Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Duitsche Witboek - Documenten aangaande het uitbreken van den oorlog
Author: Deutschland, Auswärtiges Amt
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Duitsche Witboek - Documenten aangaande het uitbreken van den oorlog" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



generously made available by the Library of Congress)



  +-----------------------------------------------------------------+
  |                                                                 |
  |                 OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                    |
  |                                                                 |
  | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele,      |
  | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te       |
  | moderniseren.                                                   |
  |                                                                 |
  | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het   |
  | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kantlijnnoten    |
  | zijn verplaatst naar het begin van de alinea met de verwijzing. |
  |                                                                 |
  | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als       |
  | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als #vet#, onderstreepte  |
  | tekst als =onderstreept= en uitgespatieerde tekst als           |
  | ~uitgespatieerd~.                                               |
  |                                                                 |
  | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn        |
  | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: o.a.         |
  | met/zonder accent.                                              |
  |                                                                 |
  | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de            |
  | aangebrachte correcties.                                        |
  |                                                                 |
  +-----------------------------------------------------------------+



                                   Het
                            Duitsche Witboek


                        Documenten aangaande het
                        uitbreken van den oorlog


                     Met later daaraan toegevoegde
                             supplementen


               Den Haag     R. W. E. Wijnmalen       1915



~Het Duitsche Witboek.~

#Diplomatieke Documenten.#


[Kantlijn: Bijlage 1.]

Den 28en Juni van dit jaar zijn de Oostenrijksch-Hongaarsche
troonopvolger, aartshertog FRANZ FERDINAND en zijn gemalin, de hertogin
van Hohenberg, door de revolverschoten van een lid van een Servische
samenzweerdersbende gedood. Het onderzoek van de misdaad door de
Oostenrijksch-Hongaarsche autoriteiten heeft aan het licht gebracht,
dat het complot tegen het leven van den aartshertog-troonopvolger
te Belgrado, met medewerking van en begunstigd door ambtelijke
Servische personen gesmeed, met wapens uit Servische staatsdepots is
ten uitvoer gelegd. Deze misdaad moest heel de beschaafde wereld de
oogen openen, niet slechts voor het tegen het bezit en de integriteit
van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie gerichte streven van de
Servische politiek, maar ook voor de misdadige middelen, waarvoor
de groot-Servische propaganda in Servië ter bereiking van haar doel
niet terugschrikte. Het doel van deze politiek was het geleidelijk in
opstand brengen en ten slotte afscheiden van het zuidoostelijk gedeelte
van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, ten einde dit met Servië
te vereenigen. Aan deze richting der Servische politiek hebben de
herhaalde en plechtige verklaringen, waarbij Servië Oostenrijk-Hongarije
zijn afkeer van deze politiek betuigde en het bevorderen van goede
betrekkingen als naburen beloofde, niet het geringste veranderd. Ten
derde male in den loop van de laatste 6 jaren brengt Servië op deze
wijze Europa aan den rand van een wereldoorlog. Het kon dit slechts
doen, omdat het meende, bij zijn streven door Rusland gesteund
te worden. De Russische politiek had zich spoedig na de door de
Turksche revolutie uitgelokte gebeurtenissen van het jaar 1908 er
op toegelegd een tegen het bezit van Turkije gericht verbond van de
Balkanstaten, in het leven te roepen. Dit Balkanverbond, dat er in het
jaar 1911 in slaagde Turkije zegevierend uit het grootste gedeelte
van zijn Europeesche bezittingen te verdringen, stortte wegens het
meeningsverschil omtrent de verdeeling van den buit, ineen. De Russische
politiek liet zich door dit fiasco niet afschrikken. Volgens het plan
van de Russische staatslieden moest een nieuw Balkanverbond, onder
Russisch patronaat, tot stand komen, welks spits niet meer tegen het
uit den Balkan verdrongen Turkije, maar tegen de bezittingen van de
Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie gericht zou zijn. De bedoeling was,
dat Servië, als tegemoetkoming voor de ten koste van de Donaumonarchie
verworven inlijving van Bosnië en Herzegowina, aan Bulgarije zou afstaan
de deelen van Macedonië, die het in den laatsten Balkanoorlog verworven
had. Met het oog hierop moest Boelgarije door isoleering murw gemaakt,
Roemenië door een, met behulp van Frankrijk, ondernomen propaganda, aan
Rusland geketend, en de aandacht van Servië op Bosnië en Herzegowina
gevestigd worden.

Onder deze omstandigheden moest Oostenrijk inzien, dat een langer
werkeloos toezien bij hetgeen er over de grens gebeurde, noch met
zijne waardigheid, noch met het zelfbehoud der monarchie was overeen
te brengen. De Keizerlijke en Koninklijke regeering deelde ons deze
opvatting mede, en verzocht haar onze meening daaromtrent te doen
geworden. Van ganscher harte konden wij onzen bondgenoot verklaren, dat
wij het geheel met zijne beoordeeling eens waren, en konden wij hem
verzekeren, dat eene actie, die hij voor noodzakelijk hield om aan de,
tegen het bezit der Monarchie gerichte beweging in Servië een einde te
maken, onze goedkeuring zou vinden. Wij waren ons hierbij ten volle
bewust, dat een mogelijk gewapend optreden van Oostenrijk-Hongarije
tegen Servië, Rusland naar voren zou brengen, en ons, in verband
met onze plichten als bondgenoot, in een oorlog kon wikkelen. Waar
wij echter inzagen, dat levensbelangen van Oostenrijk-Hongarije op
het spel stonden, konden wij onzen bondgenoot niet raden tot eene
inschikkelijkheid, die niet met zijne waardigheid overeen te brengen
was, noch hem onzen steun in dit ernstig oogenblik ontzeggen. Wij
konden dit te minder, omdat ook onze belangen door het voortdurend
woelen van Servië zoo gevoelig mogelijk bedreigd waren. Wanneer het
den Serviërs nog langer vergund ware geweest, onder bescherming van
Rusland en Frankrijk, het bezit van de naburige monarchie in gevaar te
brengen, dan zou dit de geleidelijke ineenstorting van Oostenrijk en de
onderwerping van alle Slaven onder Russischen scepter tengevolge gehad
hebben, waardoor de positie van het Germaansche ras in Midden-Europa
onhoudbaar zou geworden zijn. Een moreel verzwakt, door het opdringen
van het Russische Panslavisme ineenstortend Oostenrijk, zou voor ons
geen bondgenoot meer geweest zijn, waarop wij zouden kunnen rekenen, en
waarop wij ons zouden kunnen verlaten, zooals dit tegenover de steeds
dreigender wordende houding van onze oostelijke en westelijke naburen
voor ons noodzakelijk is. Wij lieten daarom Oostenrijk geheel de vrije
hand in zijn actie tegen Servië en hebben aan de voorbereiding daarvan
niet deelgenomen.

Oostenrijk koos daartoe den weg om in eene nota aan de Servische
regeering uitvoerig de door het gerechterlijk onderzoek na den moord te
Serajewo vastgestelde onmiddellijke samenhang tusschen den moord en de
door de Servische regeering niet alleen gedulde, maar zelfs ondersteunde
groot-Servische beweging aan te toonen, en van haar te verlangen, dat
deze agitatie volkomen zou ophouden en de schuldigen zouden worden
bestraft. Tegelijkertijd verlangde Oostenrijk-Hongarije als waarborg
voor een werkelijk ernstig onderzoek, het deelnemen van zijn ambtenaren
aan dit onderzoek op Servisch gebied, en een definitieve ontbinding van
de tegen Oostenrijk-Hongarije woelende Groot-Servische vereenigingen.
De Keizerlijke en Koninklijke regeering stelde een termijn van 48 uren
voor de onvoorwaardelijke aanneming van hare eischen. De Servische
regeering begon een dag nadat de Oostenrijksch-Hongaarsche nota haar
overhandigd was, met de mobilisatie. Toen na afloop van den termijn,
de Servische regeering een antwoord gaf, dat wel is waar op eenige
punten de wenschen van Oostenrijk-Hongarije vervulde, in hoofdzaak
echter duidelijk het streven liet doorschemeren, om zich door uitstel
en nieuwe onderhandelingen aan de gerechte eischen van de monarchie
te onttrekken, brak deze de diplomatieke betrekkingen met Servië af,
zonder zich met verdere onderhandelingen in te laten, of zich te laten
ophouden door verzekeringen van Servië, waarvan zij de waarde—tot haar
schade—voldoende kende.

Van dat oogenblik af bevond zich Oostenrijk feitelijk met Servië in
oorlogstoestand, die het dan ook door de officieele oorlogsverklaring
van den 28en Juli openlijk afkondigde.

Van het eerste begin van het conflict af hebben wij op het standpunt
gestaan, dat de heele zaak eene particuliere aangelegenheid van
Oostenrijk was, die het alleen met Servië moest uitvechten. Ons
geheele streven was er daarom op gericht, den oorlog te localiseeren,
en de andere mogendheden ervan te overtuigen, dat Oostenrijk in
gerechtvaardigde zelfverdediging en door de omstandigheden gedwongen,
tot een beroep op de wapens had moeten besluiten. Wij hebben met nadruk
het standpunt verdedigd dat geen beschaafde staat het recht had, in
dezen strijd tegen onbeschaafdheid en politieke misdadigersmoraal
Oostenrijk te hinderen en te trachten, de Serviërs aan hun verdiende
straf te onttrekken. In dezen geest hebben wij onze vertegenwoordigers
in het buitenland instructies gegeven.

[Kantlijn: Bijlage 1_b_ en 2.]

[Kantlijn: Bijlage 3.]

Tegelijkertijd deelde de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering aan de
Russische regeering mede, dat de stap, dien zij in Servië gedaan
had, slechts bedoeld was als een defensieve maatregel tegenover de
Servische kuiperijen, dat Oostenrijk echter gedwongen was waarborgen te
eischen, dat Servië voortaan een vriendschappelijke houding tegenover
de Monarchie zou aannemen. Het lag volstrekt niet in de bedoeling van
Oostenrijk-Hongarije om eene verschuiving van de machtsverhoudingen
op den Balkan te veroorzaken. Toen wij verklaarden, dat de Duitsche
regeering alles wilde doen om het conflict te localiseeren, beloofden
zoowel de Fransche als de Engelsche regeering, naar hetzelfde doel te
zullen streven. Desniettemin gelukte het niet eene inmenging van Rusland
in het conflict tusschen Oostenrijk en Servië te verhinderen.

[Kantlijn: Bijlage 4.]

[Kantlijn: Bijlage 5.]

[Kantlijn: Bijlage 6, 7, 8 en 9.]

[Kantlijn: Bijlage 10, 10_a_ en 10_b_.]

De Russische regeering gaf den 18en Juli een ambtelijk communiqué uit,
waarin gezegd werd, dat Rusland in het conflict tusschen Servië en
Oostenrijk onmogelijk onverschillig kon blijven. Ditzelfde verklaarde de
Russische minister van buitenlandsche zaken, de heer SASANOW tegenover
den Keizerlijken ambassadeur Graaf POURTALÈS. Des namiddags van den
26en Juli liet de K. en K. regeering nogmaals door haar ambassadeur
in St. Petersburg verklaren, dat Oostenrijk-Hongarije geenerlei
veroveringsplannen had en slechts begeerde, eindelijk eens rust te
krijgen aan zijne grenzen. In den loop van denzelfden dag bereikten
reeds de eerste berichten over Russische mobilisatie, Berlijn. Nog den
26en 's avonds werd den keizerlijken ambassadeurs te Londen, Parijs
en St. Petersburg opgedragen de regeeringen van Engeland, Frankrijk
en Rusland ernstig te wijzen op het gevaar, van deze Russische
mobilisaties. Nadat Oostenrijk-Hongarije Rusland officieel verklaard
had, dat het geen uitbreiding van gebied in Servië nastreefde, lag
de beslissing over den wereldvrede uitsluitend in St. Petersburg.
Nog denzelfden dag werd den Keizerlijken gezant te St. Petersburg
opgedragen, de Russische regeering het volgende te verklaren:

Voorbereidende militaire maatregelen van Rusland zouden ons tot
tegenmaatregelen dwingen; die zouden moeten bestaan in de mobilisatie
van het leger. Mobilisatie zou echter oorlog beteekenen. Daar
ons Frankrijk's plichten tegenover Rusland bekend waren, zou deze
mobilisatie tegen Rusland en Frankrijk tegelijk gericht worden. Wij
mochten niet aannemen, dat Rusland een dergelijken Europeeschen oorlog
zou willen ontketenen. Daar Oostenrijk-Hongarije het bezit van het
koninkrijk Servië niet wilde aantasten, waren wij van meening, dat
Rusland een afwachtende houding kon aannemen. De wensch van Rusland, om
het bezit van het koninkrijk Servië ongeschonden te bewaren, zouden wij
te eer kunnen ondersteunen, omdat dit bezit door Oostenrijk-Hongarije
volstrekt niet bedreigd werd. Het zou gemakkelijk zijn, bij het verdere
verloop der aangelegenheid een grondslag te vinden voor eene minnelijke
schikking.

[Kantlijn: Bijlage 11.]

Den 27en Juli verklaarde de Russische minister van oorlog SUCHOMLINOW
den Duitschen militairen attaché onder eerewoord, dat het bevel tot
mobilisatie nog niet gegeven was. Er werden slechts voorbereidende
maatregelen getroffen, geen paard was opgevorderd, geen reservist
opgeroepen. Als Oostenrijk-Hongarije de Servische grens overschreed,
zouden de naar Oostenrijk gerichte militaire districten Kiew, Odessa,
Moskou, Kazan gemobiliseerd worden. Onder geen omstandigheden echter de
aan het Duitsche front gelegene: St. Petersburg, Wilna en Warschau. Op
de vraag van den militairen attaché, met welk doel de mobilisatie tegen
Oostenrijk plaats vond, antwoordde de Russische Minister van Oorlog
door zijn schouders op te halen en te verwijzen naar de diplomaten. De
militaire attaché bestempelde daarop de mobilisatiemaatregelen tegen
Oostenrijk-Hongarije als ook voor Duitschland zeer gevaarlijk. De daarop
volgende dagen volgden de berichten over Russische mobilisaties elkaar
zeer snel op. Daaronder waren ook berichten over toebereidselen aan de
Duitsche grens, zooals de afkondiging van den staat van oorlog over
Kownow, het vertrek van het garnizoen van Warschau en de versterking van
het garnizoen van Alexandrowo. Den 27en Juli kwamen de eerste berichten
over voorbereidende maatregelen van Frankrijk. Het XIV korps staakte de
manoeuvres en keerde in zijn garnizoen terug.

Intusschen zijn wij pogingen blijven doen, om door een zeer krachtige
inwerking op de kabinetten een localisatie van het conflict door te
zetten.

[Kantlijn: Bijlage 12.]

[Kantlijn: Bijlage 13.]

[Kantlijn: Bijlage 14.]

[Kantlijn: Bijlage 15.]

[Kantlijn: Bijlage 16.]

Den 26en Juli had Sir EDWARD GREY het voorstel gedaan, het geschil
tusschen Oostenrijk-Hongarije te brengen voor een onder zijn
voorzitterschap samen te roepen conferentie van de ambassadeurs van
Duitschland, Frankrijk en Italië. Ten opzichte van dit voorstel
hebben wij verklaard, dat wij, hoezeer wij de bedoeling ervan ook
waardeerden, aan een dergelijke conferentie geen deel konden nemen,
daar wij Oostenrijk in zake zijne afrekening met Servië niet voor een
Europeesch gerecht konden brengen. Frankrijk heeft het voorstel van
Sir EDWARD GREY goedgekeurd, maar het is tenslotte daarop gestrand,
dat Oostenrijk het zooals te voorzien was, van de hand wees. Getrouw
aan ons beginsel, dat eene bemiddelingsactie zich niet uitstrekken
kon tot het conflict tusschen Oostenrijk en Servië, dat geheel eene
Oostenrijksch-Hongaarsche aangelegenheid was, maar alleen tot de
verhouding tusschen Oostenrijk-Hongarije en Rusland, hebben wij onze
pogingen voortgezet om eene minnelijke schikking tusschen deze twee
mogendheden tot stand te brengen. Wij zijn echter ook bereid geweest,
nadat het conferentievoorstel verworpen was, een nieuw voorstel van Sir
EDWARD GREY naar Weenen over te brengen, waarin hij Oostenrijk-Hongarije
in overweging gaf, om òf het Servische antwoord als voldoende te
beschouwen, òf anders als grondslag voor verdere besprekingen. De
Oostenrijksch-Hongaarsche regeering heeft, bij alle waardeering voor
onze werkzaamheid als bemiddelaar, ten opzichte van dit voorstel
opgemerkt, dat het na het openen der vijandelijkheden te laat kwam.

[Kantlijn: Bijlage 17.]

Desniettemin hebben wij onze bemiddelingspogingen tot het uiterste
voortgezet, en hebben wij in Weenen den raad gegeven, alle
tegemoetkomendheid te toonen, die met de waardigheid der Monarchie
overeen te brengen was. Helaas zijn deze bemiddelingspogingen nog voor
ze tot een resultaat hadden gevoerd, gestaakt moeten worden, wegens
de militaire toebereidselen van Rusland en Frankrijk. Den 29en Juli
heeft de Russische regeering in Berlijn ambtelijk medegedeeld, dat
zij 4 legerdistricten had gemobiliseerd. Tegelijkertijd kregen wij
nadere mededeelingen over snel opschietende militaire toebereidselen
van Frankrijk, te water en te land. Denzelfden dag had de Keizerlijke
ambassadeur te St. Petersburg een gesprek met den Russischen minister
van buitenlandsche zaken, waarover hij telegrafisch het volgende meldde:

„De minister trachtte mij ertoe over te halen, dat ik bij mijne
regeering zou pleiten voor het deelnemen aan een conferentie van vier
mogendheden, teneinde middelen te vinden om Oostenrijk-Hongarije
langs vriendschappelijken weg te bewegen, die eischen welke de
souvereiniteit van Servië aantastten op te geven. Ik heb, terwijl ik
slechts toezegde van het onderhoud verslag te zullen doen, mij op het
standpunt geplaatst, dat mij, nadat Rusland tot den noodlottigen stap
der mobilisatie besloten had, iedere gedachtenwisseling hierover zeer
moeilijk, zoo niet onmogelijk toescheen. Wat Rusland thans van ons
tegenover Oostenrijk verlangde, was hetzelfde, als dat waarvan het
Oostenrijk-Hongarije tegenover Servië een verwijt maakte, n.l. een
ingrijpen in de souvereine rechten.

Oostenrijk-Hongarije had door zijne verklaring niet naar
gebiedsuitbreiding te streven, beloofd, rekening te houden met de
Russische belangen, wat een groote concessie is van de zijde van een
oorlogvoerenden staat. Men behoorde daarom de Donaumonarchie haar
aangelegenheid met Servië alleen te laten regelen. Bij het sluiten van
den vrede zou er nog altijd gelegenheid bestaan terug te komen op het
ontzien van de souvereiniteit van Servië.

Zeer ernstig heb ik hieraan toegevoegd, dat op het oogenblik de geheele
Austro-Servische aangelegenheid tegenover het gevaar van een Europeesch
conflict op den achtergrond getreden was, en ik heb mij alle moeite
gegeven, den minister de grootte van het gevaar onder de oogen te
brengen.

Het was niet mogelijk SASANOW van de gedachte af te brengen, dat Rusland
Servië niet in den steek mocht laten.”

Eveneens den 29en Juli rapporteerde de militaire attaché te St.
Petersburg het volgende over een onderhoud, dat hij had gehad met den
chef van den Russischen generalen staf:

„De chef van den generalen staf heeft mij verzocht bij hem te komen
en mij medegedeeld, dat hij zoo juist van Zijne Majesteit kwam. Hij
had van den minister van oorlog de opdracht gekregen, om mij nogmaals
te bevestigen, dat alles zoo gebleven was als de minister het mij 2
dagen geleden had medegedeeld. Hij bood mij schriftelijk bevestiging
aan en gaf mij op de plechtigste wijze zijn eerewoord, dat nergens
eene mobilisatie, d. w. z. het oproepen van een enkelen man of een
enkel paard, tot op dit uur, 3 uur namiddags, had plaats gehad. Voor
de toekomst kon hij daarvoor niet instaan, maar wel zeer uitdrukkelijk
bevestigen, dat op het front, dat naar onze grenzen gericht is,
door Zijne Majesteit geen mobilisatie gewenscht werd. Er zijn hier
echter vele berichten ingekomen over het oproepen van reservisten in
verschillende deelen van het rijk, ook in Warschau en in Wilna. Ik heb
daarom den generaal voorgehouden, dat ik door zijne mededeelingen voor
een raadsel geplaatst werd. Hij antwoordde mij echter op zijn woord als
officier, dat deze berichten onjuist waren, hoewel het mogelijk was, dat
misschien hier of daar valsch alarm geslagen was.

Ik moet het gesprek, met het oog op de talrijke positieve berichten
over het onder de wapenen roepen, beschouwen als een poging om ons te
misleiden over den omvang van de maatregelen, die tot nu toe genomen
zijn.”

Toen de Russische regeering op de verschillende vragen naar de redenen
van haar dreigende houding er steeds op wees, dat Oostenrijk-Hongarije
nog geen besprekingen in St. Petersburg begonnen was, kreeg de
Oostenrijksch-Hongaarsche ambassadeur in St. Petersburg den 29en Juli
op ons initiatief de opdracht, met den heer SASANOW de besprekingen te
beginnen. Graaf SZAPARY kreeg machtiging de, door het uitbreken van
den oorlog weliswaar reeds verouderde, nota aan Servië tegenover den
Russischen minister toe te lichten en elk voorstel in ontvangst te
nemen, dat men van Russische zijde doen zou. Ook moest hij met SASANOW
alle quaesties bespreken, welke de betrekkingen tusschen Oostenrijk en
Rusland onmiddellijk betroffen.

[Kantlijn: Bijlage 19.]

Zij aan zij met Engeland hebben wij onafgebroken voortgewerkt aan
de bemiddelingsactie, en in Weenen ieder voorstel ondersteund,
waarvan wij konden hopen dat het de mogelijkheid zou openen voor eene
vreedzame oplossing van het conflict. Nog den 30en hebben wij een
Engelsch voorstel naar Weenen overgebracht, dat als basis voor de
onderhandelingen stelde, dat Oostenrijk-Hongarije na Servië te zijn
binnengerukt, daar zijn voorwaarden zou dicteeren. Wij moesten aannemen
dat Rusland deze basis aanvaarden zou.

[Kantlijn: Bijlage 18, 20, 21, 22, 23, 23_a_.]

Terwijl in den tijd van den 29en tot den 31en Juli deze onze pogingen
tot bemiddeling, door de Engelsche diplomatie ondersteund, met steeds
meer nadruk werden voortgezet, kwamen er steeds nieuwe zich ophoopende
berichten over Russische mobilisatiemaatregelen. Troepenopeenhoopingen
aan de Oost-Pruisische grens, en het afkondigen van den staat van
oorlog over alle belangrijke plaatsen aan de Westgrens van Rusland
lieten geen twijfel meer over, dat de Russische mobilisatie ook tegen
ons in vollen gang was, terwijl men tegelijkertijd tegenover onzen
vertegenwoordiger te St. Petersburg alle maatregelen van dezen aard
opnieuw op eerewoord loochende. Nog eer het antwoord uit Weenen op het
laatste Engelsch-Duitsche bemiddelingsvoorstel, welks strekking en
grondslag in St. Petersburg bekend geweest moest zijn, in Berlijn kon
aankomen, gaf Rusland last tot de algemeene mobilisatie. Op diezelfde
dagen vond tusschen Z. M. den Keizer en Koning en den Tsaar NICOLAAS
een telegrammenwisseling plaats, waarin Z. M. den Tsaar wees op het
dreigende karakter van de Russische mobilisatie en op het feit, dat hij
zijn eigen bemiddelend optreden nog steeds voortzette.

Den 31en Juli richtte de Tsaar aan Z. M. den Keizer het volgende
telegram:

„Ik dank je van harte voor je bemiddeling, die de hoop doet herleven,
dat alles nog vreedzaam kan eindigen. Het is technisch onmogelijk onze
militaire maatregelen te staken, die noodzakelijk zijn geworden door
de mobilisatie van Oostenrijk. Wij zijn er ver van af, een oorlog
te wenschen. Zoolang de onderhandelingen met Oostenrijk over Servië
voortduren, zullen mijn troepen geen uitdagende actie ondernemen. Daar
geef ik je plechtig mijn woord op. Ik vertrouw met alle kracht op Gods
genade en hoop op het succes van je bemiddeling in Weenen, voor het
welzijn van onze landen en voor den vrede van Europa.

                                           Je je hartelijk toegenegene
                                                   NICOLAAS”.

Dit telegram van den Tsaar kruiste het volgende, eveneens den 31en Juli
om 2 uur namiddags afgezonden telegram van Z. M. den Keizer:

„Naar aanleiding van je beroep op mijn vriendschap en je verzoek om mijn
hulp, ben ik eene bemiddelingsactie begonnen tusschen jouw regeering en
de Oostenrijksch-Hongaarsche. Terwijl deze actie in gang was, zijn je
troepen tegen het met mij verbonden Oostenrijk-Hongarije gemobiliseerd,
waardoor, zooals ik je reeds heb medegedeeld, mijne bemiddeling vrijwel
nutteloos geworden is. Desniettemin heb ik die voortgezet. Nu krijg
ik betrouwbare berichten over ernstige oorlogstoebereidselen ook aan
mijn oostelijke grens. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van
mijn rijk dwingt mij tot verdedigende tegenmaatregelen. Ik ben met
mijne pogingen om den wereldvrede te redden, gegaan tot aan de uiterste
grenzen van het mogelijke. Niet ik draag de verantwoordelijkheid voor
het ongeluk, dat nu de geheele beschaafde wereld bedreigt. Nog op dit
oogenblik ligt het in jouw hand, het af te wenden. Niemand bedreigt de
eer of de macht van Rusland, dat wel den uitslag van mijne bemiddeling
had kunnen afwachten. De vriendschap voor jou en voor je rijk, die mijn
grootvader op zijn sterfbed op mij heeft overgedragen, is mij altijd
heilig geweest, en ik heb trouw aan de zijde van Rusland gestaan, als
het in groote moeilijkheden verkeerde: vooral in zijn laatsten oorlog.
Gij kunt den vrede van Europa op dit oogenblik nog redden, als Rusland
besluit zijn militaire maatregelen te staken, die eene bedreiging zijn
voor Duitschland en Oostenrijk-Hongarije”.

Nog eer dit telegram zijne bestemming bereikte, was reeds de op den
morgen van denzelfden dag bevolen, blijkbaar tegen ons gerichte
mobilisatie van alle Russische strijdkrachten in vollen gang. Het
telegram van den Tsaar echter was om 2 uur 's middags ingeleverd.

[Kantlijn: Bijlage 24.]

Na het bekend worden van de algemeene mobilisatie van Rusland te
Berlijn, kreeg des namiddags van den 31en Juli de keizerlijke
ambassadeur te St. Petersburg bevel, de Russische regeering ervan
in kennis te stellen, dat Duitschland als tegenmaatregel tegen de
algemeene mobilisatie van het Russische leger en de Russische vloot den
staat van oorlog had afgekondigd, waarop de mobilisatie moest volgen,
wanneer Rusland niet binnen 12 uur zijn militaire maatregelen tegen
Oostenrijk-Hongarije staakte en Duitschland daarvan in kennis stelde.

[Kantlijn: Bijlage 25.]

Tegelijkertijd kreeg de keizerlijke ambassadeur te Parijs de opdracht,
binnen 18 uur van de Fransche regeering eene verklaring te verlangen, of
zij in een Duitsch-Russische oorlog al dan niet onzijdig zou blijven.

De Russische regeering heeft door haar mobilisatie, die de veiligheid
van het rijk in gevaar bracht, het moeizame bemiddelingswerk van de
Europeesche staatskanselarijen, kort voor het welslagen, te niet gedaan.
De mobilisatiemaatregelen, over den ernst waarvan men de Russische
regeering van den beginne af niet in twijfel gelaten had, en het
voortdurend loochenen van deze maatregelen, toonen duidelijk aan, dat
Rusland den oorlog wilde.

De Keizerlijke ambassadeur te St. Petersburg heeft de hem opgedragen
mededeeling, den 31en Juli 's nachts om 12 uur aan den heer SASANOW
gedaan. Een antwoord van de Russische regeering hierop heeft ons nooit
bereikt. Twee uur na afloop van den in deze mededeeling gestelden
termijn, heeft de Tsaar aan Z. M. den Keizer getelegrafeerd:

„Ik heb je telegram ontvangen. Ik begrijp dat gij gedwongen zijt te
mobiliseeren, maar ik zou gaarne van jou dezelfde waarborg hebben, die
ik je gegeven heb, nl. dat deze maatregelen niet oorlog beteekenen,
en dat we zullen voortgaan met onderhandelen, tot heil van onze beide
landen en van den algemeenen vrede, die ons zoozeer ter harte gaat.
Onze langbeproefde vriendschap moet het met Gods hulp gelukken,
bloedvergieten te voorkomen. Dringend verwacht ik vol vertrouwen je
antwoord”.

Hierop antwoordde Z. M. de Keizer:

„Ik dank je voor je telegram. Ik heb je regeering gisteren den weg
aangewezen, waarop de oorlog nog te vermijden is. Ofschoon ik om een
antwoord tegen hedenmiddag had verzocht, heeft mij tot nog toe geen
telegram van mijn ambassadeur met een antwoord van je regeering bereikt.
Ik ben daardoor gedwongen, mijn leger te mobiliseeren. Een onmiddellijk,
duidelijk antwoord van je regeering, dat geen aanleiding kan geven tot
misverstand, is het eenige middel, om onafzienbare ellende te voorkomen.
Voor dat ik dit antwoord gekregen heb, ben ik tot mijn leedwezen niet
in staat, nader op den inhoud van je telegram in te gaan. Ik moet zoo
ernstig mogelijk van je verlangen, dat gij onmiddellijk je troepen bevel
geeft, onder geen omstandigheden ook maar de geringste schending van
onze grenzen te begaan”.

[Kantlijn: Bijlage 26.]

Daar de termijn, dien wij aan Rusland hadden gesteld, verstreken was
zonder dat wij een antwoord hadden gekregen op onze vraag, beval
Z. M. de Keizer en Koning den 1en Augustus 's middags om 5 uur de
mobilisatie van het geheele Duitsche leger en van de keizerlijke marine.
De Keizerlijke ambassadeur te St. Petersburg had intusschen opdracht
gekregen, als de Russische regeering binnen den gestelden termijn geen
bevredigend antwoord zou geven, haar te verklaren, dat wij ons na het
afwijzen van onzen eisch beschouwden in oorlogstoestand te verkeeren.
Alvorens ons echter nog een bericht over het uitvoeren van deze opdracht
bereikte, overschreden Russische troepen onze grenzen, en wel op den
namiddag van den 1en Augustus, den zelfden namiddag dus, waarop het
zooeven vermelde telegram van den Tsaar was afgezonden. Zij rukten
voorwaarts op Duitsch gebied.

Hiermede had Rusland den oorlog tegen ons begonnen.

Intusschen had de Keizerlijke ambassadeur te Parijs den 31en Juli om 7
uur 's avonds de vraag, die hem opgedragen was, aan het Fransche kabinet
gesteld.

[Kantlijn: Bijlage 27.]

De Fransche minister-president heeft daarop den 1en Augustus om 1 uur
's middags een dubbelzinnig en onbevredigend antwoord gegeven, dat geen
duidelijke voorstelling geeft van de houding, die Frankrijk van plan was
aan te nemen, daar het er zich toe bepaalt te verklaren, dat Frankrijk
zou doen wat zijn belangen het geboden. Eenige uren later, om 5 uur
namiddags, werd last gegeven tot de mobilisatie van het geheele Fransche
leger en de geheele Fransche vloot.

Den morgen van den volgenden dag opende Frankrijk de vijandelijkheden.

                            Afgesloten den 2en Augustus des namiddags.



Bijlage 1.

#Norddeutsche Allgemeine Zeitung, 25 Juli 1914.#


_De Nota van Oostenrijk-Hongarije aan Servië._

                                                   Berlijn, den 24 Juli.

De Oostenrijksch-Hongaarsche gezant te Belgrado heeft gisteren avond
om 6 uur aan de Servische regeering een _verbaalnota_ overgereikt met
de _eischen der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering_. In de nota wordt
het _antwoord tot Zaterdag den 25 Juli, 6 uur 's avonds_ verlangd. De
woordelijke inhoud luidt als volgt:

Den 31en Maart 1909 heeft de Koninklijk Servische gezant bij het
Weensche hof in opdracht zijner regeering de volgende verklaring
afgelegd: Servië erkent, dat het door den in Bosnië ontstanen toestand
niet in zijne rechten wordt gekrenkt en dat het zich in verband daarmede
zal aanpassen aan de besluiten, welke de mogendheden met betrekking
tot artikel 25 van het verdrag van Berlijn, zullen nemen. Terwijl
Servië de raadgevingen der Groote Mogendheden opvolgt, verbindt het
zich de houding van protest en weerstand, die het met betrekking tot de
annexatie sedert gepasseerden October heeft ingenomen, te laten varen,
en verbindt het zich verder, de richting zijner tegenwoordige politiek
tegenover Oostenrijk-Hongarije te veranderen en voor den vervolge met
dit laatste land betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap te
zullen onderhouden.

De geschiedenis van de laatste jaren en in het bijzonder de smartelijke
gebeurtenissen van den 28en Juni hebben het bestaan van een subversieve
beweging in Servië bewezen, die tot bedoeling heeft bepaalde deelen
van het grondgebied der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie van
die monarchie af te scheiden. Deze beweging, die onder de oogen
der Servische regeering ontstond, heeft zich buiten het gebied des
koninkrijks door daden van terrorisme, door een rij van aanslagen en
door moorden, kenbaar gemaakt.

Wel verre van de in de verklaring van 31 Maart 1909 vervatte formeele
verplichtingen na te komen, heeft de Koninklijk Servische regeering
niets gedaan om deze beweging te onderdrukken. Zij duldde het misdadige
drijven der verschillende tegen de Monarchie gerichte vereenigingen, de
teugellooze taal der pers, de verheerlijking van de hoofdschuldigen aan
de aanslagen, de deelneming van officieren en ambtenaren aan subversieve
woelingen, zij duldde eene ongezonde propaganda bij het openbaar
onderwijs en duldde ten slotte alle manifestaties, die er de Servische
bevolking toe konden brengen de Monarchie te haten en hare instellingen
te verachten.

Nog tot op het oogenblik, waarop de gebeurtenissen van 28 Juni de
geheele wereld, de vreeselijke gevolgen van een dergelijk dulden hebben
getoond, is de Servische regeering deze beweging blijven dulden.

Uit de verklaringen en bekentenissen van de misdadige hoofdschuldigen
aan het attentaat van 28 Juni, blijkt, dat de moord van Serajewo in
Belgrado werd voorbereid, dat de moordenaars de wapens en bommen,
waarvan zij voorzien waren, ontvingen van Servische officieren en
ambtenaren, die lid waren van de Narodna Odbrana, en dat ten slotte de
overbrenging van de misdadigers en van hun wapens naar Servië geschiedde
door middel van leidende Servische grensorganen.

De genoemde resultaten van het onderzoek maken het voor de K. en K.
regeering niet mogelijk, nog langer in de houding van afwachtende
lankmoedigheid te volharden, die zij gedurende vele jaren had ingenomen,
tegenover die woelingen, welke hun middelpunt hebben in Belgrado en van
daaruit op het gebied der Monarchie worden overgebracht. Deze resultaten
maken het der K. en K. regeering veel meer tot plicht, aan woelingen,
die eene voortdurende bedreiging vormen voor de rust der Monarchie, een
einde te maken.

Teneinde dit doel te bereiken, ziet de K. en K. regeering zich gedwongen
van de Servische regeering eene _officieele verzekering te eischen, dat
zij de tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda veroordeelt_,
d. w. z. de totaliteit van de machinaties, welker einddoel is, van de
Monarchie, gebieden los te maken, die haar toebehooren en dat zij _zich
verplicht, deze misdadige en terroristische propaganda met alle middelen
te onderdrukken_.

Teneinde aan deze verplichtingen een plechtig karakter te geven, zal de
Koninklijk Servische regeering op de eerste pagina van haar officieel
orgaan van 26/13 Juli de volgende verklaring openbaar maken:

„De Koninklijk Servische regeering veroordeelt de tegen
Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda, d. w. z. de totaliteit van die
machinaties, welker einddoel is het van de Oostenrijksch-Hongaarsche
monarchie losmaken van deelen van het grondgebied, dat die Monarchie
toebehoort en zij betreurt oprecht de vreeselijke gevolgen van deze
misdadige handelingen.

De Koninklijk Servische regeering betreurt, dat Servische officieren
en ambtenaren aan de bovengenoemde propaganda hebben deelgenomen
en daardoor de betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap in
gevaar hebben gebracht, welke de Koninklijke regeering zich door hare
verklaring van 31 Maart 1909 zoo plechtig mogelijk verbonden had, te
zullen onderhouden.

De Koninklijke regeering, die iedere gedachte aan en iedere
poging tot inmenging in het lot der bewoners van welk deel der
Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie ook, afkeurt en van zich wijst,
beschouwt het als hare plicht, er de officieren en ambtenaren en de
geheele bevolking van het Koninkrijk zeer nadrukkelijk op te wijzen,
dat zij voor den vervolge met de uiterste gestrengheid zal optreden
tegen die personen, welke zich aan dusdanige handelingen zouden schuldig
maken en dat zij zich alle moeite zal geven, dusdanige handelingen te
voorkomen en te onderdrukken.

Deze verklaring zal tegelijkertijd door eene dagorder van Zijne
Majesteit den Koning ter kennis worden gebracht van het Koninklijk leger
en in het officiëele orgaan van het leger worden openbaar gemaakt.

De Koninklijk Servische regeering verplicht zich bovendien:

1. iedere publicatie te onderdrukken, die tot haat tegen en verachting
voor de Monarchie aanzet en waarvan de algemeene strekking gericht is
tegen de territoriale integriteit van den laatsten staat;

2. onmiddellijk over te gaan tot de ontbinding van de vereeniging
„Narodna Odbrana”, op alle propagandamiddelen van die vereeniging
beslag te leggen en op dezelfde wijze op te treden tegen de andere
vereenigingen, die zich bezighouden met de propaganda tegen
Oostenrijk-Hongarije. De Koninklijke regeering zal de noodige
maatregelen treffen, opdat de ontbonden vereenigingen niet onder een
anderen naam of onder een anderen vorm, blijven voortbestaan;

3. zonder verwijl uit het openbaar onderwijs in Servië, zoowel wat
betreft het onderwijzend personeel alsook wat betreft de leermiddelen,
alles te verwijderen, wat gebruikt wordt of zou kunnen gebruikt worden,
om de propaganda tegen Oostenrijk-Hongarije voedsel te verschaffen;

4. uit het leger en uit de regeeringscolleges en het civiele bestuur
alle officieren en ambtenaren te verwijderen, die zich aan propaganda
tegen Oostenrijk-Hongarije hebben schuldig gemaakt en waarvan de K.
en K. regeering zich voorbehoudt de namen bekend te maken, onder
mededeeling van het tegen hen getuigende materiaal, dat in haar bezit is;

5. goed te vinden, dat bij de onderdrukking der tegen de integriteit
der monarchie gerichte subversieve beweging, in Servië ambtenaren der K.
en K. regeering medewerken;

6. een gerechterlijk onderzoek in te leiden tegen die deelnemers aan het
complot van 28 Juni, die zich op Servisch grondgebied bevinden.

Door de K. en K. regeering daartoe gedelegeerde ambtenaren zullen aan
het betreffend gerechterlijk onderzoek deelnemen;

7. met de grootste snelheid over te gaan tot de arrestatie van den
majoor VOJA TANKOSIC en van een zekeren MILAN CIGANOVIC, beiden
Servische staatsambtenaren, die door de resultaten van het gerechterlijk
onderzoek gecompromitteerd zijn;

8. door krachtdadige maatregelen te verhinderen, dat Servische
autoriteiten deelnemen aan het smokkelen van wapens en explosiemiddelen
over de grens;

Die ambtenaren bij den grensdienst van Schabatz en Loznica, die de
hoofdschuldigen aan de misdaad van Serajewo behulpzaam waren bij het
overschrijden der grens, uit den dienst te ontslaan en streng te
straffen;

9. de K. en K. regeering opheldering te geven over de niet te
rechtvaardigen uitlatingen van hooge Servische ambtenaren in Servië
en in het buitenland, die zonder rekening te houden met hunne hooge
positie, niet geaarzeld hebben, zich na den aanslag van 28 Juni in
interviews op vijandelijke wijze over Oostenrijk-Hongarije uit te laten;

10. de K. en K. regeering zonder verwijl van de uitvoering der in de
vorige punten samengevatte maatregelen op de hoogte te brengen.

De K. en K. regeering verwacht het antwoord der Koninklijke regeering op
zijn laatst op Zaterdag den 25en dezer maand te 6 ure des namiddags.

Eene memorie betreffende de resultaten van het gerechterlijk onderzoek
van Serajewo, voor zoover zij betrekking hebben op de sub 7 en 8
genoemde ambtenaren, is aan deze nota toegevoegd.

Bijlage. Het bij de rechtbank te Serajewo tegen GABRILO PRINCIP c. s.
aanhangig gemaakte gerechterlijk onderzoek wegens den op den 28en Juni
van dit jaar beganen sluipmoord, dan wel wegens medeplichtigheid aan
dien sluipmoord, heeft tot dusverre de volgende resultaten opgeleverd:

1. Het plan, den aartshertog FRANZ FERDINAND gedurende zijn verblijf in
Serajewo te vermoorden, werd in Belgrado door GABRILO PRINCIP, NEDELJKO
GABRINOVIC, een zekeren MILAN CIGANOVIC en TRIFHO GRABEZ met medewerking
van den majoor VOJA TANKOSIC opgemaakt.

2. De zes bommen en de vier browningpistolen, waarvan zich de
misdadigers als werktuigen bedienden, werden PRINCIP, GABRINOVIC en
GRABEZ in Belgrado door een zekeren MILAN CIGANOVIC en den majoor VOJA
TANKOSIC verschaft en ter hand gesteld.

3. De bommen zijn handgranaten, die afkomstig zijn uit het wapendepôt
van het Servische leger te Kragujevac.

4. Teneinde het welslagen van den aanslag te verzekeren, onderwees MILAN
CIGANOVIC, PRINCIP, GABRINOVIC en GRABEZ de hanteering van granaten en
gaf in een bosch naast het schietveld van Topschider, PRINCIP en GRABEZ,
les in het schieten met browningpistolen.

5. Teneinde PRINCIP, GABRINOVIC en GRABEZ het overschrijden der
Bosnisch-Herzegowinasche grens en het binnensmokkelen der wapens
mogelijk te maken, werd een geheel geheim transportsysteem door
CIGANOVIC georganiseerd. Het binnenbrengen van de misdadigers en van
hunne wapens in Bosnië en Herzegowina werd door de grenscommandanten van
Schabatz (Rade Popovic) en Loznica en door de tolbeambten RUDOVOJ GIBIC
van Loznica met hulp van verscheidene andere personen uitgevoerd.



Bijlage 1_a_.

#Norddeutsche Allgemeine Zeitung 29 Juli 1914.#


              _Oostenrijk-Hongarije en de Servische Nota._

Weenen, 27 Juli. De Nota van de Koninklijk Servische regeering van 12/25
Juli 1914 heeft den volgenden inhoud:

De Koninklijke regeering heeft de mededeeling van de K. en K. regeering
van den 10en dezer ontvangen en is overtuigd, dat haar antwoord ieder
misverstand zal uit den weg nemen, dat dreigt de betrekkingen van
vriendschappelijke nabuurschap tusschen de Oostenrijksche monarchie en
het koninkrijk Servië te verstoren.

De Koninklijke regeering is er zich van bewust, dat tegenover de
groote naburige monarchie bij geen enkele gelegenheid die protesten
werden vernieuwd, welke destijds zoowel in de Skupschtina alsook in de
verklaringen en handelingen van de verantwoordelijke vertegenwoordigers
van den staat tot uitdrukking werden gebracht en waaraan door de
verklaring der Servische regeering van 18 Maart 1909 een einde kwam,
en dat verder, sedert dien tijd, noch door de verschillende elkander
opvolgende regeeringen van het Koninkrijk noch door deszelfs ambtenaren,
eene poging werd gedaan, den in Bosnië en Herzegowina geschapen
politieken en staatsrechterlijken toestand te veranderen.

De Koninklijke regeering stelt vast, dat de K. en K. regeering in deze
richting geenerlei aanmerkingen heeft gemaakt, met uitzondering van
het geval van een leerboek, in welk geval de K. en K. regeering eene
volkomen bevredigende verklaring heeft ontvangen. Servië heeft gedurende
den Balkancrisis in talrijke gevallen bewijzen geleverd voor zijn
vredelievende en gematigde politiek en het is slechts aan Servië en aan
de offers, die het uitsluitend in het belang van den Europeeschen vrede
gebracht heeft, te danken, als deze vrede is bewaard gebleven.

In verband hiermede merkt de _Oostenrijksch-Hongaarsche regeering_ op:
De Koninklijk Servische regeering bepaalt er zich toe, vast te stellen,
dat sedert het afgeven van de verklaring van 18 Maart 1909 van de zijde
der Servische regeering en hare ambtenaren geene poging tot verandering
der positie van Bosnië en Herzegowina werd ondernomen.

Daarmede wijkt zij op bewust willekeurige wijze af van datgene, wat aan
onzen stap ten grondslag lag, aangezien wij niet beweerd hebben, dat zij
en hare ambtenaren in deze richting officieel iets hebben ondernomen.

Onze opmerking dient veel meer aan te toonen, dat zij niettegenstaande
de in de aangehaalde nota op zich genomen verplichtingen, heeft
nagelaten, de beweging, welke tegen de territoriale integriteit der
Monarchie gericht was, te onderdrukken.

Hare verplichting bestond daarin, de geheele richting harer politiek
te veranderen en tot de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie in eene
betrekking te treden van vriendschappelijke nabuurschap, dus niet alleen
in het niet aantasten van het bezitrecht der monarchie op Bosnië.

                   _De Servische nota vervolgt dan:_

De Koninklijke regeering kan niet worden verantwoordelijk gemaakt
voor uitlatingen, die een particulier karakter dragen, zooals
krantenartikelen en de vreedzame arbeid van vereenigingen, uitlatingen,
die in bijna alle landen zeer gewone verschijnselen zijn en die in
het algemeen aan de contrôle van den staat ontsnappen. De Koninklijke
regeering is hiervoor te minder verantwoordelijk, waar zij bij de
oplossing van eene geheele rij van quaesties, die tusschen Servië en
Oostenrijk-Hongarije gerezen zijn, groote tegemoetkoming getoond heeft,
waardoor het haar gelukt is het grootste deel daarvan ten gunste van de
vooruitgang der beide naburige landen op te lossen.

                  _Aanmerking der K. en K. regeering:_

De bewering der Koninklijk Servische regeering, dat de uitlatingen der
pers en de werkzaamheid van vereenigingen een particulier karakter
dragen en dat de staat deze niet kan controleeren staat lijnrecht
tegenover de instellingen der moderne staten en zelfs tegenover de meest
liberale richting op het gebied van het pers- en vereenigingsrecht
hetwelk een publiek-rechterlijk karakter heeft en de pers zoowel als de
vereenigingen onder het toezicht van den staat stelt. Overigens houden
ook de Servische instellingen met de noodzakelijkheid van een dergelijk
toezicht rekening. Het tegen de Servische regeering gerichte verwijt
bedoelt juist aan te toonen, dat zij ten eenenmale heeft nagelaten,
toezicht te houden op hare pers en hare vereenigingen, waarvan zij de
werking in een der Monarchie vijandigen zin kende.

                     _De Servische nota vervolgt:_

De Koninklijke regeering was derhalve door de bewering, dat Servische
onderdanen aan de voorbereiding van den te Serajewo gepleegden aanslag
hadden deelgenomen, smartelijk verrast. Zij had verwacht uitgenoodigd
te worden bij de onderzoekingen over deze misdaad, hare medewerking te
verleenen en was bereid, ten einde hare algeheele correktheid door daden
te bewijzen, alle personen te vervolgen, omtrent welke men haar gegevens
zou hebben verschaft.

               _Kantteekening van de K. en K. regeering._

Deze bewering is onjuist. De Servische regeering was omtrent de tegen
bepaalde personen bestaande verdenking nauwkeurig onderricht en niet
alleen in de gelegenheid, maar zelfs volgens hare binnenlandsche
wetgeving, verplicht, geheel uit zich zelve, onderzoekingen in te
stellen. Zij heeft in deze richting niets gedaan.

                          _De Servische Nota._

In overeenstemming met de wenschen der K. en K. regeering is de
Koninklijke regeering derhalve bereid, iederen Servischen onderdaan,
voor wiens deelneming aan de Serajewosche misdaad haar bewijzen
worden geleverd, zonder aanzien van positie en rang, voor het gerecht
te brengen. Zij verplicht zich inzonderheid op de eerste pagina van
het ambtelijk orgaan de volgende mededeeling openbaar te maken. De
Koninklijk Servische regeering veroordeelt iedere propaganda, die tegen
Oostenrijk-Hongarije zou zijn gericht, d. w. z. de totaliteit der
machinaties, welke als einddoel het losrukken van enkele gebiedsdeelen
der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie op het oog hebben, en zij
betreurt oprecht de treurige gevolgen van dit misdadig drijven.

               _Kantteekening van de K. en K. regeering._

Onze eisch luidde: „De Koninklijk Servische regeering veroordeelt de
tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda....”

De door de Koninklijk Servische regeering aangebrachte veranderingen in
de door ons geëischte verklaring, beteekent, dat eene dusdanige tegen
Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda niet bestaat, of dat haar van
eene dusdanige propaganda niets bekend is. Deze formule is onoprecht
en achterhoudend, daar de Servische regeering daarmede voor later het
achterdeurtje openhoudt, dat zij de thans bestaande propaganda door deze
verklaringen niet heeft gedesavoueerd en niet heeft toegegeven, dat
deze der Monarchie vijandig is, waaruit zij verder zou kunnen afleiden,
dat zij tot onderdrukking van eene propaganda, die gelijk is aan de
tegenwoordige, niet zou zijn verplicht.

                          _De Servische Nota._

De Koninklijke regeering betreurt, dat luidens de mededeeling der K.
en K. regeering bepaalde Servische officieren en ambtenaren aan de
zooeven genoemde propaganda hebben medegewerkt, en dat deze daardoor
de betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap in gevaar gebracht
hebben, tot welker inachtneming de Koninklijke regeering zich door hare
verklaring van 31 Maart 1909 plechtig verbonden had.

„De regeering...” gelijkluidend met den verlangden text.

                _Kantteekening der K. en K. regeering._

De door ons geëischte formuleering luidde: „De Koninklijke regeering
betreurt, dat Servische officieren en ambtenaren... medegewerkt
hebben...”

Ook door deze formuleering en de verdere bijvoeging „luidens de
mededeeling der K. en K. regeering”, tracht de Servische regeering
hetzelfde te bereiken wat reeds boven door ons werd aangeduid: voor de
toekomst de vrije hand te houden.

                          _De Servische Nota._

De Koninklijke regeering verplicht zich verder:

1. Bij gelegenheid van de eerstvolgende gewone zitting van de
skupschtina aan de perswet eene bepaling toe te voegen, volgens welke
ophitsing tot haat tegen en verachting voor de Monarchie, zoomede
iedere publicatie waarvan de algemeene strekking gericht is tegen de
territoriale integriteit van Oostenrijk-Hongarije, ten strengste zal
worden gestraft.

Zij verbindt zich, met het oog op de in de naaste toekomst plaats
vindende grondwetsherziening aan artikel 22 van de grondwet eene alinea
toe te voegen, welke het in beslag nemen van dusdanige publicaties
veroorlooft, iets wat volgens de duidelijke bepalingen van artikel 22
der grondwet thans onmogelijk is.

               _Kantteekening van de K. en K. regeering._

Wij hadden verlangd:

1. Iedere publicatie te onderdrukken, die aanzet tot haat tegen en
verachting voor de Monarchie en welker strekking gericht is tegen de
territoriale integriteit van de Monarchie.

Wij wilden alzoo Servië de verplichting opleggen, er voor te zorgen,
dat dusdanige persaanvallen in de toekomst zouden achterwege blijven,
wij wenschten alzoo op dit punt een bepaald resultaat te bereiken.

In plaats daarvan biedt Servië ons de indiening van twee wetten aan,
welke als middel zouden moeten dienen om dit resultaat te bereiken, en
wel

_a_) Een wet, waardoor de daarvoor in aanmerking komende, der Monarchie
vijandige, persuitingen subjectief zullen kunnen worden bestraft, wat
ons absoluut onverschillig is, te meer daar het bekend is, dat de
subjectieve vervolging van persdelicten uiterst zelden mogelijk is en
dat bij eene daarmede in overeenstemming zijnde laksche toepassing van
een dergelijke wet, ook de weinige gevallen, die daaronder vallen, niet
zouden worden gestraft, alzoo een voorstel dat onzen eisch in geen enkel
opzicht tegemoet komt, en dat ons daarom niet de geringste garantie
biedt voor het door ons gewenschte resultaat;

_b_) een aanvullingswet op artikel 22 der constitutie, hetwelk de
confiscatie zou veroorloven—een voorslag, die ons evenmin kan
bevredigen, aangezien het bestaan van zulk een wet in Servië ons niets
helpt, wanneer niet de regeering zich verplicht die wet ook toe te
passen, wat ons echter niet beloofd werd.

Deze voorstellen zijn dus geheel onbevredigend—en dit te meer daar
zij ook in zooverre ontwijkend zijn, dat ons niet gezegd wordt, binnen
welken tijd die wetten zullen worden ingediend en daar in geval van eene
verwerping der wetsvoorstellen door de skupschtina—om van een eventueel
aftreden der regeering in het geheel niet te spreken—alles bij het oude
zou blijven.

                          _De Servische Nota._

2. De regeering bezit geen enkel bewijs en ook de nota van de K. en K.
regeering levert haar dit niet, dat de vereeniging „Narodna Odbrana”
en andere gelijksoortige vereenigingen tot op den huidigen dag door
een van hunne leden eenige misdadige handeling van dezen aard zouden
hebben begaan. Intusschen zal de Koninklijke regeering aan den eisch der
K. en K. regeering gevolg geven en de vereeniging „Narodna Odbrana”,
zoomede iedere vereeniging, die tegen Oostenrijk-Hongarije mocht werken,
ontbinden.

                _Kantteekening der K. en K. regeering._

De der Monarchie vijandige propaganda van „Narodna Odbrana” en van de
met deze verbonden vereenigingen, vervult in Servië het geheele openbare
leven; het is derhalve eene geheel ongepaste gereserveerdheid, wanneer
de Servische regeering beweert, dat haar daarvan niets bekend is.

Geheel afgezien hiervan is de door ons gestelde eisch niet volkomen
vervuld, daar wij bovendien verlangd hebben: op de propagandamiddelen
dier vereenigingen beslag te leggen en het wederoprichten der ontbonden
vereenigingen onder een anderen naam en in anderen vorm te verhinderen.

In deze beide richtingen zwijgt het kabinet van Belgrado volkomen, zoo
dat ons ook door de ons gedane halve toezegging, geen waarborg wordt
geschonken, dat door de ontbinding van de der Monarchie vijandige
associaties, in het bijzonder van de „Narodna Odbrana”, aan hun drijven
definitief een einde zal worden gemaakt.

                          _De Servische Nota._

3. De Koninklijk Servische regeering verbindt zich zonder verwijl uit
het openbaar onderwijs in Servië alles te verwijderen, wat de tegen
Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda zou kunnen steunen, wanneer
haar door de K. en K. regeering positieve bewijzen voor die propaganda
worden geleverd.

               _Kantteekening van de K. en K. regeering._

Ook in dit geval verlangt de Servische regeering eerst bewijzen, dat
bij het Servische openbaar onderwijs eene der Monarchie vijandige
propaganda wordt gevoerd, terwijl zij toch moet weten, dat de bij de
Servische scholen ingevoerde leerboeken in deze richting stof bevatten,
die aan critiek onderhevig is en dat een groot deel van de Servische
onderwijzers in het kamp der „Narodna Odbrana” en van de met deze
verbonden vereenigingen staat.

Overigens heeft de Servische regeering ook hier aan een deel van onze
eischen niet zóó voldaan, als wij dit verlangd hebben, wijl zij in
haren text den door ons gewenschten tusschenzin „zoowel wat betreft het
onderwijzend personeel, als wat betreft de leermiddelen”, wegliet, een
tusschenzin, die duidelijk aantoont, waar men de der Monarchie vijandige
propaganda in de Servische school, zoeken moet.

                          _De Servische Nota._

4. De Koninklijke regeering is ook bereid die officieren en ambtenaren
uit den militairen en civielen dienst te ontslaan, waarvan door
gerechterlijk onderzoek wordt vastgesteld, dat zij zich aan handelingen
tegen de territoriale integriteit der Monarchie hebben schuldig gemaakt;
zij verwacht, dat de K. en K. regeering haar door middel van het
instellen van eene gerechtelijke vervolging de namen zal mededeelen van
die officieren en ambtenaren en van de feiten, die hen ten laste worden
gelegd.

                _Kantteekening der K. en K. regeering._

Waar de Koninklijk Servische regeering hare toezegging de betreffende
officieren en ambtenaren uit den militairen en civielen dienst te
ontslaan, verbindt aan de omstandigheid, dat deze personen door een
gerechterlijk onderzoek zullen worden schuldig bevonden beperkt zij hare
toezegging tot die gevallen, in welke deze personen een strafrechterlijk
vast te stellen delict ten laste ligt. Daar wij echter de verwijdering
van die officieren en ambtenaren verlangen, welke eene der Monarchie
vijandige propaganda voerden, wat immers in het algemeen in Servië geen
gerechtelijk strafbare zaak is, schijnt aan onze eischen ook op dit
punt niet te worden voldaan.

               _Nota der Koninklijk Servische regeering._

5. De Koninklijke regeering moet bekennen, dat zij zich niet ten volle
rekenschap kan geven omtrent den zin en de draagwijdte van dit verlangen
der K. en K. regeering, hetwelk bedoelt, dat de Koninklijk Servische
regeering zich zou verplichten op haar grondgebied de medewerking van
de ambtenaren der K. en K. regeering toe te laten, echter verklaart
zij, dat zij bereid is, iedere medewerking aan te nemen, welke in
overeenstemming is met de grondslagen van het volkenrecht en van het
strafproces en die verder in overeenstemming is met de betrekkingen van
vriendschappelijke nabuurschap.

               _Kantteekening van de K. en K. regeering._

Met deze vraag heeft het algemeene volkenrecht even weinig te maken
als het strafprocesrecht. Het gaat hier om eene aangelegenheid waarmee
alleen de staatspolitie te maken heeft en die langs den weg van eene
bijzondere overeenkomst is op te lossen. De gereserveerdheid van Servië
is daarom onbegrijpelijk en ware door haar vagen algemeenen vorm
geschikt tot onoverkomenlijke bezwaren aanleiding te geven bij het
afsluiten van de betreffende overeenkomst.

             _Nota van de Koninklijke Servische regeering._

6. De Koninklijke regeering houdt het begrijpelijker wijze voor
haar plicht tegen alle personen, die bij het complot van 15/28 Juni
betrokken waren of betrokken zouden geweest zijn en die zich op haar
gebied bevinden, een gerechterlijk onderzoek in te leiden. Wat de
medewerking van hiertoe speciaal gedelegeerde ambtenaren van de K. en
K. regeering aan dit onderzoek betreft, zoo kan zij een dergelijke
deelneming niet aannemen, daar dit in strijd zou zijn met de grondwet,
en met de wet op de strafprocedure. Maar in enkele gevallen zou den
Oostenrijksch-Hongaarschen ambtenaren mededeeling kunnen worden gedaan
van de resultaten van het gerechterlijk onderzoek.

                _Kantteekening der K. en K. regeering._

Ons verlangen was geheel duidelijk en niet mis te verstaan. Wij
verlangden het inleiden van een gerechterlijk onderzoek tegen de
deelnemers aan het complot. Deelneming van K. en K. ambtenaren aan de
hierop betrekking hebbende onderzoekingen (recherche in tegenstelling
met enquête judiciaire). Wij hebben er geen oogenblik aan gedacht K. en
K. ambtenaren aan de Servische gerechtszittingen te doen deelnemen. Zij
zouden slechts aan het vóóronderzoek van de politie medewerken, hetwelk
het materiaal voor het proces zou moeten aanvoeren en schiften. Wanneer
de Servische regeering ons hier misverstaat, dan doet zij dit bewust,
want het onderscheid tusschen enquête judiciaire en een eenvoudige
recherche moeten ieder duidelijk zijn. Daar zij zich aan iedere contrôle
van het in te leiden proces wenschte te onttrekken, hetwelk bij correcte
doorvoering hoogst ongewenschte resultaten voor haar opleveren zou en
daar er voor haar geen mogelijkheid bestaat op plausible gronden de
medewerking onzer ambtenaren aan de politie enquête van de hand te
wijzen (voorbeelden voor een dergelijk ingrijpen van de politie bestaan
in grooten getale) heeft zij zich op een standpunt geplaatst hetwelk
hare afwijzing den schijn van recht moet geven en ons verlangen, als
niet voor inwilliging vatbaar, moet stempelen.

                   _Nota van de Servische regeering._

7. De Koninklijke regeering heeft nog denzelfden avond van den
dag waarop zij de nota ontving, den majoor VOISLAR TANKOSIC doen
arresteeren, wat echter MILAN CIGANOVIC betreft, die een onderdaan van
de Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie is, en die tot den 15en Juni als
aspirant bij de directie der spoorwegen werkzaam was, deze kon tot nu
toe niet worden ontdekt, weshalve een bevel tot inhechtenisneming werd
uitgevaardigd.

De K. en K. regeering wordt uitgenoodigd ten behoeve van het voortzetten
van het gerechterlijk onderzoek, zoo snel mogelijk de punten, welke
aanleiding hebben gegeven tot verdenking, en de bij het gerechterlijk
onderzoek te Serajewo verzamelde bewijzen voor de schuld der beklaagden
in den aangegeven vorm bekend te maken.

               _Kantteekening van de K. en K. regeering._

Dit antwoord is achterhoudend. CIGANOVIC ging luidens het door ons
ingestelde onderzoek 3 dagen na den aanslag, toen bekend werd dat
CIGANOVIC aan het complot had deelgenomen, met verlof, en begaf zich
in opdracht van de prefectuur van politie in Belgrado naar Ribari.
Het is dus om te beginnen onjuist, dat CIGANOVIC reeds den 15/28 Juni
den Servischen staatsdienst verliet. Hierbij komt dat de prefect van
politie van Belgrado, op wiens bevel het vertrek van CIGANOVIC heeft
plaatsgevonden, en die wist waar deze zich ophield in een interview
verklaarde, dat iemand van den naam MILAN CIGANOVIC in Belgrado niet
bestond.

                   _Nota van de Servische regeering._

8. De Servische regeering zal de bestaande maatregelen tot onderdrukking
van den smokkelhandel in wapens en explosieve stoffen verscherpen
en uitbreiden. Het is vanzelf sprekend, dat zij onmiddellijk een
onderzoek zal inleiden, en de ambtenaren van den grensdienst op de lijn
Sabac–Loznica die hun plicht hebben verzuimd en de hoofdschuldigen aan
de misdaad de grens hebben laten overschrijden, streng zal straffen.

9. De Koninklijke regeering is gaarne bereid verklaringen te geven over
de uitlatingen welke hare ambtenaren in Servië en in het buitenland na
den aanslag in interviews hebben gedaan en die volgens de beweringen
der K. en K. regeering vijandig waren tegenover de Monarchie, zoodra
de K. en K. regeering de plaatsen dezer uiteenzettingen aangeeft, en
zal hebben bewezen, dat deze uitlatingen inderdaad door de betreffende
ambtenaren zijn gedaan. De Koninklijke regeering zal er zelfs zorg voor
dragen de noodige bewijzen en het noodige overtuigingsmateriaal daarvoor
te verzamelen.

               _Kantteekening van de K. en K. regeering._

De betrekkelijke interviews moeten der Koninklijk Servische regeering
zeer nauwkeurig bekend zijn. Wanneer zij van de K. en K. regeering
verlangt dat deze haar alle mogelijke details omtrent deze interviews
verschaft, en wanneer zij zich een formeel onderzoek voorbehoudt, toont
zij aan, dat zij ook aan dit verlangen niet ernstig wil voldoen.

                   _Nota van de Servische regeering._

10. De Koninklijke regeering zal voor zoover dit niet reeds in deze
nota geschied is, de K. en K. regeering op de hoogte stellen van de
uitvoering der maatregelen die in de voorafgaande punten genoemd worden,
zoodra een van die maatregelen bevolen en uitgevoerd wordt.

De Koninklijke regeering gelooft, dat het in het gemeenschappelijk
belang is, zich bij de oplossing dezer aangelegenheid niet te overijlen
en is daarom voor het geval de K. en K. regeering door dit antwoord niet
bevredigd mocht zijn, als steeds bereid eene vredelievende oplossing
aan te nemen, zij het door het overdragen van de beslissing over dit
vraagstuk aan het internationale gerecht in Den Haag, zij het door
het overlaten van de beslissing aan de Groote Mogendheden, die hebben
medegewerkt aan het uitwerken van de door de Servische regeering den
18/31 Maart 1909 afgegeven verklaring.


#Uit het Oostenrijksch-Hongaarsche materiaal.#

Weenen, 27 Juli. Het in de Oostenrijksch-Hongaarsche circulaire aan de
buitenlandsche gezantschappen in de aangelegenheid van het Servische
conflict genoemde dossier wordt heden openbaar gemaakt.

In deze memorie wordt er op gewezen, dat de van Servië uitgaande
beweging, die zich ten doel gesteld heeft, de zuidelijke deelen van
Oostenrijk-Hongarije van de Monarchie los te rukken teneinde ze met
Servië tot een staatseenheid te verbinden reeds lang geleden een aanvang
heeft genomen. Deze propaganda die, wat haar einddoel betreft, zichzelf
steeds gelijk blijft, en slechts wat de aan te wenden middelen en hare
intensiteit betreft, veranderingen doormaakt, bereikte gedurende den
tijd der annexatiecrisis haar hoogtepunt en trad toen openlijk met
hare denkbeelden voor den dag. Terwijl aan den eenen kant de geheele
Servische pers tot den strijd tegen de Monarchie opriep, vormden
zich—afgezien van andere propagandamiddelen—vereenigingen, die dezen
strijd voorbereidden, onder welke de „Narodna Odbrana” de belangrijkste
was. Voortgekomen uit een revolutionnair comité constitueerde zich
deze van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken te Belgrado volkomen
afhankelijke organisatie onder leiding van staatslieden en officieren
waaronder de generaal JANKOVIC en de vroegere minister IVANOVIC. Ook
majoor OJA TANKOVIC en MILAN PRIBICEVIC behooren tot de grondleggers.
Deze vereeniging heeft zich ten doel gesteld, het vormen en uitrusten
van vrijcorpsen met het oog op den toekomstigen oorlog tegen de
Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie te bevorderen. In eene aan de
memorie toegevoegde bijlage wordt een uittreksel openbaar gemaakt
uit het door het hoofdbestuur der „Narodna Odbrana” uitgegeven
vereenigsorgaan van denzelfden naam, in welk orgaan in verscheidene
artikelen de werkzaamheid en het doel van deze vereeniging uitvoerig
worden verklaard. Het heet daarin, dat de hoofdtaak der „Narodna
Odbrana” is: de verbinding met hare broederen van verre en nabij aan
de andere zijde der grens en met onze overige vrienden in de wereld.

_Oostenrijk wordt als de eerste en grootste vijand aangeduid._ Waar de
„Narodna Odbrana” de noodzakelijkheid van den strijd met Oostenrijk
predikt, daar predikt zij een heilige waarheid betreffende onzen
nationalen toestand. Het slothoofdstuk bevat een beroep op de regeering
en aan het volk van Servië om zich met alle middelen op den strijd voor
te bereiden, die door de annexatie is geprofeteerd.

De memorie schildert, volgens het getuigenis van een door de „Narodna
Odbrana” aangeworven komitatschi, de toenmalige werkzaamheid van de
„Narodna Odbrana”, die een school onderhield welke geleid werd door twee
kapiteins, waaronder TANKOVIC, in welke _school benden werden opgeleid_
en welke scholen door generaal JANKOVIC en kapitein MILAN PRIBICEVIC
regelmatig werden geïnspecteerd. Verder werden de komitatschi's
onderricht in _schieten_ en _bommen werpen_, in _het leggen van mijnen_
en _het opblazen van spoorwegbruggen_. Na de plechtige verklaring van
de Servische regeering van het jaar 1909 scheen ook het einde van deze
organisatie te zijn gekomen. Deze verwachtingen zijn echter niet in
vervulling gegaan, integendeel werd de propaganda door de Servische
pers voortgezet. De memorie voegt als voorbeeld aan, de wijze waarop de
aanslag tegen den Bosnischen „Landeschef” VAREASNIN publicistisch werd
gebruikt doordat de attentator als Servisch nationaal held werd gevierd
en zijn daad werd verheerlijkt. Deze bladen werden niet alleen in Servië
verspreid, maar ook langs wel georganiseerde sluipwegen in de Monarchie
binnengesmokkeld.

Onder dezelfde leiding als bij haar stichting werd de „Narodna Odbrana”
onlangs het centrum van eene agitatie waartoe _de scherpschuttersbond
met 762 aangesloten vereenigingen, een Sokolbond met 3500 leden en
verscheidene andere vereenigingen behoorden_.

Onder den dekmantel van eene beschavingsvereeniging optredend, die
slechts de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de Servische
bevolking, zoowel als haar materieele vooruitgang ter harte gaat, toont
de „Narodna Odbrana” haar werkelijk gereorganiseerd program in het
boven geciteerde uittreksel uit haar vereenigingsorgaan, in hetwelk
„de heilige waarheid” wordt gepredikt, dat het eene _onafwijsbare
noodzakelijkheid is tegen Oostenrijk zijn eersten grootsten vijand
deze uitroeiingsoorlog met geweer en kanon te voeren_ en het volk met
alle middelen voor te bereiden op den strijd ter bevrijding van het
onderworpen gebied, in hetwelk vele millioenen geknechte broeders
smachten. De in de memorie geciteerde oproepingen en redevoeringen
van dezelfde soort werpen het licht op de veelzijdige buitenlandsche
werkzaamheid der Narodna Odbrana en van hare dochtervereenigingen,
die in het houden van voordrachttourneeën en in het deelnemen aan
de feesten van Bosnische vereenigingen, waarbij dikwijls leden voor
de bovengenoemde Servische vereenigingen geworven worden, bestaat.
Tegenwoordig is men nog bezig te onderzoeken of de Sokolvereenigingen in
Servië er dezelfde vereenigingen in de Monarchie toe overhaalden zich
met hen te vereenigen tot een tot dusver geheim gehouden verbond. Door
vertrouwensmannen en afgezanten werd er beroering gebracht in de kringen
der volwassenen en van de jeugd, die niet tot oordeelen in staat is. Zoo
werden door MILAN PRIBICEVIC vroegere Honved-officieren en een luitenant
van de gendarmerie er onder bedenkelijke omstandigheden toe gebracht
den dienst in het leger der Monarchie te verlaten. In de normaalscholen
der onderwijzers werd een verregaande agitatie ontwikkeld. De
verlangde oorlog tegen de Monarchie werd in militair opzicht ook in
zooverre voorbereid, dat Servische gezanten voor het geval van het
uitbreken van de vijandelijkheden, werden belast met het vernielen van
transportmiddelen en het aanwakkeren van oproertjes en panieken. Dit
alles wordt in een bijzondere bijlage vastgelegd.

De memorie schildert verder den samenhang tusschen deze werkzaamheid
van de „Narodna Odbrana” en de dochterorganisaties met de aanslagen op
den Koninklijken commissaris in Agram, CUVAJ, in Juni 1913, de aanslag
van DOJCIC in Agram in 1913 tegen SKERLECZ en de mislukte aanslag van
SCHÄFER op den 20en Mei in den Agrammer schouwburg. Het handelt verder
over den samenhang met _den aanslag op den troonopvolger en diens
gemalin_, over de wijze waarop reeds de jongens in de school door de
ideeën der „Narodna Odbrana” vergiftigd werden en hoe zich de bedrijvers
van den aanslag met behulp van PRIBICEVIC en DARSIC de werktuigen voor
den aanslag verschaften, waarbij in het bijzonder de rol van den majoor
TANKOSIC wordt blootgelegd, die de moordwapens leverde, zoowel als de
rol van een zekeren CIGANOVIC, een gewezen komitatschi, die nu beambte
is bij de directie van de Servische spoorwegen te Belgrado en die reeds
in 1909 als kweekeling van de bendenschool der toenmalige „Narodna
Odbrana” opdook. Verder wordt de wijze blootgelegd, waarop bommen
en wapenen ongemerkt in Bosnië binnengesmokkeld werden, welke geen
twijfel laat dat dit een welvoorbereide en voor de geheime doeleinden
der Narodna dikwijls gebruikte sluipweg was. Een bijlage bevat een
uittreksel van de acten van het krijgsgerecht te Serajewo over het
_onderzoek betreffende den aanslag_ op Aartshertog FRANZ FERDINAND en
diens gemalin. Volgens deze bijlage hebben PRINCIP, GABRINOVIC, GRABEZ,
CRUPILOVIC en PAPOVIC bekend, in gemeenschap met den voortvluchtigen
MEHMEDBASIC een complot gevormd te hebben tot het vermoorden van den
aartshertog en hem met dit doel te hebben opgewacht. GABRINOVIC bekent
de bom te hebben geworpen en GRABRILO PRINCIP den aanslag met het
browningpistool te hebben uitgevoerd. Beide daders geven toe bij het
plegen van de daad de bedoeling gehad te hebben een moord te begaan.
De overige deelen van de bijlage bevatten verdere verklaringen van de
beschuldigden voor den rechter van instructie over het ontstaan van het
complot, de herkomst der bommen, die fabriekmatig werden vervaardigd,
voor militaire doeleinden bestemd waren en, te oordeelen naar de
oorspronkelijke verpakking, kwamen uit het Servische wapenmagazijn te
Kragujevac. Eindelijk geeft de bijlage informaties over het transport
van de drie bedrijvers van den aanslag en van de wapenen van Servië
naar Bosnië. Uit het verdere protocol der getuigenverhooren blijkt,
dat een onderdaan der Monarchie eenige dagen voor den aanslag het
Oostenrijksch-Hongaarsche konsulaat te Belgrado mededeeling wilde
doen van zijn vermoeden, dat er een plan bestond tot het plegen
van een aanslag op den aartshertog gedurende diens aanwezigheid in
Bosnië. Die man zou nu door Belgradosche politiebeambten, die hem
even voor het betreden van het konsulaat op onbeduidende gronden
arresteerden, verhinderd zijn geworden, zijne mededeeling te doen.
Verder blijkt uit het protocol van het getuigenverhoor, dat de
betreffende _politieambtenaren van den voorgenomen aanslag kennis
hebben gedragen_. Overmits deze verklaringen nog niet zijn kunnen
worden onderzocht, kan voorloopig over de juistheid daarvan nog
niet geoordeeld worden. In de bijlage van de memorie staat: voor de
ontvangzaal van het Servische Ministerie van Oorlog bevinden zich aan
den wand vier allegorische schilderijen, waarvan drie voorstellingen
zijn van Servische wapensuccessen, terwijl het vierde de vervulling der
der Monarchie vijandige denkbeelden in Servië verzinnebeeldt. Over een
landschap hetwelk gedeeltelijk gebergte (Bosnië) gedeeltelijk vlakte
(Zuid-Hongarije) vertoont, gaat de Zora, het morgenrood der Servische
toekomstidealen op. Op den voorgrond staat een gewapende vrouwengestalte
op wier schild de namen staan van alle „nog te bevrijden provinciën”:
Bosnië, Herzegowina, Wojwodina, Syrmië, Dalmatië, enz.



Bijlage 1_b_.

#De Rijkskanselier aan de Keizerlijke gezanten te Parijs, Londen en
St. Petersburg, den 23en Juli 1914.#


De publicaties van de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering over
de omstandigheden, waaronder de aanslag op den Oostenrijkschen
troonopvolger en zijn gemalin heeft plaats gevonden, toonen zoo openlijk
mogelijk de doeleinden, welke zich de Groot-Servische propaganda
gesteld heeft en de middelen waarvan zij zich ter bereiking daarvan
bedient. Ook moet door de bekend gemaakte feiten de laatste twijfel
verdwijnen, dat het centrum van de actie die streeft naar het losmaken
van de Zuid-Slavische provinciën der Oostenrijksch-Hongaarsche
Monarchie en de vereeniging van deze met het Servische koninkrijk in
Belgrado te zoeken is, en daar, althans met toelating van de zijde
van leden der regeering en van het leger, arbeidt. Het begin van
de Servische woelingen ligt reeds een lange rij van jaren terug.
In zeer marquanten vorm trad het Groot-Servische chauvinisme te
voorschijn gedurende de Bosnische crisis. Slechts aan de verregaande
zelfbeheersching en gematigdheid der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering
en het energiek ingrijpen der Groote Mogendheden was het toe te
schrijven dat de provocaties, waaraan Oostenrijk-Hongarije in dezen
tijd van de zijde van Servië was blootgesteld, niet tot een conflict
voerden. De belofte van toekomstig goed gedrag, die de Servische
regeering toentertijd gegeven heeft, is zij nooit nagekomen. Onder
de oogen, tenminste onder stilzwijgend toelaten van het ambtelijke
Servië heeft de Groot-Servische propaganda intusschen voortdurend aan
omvang en intensiviteit toegenomen. Op hare rekening is de jongste
misdaad te plaatsen, waarvan de draden naar Belgrado voeren. Er is
op ondubbelzinnige wijze gebleken, dat het noch met de waardigheid,
noch met het zelfbehoud van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie
zou zijn overeen te brengen, om het drijven aan de andere zijde der
grens, waardoor de veiligheid en de integriteit van haar grondgebied
voortdurend wordt bedreigd, nog langer werkeloos aan te zien. In
verband met deze omstandigheden kunnen het optreden en de eischen der
Oostenrijksch-Hongaarsche regeering slechts als gerechtvaardigd worden
beschouwd. Desniettegenstaande sluit de houding, die de openbare meening
zoowel als de regeering in Servië den laatsten tijd ingenomen hebben,
de vrees niet uit, dat de Servische regeering er voor bedanken zal, aan
deze eischen te voldoen en dat zij zich zal laten bewegen, tegenover
Oostenrijk-Hongarije eene uitdagende houding aan te nemen. In dat geval
zou de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering wanneer zij niet voor goed
van hare positie als groote mogendheid zou willen afstand doen, niets
anders overblijven als hare eischen tegenover de Servische regeering
door sterken druk en desnoods door het toevlucht nemen tot militaire
maatregelen door te zetten, waarbij de keuze der middelen aan haar moet
worden overgelaten. Ik heb de eer Uwe Excellentie, enz., te verzoeken
U in dezen zin tegenover (den tegenwoordigen vertegenwoordiger van den
heer VIVIANI), (Sir EDWARD GREY) (den heer SASANOW) uit te spreken en
daarbij in het bijzonder den nadruk te leggen op de opvatting, dat men
in de onderhavige quaestie te doen heeft met eene aangelegenheid, die
uitsluitend tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië moet worden beslist,
waarbij het het ernstige streven der mogendheden moet zijn de quaestie
te beperken tot de beide daarbij direct betrokkenen. Wij wenschen
dringend de localiseering van het conflict, omdat ieder ingrijpen van
eene andere macht in verband met de verschillende verbondsplichten
onafzienbare consequenties mee zou brengen. Gaarne ontving ik een
telegrafisch bericht over het verloop van het onderhoud, hetwelk ik met
belangstelling tegemoet zie.



Bijlage 2.

#De Rijkskanselier aan de Bondsregeringen.#

  _Vertrouwelijk!_                        Berlijn, den 28en Juni 1914.


Uwe Excellentie wordt verzocht der regeering, bij welke zij
geaccrediteerd is, de volgende mededeeling te doen. In verband met de
feiten, die de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering in hare nota aan
de Servische regeering heeft bekend gemaakt, moet de laatste twijfel
verdwijnen dat de aanslag, waaronder de Oostenrijksch-Hongaarsche
troonopvolger en zijne gemalin als slachtoffer gevallen zijn, in Servië,
ten minste met toelaten van leden der Servische regeering en van het
Servische leger, is voorbereid geworden. Het is een product van het
Groot-Servische drijven, dat sedert eene rij van jaren een bron van
voortdurende verontrusting voor de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie
en voor geheel Europa geworden is.

In bijzonder marquanten vorm trad het Groot-Servisch chauvinisme te
voorschijn gedurende de Bosnische crisis. Slechts aan de verregaande
zelfbeheersching en gematigdheid van de Oostenrijksch-Hongaarsche
regeering en het energiek ingrijpen der Groote Mogendheden was het
toe te schrijven, dat de provocaties, waaraan Oostenrijk-Hongarije
in dien tijd van de zijde van Servië was blootgesteld, niet tot een
conflict hebben gevoerd. De belofte van toekomstig goed gedrag, die de
Servische regeering toen gegeven heeft, is zij niet nagekomen. Onder
de oogen en tenminste onder stilzwijgend toelaten van het ambtelijk
Servië, heeft de Groot-Servische propaganda intusschen voortdurend
aan uitgebreidheid en intensiviteit toegenomen. Het zou noch met de
waardigheid, noch met haar recht op zelfbehoud overeen te brengen
zijn, wanneer de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering het drijven aan
den anderen kant der grens, waardoor de veiligheid en de integriteit
van haar gebied voortdurend wordt bedreigd, noch langer werkeloos zou
aanzien. Onder deze omstandigheden moeten het optreden zoowel als de
eischen der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering als gerechtvaardigd
worden beschouwd. Het antwoord van de Servische regeering op de eischen
welke de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering den 23en dezer maand
door haar vertegenwoordiger in Belgrado heeft laten stellen, toont
evenwel aan, dat de toonaangevende factoren in Servië niet bereid
zijn, hun tot nu toe gevoerde politiek en agitatorische werkzaamheden
op te geven. Er zal daarom der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering,
wanneer zij niet voor goed van hare positie als groote mogendheid zou
willen afstand doen, niets anders overblijven als hare vorderingen
door sterken druk en desnoods door het toevlucht nemen tot militaire
maatregelen, door te zetten. Enkele Russische persstemmen beschouwen
het als het vanzelf sprekend recht en als de taak van Rusland om in het
conflict tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië actief voor Servië
partij te nemen. Voor de Europeesche botsing, die het gevolg zou zijn
van dergelijke stappen van Rusland, meent de _Nowoje Wremja_ zelfs
Duitschland te mogen verantwoordelijk maken, voor zoover het er niet
Oostenrijk-Hongarije toe brengt, om toe te geven. De Russische pers
stelt hiermede de verhoudingen op den kop. Niet Oostenrijk-Hongarije
heeft het conflict met Servië veroorzaakt, maar het is Servië geweest
dat door eene gewetenlooze begunstiging van de Groot-Servische
aspiraties, ook in gedeelten der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie,
het bestaan van deze laatste in gevaar heeft gebracht en toestanden
heeft geschapen die tenslotte in de misdadige daad van Serajewo
uitdrukking hebben gevonden. Wanneer Rusland meent in dit conflict voor
Servië in de bres te moeten springen, dan is dat ongetwijfeld zijn
goed recht. Het moet zich echter duidelijk voor oogen stellen dat het
daarmede de Servische woelingen tot ondergraving van het bestaansrecht
der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie tot de zijne maakt en dat
het er alleen de verantwoordelijkheid voor draagt, wanneer uit het
Oostenrijksch-Servische geschil, dat alle overige Groote Mogendheden
wenschen te localiseeren, een Europeesche oorlog ontstaat. Deze
verantwoordelijkheid van Rusland komt duidelijk aan den dag en weegt
te zwaarder, waar Graaf BERCHTOLD Rusland officieel verklaard heeft
dat Oostenrijk niet de bedoeling heeft, gedeelten van het Servische
grondgebied te verwerven, noch het bestaan van het Servische koninkrijk
aan te tasten, maar dat het slechts rust wenscht tegenover de Servische
woelingen, die zijn bestaan in gevaar brengen.

De houding door de Keizerlijke regeering in deze quaestie aan te
nemen, teekent zich duidelijk af. De, door de panslavisten tegen
Oostenrijk-Hongarije gevoerde, agitatie, streeft als einddoel, door
middel van de verbrokkeling der Donaumonarchie, naar het uiteenspatten
of de verzwakking van den driebond en naar de volkomen isoleering van
het Duitsche Rijk als gevolg daarvan. Het meest elementaire eigenbelang
roept ons daarom aan de zijde van Oostenrijk-Hongarije. De plicht,
Europa, wanneer het eenigszins mogelijk is voor een algemeenen oorlog
te bewaren, brengt er ons tegelijkertijd toe, die bemoeiingen te
ondersteunen, welke werken in de richting van eene localiseering van
het conflict, getrouw aan de richtlijnen der politiek, die wij nu reeds
sedert 44 jaren in het belang van het behoud van den Europeeschen vrede,
met succes hebben gevoerd. Wanneer intusschen, onverhoopt door een
ingrijpen van Rusland de vuurhaard mocht worden uitgebreid, dan zullen
wij, getrouw aan onzen bondsplicht, met de geheele macht van het Rijk
de naburige monarchie moeten ondersteunen. Slechts gedwongen zullen wij
naar het zwaard grijpen, dan echter zullen wij het doen in het rustige
bewustzijn, dat wij geen schuld dragen aan het onheil, dat een oorlog
over de volkeren van Europa zou moeten brengen.



Bijlage 3.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Weenen aan den
Rijkskanselier van den 24en Juli 1914.#


Graaf BERCHTOLD heeft heden den Russischen chargé d'affaires bij zich
verzocht ten einde hem uitvoerig en vriendschappelijk het standpunt
van Oostenrijk-Hongarije tegenover Servië uiteen te zetten. Na
recapituleering van de historische ontwikkeling der laatste jaren legde
hij er den nadruk op, dat de Monarchie er niet aan denkt, tegenover
Servië veroverend op te treden. Oostenrijk-Hongarije zal geen aanspraak
maken op Servisch grondgebied. Het houdt er strikt aan vast, dat deze
stap slechts ten doel heeft, definitieve maatregelen te nemen tegen
de Servische woelingen. Noodgedrongen moest Oostenrijk-Hongarije
waarborgen verlangen voor eene toekomstige vriendschappelijke houding
van Servië tegenover de Monarchie. Hij is er verre van verwijderd,
eene verschuiving van de machtsverhoudingen op den Balkan, te willen
veroorzaken. De chargé d'affaires, die nog geen instructies uit
Petersburg had ontvangen, heeft de verklaringen van den minister ad
referendum genomen, onder toezegging, ze onmiddellijk ter kennis van
SASANOW te brengen.



Bijlage 4.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Petersburg aan den
Rijkskanselier van den 23en Juli 1914.#


Den inhoud van instructie 592 heb ik zooeven in een langdurig onderhoud
met SASANOW uitvoerig toegelicht. De minister ging zich te buiten
in matelooze beschuldigingen tegen Oostenrijk-Hongarije en was zeer
opgewonden. Zoo beslist mogelijk verklaarde hij, dat Rusland onmogelijk
zou kunnen toelaten, dat het Servisch-Oostenrijksche geschil tusschen de
betrokkenen alleen zou worden uitgemaakt.



Bijlage 5.

#De Keizerlijke Ambassadeur te Petersburg aan den Rijkskanselier.#


                                            Telegram van 26 Juli 1914.

De Oostenrijksch-Hongaarsche ambassadeur had heden namiddag een
langdurig onderhoud met SASANOW. Beiden ontvingen, zooals zij mij
naderhand zeiden, een bevredigenden indruk. De verzekering van den
gezant, dat Oostenrijk-Hongarije geene veroveringsplannen heeft en
slechts eindelijk eens aan zijne grenzen rust wilde houden, heeft den
minister zichtbaar gerustgesteld.



Bijlage 6.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur in Petersburg aan den
Rijkskanselier van 25 Juli 1914.#


Rapport van den Generaal VON CHELIUS aan Z. M. In het Krasnoekamp
werden heden de oefeningen der troepen plotseling afgebroken en de
regimenten keeren onmiddellijk in hunne garnizoenen terug. De manoeuvres
zijn afgelast. De cadetten worden heden in plaats van in den herfst
tot officieren bevorderd. Over het optreden van Oostenrijk heerscht
in het hoofdkwartier groote opwinding. Ik heb den indruk, dat alle
voorbereidende maatregelen voor de mobiliseering tegen Oostenrijk worden
getroffen.



Bijlage 7.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Petersburg aan den
Rijkskanselier van den 26en Juli 1914.#


De militaire attaché verzoekt mij het volgende rapport aan den generalen
staf te willen doen toekomen.

Ik houd het voor zeker, dat, voor wat betreft Kiew en Odessa, de
mobilisatie is gelast. Voor Warschau en Moskou is dit quaestieus en in
de andere districten nog wel niet het geval.



Bijlage 8.

#Telegram van den waarnemenden Keizerlijken consul te Kowno aan den
Rijkskanselier van den 27en Juli 1914.#


In Kowno is de staat van oorlog afgekondigd.



Bijlage 9.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Bern aan den Rijkskanselier van
den 27en Juli 1914.#


Verneem uit betrouwbare bron dat het 14e Fransche legerkorps de
manoeuvres afbrak.



Bijlage 10.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Ambassadeur te
Londen.#


~Dringend.~                                              26 Juli 1914.

Oostenrijk-Hongarije heeft te Petersburg officieel en plechtig
verklaard, dat het in Servië geen territoriale winst nastreeft, het
bestaan van het Koninkrijk niet zal aantasten en zich alleen maar rust
wil verschaffen. Volgens hier ingekomen berichten is in Rusland de
oproeping van verschillende jaargangen reservisten ieder oogenblik te
verwachten. Wanneer deze berichten bewaarheid worden, zullen wij tegen
onzen wensch tot tegenmaatregelen gedwongen zijn. Ook heden nog is ons
streven daarop gericht, het conflict te localiseeren en den Europeeschen
vrede te bewaren. Ik verzoek U daarom in Petersburg in dezen zin met den
meesten nadruk werkzaam te zijn.



Bijlage 10_a_.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Ambassadeur te
Parijs van den 26en Juli 1914.#


Nadat Oostenrijk-Hongarije Rusland officieel verklaard heeft, dat het
geen territoriale winst nastreeft en het bestaan van het Koninkrijk
niet wil aantasten, ligt de beslissing of een Europeesche oorlog zal
ontstaan bij Rusland, dat de geheele verantwoordelijkheid daarvoor
te dragen heeft. Wij vertrouwen op Frankrijk, waarmede wij ons eenig
weten in den wensch om den Europeeschen vrede te bewaren, dat het in
Petersburg zijn invloed in kalmeerenden zin zal aanwenden.



Bijlage 10_b_.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te
Petersburg van den 26en Juli 1914.#


Nadat Oostenrijk plechtig verklaard heeft geen territoriale belangen te
hebben, berust de verantwoordelijkheid voor een eventueele verstoring
van den Europeeschen vrede door een Russische interventie alleen bij
Rusland. Wij vertrouwen er nog steeds op, dat Rusland geen stappen zal
doen die den Europeeschen vrede ernstig in gevaar zouden brengen.



Bijlage 11.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Petersburg aan den
Rijkskanselier van den 27en Juli 1914.#


Militair attaché rapporteert over gesprek met Minister van Oorlog.
SASANOW zou dezen laatsten verzocht hebben mij den toestand duidelijk
te maken. De Minister van Oorlog heeft mij zijn eerewoord gegeven
dat nog geen mobilisatiebevel is gegeven. Er werden alleen voorloopig
voorbereidende maatregelen genomen, maar er zou geen reservist
opgeroepen en geen paard opgevorderd zijn. Wanneer Oostenrijk de
Servische grens overschrijden zou, dan zouden die militaire districten,
die tegen Oostenrijk gericht zijn, Kiew, Odessa, Moskou en Kazan
gemobiliseerd worden, die aan het Duitsche front Warschau, Wilna en
Petersburg onder geen omstandigheden. Men zou den vrede met Duitschland
dringend wenschen. Op mijn vraag naar het doel van de mobiliseering
tegen Oostenrijk volgde schouderophalen, en werd verwezen naar de
diplomatie. Ik zeide den Minister dat men de vriendschappelijke
bedoelingen op prijs stelde, maar dat men ook de alleen tegen
Oostenrijk gerichte mobiliseering als zeer dreigend zou beschouwen.



Bijlage 12.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen
van den 27en Juli 1914.#


Van een voorstel van Sir EDWARD GREY, te Londen eene conferentie van
vier te houden, is hier tot dusver niets bekend. Het is voor ons
onmogelijk onzen bondgenoot in zake zijn twist met Servië, voor een
Europeesche rechtbank te brengen. Onze werkzaamheid als bemiddelaar moet
zich beperken tot het gevaar voor een Oostenrijksch-Russisch conflict.



Bijlage 13.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen
van den 25en Juli 1914.#


Het door Sir EDWARD GREY tusschen het Oostenrijksch-Servische en het
Oostenrijksch-Russische conflict gemaakte onderscheid is volkomen
juist. Wij willen ons evenmin als Engeland in het eerste mengen en
wij nemen gelijk te voren het standpunt in dat deze quaestie daardoor
moet gelocaliseerd blijven, dat alle mogendheden zich van inmenging
onthouden. Het is derhalve onze dringende hoop, dat Rusland in het
bewustzijn van zijne verantwoordelijkheid en van den ernst der situatie,
zich van ieder actief ingrijpen zal onthouden. Wij zijn voor het
geval een Oostenrijksch-Russische strijd zou ontstaan, bereid, onder
voorbehoud van onze bekende verbondsplichten, met de andere Groote
Mogendheden tusschen Rusland en Oostenrijk bemiddelend op te treden.



Bijlage 14.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te
Petersburg van den 28en Juli 1914.#


Wij zijn er zonder ophouden mee bezig er Weenen toe te bewegen, in
Petersburg doel en omvang van het Oostenrijksche optreden in Servië op
een onbetwistbare en, naar wij hopen, voor Rusland bevredigende wijze,
duidelijk te maken. Hieraan verandert ook de oorlogsverklaring, die
intusschen heeft plaats gevonden, niets.



Bijlage 15.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen
van den 27en Juli 1914.#


Wij hebben met de bemiddelingsactie te Weenen, in den door Sir EDWARD
GREY gewenschten zin, onmiddellijk een aanvang gemaakt. Bovendien hebben
wij Graaf BERCHTOLD den wensch van den heer SASANOW omtrent directe
gedachtenwisseling met Weenen medegedeeld.



Bijlage 16.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Weenen aan den Rijkskanselier
van den 28en Juli 1914.#


Graaf BERCHTOLD verzoekt mij Uwe Excellentie ten zeerste te bedanken,
voor de overbrenging van het Engelsche bemiddelingsvoorstel. Hij merkt
echter daarbij op, dat hij na de opening der vijandelijkheden van de
zijde van Servië en na de oorlogsverklaring, die intusschen is geschied,
de stap van Engeland moet beschouwen als te laat gekomen.



Bijlage 17.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Parijs
van den 29en Juli.#


De berichten omtrent Fransche oorlogstoebereidselen, die bij ons
inkomen, nemen van uur tot uur toe. Ik verzoek U, dit bij de Fransche
regeering ter sprake te brengen en er haar zoo dringend mogelijk op te
wijzen, dat dergelijke maatregelen ons tot beschermende maatregelen
zouden dwingen. Wij zouden het oorlogsgevaar moeten proclameeren
en wanneer ook dit nog niet de oproeping der reserves en nog niet
mobilisatie beduidt, dan zou toch daardoor de spanning verhoogd worden.
Wij hopen voortdurend nog op het behoud van den vrede.



Bijlage 18.

#Telegram van den militairen attaché te St. Petersburg aan Z. M. den
Keizer van den 30en Juli.#


Gisteren zeide mij Prins TRUBETZKI, nadat hij er voor gezorgd had, dat
het telegram van Uwe Majesteit onmiddellijk aan Keizer NICOLAAS werd
ter hand gesteld: „Goddank dat een telegram van Uw Keizer gekomen
is”. Hij zeide mij nu juist, dat het telegram een diepen indruk op den
Keizer gemaakt had, maar, daar de mobilisatie tegen Oostenrijk reeds
was gelast en SASANOW Z. M. wel zou hebben overtuigd, dat het niet
meer mogelijk is terug te wijken, kon Z. M. er helaas niets meer aan
veranderen. Ik zeide hem daarop, dat de vroegtijdige mobiliseering tegen
Oostenrijk-Hongarije, dat toch slechts in een plaatselijken oorlog tegen
Servië gewikkeld was, de schuld droeg aan de onafzienbare gevolgen,
want het antwoord van Duitschland hierop was natuurlijk duidelijk, en
de verantwoordelijkheid hiervoor viel op Rusland, dat de verzekering
van Oostenrijk-Hongarije dat het op geen enkele wijze vermeerdering van
grondgebied in Servië beoogde, heeft genegeerd. Oostenrijk-Hongarije
had tegen Servië en niet tegen Rusland gemobiliseerd en voor het
onmiddellijk ingrijpen van Rusland bestond geen grond. Ik voegde
er verder aan toe, dat men in Duitschland de Russische zegswijze:
„Wij kunnen onze broeders in Servië niet in den steek laten”, na de
verschrikkelijke misdaad van Serajewo niet meer verstond. Ik zeide
hem ten slotte dat hij zich niet behoefde te verwonderen wanneer
Duitschland's krijgsmacht zou worden gemobiliseerd.



Bijlage 19.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Rome van
den 31en Juli 1914.#


Voortdurend hebben wij tusschen Rusland en Oostenrijk-Hongarije
bemiddeld, zoowel door eene directe wisseling van telegrammen tusschen
Z. M. den Keizer en Z. M. den Tsaar alsook door onze houding tegenover
Sir EDWARD GREY. Door de mobiliseering van Rusland is evenwel ons
streven zeer bemoeilijkt, zoo niet onmogelijk gemaakt. Niettegenstaande
zijne geruststellende verzekeringen, neemt Rusland volgens alle
berichten, die bij ons binnenkomen, zoo verregaande maatregelen, ook
tegen ons, dat de toestand steeds dreigender wordt.



Bijlage 20.

#1. Zijne Majesteit aan den Tsaar.#


                                              28 Juli 1914, 10.45 n.m.

Met de grootste verontrusting hoor ik van den indruk, dien het
optreden van Oostenrijk tegen Servië in je rijk maakt. De gewetenlooze
agitatie, die sedert jaren in Servië gevoerd is, heeft geleid tot
de weerzinwekkende misdaad, waarvan aartshertog FRANZ FERDINAND het
slachtoffer geworden is. De geest, die den Serviërs hun eigen Koning
en zijne gemalin liet vermoorden, heerscht ook thans nog in dat land.
Ongetwijfeld zul je het wel met mij eens zijn, dat wij beiden, gij
en ik, zoowel als alle souvereinen, een gemeenschappelijk belang
erbij hebben en er op staan moeten, dat al degenen, die voor den
afschuwelijken moord moreel verantwoordelijk zijn, hun verdiende straf
krijgen.

Aan den anderen kant zie ik echter ook geenszins over het hoofd, hoe
moeilijk het is voor jou en voor je regeering, tegen de stroomingen van
de openbare meening in te gaan. De hartelijke vriendschap gedachtig,
die ons beiden sedert langen tijd met vasten band verbindt, gebruik
ik al mijn invloed om Oostenrijk-Hongarije er toe te krijgen, naar
een openlijke en bevredigende overeenkomst met Rusland te streven.
Ik heb het vaste vertrouwen, dat gij mij bij mijn bemoeiingen, om
alle moeilijkheden die nog kunnen ontstaan uit den weg te ruimen,
ondersteunen zult.

Je zeer oprechte en toegenegen vriend en neef

                                                        w. g. WILHELM.



Bijlage 21.

#2. De Tsaar aan Z. M.#


                                  Peterhof, Paleis, 29 Juli 1914, 1 n.m.

Het verheugt mij, dat gij in Duitschland terug zijt. In dit zoo ernstig
oogenblik smeek ik je dringend, mij te helpen. Een schandelijke oorlog
is aan een zwak land verklaard. De verontwaardiging hierover, die ik
ten volle deel, is in Rusland ontzaggelijk. Ik voorzie, dat ik zeer
spoedig den druk dien op mij wordt uitgeoefend, niet meer zal kunnen
weerstaan en gedwongen zal zijn, maatregelen te treffen, die tot een
oorlog zullen leiden. Om een ongeluk, zooals een Europeesche oorlog zou
zijn, te voorkomen, smeek ik je in naam van onze oude vriendschap, al
wat je mogelijk is, te doen, om je bondgenoot te weerhouden, te ver te
gaan.

                                                         w. g. NICOLAAS.



Bijlage 22.

#3. Z. M. aan den Tsaar.#


                                                 29 Juli 1914, 6.30 n.m.

Ik heb je telegram ontvangen en deel je wensch tot behoud van den
vrede. Ik kan echter—zooals ik je in mijn eerste telegram zeide—het
optreden van Oostenrijk-Hongarije niet als een „schandelijke oorlog”
beschouwen. Oostenrijk-Hongarije weet bij ervaring, dat beloften van
Servië, als zij slechts op papier staan, volslagen onbetrouwbaar zijn.
Naar mijn meening moet men het optreden van Oostenrijk-Hongarije als
eene poging beschouwen, volle garantie te verkrijgen dat de beloften van
Servië ook werkelijk in daden zullen worden omgezet. In deze meening
word ik versterkt door de verklaring van het Oostenrijksche kabinet,
dat Oostenrijk-Hongarije geen territoriale veroveringen ten koste van
Servië op het oog heeft. Ik meen daarom, dat het voor Rusland zeer
goed mogelijk is, bij den oorlog tusschen Oostenrijk en Servië de rol
van toeschouwer te blijven spelen, zonder Europa in den vreeselijksten
oorlog te betrekken, dien het ooit heeft beleefd. Ik geloof, dat eene
directe overeenkomst tusschen jouw regeering en Weenen mogelijk en
wenschelijk is, eene schikking, die—zooals ik je reeds zeide—mijn
regeering uit alle macht tracht te bevorderen. Militaire maatregelen
van Rusland, die Oostenrijk-Hongarije als een dreigement kon opvatten,
zouden natuurlijk een ongeluk bespoedigen, dat wij beiden wenschen te
vermijden, en zouden ook mijn positie als bemiddelaar, die ik, naar
aanleiding van je beroep op mijn vriendschap en hulp, bereidwillig op
mij genomen heb, ondermijnen.

                                                        w. g. WILHELM.



Bijlage 23.

#4. Z. M. aan den Tsaar.#


                                                    30 Juli 1914, 1 v.m.

Mijn ambassadeur heeft last gekregen, je regeering te wijzen op de
gevaren en de ernstige consequenties eener mobilisatie; hetzelfde heb
ik je ook in mijn laatste telegram gezegd. Oostenrijk-Hongarije heeft
slechts tegen Servië gemobiliseerd en slechts een gedeelte van zijn
leger. Wanneer Rusland, zooals thans volgens mededeeling van jou en
van je regeering het geval is, tegen Oostenrijk-Hongarije mobiliseert,
dan wordt de rol van bemiddelaar, die gij mij vriendschappelijk hebt
toevertrouwd, en die ik op je uitdrukkelijk verzoek heb aangenomen,
in gevaar gebracht zooal niet onmogelijk gemaakt. De volle zwaarte
van de beslissing rust thans op jouw schouders; zij hebben de
verantwoordelijkheid voor oorlog of vrede te dragen.

                                                          w. g. WILHELM.



Bijlage 23_a_.

#5. De Tsaar aan Z. M.#


                                       Peterhof, 30 Juli 1914, 1.20 n.m.

Ik dank je van harte voor je snel antwoord. Ik zend vanavond TATISKEFF
met instructie. Tot de thans van kracht wordende militaire maatregelen
is reeds voor 5 dagen besloten en wel ter verdediging tegen de
toebereidselen van Oostenrijk. Ik hoop van ganscher harte dat deze
maatregelen in geen enkel opzicht van invloed zullen zijn op je positie
als bemiddelaar, waaraan ik zeer groote beteekenis hecht. Wij hebben je
sterken druk op Oostenrijk noodig, opdat het tot eene schikking met ons
komt.

                                                         w. g. NICOLAAS.



Bijlage 24.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den keizerlijken ambassadeur te St.
Petersburg, d.d. 31 Juli 1914.#


~Dringend.~

Ondanks de nog hangende bemiddelingsonderhandelingen en ofschoon wij
zelf tot op dit oogenblik geenerlei mobilisatiemaatregelen getroffen
hebben, heeft Rusland zijn heele leger en vloot, dus ook tegen ons
gemobiliseerd. Door dezen maatregel van Rusland zijn wij gedwongen, voor
de veiligheid van het rijk het dreigende oorlogsgevaar af te kondigen,
wat nog niet mobilisatie beduidt. De mobilisatie moet echter volgen,
wanneer Rusland niet binnen 12 uur elken oorlogszuchtigen maatregel
tegen ons en Oostenrijk-Hongarije staakt en hieromtrent tegenover ons
een besliste verklaring aflegt. Ik verzoek dit onmiddellijk aan den heer
SASANOW mede te deelen en het uur van mededeeling te seinen.



Bijlage 25.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken ambassadeur te
Parijs, d.d. 31 Juli 1914.#


~Dringend.~

Rusland heeft ondanks onze nog hangende bemiddelingsactie en ofschoon
wij zelf geenerlei mobilisatiemaatregelen getroffen hebben, de
mobilisatie van zijn geheele leger en vloot, dus ook tegen ons, bevolen.
Wij hebben daarop den toestand van dreigenden oorlog afgekondigd,
waarop de mobilisatie moet volgen, wanneer Rusland niet binnen 12 uur
alle oorlogsmaatregelen tegen ons en Oostenrijk staakt. De mobilisatie
beteekent onvermijdelijk oorlog. Verzoeke de Fransche regeering te
vragen, of zij in een Russisch-Duitschen oorlog neutraal wil blijven.
Antwoord moet binnen 18 uren volgen. Sein onmiddellijk het uur waarop
gij de vraag hebt gesteld. De grootste spoed noodzakelijk.



Bijlage 26.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken ambassadeur te
St. Petersburg, d.d. 1 Augustus 12.52 n.m.#


Wanneer de Russische regeering geen bevredigend antwoord geeft op
onzen eisch, verzoeken wij Uwe Excellentie haar hedenmiddag om 5 uur
(Middeneuropeeschen tijd), de volgende verklaring te overhandigen:

Le Gouvernement Impérial s'est efforcé dès les débuts de la crise de la
mener à une solution pacifique. Se rendant à un désir qui lui en avait
été exprimé par Sa Majesté l'Empereur de Russie, Sa Majesté l'Empereur
d'Allemagne d'accord avec l'Angleterre était appliqué à accomplir un
rôle médiateur auprès des Cabinets de Vienne et de St. Pétersbourg,
lorsque la Russie, sans en attendre le résultat, procéda à la
mobilisation de la totalité de ses forces de terre et de mer.

A la suite de cette mesure menaçante motivée par aucun préparatif
militaire de la part de l'Allemagne, l'Empire Allemand se trouva
vis-à-vis d'un danger grave et imminent. Si le Gouvernement Impérial
eût manqué de parer à ce péril il aurait compromis la sécurité et
l'existence même de l'Allemagne. Par conséquent le Gouvernement Allemand
se vit forcé de s'adresser au Gouvernement de Sa Majesté l'Empereur
de toutes les Russies en insistant sur la cessation des dits actes
militaires. La Russie ayant refusé de faire droit à cette demande et
ayant manifesté par ce refus, que son action était dirigeé contre
l'Allemagne, j'ai l'honneur d'ordre de mon Gouvernement de faire savoir
à Votre Excellence ce qui suit:

Sa Majesté l'Empereur, mon auguste Souverain, au nom de l'Empire relève
le défi et se considère en état de guerre avec la Russie.

Wees zoo goed het tijdstip van ontvangst en het uur waarop gij deze
instructie ten uitvoer legt, volgens Russischen tijd, dringend te seinen.

Ik verzoek U Uwe passen te vragen, en de bescherming en de zaken over te
dragen aan de Amerikaansche ambassade.



Bijlage 27.

#Telegram van den Keizerlijken ambassadeur te Parijs aan den
Rijkskanselier, d.d. 1 Augustus 1.05 n.m.#


Op mijn herhaalde en besliste vraag of Frankrijk in geval van
een Duitsch-Russischen oorlog neutraal blijft, verklaarde de
minister-president mij, dat Frankrijk doen zou, wat zijn belangen het
geboden.



#Latere toevoegingen.#



Bijlage 28.

#Getuigenis van den Belgischen chargé d'affaires in Petersburg.#


 _Belgische ambassade.
    St. Petersburg.
        795/402.
 De politieke toestand._

                                                        30 Juli, 1914.

Aan Z. Excellentie den heer DAVIGNON, Minister van Buitenlandsche Zaken,

        Mijnheer de Minister,

De dag van gisteren en eergisteren zijn voorbij gegaan, in
afwachting van de gebeurtenissen, die op de oorlogsverklaring van
Oostenrijk-Hongarije aan Servië moesten volgen. De meest tegenstrijdige
berichten worden verspreid, zonder dat het mogelijk zou zijn geweest, in
verband met de bedoelingen van de Keizerlijke Russische regeering, het
ware precies van het onware te onderscheiden. _Het staat slechts vast,
dat Duitschland zich hier, evenals in Weenen, moeite gegeven heeft een
middel te vinden, teneinde een algemeen conflict te vermijden._ Dat het
echter aan den eenen kant gestooten is, op de vastbeslotenheid van het
Weensche kabinet, geen stap terug te wijken, en aan den anderen kant op
het wantrouwen van het Petersburgsche kabinet, tegenover de verzekering
van Oostenrijk-Hongarije, dat het slechts aan eene bestraffing en niet
aan eene annexatie van Servië dacht.

De heer SASANOW heeft verklaard, dat het voor Rusland onmogelijk was,
zich niet gereed te houden en niet te mobiliseeren, dat echter deze
voorbereidingen niet tegen Duitschland waren gericht. Hedenmorgen
kondigt een officiëel communiqué aan de couranten aan, dat „de
reservisten in een _bepaald_ aantal gouvernementen onder de wapens
zijn geroepen”. _Wie de terughoudendheid van de Russische officiëele
communiqué's kent, kan gerust aannemen, dat overal gemobiliseerd wordt._

_De Duitsche gezant_ heeft heden morgen verklaard, dat hij aan het
einde is gekomen van zijne, sedert Zaterdag onafgebroken voortgezette,
bemoeiingen om tot een vergelijk te komen en dat hij bijna geen hoop
meer heeft. Zooals mij zooeven wordt medegedeeld, heeft zich ook de
_Engelsche gezant_ in gelijken geest uitgesproken. Engeland hoeft
onlangs een scheidsrechterlijke uitspraak voorgeslagen. De heer SASANOW
antwoordde: „Wij hebben dit Oostenrijk-Hongarije zelf voorgeslagen,
maar het heeft dit voorstel afgewezen”. Op het voorstel van eene
conferentie, heeft Duitschland met het voorstel van een vergelijk
tusschen de kabinetten geantwoord: Men zou zich werkelijk afvragen
of niet de geheele wereld den oorlog wenscht, en slechts probeert de
oorlogsverklaring nog wat uit te stellen, teneinde tijd te winnen.

_Engeland gaf aanvankelijk te verstaan dat het niet in een conflict
betrokken wilde worden. Sir George Buchanan sprak dit openlijk uit._
Heden is men er in St. Petersburg vast van overtuigd, ja men heeft
zelfs _de toezegging, dat Engeland Frankrijk helpen zal. Deze hulp
legt bijzonder veel gewicht in de schaal en heeft er niet weinig toe
bijgedragen om de oorlogspartij de overhand te verschaffen._

De Russische regeering heeft in de laatste dagen aan alle uitingen van
vriendschap voor Servië en vijandschap voor Oostenrijk den _vrijen
loop_ gelaten, en heeft op geenerlei wijze gepoogd die te verstikken.
In den Ministerraad die gisterenmorgen vroeg plaats vond, bleek nog
verschil van meening te bestaan. Het bekendmaken van de mobilisatie
werd verschoven, _maar sedert heeft er eene ommekeer plaats gehad. De
oorlogspartij heeft de overhand gekregen en van morgen vroeg om 4 uur
werd de mobilisatie bekend gemaakt._

Het leger, dat zich sterk voelt, is vol geestdrift en koestert groote
verwachtingen van de buitengewone vorderingen, die sedert den
Japanschen oorlog gemaakt zijn. _De marine_ is van de verwezenlijking
van haar vernieuwings- en reorganisatieplan nog zoover verwijderd, _dat
met haar bijna niet behoeft te worden rekening gehouden_. Dat is juist
de grond, waarom de toezegging van de Engelsche hulp eene zoo groote
beteekenis kreeg.

Zooals ik de eer had U heden te telegrapheeren (T. 10), schijnt iedere
hoop op eene vredelievende oplossing vervlogen te zijn, dat is de
opvatting in diplomatieke kringen.

Voor mijn telegram heb ik den weg over Stockholm, over den kabel van
de Nordiska gebruikt, daar deze zekerder is dan de andere. Dit bericht
vertrouw ik aan een particulieren koerier toe, die het in Duitschland op
de post zal doen.

Wil Mijnheer de Minister, de verzekering ontvangen van mijne grootste
hoogachting,

  w. g. B. DE L'ESCAILLE.



Bijlage 29.

#Prins Heinrich aan den Koning van Engeland.#

Telegram van Z.K.H. Prins HEINRICH aan den Koning van Engeland, d.d. 30
Juli 1914.


Ben sedert gisteren hier, heb datgene, wat gij mij zoo vriendelijk l.l.
Zondag in Buckingham Palace gezegd hebt, WILHELM medegedeeld, die je
boodschap dankbaar ontvangen heeft.

WILHELM, _die zeer bezorgd is, doet zijn uiterste best, om aan het
verzoek, van_ NICOLAAS _te voldoen en te werken voor het behoud van den
vrede._ Hij staat voortdurend in telegrafisch verkeer met NICOLAAS, die
heden het bericht bevestigt, dat hij _last gegeven heeft tot militaire
maatregelen, die met eene mobilisatie gelijk staan_, en dat deze
maatregelen, reeds vijf dagen geleden getroffen zijn.

Bovendien ontvangen wij berichten dat _Frankrijk militaire
toebereidselen treft, terwijl wij nog geenerlei maatregelen genomen
hebben_, waartoe wij intusschen ieder oogenblik gedwongen kunnen worden,
als onze buren daarmede doorgaan. Dat zou dan een Europeesche oorlog
beteekenen.

_Als gij werkelijk en oprecht wenscht, dit vreeselijk ongeluk te
voorkomen, mag ik je dan voorstellen, je invloed op Frankrijk en
Rusland aan te wenden, opdat zij neutraal blijven._ Dat zou m. i. van
groot nut zijn. Ik houd dit voor eene onfeilbare, en misschien ook de
eenige mogelijkheid, om den vrede in Europa te redden. Ik wil hieraan
toevoegen, dat thans meer dan ooit Duitschland en Engeland elkaar
behoorden te helpen, om een vreeselijk onheil te voorkomen, dat anders
onafwendbaar schijnt.

Geloof mij, dat WILHELM zoo oprecht mogelijk is in zijne pogingen om
den vrede te bewaren. De militaire toebereidselen van zijn beide buren
zouden hem ten slotte echter kunnen dwingen, voor de veiligheid van zijn
eigen land, dat anders weerloos zou blijven, hun voorbeeld te volgen. Ik
heb WILHELM ingelicht over mijn telegram aan jou en hoop, dat gij mijne
mededeelingen ontvangen zult met de zelfde vriendschappelijke gevoelens,
die ze mij in de pen gegeven hebben.

                                                         w. g. HEINRICH.



Bijlage 30.

#De Koning van Engeland aan Prins Heinrich.#

Telegram van den Koning van Engeland aan Prins HEINRICH van Pruisen,
d.d. 30 Juli 1914.


Dank voor je telegram. Zeer verheugd te hooren van WILHELM'S pogingen,
om met NICOLAAS voor het behoud van den vrede samen te werken. Ik
koester den ernstigen wensch, _dat zulk een ongeluk, als een Europeesche
oorlog zijn zou, dat volstrekt niet meer zou zijn goed te maken,
voorkomen moge worden. Mijne regeering doet wat in haar macht is,
om Rusland en Frankrijk te overreden, verdere militaire maatregelen
op te schorten_, voor het geval dat Oostenrijk zich tevreden stelt
met de bezetting van Belgrado en het aangrenzende Servische gebied,
als onderpand voor eene bevredigende regeling van zijn eischen,
terwijl de andere landen dan tegelijkertijd hun oorlogstoebereidselen
staken. Ik vertrouw, dat WILHELM zijn grooten invloed zal gebruiken
om Oostenrijk te bewegen dit voorstel aan te nemen. Daardoor zou hij
bewijzen, dat Duitschland en Engeland samenwerken om te voorkomen wat
eene internationale catastrophe zou zijn. Wees zoo goed WILHELM te
verzekeren, dat ik alles zal doen wat in mijn macht ligt om den vrede in
Europa te bewaren.

                                                           w. g. GEORGE.



Bijlage 31.

#Keizer Wilhelm aan Koning George.#

Telegram van Z. M. den Keizer aan den Koning van Engeland, d.d. 31 Juli
1914.


Zeer bedankt voor je vriendelijke mededeeling. Je voorstellen komen
overeen met mijn denkbeelden en met de mededeelingen, die ik hedennacht
uit Weenen ontvangen en naar London doorgezonden heb. Ik heb juist
van den kanselier bericht gekregen, dat hij _zooeven mededeeling
ontvangen heeft, dat NICOLAAS heden de mobilisatie van zijn geheele
leger en vloot heeft bevolen. Hij heeft niet eens den uitslag van de
bemiddeling, waaraan ik werk, afgewacht en mij geheel zonder bericht
gelaten. Ik ga naar Berlijn, teneinde zorg te dragen voor de veiligheid
aan mijn oostelijke grens_, waar reeds sterke Russische afdeelingen zijn
opgesteld.

                                                          w. g. WILHELM.



Bijlage 32.

#Keizer Wilhelm aan Koning George.#

Telegram van Z. M. den Keizer aan den Koning van Engeland, d.d. 1
Augustus 1914.


Ik heb zooeven de mededeeling van je regeering gekregen, waarbij zij
de _neutraliteit van Frankrijk onder waarborg van Groot-Brittanië_
aanbiedt. Bij dit aanbod was de vraag gevoegd, of _Duitschland onder
deze omstandigheden ervan zou willen afzien, Frankrijk aan te vallen_.
Om technische redenen moet de mobilisatie naar twee fronten naar het
oosten en naar het westen, waartoe ik hedenmiddag last gegeven heb,
haar beloop hebben, zooals zij voorbereid is. _Tegenbevel kan niet meer
gegeven worden_, omdat je telegram helaas te laat kwam. _Als echter
Frankrijk mij zijne neutraliteit aanbiedt, die door het leger en de
vloot van Engeland gewaarborgd moeten worden, zal ik natuurlijk afzien
van een aanval op Frankrijk_, en mijn troepen elders gebruiken. Ik hoop
dat Frankrijk niet zenuwachtig wordt. _De troepen aan mijn grens krijgen
juist telegraphisch en telefonisch bevel, het Fransche gebied niet te
overschrijden._

                                                          w. g. WILHELM.



Bijlage 33.

#Telegram van den Keizerlijken ambassadeur in Londen aan den
Rijkskanselier, d.d. 1 Augustus 1914.#


Zooeven heeft mij Sir EDWARD GREY aan de telefoon geroepen en mij
gevraagd, of ik meende te kunnen verklaren, dat in geval Frankrijk
neutraal bleef in een Duitsch-Russischen oorlog, wij de Franschen niet
zouden aanvallen. Ik verklaarde hem, dat ik meende, de verantwoording
daarvoor op mij te kunnen nemen.

                                                       w. g. LICHNOWSKY.



Bijlage 34.

#Rijkskanselier Von Bethmann Hollweg aan den Ambassadeur Prins
Lichnowsky.#

Telegram van den rijkskanselier aan den keizerlijken ambassadeur te
Londen, d.d. 1 Augustus 1914.


_Duitschland is bereid, in het Engelsche voorstel te treden, als
Engeland met zijn strijdmacht voor de onvoorwaardelijke neutraliteit
van Frankrijk in het Duitsch-Russisch conflict borg staat._ De Duitsche
mobilisatie heeft heden, op grond van Rusland's uitdagende houding
plaats gevonden, vóór de Engelsche voorstellen hier aangekomen waren.
Dientengevolge is ook aan onzen opmarsch aan de Fransche grens niets
meer te veranderen. _Wij staan er echter voor in, dat de Fransche grens
tot Maandag 3 Augustus, des avonds om 7 uur, door onze troepen niet zal
overschreden worden, als tegen dat tijdstip Engeland zijne toezegging
gedaan heeft._

                                                 w. g. BETHMANN HOLLWEG.



Bijlage 35.

#Koning George aan Keizer Wilhelm.#

Telegram van den Koning van Engeland aan Z. M. den Keizer d.d. 1
Augustus 1914.


In antwoord op je telegram, dat ik zooeven ontvangen heb, meen ik,
dat _een misverstand_ moet bestaan betreffende eene opmerking, welke
gevallen is tijdens een vriendschappelijk onderhoud tusschen prins
LICHNOWSKY en Sir EDWARD GREY, toen zij de vraag behandelden, hoe men
een werkelijken strijd tusschen het Duitsche en Fransche leger zou
kunnen vermijden, zoolang nog de mogelijkheid bestaat, dat Oostenrijk
en Rusland tot eene overeenkomst komen. Sir EDWARD GREY zal prins
LICHNOWSKY morgenochtend opzoeken, om uit te maken, of er van zijn kant
een misverstand bestaat.

                                                           w. g. GEORGE.



Bijlage 36.

#Prins Lichnowsky aan Rijkskanselier Von Bethmann Hollweg.#

Telegram van den keizerlijken ambassadeur te Londen aan den
rijkskanselier, d.d. 2 Augustus 1914.


_Het door Sir EDWARD GREY opgeworpen denkbeeld_, dat op den wensch
berustte, om de mogelijkheid te scheppen van eene duurzame neutraliteit
van Engeland, _is zonder ruggespraak met Frankrijk, en zonder kennis van
de mobilisatie geuit, en intusschen als volkomen hopeloos opgegeven_.

                                                       w. g. LICHNOWSKY.



Bijlage 37.

#Woordelijke inhoud van de telegraphische bevelen aan den Duitschen
gezant te Brussel van den 2en Augustus 1914.#


De Keizerlijke regeering is in het bezit van betrouwbare berichten
over den _voorgenomen opmarsch van de Fransche strijdkrachten aan de
Maas_ in de richting Givet–Namur. Zij laten _geen twijfel_ bestaan
omtrent de _bedoeling van Frankrijk om door Belgisch gebied Duitschland
aan te grijpen_. De keizerlijke regeering kan zich niet aan de vrees
onttrekken, dat _België met den besten wil niet in staat zal zijn een
Franschen aanslag met zooveel hoop op goeden uitslag af te weren_, dat
daarin voldoende zekerheid kan worden gevonden tegen de bedreiging van
Duitschland. Het is _een gebod van zelfbehoud voor Duitschland den
vijandelijken aanval te voorkomen_.

Het zou daarom der Duitsche regeering zeer veel leed doen, wanneer
België er een daad van vijandschap tegen zichzelf in zou zien, wanneer
de maatregelen van Duitschland's tegenstanders het dwingen uit tegenweer
ook zijnerzijds het Belgische grondgebied te betreden. Teneinde alle
misverstand uit te sluiten verklaart de Keizerlijke regeering het
volgende:

1. _Duitschland beoogt geenerlei vijandelijkheden tegen België._ Wanneer
België bereid is in den aanstaanden oorlog tegenover Duitschland
eene welwillende neutraliteit in acht te nemen, _dan verplicht zich
de Duitsche regeering bij het sluiten van den vrede het bezit en
de onafhankelijkheid van het Koninkrijk in zijn vollen omvang te
waarborgen_.

2. Duitschland verplicht zich onder bovengenoemd voorbehoud _het gebied
van het Koninkrijk weder te ontruimen zoodra de vrede gesloten is_.

3. Bij eene vriendschappelijke houding van België is Duitschland
bereid, in overeenstemming met de Koninklijk Belgische autoriteiten
_alle behoeften zijner troepen contant te betalen en iedere schade te
vergoeden_, die wellicht door de Duitsche troepen zou kunnen worden
veroorzaakt.

_Mocht België vijandig tegen de Duitsche troepen optreden_, in het
bijzonder door weerstand van de Maas-versterkingen, of door vernieling
van spoorwegen, wegen, tunnels enz., last veroorzaken, _dan zal
Duitschland tot zijn leedwezen gedwongen zijn, het Koninkrijk als vijand
te beschouwen. In dit geval zou Duitschland tegenover het Koninkrijk
geenerlei verplichting op zich kunnen nemen_, maar zou de verdere
regeling van de verhouding der beide staten tot elkander aan _de
beslissing der wapenen_ moeten worden overgelaten.



Bijlage 38.

#De schending der Belgische neutraliteit door Engeland en België.#


Door de verklaringen van Sir EDWARD GREY zelf is de bewering der
Engelsche regeering, dat de schending der Belgische neutraliteit door
Duitschland het ingrijpen van Engeland in den tegenwoordigen oorlog
heeft veroorzaakt, reeds bewezen, onhoudbaar te zijn. Op het pathos
van zedelijke verontwaardiging waarmede het Duitsche binnenrukken in
België van Engelsche zijde is gebruikt, tot het stemming maken tegen
Duitschland bij de neutralen, valt een nieuw en eigenaardig licht door
zekere documenten die het Duitsche legerbestuur in de archieven van den
Belgischen Generalen Staf te Brussel ontdekt heeft.

Uit den inhoud van het dossier, hetwelk het opschrift draagt
„Intervention anglaise en Belgique” blijkt dat reeds in het jaar _1906_
aan het zenden van een Engelsch expeditiecorps naar België, voor het
geval van een Fransch-Duitschen oorlog, is gedacht geworden. Volgens
een aangetroffen schrijven van den Belgischen Minister van Oorlog van
10 April 1906 heeft de chef van den Belgischen Generalen Staf met den
toenmaligen Engelschen militairen attaché te Brussel, luitenant-kolonel
BARNARDISTON op diens voorstel in herhaalde besprekingen een uitgebreid
plan voor gemeenschappelijke operaties van een Engelsch expeditiecorps
van 100.000 man met het Belgische leger tegen Duitschland uitgewerkt.
Het plan vond de goedkeuring van den chef van den Engelschen
Generalen Staf, generaal-majoor GRIERSON. Alle opgaven van sterkte en
samenstelling van de Engelsche troependeelen, over de samenstelling van
het expeditiecorps, de landingsplaatsen, eene nauwkeurige tijdberekening
voor het transport vanaf de landingsplaatsen, enz., werden den
Belgischen Generalen Staf geleverd. Op grond van deze berichten heeft
de Belgische Generale Staf het transport van Engelsche troepen naar het
Belgische operatiegebied en hunne onderdakbrenging en voeding aldaar,
nauwkeurig voorbereid. Tot in alle details is de samenwerking zorgvuldig
uitgewerkt. Zoo zouden het Engelsche leger een groot aantal tolken en
Belgische gendarmes ter beschikking gesteld worden en de noodige kaarten
worden geleverd. Zelfs aan de verpleging van de Engelsche gewonden was
reeds gedacht geworden.

Duinkerken, Calais en Boulogne waren als landingsplaatsen voor
de Engelsche troepen bestemd. Van hieruit zouden zij met Belgisch
spoorwegmaterieel naar het operatiegebied worden gebracht. De
voorgenomen landing in Fransche havens en het vervoer door Fransch
grondgebied, bewijst, dat aan de Engelsch-Belgische besprekingen
gelijksoortige met den Franschen Generalen Staf zijn voorafgegaan.
De drie mogendheden hebben de plannen voor een samenwerken van de
„verbonden legers” zooals zij in het stuk genoemd worden, nauwkeurig
vastgesteld. Daarvoor getuigt ook, dat tusschen de geheime stukken een
kaart van den Franschen opmarsen werd ontdekt.

Het genoemde schrijven bevat eenige opmerkingen van bijzonder belang.
Zoo wordt er op een bepaalde plaats gezegd, dat de luitenant-kolonel
BARNARDISTON gemerkt heeft, dat men op dat oogenblik op de ondersteuning
van Holland niet zou kunnen rekenen. Hij heeft verder vertrouwelijk
medegedeeld, dat de Engelsche regeering de bedoeling heeft, de basis
van den toevoer der Engelsche intendance naar Antwerpen te verplaatsen,
zoodra de Noordzee van alle Duitsche oorlogsschepen zou zijn gezuiverd.
Verder bracht de Engelsche militaire attaché, de inrichting van een
Belgischen spionnagedienst in de Rijnprovincie ter sprake.

Het aangetroffen militaire materiaal ontvangt eene waardevolle
aanvulling door een rapport van Baron GREINDL, die lange jaren Belgisch
gezant te Berlijn was, aan den Belgischen Minister van Buitenlandsche
Zaken, dat zich eveneens onder de geheime papieren bevond, waarin met
groote scherpzinnigheid de aan het Engelsche aanbod ten grondslag
liggende bijbedoelingen worden onthuld, en waarin de gezant wijst op
het bedenkelijke van de situatie, waarin zich België door een eenzijdig
partijkiezen ten gunste van de entente-mogendheden had begeven. In het
zeer uitvoerige rapport dat van den 23en September 1911 dateert, en
waarvan wij ons de volledige publicatie voorbehouden, zet Baron GREINDL
uiteen, dat het hem medegedeelde plan van den Belgischen Generalen Staf
voor de verdediging van de Belgische neutraliteit in het geval van een
Fransch-Duitschen oorlog zich alleen bezig houdt met de vraag, welke
militaire maatregelen men moet nemen voor het geval dat Duitschland de
Belgische neutraliteit schendt. Voor de hypothese van een Franschen
aanval op Duitschland door België was echter evenveel te zeggen. De
gezant zet dan verder het volgende uiteen:



Bijlage 39.

#Rapport van den Belgischen Gezant te Berlijn van den 23en September
1911.#


Van Fransche zijde dreigt ons het gevaar niet alleen in het zuiden
van Luxemburg. Het bedreigt ons langs onze geheele gemeenschappelijke
grens. Voor deze veronderstelling zijn wij niet alleen op vermoedens
aangewezen, wij hebben daarvoor positieve aanknoopingspunten.

De gedachte aan eene omvattende beweging vanuit het noorden, behoort
ongetwijfeld tot de combinaties van den entente cordiale. Wanneer dit
niet het geval was, dan zou het plan om Vlissingen te versterken niet
zulk een geschreeuw in Parijs en Londen hebben doen opgaan. Men heeft
daar de reden in het geheel niet geheim gehouden, waarom men wenschte
dat de Schelde geheel onverdedigd bleef. Men beoogde daarmee een
Engelsch garnizoen ongehinderd naar Antwerpen te kunnen overbrengen.
Men had alzoo de bedoeling, zich bij ons een operatie-basis voor een
offensief in de richting van den Neder-Rijn en Westphalen te verschaffen
en ons dan mee te slepen, wat niet moeilijk zou geweest zijn, want na
prijsgave van ons nationaal reduit, zouden wij door onze eigen schuld
van iedere mogelijkheid hebben afstand gedaan, weerstand te bieden
aan de eischen van onze twijfelachtige beschermers, nadat wij zoo
onverstandig geweest waren ze daar toe te laten. De evenzoo perfide
als naieve mededeelingen van den kolonel BARNARDISTON ten tijde van het
afsluiten van de entente cordiale hebben ons duidelijk getoond waar het
om ging. Toen het bleek dat wij ons door het z.g. dreigende gevaar van
de sluiting van de Schelde niet lieten bang maken werd het plan wel niet
opgegeven, maar zoo gewijzigd, dat het Engelsche hulpleger niet aan de
kust, maar in de naastbijliggende Fransche haven zou worden geland.
Hiervoor spreken ook de onthullingen van den kapitein FABER, die evenmin
zijn gedementeerd als de berichten uit de couranten, waardoor zij zijn
bevestigd of in enkele punten aangevuld. Deze in Calais of Duinkerken
gelande armee zou niet langs onze grens naar Longwy marcheeren teneinde
Duitschland te bereiken. Zij zou direct bij ons vanuit het noord-westen
binnendringen, dat zou haar het voordeel verschaffen onmiddellijk in
actie te kunnen treden en het Belgische leger in een streek te treffen,
waar wij, indien wij een slag zouden willen wagen ons op geen vesting
zouden kunnen steunen. Het zou het haar mogelijk maken, rijke provinciën
met hulpmiddelen van allerlei soort te bezetten, in ieder geval echter
onze mobiliseering te verhinderen, of die slechts toe te laten, nadat
wij ons formeel zouden hebben verplicht de mobiliseering slechts tot
voordeel van Engeland en zijne bondgenooten door te voeren. Het is
dringend noodzakelijk vooruit een strijdplan voor het Belgische leger
ook voor deze mogelijkheid op te maken. Dat gebiedt zoowel het belang
van onze militaire defensie, alsook de leiding van onze buitenlandsche
politiek voor het geval van een oorlog tusschen Duitschland en
Frankrijk”.

Deze uiteenzettingen van eene zijde, die vrij is van vooroordeel,
stellen op overtuigende wijze het feit vast, dat hetzelfde Engeland,
dat zich nu gedraagt als beschermer van de Belgische neutraliteit,
België verleid heeft tot een eenzijdig partijkiezen ten gunste der
entente-mogendheden en dat het op een bepaalden tijd zelfs aan eene
schending van de Hollandsche neutraliteit gedacht heeft. Verder blijkt
daaruit, dat de Belgische regeering, toen zij aan de Engelsche
influisteringen gehoor schonk, zich heeft schuldig gemaakt aan eene
ernstige schending van de plichten, die op haar als neutrale mogendheid
rustten. De nakoming van deze plichten zou hebben gevorderd, dat de
Belgische regeering in hare verdedigingsplannen ook met de schending
der Belgische neutraliteit door Frankrijk zou hebben rekening gehouden
en dat zij voor dat geval gelijksoortige overeenkomsten met Duitschland
zou hebben gesloten, zooals zij dat nu gedaan heeft met Frankrijk en
Engeland. De ontdekte stukken vormen een documentair bewijs voor het ter
toon aangevende plaatse in Duitschland reeds lang voor het uitbreken
van den oorlog bekende feit, dat België het met de entente-mogendheden
oogluikend was eens geworden. Zij dient als eene rechtvaardiging voor
ons militair optreden en als eene bevestiging van de informaties, die
de Duitsche legeraanvoering ontvangen had over de Fransche bedoelingen.
Zij mogen er het Belgische volk de oogen voor openen, aan wie het de
catastrophe te danken heeft, die thans over het ongelukkige land gekomen
is.



Bijlage 40.

#Telegram van den Minister van Buitenlandsche Zaken aan den Keizerlijken
Gezant te Tokio van 12 Augustus 1914.#


Oost-Aziatisch eskader bevel gegeven vijandelijke daden tegen Engeland
na te laten voor het geval Japan neutraal blijft. Verzoek Japansche
regeering mededeeling doen.

       *       *       *       *       *

Hierop is van de zijde van Japan nimmer geantwoord.



Bijlage 41.

#Ultimatum overgereikt door den Keizerlijk Japanschen Chargé d'affaires
Baron Funakoshi den 17en Augustus 1914.#


„De Keizerlijk Japansche regeering beschouwt het in de tegenwoordige
omstandigheden als uiterst gewichtig en noodzakelijk maatregelen te
nemen om alle oorzaken voor eene storing van den vrede uit den weg te
ruimen en voor het algemeen belang te werken, dat het bondsverdrag
tusschen Japan en Groot-Brittanië op het oog heeft, teneinde een vasten
en voortdurenden vrede in Oost-Azië te verzekeren, welker vestiging het
doel was van het bovengenoemde verdrag. Ze houdt het daarom oprecht voor
hare plicht de Keizerlijk Duitsche regeering den raad te geven de beide
navolgende voorstellen uit te voeren.

Eerstens. Onmiddellijk uit de Japansche en Chineesche wateren de
Duitsche oorlogsschepen en bewapende vaartuigen van alle soort terug te
roepen en die welke niet kunnen worden teruggeroepen, onmiddellijk te
ontwapenen.

Tweedens. Tot ultimo 15 September 1914, het geheele pachtgebied
Kiautschou zonder voorwaarden en zonder schadeloosstelling aan de
Keizerlijke Japansche autoriteiten over te geven met het doel het
naderhand aan China terug te geven.

De Keizerlijk Japansche regeering kondigt tegelijkertijd aan, dat
zij, wanneer zij niet op ultimo 23 Augustus 1914 des namiddags van de
Keizerlijk Duitsche regeering een antwoord zal hebben ontvangen, hetwelk
de aanneming zonder voorwaarden inhoudt, van de door de Keizerlijk
Japansche regeering gegeven raadgevingen, zij zich genoodzaakt zal zien
te handelen, zooals zij het volgens den stand der zaken noodzakelijk
mocht oordeelen.”



Bijlage 42.

#Antwoord van de Keizerlijke regeering aan den Keizerlijk Japanschen
Chargé d'Affaires den 23en Augustus 1914 mondeling gegeven.#


„Op de Japansche eischen heeft de Duitsche regeering geenerlei antwoord
te geven. Zij ziet zich daarom genoodzaakt den Keizerlijken gezant te
Tokio terug te roepen en den Japanschen chargé d'affaires te Berlijn
zijn passen te geven”.



  +-----------------------------------------------------------+
  |                                                           |
  |               OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:                |
  |                                                           |
  |  De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht:     |
  |                                                           |
  |  Bron (B:) -- Correctie (C:)                              |
  |                                                           |
  |  B: Russische minister van oorlog SSUCHOMLINOW            |
  |  C: Russische minister van oorlog SUCHOMLINOW             |
  |  B: Moskou, Kasan gemobiliseerd worden.                   |
  |  C: Moskou, Kazan gemobiliseerd worden.                   |
  |  B: met den heer Sasanow de besprekingen te               |
  |  C: met den heer SASANOW de besprekingen te               |
  |  B: Kantlijn: Bijlage 25                                  |
  |  C: Kantlijn: Bijlage 25.                                 |
  |  B: gerichte progaganda, d. w. z.                         |
  |  C: gerichte propaganda, d. w. z.                         |
  |  B: onmiddelijk over te gaan tot                          |
  |  C: onmiddellijk over te gaan tot                         |
  |  B: majoor VOJA TANKKOSIC en van een                      |
  |  C: majoor VOJA TANKOSIC en van een                       |
  |  B: den majoor VOJA TANKKOSIC opgemaakt.                  |
  |  C: den majoor VOJA TANKOSIC opgemaakt.                   |
  |  B: TANKKOSIC verschaft en ter                            |
  |  C: TANKOSIC verschaft en ter                             |
  |  B: GIGANOVIC, PRINCIP, GABRINOVIC                        |
  |  C: CIGANOVIC, PRINCIP, GABRINOVIC                        |
  |  B: subjective vervolging van persdelicten                |
  |  C: subjectieve vervolging van persdelicten               |
  |  B: gerechterlijk strafbare zaak is, schijnt              |
  |  C: gerechtelijk strafbare zaak is, schijnt               |
  |  B: bij het complot van 15/18 Juni                        |
  |  C: bij het complot van 15/28 Juni                        |
  |  B: van de K. en K. regeering                             |
  |  C: van de K. en K. regeering.                            |
  |  B: de generaal JANCOVIC en de vroegere                   |
  |  C: de generaal JANKOVIC en de vroegere                   |
  |  B: toont de „Narodna Obrana” haar werkelijk              |
  |  C: toont de „Narodna Odbrana” haar werkelijk             |
  |  B: licht op de veelzijdige bui- buitenlandsche           |
  |  C: licht op de veelzijdige buitenlandsche                |
  |  B: onderzoeken of de Soholvereenigingen in               |
  |  C: onderzoeken of de Sokolvereenigingen in               |
  |  B: werden door MILAN PRIMICEVIC vroegere                 |
  |  C: werden door MILAN PRIBICEVIC vroegere                 |
  |  B: onder bedenkelijke omstandigheden toegebracht         |
  |  C: onder bedenkelijke omstandigheden toe gebracht        |
  |  B: met behulp van PRIMICEVIC en DARSIC de                |
  |  C: met behulp van PRIBICEVIC en DARSIC de                |
  |  B: Uwe Exellentie wordt verzocht der                     |
  |  C: Uwe Excellentie wordt verzocht der                    |
  |  B: Oostenrijk plechtig verklaart heeft geen              |
  |  C: Oostenrijk plechtig verklaard heeft geen              |
  |  B: voor een eventeele verstoring                         |
  |  C: voor een eventueele verstoring                        |
  |  B: d.d. 1 Augustus 12,52 n.m.                            |
  |  C: d.d. 1 Augustus 12.52 n.m.                            |
  |  B: a une solution pacifique. Se rendant á                |
  |  C: à une solution pacifique. Se rendant à                |
  |  B: l'Angleterre était appliqué á                         |
  |  C: l'Angleterre était appliqué à                         |
  |  B: Cabinets de Vienne et de St. Petersbourg,             |
  |  C: Cabinets de Vienne et de St. Pétersbourg,             |
  |  B: d.d. 1 Augustus 1,05 n.m.                             |
  |  C: d.d. 1 Augustus 1.05 n.m.                             |
  |  B: aan eene bestraffiing en niet                         |
  |  C: aan eene bestraffing en niet                          |
  |  B: aanvankelijk te verstaam dat het niet                 |
  |  C: aanvankelijk te verstaan dat het niet                 |
  |  B: dat Nicolaas heden de mobilisatie                     |
  |  C: dat NICOLAAS heden de mobilisatie                     |
  |  B: onder waarborg van Groot-Brittanie                    |
  |  C: onder waarborg van Groot-Brittanië                    |
  |  B: door Sir Edward Grey opgeworpen                       |
  |  C: door Sir EDWARD GREY opgeworpen                       |
  |  B: Japanschen chargé affaires te Berlijn                 |
  |  C: Japanschen chargé d'affaires te Berlijn               |
  |                                                           |
  +-----------------------------------------------------------+





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Het Duitsche Witboek - Documenten aangaande het uitbreken van den oorlog" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home