Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Bravo, Bob! - De padvinder uit Canada
Author: Home, Andrew
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Bravo, Bob! - De padvinder uit Canada" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                              BRAVO, BOB!

                        DE PADVINDER UIT CANADA


                                  VAN
                              ANDREW HOME

          Schrijver van: "Tom en Jack", "De Spion op School",
           "Jaap en Ben", "Het Geheim van een Schooljongen",
             "Dick en zijn Vrienden", "Jakob de Vondeling",
                   "Door dik en dun", "Jacob Rensum"

                                  DOOR
                              A. DE GRAAFF

                               MET PLATEN


                              TWEEDE DRUK

                               AMSTERDAM

                             H. J. W. BECHT



INHOUD.


    Hoofdstuk.                                                Bladz.

    I.      Ik kom aan                                            1
    II.     Bob                                                   7
    III.    Nadere kennismaking met Bob                          13
    IV.     Ik vertel                                            18
    V.      Het spookhuis                                        27
    VI.     Onze tocht                                           33
    VII.    Wat heeft Bob gezien?                                39
    VIII.   Ik ga naar school                                    42
    IX.     Het geval met Burns                                  49
    X.      Hoe ik begon                                         60
    XI.     Wij maken kennis met Stenford, Kien en Compagnie     67
    XII.    Mijn verder optreden als nieuweling                  80
    XIII.   Ik maak kennis met Brunton                           88
    XIV.    De studeerkamer van Norman                           95
    XV.     De padvinders aan 't werk                           103
    XVI.    De toren                                            114
    XVII.   Het klokketouw                                      124
    XVIII.  Wat ik vernam                                       132
    XIX.    Zwemmen en duiken                                   139
    XX.     Jim Juniper zegt me de waarheid                     151
    XXI.    Het vuurwerk van Kien                               161
    XXII.   Het slachtoffer der wetenschap                      173
    XXIII.  Ik ga naar Bob                                      186
    XXIV.   Ik leid den opstand                                 195
    XXV.    Het legaat van Brunton                              204
    XXVI.   In de ziekenzaal                                    214
    XXVII.  De specialiteit                                     222
    XXVIII. Gered                                               230
    XXIX.   Slot                                                242



HOOFDSTUK I.

IK KOM AAN.


Toen de trein stil stond met dien bekenden ruk die zoo'n aangename
gewaarwording geeft en ik "Ootlie! Ootlie!" op het perron hoorde
roepen, toen wist ik dat ik moest uitstappen. Ik deed mijn best om
alle sombere gedachten van me af te zetten, nam mijn boeltje bij
elkaar en stapte uit.

Ik bleek de eenige reiziger voor Ootlie te zijn. Ik was hier geheel
vreemd; mijn blik ontmoette slechts één ouden kennis waarop ik me
terstond in die richting begaf. De bewuste kennis was mijn koffer die
uit den goederenwagen was gezet; in mijn neerslachtige stemming bleef
ik er naast staan alsof het een vriend was bij wien ik troost zocht,
al was het een vriend aan wiens gezelschap ik bedroefd weinig had.

Het was een avond in September; over een uur zou de zon ondergaan. De
kleine trein stoomde weg na even te hebben gestopt; de laatste
zonnestralen beschenen het bruine houtwerk en deden het koper van
de locomotief glinsteren; de trein zag er dan ook zoo aardig en
vriendelijk uit, zooals hij daar wegstoomde langs den dijk door
het dal, dat een gevoel van spijt bij me opwelde toen hij door een
kromming van den weg aan het oog werd onttrokken.

Juist was de laatste waggon in de verte verdwenen toen ik een man
gewaar werd met een boersch uiterlijk die met zijn zware laarzen
langzaam naar me toeliep over het perron. Het was een groote bejaarde
kerel met een ernstig gezicht en een baard die begon te grijzen;
hij kon een tuinman zijn, of een landbouwer, of een schaapherder,
of iets dergelijks.

Hij deed alles even lijzig en toen hij eindelijk vóór me stond kneep
hij zijn oogen dicht en stak hij zijn gezicht vooruit alsof hij nog
nooit een jongen van veertien jaar had gezien--het zeldzame avontuur
dat hem op dezen dag overkwam. Hij keek nu eens naar mij en dan naar
mijn koffer; eindelijk bleef zijn blik rusten op het adres dat op
zijde aan het handvat was gebonden.

In plaats dat hij zich bukte om het adres te lezen wat blijkbaar
de bedoeling was, greep hij den koffer--een geducht zwaar
vrachtje--sjouwde dien mee tot de omheining van het perron waar
hij hem overeind zette en met één hand liet draaien, terwijl hij
langzaam spelde: M-a-r, mar; t-i-n, tin; Martin; E-l, el; l-i-n-g,
ling; h-e-m, hem--Ellinghem.

"Ben jij dat?" vroeg hij.

Ik knikte van ja.

"Dat dacht ik wel," zei hij, terwijl de zweem van een glimlach zijn
gelaat in rimpels trok. "Je hebt zeker wel van Tetsjer gehoord?"

Ik had nooit van Tetsjer gehoord, maar hij vond dit blijkbaar een
uitgemaakte zaak en wachtte niet mijn antwoord af.

"Ga maar mee," zei hij. "Ik heb wagen en paard van Wilkins geleend;
in een wip zijn we thuis."

Hij nam den koffer op zijn schouder met een gemak of het een veertje
was en verliet het station; buiten stond een oud voertuig op twee
wielen met een paard ervoor dat uitstekend bij dit karretje paste.

Ik verbeeldde me dat de beambte die mijn kaartje afnam me eenigszins
nieuwsgierig aanzag; ik dacht dat hij wat tegen me wilde zeggen,
maar toen we in het karretje klommen na den koffer stevig achterop
te hebben bevestigd riep hij ons alleen maar na: "Laat Dobbin er maar
niet met jullie vandoor gaan, Tetsjer, anders krijg je de lui van de
Weeskamer op je dak."

Ik begreep niet wat de Weeskamer met mij, of met Tetsjer, of met het
oude paard had te maken; ik wist eigenlijk niet eens wat de Weeskamer
was, al hoorde ik later genoeg hierover spreken. Wel begreep ik al
heel gauw dat de beambte den gek had gestoken met Dobbin, want het
zou misschien moeilijk zijn geweest om een tweede paard te vinden
dat zoo over den weg kroop.

"Nu zijn we in een wip thuis," zei Tetsjer nog eens, terwijl hij aan
de teugels rukte. "Dobbin loopt eerst altijd langzaam, maar als hij
aan den gang is dan draaft ie van belang."

Dat het paard langzaam was begonnen was een feit, maar wat het draven
betrof, toen we een halven kilometer hadden gereden scheen Dobbin
dit nog altijd als het begin van den tocht te beschouwen.

"Hoe ver is het ook weer?" vroeg ik om maar wat te zeggen. "Dat ben
ik vergeten."

"Vijf kilometer," antwoordde de heer Tetsjer. "Wacht maar tot ie
eenmaal aan den gang is, dan zijn we er wel binnen het uur."

Nu volgde een lange stilte.

"Hoe maken de Horners het?" vroeg ik eindelijk.

"O heel goed," antwoordde Tetsjer tamelijk onverschillig; "ze maken
het best; allebei."

Wederom een pauze; toen wierp hij me een zijdelingschen blik toe en
zei: "Gesloten, hè?"

Ik keek hem vragend aan. Toen ik geen antwoord gaf, hernam Tetsjer
op geheimzinnig fluisterenden toon:

"Gesloten zijn ze, of het zijn leeperds; je kan gewoon geen woord
uit ze krijgen."

"Zoo," zei ik, want deze mededeeling liet me tamelijk onverschillig.

"Ja," hernam hij, "maar vertel hun niet dat ik dit heb gezegd! Al doe
ik nu niet veel karweitjes voor ze, ik zou ze toch niet graag missen,
zie je."

Ik verzekerde hem dat hij op mijn geheimhouding kon rekenen en toen
zwegen we wederom; ik vroeg me af waarom de Horners zoo gesloten en
geheimzinnig deden, terwijl Tetsjer zijn best deed om het plichtsgevoel
van Dobbin aan te wakkeren door aan de teugels te rukken.

Ik verzonk in gepeins en dacht na over hetgeen in de onmiddellijke
toekomst met me zou gebeuren; we sloegen nu op zijde af en reden
verder langs een weg die zich lang en recht voor ons uitstrekte als
een smal wit lint; het pad liep tusschen hooge heggen en struiken
over den heuvel; op den stoffigen grond was geen enkel spoor te zien
van wagens of voetgangers.

Ik zei tegen mezelf dat ik wel in een heel eenzame streek was beland,
toen ik in de verte een zwart stipje aan den horizon gewaar werd. Zelfs
op dien afstand kon ik zien dat het iets was dat met groote snelheid
naderde, en toen ik nauwkeuriger keek kon ik een paard en het een of
andere voertuig onderscheiden.

"Kijk 's!" riep ik tegen Tetsjer, terwijl ik met den vinger wees
naar het paard dat nu den heuvel afdraafde. "Die gaat er ook vlug
vandoor. Een halve minuut geleden waren ze nog op den top van den
heuvel."

Tetsjer, die met de teugels in de hand zat te knikkebollen, werd
nu ineens klaar wakker en tuurde voor zich uit in de aangeduide
richting. De ruk dien hij aan de leidsels had gegeven toen hij
plotseling overeind rees, had tot gevolg dat Dobbin was blijven stil
staan. Het hoefgetrappel en het gekraak van de wielen had opgehouden;
in de stilte die nu volgde drong een ander geluid tot ons door.

"Dat is alleen maar een kar en paard," zei Tetsjer. "Je kan het wel
hooren, niet?--Maar ze zetten er een geduchte vaart achter," voegde
hij er bij.

"Dat dunkt me ook," hernam ik; "ze kwamen als de wind den heuvel af. We
moeten ze zoo weer zien, als ze den volgenden heuvel zijn opgeklommen."

Nauwelijks had ik dit gezegd of we werden een stofwolk gewaar, terwijl
we een vervaarlijk geratel van wielen vernamen en het getrappel van
een paard dat in dollen galop voortrende.

Tetsjer stiet een kreet van verbazing uit. "Wel, heb ik van m'n leven,"
riep hij, "het is op hol! Er zit niemand in de kar; het paard is
op hol geslagen! Hij zal tegen ons aanbonzen, en waar moeten we ons
dan bergen?"

De weg waarop we ons bevonden was heel smal; aan weerszijden bevond
zich slechts een strook gras; in gewone omstandigheden zouden twee
wagens met moeite rakelings langs elkaar hebben kunnen gaan. Maar nu
dat rijtuig dwars over den weg zwaaide en nu eens op het eene wiel
en dan op het andere overhelde, nu zagen we beiden in hoe onmogelijk
het was om een botsing te vermijden, zelfs al zouden we ons karretje
in de struiken hebben gereden.

Een eind voor ons uit werd de grasstrook iets breeder waar zich aan den
linkerkant een hek bevond dat toegang gaf tot een veld. Als we dit maar
bijtijds konden bereiken! Maar Dobbin was geen paard dat zich tot spoed
liet aanzetten; we waren nog een heel eind van het hek verwijderd,
toen we begrepen dat we dit nooit bijtijds zouden kunnen bereiken.

"Willen we eruit springen?" vroeg ik.

Tetsjer schonk geen aandacht op deze woorden. "Och, lieve deugd!" zei
hij met een diepen zucht; "we zullen worden vermorzeld: allemaal." Hij
trok Dobbin nu heelemaal in de struiken, maar toen stond een van de
wielen nog bijna midden op het pad, en een klein kind kon begrijpen
wat er zou gebeuren.

Eén ding was in ons voordeel. Wij bevonden ons juist op den top
van een steilen heuvel en als het hollende paard die helling was
opgeklommen, dan zou het dier dat toch al zeker vermoeid was, de
vaart wel verminderen.

Plotseling werd ik een gedaante gewaar die halverweg den heuvel uit
de struiken te voorschijn kwam. De gestalte teekende zich scherp af
tegen den witten weg; eerst dacht ik dat het een man was, maar ik kon
nu duidelijk zien dat het een tamelijk lange jongen was die met de
hand begon te wuiven zoodra hij ons was gewaar geworden en ons iets
toeriep dat we niet konden verstaan.

Toen hij onzen plompen wagen midden op het pad had ontdekt, had hij
natuurlijk terstond begrepen welk lot ons boven het hoofd hing; het
drong echter in dit hachelijk oogenblik noch tot mij, noch tot Tetsjer
door wat hij van plan was te doen. Alles ging zoo snel in het werk dat
we ons eigenlijk van niets juist rekenschap konden geven. Toen ik hem
echter den arm zag uitsteken riep ik: "Hij wil het paard tegenhouden!"

Op hetzelfde oogenblik schreeuwde Tetsjer hem toe: "Uit den weg! Hij
zal je dood trappen!"

Een sekonde later zagen we hem verdwijnen in een opkronkelende stofwolk
tusschen woest ronddraaiende wielen en spartelende paardenhoeven,
waarop ik de oogen sloot om dit vreeselijke tooneel niet langer
te aanschouwen.



HOOFDSTUK II.

BOB.


Toen ik tot het besef kwam dat het rumoer op den weg was bedaard,
sloeg ik de oogen op en zag ik denzelfden jongen die in zoo hachelijk
gevaar had verkeerd kaarsrecht en blijkbaar ongedeerd op eenige meters
afstand van ons. Hij had het groote zwarte paard tot staan gebracht
en hield het stevig bij de teugels. Het dier was hevig bezweet en
met schuim bespat en stond te beven of het de koorts had, zoodat het
wagentje ervan trilde.

Tetsjer krabbelde nu uit ons karretje. "Bravo!" riep hij op een toon
die voor hem buitengewoon geestdriftig klonk; "bravo, dat heb je
kranig gedaan!"

Ik stapte nu ook uit; mijn hoofd voelde nog raar en duizelig; beiden
liepen we op den jongen toe.

Tetsjer greep haastig naar de teugels, alsof hij bang was dat het
paard wederom op hol zou slaan.

De jongen lachte toen hij dit zag. "Laat maar," zei hij; "hij zal
zich nu wel een beetje kalm houden, want hij is op." Dit zeggend liet
hij de teugels zakken en trad een paar stappen achteruit om zijn
pet op te rapen die op den grond was gevallen. Het was een flinke,
gespierde jongen met blond haar; hij leek me iets ouder dan ikzelf,
want ik zou hem wel ruim vijftien jaar hebben gegeven. Hij had een
open, eerlijken blik en een eigenaardigen trek om den mond, waardoor
hij terstond den indruk maakte van groote wilskracht.

"Ik zeg maar bravo!" zei Tetsjer wederom. "Zoo'n kranig stukje heb
ik van mijn leven nog niet gezien; ik zeg je dat ik het nooit zelf
zou hebben durven doen, voor geen duizend gulden, want wat heb
je aan duizend gulden als je onder den voet raakt en wordt dood
getrapt? En ik dacht niet anders of dat was met jou het geval,"
voegde hij erbij, terwijl hij veelbeteekenend het hoofd schudde en
den jongen aankeek. "Maar je hebt ons het leven gered, dat zeg ik!"

De jongen die het stof van zijn jas sloeg kreeg een kleur, daar
hij het blijkbaar onaangenaam vond om zoo in de hoogte te worden
gestoken. "Luister 's," zei hij, "als je op die manier voortgaat,
dan maak ik dat ik weg kom." Zijn adem ging nog hijgend op en neer
na de hevige krachtsinspanning waarmede hij het paard tot staan had
gebracht, en zijn handen beefden toen hij zijn pet opzette en zijn
jas recht trok.

Tot dusver had ik gezwegen, maar nu zei ik: "Ik begrijp nog niet hoe
je dat hebt gedaan."

"Och, zoo moeilijk was het niet," antwoordde hij. "Ten eerste ben ik
gewend om met paarden om te gaan; en hij werd wat moe, zoodat hij de
vaart al wat had verminderd; en dan moest ie den heuvel op zoodat ik
wel begreep dat hij stil zou staan als ik met mijn volle gewicht aan
de teugels ging hangen, en zoo is het gebeurd ook. De eerste greep,
die was wat lastig en daarop kwam het natuurlijk aan. Als het dan ook
berg af was geweest en niet berg op--daaraan heb ik het eigenlijk te
danken," voegde hij er bij terwijl hij de schouders ophaalde.

Zijn stem klonk me eenigszins vreemd in de ooren; ik was echter nog
te onervaren om zijn accent terstond thuis te kunnen brengen.

Tot mijn verbazing toonde vriend Tetsjer meer doorzicht dan ik op
dit punt. "Neem me niet kwalijk," begon hij, "maar het komt me voor
dat je een vreemdeling bent--zeker Amerikaansch, hè?"

De jongen begon te lachen. "Ik ben een volbloed Engelschman,"
antwoordde hij. "Nee, een Amerikaan ben ik niet, maar ik kom uit
Canada." Hij sprak dit woord uit op een toon alsof hij hierop met
reden trotsch mocht zijn, terwijl hij fier het hoofd oprichtte als een
soldaat die in positie gaat staan. "Ik ben naar Engeland overgestoken
om daar school te gaan," hernam hij; "ik ben hier pas een jaar; daarom
valt mijn accent jullie nog op. Maar ik zal het wel kwijt raken."

"Als jullie er daar nog meer dergelijke lui op nahouden, stuur ze dan
maar hierheen," zei Tetsjer; "die kunnen we best gebruiken. De meeste
menschen hier zouden zoo'n beest met geen hand durven aanraken. Maar
jullie land is zeker niet zoo groot als bij ons, wel?"

"Nee, dat scheelt een heele boel," antwoordde de jongen, in wiens
oogen nu een schalksche uitdrukking verscheen.

"Dat hindert ook eigenlijk niet," hernam Tetsjer bemoedigend; "klein
of groot, dat doet er weinig toe. Alle landen kunnen toch niet even
groot zijn als Engeland."

De jongen begon nu zoo hard te lachen dat hij ternauwernood op zijn
beenen kon blijven staan. Toen keek hij mij aan om te zien of ik mijn
aardrijkskunde beter kende dan vriend Tetsjer.

Dit bleek het geval en we schaterden het nu beiden uit.

"Jullie land is zoo groot dat ik ben verdwaald," zei de Canadees,
terwijl hij zich omkeerde tot den verbaasden Tetsjer die van die
vroolijkheid niets begreep. "Den heelen dag ben ik al op 't pad. Ik ben
de richting kwijt geraakt en voelde me juist wat gedrukt en moedeloos,
toen ik jullie zag aankomen. Weten jullie misschien waar Màllorie
ligt of Mallòrie?"

Een schok voer door me heen. Ik vond het zoo vreemd en toevallig,
dat hij op weg bleek te zijn naar het huis dat mij toebehoorde.

"Wij spreken van Màllorie," antwoordde Tetsjer, "maar als je niet
aan zoo'n groot land bent gewend, dan is het best te begrijpen dat
je wat in de war raakt met al die namen."

"Ga met ons mee," zei ik, "want wij zijn op weg naar Mallorie. Daar
wonen we--of beter gezegd, daar woon ik."

De jongen keek me nu oplettend aan, alsof hij plotseling levendig
belang stelde in mijn persoon.

"Ik geloof dat het anders te laat voor me zou worden om vanavond nog
terug te zijn," zei hij.

"Plaats genoeg," riep Tetsjer; "met ons drieën kunnen we er gemakkelijk
in; we zijn er in een wip."

De Canadees hielp ons om een plaats beschikbaar te maken voor nummer
drie; mijn koffer stond achter in het wagentje, en toen zijn blik
daarop viel, of liever gezegd op het adres dat aan het handvat zat
bevestigd, toen floot hij even op een eigenaardige manier--in muziek
zou dit kunnen worden beschreven als van g tot c met vijf strepen.

"Zoo heet ik," zei ik, daar ik vond dat ik toch iets moest zeggen;
"mijn naam staat op het adres: Martin Ellinghem."

Hij knikte mij vriendelijk toe, en toch kon ik zien dat hij zich over
iets verbaasde.

"Ik heet Kitsjin," zei hij; "Bob Kitsjin. Jouw naam klinkt mooier,
maar ik zal het maar met den mijne moeten doen."

Hij scheen op het punt nog iets te zeggen, nadat hij wederom een blik
had geworpen op mijn koffer, doch hij scheen zich te bedenken en zweeg.

Die eigenaardige, vastberaden trek was opnieuw om zijn mond verschenen
en wederom keek hij me oplettend aan. Het was zoo duidelijk dat de een
of andere vraag hem op de lippen had gezweefd, dat ik lust gevoelde hem
ronduit te vragen wat hij had willen zeggen. Als ik gehoor had gegeven
aan die opwelling, dan zou alles zoo geheel anders zijn geloopen en
dan zou ik mijzelf althans heel wat verdriet hebben bespaard.

Ik liet het oogenblik voorbij gaan om opheldering te vragen; toen
werden onze gedachten afgeleid en eerst geruimen tijd later zou het
geval tot klaarheid komen.

De afleiding werd veroorzaakt doordat de eigenaar van het hollende
paard kwam opdagen: een opgewonden mannetje met rood haar, dat een
eind had mogen mederijden in den postwagen, die ons nu was genaderd.

Tetsjer hield nog altijd de teugels van het paard vast, alsof hij
degeen was die er zich op mocht verhoovaardigen het dier tot staan
te hebben gebracht; het kleine, rossige mannetje scheen echter in
niets belang te stellen dan in de omstandigheden die de oorzaak
waren geweest dat het paard op hol was geslagen. Hij scheen te
denken dat wij hierin evenzeer belang stelden en daarom haalde hij
een plattengrond van den weg te voorschijn, waarop hij met een stok
de plek aanwees waarop de wagen zich had bevonden en waar de straat
lag en waar de brievenbus stond en waar de stoomrol--de stoomrol die
al het onheil had gesticht; hij vond het blijkbaar noodzakelijk ons
het heele geval tot in de kleinste bijzonderheden duidelijk te maken,
zoodat hij denken deed aan een schoolmeester die de Ezelsbrug uitlegt
voor een klasse die les krijgt in Euclides.

Eerst toen hij er stellig van was overtuigd, dat we geheel op de
hoogte waren van de wijze waarop de zaak zich had toegedragen, maakte
hij aanstalten om zijn tocht te vervolgen. Met Tetsjer had hij heel
wat moeite gehad, daar die maar niet kon vatten waar de brievenbus
en de stoomrol hadden gestaan. En eigenlijk geloof ik dat het hem
niet duidelijk was geworden, bij welken hoek van de straat het paard
was geschrikt.

Tetsjer was het geval langzamerhand zoo hoogst belangrijk gaan vinden,
dat hij gedurende den verderen rit over niets anders meer kon spreken,
zoodat hij me op het laatst gruwelijk verveelde met zijn brievenbus
en stoomrol en hoeken van straten. Bob Kitsjin had eerst aandachtig
geluisterd naar het drukke gepraat van Tetsjer en het rossige mannetje;
maar toen we eindelijk weer zouden doorrijden zag ik hem wederom een
blik werpen naar het adres van mijn koffer en toen naar mij, waarop hij
blijkbaar in gepeins verzonk; geen woord sprak hij meer, tot we door
de poort reden van het oude landgoed en voor Mallorie stil hielden.

"Waarom komt mijn naam hem zoo vreemd voor," zei ik bij mezelf. Deze
gedachte werd echter onmiddellijk afgeleid doordat de oude Horner naar
buiten kwam, zoodra hij het geratel van wielen had vernomen. Hij had
natuurlijk gedacht dat er maar twee menschen in het karretje zouden
zitten, zoodat hij dan ook een vragenden blik wierp naar den derden
man dien hij niet had verwacht. Plotseling werd hij doodsbleek, hij
struikelde tegen het oude blok dat als opstap diende om te paard
te stijgen en viel bewusteloos neer op de steenen treden van de
stoep. Juffrouw Horner kwam gillend naar buiten loopen, en het werd
nu zoo'n drukte en herrie dat ik me in mijn eigen gedachten niet meer
kon verdiepen.



HOOFDSTUK III.

NADERE KENNISMAKING MET BOB.


"Hij is flauw gevallen," riep de jongen uit Canada, die in een oogwenk
uit het wagentje was gesprongen.

Juffrouw Horner trachtte al gillend en jammerend haar man op te tillen.

"Leg hem plat neer," beval Bob, die de patiënt onder de schouders
beet pakte--"hij moet languit op den grond liggen; dat is de manier
om iemand weer bij te krijgen."

"O, o, hoe vreeselijk!" riep de juffrouw al hijgend uit.

"Weet u hoe u doen moet?" vroeg Bob.

"Nee, nee, wat moet ik doen?" zei ze.

"Wacht maar, ik zal hem wel zien bij te krijgen. Eerst heelemaal
plat op den grond. Juist zoo. Nee, niets onder zijn hoofd. Trek zijn
voeten wat op; juist zoo. Het zou me al heel erg verwonderen als hij
niet dadelijk bij kwam. Kijk, hij slaat de oogen al op. Prachtig. Nee
mijnheer--uw naam weet ik nog niet--maar u moet nog even stil blijven
liggen. Dan bent u in een wip klaar. Het bloed stijgt u nu naar het
hoofd met de vaart van een sneltrein.--Juist, alles gaat naar wensch,"
voegde hij er lachend bij, alsof het heele geval een kostelijke
grap was geweest. "Hoe kwam het dat hij flauw viel?" vroeg hij toen,
terwijl hij zich naar juffrouw Horner keerde.

"Dat zou ik u niet kunnen zeggen," antwoordde juffrouw Horner met
een diepen zucht; "we hebben alleen paddenstoelen gegeten; misschien
hebben die het hem gedaan."

"Voel je je nu wat beter, Horner," vroeg ze, terwijl ze zich
over Horner heenboog. "Denk je dat het die paddenstoelen zijn
geweest?" Zonder dat ze zijn antwoord afwachtte ging ze voort:
"En we hebben nog niets gezegd tegen jongeheer Martin die zóó is
gegroeid dat we hem niet meer zouden hebben herkend!--Tetsjer, haal
den koffer eens uit den wagen. Door die flauwte van Horner ben ik
heelemaal de kluts kwijt."

De heer Horner herkreeg langzamerhand het bewustzijn; hij richtte
zich overeind en keek met een verwezen blik om zich heen, terwijl Bob
hem allerlei raadgevingen gaf wat hij moest doen om zich nog beter
te gaan gevoelen. Intusschen had ik gelegenheid om de omgeving eens
goed op te nemen.

Ik was nog zoo'n heel klein jongetje toen ik Mallorie verliet,
dat ik niet anders dacht of in al die jaren zouden wijzigingen zijn
aangebracht. Dit bleek echter geenszins het geval. Zoodra we onder
de hooge poort doorreden maakte het groote huis weer dien somberen,
naargeestigen indruk op me. Die lange rijen van gesloten vensters
met luiken gaven iets doodsch aan het gebouw; de muren strekten zich
zoo kaal en recht uit; het lange dak met de grillige vormen had
tallooze vensters en een menigte schoorsteenen waaruit geen enkel
rookwolkje omhoog kronkelde; de hooge tuinmuren die het buitengoed
afsloten deden aan een klooster denken--dit alles herinnerde ik me
uit vroeger jaren, en ik kwam nu tot de ontdekking dat geen enkele
wijziging was aangebracht.

Het kleine gedeelte van het groote gebouw dat bewoond werd, maakte
natuurlijk een minder doodschen indruk. Hier had ik mijn eerste
levensjaren gesleten met het echtpaar Horner, tot ik bij een leeraar in
huis was gedaan. Mijn kamer was boven; het raam was voorzien van open
traliewerk en bood uitzicht op het binnenplein en den ingang van den
stal, waar de oude Tetsjer nu een kamer had tegenover den hooizolder,
en waar mijn pony in een hoekje stond van de ruime, verlaten stallen.

Wat de Horners betreft, die waren zoo heelemaal eender gebleven,
dat ik me een oogenblik verwonderd afvroeg, of ik hen werkelijk in
zooveel jaren niet had gezien, en toen vergeleek ik hen bij mezelf
met zoo'n mannetje en vrouwtje van een weerglas, die beurtelings naar
buiten komen en wier uiterlijk voorkomen nimmer verandert.

De heer Horner had vroeger dikke zwarte bakkebaarden die grijs begonnen
te worden, en nu waren die bakkebaarden grijs met hier en daar een
donkere plek; verder was hij echter hetzelfde drukke, kaalhoofdige
mannetje met een glimmend gezicht; hij droeg altijd een net zwart
pak en een gouden horloge met ketting en een omgeslagen opstaanden
boord met zwarte das; zijn heele voorkomen en de wijze waarop hij
sprak deden onmiddellijk begrijpen dat hij vroeger heereknecht was
geweest in de allereerste families.

Juffrouw Horner herinnerde ik me met twee kinnen, maar nu had ze
er drie. Ze was echter dezelfde glimlachende, moederlijk-bezorgde
persoonlijkheid gebleven; ze was niet minder dik dan haar echtgenoot en
altijd was ze hijgend en blazend druk in de weer, en ik wist nog heel
goed dat ze me altijd meer wilde laten eten dan ik met mogelijkheid
naar binnen kon krijgen.

Voordat de oude Horner wèl genoeg was om in huis te worden gebracht,
had ik zijn vrouw onderwijl verteld op welke wijze we kennis hadden
gemaakt met mijn nieuwen vriend, en zij had toen voorgesteld dat ik
hem wat kleeren zou leenen; hij kon een bed krijgen in het kamertje
naast mij en ze zei dat er zeker wel thee en eten genoeg klaar stond
voor twee menschen.

"Bekommer u maar niet over mij," zei Bob, die zich hier al heelemaal
op zijn gemak gevoelde. "Ik kan op een hooiberg slapen of waar ook. Ik
kan ook buiten kampeeren daar ben ik aan gewend."

Bij dit denkbeeld alleen stiet juffrouw Horner een angstig verbaasden
kreet uit.

Terwijl ze met mij bepraatte en overlegde hoe we het zouden inrichten,
merkte ik op dat de oude Horner telkens een onrustigen blik wierp
naar Bob, dien hij voortdurend met de oogen volgde, daar de een of
andere herinnering uit het verleden hem blijkbaar angstig maakte en
ongerust. "Hoe heet je ook weer?" vroeg hij eindelijk aan Bob die nu
dicht bij hem stond. "Ik heb je naam niet goed verstaan."

"Kitsjin--Bob Kitsjin," antwoordde het jonge mensch heel kalm en
bedaard.

"O ja, ja--ja juist," zei Horner, en een oogenblik meende ik werkelijk
dat hij opnieuw het bewustzijn zou verliezen. "Martha, is de thee
nog niet klaar voor de heeren?" vroeg hij toen.

De thee stond voor de heeren gereed in een aardig, klein vertrek,
dat vroeger mijn kinderkamer was geweest; op tafel waren zooveel
dingen gezet, dat ik even een kreet van verbazing slaakte en Bob liet
wederom dat eigenaardige gefluit hooren, om uiting te geven aan zijn
gevoel van aangename verrassing.

"In de provisiekamer is nog een massa meer," zei juffrouw Horner, wier
gelaat door een breeden glimlach werd verhelderd. "Als ik geweten had
dat u met je tweeën waart, dan--Maar zooals ik zei, in de provisiekamer
is nog een massa meer; u heeft maar aan de bel te trekken en dan zal
Marietje het brengen, als ze tenminste den boel niet laat vallen,
wat heel waarschijnlijk is, want ze is pas veertien en ze is blij
dat ze hier mag leeren dienen voor niets." Ze schonk de thee voor
ons in en liet ons alleen. Toen ze de kamer uitging zei ze tot slot:
"Als u nog iets wil hebben, jongeheer Martin, vraag het dan gerust,"
waarop ze druk en bedrijvig verdween.

"Zeg 's jongeheer Martin," zei Bob lachend, nadat we ons hadden
gewasschen en opgefrischt en de beste maatjes samen waren geworden--"me
dunkt dat we wel genoeg zullen hebben voor ons beiden. Ik dacht dat
wij er daar in Canada flinke magen op nahielden, maar ik zie nu dat
jullie hier in Engeland ook niet afkeerig zijn van eten. Jij bent
anders niet dik uitgevallen!"

"Ik ben ook blij dat je wilt helpen om de tafel eer aan te doen,"
zei ik. "Maar je denkt toch niet, dat het bij mijn voogd ook allen
dag zoo'n overdaad was?"

"O, heb je bij hem ingewoond? Maar zeg 's, wat is dit voor een ding?"

"Het ziet er uit als een pastei van kalfsvleesch en ham. Snijd ze
maar aan. Ik weet dat juffrouw Horner die zelf maakt. Ja, toen ik
hier vandaan ging, ben ik bij mijn voogd gekomen; daar ben ik al die
jaren geweest."

"En wanneer was dit, Martin?" zei Bob Kitsjin die de oogen strak hield
gericht op zijn mes en vork waarmee hij zat te spelen. "Zie je, ik
ben een lastige vraagal; als je liever niet antwoordt, doe het dan
maar niet."

"Maar ik antwoord heel graag," hernam ik; "ik ben blij dat ik eens
tegen iemand over mezelf kan spreken, want ik weet eigenlijk niet
goed wat ik zal beginnen. Ik was vijf jaar toen ik hier vandaan ging."

"En in al dien tijd ben je hier niet geweest?"

"Neen."

"En al die jaren ben je bij dien ouden voogd gebleven? Maar de man
is misschien niet oud?"

"Jawel, dat is hij wel," antwoordde ik. "Ik ben bij niemand anders
geweest."

"In de vacanties ging je dus niet naar huis?"

"Neen."

"Maar je hadt toch familie die--Och, maar ik doe misschien onbescheiden
vragen."

"Vraag maar gerust door; ik ben blij dat ik eens met iemand kan
praten. Dat overkomt me bijna nooit. Toe, neem nog wat van die pastei."

"Die juffrouw Horner is een kraan: dat zeg ik! Ik rammel van den
honger. Maar wat ik zeggen wou: je familie wilde je toch zeker nu en
dan bij zich hebben?"

"Och, ik--ik--ik heb geen familie," bracht ik stamelend uit.

Bob liet zijn mes en vork uit de hand vallen en wierp me een hoogst
verbaasden blik toe. In zijn oogen was nu wederom diezelfde zonderlinge
uitdrukking verschenen, die ik daarin het eerst had gelezen, toen
hij mijn naam op mijn koffer had zien staan. Hij scheen zich een
oogenblik niet op zijn gemak te voelen. Hij kreeg even een kleur en
zei: "Het is een beetje erg zooals ik je zit uit te vragen! Je zal
nog gaan denken dat we daar in Canada ongelikte beren zijn. Zeg 's,
laat ik nog eens een stuk voor jou snijden."

"Wees niet bang dat je onbescheiden bent, Bob," antwoordde ik;
"ik verzeker je dat ik je graag mijn levensgeschiedenis vertel."



HOOFDSTUK IV.

IK VERTEL.


"Toen ik nog een kleine hummel was, gevoelde ik me hier overgelukkig,"
begon ik. "Uit dien tijd herinner ik me niet veel, maar ik weet wel
dat het huis er toen niet zoo doodsch en somber uitzag als nu; het
maakte een vroolijken, gezelligen indruk en de ramen waren niet met
luiken gesloten."

"Ja, zoo op het eerste gezicht ziet het er naargeestig uit," erkende
Bob openhartig.

"Ik had juist een pony gekregen," hernam ik, "en elken dag trok ik er
met mijn moeder op uit. Ik was nog wel heel klein om paard te rijden,
maar mijn pony zat met een teugel vast aan haar paard en we schenen
heusch nog al hard te rijden. Toen ik mijn paardje een korten tijd
had gebeurde er iets vreeselijks."

"Zeg 's, jongen, als je het akelig vindt om dat allemaal op te halen,
vertel dan maar niet door; je maakt er jezelf maar naar mee."

"Nee," zei ik; "ik heb dit nog nooit aan iemand verteld en het doet
me juist goed. Eens was moeder te paard uitgereden--dien dag had ze
me niet meegenomen--en haar paard stortte neer bij het springen over
een heg; het viel op haar--en ze werd thuis gebracht. Ik zag haar
thuis brengen."

"Was ze--dood?" vroeg Bob zacht.

"Ja."

Bob schraapte zich even de keel en ik zag dat hij verbleekte. "Ik heb
ook geen moeder," zei hij kortaf. "Ze stierf--niet op die manier,
maar toen we vier jaar geleden in Toronto waren kreeg ze hevige
koortsen waaraan ze bezweek. Ik weet er dus alles van."

Een diepe ontroering had zich van hem meester gemaakt; hij stond
op en begon wat heen en weer te loopen om zijn zelfbeheersching
te herkrijgen. "Als ik soms lui over hun ouders hoor praten," viel
hij plotseling uit met een heftigheid die me verbaasd deed opzien,
"alsof die alleen maar goed genoeg zijn om geld van ze te halen--dan
word ik zoo woest dat ik me maar uit de voeten maak, omdat ik ze
anders zou kunnen aanvliegen. Ze weten niet wat het is om ..."

Hij brak den zin af omdat juffrouw Horner met veel drukte en
bedrijvigheid binnen kwam om te zien of we geen honger leden, en ik
geloof dat we beiden blijde waren dat ons gesprek werd gestoord. Toen
ze zag dat er nog wel genoeg voorraad voor zes jongens op tafel stond
was ze gerust gesteld en verdween.

"En na dien tijd liep alles mis," ging ik voort met mijn verhaal,
alsof ik geregeld mijn levensloop had vervolgd zonder in de rede
te zijn gevallen; "een jaar zoowat na--na--je weet wel--toen--toen
gebeurde er hier een vreeselijk ongeluk. Het was een ongeluk."

Bob knikte.

"Maar vader is daarna weggegaan--niemand wist waarheen en niemand is
dit ooit te weten gekomen; en nooit is taal of teeken meer van hem
gehoord," voegde ik er bij terwijl ik de stem liet dalen.

Tot mijn verbazing zag ik dat Bob Kitsjin weer op het punt stond
iets te vragen of te zeggen, maar de woorden die hem op de lippen
lagen hield hij in; om zijn mond was wederom die eigenaardige trek
verschenen.

"Wat wou je zeggen," vroeg ik.

"Is het lang geleden?" zei hij; maar ik begreep heel goed dat hij
iets anders had willen vragen.

"O ja, jaren geleden."

"Dus, dat wil zeggen dat hij ... één ding is maar mogelijk, is het
niet Ellinghem?"

"Ja," antwoordde ik kortaf, "dat zeiden de advocaten ook. Die kwamen
er natuurlijk bij te pas; ze spraken van een vermoedelijken dood;
maar er waren een massa lastige quaesties te regelen; het was me een
herrie van belang. Het huis en de grond kwam aan de Weeskamer. Weet
je wat dat is?"

"Jawel," zei Bob, terwijl een glimlach zijn gelaat verhelderde. "Ik
weet wel wat dat is, al houden we er bij ons in Canada zoo'n ding
niet op na."

"Nu ze bemoeiden zich met mij," hernam ik, "en ze bemoeien zich zeker
nog met me, want als ze eenmaal iets op zich nemen ..."

"Dan laten ze je zoo gauw niet los," vulde Bob aan.

"In elk geval wordt het goed beheerd en ze keeren jaarlijks een som
uit voor mij; ze deden me aan huis bij mijn voogd en daar zouden ze
me zeker hebben gelaten als hij niet ergens in Egypte een betrekking
had gekregen en toen trok ik hierheen. Onderweg ontmoette ik jou."

"Het is gek," zei Bob op peinzenden toon; "het is wel heel gek en
zonderling--dat we op die manier moesten kennis maken."

"Waarom lijkt je dat zoo vreemd?" vroeg ik.

"Och, misschien ook niet," antwoordde hij; toen scheen hij een ander
onderwerp van gesprek te willen aanroeren en vroeg wie of eigenlijk
het landgoed bestuurde.

"Dat weet ik niet," zei ik; "het zijn advocaten die geen steek om me
geven. Ik weet alleen dat ze elk jaar een som geld voor mij uitkeeren
en dat ze de Horners betalen die ze hier als rentmeesters hebben
aangesteld. Die worden door hen betaald. Tetsjer natuurlijk ook."

"En ze zullen zichzelf ook wel betalen voor hun moeite," viel Bob
in. "Als ik jou was, Martin, dan zou ik het huis verhuren; je krijgt
dan ieder jaar een flinke som geld; dat is toch veel beter dan om
den boel maar op slot te laten zitten."

"Zelf kan ik niets doen," antwoordde ik; "het rechte weet ik er
eigenlijk niet van, maar ik weet wel dat mijn geld vast zit en dat
ik er niet aan kan raken, al zou ik dit willen. Maar waarom was jij
eigenlijk op weg naar Mallorie?"

Bob verschoot een weinig van kleur. "Och, zoo maar," zei hij; hij
verstond echter slecht de kunst om ergens om heen te draaien; ik
begreep dan ook heel goed dat hij me de reden niet wilde zeggen. "Ik
ben een tijdje geweest op een boerderij in Holming met nog een paar
lui, maar die gingen allemaal naar huis voordat de school weer begint;
daarom trok ik er maar in mijn eentje op uit, snap je?"

"Waar ga je op school?" vroeg ik, daar ik een andere wending aan het
gesprek wilde geven, want ik kon zien dat Bob zich niet op zijn gemak
gevoelde. "Ik zal bij een leeraar worden gedaan of misschien sturen
ze me naar school. Ik zou wel naar die van jou willen. Waar ben jij?"

"Op St. Martin," antwoordde Bob; "het is er best, hoor," voegde hij
er bij; blijkbaar was hij trotsch op zijn school.

Ik had wel van St. Martin gehoord, doch kende de school alleen
van naam.

"Zeg 's," hernam Bob op ernstigen toon, "je zorgt maar dat die lui je
bij ons doen. Ik kan wel zien dat je al veel te lang bij dien voogd
hebt gezeten. Je zat natuurlijk met je neus in de boeken als je buiten
had moeten spelen. Je ziet er slap uit; je spieren deugen niet. Houd
je arm 's krom. Zie je wel, dat lijkt naar niets. We zullen je flink
onder handen moeten nemen. Van voetballen kan je zeker niet veel?"

Ik dacht aan het jonge meisje aan wie werd gevraagd of ze viool
kon spelen.

"Voetballen," herhaalde ik. "Dat weet ik niet. Ik heb het nooit
gedaan."

"Wel lieve deugd!" riep Bob, op wiens gezicht een ontsteld-verbijsterde
uitdrukking was verschenen; "daar word ik nou raar van. Nee, dan
moet je zeker op St. Martin komen; maar eerst moet je er wat van
kennen. Als ik je een week of twee onder mijn leiding had, dan zou
je al een aardig eind op streek zijn."

"Was het maar waar," zei ik. "Wat zou ik graag met je meegaan naar
St. Martin. Ik zal naar Finsberie & Koster schrijven--zoo heeten de
advocaten. In Zwitserland heb ik een oom die ook zoowat voogd is,
maar die kijkt niet naar me om; de advocaten bedisselen alles. Ik
zal aan ze schrijven; anders sturen ze me nog naar een school die
lang zoo goed niet is."

"Dat zouden ze zeker," riep Bob lachend; "geen enkele school kan
in de schaduw staan bij St. Martin. Er zijn puike kerels bij; in de
eerste plaats het hoofd van de school: Norman--Dick Norman. Dat is
een kraan van een jongen. Hij zou een Canadees kunnen zijn!" riep
Bob opgewonden uit.

Na dien laatsten uitroep begonnen we allebei te lachen; ik kreeg een
gevoel alsof de toekomst er rooskleuriger voor mij ging uitzien.

"Luister 's," zei Bob, "als je het een of ander van plan bent, dan
moet je dit onmiddellijk doen en niet uitstellen. Schrijf nu terstond
aan die lui; anders komt je brief misschien te laat."

Ik zag er een weinig tegen op omdat ik nog nooit aan Finsberie &
Koster had geschreven, en zei dat het toch niet juist vandaag behoefde
te gebeuren.

"Jawel," zei Bob heel beslist; "je moet het nù doen; dan zullen we
den brief samen opmaken. Anders dring je er misschien niet krachtig
genoeg op aan."

Hij stelde den brief zoo flink en krachtig op (want ik schreef
precies neer wat hij me voorzei), dat ik bang was dat Finsberie &
Koster me kwalijk zouden nemen dat ik zoo rondweg voor mijn meening
durfde uitkomen; Bob liet me echter niet met rust voordat Tetsjer
met den brief was weggestuurd om dien te posten.

Toen we met genoemden Tetsjer een gesprek aanknoopten, welde opnieuw
de gewaarwording bij me op, dat het groote huis iets geheimzinnigs
over zich had; hetzelfde onbestemde gevoel van vagen angst kwam
wederom bij me op als een uur geleden, toen we de hooge poort waren
ingereden. In de vroolijk verlichte kamer toen we zaten te eten en
te drinken, terwijl Bob van zijn school zat te vertellen, toen had
ik eigenlijk vergeten waar we waren; maar zoodra we buiten kwamen in
de schemering en ik het lange, donkere gebouw zag met de kale muren
die zich afteekenden tegen den donkeren hemel, toen gevoelde ik weer
dienzelfden angst dien ik me nog uit mijn kinderjaren herinnerde,
toen al dat leed over ons kwam--en een huivering voer door me heen.

Zelfs Bob scheen onder den indruk van de sombere omgeving. "Het ziet
er doodsch uit, vindt je ook niet, Martin?" vroeg hij, terwijl hij
even rilde en een gebaar met het hoofd maakte in de richting van het
onbewoonde gedeelte van het huis.

Tetsjer stond vlak bij ons en had deze woorden verstaan. "Ja, dat zegt
meer dan een," zei hij op geheimzinnig fluisterenden toon, terwijl
het oude verweerde gezicht vooruit stak dat nu werd beschenen door
de stal-lantaarn, die hij juist had aangestoken. "Er zijn er niet
veel in het dorp die hier 's avonds zouden durven komen."

"Spookt het dan?" vroeg Bob ongeloovig.

Tetsjer liet de stem nog meer dalen en antwoordde: "Ik weet alleen
dat er licht is gezien en dat er geluiden zijn gehoord. Voor geen
geld zou ik onder dat dak willen slapen."

"Och wat--" begon ik, want ik vond het tamelijk onaangenaam, dat
een gast die den nacht in dit huis zou doorbrengen deze woorden
moest aanhooren.

"Nou maar, ik zal je niet bang maken," hernam Tetsjer bemoedigend;
"in die paar kamers van het gedeelte waar de Horners wonen, daar
zal het wel veilig zijn; de Horners beweren trouwens altijd dat er
niets van aan is. Daarom moeten jullie tegen hen geen woord hiervan
zeggen; ze zouden me misschien dadelijk wegsturen. Doe maar of ik
niets heb verteld."

Hij slofte weg in de richting van het dorp, terwijl hij met de lantaren
zwaaide. Zwijgend keken we den man achterna die om den hoek van het
huis verdween; juffrouw Horner verscheen nu op den drempel van de
voordeur om ons wat toe te roepen en we gingen naar binnen, zonder
dat we iets tegen elkaar hadden kunnen zeggen over hetgeen Tetsjer
ons had medegedeeld.

Of het de woorden van Tetsjer waren die indruk op ons hadden gemaakt,
zou ik niet kunnen zeggen, doch wel weet ik dat Bob en ik dat gedrukte
gevoel maar niet van ons konden afzetten. We bleven nog een tijd lang
in de gezellige, vroolijke kamer zitten en begonnen nu en dan een
gesprek, maar dit wilde niet vlotten; telkens zaten we zwijgend te
luisteren naar het slaan van de klok en het knappen van het haardvuur.

"Laten we maar naar bed gaan," zei Bob eindelijk. "Ik ben doodmoe. En
jij?"

Ik antwoordde dat ik ook heel moe was; tien minuten later lagen we
beiden in bed; mijn nieuwe vriend sliep in de kamer naast mij.

Ik had gedacht dat ik slaap had, maar zoodra het donker was in de
kamer strekte ik de beenen lang uit en begon te denken. Nu ik Bob
van mijn vroeger leven had verteld, stonden de herinneringen uit mijn
kinderjaren me weer zoo levendig voor den geest; het gevoel dat ik me
nu opnieuw bevond in dat groote, verlaten, geheimzinnige huis waaraan
zulk een sombere geschiedenis was verbonden, maakte me hoe langer
hoe onrustiger zoodat ik den slaap niet kon vatten en voortdurend
lag te woelen.

Ik hoorde nog heel lang beneden praten; daarna werden deuren gesloten
en vernam ik het kraken van houten vloeren; toen heerschte zulk
een diepe stilte dat ik mijn hart hoorde kloppen. Ik stelde me voor
hoe doodsch en verlaten dit groote huis nu opdoemde in den donkeren
nacht; nergens eenig teeken van leven, noch buiten, noch in de gangen,
of in de leege onbewoonde kamers. Hoe had Tetsjer dan met zoo groote
zekerheid kunnen zeggen dat daar geheimzinnige geluiden gehoord werden
en dat er licht was gezien? Het waren natuurlijk maar dorpspraatjes;
van een huis dat leeg staat wordt zoo gauw gezegd dat het er spookt.

De stalklok sloeg de uren en kwartieren met een hard onaangenaam
geluid dat ik me nog herinnerde van vroeger. Ik hoorde het nog kwart
voor twaalf slaan. Toen moet ik in slaap zijn gevallen.

Misschien is dat eigenaardige gevoel den lezer bekend als we weten
dat iemand in de kamer is, zonder dat we dien persoon zien of hooren.

Ik ontwaakte--ik wist niet hoe laat het was; het was nog donker--doch
ik wist stellig en zeker dat ik wakker was geworden doordat iemand
zich in de kamer bevond!



HOOFDSTUK V.

HET SPOOKHUIS.


Ik had wel eens gehoord dat iemand die ligt te slapen wakker wordt als
een ander den blik voortdurend en onafgebroken op hem houdt gericht;
toen ik langzamerhand tot bezinning kwam wist ik dan ook heel zeker
dat iemand zich over mijn bed had gebogen en me had aangestaard. Ik
durfde mijn oogen niet opslaan en bleef rillend en bevend liggen,
terwijl alle mogelijke verhalen van spoken en geestverschijningen
mij te binnen schoten.

Als iemand met een lamp of kaars in de kamer was gekomen zou ik dit
wel hebben gemerkt. Ik wist dat het maanlicht door het open raam
naar binnen viel toen ik naar bed ging; het vertrek werd zeker nog
flauw beschenen.

Ik had wel eens gehoord van menschen die zich dood hielden als ze door
wilde dieren werden overvallen en zoo doende hun leven hadden gered;
en daarom bleef ik roerloos liggen, niet wetend of ik eigenlijk adem
haalde of niet, maar wel vroeg ik me af hoe lang ik dit zou kunnen
volhouden.

Ik gevoelde nu dat iets in de kamer bewoog. Vernam ik eenig geluid,
of hoorde ik alleen wat in mijn verbeelding? De verschijning verdween
echter; ik gevoelde dat de kamer was bevrijd van dat rondwarende,
geheimzinnige wezen.

Ik slaakte een zucht van verlichting. Na eenigen tijd raapte ik mijn
moed bij elkaar en opende de oogen; nog was ik bang vreeselijke dingen
te zullen zien.

De kamer was leeg. In het schemerlicht kon ik de omtrekken van al de
meubels onderscheiden: de stoelen, de kleedtafel, een hooge kast in
den hoek, de waschtafel waarvan het aardewerk opglinsterde in het
halfdonker, en al de andere meubels en voorwerpen die ik ook had
gezien voordat ik in bed stapte. Ik werd niets bijzonders gewaar, en
toch was ik er zeker van dat iemand of iets in de kamer was geweest
en zoo juist was verdwenen.

Ik dacht aan Bob. Zou ik hem gaan vragen of hij in mijn kamer
was gekomen? Maar dan zou ik mijn bed moeten verlaten en de gang
oversteken waar ik misschien--ja, ik durfde er niet aan denken--wat
ik daar zou zien?

Zou ik, of zou ik niet, vroeg ik mijzelf voortdurend af en eindelijk
gevoelde ik zulk een hevig verlangen om met iemand te praten dat ik
besloot ten minste dit punt te zien opgehelderd. Ik snakte naar het
gezelschap van Bob; ik had maar een paar stappen door de gang te doen
en ik wist dat hij zijn deur niet op slot had gedaan.

Ik liet me uit mijn bed glijden; koud en huiverig stond ik een
oogenblik aarzelend met den deurknop in de hand, voor ik den moed had
dien om te draaien en me in de gang te wagen. Stil als een muis sloop
ik weg en toen ik de deur van Bob had bereikt stormde ik binnen met
zoo'n vaart dat hij onmiddellijk met een schok overeind rees.

"Wat is er?" vroeg hij, terwijl hij slaperig met de oogen knipte,
zoodat ik terstond begreep dat hij niet uit zijn bed was geweest en
eerst nu door mij was wakker geworden.

"Ik ben het, Bob," stiet ik hijgend uit.

"Ja, dat zie ik," antwoordde hij, want ik werd door het maanlicht
beschenen. "Maar wat is er gebeurd?" vroeg hij terwijl hij nog slaperig
met de oogen knipte. "Staat het huis in brand?"

Ik greep zijn arm krachtig beet en riep: "Bob, er is iemand of iets
in mijn kamer geweest!"

Ik zag dat mijn woorden eenigen indruk maakten; toch klonk zijn stem
heel gewoon en beslist toen hij antwoordde: "De Horners en ik zijn
toch alleen maar hier in huis. Een van ons drieën zou het dan moeten
zijn geweest."

"Neen, het was iemand anders," zei ik, terwijl ik ontkennend het
hoofd schudde.

"Laten we dan eens gaan onderzoeken wie het wèl is geweest," hernam
Bob. "Als het inbrekers zijn, dan moeten we de menschen waarschuwen,
maar als we loos alarm maken, dan slaan we een mal figuur. Als--"
Hij brak den zin af en wierp me een eigenaardig nieuwsgierigen blik
toe. "Maar het is beter dat we die oude menschen met rust laten,"
zei hij; "we kunnen er wel zelf op uittrekken. Misschien heb je je
alles maar verbeeld."

Intusschen had hij met ongelooflijke vlugheid eenige kleedingstukken
aangeschoten.

"Doe ook wat aan," zei hij, "dan trekken we er samen op af. Zeg,
Martin, je staat te beven als een riet. Heb je wat gezien?" voegde
hij er bij, terwijl hij de stem liet dalen.

"Neen," bracht ik stamelend uit; "maar het was er."

We gingen samen naar mijn kamer, waar Bob om zich heen keek, terwijl
ik me haastig aankleedde. Tot nu toe hadden we geen andere verlichting
gehad dan de bleeke stralen van de maan; een schok voer door me heen
toen een hoek van de kamer plotseling hel werd beschenen; op hetzelfde
oogenblik kwam ik echter tot de ontdekking dat Bob een electrische
zaklantaren te voorschijn had gehaald en op den knop drukte.

Hij lachte toen ik een gesmoorden kreet slaakte. "Schrok je?" vroeg
hij. "Je bent heelemaal van streek; anders zou dit dingetje je niet
zoo hebben doen ontstellen. Ik heb er kort geleden een nieuwe batterij
in gedaan; daarom geeft ze nu een prachtig licht. Ben je klaar?"

Ik antwoordde van ja en op onze pantoffels begaven we ons geruischloos
op weg.

"Hoe minder lawaai we maken, des te beter," zei Bob fluisterend. "Nu
de Horners niet wakker zijn geworden toen jij straks bij mij kwam
binnen stormen, nu behoeven we wel niet bang te zijn dat ze zullen
komen aanzetten, maar we moeten toch voorzichtig zijn; het is veel
beter dat we het met z'n beiden klaar spelen."

Toen we ons echter in de donkere gang bevonden en langzaam en
geruischloos verder liepen, toen zonk de moed me in de schoenen,
al was de dappere Bob in mijn nabijheid.

"Zeg," begon ik, "geloof je heusch dat we--"

"Dat we wat?"

"Dat we er op uit moeten trekken?" bracht ik stamelend uit.

"Weet je zeker dat iemand in je kamer is geweest?"

"Ja."

"Laten we dan te weten komen wie het was. Misschien was het de oude
Horner of zijn vrouw."

"Neen, geen sprake van."

"Willen we aan hun deur gaan kloppen om het hun te vragen?" stelde
Bob lachend voor.

Toen hij dit zei hadden we juist aan het einde van de gang een rond,
uitstekend raam bereikt met een breede vensterbank. Het maanlicht,
dat hoe langer hoe bleeker werd, daar voorbijdrijvende wolken de
stralen voortdurend onderschepten, gleed naar binnen door de glazen
ruiten en bescheen een plek op den houten vloer die deed denken aan
de een of andere landkaart met vage, onbestemde grenzen.

We waren die verlichte plek nu voorbij; als vanzelf hadden we ons
naar dat venster begeven en keken naar buiten.

"Een vreemde nacht," zei Bob fluisterend.

"Ja," antwoordde ik; "en komt het huisje ook niet vreemd voor? Het
verwondert me niets dat de menschen zeggen--" Ik sprak den zin
niet uit.

Doordat het raam naar voren uitstak konden we den donkeren voorgevel
in zijn geheel overzien, en terwijl ik die laatste woorden zei,
had mijn blik in die richting getuurd.

"Wat is er?" vroeg Bob fluisterend.

"Ik zag licht."

"Waar?"

"Halverweg den muur," antwoordde ik, terwijl ik de richting met den
vinger aanduidde. "Heb jij het niet gezien?"

Zelfs in het schemerlicht zag ik dat Bob van kleur verschoot.

"Och kom," zei hij heel zacht; "je hebt je zeker vergist; het is
natuurlijk de maan geweest."

"Nee. Waarom keek je zelf dan niet goed uit je oogen?"

"Ik zag juist naar een anderen kant."

We bleven nu turen op den voorgevel van het gebouw.

"Misschien komt het niet meer terug," zei Bob fluisterend. "Was het
op de eerste verdieping?"

"Ja; blijf maar goed kijken."

Een wolk trok langs de maan en het werd nu heel donker. We bleven
geruimen tijd wachten, naar het ons toescheen; misschien waren echter
slechts enkele minuten verstreken toen we een oogenblik een lichtstraal
gewaar werden achter een van de gesloten vensters. We kregen een
gevoel alsof iemand die dood is gewaand plotseling eenig teeken van
leven geeft; dezelfde gewaarwording welt op als we het bewustzijn bij
een drenkeling zien terugkeeren; beiden waren we diep onder den indruk.

Ik hoorde Bob zwaar adem halen, toen ik krampachtig zijn arm greep.

"Heb je het nu gezien?" vroeg ik fluisterend.

"Ja."

"Wat is het?"

"Het is iemand die met een licht in de hand langs het raam loopt. Is
er daar een gang?"

"Nee, zoover ik me kan herinneren zijn het kamers die in elkaar
loopen."

"Kunnen we daarheen?" fluisterde hij.

"Misschien; ik denk dat de deur die toegang geeft op slot zit."

"Laten we het probeeren. Toe ga mee."

"Willen we maar niet liever teruggaan?"

Hij had zich intusschen al weer op weg begeven, en ik volgde hem op den
voet, want voor geen geld zou ik daar alleen zijn achtergebleven. Ik
hoopte echter vurig dat we den toegang tot het onbewoonde gedeelte
van het gebouw zóó versperd zouden vinden alsof het een vesting was
geweest of een gevangenis.



HOOFDSTUK VI.

ONZE TOCHT.


Toen we geruischloos verder liepen kwamen we weldra aan het einde van
de gang, of beter gezegd, aan een groote stevige deur van donker hout,
die in de gang was aangebracht.

"Zoo, we kunnen niet verder," mompelde Bob, die het schijnsel van
zijn lantaren op de deur liet vallen.

"Dat dacht ik wel," zei ik fluisterend; een pak was me van het hart
gevallen; "je ziet dat ze op slot zit."

Bob had de hand reeds op den deurknop dien hij omdraaide. Hij duwde
en duwde, maar tevergeefs.

"Dat dacht ik wel," zei ik; "laten we maar terug gaan."

Bob stak zijn lamp in den zak, en zonder een woord te zeggen begaf
hij zich naar het raam links van de deur.

"Ik geloof niet dat er knippen op zitten," mompelde hij. "We zullen
het eens probeeren." Dit zeggend greep hij het handvat en schoof
het raam op--een zwaar, log venster, dat een oogenblik weerstand
bood. Toen weerklonk even een gekraak als van opgedroogde verf die
uit elkaar werd gerukt en daarna vloog het raam omhoog.

Op dit oogenblik kwam de maan achter een wolk te voorschijn; met een
kouden luchtstroom drong het licht naar binnen.

Bob had het hoofd al naar buiten gestoken om poolshoogte te nemen.

"Weet je hoe we het 'm kunnen leveren?" vroeg hij fluisterend, toen
hij zijn hoofd weer terug had getrokken.

"Hoe we wàt kunnen leveren," zei ik, terwijl ik me nu ook over het
vensterkozijn heenboog.

"Kijk daar 's naar beneden."

Ik dacht dat hij iets in den tuin meende, maar ik kon niets zien dan
struiken die heen en weer bewogen in den wind, en donkere grasperken
die door kiezelpaden waren gescheiden.

"Ik zie niets bijzonders," zei ik.

"Jij bent ook geen slimmerd," antwoordde hij lachend. "Je ziet toch
wel die lijn van steenen die hier uitsteekt--vlak bij, bedoel ik."

"Ja; dat noemen ze een kroonlijst, niet?"

"Best mogelijk. Het komt er weinig op aan hoe ze het noemen; maar
zoo'n dingetje hadden we juist noodig."

"Je wilt daar toch niet langs loopen?"

"Jawel, dat wil ik wel."

"Als je uitglijdt en valt zou je leelijk te pas komen."

"Maar ik denk er niet aan om te vallen. Je kan heel gemakkelijk uit
het raam erop stappen--kijk zoo."

In een oogwenk was hij over den drempel geklauterd en op de kroonlijst
beland; zijn hoofd en schouders waren gelijk met het open raam,
zoodat het leek alsof hij op een ladder stond.

"Pas toch op," zei ik; "misschien kan dat ding je niet houden."

"Of het! Het gaat best; ik zal er langs loopen met mijn rug plat
tegen den muur, omdat dit de eenige manier is om het er goed af te
brengen. Dan ben ik in een wip bij het volgende raam dat je van hier
kunt zien."

"En wat dan? Toe, Bob, laat het maar."

"Van buiten kan ik dat raam dan gemakkelijk opschuiven."

"Behalve als de knippen er van binnen opzitten," merkte ik op.

"Ja natuurlijk; dan kan ik niets beginnen, maar als dat niet het geval
is, dan schuif ik het beestje netjes de hoogte in, en dan ben ik in
het andere gedeelte van het huis beland, al zit die zware houten deur
ook honderdmaal op slot."

"Toe, Bob, doe het niet," zei ik smeekend. "Laten we weer naar bed
gaan. Het spijt me dat ik je heb geroepen. Ik wed dat je zal vallen
of dat die steenen richel zal afbrokkelen als je het raam naar boven
wilt schuiven."

"Maak je maar niet bezorgd," antwoordde hij heel bedaard; "als ik
eenmaal iets ben begonnen, geef ik het niet graag op."

Hij had zich al omgedraaid en stond nu met den rug naar den
muur. De steenen richel was zoo smal dat zijn teenen over den rand
heenkwamen. Langzaam en voorzichtig schoof hij langs den muur. Ik
bleef hem nakijken door het open raam; elke beweging van Bob volgde
ik met de grootste spanning. Hij drong zich zoo dicht en krachtig
tegen de steenen aan dat ik zijn jas er langs hoorde schrapen, toen
hij kaarsrecht en stokstijf al verder en verder schoof en de afstand
tusschen ons steeds grooter werd.

Halverwege de beide ramen liep een dikke regenwaterpijp van het dak
naar beneden. Een paar centimeters stak die uit buiten den muur; in
de smalle richel was een gat aangebracht om ze door te laten. Dit was
natuurlijk het moeilijkste punt om overheen te komen en toen Bob hier
was beland en bleef stilstaan, toen dacht ik dat hij de onmogelijkheid
ging inzien om over de pijp te stappen en den tocht te vervolgen.

"Bob, het kan niet, het is gekkewerk," riep ik hem toe, zonder dat
ik de stem echter durfde uitzetten. "Kom toch terug."

Het was duidelijk dat hij nog meer dan ikzelf besefte hoe hachelijk
dit oogenblik was, want hij gaf geen antwoord en keek zelfs niet mijn
kant uit. Ik dacht niet anders dan dat hij door die vooruitstekende
punt weg zou worden geduwd en zijn evenwicht verliezen, zoodat hij
naar beneden zou moeten springen om geen leelijken val te doen. De
hoogte waarop hij zich bevond was echter van dien aard dat hij toch
heel leelijk moest te pas komen, en op zijn minst verwachtte ik dat
hij zijn enkel zou breken. Ik zei tegen mezelf dat hij misschien weken
zou moeten liggen: het was zelfs best mogelijk dat hij zijn heele
leven kreupel zou blijven en daarvan zou ik dan de schuld dragen. Ik
zag dat hij nu de pijp vastgreep met de rechterhand waarna hij zich
bliksemsnel omdraaide zoodat hij een oogenblik het gezicht naar den
muur had gekeerd en toen had zijn linkerhand de pijp vast, waarop
hij evenals straks langzaam en voorzichtig verder schoof langs den
muur. Nog eenmaal draaide hij zich zoo snel om toen hij het raam had
bereikt zonder dat hij--zoover als ik kon zien--iets had om zich aan
beet te grijpen; toen draaide hij voor de eerste maal het hoofd om
in mijn richting en liet wederom dat eigenaardige fluitje hooren.

Ik slaakte een zucht van verlichting. Als hij zich blijkbaar zoo
op zijn gemak gevoelde, dan behoefde ik me toch niet zoo angstig en
bezorgd te maken.

"Knap gedaan," mompelde ik. "Maar je bent er nog niet in," voegde ik
er bij mezelf aan toe.

Ik zag hoe hij met beide handen pogingen deed om het raam op te
schuiven; het gelukte, want ik hoorde het venster omhoog gaan en op
hetzelfde oogenblik scheen hij door de opening naar binnen te vallen;
ik kon zijn beenen nog even zien spartelen en toen was hij verdwenen.

Een sekonde later stak zijn hoofd naar buiten. "Kom nou," riep hij
zoo zacht mogelijk; "nu het raam open is, is er niets geen kunst aan."

Ik schudde ontkennend het hoofd maar toen vond ik mezelf zoo flauw
en laf dat ik het toch in elk geval wilde probeeren. Ik klom over
de vensterbank; maar toen ik een blik naar beneden wierp gaf ik het
onmiddellijk op, en in een wip was ik weer terug.

"Wacht maar," zei Bob lachend.

Even later hoorde ik het slot van de gangdeur omdraaien; dit gebeurde
zoo gauw dat Bob wel had moeten draven; de deur ging open en in de
schemering zag ik mijn nieuwen vriend voor me staan.

"De sleutel stak erin," zei hij grinnekend. "Maar het slot draaide
zoo gemakkelijk om dat die deur meer wordt gebruikt dan je zou denken."

Bob was zeker bang dat ik op het laatste oogenblik zou terugkrabbelen,
want hij stak een hand uit om me door de deur te trekken die hij weer
zacht achter ons sloot; daar stonden we nu in den onbewoonden vleugel
van het groote huis, niet bij machte om menschelijke hulp te halen
als we die noodig zouden hebben, en misschien waren we op het punt
de een of andere vreeselijke ontdekking te doen.

We bevonden ons in een lang, smal vertrek, een soort van galerij die
ik me nog flauw herinnerde uit mijn kinderjaren. Voor de ramen hingen
geen gordijnen; het maanlicht dat naar binnen viel wierp zonderlinge
schaduwen op den vloer en op de muren. Ik wist dat hier mannen stonden
in hun harnas en dat die er zoo griezelig levend uitzagen, en de
groote portretten aan de muren keken ons aan met zulke starende oogen
als ze door de stralen van de maan werden beschenen dat het precies
was alsof levende menschen in die lijsten zaten en naar ons tuurden.

"We moeten het raam dicht doen," zei Bob fluisterend. "Ik kan nu niet
zeggen dat ik het hier in m'n eentje dol-leuk zou vinden. 't Is goed
dat we met z'n beiden zijn. Het ruikt hier nog al muf en benauwd."

"Pas op, de vloer is zoo glad," zei ik, toen Bob uitgleed en zich
aan mij vast greep om niet te vallen.

"Hè, daar is een ijsveld nog niets bij," antwoordde hij, "en wat
maakt alles een lawaai!"

Hoe we het geluid van onze voetstappen ook smoorden, onze schreden
maakten een hol geluid dat tot achter in de zaal weerklonk.

"Pantoffels zijn een prachtige uitvinding, maar op kousen gaat het
toch beter," hernam Bob lachend; "en dan zijn de dingetjes die jij
zoo vriendelijk was me te leenen een beetje klein voor mij. Ik zal ze
maar uittrekken," voegde hij er bij, terwijl hij ze uitschopte. "Nu
kan ik even geruischloos sluipen als de geest in Hamlet."

Hij scheen zich alweer op zijn doode gemak te voelen, terwijl ik
die gedrukte stemming en dat gevoel van angst maar niet van me kon
afzetten. In een cirkel stond hij om me heen te draaien, en zwaaide
met de armen en trok gekke gezichten, terwijl ik naar hem stond te
kijken en wenschte dat ik de dingen even luchtig en gemakkelijk kon
opnemen als hij.

Eindelijk kwam hij op me af alsof hij me wilde uitnoodigen om een
wedstrijd in het boksen te beginnen; even raakte hij mijn schouder
aan en zei: "Vooruit, Martin! We moeten nu op verkenning uit!"

Nauwelijks had hij dit gezegd of een geluid drong tot ons door dat
mij onmiddellijk den tocht deed staken--we hadden den doffen slag
vernomen van een zware deur die dreunend dichtviel en die zelfs den
houten vloer scheen te doen trillen van de zaal waar wij ons bevonden.



HOOFDSTUK VII.

WAT HEEFT BOB GEZIEN?


Dit geluid had weerklonken in den onbewoonden vleugel van het gebouw;
onmiddellijk was ik achteruit gedeinsd.

"Heb je er genoeg van?" vroeg Bob zacht, terwijl hij me een
eigenaardigen blik toewierp.

"Ja, ik durf niet verder," bracht ik stamelend uit. "Als--als we eens
iets vreeselijks zagen."

"Vindt je dan goed dat ik er maar alleen op uittrek? Het is jouw huis,
zie je."

"Je mag gerust van mijn part. Maar ik wou het liefst dat je mee
terug ging."

Al dien tijd luisterde ik in de grootste spanning of we niet wederom
een verdacht geluid zouden vernemen.

"Geesten zijn het dus niet," zei Bob. We stonden nu op eenigen afstand
van elkaar, want toen ik van schrik achteruit was gesprongen had hij
geen voet verzet. "Een geest zou niet zoo'n kabaal maken. Spoken doen
alles even stil."

Hij veronderstelde dus blijkbaar dat er dieven in huis waren; ik kon
dan ook niet nalaten om een schichtigen blik om me heen te werpen.

"Zeg 's, ga jij maar naar bed," hernam hij; "dan wil je wel mijn
pantoffels meenemen, of beter gezegd jouw pantoffels--ik trek er
liever op uit zonder die dingetjes."

Met een vaart liet hij ze glijden over den vloer in mijn richting.

"Ik zal hier op je blijven wachten," zei ik, terwijl ik hem nakeek
toen hij door de zaal liep en in de verte verdween. Hij maakte nu zelf
den indruk van een spookverschijning zooals hij daar geruischloos
voortschreed nu eens in het donker, dan weer beschenen door het
maanlicht dat door de ramen naar binnen viel.

Een oogenblik zag ik het schijnsel flikkeren van zijn electrische
zaklantaren, waaruit ik opmaakte dat hij het einde van de zaal had
bereikt; ik begreep dat hij nu de deur opende, want hooren kon ik
dit niet; een oogenblik later was hij verdwenen: ik was alleen.

Ik had gezegd dat ik hier op hem zou blijven wachten, doch ik gevoelde
onmiddellijk dat me dit niet mogelijk zou zijn. Dat gezegde van
die spookverschijningen die zwijgend rondwaren, had me nog meer van
streek gemaakt, zoodat ik er naar snakte om weer veilig in mijn bed
te liggen. Wat had ik een berouw dat ik er uit was gestapt!

Ik vond het laf en gemeen van mezelf om hem in den steek te laten,
maar al was Bob mijn gast en wat voor lot hem ook boven het hoofd hing,
ik rende als een haas terug naar mijn kamer en stak de kaars aan--wat
was ik dankbaar toen ik weer licht zag--en zoo bleef ik opzitten in
bed om de terugkomst van den avonturier af te wachten.

Ik gevoelde me nog altijd angstig en gejaagd; nog steeds vernam ik
dat dreunend geluid dat me zoo hevig had doen ontstellen; en dan was
ik heilig en zeker overtuigd dat--iets--in mijn kamer was gekomen
toen ik lag te slapen.

De eene minuut verstreek na de andere. Wat duurde het lang eer hij
terugkwam! Wat was die Bob een eigenaardige jongen! Het leek wel of
we elkaar al jaren kenden en dienzelfden dag hadden we pas kennis
gemaakt. Nee, den vorigen dag.

Bim, bam, liet de stalklok hooren. Kwam hij dan nooit terug?

Plotseling werd mijn deur met zulk een vaart open gegooid dat een
schok door me heenvoer. Bob liep regelrecht naar me toe; onmiddellijk
werd ik gewaar dat hij het een of ander had gezien.

"O, ben je er al?" zei hij op een toon die me heel zonderling in de
ooren klonk.

"Ja," antwoordde ik met een kleur van schaamte.

"Nou, ik ben ook weer veilig beland," hernam hij. Hij deed of hij
moest geeuwen en slaap had gekregen; toen keerde hij zich om en
wilde heengaan.

"Bob," riep ik hem na, "--je--je hebt toch niet--" begon ik.

"Nee, niets van beteekenis, hoor," antwoordde hij met een poging om
te glimlachen.

Ik brandde van verlangen om te weten te komen wat er was gebeurd,
maar om zijn mond was zulk een besliste trek verschenen dat ik niet
verder durfde vragen en zonder meer een woord te zeggen, begaf hij
zich naar zijn kamer.



HOOFDSTUK VIII.

IK GA NAAR SCHOOL.


Drie weken later zat ik werkelijk in den trein die me naar St. Martin
zou brengen. Na mijn komst op Mallorie en dezen dag was zooveel gebeurd
dat ik me soms verwonderd afvroeg of ik heusch dezelfde Martin was
die toen in zulk een gedrukte, neerslachtige stemming te Ootlie
was uitgestapt.

Bob Kitsjin had de zaak van het begin af aan flink aangepakt; we
leken wel advocaat en cliënt. De brief aan Finsberie & Koster was met
gunstigen uitslag bekroond; de heer Finsberie behoorde toevallig tot
de aandeelhouders van de school--eigenlijk begreep ik niet goed wat
dit wilde zeggen--en aan hem was het te danken dat ik onmiddellijk
als leerling werd aangenomen.

"Maar nu moeten we geducht aan het werk om je klaar te krijgen,"
zei Bob, toen we het goede nieuws hadden gehoord. Op Mallorie was
hij maar één nacht gebleven, doch hij had niet gerust voor hij me had
overgehaald om een tijd lang mijn intrek te nemen op de hoeve waar hij
zijn vacantie doorbracht; een repetitor die zijn leerlingen voor een
examen africht zou met geen grooter ijver zich van zijn plicht hebben
kunnen kwijten dan Bob, toen hij me klaar maakte voor St. Martin. Niet
wat het leeren betreft, want ik was niet achter bij jongens van mijn
leeftijd, maar Bob had gelijk dat het treurig was gesteld met mijn
"algemeene kennis" waar het schoolzaken betrof. Hij onderwees me in de
beginselen van het voetbalspel; uren lang stond hij tegen me te bowlen,
hoewel het nog eenige maanden zou duren voor wederom cricket zou worden
gespeeld; hij waarschuwde me voor al de voetangels en klemmen die een
nieuweling worden gelegd, gevaren die mij zeer zeker boven het hoofd
zouden hangen, omdat ik nog nooit school had gegaan. Hij leerde me
zwemmen, een kunst waarin ik het nimmer tot eenige hoogte heb gebracht,
en onderwees me in alle mogelijke lichaamsoefeningen. Hij was er vóór
alles op uit om mijn spierkracht te ontwikkelen en mijn borstkas te
verbreeden. Hij inspecteerde mijn kleeding en nam mijn zaakjes zóó ter
harte, dat ik mijn tekortkomingen als schooljongen volkomen besefte,
toen de vacantie voorbij was en het groote oogenblik was aangebroken
om de reis naar St. Martin te ondernemen.

Na dien bewusten nacht dien we samen op Mallorie hadden doorgebracht,
had Bob nooit een woord gerept van het zonderlinge avontuur dat hem
toen was overkomen, en ik had er hem niet naar durven vragen. Het
echtpaar Horner hadden we er buiten gelaten, maar ik gevoelde dat
de Horners het een opluchting vonden toen Bob den volgenden morgen
afscheid nam en vertrok. Eerst heel veel later heb ik vernomen wat Bob
in dien onbewoonden vleugel van het gebouw had gezien en gedaan. Toen
ik Mallorie verliet was het geheim niet opgelost, en ik was blij dat
ik het sombere oord zoo spoedig weer kon verlaten. Telkens en telkens
nam ik me voor om Bob over dit punt te ondervragen, maar zoodra ik
dit onderwerp voorzichtig aanroerde verscheen wederom die eigenaardige
besliste trek om zijn mond en gaf hij haastig een andere wending aan
het gesprek, zoodat ik het eindelijk maar opgaf. Geen oogenblik kwam
het in me op om zelf een onderzoekingstocht te ondernemen; ik gevoelde
me toch al niet op mijn gemak in dit huis dat zoo iets geheimzinnigs
en griezeligs had.

Het was een lange tocht; eerst had Tetsjer me in een wagentje
gebracht naar het station; na heel wat overstappen zou ik tegen den
avond komen aanboemelen op de plaats waar ik moest wezen; toen het
nu avond werd had ik al gemerkt dat ik me in een heel andere streek
bevond; de menschen om me heen spraken met een eigenaardigen tongval;
het landschap zag er ook zoo onbekend uit; zelfs de locomotieven die
ons voorbij snorden deden een snerpend gefluit hooren dat me vreemd
in de ooren klonk; ik begon me dan ook eenzaam te gevoelen.

Langzamerhand werd mijn stemming hoe langer hoe gedrukter. Ik begon
er nu verschrikkelijk tegen op te zien om mijn intrede te doen
op een groote school, waar die massa's jongens misschien vijandig
waren gezind jegens een nieuweling. Wat zou ik graag Bob Kitsjin bij
me hebben gehad om me moed in te spreken en op te beuren, maar die
kwam regelrecht uit Londen; ik kon alleen hopen en wenschen dat hij
tegelijk met mij op St. Martin zou aankomen.

Tot mijn verbazing had ik nog geen andere jongens in den trein ontmoet;
toen ik echter voor den laatsten keer was overgestapt belandde ik
in een coupé waarin twee St.-Martinjongens zaten; de een was klein
en dik en had rood haar; telkens wierp hij een schichtigen blik om
zich heen. De ander was lang en mager en had een eigenaardig maar
geen onvriendelijk gezicht.

Ik begreep dat de jongen die zoo schuw rondkeek, op het punt was
geweest om dien langen jongen het een of ander in vertrouwen mede te
deelen, want hij zat onrustig heen en weer te schuiven en stotterde
van belang. Ik had echter maar een paar woorden kunnen opvangen,
want toen ik binnen kwam was het gesprek onmiddellijk gestaakt.

"Hoor 's, Burns, vertel me dat later maar eens," zei de lange jongen
die blij was, naar het me voorkwam, dat hij er een eind aan kon
maken. "Tijd genoeg, kerel."

"N-n-nee," wierp de jongen met rood haar tegen, maar de ander had
het hoofd al uit het portierraam gestoken om een jongen te begroeten
die op het perron heen en weer liep. "Zeg ik moet even Brys spreken,"
zei hij, terwijl hij het hoofd terug trok. "Ik wou hem vragen of hij
captain wil worden van het tweede elftal. Ik zal een eindje meerijden
in zijn coupé; dan kom ik straks weer terug. Hola, Brys, wacht even!"

"M-maar, Jim...." riep nu de jongen met rood haar op smeekenden toon.

"Tijd genoeg!" antwoordde Jim onverschillig. "Zoo'n vaart zal het
niet loopen, wel?" met een sprong was hij uit de coupé en draafde
het perron af.

"Ja-w-w-el!" riep Burns die het roode hoofd nu uit het raampje stak
en met een droefgeestigen blik den langen jongen nazag die nu in een
andere coupé stapte.

Het was onmogelijk dat Jim (hoe hij verder heette wist ik nog niet),
dien laatsten kreet had vernomen, doch in elk geval sloeg hij geen
aandacht hierop. Een oogenblik dacht ik dat Burns hem achterna wilde
rennen, maar de chef gaf het signaal; de trein zette zich in beweging
en rolde langzaam het station uit.

Burns trok het hoofd terug; hij ging nu tegenover me zitten en keek
me aan met een gezicht waarop een diepe smart stond te lezen. We
bevonden ons alleen in de coupé; toch geloof ik niet dat ik uit
mezelf een gesprek zou zijn begonnen. U moet niet vergeten dat ik nog
nooit had school gegaan; ik gevoelde me tamelijk schuw en verlegen
en die mengeling van angst en neerslachtigheid die zich van me had
meester gemaakt was nu niet bepaald bevorderlijk om een gesprek te
doen vlotten.

Ik zag echter weldra in dat Burns zóó in zak en assche zat dat hij
iemand in zijn vertrouwen moest nemen, al was die iemand dan ook maar
een onbekende.

Nadat hij me een tijd lang had zitten aankijken, vroeg hij stotterend:
"G-g-ga je naar St. Martin?" Hij had het adres gezien dat aan mijn
koffer hing, zoodat die vraag me overbodig leek.

"Ja," antwoordde ik; "jij ook?"

"Ik was w-wel op w-weg," zei hij; "m-maar ik g-ga niet."

Dit antwoord leek me tamelijk vreemd en zonderling, maar het spreken
kostte den jongen blijkbaar zoo'n moeite, dat ik maar geen vragen
stelde, om niet te veel inspanning van hem te vergen.

Een lange stilte ontstond waarin we elkaar bleven zitten aankijken. Hij
leek me een heel geschikte jongen en ik kreeg medelijden met hem. Het
was duidelijk dat er iets verschrikkelijks met hem was gebeurd,
maar toch wist ik niet wat ik tegen hem zou zeggen.

"Z-z-zeg 's," begon hij, "b-b-en jij w-wel 's weggeloopen van school?"

Daar ik nog nooit school had gegaan kon ik met een gerust hart een
ontkennend antwoord geven op die vraag.

"Ik b-ben dit nu van p-plan," stotterde hij, terwijl hij me een
somberen blik toewierp.

Ik keek hem heel verbaasd aan en zei toen: "Maar we gaan toch allemaal
naar St. Martin." Ik begreep wel dat je eerst op school moest zijn
geweest voordat je weg kon loopen, maar wat de jongen eigenlijk van
zins was werd me niet recht duidelijk.

"N-nog een half uur," bracht hij met moeite uit.

"Kan je niet een station eerder uitstappen als je denkt dat je weg
moet loopen?" vroeg ik.

"Ik w-wou het juist aan J-J-Juniper vertellen," zei hij; "aan J-Jim
die zoo p-pas uit den trein stapte."

Ik knikte hem toe. De jongen kwam zoo lastig uit zijn woorden dat
ik hem maar geen vragen stelde om hem de moeite te besparen van die
te beantwoorden.

"Ik d-dacht d-dat hij me zou k-kunnen helpen," hernam hij; "Jim is
zoo k-knap en weet er altijd w-wat op te v-vinden."

Ik had slechts een glimp van den heer Juniper gezien, maar de woorden
van Burns trok ik geen oogenblik in twijfel. "Hij lijkt me heel flink,"
zei ik op een toon van ontzag, want voor dien St.-Martinjongen die
zeker een paar jaar ouder was dan ik, gevoelde ik diepen eerbied.

"Dat z-zou ik meenen!" riep Burns uit. "Hij-hij is een p-prefekt." [1]

Gelukkig wist ik door Bob Kitsjin wat tot de waardigheid van een
prefekt behoorde, zoodat deze mededeeling den noodigen indruk op mij
maakte. Ik vond nu het oogenblik gekomen om met mijn nieuwen vriend
voor den dag te komen. "Ken je een zekeren Kitsjin?" vroeg ik.

Burns knikte van ja.

"Is hij een prefekt?"

"Nee; m-maar later w-wordt hij het st-stellig."

"Ik ken hem heel goed," zei ik, alsof hij een vriend was uit mijn
kinderjaren.

Deze tijding maakte indruk op Burns. Maar toen dacht hij weer
uitsluitend aan zijn eigen verdrietelijkheden.

"Ik zit zoo vreeselijk in de rats," zei hij op somberen toon.

Bob Kitsjin had me op het hart gedrukt om als nieuweling altijd bereid
te zijn om anderen van dienst te zijn als de gelegenheid zich hiertoe
voordeed. Zelf zou hij dit ook doen, want het lag nu eenmaal in zijn
aard om de menschen te helpen; de hulp die ik nu echter aanbood sproot
eigenlijk meer voort uit eigenbelang, omdat ik bij dien jongen in
een goed blaadje trachtte te komen staan.

"Kan ik je ook van dienst zijn?" vroeg ik aarzelend.

"Ja," antwoordde hij terstond; mijn aanbod nam hij blijkbaar gretig
aan.

Met jongens had ik weinig omgegaan en een type als Burns had ik nog
nooit ontmoet, anders zou ik mijn diensten zeker niet zoo grif hebben
aangeboden. Ik gevoelde me integendeel gevleid dat die niet uit de
hoogte werden afgeslagen. Het was dan ook alleen uit bescheidenheid, en
niet omdat ik terug wilde krabbelen dat ik hem vroeg of hij misschien
meer zou hebben aan de hulp van Juniper, zooals die jongen immers
heette, dan aan de mijne.

"Je w-wilt dus l-liever n-niet?" vroeg Burns op wiens gezicht nu
wederom die sombere uitdrukking verscheen.

"Jawel," antwoordde ik haastig; "ik zal alles doen wat je maar wilt."

"Ik-ik heb meer aan jou dan aan Jim, zie je," hernam hij langzaam,
alsof hij eerst diep had nagedacht voor hij die woorden uitsprak.

"Zoo?" zei ik; ik gevoelde me zeer gevleid dat hij me blijkbaar zoo
gunstig beoordeelde.

"J-ja--want jij b-bent hier nieuwer," hernam hij.

Niemand zou een oogenblik hebben getwijfeld aan mijn "nieuwheid." Ik
gevoelde me nieuw, akelig nieuw. Ik begreep alleen niet dat hij dit
als een verdienste beschouwde. De reden hiervan vroeg ik maar niet aan
Burns, omdat hij me dan misschien een verhaal zou gaan doen waaraan
geen eind zou komen door zijn gestotter; daarom vroeg ik hem alleen
wat er eigenlijk was gebeurd.

"L-luister," zei hij; "w-we hebben g-geen oogenblik te verliezen."



HOOFDSTUK IX.

HET GEVAL MET BURNS.


"We zijn er!" riep Burns plotseling.

De trein verminderde de vaart en weldra hielden we stil voor een
klein station; op de lantarens wier flikkerend licht ons bescheen,
zag ik St. Martin staan; de lange reis was dus eindelijk voorbij. Het
oogenblik was nu aangebroken waarop ik mijn intrede zou doen op een
school en waarop ik me zou bevinden in een nieuwe jongenswereld;
zeer zeker zou dit vooruitzicht een benauwend gevoel bij me hebben
opgewekt, als ik niet had moeten denken aan andere dingen die mijn
onmiddellijke aandacht vorderden.

"Dus je-je b-begrijpt het?" vroeg Burns, toen we ons gereed maakten
uit te stappen en onze bagage uit het net haalden.

"Ja," antwoordde ik. "Maar geloof je heusch dat er niets anders
op zit?"

"Je h-hebt 't b-beloofd," zei Burns op een toon van verwijt.

Dit was de waarheid; ik moest er dus maar het beste van hopen.

"G-ga m-mee voordat iemand ons z-ziet," zei Burns; "de m-man zal onze
b-bagage en die v-van Jim w-wel met de r-rest meenemen."

Ik gehoorzaamde aan de bevelen van Burns en gooide mijn valies en
andere bagage op een handwagen, evenals al de St-Martinjongens die op
het kleine station waren uitgestapt. In de verte zag ik Jim Juniper
aankomen, maar mijn nieuwe vriend scheen hem nu te willen ontwijken,
wat niet moeilijk viel, want het station werd schaarsch verlicht en
op het perron was het een herrie van belang.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik een onderzoekenden blik om me heen
wierp in de hoop een glimp van Bob Kitsjin gewaar te worden; Burns
scheen bang te zijn dat ik hem op het laatste oogenblik in den steek
zou laten, en daarom nam hij me bij den arm en liep haastig met me
het station uit.

We trokken eenige donkere straten door van het kleine stadje die alle
meer of min krom en opwaarts liepen; het duurde dan ook niet lang of
we hadden het station en de jongens en iedereen een heel eind achter
ons gelaten en het leek wel of we weer naar buiten trokken.

Eindelijk begon Burns langzamer te loopen; bij een bocht van den weg
bleef hij stil staan. "Dat is St.-M-Martin," zei hij, terwijl hij
een vaag gebaar maakte met de hand.

De lichten van de stad zagen we nu beneden ons glinsteren; ik keek
in de richting die hij aanduidde en werd een gebouw gewaar op den
heuvel achter de stad.

"Is dat de school?" vroeg ik aarzelend.

Burns stiet een brommend geluid uit, wat een bevestigend antwoord
moest beteekenen.

"Ze lijkt me zoo ver hier vandaan," merkte ik op.

"W-we l-loopen er ook vanaf," zei Burns heel kalm, alsof het de
gewoonste zaak van de wereld gold.

"Is het nog ver waar we heen moeten gaan?" vroeg ik.

"Heel dichtbij," antwoordde hij. "Hoe eerder we er zijn, hoe beter."

Van dit laatste was ik nog niet zoo zeker. In den trein had Burns een
verhaal gedaan, of eigenlijk gezegd had hij lange zinnen hortend en
stootend uitgebracht die in geen onderling verband stonden. Eerst had
hij me plechtig laten beloven dat ik er tegen niemand een woord van zou
reppen, en toen had hij me om zoo te zeggen als luitenant aangesteld
in den kleinen veldtocht dien hij van plan was op touw te zetten. Ik
had nu eenmaal mijn diensten aangeboden en die had hij aangenomen;
hij zat in de rats en ik moest hem eruit helpen.

Wederom dacht ik aan de woorden van Bob, die me den raad had gegeven
om als nieuweling altijd bereid en klaar te staan voor ieder die
om hulp vroeg; anders geloof ik niet dat ik dien tocht met Burns
zou hebben ondernomen. Toen we eindelijk voor een groote villa stil
hielden, die alleen stond in een tuin, en Burns zei: "Hier is het,"
toen zou ik het 't liefst op een loopen hebben gezet; dit zou ik dan
ook zeker hebben gedaan, als ik hem niet mijn hulp had beloofd.

"Eerst 's op-p v-verkenning uit," zei Burns. "W-wacht hier even."

Hij verdween om den hoek van het huis en liet me alleen in het donker.

Het moest tusschen zeven en acht uur zijn. Het was een koele avond
met bewolkten hemel; de wind kwam met vlagen uit zee. Vanaf de plek
waar ik nu stond, kon ik me eerst rekenschap geven van het omliggende
landschap; ik zag beneden ons de kleine schemer-verlichte stad die
als in een inham scheen gelegen, waarschijnlijk aan een rivier die in
zee uitkwam; aan weerszijden verhieven zich de klippen, waarvan de
omtrekken ternauwernood waren te onderscheiden; in de verte strekte
zich een wijde, donkere vlakte uit, wat natuurlijk de zee moest
wezen. Hetgeen zich aan de landzijde bevond kon ik niet zien, daar het
uitzicht door het huis werd belemmerd; toen mijn blik wederom op de
villa viel, werd ik herinnerd aan den tocht dien we hadden ondernomen.

Burns kwam nog maar niet opdagen; de wind stak nu zoo krachtig op dat
ik begon te huiveren. Als het geloei van de windrukken een oogenblik
vervaagde, drong het klotsen van de golven tot me door die beukten
op de rotsige kust. Toen ik de lichten in de zee gewaar werd van een
snel-varende stoomboot welde het verlangen bij me op om aan boord
te stappen van dat vaartuig, dat me zou wegvoeren van deze plaats
waarheen ik was meegenomen en waar ons misschien vreeselijke dingen
boven het hoofd hingen.

Terwijl ik in gepeins stond verzonken en naar het schip in de verte
tuurde, voelde ik plotseling een stomp, die me een sprong in de lucht
deed maken.

"Ga mee; de kust is vrij," zei Burns. Dit wilde hij tenminste zeggen,
maar er waren een paar woorden die hij zoo moeilijk uitsprak, en zoo
lang bleef hij dan ook aan het stotteren, dat ik een oogenblik dacht
dat de een of andere schrik zijn spraakvermogen geheel had verstoord.

Ik wilde een laatste poging wagen. "Zou het niet beter zijn als--als--"
vroeg ik aarzelend.

"Je hebt het beloofd," zei Burns wederom, waarop hij mijn arm greep
en me bijna sleurde door een tuinhek, over een pad met krakende
kiezelsteenen en een steenen stoep op, tot voor een mooie, deftige
deur met glazen paneelen.

De bel was een van die nare, akelige dingen die ervoor bedanken om
eenig geluid te geven als je er bescheiden en vriendelijk aan trekt,
maar dan ineens een lawaai maken of een brandklok wordt geluid. Het
was Burns die kwaad was geworden. "Zal je n-nou overgaan, ellendig
ding," had hij geroepen, waarop hij een krachtigen ruk had gegeven. Een
oogenblik stond hij echter zelf versteld van het oorverdoovend lawaai
dat de schel nu maakte. "W-wel l-lieve deugd," mompelde hij.

Een dienstmeisje kwam aandraven om ons open te doen. Ik moest het
woord voeren, dus nu was het oogenblik aangebroken waarop ik zou
moeten beginnen. "Is mijnheer--mijnheer--" begon ik: den naam had ik
een paar maal in den trein herhaald, maar in mijn verwarring was die me
plotseling ontschoten. "Is mijnheer thuis?" vroeg ik toen maar alleen.

"Ja, hij is thuis," antwoordde het dienstmeisje snibbig, terwijl ze
het hoofd nijdig in den nek wierp, "maar jullie hoeft niet te luiden
of er brand is."

"Kunnen we hem spreken?" vroeg ik.

"Hij moet eerst klaar zijn met eten," antwoordde ze. "Waarom komen
jullie? Je bent toch geen zangers met Kerstliedjes; het is nog veel
te lang voor het Kerstmis is en we moeten trouwens niets van die
lui hebben."

De gedachte dat Burns Kerstliedjes zou aanheffen, dat werd me al
te machtig. Ik kon mijn lachen niet inhouden en proestte het zacht
uit. Burns wierp me een verwijtenden blik toe; hij nam nu zelf het
woord met zoo'n vuur dat hij op de vloermat stond te stampen zoodat
de stof in wolken opvloog: hoe hij zijn best echter ook deed, hij
kon alleen maar klanken en geen woorden uitbrengen.

"Van m'n mat af!" riep het dienstmeisje; "ik bedank voor al die stof
in het voorhuis!"

"Ik zal het wel vertellen," begon ik.

"Hij heeft zeker een toeval!" riep het dienstmeisje. "Heeft ie dat
wel meer?"

"Wat is dat voor drukte," riep een zware stem in de verte.

Toen ik in de richting keek vanwaar dat diepe geluid kwam werd ik onder
de ganglamp een langen dikken man gewaar met een kaal hoofd en zware
onderkin; zijn lichaam was rond en gewelfd als een aardrijkskundige
globe; de glinsterende horlogeketting deed denken aan een gedeelte
van den equator.

"Het zijn een paar Kerstmis-zangers," antwoordde het dienstmeisje
haastig en gejaagd; haar stem klonk nu heel bedeesd en eerbiedig.

"Dat zijn we niet," riep ik met nadruk; "we kwamen hier, omdat we u
wilden spreken, mijnheer."

Burns had me plotseling bij den arm gegrepen; hij fluisterde me wat
in, of beter gezegd, hij trachtte me wat in te fluisteren--maar ik
kon er geen woord van verstaan.

"Ga dan maar mee," zei de dikke heer met de zware basstem.

Ik liep achter hem aan, Burns trok me echter telkens terug om me iets
mede te deelen; hij kon echter niet uit zijn woorden komen. Weldra
bevonden we ons in een vertrek waar het heel erg naar eten rook;
de mijnheer met de onderkin liet zich met een plof neervallen op een
stoel voor een glas met donkerrooden wijn; toen keek hij ons aan over
de wijnkaraffen die op tafel stonden.

Nu moest ik het woord nemen. In den trein had ik van buiten geleerd
wat ik zou zeggen; dit had de goedkeuring van Burns weggedragen die
me natuurlijk de punten had opgegeven en ik gevoelde dat als ik het
er goed afbracht, de zaak nog wel in het reine kon komen.

Ik was echter lang niet op mijn gemak toen ik het woord
nam. "Mijnheer," begon ik, "deze jongen is een vriend van me"
(heelemaal waar was dit natuurlijk niet, maar deze aanhef was toch de
beste in de gegeven omstandigheden); "hij heeft echter een spraakgebrek
en daarom heeft hij mij gevraagd of..."

"Wacht 's even," zei de heer met de onderkin, die een dikken vinger
ophief om mijn woordenstroom te stuiten; "wat voor een spraakgebrek
heb je?"

"Ik-h h-heb g-geen s-spraakgebrek," riep Burns opgewonden; "d-dat is
het-t n-niet!"

"Dat is het wèl," hernam de zwaarlijvige heer die zijn halve glas
wijn met één teug uitdronk. "Ik vraag je of je een spraakgebrek
hebt," hernam hij met een kleur van kwaadheid, "omdat ik de woorden
van je vriend door jezelf wil hebben bevestigd; hij zegt dat je een
spraakgebrek hebt en jij beweert van niet en ik hoor aan je gestotter
dat het wèl zoo is. Je vriend spreekt dus de waarheid en jij bent
een leugenaar."

Hoe vleiend die uitspraak voor mij uitviel, wist ik nu toch wel genoeg
van Burns om te kunnen verklaren dat hij iemand geen leugens op de mouw
spelde. Een stilte ontstond; ik vond het nu geraden om door te gaan
met mijn verhaal, doch als ik maar een mond open deed achtte Burns
blijkbaar het oogenblik gekomen om ook een woordje mee te praten,
ofschoon hij had beloofd mij rustig te laten uitspreken.

"Ik moet nu zijn partij opnemen--," begon ik wederom.

"Het-t is n-niet...," bracht Burns stotterend uit, terwijl hij me
bij den arm greep.

"En ik zeg je dat het wèl zoo is," riep de dikke heer. "Ben je een
leugenaar of niet?"

Die vraag klonk op den man af; ik dacht dan ook dat een kort en bondig
antwoord hierop zou volgen, maar "neen" was een heel lastig woord
voor Burns om uit te spreken en "ja" heel gemakkelijk daarentegen,
zoodat ik al had opgemerkt dat hij al de zinnen met "ja" begon,
daar dit kleine woordje hem zoo gemakkelijk van de lippen vloeide.

"Ja; m-maar--" begon hij dan ook, doch de dikke heer viel hem
onmiddellijk in de rede.

"Ja, ja, juist; je erkent het nu zelf," hernam hij. "Ga door, jongen,"
zei hij tegen mij; "jij schijnt de waarheid te spreken."

Ik nam wederom het woord:

"Mijn vriend heeft een ongeluk gehad den dag voor de vacantie--met
een cricketbal--"

"H-houd je mond!" riep Burns wanhopig uit, terwijl hij me zoo in mijn
arm kneep, dat ik het had kunnen uitschreeuwen; "het is n-niet--"

Ik dacht dat de jongen volslagen krankzinnig was geworden, want in
den trein had hij me woord voor woord laten herhalen wat ik moest
zeggen. Zou hij me voor den gek hebben gehouden?

Wederom werd de wijsvinger opgestoken.

De dikke heer keerde zich naar Burns en zei: "Heb jij op den laatsten
dag voor de vacantie een ongeluk gehad met een cricketbal, of is dat
niet zoo?"

"Jawel," antwoordde Burns; "maar--"

"En je durft het ontkennen!" riep de dikke heer, die zijn glas weer
vol schonk en opnieuw een kleur kreeg van kwaadheid.

"N-nee," stiet Burns met moeite uit; "d-dat-d-doe ik niet."

"Je schijnt geen onderscheid te kunnen maken tusschen leugen en
waarheid," hernam de dikke heer, wiens zware kin op- en neerschudde
van verontwaardiging. "Vertel jij maar door, jongen," zei hij tegen
mij op vriendelijken toon.

"Hij brak een paar ruiten van uw serre," hernam ik haastig en gejaagd,
want ik wilde nu niet weer in de rede worden gevallen, "en toen is
hij hard weggeloopen en daarvan heeft hij spijt; hij wil de schade
graag betalen en hoopt dat u geen klacht zult indienen bij den chef,
omdat het dan misschien op zijn rapport komt te staan, en als zijn
tante dit zou hooren zou ze zeker heel boos op hem worden; hij had
dadelijk naar u toe willen gaan, maar hij moest den trein halen en--"

"Wacht 's even!" riep de dikke heer; "wanneer is dat ongeluk gebeurd?"

"Zoowat twee maanden geleden," antwoordde ik.

"En ik woon hier pas zes weken," verklaarde de dikke heer met plechtige
stem. "Toen ik hier kwam, heb ik alle ramen en vensters in goede orde
bevonden; nergens heb ik een kapotte ruit ontdekt."

"Ik-k w-wou straks z-zeggen dat u het n-niet was," viel Burns uit;
"m-maar u w-wou n-niet luisteren."

"Wel lieve deugd, sinds jullie hier voor me staat heb ik niet anders
gedaan dan geluisterd," riep de dikke heer die nu hoe langer hoe
kwader werd. "Ik geloof geen woord van het heele verhaal. Jullie
denkt zeker dat ik verantwoordelijk ben voor hetgeen is gebeurd met
een vroegeren huurder."

"Ik w-wist n-niet," begon Burns, die er nu beteuterd en bedremmeld
bij stond.

"Och kom! Wat wist je niet!" riep de dikke heer; "ik voor mij geloof
dat je dit wel degelijk wist. Ik houd het ervoor dat jullie samen
een complot hebt gesmeed om mijn maaltijd te komen verstoren, onder
voorwendsel dat je Kerstliedjes wou zingen. Maar ik zal je leeren;
dan zal je het een volgend keer wel laten om ordentelijke huishoudens
in de war te sturen!"

Hij was nu zóó kwaad en de aderen op zijn voorhoofd waren zóó
opgezwollen, dat ik het maar geraden vond om te zwijgen. Burns wilde
zich verdedigen van die Kerstliedjes-beschuldiging, maar dit bood
zulke onoverkomelijke moeilijkheden voor hem dat hij zoo lang stond
te stotteren, tot de dikke heer van zijn stoel opsprong en met zijn
vuist op de tafel sloeg, zoodat het wijnglas werd omgegooid.

"Houd je mond!" riep hij. "Ik verwed er wat om, dat je even goed als
een ander kunt spreken en dat je met dat gehakkel me alleen maar
voor den gek wilt houden. Maar ik zal den chef hiervan in kennis
stellen. De heer Kolman van St. Martin zal alles vernemen. Jullie
bent daar allebei op school?" vroeg hij nijdig.

Wij gaven een bevestigend antwoord.

"Je naam?" Hij haalde een opschrijfboek te voorschijn.--"Hoe heet
je? En geen gestotter alsjeblieft!"

Aldus aangemaand deed de jongen met het roode haar zijn uiterste
best, en werkelijk slaagde hij erin om er heel behoorlijk: "Robert"
uit te brengen.

"En hoe verder! Vooruit! Je hebt toch twee namen zou ik denken?" zei
de dikke heer ongeduldig.

Burns maakte een geluid als iemand die bellen blaast onder water. Dat
was de B, en de rest kwam er uit met de vaart van een kurk die van
een champagne-flesch springt.

De heer gooide zijn boekje neer.

"Robert Burns!" [2] riep hij kwaad. "Maak dat een ander wijs. Je
vriend zal straks zeker beweren dat hij Charles Dickens heet of
Olivier Cromwell!"

"Zoo heet hij werkelijk," merkte ik schuchter op.

"Zoo," hernam hij op honenden toon. "En jouw naam is?"

Ik gaf mijn naam op en dankte den hemel dat nooit een beroemd man
een gelijkluidenden naam had gedragen.

Hij keek me aan; op zijn gelaat verscheen nu een andere
uitdrukking. "Zoo," zei hij toen: "Ellinghem? En waar kom je vandaan?"

Ik noemde de streek en den naam van het landgoed.

"Martin Ellinghem: Mallorie," herhaalde hij. "Leeft je moeder nog?"

Ik antwoordde van neen.

"En je vader?"

Wederom moest ik ontkennend antwoorden, waarop hij me nog haastig
een paar vragen stelde die ik naar waarheid beantwoordde.

"Ken je een jongen die Kitsjin heet?" zei hij.

Ik was bang dat Bob door mij in deze zaak zou worden betrokken,
maar toch moest ik zeggen dat ik Bob kende.

"Zoo," zei hij wederom, waarna hij met zijn vingers op tafel trommelde,
terwijl hij zat na te denken. De man was nu zoo kalm en bedaard dat we
niet konden begrijpen wat die plotselinge ommekeer had kunnen teweeg
brengen. "Jullie kunt gaan," zei hij plotseling.

Daar we niet wisten hoe lang die kalme bui zou duren, maakten we ons
als de wind uit de voeten, zoodat we al de deur uit waren voordat
het dienstmeisje was verschenen om ons uit te laten. We slaakten
beiden een zucht van verlichting toen we wederom buiten stonden in
de duisternis en in den storm.



HOOFDSTUK X.

HOE IK BEGON.


"Het bezoek is afgeloopen," zei ik, toen we de villa een heel eind
achter den rug hadden.

Hoe "nieuw" ik me ook nog gevoelde, voor Burns was ik geen zier bang;
ik was integendeel diep verontwaardigd op hem.

"Het-t s-spijt me v-vreeselijk," zei het jonge mensch. "I-k-k w-wist
n-niet dat d-die a-akelige vent w-weg was."

"Als je de zaak maar met rust had gelaten, dan zou er niets zijn
gebeurd," hernam ik. "De man bij wien je de ruiten hebt ingegooid
is de stad uit, en de man die er nu woont wist van niets en denkt
nou natuurlijk dat we hem voor den gek hebben gehouden. We zullen
het misschien geducht aan den stok krijgen met den chef." Een paar
school-uitdrukkingen had ik opgepikt, waardoor ik op de jongens den
indruk zou maken van niet zoo groen te zijn als ik misschien leek.

"Het s-spijt me v-vreeselijk," herhaalde Burns, en toen het licht
van een straatlantaren hem bescheen, kon ik aan de uitdrukking van
zijn gezicht zien dat die spijt niet was geveinsd.

"En dan schijnt die man bovendien nog het een of ander van me te
weten," zei ik, "dus het is best mogelijk dat hij er me nog leelijker
laat indraaien." Op wat voor manier hij dit zou kunnen doen, dat
kon ik niet vermoeden. "Hij scheen mijn naam te kennen," ging ik
voort. "Hoe heet hij?"

"W-weet n-niet," mompelde Burns die in een diep neerslachtige stemming
naast me liep; "die andere m-man heette Blenkinsop. Ik-k heb ook-k
altijd p-pech."

Ik zei bij mezelf dat ik hartelijk hoopte dat hij in het vervolg mij
buiten al zijn "pech" zou laten.

"Het is al verschrikkelijk laat," zei ik; "zouden we een standje
krijgen?"

"N-niet den eersten avond," antwoordde Burns, "maar hoe eerder we er
zijn, d-des t-te beter."

We zetten het nu op een loopen en renden de spaarzaam-verlichte stad
door; toen klommen we den heuvel op en bereikten een groot gebouw met
een massa ramen die hel werden beschenen. Het ging hier blijkbaar
druk en bedrijvig toe. Onderweg had Burns me al stotterend nuttige
inlichtingen verschaft over school-aangelegenheden; nu en dan gaf hij
me dezelfde raadgevingen als Bob Kitsjin, doch de overige waren nieuw
voor me en deze waren geput uit de rijke ervaring van Robert Burns.

Volgens dit heerschap konden de jongens in twee soorten worden
verdeeld: "leuke jongens" en "ellendelingen".

"Wat is die Kitsjin er voor een?" vroeg ik.

"D-die is heel l-leuk," antwoordde Burns zonder een oogenblik te
aarzelen; "die J-Jim J-Juniper ook," voegde hij erbij, "de jongen
dien j-je s-straks zag. M-maar d-dat zijn groote l-lui; w-we z-zullen
n-niet veel v-van ze z-zien."

"Nee, natuurlijk niet," antwoordde ik, hoewel die mededeeling me
geducht teleurstelde, want ik had gehoopt dat Bob altijd voor me in
de bres zou kunnen springen.

"W-wij z-zitten l-lager," hernam Burns. "Er is een ellendeling op
school; d-die heet Dester."

"O ja?" zei ik.

"L-laat je n-niet op je k-kop zitten door hem," ried Burns aan.

"Nee," antwoordde ik eenigszins weifelend.

"Er is ook-k een l-lummel d-die B-Brunton heet," hernam hij; "ik-k
heb z-zoo'n hekel aan-n d-dien v-vent."

"O ja?" zei ik wederom.

"Hij zal je z-zeker als feg [3] te pakken z-zien te krijgen."

"Is dat zoo'n nare kerel?" vroeg ik zacht.

"Nou, of ie," antwoordde Burns; "en D-Dester is k-koek en ei met hem."

We hadden nu onder een poort doorgeloopen die uitkwam op een vierkant
plein; het kiezel kraakte onder onze voeten. We staken het plein dwars
over en hielden stil voor een groote deur; een portier met een norsch
gezicht deed open.

"Jullie bent laat," zei hij bij wijze van begroeting.

"De anderen z-zijn er zeker al allemaal," fluisterde Burns. "Ga mee,
dan k-krijgen we n-nog wel t-thee; ik heb honger, j-jij ook?"

Na eenige besprekingen met den nurkschen portier over onze bagage
konden we onzen weg vervolgen.

"Zullen we een standje krijgen?" fluisterde ik, toen we nergens een
jongen gewaar werden.

"'k Denk het n-niet," antwoordde Burns. "Het k-kan zijn dat Wilson
k-kwaad is."

Ik wist dat dit de naam was van een der leeraren; doch mijn eerste
onaangename ondervinding op St. Martin kwam van een anderen kant.

Toen we een hoek omsloegen waar de gang een bocht maakte en waar
een lamp hing die een helder schijnsel afwierp renden we bijna een
jongen tegen het lijf, die ongeveer even groot was als ik, hoewel
hij me ouder leek. Hij had blond haar, een stompneus en sproeten. Ik
hoorde Burns een klappend geluid met de tong maken en vroeg me af
of die blonde jongen volgens dit heerschap tot de "leuke jongens"
of tot de "ellendelingen" zou behooren.

Ik begreep weldra wat voor iemand ik voor me zag.

Hij bleef staan toen hij me gewaar werd en versperde me den weg. "Zoo,
een nieuweling?" zei hij op een toon alsof hij dit feit als een
persoonlijke beleediging beschouwde.

"Ja," zei ik, terwijl ik opmerkte dat Burns onrustig op zijn beenen
stond te draaien, alsof hij verlangde om dit gezelschap zoo spoedig
mogelijk kwijt te raken.

"Zoo," hernam de jongen met den stompen neus, die me nu zoo onbeschaamd
aankeek dat ik driftig werd.

Ik gevoelde dat hij me eens goed opnam; ik was koud en vermoeid na
die lange reis en hongerig en dorstig, zoodat mijn voorkomen nu niet
bepaald ontzag inboezemde. Die jongen toonde althans weinig eerbied
voor mijn persoon.

"Een van de wetten hier op school is dat al de nieuwelingen beginnen
met een mep te krijgen," zei hij.

Voor ik wist wat er met me gebeurde had hij me een slag in mijn
gezicht gegeven.

Er zijn oogenblikken waarin een felle woede ons een moed doet toonen
dien we eigenlijk niet bezitten. In zijn handelwijze was zoo iets
grievends en vernederends dat ik kookte en ziedde van drift. Al was hij
een reus geweest, dan geloof ik nog dat ik op hem zou zijn aangevlogen.

Bliksemsnel had ik hem een stomp tusschen zijn oogen gegeven, en het
scheen wel of die met juistheid toegebrachte slag mij aanspoorde tot
verdere wraakneming, want ik diende hem nog twee stompen toe voor
mijn tegenstander zich kon verweren. Als een blok viel hij tegen den
muur en tot mijn verbazing zag ik dat hij uit den neus bloedde.

"Heb je genoeg gehad?" riep ik met een stem die mijzelf zonderling
in de ooren klonk.

Een oogenblik bleef hij me hijgend aanzien; op zijn gezicht was nu
een nare uitdrukking verschenen: zooals hij daar stond met dat bloed
dat langs zijn mond droop was hij een monster. Plotseling stiet hij
een snerpenden kreet uit en vloog als een wilde kat op me aan.

Mijn woede was eenigszins bedaard; ik dacht nu aan de lessen in het
boksen die ik van Bob Kitsjin had gekregen. Ik ontweek hem door een
sprong en bracht hem een slag toe terwijl hij langs me vloog. Het
was meer geluk dan wijsheid dat ik hem had geraakt. Ik geloof dat de
stomp bij zijn oor was aangekomen; bovendien bleef zijn voet haken,
zoodat hij met een smak op den grond neerplofte.

"Zoo'n klein lief lammetje," hoorde ik plotseling naast me zeggen;
ik keek op en werd Jim Juniper gewaar dien ik al even in den trein met
Burns had gezien. Hij scheen het geval hoogst vermakelijk te vinden,
want zijn gezicht straalde van pleizier.

Hij keerde zich nu naar den jongen die langzaam overeind krabbelde
en zei: "Dester, ik geloof dat je nu genoeg hebt gehad. Ik vermoed,
vrindje, dat je vandaag den verkeerde voor hebt. Wees in het vervolg
wat meer op je hoede, hè? Het beste is nu voor je om je neus wat onder
de pomp te houden; je treft het dat het water niet al te koud is voor
dezen tijd van het jaar. Leg ook een lapje biefstuk op je oog, Dester,
maar het biefstukje mag niet gaar zijn; een rauw stukje vleesch,
hoor, dat zou een dokter je zeker aanraden."

Dester--want ik wist nu welken jongen ik op den grond had gegooid--was
weer overeind gerezen. Ik dacht niet anders dan dat hij me zou
aanvallen, maar na me een blik te hebben toegeworpen waarin felle
haat stond te lezen, sloop hij weg terwijl hij de roode druppels van
zijn neus veegde.

"Dester heeft voorloopig genoeg gehad," zei Juniper op vaderlijken
toon, terwijl hij zich naar mij keerde. "De vent schijnt zich dit
keer te hebben vergist."

"Hij is begonnen," antwoordde ik. Mijn adem ging nog hijgend op
en neer, en hoe ik mijn best ook deed het beven van mijn stem te
beletten--dit was me onmogelijk.

"Dan is het in orde," zei Juniper lachend. "Als nieuweling zou het
ook niet bijster beleefd zijn geweest als jij de vijandelijkheden
had aangevangen."

"Het spijt me," zei ik; ik had mijn kalmte nu weer herkregen.

"Ik zou er maar geen spijt van hebben," merkte Juniper wijsgeerig
op. "Wat zeg jij Burns?" vroeg Jim die zich nu naar Burns keerde; mijn
nieuwe vriend had staan toekijken met wijd-open mond van verbazing.

"N-nee," antwoordde Burns met nadruk; "ik v-vond het zoo l-leuk."

"Dester heeft er flink van langs gehad, niet?"

"N-nou--of ie!"

"Mijn lief, mak lammetje," hernam Jim die nu weer het woord tot
mij richtte; "ik moet er je aandacht op vestigen dat op je wijze
van aanvallen kritiek zou kunnen worden uitgeoefend, hoe flink die
ook was, maar die stomp met je linkerhand was goed. Van wien heb je
boksen geleerd?"

"Van Bob Kitsjin," antwoordde ik; "ken je hem?"

"Of ik Bob Kitsjin ken? Dat zou ik denken," riep Juniper die met een
theatraal gebaar de armen ophief. "Dat zou ik denken!"

"Nou, of ie," zei Burns wederom.

"Is Kitsjin een vriend van je?" vroeg Jim.

"Ja, ik ken hem nog al goed," antwoordde ik bescheiden.

"Dan deel ik je bij deze mede, dat je een bovensten besten kerel kent,
jonge vuistvechter. Maar hoe heet je eigenlijk?"

"Ellinghem," zei ik.

"Dan ben jij het exemplaar naar wien Bob overal loopt te zoeken;
hij snapt maar niet waar je toch uithangt."

"Ik ging met Burns mee om--" begon ik, doch dit heerschap greep
plotseling mijn arm, zoodat ik den zin maar afbrak.

"Als je met hem meegaat, dan zal hij er je wel gauw leelijk laten
indraaien," riep Jim lachend. "Onze dichter Burns is een gevaarlijk
sujet. Maar zeg 's, Burns, hoe kwam het in je op om onzen nieuwen
makken vriend af te leiden van het pad der deugd?"

"Het w-was bij vergissing," bracht Burns met moeite uit.

"Dat spreekt," hernam de ander. "Jij vergist je maar eens. Ga nou
maar door, en jij, Ellinghem, kom mee, dan zal ik je brengen naar
Kitsjin om zijn vaderlijk bezorgd hart gerust te stellen."

"Zeg 's, J-Jim," zei mijn roodharige vriend toen Juniper met me
weg trok.

"Wat moet je van me, Burns?" vroeg Jim.

"Als D-Dester het v-vertelt aan B-Brunton--"

"Daar kan je van op aan."

"Dan z-zal ie--"

"Ja, dat zal ie zeker."

"D-dan moet je Ellinghem w-waarschuwen."

"Maar die kent Kitsjin en daarom zal het wel zoo'n vaart niet loopen."

"M-misschien niet, m-maar toch ..." antwoordde Burns aarzelend, waarop
hij verder trok, terwijl Juniper zijn arm door den mijne stak--een
eer waardoor ik me bijzonder gevleid gevoelde--en zoo liepen we samen
de gang af en een steenen trap op; toen hielden we stil voor een deur
waarop Jim op een eigenaardige manier klopte.

"Binnen!" riep een bekende stem.

We gingen de kamer in waar Bob Kitsjin bezig was water te koken boven
een spiritus-licht.



HOOFDSTUK XI.

WIJ MAKEN KENNIS MET STENFORD, KIEN EN COMPAGNIE.


"Mag ik dit heerschap onder Uw Edele's aandacht brengen," zei
Jim Juniper, met de zwierige gebaren van een spullebaas op de
kermis; "de beroemde bokser is zijn werkzaamheden begonnen op
St. Martin. Geen oogenblik heeft hij gedraald. Onmiddellijk is hij
aan den arbeid gegaan. Dagelijks slaat hij blauwe oogen. Specialiteit
in bloedneuzen! Kom op, kom maar op! Jullie ligt op den grond voor
je het weet!"

Terwijl ik deze toespraak aanhoorde, stond ik tamelijk sullig naar Bob
te kijken; die scheen de drukte die Jim maakte echter heel gewoon te
vinden; hij lachte alleen maar en zei toen: "Zoo, Martin, waar heb
jij al dien tijd uitgehangen? Ik dacht dat ik je hier zou vinden,
maar niemand had een glimp van je gezien. Ik begon heusch ongerust
te worden dat je was zoek geraakt. Waar ben je geweest?"

"Dat mag je wèl vragen," zei Jim die het woord nam voordat ik een
klank had kunnen uitbrengen. "Werp een blik op dit jonge mensch dat
zoo juist voor de eerste maal den drempel heeft overschreden van
dit eerwaardige gebouw. Waarmee denk je dat hij zich onledig heeft
gehouden, Kitsjin? Het is nog geen tien minuten geleden, dat hij hier
is binnen gekomen."

"Heeft ie wat te eten gehad?" vroeg Bob. "Want ik ben juist bezig om--"

"Eten!" riep Juniper die op de tafel ging zitten en een gemakkelijke
houding aannam; "deze jongeling bezit een ziel, of beter gezegd een
maag, die ver is verheven boven eten. Neen; hij heeft een strijd op
leven en dood gestreden."

"Och jij met je praatjes," zei Bob lachend. "Wat kan je toch ratelen,
Jim. Hierin ben je ieder de baas. Zoo'n kletsmajoor als jij bent heb
ik nog nooit van m'n leven gezien!"

"Vraag het hem maar zelf!" riep Juniper die een sierlijk handgebaar
maakte in mijn richting, terwijl ik nog altijd even sullig naar Bob
stond te kijken; "vraag het hem zelf maar! Hij heeft reeds het bloed
doen vloeien van een onzer glorierijkste medescholieren."

"Als je je nu eens minder dichterlijk uitdrukte en gezonder taal
gebruikte, dan zou ik misschien beter snappen wat je wilt zeggen,"
hernam Bob lachend. "Martin, wat heb je uitgehaald? Vooruit, vertel
op, en gauw wat, want het water kookt en dan kan ik thee zetten. Ik
zal je te eten geven en je dorst lesschen."

"Het spijt me dat ik zoo laat ben, maar ik kan het heusch niet helpen,"
begon ik. "Een jongen gaf me een slag, en--en toen sloeg ik terug."

"Toen sloeg ik terug!" riep Jim Juniper. "Nou, of ie. Ik zeg je,
Kitsjin, dat je voor hem moet rillen en beven. In de gang komt ie
Dester tegen..."

"O, heb je het met Dester aan den stok gehad?" vroeg Bob die nu
blijkbaar belang ging stellen in het verhaal.

"Ja, met niemand anders. Dester had ditmaal echter den verkeerde
voor zich. Hij was zoo dwaas om ons lammetje te rekenen tot dat
soort jongens waarop hij het gewoonlijk heeft begrepen. Maar hij
werd zijn vergissing gauw genoeg gewaar. Ons lammetje geeft hem een
stuk of wat stompen die raak zijn. Dester rolt gewoon tegen den muur,
maar dan springt hij als een tijger op ons lammetje, maar jawel hoor,
hij krijgt er nu een, geheel volgens de regelen der kunst, en tuimelt
op den grond. Dester af. In het vervolg zal hij ons lammetje wel
met rust laten. Als je nog aan de waarheid van mijn verhaal mocht
twijfelen, vraag het dan maar aan dichter Burns die getuige was van
het heele tooneel."

"Je bent er wel gauw bij geweest, Martin," zei Bob op ernstigen toon,
hoewel ik kon zien dat hij toch schik had in het verhaal.

"Het spijt me dat het is gebeurd," zei ik.

"Het spijt mij geen zier," zei Juniper. "Hoera voor onzen oorlogsheld;
Kitsjin, geef hem te eten en schenk hem troost en steun. Je kunt
nog eer aan hem behalen; als hij zoo voortgaat zal hij onze school
met lauweren bekransen. Zijn naam zal nog op het prospectus komen te
staan. Maar wees maar op je hoede voor hem. Vaarwel Kitsjin!--Vaarwel
kampioen!--Je naam weet ik niet meer precies. Een volgend keer ben ik
weer tot je orders." Hij liet zich van de tafel glijden en verdween,
na ons een sierlijk gebaar te hebben toegeworpen tot afscheid.

"Typische vent, maar een beste kerel," zei Bob. "Soms weet je niet of
hij je voor den gek houdt of werkelijk meent wat hij zegt. Ga zitten,
je zal wel honger hebben. Kijk, dit kan ik je aanbieden. O, het water
kookt. Trek dien stoel wat bij en schuif die boeken maar weg. Vertel
nu maar op."

"Ik kwam in een coupé te zitten met een zekeren Burns--" begon ik.

"Pas op voor dien vent," zei Bob die de thee nu inschonk. "De kerel is
niet kwaad; iemand die zoo verschrikkelijk stottert heeft misschien
nooit kwaad in den zin, maar Burns heeft er nu eenmaal slag van om
zichzelf er leelijk in te werken en er anderen mee te laten inloopen,
hoewel hij dit nooit met opzet doet. Nu, ga door."

Ik vervolgde mijn verhaal en vertelde wat ik met Burns had uitgevoerd,
tot ik was gekomen aan de beschrijving van den dikken man met den
horlogeketting en de onderkin. Intusschen lieten we ons het maal goed
smaken; Bob die juist bezig was met een potje jam stiet plotseling
een kreet van verbazing uit.

"Wat is er?" vroeg ik.

"Niets, het leek me alleen zoo toevallig," antwoordde hij. "Vertel
maar door."

"Ik vond het zoo vreemd dat hij mij van naam scheen te kennen en
jou ook."

Bob mompelde wat; ik kon zien dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.

"Wie is die man?" vroeg ik, "en hoe kan hij iets van ons weten? Hij
woont hier pas en als Burns niet..."

"Och, die uil van een Burns," riep Bob kwaad.

"Weet je hoe ie heet?"

"Ja: Brunton."

"Is het de vader van den jongen die hier op school is?"

"Ja."

"Is het dezelfde met wien Dester koek en ei is?"

"Ja."

"Dan zal Brunton er wel alles van hooren."

"'k Zie niet in dat jullie daardoor herrie zullen krijgen," zei
Bob. "Toe, neem nog wat jam; je eet veel te weinig, kerel. De Bruntons
hebben vroeger in de buurt van Londen gewoond, maar nu hebben ze om
de een of andere reden hun tenten hier opgeslagen."

"Maar hoe kan die man nu iets af weten van jou en mij?" vroeg ik.

"Och, die vent dien we hier op school hebben heeft hem zeker het
een of ander verteld," antwoordde Bob op luchtigen toon. "Wil je nog
wat thee?"

Het was duidelijk dat hij hierop niet wilde doorgaan; daarom durfde
ik hem geen vragen meer stellen, hoewel ik over deze zonderlinge zaak
bleef nadenken.

"Als we zoo meteen klaar zijn zal ik je naar Wilson brengen--je komt
in zijn klas, zie je; ik heb hem gezegd dat ik je zou ontvangen, want
hij dacht natuurlijk dat je bij hem zou komen. Niemand kon denken
dat je er met Burns op uit was getrokken."

Ik knikte bij wijze van instemming.

"In school zullen we niet veel van elkaar zien," hernam Bob; "maar hier
kan je altijd komen, wanneer je maar wilt. Ik zit nog niet in de zesde,
dus een feg houd ik er niet op na; maar ik heb met Norman afgesproken
dat die je zal nemen, en ik verzeker je dat dit een buitenkansje voor
je is."

We bespraken nog eenige zaken die het gewichtige voetbalspel betroffen
en toen bracht Bob me naar mijn toekomstigen leeraar, een man met een
ernstig gezicht en grijze bakkebaarden die op afgemeten toon sprak
en den indruk maakte alsof hij me op een grooten afstand voor zich
zag staan. Ik kreeg een gevoel alsof hij op een heuveltop stond en
ik op een anderen en alsof hij me iets zou toeschreeuwen, zoodat ik
heel verbaasd was toen hij op zachten plechtigen toon het woord tot
me richtte; hij stelde me allerlei vragen over mijn werk en over de
boeken die ik had gebruikt; op al mijn antwoorden volgde H'm, zoodat
ik volstrekt niet wist of mijn kennis hem mee of tegenviel.

Toen dit bezoek was afgeloopen werd ik gebracht naar den "chef",
een langen man met een gladgeschoren gezicht en heldere doordringende
oogen. Hij had een streng voorkomen, doch hij sprak zoo vriendelijk
tegen me en zei dat hij hoopte dat ik goed mijn best zou doen; ik
nam me dit dan ook onmiddellijk voor, al was het alleen maar om hem
genoegen te doen.

"Je bent bekend met Kitsjin, is het niet?" vroeg hij, toen het
onderhoud was afgeloopen en hij me goeden nacht wenschte.

"Ja, mijnheer," antwoordde ik terstond, want ik was trotsch op mijn
vriendschap met Bob.

Toen zei hij dat het veel waard was om een vriend te hebben op een
nieuwe school, vooral als die vriend een paar jaar ouder was, maar
toch moest ik zelf mijn weg banen op St. Martin; ik moest niet te
veel van een ander afhangen; in mijn later leven zou ik ook op eigen
beenen moeten staan.

Ik vermeld dit omdat die woorden betrekking hadden op hetgeen later
gebeurde. Op dat oogenblik hield ik ze voor een waarschuwing dat ik
Bob niet met alle mogelijke kleinigheden zou lastig vallen, maar er
me zelf doorheen moest zien te slaan.

Met dit vaste besluit kwam ik klasse B binnen, waar ik verscheidene
jongens aan lessenaars zag zitten. Allen waren ongeveer van mijn
grootte en leeftijd; de meesten waren druk bezig om hun boeken en
verdere benoodigdheden in lessenaars te schikken; de school zou den
volgenden morgen beginnen. In mijn nabijheid werd ik het roode haar
van Burns gewaar, en iets verder zag ik Dester zitten wiens gezicht
nog sporen droeg van het tweegevecht.

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik verlegen en stoeterig mijn
weg baande tusschen al die jongens door naar de plaats die mij werd
aangewezen. Iedereen keek me aan, zoodat ik me als een solist gevoelde
die het podium betreedt; ik dacht dat die algemeene belangstelling
uitsluitend mijn nieuwelingschap gold, doch weldra kwam ik tot de
ontdekking dat ik in een zekeren zin reeds naam had gemaakt.

"Zeg 's, is het waar dat je met Dester hebt gevochten?" fluisterde
de jongen aan mijn linkerkant, zoodra ik had plaats genomen.

Ik begreep niet hoe hij dit nu al wist, maar ik knikte van ja.

"'t Is raak geweest, hoor," hernam hij lachend, terwijl hij eerst op
zijn neus wees en toen op zijn oog.

De leeraar die toezicht hield was met het een of ander bezig en
stond op het verste gedeelte van het podium, en dit oogenblik nam ik
waar om eveneens fluisterend te antwoorden: "Och--och--het was geen
gevecht eigenlijk."

Uit "Tom Brown's schooldagen" wist ik wat onder een gevecht moest
worden verstaan; ik begreep dan ook best dat het tusschen Dester en
mij niet veel meer was geweest dan een schermutseling.

"Niet?" hernam hij. "Hoe lang heeft het geduurd?"

"Een minuut misschien," antwoordde ik bescheiden. "Maar we mogen niet
praten, is 't wel?"

"Zoolang Kijkers daar bezig is merkt hij er niets van," antwoordde de
jongen heel kalm. "Maar je hebt 'm geducht op z'n kop gegeven. Burns
zegt dat het bloed uit z'n neus stroomde."

"O, dus je weet het van Burns?"

"Ja; je heet Ellinghem, niet?"

Ik knikte van ja.

"Ik heet Stenford. Toen je begon wist je dat natuurlijk niet?"

"Wat wist ik toen niet?"

"Van Brunton. Je moet weten dat Dester zijn page is. Brunton neemt
altijd zijn partij op."

"Toen we begonnen te vechten wist ik niet eens dat ie Dester heette,"
zei ik; "hij gaf me een slag en toen sloeg ik terug."

"Dat dacht ik wel," hernam Stenford, "want als je het hadt geweten,
dan zou je hem wel met rust hebben gelaten."

"Waarom?" vroeg ik eenigszins onthutst.

"Omdat je van Brunton op je gezicht zal krijgen," antwoordde Stenford
heel bedaard. "Je kunt ervan op aan dat Dester hem nu alles heeft
verteld. Toch ben ik blij dat de kerel 's op zijn kop heeft gehad."

"Wat is die Brunton er voor een?" vroeg ik, om te weten te komen of
Stenford hem eender beoordeelde als Burns.

"Een ellendeling," antwoordde Stenford kortaf. "Maar houd je mond:
hij komt eraan."

De leeraar daalde van het podium af en verliet de klasse, waarop
onmiddellijk een gegons van stemmen ontstond. De jongens verlieten
bijna allemaal de banken en weldra kwam ik tot de ontdekking dat
ik het middenpunt vormde van een kring belangstellenden. Er waren
nog meer nieuwelingen, doch met die bemoeide bijna niemand zich. Ze
zagen er zoo echt nieuw uit, want ze zaten doodstil en spraken geen
woord. Ik zou zeer zeker ook niet veel hebben gezegd als ik niet door
vragen was bestormd.

"Zeg, hoe heet je?"

"Hoe?--Ellinghem?"

"Kan je boksen?"

"Ben je een Piet met voetbal?"

"Houd je van blokken?"

"Hoeveel rondes hadt je met Dester?"

"Smeet je 'm op den grond?"

"Is het waar wat Burns vertelt?"

"Zeg, je zal er van Brunton van langs krijgen."

Op al die vragen moest ik antwoord geven. Het viel me op dat het
iedereen blijkbaar genoegen deed dat Dester leelijk te pas was gekomen,
hoewel niemand dit openlijk durfde bekennen. Hij scheen er een soort
partij op na te houden, want een stuk of wat jongens stonden om hem
heen en ik ving nu en dan een paar woorden op als "zoo'n onbeschaamde
rekel"--"hij moest zelf een pak slaag hebben" enz. Ik begreep maar
al te goed op wien dit allemaal doelde.

Tot mijn verwondering hoorde ik de stem van Burns plotseling boven het
rumoer uit. "Als hij een p-pak m-moet hebben, d-dan m-moet D-dester
hem nou m-maar een r-rammeling g-geven."

"Vooruit, Dester," riepen verscheiden jongens: "Kijkers is naar
Kolman. Tijd genoeg. Vooruit, Dester, geef hem dan op z'n gezicht!"

Ik merkte heel goed op dat sommigen dien kreet aanhieven om jongeheer
Dester werkelijk te believen, doch op de gezichten van de meeste
jongens lag een spottende uitdrukking, omdat ze heel goed wisten
dat dit heerschap het wel zou laten om opnieuw te gaan vechten. Een
heel troepje stond dan ook om hem heen om zich aan te bieden als
secondanten, dokter en weet ik al wat meer.

"Vooruit, Dester!"--"Dester, hoe laf!"--"Toe, geef 'm dan op z'n kop,
Dester!"--"Sla 'm ook een blauw oog,"--al dergelijke kreten klonken
dooreen.

Dester bleef echter stokstijf zitten en vergenoegde er zich mede om
vreeselijke bedreigingen te uiten. Verschrikkelijke dingen schenen
mij boven het hoofd te hangen.

Het viel me op dat Burns hoegenaamd niet bang voor hem scheen te
zijn. Telkens en telkens moest Burns onze schermutseling in kleuren
en geuren vertellen en ik moet erkennen dat hij het verhaal wel wat
aandikte. Zoover als ik hem kon verstaan te midden van het rumoer
stelde hij me voor als een Samson of een wereldberoemd kampvechter,
zoodat er op het laatst heel wat jongens waren die met eerbied tot
me opzagen en bij zichzelf zeiden dat het geraden was om het niet
met mij aan den stok te krijgen.

"Is het niet kostelijk om Burns zoo te hooren kakelen?" zei Stenford.

"Hij schijnt zich niet druk te maken om Dester," antwoordde ik.

"Nee, dat zal wel uitkomen. Hij heeft Juniper toch achter zich. Ken
je Jim?"

Ik knikte van ja.

"Een leuke, gladde vent. Hij is verschrikkelijk dik met Norman."

Toen al dat gepraat en rumoer aan den gang was, was me opgevallen
dat de jongen aan mijn rechterhand op niemand of niets acht sloeg en
niemand keek evenmin naar hem om. Hij had me een oogenblik aangezien
toen ik naast hem was gaan zitten; daarna had hij onmiddellijk zijn
bezigheden weder hervat. Zoodra de heer Kijkers het vertrek had
verlaten, had hij zijn lessenaar opgeslagen waarachter zijn hoofd
verdween en wat hij uitvoerde scheen zijn volle aandacht te vorderen.

Stenford had opgemerkt dat ik een paar maal dien kant uitkeek. "Dat is
Kien maar," zei hij; "de vent is dol op proeven. 't Liefst zou ie den
heelen dag in het laboratorium zitten, maar in zijn lessenaar en op
zijn kamer zit ie altijd te knoeien. Op een goeden dag vliegt ie nog
's in de lucht."

Zelf hield ik ook van proefnemingen. Ik was de gelukkige bezitter
van een galvanische batterij, een luchtpomp, een Leidsche flesch en
weet ik wat al niet meer; met eenige belangstelling keek ik dan ook
naar den wetenschappelijken onderzoeker.

Ik kreeg een glimp te zien van hetgeen in zijn lessenaar gebeurde;
tot mijn verbazing zag ik tusschen een massa rommel een pijp en
een spirituslamp die helder brandde, hoewel ik hem geen lucifer had
hooren afstrijken. Ik begreep dan ook niet hoe hij die had kunnen
aansteken. Door die pijp vatte ik echter waarmee hij zich bezig
hield. "Maak je koolgas?" vroeg ik fluisterend.

Hij keek me even aan met oogen, die straalden van pleizier. "Ja,
heb jij het wel 's gedaan?"

Ik knikte van ja. De lezer weet op welke wijze men hierbij te werk
gaat. Men neemt een lange aarden pijp, de kop wordt gevuld met kool die
tot poeder is fijn gewreven, een stop vormt de sluiting. De pijpekop
werkt als een retort; het gas dat gevormd wordt, kan niet ontsnappen
door de stop (hoewel dit in de praktijk toch wel gebeurt), en moet
zich een uitweg banen langs den steel naar het mondstuk, waar het kan
worden ontstoken en alleraardigst branden, een lust voor het oog. De
eenvoudigste manier om den pijpekop te verhitten is om dien in het
vuur te zetten, de steel steekt dan uit tusschen de staven, maar de
wetenschappelijke methode is om een Bunsen-brander te gebruiken of
een spiritus-lamp waarboven je de pijp vasthoudt met een tangetje.

"Wat voor soort leem gebruik jij altijd," zei Kien, alsof ik bijna
dagelijks koolgas vervaardigde.

"Wat ik maar kan krijgen," antwoordde ik op een toon van diepen ernst,
dien men dient aan te nemen als men het woord richt tot een beroemden
specialiteit.

"Stourbridge is verreweg de beste," zei hij "maar toch ontsnapt nog
te veel gas."

Hierin moest ik hem helaas gelijk geven.

"Het leem barst," merkte hij op.

"Ja, dat is zoo," gaf ik toe.

"Nu ook weer," hernam hij, terwijl hij weer met het hoofd achter den
lessenaar wegdook. "Kijk maar!"

Ik rekte den hals uit en gluurde over zijn schouder; de scherpe reuk
van brandende spiritus drong tot me door.

"De leem was te nat," zei Kien, terwijl hij den barst pleisterde met
wat vochtige leem die hij op een schoteltje had gereed staan; "het
moest eigenlijk een halven dag drogen, maar je moet het vlug doen,
of anders kan je het wel laten."

Ik gaf dit toe. Met verbazing keek ik naar dien jongen die scheikundige
proeven in zijn lessenaar durfde doen, waarbij hij kans liep om ieder
oogenblik door een leeraar te worden gesnapt.

"Ben je--ben je? niet bang om brand te maken?" vroeg ik.

"O nee," antwoordde hij heel bedaard; "in het laboratorium is het
natuurlijk veiliger. Maar ik wou niet wachten tot morgen; ik wilde
die leem vandaag probeeren; in deze kool zit een massa gas. Kijk,
het komt er prachtig uit; het zal zoo gaan branden."

"Ben je niet bang voor... voor..."

"Voor Kijkers?--Nee, want die ruikt niets," voegde hij er lachend
bij. "Anders..."

Ja, ik moest toegeven dat hij er anders wel eens leelijk tegen aan
zou kunnen loopen. Brandende spiritus verspreidt nu eenmaal een
eigenaardigen geur, om van gas dat ontsnapt niet eens te spreken,
al geschiedt de proef ook op kleine schaal, zooals hier het geval was.

"'k Had de spiritus klaar," zei Kien, "en de pijp ook; toen Kijkers
er vandoor ging had ik alleen maar een lucifer af te strijken. Leuk
goedje, hè?"

De spiritus-lamp brandde flink; het gas begon zich een uitweg te
banen door den pijpesteel; Kien hield er een lichtje bij en keek
verrukt naar de vlam die ontstond.

"Prachtig; dol," riep hij. "Zie je wel dat er een massa gas in die
kool zit?"

Een paar jongens waren er nu bij komen staan; ze gluurden over den
schouder van Kien aan wiens proefnemingen op natuurkundig gebied
ze blijkbaar waren gewend, want ze sloegen weinig aandacht op
den wetenschappelijken onderzoeker. Het gevecht met Dester was nu
afgehandeld; de meesten spraken over eenige kwesties die het nieuwe
voetbal-seizoen betroffen.

Plotseling werd "Sst", "sst" geroepen, waarop een algemeen geschuifel
van voeten volgde. Kien liet onmiddellijk zijn lessenaar dichtklappen
en toen de leeraar binnen kwam zaten we allemaal even netjes en
correct in de bank.

Hij liep naar mij toe en liet me eenige boeken te voorschijn halen,
waarin hij me het een en ander aanwees. Ik wierp een zijdelingschen
blik naar Kien die geheel in zijn werk scheen verdiept, ofschoon de
geur die zijn toestel verspreidde hoe langer hoe sterker werd. Zoodra
de leeraar dan ook bij de volgende rij lessenaars stond, knikte hij me
toe om me met trots te kennen te geven dat het gas nog lustig brandde.

"Ik weet precies hoeveel gas je met dien pijpekop kan maken,"
fluisterde hij, terwijl hij in een schrift decimale getallen begon
op te schrijven. Hij had de kool van te voren gewogen en wist nu
nauwkeurig hoeveel gas hij hiermede zou verkrijgen, en hoe zwaar het
gewicht zou zijn van het overschot dat in den pijpekop achterbleef.

Hij werd nu bij den leeraar geroepen; ik verwachtte niet anders dan dat
hij was gesnapt en dat zijn gas-toestel zou worden verbeurd verklaard,
maar de heer Kijkers stelde enkele vragen aan Kien over een examen
waarvoor hij zich wilde opgeven.

Toen Kien nog bij het podium stond, ging de deur open en kwam de heer
Wilson binnen, die terstond een snuivend geluid maakte.

"In dit vertrek hangt een eigenaardige lucht, mijnheer Broes!" zei
hij. Snuf, snuf. "Ik denk dat het in den schoorsteen brandt. Ja
bepaald, het is een sterke brandlucht."



HOOFDSTUK XII.

MIJN VERDER OPTREDEN ALS NIEUWELING.


Ik was hoogst verbaasd dat ik den heer Kijkers nu als mijnheer Broes
hoorde aanspreken. Geen oogenblik was het in me opgekomen dat dit
een bijnaam zou kunnen zijn; ik rilde bij de gedachte dat ik in mijn
onwetendheid hem mijnheer Kijkers had kunnen noemen. Dien bijnaam
had hij zeker te danken aan de groote ronde glazen van zijn bril.

Hij wierp nu een verbaasden blik in de richting van den heer Wilson.

"Hé, ruikt u iets?" vroeg hij. "Het is me nog niet opgevallen."

"Er brandt wat," hernam de heer Wilson die stond te snuiven als een
politie-hond.

Kien gaf me een wenk uit de verte. De andere jongens keken allen even
ernstig; geen spier op hun gelaat vertrok.

"Ongetwijfeld," verklaarde de heer Wilson.

"Vreemd dat ik er niets van heb gemerkt," zei de heer Broes. "Als
er iets aan het branden is, dan moet het in den schoorsteen zijn,
of het is ergens anders."

De heer Wilson liep plechtig naar den schoorsteen, zoodat hij een
oogenblik met den rug naar de klas stond.

Kien gaf me wederom een wenk. Wat wou hij toch van me? Aan den anderen
kant van hem zat niemand, want zijn lessenaar was de laatste uit die
rij. Wou hij dat ik de vlam uitdoofde? Die scheen al dien tijd lustig
te branden; op mijn plaats kon ik de hitte voelen. Maar als ik het
deksel van den lessenaar opklapte, zou ik natuurlijk worden gesnapt;
de rook zou dan naar buiten slaan, zoodat we er nog leelijker aan toe
zouden zijn. Kien, en ik zeker ook, zouden er in dat geval geducht
tegen aanloopen.

Kien liet zijn wangen even bol staan; hij wou dus dat ik de vlam
uitblies. Ik wierp een zijdelingschen blik naar Stenford, maar die
zat met zijn neus in zijn boek.

De heer Broes keek naar den heer Wilson die nog altijd in den
schoorsteen stond te turen; toen trok ik de stoute schoenen aan. Ik
haalde diep adem om flink te kunnen blazen en lichtte den lessenaar
van Kien een paar centimeters op. Tot mijn ontzetting werd ik echter
gewaar dat de vlam zich had verspreid en dat in den lessenaar een
vuurtje lustig aan het branden was. Mijn blazen had geen andere
uitwerking dan dat het vuur werd aangewakkerd. Het hout zou zeker
ook gaan branden. Na een schichtigen blik te hebben geworpen in de
richting van den schoorsteen begon ik weer te blazen en nog eens
te blazen. Helaas de spiritus vormde een brandend meertje in den
lessenaar, dat al wijder en wijder werd. Hoe kon ik het vuur dooven?

In mijn onmiddellijke nabijheid had ik geen andere vloeistof dan
inkt. Mijn pas gevulde inktpot stond voor me op mijn lessenaar. Ik
greep dezen met de linkerhand, terwijl ik het deksel met de rechter
een weinig oplichtte en toen stortte ik den zwarten inhoud over de
vlammen uit.

Juist had ik den lessenaar weer dicht gedaan toen de heer Wilson het
hoofd oplichtte en een blik wierp door de klas. "Nee, daar is het
niet," zei hij. "Het komt me voor dat er iets in dien hoek brandt."

De angst sloeg me om het hart toen ik hem zag naderen, gevolgd door
den heer Broes.

Ik vermoed dat Kien hen het liefst was achterna geloopen, want zijn
oogen waren onafgebroken op de twee leeraars gericht.

"'t Is hier, dunkt me," zei de heer Wilson, die bij den lessenaar
van Kien bleef stil staan.

"Kijk eens, hoe zonderling," merkte de heer Broes op, die zich voorover
boog; "een zwarte vloeistof druipt op den grond--Kien!"

De heer Wilson had de hand nu op den lessenaar. Dit zag ik, hoewel
ik de oogen niet opsloeg van mijn boek. Plotseling weerklonk een
vreeselijke knal; de lessenaar vloog omhoog en een oogenblik trilde
de heele omgeving als bij een aardbeving.

De leeraren waren achteruit gesprongen. Door den schok en den schrik
was ik achterover getuimeld op den grond. Tegen de zoldering was
iets aangekomen en een sterke brandlucht verspreidde zich nu door
het lokaal.

Kien nam het eerst het woord. Hij richtte zich tot den heer Broes en
zei: "Het was--ik--ik deed een proef."

De beide leeraren vielen tegelijk tegen hem uit. Hun woorden waren
daardoor niet duidelijk te verstaan, evenmin als bij een duet dat
wordt gezongen. Ze zeiden zoo iets van: "Ongehoord om ontplofbare
stoffen in de klas mede te durven brengen! Hoogst gevaarlijk! Zelf
naar den chef trekken wegens verregaande onbeschaamdheid! Op gevaar
af van iemand te dooden, of blind of kreupel te maken!"

De heer Wilson werd eerst nu gewaar dat ik op den grond was
getuimeld. "Kijk," riep hij, "je hebt al iemand een ongeluk
bezorgd. Heb je je bezeerd, Ellinghem?"

"Ik geloof niet dat ik een ongeluk heb gekregen, meneer," antwoordde
ik, terwijl ik langzaam overeind rees en mijn knieën begon te wrijven.

"Hij zou geen ongeluk hebben kunnen krijgen, meneer," zei Kien
heel ernstig; "er zat geen kogel of iets in. Ik wou alleen maar wat
brandbare stof maken en die in een rots leggen bij de klip om ze door
electriciteit aan te steken."

"Alleen maar brandbare stof!" hernam de heer Broes op strengen
toon. "'t Is een wonder dat je het heele gebouw niet in de lucht hebt
laten vliegen. Zit er nog meer gevaarlijk goed in?" vroeg hij, terwijl
hij den lessenaar haastig liet dicht vallen bij die vooronderstelling.

"Neen, er zit niets meer in," verklaarde Kien.

"Ik zie stukken van een pijp," zei de heer Wilson, die den lessenaar
nu wederom oplichtte; "een--een pijp van leem met rood lak; in drie
stukken gebroken. Heb je gerookt?" vroeg hij op minachtenden toon.

"Neen, meneer," antwoordde Kien, zonder een oogenblik te aarzelen,

"De pijp is gebruikt," hernam de heer Wilson. "Deze kop is hard en
zwart en heeft het een of ander bevat, waarschijnlijk tabak. Wat is
dat voor een ding? H'm!" Hij stiet een kreet uit en liet het vallen,
"'t Is nog gloeiend heet!"

"Dat is de stop, meneer," zei Kien.

"De stop?" vroeg de heer Wilson.

"Ik heb koolgas gemaakt," hernam Kien. "In dien kop zit steenkool."

De heer Wilson liet een brommend geluid hooren.

"Maar de boel drijft van de inkt," viel de heer Broes in; "of is het
een andere vloeistof," voegde hij er bij.

"Bij de ontploffing heeft een vloeistof zich misschien chemisch
afgescheiden," zei Kien, die zich opnieuw man van de wetenschap toonde.

Ik wist wel beter, maar ik hield mijn mond.

"Het kan zijn dat die zwarte stof is ontstaan door het
verbrandings-proces," hernam Kien met zachte stem.

"En ik verzeker je dat je het in het vervolg wel zal laten om zulke
gevaarlijke spelletjes te spelen," verklaarde de heer Broes op
strengen toon.

De wetenschappelijke onderzoeker ging in de bank zitten. De heer Wilson
vertrok, na zich nog eens te hebben overtuigd dat ik geen letsel had
opgeloopen; de heer Broes begaf zich naar het andere einde van het
lokaal en Kien bleef al maar tegen me fluisteren, om me een verklaring
te geven van de oorzaak van die ontploffing en van het ontstaan van
die zwarte vloeistof, die hij hield voor een soort "ammonia-geest"
geloof ik, en hoe het kwam dat die stop van de pijp was gesprongen.

"Zonde en jammer dat ik niet op mijn plaats zat," zei hij, "want
dan had ik de kracht van de ontploffing veel beter kunnen nagaan;
ik had dan gezien hoever de ontlading doordrong in het hout."

Ik was blij dat hij me geen verwijten deed over de wijze waarop ik
was opgetreden; maar alles zou hij me geloof ik hebben vergeven, toen
ik tegen hem zei dat ik hem mijn luchtpomp zou leenen om proeven mee
te doen.

"Heusch?" vroeg hij, terwijl zijn gezicht nu opklaarde. "Ik denk dat
ik een pak zal krijgen van Kolman, maar die proef was toch wel leuk."

Ik begon in te zien dat ik voor Kien moest oppassen, hoe ijverig hij
zich ook toelegde op de natuurwetenschap; waarschijnlijk deed ik maar
het best om hem zijn proefnemingen alleen te laten doen.

Ik was blij toen het tijd was om naar bed te gaan. Ik had zooveel
jongens gezien en ik had al zooveel ondervonden en bijgewoond, dat
het me een raadsel scheen dat ik eerst twee uur geleden mijn intrede
had gedaan op St. Martin.

Nauwelijks was ik in mijn slaapkamer beland of een jongen stak zijn
hoofd om den hoek en haastig, op een toon die geen tegenspraak duldde,
zei hij: "Ellinghem, je moet dadelijk bij den chef komen."

"Moet ik nù naar den chef?" vroeg ik verbaasd.

"Ja, en 't is je geraden om hem niet te laten wachten."

"Maar waarom?" zei ik.

"Dat zal je gauw genoeg gewaar worden."

"Heeft hij je gestuurd om mij te halen?"

"Ja, natuurlijk; denk je soms dat ik anders zou zijn komen aanzetten?"

In het lokaal had ik dien jongen wel met Dester zien praten, maar ik
was nog te onervaren om eenige achterdocht te koesteren. Geen oogenblik
kwam het zelfs in me op dat hij me voor den gek kon houden. Ik vroeg
me dan ook alleen maar af waarom de chef me liet roepen.

"Is het om die geschiedenis met Kien?" zei ik.

"Weet ik het," antwoordde hij. "'t Is best mogelijk. Maar als je
langer treuzelt krijg je nog leelijker op je gezicht."

Ik dacht niet anders dan dat Kien bij het ondergaan van zijn straf
mij had genoemd als medeplichtige.

"Ga je nou haast?" vroeg de jongen, "of zal ik aan Kolman gaan zeggen
dat je ervoor bedankt om te komen?"

"Nee, ik zal wel gaan," antwoordde ik bedrukt, "maar vanhier weet ik
niet den weg naar de studeerkamer."

"O, die zal ik je wel wijzen," zei de jongen gedienstig. "Gauw,
ga mee! Hij zal toch al niet begrijpen waar je blijft."

Hij ging me voor door de gang en liep een kleine trap af; in dit
gedeelte was ik nog niet geweest.

"Dit is korter," zei de jongen die me even over den schouder aankeek.

Toen liepen we door een andere gang die flauw was verlicht en bleven
voor een deur stil staan.

"Zeg," fluisterde die jongen tegen me, terwijl hij de hand op de klink
hield; "langs die deur loopt een pad. Als je dat bent afgeloopen sla
je links af, dan loop je weer recht door en sla je weer links af,
en dan sta je voor de deur van Kolman."

"Ga je niet mee?" vroeg ik.

"Dank je stichtelijk," mompelde hij. "Ik trek alleen naar Kolman als
hij me laat roepen."

"Dus tweemaal links om?" vroeg ik nog, terwijl hij de deur open maakte.

"Ja! De weg is heel gemakkelijk te vinden; je kunt niet missen."

De deur was nu open en ik werd een heel donker pad gewaar.

"Ga er maar vandoor," zei de jongen; "je vindt het vanzelf."

"Wacht nog even," riep ik, toen ik een blik in de duisternis had
geworpen; "hoe kom ik terug?"

"Langs denzelfden weg," antwoordde hij kortaf. "Alsjeblieft, vooruit!"

Hij deed de deur achter me dicht. Ik ging een trede af en stond op
kiezelzand. Nu mijn oogen langzamerhand aan de duisternis gewend
geraakten, kon ik de richting van het pad volgen.

Ik bevond, me blijkbaar in een tuin; waarschijnlijk de tuin van den
heer Kolman. In de buurt was nergens een huis; anders zou ik toch wel
verlichte ramen hebben gezien. Misschien zou ik die ontdekken als ik
den eersten keer links was afgeslagen.

Ik gevoelde me alles behalve op mijn gemak, zoo alleen op dat donkere
pad. Hier en daar rezen aan weerszijden groote zwarte struiken op,
die nog zwarter schenen dan de nacht; de wind floot er doorheen en
liet ze heen en weer wiegen zoodat ze schenen te leven en me deden
denken aan monniken met zwarte kappen die tegen me stonden te knikken.

Mijn voetstappen deden het kiezel kraken toen ik verder liep tot ik
links zou kunnen afslaan. Maar die jongen had zich zeker vergist. Er
was wel een pad rechts.

Besluiteloos bleef ik stil staan. Nog eenige meters legde ik af,
maar nergens kon ik aan mijn linkerkant een zijweg gewaar worden. Toen
nam ik maar het pad rechts. Ook hier krakende kiezelsteenen en zwarte
struiken. Plotseling zag ik een weg aan mijn linkerhand. Ik sloeg dien
onmiddellijk in. Wederom krakend kiezel, hooge, wuivende struiken,
windvlagen die langs me streken. Doch nergens een huis te bekennen.

Plotseling bleef ik stil staan. Eindelijk begon ik de waarheid
te vermoeden; ik was het slachtoffer van een streek die met mij
was uitgehaald. Ik was hierheen gelokt om me op een dwaalspoor te
brengen! De chef had me niet laten roepen.



HOOFDSTUK XIII.

IK MAAK KENNIS MET BRUNTON.


Onmiddellijk keerde ik om, daar ik zoo spoedig mogelijk weer de
zijdeur wilde bereiken waardoor ik me naar buiten had begeven. Ik
begreep nu dat de jongen die met die boodschap was komen aanzetten
een handlanger was geweest van Dester.

Op deze wijze had die wraak willen nemen; hij had me in den tuin
gelokt!

Ik ging terug langs het pad dat ik was afgekomen, maar het was zóó
donker en die boomen leken zóó op elkaar dat ik zeker verkeerd was
afgeslagen, want weldra was ik de kluts kwijt geraakt. Ik zette het
nu op een loopen in de juiste richting naar ik dacht, terwijl ik
schichtige blikken om me heenwierp, in de hoop ergens een licht te
ontdekken. Het was toch niet denkbaar dat in dit avonduur geen enkel
raam van de school meer zou zijn verlicht; daarom bleef ik zoeken
naar het een of andere schijnsel.

Het duurde niet lang of ik stiet met mijn knieën tegen een
ijzeren traliewerk, dat de grens vormde van het terrein waarover ik
rondzwierf. Ik kon het pad onderscheiden dat hier aan den anderen kant
langs liep en ik hoorde de zee klotsen, waaruit ik opmaakte dat ik
me in de nabijheid van de klip bevond. Ik keerde om, geraakte opnieuw
verdwaald tusschen de struiken; nergens kon ik een lichtstraal gewaar
worden, en ten slotte kwam ik weer terecht bij het ijzeren traliewerk.

Intusschen moest het al aardig laat zijn geworden. Als ik eens was
buitengesloten! Dan zou het er zeker geducht leelijk voor me uitzien
en dan zou ik wel degelijk bij den chef moeten komen. Ik volgde nu
maar een pad op goed geluk om te zien waar dit me bracht, maar het
kronkelde zoo verschrikkelijk dat ik een gevoel kreeg of ik in een
kring rondliep, als menschen die verdwaald zijn geraakt in de woestijn
of in de bergen.

Het slot was dat ik voor de derde maal bij het traliewerk was
beland! Toen bleef ik hier langs loopen; dat hek moest toch ergens
eindigen!

Ik kwam aan een gebouw, waarschijnlijk de stallen, want ik hoorde
gerammel van kettingen en stampen van hoeven. Een hond had blijkbaar
gemerkt dat ik aan kwam sluipen, want het dier begon verwoed te
blaffen. Tastend vervolgde ik mijn weg langs de donkere muren, tot
ik een deur bereikte waar het gebouw een hoek maakte; de klink week
onmiddellijk toen ik die oplichtte. Ik ging binnen en werd nu voor
de eerste maal een licht gewaar; in die richting begaf ik me over
een wijde open vlakte waarin ik plotseling het binnenplein herkende
van het hoofdgebouw.

Ik had nu zoo genoeg van mijn zwerftocht en was zoo blij dat ik
eindelijk eenig teeken van leven bespeurde dat ik onmiddellijk
mijn krachten op de deur begon te beproeven, waarboven een raam
was aangebracht dat helder werd beschenen. Ik dacht niet anders dan
dat die deur op slot zou zitten: voor ik echter schelde, probeerde
ik eerst het handvat om te draaien om me hiervan te overtuigen, en
tot mijn onuitsprekelijke verbazing en verrukking was het slot niet
omgedraaid aan den binnenkant. Een oogenblik later stond ik in het
voorportaal waar ik dien avond met Burns mijn intrede had gemaakt--hoe
lang scheen dit niet geleden!

Toen ik de deur heel zacht had gesloten, liep ik als een muis door
een lange gang, in de hoop het een of ander te ontdekken dat als
wegwijzer zou kunnen dienen om mijn kamer terug te vinden. Toen ik
een hoek omsloeg waar het donker was en geen licht brandde liep ik
onverhoeds tegen een grooten jongen aan die van den anderen kant
kwam aanzetten. Hij was zoo forsch en stevig gebouwd, dat ik bij de
botsing tegen den muur terecht kwam.

"Uil, die je bent! Waarom maak je zoo'n kabaal?" vroeg hij nijdig,
zonder dat hij zijn stem echter durfde uitzetten.

Terwijl hij dit zei keek hij schichtig om zich heen, zoodat ik begreep
dat hij er in zijn eentje op uittrok en zich schuldig maakte aan de
een of andere overtreding.

"Allo, wat voer je hier uit?" vroeg hij, terwijl hij me bij den kraag
greep en me heen en weer schudde.

Hij was blijkbaar zoo kwaad en ik was er zoo zeker van dat het er
leelijk voor hem zou uitzien als hij werd gesnapt, dat ik het maar
het best vond om heel gewoon te antwoorden; dan zou hij me misschien
het gauwst weer loslaten.

"Ik wou naar mijn kamer gaan," zei ik.

"Houd je koest, uil die je bent," beet hij me toe. "Vooruit, ga dan
maar naar je kamer."

Hij sprak tegen me of ik een hond was en gaf me een schop toen ik me
omkeerde om door te loopen.

"Wat zou dat voor een vent zijn," vroeg ik me af, toen ik eindelijk
verdrietig en vermoeid mijn kamer had terug gevonden en veilig onder
de dekens kroop. Het was een plompe jongen met een stiere-nek; hij
miste een voortand, waardoor hij eenigszins lispelde. Als mijn wenschen
waren vervuld, dan zouden al zijn tanden uitgeslagen mogen worden; hij
had dan kunnen mummelen totdat de dentist hem onder handen had genomen.

Den volgenden morgen gaf ik een korte beschrijving van hem aan
Stenford.

"O, dat is natuurlijk Brunton geweest," zei hij. "Een nare vent. Zorg
maar dat je uit zijn buurt blijft."

Ik was niet anders van plan. We bevonden ons nu op het speelterrein en
ik zag Dester telkens een kwaadaardigen blik werpen in mijn richting;
zijn gezicht zag nog bont en blauw en een naar gevoel welde bij me op
toen ik zag dat hij op me wees, terwijl hij stond te praten met den
grooten jongen, tegen wien ik den vorigen avond was aangebonsd. In
de verte werd ik Bob Kitsjin gewaar; ik wou naar hem toeloopen om hem
die ontmoeting te vertellen, maar bij nader inzien deed ik dit niet,
want dan had ik ook moeten bekennen dat ze me voor den gek hadden
gehouden en dat ik er zoo leelijk was ingevlogen. En ik wilde Bob
ook niet telkens komen lastig vallen.

Burns kwam nu op me toeloopen. Hij wees naar den jongen met wien
Dester stond te praten en zei: "D-dat is B-Brunton," zoodat mijn
laatste zweem van twijfel was verdwenen.

"En is hij de zoon van dien man bij wien we gisteren zijn
geweest?" vroeg ik.

"Ja," zei Burns. "Hij is een ellendeling," voegde hij er met
overtuiging bij.

Stenford keerde zich naar me toe en merkte op: "Hij is een prefekt,
Ellinghem; hij zit in de zesde."

"Ja," antwoordde ik. "Maar wat zou dat?"

"Niets; ik wou je alleen maar zeggen dat je geen steek tegen 'm kunt
doen als hij je slaat."

"Dat weet ik ook wel," hernam ik; "de jongen is zoo groot, en hij
ziet er zoo sterk uit dat je niet bang behoeft te zijn dat ik met
hem zal gaan vechten."

"Nee, dat snap ik," zei Stenford met een hoonlach. "Dat bedoelde ik
niet. Ik wou je alleen maar zeggen dat hij als prefekt mede orde moet
houden--dit wordt ten minste voorondersteld--en dit kan hij altijd
als voorwendsel nemen om je een rammeling te geven."

"Ja," zei ik. Bob Kitsjin had me hiervan al op de hoogte gebracht.

"Wie heeft je als feg genomen?" vroeg hij.

"Norman," antwoordde ik.

"Prachtig; dan mag je van geluk spreken."

"Ik ben nog niet bij hem geweest," zei ik. "Bob--Kitsjin, bedoel
ik--heeft gezegd dat hij me mee zou nemen naar de kamer van Norman."

"Hij en Norman zijn dikke vrienden," hernam Stenford, "en Juniper
is nummer drie. Je ziet hen bijna altijd samen. Vraag het maar aan
Burns. Die is de feg van Juniper."

Burns knikte bevestigend met het hoofd.

Op dit oogenblik kwam Kien aanzetten op wiens bleek gelaat nu de
zweem van een glimlach was verschenen.

"Zoo, hoe heb jij het gehad?" riep Stenford hem vroolijk toe. "Heb
je er geducht van langs gekregen van Kolman?"

"Nee," antwoordde Kien; "'t is toch een beste vent."

"Heb je geen straf gekregen?" vroeg ik.

"Jawel, maar ik heb hem alles verteld van die koolgas-geschiedenis en
die ontploffing," hernam Kien. "De man is zelf zoo dol op natuurkunde,
en daarom ben ik er afgekomen met een geweldigen uitbrander en een
hoop strafwerk, zoodat ik in de volgende weken bijna geen vrij uur
zal hebben. Ga mee naar het laboratorium, Ellinghem, en laat me die
luchtpomp 's zien."

"Ik voor mij zou liever een pak ransel hebben gehad," zei Stenford.

"Maar dat zou mijn rapport hebben bedorven," hernam Kien, "en als
dat goed is dan heeft mijn oom in Londen me een heelen boel chemische
apparaten beloofd.--Vooruit, Ellinghem, ga nu mee."

"Dan zal je ons zeker in de lucht laten vliegen, als je die dingen
krijgt. Maar daar komt die ellendige Brunton aan. Laten we maken dat
we wegkomen."

Kien en ik hadden ons juist omgekeerd toen ik mijn naam hoorde roepen;
ik herkende de stem en de angst sloeg me om het hart.

"Ellinghem, kom hier!"

Ik bleef besluiteloos staan.

"Het is het best dat je naar hem toegaat," fluisterde Kien.

"Waarom kom je niet dadelijk als ik je roep?" schreeuwde
Brunton. "Hier, zeg ik!"

Ik keerde me om en liep naar hem toe. Dester stond naast hem en keek
me aan met een loerenden blik.

"Hoe durf jij op een jongen aanvallen als je nauwelijks een voet hier
hebt gezet?" snauwde hij me toe.

"Hij begon," zei ik.

"Zoo'n leugenaar!--Jij hebt 'm niet geslagen, is het wel Dester?"

"Alleen nadat hij was begonnen," antwoordde Dester, zonder een
oogenblik te aarzelen.

"Dat dacht ik wel," hernam Brunton; "en jij was het ook die gisteravond
door de gang liep te wandelen. Je weet heel goed dat je daar niets
hebt te maken op dat uur. Je begint mooi, dat moet ik zeggen, maar
ik zal je wel leeren. Ga mee!"

Hij greep me bij den kraag en duwde me door de deur van de
gymnastiekzaal die open stond.

"Geef me een van die dingen, Dester," zei hij.

In een hoek stonden een paar schermdegens; de gehoorzame Dester greep
er een en reikte dien over.

Brunton gaf me een stomp en zei: "Je blijft doodstil staan; begrepen?"

Hij hief den arm op, maar de degen werd hem uit de hand geslagen en
viel kletterend op den grond.

Toen ik omkeek zag ik Bob Kitsjin, die zelf een schermdegen in de
hand hield. In zijn oogen lag een eigenaardige blik. "Je scheidt uit,"
zei hij heel kalm. Blijkbaar was hij aan het schermen geweest met een
jongen aan het andere einde van de zaal, en zeker had hij hiermede
opgehouden toen hij ons had zien binnenkomen.

Brunton werd bleek van woede. Een groep jongens stond in de verte
toe te kijken om te zien wat er zou gebeuren, nu Bob tusschenbeide
was gekomen.



HOOFDSTUK XIV.

DE STUDEERKAMER VAN NORMAN.


"Nou, sla je er niet op?" vroeg Bob heel kalm en bedaard, terwijl
hij Brunton zoo doordringend aanzag dat die de oogen neersloeg.

Brunton stond te koken en zieden van drift; zijn gezicht vertrok
krampachtig en ik dacht niet anders dan dat hij als een tijger op Bob
zou aanvliegen. Maar dit gebeurde niet. Hij keerde zich om en verliet
de gymnastiekzaal; zijn gang had iets waggelends alsof hij dronken was.

"Kom vanmiddag na de thee in mijn kamer, Martin," zei Bob zoo kalm of
er niets was gebeurd.--"Het spijt me, Brys, dat we werden gestoord,"
hernam hij, terwijl hij zich naar den jongen keerde met wien hij had
staan schermen. "Willen we voortgaan?" En een oogenblik later had
hij kranig gepareerd en kletterden de degens tegen elkaar.

Dester was Brunton gevolgd. Toen ze buiten waren gekomen keerde Brunton
zich naar Dester om, wien hij een slag om zijn ooren gaf. "Kleine aap
die je bent!" snauwde hij Dester toe. "Waarom heb je me niet gezegd
dat hij Kitsjin kent?"

"Die was goed, hoor," zei Stenford die met me bij de deur was blijven
staan. "Kitsjin is de eenige voor wien de ellendeling bang is. Ik
kan me eigenlijk niet begrijpen waarom, want ze hebben nooit iets met
elkaar gehad. 't Schijnt dat Kitsjin hem op de een of andere manier
in zijn macht heeft. Weet jij er misschien het rechte van?"

"Neen," antwoordde ik. Bob had nooit over Brunton tegen me gesproken.

"Je mag van geluk spreken dat Kitsjin een vriend van je is," hernam
Stenford. "De vent zal je voortaan met rust laten; daar kan je van
op aan, en Dester ook," voegde hij er lachend bij. "De arme rekel
heeft nu van twee lui op zijn kop gekregen."

"B-Brunton z-zal je t-toch w-wel krijgen," viel Burns in; "en hij
z-zal het K-Kitsjin betaald z-zetten, al m-moet hij m-misschien
t-tijden w-wachten voor hij w-w-wraak kan nemen."

"Keurig uitgedrukt, zooals Kijkers zegt," merkte Stenford lachend op.

"Je zal het z-zien," hield Burns vol.

Later zou blijken dat hij gelijk had.

"Kom, laten we nu over wat anders praten," hernam Stenford. "Zeg,
Ellinghem, ga je morgenmiddag mee verkennen?"

"Heel graag," antwoordde ik, ofschoon ik eigenlijk niet goed begreep
wat hij bedoelde.

"En je luchtpomp?" vroeg Kien bezorgd.

"Och jij met je luchtpompen," riep Stenford. "Jij zou maar het liefst
den heelen dag in het laboratorium hokken en van tijd tot tijd zelf
eens in de lucht vliegen. Pas maar op, Ellinghem; die vent zal nog al
je zakgeld leenen om proefbuisjes en scheikundig goedje te koopen.--Jij
moet ook meegaan, hoor Kien!"

"En ik heb zoo'n hoop strafwerk van Kolman," wierp Kien tegen op
somberen toon.

"Ik wed dat je dat met de eene hand schrijft, terwijl de andere met
de luchtpomp bezig is," merkte Stenford spottend op.

"Och, je leutert," zei Kien. "Vooruit, Ellinghem, ga mee. Stenford
is tegenwoordig dol op verkennen. De vent heeft altijd de een of
andere manie."

"'k Ben blij dat ik er tenminste jouw manie niet op nahoud," zei
Stenford lachend.--"Maar ik reken vast op je, Ellinghem; er gaan een
hoop lui mee van onze klas."

"Best," antwoordde ik, en toen was het tijd om maar binnen te gaan.

"Ik zal je naar Norman brengen," zei Bob, toen ik 's avonds in zijn
kamer kwam. "Maar vertel eerst 's wat je met Brunton hebt gehad?"

Ik legde hem uit wat er was gebeurd.

"Je begrijpt toch dat je altijd bij me kunt komen om me alles te
vertellen," zei Bob heel kalm.

"Dat weet ik wel," antwoordde ik; "maar ik wil niet met allerlei
kleinigheden je komen lastig vallen."

"Dat is flink van je," zei Bob; "maar Brunton wist zeker niet dat je
een vriend van me was."

Ik kreeg een kleur van pleizier dat Bob mij rondweg zijn vriend noemde
op St. Martin, waar hij blijkbaar zoo hoog in aanzien stond en zulk
een voorname rol speelde.

"Als hij dat had geweten, zou hij zich wel op een afstand hebben
gehouden," ging Bob voort.

"Waarom?" vroeg ik.

"Och, de vent is wat bang voor me," hernam Bob; "waarom, dat doet
er niet toe. Ik zou je wel de reden kunnen vertellen, maar ik heb
beloofd het niet te doen."

"Burns beweert dat hij het jou en mij op de een of andere manier zal
betaald zetten," zei ik.

"Laten we ons niet bezorgd maken over de toekomst," hernam Bob op
luchtigen toon. "Dat doen we niet in Canada," voegde hij er bij,
terwijl hij de borst vooruit zette. "Maar ga nou mee naar Norman."

Ik gevoelde het gewicht van het oogenblik toen ik de kamer binnenging
van den chef der school, den grootwaardigheidsbekleeder onder de
jongens.

Het was een lange jongen met een bedaard, ernstig voorkomen;
hij zat aan de tafel in een kamer die grooter was dan de gewone
studeervertrekken, wat echter niet wil zeggen dat hij een wijde ruimte
om zich heen had. Tegenover hem zat Jim Juniper een appel te schillen.

"Kom binnen, Bob," zei Norman, die mij vriendelijk toeknikte.

"Weest welkom, heeren!" riep Juniper die zich tot ons keerde, terwijl
hij met een lange schil om zijn hoofd zwaaide.

"Houd je nu eindelijk eens bedaard--" begon Bob.

"Maar ik ben de bedaardheid in persoon," wierp Jim tegen. "Is het
niet, Dick?"

Ik stond verbaasd dat iemand den chef van de school bij den voornaam
durfde noemen. Norman vond dit blijkbaar heel gewoon, want hij
antwoordde doodleuk: "Ik weet maar alleen dat je hier bij mij aan
één stuk door zit te ratelen."

"Zeg, ik verkies niet door jou te worden belasterd," riep
Juniper. "Maar laten we onzen kostbaren tijd toch niet met
beuzelingen verspillen; we moeten onze aandacht op gewichtiger dingen
concentreeren, zooals Kolman zegt. Laat dit jonge mensch nu eens een
proef afleggen van zijn kookkunst."

Voordat ik wist wat er gebeurde zat ik bij het vuur met een pannetje
in de handen, waarop een stuk of wat vette saucijsjes lagen, die
weldra begonnen te spatten en te sissen.

"Vanmorgen heb je het met Brunton aan den stok gehad," merkte Juniper
op. "Dat heeft Brys me verteld."

"Och, ik heb het eigenlijk niet met hem aan den stok gehad," antwoordde
Bob. "Prik er in met je vork, Martin, en keer ze telkens."

Deze laatste woorden werden tot mij gericht, omdat hij blijkbaar
een andere wending wilde geven aan het gesprek, want ik stond de
saucijsjes al te prikken en te keeren.

"Hij doet het prachtig," zei Juniper; "laat hem maar zijn gang gaan,
Kitsjin. Dick, je hebt een juweel van een keukenmeid, zooals de dames
zeggen op het naaikransje. Brys heeft me verteld dat je als een ridder
uit den ouden tijd hem den degen uit de hand hebt geslagen."

"Hij liet zich nog al gemakkelijk ontwapenen," mompelde Bob. "Hij
had me niet zien aankomen, dus de slag kwam onverwachts aan."

"Brys vond het zoo vreemd dat hij niet op je aanvloog."

"Ja, hij liet me met rust," antwoordde Bob kortaf.

"Hij is veel zwaarder gebouwd dan jij."

"Ja, dat is zoo," zei Bob.

"Waarom wilde hij dan niet jouw edel bloed vergieten?"

"Hè, scheid nu uit met dat gezeur over Brunton," riep Bob ongeduldig;
"hij is zooveel drukte niet waard."

Norman had zitten schrijven terwijl wij aan het praten waren. Hij
vouwde den brief nu dicht en sloot het couvert. "Hebben jullie het
zoo druk over Brunton?" vroeg hij. "Binnenkort zal er herrie komen
met dien vent; ik vertrouw dat jullie mijn partij zult opnemen."

"Verklaar je nader. Waarop doelen die geheimzinnige woorden?" riep
Jim met het gebaar van een volleerd acteur.

"Dat doet er voorloopig niet toe," antwoordde Norman; "ik geloof dat
hij de anderen een wenk gaf om hun te beduiden dat geen geheimen in
mijn bijzijn moesten verhandeld worden."

"Als je er mij buiten kunt houden, dan zou me dit hoogst aangenaam
zijn," viel Bob in.

"Dat is onmogelijk," antwoordde Norman. "Als het eenmaal zoo ver is,
dan zal ik je hulp noodig hebben. Brunton houdt er een soort partij
op na en hij zal zich geducht weren als zijn leven op het spel staat."

"Zijn leven?" riep Juniper ontsteld uit.

"Je snapt best wat ik meen," hernam Norman; "zijn leven hier op school,
bedoel ik, de plaats die hij hier inneemt."

"Laat de vent maar met rust," mompelde Bob; "raak hem maar niet met
een stok aan, of...."

"Of met een schermdegen," viel Jim lachend in.

Nu begon het gesprek te loopen over het aanstaande voetbal-seizoen
en hoe de kansen stonden voor de verschillende clubs; voordat deze
onderwerpen echter waren afgehandeld, waren de saucijsjes klaar en
moest ik als de wind brood gaan roosteren, waarbij ik handen te kort
kwam om aan alle aanvragen te voldoen.

Den volgenden middag zou een heele troep er op uit trekken om te
gaan verkennen. Dit was toen nog een nieuwtje en ik wist eigenlijk
heelemaal niet wat dit wilde zeggen, maar ik wachtte er me wel voor
om mijn onwetendheid te laten blijken.

Met Burns stond ik in een hoek van het veld te praten, toen Stenford
kwam aanloopen.

"Vooruit, zijn jullie klaar?" vroeg hij. "Hoe eerder we er vandoor
gaan, des te beter."

"Wat m-moeten we d-doen?" zei Burns, die zijn onkunde liet blijken,
waardoor hij zich eerlijker toonde dan ik.

"Wel, we gaan verkennen!" riep Stenford.--"Dat heb ik je gezegd,
is het niet, Ellinghem?"

Ik knikte ernstig van ja.

"Hoe g-gaat dat," hernam Burns.

"Wel, Sjarp trekt er op uit naar Humbie, waar hij een briefkaart op de
bus moet doen als bewijs dat ie daar is geweest--en dan moet hij naar
Broekford trekken om daar een tweede briefkaart op de bus te doen."

"En w-wat d-doen w-wij?" vroeg Burns.

"We geven hem een kwartier voorsprong," antwoordde Stenford; "dat is
een heele boel, want hij loopt verreweg het hardst van ons allemaal;
en dan trekken wij er in drie troepjes van vier op uit, want er gaan
zoowat twaalf jongens mee--en dan moeten we--"

"Hem t-te p-pakken zien te krijgen?" viel Burns in.

"Nee, we moeten hem eerst nagaan, en we moeten trachten te beletten
dat hij die kaarten op de bus doet."

"Maar als hij langs den kortsten weg naar die dorpen trekt, dan blijft
hij ons den heelen tijd voor en kunnen we niets uitvoeren," zei ik,
want nu Burns zooveel vragen stelde, durfde ik ook iets in het midden
te brengen.

"Jawel, maar hij moet langs het lage pad naar Humbie en wij gaan
regelrecht erheen over den heuvel," antwoordde Stenford.

"Het is t-te hopen dat ie d-dat wezenlijk d-doet," zei Burns
grinnekend.

"Wij zullen in elk geval met ons drieën gaan," hernam Stenford. "De
anderen staan al klaar. We zullen ons pas scheiden bij de zijwegen."

"Maar k-kunnen we n-niet allemaal samen b-blijven?" stelde Burns voor.

"Nee, dat kan niet," antwoordde Stenford heel beslist. "Ik heb de
verschillende richtingen aangegeven en de signalen en zoowat meer."

"Wat heb je om je hals hangen?" vroeg ik.

"Een verrekijker," zei Stenford op heel gewichtigen toon. "Het is
er eentje van Kien. De vent wou dol graag mee, maar hij moet z'n
strafwerk maken.--Heb je je kompas bij je, Burns?"

"Ja," antwoordde Burns die een reusachtig kompas uit den jaszak te
voorschijn haalde.

"Het lijkt wel een braadpan," merkte Stenford op. "Maar dat ding kan
wel te pas komen."

"Heeft een van jullie een kaart?" vroeg ik.

"Waarom zouden we nu een kaart noodig hebben?" zei Stenford op
minachtenden toon.

"Ken je de streek dan zoo goed?" zei ik.

"Ja, op m'n duimpje," antwoordde Stenford op luchtigen toon; "maar
met zoo'n reusachtig kompas zullen we heusch niet verdwalen."

Dit was nog de vraag, maar ik durfde als nieuweling geen tegenwerpingen
meer maken.

We trokken er met z'n allen op uit, en toen we Sjarp genoeg voorsprong
hadden gelaten--de jongen was al een kwartier geleden vertrokken--toen
scheidden we bij de zijwegen. We waren in drieën verdeeld: oost,
midden en west. Stenford, Burns en ik vormden de westelijke partij.



HOOFDSTUK XV.

DE PADVINDERS AAN 'T WERK.


"Als het allemaal waar is wat jullie vertelt, dan is Sjarp een knappe
kerel als hij niet gezien en gesnapt wordt," merkte ik op.

"M-maar hij is zoo'n s-slimme v-vent," zei Burns.

"Ja," zei Stenford; "hij kan door greppels kruipen en zich op de
onmogelijkste plaatsen verstoppen. De weg maakt ook allerlei bochten."

"Hoe moeten we nu gaan?" vroeg ik toen we een hek hadden bereikt.

"Dwars door het veld, om hem den weg af te snijden," beval Stenford.

"Ja, maar welke richting, bedoel ik?" zei ik, terwijl ik een blik
wierp over het terrein dat zich golvend voor ons uitstrekte; ik had
een gevoel of we ons op zee bevonden.

"Welke richting?" herhaalde Stenford. "Ik geloof dat we dien kant
uit moeten."

Hij maakte een eenigszins vaag gebaar. "Laten we zeggen west, noordwest
eigenlijk.--Burns, je kompas!"

Het braadpannetje dat uit den zak van Burns te voorschijn kwam werd
op den top van den heuvel gelegd en wees geen bepaalde richting aan;
de naald draaide en draaide als een tol in de rondte.

"Zoo'n akelig ding!" zei Stenford; "houd 't dan stil. Nee, schud het
eerst 's flink, Burns."

Toen het kompas geducht heen en weer was geschud werd het wederom op
de paal van het hek gelegd en bogen we er ons overheen.

"Wat wiebelt dat ding!" mompelde Stenford toen de naald al maar bleef
dansen en zwaaien. "Maar kijk 's, dat is onze richting; 't is zoo
klaar als de dag. Houd dien boom in het oog. Allo, vooruit jongens!"

We zetten er een flinke vaart achter om den tijd in te halen dien we
met het kompas hadden verdaan. Burns was echter heel gauw buiten adem
en begon te hijgen van belang.

"Dat 's hard werk!" riep ik toen we drie of vier velden waren
overgestoken.

Burns stiet een brommend geluid uit; ik geloof dat hij iets wilde
zeggen, maar door zijn gestotter en gehijg kwam geen klank over
zijn lippen.

"We hebben nog niets in de gaten gekregen," zei Stenford toen we
even halt hielden bij een omheining die nog al lastig was om over
te klimmen.

Burns was er op gesteld om wederom de richting met het kompas te
bepalen, maar ik geloof dat het hem meer te doen was om op adem te
komen. Volgens het kompas waren we te veel westelijk gegaan; toen we
het hierover eens waren vervolgden we wederom onzen tocht. We zagen
niets of niemand; de streek leek doodsch en verlaten.

"Nu naderen we," zei Stenford, toen we het hoogste gedeelte van
den omtrek hadden bereikt; "hier kunnen we misschien het een of
ander zien."

"L-laten w-we eens r-rustig uitkijken," bracht Burns met moeite uit,
die nu stond te hijgen als een stoommachine.

De velden waren in deze streken niet door heggen gescheiden maar door
steenen dijken die met gras waren begroeid, en nadat we ons achter
een van deze hadden opgesteld tuurden we oplettend om ons heen of we
ook het een of ander konden gewaar worden. Stenford keek door zijn
kijker en Burns en ik moesten het met onze oogen doen.

"Zie je Sjarp?" vroeg ik aan Stenford.

"Nee," antwoordde hij. "Kijk zelf maar."

Ik bracht den kijker voor mijn oogen en zag niets dan een golvend
landschap met dijken en schapen.

"We zijn niet hoog genoeg," zei Stenford. "We moeten in de diepte
kunnen kijken."

"Wat denk je van dien boom daar?" vroeg ik, terwijl ik wees naar een
hoogen boom in het volgende veld die daar heel alleen stond.

"'t Zal me benieuwen of ik erin kan," zei Stenford, "maar we kunnen
het probeeren."

We renden er op af en tilden hem op, waarna Burns en ik op den grond
gingen zitten om uit te rusten, terwijl hij naar boven klauterde.

"'t Is gek dat we geen van de andere jongens zien," merkte ik op.

"Ja," zei Burns, die het braadpannetje wederom te voorschijn
haalde. "Wij gingen evenals straks de richting na en hielden het
kompas gereed om aan Stenford te toonen waarin we ons hadden vergist."

Plotseling weerklonk een kreet boven onze hoofden.

"Zie je wat?" riepen we tegelijk.

"Sjarp of een van de anderen zie ik niet," riep hij terug; "het is
niet zoo'n goede plaats als je zou denken, maar ik zie wel wat anders."

"Wat dan?" vroegen we.

"Rechts is een vierkante kerktoren; jullie kunt dien vandaar niet
zien."

"Wat zou dat?" riepen we.

"Als we daarop kunnen komen, dan ligt de heele streek als een kaart
voor ons uitgespreid--dan zien we alles en iedereen."

"Prachtig," riep Burns. "T-toe, kom dan beneden."

"Ik kom al," zei Stenford, die zich langs den stam liet afglijden.

We waren zoo in onzen schik met dien vierkanten toren als
verkenningspunt, dat we Stenford maar niet lastig vielen met het
kompas; we zetten het op een loopen in de richting die hij aanwees en
weldra werden we de kerk gewaar die zich in de verte donker afteekende
tegen den hemel.

"Hoe heet het daar?" vroeg ik, want plotseling was een gedachte
me ingevallen.

"Weet niet," antwoordde Stenford, die nu over een muurtje klauterde,
"en het kan me niet schelen ook. We kunnen dien toren toch best
als verkenningspunt gebruiken zonder dat we weten hoe de kerk heet,
is het niet?"

Hiertegen viel niet veel in te brengen, en ik draafde wederom met de
anderen mede. Toen we dwars over een veld holden, werden we een boer
gewaar die ons toeschreeuwde dat we moesten terug keeren. We schonken
echter geen aandacht aan de kreten van het eerste menschelijke wezen
dat we gewaar werden en draafden verder.

Zich regelrecht naar het een of andere punt begeven, dat klinkt heel
gemakkelijk; het lijkt zoo eenvoudig, maar dikwijls doen zich heel
wat moeilijkheden voor.

"Recht op den toren af," riep Stenford een paar maal, alsof dit het
wachtwoord was dat we hadden afgesproken. Hij liep iets voor ons uit,
want hij bleek meer gehard voor den strijd dan Burns of ik. Burns
hijgde nog altijd als een stoommachine en ik vond het heel aangenaam
toen Stenford een wandelpas aannam toen we het dorp naderden. We hadden
hem nu weldra ingehaald. "We moeten niet komen aandraven," zei hij.

"Nee," antwoordde ik hijgend en blazend; "dat trekt maar de aandacht."

De kerk stond op een glooiing van een kleinen heuvel die zich links
van ons bevond. Ze lag geheel alleen; door een veld en het kerkhof
werd ze van het dorp gescheiden.

"Als we een kleine bocht maakten en van den anderen kant aankwamen,
dan zou dit misschien beter zijn," merkte Stenford op. "Dan zal
niemand ons zien."

"Die m-man komt eraan," zei Burns plotseling, die een schichtigen
blik om zich heen had geworpen.

Ja, zoowaar; hij bevond zich nog op eenigen afstand, maar hij volgde
dezelfde richting als wij.

"Ik d-dacht w-wel dat ie n-naar het dorp zou gaan," verklaarde Burns.

"Wat zou dat dan nog?" vroeg Stenford. "Maar des te meer reden om
geen sekonde te verliezen. Vooruit. Over dit hek!"

We volgden hem op den voet en wederom ging het in gestrekten draf.

"De m-man v-volgt ons niet," riep Burns hijgend, toen we een veld
waren overgestoken en hij een blik achter zich had geworpen.

"Hij gaat zeker naar huis om zijn kopje thee te drinken," zei
Stenford. "Maar wat kan die man ons eigenlijk schelen. Zeg, wat is
die toren hoog, hè? We zullen een prachtig uitzicht hebben!"

We beschreven nu een halven cirkel, zoodat de kerk zich weldra tusschen
ons en het dorp bevond.

"Ja, wat een hoogte," zei ik. "Maar hoe zullen we erin komen?"

"M-misschien z-zit de deur op s-slot," zei Burns.

"Je zal zien dat er de een of andere werkvrouw aan het boenen is,"
zei Stenford; "maar nu we eenmaal zoo dichtbij zijn, nu zullen we
erin komen; dat verzeker ik je."

Toen we de kerk waren genaderd werden we gewaar dat de deur zich aan
de andere zijde bevond.

"Dat is jammer," merkte Burns op; "want ze mogen ons niet zien."

"Het is t-toch eigenlijk heel n-natuurlijk d-dat die d-deur d-daar
is," zei Burns, "anders z-zouden d-de m-menschen om d-de k-kerk
m-moeten heenloopen."

"Zulke dingen vind ik juist zoo leuk," hernam Stenford; "een goede
oefening."

"Wat ga je doen?" vroeg ik.

"Ik ga poolshoogte nemen," antwoordde hij. "Ik ga eerst het terrein
verkennen; ik verschuil me achter de zerken, dan ziet niemand me;
ik moet natuurlijk eerst weten of de deur open is en of er niemand
in de kerk is. Als we vroegen om naar den toren te mogen gaan, dan
zouden ze dit misschien weigeren; daarom is het maar beter dat we er
op afgaan zonder verlof te vragen."

"M-moeten wij zoolang hier b-blijven?" vroeg Burns.

"Ja; verstop je achter dien hoop steenen," antwoordde hij; "ik zal
een sein geven als jullie kunt komen."

"Wat voor sein?" vroeg ik.

"Ik zal drie keer krassen als een kraai," antwoordde Stenford. "Nu
ik ga; houd me zoo lang mogelijk in het oog."

Hij sloop tusschen de zerken door en was weldra om den muur van de
kerk verdwenen.

"St-Stenford k-kan zoo g-goed verkennen," zei Burns, die diep onder
den indruk scheen.

"Ja, dat merk ik," antwoordde ik.

Daar wij geen van beiden eenige ervaring hadden op dit punt, was de
lof dien wij Stenford toezwaaiden van weinig waarde. Toen we het sein
vernamen kwamen we aanzetten en werden we Stenford gewaar die bij de
kerkdeur stond en geheimzinnig tegen ons wenkte.

"Van buiten is geen deur die toegang geeft naar den toren," fluisterde
hij; "die moet dus aan den binnenkant zijn."

"Maar ik hoor niemand," zei Burns.

"Sst, praat niet zoo hard! Een oude vrouw is aan het werk, maar
heelemaal in het andere gedeelte. Als we het slim aanleggen, dan zal
ze ons niet snappen."

Dit was nog de vraag; ik vond het echter maar het best om geen
tegenwerpingen te maken.

"De deur is van de klink en staat op een kier," fluisterde Stenford;
"we hebben niets te doen dan ze wat verder open te duwen. Volg me
maar niet te dicht; jullie doet maar wat je mij ziet doen."

"Wie zal eerst gaan?"

"Burns. Als jij erdoor bent, dan doe je de deur weer dicht."

"Best," fluisterde ik.

Stenford verdween. Burns verdween. Toen was het mijn beurt; ik volgde
hen, duikend achter de kerkbanken in de richting van het poortje
dat open stond en toegang gaf naar den toren. Het scheen hier zoo
donker na het helle licht buiten en het rook er zoo benauwd en duf,
wat een eigenaardigheid schijnt van alle dorpskerken.

Het was pikdonker onder den toren; de klokketouwen die een cirkel
vormden zagen er zoo geheimzinnig uit; we konden niet zien waar ze
eindigden. In een hoek was een klein laag deurtje dat open stond;
hierachter werden we een smalle steenen trap gewaar.

Stenford was het al door; Burns had het nu bereikt. Even wendde ik
het hoofd om om een blik door de kerk te werpen. Ik zag een oude
vrouw met een muts, die bezig was te vegen met stoffer en blik; ze
maakte hiermede zoo'n lawaai en de geluiden klonken zoo hard en hol
door het leege gebouw dat ze waarschijnlijk niets van ons binnenkomen
had bemerkt, hoewel Burns met zijn hak was uitgegleden bij den drempel
van het deurtje wat geducht leven had gemaakt.

Ik volgde Burns op de smalle trap; boven onze hoofden hoorde ik een
klok tikken; weldra werd het lichter om ons heen en hadden we de
klokkekamer bereikt. Ook hier zagen we de touwen, die wederom door
de zoldering verdwenen.

"Vinden jullie het niet dol?" vroeg Stenford verrukt.

"Wat maakt die klok een herrie!" zei Burns, die door de glazen kast
van het uurwerk stond te turen.

"We zullen een prachtig uitzicht hebben," merkte ik op, toen ik een
blik naar buiten had geworpen door een van de kleine zijramen.

"Ja, boven zullen we uren ver in den omtrek kunnen zien," zei
Stenford. "Burns, wat zie je wit; je hebt alle kalk van den muur
gewreven."

"Dan zal ik z-ze d'r w-weer opsmeren als we n-naar beneden gaan
st-straks," antwoordde hij lachend.

"We zullen eerst maar naar boven trekken," hernam Stenford. "Toe,
vooruit, jongens."

Nu ging het de hoogte in langs een breede ladder die in een hoek van
het vertrek was gezet, want de wenteltrap liep niet verder dan de
klokkekamer. In de zoldering was een open vierkant gat aangebracht,
zoodat de klokkekamer hel was verlicht en de wind drong hier binnen
door de luiken die waren opengeslagen.

"Wat een dingen," riep Burns uit, die met de hand streek over een
van de reusachtige klokken.

Er waren er acht; de grootste konden we aanraken; de kleinere hingen
recht boven ons hoofd dichtbij het dak. Alles zag er hier even vuil en
bestoven uit; toen we binnen kwamen vloog een vogel op van zijn nest.

"Ze mochten hier wel eens schoonmaak houden," zei Stenford, die het
stof van zijn jas afsloeg. "Val niet naar beneden, Burns, want je
zou er niet veel van kunnen navertellen, jongen."

Er was nog een ladder die ons nog hooger kon brengen; deze stond
tusschen balken, touwen en wielen.

"M-moeten we die op?" vroeg Burns aarzelend.

De ladder zag er dan ook tamelijk griezelig uit. Ze voerde bijna
loodrecht naar het luik in het dak en ze schudde van belang als ze
maar even werd aangeraakt.

"Stevig staat ze niet," erkende Stenford die er den voet op
zette. "Alle drie tegelijk zal ze ons niet kunnen houden."

Burns en ik toonden weinig lust om langs die ladder naar boven te
klauteren. Ze schudde geweldig toen Stenford langzaam de sporten
opging; ze stond bijna loodrecht, zoodat het wel leek of de geringste
schok haar naar beneden zou doen tuimelen waarbij Stenford in den
val zou worden medegesleept.

Toen hij het luik had bereikt begon hij dit met alle geweld naar
boven te duwen, doch tevergeefs. De ladder trilde en schudde onder
hem, doch hij kon het luik slechts een paar centimeter oplichten,
waarna het wederom met een slag dichtplofte.

"Zeg 's," riep Stenford uit de hoogte, "het is te zwaar voor mij
alleen; een van jullie moet me komen helpen."

"W-waarom z-zouden we nog hooger gaan?" vroeg Burns. die doodsbang
was dat hij naar boven zou moeten. "Van hier af k-kunnen we t-toch
ook een m-massa zien."

"Nee, dat kunnen we niet," riep Stenford kwaad. "Vooruit, Ellinghem,
samen kunnen we het best. De ladder is steviger dan je denkt. Jij
laat me toch niet in den steek wel?"

"Nee, ik denk er niet aan," antwoordde ik om me groot te houden.

Behoedzaam klauterde ik naar boven langs de ladder die vervaarlijk
begon te kraken. Toen ik halverweg was hoorde ik plotseling het lawaai
en gegons van een reusachtig raderwerk; de heele omgeving dreunde en
schudde als bij een aardbeving. Ik bleef roerloos staan en hield me
krampachtig aan de ladder vast om niet naar beneden te tuimelen.

Toen begon de klok de kwartieren te slaan, wat een oorverdoovend
lawaai maakte. Stenford riep me iets toe, maar ik kon er geen woord
van verstaan. Zelfs toen de aardbeving had opgehouden zoemde en gonsde
het nog zoo om ons heen dat ik half suf was in mijn hoofd toen ik
verder naar boven klauterde.

"Wat een herrie, hè," zei Stenford toen ik eindelijk naast hem
stond. "Veel plaats hebben we niet met z'n beiden."

Hierin had hij gelijk, maar om het luik open te kunnen krijgen moesten
we wel naast elkaar op de ladder staan.

"Ik heb een gevoel dat de ladder achterover zal vallen als we heel
hard duwen," zei ik met bevende stem. "Van boven zit ze niet vast,
is het wel?"

"Nee, jammer genoeg," zei Stenford, "maar als de ladder even zou
wippen, dan geloof ik dat ze toch weer terug zou vallen tegen den
muur."

Ik hoopte dat dit het geval zou zijn, doch ik betwijfelde sterk of
Stenford in dit opzicht gelijk had.

"Vooruit," riep Stenford; "één hand aan de ladder en de andere tegen
het luik. Juist. Wacht tot ik tot drie tel, en dan duw je uit alle
macht."

"Best," zei ik.

"Klaar? Een, twee, drie."

Het luik vloog omhoog, doch niet verder dan ongeveer tien
centimeter. We zagen een helle lichtstraal; een windvlaag streek
tegen ons aan; toen plofte het luik weer dicht met een geweldigen smak.

Ik had de ladder onder ons voelen bewegen, en het kwam me voor dat
ze iets was verschoven. Ik maakte Stenford hierop opmerkzaam.

"Burns," riep Stenford op bevelenden toon, terwijl hij een blik wierp
in de diepte waar Burns tusschen de klokken en touwen stond en angstige
blikken wierp in de hoogte. "Jij moet op de onderste sport gaan staan;
hang erop met je heele gewicht."

"D-die s-slag w-was zoo hard d-dat alles d-dreunde," zei Burns met
trillende stem; hij riep dit op zulk een schrillen toon dat het me
toescheen of de klokken wederom begonnen te gonzen en zoemen.

Stenford wachtte tot de dikke Burns op de onderste sport had plaats
genomen. "Vooruit, Ellinghem," zei hij toen, "we zullen het nog 's
probeeren. Als het luik iets naar boven gaat, dan stap je een sport
hooger; pas op dat het niet weer neerploft zooals straks."

Toen hij wederom tot drie had geteld begon het duwen opnieuw. Het
luik ging de hoogte in.

"Houd vol," riep Stenford hijgend.

Ik had een gevoel dat een vijand het luik uit alle macht naar beneden
duwde, terwijl wij onze uiterste krachten inspanden om het naar boven
te krijgen. Eindelijk hadden we het luik zóó ver open dat we het op
zij van ons hadden, en een oogenblik later schoot het omhoog met een
vaart, waarop wij hijgend en blazend maar zegevierend door de opening
kropen op het platte dak.



HOOFDSTUK XVI.

DE TOREN.


We wierpen haastig een blik om ons heen en toen doken onze hoofden
gelijktijdig naar het gat om Burns toe te roepen dat hij bij ons
moest komen. Van onzen vriend werden we niets gewaar dan het roode
hoofd dat naar ons werd opgeheven.

"Burns, 't is hier dol leuk," riep Stenford; "kom dan toch, jongen!"

"Heusch?" vroeg Burns aarzelend. "Maar kan de l-ladder m-me w-wel
houden?"

"Gerust; zeker wel vijftig van jouw soort kunnen er bij!" riep
Stenford terug.

"Houd z-ze d-dan bovenaan beet," zei Burns.

Weldra zagen we zijn vollemaansgezicht in onze nabijheid; Stenford
en ik grepen hem ieder bij een arm en trokken hem door het open luik.

"Allemenschen," riep Stenford hijgend; "als je nog een paar centimeter
grooter omvang hadt, dan zouden we het 'm niet kunnen leveren."

Nu hij die paar centimeter er nog niet bij had, slaagden we erin om
hem naar boven te hijschen; een stuk of wat knoopen bleven in den
strijd; verder kreeg hij echter geen ongeval.

"We moeten niet heelemaal recht staan," riep Stenford, "want we mogen
niet worden gezien."

Om den vierkanten toren was een hooge flinke borstwering in het rond
aangebracht, zoodat we ons "uitstekend verdekt" konden opstellen,
zooals Stenford het uitdrukte. We gingen op onze hurken zitten ieder
voor een verschillend kijkgat en tuurden in de diepte.

"Laat dien rooden bol van jou niet boven de borstwering uitpiepen,"
zei Stenford, "want anders zouden de menschen nog denken dat de kerk
in brand stond. Zeg, vinden jullie het hier niet moppig?"

"Moppig en winderig," antwoordde ik. "Zorg maar dat je pet op het
hoofd blijft staan."

"Wat kan je hier een massa zien," hernam Stenford. "Maar kijk nu uit
naar Sjarp!"

Het was goed dat hij ons hieraan herinnerde, want aan Sjarp en zijn
briefkaarten hadden we eigenlijk niet meer gedacht; we zagen nu
oplettend alle richtingen uit, overtuigd dat we hem moesten ontdekken
als hij zich hier in den omtrek bevond.

Stenford hield den kijker voortdurend voor de oogen.

"Zie je 'm?" vroegen we telkens.

"Nee, nog niet," antwoordde hij dan, terwijl hij den kijker wederom
naar een anderen kant richtte.

"Van zoo'n hoogte zou hij zeker niet grooter dan een vlieg lijken,"
merkte ik op. "Kijk maar 's naar dien man die nu door de dorpsstraat
loopt."

"M-moest hij hier d-die briefkaart op de bus d-doen?" vroeg Burns
plotseling.

"Weet niet," antwoordde Stenford die nog altijd den kijker voor de
oogen hield.

"O, ik dacht dat je zeker wist dat dit het dorp was," zei ik.

"Er is daar ook een dorp, en iets verder is er ook een, en daar zie
ik ook een kerktoren," antwoordde Stenford. "Kijk zelf maar 's!"

Burns en ik hielden het ding beurtelings voor de oogen en moesten
bekennen dat van Sjarp geen spoor was te zien.

"Maar waar zijn we toch eigenlijk?" vroeg ik.

Burns bleek toch een kaart bij zich te hebben; we spreidden die plat
uit op het dak en begonnen ze te bestudeeren.

"Je braadpan," beval Stenford, waarop Burns het kompas te voorschijn
haalde; na het flink te hebben heen en weer geschud lei hij het ding
op de kaart.

"Ik denk dat we hier zijn," zei Stenford die een punt met den vinger
aanwees. "Hier ligt een dorp en hier staat een kruis, waarmee ze de
plaats aangeven van een kerk."

"En de zee dan?" vroeg ik. "Die is toch aan dien kant." Ik lichtte
het hoofd op en tuurde door het kijkgat. "Vanhier kan ik de zee
duidelijk onderscheiden, maar volgens de kaart ligt ze juist aan den
anderen kant."

"En d-dit dorp l-ligt wel t-tien kilometer v-van St. Martin af,"
merkte Burns op; "we z-zullen n-nooit op t-tijd thuis z-zijn."

"'t Is te hopen van wel," mompelde Stenford.

We begonnen nu allerlei dorpen aan te wijzen, waar we ons konden
bevinden volgens onze berekening; alleen die te ver waren afgelegen
kwamen niet in aanmerking.

Eigenlijk vond ik dit zoeken in den blinde een rare manier.

"En als we te ver zijn gegaan en niet op tijd thuis komen wat
dan?" vroeg ik.

"Geen sprake van!" riep Stenford. "We zijn pas op weg. Trouwens hebben
we op Zaterdag extra verlof."

"K-Kijkers heeft gezegd dat we dit n-niet meer z-zouden, krijgen,"
merkte Burns op.

"Kijkers is niet wijs!" zei Stenford, die de zaak hiermede als
afgedaan beschouwde.

"Gek dat we geen van de anderen hebben gezien," merkte ik op; "die
zijn zeker allemaal den anderen kant uit."

"Of we ze zien of niet zien, ik vind het hier wat leuk," verklaarde
Stenford.

We stemden hiermede in. Ons geweten stelden we gerust door nu en
dan een blik te werpen door de kijkgaten van de borstwering in de
hoop den onzichtbaren Sjarp in het oog te krijgen, doch het grootste
gedeelte van den tijd brachten we door met lui uitgestrekt te liggen
op het zinken dak dat door de namiddagzon werd bestraald en warm
werd gestoofd.

"Jammer dat Kien er niet bij is," zei ik, daar ik medelijden gevoelde
met den armen stakker die met dat heerlijke weer aan zijn strafwerk
zat te pennen.

"Wees maar blij dat ie niet hier is," antwoordde Stenford slaperig. "De
vent zou anders zeker de wetten van de zwaartekracht op je willen
beproeven en je over den rand van den toren gooien om te zien hoe
lang het duurt voor je op den grond bent beland; misschien zou onze
goede dikke Burns er ook aan moeten gelooven omdat hij het hoogst
belangrijk zou vinden om de vermeerdering van snelheid te bepalen
tusschen de eerste en de tweede sekonde van den val."

"B-best mogelijk," zei Burns lachend; de gedachte alleen maakte hem
wat huiverig en daarom schoof hij wat meer naar het midden toe.

"In een paar sekonden zijn we weer beneden," merkte Stenford op.

"Ja," zei ik, terwijl ik wederom den kijker nam, in de hoop Sjarp
ditmaal gewaar te worden.

"Zie je hem?" vroeg Stenford onverschillig.

"Nee," antwoordde ik; "'k zie niets en het dorp ligt als verlaten. Een
stuk of wat kippen die buiten loopen; dat is alles.

"Ze schijnen het zich in deze streek niet druk te maken!" merkte
Stenford op, die zich in een gemakkelijke houding uitstrekte. "Hebben
jullie ook zoo'n trek in chocola?"

"Of wat het maar is," zei Burns. "Ik k-krijg z-zoo'n honger."

"De zon gaat onder," merkte ik op. Ik begreep dat het niet vroeg meer
kon zijn. Wij hadden geen van drieën een horloge meer bij ons; wel
hadden we naar het slaan van de klok gehoord, doch het was eigenlijk
niet tot ons doorgedrongen welk uur ze aangaf. In mijn gevoel lagen
we al een heelen tijd op het dak. Stenford was ingeslapen. De zon was
nu heelemaal onder en het begon harder te waaien, zoodat we het koud
kregen. De klok liet drie slagen hooren.

"Kwartier voor vijf," zei Stenford die zich nu half oprichtte en
geeuwde. "Hoe zouden jullie het vinden als we over een kwartier
opstapten?"

"Best," zei ik. "Zouden we Sjarp nog te zien krijgen?"

"Geen denken aan," antwoordde hij. "'t Is mogelijk dat we 'm snappen
voordat ie thuis komt. We zullen naar hem blijven uitkijken. 't Zou
wel leuk zijn als het nog lukte."

Burns en ik waren dit met hem eens. De duisternis begon te vallen.

"Niemand zal ons nu toch in de gaten krijgen," zei ik, terwijl ik
opstond en heen en weer ging loopen langs de borstwering. Burns stak
de braadpan in den zak en vouwde zijn kaart op.

"Weet je den kortsten weg naar huis?" vroeg ik.

Stenford stiet een brommend geluid uit wat zooveel als "ja" moest
beteekenen. Hij moest zijn best doen om zijn geeuwen in te houden. "Ik
geloof dat het nu tijd is om te gaan," zei hij. "Wat was het hier leuk,
hè! Vooruit, jongelui, nu naar beneden. Wie het eerst?"

"Ik," riep Burns, die onmiddellijk de beenen door het luik stak.

"Laat je handen niet los, voor je de voeten op een sport hebt,"
riep ik hem toe.

"N-nee, z-zoo wijs ben ik!" antwoordde Burns hijgend die zich nu
krampachtig aan den rand vastgreep terwijl zijn lichaam langzamerhand
in de diepte verdween. Weldra zagen we niets meer van hem dan het roode
sproetige gezicht waarop nu een kalm-gelukkige uitdrukking verscheen.

"Ben je d'r?" vroeg ik.

"Ja," stiet hij hijgend uit, "maar het is l-lastig voor je d-die
eerste sport h-hebt. K-kom niet te gauw achter me aan!"

"Wees maar niet bang," stelde Stenford hem gerust. "O, daar slaat de
klok weer."

Langzaam werden de kwartieren aangegeven.

"De l-ladder t-trilt ervan," verklaarde Burns op angstigen toon. "Laten
we even wachten tot het uur is geslagen. Die groote klok maakt
zoo'n heisa."

Boem klonk het en we begonnen allen tegelijk de slagen te tellen:
Een--twee--drie--vier--vijf--we dachten dat het toen uit was, maar
de klok liet nog een slag hooren.

"Zes uur!" riep Stenford. "Het is een uur later dan ik dacht. Maar
die klok is misschien gek. Anders konden we er wel 's leelijk
tegen aanloopen!--Vooruit, Burns! Kerel, wat ben je toch langzaam
uitgevallen!"

Na dit verwijt was Burns in een oogwenk verdwenen. Stenford volgde
hem zoo gauw dat het wel leek of hij door den ander met een touw naar
omlaag werd getrokken. Ik hoorde hun laarzen op de sporten kletteren
en ik vernam den kreet dien Burns slaakte toen Stenford hem onder
aan de ladder had ingehaald en op hem had getrapt.

Een oogenblik later stond ik naast hen. Stenford ging ditmaal voorop
en daalde de tweede ladder af met de snelheid van een acrobaat. Burns
volgde blazend en hijgend.

"N-niet te gauw," riep hij me toe.

Toen ik de klokkekamer had bereikt zag ik in het schemerlicht nog
juist het hoofd van Stenford die de wenteltrap reeds afdaalde.

"Stenford, luister 's," riep ik.

"Wat is er?" vroeg hij wrevelig.

"We hebben het luik open gelaten."

"Wat zou dat?" riep hij. "Wat kan ons dat luik schelen!"

"Het zou toch misschien beter zijn geweest als..." begon ik.

"Zou je het alleen kunnen?"

"Misschien."

"Best; dan zullen wij beneden op je wachten," riep hij me toe.

Ik rende wederom de ladders op; twee gedachten joegen me angst
aan. Ten eerste was ik bang dat ik het luik niet in mijn eentje zou
kunnen sluiten, en dan, en dan, maar die gedachte was zoo vreeselijk
dat ik er niet bij durfde stilstaan.

Ik moest wederom op het dak klauteren en mijn krachten beproeven met
dat zware monster, dat me nu wederom een vijand toescheen die uit
alle macht weerstand bood. Na een gevecht van man tegen man kreeg
ik het recht overeind waarna ik eronder kroop en het toen langzaam
liet zakken.

Dit zakken ging echter plotseling met zoo'n vaart dat ik langs de
ladder werd geduwd en tusschen de klokketouwen terecht kwam voordat
ik eigenlijk wist wat er met me gebeurde. Het luik was met zoo'n
kracht op mijn hoofd terecht gekomen hoe ik ook had gedoken om den
slag te vermijden, dat ik een oogenblik als versuft was. Toen ik de
klokkekamer had bereikt, had ik een gevoel dat ik mijn heele leven
niets meer met luiken wilde te maken hebben.

Ik vond den weg in het donker naar de wenteltrap. Straks toen het
nog klaarlichten dag was, was het hier al donker genoeg, maar nu
heerschte volslagen duisternis in de kerk, die zich als een zwarte
ruimte voor me uitstrekte; ik gooide een schop om die een zinken emmer
omver wierp. De echo weergalmde nog door het gebouw toen ik tusschen
de kerkbanken sloop in de richting van de deur.

Ja, Stenford en Burns hadden woord gehouden en stonden op me te
wachten. Ik rende tegen hen aan in het donker.

"Zeg, hoe vindt je nu zoo iets?" zei Stenford fluisterend. "De deur
zit op slot."

Ik had hier een voorgevoel van gehad. Dat was de gedachte die me zulk
een angst had aangejaagd.

Stenford liet het voorkomen of hij het geval tamelijk luchtig opvatte,
doch het was duidelijk merkbaar dat hij er geducht mee in zat.

"Op slot?" vroeg ik.

"Ja; dat oude mensch is naar huis; we zitten nu gevangen." Ik ruggelde
natuurlijk aan de deur om me van de waarheid te overtuigen. Dat doet
iedereen die voor een deur komt te staan en als hem wordt verteld
dat die op slot zit.

"Laat dat maar gerust," zei Stenford wrevelig. "Denk je soms dat wij
er niet aan hebben staan morrelen?"

"Ja, w-wij hebben het z-zeker wel t-tienmaal geprobeerd," beaamde
Burns.

De deur zat op slot. Ik draaide aan de kruk en duwde en trok, doch
tevergeefs.

"Ben je nu overtuigd?" vroeg Stenford.

"Dan moeten we er op een andere manier zien uit te komen," antwoordde
ik.

"Hoe dan?"

"Door het raam."

"Kan niet. Kijk maar."

De vensters konden ons niet helpen. We liepen met ons drieën het
geheele gebouw door; we speurden in alle hoeken en gaten en probeerden
nog of twee andere deuren ook op slot zaten. De ramen waren smal en
voorzien van ijzeren traliewerk; van boven waren kleine openingen
aangebracht voor toevoer van versche lucht. De kleine zijdeuren
schenen nog vaster op slot te zitten dan de hoofddeur.

Toen we het vruchtelooze van onze pogingen inzagen, gingen we naast
elkaar in een bank zitten alsof we naar een preek gingen luisteren. Een
minuut of wat bleven we zwijgen.

"We zijn er bij," zei Stenford. "Wat zou er voor ons op zitten?"

Ik was nog te weinig op de hoogte van de toestanden op St. Martin om
deze vraag te kunnen beantwoorden.

"Van K-Kijkers z-zullen we w-wel op ons ge-gezicht k-krijgen,"
zei Burns.

"Maak je maar niet druk over Kijkers," zei Stenford ongeduldig. "Ik
wou dat ik den man weer zag. De vraag is alleen; hoe zullen we hier
vandaan komen?"

"Zou iemand de kerk binnen gaan om de kachel aan te maken of zoo iets,"
merkte ik op.

"Ze stoken nog niet," antwoordde Stenford; "voor morgenochtend zal
hier wel niemand verschijnen."

"Ik kan me niet begrijpen wanneer dat oude mensch is weggegaan,"
hernam ik, "we hadden haar toch vanaf den toren moeten zien."

"Het doet er weinig toe wanneer ze is weggegaan," antwoordde Stenford
op bitteren toon. "Ze is weg en daarmee uit. Ze ging er zeker vandoor
toen we met dat ongelukkige luik bezig waren. 'k Wed dat ze toen heel
kalm naar huis is getrokken om haar kopje thee te drinken; dat doen
die oude vrouwen altijd," voegde hij er nijdig bij, alsof het mensch
zich hoogst onbetamelijk tegenover ons had gedragen.

"'k Heb z-zelf z-zoo'n trek in thee," verklaarde Burns.

"Wat zullen we doen?" vroeg Stenford die opstond. "We kunnen onzen
tijd hier niet zitten te verleuteren."

"We moeten de menschen in het dorp waarschuwen," zei ik; "ten minste
als zij mogen weten dat we hier zijn."

"Dat mogen ze, als wij daardoor eruit kunnen komen."

"M-maar hoe?" vroeg Burns.

"We kunnen op den toren gaan staan schreeuwen," antwoordde ik.

"Vooruit dan," riep Stenford; "als we ons niet haasten, zijn de lui
misschien naar bed."

Wederom ging het naar boven langs de wenteltrap en door de klokkekamer
en langs de eerste ladder; in het donker leken de klokken nog
reusachtiger dan straks.

"Heb je het luik dicht gekregen?" vroeg Stenford.

"Ja; een lastig karweitje."

"Jammer," zei hij.

Ik was dit met hem eens, want ik voelde nog den slag op mijn hoofd.

We trokken opnieuw aan het werk en na eenigen tijd stonden we wederom
op het dak; we keken in de richting van het dorp waar de lichten hier
en daar werden ontstoken. Aan den hemel verschenen reeds sterren;
de wind die nu hevig kwam opsteken woei met rukken tegen ons aan.



HOOFDSTUK XVII.

HET KLOKKETOUW.


"Vooruit dan," riep Stenford, die zichzelf als koorleider had
opgeworpen; "als ik drie zeg, dan gil je het uit zoo hard als je kunt."

"Maar wat moeten we uitgillen?" vroeg Burns.

"Schreeuw maar wat je wilt. Roep hal-lo, dat is toch misschien
beter.--Klaar?"

Zesmaal schreeuwden we "hal-lo" en wachtten wat er zou gebeuren;
wederom zesmaal geschreeuw en wederom wachten en toen gilden we het
voor de derde maal zes keer achter elkaar uit.

"De wind waait den verkeerden kant uit," zei ik; "het geluid gaat
juist van het dorp af."

Toch gaven we het niet op. Ons "Hal-lo" weerklonk op alle mogelijke
hooge en lage tonen; het was of we koorzangers waren die zich met
woesten ijver op de zangstudie toelegden. Toen we schor waren tuurden
we met de grootste aandacht in de diepte om te zien of er ook iemand
met een licht kwam aanzetten uit de richting van het dorp. Doch wij
konden geen levend wezen gewaar worden.

"Ze h-hooren ons n-niet," zei Burns.

"Die lui zijn zeker allemaal doof," zei Stenford, die ongeduldig
met zijn voet stond te stampen; "en als ze ons hooren, dan denken ze
misschien dat een haan staat te kraaien of een ander onmogelijk dier."

Heel vleiend voor onze stemmen klonk dit niet, maar ik hield die
opmerking maar voor me.

"Hanen kraaien niet 's n-nachts," zei Burns.

"Och, zeur niet, kerel! 't Is best mogelijk dat ze ons dan houden
voor loeiende koeien of balkende ezels, of wat je maar wilt."

"Ik voor mij geloof dat ze niets hebben gehoord," zei ik toen we
een tijd lang hadden gezwegen. "Als we maar wat licht konden maken,"
voegde ik er bij.

"Die lui zijn zeker even blind als doof," mompelde Stenford; "maar
hoe zou je licht kunnen maken?"

"Dat weet ik niet," antwoordde ik. "Had ik maar de electrische lamp
van Bob," dacht ik bij mezelf.

"Het geeft geen steek of we hier al blijven staan," zei Stenford. "Toe,
ga mee."

Ik zorgde er nu wel voor om niet de achterhoede te vormen, want ik
gevoelde weinig lust om dat luik voor de tweede maal op mijn hoofd
te krijgen. Het zware ding kwam neer met een plof die den toren
deed dreunen.

"'k Ga niet meer op het dak," zei Stenford, toen hij en Burns zich
wederom bij mij hadden gevoegd, blazend en hijgend. "Ik dacht dat we
er allebei het hachje zouden inschieten toen dat luik met een smak
dicht viel. Voor m'n heele leven heb ik genoeg van zware luiken."

"Wat zullen we nu doen?" vroeg ik, toen we in de klokkekamer waren
beland.

"Vraag dat aan je grootje," zei Stenford. "We zullen hier vannacht
wel moeten blijven."

De klok begon wederom te slaan. "Zouden we d-dat ding niet kunnen
laten stilhouden?" vroeg Burns.

"Waarom?" vroeg Stenford. "Denk je dan dat de tijd ook zou stil staan
en dat we daardoor minder op ons gezicht zouden krijgen van Kijkers?"

"Nee, zoo'n uil b-ben ik n-niet," antwoordde Burns; "m-maar d-dat
zouden z-ze toch in het dorp m-merken?"

"Geen denken aan!" zei Stenford die blijkbaar weinig idee had van het
verstand van dorpbewoners. "Die lui weten misschien niet eens welke
maand van het jaar we op het oogenblik hebben."

Plotseling kwam ik op een inval.

"Ik weet wat," riep ik uit op zóó verheugden toon dat Stenford een
oogenblik werd opgevroolijkt.

"We kunnen de klok luiden," zei ik.

"Dan zullen ze denken dat de klokkeluiders bezig zijn te oefenen."

"Maar dat zullen de klokkeluiders zelf toch niet denken als ze rustig
en wel thuis zitten."

"Hm," bromde Stenford; "we zouden het kunnen probeeren, maar als
de kerels komen aanzetten, dan ziet het er misschien leelijk voor
ons uit."

"Als z-ze k-komen, k-kunnen we d-dan niet ontsnappen?" vroeg Burns.

"Het zou Kolman misschien ter oore komen," zei Stenford die ernstig
het hoofd schudde, "en dan zouden we er geducht van langs krijgen."

"Maar dan w-waren we hier t-ten minste v-vandaan," zei Burns.

"Dat is een feit. Wat dunkt jullie? Zullen we het er op wagen?"

We daalden de trap af tot waar de touwen binnen ons bereik hingen;
toen bleven we stil staan.

"Kunnen jullie klokken luiden?" vroeg Stenford.

"Nee," antwoordde ik. "Je hebt toch alleen maar aan het touw te
trekken, niet?"

"Heel g-gemakkelijk w-werk," verklaarde Burns.

"Jawel, maar ik heb wel 's hooren zeggen dat als je niet heel
voorzichtig bent, dan neemt het touw je mee in de vaart en dan wordt
je schedel tegen de zoldering gekraakt."

"Dat zal nog wel gaan," zei ik. "Toe vooruit; laten we de touwen met
ons drieën grijpen. Het is misschien zwaar werk."

We begonnen te trekken en te trekken, doch tevergeefs.

"L-lastig k-karweitje," verklaarde Burns die met zijn heele gewicht
aan het touw hing.

"Waarom kunnen die dingen niet behoorlijk in orde zijn," zei Stenford
kwaad.

We stonden nu in volslagen duisternis; ieder hing aan een touw en
we luisterden aandachtig of we ook een klank van metaal boven ons
hoofd vernamen.

"Weet je wat we konden doen?" zei Stenford. "Burns, luister, ik
kan geen steek van je zien. Als je het touw wat heen en weer laat
glijden door je handen, dan komt er misschien beweging in. Dat doen
klokkeluiders ook."

Nauwelijks had ik dit bevel opgevolgd, of ik kwam op een inval. "Scheid
uit met trekken; ik weet wat," riep ik.

"Ik verzeker je dat dit de manier is," wierp Stenford tegen.

"Maar ik weet iets veel beters dan de klok te luiden."

"Wat dan?"

"Kunnen jullie langs een touw naar beneden glijden?"

"Op gym dikwijls genoeg gedaan," antwoordde Stenford.

"En jij, Burns?" vroeg ik.

"Ik kan het tamelijk goed," antwoordde Burns nederig.

"Ik weet niet of ik het er behoorlijk zal kunnen afbrengen, maar ik
wil het graag probeeren."

"Wat wou je dan?" zei Stenford.

"Als we naar de klokkekamer trekken, kan kunnen we een van die
touwen naar boven halen door den vloer heen van de verschillende
verdiepingen."

"Dat kunnen we zeker."

"Dan halen we dat gebroken luik weg van het raam en gooien het touw
er door."

"Maar denk je dat de lui in het dorp dat ding zullen zien?" vroeg
Stenford.

"'t Is ten minste te hopen van niet," antwoordde ik.

"O, ik b-begrijp het!" riep Burns verrukt uit. "W-we g-gaan door het
r-raam en l-laten ons n-naar b-beneden g-glijden l-langs het touw!"

"Juist," zei ik, "en dan gaan we er vandoor, zonder door iemand te
zijn gesnapt."

Stenford was misschien kwaad op zichzelf dat hij niet op dien inval was
gekomen. Hij wilde tegenover een nieuweling als ik niet onmiddellijk
toegeven.

"Een zonderling plan," merkte hij op.

"Maar het is best te doen," antwoordde ik. "Toe ga mee."

"Maar zou het touw lang genoeg zijn?" vroeg hij.

"Natuurlijk," zei ik; "die touwen reiken hier toch bijna tot den
vloer. We gooien er een buiten het raam met dat gebroken luik dat
zich gelukkig juist aan den anderen kant als het dorp bevindt--we
behoeven dan niet meer dan een kleinen sprong te doen om op den grond
terecht te komen. 't Is geen oortje waard. Bij dat gedeelte van den
toren loopt de grond zelfs een beetje op."

"J-ja, d-dat is zoo," viel Burns bij. "Toe, Stenford, ga mee."

"Maar op die touwen zit zoo'n dikke laag stof dat ze niet door de
gaten van den vloer heen kunnen," wierp Stenford tegen.

"Ik heb gezien dat een van de touwen nieuw is," antwoordde ik. "Dat
zullen we nemen; dit is het, want het had onderaan een lus. Als we
die los maken, dan reikt het zeker tot den grond."

"Toe, St-Sten ga mee," drong Burns aan. "We zullen p-probeeren of
het g-gaat."

"Maar waaraan zitten die touwen vast gemaakt?" vroeg Stenford. "Geloof
je, dat zoo'n touw ons zou kunnen houden?"

"We zullen zien of ze stevig genoeg zitten," zei ik. "Dit touw is
dus van de verste klok aan den rechterkant Dat treft; het is juist
de kant van het raam dat we door moeten."

Burns was intusschen al bezig met de lus uit het touw te halen,
waarmede hij spoedig gereed was.

"Zie je wel; het sleept zelfs op den grond," zei ik; "zit er geen
knoop of knoest meer in, Burns?"

"Nee, je k-kan het ophalen," verklaarde Burns.

Zonder verder bij Stenford aan te dringen, dat hij zou meegaan,
begon ik de trap op te klimmen, door Burns op den voet gevolgd.

We hoorden Stenford achter ons aankomen en de klokkekamer gingen we
met ons drieën binnen.

"Waarom kunnen we ons niet van hier af naar beneden laten
glijden?" vroeg hij.

"Dat is nog al glad," antwoordde ik. "Hier is toch geen raam om het
naar buiten te krijgen."

"Ja, dat is zoo," mompelde hij. De vensters waren hier in den steenen
muur aangebracht en konden niet worden geopend.

In de dakkamer was het iets lichter dan op de trap; we konden het
bewuste touw duidelijk onderscheiden; het bleek te zijn vast gemaakt
aan het rad van een van de grootste klokken.

"Trek maar op." zei ik; "dan zien we gauw genoeg of we het goede touw
hebben te pakken."

Zes handen begonnen aan het touw te trekken alsof een emmer uit een
put werd gehaald.

Het ging gesmeerd; in een oogenblik hadden we het naar boven gekregen
en lag het als een kabel aan onze voeten.

"Ja, het is het goede," verklaarde Stenford. "Zou het stevig genoeg
zijn vastgemaakt? Hè, was het maar wat lichter!"

"Ik durf het er op wagen," zei ik. "Het heeft toch die zware klok in
beweging moeten brengen."

"Ik w-waag het er op," zei Burns.

"Bravo, Robert Burns!" riep Stenford, wiens vroolijke, opgewekte aard
weer boven kwam. "Zou jij het eerst durven gaan?"

"Zeker," verklaarde Burns heel beslist.

"Nee, Stenford, jij moet eerst gaan," zei ik. "Jij bent handiger. Houd
jij het touw vast als je beneden bent; dat is voor ons gemakkelijker."

"Best," antwoordde Stenford. "Geloof je dat het door de zwaarte recht
zal afhangen?"

"Dat zullen we gauw genoeg gewaar worden," antwoordde ik; "laten we
dat luik weg halen."

In een oogwenk hadden we het luik er af, en lieten we het touw door
het raam vieren. In de schemering zagen we het heen en weer zwaaien,
terwijl onze drie hoofden zich voor het raam verdrongen om het touw
te volgen dat langzaam daalde.

"Die vooruitstekende rand is een leelijk ding," zei Stenford; "dat
is bij de verdieping van de klokkekamer. Als het daar maar niet
blijft haken."

Dit gebeurde echter niet. Al zwaaiend en bengelend zakte het touw,
dat eindelijk in de volle lengte afhing, en volgens onze berekening
zeker wel tot den grond moest reiken.

"Dat zullen we ten minste maar hopen," zei Stenford. "We zullen het
gauw genoeg ondervinden."

"Het touw leek me verschrikkelijk lang," zei ik; "misschien sleept
het wel op den grond."

Ik trok het nu recht van het rad naar het raam.

"Hoe voelt het?" vroeg Stenford.

"Stevig als een muur," antwoordde ik. "Geen verwikken of verwegen aan."

"H'm," zei Stenford, die voor het raam stond en naar beneden keek. "Het
lijkt me een heele reis."

Burns lachte, doch scheen zich nu minder op zijn gemak te gevoelen
dan straks. "Het touw zwaait wel erg," merkte hij op.

"Als je eraan hangt zal het wel niet meer zwaaien," antwoordde ik. Ik
had het plan gemaakt en kon nu niet velen dat telkens bezwaren werden
geopperd.

"Ik voor mij zou graag zien dat een flinke kerel het beneden strak
hield," zei Stenford. "Dus--ik moet het eerst gaan?"

Zonder antwoord af te wachten klauterde hij op de vensterbank; hier
keerde hij zich om en greep het touw met beide handen vast, terwijl
hij het ook zooveel mogelijk tusschen de knieën hield.

"Niet naar beneden kijken," riep ik, toen ik zag dat hij het hoofd
wilde omdraaien. "Blijf maar naar boven zien en houd je handen
goed vast!"

Op dit oogenblik dacht ik aan Bob die den avonturier zeer zeker
moed zou hebben ingesproken. Burns en ik hielden het touw zoo strak
mogelijk en een weinig in de hoogte, omdat ik bang was dat het zou
slijten als het te veel tegen de vensterlijst schuurde, want het hout
was ruw en scherp.

"Nou, ik ga er vandoor," zei Stenford met een eigenaardigen klank in
zijn stem, terwijl hij zich langzaam van de vensterbank liet glijden.



HOOFDSTUK XVIII.

WAT IK VERNAM.


Door het gewicht van zijn lichaam werden we in een oogwenk naar het
raam meegetrokken. Ik kon het rad achter ons hooren kraken onder de
strakke spanning van het touw; even was ik bang dat de klok nu toch
zou gaan luiden, doch daarvoor was de richting te zijdelingsch.

"Als een st-steen d-die naar beneden rolt!" riep Burns uit.

Toen ik mijn hoofd over de vensterbank boog had Stenford den
vooruitstekenden rand bereikt bij de verdieping van de klokkekamer; een
oogenblik liet hij de voeten hierop rusten, maar het touw slingerde
als een wijzer heen en weer en bijna onmiddellijk werd de tocht
voortgezet. Even later, naar het ons toescheen, voelden we het touw
weer slap hangen.

"Ben je beneden?" riep ik.

"Ja," antwoordde hij, "maar laat Burns niet komen voordat ik het
zeg. Als ie kan moet ie zijn beenen om het touw zien te kronkelen."

Zijn stem drong ternauwernood tot ons door. Ik begreep dat het toch
niet zoo gemakkelijk was om langs dat touw naar beneden te glijden. Een
rilling voer door me heen bij de gedachte dat hij het touw zou hebben
kunnen loslaten en te pletter zijn gevallen; dan zou ik zijn dood op
mijn geweten hebben gehad. Zelf had ik het eerst moeten gaan om den
sleutel ergens vandaan te halen; dan had ik de deur voor de anderen
kunnen open sluiten, al zouden we dan ook zijn gesnapt.

"Het is te gewaagd, Burns," zei ik. "Ga niet."

Burns scheen echter vast besloten het wel te wagen. Hijgend en blazend
zat hij op de vensterbank te wachten tot Stenford het sein zou geven.

Het touw werd nu plotseling strak gespannen doordat er van beneden
aan werd getrokken. We zagen in de diepte een donkere stip, de pet
van Stenford.

"Vooruit maar!" riep hij, en als een aal gleed Burns omlaag. Een
oogenblik dacht ik dat zijn plompe lichaam tegen den vooruitstekenden
rand zou aanbonsen, maar neen--hij ging er langs en even later voelde
ik wederom het touw slap hangen.

"Wacht nog even!" riep Stenford opnieuw. "Ja, zoo; kom maar!"

Ik kroop nu op de vensterbank en begon te dalen. Eerst dacht ik dat
het touw in brand zou vliegen, zoo gloeiend voelde het aan toen ik
er langs gleed, maar als ik het een sekonde los liet, dan zou ik
te pletter vallen. Ik was me nog bewust dat ik den vooruitstekenden
rand had bereikt; ik hoopte nu weldra vasten grond onder de voeten
te gevoelen, maar nog altijd had ik dat gloeiende touw in de handen;
eindelijk voelde ik iets zachts en stevigs onder me en kwam ik tot
het besef dat ik op mijn rug lag op een grasperk van het kerkhof.

"Je hebt het er goed afgebracht," zei Stenford. "Eerst is het een
beetje een raar gevoel, hè?"

"Mijn handen doen zoo zeer," antwoordde ik. "Ze bloeden," riep ik uit,
toen ik ernaar keek omdat ze ineens zoo nat aanvoelden.

"Dat is met Burns en mij ook het geval," zei Stenford. "Dat was nog
's wrijving. Maar we zijn beneden; dat is het voornaamste."

"Ja, w-we zijn b-beneden," beaamde Burns.

"Maar we zijn nog niet thuis," merkte ik op.

Een oogenblik gingen we naast elkaar zitten in het koele gras om te
beraadslagen, terwijl we onze verwonde handen met zakdoeken afveegden.

"Ik heb er genoeg van om langs touwen naar beneden te glijden," zei
Stenford. "Bij jullie hing het ten minste strak, maar ik bengelde
en bengelde als--ja, ik weet niet als wat. Maar ik ben dood op en ik
rammel van den honger."

"En we weten niet den weg naar huis," zei ik.

"En d-dien k-kunnen we n-niet vragen," viel Burns in.

"Ik w-weet wat," zei Stenford met een geeuw. "We zullen naar de
zee trekken."

"W-wou je niet t-terug?" vroeg Burns op een toon van angstige
verbazing.

"Jawel; ik ben niet van plan om als een zeeman het ruime sop te
kiezen, ten minste niet zoo gauw na die touwgeschiedenis. Aan boord
ben je immers den heelen dag met touwen en kabels bezig, is het niet,
Ellinghem?"

"Kom, zeur nou niet langer," antwoordde ik; "laten we liever 's
beraadslagen hoe we het gauwst naar huis komen."

"We weten van hier af niet aan welken kant de zee ligt. Daarom moeten
we om dit lamme dorp heentrekken en dan zullen we de zee zien. Vanaf de
klippen worden we natuurlijk dadelijk de lichten van St. Martin gewaar
en den vuurtoren in de eerste plaats. Dat zullen we dus maar doen, hè?"

"We zullen niet voor middernacht thuis komen," merkte ik op met
een zucht.

"Daarom moeten we ons op weg begeven, hoe eer hoe beter," antwoordde
Stenford. "Vooruit, Burns, als je langer blijft zitten, dan verander
je zelf nog in een struik, kerel."

We slopen behoedzaam over het gras en tusschen de zerken door die in
het schemerdonker ons spookachtige gestalten toeschenen; we liepen
daarna langs den muur en kwamen in een laan terecht en toen op een
straatweg en toen weer in een laan, en eindelijk hadden we de zee
bereikt en zagen we de lichten van St. Martin flikkeren in de verte.

Het was een geducht eind dat we moesten afleggen en toen we de school
waren genaderd staken we loom en vermoeid het vierkante plein over
zonder een woord tegen elkaar te zeggen.

We bleven nu stilstaan.

"We moeten niet tegelijk naar binnen," ried Stenford aan. "Het kan
zijn dat we niet zijn gesnapt bij het afroepen van de namen."

"Dat kan je begrijpen," zei Burns. "Ga jij maar voorop, dan kom ik
achter je aan."

"Net als straks!" zei ik. "Dan ben ik nummer drie."

"Praat me niet meer van dat touw," zei Stenford; "mijn handen doen
nog zoo'n pijn. Het is het best dat je twee minuten wacht, Burns;
nou ik ga!" In een wip was hij verdwenen om den hoek van het gebouw.

"Ga jij nu," zei ik, toen de twee minuten, volgens mijn berekening
waren verstreken, waarop Burns verdween; ik bleef alleen achter.

Ik gevoelde me zoo dood-vermoeid na ons avontuur en het leek me
zoo ondenkbaar dat de afwezigheid van drie jongens niet zou zijn
bemerkt, dat ik zeer zeker regelrecht naar binnen zou zijn getrokken
als Stenford en Burns er niet op hadden aangedrongen om een voor een
binnen te sluipen. Door mijn roekeloosheid wilde ik niet de kans voor
hen bederven om niet te worden gesnapt. Ik leunde tegen den muur bij
de hoofddeur om een weinig uit te rusten, en het scheelde weinig of
ik was van vermoeidheid in slaap gevallen.

Plotseling werd ik klaar wakker, want ik vernam het geluid van
voetstappen en stemmen in dat gedeelte van het gebouw dat zich vlak
boven mijn hoofd bevond. Ik wist dat daar een gang liep, waarvan het
raam nu open stond. Die gang was spaarzaam verlicht, daar ze op dit
late uur zoo goed als verlaten lag. Na zes uur 's avonds kwam eigenlijk
niemand meer in dit gedeelte van het gebouw. De voetstappen klonken
luider. "Zeker een paar van de groote jongens," zei ik bij mezelf,
want ik kon hooren dat ze lange stappen namen. Toen herkende ik de
stemmen, en het leek me een raadsel dat die twee met elkaar liepen
op dit ongewone uur.

De stem van Bob had ik onmiddellijk herkend. Het was wel vreemd dat hij
zich op dezen tijd op zulk een afstand bevond van zijn studeerkamer,
maar nog vreemder was het dat ik aan die andere stem Brunton herkende,
en het vreemdst van alles was dat ik mijn naam hoorde noemen toen ze
kwamen aanzetten.

Ik had hun gesprek natuurlijk niet mogen afluisteren; ik weet dat ik
verkeerd deed, maar alles gebeurde zoo onverwacht, dat ik al het een
en ander had opgevangen voordat ik mijzelf rekenschap had gegeven
van hetgeen ik had gedaan; op dat oogenblik ging bovendien de deur
open en verscheen de portier om eens een luchtje te scheppen. Ik zag
zijn forsch gebouwd lichaam zich afteekenen tegen het licht dat nu
naar buiten straalde, en als ik maar even had bewogen, dan zou hij
me zeker hebben gesnapt.

"En als ik het je nu eens vroeg als een gunst?" zei Bob, die nu met
Brunton vlak bij het raam moest staan, want elk woord kan ik opvangen.

Ik kon mijn ooren niet gelooven: Bob die om een gunst vroeg aan
Brunton!

"En wat dan?" zei Brunton met zijn zware stem die zoo onaangenaam
klonk.

"Maar wat heb je eraan om het hem te vertellen," zei Bob; uit zijn
toon meende ik op te maken dat het hem geweldig hinderde dat hij op
die manier met dien ellendeling moest praten.

"Dat doet er niet toe," zei Brunton.

"Ik vraag je alleen of je de zaak op die manier wilt beschouwen,"
hernam Bob die hem blijkbaar tot iets wilde overhalen.

"Waarom zou ik dat doen?" vroeg Brunton.

"Als je het hem vertelt, dan doe je hiermee een hoop kwaad," hernam
Bob. "Hij vermoedt nu nog niets."

"Weet je dat zeker?" vroeg Brunton.

"Ja. Als je het hem vertelt, dan is er niets meer aan te doen. Dan
kan je je woorden niet herroepen."

"Nee, dat begrijp ik," zei Brunton. "Zoo'n uil ben ik ook niet."

"Dat weet ik," hernam Bob met een lichte beving in zijn stem, waardoor
ik begreep dat hij driftig werd. Hoe hij zich zoo lang had kunnen
goed houden (want Bob was driftig uitgevallen), terwijl Brunton op
zoo onbeschaamden toon tot hem sprak, dat leek me een raadsel, te
meer daar hij zoo'n hekel had aan dien akeligen jongen.

Een tijd lang zwegen beiden; toen deed Brunton of hij een geeuw moest
onderdrukken. "Heb je nog wat te zeggen?" vroeg hij.

Ik hoorde Bob even kuchen. "Luister 's, Brunton," zei hij toen;
"ik weet dat onze omgang niet al te vriendschappelijk is geweest...."

"Nee, dat is zoo," beaamde Brunton met een hoonlach.

"Als we voortaan hierin eens verandering brachten," hernam Bob;
"het spijt me als ik je op de een of andere manier heb beleedigd,
maar laten we het verleden laten rusten. Je weet nu wat ik van je
weet. Als je belooft dat nooit meer te doen dan kunnen we goede
kameraden worden, en dan beloof ik je op mijn woord dat ik er tegen
niemand ooit over zal reppen."

Brunton mompelde wat.

"Dus het is een koop dien we sluiten?" hield Bob aan. "Ik heb nu met je
willen bijleggen maar ik wil niet dat Ellinghem hier iets van hoort."

"Dat blijkt," zei Brunton.

"Als jij belooft dat je het hem niet zult vertellen, dan beloof ik
jou dat ik over die bewuste zaak zal zwijgen."

"Ik pas voor zoo'n belofte," riep Brunton nijdig. "Ik dank je
stichtelijk voor zoo'n ruil."

"Heel goed," zei Bob met een zucht, "als je het op die manier opneemt,
dan kan ik er niets aan doen. Ik heb nu al het mogelijke beproefd."

"Dat heb je niet," snauwde Brunton hem toe.

Wederom een stilte.

"Wou je soms zeggen," hernam Bob op aarzelenden toon, "dat ik je zou
kunnen afkoopen met geld?"

"Natuurlijk, dat spreekt," zei Brunton die een onaangenamen lach
uitstiet.

"Heb je geldgebrek?"

"Wat een vraag! Wie heeft nou ooit geld genoeg!"

"Ben je met tien of twaalf gulden tevreden?"

Ik had hooren zeggen dat Bob heel rijk was, maar toch schrok ik ervan
toen ik hem zoo'n som hoorde noemen alsof het maar een kleinigheid was.

"Jawel, geef op," antwoordde Brunton nijdig.

"Dus het is een koop dien we sluiten en die Ellinghem betreft,"
hernam Bob.

"Twaalf gulden?" vroeg Brunton.

"Ja."

"Maak er vijftien van."

"Zooveel kan ik niet missen," antwoordde Bob; "me dunkt dat twaalf
gulden mooi genoeg is!"

"Nou, vooruit dan," zei Brunton.

"Dus de koop is gesloten?"

"Ja," snauwde Brunton.

"Ga mee naar mijn kamer," zei Bob, waarop het geluid van de voetstappen
langzamerhand vervaagde.



HOOFDSTUK XIX.

ZWEMMEN EN DUIKEN.


Daar de portier een tijd lang naar den hemel en de sterren stond te
kijken kon ik niet van den muur vandaan. Het avontuur van dien middag
was ik al bijna vergeten door hetgeen ik zoo even had vernomen.

Wat kon dit beduiden? Wat beteekende dit? Ik wist hoe trotsch Bob was,
en nu stond die gunsten te vragen aan een jongen als Brunton met wien
hij koopjes afsloot en dien hij iets beloofde in ruil voor een andere
belofte! Wat kon dat zijn?

Ik dacht aan hetgeen in de gymnastiekzaal was gebeurd. Het was toen
heel duidelijk dat Brunton bang was voor Bob. Het liefst zou hij op
Bob zijn aangevlogen om hem af te ranselen, doch blijkbaar had hij
dit niet gedurfd. Nu scheen hij echter niet meer bang te zijn voor
Bob. Was Bob eigenlijk niet bang voor hem?

Wat of hiervan de reden was? Brunton scheen het een of ander te
weten, waarvan Bob mij met alle geweld onkundig wilde houden. Dit
was een geheim, zóó belangrijk, dat Bob om het te kunnen bewaren aan
het sjacheren was gegaan met een ellendeling als Brunton, voor wien
hij zich had vernederd en geld had aangeboden, als ik er maar buiten
zou blijven.

Het zonderlinge geval nam al mijn aandacht in beslag, zoodat ik als in
een droom het schoolgebouw binnen ging toen de portier was verdwenen;
het liet me dan ook heelemaal onverschillig toen ik voor Kijkers werd
gebracht omdat ik niet op tijd was thuisgekomen.

Even later trok ik naar de kamer van Norman om hem een boek te brengen
waarom hij had gevraagd. Hier trof ik Bob aan.

"Hem vertrouwen?" hoorde ik Norman zeggen toen ik binnen kwam. "De
vent bezit geen greintje eergevoel."

"Ik ben een idioot geweest," zei Bob met een zucht.

Ik begreep dat Bob aan Norman had gevraagd of die dacht dat Brunton
zijn woord zou houden en dat Norman die vraag beslist ontkennend
had geantwoord.

Bob en ik trokken weg; hij nam me nu mee naar zijn eigen kamer.

"Wat heb je al dien tijd uitgevoerd?" vroeg hij op een toon die hij
zoo luchtig mogelijk deed klinken. "Vertel maar op, heerschap."

Ik bracht hem op de hoogte van hetgeen dien middag was gebeurd.

"En dat noemen jullie verkennen?" vroeg hij lachend. "Ik zal je
binnenkort 's meenemen om je te laten zien wat verkennen is."

"De andere schijnen Sjarp te hebben gesnapt," merkte ik op.

"Ja, en die zijn uren geleden al thuisgekomen. Maar jongen, wat zien
je handen er uit."

"Heb jij je wel eens langs een touw naar beneden laten glijden?" vroeg
ik.

"Meer dan eens," antwoordde hij lachend, "maar ik denk dat ik wat
langzamer ben gedaald. Als jullie het weer 's doet, zet er dan niet
zoo'n vaart achter. Maar hoor 's Martin, met je verkennen en torens
en klokketouwen, moet ik toch zeggen dat je heel aardig begint voor
een nieuweling."

Ik voelde dat hij me nog iets anders wilde zeggen; toen ik hem goeden
nacht wenschte, kwam het er eindelijk uit.

"Wacht nog even, Martin," begon hij aarzelend; "je kent Brunton?"

Ik knikte van ja.

"Ik wou je voor iets waarschuwen, zie je."

"En dat is?"

"Misschien is het onnoodig, maar het zou kunnen zijn dat..."

"Ja?"

"Dat Brunton je iets zou vertellen," ging hij langzaam voort; "iets
dat op jou betrekking heeft--of--of--op mij..."

"Ja?" zei ik wederom, omdat zijn woorden er met zulke lange
tusschenpoozen uitkwamen.

"Beloof me dan dat je hem niet zult gelooven."

"In geen geval, bedoel je?"

"Ja," antwoordde hij, terwijl hij even een korten lach uitstiet. "Dat
is het beste. Geloof geen woord van wat hij vertelt."

"Maar waarom zou hij..." begon ik.

"'t Is ook niet zeker dat hij het zal doen," viel Bob me in de rede;
"maar hij kon je iets vertellen dat betrekking heeft op jou--of op
mij--en," voegde hij er bij, terwijl hij nu op elk woord nadruk legde:
"geloof dan niet wat hij zegt."

"Ik zal er aan denken," zei ik.

"En houd mij op de hoogte," hernam hij gejaagd. "Ik wil weten of hij
het doet of niet, begrijp je? Die Brunton is een gluiperd."

Ik knikte bij wijze van toestemming.

"Hij zal uit je buurt blijven en mag geen woord tegen je kikken," zei
Bob. "Laten we er nu maar niet meer over praten. Ik zal den portier
wat van dat goedje gaan vragen om je handen mee in te smeren; anders
zullen ze morgen geducht pijn doen."

"Ze doen me al pijn," mompelde ik, en zonder eigenlijk te weten waarom
verliet ik de kamer in een neerslachtige stemming.

Bij de trap liep ik tegen Burns aan.

"Heb j-je al g-gehoord van den n-nieuwen pr-prefekt?" vroeg hij.

"Nee," antwoordde ik tamelijk onverschillig. "Wie is het?"

"B-Bob K-Kitsjin," hernam hij; "'k b-ben er w-wat b-blij om, w-want
hij is een k-kraan!"

En Bob was blijkbaar zoo vol van die Brunton-geschiedenis dat hij me
dit gewichtige nieuws niet eens had medegedeeld!

Op een van de dagen die nu volgden had ik een avontuur bij het baden,
dat een eind had kunnen maken aan mijn loopbaan op St. Martin.

"Ga je mee naar het bassin?" vroeg Stenford op den Maandagmiddag die
volgde op onzen verkenningstocht.

"Ja," antwoordde ik.

"Een massa lui gaan mee," hernam hij. "En Kien is vandaag warempel ook
van de partij, omdat hij een wetenschappelijk onderzoek wil instellen
zooals hij beweert."

"En B-Burns g-gaat ook mee," verklaarde dit heerschap dat zich in
het gesprek mengde.

"Het zeewater zal goed zijn voor onze handen," hernam Stenford. "Zijn
de jouwe weer in orde?"

"Nee," antwoordde ik; "ik kan nog haast geen pen vasthouden en ik
schrijf zoo slecht dat ik vanmorgen een geduchten uitbrander van
Wilson heb gekregen."

"Wilson houdt van uitbranders," merkte Stenford wijsgeerig op. "Dat
moet je je niet te veel aantrekken. Als ie je maar geen strafwerk
geeft, want daar heeft ie ook een handje van," voegde hij er bij.

Bij het zwem-bassin stonden al verscheidene jongens met Kijkers en
nog eenige leeraren om toezicht te houden. Het waren meest jongens
van mijn leeftijd; een paar van de ouderen waren er bij, o. a. Jim
Juniper en Bob. Bob scheen verbazend bemind; al de jongens, die ik
kende vonden het heerlijk dat hij tot prefekt was benoemd.

"'k Dacht eigenlijk dat hij het pas na de volgende vacantie zou
worden," zei Stenford, "maar Kolman scheen hem er nu al bij te willen
hebben. Groot gelijk trouwens, want Kitsjin is een kraan. Prachtig
zooals de man voetbal speelt. En heb je hem wel 's zien schieten?"

"Toe maak voort!" riep Kien. "Doe je spullen af; dan gaan we erin. Ik
geloof dat er een atmosferische druk is in het bassin onder de rots;
ik wou dat 's nagaan."

"Duik dan net zoo lang totdat je er achter bent," zei Stenford, "als je
dan weer levend komt opdagen, dan mag je er ons alles van vertellen."

Kien begaf zich naar de bewuste plek waar hij zijn wetenschappelijk
onderzoek zou gaan instellen.

Het bassin was een ideale zwemplaats; helder wit zand lag op den
oever, en lage steenen en rotsblokken dienden om op te gaan zitten
en als bewaarplaats voor kleeren en handdoeken, terwijl een gedeelte
een uitstekende gelegenheid bood om te duiken.

Dit bassin heette de Paardekom--waaraan het dien naam had te danken
zou ik niet kunnen zeggen--het lag ingesloten tusschen twee rotsen
en was met helder water gevuld. Het had een diepte van drie tot tien
of twaalf voet, daar de bodem afliep, zoodat men erin kon baden en
duiken op verschillende plaatsen. De eigenaardigheid was echter dat het
water bij het diepste gedeelte onder de klip doorliep naar de grot,
zoodat een goed zwemmer, die een beetje onder water kon zwemmen,
door een soort van tunnel die grot kon bereiken, en vandaar kon hij
weer in het volgende bassin komen.

Kien en Stenford hadden me dit allemaal onderweg verteld, toen we
ons naar de zwemplaats begaven.

"Kostelijke plek om te duiken," zei Stenford, die nu aan een knoop
van zijn laarzen zat te morrelen.

"Ja, dat zie ik," zei ik.

Ik kon maar weinig zwemmen en van duiken kon ik niets, Bob had me
in de vacantie een paar zwemlessen gegeven; voor dien tijd had ik er
nooit iets aan gedaan. Dit wilde ik echter niet bekennen aan Stenford
dien ik een benijdenden blik toewierp, toen hij een aanloop nam en
met een prachtige duikeling in het water plonsde.

"Dol!" riep hij, toen hij weder uit het borrelende water te voorschijn
kwam; "het water is zoo lauw als melk! Kom erin! Gauw wat!"

Bob scheen me eerst nu gewaar te worden; tot nu had hij met Juniper
staan praten; hij liep naar me toe en zei bijna fluisterend: "Martin,
als ik jou was, dan ging ik er nog maar niet in."

"Waarom niet?" vroeg ik een weinig geraakt.

"Omdat je nog niet bepaald een kampioen bent in de edele zwemkunst,"
antwoordde hij glimlachend.

"Maar ik mag toch wel een bad nemen," zei ik.

"Dat mag je zeker," hernam hij, "maar ga er dan in van het strand;
dan loop je eerst en zwem dan. Je weet dan dat je niet te ver bent
gegaan. Als je een beetje gewend bent geraakt, neem dan het bassin."

In plaats dat ik Bob, die ouder en wijzer was en bovendien een prefekt,
dankbaar was voor zijn goeden raad dien hij me had gegeven, zonder aan
de anderen te laten merken dat ik nog een nieuweling was in het vak,
nam ik het hem eigenlijk kwalijk dat hij zich met mij had bemoeid.

"Best," zei ik kortaf, daar ik wel inzag dat hij gelijk had, waarop
ik me begaf in de aangeduide richting.

"Waar ga je heen?" riep Stenford.

"Naar het strand," antwoordde ik.

"Sufferd, die je bent," riep hij me toe; "je komt dan vol zand."

Toch liep ik door.

"Ga niet te ver," zei Bob toen ik langs ging, "en vergeet niet wat
ik je heb gezegd van hoe je adem moet halen."

"Onderwijs je de jeugd die zich naar den Oceaan begeeft," vroeg
Juniper. "Leve Canada!"

"Kom zelf maar 's in Canada," antwoordde Bob lachend. "Als je eerst
wat hebt gezwommen, ga dan naar het bassin," riep Bob me achterna;
"ik ben er dan ook in; ik zal je dan leeren duiken."

De zee was heerlijk; het water voelde lauw aan en klotste om ons
heen. Verscheidene jongens waren al aan het zwemmen; ze probeerden
allerlei verschillende manieren om uit te slaan en plasten als
walrussen; ik merkte echter op dat geen van allen zich ver waagde en
als een enkele dit deed, dan werd onmiddellijk van het strand geroepen
dat hij terug moest keeren.

Ik zwom en zwom totdat ik me zoo trotsch begon te voelen over de
hoogte waarop ik het reeds had gebracht, dat ik tegen mezelf zei dat
Bob wel heel voorzichtig was uitgevallen.

Ik kwam nu naar den oever en liep over het warme, mulle zand naar
het bassin, waarin Bob zich bevond met nog eenige andere geoefende
zwemmers.

"Kitsjin is de beste zwemmer van de heele school," zei Stenford,
die zich nu flink stond te wrijven en af te drogen.

"Dat is zoo," zei Burns, die het roode gezicht stond af te
vegen. "M-maar d-doen je handen n-niet pijn?"

"Zeewater is goed voor ze," antwoordde Stenford. "Maar het is eigenlijk
zonde en jammer om op zoo'n dag je kleeren aan te trekken."

"W-waarom g-ging jij erin van het s-strand?" vroeg Burns.

"Dat is een heel leuke manier," antwoordde ik ontwijkend. "Vooral op
een dag als vandaag, als het water zoo om je heen klotst."

"Ik moet toch niets van die manier hebben," zei Stenford. "O, daar
komt Kitsjin aanzetten."

Bob kwam nu aanzwemmen; hij liet zich bijna drijven.

Jim Juniper stond zich op zijn doode gemak aan te kleeden op een klip
die boven het bassin uitstak.

"Zoo, nobele meermin," riep hij tegen Bob. "Wat voor nieuws breng je
mee uit de diepte?"

"Dat zal ik je vertellen als ik er eerst ben geweest," antwoordde Bob.

"Ik dacht dat je voor goed was verdwenen," zei Juniper.

"Ik ben onderdoor gezwommen naar die andere kom," zei Bob. "Heb jij
dat wel 's gedaan?"

"Dank je stichtelijk," antwoordde Jim. "Ik ben veel te blij als ik
weer springlevend te voorschijn kom uit het water; mijn leven is te
kostbaar om het te wagen in zulke onderaardsche, of beter gezegd,
onderwatersche streken. Wat zou je eigenlijk moeten zeggen?"

"Je kan allebei zeggen," antwoordde Bob. "Maar het is een gekke
gewaarwording. De vloed komt op en daardoor komt het water van de eene
kom in de andere; als het weg stroomt zuigt het zich aan je vast en
dat is een ellendig gevoel."

"Dat zou ik denken," zei Jim. "Maar ik dank je lekker voor dat gezuig."

"Tweemaal probeerde ik eronder door te komen, maar telkens werd ik
terug geslagen," zei Bob. "Den derden keer nam ik het waar toen een
geduchte golf kwam aanzetten, en toen ging het als gesmeerd."

"Wat een zwemmer, hè!" zei Stenford tegen me. "En dat is onder water,
begrijp je?"

Ik knikte van ja. Voor Bob gevoelde ik oprechte bewondering; ik was
alleen maar beleedigd dat hij zoo weinig dunk had van mijn zwemkunst.

"Kijk 's, Jim," zei Bob, die zich nu flink stond af te wrijven;
"je kan het water zien in en uitgaan."

"Ik geloof je graag, nobele zeeheld," antwoordde Jim, die nu zijn
buis aantrok. "Zou een Canadees ooit een leugen vertellen?"

Juniper en Bob waren dikke vrienden, al plaagden ze elkaar graag. Bob
hield dol van Engeland, maar als Jim er bij was, dan verhief hij
zijn eigen land tot in de wolken, waarop Juniper dan Canada als een
woeste streek voorstelde door beren bevolkt, een land waar de menschen
slechts heentrokken in de uiterste noodzakelijkheid.

Bob kreeg me nu in het oog. "Martin, wil je nog duiken, of heb je er
genoeg van?" riep hij me toe.

"O, best," zei ik, want ik was nog niet begonnen met me aan te kleeden.

"Vooruit dan maar!" riep hij; "je moet het leeren. Begin maar met
het hier te doen. Als je verdrinkt zal ik er je wel uithalen," voegde
hij er lachend bij.

"Toe vooruit, kerel," zei Stenford. "Ik wou dat ie het mij ook
leerde. Hij duikt prachtig."

Ik gevoelde me nog eenigszins beleedigd en tamelijk onwillig begaf
ik me naar de plek waar hij stond.

"Vanhier moet je duiken," zei hij en gaf me eenige raadgevingen.

Een heele troep jongens was al weggetrokken, maar er waren nog genoeg
toeschouwers overgebleven; ik gevoelde me dan ook weinig op mijn
gemak. Hoe bang ik ook was, ik wilde mijn angst niet doen blijken. Ik
wou geen mal figuur slaan.

"Kijk, zoo moet je doen; het is dood gemakkelijk," riep hij.

Met een sierlijken zwaai maakte hij een prachtige
duikeling. "Bravo!" riep Stenford.

"Ja, zoo moet je doen!" zei Jim spottend.

Bob kwam weer opdagen, al watertrappend. "Vooruit," riep hij me toe;
"probeer het maar."

Ik gehoorzaamde het bevel, maar als een zware zak plofte ik in het
water. Toen ik te voorschijn kwam, hoorde ik de toeschouwers het
uitschateren.

"Heel goed, Ellinghem," schreeuwde Stenford.

"Probeer het nog maar 's," zei Bob, die me weer op het droge
haalde. "Zoo iets kan je maar niet dadelijk. Je zwemt anders beter
dan ik dacht."

De tweede maal ging het niet zoo erbarmelijk slecht, maar ik vond het
toch een beproeving en ik zei tegen mezelf dat ik het in elk geval
bij den derden keer zou laten.

"Je gaat vooruit," zei Bob. "Stoor je maar niet aan die lui; je moet
het op die manier leeren. Je slaat nu heel goed uit."

"Ik had hier toch wel den heelen tijd kunnen zwemmen," zei ik;
"wat voor gevaar is daar nu in?"

"Er loopt een stroom bij het verste gedeelte," antwoordde hij;
"daar trekt het water."

Ik had niets van een stroom gemerkt en dacht dat hij me tot de kleine
jongens wilde rekenen, maar ik zou hem wel toonen dat hij me niet
zoo geringschattend behoefde te beoordeelen.

Hij stond zich nu op zijn doode gemak af te drogen op de klippen;
toen ik voor de derde maal dook, gaf hij me nog eenige raadgevingen;
het viel hem blijkbaar mee dat ik zoo vlug en handig weer boven kwam.

Den derden keer ging het werkelijk veel beter. "Goed zoo!" hoorde ik
hem roepen, toen ik weer spartelend te voorschijn kwam en ik meende
dat Stenford in de handen stond te klappen. Met opzet begaf ik me in
de richting waar die stroom heette te loopen; ik zwom naar het verste
gedeelte waar zich de tunnel bevond naar het andere bassin.

"Niet dien kant," riep Bob op een toon die als een bevel klonk. "Daar
loopt die stroom! Kom terug!"

Ik schonk hierop geen aandacht, want ik gevoelde niets van een
stroom en zwom door. Ik wilde alleen maar een paar slagen doen in
die richting en dan omkeeren, alleen maar om hem te toonen dat hij
niet zoo min over me behoefde te denken.

"Kom terug!" riep Bob me toe; "Martin, je bent een uil!"

Nu ik me aldus door hem hoorde betitelen, werd ik kwaad en deed nog
een paar slagen om hem te toonen dat hij me niet als een klein kind
behoefde te behandelen.

"Keer je om op je rug!" hoorde ik hem roepen en toen vernam ik een
plof alsof iemand in het water sprong.

Plotseling werd ik een eigenaardige trekking gewaar die me met
bliksemsnelheid deed vooruitschieten; misschien liep hier dan toch
een stroom en bevond ik me nu dichtbij de lager gelegen rotsen; de
klip zag ik boven mijn hoofd vooruit steken. Ja, het was misschien
het best dat ik nu maar omkeerde.

Toen ik me wilde omdraaien kreeg ik een gevoel of die trekking
plotseling had opgehouden, doch de volgende golf die aankwam, deed
me wederom een eind vooruit schieten. Ik was nu als machteloos;
hoe ik ook uitsloeg en spartelde, aan terugkeeren viel niet te denken.

Ik begon nu in het wilde uit te slaan.

"Help, help!" schreeuwde ik, doch ik kon ternauwernood een kreet
uitbrengen. Ik werd machteloos heen en weer geslingerd door de
klotsende golven.

"Help!" riep ik wederom, waarbij ik een hoeveelheid water naar
binnen kreeg.

Ik vernam luide kreten van de rotsen en een stem in mijn nabijheid
riep me hijgend toe: "Draai je op je rug! Op je rug!"

Nog juist had ik besef genoeg om dit bevel op te volgen; toen voelde
ik dat het water me met kracht omlaag zoog totdat een groen waas
voor mijn oogen trok en het stemrumoer zich mengde met het geluid
van kiezelsteenen die door de golven heen en weer werden geschuifeld;
in mijn ooren begon het nu al harder en harder te suizen en stampen,
zoodat eindelijk alle geluiden werden overstemd. Alles werd nu donker
om mij heen. Het groene waas vervaagde; plotseling zag ik Mallorie voor
me opdoemen; ik dacht aan den dag, toen ik met Bob en Tetsjer was komen
aanrijden en wederom zag ik Horner flauw vallen, maar nu dacht ik dat
ik zelf flauw viel en dat iemand in de kamer kwam om naar me te kijken
en Bob zag ik loopen op dien vooruitstekenden rand langs den muur,
en toen zag ik mezelf daarop loopen en voelde ik dat, als het gonzen
in mijn ooren nog iets luider werd, dat ik dan naar beneden zou vallen
en dood neerstorten. Het rumoer in mijn hoofd werd nu zóó luid, dat ik
een gewaarwording kreeg of door mijn hersens werd gehamerd; ik klemde
me vast tegen den muur, doch tevergeefs--ik stortte in de diepte.



HOOFDSTUK XX.

JIM JUNIPER ZEGT ME DE WAARHEID.


Langzamerhand kwam ik tot het besef dat een lichtstraal door de
duisternis heendrong, en vernam ik een verward rumoer van stemmen om
mij heen. Toen gevoelde ik weer dat ik een lichaam had en dat lichaam
begon me hoe langer hoe meer pijn te doen.

Ik besefte nu ook dat ik hard werd gestompt en gewreven, zoodat ik
wel om genade had willen roepen, doch ik was niet bij machte een
kreet te uiten. Het was als een nachtmerrie en het vreeselijkste was
dat ik voelde dat het geen echte nachtmerrie was, maar dat er iets
verschrikkelijks was gebeurd, hoewel ik niet kon begrijpen wat dit
eigenlijk was geweest.

"Hij komt bij," hoorde ik iemand zeggen in mijn onmiddellijke
nabijheid.

Wat konden die woorden beduiden? Had ik een operatie ondergaan en
was ik onder chloroform gebracht?

Het werd nu lichter om me heen en het klotsen van de zee en het gonzen
van de stemmen drong al luider en luider tot me door. Toch besefte
ik nog niet waar ik me bevond en wat er was gebeurd.

Plotseling flitste een gedachte door mijn hoofd. Ik had in zee
gezwommen en was verdronken of bijna verdronken--en nu keerden de
levensgeesten weder bij me terug.

"Hoe maakt Kitsjin het?" hoorde ik vragen.

Waarop de stem van Juniper antwoordde:

"Hij zit op en eet wat."

"Wat--wat is er met Bob?" bracht ik met moeite uit.

"Hij is er weer bovenop," zei iemand en na die geruststellende woorden
dommelde ik weer in.

Toen ik opnieuw tot bewustzijn kwam lag ik in een bed en die
gewaarwording was heerlijk. Ik strekte me zoo lang mogelijk uit en
wierp een blik om me heen. Ik lag niet in mijn eigen kamertje maar
in een net, eenvoudig vertrek met kale witte muren. De ramen stonden
wijd open en koele frissche lucht stroomde naar binnen.

Nu zag ik een dikke juffrouw op me afkomen; later vernam ik dat ze
Geebel heette. Glimlachend liep ze naar me toe, en toen ze me tot
heel nabij was genaderd vroeg ik fluisterend: "Waar ben ik?"

"In het hospitaal," antwoordde ze lachend met haar vriendelijke
stem. "Gisteren ben je hier binnen gebracht."

"Binnen gebracht," herhaalde ik.

"Ja, je was half verdronken of drie kwart eigenlijk. En nat dat
je was!" (Later heb ik gehoord dat mijn kleeren in de algemeene
ontsteltenis in het water waren gerold.)

"Je kleeren hangen nu te drogen in het waschhuis," ging ze voort; "'t
is te hopen dat ze niet zullen krimpen, want dat doen ze gewoonlijk."

Ik bedacht me dat mijn flanellen broek toch al wat krap zat en dit
zei ik aan juffrouw Geebel.

"Dan zal je die niet meer aan kunnen," merkte ze vroolijk op; "maar wat
komt dat er eigenlijk op aan nu je het er levend hebt afgebracht. Lig
je goed?" voegde ze er bij, "want je moet flink warm worden gehouden."

Ik verklaarde dat ik bijna het kookpunt had bereikt.

"Goed dat je van koken praat," hernam juffrouw Geebel, "want ik heb
bouillon voor je opstaan."

Ze verdween een oogenblik, waarna de glimlachende verschijning met
een dampenden kop terugkeerde.

"Ga wat opzitten," beval juffrouw Geebel, "maar sla dien doek eerst
om je heen. Zoo; pas op dat je je niet brandt. Voorzichtig hoor!"

Ik volgde haar raadgevingen en begon te drinken, terwijl ik het goede
mensch een verrukten blik toewierp over den rand van den kop.

"Smaakt het?" vroeg ze vriendelijk.

"Of het," antwoordde ik.

"Langzaam aan, hoor," zei ze nog eens. "Je hebt je maag te veel noodig
om die te verbranden door te heet te drinken."

Ik meende dit gezegde te kunnen beamen.

"Er zijn menschen die den boel maar inslikken en dan hebben ze er
natuurlijk heelemaal geen nut van."

Ik beloofde haar niet zoo roekeloos te zullen zijn.

"Zulke menschen worden nooit dik," verklaarde ze ten slotte.

Zij behoefde me niet te vertellen dat zij niet tot die menschen
behoorde, want zoo'n breede glimlach zou het hoofd van een mager
persoon in zijn geheel al hebben omspand als de bandjes van een
respirator.

Er werd nu op de deur getikt; juffrouw Geebel voerde een kort onderhoud
met een of meer personen die ik niet kon zien. "Als jullie niet te
lang blijft, komt dan maar even binnen," hoorde ik haar eindelijk
zeggen, waarop het drietal Kien, Stenford en Burns verscheen die om
mijn bed gingen staan en me aangaapten of ik een nieuw voorwerp was,
dat in een museum was aangeschaft en nu voor de eerste maal mocht
worden bezichtigd.

"Een buitenkansje voor je Ellinghem!" begon Stenford, die het eerst
de stilte verbrak.

"Vindt je dat," zei ik, daar ik de rol van patiënt nog wat moest
blijven spelen.

"Ja--geen schoolwerk heb je te maken, geen Kijkers, geen algebra voor
Wilson, enz.--en lekker goedje krijg je te drinken! Wat is het?"

"Bouillon," antwoordde ik.

"Die is alleen voor zieken," riep juffrouw Geebel uit de verte.

"Ik zal er geen mond aan zetten," zei Stenford. "Ik voor mij houd
meer van vast voedsel."

"Houdt je d-dan n-niet van s-sorbets?" viel Burns in.

"Och, jij met je sorbets," zei Stenford. "Maar, Ellinghem, hoe is
het nu met je?"

"Heel goed," zei ik.

"Het s-scheelde anders m-maar een haar of j-je was verdronken,"
verklaarde Burns.

Kien had tot dusver gezwegen, maar hij wierp me nu een ernstigen blik
toe en vroeg: "Heb je iets gemerkt van den atmosferischen druk?"

"Bravo, Kien," riep Stenford, die het nu uitschaterde; "schrijf zijn
woorden op, kerel, want als ie er het hachje bij inschiet, dan zijn
ze ten minste nog van nut voor de wetenschap."

Ik begreep best dat mijn eigenzinnigheid alleen de schuld droeg
van hetgeen was gebeurd. Ik gevoelde me dan ook diep beschaamd en
eenigszins aarzelend vroeg ik: "Vertel jullie me 's hoe het eigenlijk
is gegaan."

"Herinner je je den laatsten keer dat je dook?" vroeg Stenford.

"Ja," zei ik.

"Zeg 's," viel Burns in, "je k-kan n-niets van duiken."

"Dat weten we nu wel, Burns," hernam Stenford; "dat hoef jij hier
niet staan te vertellen."

"Dat doet trouwens niets tot de zaak af," zei ik tamelijk bits. "Vertel
maar door."

"Na die laatste duikeling was je heelemaal je kluts kwijt," hernam
Stenford.

"Dat is niet waar," riep ik verontwaardigd.

"Het had er toch veel van, want je zwom den verkeerden kant uit."

"En toen?" vroeg ik.

"Je dacht natuurlijk dat je terug zwom naar de plek waar je hadt
gedoken, want toen Kitsjin tegen je stond te roepen, begon je nog
harder uit te slaan."

Ik vroeg me een oogenblik af, of ik hun alles zou vertellen.

"Maar je zag al gauw in dat je je had vergist," hernam Stenford;
"toen wilde je omkeeren, maar de stroom had je al te pakken en greep
je zijdelings mee."

"Dat herinner ik me," zei ik.

"M-maar K-Kitsjin was al in het w-water g-gesprongen," viel Burns in.

"Hij zwom zoo hard als ie kon," zei Stenford; "hoorde je hem schreeuwen
dat je op je rug moest gaan liggen?"

"Dat kan ik me niet meer herinneren," antwoordde ik.

"Het was natuurlijk voor hem gemakkelijker om je er uit te halen,
als je dreef."

"H-hij was z-zeker b-bang dat je je aan hem z-zou v-vastklampen,"
zei Burns.

"De stroom had je heelemaal te pakken en sleurde je mee tot onder de
rots," hernam Stenford, "en--"

Kien viel hem nu in de rede. "Wat voelde je?" vroeg hij ernstig. "Was
de atmosferische druk krachtig? Was het een gewaarwording of--"

"Leuter toch niet kerel!" riep Stenford. "Hoe kon hij dat nu
weten? Waar waren we gebleven?"

"Ik was meegesleurd tot onder de rots," zei ik.

"O ja! Voor dien tijd hadt je al begrepen dat je er bij was, want je
gilde moord en brand. Maar toen verdween je in de tunnel; geen steek
was meer van je te zien, geen steek."

"Maar K-Kitsjin zwom achter j-je aan," zei Burns, die nu en dan ook
een woordje wilde meepraten.

"De jongens stonden nu allemaal klaar om jullie de hand toe te
steken als je weer boven kwam," zei Stenford. "Het was een vreeselijk
oogenblik toen we niets meer van jullie zagen, terwijl we wisten dat
jullie daar ergens onder de rotsen moesten zijn."

"T-toen s-sprong J-Juniper erin," zei Burns.

"Ja," hernam Stenford; "Jim had zijn kleeren uitgegooid en zwom van
den anderen kant naar de tunnel toe. Kitsjin kwam nu te voorschijn."

"W-wat zag d-die er akelig uit!" zei Burns.

"Ja, hij zag er ellendig uit!" verklaarde Stenford. "Hij was maar
even boven gekomen om adem te scheppen terwijl hij water trapte."

"Ik dacht dat hij iets tegen Jim riep."

"Ja, dat deed hij ook; we gilden het nu allemaal uit, omdat we dachten
dat hij je hadt kunnen grijpen, maar ineens hielden we onzen mond toen
we zagen dat dit niet het geval was. Juniper was nu vlak bij hem, Bob
schreeuwde hem toe: ""Terug, terug, de stroom!"" of iets dergelijks."

"Ik geloof zelfs dat ie tegen Jim vloekte," zei Kien.

"Kitsjin is een kraan," zei Stenford, wien het moeite kostte zijn
aandoening te bedwingen. "Hij wou niet dat iemand zou verdrinken om
hem te redden."

"M-maar Jim gr-greep zich v-vast aan het v-vooruitstekende g-gedeelte
van de rots..." zei Burns.

"Dat wou ik je nu juist gaan vertellen," zei Stenford. "Hij hield
één hand gereed om die te kunnen toesteken zoodra Kitsjin weer te
voorschijn kwam, want we hadden alle hoop opgegeven dat jij nog in
leven was."

Burns knikte met het roode hoofd om deze verklaring te beamen.

"Toen scheen een heele groote golf van de eene kom door de tunnel
naar het andere bassin te stroomen. Kitsjin kwam nu te voorschijn die
jou vasthield; in een oogwenk was Juniper in het water; met één hand
duwde hij, terwijl hij met de andere zwom."

"Jullie dreef nog mee met de golf," zei Kien.

"Toen jullie zoowat in het midden waren, begon het water terug te
trekken," zei Stenford; "dat was vreeselijk om te zien."

"We zagen dat het jullie w-wilde meesleuren!" verklaarde Burns.

"Juniper was onvermoeid," zei Stenford; "hij duwde uit al zijn macht en
heel langzaam naderden jullie de plek waar wij stonden om te helpen."

"Jij was n-net een l-lijk," zei Burns.

"Je zag donkerblauw," verklaarde Kien; "dat kwam omdat het bloed--"

"Scheid uit met je wijsheid, kerel!" riep Stenford; "anders kom ik
nooit klaar met m'n verhaal--We dachten niet anders of je hadt al den
laatsten adem uitgeblazen. Kitsjin viel flauw zoodra we hem naar boven
hadden gesleurd. Juniper zei dat dit kwam door te groote inspanning
van zijn hart."

"We lieten hem liggen en begonnen te p-probeeren of w-we je n-nog
bij konden krijgen," zei Burns.

"Ja," zei Stenford; "eerst moest je al het water kwijt raken dat je
binnen hadt gekregen, en toen pasten we de kunstmatige ademhaling toe,
je weet wel uit "Eerste Hulp bij Ongelukken", en toen begonnen we je
te wrijven en zoowat meer."

"We w-wreven t-tot w-we niet m-meer konden," zei Burns.

"Kitsjin was ook weer in orde--hij kon ten minste weer praten, al
zag hij er nog ellendig uit. "Is hij goed?" vroeg hij. "Gek dat hij
niet eens scheen te weten dat hij er je uit had gekregen. Hij kon
zich al gauw weer overeind richten en zijn eerste vraag was hoe het
met je was."

"We hadden hem nog niet verteld dat we dachten dat je dood was,"
zei Kien.

"We zeiden dat we ons best deden je bij te krijgen," hernam Stenford,
"en toen stond hij op; de jongens hadden hem afgedroogd en hem geholpen
met wat kleeren aan te schieten; toen liep hij naar de plek waar jij
lag; zoodra hij je zag riep hij: "Groote hemel," en werd hij lijkwit.

"Probeer de andere manier, zei hij," viel Kien in; "hoe die heet ben
ik vergeten. We moesten je omdraaien en je rug wrijven; Juniper en
hij deden hun uiterste best, maar Kitsjin moest uitscheiden omdat
hij heelemaal op was."

"Toen die andere methode ruim twintig minuten was toegepast begon je
bij te komen," verklaarde de wetenschappelijke Kien.

"Op die eerste manier zou het ook wel zijn gegaan," hernam
Stenford. "We kunnen er nu kalm en rustig over praten, Ellinghem,
maar toen we met je bezig waren was het vreeselijk; die spanning of
je dood was of levend, dat was ontzettend."

"Maar hoe wist je of," begon ik.

"We keerden je nu en dan om," viel Stenford in; "eindelijk zagen we je
de oogleden even trillen. Juniper lei zijn hoofd tegen je aan en riep:
""Hij ademt.""

"Ja, zoo is het gegaan," zei Kien.

"En weet je wat het gekst was," hernam Stenford op peinzenden toon;
"je zou denken dat de jongens nu zouden hebben gejuicht van pleizier,
maar niemand zei een woord, en de lui die met je bezig waren geweest
stonden gewoon te huilen. En Kitsjin had moeite zijn tranen in te
houden; hij keerde zich naar Juniper en zei: ""Het spijt me dat ik
straks tegen je vloekte, maar je hadt het niet moeten doen; je waagde
je leven, beste kerel."" En toen droegen we je naar huis."

"De lui zeiden d-dat je z-zoo z-zwaar was," merkte Burns op.

"Thuis werdt je dadelijk in een warm bad gestopt en toen werdt je
naar bed gebracht."

"Nu weet je alles," zei Kien; "ik wou alleen maar dat je me kon
vertellen of de luchtdruk krachtig was in die tunnel."

"Was het geen vreeselijk gevoel?" vroeg Stenford.

"Ja vreeselijk," antwoordde ik.

"Hoe staat het met onzen meerman?" hoorden we nu zeggen. We keken om
en zagen Jim Juniper die ongemerkt was binnengekomen en glimlachend
naderde. Zonder antwoord af te wachten op zijn vraag voegde hij er bij:
"En Burns, jij hebt het heele geval zeker op rijm staan te vertellen
is het niet?"

Ik wilde hem nu danken voor hetgeen hij had gedaan. "Ik heb alles
gehoord," bracht ik stotterend uit, "en ik dank je hartelijk voor..."

"Och, ik heb bijna niets kunnen doen," viel Juniper me in de rede. "Ik
kon alleen maar als ceremonie-meester optreden door jullie in de
goede richting te duwen, waardoor de dappere meermannen het land
konden bereiken. Aan wal is het toch maar het best, vindt je ook niet?"

Ik gaf dit onmiddellijk toe.

"Maar als Kitsjin zich geen Hercules had getoond, dan zou je nu zeker
op den bodem van de zee liggen, waarde heer," hernam hij.

Op dit oogenblik keerde hij zich geheel naar mij en een andere
uitdrukking verscheen in zijn oogen toen hij zei: "Ik moet je ronduit
zeggen dat je gisteren bij het zwemmen een geduchte lastpost bent
geweest."

"Ja, dat is zoo," gaf ik toe, terwijl ik een kleur kreeg.

"Het is niet mijn gewoonte om krachtige, gekruide taal te gebruiken
zooals vriend Burns," zei Juniper; "maar toch geloof ik ditmaal wel
reden te hebben om je een geduchten lastpost te mogen noemen."

Ik beaamde dit wederom.

"Wat voor plaats je zelf in de jongenswereld inneemt, dat weet ik nog
niet," hernam Juniper. "Maar wel weet ik dat ik het je hoogst kwalijk
neem, dat we door jouw schuld bijna onzen Kitsjin kwijt zijn geweest,
die wel tienmaal zooveel waard is als jij. Ik hoop dat je me wilt
vergeven, dat ik dit ronduit zeg in je gezicht."

"Daarin heb je gelijk," zei ik met nadruk.

"Ik vond het mijn plicht, zie je, om je dit openlijk mede te deelen,
omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat Kitsjin je zelf deze waarheden
onder het oog zal brengen. Laat ik je ten slotte vertellen, waarde
heer," voegde hij er bij, terwijl hij zich met sierlijke gebaren in
de richting begaf van de deur, "dat Kitsjin de beste vent is dien je
ooit in dit tranendal zal ontmoeten."

Met een zwaai van zijn arm wuifde hij ons toe om afscheid te nemen
en verdween. De andere drie werden door juffrouw Geebel weggejaagd,
daar ze eigenlijk al veel te lang waren gebleven.

Blijkbaar had ze het heele gesprek verstaan, want toen we wederom
alleen waren zei ze:

"Het zal me benieuwen of jij ooit weer in zee durft, al ben jij zeker
niet voorbestemd om te verdrinken."

's Middags kwam Bob me een bezoek brengen. Hij liep naar me toe en zei:

"Ik ben hier al geweest, maar toen sliep je. Hoe is het met je?"

"Heel goed," antwoordde ik. "De dokter zegt dat ik morgen mag opstaan."

"Je bent dus weer beter?" vroeg Bob lachend.

"Ja," antwoordde ik. Ik kreeg een kleur en zei: "Bob, hoe zal ik
ooit--"

Hij ging vlak voor me staan en strekte de hand uit om mij het zwijgen
op te leggen. "Ik begrijp wel wat je wilt zeggen, maar dat hoeft
niet, kerel."

"O Bob," riep ik uit, terwijl de tranen me over de wangen stroomden
toen ik zijn hand greep, "je bent een kraan."



HOOFDSTUK XXI.

HET VUURWERK VAN KIEN.


Na mijn avontuur ging het leven op school eenige weken lang geregeld
voort. Mijn werk bracht ik er tamelijk goed af, hoewel we altijd
volop te doen hadden en nooit klaar dachten te komen voor de heeren
Kijkers en Wilson. We speelden verbazend veel voetbal, een spel waar
ik weinig om gaf, al durfde ik dit niet bekennen. Ik sloeg hierbij
dan ook een tamelijk slecht figuur.

Ik zag Bob veel te weinig naar mijn zin en dit zei ik eens tegen
Stenford.

"Dat is nog al glad," antwoordde hij; "hij is een van de hooge lui,
een prefekt nog wel en jij bent maar een van de kleine jongens en
nog niet eens zoo'n schitterend exemplaar," voegde hij er lachend bij.

"Hij was vroeger toch heel wat vriendelijker tegen me dan nu," hield
ik vol.

"Zeur toch niet, kerel!" riep Stenford kregelig; "een jongen uit
de zesde kan niet zulke dikke maatjes zijn met een van de kleinere;
hij heeft warempel wel wat anders te doen."

"Ja, dat merk ik ook," zei ik schamper.

"Kitsjin is heel dik met Norman en Juniper, omdat hij die lui den
heelen dag ziet," hernam Stenford; "hij werkt met ze en voetbalt met
hen, en zoo wat meer."

"Als ik in de kamer van Norman ben en als Bob binnen komt, dan ziet
ie ternauwernood naar me om," zei ik.

"Waarom zou hij zich zoo druk met je bemoeien?" antwoordde
Stenford. "Hij vind het natuurlijk veel beter dat je er jezelf alleen
doorheen slaat; als ie zoo druk met je was, dan zou je misschien te
veel idee van je persoontje krijgen; daarvoor zal hij bang zijn."

"Het is mogelijk dat je gelijk hebt," zei ik.

"Heb je je er op de een of andere manier ingewerkt?" vroeg Stenford.

"Nee," antwoordde ik.

"Maar wat wou je dan van hem? Als je een moeilijkheid had, dan zou
je naar hem toe kunnen gaan om zijn hulp te vragen; nu dit niet het
geval is, laat je hem maar met rust. Ik kan niet uitstaan als kleine
jongens als klissen aan de grooten hangen."

"Ik ben ook niet van plan om als een klis aan Kitsjin te hangen,"
wiep ik tegen.

"Daar heb je nou b. v. die Dester en Brunton," hernam Stenford. "Dester
moet al de gemeenste karweitjes voor dien vent doen, en nu en dan
krijgt ie een pak ransel van Brunton, maar toch loopt Dester achter
hem aan, kwispelstaartend als een geslagen hond, en de kleinere
jongens plaagt en sart ie weer op zijn beurt. Juniper noemt hem den
"Jakhals van Brunton"."

"Brunton heeft anders niet veel van een leeuw," zei ik.

"Zeg dat wel! Ik snap dan ook niet dat iemand als Kitsjin met dien
man staat te praten, en dat doet hij toch."

"Heusch?" vroeg ik en spitste de ooren.

"Ja, ze zijn wel in dezelfde club, dus het kan wezen dat ze spreken
over dingen die het voetbal betreffen."

"Misschien hebben ze ook nog wel andere onderwerpen waarover ze samen
praten," zei ik, daar het gesprek me te binnen schoot dat ik op dien
avond had afgeluisterd.

"Verleden zag ik ze ten minste bij elkaar staan, alsof het heel dik
tusschen ze aan was," hernam Stenford.

Ik haalde nu een couvert uit mijn zak dat ik hem liet zien. "Van wien
is die poot?" vroeg ik.

Stenford bekeek de enveloppe van alle kanten en keerde die om en
om; toen zei hij: "Dat is geschreven door iemand die zijn hand wil
verdraaien."

"En wie heeft dat geschreven?"

"Dester."

"Dat dacht ik ook," riep ik uit, "Maar hoe weet je dat?"

"Ik zie het aan zijn g; daar maakt ie altijd zoo'n haal aan."

"Maar z'n hoofdletters A en M schrijft ie toch heel anders," zei ik.

"Dat is juist z'n slimheid; hij wil je van de wijs brengen, maar die
haal van zijn g's heeft ie laten staan. Je kunt ervan op aan dat die
brief van Dester afkomstig is. Wat staat er in?"

"O niets bijzonders," antwoordde ik, terwijl ik het couvert weer in
mijn zak liet glijden. "Ik wou alleen maar weten of jij ook Dester
voor den schrijver hieldt."

"Zonder twijfel, maar vraag het nog aan een derde. Daar komt Kien
aanzetten."

"Nee, spreek er tegen niemand van," zei ik haastig; "de sop is de
kool niet waard."

"Waarover hebben jullie het zoo druk?" vroeg Kien, die naar ons
kwam toeloopen.

"Over iets dat niet in betrekking staat tot de wetenschap," antwoordde
Stenford, "dus voor jou van geen belang. We spraken over Brunton en
zijn jakhals Dester."

"Te veel eer voor dat soort lui," zei Kien. "Maar ik weet wel dat als
Kolman te weten komt dat Brunton in alle gemeene kroegen in de stad
bekend is en dat hij aan een massa lui geld schuldig is en dat ie
zich ophoudt met race-weddingschappen en dat ie nu en dan 's nachts
dronken thuis komt en dan wordt binnengelaten door Dester--"

"Is dat zoo?" vroeg Stenford.

"Ja, wist je dat niet? Als dat Kolman ter oore komt, dan snap je dat
ie op staanden voet wordt weggejaagd," zei Kien.

"Ja, maar aangezien Kolman dit niet weet, zal hij hier blijven,"
merkte Stenford wijsgeerig op. "Ik heb je nog nooit zooveel woorden
achter elkaar hooren zeggen, Kien."

"Ik kwam niet hier om mijn tijd te verleuteren," hernam Kien op
wreveligen toon.

"Waarom dan? Wou je weer proeven doen? Vertel op!"

"Ik wou vuurwerk aansteken door middel van een electrische vonk,"
verklaarde Kien op ernstigen toon.

"Wou je zien of het daarmee afgaat?"

"Ja; ik wou het aansteken met een electrischen draad."

"En hoe lang is die draad?"

"Vijftien meter."

"Niet lang genoeg, waarde heer; het afsteken van particulier vuurwerk
is niet geoorloofd in deze streken, en op vijftien meter afstand loop
je groote kans te worden gesnapt."

"Ik ben niet zoo gek om het hier in de buurt af te steken," antwoordde
Kien spottend; "je denkt misschien dat ik Kolman en Kijkers zal
uitnoodigen om van de partij te zijn."

"Als je dat doet, dan kom ik niet," zei Stenford. "Ik houd dol
van vuurwerk, maar als je den chef er bij vraagt, dan zal je mijn
gezelschap moeten ontberen."

"Leuter nou niet," hernam Kien kwaad. "Ik zal je vertellen wat ik
van plan ben te doen.--Jij doet zeker ook mee, is 't niet, Ellinghem?"

"Goed," antwoordde ik, "maar eerst moet ik weten hoe je het wilt
aanleggen."

"Dat is gauw genoeg gezegd," zei Kien opgewekt, daar hij meende dat ik
evenzeer naar wetenschappelijke proefnemingen hongerde en dorstte als
hijzelf. "Je maakt het vuurwerk eerst heelemaal klaar; dan breng je het
in verbinding met den electrischen draad--je weet wel hoe dat gaat."

"Dat bedoelt ie niet," viel Stenford hem in de rede. "Hij weet dat
het verboden is om vuurwerk af te steken--als ie dit nog niet wist,
dan vertel ik het hem bij deze--hij wou alleen maar weten hoe je het
wilt aanleggen om niet te worden gesnapt."

"Ja," zei ik, "want vuurwerk is nu eenmaal een goedje dat..."

"Dat ruikt en lawaai maakt," viel Stenford in, die den zin voor mij
voltooide. "Vertel op, Kien; hoe wou je het hem eigenlijk leveren?"

"Dat zal ik je zeggen als je me eindelijk eens rustig laat uitpraten,"
zei Kien ernstig. "Houd nu eens je mond."

"Ik zal zwijgen," hernam Stenford. "Vertel dan gauw op."

"Ik heb een stille plek gevonden die uitnemend hiervoor is geschikt."

"Waar dan?" vroeg Stenford. "Een kelder misschien?"

"De tuin van een huis dat leeg staat," zei Kien.

"Niet kwaad bedacht," riep Stenford. "De vent is practischer dan ik
dacht, Ellinghem."

"Het is een tuin met hooge muren er omheen; hierop kunnen we al die
dingen vastmaken; we hechten dan den draad eraan vast en klaar ben je."

"Je bent tenminste in den tuin," zei Stenford; "maar om zes uur is
het donker, dus hoe kom je op tijd weer thuis..."

"Dat heb ik ook al bedacht," antwoordde Kien. "Je weet dat
a.s. Woensdag de groote voetbal-match in Triston wordt gespeeld."

"Ja, wat zou dat?"

"We mogen thuis komen met den trein die om half acht vandaar
vertrekt. Maar er is er ook een om zes uur en dien zullen wij
nemen. Dan hebben we den tijd tot acht uur; we steken het vuurwerk
op ons gemak af en komen gelijk met de anderen thuis."

"Ellinghem, is die vent geen listig monster?" vroeg Stenford. "Als
eenige verontschuldiging kunnen we aanvoeren dat hij handelt uit
liefde tot de wetenschap!"

"En je weet precies waar dat huis en die tuin ligt?" vroeg ik.

"Ja, ik heb lang naar een geschikte plek uitgekeken," antwoordde
Kien. "Het moest een groote tuin zijn en een buurt waar de huizen
ver van elkaar staan om in geen geval te worden gesnapt."

"Waar is het?" vroeg Stenford.

"Op den Nelson-weg."

"Daar wonen alleen deftige lui. Dat is heelemaal buiten de stad."

"Des te beter. Maar als het nu eens werd bewoond vóór aanstaanden
Woensdag?"

Aan die mogelijkheid had Kien nog niet gedacht.

"Hoe kom je in dien tuin?" vroeg Stenford.

"Je denkt zeker dat ik naar den huisbewaarder trek om den sleutel
te halen," antwoordde Kien op minachtenden toon. "Het is nog al glad
dat je over den muur moet klimmen. Ik ben er een paar maal in geweest."

"Je bent een leperd, hoor Kien," zei Stenford.

"Nou, gaan jullie mee?"

"Ik weet het nog niet. Het lijkt mij zoo iets als een plannetje
van Burns."

"Als Burns ervan hoort zal ie zeker ook mee willen," zei Kien.

"Ellinghem, hoe denk je erover?" vroeg Stenford; "zullen we meegaan
of niet?"

"Mij goed," antwoordde ik. "'t Is misschien wel moppig."

"Vooruit dan maar!" riep Stenford. "En hoeveel vuurwerk heb je? Willen
we er nog wat bij koopen?"

"Nou, wat graag," riep Kien verrukt; "dat is natuurlijk veel beter
om de kracht van de electrische vonk te kunnen nagaan."

Ik had pas een som geld ontvangen zoodat Kien in de wolken was over
het aandeel dat ik wilde bijdragen tot welslagen van de onderneming.

"Wat zullen we een pret hebben!" riep hij. "Als het huis nu maar niet
in dien tijd is verhuurd."

Die mogelijkheid vervulde hem met angst en vervolgde hem als een
nachtmerrie. Den volgenden dag nam hij me heelemaal naar den Nelson-weg
mee om huis en tuin zoo nauwkeurig mogelijk te bespieden of we ook
het een of ander gewaar werden waaruit zou kunnen blijken dat het
huis binnenkort zou worden bewoond.

"Misschien zijn er nu al menschen in," zei hij angstig toen we het
huis naderden.

Dit bleek niet het geval. Op de ramen waren groote papieren aangeplakt
die ons gerust stelden en borden waren bij den ingang geplaatst. De
omgeving zag er doodsch en tamelijk verwaarloosd uit.

"'t Lijkt wel of het huis in geen jaren is bewoond," merkte ik op. "'k
Zou me dan ook maar niet ongerust maken dat voor Woensdag verandering
zal komen in dezen toestand. En al werd het huis een dezer dagen
verhuurd, dan kunnen de menschen er toch zoo maar niet in trekken."

"Dat weet je nog niet," zei Kien die zijn angst maar niet van zich
kon afzetten, en nu begon hij alle voordeelen op te sommen die het
huis bood en de tuin.

Ik geloof dat hij er in de volgende week elken dag heen trok om
zich te overtuigen dat de villa nog onbewoond was; het was dan ook
een opluchting voor hem toen de gewichtige Woensdag eindelijk was
aangebroken.

Stenford, Burns en ik hielden hem ongemakkelijk voor den gek met zijn
vuurwerk, doch hij ging zoo geheel op in zijn toebereidselen voor de
grootsche onderneming dat geen glimlach op zijn gelaat verscheen.

Toen we eindelijk in den trein zaten die om zes uur uit Triston
vertrok, zooals we hadden afgesproken, toen werd hij iets opgewekter.

"Voel je je nu wat beter?" vroeg Stenford.

Kien knikte van ja.

Stenford voelde hem den pols. "Ja," zei hij, "de pols is sterker
geworden; nog is de slag niet heelemaal regelmatig, doch een merkbare
vooruitgang is waar te nemen."

"Zeur toch niet," zei Kien wrevelig. "Ik wou jullie nu precies
uitleggen wat we moeten doen."

Dit geschiedde met de grootste nauwkeurigheid, zoodat hij bijna
uitsluitend aan het woord was tot we St. Martin bereikten.

"Nu als de wind naar Smit om de dingen te koopen," zei hij, toen we
het station waren binnengestoomd.

"Moeten wij die ontplofbare stoffen in onze zakken steken?" vroeg
Stenford.

"Ja, er zijn drie pakken vuurwerk," antwoordde Kien ernstig. "Ieder
neemt er een voor zijn rekening."

"W-wat d-draag jij d-dan?" vroeg Burns.

"Ik neem het electrische toestel en den draad," zei Kien. "Dat zou
ik niet graag aan jullie hoede toevertrouwen. Vanmiddag heb ik het
eerst bij Smit gebracht."

Een paar minuten later waren we klaar met Smit--want Kien had alles met
groot beleid en kennis van zaken geregeld--en klommen we den heuvel op
die buiten de stad was gelegen en waar zich de meeste villa's bevonden.

"W-weet je n-nog t-toen we hier het eerst s-samen waren?" vroeg Burns
aan me.

"Nou, of ik," antwoordde ik. "Ik ben blij dat Kien nu de leiding op
zich neemt en niet jij."

"Vertrouw nooit op Burns," zei Stenford. "Vooronderstel eens dat Kien
b.v. in de lucht vliegt met z'n vuurwerk, dan zou Burns misschien de
leiding willen overnemen, maar dan verzeker ik je dat ik onmiddellijk
rechtsomkeer zou maken."

Burns lachte.

"Praat nu niet zoo hard," zei Kien; "we zijn al vlak bij den weg."

In dezen tijd van het jaar was het om zes uur al heelemaal donker. Een
paar armzalige gaslantarens die in den wind stonden te flikkeren,
waren het eenige schijnsel dat we gewaar werden. Niemand scheen zich
op den Nelson-weg te bevinden.

"'k Zou hier niet graag wonen," zei Stenford; "veel te stil en
eenzaam. Die weg schijnt niet eens een dwarspad te hebben."

"Nee, daarom leek deze buurt me juist zoo geschikt. Er staan in
't geheel maar zes huizen en ons huis is het allerlaatste."

"'t Is of je het hebt gehuurd," merkte ik op. "Is het hier?"

"Ja," antwoordde Kien. "Maar maak nu zoo min mogelijk leven."

Deze aansporing tot voorzichtigheid scheen overbodig. We waren nu al
de huizen langs geloopen waarvan de ramen waren verlicht, zonder dat
we taal of teeken van een levend wezen hadden gezien, en nu stonden
we voor een donker verlaten gebouw, het laatste van de reeks villa's.

"Een somber oord," zei Stenford die onwillekeurig de stem liet dalen.

"Welke kant?" vroeg ik. "Het is hier zoo donker."

"Hierheen," zei Kien; "ik zal je wel den weg wijzen. Ik ben hier nu
al zoo dikwijls geweest."

Naast het huis bevond zich een hek van houten latten, dat toegang
gaf tot den tuin.

"Hierover heen," zei Kien heel kalm.

"Dank je stichtelijk," zei Stenford; "een leuk spelletje om in het
donker over een waggelend hek te klauteren met een pak dynamiet of
weet ik wat in je hand."

"Leg dat goed hier neer bij elkaar," beval Kien. "Dan klim ik er eerst
over. Ellinghem, ga jij er bovenop zitten; dan geven we zoo den boel
aan elkaar."

Dit plan werd stipt ten uitvoer gebracht, zoodat we een oogenblik
later met onzen voorraad aan den anderen kant van het hek stonden.

"En die andere huizen?" vroeg Stenford fluisterend, toen we in het
donker bij elkaar stonden om de nadere orders van Kien af te wachten.

We behoefden niet te vragen welke huizen hij bedoelde. De villa's lagen
evenwijdig met den Nelson-weg en de tuinen grensden aan elkaar. We
konden de verlichte ramen zien van de achtergevels, zoodat het ons
bijna onmogelijk leek, dat de menschen onze aanwezigheid niet zouden
bemerken als ze naar buiten keken.

"Och wat, jij met je huizen," antwoordde Kien verontwaardigd, hoewel
hij de stem toch niet durfde verheffen.

"Natuurlijk staan daar huizen, maar een afstand van twee tuinen is
tusschen ons in."

"Ik zou het toch prettiger vinden als die huizen er niet waren,"
zei Stenford. "Maar daar is nu eenmaal niets aan te doen."

"Bij dag heb ik de heele buurt bespied," hernam Kien op eenigszins
uitdagenden toon, "en ik verzeker je dat het hier veilig is en dat
je niet bang behoeft te zijn."

"Laten we dan maar den boel zoo gauw mogelijk afsteken," zei Stenford.

"Over het gras," beval Kien; "er staat hier geen bloem of struik;
regelrecht naar het verste gedeelte."

"Zeg 's, je bent toch niet van plan om je zoo dicht bij die andere
huizen te wagen?" vroeg Stenford.

"Jawel," zei Kien, "wat ben jij een ezel! Je snapt toch dat we dat
goedje moeten afsteken, zonder dat ze dit uit die huizen kunnen zien?"

"Ga je gang dan maar," antwoordde Stenford, "maar wat loop je akelig
in dat lange gras. Voor deze feestelijke gelegenheid hadt je het wel
kunnen laten maaien."

We zagen nu iets wits schemeren in het benedengedeelte van den tuin;
dit bleek een serre die tegen den muur was gebouwd.

"Wacht tot ik licht maak," zei Kien. "Ik heb de lantaren genomen van
de fiets van Burns."

"W-wel heb ik v-van m'n l-leven," zei Burns.

"Begrijp jullie nu niet hoe prachtig die oranjerie als scherm kan
dienen bij het afsteken van het vuurwerk," zei Kien, die nu een
lucifer afstreek.

"Dat is zoo," gaf ik toe, "maar de huizen die iets verder staan--"

"Die hebben een prachtig gezicht erop," viel Stenford in.

"Je kan toch niet alles verlangen," zei Kien.

"Ze z-zullen denken dat het huis is v-verhuurd," zei Burns, "en d-dat
ze n-nu vuurwerk afsteken v-voor de k-kindertjes."

"Die niet buiten mogen komen omdat het 's avonds te koud is," vulde
Stenford aan. "Vooruit dan maar."

"Ja, we moeten ons haasten," zei Kien. "Hecht die dingen op den muur
vast;" dit zeggend reikte hij me een van de pakken over. "Ik heb er
alles voor klaar gemaakt."

Dit bleek werkelijk het geval. Hij had spijkers ingeslagen voor
de zonnetjes en pijpjes bevestigd om de Romeinsche kaarsen en de
voetzoekers en vuurpijlen aan te bevestigen, zoodat de inhoud van
het eerste pak in een ommezien was geledigd.

Kien was nu bezig met het electrische toestel.

"Hoeveel kan je daarmee tegelijk aansteken?" vroeg Stenford.

"Een stuk of zes," zei Kien, die den draad stond los te wikkelen;
het gedrenkte papier dat als lont moest dienen had hij al gereed
liggen. Als de draad langer was, zou ik er misschien nog wel een paar
meer tegelijk kunnen aansteken.

"Zes is mooi genoeg," hernam Stenford. "Ik vind het zelfs een
prachtvertoon, dat me herinnert aan de grootste buitensporigste weelde
in de Romeinsche oudheid."

Kien gaf hierop geen antwoord. Hij maakte den draad vast en liep toen
achteruit met het toestel terwijl hij den draad langzaam los wikkelde.

"Ga nu mee tot vlak bij het huis," zei hij. "Vandaar zullen we de
electrische ontlading prachtig kunnen zien."

"En d-daar z-zijn we v-veilig," zei Burns.

"Draai de lamp met het licht naar den muur," zei Stenford; "dan zullen
we de rest nog beter kunnen zien."

"Pas op den draad!" waarschuwde Kien. "Struikel er niet over."

"Nee, daarvoor zal ik wel oppassen," zei Stenford. "Ik wil mijn
natuurlijken dood sterven. Steek den boel niet aan voor ik op een
veilige plaats ben beland."

"Nou, het begint!" zei Kien.

We stonden nu op een rij bij de plek waar de draad eindigde. De
oranjerie konden we vaag onderscheiden in de verte.

"Burns," zei Stenford op plechtigen toon, "nog één oogenblik en dan
zal het daarginds helder licht worden."

"Houd nou je mond," zei Kien. "Ik steek het nu aan!"

"Gauw wat alsjeblieft!" fluisterde Stenford. "De spanning is te groot."



HOOFDSTUK XXII.

HET SLACHTOFFER DER WETENSCHAP.


Het toestel dat Kien in de handen hield, liet een klikkend geluid
hooren; ik dacht niet anders of al de stukken vuurwerk zouden nu
tegelijk ontploffen. Doch niets gebeurde; we konden de oranjerie in
de verte nog slechts ternauwernood onderscheiden.

Kien klapte met de tong en toen vernamen we wederom een klikkend
geluid.

"Toe nou, vooruit," zei Stenford om hem tot spoed aan te sporen.

"Ze is al weg," zei Kien.

"Wie bedoel je?"

"De vonk."

"M-maar dan is ze al uitgegaan," riep Burns lachend.

"Nee, ze is door den draad heen," antwoordde Kien; "er moet iets aan
de lont haperen."

"Probeer het nog eens," zei Stenford; "je hebt maar tweemaal geklikt;
een derde keer gaat het misschien beter."

Wederom een klikkend geluid. "Hier houd 's vast," zei Kien tegen
Burns wien hij het electrische toestel overhandigde.

"Het k-kan toch n-niet ontploffen?" vroeg Burns angstig, maar Kien
was al op weg naar de oranjerie en gaf geen antwoord.

"Het is zeker een vonk die van haar gemak houdt," zei Stenford;
"daarom heeft ze er zooveel tijd voor noodig. Misschien komen de vonk
en Kien daar tegelijk aanzetten."

Weldra keerde Kien terug. "De lont is in orde," deelde hij mede;
"het moest afgaan."

"Het moest, het moest," herhaalde Stenford; "als we maar altijd deden
wat we moesten doen. Zelfs electrische vonken schijnen soms niet te
willen gehoorzamen."

Kien deed nog eenige malen het toestel klikken.

"Het moet de lont zijn," verklaarde hij ten slotte.

"Ik heb verstand van lontjes," zei Stenford. "Ik ga eens poolshoogte
nemen."

Hij gaf me een wenk--wat hij daarmee wilde zeggen begreep ik echter
niet--en toen zette hij het op een loopen over het gras. We konden zien
dat hij de fietslamp in de hoogte hield om het licht achtereenvolgens
te laten schijnen op de lont en op het vuurwerk. Toen keerde hij den
rug naar ons toe, zoodat we niet konden zien wat hij uitvoerde.

"Ik heb de lont in orde gemaakt," riep hij; terwijl hij het hoofd
even omdraaide. "Probeer het nu nog 's, Kien!"

Wederom liet Kien het toestel klikken, waarop de lont werkelijk begon
te gloeien.

"Hij doet het!" riep Kien zegevierend uit. "Ik wist wel dat het
eindelijk zou gaan!"

"Zie je wel dat ik verstand heb van zulke dingen?" riep Stenford die
nu naar ons terugkeerde.

"'t Is al-leen m-maar de vraag of het n-nu zal afgaan," zei Burns.

Dit gebeurde niet. De lont en het gedrenkte papier brandden op en
doofden uit, de stukken van het vuurwerk bleven in duisternis gehuld.

Kien wilde wederom van voren af aan beginnen, doch daartegen kwamen
wij in verzet.

"Weten jullie hoe laat of het is?" vroeg ik. "We zullen nauwelijks
tijd hebben om den boel zoo maar aan te steken en dan kunnen we nog
juist de anderen inhalen die met den volgenden trein komen."

"Je hebt nu getoond dat het kan," zei Stenford lachend.

"Ja, misschien is het beter," gaf Kien toe op ernstigen toon.

Aldus geschiedde. We liepen naar het vuurwerk toe om het aan te
steken. In het begin traden we behoedzaam op en lieten we maar één stuk
tegelijk ontbranden, doch weldra zagen we in, dat we met verdubbelde
kracht aan het werk moesten als we hiermede op tijd wilden klaar komen.

Het duurde dan ook niet lang of wieletjes draaiden en sisten,
voetzoekers knetterden en vuurpijlen schoten omhoog om als
vonken-regens omlaag te storten, en roode en blauwe lichten gloeiden
en Romeinsche kaarsen maakten een herrie van belang--korten tijd
was het een oorverdoovend lawaai, terwijl de tuin schitterend werd
verlicht en het overal rook naar kruit en chemische stoffen.

"Dol, kostelijk!" riep Stenford, die een brandende voetzoeker door
de lucht zwaaide en toen weggooide, zonder er zich natuurlijk over
te bekommeren waar die neerkwam.

Zelfs de bedaarde Kien geraakte in hevige opwinding. Hij stak bij
voorkeur de vuurpijlen aan, die hij niet zooals gewoonlijk regelrecht
de lucht in deed gaan, doch hij gaf die alle mogelijke richtingen,
zoodat sommige eerst langs den grond kropen en andere wrongen zich
eerst in bochten voor ze omhoog schoten. Hij schreeuwde ons wat toe
over kronkelingen en snelheid, doch het lawaai was te groot om precies
te kunnen verstaan wat hij zei.

"Geen lucifers verspillen!" riep Stenford; "geen enkele mag er
uitgaan! We hebben er nog maar een paar. Het eene kunnen we wel met
het andere aansteken."

Dit geschiedde, doch het oogenblik brak aan waarop de voorraad
uitgeput geraakte, zoodat het geschutvuur verminderde. Maar toen
deden we een kostelijke vondst--een heel pak voetzoekers hadden we
over het hoofd gezien.

"Z-zeg, als we hiermee eens v-vochten tegen elkaar," stelde Burns voor;
"twee aan iederen kant."

"Best," zei Stenford. "We moeten ze dan precies verdeelen. Kien en
ik tegen Ellinghem en Burns. Vooruit, wie het best kan gooien. Alleen
die achter den vijand terecht komen tellen mee."

Het gevecht begon; aan beide zijden werd hard gestreden.

"Niet te hoog, niet te hoog!" riep Burns, want de wind was nu hevig
gaan opsteken.

Ik geloof dat Stenford op den dwazen inval kwam om te zien hoe ver
we konden gooien, zoodat het laatste zestal over de oranjerie werd
geworpen, zonder dat wij er ons om bekommerden waarheen die voetzoekers
zich een weg baanden.

Toen de voorraad geheel was uitgeput, stonden we een oogenblik
te luisteren naar het geschetter en lawaai dat we achter den muur
vernamen, terwijl nu en dan een lichtstraal omhoog flitste.

"Hoor die 's," zei Stenford, die zich maar half op zijn gemak scheen
te gevoelen. "Wat maakt dat ding een herrie in dien tuin."

"In t-twee t-tuinen," verbeterde Burns.

We wachtten tot het lawaai was verstomd.

"Gelukkig," zei Stenford, die een zucht slaakte van verlichting.

Terwijl hij dit zei, scheen een van de voetzoekers niet van plan
om een roemloozen dood te sterven; ze gaf nog drie knallen en het
leek ons dat we bij den derden knal den angstigen gil vernamen van
een vrouw in den tuin aan onzen rechterkant, terwijl we een nijdige
mannenstem meenden te vernemen in den tuin links van ons.

"Ze hebben het gemerkt," fluisterde Kien. "Als we er 's vandoor
gingen?"

In den tuin waar de nijdige mannenstem weerklonk zagen we echter het
schijnsel van een licht; die persoon bevond zich blijkbaar op een
hoogte, zoodat we onmiddellijk zouden worden ontdekt als het licht
over den muur viel.

"Hier onder den muur!" fluisterde Stenford; "als we in de richting
van het huis rennen, dan zouden ze ons zien."

We hadden beter gedaan als we die kans maar hadden gewaagd en het op
een loopen hadden gezet, maar in onze besluiteloosheid volgden we den
raad van Stenford en gingen we met onzen rug tegen de oranjerie staan,
vlak bij den hoogen muur.

"Werkelijk, mevrouw, dergelijke aardigheden drijft u toch wat al te
ver," hoorden we den man zeggen, die zich blijkbaar diep beleedigd
gevoelde. "Ik kan vermoedelijk niet uw dwaasheid beletten om vuurwerk
af te steken in uw tuin, maar het eigendom van anderen zou u ten
minste kunnen eerbiedigen."

"Ik begrijp u niet, mijnheer," antwoordde een driftige vrouwenstem.

"Dan zal ik nog duidelijker zijn," hernam de man. "Ik sta op een van
de hoogste sporten van mijn ladder, waardoor ik een overzicht heb
van uw tuin."

"Heel vrijpostig," merkte de vrouwenstem op.

"En daardoor kan ik heel duidelijk den rook zien van het vuurwerk--en
ik ruik het--" nu werd hard gesnoven--"Ik kwam nog juist bijtijds om
me te vergewissen waarmede u zich onledig hieldt en ik ben overtuigd
dat het de ontploffing was van een voetzoeker..."

"Dus u wilt mij beschuldigen van..." hernam de vrouwenstem.

"Ik beschuldig u van niets," zei de ander. "Ik geloof niet dat ik het
recht bezit om te verbieden dat u de buurt onbewoonbaar maakt door
al dat lawaai en dien vreeselijken stank. Maar wel kan ik eischen
dat u het eigendom van anderen eerbiedigt..."

"Mijnheer..." wierp de ander tegen.

"Neem me niet kwalijk mevrouw, maar ik heb nog niet uitgesproken," ging
de mannenstem voort. "Ik had den heer Brunton die u zeker wel van naam
kent bij mij genoodigd; heden avond heeft die mij met zijn gezelschap
vereerd. Daar het weer zacht was zaten we eerst met het raam open, doch
toen u met dat vuurwerk begon, verspreidde dit zulk een ondraaglijken
stank, terwijl die herhaalde ontploffingen zulk een lawaai maakten,
dat wij wel genoodzaakt waren het venster te sluiten; ons diner werd
daardoor geheel bedorven. Is het niet, mijnheer Brunton?"

"Volkomen waar," antwoordde een stem, waaraan ik onmiddellijk den
heer met de dubbele kin herkende.

"Als u denkt dat..." viel de dame in.

"Pardon, mevrouw, ik heb nog niet uitgesproken," hernam de ander. "Ik
liet u uw gang gaan totdat het al te erg werd en het vuur in mijn
perken verwoesting begon aan te richten."

"Mijnheer, u heeft mij diep beleedigd," zei de dame; "mag ik u echter
doen opmerken, dat wij het zijn geweest die een half uur lang door
een oorverdoovend lawaai zijn gemarteld. Eindelijk vroeg juffrouw
Burnip me of ik niet eens wilde gaan kijken en vragen of er nu mede
kon worden uitgescheden, maar juist toen ik uit de zijdeur kwam zag
ik dat gloeiende voorwerpen naar ons werden gegooid--ik meen over
den muur van uw tuin en--"

"Dus u verdenkt mij dat ik mijn geld en vrijen tijd verspil met het
afsteken van voetzoekers en vuurpijlen," hernam de mannenstem op
diepbeleedigden toon. "Die zou ik dus volgens u staan te gooien over
den muur van uw tuin? Ongehoord! Ongehoord! Hoe durft u me van zoo
iets verdenken? Ik geloof dat uw schoenejongen de schuldige is. Vraag
maar eens wat die van de zaak af weet; en als hij..."

"Hier is hij," riep de dame; "ik zal hem dadelijk
ondervragen.--Thomas," zei ze op strengen toon; "heb jij vuurwerk
afgestoken?"

"Nee, mevrouw," klonk het antwoord dat zonder eenige aarzeling werd
gegeven.

"Hoort u nou wel, mijnheer," riep de dame zegevierend uit.

"Dus u gelooft maar dadelijk wat die jongen zegt," zei de heer. "Ik zal
hem beschijnen met licht; dan kan ik zien of zijn kleeren rooken. Zou
u niet willen nagaan of hij soms ruikt naar kruit?"

"Het ruikt hier overal naar kruit," antwoordde de dame; "bovendien
weet Thomas heel goed dat hij onmiddellijk zou worden ontslagen als
hij zulke streken uithaalde. Wou je iets zeggen, Thomas?"

"Ja mevrouw--als dat het uit den tuin kwam," antwoordde de jongen.

"Uit wat voor tuin?"

"Daar," zei Thomas, die zeker een richting aanduidde.

"Uit dien tuin," hernam de heer op spottenden toon; "de tuin van een
leeg huis! In geen twee jaar heeft iemand daar een voet gezet. Ik ben
vast overtuigd, mevrouw, dat vuurwerk niet afgaat of het moet worden
aangestoken. Het spijt me dat ik moet zeggen dat uw bediende liegt."

"Maar het zijn jongens van de school, mevrouw," hernam Thomas. "Ik sta
al wel een half uur naar ze te kijken,"--die laatste woorden klonken
als een juichkreet. "Ze hebben een stuk of wat voetzoekers gegooid,
eerst over den eenen muur en toen over den andere; er is maar één
plek in den tuin vanwaar je alles kunt zien--"

"En je hebt daarnaar staan te kijken zonder me te waarschuwen?" riep
de dame driftig uit. "Ga er onmiddellijk heen en zeg--"

"Neen," viel de heer Brunton in; "laat hij om het huis heenloopen;
je houdt ze dan tegen en ziet wie het zijn. Mijn zoon is daar op
school en zal deze zaak wel onder handen nemen."

"Als je een politie-agent tegenkomt--" zei de ander.

We wachtten niet af tot deze zin was voltooid. We dachten dat we daar
zoo veilig stonden onder het afdak; als we het onmiddellijk op een
loopen hadden gezet, zouden we door het licht van die lantaren zijn
beschenen, maar nu moesten we er wel vandoor gaan.

"Zoo gauw als je kunt," fluisterde Stenford, die bijna stikte van
het lachen.

We renden over het hoog opgeschoten gras, klauterden over het hek en
belandden veilig en wel op den straatweg, hoewel Burns boven op het
hek aan iets was blijven haken, zoodat we hem naar beneden hadden
moeten trekken.

"Mooi zoo," zei Stenford. "Nu er als de wind vandoor. Dan kunnen we
nog bijtijds thuis wezen."

Nauwelijks hadden we het op een loopen gezet, of Kien slaakte een
kreet en bleef stilstaan. "Ik heb mijn electrische toestel vergeten,"
riep hij uit. "Ik moet terug."

"L-laat dat d-ding maar," ried Burns aan; "anders wordt je z-zeker
g-gesnapt."

"Ik moet het hebben," riep Kien wanhopig; "jullie hebt zelf gezien
hoe prachtig het werkte."

"Daarvan heb ik niets gezien," zei Stenford, die de voorhoede
vormde, maar nu terugkeerde toen hij bemerkte dat wij waren blijven
stilstaan. "Laat dat ding nu toch in den steek. Ze komen ons anders
heusch nog achterop."

"Het heeft zoo prachtig de lont aangestoken," riep Kien.

"Dat denk je maar," zei Stenford. "Dat heb ik gedaan met een lucifer."

"Nee maar, die is g-goed!" riep Burns lachend.

"Ik wil het terug hebben," verklaarde Kien heel beslist. "Gaan jullie
maar door. Ik zal je wel inhalen. Blijf maar niet op me wachten."

"Wees nu niet zoo uilig," riep Stenford, die hem bij den arm greep.

Kien rukte zich echter los en zette het op een loopen.

"Als hij zich in het hol van den leeuw wil wagen om dat malle ding
terug te krijgen, dan is het nog geen reden voor ons om ons te laten
snappen," merkte Stenford op. "Laten we doorloopen en een eind verder
op hem wachten. Kien is een goede draver; hij zal ons wel inhalen."

We renden den Nelson-weg af en nog heel wat andere wegen, waarvan ik
de namen niet eens kende, totdat we begrepen dat nu geen gevaar meer
viel te duchten.

"Hè, hè!" riep Stenford hijgend; "laten we nu maar 's even
uitrusten. Geloof je dat we de lui nog kunnen inhalen die van het
station komen?"

"Dat zal nog juist gaan," antwoordde Burns.

We wachtten nog even in de hoop Kien te zien opdagen, doch we zagen
onzen vriend niet verschijnen.

"We moeten nu gaan," zei Burns.

"Ik vind het ellendig om Kien aan zijn lot over te laten," zei ik. "Als
ie 's werd gepakt?"

"Geen denken aan," antwoordde Stenford. "Kien is veel te handig om
zich te laten knippen."

"Hij zal een anderen weg hebben g-genomen," vooronderstelde Burns.

"Dat denk ik ook," viel Stenford bij. "Hij zal een omweg hebben
gemaakt om die lui niet in handen te vallen; 'k denk dat we hem aan
het station zullen vinden."

Die voorspelling kwam echter niet uit. De trein was juist
binnengestoomd en troepen jongens verlieten het station. In
het halfdonker viel het ons niet moeielijk om ons ongemerkt bij
hen te voegen, zoodat we gelijk met de anderen het schoolgebouw
bereikten. Allen hadden het druk over de match en over het schitterend
spel van Norman en Bob Kitsjin; aan die twee was het te danken dat voor
de eerste maal een uitstekende club was verslagen op wie St. Martin
nog nooit een overwinning had behaald.

Door ons avontuur hadden we eigenlijk weinig meer aan die overwinning
gedacht, maar nu juichten we de twee helden even uitbundig toe als
de anderen, en zoo naderden we met den zegestoet het schoolgebouw,
alsof we nooit in ons leven zelf vuurwerk hadden afgestoken.

"Ik d-denk d-dat K-Kien al thuis is," zei Burns.

Deze voorspelling kwam evenmin uit; ik begon me nu weinig op mijn gemak
te gevoelen en vond het gemeen dat we hem in den steek hadden gelaten.

"Hadden we 'm maar geholpen met dat ding terug te halen," zei ik.

Stenford mompelde wat; mogelijk was dezelfde gedachte ook bij hem
opgekomen. "Wat is de vent dan toch een uil geweest om dat ding met
alle geweld terug te willen halen," zei hij kwaad. "Hij had den boel
toch in den steek kunnen laten. Verbeeld je om de kans te wagen,
te worden geknipt om een eindje draad!"

"Misschien zit ie in de draden verward," zei ik. "Maar het is nu te
laat om te gaan zien waar hij uithangt, is het niet?"

Toen we alle drie beurtelings hadden verklaard dat het nu te laat
was en dat wij er geen van allen iets aan konden doen--trokken we
naar binnen voor het avondeten.

Onderweg kreeg Juniper Burns in het oog.

"Zoo, waarde dichter, waar heb jij al dien tijd gezeten," riep hij
uit. "Ik begon heusch bang te worden dat je was zoek geraakt."

"We hebben pleizier gemaakt," zei Burns.

"Zoo?" hernam Jim. "Maar, jongen, ik wou dat je heusch een echte
dichter was; dan zou je de roemrijke daden kunnen bezingen van Norman
en Kitsjin, het kranige tweetal aan wie het is te danken dat we de
voornaamste match van het heele seizoen hebben gewonnen. Maar ik geloof
heusch dat in mijn aderen dichterlijk bloed vloeit. Zeg 's, Ellinghem,
je mag trotsch zijn op Kitsjin," voegde hij er bij, terwijl hij zich
naar mij keerde. "Hoe vondt je die laatste, hè?" Even maakte hij een
gebaar om "die laatste" na te bootsen, en toen liep hij door.

"Hij is een b-beste vent," zei Burns toen Juniper was verdwenen.

"Ja, jij mag hem wel dankbaar zijn," merkte Stenford op. "Hij heeft
je al heel wat keeren geholpen als je in moeilijkheden zat.--Maar ik
wou dat Kien nu maar kwam opduiken!"

Mijn diensten werden verlangd in de kamer van Norman waar ik een
keurig souper moest gereed maken om den gelukkigen afloop van dien dag
te vieren; Bob en Jim Juniper waren de gasten die mede aanzaten. Ik
had het nu al een heel eind gebracht in de edele kookkunst, en dien
avond kreeg ik verscheiden complimentjes dat ik het er zoo goed
had afgebracht.

"Het jonge mensch verdient een woord van lof," zei Norman die
goedkeurend het hoofd schudde. "Je zal nog eer aan hem beleven,
Kitsjin."

"Alle Canadeezen die in kampen hebben gewoond kunnen uitstekend koken,"
zei Bob. "Ga maar 's met me mee, Martin, dan zal je 's zien hoe het
daar toegaat."

Het kwam me voor dat Bob dien avond bijzonder vriendelijk tegen me was;
ofschoon hij uitbundig was toegejuicht, was hij even kalm en bedaard
alsof niets bijzonders was gebeurd. Norman evenzoo. Over het souper
werd meer gesproken dan over de match.

"We zullen een lakei van je maken, Martin," zei Bob, toen we elkaar
goeden nacht wenschten. "Het gaat anders, geloof ik, best op school;
is het niet?"

"O ja," antwoordde ik.

"Geen last meer gehad van Brunton en dien kleinen aap?"

"Nee."

"Heeft hij je nooit het een of ander willen vertellen?" vroeg Bob
die me nu doordringend aankeek.

"Nee," antwoordde ik. Ik dacht nu weder aan dien avond toen ik dat
zonderlinge gesprek had afgeluisterd. Er moest iets zijn dat Bob voor
me verborgen wilde houden, maar wat kon dat wezen? Een oogenblik
vroeg ik me af of ik hem niet den brief zou laten lezen dien ik in
mijn zak had. Hoeveel leed zou ik mij niet hebben bespaard, als ik
hem toen in mijn vertrouwen had genomen!

Ik aarzelde even en liet deze gelegenheid voorbij gaan.

"Wou je me iets vertellen?" vroeg hij, terwijl hij me een eigenaardigen
blik toewierp.

"Nee," zei ik.

"Niets over Brunton?"

"Nee," zei ik wederom.

De angstige uitdrukking verdween van zijn gezicht.

"Nou, goeden nacht," zei hij opgewekt, want na mijn laatste ontkenning
gevoelde hij zich blijkbaar opgelucht.

Toen ik naar mijn kamer trok kwam Stenford me tegen die op me had
gewacht.

"Hij is thuis!" fluisterde hij.

"Wie--Kien?"

"Ja."

"Werd ie gesnapt?"

"Ja. Wat uilig van den vent, hè?"

"We hebben hem gemeen in den steek gelaten," zei ik.

"Hij beweert dat ie in zijn draad verward raakte en dat ie door een
klabak werd gegrepen toen ie door het hek holde. De man hield hem
voor een inbreker."

"Kon hij niet alles uitleggen?"

"Jawel; hij was druk aan het vertellen en redeneeren, maar toen kwamen
de andere menschen aanzetten."

"Hadden die de politie gewaarschuwd?"

"Nee. Daarvoor hadden ze nog geen tijd gehad. De agent had 'm maar
op zijn eigen houtje ingerekend, maar nu konden Brunton en die andere
man hem natuurlijk inhalen."

"De vader van Brunton die hier is?"

"Ja; die is zeker net zoo'n lievertje als z'n zoon. Hij zei tegen
Kien dat hij zijn zoon op de hoogte zou stellen."

"Heeft Kien bekend?"

"Ja, maar hij heeft ons niet verraden. Hij heeft zijn eigen naam
genoemd en verteld wat hij heeft uitgevoerd."

"En wat zal er nu gebeuren?" vroeg ik.

"O, Brunton--onze Brunton bedoel ik, zal het aan de andere
prefekten vertellen. De vent groeit er natuurlijk in; hij zal
overal rondbazuinen, dat de goede naam van de school moet worden
hoog gehouden en dat de prefekten ervoor moeten zorgen dat dien niet
wordt aangetast."

"Dat moet hij vooral zeggen die in kroegen zit te drinken en te
wedden," riep ik uit op minachtenden toon. "En wat zullen de andere
prefekten doen?"

"O ze zullen Kien bij zich laten komen," antwoordde Stenford die
de schouders ophaalde; "ze zullen hem een standje geven en een pak
ransel en Kolman zal er niets van hooren."

"En alleen omdat zoo'n vent als Brunton hem aanklaagt!" riep ik
verontwaardigd uit. "Dat zullen ze niet doen!"

"Wie zal het ze beletten?" vroeg Stenford.

"Ik! Ik zal Bob overhalen om dit te verhinderen. Ik weet zeker dat
hij het zal doen als ik het hem vraag."

"Bemoei je er niet mee," zei Stenford. "Kitsjin moet met de andere
prefekten rekening houden; hij kan zich niet ophouden met jouw
praatjes. Dat snap je toch?"

"Nee, dat snap ik niet," antwoordde ik heel beslist; "je zal zien
dat Kien er genadig afkomt. Bob zal het zeker beletten als ik het
hem vraag."



HOOFDSTUK XXIII.

IK GA NAAR BOB.


Tegen den avond van den volgenden dag was het algemeen bekend geworden,
dat Kien gesnapt was toen hij vuurwerk afstak in den tuin van een
leegstaand huis, en dat de vader van Brunton er iets mee had te maken
gehad, en dat die het aan Brunton had verteld, en dat die het weer
had overgebriefd aan de andere prefekten en dat die het geval onder
handen hadden genomen en dat Kien tot straf een pak slaag zou krijgen.

Heel wat verhalen en geruchten waren in omloop. Sommigen beweerden dat
Kien den vader van Brunton op straat was tegengekomen en dat hij toen
een paar vuurpijlen had afgestoken, die als een vonkenregen op diens
kaal hoofd waren nedergedaald. Anderen vertelden weer dat Kien door
een stuk of wat vijanden van Brunton was overgehaald, om de woning
van diens vader te bombardeeren met ontplofbare stoffen, bommen en
zoowat meer, die een vreeselijke verwoesting zouden aanrichten.

Er waren maar vier jongens die het rechte van de zaak af wisten, en
van die vier nam Kien het geval het luchtigst op. Hij praatte nooit
druk; alleen als hij iets wetenschappelijks moest uitleggen vloeiden
de woorden van zijn lippen.

"'k Snap niet dat jullie er zoo over leuteren," zei hij kortaf.

"Ik vind het een schandaal," riep ik uit.

"Och kom," zei Kien; "ik ben erin geloopen; anders niet. Het is
mijn eigen schuld. Als ik niet was terug gegaan, dan zou ik niet
zijn gesnapt."

"Waarom was je ook zoo stom!" zei Stenford.

"Dat is nu eenmaal gebeurd," hernam Kien; "en dit zijn de gevolgen. Wat
kan zoo'n pak ransel me schelen!"

"Dat is het hem niet," riep ik verontwaardigd uit; "we zijn alleen
zoo woest op dien ellendigen Brunton; de andere prefekten schijnen
heelemaal naar zijn pijpen te dansen. Het is meer dan erg."

"Ja m-maar--" begon Burns, maar ik wilde niet naar hem luisteren.

"Als een van de leeraren er achter was gekomen, dan was het wat
anders," ging ik voort. "Die moeten natuurlijk mee toezicht houden
en zoo wat meer. Maar dat jongens..."

"Je weet toch dat de prefekten ook orde en toezicht moeten houden;
ze mogen een jongen ranselen bij wijze van straf."

"Ja voor iets dat in de school gebeurt, maar niet daarbuiten," riep
ik driftig.

Stenford en Burns schudden beiden het hoofd, waarmede ze te kennen
gaven, dat ze het met mijn laatste bewering lang niet eens waren.

"Ik weet er wat op," zei ik wrevelig, daar ik niet kon velen dat ze
een andere meening waren toegedaan.

"Wat dan?" vroeg Kien tamelijk onverschillig.

"Ik zal zorgen dat het niet gebeurt."

Kien begon spottend te lachen.

"Wou jij het beletten?" vroeg Stenford ongeloovig.

"Ja," verklaarde ik heel beslist. "Je hebt me gezegd dat ze eerst
allemaal moeten toestemmen. Bob Kitsjin is ook prefekt en hij zal
zeker zijn toestemming weigeren als ik hem op de hoogte heb gebracht."

"D-dat zal ie n-niet," wierp Burns tegen.

"En ik zeg van wel," hield ik vol. "Ik zal wel zorgen dat het niet
gebeurt. Vertrouw maar op mij, Kien."

Kien wierp me een blik toe waarin geen diepe erkentelijkheid viel
te lezen. "'k Wou dat je de zaak maar met rust liet," zei hij;
"je laat me een gek figuur slaan als je je er mee bemoeit."

"Nee, dat doe ik niet," riep ik driftig uit. "Ik ben niet van plan
om lijdelijk aan te zien dat zoo'n vent als Brunton--"

"Luister 's," zei Stenford, "als je wezenlijk van plan bent
iets te doen, dan moet je je haasten, want veel tijd heb je niet
meer. Morgenochtend zullen de prefekten vergaderen en daarna zullen
ze Kien laten halen."

"Ik zal onmiddellijk naar de kamer van Bob gaan," zei ik; "ik weet
zeker dat hij Norman en Juniper zal overhalen.--Ik wil niet dat ze
je zullen straffen," voegde ik er bij op plechtigen toon, terwijl ik
me keerde naar Kien en me op weg begaf met statige schreden.

Ik vrees dat ik in dezen tijd in hevige mate leed aan een kwaal die
iedereen wel eens heeft te pakken in de jaren van onze jeugd. Ik had
namelijk een verbazend hoogen dunk van mezelf gekregen.

Op school bracht ik mijn werk er kranig af. In een wip was ik nummer
een van mijn klasse geworden, mijnheer Wilson was uitbundig in zijn
lof over mijn wiskunde en Kijkers beschouwde me heelemaal als een
model-leerling; daar ik tot nu toe niet in aanraking was gekomen met
oudere en knappere jongens, had ik een veel te hoogen dunk van mijzelf
gekregen. Wel besefte ik heel goed dat ik nog een treurig voetbalspeler
was en dat ik in de gymnastiekzaal een tamelijk zielig figuur sloeg,
maar je kan niet alles even goed doen, zei ik dan tegen mezelf om me
te troosten. Ik begrijp nu heel goed dat ik het aan mijn vriendschap
met Bob had te danken dat ik het er in dien eersten tijd zoo goed
afbracht. Niet alleen dat hij me dikwijls met mijn werk had geholpen,
maar hij gaf me goeden raad, wat boeken en sport betrof en hij was
bijzonder bemind op school, zoodat ik er voordeel van trok dat we
samen waren bevriend.

Ik verbeeldde me echter dat hij in den laatsten tijd minder vriendelijk
tegen me was, en daarom was ik niet meer zoo dikwijls naar hem
toegegaan om zijn hulp in te roepen. Hij vond het natuurlijk beter dat
ik op mezelf vertrouwde en niet altijd naar hem toeging om het een of
ander te vragen, maar in dien tijd zag ik dit niet zoo in en nam ik het
hem kwalijk dat hij zich op een afstand hield naar het me toescheen.

Op dezen dag kwam ik zijn kamer binnen vallen, diep verontwaardigd
over de wijze waarop Kien was behandeld. Ik dacht niet anders of ik
zou de zaak met een paar woorden in orde brengen, en onmiddellijk
mijn zin krijgen. Ik stelde me al voor dat ik op luchtigen toon,
als terloops, tegen Kien zou zeggen dat ik het zaakje had opgeknapt
en dat hij er niets meer van zou hooren.

Ik had geen ongelukkiger tijdstip kunnen treffen om Bob te spreken,
hoewel ik dit natuurlijk niet kon vermoeden. Hij zat druk te werken aan
iets dat de chef hem had opgedragen en hij had een heel onaangenaam
onderhoud gehad met Brunton; ook was hij dien morgen met zware
hoofdpijn opgestaan.

Van dit alles wist ik natuurlijk niets, en al was dit wel het geval
geweest, dan zou ik me hieraan toch waarschijnlijk niet hebben
gestoord.

"Bob, ik kom je wat vragen," riep ik toen ik zijn kamer kwam
binnenstormen.

Even fronste hij de wenkbrauwen toen hij opkeek van zijn boek. "Je
hadt geen slechter oogenblik kunnen treffen," zei hij kortaf. "Kan
je later niet terugkomen; ik ben zoo druk bezig."

"Nee, het kan geen uitstel lijden," verklaarde ik heel beslist,
daar ik me gekwetst gevoelde door de wijze waarop ik werd ontvangen.

"Vertel dan maar op," zei hij op vermoeiden toon. "Wat is er aan
de hand?"

"Je moet zorgen dat het niet met Kien gebeurt," zei ik gejaagd;
"ik heb hem beloofd dat jij dat wel op je zou nemen."

Bob wierp me een vragend verwonderden blik toe. "Dat het niet met
Kien gebeurt?" herhaalde hij.

"Ja, hij is gesnapt bij het afsteken van vuurwerk," ging ik voort;
"Brunton heeft hem verraden en nu willen ze hem een pak slaag geven."

"O ja, dat is waar ook," zei hij. "Ik was het vergeten. Norman heeft
het me verteld. Maar die zaak is beslist."

"Dat is niet zoo," riep ik kwaad. "Hij zal niet worden geslagen. 't
Is gewoon een schandaal."

"Wat weet jij er eigenlijk van?" vroeg hij rustig en bedaard.

Zonder namen te noemen vertelde ik hem op welke wijze de zaak zich
had toegedragen.

"Zoo, dus jij was er ook bij?" vroeg hij op zijn gewonen vriendelijken
toon terwijl de zweem van een glimlach op zijn gelaat verscheen,
zoodat ik niet anders dacht of ik had het pleit gewonnen. "Je haalt
nog al 's wat uit, Martin!"

"Als ze Kien willen afstraffen, moeten ze het mij ook doen," zei ik.

"Houd er jezelf en die twee anderen maar buiten," zei Bob. "Dat is
mij niet officieel ter oore gekomen; ik heb alleen gehoord dat Kien
gesnapt werd;--het spijt me voor den jongen--hij gaf zijn naam op en de
prefekten werden met het geval in kennis gesteld en niet de leeraren."

"Dus je zorgt dat hij niet wordt gestraft?" vroeg ik, alsof de zaak
reeds was beklonken.

"Dat kan ik niet doen," verklaarde Bob heel beslist, terwijl hij het
hoofd ontkennend schudde.

"Je moet het doen," riep ik uit.

"Het is onmogelijk," antwoordde Bob kortaf, die zijn boek weer opnam,
alsof hij een eind wilde maken aan het onderhoud.

"Het is een schandaal," viel ik driftig uit; "als hij door een van de
leeraren was gesnapt, dan was het wat anders; dan zou hij natuurlijk
een pak ransel of strafwerk hebben gekregen, maar nu hij door een
van de jongens is verraden..."

"Hoor 's," zei Bob terwijl een lichte blos zijn wangen kleurde; "als
een ander me op die manier kwam lastig vallen, dan zou ik hem gewoon
de deur uitzetten, maar nu jij het bent zal ik je het geval uitleggen."

"Heel graag," zei ik kwaad, "want van zulke gemeene dingen snap
ik niets."

Bob ging niet in op deze woorden, hoewel het bloed hem wederom naar
de wangen steeg.

"De prefekten zijn mede belast met de handhaving der orde," zei hij;
"daarvoor zijn ze in zekeren zin verantwoordelijk en als ze het
noodzakelijk achten dan mogen ze straffen uitdeelen."

"Maar in dit geval..." begon ik.

"Laat me uitspreken," zei hij heel kalm. "In dit geval is een vader
van een van de jongens het te weten gekomen."

"Ja, de oude Brunton," mompelde ik.

"Juist; hij heeft aan Brunton gezegd dat als de prefekten de zaak niet
in handen namen, dan zou hij er Kolman mede in kennis stellen, en dan
zou het er heel wat leelijker uitzien voor Kien. De chef is volstrekt
niet overdreven streng, maar hij verkiest niet dat de menschen in de
stad overlast hebben van de jongens."

"De jongens halen toch allerlei streken uit," wierp ik tegen. "Die
Brunton is me zelf een lieverdje. De kerel moest worden weggejaagd."

"Dat weet ik wel," zei Bob op matten toon, alsof hij eraan begon
te wanhopen om mij een goed begrip van de zaak te doen krijgen. "In
het geval van Kien is een vreemde erin gemoeid, en als wij hem niet
straffen, dan zou Kolman er bij worden gehaald. En in het geval van
Brunton is tot nu toe niemand gemoeid; dat is alles. Als ik Kien had
gesnapt, denk je dan dat ik hem zou hebben aangeklaagd?"

"Ik was er ook bij en nog twee anderen," mompelde ik.

"Noem alsjeblieft niet hun namen," zei Bob haastig. "Van de rest
weet ik natuurlijk niets. En nu hebben we er heusch lang genoeg over
gepraat. Ik heb geen minuut meer te verliezen."

"Dus Kien krijgt een pak ransel?" vroeg ik op uitdagenden toon.

"Ja, dat hebben we afgesproken. Kien zal er heusch niet onder
bezwijken. Zoover als ik hem ken zal hij de zaak luchtig opnemen."

"Dat is niet de vraag," hernam ik nijdig, toen Bob zijn boek weer
opnam, daar hij het gesprek blijkbaar als afgeloopen beschouwde. "Ik
begrijp er alles van. Jullie durven niets tegen Brunton. Misschien
zijn niet àlle prefekten bang voor den vent, maar jij bent het in
elk geval wel."

Bob hief het hoofd op en wierp me een doordringenden blik toe.

"Hij wil er zeker achter komen hoeveel ik weet," zei ik bij mezelf.

"Ja," ging ik ook voort; "zeg me maar eens wat Brunton voor mij moet
geheim houden."

"Ik raad je aan dit onderwerp te laten rusten," zei Bob langzaam;
ik zag echter dat het hem moeite kostte om zijn kalmte te bewaren.

"Daar heb ik niets geen lust in," zei ik. "Kijk dit 's!" Ik haalde
den brief die niet was onderteekend uit den zak en waarvan ik Dester
voor den schrijver hield. Ik reikte hem het epistel over.

Een oogenblik werd Bob doodsbleek; zijn hand beefde toen ik hem den
brief toestak. Wat dacht hij te zullen lezen? Wat kon het geheim zijn
waarvan hij mij onkundig wilde houden?

"Lees het," zei ik. "Ken je die hand?"

Bob las den brief overluid; ik zag dat zijn gezicht opklaarde. De
inhoud luidde: ""Er is een jongen hier op school die iets voor jou
wil geheim houden, wat voor jou van het grootste belang is. Vraag
hem wat dat is. Jullie zijt hierin beiden betrokken. Maar hij wil
het geheim houden.""

Bob gaf me het stukje papier terug; de angstige uitdrukking was nu
van zijn gelaat geweken. Zijn gewone kleur was teruggekeerd.

"Nu, wat wou je eigenlijk daarmee?" vroeg hij.

"Ik heb dat dingetje al weken in mijn zak," zei ik, "maar ik heb het
je tot nu toe niet laten zien. Wie heeft dat geschreven, denk je?"

"Het is de hand van Dester," antwoordde Bob heel kalm.

"Dus het is afkomstig van Brunton," zei ik.

"Ja, natuurlijk."

"Ben jij dengeen dien ze bedoelen?" vroeg ik, terwijl ik hem
onafgebroken aanzag.

"Ja; ik houd er niet van om om de dingen heen te draaien."

"Dus je wilt iets voor me geheim houden?"

"Ja."

"En dat is?"

"Dat zal ik je niet vertellen."

"Weet Brunton het?"

"Ja, maar van hem zal je niets hooren."

"Omdat jij precies doet wat hij wil," hernam ik.

"Het doet er niet toe waarom," antwoordde Bob kortaf.

"En daarom kan hij met Kien doen wat hij verkiest," viel ik plotseling
heftig uit. "Jullie durft niet. Jullie zijn lafaards. Ik dacht dat
de menschen in Canada zoo prat gingen op hun eerlijkheid, maar met
jullie is het nog een beetje erger gesteld dan met de andere lui;
dat is alles."

Bob stond op en wees naar de deur. "Je verveelt me," zei hij heel
bedaard. "Ruk uit alsjeblieft."

Bij de deur keerde ik me om, daar ik mijn laatste pijl wilde
afschieten. "Als je denkt dat ik die zaak met Kien laat rusten," zei
ik, "dan vergis je je deerlijk. Jullie zult hem niet ranselen; ik zal
het beletten. De heele school zal ik er mee bemoeien. 'k Zou wel eens
willen zien dat die Brunton iedereen naar zijn pijpen kan doen dansen."



HOOFDSTUK XXIV.

IK LEID DEN OPSTAND.


Voor het avond werd had ik een heele groep onder de juniores
overgehaald om deel te nemen aan het oproer dat ik wilde doen
uitbreken, hoewel Stenford mij aanhoudend voor oogen hield dat de
heele boel schromelijk zou mislukken. Niettegenstaande Kien ons
soms gruwelijk kon vervelen met zijn voorliefde voor scheikundige
proefnemingen, was hij toch heel bemind, en het kostte me dan ook
weinig moeite om de anderen te overtuigen dat hij schandelijk werd
behandeld.

Dit alleen zou echter niet voldoende zijn geweest om volgelingen te
werven. Ik gaf op Brunton af die ik alle mogelijke dingen naar het
hoofd slingerde. Ieder van ons had zooveel plagerijen van dien naren
jongen moeten verduren, dat hij in staat werd beschouwd tot al wat
laag en gemeen was.

"We moeten zoo'n herrie maken dat Kolman het hoort," zei ik
telkens. "Die moet er zich mee bemoeien."

"Waarom?" vroeg Stenford heel bedaard.

"Omdat Kolman dan natuurlijk navraag zal doen," antwoordde ik, "en
dan wordt Brunton voor en Brunton na genoemd, en dan zal uitkomen al
wat ie in de stad heeft uitgevoerd, en dan wordt ie zeker weggejaagd."

De mogelijkheid alleen dat Brunton weggestuurd kon worden als gevolg
van den opstand, bracht verscheiden aanhangers tot onze partij
over. Zelfs Stenford en Burns hielden op met het opperen van bezwaren
en keurden het plan niet meer zoo sterk af.

Kien was de eenige die onverschillig bleef. "Maak toch niet zoo'n
herrie," zei hij, toen hij vernam wat ik van plan was. "Je stelt je
aan als een gek en je zal zien dat je er zelf tegen aanloopt." Na
deze woorden liep hij door zonder zich verder te bekommeren over den
opstand die werd beraamd.

"Ondankbare rakker," merkte Stenford lachend op; "dat is nu weer echt
iets voor Kien om het zoo op te nemen."

Hoe Kien de zaak opnam liet ons echter onverschillig. We waren
vast besloten--dat was ik althans--om te verhoeden dat hij zulk een
schandelijke bejegening zou ondergaan.

"'t Kan me geen steek schelen of ik er tegen aanloop," zei ik
uitdagend. "'t Is best mogelijk dat ik op m'n gezicht krijg, maar ik
denk er niet aan den boel op te geven. Ik ben de aanvoerder, en als
iemand moet boeten, dan ben ik het."

Deze met gloed uitgesproken woorden werden met applaus begroet. "Hoe
wil je het aanleggen?" vroeg een van de jongens die practisch was
uitgevallen.

"Stenford zegt dat twee van de prefekten morgenochtend Kien zullen
afranselen," zei ik. "Het zijn er maar twee moet je niet vergeten."

"Jawel, maar ze hebben allemaal toegestemd," antwoordde die jongen. "Ze
trekken dus partij voor elkaar."

"Natuurlijk," hernam ik, "maar ze zullen maar met hun tweeën in
die kamer zijn, en denk je dan dat wij met ons twaalven niet kunnen
beletten dat ze Kien met een hand aanraken?"

"Hm! dat zou wel gaan," zei Stenford, "en daarna?"

"Als we Kien hebben ontzet en bevrijd, dan zal je er van hen nooit
meer iets van hooren. Ze hebben dan een allermalst figuur geslagen
en vertellen het natuurlijk aan niemand."

"En als dat nu eens niet gebeurde en er een geduchte herrie uit
voortkwam?"

"Dan halen we er Brunton bij en dan wordt die weggejaagd," riep ik
uit op zegevierenden toon.

Eenige juichkreten werden aangeheven.

"Ik verlang niets van jullie dan dat je me helpt," ging ik hoe langer
hoe opgewondener voort. "Natuurlijk is er wat moed voor noodig,
maar dan is er ook geen sprake van dat de boel mislukt."

Dit heele gesprek was gevoerd op het verst afgelegen gedeelte van
het speelterrein; toen ik me omkeerde en weg liep kwamen Stenford en
Burns me achterop.

"Als ik ook niet bij die vuurwerk-historie was geweest, dan zou geen
haar op m'n hoofd erover hebben gedacht om mee te doen," zei Stenford,
"maar nu vind ik het ellendig dat de arme kerel er alleen voor moet
boeten."

"Z-zoo d-denk ik er ook over," viel Burns in.

"Maar je zal toch ondervinden dat je niets hoegenaamd kunt uitrichten,"
hernam Stenford. "Nu hebben al die lui een heel hoog woord en zeggen
ze ja en amen op al wat je beweert, maar als het oogenblik daar is,
dan laten ze je allemaal in den steek."

"Ik zal volhouden," zei ik, terwijl ik fier het hoofd in den nek wierp.

"Je hadt beter gedaan met naar Kitsjin te trekken," zei Stenford. "Ik
dacht dat--"

"Och wat!" riep ik kwaad. "Sinds Kitsjin een prefekt is, is ie niet
meer dezelfde kerel."

"Ik w-wist wel dat ie m-met de anderen zou meegaan," zei Burns,
"d-dat zou J-Juniper ook doen."

"En wat zegt die ervan?" vroeg ik. "Je hebt hem natuurlijk alles
overgebriefd."

"D-dat heb ik n-niet gedaan," antwoordde Burns; "maar Juniper weet
altijd alles."

Op dat oogenblik kwam dit heerschap juist opdagen; hij wierp een
spottenden blik naar ons drieën. "Zoo, jeugdige aanvoerder," zei hij
tegen me, "hoe gaat het met den opstand? Is het aantal oproerlingen
voortdurend stijgend? Gehoorzamen ze stipt aan de bevelen van den
leider? Onze dichter Burns is er ook bij? Heb je al een krijgszang
in elkaar geflansd?"

Burns lachte. Hij was gewend aan dergelijke spotternijen van Jim.

"Het moet een soort Marseillaise worden, jongen," zei Jim met een
sierlijk gebaar van den arm. "Er moet iets inkomen van bloed dat den
grond drenkt! Vindt je ook niet?"

"Wij zullen beletten dat het gebeurt," zei ik op uitdagenden toon.

"Heel goed," merkte de heer Juniper op even onverschilligen toon op,
alsof ik iets over het weer had gezegd.

"Ja, wij verdragen het niet," riep ik uit.

"Groot gelijk," hernam Juniper; "jullie moet zoo iets niet
verdragen. Mag ik ook weten, mijnheer, of u den raad hebt ingewonnen
van uw ouderen vriend Kitsjin, alvorens u is overgegaan tot het
uitvoeren van de plannen die door u werden beraamd?"

"Ja," zei ik kortaf.

"En hoe luidde het oordeel van uw vriend?"

Ik bleef het antwoord op die vraag schuldig, doch Burns bracht hem
op de hoogte.

"K-Kitsjin heeft het hem af-afgeraden," stotterde Burns.

"Och, kom," hernam Jim die het geval hoogst vermakelijk scheen te
vinden. "De aanvoerder zwijgt, maar onze dichter Burns neemt voor
hem het woord op als een dappere Trojaan."

"Ik verlang volstrekt niet dat iemand voor mij het woord neemt,"
mompelde ik.

"Maar dat is nu eenmaal gebeurd," zei Juniper, "en daarom zou ik u
ernstig in overweging willen geven om den raad van uw ouderen vriend
in deze zaak op te volgen."

Ik wierp hem een fonkelenden blik toe, waardoor hij nog grooter schik
scheen te krijgen in het geval.

"Wel allemachtig, nu wordt het ernst," riep hij uit. "Zulke blikken
worden geworpen bij gevechten op leven en dood. Ik word heusch
bang. Vaarwel, waarde heer en adjudant Burns. Mogen we elkaar spoedig
weer ontmoeten."

Hij groette met een keurig gebaar en liep door; zijn potsierlijke
houding liet hij echter varen en keerde terug om me in te fluisteren:
"Scheid uit met die malligheid, kerel."

Nu liep hij werkelijk door en liet ons staan.

"Type van een vent, die Juniper!" zei Stenford; "je weet nooit of ie
je voor den gek houdt of niet."

"Dat w-weet ik wel," zei Burns; "hij is een b-beste k-kerel."

"Hij kan mij geweldig vervelen," zei ik nijdig. "Toe vooruit; we
komen anders nog te laat."

We wisten niet precies hoe laat Kien den volgenden morgen voor zijn
rechters moest verschijnen, zoodat het nog duister was op welk uur
wij ten strijde moesten optrekken. In het rustuur na de ochtendschool
werd Kien geroepen.

"Wat moeten we doen, Ellinghem?" werd me van alle kanten gevraagd.

We waren nu allen te zamen in de gymnastiekzaal; wel had ik bemerkt
dat de oproerige geest voortdurend moest worden aangewakkerd, omdat
die anders zeer zeker zou zijn gedoofd.

"Zullen we hem vasthouden?" werd door een van de jongens voorgesteld.

"Als we hem 's verstopten," zei een ander.

"Als ie niet gauw gaat zal ie nog meer op z'n gezicht krijgen,"
zei een derde.

"Laat ie gaan," beval ik.

Kien was trouwens al op z'n eigen houtje vertrokken om zijn straf
te ondergaan.

"Hij moet eerst in de kamer van de prefekten zijn," hernam ik.

"Wie van de prefekten zijn het?" vroeg ik aan den jongen die Kien
was komen roepen.

"Norman en Kitsjin," antwoordde hij.

"Eerst krijgt ie een preek en dan krijgt ie een pak," zei Stenford.

"N-Norman z-zal hem d-de les lezen," zei Burns.

"Dus Kitsjin zal hem met den rotting geven?" vroeg iemand.

"Nee, dat zal ie niet," zei ik. "Vooruit jongens, ga mee. Zijn
jullie klaar?"

De plotselinge overgang tusschen praten en handelend optreden scheen
de meesten van mijn aanhangers te doen terugdeinzen. Ik kwam nu
tot de ontdekking dat de jongens die het hardst hadden geschreeuwd,
den minsten moed toonden nu het gewichtige oogenblik eindelijk was
aangebroken.

"Toe vooruit!" riep ik, terwijl ik een verachtelijken blik om mij
heen wierp. "De jongens die niet bang zijn volgen me!"

Het was mogelijk dat de een zich voor den ander wilde groot houden,
want een heel troepje kwam, hoewel schoorvoetend, achter me aan toen
ik de gymnastiekzaal verliet. Ik had met halters staan zwaaien en
had een van de zware ijzeren dingen in de hand gehouden; ik wilde
hem niet terug brengen en niet neergooien, zoodat ik het ding maar
als een wapen mee droeg.

We trokken het plein over en door de gang, waar de kamer der prefekten
zich aan het einde bevond. De bovenhelft van de deur was van matglas
dat daarin was aangebracht om de gang eenigszins te verlichten,
daar dit gedeelte anders bijna geheel in donker zou zijn gehuld.

Toen we deze bewuste deur naderden, bleven mijn aanhangers eenigszins
achter, alsof ze hoe langer hoe banger werden nu het oogenblik van
den aanval was aangebroken.

"Toe nou, maak voort," zei ik, terwijl ik over mijn schouder een blik
achter me wierp en regelrecht naar de deur toe liep.

Ik voelde zelf wel dat mijn hart klopte van angst, en daarom was het
maar beter om overhaast te werk te gaan.

Ik klopte hard en nijdig op de deur.

In de kamer hoorde ik praten; het was de stem van Norman; die was
zeker bezig met een standje te maken aan dien armen Kien. Toen ik
geen antwoord kreeg op mijn geklop, dacht ik dat ze het in de kamer
niet hadden gehoord.

Ik keek om me heen en zag op eenigen afstand de jongens op elkaar in de
gang staan; mijn optreden werd met de grootste belangstelling gevolgd.

Ik gaf zoo'n geweldigen slag op de deur dat ze het binnen wel moesten
hooren.

Het spreken in de kamer hield op; ik hoorde een paar menschen te samen
praten; toen weerklonk een haastige stap; de kruk werd omgedraaid en
de deur op een kier geopend.

"Wat is er?" vroeg Bob op strengen toon.

"Laat ons eerst binnen; dan zullen we het je vertellen," zei ik.

Hij keek eerst naar mij en toen naar de groep jongens die in de gang
stond samengeschoold.

"Jullie kunt niet binnen komen," antwoordde hij heel beslist.

"Dat kunnen we wel," antwoordde ik; "we willen niet dat jullie Kien
zult slaan."

Ik zag dat hij op het punt stond de deur met een slag dicht te gooien:
voor hij hiertoe den tijd had, had ik mijn voet er tusschen gezet.

Een sekonde slechts kwam de deur tegen mijn laars aan. Toen werd op de
een of andere geheimzinnige manier niet alleen mijn voet weggeduwd maar
ik werd achteruit gegooid, zoodat ik het aan een aantal struikelingen
had te danken dat ik niet met een smak op den grond terecht kwam.

Razend van drift snelde ik op de deur toe, maar die zat nu op
slot. Woedend stond ik aan den knop te ruggelen, terwijl ik op de
deur begon te beuken en te hameren.

"Open!" gilde ik. "Open! Jullie raakt Kien met geen vinger aan,
versta je. Laat hem eruit! Toe dan jongens, trap de deur in!"

Ik voelde dat een hand op mijn schouder werd gelegd. Het was
Stenford. "Houd nou op, kerel," zei hij. "Je kunt er immers niets
aan doen."

"Ja, g-ga m-mee," zei Burns. "Maak n-niet zoo'n k-kabaal."

Beiden grepen me bij een arm en trachtten me weg te voeren.

"Laat me los," schreeuwde ik. "Jullie bent lafaards en ellendelingen,
allemaal!"

"Onraad!" werd in de gang geroepen.

"Toe ga nu mee; we kunnen er nog vandoor gaan," zei Stenford. "Je
kan niets tegen ze uitvoeren!"

"Dat denk je maar," riep ik uit, terwijl ik me losrukte. "Dan zal ik
wel alleen de deur inslaan."

Toen ik achteruit was gegooid was de halter me uit de hand gegleden
en neergeploft.

Ik raapte het ding nu schielijk op en greep het beet om hiermede een
aanval te doen op de deur als met een stormram. Stenford trachtte me
nog terug te houden, doch ik duwde hem weg.

Toen ik op de deur toesnelde en de hand uitstrekte om den slag met
al mijn kracht te doen aankomen kon ik juist achter het matglas den
vorm van een hoofd gewaar worden--het was het hoofd van Bob.

Terwijl ik een snerpenden kreet uitstiet deed ik een aanval met den
halter. Het glas vloog aan duizenden stukken die met helsch lawaai
op den grond kletterden en rinkelden.

Achter de deur weerklonk een vreeselijke gil en door de gebroken deur
zag ik het bebloede gelaat van Bob die de handen voor de oogen hield
en over zijn gansche lichaam trilde.

"Groote hemel," riep Stenford uit; "hij heeft het in z'n oogen
gekregen!"



HOOFDSTUK XXV.

HET LEGAAT VAN BRUNTON.


Ik kan me niet goed meer herinneren hoe de rest van dien dag
verliep. Wel weet ik dat onmiddellijk een eind kwam aan het "oproer"
en dat we heel stil op onze plaatsen gingen zitten in de klas toen
het rustuur was verstreken, en dat Kien zich weer bij ons had gevoegd
zonder dat hij zijn straf had ondergaan, en dat iedereen me aankeek
alsof ik een vreemd wild dier was.

Na schooltijd hoorden we van Kien dat Bob Kitsjin naar het hospitaal
was gebracht en dat om den dokter was gezonden.

"Heb je van Norman op je gezicht gehad?" vroeg een van de jongens.

"Nee," antwoordde Kien op bitsen toon. "Maar dat heeft met het ongeluk
niets te maken. Hij zei dat ik kon gaan en toen greep hij Kitsjin
bij den arm en bracht hem weg naar het hospitaal."

"Wat zei Norman tegen hem?" vroeg Stenford.

"Precies weet ik het niet, maar ik geloof zoo iets van: ""Heb je het
in je oogen gekregen, arme kerel?"" want Kitsjin hield er den heelen
tijd zijn hand voor."

"En wat zei Kitsjin?"

"Hij mompelde iets maar hij kon ternauwernood spreken. Met gebogen
rug liep hij weg met Norman, heelemaal als een oude blinde man."

"Zei hij--heelemaal niets?" bracht ik met moeite uit, want ik kon
bijna geen klank uitbrengen. "Hij--zei hij iets van mij?"

Kien wierp me een oplettenden blik toe. "Hij zei iets toen ze de
kamer uitgingen, maar hij sprak zoo zacht dat ik hem haast niet
kon verstaan."

"Was het iets over mij?" vroeg ik gejaagd.

"O was jij het die de ruit insmeet?" zei Kien. "Ik wist niet dat jij
het was. Ik dacht dat jullie met een heelen troep waren."

Eerst kon ik niet antwoorden daar een brok me in de keel schoot. Toen
ik dit had weggeslikt, zei ik: "Nee, ik deed het alleen."

"Dan begrijp ik het," zei Kien; "want ik meende dat ik Kitsjin hoorde
zeggen: ""Laten ze niet te weten komen wie het heeft gedaan."""

Ik kon een snik niet weerhouden en keerde me om. Dus op dat oogenblik
had Bob zelfs nog aan me gedacht!

"Trek het je niet zoo aan, kerel," zei Stenford die zijn arm door
den mijne stak. "Het was een ongeluk."

"Dat was het niet," antwoordde ik op bitteren toon.

"Jawel," hield hij vol. "Je hadt je driftig gemaakt en je gooide de
ruit in, omdat je nu eenmaal met alle geweld wou binnen komen. Je
kon toch niet weten dat Kitsjin vlak achter de deur stond."

"Dat wist ik wel," zei ik. "Ik wist dat ie daar stond."

"Maar je wou hem toch niet op die manier aanvallen," zei Stenford die
me nu eenmaal moed en troost wilde inspreken. "Wie kon nu denken dat
hij stukken glas in zijn oogen zou krijgen?"

Als antwoord stiet ik een kreunend geluid uit, want ik besefte maar
al te goed dat ik in mijn razende drift hem had kunnen dooden.

"Het is n-nu eenmaal gebeurd," zei Burns op somberen toon.

Ja, het was nu eenmaal gebeurd; niets ter wereld kon mijn daad ongedaan
maken. Ik zou alles en alles hebben willen geven en opofferen als ik
het verleden maar had kunnen uitwisschen.

's Avonds trok ik naar de kamer van Norman die met Juniper een ernstig
gesprek scheen te voeren.

In plaats dat hij me, zooals anders, vriendelijk aanzag wierp hij me
een koelen blik toe.

"Wat is er?" vroeg hij op ijskouden toon.

"Moet ik ook iets voor je doen," bracht ik stamelend uit.

"Nee," antwoordde hij kortaf.

Nog bleef ik dralen.

"Wat is er?" vroeg hij voor de tweede maal.

Ik moest even slikken en kon toen een paar klanken uitbrengen. "Hoe-hoe
is het met hem?" vroeg ik.

"Over wien spreek je," zij Norman, ofschoon hij natuurlijk wel begreep
wien ik bedoelde.

"Over Kitsjin," zei ik bijna fluisterend; "ik mag niet naar hem toe."

"Dat is te begrijpen," antwoordde Norman koel. "Zoo'n kleine duivel
als jij bent, zullen ze wel uit zijn nabijheid houden."

"Maar jij hebt 'm gezien," hernam ik. "Toe, zeg me hoe het met
hem gaat."

"Luister 's," zei Norman, die nu opstond en plotseling bleek werd
van drift. Nooit had ik gedacht dat hij zoo woest en hartstochtelijk
kon uitvallen. Zijn stem klonk zoo anders dan gewoonlijk, dat zelfs
Juniper hem verbaasd aankeek. "Kwade rekel, die je bent, weet je wat
je hebt gedaan? Je hebt hem blind gemaakt! Hij is misschien levenslang
blind! Hoor je wat ik zeg? Je bent niet waard zijn schoenen te poetsen,
en zoo'n kleine aap heeft den besten vent die op aarde bestaat blind
gemaakt." Hij zweeg plotseling en liet zich op een stoel neervallen,
terwijl hij zijn oogen met de handen bedekte.

Ik wierp een smeekenden blik naar Juniper. "Is er niets aan te
doen?" mompelde ik.

Norman schonk geen aandacht meer aan mij, maar Juniper antwoordde
op vriendelijken toon, waarvoor ik hem mijn leven lang dankbaar
ben gebleven:

"De dokter is bij hem geweest," zei hij.

"En kan die niets doen?" vroeg ik radeloos. "Kan die hem niet genezen?"

"Een operatie is het eenige dat kan worden beproefd," antwoordde
Juniper.

"En wanneer...." begon ik.

"O, de dokter doet het niet zelf," zei Juniper; "hij zegt dat ie
daartoe geen kans zou zien. Een specialiteit komt er bij. Ze hebben
getelegrafeerd naar Robertson in Londen. Dat schijnt de beste. Als
die het niet kan, dan is hij reddeloos verloren."

"En wanneer komt hij?" vroeg ik.

"Hij heeft bericht gezonden dat hij den nachttrein neemt; morgenochtend
komt hij hier aan."

"Weet Bob dit allemaal?"

"Ja."

"En weet hij ook dat--dat--"

"Ja; hij heeft den dokter uitgehoord; die wou hem niet precies alles
zeggen en draaide er wat om heen; de dokter zei dat hij hoop had dat
alles zou terecht komen en dat Robertson de grootste specialiteit
was van heel Engeland en zoowat meer, maar het is een feit dat hij
den toestand heel donker inziet."

Ik kon mijn snikken niet meer inhouden.

"Luister 's," zei Juniper; "ik begrijp dat je het je aantrekt; in
jouw geval zou ik dat ook doen. Maar zou je hem heel graag zien?"

"Ja, ja, niets liever dan dat!" riep ik in mijn wanhoop.

"Ik zal mijn best doen," zei Juniper, "als het lukt dan zal ik je
laten halen om negen uur b.v., voor we naar bed gaan."

"O Juniper, ik ben je zoo dankbaar," riep ik uit.

"Maar ruk dan nu uit," hernam Jim. "Ik beloof je dat ik mijn best
zal doen."

Toen we ons huiswerk zaten te maken, boog Stenford zich naar me toe
en fluisterde: "Heb je het nieuws gehoord?"

"Van die specialiteit uit Londen die er bij komt, bedoel je?"

"Nee, nee," zei hij; "die heeft er niets mee te maken."

Alles wat niet op Bob betrekking had liet me onverschillig, zoodat
ik ongeduldig met het hoofd schudde.

"Het is iets van Brunton," hernam Stenford.

"Wat?" vroeg ik onverschillig.

"Die is weg."

"Weg?"

"Ja, weggejaagd, Kolman heeft hem op staanden voet
weggestuurd. Gisterenavond heeft de chef hem zelf gesnapt en toen
heeft ie eindelijk alles opgebiecht. Zijn vader is vandaag hier geweest
om nog een goed woord te doen, maar de chef denkt er niet aan om hem
terug te nemen."

"Blij dat ie weg is," zei ik uit den grond van mijn hart. "Als het
maar eerder was gebeurd, dan zou misschien..."

"Hij scheen een massa geld van allerlei lui te hebben geleend," hernam
Stenford; "de oude Brunton zei dat hij het allemaal zou terug betalen,
maar Kolman bleef op zijn stuk staan; hij schijnt het jonge mensch
al sinds lang niet te hebben vertrouwd."

"Hoe weet je dat allemaal?" vroeg Kien verwonderd.

"Mijn knappe kop weet alles," zei Stenford die met de hand tegen het
voorhoofd sloeg. "Maar vindt je het niet gek, Ellinghem, dat Kitsjin
hem het meest geld heeft geleend of gegeven. Het lijkt me een raadsel
dat Kitsjin zich heeft ingelaten met een vent als Brunton!"

Ik dacht aan het geheim dat Bob voor mij wilde verborgen houden en
dat als gif in mijn ziel scheen te hebben gewerkt, tot het dien dag
tot een uitbarsting was gekomen,

"Het is ook zoo gek dat een van de jongens hem iets over Kitsjin
heeft hooren zeggen, toen ie bezig was zijn boeltje te pakken,"
hernam Stenford.

"En wat dan?" vroeg ik gejaagd.

"Praat niet zoo hard," zei Stenford; "Kijkers komt er aan. ""Als
iemand hier op school een malle vent is, dan is het Kitsjin,"" schijnt
hij te hebben gezegd en toen heeft hij er lachend aan toegevoegd:
"Maar voor ik weg ga zal ik hem nog een poets bakken.""

"Wat bedoelde hij daarmee?"

"Weet niet, maar houd nou je mond."

Ik zat met mijn Latijnsche woordenboek voor me, want ik was bezig aan
een vertaling van Virgilius; toen Kijkers langs kwam begon ik hierin
met grooten ijver te bladeren, en ontdekte een couvert dat tusschen de
bladeren was gelegd. Het was een tamelijk groote langwerpige enveloppe;
op het adres stond "Martin Ellinghem" en dit was kennelijk geschreven
door den jongen die op staanden voet van St. Martin was weggejaagd.

Mijn gedachten werden zoo geheel in beslag genomen door het ongeluk
van Bob, dat het mij bijna onverschillig liet om den inhoud te leeren
kennen. Ik schoof den brief onder mijn boek en toen Kijkers langs me
was geloopen scheurde ik het couvert open. In een oogwenk was mijn
belangstelling opgewekt.

In mijn hand hield ik een bundel papieren die er allemaal even zakelijk
uitzagen. De stukken die door Finsberie en Koster werden verzonden
waren op dezelfde manier geadresseerd en opgesteld.

Eén ding viel me terstond op. Ofschoon ik maar weinig papieren onder
de oogen had gekregen die mijn persoontje betroffen, had ik toch wel
opgemerkt dat ze altijd door een klerk die zijn krachten ten beste
gaf aan cliënten van Finsberie en Koster waren geschreven.

Maar nu herkende ik diezelfde hand; op wat manier had Brunton die
stukken te pakken kunnen krijgen en waarom liet hij me dat pak toekomen
voor zijn vertrek? Ik begreep heel goed dat hij me geen dienst had
willen bewijzen en dat hij me evenmin een cadeautje als herinnering
zou achterlaten.

"Misschien heeft hij deze stukken in handen gekregen die aan mij
waren geadresseerd," zei ik tegen mezelf. Maar toen ik ze nauwkeuriger
beschouwde zag ik dat ze niet onlangs waren geschreven; de inkt was
heelemaal opgedroogd en de datum--ja in dien tijd was ik nog heel
klein, het was het jaar waarin al die ellende ons trof en waarin mijn
vader verdween en stierf.

Op den eersten brief waren een paar kolommen geplakt uit een oude
courant waarvan het papier geel was geworden. Het opschrift luidde:


""VREESELIJK ONGELUK TE MALLORIE.
NOODLOTTIG SCHOT.""


Met de grootste belangstelling begon ik te lezen. Eindelijk zou
ik dus precies te weten komen wat er toen op de jacht was gebeurd
en waarvan de Horners me maar een enkel woord hadden verteld. Dat
die courant de waarheid behelsde, bleek uit het feit dat ze door
het kantoor was bewaard geworden en gevoegd bij de stukken die de
Ellinghem-zaak betroffen.

De courant gaf eerst allerlei nauwkeurige bijzonderheden over
het landgoed en de omgeving en toen werd verteld dat de eigenaar,
de heer Martin Ellinghem, op de jacht was gegaan met een van de
jachtopzieners en zijn gast, een heer uit Canada, een zekeren heer
Kitsjin uit Toronto.

Een schok voer door me heen toen ik dit las. "Wat is er?" fluisterde
Stenford, die me waarschijnlijk had zitten begluren en me daardoor
had zien ontstellen.

"Niets bijzonders," mompelde ik, terwijl ik al weer verder las.

In het verslag stond vermeld dat 's morgens druk en met succes was
gejaagd, waarna het gezelschap terugkeerde langs den Welfield-weg die
aan weerskanten met boomen is beplant en die een opstap heeft aan het
begin en aan het einde. Bij dien laatsten opstap gebeurde het ongeluk.

De heer Kitsjin was al aan den anderen kant van het hek waar hij op
zijn gastheer stond te wachten, toen een haas het pad overstak, waarop
hij zich omkeerde en het geweer ophief. Op dit oogenblik klom de heer
Ellinghem over het hek waarbij de trekker van het geweer op de een
of andere manier bleef haken en overging. De heer Kitsjin kreeg de
volle lading in den rug. Hij stortte neer en ofschoon onmiddellijk
hulp werd verleend, was hij na eenige minuten dood gebloed. Een
onderzoek werd ingesteld. Enz.

Hierop kwam de inhoud neer van het uitvoerige artikel. Dit was de
eerste maal van mijn leven dat ik om zoo te zeggen in aanraking kwam
met het drama dat in mijn kindsheid was voorgevallen, en nu eerst
besefte ik hoe zorgvuldig de feiten voor mij waren verborgen gehouden.

De naam Kitsjin had me echter het meest getroffen. Ik begon nu alles
bij mezelf na te gaan en dacht aan mijn eerste ontmoeting met Bob. Ik
herinnerde me hoe vreemd hij had opgekeken toen ik hem mijn naam had
genoemd en ik zag weder Horner flauw vallen toen we uit het rijtuig
stapten. Het leek me nu ook zoo zonderling dat Bob dien tocht naar
Mallorie had ondernomen. Zou hij dat hebben gedaan uit een gevoel
van pijnlijke nieuwsgierigheid om de plek te zien waar zijn vader
bij ongeluk door mijn vader was doodgeschoten?

Het kostte mij moeite om mijn kalmte te bewaren. Bij de andere brieven
vond ik nog eenige uitknipsels van couranten, die van hetzelfde blad
afkomstig waren. Hiervan luidde het opschrift:


"ONDERZOEK INGESTELD NAAR HET JACHT-ONGELUK TE MALLORIE. ZONDERLINGE
ONTDEKKING."


Dezelfde bijzonderheden werden wederom herhaald, doch het een en ander
werd er nu bijgevoegd. De jachtopziener was gehoord als getuige en
een oude man die aan een struik had staan snoeien was ook als getuige
gehoord en deze beiden verklaarden eenparig dat niets van een haas
op het pad was te zien geweest en dat de heer Kitsjin zijn geweer
niet had opgelicht en dat hij juist van het hek afstapte toen hij
onverwacht de volle lading in den rug kreeg uit het geweer van den
heer Ellinghem. Enz.

Toen de heer Ellinghem als getuige werd voorgeroepen, bleek dat deze
niet was verschenen. Hij moest zich in alle stilte uit de voeten hebben
gemaakt; het ongeluk schijnt zijn verstand als te hebben verbijsterd,
want hij heeft heel vreemd en zonderling gehandeld en men vreest dat
hij de hand aan zichzelf heeft geslagen.

Uit een Londensche courant was ook een stuk uitgeknipt en
opgeplakt. Dit luidde:

"Langzamerhand is eenig licht opgegaan in de duistere Mallorie-zaak,
die de gemoederen in den laatsten tijd zoo hevig in beweging
heeft gebracht. Het schijnt dat de heer Kitsjin, de heer uit
Canada die op zulk een geheimzinnige wijze om het leven kwam,
naar Engeland was getrokken omdat hij recht meende te hebben op het
Mallorie-landgoed. Hij heeft kennis gemaakt met den tegenwoordigen
eigenaar den heer Ellinghem en had alle hoop dat de zaak door een
minnelijke schikking in het reine zou worden gebracht. Zijn rechten
dagteekenden van ongeveer honderd vijftig jaar geleden. De kansen
stonden blijkbaar gunstig voor den heer Kitsjin en dit feit, gevoegd
bij zijn onverwachten dood en onmiddellijke verdwijning van den heer
Ellinghem--dit alles werpt een eigenaardig licht op de zaak. Tot nu
toe is taal noch teeken van den heer Ellinghem vernomen. Thans wordt
zijn dood voorondersteld zoodat wettelijke vertegenwoordigers zijn
benoemd om het landgoed te beheeren voor het eenig overgebleven lid
van de familie, een nog zeer jeugdigen knaap.

""Het is nog niet bekend of de vertegenwoordigers van de
Kitsjin-affaire de zaak zullen voortzetten; gedurende de
minderjarigheid van den zoon die nog in Canada vertoeft, is dit niet
waarschijnlijk. De heer Kitsjin was een welgesteld grondeigenaar.""

Er waren nog eenige andere couranten bijgevoegd, doch deze behelsden
weinig bijzonderheden. Ik stak het heele pak in mijn zak en tuurde
toen weer op mijn boek, zonder een woord te kunnen lezen, want de
letters dansten voor mijn oogen.



HOOFDSTUK XXVI.

IN DE ZIEKENZAAL.


Het was me een raadsel hoe Brunton aan die stukken was gekomen
die mijn particuliere zaken betroffen, en evenmin kon ik begrijpen
waarom hij me die in handen had gespeeld voor hij de school voor
goed verliet. Maar de reden waarom hij op deze wijze had gehandeld,
deed er eigenlijk weinig toe. Ik was nu eenige gewichtige feiten te
weten gekomen; en hieraan moest ik voortdurend denken naarmate de
zaak me al helderder en duidelijker voor den geest begon te staan.

Ten eerste was het meer dan waarschijnlijk dat het Ellinghem-landgoed
dat aan mij zou komen bij mijn meerderjarigheid, mij nooit zou
toebehooren en dat ik doodarm op straat zou staan. Ja, het was zelfs
mogelijk dat het schoolgeld van St. Martin door een vreemde voor mij
werd uitbetaald.

En de vader van Bob was dus door mijn vader gedood!

En omdat mijn vader onmiddellijk na het ongeluk was verdwenen was
overtuigend gebleken (althans volgens de couranten-verslagen) dat
het een moord met voorbedachten rade was geweest, omdat mijnheer
Kitsjin naar Engeland was vertrokken om zijn rechten op het landgoed
te doen gelden.

En nu wist ik ook dat Bob dit allemaal had geweten toen hij naar
Mallorie was getrokken om eens poolshoogte te nemen en te zien of hij
het een of ander kon ontdekken, maar dat hij de reden van zijn komst
had verzwegen, toen hij kennis had gemaakt met den zoon van den man
die zijn vader had doodgeschoten, en dat hij me van dit alles onkundig
had gelaten en dat hij, toen hij tot de ontdekking kwam dat Brunton
op de hoogte was, Brunton had omgekocht om de zaak geheim te houden.

En nu bedacht ik met schaamte, dat Bob niet den omgang had ontweken
van den jongen door wiens vader hij zulk een onherstelbaar verlies
had geleden, maar dat hij in alle opzichten een vriend voor hem was
gebleken, dat hij al het mogelijke voor hem had gedaan en meer dan
een broer voor hem was geweest.

En die jongen had hem beloond door in een vlaag van waanzinnige drift
op hem aan te vallen en hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Geen wonder dat de woorden van mijn Virgilius voor mijn oogen bleven
dansen en dat allerlei gedachten dooreenwoelden in mijn hoofd,
doch telkens en telkens zag ik met vlammende letters gegrift staan
dat deze vriend die geen onrecht had willen wreken, maar die me op
alle mogelijke wijzen had voortgeholpen, aan wien ik alles had te
danken--dat deze vriend door mij levenslang ongelukkig was gemaakt.

Als versuft verliet ik het lokaal toen het uur was verstreken; ik keek
op toen iemand me op mijn schouder tikte. Jim Juniper stond naast me.

"Ga mee," fluisterde hij. "Het is nu de beste tijd."

Hij nam mijn arm en leidde me langs een omweg naar de ziekenzaal.

"Als iemand me snapte zou ik op m'n gezicht krijgen," zei Jim,
"maar niemand hoeft het te weten te komen."

"Ik ben je zoo dankbaar," zei ik, toen we de deur naderden en langzamer
begonnen te loopen.

"Stil, praat niet zoo hard," zei Jim. "Hij heeft een echte
verpleegster; die zou ons natuurlijk niet binnen laten, maar ze is
nu naar beneden gegaan om te eten en zoo lang zit juffrouw Geebel
bij hem."

"Zou die..." begon ik.

"O jawel," antwoordde Jim op luchtigen toon. "Moeder Geebel kan ik
altijd ompraten. Maar stil zijn, hoor!"

Hij opende voorzichtig de deur en we stapten naar binnen.

In de zaal heerschte bijna volslagen duisternis. De lamp was zoo laag
mogelijk ingedraaid en nog van een donkere kap voorzien om het licht
te temperen; ook stond een scherm om den haard.

De zware gestalte van juffrouw Geebel rees achter het scherm overeind.

"Ga maar op den tast naar het verste bed, maar geen leven maken,
hoor," zei ze fluisterend. "Die zuster is er eentje met wie niet valt
te spotten."

Zwijgend liepen we door; ik ging achter Juniper aan met angstig
kloppend hart.

Toen mijn oogen aan de duisternis gewend geraakten kon ik het witte
bed onderscheiden waarop een gedaante roerloos lag uitgestrekt. Een
oogenblik lang werd geen geluid vernomen, zoodat ik het bonsen en
kloppen van mijn hart kon hooren. Toen bewoog de gedaante even en
de stem van Bob die nu zoo zwak klonk, hoorden we vragen: "Is daar
iemand?"

"Ik ben het," zei Juniper op rustigen toon.

"Goede kerel," zei Bob; "jammer dat ik je niet kan zien," voegde hij
er bij met een poging om te schertsen.

"Ik heb iemand meegebracht," zei Jim.

"Wie?"

"Vooruit nou, Ellinghem," fluisterde Jim die me naar voren duwde,
waarop hij heel zacht terug sloop naar het andere einde van de kamer.

"Wie is het?" vroeg Bob voor de tweede maal.

"O Bob! Ik ben het,--Martin," zei ik, terwijl ik een paar stappen
naar voren deed.

Toen ik me nu zoo dicht bij hem bevond en ik hem daar zag liggen met
een doek voor de oogen, toen ging het als een schok door me heen en
liet ik me op de knieën vallen naast het bed, niet in staat een klank
uit te brengen.

"Zoo, kom jij eens kijken naar de zieken en gewonden die in den strijd
zijn gehavend?" vroeg Bob die me even aanraakte met de hand.

"O Bob," riep ik uit, "het is zoo vreeselijk! Ze kunnen je toch
beter maken?"

"Dat is nog de vraag," antwoordde hij heel kalm.

Ik barstte uit in snikken en smeekte om vergeving in woeste
hartstochtelijke woorden.

"Het is nu eenmaal gebeurd, kerel," zei hij. "Het trof alleen maar
zoo ongelukkig dat ik juist achter de deur stond toen die ruit in
stukken vloog."

"Bob, ik weet alles," riep ik uit. "Ik heb al die dingen in de
couranten gelezen. Daarvan had niemand me ooit een woord verteld!"

Ik deelde hem hortend en stootend mede wat ik was te weten gekomen
en hoe schuldig en ellendig ik me gevoelde.

"Houd maar op," zei hij op heel rustigen toon. "Het is een schandaal
dat ze het je hebben verteld, al moest je toch op den een of anderen
dag de waarheid hooren. Van wien weet je het?"

Ik stelde hem op de hoogte.

"Zoo," mompelde hij; "echt iets voor Brunton."

"En als ik nu bedenk dat ik het was die--"

"Kom, begin niet weer opnieuw," viel hij me in de rede op moeden toon.

Ik hoorde Juniper naderbij komen, zoodat ik begreep dat het tijd werd
om te gaan.

Ik rees overeind en terwijl ik me over hem heenboog, vroeg ik
fluisterend of hij me ooit zou kunnen vergeven.

"Kom jongen," zei hij, "we zijn te oude vrienden om op die manier
met elkaar te praten. Je deedt het toch niet met opzet. Heb je gezien
dat ik in hetzelfde bed lig als waarin jij hebt gelegen toen je bijna
was verdronken."

Hij sprak op luchtigen toon; even tastte hij naar mijn hand die hij
wederom greep en drukte.

"Kom Ellinghem, we moeten gaan," zei Juniper; "we zijn toch al veel
te lang gebleven."

"Toe blijf nog wat," zei Bob op matten toon; "het is toch al zoo akelig
om met niemand te kunnen praten zoodat je je wel moet verdiepen in
nare gedachten."

Toen Jim naar Bob toeliep had ik terug willen gaan naar het andere
einde van de kamer, doch bij vergissing draaide ik me om naar den
verkeerden kant, zoodat Jim die nu bij het bed stond me den weg
versperde.

Ik wilde hun gesprek niet storen en bleef staan daar ik dacht dat ze
elkaar alleen met een enkel woord goeden nacht wilden wenschen. Beiden
meenden dat ik was weggetrokken; Bob was hier althans van overtuigd.

"Ja, ik kan begrijpen dat het vreeselijk is," zei Juniper op
deelnemenden toon.

"Het is afschuwelijk," zei Bob met dezelfde zwakke, matte stem.

"Is de pijn zoo erg?"

"Erg genoeg om flauw te vallen."

"Houd moed, kerel," zei Juniper hartelijk. "Denk eraan dat je een
Canadees bent."

"Waarom zou ik er den moed inhouden?" vroeg Bob.

"Ben je er dan zoo zeker van?"

"Ja, zoo goed als zeker."

"Wat zei de dokter?"

"Och, je weet dat doktoren je nooit vertellen, als de zaak hopeloos
staat; ze denken dat dit slecht voor je is. Maar ik kan je wel
vertellen dat hij het zwaar inziet."

Een stilte volgde.

"Maar Robertson is nu onderweg. Die schijnt een verbazend knap
operateur."

"Dat kan wel zijn, maar we kunnen toch niet het onmogelijke van hem
vergen, Jim."

"Misschien is het niet onmogelijk."

"Ik hoorde dat de dokter tegen Kolman zei toen ze samen weggingen--hij
dacht natuurlijk dat ik hem op dien afstand niet zou verstaan, maar
blinde menschen...." zijn stem haperde even--"blinde menschen hebben
zoo'n scherp gehoor en ik hoorde den dokter dan ook heel duidelijk
zeggen: "De kans is heel gering."

"Heeft ie dat gezegd?" vroeg Jim.

"Ja en nu ik al dien tijd in donker heb gelegen en niets heb kunnen
doen dan denken," ging Bob voort, "nu ben ik alles bij mezelf nagegaan
wat ik wèl en wat ik nièt zal kunnen doen."

"Hoor 's, kerel, het moet slecht voor je zijn om zoo te praten,"
zei Jim.

"Nee, nee," riep Bob bijna heftig uit. "Ik ben nu zoo lang alleen
geweest; het doet me goed."

"Maar je doet alsof het ergste zal gebeuren," zei Juniper.

"Dat spreekt! Waarom zou ik er doekjes om winden? Zeg, Jim, je zal
een plaatsvervanger voor me moeten zoeken bij de volgende match. Ik
zal nooit meer kunnen voetballen."

"Toe, spreek zoo niet," vroeg Jim op smeekenden toon.

"Weet je wat ik had willen worden?" vroeg Bob. "Ik was van plan om heel
veel en heel lang te reizen; ik zou door de wereld zijn rondgetrokken
want ik weet dat ik rijk ben. Ik wou een massa zien om te beginnen. Ik
wou zièn," herhaalde hij op bitteren toon.

"En daarna zou ik naar Canada zijn getrokken, in de hoop wat te kunnen
doen voor mijn land," ging hij voort. "Canada kan het mooiste, rijkste
land van de wereld worden, maar er valt daar nog zoo oneindig veel
te doen. Een man met geld op zak en oogen in zijn hoofd--en oogen in
zijn hoofd," herhaalde hij nog eens, "die zou zoo'n massa kunnen doen,
als hij de handen aan het werk slaat."

"Maar je zal toch een massa voor je land kunnen doen," merkte Jim
aarzelend op.

"Wat kan een blinde man uitvoeren," hernam hij op een bitteren
toon. "Als ik een arm of been had verloren, dan zou het nog iets
zijn. Nelson liep met één arm bevelen te geven op het dek van het
achterschip bij den slag van Trafalgar--maar als zijn oogen hem waren
uitgeschoten," voegde hij er bij met haperende stem, "wat zou hij
dan hebben kunnen uitrichten? Blinde menschen moesten maar dood gaan."

"Toe, spreek zoo niet," zei Jim wederom.

"Het is de waarheid," hernam Bob heel beslist. "Een blinde
geeft iedereen last; hij moet rondgeleid en aangekleed worden en
gewasschen--o God, het is zoo vreeselijk," riep hij plotseling uit.

"Je windt je te veel op," zei Juniper. "Het is heusch beter dat ik
weg ga."

"Nee, het doet me goed," hernam Bob; "ik heb zooveel uren alleen
gelegen; eindelijk kan ik mijn hart voor iemand uitstorten."

"Maar de zuster zal dadelijk komen."

"Nee, die zal nog wel wat weg blijven, in elk geval wil ik eerst
uitspreken. In een vacantie hebben Norman en ik eens een voetreis
gemaakt door Schotland. We hebben toen bergen beklommen en zoowat
meer. Bij een van de meren hebben we eens een blinden man ontmoet
die door een jongen bij de hand werd geleid. Die man was op lateren
leeftijd blind geworden. Hij kende de streek door en door en hoorde
onze verhalen met de grootste belangstelling aan. En nu had hij op
een vlakken weg een jongen noodig om hem te leiden."

"Die man was zeker heel oud," viel Juniper in.

"Ja, maar ik heb nog misschien wel een leven van zestig jaar voor me,"
hernam Bob; "en in dien tijd zal ik ieder tot last zijn. Herinner je
je dien man uit dat boek van Kipling, die blind werd en toen...."

"Maar Bob, hoe het ook gaat, je vrienden zal je altijd houden,"
zei Juniper hartelijk.

"Och, geloof je dat?" zei Bob. "De menschen hebben het te druk om zich
veel te bekommeren om een sukkel dien ze den weg moeten wijzen. De
een of andere arme drommel zal zoo- en zooveel salaris krijgen om me
rond te leiden als een beer aan den ketting; tegen dien tijd zal ik
misschien ook wel zijn gaan lijken op een brombeer."

Juffrouw Geebel kwam nu aanstevenen. "Jongeheer Juniper, het is hoog
tijd om te gaan."

"Goeden nacht," bracht Jim met moeite uit, want spreken was hem
bijna onmogelijk.

"Mijn moeder zei altijd 's avonds: God zegen je, mijn jongen," hernam
Bob met zwakke stem. "In zulke dagen kan je zoo heel erg naar een
moeder verlangen."

Juffrouw Geebel die hem deze woorden had hooren zeggen, barstte in
snikken uit en Jim en ik verlieten zoo zacht mogelijk de zaal.

Het licht in de gang leek verblindend na de duisternis van de
ziekenkamer, zoodat we beiden de hand aan de oogen brachten.

"Als mijn moeder maar hier was," zei Jim, wien de tranen over de
wangen stroomden.

"O Jim, ik ben de rampzaligste jongen van de wereld," riep ik uit.



HOOFDSTUK XXVII.

DE SPECIALITEIT.


Dien nacht kon ik den slaap niet vatten. Ik lag te luisteren naar
de lange galmende slagen van de schoolklok terwijl ik me voortdurend
afvroeg of Bob nu ook wakker zou liggen--hiervan was ik bijna zeker--en
telkens en telkens drong zich de vurige wensch aan me op dat ik het
gebeurde ongedaan zou kunnen maken.

Eindelijk scheen ik toch in slaap te zijn gevallen, want ik herinner
me dat ik in den donkeren wintermorgen ontwaakte met een vaag gevoel
dat er iets vreeselijks was gebeurd. Plotseling schoot alles me weer
te binnen: Bob was blind gemaakt door mijn schuld; ik had zijn leven
verwoest; volgens zijn eigen zeggen zou het beter zijn geweest als
ik hem maar had gedood.

Ik stond op hoewel het pikdonker was en de anderen nog sliepen. Toen
ik buiten kwam in de kille ochtendlucht waren de sterren nog niet
verdwenen. Ik vroeg me af of Bob die ooit weer zou zien schijnen. Het
leek me zoo vreeselijk dat ik in een oogenblik van waanzinnige drift
zulk onherstelbaar leed had berokkend aan mijn besten vriend.

In de laatste dagen had ik het met de leeraren aan den stok omdat
ik mijn werk veronachtzaamde, doch dit liet me allemaal even
onverschillig. Plotseling kwam ik op een inval. Onmiddellijk zette
ik het op een loopen naar het station. Hoe laat zou die beroemde
specialiteit uit Londen aankomen?

Ik keek de lijst na en zag dat de nachttrein binnen het uur werd
verwacht.

Al dien tijd liep ik over het perron te drentelen, terwijl een
slaperige kruier me nu en dan een verwonderden blik toewierp, terwijl
hij woest met den bezem zwaaide en het stof in wolken opjoeg. Al de
advertenties had ik weldra gelezen en herlezen zoodat ik ze van buiten
kende; uit de verschillende kamers en bureaux kwam een eigenaardig
benauwde lucht naar me toe; aan het einde van het perron brandde een
sissende gasvlam en daar deed de koude wind snippers papier opdwarrelen
die tusschen de rails lagen; in de verte hoorde ik de zee klotsen en
ik vernam het klikken van een telegraaf-toestel; een jongen floot een
deuntje terwijl hij de knoppen en krukken stond te poetsen en al maar
bleef ik heen en weer loopen op het perron terwijl het langzamerhand
lichter begon te worden.

Toen het uur van aankomst naderde kwam er leven op het perron. De
kruiers verschenen; de meesten geeuwend. Het sein-toestel buiten
begon te klingelen.

"Hij komt er aan!" zei een van de kruiers die uit alle macht een
bel ging luiden, ofschoon ik de eenige persoon was die zich op het
perron bevond.

Ik hoorde nu het geratel van wielen en een oogenblik later verscheen
Dr. Lloyd, de dokter van St. Martin. Hij zag er even dik en gezond
en vroolijk uit als anders; op vriendelijken toon wenschte hij den
stationschef goeden morgen en vroeg of de trein precies op tijd zou
binnenrijden. Hij kwam natuurlijk den beroemden Robertson afhalen,
maar dat hij onder deze omstandigheden zich zoo vroolijk kon voordoen,
dat leek me een raadsel. Hij sprak over het feit dat de treinen zich
zoo dikwijls verlaten, en over den afstand tusschen St. Martin en
Londen, en over allerlei onbelangrijke onderwerpen meer, alsof in
die duistere ziekenzaal geen arme Bob was die op de uitspraak van
het vonnis lag te wachten.

"Hij komt er aan!" zei de stationschef toen een stoomwolk kronkelde
om de bocht van den weg.

Mijn hart begon onrustig te kloppen.

In den trein zaten maar enkele menschen--slechts één passagier
eerste klas. Op die coupé vlogen de kruiers aan om den knop van het
portier om te draaien, terwijl Dr. Lloyd met eenigszins verhoogde
kleur naderbij kwam, gevolgd door den stationschef die eerbiedig in
positie ging staan.

De passagier stapte op zijn doode gemak uit; de plechtige ontvangst
scheen hoegenaamd geen indruk op hem te maken.

Het was een groote magere man met een langwerpig gladgeschoren gezicht;
hij had een langen neus en kleine spleetjes van oogen zonder eenige
bepaalde uitdrukking. Het was mogelijk dat ik zoo dwaas was geweest om
me te verbeelden dat ik aan zijn gezicht zou kunnen zien of hij Bob zou
kunnen beter maken of niet, maar ik begreep terstond hoe onzinnig die
inval was geweest. De specialiteit droeg een lange prachtige pelsjas;
over den rechterarm had hij een bonte reisdeken geslagen en in de
linkerhand hield hij een zwart valies, waarop mijn oogen onafgebroken
bleven turen. De instrumenten die in de tasch zaten zouden beslissen
over het lot van Bob!

Ik begon te beseffen wat voor beroemdheid die Dr. Robertson was toen ik
zag met welk een eerbied hij werd begroet door Dr. Lloyd die zichzelf
waarlijk niet weggooide. De kruiers vlogen letterlijk voor hem en de
stationschef scheen zeer vereerd toen het woord tot hem werd gericht.

Want de specialiteit schonk eerst weinig aandacht aan den buigenden
Dr. Lloyd. "Hoe laat kan ik terug?" vroeg hij aan den chef. "Wanneer
gaat de volgende trein?"

De stationschef beijverde zich om hem op de hoogte te brengen,
waarna Dr. Lloyd wederom eerbiedig het woord nam en den grooten man
al buigend aansprak als mijnheer en niet als "Dr." Robertson.

"Ja, het is koud," zei Dr. Robertson op tamelijk onverschilligen toon.

"U wilt zeker eerst ontbijten?" vroeg Dr. Lloyd.

Dr. Lloyd wilde niet dat een van de kruiers de bonte reisdeken met een
vinger aanraakte; hij nam dien zelf aan; ook het valies waarvoor hij
blijkbaar een eerbied gevoelde alsof het de heiligste relieken bevatte.

"Ja, graag," antwoordde de heer Robertson, "maar het is de vraag of
ik er tijd voor zal hebben. Is het ver?"

"Mijn rijtuig staat buiten," antwoordde Dr. Lloyd.

"Is het een ernstig geval?" vroeg de heer Robertson.

"Buitengewoon ernstig," klonk het antwoord.

Ze naderden intusschen al meer en meer den uitgang, en ik liep achter
hen aan met een vast besluit.

"Zoo buitengewoon ernstig," herhaalde Robertson.

Toen stelde hij eenige technische vragen die ik niet begreep en waarop
Dr. Lloyd met groote woordenrijkheid en eveneens in technische termen
antwoordde, zoodat ik niets wijzer werd uit hun gesprek, maar ik ving
het woord "glas" op, zoodat ik begreep dat Dr. Lloyd hem op de hoogte
bracht. De beroemde man scheen nu voor het eerst belangstelling te
toonen, al zei hij niet veel meer dan ""hm"" en ""zoo.""

Ze hadden nu het station verlaten en begaven zich naar het
rijtuig--ditmaal was het de landauer--die hier stond te wachten. Het
was nu of nooit.

Dr. Lloyd rende er op af om het portier open te doen, en nu ging ik
vlak voor Dr. Robertson staan.

"Wat is er?" vroeg hij.

De moed ontzonk me toen ik den koelen blik op mij zag gericht,
maar ik was vast besloten om te zeggen wat ik te zeggen had, want
ik gevoelde dat hij te weinig belang stelde in het geval. Hij kon
spreken over onbeduidende dingen als kou en ontbijten, en zijn eerste
vraag was geweest wanneer hij weer terug kon gaan! Wat deed het er
toe al bleef hij een week; als hij maar de oogen van Bob kon genezen,
als hij Bob maar het gezicht terug gaf! Ik kon de gedachte niet van
mij afzetten, dat als die man niet zijn uiterste krachten inspande,
dan zou hij 's middags weer heentrekken met zijn valies en dan zou
Bob misschien levenslang blind blijven.

Terwijl die mogelijkheid me als radeloos maakte, barstte ik
hartstochtelijk uit. Ik riep dat alles mijn schuld was, dat ik het
had gedaan en dat--als hij blind bleef--dat ik hem dan levenslang
ongelukkig had gemaakt. Ik vertelde hem wat voor een nobel prachtig
karakter hij had en dat hij niet blind mòcht worden. Ik zei dat ik een
massa geld bezat en dat ik aan mijn voogden zooveel zou vragen als
hij maar wilde hebben, als hij maar bleef totdat hij Bob had beter
gemaakt. Ik zei nog een massa meer, dingen die al of niet iets met
de zaak hadden uit te staan, totdat een snik opwelde uit mijn keel
en ik geen klank meer kon uitbrengen.

Dr. Lloyd had eenige malen getracht den woordenstroom te stuiten,
doch ik had hoegenaamd geen aandacht aan hem geschonken. Hij was
immers niets vergeleken bij den beroemden Londenschen dokter die het
levenslot van Bob in handen had. Geen spier van zijn gelaat vertrok
toen ik zoo hartstochtelijk tegen hem uitviel, al dien tijd had hij
me staan aankijken met dien koel-nieuwsgierigen blik.

"Wie is die jongen?" vroeg hij aan Dr. Lloyd.

"Ik heb het gedaan," bracht ik snikkend uit.

"Zoo!" zei Dr. Robertson, "je schijnt nog al driftig
uitgevallen. Volgens Dokter--hoe heet u ook weer--o ja, volgens
Dr. Lloyd is het een hoogst ernstig geval. Ik geef echter de hoop
nog niet op, dat een operatie mogelijk is."

"En als die wel mogelijk is; als--"

"U zei dat hij in allebei de oogen glas kreeg is het niet, dokter? Dat
maakt de zaak bedenkelijk. Maar ik beloof je, jongen, dat we zullen
doen wat we kunnen. We mogen onzen tijd nu niet langer verpraten,
dokter."

Toen ze weg reden begreep ik dat Dr. Lloyd verontschuldigingen
aanvoerde voor mijn handelwijze, en er zat voor mij niets anders op
dan om naar school terug te rennen; de ontmoeting met den beroemden
man had me niet in het minst getroost of opgebeurd.

"W-waar b-ben je geweest?" vroeg Burns, toen ik nog bijtijds kwam
aanzetten voor het ontbijt; "Kijkers heeft gemerkt dat je er n-niet
was bij het ochtend-g-gebed."

"O Burns, ik heb den man gezien," riep ik uit. "Het kan den vent geen
zier schelen. Hij heeft geen hart in z'n lijf; hij denkt er alleen
maar aan hoe gauw hij weer terug zal kunnen gaan. Hij geeft geen
steek om Bob--of om mij."

Burns kon hierop alleen maar antwoorden dat het "zielig" was.

Toen we het binnenplein overstaken omdat de ochtendschool zou beginnen,
zagen we het rijtuig den stal binnenrijden.

"K-Kolman is hem tegemoet gegaan," fluisterde Burns, toen we op onze
plaatsen gingen zitten.

Ik stelde me het onderhoud voor: Dr. Lloyd druk en beweeglijk; de
chef rustig, beleefd en ernstig en de groote man zou beiden koel en
onverschillig aankijken, terwijl hij er alleen maar aan dacht om zijn
trein te halen.

Met hun drieën zag ik hen in verbeelding naar de ziekenzaal trekken. Ik
vroeg me af hoe het Bob te moede zou zijn als ze kwamen aanzetten en
als Dr. Robertson alles begon gereed te maken voor het onderzoek.

Ik zag hem het zwarte valies uitpakken en de instrumenten
uitspreiden. Over enkele minuten zou de operateur beslissen of er
kans op redding bestond of niet.

Als het hopeloos was, dan zou hij zijn valies wederom inpakken en
vertrekken. Door het open raam hoorde ik het kraken van het grint,
daar de staljongen het paard liet heen en weer stappen. Met kloppend
hart luisterde ik of het rijtuig niet stil hield en wegreed.

Het eene kwartier na het andere verstreek. Onafgebroken tuurde ik op
de klok in de klas. Wat zouden ze nu doen? Zou Bob vreeselijke pijnen
moeten uitstaan? Zou er nog hoop zijn op redding? Een vurig gebed zond
ik op dat de beroemde dokter ditmaal nog schitterender zou opereeren
dan hij ooit in zijn leven had gedaan en dat hij Bob zou beter maken...

Toen de morgen bijna was verstreken en de minuten al langzamer en
langzamer begonnen te kruipen werd een briefje gebracht aan mijnheer
Wilson. De leeraar liep naar me toe en zei op rustigen toon: "Mijnheer
Kolman wil je spreken, Ellinghem."

Ik dacht dat bij den chef over me was geklaagd, omdat ik in de laatste
dagen mijn werk schandelijk had veronachtzaamd; alles liet me echter
onverschillig; met loome schreden begaf ik me naar het studeervertrek.

Toen ik dit naderde zag ik dat de chef de kamer juist uitging in
tegenovergestelde richting, zoodat hij me niet had zien aankomen.

Toen klopte ik op de deur, daar ik niet wist of iemand anders zich
misschien in het vertrek bevond. Dit bleek het geval, want onmiddellijk
werd: "Binnen" geroepen!

Bij den haard zag ik tot mijn verbazing de beroemde specialiteit staan,
koeler en onverschilliger dan ooit.

Een vraag brandde me op de lippen, doch toen ik een blik wierp op
dat koude gelaat kon ik geen klank uitbrengen.

"Mijnheer Kolman heeft me laten roepen," zei ik eindelijk; "maar--"

"Hij deed dit op mijn verzoek," viel Dr. Robertson in, terwijl een
schalksche uitdrukking in zijn oogen verscheen. "Het is in orde,
jongen; je vriend zal beter worden. De operatie is prachtig gelukt;
ik vond dat jij het goede nieuws wel het eerst mocht hooren."

Ik greep een stoel en ging zitten, want de kamer en de meubels schenen
plotseling in het rond te draaien. Ik wilde spreken en hem danken,
doch ik kon geen woord uitbrengen.

"Die vriend van je is een beste, dappere vent," hernam Dr. Robertson
die me onafgebroken bleef aanzien; "het zou zonde en jammer zijn
geweest van den jongen; maar het is alles prachtig gegaan. Hij zal
weer zoo goed kunnen kijken als de beste. Op zoo'n vriend mag je
trotsch zijn; een volgenden keer zal je wel niet zoo gauw een glazen
deur stuk slaan, denk ik. O, mijnheer Kolman, kunnen we gaan?" voegde
hij er bij toen de chef binnen kwam.

"Ja, het rijtuig staat voor," antwoordde de heer Kolman.

"Dan zullen we maar instappen," hernam hij op een toon die wederom
even koel en afgemeten klonk. Samen verlieten ze het vertrek, waar ik
nu alleen achterbleef; toen Dr. Robertson al bij de deur stond keerde
hij zich nog even naar mij om en, terwijl de zweem van een glimlach
op zijn gelaat verscheen, zei hij: "Ik zal je maar niet herinneren
aan de belooning die je me hebt beloofd."



HOOFDSTUK XXVIII.

GERED.


Het was de eerste dag van de zomervacantie; Bob en ik zijn aan het
station Ootlie uitgestapt en rijden met den ouden Tetsjer in de
richting van Mallorie.

"Precies als twee jaar geleden," zei Bob na een lange stilte.

"Ik kan het bijna niet gelooven," antwoordde ik.

"Hier was het zoowat dat ik het paard tegenhield van dien man met
dat roode haar," hernam Bob.

"Juist, mijnheer," viel Tetsjer in; "zoo'n kranig stukje heb ik nooit
van m'n leven meer gezien."

"En ik kreeg zoo'n gekke gewaarwording toen je je naam noemde,"
ging Bob voort; "dat herinner ik me best."

"En ik kon in de verste verte niet vermoeden dat jij mijn familie
van naam kende," zei ik.

"Toen ik wist dat jij Ellinghem heette, twijfelde ik een oogenblik
of ik je wel zou zeggen wie ik was, want ik was bang dat de heele
boel zou uitkomen."

"Ik wist toen van niets," zei ik.

"Dat leek me onbegrijpelijk," hernam Bob, "want ik wist alles en was
alleen maar hier naar toegekomen om eens poolshoogte te nemen."

"Stel je voor dat je dit niet hadt gedaan; dan zou ik niet op
St. Martin zijn gekomen en dan zou jij niet--"

"Och laat die veronderstelling maar rusten," merkte Bob wijsgeerig op.

Hij verzonk wederom in gepeins toen we Mallorie naderden; ik zweeg
ook. Tetsjer was de eenige die nu en dan een opmerking maakte. Bob
kwam niet bij me logeeren; hij zou maar één nacht overblijven op mijn
dringend verlangen, daar hij op weg was om eenige vrienden te bezoeken
uit Canada, die voor een tijd in de nabijheid van Mallorie waren komen
wonen. En hij scheen er nog zelfs op tegen te hebben om dien eenen
nacht bij mij door te brengen. Nooit had hij ronduit en openlijk
willen spreken over het drama dat ik uit die couranten-uitknipsels
had vernomen en dat ons beiden tot weezen had gemaakt. Misschien
drongen dezelfde sombere gedachten zich ook aan hem op toen we de
plek naderden waar het ongeluk was gebeurd.

Nu en dan verbraken we de stilte om de een of andere onbeteekenende
vraag aan Tetsjer te stellen.

"Hoe maken de Horners het?" vroeg ik toen we het huis in het gezicht
kregen; ik had dit natuurlijk eerder moeten vragen en wilde het nu
goed maken.

"O, die zijn dik en gezond," antwoordde Tetsjer; "van de Horners kom
je anders niet veel te weten," voegde hij erbij.

"Zeg heb je ze gewaarschuwd dat ik meekom?" fluisterde Bob me
toe. "Anders schrikt de man zich opnieuw een ongeluk."

"Ja, ik heb het geschreven," antwoordde ik. "Maar begrijp jij waarom
hij toen zoo schrok? Hij kende je toch niet."

"Nee, dat is zoo," gaf Bob toe. "Maar ik kan de reden toch wel
vermoeden."

"Waarom?" vroeg ik verwonderd.

"Begrijp je dat niet?"

"Nee, ik snap niet dat..."

"Ik lijk precies op hem," viel Bob me in de rede; "dat zegt iedereen
ten minste. Ik schijn het evenbeeld van mijn vader, en daarom viel
de man flauw van den schrik toen hij me zag."

Bob was dien dag zoo heel anders dan gewoonlijk. Hij sprak niet op dien
vroolijken opgewekten toon dien we van hem waren gewend; het kostte
hem blijkbaar moeite om de woorden over de lippen te krijgen en het
speet me nu dat ik erop had aangedrongen om hem mee te nemen naar een
huis, waaraan zulke pijnlijke herinneringen voor hem waren verbonden.

Ik wilde iets dergelijks zeggen, doch hij legde me het zwijgen op.

"Laten we die oude geschiedenis nu maar laten rusten," zei hij. "Het
zou een schandaal zijn als we geen goede vrienden bleven."

Bob was altijd een goede vriend voor me geweest, maar na het ongeluk
met zijn oogen had ik nog tienmaal grooter hartelijkheid van hem
ondervonden. Hij zag weer even goed als ooit, maar de herinnering aan
de vreeselijke angsten en spanning die ik in dien tijd had uitgestaan,
lagen me nog versch in het geheugen. Soms gebeurde het nog wel dat
ik wakker werd met een schok, om me af te vragen wat voor onheil ik
had aangericht.

Maar als zulk een hechte vriendschap tusschen twee personen bestaat,
dan gevoelt men onmiddellijk als er het een of ander begint te
haperen. Ik besefte dan ook duidelijk dat er iets was dat Bob wist
en dat ik niet wist; het een of andere geheim was aan dat oude huis
verbonden; mogelijk zou dit voor mij worden opgehelderd.

Ik was zekerder dan ooit dat dit geheim bestond, toen we binnen reden
door de oude hooge poort. Wederom welde die sombere gewaarwording
bij me op, toen ik die lijn van gesloten ramen met luiken gewaar
werd en die rechte steenen muren--alles even donker, naargeestig
en geheimzinnig.

"Zeg," fluisterde Bob me in, terwijl hij zijn best deed om zijn stem
zoo luchtig en natuurlijk mogelijk te doen klinken; "dat voorvaderlijk
slot is misschien heel mooi, Martin, maar ik kan niet zeggen dat het
een bijzonder vroolijken indruk maakt."

"Behalve het kleine gedeelte dat de Horners bewonen, ziet alles er
even naar en somber uit," antwoordde ik.

"Ik heb jullie vroeger al gezegd dat het er spookt," fluisterde de
oude Tetsjer me in, toen hij het rijtuigje liet stil staan. "In het
dorp zijn ze het daar allemaal over eens."

Het was waar, dat hij ons dit vroeger ook had medegedeeld, maar toch
vond ik het onaangenaam dit nog eens te hooren herhaald.

Met een zucht van verlichting stapte ik uit en schudde het echtpaar
Horner de hand; beiden waren ons glimlachend en vriendelijk tegemoet
geloopen om ons welkom te heeten. Ik wierp een onderzoekenden blik
naar den ouden Horner, toen die Bob begroette en zag den man van
kleur verschieten; hij wist zijn zelfbeheersching echter te bewaren;
de ontroering die zich van hem had meester gemaakt, toonde hij alleen
door den ouden Tetsjer snauwend eenige bevelen te geven, zoodat de
man zich al brommend met onze bagage verwijderde; toen hij den hoek
bij de stallen omsloeg, maakte zijn gemompel nog den indruk van het
gerommel van den donder in de verte.

Juffrouw Horner had de theetafel voor ons ingericht op dezelfde wijze
als den vorigen keer, en ze toonde dezelfde bezorgdheid dat we honger
zouden lijden.

"Ik kan me niet begrijpen dat het heusch twee jaar is geleden,"
zei Bob lachend; "alles is zoo precies eender."

"Ja, ik heb ook zoo'n gevoel dat wat er toen gebeurde, voor de tweede
maal zal gebeuren," zei ik.

"Deze pastei is ten minste even goed en lekker," hernam Bob, terwijl
hij zich ervan bediende.

"Maar we behoeven niet hetzelfde programma af te werken," merkte ik op.

"Wat bedoel je?" vroeg hij, terwijl hij me even oplettend aankeek.

"Wel, dien nachtelijken tocht door het onbewoonde gedeelte natuurlijk,"
antwoordde ik. "Ik dacht niet anders dan dat je een leelijken smak
zou doen."

"Nu, ik zal dat een tweede maal wel laten," zei Bob, die even huiverde.

We maakten een kleine wandeling na het maal, want het was nog licht;
het was echter geen heldere zomeravond; over alles scheen een somber
waas te hangen, zoodat dit er niet toe bijbracht om ons in een
opgewekte stemming te brengen.

"Dit oord zou me op den duur zenuwachtig maken," zei Bob, toen de
avond eindelijk was verstreken en we wederom het kleine verlichte
vertrek binnen gingen. "Ik ben blij dat we gauw samen onze tenten
ergens zullen opslaan. Je zal hier leelijk het land krijgen, denk ik."

Het gesprek begon weldra te verflauwen. Om de verveling te verdrijven
gingen we wat schaken, toen we eindelijk een oud bord uit de kast
van juffrouw Horner hadden opgediept en wat oude pionnen. Maar ook
dit hielp niet om ons in een opgewekter stemming te brengen.

"Laten we naar bed gaan," zei Bob eindelijk met een geeuw. "Die
menschen blijven misschien voor ons op zitten. Als we lekker hebben
geslapen, dan is het morgen misschien over."

"Wat is dan over?" vroeg ik met een poging om te schertsen.

"Och, de heele boel is hier beroerd," antwoordde Bob openhartig;
"morgen lijkt alles misschien anders. Berg dat schaakspel maar op."

Wij sliepen in dezelfde kamers als den eersten keer. Na de Horners en
elkaar goeden nacht te hebben gewenscht, begonnen we ons te ontkleeden.

Ik had gedacht dat ik niet gauw zou inslapen, maar voordat ik het zelf
wist was ik geraakt in dien half wakenden, half slapenden toestand
en toen begon ik te droomen.

Het waren vreemde, wonderlijke droomen; eindelijk kreeg ik een
gewaarwording dat ik een oorverdoovend leven om mij heen vernam, en
toen werden die verwarde geluiden plotseling als de slagen van een
zwaren hamer, het kloppen van mijn hart. Maar even later drongen die
harde metalen slagen wederom tot mij door en met een schok schrikte
ik wakker, daar beneden woest een bel werd geluid terwijl ik kreten
hoorde slaken.

Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Bob half gekleed de kamer binnen
stormen.

"Martin, sta op," riep hij opgewonden. "Er is brand; de klok wordt
geluid."

Na haastig een paar kleedingstukken te hebben aangeschoten rende ik
met hem naar beneden en naar buiten. Ik denk dat het zoowat twee uur
zal zijn geweest, want het begon heel flauw te schemeren, hoewel de
sterren nog aan den hemel stonden.

"Waar is het?" vroeg ik hijgend, want ik was nog eigenlijk niet
heelemaal wakker en in het gedeelte van het gebouw waar wij onze
kamers hadden was geen spoor van brand te ontdekken.

"Daar!" riep Bob die de richting met den vinger aanduidde.

Tot mijn ontzetting werd ik bij een van de middenvensters van de lange
rij gesloten ramen met luiken een kronkelende rookkolom gewaar waar
de vlammen uit lekten. Het knappen van den houten vloer en zoldering
konden we zelfs op dien afstand hooren. Het glas van de bovenruiten
viel nu rinkelend en kletterend naar beneden, waarna de vlammen zich
een uitweg baanden om zich te voegen bij de vuurzuil die opsteeg uit
het dak.

Toen ik even den blik afwendde van den brand werd ik op het binnenplein
een paar menschen gewaar, die angstig en verschrikt heen en weer
draafden. De Horners waren naar buiten komen loopen. De oude Horner
scheen radeloos; hij stond als waanzinnig van angst naar het vuur
te wijzen en bracht stamelend een paar woorden uit, terwijl juffrouw
Horner snerpende kreten slaakte. Tetsjer stond onderwijl uit alle macht
de noodklok te luiden. Twee arbeiders, die den brand hadden gemerkt
en waren komen aanrennen, zwaaiden met de armen en schreeuwden me
wat toe. Als versuft en verwezen hoorde ik hen aan; het duizelde in
mijn hoofd.

Bob was de eenige die zijn zelfbeheersching niet had verloren. Hij
gaf een van de mannen een fermen slag op den schouder, zoodat die
plotseling zijn mond hield.

"Heb jullie een brandweer in het dorp," vroeg hij.

"Ja," antwoordde hij.

"Dan ga je onmiddellijk waarschuwen; zeg dat ze terstond aanrukken!"

"Ja," zei de man die het op een loopen zette.

"Hei!" riep Bob hem na. "Is er hier een telegraafkantoor?"

"Jawel," antwoordde de man, "maar dat is nu zeker gesloten."

"Dan maak je ze maar wakker," zei Bob; "telegrafeer onmiddellijk om
een stoom-brandspuit. Wat is het dichtstbij; Bindon? Goed. Heb je
het begrepen?"

"Ja," zei de man.

"Loop er dan heen zoo gauw als je kunt," beval Bob. "Tetsjer, houd nu
maar op met dat gebel! Waar is je langste ladder? Ga mee, dan kunnen
we die halen!"

"Om den hoek van den stal," antwoordde Tetsjer die met tegenzin het
touw los liet.

"Vooruit, ga mee," zei Bob; "en jij ook," voegde hij er bij tegen
den anderen arbeider. "En jij ook, Martin! We moeten allemaal aan
het werk!"

We dachten er geen van allen aan om hem te vragen wat hij van plan
was. Bob deelde bevelen uit en wij gehoorzaamden.

De ladder was heel lang; bij den stalmuur hing ze aan twee ijzeren
haken.

"Jullie moet er samen onder gaan staan," zei Bob. "Juist zoo, dan
gaat het best. Volg me maar, zoo gauw als je kunt!"

Bij den stal had iemand hout staan hakken; een zware bijl was blijven
liggen. Bob greep die en draafde voor ons uit. De Horners hadden zich
ook bij den stoet gevoegd en renden mede.

Ik wist dat zich tusschen ons en het gedeelte van het gebouw waar
de brand woedde een hooge steenen muur bevond, die met een deur in
den tuin uitkwam. Bob viel met zijn bijl op de deur aan, waarvan het
paneel met het slot na een paar krachtige slagen aan stukken vloog,
zoodat we de ladder er doorheen konden beuren.

We bevonden ons nu op het grasperk voor het brandende gedeelte; glas
en steenen lagen om ons heen en het gesmolten lood stroomde van het
dak naar beneden.

"Vooruit, aan het werk," riep Bob, toen de ladderdragers onthutst
bleven kijken naar de verwoesting die was aangericht. "Vooruit,
geen sekonde hebben we te verliezen!"

Het vuur verspreidde zich nu met groote snelheid. Het zou niet het
gedeelte aantasten waar wij onze kamers hadden, want de wind was den
anderen kant uit en wakkerde de vlammen aan die met ongelooflijke
snelheid voortwoekerden. Het was duidelijk dat over enkele minuten
die heele vleugel in lichte laaie zou staan en uitbranden.

Het eene raam na het andere sprong kapot, waarna de vlammen zich
zegevierend een uitweg baanden; hier was geen redding meer mogelijk.

Ik volgde Bob die nog altijd de bijl in handen hield en hielp hem
de ladder dragen. Eerst nu sloeg ik acht op de woorden die de oude
Horner schreiend uitstiet en die als een jammerklacht klonken, terwijl
hij met zijn vrouw huilend achter ons aanliep. "Mijn arme meneer,"
riep hij telkens en telkens uit; "red mijn armen meneer!"

Ik dacht dat de man zijn verstand kwijt was en dat hij zich het
drama, dat zich hier in vroeger jaren had afgespeeld, nu zoo levendig
herinnerde dat hij daardoor de beide rampen door elkaar haspelde.

Eindelijk hadden we het gedeelte van het gebouw bereikt dat niet door
het vuur was aangetast.

"Hier, bij dit raam," riep Bob. "Nee, het volgende. Het is hier al
te laat," voegde hij er bij, toen wederom een venster aan stukken
sprong en de vlammen naar buiten sloegen.

Tusschen ons en het uiteinde van den vleugel waren nog maar vier
ramen die waren gespaard. De ladder werd nu neergezet. Bob liet de
bijl vallen en hielp nu de ladder mede overeind zetten tegen den muur
waar ze reikte tot de ramen van de eerste verdieping.

Tot nu toe had ik de bevelen van Bob stipt opgevolgd; ik stelde het
volste vertrouwen in hem, maar thans vond ik het oogenblik gekomen
om een woordje in het midden te brengen.

"Bob," zei ik, terwijl ik zijn arm greep, want ik zag dat hij met
het oog den afstand mat tusschen de ladder en de ramen van de eerste
verdieping: "Bob, je mag niets wagen voor het gebouw. Je weet dat
niemand in dit gedeelte woont."

"Kijk daar eens," zei Bob als antwoord, terwijl bij naar het venster
wees.

Tot mijn schrik en ontsteltenis werd ik de gedaante van een man gewaar.

"O Bob, wie is dat?" riep ik uit.

De oude Horner, die ook in de richting had gekeken die door Bob werd
aangewezen, liet zich nu op de knieën vallen en wederom riep hij
jammerend uit; "Och, mijn arme meneer! Red mijn armen meneer!"

Bob schonk geen aandacht aan ons, doch met gebaren gaf hij den man voor
het raam te kennen dat hij het venster moest openen of open breken en
op de ladder stappen; hij begreep wat Bob van hem verlangde, want we
zagen hem met beide handen aan het houtwerk schudden; zijn pogingen
bleven echter vruchteloos.

"Hij kan het niet doen!" riep Bob. "Het gaat niet open. Waarom slaat
hij de ruiten dan niet in?"

Al dien tijd stonden we te blakeren in den vuurgloed, want de brand
verspreidde zich met ongelooflijke snelheid. Het was of we door
stralen van de ondergaande zon werden beschenen. De man kon ons zeker
heel duidelijk onderscheiden, hoewel we hem maar vaag konden zien,
zoodat ik niet wist of hij oud of jong was.

Op dit oogenblik gelukte het hem echter een van de paneelen stuk te
slaan, zoodat hij zijn hoofd naar buiten kon steken. Het was een man
van middelbaren leeftijd met een grijzen baard en grijs haar.

"Sla het hout kapot!" riep Bob. "Sla het in! Vlug! Stap op de
vensterbank en dan op de ladder!"

De vlammen sloegen nu uit twee ramen tegelijk naar buiten.

"Hij kan het niet," riep Bob. "Hij heeft er geen kracht genoeg voor,
of de schrik heeft hem verlamd!"

Hij greep de bijl en zette den voet op de onderste sport van de
ladder. Toen bedacht hij zich even.

"Zullen we de ladder onder het volgende raam zetten?" zei hij. "Want
het is best mogelijk dat hij niet bij dat venster kan komen; anders
zou hij daar wel voor zijn gaan staan. We zullen het probeeren. Houd
de ladder stevig vast!"

Ik greep zijn arm. "Bob," riep ik, "je mag je leven niet wagen! De
brandweer komt zoo dadelijk aanrukken."

"Weet je wie het is?" vroeg hij heel kalm, terwijl hij zich omkeerde
om de ladder op te klimmen.

"Neen."

"Je vader."

Toen was hij uit mijn bereik verdwenen, want met de bijl in de hand
was hij de ladder opgevlogen.

In ademlooze spanning volgden we hem, toen hij op de vensterbank
sprong en met een paar ferme slagen het houtwerk aan stukken deed
vliegen. Door de opening die nu was gemaakt zagen we de donkere
gestalte van den man zich afteekenen tegen den vuurgloed.

"De kamer staat al in brand!" riep Tetsjer. "Het is hoog tijd."

De bijl kwam nu kletterend op den grond terecht; Bob had beide handen
noodig om den man op te tillen en naar het raam te sleuren.

"Hij heeft 'm op de vensterbank," riep Tetsjer uit. "Bravo! Het is
hem gelukt!"

"Groote genade!" schreeuwde de arbeider. "De vlammen slaan naar
buiten! Ze zijn er allebei om koud!"

"Een is al op de ladder!" riep Tetsjer. "Nu zijn ze er allebei op! Houd
goed vast, zeg ik je!"

"De top van de ladder staat al in brand!" riep de arbeider.

"Ze komen eraan," schreeuwde Tetsjer. "Groote hemel, wat gaat dat
langzaam. De vlammen zitten ze op de hielen!"

"Ze zijn er, ze zijn er!" riep de landbouwer opgewonden uit.

Bob die den ouden man half had gedragen, gaf hem met een zucht van
verlichting over in onze uitgestrekte armen.

Toen liet hij zich op den grond vallen en zei: "Als ik niet zoo sterk
was, zou ik het onmogelijk hebben kunnen doen."

De oude Horner lag bij den ouden man geknield en riep al maar door:
"Och mijn arme meneer, mijn goede, arme meneer!"

"De kamer staat in lichte laaie!" riep Tetsjer. "Het scheelde geen
haar. Uit den weg, jullie! De ladder hoeft geen dienst meer te
doen. Dat hebben we 'm kranig geleverd!"

"Ja, we hebben het er goed afgebracht," viel de arbeider in.

Ik luisterde ternauwernood naar hetgeen ze beweerden. Ik lag geknield
naast mijn vader, die uit het rijk der dooden was herrezen.



HOOFDSTUK XXIX.

SLOT.


"Wat kunnen de dingen toch zonderling loopen, hè," zei Bob; "het
toeval speelt zoo'n groote rol in het leven!"

Het was de morgen na den brand; samen liepen we heen en weer over het
terras, dat door de zon werd beschenen. In de lucht hing nog een sterke
brandlucht; een paar brandweermannen waren bezig op de puinhoopen te
spuiten van den afgebranden vleugel die zwart en naargeestig opdoemde.

"Vindt je het zoo zonderling dat de boel hier in brand heeft
gestaan?" vroeg ik.

"Nee, ik doelde op onze kennismaking," antwoordde Bob. "Als je bedenkt
dat ik een paar jaar geleden niets van je af wist. Hé, ik ga wat op
den grond zitten, want ik ben moe na dit nachtje," zei hij, terwijl
hij zich met een zucht op het gras uitstrekte.

"Ja, maar hoe zoo?"

"Och," hernam Bob, "ik kwam toen hierheen om het huis en de streek
eens op te nemen. Daar in Canada hadden ze me altijd wijs gemaakt dat
die dood van mijn vader een geheimzinnig tintje had. Ik mag toch wel
openlijk tegen je spreken, is het niet?"

"Ja, toe ga voort."

"Toen ik nu een tijd in Engeland was, vond ik het het best om zelf
eens een kijkje te gaan nemen. Ik was toen al een heelen tijd op
St. Martin en in den zomer trok ik er op uit; ronduit gezegd was ik
niet bijster vriendschappelijk gezind tegen jou en het huis en den
heelen boel hier. Je moet het me niet kwalijk nemen, Martin, want er
was mij altijd voorgehouden dat anderen genoten van wat mij toekwam."

Bob lachte even alsof hij dit feit heel vermakelijk vond.

"Toen maakte ik onderweg kennis met jou, hals over kop kan je wel
zeggen, en den ouden Horner joeg ik een schrik op het lijf, omdat ik
als twee druppels water op mijn vader lijk, het verschil in leeftijd
natuurlijk uitgezonderd. Ik vond het toen vervelend dat ik als een
spion was komen aanzetten, en toch wilde ik je niet alles vertellen.

"'s Avonds nadat ik dien tocht had ondernomen door het onbewoonde
gedeelte kwam ik pas tot de ontdekking, dat je niets wist en
niets vermoedde. Jij kreeg er gauw genoeg van en ging terug; uit
nieuwsgierigheid drong ik verder door in mijn eentje en toen--liep
ik je vader tegen het lijf."

"Ik kon wel aan je zien dat er iets bijzonders was gebeurd," zei ik.

"Geen wonder. Toen ik tot de ontdekking kwam dat werkelijk iemand zich
bevond in dit zoogenaamde spookhuis, toen kreeg ik een schok van den
schrik; dat wil ik je gerust bekennen, maar teruggaan wilde ik niet. Ik
zou natuurlijk ongemerkt hebben kunnen wegsluipen, maar daarin vond ik
iets gemeens. Ik liep dus naar hem toe en, evenals Horner, herkende hij
in mij onmiddellijk den zoon van den man dien hij had doodgeschoten."

Bob zweeg even en hernam toen:

"Je vader en ik waren beiden ontsteld; ik vond het maar het best
om hem ronduit alles te vertellen en dat deed hij ook. Na het
ongeluk was hij als krankzinnig van verdriet; de menschen bleven
maar beweren dat hij met opzet mijn vader had doodgeschoten, omdat
die recht meende te hebben op het landgoed; daarom trok hij voor een
tijd naar het buitenland, zonder iets van zich te laten hooren. Later
kwam hij terug, zonder dat iemand dit wist; hij stelde vertrouwen in
de Horners; de menschen hebben al dien tijd gezwegen en uitstekend
voor hem gezorgd. Kranige lui zijn het; dat zeg ik!

"Met je vader heb ik toen lang en breed gesproken. Hij vertelde me
dat hij nooit den schok was te boven gekomen; hij voelde zich een
moordenaar; niets kon zijn daad ongedaan maken en hoe langer hij als
een kluizenaar leefde, des te meer besefte hij dat hij zich nooit meer
onder de menschen zou durven vertoonen. Als het heelemaal donker was
liep hij wat in den tuin; verder leefde hij in een paar kamers met
zijn boeken."

"Wat een vreeselijk leven!" riep ik uit.

"Hij geraakte eraan gewend," hernam Bob, "en de Horners ook; zoo
verliepen eenige jaren. Je vader wist dat je thuis zou komen en toen
je op dien avond zoo zeker was dat iemand in je kamer was geweest,
toen hadt je gelijk, want je vader had naar je staan kijken. Hij heeft
me verteld hoe vreeselijk het voor hem was om niet tegen je te mogen
spreken, jij die toch zijn eigen zoon was; maar hij vond het beter
dat je bleef denken dat hij dood was."

Bob zweeg even; ik wilde wat zeggen, doch spreken was me onmogelijk.

"Ik heb je al gezegd dat we een lang gesprek met elkaar hadden," hernam
Bob; "en als ik ooit mocht hebben getwijfeld of het een ongeluk was
geweest of niet, dan wil ik je wel zeggen dat die twijfel onmiddellijk
verdween toen ik kennis had gemaakt met je vader. Hij zei dat ik
hem zeker nooit zou vergeven," hernam Bob wiens stem even haperde;
"en hij sprak me zoo vriendelijk en hartelijk toe dat ik hem de hand
drukte, en toen vroeg hij of ik een oogje op jou wilde houden. Voor
jou was het beter dat hij zijn kluizenaarsleven voortzette, zei hij;
na zooveel jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, was het
hem onmogelijk om in de wereld terug te keeren, maar als ik je wat
zou willen voorthelpen, dan zou hij dit heerlijk vinden."

"Mijn vader wist toch dat ik van dit alles onkundig was gehouden,"
zei ik.

"Ja, en hij vond het beter dat ik je maar niets vertelde," antwoordde
Bob, "omdat er dan een soort scheidsmuur tusschen ons zou ontstaan,
waardoor we misschien nooit echte vrienden zouden worden. Ik beloofde
hem te zullen zwijgen, en zonder dien ellendigen Brunton zou je nog
van niets weten," riep Bob plotseling heftig uit.

"Maar hoe kwam Brunton achter dit alles?" vroeg ik.

"Dat zal ik je vertellen; de vader van Brunton met wien je al kennis
maakte voor je nog een voet hadt gezet op St. Martin, was een tijd
lang mede-directeur van de firma. Finsberie & Koster. Hij vroeg toen
immers of jij me kende?"

"Ja."

"Hij was van alles op de hoogte, omdat hij al die stukken en papieren
had gelezen die betrekking hadden op de bewuste zaak. Onze vriend
Brunton, den zoon bedoel ik, schijnt nog al nieuwsgierig te zijn
uitgevallen, want hij heeft in de papieren van zijn vader zitten
snuffelen en daardoor is hij er achter gekomen.

"De oude Brunton trok zich uit de zaken terug en kwam te St. Martin
wonen--zeker om dicht bij zijn lief zoontje te zijn--de papieren en
stukken schijnt hij van het kantoor te hebben meegenomen; onze Brunton
kon ze daardoor te pakken krijgen en toen hij werd weggejaagd wilde
hij ze zeker jou als een erfenis nalaten."

"Waarom zou hij dat hebben gedaan?" vroeg ik.

"Dat deed hij alleen om mij te plagen," antwoordde Bob, "want ik had
een soort koop met hem gesloten; toen hij nu werd weggejaagd en me
dus geen geld meer kon aftroggelen, toen vond hij het zeker aardig
om voor het laatst nog een gemeenen streek uit te halen.

"Ik had je dol graag alles verteld," hernam Bob, "maar ik had je
vader beloofd de zaak geheim te houden, dus ik moest zwijgen."

"Hoe heerlijk dat je met me bent meegegaan," zei ik op ernstigen toon,
daar het tooneel van dien nacht me nog steeds voor oogen stond.

"Ja," zei Bob; "gelukkig dat ik lang en sterk ben. Als ik kleiner
was geweest, zou ik het niet hebben kunnen doen. Maar weet je wien ik
voor den brandstichter houd? niemand anders dan den ouden Horner; de
man trok altijd naar dat gedeelte van het huis voor hij naar bed ging
met een kaars in de hand om zich bij te lichten. De vlam is zeker in
aanraking gekomen met een van die oude gordijnen die kurkdroog zijn en
die bijna voor elke deur hangen; dat herinner ik me nog heel goed. De
man heeft er zelf niets van gemerkt en de deur achter zich gesloten."

De klok begon te slaan.

"Elf uur," riep ik uit. "De dokter heeft gezegd dat we dan naar vader
mochten gaan."

"Best," zei Bob, die langzaam overeind rees. "Zeg, Martin, ik ben
nog wat stijf in de leden na die ladder-geschiedenis. Maar luister
's jongen. Ik wou je nog iets zeggen, maar dat is dan ook mijn laatste
woord over deze zaak."

"Wat dan?" vroeg ik.

"Ik ben vast besloten op dit punt," hernam Bob op heel beslisten toon;
"al zouden ook dozijnen advocaten aan mijn hoofd malen, ik laat
de zaak rusten; wie of ook het meest recht heeft op het landgoed,
dat kan me geen zier schelen; ik heb genoeg daarginds in Canada; ik
zou je Mallorie niet eens willen hebben. Je mag het houden, jongen,"
voegde Bob er glimlachend aan toe, terwijl hij me op mijn schouder
klopte. "Als ik er misschien meer recht op heb dan jij, dan geef ik
je den boel cadeau."

"O Bob..." begon ik.

"Geen woord meer erover!" riep Bob. "Anders geef ik je op je
gezicht. Het is best mogelijk dat jij er meer recht op hebt; we
zullen het niet onderzoeken. Dat is het beste. O, daar komt de dokter
aan... We mogen nu naar boven, is het niet, mijnheer?"

"Ja," antwoordde de dokter die in zijn koetsje stapte; "de heer
Ellinghem maakt het heel goed. Hij is den schrik nog niet geheel te
boven en hij verlangt ernaar jullie beiden te zien."

We gingen de kamer binnen. Toen mijn vader, dien ik zoo lange jaren had
dood gewaand, ons ieder bij de hand vatte en Gods zegen over ons beiden
afsmeekte, toen gevoelde ik dat de herinnering aan het vreeselijke
drama was uitgewischt en dat we een nieuw leven konden beginnen.



                                 EINDE.



AANTEEKENINGEN


[1] Jongens uit de hoogste klasse op Engelsche kostscholen die mede
zijn belast met de handhaving der orde.

[2] Naam van beroemd Engelsch dichter.

[3] Jongens uit de laagste klassen die diensten moeten bewijzen aan
de jongens uit de hoogste klasse.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Bravo, Bob! - De padvinder uit Canada" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home