante heeft aangenomen, om ons
in het verderf te storten!”

„Wij zullen het toch winnen!”

„Dat zullen wij ook! Maar kan het ook anders met zulke troepen? Vliegen
de kerels niet als uitgehongerde wolven op den vijand in? Mijne
manschappen hebben zich bij den aanval op de verschansing in den dood
gestort, als gold het een wedloop naar de prijzen aan den meiboom, en
het verwondert mij nog, dat zij de kogels niet met de bajonetten uit
de kanonnen geboord hebben, terwijl de artillerist de brandende lont
aan de kruitkamer bracht. Voor den duivel, ik weet wat vechten is, maar
zooals heden heb ik de Franschen nog nooit gekend.”

„De vijand doet ook het zijne!”

„Zeker; hij weert zich als een gewond everzwijn; doch juist als hij
zulk een ijzersterken tegenstander vindt, wordt de soldaat een leeuw.
Vaarwel, vriend! Ik moet mij dadelijk laten verbinden, wil ik niet
zachtjes uit den zadel glijden.”

Hij reikte hem de hand en reed verder.

Inmiddels was de bloedige worsteling met verdubbelde woede hervat.
Thans was het de moedige Eugenius, die den hachelijksten kamp te
strijden had. Op eene hoogte tusschen Borodino en Semenowskoi had de
vijand zijne stelling door eene geduchte redoute gedekt, waaruit vier
en twintig mortieren hunne ijzeren kogels op de voorwaarts dringende
regimenten nederwierpen.

„Daar is de overwinning!” riep Rasinski, toen hij het punt in het
oog kreeg, waartegen thans beide machten al hunne benden aanvoerden.
„Die redoute is het palladium van Ruriks gebied,” voegde hij er met
fonkelende oogen bij; „maar zij zal het onze worden. Thans zal de
keizer toonen, dat hij nog de veldheer van Austerlitz en Marengo is!”

Eenige oogenblikken later kreeg hij bevel, zich weder met zijn regiment
bij de hoofdcolonne der ruiterij aan te sluiten, die het ten derden
male herstelde linkercentrum van den vijand moest overhoop werpen. In
een dal, door eene kleine beek doorsneden, werden de troepen onder de
bescherming van het terrein herzameld. Tegelijk zag men dichte colonnes
infanterie ontwikkelen, die den storm op de verschansing ondernemen
moesten.

„Mij dunkt, het is lichter den zetel van den dondergod te bestormen,
dan deze helsche werkplaats der cyclopen,” riep Bernard zijnen vriend
toe.—Doch reeds drongen de colonnes met gezwinden tred met geveld
geweer voorwaarts. Een vreeselijk gedonder dreunde over de vlakte; alle
stukken der redoute werden tegelijk gelost. Een hagel van kartetsen
kletterde op de troepen neder, als moesten zij door één verpletterden
slag vernield worden. Hef hoog opdwarlende stof liet niet toe, te
onderscheiden, wie stond of viel. Doch spoedig zag men de adelaars
weder blinken, en in opnieuw gesloten rijen rukten de stormenden voort.
Het ijzeren monster op den heuvel scheen verstomd te zijn. Maar het
had slechts geloerd, om zijne prooi des te zekerder te treffen; toen
de colonnes zich weder tot eene dichte massa hadden saamgesmeed, rukte
het de bliksemende tongen uit al zijne vier- en twintig vuurmonden
tegelijk uit en het hemel en aarde schokkende gebrul kraakte door de
lucht. Gelijk een stormwind over het korenveld raast en de halmen in
breede vlakten ter aarde drukt, zoo velde thans de sikkel des doods de
koene aanvallers ter neder. Het scheen, dat de helft door dien éénen
slag was weggemaaid. De ijzeren stroom, die over hen heen bruiste,
vergunde hun nauw een vrijen ademtocht. Met onverzadelijken bloeddorst
slingerde de furie des verderfs, die, in den donkeren mantel van rook
en damp gehuld, over de strijders rondwaarde, hare bliksemen neder.
De verschrikking won de overhand; de rijen bogen, weken, vluchtten.
Nieuwe benden werden aangevoerd, om de verpletterden en vliedenden te
vervangen; maar even onuitputtelijk goot zich de alles vernielende
vloed der kartetsen over het veld uit. Lijken werden op lijken
gestapeld, als wilde men een wal van gevallenen om dezen vuurspuwenden
krater doen oprijzen.

Tegen de beide zijden der redoute, die als een onverwinnelijk Gibraltar
alle pogingen van den stoutsten heldenmoed trotseerde, leunden de
vleugels van het russische leger. Ook zij zonden den dood in de rijen
der aanvallers. Murat zendt twee cavalerie-regimenten tegen deze
colonnes af, om haar zoo mogelijk te doen wijken en vervolgens de
verschansing van ter zijde aan te tasten. Doch nauwelijks komen zij
binnen het bereik van het vijandelijk vuur, of eene bloedige slachting
verdunt hunne gelederen, en een kogel doet hun aanvoerder, den dapperen
Montbrun, van het paard storten. Hem ziende vallen, wankelen zij,
beginnen te wijken; doch ijlings springt de generaal Caulaincourt voor
het front, om Montbruns plaats in te nemen. „Vrienden!” roept hij,
„niet beweenen, wreken willen wij onzen wapenbroeder!”

Op last van den koning van Napels stelt zich nu de gansche ruiterij in
beweging. Twee saksische kurassiersregimenten vormen den linkervleugel,
een poolsch korps sluit hun ter zijde aan, hierop volgt Rasinski met
zijne scharen en eindelijk de overige lichte cavalerie.

Langzaam rukken zij voort, tot zij het vlakke veld voor zich zien.
Thans klinkt het commando, de trompet schalt, pijlsnel stormen de
ijzeren mannen over het veld. De donder van het geschut wordt verdoofd
door het stampen en trappelen der paarden, het kletteren der kurassen
en sabels, den woedenden aanvalskreet der krijgers. Eene stofwolk hult
hen in nacht; slechts de bliksems der vijandelijke mortieren wijzen hun
het spoor. Man aan man gesloten, rennen zij voort. Aan deze vereenigde
kracht vermag niets weerstand te bieden. Thans wordt de teerling
geworpen, die over den slag, over twee keizerskroonen, over het lot van
Europa beslissen moet. Met woeste onstuimigheid werpen de ruiterscharen
zich op de linie van den vijand en drijven hem naar de vlakte terug.
Dit gezicht doet den moed der reeds afdeinzende infanterie, die tegen
de verschansing wordt aangevoerd, opnieuw ontvlammen; onder wild
geschreeuw dringt zij voort. De gloeiende ijzerbrokken woelen door hare
gelederen en doen duizenden vermorzeld neerzinken. Voorwaarts over de
lijken der broeders! De adelaars vallen. Voorwaarts! De aanvoerders
storten ter aarde. Voorwaarts, dat zij op het veld der overwinning
hun heldenadem uitblazen! De aarde is eene stormende zee; gierig
verslindt de afgrond des verderfs zijn roof. Nog eenmaal kraken de
ijzeren mortieren en slingeren vlammen en erts op de bestormers. Hunne
rijen liggen geveld, doch onder jubelgeschrei dringen de overblijvende
voorwaarts.

Daar wordt het plotseling stil. Het zwarte voorhangsel van rook en damp
opent zich, en een verblindende glans straalt den dapperen in het oog.
Hoe? Is dat de godin der Overwinning? Rijst een nieuwe, ijzeren muur
voor onze schreden op?—Neen, wij vernemen vreugdegejuich, zegekreten!

Het zijn de duitsche scharen, die de schans genomen, de zege bevochten
hebben, en de zon van dezen dag spiegelt zich trotsch in hunne
flonkerende kurassen die een hart van nog ondoordringbaarder metaal
bedekken.


HOOFDSTUK V.

Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop
geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund
en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter,
dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar
het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen
terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers
des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers
tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te
beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om
den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne
afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche
lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende
scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag
bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke
gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts
het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en
zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de
verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.

Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken,
was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht
geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een
einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene
geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet
toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel
was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen
herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht.
Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe,
huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen
der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven,
die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om.
Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming
der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte
Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe,
waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de
baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij
de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendste
afgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen
der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog
zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij
schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld
afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare
stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het
beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder.
Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke
gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in
zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig
verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een
vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe
wonden in zijn hart achterlaten.

Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de
treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door
een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van
elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen
heuvel bij Duomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des
groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns
levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige
eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van
het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt
slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het
stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf,
het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken
was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde
uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps
voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met
innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn
achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.

„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het
oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog
in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand
zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik
ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar
na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne
bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan
gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij
ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”

„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast
mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met
warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook,
hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel,
wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan!
Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu
ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker
veld lag!”

„En Maria?”

„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”

„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door
de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde
hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik
als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en
krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Doch steeds gewoon,
zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne
lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon:
„Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd
spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete
tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”

„Hoopt gij dat?”

„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is
ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons
nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen
schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het
weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”

Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op
de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat
is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een
lijk was, waarover ik gevallen ben.”

„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier
moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten.
Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen
niet nog vermeerderen.”

Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal
der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken
stap daartegen aanstiet.

„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar
heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel
langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht
doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”

Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken
bezaaid.

„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in
duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger
is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk
zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”

Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls
waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de
boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der
hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden
verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij
diep door het hart.

Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet
zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken,
die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men
voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor
welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld
geworden.

„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige
lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front
tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.

„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige
stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe,
wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”

Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af
en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn
voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte;
hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dekte het hoofd en reed
in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine
hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!”
riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet
het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De
dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer
broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood
betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze
rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot
is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er
trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst.
Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des
krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en
het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die
gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want,
schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig
was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch
op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen
bloedigen, maar schoonen dag!”

Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken,
plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming
der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze
aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche
schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en
vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige
stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk
scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen,
de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine
bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de
behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men
nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats
onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het
bivak betrokken.

Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte
de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage
kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de
officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats
neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.

„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een
vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen
behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog
overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen
medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”

De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts
vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen,
elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten,
had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en
door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch,
door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren
slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski;
Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn
val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.

„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski;
„doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van
onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens
borst een jeugdig vuur van moed en vaderlandsliefde gloeide, schoon
zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”

„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.

„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen
den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot
staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard
doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand
en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats
liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte
ons allen mede voort.”

„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.

„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk
op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het
morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf
kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het
gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door
eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden.
Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren
gebruik maken.”

Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne
ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige
arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot
uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig
in vasten slaap.

Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van
zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de
rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt.
Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de
vlammen starende, den gloed aan.

„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.

„Middernacht.”

„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”

„Alles stil als de dood.”

„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen
rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de
overwonnenen!”

Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld
lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de
vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op;
die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.

„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand
nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten
tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij
zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward
gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het
welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd
voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”

Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.

„Werda?”

„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen
geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”

Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn
vriend! Mijne droomen zijn wellicht nog akeliger! Wanneer gij een
ervaren soldaat waart, zoudt gij mij begrijpen. Deze overwinning is
ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is
verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door
te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al
gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen
voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst
aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene
zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg
bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en
te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij
niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen,
hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven,
wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij
ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien
blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt
zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte
handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft
hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke
werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog
geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het
gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren
zal!”

Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.

Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den
duisteren nacht.

„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk
hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting
vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers
bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld
van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt.
Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den
slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele
duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure,
regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd
en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met
verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen
nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen
stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van
den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland,
aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen,
door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft
het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der
minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit
al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen,
vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de
vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van
hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper
vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend
gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer
en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie den _slag_ gezien heeft, kent
slechts de _lachende_ zijde van den krijg. Zie morgen het slag_veld_ en
gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven.
Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem,
voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding
voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst
de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles
te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die
gruwzame martelingen van een gerekten doodstrijd, die het medelijden
zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend,
dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak
is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne
schouders wentelt.”

Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals
en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar
zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed.
Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk
voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande
gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar
deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski
het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt
kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het
is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven,
het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij
zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het
oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht
toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij
helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe
smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”

Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende
morgen hen wekte.


HOOFDSTUK VI.

Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in
oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en
rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder
rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den
aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der
cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan
wel naar Kaluga wendde.

Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van
de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen.
In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der
heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte
zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te
ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden.
De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden
zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en
somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord
en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige
inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo
vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen.
Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe
te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende
wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood
als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de
eenige prijs der overwinning, die men bevochten had! Vele regimenten
waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne
arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.

Zoo wachtten zij op den keizer.

Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten,
prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde
belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den
kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldaten herhaalden dien, maar het
was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije
aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder
van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige
honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.

Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde
het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden
hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten
zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.

„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij
zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard
tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voort