Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Alewijn, de Lijfeigene - Historisch verhaal uit de 12e eeuw
Author: Molt, E.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Alewijn, de Lijfeigene - Historisch verhaal uit de 12e eeuw" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                         ALEWIJN, DE LIJFEIGENE
                   HISTORISCH VERHAAL UIT DE 12e EEUW

                                  DOOR
                                E. MOLT.

                   GEÏLLUSTREERD DOOR B. W. WIERINK.


                              DERDE DRUK.

                   AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF



EERSTE HOOFDSTUK.

HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING.



Toen Redbold gelukkig en wel van den kruistocht bij vrouw en kind was
teruggekeerd, kocht hij zich voor het overgespaarde geld een lapje
grond, niet ver van de abdij gelegen. 't Was een vruchtbaar plekje
en leverde meer op dan noodig was om van te leven.

Geruimen tijd gingen de zaken dan ook heel goed. Door zuinigheid en
ijver wisten de eenvoudige menschen hun bezittingen langzaam maar
zeker te vermeerderen.

Had het zoo maar mogen blijven! Helaas, hoe krachtig en ijverig
Redbold ook was, hoe trouw hij door zijn goede Marijke en door zijn
jongen in den zwaren veldarbeid werd bijgestaan, toch was de man niet
in staat, de zijnen bij voortduring gelukkig te maken. Redbold bezat
een treurige eigenschap, een eigenschap, die jammer en ellende zou
brengen in de hut, waar zooveel kalme vreugde kon heerschen.

Redbold was een speler.

Op den kruistocht had hij meermalen opgemerkt, hoe enkelen van zijn
krijgsmakkers soms groote sommen door het spel hadden gewonnen.

Een enkelen keer had hij zelf meegedaan, maar altijd slechts weinig
geld gewaagd.

Toen nu echter de vooruitgang naar zijn zin niet snel genoeg ging,
beproefde hij opnieuw zijn geluk. En dit bracht hem ten gronde.

Want de fortuin was hem zeer ongunstig, en eindelijk verminderden
zijn bezittingen zoo bedenkelijk, dat hij land van de abdij in pacht
moest nemen.

Nog was het tijd om tot inkeer te komen, nog kon alles weer hersteld
worden. Maar neen, de speelzucht zat er bij Redbold te sterk in. Hij
bleek ongeneeslijk. Niets was in staat, hem op den goeden weg terug
te brengen, zelfs de smeekingen van zijn lieve vrouw niet.

Al meer en meer gingen de zaken achteruit, en toen Redbold eindelijk
niet bij machte bleek, zijn pacht te voldoen, moesten hij en de zijnen
daarvoor met hun vrijheid boeten. En nu gebeurde, wat de meier der
abdij al zoo vaak voorspeld had: Redbold met vrouw en zoon werden de
lijfeigenen van den abt. Wel waren ze hierdoor voor gebrek bewaard,
maar hun vrijheid hadden ze verloren. Ze moesten den arbeid verrichten,
dien de abt hun oplei. Ze waren geheel afhankelijk van hen, die door
den geestelijken heer waren aangewezen om op de onderhoorigen het
toezicht te houden. Voor Alewijn was nu de tijd voorbij, dat hij doen
mocht, wat hij wilde. Weldra liet de abt den knaap bij zich komen,
om hem te vertellen, dat hij spoedig geregeld werk zou krijgen.

De abdij bestond uit een groote menigte houten en steenen gebouwen,
alle om een kerk geschaard, het geheel door een gracht en een muur
omgeven. De landerijen, die er toe behoorden, strekten zich naar alle
zijden zeer ver uit; tal van knechts waren er aan den arbeid. Ook
Alewijn verwachtte, dat hij weldra op het veld aan het werk gezet
zou worden.

Dit viel echter mee. Men droeg hem vooreerst nog niets bepaalds
op. Zoo nu en dan moest hij Diedaart, den verzorger der hoenders,
behulpzaam zijn.

Diedaart, een kort, vlug kereltje, verbeeldde zich heel wat te wezen,
zeker, omdat hij in rang boven den haan stond, die al een groot
gezag over zijn omgeving had. Alewijn kreeg het heel gemakkelijk;
zwaren arbeid behoefde hij niet te verrichten. Al het werk bepaalde
zich tot het doen van boodschappen, terwijl hij den overigen tijd bij
Diedaart op een bank mocht zitten, om naar diens verhalen te luisteren.

Zoolang men Diedaart niet in het vaarwater kwam, was hij de beste man
van de wereld, maar men moest dan ook alles goedvinden en prijzen,
wat hij deed. Bovendien wilde hij niet graag op de vingers gezien
worden. Alewijn, die dikwijls op de abdij was geweest om eieren
te verkoopen, kende den pluimverzorger heel goed, en, daar hij een
bescheiden jongen was, bestond er alle reden om te verwachten, dat
hij het met zijn kort meestertje best zou kunnen vinden.

De eerste dagen ging het ook heel goed; Diedaart was zeer met den knaap
ingenomen; zelfs begon Alewijn zich reeds in zijn lot te schikken,
toen er iets voorviel, dat een geheele verandering in zijn leven
veroorzaakte.

Op een morgen riep Diedaart den jongen bij zich.

"Komaan, kereltje"--de man was wel een hoofd kleiner dan Alewijn--"pluk
jij me dat kipje even. 't Is voor den abt bestemd. Een vet beestje,
he? Nu, wat zeg je er van?"

Alewijn wist er niets anders van te zeggen, dan dat ook hij een en
al bewondering was over de vetheid van het hoen.

"Ja, daar heb ik goed den slag van. Ze mogen zeggen, wat ze willen,
maar sedert Diedaart voor de hoenders zorgt, gaat het er in het
kippenhok veel beter uitzien. Weet je, wat de zaak is? Ik ken zoo
de rechte manier, hoe de beestjes gevoederd moeten worden. Daar komt
het op aan. Je moet weten, wat een dier toekomt. De meesten hebben er
heelemaal geen verstand van. Dat voedert de kippen alleen, enkel en
alleen met gerst! Denk eens aan, alleen met gerst. Zou jij je maal
graag alleen met brood doen? Ik niet. Ik heb er liefst wat drinken
bij. Zoo gaat het een hoentje ook. Kijk, ik meng het voeder altijd
met een flinken scheut bier aan. Nu mogen ze er over klagen, dat ik
zooveel bier gebruik, daar lach ik wat om. Mijn beestjes worden dik
en vet, de abt is tevreden, wat wil je nog meer.

"Zie je die witte daar? Die heeft de kou te pakken gekregen, maar nu
zal ik je toch eens laten zien, hoe gauw ik ze weet op te knappen. Als
je straks de kip geplukt hebt, wil je zeker wel even voor me de
poort uitgaan?"

Zoo babbelde de man door, nog drukker dan zijn gevleugeld volkje,
dat al maar klokkend en kakelend en pikkend door elkander liep.

"Ja, ja, de abt heeft een heelen steun aan mij, al zeg ik het zelf."

Intusschen zat Alewijn ijverig te plukken, een werkje, dat hij meer
gedaan had en dat hem dus nog al vlug van de hand ging. En toen hij
klaar was, droeg Diedaart hem op, even naar buiten te gaan en wat
schors van een esch te halen.

"Wel, mijn jongen, je kijkt daar vreemd van op. Je denkt zeker:
"Wat wil hij daar nu mee uitvoeren?" Ik zal je dat zeggen. Als de
kippetjes verkouden zijn, is er geen beter geneesmiddel te bedenken
dan aftreksel van esschenschors; wat ze ook hebben verkoudheid, pip,
of zinking, je geneest ze er dadelijk mee. Nog sterker, laatst had ik
een kip, die al te gulzig was geweest en een grooten kikker ineens
had willen doorslikken. 't Beest zou stikken; ik geloofde vast, dat
het er nooit meer van kon opkomen. 't Ware jammer genoeg geweest,
want het dier begon juist zoo mooi vet te worden. Maar komaan dacht
ik, we kunnen altijd nog eens iets probeeren. Wat doe ik? Ik trek de
kip den bek open. Kijk, zoo!"

De man nam een hoentje op, dat natuurlijk geweldig tegenspartelde en
sperde het den bek wijd open.

"Ik trok het den kikker uit de keel. Maar nog bleef het dier voor dood
liggen. Nu goot ik het voorzichtig wat aftreksel van esschenschors in
den bek; dat had ik toen juist bij de hand, omdat er zooveel hoenders
verkouden waren en wat zag ik? Een klein poosje later liep de zieke
even gezond en monter rond, alsof er niets gebeurd was, ja, het leek
me toe, of het nog nooit zoo tierig was geweest.

"Ha, je bent klaar, zie ik. Wacht, laat het even aan den kok zien,
met de complimenten van mij, en vraag, of het niet een heerlijk
beestje is. En zeg dan meteen, dat het bier op is."

Alewijn vertrok en kwam na eenig zoeken in de keuken, waar een dikke
monnik ijverig bezig was. "Zoo kereltje, wat moet jij hier? O, kom
je van Diedaart? Dat is goed."

"Diedaart vraagt, of hij niet wat bier kan krijgen."

"Wat zeg je? Bier? Bier, mijn beste jongen? En gisteren heeft hij
nog een heele kruik gehad. Wat doet hij er toch mee?"

Alewijn antwoordde, dat bier zoo goed voor de kippen scheen te zijn.

"Zoo. Nu, ik kan niet anders zeggen, of dit is een mooi kluifje. Wel
wel, komt het van het bier? Neem die kruik dan maar mee, als je maar
oppast, dat je er niet van snoept, want dan kon je wel eens even vet
worden als de kippen en dat zou je dadelijk verraden."

Alewijn bracht dus de kruik bier naar den pluimverzorger, die het
weltevreden aannam en hem nu opdroeg, wat esschenschors te halen. De
jongen talmde niet en ging dadelijk heen; onderweg bedacht hij echter,
dat een mes hem goed te pas zou komen. Daarom keerde hij nog eventjes
terug. Maar wat zag hij daar, toen hij het hoenderhok binnentrad? Iets,
dat hem ten hoogste verwonderde, maar waardoor hem tevens een licht
opging. Nu begreep hij, waarom Diedaart elken dag een kruik bier
noodig had.

Op hetzelfde oogenblik toch, dat Alewijn binnen kwam, nam de goede
man de laatste teug uit de kruik. Het spreekt vanzelf, dat hij heel
raar op zijn neus keek, toen hij zich zoo verrast zag en in het eerste
oogenblik niet wist, wat hij zeggen moest. Spoedig echter herstelde
de snoepachtige hoenderverzorger zich en poogde hij zijn toestand
te verklaren door te zeggen: "Ja, zie je, ik proef het bier altijd
eerst zelf, vóór ik het den hoenders geef. Je weet nooit, wat bocht
men je in de handen duwt."

Nu moest Alewijn toch hartelijk lachen, want pas had Diedaart dit
gezegd, of hem viel de kruik uit de handen, en nu bleek, dat er geen
druppel meer in was. De eerlijke pluimverzorger was bezig geweest,
niet de hoenders, maar zich zelf vet te maken, en, dit moet men zeggen,
hij deed het niet ten halve. Zijn buikje begon den laatsten tijd dan
ook al aardig rond te worden.

Diedaart was eerst verlegen geweest, toen hij zich betrapt zag. Toen
hij echter meende op te merken, dat Alewijn hem uitlachte, werd hij
boos. Hij beroemde zich altijd op zijn trouw en eerlijkheid, en het
beviel hem dus in het geheel niet, dat iemand zijn snoeplust had
ontdekt. Het ernstige van het geval was, dat de onschuldige Alewijn
hiervoor moest boeten.

"Zeg eens, wat moet je hier? Maak, dat je weg komt en doe, wat ik
gezegd heb," klonk het kortaf.

Alewijn keek zeer vreemd op van den onvriendelijken toon, daar hij
juist het tegendeel verwacht had. Hij antwoordde: "Ik had nog vergeten,
een mes mee te nemen."

"Had daar dan maar dadelijk om gedacht. Kom, waar wacht je nog op?"

"Ik moet toch een mes hebben."

"En hoefde je daarvoor nu terug te komen? Had je onderweg aan een
van de lui niet een mes te leen kunnen vragen? Vooruit, neem mee en
ruk uit. Laat ik je vooreerst niet weer zien."

Alewijn deed, wat hem bevolen was, en Diedaart bleef alleen, in
een zeer ontevreden stemming. Wat was hij boos! Geen wonder! Langen
tijd had hij ongestoord kunnen genieten van het bier, dat voor zijn
kippetjes bestemd was; altijd had ieder hem voor een eerlijk man
gehouden, en nu was hij opeens betrapt door zoo'n kwajongen. Hij
vreesde, dat Alewijn het vertellen zou, maar nog meer was hij er
woedend om, dat hij het bierdrinken voortaan zou moeten laten. Een
oogenblik dacht hij er aan, den buit met Alewijn te deelen, maar
even spoedig verwierp hij dit plan weer. Neen, hij moest iets beters
bedenken. En ten laatste besloot hij een middel te verzinnen, om den
jongen kwijt te raken.

Dit middel deed zich eerder voor, dan hij verwacht had. Want, toen
Diedaart den volgenden dag den abt ontmoette, hield deze hem staande
en sprak: "Wel, goede Diedaart, je hebt mij daar gisteren een lekker
kluifje bezorgd."

Diedaarts gezicht glom van voldoening toen hij zoo geprezen werd.

"O ja," vervolgde de abt, "dat moest ik je nog eens vragen, hoe gaat
het met dien jongen, och, hoe heet hij ook weer?"

"Alewijn, bedoelt u?"

"Juist, Alewijn."

Plotseling kreeg de pluimverzorger een plan in zijn hoofd. Daar had
hij een gemakkelijk middel, om zich den lastigen jongen van den hals
te schuiven. Hij trok een paar rimpels in zijn voorhoofd en zette
een bedenkelijk gezicht.

"Wat zal ik u zeggen? 't Gaat nog al, maar ik geloof niet, dat een
gemakkelijk leven, zooals hij bij me heeft, goed voor hem is."

"Wat lui misschien?"

"Lui, lui? Ik weet dat nog zoo niet, maar ik vertrouw wel, dat het
beter voor hem zou zijn, als hij flink aan het werk gezet werd. Ook
lijkt hij mij nogal weerspannig toe."

De abt was een goed man, maar hij hield van strenge
tucht. Weerspannigheid werd door hem altijd zwaar gestraft. Daar
kwam in dit geval bij, dat hij van Diedaart, die zijn tafel zoo goed
verzorgde, nog al hield en er niet aan dacht, hem te wantrouwen.

Hij zette dus bij dit ongunstige oordeel over den armen Alewijn een
zeer ernstig gezicht, en sprak: "He, dat had ik niet achter den jongen
gezocht. Het leek mij eerst een bedaarde, bescheiden knaap toe. We
moeten hem dan maar flink aanpakken. Weet je wat, ik zal hem eens
bij me laten komen."

Dit was het juist, wat Diedaart graag wilde hebben, want hij vermoedde
wel, dat Alewijn zich zou pogen te verdedigen en dat hij hierdoor juist
een verkeerden indruk op den abt moest maken. En zoo gebeurde ook. De
jongen voelde zich niet weinig beklemd, toen hij bij den deftigen
man in de spreekkamer moest komen, en hier werd zijn verlegenheid
nog grooter.

"Wat hoor ik van je, vrind, je bent niet heel vlijtig, he? Dat valt
me niet mee".

"Wat?" vroeg Alewijn ten hoogste verwonderd en niet minder
verontwaardigd, want hij had nog niet geleerd, onderdanig te wezen,
"wie zegt dat?"

"Je toon is tamelijk brutaal. Wie het zegt? Dat behoef ik je gelukkig
niet te verzwijgen. Diedaart de pluimverzorger heeft zich ernstig
over je te beklagen."

"Och, wat verbeeldt hij zich wel? Laat hij liever naar zich zelf
kijken."

"Hoor eens, eerst wou ik het niet gelooven, maar nu zie ik het toch
zelf, dat je brutaal bent en weerspannig bovendien. Neen, neen, je
behoeft mij niets meer te vertellen. Ik ken zulke praatjes. Maar ik
wil je eens voor al zeggen, dat de toon, dien jij aanslaat, volstrekt
niet past. Foei, Diedaart is een ernstig en degelijk man. Hoor eens,
mijn jongen, je bent nog jong en daarom zal ik je genadig behandelen,
maar laat het voor altijd een goede les zijn. In 't vervolg behoef
je niet meer in het hoenderhok te komen; ik zal je op den akker aan
het werk zetten. Hoor ik na verloop van tijd goeds van je, nu, dan
zullen we nog eens zien, maar anders, pas op!"



TWEEDE HOOFDSTUK.

VERKOCHT.


Twee dagen later stond Alewijn reeds op den akker te arbeiden. Hij
was een krachtige, breede knaap, maar het kostte hem niet weinig
moeite, den ploeg, dien de ossen trokken, in het rechte spoor te
houden. Daar hij geen suffer was, poogde hij zich zoo goed mogelijk in
zijn rampzaligen toestand te schikken en de ellende te vergeten. En
hoe kon dat beter dan door hard te werken? Werken kon hij. Het was
een lust, hem te zien; stellig zou het niet lang behoeven te duren,
of hij kwam in de gunst van den abt, als--de meier geen vriend van
Diedaart den pluimverzorger was geweest.

"Je moet dien knaap in het oog houden," had de laatste gezegd.

"Ha, ha, is het er zoo eentje; nu, we zullen hem wel klein krijgen. Hij
werkt anders nog al flink."

"Zeker, maar ik zeg je, hij heeft streken; dat heb ik al heel gauw
opgemerkt. Anders mocht hij wel bij me blijven."

"Nu, ik verzeker je, dat hij niet veel meer zal hebben in te brengen."

De meier begon dus reeds met den armen Alewijn te wantrouwen en dat
was voor den knaap heel ongelukkig. Want hoe gaat het in de wereld,
als de menschen het al vooruit op iemand niet begrepen hebben? Dan kan
hij zich niet eventjes vergissen, of het is mis. En zoo ging het hier
ook. De meier had geen oog voor den ijver, waarmee Alewijn arbeidde,
maar op fouten, wezenlijke of schijnbare, lette hij wel. Rustte de
jongen even, dan meende de man, dat hij wilde luieren; praatte hij
met een ander, de meier dacht, dat ze elkander opstookten. Dan kwam
hij met een barsch gezicht naderbij en bestrafte den jongen, die zich
natuurlijk niet onrechtvaardig liet behandelen, en, openhartig als
hij was, een flink antwoord terug gaf.

Zoo hoorde de abt ook van den meier niet veel goeds van Alewijn en
werd hij versterkt in de meening, dat het een lastige, weerspannige
jongen was.

Op een morgen was Alewijn bezig, de ossen voor den ploeg te
spannen. Hij stond dicht bij een breeden weg, die naar de abdij
leidde. Plotseling zag hij bij een hoek van achter een boschje een heel
gezelschap ruiters naderen. 't Waren een paar edelen met hun gevolg,
die blijkbaar het plan hadden, den abt een bezoek te brengen. Een der
ridders was een groote breede man, in volle wapenrusting: een malierok,
nauwsluitende hoozen met ringen en een helm op het hoofd. Trotsch
zat hij in het zadel en liet zijn blik gaan over de landerijen aan
weerszijden van den weg, terwijl hij nu en dan het woord richtte
tot zijn metgezel of antwoordde op de opmerkingen, die deze hem
deed. Plotseling kreeg de ridder Alewijn in het oog. Hij scheen wat
bijzonders aan hem te zien, want hij bekeek den knaap met buitengewone
aandacht. Alewijn voelde het en werd er verlegen van; hij wist niet,
wat hij doen moest. Ja, de ridder had het bepaald over hem, toen hij
weer eenige woorden sprak tot den ruiter naast hem. Wat hij zei, werd
Alewijn natuurlijk niet gewaar, maar hij zou het weldra ondervinden.

Alewijn ving met ploegen aan en de ruiters zetten bedaard hun tocht
voort, totdat ze bij de abdij kwamen, waar men zeer vereerd was met het
deftig bezoek en waar de reizigers dan ook gastvrij werden ontvangen.

Waarom de edelman Alewijn zoo opmerkzaam had aangekeken? We zullen
het spoedig zien. Want nog had hij niet lang bij den abt gezeten,
of hij sprak: "Eerwaarde, ik zag zooeven op uw akker een opgeschoten
knaap van een jaar of zestien. Ik zou zoo'n snuiter uitstekend kunnen
gebruiken; hadt u geen lust, hem mij over te doen?"

"Nu, dan dien ik toch eerst te weten, over wien u het hebt. Wacht,
misschien kan broeder Lulof mij helpen."

Lulof werd geroepen en moest met een der mannen van den ridder
meegaan om te onderzoeken, wie de kooplust van den edelman had gaande
gemaakt. Al spoedig kwam de man weer terug en deelde hij den abt mee,
dat het niemand anders dan Alewijn kon zijn.

"Alewijn, Alewijn," dacht de abt, "van dien lummel heb ik tot
nu toe niet veel goeds gehoord; ook de meier is slecht over hem
tevreden. Zulke bedienden kan ik missen. Al wou hij hem haast voor
niets hebben, ik stond hem graag af."

Maar de abt, die zeer bijdehand was, liet niets merken van hetgeen
er in hem omging en richtte dus het woord tot den edelman: "Ik moet
u eerlijk bekennen, dat ik werklui genoeg heb en dus een enkelen van
hen wel wil afstaan, vooral wanneer ik u daar een pleizier mee doe,
maar, deze knaap.... een van mijn flinkste ploegers...."

"Nu, ik zal hem goed betalen."

"Dat spreekt vanzelf," hernam de abt glimlachend, "als dat ook niet
zoo was, wou ik hem doodeenvoudig niet missen. Hoeveel dacht u voor
hem te geven?"

"Als ik eens zei: Twee prachtige rijpaarden."

Dit was een zeer hoog bod, zooals nooit voor een lijfeigene gedaan
werd, maar de ridder, die een krijgshaftigen aard had en graag een
troep flinkgebouwde strijders om zich heen zag, stond er nu eenmaal
op, Alewijn te koopen. Inmiddels gaf hij hiermede het bewijs, dat hij
niet voor koopman in de wieg was gelegd. Hij liet zich op deze wijze
geheel in de kaart kijken en dit was zeer dom, vooral tegenover een
slimmerd als de abt, die zijn oogen een weinig toekneep, het voorhoofd
wat fronste en sprak: "Laten we er maar niet meer over praten." Hij
deed, alsof hij van den geheelen handel niets meer weten wilde.

Hierdoor wekte hij nog meer de begeerte van den edelman, die hem zoo
gauw niet losliet en zei: "Maar heer abt, twee paarden, wordt er ooit
zooveel voor een arbeider gegeven?"

"'t Kan zijn, ik wil er den jongen eenvoudig niet voor missen."

"Maar hoeveel vraagt u dan wel?"

"Nu, als u hem volstrekt hebben wilt, leg er dan nog twee koeien bij
en u kunt den knaap onmiddellijk meenemen; maar voor minder doe ik
hem niet van de hand."

De ridder gaf teekenen van verbazing over zulk een ongehoorden eisch;
maar de abt was er zeker van, dat de edelman ten laatste zou toeslaan,
en bleef dus onverzettelijk. De uitkomst bewees, dat hij juist had
gezien, ja, per slot van rekening was de ander nog blij, dat hij den
jongen had kunnen krijgen, al beklaagde hij zich ook herhaaldelijk
over den duren koop.

Zoo was Alewijn dan verkocht, maar hij wist er zelf nog niets van; ook
's avonds, toen hij naar huis ging, had hij het nog niet vernomen. Hij
was den edelman dan ook al weer vergeten en dacht aan geheel andere
dingen. Hij peinsde er over, wat de toekomst hem brengen zou. Overdag,
bij den drukken arbeid, vergat hij het eenigszins, welk een ellendige
toestand de slavernij toch was, maar 's avonds, bij het naar huis
gaan, kreeg de arme jongen vaak droevige gedachten. De aanblik van
zijn moeder, die, meer gebogen dan ooit, met somberen blik lusteloos
haar werk deed of droef peinzend op een bank zat, maakte hem ook
neerslachtig.

"Zou daar nu niets aan te doen zijn?" dacht hij, "zou de gelegenheid
zich nooit voordoen, mij weer vrij te maken?" Als hij door hard
werken, door zuinig sparen eens zooveel verdiende, dat hij zich en
zijn ouders vrij kon koopen? En dan sprak hij er met zijn moeder over,
om haar te troosten.

"Och, mijn jongen, eer het zoover is, ben ik al lang dood."

"Kom, moeder, zeg dat niet; dat beneemt mij den moed en ik geloof
juist, dat alles nog wel terecht kan komen."

"Ik weet niet."

"Maar zou het dan niet doenlijk zijn, zooveel over te verdienen,
dat we ons weer vrij kunnen koopen?"

"O, 't is zoo moeilijk. Och, jongen, als je ondervonden had, wat ik
heb geleden."

"Wel, moeder, dat is toch voorbij; ik zie er nog wel licht in."

En als Alewijn zoo sprak, begon de arme vrouw in het laatst wat
opgeruimder te worden; ze zag haar jongen met een liefdevollen blik
aan; neen, alle hoop wilde ze hem niet benemen. Ze was overtuigd,
dat de toekomst zich donker liet aanzien, maar toch, ja, ze moest ook
erkennen, dat het meer gezien was, dat lijfeigenen door zuinigheid
en vlijt hun vrijheid hadden weten te verwerven, vooral, als de heer
een zacht en eerlijk man was.

Moeder en zoon zwegen; het gesprek had hen in wat opgeruimder stemming
gebracht; beiden droomden van blijder dagen.

Daar trad de meier binnen, dezelfde, die haar het verlies der vrijheid
had aangekondigd. Opeens herinnerde Marijke zich, dat die man haar
de boodschap had gebracht van het grootste jammer, dat haar was
overkomen. En ze huiverde bij de gedachte daaraan. Zoodra ze den
meier zag, stond haar ongelukkige toestand in al zijn ellende haar
weer voor den geest. Wat voerde hem nu weer hierheen? Kwam hij weer
een jammerboodschap brengen? Kon het misschien nog ongelukkiger?

Ja, het kon nog ongelukkiger. Maar van de tijding, die de meier
nu meebracht, had de arme Marijke in de verste verte niet kunnen
droomen. Het was, of de man het begreep, en of hij er tegen op zag,
dat hij het leed nog kwam vergrooten. Geruimen tijd bleef hij staan
zonder te spreken, als verwachtte hij, dat Marijke beginnen zou. De
vrouw keek hem droefvragend aan; ze las het op zijn gezicht, dat
hij aarzelde, dat hij haast niet voor den dag durfde te komen met
hetgeen hij had mee te deelen. Dit sloeg haar geheel ter neer; was
er dan weer iets gebeurd? Kon het dan wezenlijk nog erger? Welnu,
ze was op alles voorbereid.

De meier zocht naar zijn woorden. 't Was een ruwe man, maar ook de
ruwste is niet geheel van gevoel ontbloot en hij begreep maar al te
goed, dat het ergste leed voor een moeder is, haar kind te verliezen.

Haar kind te verliezen; nog vermoedde Marijke in het geheel niet,
wat verschrikkelijk lot haar boven het hoofd hing.

"'t Zal misschien niet heel aangenaam zijn, wat ik je heb te
vertellen...."

Daar had je het dus. Weer een jobstijding. En bitter viel de vrouw uit:
"Hoe, is het dan nog niet genoeg? Heb ik te weinig geleden? Moet
er nog meer ellende over mijn huis worden gebracht? Voor den dag
er dan mee. Ik kan alles verdragen. Je behoeft er niet om heen
te draaien. Maar ik begrijp waarlijk niet, wat er nog van mij te
halen is."

Marijke zag om zich heen, maar begreep er niets van. Hoe zou ze ook? De
meier werd diep getroffen door den angst, die uit haar verweerde
trekken sprak en aarzelde nog altijd, het noodlottige woord uit
te spreken.

"Maar zeg dan toch, man, wat je hebt."

Nu moest het er wel uit. Vreeselijk was de uitwerking; de meier mocht
de zachtste woorden uitkiezen, die hij vinden kon, het hielp niet: de
rampzalige tijding trof de arme Marijke als een donderslag. Neen, zoo
iets had ze niet verwacht. Ook Alewijn stond diep verslagen. Verkocht;
als een stuk vee verkocht!

Langen tijd stond de vrouw strak voor zich uit te staren. 't Was,
alsof haar hoofd geheel in de war was, of ze vruchteloos moeite deed,
om de gedachten te verzamelen. Ze sprak niet, ze schreide niet, maar
haar roerloos neerzitten bewees meer dan heftig snikken zou gedaan
hebben, hoezeer ze leed.

In het laatst scheen het, of ze een poging tot uitredding wilde
wagen, of er een sprank van hoop in haar opflikkerde. Radeloos van
jammerlijken angst viel ze neer, kroop tot bij den meier voort,
omvatte zijn knieën, en smeekte hem: "Och, mijn goede heer, red
ons, heb medelij met een arme moeder; zeg, dat het niet waar is,
dat mijn jongen, mijn Alewijn bij me blijft. Wij kunnen elkander niet
missen. Niet waar, lieve, beste Alewijn, is het niet zoo, mijn jongen,
je oude moeder kan je niet missen."

Zoo jammerde ze, biddend en smeekend, nu klagend, soms dreigend en in
het laatst zakte ze bewusteloos ineen. Alewijn viel bij zijn moeder
neer, vatte haar in de armen en riep haar: "Moeder, moeder!"

't Was een vreeselijk tooneel, en de meier, de ruwe meier, die gewoon
was, de lijfeigenen als honden te behandelen, voelde zijn oogen vochtig
worden. Maar tegelijk werd hij wrevelig, omdat hij gedwongen was,
getuige te zijn van zulk een droefheid, en, daar hij er toch niets
aan doen kon, keerde hij zich om en ging heen.

Langzamerhand kwam de vrouw weer bij; nu schreide ze, stil, zonder te
spreken, maar de tranen vloeiden haar overvloedig over de wangen. Den
geheelen avond bleven Marijke en haar zoon bij elkander zitten,
hand in hand. Zij legde haar moede hoofd tegen zijn schouder.

"Och," zuchtte ze, "ik had zoo gehoopt, je bij me te houden, het korte
poosje, dat ik nog leven zal. Och, och, dat het niet zoo heeft mogen
zijn. Alewijn, mijn lieve jongen...."



DERDE HOOFDSTUK.

NIEUWE KENNISSEN.


Een week later reeds stond Alewijn ver van de plaats, waar zijn ouders
woonden, op het land van zijn nieuwen meester te werken. Tijd, om een
beetje op zijn verhaal te komen, had men hem niet gelaten. Waarvoor
ook? Lijfeigenen werden immers niet beter geteld dan vee, dat men
koopen en verkoopen kon, dat men mocht pijnigen of dooden, juist
zooals het den heer in de gedachten kwam. Men wist niet beter, of
het behoorde zoo.

Maar Alewijn had de vrijheid gekend en hij gevoelde maar al te goed
zijn bitter verdriet. Weggerukt van zijn moeder, als slaaf meegesleept,
o, 't was een leed, om nooit te boven te komen. Zuchtend stak hij de
spade in den grond. Wel had de edelman hem voor krijgsman bestemd,
maar heer Diederik wilde eens zien, of Alewijn een flink werkman was,
en daarom liet hij hem een paar weken op het veld arbeiden.

Werktuigelijk, al maar aan het ouderlijk huis denkende, ging Alewijn
met graven voort, toen hij plotseling uit zijn overpeinzingen werd
opgeschrikt doordat een steen dicht bij hem op den grond plofte. Eenige
oogenblikken later suisde een tweede steen hem om de ooren.

Verbaasd keek hij rond, terwijl hij niet weinig knorrig was, dat men
de lui hier zoo onvriendelijk behandelde. Voor de derde maal kwam
een steen aanvliegen en het had waarlijk weinig gescheeld, of deze
was tegen Alewijns hoofd terecht gekomen. De jongen werd nu dan ook
ernstig boos en nam alvast een fermen knuppel op, om den onzichtbaren
aanvaller met gelijke munt te kunnen betalen.

Op dit oogenblik kwam er uit een boschje een knaap te voorschijn,
die ongeveer van denzelfden ouderdom scheen, als Alewijn en eveneens
lijfeigene was, wat uit zijn kortgeknipte haren dadelijk bleek.

"Probeer dat nog eens!" riep Alewijn dreigend.

"Hei, hei, wat een verbeelding! Zeker pas hier gekomen, he?"

"Wat zou dat? Daarom behoef jij niet met steenen te gooien."

"En jij zoo'n drukte niet te hebben. Hoe kom je hier?"

Alewijn was vroeger altijd gewoon geweest, met eenige minachting op
lijfeigenen neer te zien en het is dus niet te verwonderen, dat hij
zich zeer ergerde over den toon, dien de ander aansloeg. Hij keerde
hem dan ook heel eenvoudig den rug toe. Zoodra de vreemde knaap dit
zag, begon hij hartelijk te lachen: "Wat een heer! Zeker de een of
andere hooggeboren ridder, die in gevangenschap is geraakt! Stel je
nu niet zoo aan, mannetje!"

"Houd je mond, of ik sla er op," riep Alewijn woedend en hij meende,
wat hij zei en hief de spade reeds dreigend omhoog. Intusschen toonde
de vreemde niet de minste vrees, want hij zette doodbedaard zijn
handen in de zij en sprak: "Dan zit je morgen in den kelder onder
den burcht. 't Is daar heel aardig, dat verzeker ik je."

"Daar weet jij wat van."

"Ik heb er ook gezeten. Kijk maar." De knaap keerde zich half om en
liet Alewijn de linkerzijde van het hoofd zien, waar het oor afgesneden
was. 't Was een verschrikkelijk gezicht en Alewijn begreep niet,
hoe die jongen daar nog om kon lachen.

"Dat is mij verleden jaar overkomen; ik had gestolen, moet je
weten. Eigenlijk laat onze heer den dieven één hand of beide handen,
al naar hem dat zoo in den zin komt, afkappen, maar mij heeft hij
bij uitzondering genadig behandeld. Niet uit goedheid, maar omdat
het in zijn eigen voordeel was. Een slaaf, die zijn handen kwijt is,
zal nooit meer werken of vechten, en daar kan hij ons veel te goed
voor gebruiken."

"Jij schijnt het anders niet heel druk te hebben."

"Zeker heb ik het druk. Ik kom jou roepen."

"Wie heeft je dat gezegd?"

"De meier. Je moet meehelpen, ginds bij het hek. De meier zegt,
dat jij sterk bent."

"Hoor eens, ik heb met jou niets te maken."

"Goed, dan blijf je hier. Je moet het zelf ondervinden. Goeden dag."

De knaap, Hark heette hij, wilde zich dus weer verwijderen, toen
Alewijn hem nog terugriep en zei: "Neen, luister nog even. Meen
je het?"

"Wat?"

"Dat de meier me laat roepen?"

"Wat dacht jij dan?"

"Dat het maar gekheid van je was."

"Zeker, het is gekheid. Nu, ik kan niet langer wachten. Blijf jij
dan maar hier, als je wilt."

Hark scheen de waarheid te hebben gesproken en Alewijn oordeelde
het dus het verstandigst, met hem mee te loopen in de richting van
het kasteel.

Dit was een reusachtig steenen gebouw, waarvan de grijze massa zich
boven het omliggende groen verhief. Heel aantrekkelijk zag het er
niet uit, maar het was van verbazend dikke muren en geduchte torens
voorzien, en daar kwam het voor een edelman in de eerste plaats op aan.

Naarmate men naderde, kon men de verschillende deelen beter
onderscheiden: de ronde vensters en de smalle kijk- en luchtgaten
grijnsden op het grauwe vlak van den muur den reiziger onheilspellend
aan. Het eigenlijke gebouw, de woning van den edelman, was door een
gracht omgeven en daar omheen lag het erf, waar altijd een groote
drukte heerschte van arbeiders, krijgslieden, kinderen en vee. Ook
stonden hier de hutten der lijfeigenen, de hokken van de dieren en
de berg- en de werkplaatsen. Het geheel besloeg een groote ruimte en
was omgeven door een palissade van dikke, gepunte palen, terwijl een
breede gracht den toegang nog moeilijker maakte.

Op het oogenblik, dat Alewijn en Hark het kasteel naderden, stond
er een troepje werklui bij de poort. Enkelen hadden een paar dikke,
lange palen bij zich, terwijl een der mannen bezig was, zulk een
paal van een scherpe punt te voorzien. De meier hield toezicht op
den arbeid; een krijgsman, die blijkbaar niets te doen had en rustig
zijn gemak kon houden, zat niet ver van de brug te hengelen en keek
nu en dan lachend naar de arbeiders, alsof hij in zijn schik was,
dat die zoo hard moesten sloven.

Zooals we al vernomen hebben, was de edelman in zijn hart een
echte vechtersbaas; hij dacht in den regel aan niets anders,
dan aan oorlogvoeren en jagen; zijn grootste zorg bepaalde zich
er toe, geschikte krijgers te hebben en zijn kasteel zoo sterk
mogelijk te maken. Herhaaldelijk deed hij persoonlijk de ronde,
om zich te overtuigen, of alles, de muren, de palissaden, de
verdedigingswerktuigen in orde waren. En als hij een paal al te veel
vermolmd, een muur wat verbrokkeld, de deelen van een blijde niet op
hun plaats vond, liet hij dat aanstonds verbeteren.

Zoo had hij voor eenige dagen gemerkt, dat een deel der palissade
dringend herstelling behoefde en dit was de oorzaak van de
bedrijvigheid, waarmede de werklui bezig waren.

"Ha, ben je daar," zei de meier, toen hij de beide knapen ontdekte,
"ga eens gauw met Ulfert mee naar het dennenbosch, om een paar palen
te halen."

Alewijn deed aanstonds, wat hem bevolen werd en vergezelde Ulfert,
die een zware bijl bij zich had. Een half uur later kwamen ze met
een zwaren paal aanzeulen. Bij de brug gekomen, legden ze hem neer.

"Hè," zei Ulfert, "dat was me een vrachtje; daar kun je warm
van worden." Ook Alewijn verheugde zich, dat hij een oogenblik
rusten kon. Terstond trad een der mannen toe, om den paal aan te
punten. Terwijl zoo drie, vier mannen naar dit werk stonden te kijken,
kreeg de hengelaar aan de gracht beet; hij sloeg op en slingerde een
fermen baars met een geduchten boog de lucht in. Ongelukkig scheen
het beest niet heel vast aan den haak te zitten, want het vloog
los en kwam met zijn scherpe, naar alle kanten uitstaande stekels,
vlak in het gezicht van Ulfert terecht, die, woedend van de pijn,
den visch opnam en hem in den zak poogde te steken. De hengelaar kwam
haastig toeloopen, om zijn buit op te rapen, en toen het Ulfert niet
gelukte, den baars te bergen, ging hij er zoo snel hij kon mee op
de vlucht, het hek door en het voorplein op. De hengelaar hem na,
terwijl de anderen alles lachend stonden aan te kijken. Door de
drukte, die de mannen maakten, verschrikten een aantal kippen zoo,
dat ze kakelend uiteen vlogen; een groot zwijn, dat, van een troep
biggetjes omringd, knorrend zijn voedsel in het zand zocht, maakte
zich eveneens uit de voeten. Woest kwam het op het hek aanrennen,
en het zou wezenlijk naar buiten gevlucht zijn, als de meier niet
geroepen had: "Het hek dicht, het hek dicht." Alewijn schoot toe,
om het hek te sluiten, terwijl een der andere lijfeigenen zijn best
deed, om het beest, dat wild geworden was, terug te jagen, toen zich
een verschrikte stem deed hooren: "Daar komt de heer aan."

Het was vermakelijk te zien, welk een ontzag allen voor den geduchten
edelman hadden; niet zoodra zagen ze hem in de verte naderen, of
ieder ging ijverig in de weer. De meier zat het meest in angst,
want hij werd er altijd voor gestraft, als het werkvolk onder zijn
toezicht stond te luieren. Men kon natuurlijk in deze omstandigheden
het hek niet sluiten. Hierdoor vond het varken juist gelegenheid,
te ontsnappen, maar de meier greep het nog bij den staart en trok
het beest, dat geweldig schreeuwde en tegenspartelde, met veel moeite
het voorplein op, waar de biggetjes hun arme moeder met medelijdende
blikken aanzagen. Daar kwam de edelman aanrijden, vergezeld van een
vrij groot aantal wapenknechten, sommigen met bogen, anderen met
een goedendag, enkelen zelfs met knuppels gewapend. Twee mannen,
die een eind achteraan kwamen, hielden een viertal nijdige honden
aan een touw vast.

De ridder was op de jacht geweest; maar het wekte de verbazing van
den meier, dat hij al zoo vroeg terugkeerde en ook, dat de jacht zeer
weinig had opgeleverd. Van wild was tenminste niets te bespeuren. Zou
het daardoor komen, dat heer Diederik zoo donker keek? Of zou er
iets anders zijn voorgevallen, dat den toorn van den machtigen ridder
had opgewekt?

"Daar zat onweer aan de lucht," bromde de oude Alwaert een uurtje
later, terwijl hij op het voorplein in het zand zat, bezig, een helm
te poetsen, waar Alewijn, Hark en eenige anderen aandachtig naar
zaten te kijken.

"Onweer?" vroeg Hark, "mij dunkt, daar ziet de lucht in het geheel
niet naar uit. Het weer is immers frisch."

"Zoo bedoel ik het niet. Ik meen geen onweer in de natuur, maar in
het hoofd van onzen heer. Wat ging hij aan. Ik ben blij, dat ik
vandaag niet in zijn nabijheid behoef te komen. Wat een gezicht,
hè? Om bang voor te worden."

"Wat zou hem toch schelen? Zou het zijn, omdat hij geen wild
meegebracht heeft?"

"Kom, de jacht heeft niet eens plaats gehad, maar wat er
voorgevallen is, weet ik niet. Wacht, daar heb je Gerebrandt. Die
is mee geweest. Hij kan ons wel vertellen, hoe de vork in den steel
zat. Vooruit, Alewijn, roep jij hem eens hier."

Toen Alewijn met zijn boodschap bij Gerebrandt kwam, die bezig was
een net te maken, antwoordde deze: "Wat, kan die oude de moeite niet
nemen, bij mij te komen? Ik heb geen tijd, zeg hem dat maar."

Doch, voordat Alewijn weer weg was, bedacht Gerebrandt, een echte
babbelaar, die heel graag nieuwtjes mocht vertellen, zich nog en sprak:
"Weet je wat, dat net kan ik morgen ook wel afmaken, breng het even
naar mijn huis, dan ga ik mee." Alewijn was zeer gewillig en dacht er
niet aan, te weigeren; hij bracht dus het net weg, waarop Gerebrandt
hem vergezelde naar den kring, die om den ouden Alwaert geschaard
zat en waar men hem al met ongeduld wachtte.

De oude Alwaert hield zich nog altijd met den helm bezig; 't was
een reusachtig voorwerp, van binnen gevoerd, en met een omgekeerden
vogelpoot er boven op.

"Wat een ding, he?" zei Hark.

"Ja jongen, daar is heel wat aan te poetsen; ik wou, dat heer Diederik
naar een betere bewaarplaats voor zijn wapenen uitzag. Ze liggen
nu zoo vochtig, dat je voortdurend werk hebt, om den roest er af
te wrijven. Kijk me dien helm eens aan; zou je wel willen gelooven,
dat hij voor zes dagen nog glom als een spiegel?"

"'t Is zeker een heele zwaarte?" vroeg Alewijn.

"Wil je het eens voelen?" De oude keek rond, of hij gezien werd,
en wenkte toen Alewijn om naderbij te treden, waarop hij den jongen
het kolossale hoofddeksel opzette.

Wat een gewicht. Het hoofd werd dan ook geheel door het ijzer omsloten;
alleen aan den voorkant zaten er drie gleuven in: twee om door te
kijken en een ter hoogte van den mond.

"Vertel eens," vroeg een der mannen, die zeer nieuwsgierig was en op
heete kolen zat, "wat is er toch gebeurd vandaag?"

Gerebrandt hield zich, of hij de bedoeling van den vrager niet begreep
en zei dus: "Gebeurd, gebeurd? Ik weet van niets. Waar heb je het
nu over?"

"Kom, je zou van niets weten. Maak dat een ander wijs. Je bent immers
mee op de jacht geweest."

"Ja zeker, maar wat zou dat?"

"Nu, dan kun je ook wel vertellen, hoe het komt, dat heer Diederik,
die anders nooit zonder wild terugkeert, nu met leege handen is
thuis gekomen."

"En waarom hij zoo kwaad was."

Gerebrandt poogde nog een onnoozel gezicht te zetten, maar het ging
hem moeilijk af, waar nog bij kwam, dat hij brandde van ongeduld om
het nieuwtje te vertellen.

"Ja, jongens, dat is een heele geschiedenis."

Allen kwamen een beetje naderbij en luisterden aandachtig.

"Je weet dan, dat onze heer met ridder Hildegrin en jonker Herico en
nog eenige heeren een groote jachtpartij zouden houden."

"Jonker Herico, jonker Herico?" vroeg Alwaert.

"Wat, ken je hem niet; hij woont aan den overkant van de rivier,
waar zijn vader een sterk kasteel bezit."

"Hoe komt hij hier dan?"

"Bij ridder Hadrubant, die een oom van hem is, schijnt hij eenige
weken te vertoeven."

"Maar jongens, wat komt er dat nu op aan? Laat hij liever verder
vertellen."

"Hoor dan; ik geloof, dat onze heer en die jonker elkaar niet best
kunnen uitstaan. Of ze misschien vroeger al eens twist gehad hebben,
weet ik niet, maar Roger de valkenier zegt, dat er reeds heel lang wat
tusschen hen bestaat. Nu stonden die heeren in een kring aan den rand
van het bosch; en wij zaten op een afstand in het gras het oogenblik af
te wachten, dat de jacht beginnen zou. Ik keek zoo in gedachten naar
de lui, en vergeleek hun helmen eens; 't is aardig te zien, wat een
verschillen je zoo hebt. De een draagt, zooals onze heer, een vogelpoot
op den helm, de ander een kruis, een derde een heelen vogel...."

"Nu ja, dat weten we wel."

"Waarover ze praatten, kon ik natuurlijk niet verstaan, maar ze schenen
het over paarden te hebben; 't was net, of elk pochte op de uitstekende
hoedanigheid van zijn eigen beest. Tot nu toe ging alles goed, maar
al gauw kwam er een heftige woordenwisseling tusschen onzen heer en
dien jonker. 't Was bepaald over het paard van den laatste, want opeens
nam de jonker het dier bij den teugel en hield het heer Diederik voor,
als noodigde hij hem uit, het te bestijgen. Deze deed het, en poogde er
op rond te rijden. Nu weet je, heer Diederik is een uitstekend ruiter;
een paard mag lastig en wild zijn, hij zit er met evenveel gemak op,
als op een stoel. Wat nu het beest van Jonker Herico mankeerde, weet ik
niet; het draaide maar rond, het steigerde en wilde naar geen sturen
luisteren. Goed. Heer Diederik geeft het natuurlijk niet gauw op,
maar je kon het hem aanzien, dat hij kwaad werd; hij beet zich op
de lippen, hij trok het paard aan de teugels en martelde het met de
sporen; het gaf niets. En plotseling, vóórdat iemand er op bedacht
was, deed het beest een geweldigen sprong, ging op de achterpooten
staan en schoot als een pijl uit den boog weg. Heer Diederik scheen
zoo iets in het geheel niet te verwachten, want daar gebeurde, wat
nog nooit iemand van hem gezien had; hij verloor het evenwicht en lag
in het zand. Wij hielden ons natuurlijk doodstil, en ook de ridders
schenen zeer ontsteld. Heer Diederik poogde zich goed te houden, maar
hij werd rood van kwaadheid; misschien was het ook wel van schaamte,
dat weet ik zoo niet. Alleen jonker Herico, die nog zeer jong is en
veel van een grapje houdt, beschouwde de zaak van den vroolijken kant,
en stond hartelijk te lachen. Dat was olie in het vuur. Heer Diederik
werd nog gloeiender en we dachten niet anders, of hij zou zich op den
jonker werpen; de andere ridders verwachtten dat ook; één van hen,
heer Rodger plaatste zich tusschenbeiden, terwijl de jonker, die
waarlijk voor geen kleintje vervaard is, de hand aan zijn zwaard sloeg.

"Of onze heer bang was, dat hij weer een gek figuur zou maken, weet ik
niet, maar wel weet ik, dat hij zich nog bijtijds bedacht. Zijn toorn
was intusschen niet bekoeld, want op norschen toon beval hij ons,
hem te volgen. Toen zette hij zich in het zadel en reed, knorrig en
zwijgende, weg. Zoo komt het nu, dat wij zonder wild terugkeerden."

"Zouden de anderen nog aan de jacht begonnen zijn?"

"Ik weet het waarlijk niet, maar je kunt er op aan, dat de zaak niet
uit is."

"Reken daar maar op. Dat muisje heeft een staartje."

"En een lang ook. Heer Diederik houdt veel van vechten. Hij zou om
veel minder gewichtige reden naar het zwaard grijpen."

"Dus je denkt, dat heer Diederik van plan is, ten strijde te trekken?"

"Dat weet ik zeker; hij zal niet rusten, vóór hij jonker Herico in
zijn handen heeft. Maar het zal niet meevallen, want deze moet op
een sterk kasteel wonen."

"Heer Diederik alleen zal hem niet overwinnen," meende de oude Alwaert.

"Geen denken aan, maar je weet, er zijn ridders genoeg in den omtrek,
die dolgraag een oorlog meemaken en onzen heer met genoegen de
behulpzame hand bieden. Ik denk niet, dat jonker Herico het tegen
zoo'n groote macht uithoudt."

"Hij zal zich ook wel van bondgenooten voorzien."

"Dat moet je niet zeggen; men schijnt over het algemeen niet veel met
zijn familie op te hebben, en onzen heer zien ze nog al naar de oogen."

"Ik moet eerlijk bekennen, dat ik de zaak niet heel prettig vind."

"Verbeeld jij je soms, dat onze heer je meeneemt?"

"Volstrekt niet, maar het zal toch een heele drukte geven; de blijden
moeten in orde gebracht worden, misschien laat heer Diederik wel een
stormkat bouwen en zoo'n ding komt niet van zelf klaar, daar moeten
we allen aan meehelpen."

"Nu, ik vind het wel aardig; dan beleef je nog eens wat," zei Hark,
terwijl hij een zwaren goedendag in het rond zwaaide.

"'t Is me de aardigheid wel: de kans om met gebroken armen en beenen
van de reis terug te komen en dan nog blij te moeten wezen, als je
het leven er afbrengt."

"Komaan, ik denk, dat we er spoedig wel meer van zullen hooren."



VIERDE HOOFDSTUK.

DE BELEGERING.


Het kwam precies uit, zooals Gerebrandt voorspeld had. Langzamerhand
verspreidde zich het praatje onder de lijfeigenen, dat heer Diederik
van plan was, de familie van jonker Herico den oorlog aan te doen. Dat
het gerucht waarheid moest bevatten, bleek al spoedig, want Folcrijt
de boogschutter, zoowel als Hoige, wisten te vertellen, dat ze met
den meier een bezoek hadden moeten brengen aan eenige edelen uit den
omtrek, om hun hulp in te roepen. De smid kreeg het ontzaglijk druk,
daar hij punten aan pijlen moest maken; de timmerlui hadden in last,
blijden en andere oorlogswerktuigen na te zien, weer anderen moesten
benoodigdheden voor tenten gereed maken; er heerschte de volgende
weken een groote bedrijvigheid. Ook Alewijn zou mee moeten doen,
want op een keer riep de oude Alwaert hem bij zich: "Kom eens hier,
mijn jongen; onze heer wil weten, of er een goede boogschutter in je
steekt. Kun je schieten?"

Alewijn antwoordde, dat hij het veel had gedaan, en dat was waar:
menige vogel was door hem geraakt.

"Kom aan, toon je kunsten dan maar. Schiet eens op.... op...., wacht,
ik zal het je in het begin niet al te moeilijk maken, op dien boom
daar."

Hark en eenige anderen stonden aandachtig te kijken, toen Alewijn
een pijl op den boog legde, even mikte en schoot.

"Dat valt me mee," zei de oude Alwaert, en ook de anderen gaven
hun goedkeuring te kennen, want Alewijn had den boom precies in het
midden geraakt. Intusschen bleek uit een enkel schot nog volstrekt
niet, of hij een goed schutter was: het kon immers best geluk zijn;
daarom wees de oude Alwaert een paal aan, die wat verder verwijderd
was dan de boom, maar zonder eenige moeite raakte Alewijn dien ook.

"O, ik zie het al, je hebt het meer gedaan. Nu jij, Hark."

Hark meende, dat hij een heele baas in het schieten was; hij
zette tenminste een verwaand gezicht, en toen de oude Alwaert hem
uitnoodigde, naar den boom te schieten, zeide hij: "We zullen maar
dadelijk ook dien paal nemen."

"Ja baas, maar het is lastig, als je het niet meer gedaan hebt."

"'t Is me ook wat," zei Hark en schoot een pijl af, maar door een
ongelukkige beweging vloog die een geheel verkeerden koers uit en
het had maar weinig gescheeld, of het gevederde ding was een der
omstanders in het been gevlogen.

"Kijk dan toch, waar je schiet," riep deze nijdig en Alwaert nam Hark
den boog af, zeggende: "Neen kereltje, laat maar; je zou ons eigen
volk de oogen uitschieten. Maar jij wordt een boogschutter, Alewijn,
dat verzeker ik je. Zulke lui kan onze heer gebruiken."

Alewijn was natuurlijk niet weinig trotsch op deze lofuiting. Hark,
die niet zuinig uitgelachen werd, was intusschen jaloersch en keek
zijn makker van terzijde nijdig aan.

De volgende dagen gingen onder groote drukte voorbij. Hoe ieder zich
ook inspande, den edelman ging het niet gauw genoeg. Gedurig kwam
hij persoonlijk onder het werkvolk en de krijgslieden en spoorde
hij hen tot grooten ijver aan. Eindelijk was alles gereed; en op
een mooien morgen trok een groote bende op weg. De stoet leverde
een schilderachtig gezicht op: ridders op vurige paarden, gekleed
in maliënkolder en met de lans gewapend, boogschutters, den boog
in de hand en een koker met pijlen op den rug, slingeraars met hun
stokslingers, krijgslieden met speren, anderen met kolven, daartusschen
wagens met levensvoorraad, met hout, met stukken van blijden en ander
wapentuig. Het was een heele trein, die nog grooter werd, toen zich
een bondgenoot met zijn gevolg bij heer Diederik voegde. Daar er tal
van voetknechten waren, moesten de ruiters wel stapvoets rijden en
konden ze niet zooveel spoed maken. Het zou dan ook wel eenige dagen
duren, voor men de plaats der bestemming bereikte.

Als de avond daalde, sloeg men tenten in het veld op; de paarden werden
aan boomen of aan pinnen vastgebonden en de vermoeide strijders legden
zich te slapen. Vooral de overtocht over den Rijn kostte niet weinig
moeite, maar toch werd hij gelukkig volbracht en na een reis van zes
dagen had men het kasteel, waar jonker Herico woonde, bereikt. Zooals
altijd, liet de ridder eerst den burcht opeischen, maar hij kreeg
een weigerend antwoord, wat ook wel te verwachten was geweest, daar
het kasteel sterke muren bezat, ruimschoots van levensmiddelen en
krijgsvoorraad was voorzien en de talrijke bezetting vol moed besloten
was, hun heer en zijn gezin tot het uiterste bij te staan.

Het veiligste en gemakkelijkste zou zijn, de bewoners van het kasteel
door den honger tot overgave te dwingen, maar de krijgshaftige edelman
was van dit middel niet gediend. Toch zag hij heel goed in, dat aan
een bestorming in de eerste dagen niet te denken viel: van achter de
hechte muren zouden de aanvallers op zulk een wijze begroet worden,
dat ze stellig met groot verlies moesten afdeinzen. Daarom besloot
heer Diederik, mede op raad van zijn bondgenooten, den strijdlust
wat te bedwingen en alle middelen aan te wenden, om de muren van den
burcht te vernielen of te beschadigen.

Weldra was het kasteel aan alle zijden ingesloten; overal in het veld
werden tenten opgeslagen; hier en daar stonden wagens; de paarden
liet men op de weiden grazen, en dichter bij het kasteel maakten de
belegeraars borstweringen en richtten ze blijden en springalen op,
om daarmede hun vijanden te bestoken.

Het was voor de eerste maal, dat Alewijn zulk een belegering
bijwoonde; hij vergat alles, wat er den laatsten tijd met hem
gebeurd was en volgde met groote aandacht de toebereidselen, die
er gemaakt werden. Als hij dien grijzen, zwaren steenklomp aanzag,
waaruit dreigend zware torens omhoog rezen, verwonderde hij zich
zeer, hoe heer Diederik er aan kon denken, dien te vernielen of te
veroveren. Intusschen werd hem niet veel tijd tot nadenken gelaten;
ook hij moest, evenals Hark en Alwaert en anderen, ijverig meehelpen.

Daar de aanvallers zeer onverwachts waren komen opdagen, hadden
de belegerden er nog niet aan gedacht, de boschjes en schuren
in den omtrek te vernielen. Dit was zeer in het voordeel van heer
Diederik. Zijn volk vond nu volop gelegenheid, een veilige schuilplaats
te zoeken, vanwaar men het den belegerden met pijlen en steenen zou
kunnen lastig maken. Overigens was men ook op andere middelen bedacht,
om goed beschut te zijn: hier richtten eenige mannen van zand en
rijshout een borstwering op, daar kwamen anderen met een scherm op
wielen aanrijden. Ook Alewijn zat achter zulk een scherm; hij hield
een pijl op zijn boog gereed en loerde door de gleuf naar de transen
van het kasteel, of zich daar misschien een krijgsman vertoonen zou.

Intusschen kreeg hij niets in het oog; geen vijand kwam van achter de
tinnen voor den dag. Dat de bewoners van het kasteel echter wel wakker
waren, bleek uit de pijlen en steenen, waarmede ze onophoudelijk hun
aanvallers begroetten en die het hun zeer lastig maakten.

Toen Alewijn zoo een half uur vruchteloos uitgekeken had, begon
het hem te vervelen; hij legde zijn boog neer en vestigde zijn
aandacht op eenige mannen in de buurt, die zeer druk aan den arbeid
waren. Eenige oogenblikken te voren hadden ze een grooten, taaien balk
aangedragen, die door Eggerik den timmerman in de lengte bijna geheel
was gespleten; alleen aan het eene eind had hij de beide helften aan
elkaar gelaten, terwijl de smid ze daar met eenige ijzeren banden
goed had bevestigd. Die balk nu werd met het einde, dat nog niet
gespleten was, in den grond geheid.

"Ha," dacht Alewijn, "daarom was die dikke straks al bezig een kuil
te graven." 't Was een werk, dat met spoed moest gebeuren, want
men stond hier niet rustig en wel op het voorplein van het kasteel,
maar onder bereik van de vijandelijke pijlen. Geen wonder dus, dat
Eggerik, die toch al haastig was uitgevallen, en nooit veel zin had,
zijn huid te wagen, zich bijzonder gejaagd toonde.

"Vooruit dan toch, luie kwajongen," riep hij tegen Hark, die ook
meehelpen moest, maar juist bezig was op een wortel te knabbelen. "Pak
aan, of...."

Nu had Hark wel niet veel ontzag voor den timmerman, maar in deze
omstandigheden oordeelde hij het toch het verstandigste, niet te
talmen; hij nam dus den balk mee op en zette hem overeind. Niet lang
daarna stond het werptuig stevig en wel in den grond. 't Was een
springaal, een geducht middel, om er zware pijlen mee weg te schieten.

"Nu wou ik het ding ook eens probeeren," zei Eggerik. "Kwam er maar
iemand voor den dag."

"Laten we vast een pijl klaar leggen."

"Goed."

Boven aan de eene helft van den gespleten balk zat een haak en
door middel van een stevig touw, aan dien haak bevestigd, werd die
bovenhelft door Hark en Eggerik met geweld naar beneden getrokken. 't
Was een zwaar werkje, want het taaie hout bood geducht weerstand.

"Mooi zoo, nu de pijlen."

Daar had Ulfert al voor gezorgd; hij droeg een arm vol van die
scherpgepunte, gevederde dingen.

"Vooruit, Hark, jij naar boven."

Hark durfde niet te weigeren en klom den springaal in, om den pijl daar
boven op te leggen. 't Was anders geen baantje, want de belegerden
kregen hem in het oog en mikten op hem, zoodat hij wel drie, vier
keer gevaar liep, getroffen te worden. Toch bracht hij het er goed af.

"Nu goed uitgekeken!" zei Eggerik, "we moeten nooit in het wild
schieten. Zul je goed vasthouden, Hark? Als ik een teeken geef,
laat je hem glippen.... Hé, wacht, bewoog daar niet iets?"

"Ik zag niemand."

"Nu, 't is toch voorbij, helpt me eens goed opletten."

Plotseling vertoonde zich een boogschutter op den muur. Wat een
waaghals! Zag hij dan het gevaar niet, dat hem bedreigde? Nu.... Hoe
jammer, weg was hij.

"Pas op nu! Als hij weer voor den dag durft te komen, krijgt hij hem."

Allen keken in gespannen verwachting toe. Daar zag men weer iets:
Hark liet los, de eene helft van den springaal smakte tegen de andere
en met een groote snelheid schoot de gevaarlijke pijl weg. Hij trof
echter geen doel: men had te hoog aangelegd.

Daarom moest Hark weer naar boven, om den springaal wat lager te
stellen en daarna een nieuwen pijl op te leggen.

"'t Was een beetje te hoog, hé?" zei Eggerik handenwrijvend. "Toch
jammer, maar we hadden hem anders juist in de goede richting. Ziezoo,
nu zal het beter gaan. Ik verzeker je, dat de eerste de beste, die
zich durft te vertoonen, op een vreemde manier begroet wordt."

Men wachtte dus weer; maar plotseling stoof het groepje uit elkander:
een zware steen kwam met groote vaart aanvliegen, recht op den
springaal aan. Eggerik was bij Alewijn achter het schietscherm
gekropen en keek nu angstig toe. Wat zou het hem spijten, als dat mooie
werptuig, waar hij zooveel moeite aan had gehad, ineens werd vernield.

Pof! Plotseling begon Ulfert vreeselijk te schreeuwen: hij had
zich niet haastig genoeg uit de voeten gemaakt en nu was de steen
juist tegen hem aangekomen en had hem met verbrijzelden arm doen
nederstorten.

"O," zei de timmerman, "'t is Ulfert maar." De man vond blijkbaar het
leven van zijn makker niet zooveel waard als een springaal. Ulfert
dacht er evenwel anders over; hij lag te schreeuwen van pijn,
zoodat men het wijd in het rond kon hooren; eenige mannen op het
kasteel kwamen ook eens over de tinnen kijken, wat er gaande was,
en als Alewijns gedachten niet bij den armen Ulfert waren geweest,
zou hij misschien wel een vijand hebben kunnen raken.

"Schreeuw toch zoo niet, kerel!" bromde Eggerik, "je lijkt wel een
varken, dat gekeeld wordt." Maar de arme Ulfert leed ondragelijke
pijnen; ten laatste kwamen er een paar mannen aanloopen, die hem
opnamen en naar de plaats brachten, waar eenige vrouwen zich bezig
hielden met het verplegen der gewonden.



VIJFDE HOOFDSTUK.

DE KAT.


Van alle kanten werd het kasteel bestookt: hier met springalen,
daar met blijden, elders schoot men zware pijlen af met een arbaleet,
overal zaten boogschutters achter boschjes en schietschermen, maar de
belegerden gaven alles met woeker terug. Zoo vorderde heer Diederik
nog niet veel en reeds dacht hij er over, een algemeenen stormaanval
te bevelen. Zijn vrienden echter rieden hem dit af en gaven hem in
overweging, eerst een veiliger en tegelijk zekerder middel aan te
wenden: de kat.

Alewijn zat op een morgen weer achter zijn schietscherm en mikte op de
vijanden, toen Eggerik hem kwam opzoeken en zei: "Alewijn, leg je boog
neer en ga mee. Je hebt sterke armen; we kunnen jou juist gebruiken."

Alewijn deed, wat hem bevolen was en volgde Eggerik, terwijl hij
telkens achter schietschermen en aardhoopen en struiken wegschool en
dan weer op zij sprong, als er van die verraderlijke pijlen kwamen
aanvliegen.

"Komaan, hier zijn we er."

"Ha, is Alewijn daar? Dat is goed! Pak aan, jongen! Help eens mee
dat ding voortduwen."

't Was een heel gevaarte: precies een schuur. Aan de voorzijde hadden
eenige mannen druk werk; beschut door een afdak, legde men daar een
houten vloer. De benoodigde planken werden door anderen onophoudelijk
aangedragen. Zoodra de vloer klaar was, duwde en trok men uit alle
macht en de kat, die op rollen stond, bewoog zich weer een eind
vooruit, in de richting van het kasteel.

De aangevallenen spaarden hun steenen echter niet, en toen er een
geweldig blok kwam neerploffen, dat met vreeselijk gekraak niet alleen
een deel der kat verbrijzelde, maar tevens een paar mannen doodelijk
gewond deed neerstorten, begon de ridder, die het toezicht had,
ongerust te worden.

"Laat meer boogschutters aanrukken," riep hij driftig.

Eenige oogenblikken later kwamen van verschillende zijden
schietschermen aanrollen. De boogschutters, die er achter verscholen
zaten, schoten zóó herhaaldelijk en met zóó vaste hand hun pijlen af,
dat de belegerden het op die plaats benauwd kregen en de kat wel wat
meer met rust moesten laten.

Thans werd met verdubbelden ijver het werk voortgezet. De ridder
spoorde zijn volk voortdurend aan, nu eens met goedkeuringen, dan weer
met schelden en dreigen. 't Was een zware arbeid en ook de sterksten
moesten al hun krachten inspannen.

"Een, twee, drie!" Plotseling schoot de kat een flink eind vooruit;
daarna bleef zij nog een korten afstand doorrollen, om plotseling
weer stil te staan. Nu ondervond men opnieuw grooten tegenstand:
allen werkten krachtig mee. "Een, twee, drie!"

Zoo arbeidde men voort: Nu eens gelijkmatig verder glijdend, dan weer
met horten en stooten, bewoog zich het gevaarte naar den muur van het
kasteel. Zonder ophouden namen de werklui van achter de kat de planken
weg, om van voren opnieuw een vloer te leggen. Toen de avond viel,
was men slechts vijf meter meer van de gracht verwijderd. Allen, die
meegeholpen hadden, schenen even vermoeid; toch had elk er schik in,
dat het werk zoo goed gevorderd was.

"Morgen vroeg verder," riepen ze elkaar toe; daarna ging men
slapen. Doch, hoezeer ieder naar rust verlangde, men verzuimde niet,
de waakzaamheid te betrachten. En dit was gelukkig ook, want de
belegerden, die tot nu toe vruchteloos hadden beproefd, de gevaarlijke
kat te vernielen, hoopten, begunstigd door de nachtelijke duisternis,
te bereiken, wat hun overdag niet wilde gelukken.

De werklui waren onder het dak van de kat gaan slapen; ook Alewijn
had zich daar op een bos stroo neergelegd. Ieder sliep rustig, toen
plotseling een hevig gekraak de strijders deed opschrikken: een
geweldig blok was op het dak van de kat terechtgekomen. Een poosje
later smeten de belegerden weer een zwaren steenbrok naar omlaag en
de aanvallers moesten erkennen, dat hun vijanden goed wisten te mikken.

Alewijn keek naar boven: hij verbeeldde zich, op den muur gedaanten
te zien, maar het was te donker om alles goed te onderscheiden. Toch
grepen de boogschutters naar de wapenen en schoten hun pijlen af. 't
Was wel op goed geluk af gemikt, maar ze schenen doel te treffen. De
belegerden, die zeker begrepen, dat hun vijanden waakzaam en bijdehand
waren, lieten hen verder wijselijk met rust en zochten ook zelf in
den slaap nieuwe krachten te verzamelen voor den volgenden dag. Het
schieten werd gestaakt, en overal op den muur keerde de rust terug.

Dadelijk gingen de belegeraars aan den arbeid, om de kat, die aan één
zijde duchtig beschadigd was, te herstellen. Toen de morgen aanbrak,
stonden de krijgslieden van hun legerstede op en men hervatte het
werk van den vorigen dag. Weldra kwamen de belegeraars dicht bij de
gracht, maar hoe meer zij hun doel naderden, des te meer deden de
bewoners van het kasteel hun best, om het gevaar, dat hen dreigde,
af te wenden. Met grooten spoed droegen ze steenen en brandstoffen
aan en smeten die naar omlaag. De lieden, die aan de kat werkten,
hadden een gevaarlijk baantje; menig onvoorzichtige moest zijn
vermetelheid duur betalen. Onverpoosd werkte men voort; wie al te
vermoeid was, werd afgelost. Zoo vorderde de arbeid flink en weldra
was de kat, ondanks den heftigen tegenstand van den vijand, de gracht
genaderd. Maar nu kwam het moeilijkste eerst aan: hoe de kat tegen
den muur te krijgen? Er zat niets anders op dan de gracht te dempen.

Terwijl de boogschutters achter de schietschermen tientallen pijlen op
den vijand afschoten, terwijl twee arbaleten zonder ophouden werkten
en een blijde telkens een zwaren steen omhoog wierp, kwamen de werklui
met zakken zand, met steenen en takkenbossen aandragen, ten einde,
beschut door het stevige dak van de kat, daarmee een fermen dam in
de gracht te maken.

Woedend zagen de belegerden het aan, hoe hun vijanden vorderden;
ze stelden alle pogingen in het werk, om het verraderlijk
ding te vernielen en den werklui allen arbeid onmogelijk te
maken. Vergeefs! Ieder, die zich op den muur vertoonde, verkeerde in
doodsgevaar; pijlen deerden het stevige gevaarte niemendal; vuur, ja,
tegen vuur zou het houten ding niet bestand zijn. En ijverig togen de
belegerden aan het werk; haastig wierpen ze brandende takkenbossen en
pekkransen naar omlaag. Rookend en naar alle zijden vonken spattend,
kwam een regen van vuur nederdalen, maar ook hierop was men bedacht
geweest.

In plaats van de houten kat in brand te steken, zooals de belegerden
hadden verwacht, doofde het vuur dadelijk uit, zoodra het op het
dak van het gevaarte terecht kwam. Geen wonder: de kat was met natte
koeienhuiden gedekt.

Intusschen moesten de belegeraars toch voortdurend op hun hoede
blijven.

Een der boogschutters, die dicht bij de kat achter een scherm zat,
had al zijn schichten verschoten, en riep Hark toe: "Zeg jongen, raap
mij even een paar pijlen op." Maar Hark vond het aangenamer, veilig
onder de kat te zitten, dan zich in gevaar te begeven, en antwoordde:
"Doe het zelf maar."

"Jij bent er dichter bij."

"Dat zal wel, maar ik heb geen zin, mijn huid te wagen."

"Kom, durf jij dat nog niet?" zei een ander, die ook aan de kat
meehielp.

"Jij zeker wel?"

"Waarom niet?"

"Wie zoo dwaas wil zijn, moet het zelf weten, ik bedank er voor."

"Je zult toch wel wijzer wezen," waarschuwde Alewijn. "Laat die kerel
het zelf doen."

"Nu, zooveel bijzonders is het niet; ik zal je laten zien, dat ik
het wel durf."

Hierop begaf de man zich buiten de kat en raapte ijlings eenige pijlen
op; juist wilde hij ze den boogschutter toewerpen, toen plotseling
een klomp vuur op hem neerviel en zijn kleeren, die van een grove
wollen stof vervaardigd waren, oogenblikkelijk vlam deed vatten.

"Daar heb je 't al," zei Hark, toen hij het ongeluk zag.

De man stond een oogenblik als verbijsterd; hij wist blijkbaar niet,
wat te doen.

"In de gracht! Spring in de gracht!" riepen zijn makkers, die bang
waren, dat hij de kat zou binnenloopen en daar nog grooter onheil
stichten.

Gelukkig had de man zooveel tegenwoordigheid van geest, dat hij
dien goeden raad kon opvolgen; zonder aarzelen sprong hij het water
in. Dadelijk doofden zijn brandende kleeren uit. Maar de belegerden
hadden hem al opgemerkt: onder luid geschreeuw wierpen ze steenen
naar omlaag; van alle kanten plaste en plofte het en de man mocht
van geluk spreken, dat hij er nog heelhuids afkwam.

Dit voorval had een korten tijd aller aandacht afgeleid, maar nu werd
het werk weer met frisschen moed opgevat. Voor en na kwamen mannen
en knapen met zakken zand en takkenbossen aandragen.

"Wacht, reik mij dien zak nog even aan," zei Eggerik tot Alewijn,
die achter hem stond.

"Hier heb je er nog een!" riep Hark.

"Neen, houd dien zoolang bij je. Nu moet ik nog een takkenbos
hebben. Mooi. Ziezoo, nu kunnen we weer beginnen met er planken op
te leggen. Wat zeg jij, Gerebrandt?"

"Welzeker."

"Als het van voren maar niet inzakt," merkte een ander op.

"Vooruit Hark, probeer jij den dam even."

"Dank je wel," zei Hark.

"Wat brom je daar?"

"Dat ik er geen zin in heb."

"Wat je zegt! Wil je nu wel eens een, twee, drie, doen, wat ik je
gebied? Anders...."

Hark keek even naar de geduchte knuisten van den timmerman, daarop
naar diens gezicht en, wijl hij begreep, dat de man in staat zou
zijn, hem midden in de gracht te werpen, voldeed hij, hoezeer ook
met grooten tegenzin, aan het bevel.

Al stak er een afdak van de kat naar voren, dat gaf Hark niet veel:
hij moest zich nog verder wagen en daarin had hij, blijkens zijn
tegenstribbelen, heel weinig trek.

"Vooruit maar, kereltje, je zult niet smelten," riep de timmerman,
die er schik in had, dat Hark zoo bang was. "Ziezoo, dans nu maar even,
dan kan Gerebrandt zien, of de dam wel stevig genoeg is."

"Als hij het mij wou laten doen, bedankte ik er toch voor," dacht
Alewijn. Nu, Hark was ook niet van plan, te dansen, maar plotseling
schoot er een pijl naar omlaag en raakte hem precies in de hand.

"Au, au!" riep Hark en sprong in het rond van de pijn. Op het gezicht
hiervan begonnen allen hartelijk te lachen en de timmerman zei:
"Mooi zoo, mijn jongen, dat mag je nog eens weer doen; kom nu maar
hier, dan zal ik je even van dat lastige ding bevrijden." Hark was
wat blij, dat hij die gevaarlijke plaats mocht verlaten. Intusschen
deed de wonde geducht zeer; geen wonder ook: de pijl was hem dwars
door de hand gedrongen.

Natuurlijk kon die daar niet blijven zitten; hij moest er uitgetrokken
worden.

"Neen, neen," riep Hark verschrikt, "het doet mij al pijn genoeg."

"Wou je er dan zoo mee rond blijven loopen? Dat zou een aardige
vertooning zijn. Nu, wat ben je van plan? Mag ik er niets aan doen? 't
Is mij goed."

Hoewel aarzelend, kwam Hark toch naar den timmerman toe en stak zijn
hand uit.

"Er zit niets anders op, dan den pijl midden door te breken. Pas
op. Druk je tanden maar op elkaar, dan voel je er niets van."

De timmerman had mooi praten: Hark schreeuwde het uit, maar de
onbarmhartige Eggerik sprak: "Stel je niet zoo kinderachtig aan,
we zijn immers al klaar; je zult er heusch niet aan sterven. Ga nu
maar gauw heen en laat je verbinden. Komt, jongens, nu wij weer aan
het werk."

Toen de avond daalde, had men de gracht halverwege gedempt. Nog werd
er niet bevolen, op te houden. De ridder, die het toezicht had, liet
in de kat een paar fakkels ontsteken, en bij het flikkerende licht
arbeidde men voort. Niemand toonde zich ontevreden, omdat hij niet
kon rusten: allen verlangden, het vernielende werktuig aan den gang
te zien. Reeds werd de zware balk, dien men aan het dikke einde met
ijzer beslagen had, klaar gelegd.

Den volgenden middag eindelijk was men gereed: de kat lag pal tegen
den muur. Eerst nu werd den werklui eenigen tijd rust gegund, maar
slechts kort, want al spoedig zou de eigenlijke arbeid beginnen. De
balk moest in de kat opgehangen worden. 't Was een heele zwaarte;
zes sterke kerels hadden er dan ook moeite genoeg mee.

Daar kwamen ze er mee aandragen. "Op zij, op zij," riep de timmerman,
die graag het hoogste woord mocht voeren, "Alewijn, geef jij dat touw
eens hier."

Alewijn keek om en zag een dik touw op den grond liggen. Hij nam het
dadelijk op en bracht het den timmerman, die het om den balk bond;
hetzelfde gebeurde op een andere plaats; vervolgens werd het zware
ding langzaam naar boven geheschen, en daar bevestigde men de touwen
aan het dak van de schuur.

"Ziezoo, nu allen uit den weg, die er niets mee te maken hebben." Men
zou het werktuig probeeren.

Alewijn en nog twee anderen trokken den balk door middel van een
stevig touw naar achteren en wachtten, tot het teeken werd gegeven
om los te laten.

"Eén, twee, drie!"

Met een vreeselijken slag kwam de zware balk tegen den dikken muur. Het
ding werkte uitstekend; de timmerman wreef zich vergenoegd de handen
en vol ijver hielp hij mee, om den balk weer achteruit te trekken.

Weldra zag ieder duidelijk in, dat men lang zou moeten beuken,
vóór de muur bezweek, want deze was blijkbaar buitengewoon dik en
sterk. Intusschen gaven de belegeraars zoo gauw den moed niet op;
den geheelen dag hield het beuken aan, en, al bleef de muur de eerste
dagen nog even onwrikbaar staan, zoo hoopten ze toch, dat hij in het
laatst voor de geduchte kracht van den stormram wel bezwijken zou.

De bewoners van het kasteel schenen zich zeer ongerust te maken over
de uitwerking, die de kat kon hebben, want ze deden alles, wat ze
konden om haar te vernielen. Nog geen enkelen keer was er zulk een
vreeselijke regen van pijlen en steenen neergevallen.

"Laat ze maar," zei een der mannen tot Alewijn, toen er weer twee
steenen op het dak bonsden; "we zitten hier veilig en wel."

"Maar als er een zwaar blok op de kat neerkwam, zou onze veiligheid
niet lang duren."

"Wees daar maar niet bang voor."

"Waarom niet?"

"Zware steenen kunnen ze niet op de kat laten vallen."

"Dat begrijp ik niet."

"Ik wel. Om zoo'n zwaar blok buiten den muur naar beneden te smijten,
zouden de lui zich op den muur moeten vertoonen, maar daar passen
ze wel voor op. Onze boogschutters schijnen goed te mikken: ieder,
dien ze in het oog krijgen, is verloren."



ZESDE HOOFDSTUK.

EEN GEVANGENE.


't Was avond. Alewijn, Hark en eenige anderen zaten achter een zandhoop
veilig en wel een praatje te houden.

"Hier Hark," zei Gerebrandt, "snijd daar maar een stuk voor je af." Dit
zeggende, reikte hij zijn makker een homp spek toe. Hark greep het
aan en poogde met de linkerhand zijn deel er af te snijden.

"Hoe is het," vroeg Gerebrandt, "ben je linksch geworden?"

"'t Lijkt wel zoo, hè? Ik heb een pijl door mijn rechterhand gekregen."

"Laat eens kijken."

"Ja, Hark, hoe gaat het er mee?"

"Och," zei Hark, zijn hand uitstekende, waarop een groot litteeken
te zien was, "het gaat nog al. Ik had er in het eerst veel pijn aan,
maar nu wordt het wat beter."

"Geef mij het spek ook eens," riep een ander.

"Pak maar aan, maar zuinig wezen, begrepen? Jij bent nog al gulzig
uitgevallen."

"Hoe gaat het met Alwaert?"

"Ik denk niet, dat hij er van op zal komen. Hij kreeg een steen precies
op zijn hoofd; een gat, dat je er wel een vuist in kunt steken; en daar
komt nog bij, dat het leer van zijn kap in de wonde is gedrongen. Hij
moet nog altijd buiten kennis zijn."

"Waar ligt hij?"

"Ginds in de tent bij dien eikeboom. Je weet, dat heer Diederik hem
nogal graag lijden mag. Hij heeft bevolen, dat men Alwaert goed moet
verzorgen, en dat hij wijn moet hebben."

"Komaan, daar zou je haast gewond voor willen zijn. Ik heb nog maar
eens van mijn leven wijn geproefd."

"Dien had je dan zeker gestolen. Ik zou tenminste niet weten, hoe
jij aan wijn moest komen."

"Dat gaat jou ook niemendal aan."

"Nu, maar ik ben duizendmaal liever gezond, dan met een gat in het
hoofd te liggen, al zou ik er ook tien flesschen wijn voor krijgen. Ik
zeg je, dat Alwaert dood gaat, dat staat vast. Heer Diederik mag dan
zoo goed voor hem wezen, als hij wil."

"Ik sta verbaasd over zijn gulheid. Heer Diederik is anders zoo
zachtaardig niet."

"Och, hij heeft meer van die grillen."

"Hoor eens, daar zal wel een reden voor bestaan. Misschien...."

"Nu, ik ben liever kwade vrienden met heer Diederik, dan met zoo'n
vreeselijke wonde te liggen."

"Dat zeg ik met je. Zoo iets loop je nu met die leeren kappen op;
die dingen beschermen je niemendal; je kunt evengoed een wollen
muts op je hoofd zetten. Neen, jongen, dan helpt zoo'n ijzeren helm
beter. Kijk eens!"

"Ja, dat moest ik je nog eens vragen. Hoe kom je daar toch aan?"

"Dat zal ik je zeggen. Rembrandt de smid moest voor onzen heer een
nieuwen helm smeden. Hij ging aan het werk en was er al een heel eind
mee klaar, toen de heer er naar kwam kijken en zei, dat het ding hem
heelemaal niet naar den zin was. Hij wilde een prachtigen grooten helm
met een omgekeerden vogelklauw er op hebben. Zoo bleef Rembrandt met
een half afgewerkten helm zitten. Juist kwam ik bij hem, en toen liet
hij mij het ding zien. "Wel," zei ik, "dat zou net iets voor mij zijn."

"Wat geef je er voor?" vroeg hij.

"Nu," zei ik, "ik wil eerst weten, of hij past."

"Zet hem dan even op."

"Ik deed dat, en--het leek wel, of hij apart voor mijn hoofd gemaakt
was. "Een schaap en vijf vette konijnen," zei ik toen en dadelijk
antwoordde hij: "Top."

"Ik bracht hem de beesten en hij gaf mij den helm."

"'t Zou mij te zwaar zijn, zoo'n ijzeren pot op het hoofd. Wat zeg
jij, Hark?"

"Mij ook."

"Laat jij je dan maar het hoofd inslaan; ik houd mijn huid liever
heel."

"Maar zoo'n ding zit toch hard."

"Daar heb ik al voor gezorgd," antwoordde Roger, keerde den helm om en
liet zien, hoe hij hem van binnen met een schapenhuid gevoerd had. "Je
merkt er haast niets van, dat je iets op je hoofd hebt. En ik moet je
zeggen, die helm heeft me goede diensten bewezen. Vandaag bijvoorbeeld
is er al drie keer een pijl tegen getikt; die waren voor mijn hoofd
bestemd, maar ik heb er in het geheel geen last van gehad. Zoo iets
had jou met je leeren kap eens moeten gebeuren; als je er nu nog een
ijzeren riem om had geslagen...."

"Ik heb zulk een helm," riep Gerebrandt en liet zijn kap zien.

"Juist, die zijn steviger, maar ik houd vol, niets beschermt je zoo
goed als een ijzeren kap."

"Je lijkt er heer Diederik wel mee," zei Hark spottend.

Roger de valkenier was niet weinig gestreeld over deze opmerking,
die hij voor ernst opnam en hij antwoordde: "Ik zou het niet graag
willen; hoe hooger je staat, des te eerder heeft de vijand het op je
gemunt. Komaan, jongens, het begint donker te worden; ik ga slapen;
morgen is het weer vroeg dag."

"Hè, wat flauw; nu je het brood en het spek op hebt, ga je weg."

"Kom, Roger, blijf nog een poosje."

"Jullie hebt mooi praten; morgen moet ik weer onder de kat aan het
werk. 't Begint een vervelend werk te worden. Ik wou, dat ik mijn
goedendag maar eens gebruiken mocht. Jongens, dat zou me vrij wat
beter bevallen."

"Nu, als het zoo doorgaat...."

"Wat dan?"

"Dan komen we nooit binnen het kasteel."

"Zoo denk ik er ook over," zei Roger. "Wat een muur; er is geen
verwrikken aan."

"Dat moet je niet zeggen; als je maar volhoudt, zul je het met een
kat altijd winnen. Nu, ik ga slapen."

Roger verwijderde zich om zijn leger op te zoeken en Alewijn merkte op:
"Het begint al tamelijk donker te worden. Komaan, de aardigheid is
er nu toch af; ik ga ook maar weg."

Juist was hij opgestaan, toen hij Roger zag terugkomen.

"Heb je wat vergeten?"

"St, jongen, wees eens stil," fluisterde Roger, "ik verbeeld me,
dat ik wat hoorde plassen in de gracht."

"Willen we eens meegaan?"

"Ja, ja!" Allen stonden op, begaven zich in de richting van de gracht
en luisterden.

Het kasteel stond daar voor hen, donker en stil, als een zware,
zwarte massa.

In het water zaten kikvorschen te kwaken, maar men vernam geen
ander geluid en reeds meenden de lui, dat Roger hen voor den gek had
gehouden, toen een donker lichaam voor den dag kwam en langzaam op
hen toeliep. Zij, die een wapen bij zich hadden, hielden dit gereed,
maar ze behoefden het niet te gebruiken, want de vreemde kwam niet
met vijandige bedoelingen. Gewillig liet hij zich grijpen.

"Wil ik hem met mijn goedendag niet even....?" vroeg Hark, die vooral
dapper was, als zijn tegenpartij zich niet verweren kon.

"Ben je mal, kwajongen; wat mankeert je wel? Laten we eerst hooren,
wat het voor een kerel is en of hij ook iets in zijn schild voert."

"Ik wil je heer spreken."

"Pas op, hij neemt je beet. 't Is een spion, wat ik je zeg."

"Dat hindert niet. We kunnen hem met ons allen immers goed bewaken,
en onze heer zal zich niet laten verschalken, reken daar maar op. Wat
dunkt je, willen wij hem even wegbrengen?"

"Ja, dat is goed. Wij gaan mee."

Met den gevangene in hun midden begaven allen zich naar de tent van
den heer. Deze zat met een ander ridder op zijn gemak te schaken. Zijn
helm had hij afgezet; het breede zwaard stond tegen een stoel. Een
standaardvlam verlichtte met een flikkerend schijnsel de tent.

"Wat hebben jullie daar?"

"Een gevangene."

"Zoo, brengt hem naar ridder Ernhard; die zal wel weg met hem weten,
en maakt nu, dat je weg komt."

"Ja, heer, maar hij wenschte u te spreken: hij schijnt iets te willen
vertellen."

"Zoo; hoe hebben jullie hem dan gevangen?"

Dadelijk trad Gerebrandt, die graag haantje de voorste mocht zijn,
op den heer toe en deelde hem mee, hoe alles in zijn werk was gegaan.

"Komaan," antwoordde de heer, "dan moet ik toch eens vernemen, wat
die sinjeur op zijn hart heeft; gaat maar heen."

"Willen we eens luisteren, wat hij vertelt?" vroeg Gerebrandt zacht
aan zijn makkers.

"Pas maar op, dat heer Diederik je niet ziet, want dan loopt het
ongemakkelijk met je af."

"Ik doe het tenminste niet," zei Alewijn, en ging weg, door de anderen
gevolgd. Alleen Gerebrandt kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen
en zei: "'t Kan mij niet schelen, ik wil toch eens luisteren."

"Laten we hier even wachten," merkte Hark op, "Gerebrandt zal direct
terugkomen."

"Och, hij liegt het toch; denk je heusch, dat hij iets verstaan kan?"

"Waarom niet? 't is immers in het geheel geen moeite, eventjes te
wachten."

Dit deden ze. Reeds begon hun dit te vervelen, en wilden Alewijn en
een paar anderen zich verwijderen, toen Gerebrandt terugkwam:

"Ik weet het al. Ga maar gauw mee, dan zul je het hooren. 't Is
een overlooper. Omdat hij gisteren voor een kleine vergissing zware
straf kreeg, heeft hij de plaat gepoetst, en nu verklapt hij iets,
dat geheim had moeten blijven."

"Wat is dat dan?"

"De belegerden willen een uitval doen."

"Een uitval? En wanneer?"

"Ik denk, deze week al, maar dat kon ik niet goed verstaan."

"Och jongen, laat je nu niets wijsmaken."

"Wijsmaken? Wijsmaken? Wat ik je zeg, is waar. Maar als je het niet
gelooven wilt, moet je het laten."

"Neen, neen, vertel maar verder. En wat zei heer Diederik daar
wel van?"

"Hij lachte er om en riep: "Och, och, ze meenen, dat wij 's nachts
niets anders doen dan slapen. Nu, dat zullen ze gewaar worden." En
toen voegde hij er nog bij: "Kerel, ik zal je laten vasthouden. Als
het blijkt, dat je gelogen hebt, zit er wat voor je op, maar als je
waarheid hebt gesproken, krijg je een flinke belooning."

"Wat heer Diederik verder nog sprak, kan ik niet zeggen, want ik wist
er nu genoeg van en maakte, dat ik wegkwam."



ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE UITVAL.


Het bleek, dat Gerebrandt waarheid gesproken had.

Nog dienzelfden nacht gaf heer Diederik bevel, de wachten te
verdubbelen, en Hark, die al was gaan slapen, kreeg bevel op te staan
en mee wakker te blijven. Hoezeer ook met tegenzin, gehoorzaamde hij
dadelijk, maar werd door zijn makkers, die konden blijven liggen,
hartelijk uitgelachen.

De geheele nacht ging echter voorbij, zonder dat er iets bijzonders
gebeurde en ook de twee volgende dagen bleef het rustig.

Reeds begon de verrader, die in een der tenten geboeid lag, te vreezen,
dat er van het plan niets zou komen. Herhaaldelijk vroeg een der
bewakers hem spottend, of hij wezenlijk meende, dat heer Diederik
zich zoo gemakkelijk liet beetnemen.

Ook de heer vermoedde, dat het bedrog was en gaf bevel, om, mocht ook
de twee volgende nachten de vijand geen uitval doen, den verklikker
eenvoudig op te hangen.

"Hij hoopte zeker stilletjes te ontsnappen en toen hij gepakt werd,
zich door zoo'n leugen te redden," meende Hark.

"Wel slim overlegd. Jammer voor hem, dat zijn plannetje zoo mislukt
is."

"Ik geloof het nog maar niet, dat hij gelogen heeft," zei
Gerebrandt. "Ze zullen zeker nog een paar dagen wachten, omdat nu nog
den geheelen nacht de maan schijnt. Morgen is het laatste kwartier;
dan komt de maan te middernacht op, overmorgen nog weer later en zoo
gaat het door. Ik denk, dat dit eenvoudig de oorzaak is, waardoor we
nog niets van een uitval gemerkt hebben."

Dit was heel goed van Gerebrandt gezien. In waarheid, de bewoners
van het kasteel achtten den tijd voor een uitval nog niet gekomen,
omdat het 's avonds nog niet donker genoeg was. Maar lang wilden
ze de zaak toch ook niet uitstellen. Het doel was namelijk, de kat,
die hun zooveel zorg baarde, in brand te steken.

Gerebrandts voorspelling kwam uit. Twee dagen na den avond, waarop
dit laatste gesprek gehouden was, hoorde de wacht, die het dichtst
bij de poort stond, onverwachts een gedruisch.

De poort kraakte, de ketting van de brug piepte, en dadelijk haastte
de wacht zich, om zijn krijgsmakkers te waarschuwen. Gelukkig had heer
Diederik nog steeds dezelfde voorzichtigheidsmaatregelen doen nemen;
daaraan was het te danken, dat in een oogwenk een aanzienlijk gedeelte
van het leger gereed stond om den vijand te ontvangen.

Deze had anders zijn tijd wel goed gekozen: er heerschte een volslagen
duisternis in den omtrek. Was het plan niet verraden, de uitval zou
stellig veel kans van slagen gehad hebben. Maar thans! De belegerden
hadden het eens moeten weten, wat hun dreigde. Ze zouden zich stellig
nog wel bedenken.

Want daar buiten stond een heele bende gereed. Ridders te paard, met
den helm op het hoofd en een maliënkolder aan, verbeidden ongeduldig
het uur van den strijd. Tal van voetknechten hadden zich om hen
verzameld. Sommigen droegen leeren, anderen ijzeren kappen. Nog
anderen, die zich den tijd niet hadden gegund, om iets mee te nemen,
liepen blootshoofds. De meesten waren in een leeren kolder gehuld,
maar er bevonden zich ook strijders in den troep, die eenvoudig een
dierenhuid hadden omgeslagen, ten einde hun lichaam toch eenigszins
tegen slagen en steken te beveiligen.

Ook Alewijn bevond zich onder de strijders. Den boog had hij maar
met rust gelaten; in een gevecht van man tegen man zou hij met een
fermen kolf meer kunnen uitrichten. Zoo'n knuppel, aan het zware
einde van scherpe punten voorzien, mocht dan ook een geducht wapen
genoemd worden, vooral wanneer het gezwaaid werd door de sterke vuist
van Alewijn.

Voor den eersten keer van zijn leven woonde de jongen een gevecht
bij. Hoewel het hem eigenlijk weinig kon schelen, of heer Diederik, dan
wel de vijand het won, begon hij toch schik in den krijg te krijgen,
zeker, omdat hij daarin gelegenheid had, zijn kracht te toonen. En
alsof het een veertje was, zoo zwaaide hij zijn kolf in het rond.

"Hei," riep Hark, die dicht bij hem stond, "houd je wat kalm
asjeblieft; het lijkt wel, of je mij voor een van de vijanden
aanziet. Of wou je tegen de lucht vechten? Dat is gemakkelijk voor je."

De omstanders begonnen te lachen, tot een der ridders, die in de
nabijheid zich bevond, fluisterend beval: "Stilte die lui daar;
let liever op, of je moet aanvallen."

Dadelijk hielden allen zich rustig. Hoe scherp men ook uitkeek,
niemand kon nog iets onderscheiden, zoo donker was het. Enkelen
merkten reeds fluisterend op, dat het wel bedriegerij zou zijn,
toen er plotseling lichten schemerden.

"Domme lui toch," bromde Gerebrandt, "nog fakkels mee te nemen!"

Ja, dit leek ook wel wat dwaas, maar de belegerden wisten natuurlijk
niet, dat er zoo goed wacht werd gehouden. Ze waren in de vaste
overtuiging, dat het geheele leger rustig sliep, vermoeid van de groote
inspanning der laatste dagen. Zoo hoopten ze, eer nog de verschrikte
wachten alarm gemaakt hadden, het kamp te overvallen, en de houten
belegeringswerktuigen in brand te steken. En voor dit doel was het
vuur meegenomen. Alles: blijden, springalen, arbaleten, tot de kat toe,
ja, dit laatste werktuig vooral, hoopten ze in vlammen te doen opgaan.

Ze hadden hun plan wel goed overlegd. Terwijl de voorste krijgers
den vijand moesten aanvallen, schrik brengende onder de slapenden,
om hen eindelijk in wanorde op de vlucht te jagen, zouden anderen met
brandende stoffen, pek en teer, de belegeringswerktuigen in vlammen
doen opgaan.

Welk een teleurstelling! Want pas bevond zich de geheele bende buiten
de poort, of daar werd ze plotseling van alle zijden aangevallen.

"Er mag niemand ontsnappen," had de edelman bevolen. En in zich zelf
lachte hij vergenoegd bij de gedachte, dat de jonker, die zich stellig
ook wel bij de bende zou bevinden, levend of dood in zijn handen moest
vallen. Ha, zulk een vangst was de moeite waard. De edelman had dan
ook ten strengste bevolen, dat men zijn best zou doen, om den jonker
te vangen.

Ten einde den uitslag van het gevecht ontwijfelbaar te maken, had de
edelman aan de eene zijde een krachtigen troep welgewapende strijders
doen plaats nemen, die den vijand in den rug moesten aanvallen.

Nog een oogenblik, en er ontstond een vreeselijk rumoer in den
donkeren nacht. Menschen en paarden woelden schreeuwend en hinnekend
dooreen. Overal sloeg men met zwaarden en knotsen er wild op in. Weldra
hoorde men aan alle zijden het akelig kermen der gekwetsten.

In plaats van hun vijanden te verrassen, waren de belegerden zelf
in een val geloopen, een val, zoo vreeselijk, dat er aan uitkomst
niet te denken viel. En toen ze, inziende, dat hun plan zoo deerlijk
mislukt was, ontsteld op de vlucht sloegen, werden ze ook van de andere
zijde aangevallen. Zoo zagen ze zich ingesloten, aan alle kanten door
een overmachtigen vijand ingesloten. Hier kon geen strijden helpen,
hier liep men onvermijdelijk zijn verderf te gemoet. Weldra was het
dan ook geen vechten meer, het was slachten; of de ongelukkigen al
jammerend om genade smeekten, daar werd niet naar geluisterd; met een
ware moordlust sloegen de belegeraars op hun zwakke tegenpartij in, die
dan ook merkbaar verminderde. Slechts enkelen werden gevangen genomen.

Bijna geen der belegerden kon nog de poort bereiken; de weinige
vluchtelingen werden op den voet gevolgd door hun juichende
vijanden. Dezen meenden reeds, op een gemakkelijke manier binnen het
kasteel te geraken, toen de zware deur hun nog juist bijtijds voor
den neus werd dichtgesmeten.

Heer Diederik was verrukt over de prachtige overwinning; tal van
vijanden lagen dood of gewond neer; alleen speet het hem, dat hij
den jonker niet had kunnen vangen. Het scheen dus, dat deze bij het
gevecht niet tegenwoordig was geweest. Dit verminderde de vreugde van
heer Diederik wel wat; zoolang hij zich niet van den jonker meester
gemaakt had, was hij niet tevreden. Intusschen zou dit doel ook wel
bereikt worden: de bezetting van het kasteel was door den ongelukkigen
uitval zeer verzwakt; ze kon het nu onmogelijk lang meer uithouden.

Toch vergiste de ridder zich, als hij meende, dat de jonker den
uitval niet had meegemaakt; deze was wel degelijk onder de strijdenden
geweest. Wat er dan met hem was voorgevallen? We zullen het spoedig
zien.

Een uur na middernacht heerschte er weer diepe rust om het kasteel. De
meeste strijders waren gaan slapen, overtuigd, dat de bezetting
vooreerst geen tweeden uitval zou wagen. Alleen hier en daar stonden
de wachten en deden moeite om zich den slaap uit de oogen te houden. De
regen had opgehouden. De maan kwam op; het werd wat lichter.



ACHTSTE HOOFDSTUK.

OP WACHT.


"'t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn," zei Gerebrandt,
"je treft het, het weer klaart op."

"Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken."

"Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen," hernam
Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende.

Alewijn rilde. "Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te
zijn," dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op
wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel
rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode
menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan.

"Nu," zei Gerebrandt, "ik wensch je veel genoegen; pas maar op,
dat je niet in slaap valt."

Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van
het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat
hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem
heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn
daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht
bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden;
dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan.

Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.

"Hoe vreemd toch," dacht Alewijn. "Een paar uur geleden was die daar
nog gezond en wel en nu."

Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak
naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij
wilde vluchten en kon het niet: 't was, alsof die doode zich
bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige
gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te
kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij
beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen,
dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo
duidelijk gezien.

O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te
duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn
voelde zijn hart bonzen, hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem
stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij
zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven,
te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te
gevoelen, toch sidderde hij.

Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat
aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde,
moedige natuur kreeg weer de overhand.

Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem
met zijn spookachtige verschijning zoo'n schrik had aangejaagd. Een
paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog
door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe,
en, wat bleek nu?

Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met
moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem:

"Kom je om mij te dooden?"

"Dat zal er van afhangen, wie je bent."

"Toe, dood mij maar, dadelijk liefst."

"Dat is een dwaze wensch; heb je zoo'n pijn misschien?"

"Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb
medelij."

"Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?"

"Ja."

Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half
opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging
hem een licht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen!

"Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen."

"Och, doe dat niet," smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn
moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman,
jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest
wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich
zoo niet verlagen.

"Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?"

"Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge
man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor
dan mijn bede."

"De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen
barmhartig te toonen."

"Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van
me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen."

"Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker
levend gevangen te nemen."

"Wat, hoe weet je....?"

"Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van."

"Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd
bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo'n groote weldaad,
waar je altijd dankbaar voor moet blijven?"

Alewijn weifelde: "Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?" dacht
hij.

De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij
had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn
eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn,
om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als
Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden,
zou zijn leed niet te overzien zijn.

De jonker scheen zijn gedachten te raden. "Jonge man," zei hij,
"wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij
rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt,
dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me
niet levend aan mijn doodsvijand over."

"Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit
ook mijn gevoel van eer," zei Alewijn op eenigszins scherpen
toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den
ongelukkigen gewonde. "Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te
maken?" mompelde hij. "Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft
hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet
voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen
opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?"

Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker:
"Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan
en op mij te leunen."

Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, en zie, hoe moeilijk het
ook ging, de jonker schreed langzaam voort.

"Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste
achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge
voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen."

"Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik
zal je goed beloonen."

"Een beloning begeer ik niet," antwoordde Alewijn en hij vervolgde
glimlachend: "Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te
beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw
kasteel het niet lang meer uithoudt."

"Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht
het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered."

"Waar woont die?"

"We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan;
ze zal den jonker niets weigeren, als hij om een schuilplaats smeekt."

Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen
met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens
donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend
wezen. "Dat mag waarlijk een wonder heeten," dacht Alewijn, "hoe
dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik
kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word."

Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste
was hij wel genoodzaakt, een door de maan beschenen vlakte over te
steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige
spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam
loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel
tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen.

Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.

"Zie zoo," zei Alewijn, "ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet
ik maken, dat ik terugkom."

Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.

"Wacht," hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk
brood te voorschijn halende, "'t is wel niet veel bijzonders, wat ik
u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel."

De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was
hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje
dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn.

Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel,
dat hij zijn mond hield.



NEGENDE HOOFDSTUK.

DE OUDE WENA.


Het kasteel hield het langer uit, dan heer Diederik had verwacht. De
dikke muren boden weerstand aan de geduchte slagen van den stormram
en de edelman begon te vermoeden, dat hij met geweld niets zou
uitrichten. "Dan maar een ander middel te baat genomen," dacht hij,
"een middel, dat wel langzaam, maar zeker werkt: den honger."

Zoo kwam het, dat op een morgen alle vijandelijkheden gestaakt werden;
de heer wilde niet onnoodig pijlen laten verschieten.

Alewijn, Hark, Gerebrandt en eenige anderen hadden niets te doen en
zaten op een rustig plekje een stuk brood te deelen.

"'t Wordt een schrale boel, jongens," zei Gerebrandt.

"Hoe zoo?"

"Ik hoor, dat onze voorraad is opgeraakt, en de wagens, die
uitgezonden werden, om meel, brood en vleesch te halen, zijn nog
niet teruggekeerd."

"Vóór overmorgen kunnen ze hier onmogelijk wezen."

"Dan wordt het vasten. Ik kan niet zeggen, dat ik daar veel mee
op heb."

"Ik ook niet. We doen verstandig met ons zelf te helpen en dit stukje
voor van avond te bewaren."

"Er zal toch in den omtrek nog wel iets te krijgen zijn."

"Dat zou ik ook denken."

"Als we er maar eens op uit mochten."

"Durf jij het te vragen, Hark?"

"Och, jawel, er is hier toch niets te doen."

"Ja, jongens, waarom zou heer Diederik bevolen hebben, dat alles
moest ophouden?"

"Misschien wil hij het kasteel uithongeren."

"Daarom begint hij zeker met zijn eigen volk honger te laten lijden. Ik
geloof niet, dat dit de beste manier is."

"Nu," zei Hark, "ik ga eens vragen."

"Je krijgt toch geen verlof. De strijd kan elk oogenblik weer
beginnen."

"Dat zullen we zien."

Korten tijd, nadat Hark was heengegaan, kwam hij alweer terug en
riep heel blij: "Het mag, jongens, het mag, als we vóór van avond
maar weer terug zijn."

Weldra gingen er vier op weg, gewapend met daggen, om den landlieden
ontzag in te boezemen.

"Hei jongens, waar gaat dat naar toe?" riep Allert, die bij zijn
schietwerktuig op den grond zat.

"Een wandeling doen, voor de gezondheid," antwoordde Hark. "Blijf jij
maar rustig bij je springaal zitten en pas op, dat de pijlen niet in
je eigen gezicht terecht komen."

"Loop, flauwe rekel, of ik zal je."

Alle vier begonnen hartelijk te lachen, vervolgden rustig hun weg en
trokken weldra het veld in.

Ze zochten den geheelen ochtend; daar echter bijna alles in den omtrek
al plat geloopen was, vonden ze niets.

Eindelijk kwamen ze bij een dicht boschje, waar zich, bijna
onmerkbaar voor het oog, een klein bouwvallig houten huisje bevond. De
onderzoekende blik van Gerebrandt had het al spoedig opgemerkt.

"Wel," zei Hark, toen Gerebrandt hem het hutje had gewezen, "veel
bijzonders zal het wel niet zijn, maar licht is het de moeite waard."

Dicht bij de hut zat op den grond een oud vrouwtje, met rimpelig,
maar vriendelijk gezicht.

"Hoor eens, vrouwtje, je moest ons even een kijkje laten nemen. Wij
hebben honger."

"Och, beste jongens, ik ben een doodarme vrouw; bij mij is niets
te halen."

"Nu, dat begrijpen wij wel. 't Is ons dan ook maar om een heel klein
beetje te doen. Vooruit, laten wij maar eens gaan zien."

Alewijn merkte met deernis op, hoe het arme vrouwtje blijkbaar in
de grootste verlegenheid verkeerde. Ze liep onrustig heen en weer
en wist niet, wat ze doen moest. Eindelijk zei ze: "Een kruikje melk
kan ik missen, maar dat is ook alles; laat mij asjeblieft met rust,
mijn dochter is ziek, ze zal zoo schrikken."

"Kom, praatjes! Zieke dochter! Als wij niet te eten hebben, worden
we ook ziek."

Alewijn begreep, dat hij tusschenbeiden moest komen; hij had innig
medelijden met de smeekende vrouw, die er zeer tegen op scheen te zien,
dat de ruwe gasten haar huisje zouden binnentreden.

"Och jongens," zei hij, "zie je niet, dat je dat arme mensch een
schrik op het lijf jaagt? Weet je wat, blijven jullie hier, dan zal
ik maar eens kijken."

"Zeker om den buit alleen te houden; neen baasje, wij zijn ook slim,"
zei Hark.

"Nu, ik vind het even goed, dat jij gaat," antwoordde Alewijn, "maar
dat weet ik wel, wij kunnen niet met ons vieren bij een ziek mensch
in huis komen."

"Goed," zei Hark, maar Gerebrandt wist, dat die jongen zelf niet te
vertrouwen was en vond het daarom beter, dat Alewijn in het huisje
een kijkje zou nemen. Ten laatste moest Hark wel toegeven, en Alewijn
ging, na plechtig verzekerd te hebben, dat hij alles eerlijk met zijn
makkers zou deelen.

Hoe de vrouw ook smeekte, hoe ze alle pogingen aanwendde om den
indringer buiten te houden, Alewijn trad het huisje binnen. Hij was
namelijk nieuwsgierig geworden. Waarom verzette die vrouw zich toch
zoo? Was dat alleen, omdat ze vreesde, dat men haar berooven zou? Wie
toch weinig bezat, had ook weinig te missen. Neen, daar moest iets
anders achter steken.

"Wees maar gerust, moedertje, ik zal je geen kwaad doen."

In het vertrek was het vrij duister. Het zag er natuurlijk zeer kaal
en armoedig uit. Op een bankje lag een stuk grijs brood, maar daar
wilde Alewijn de arme niet van berooven.

"Toe, beste jongen," zei het vrouwtje, "neem dat maar en ga dan heen."

"Gekheid," antwoordde Alewijn, "berg het liever goed weg: mijn makkers
zouden er zich anders nog van meester maken. Maar zeg me eens, hoe komt
het toch, dat je zoo gejaagd bent? En waar is je zieke dochter nu?"

"Kom, wat kan je mijn ziek kind schelen? Steek dat brood bij je en
ga heen. Plaag een arme vrouw niet langer."

Alewijn had er reeds aan gedacht te vertrekken, maar juist, doordat de
vrouw zoo aandrong, werd zijn nieuwsgierigheid nog meer opgewekt. Hij
keek goed rond en merkte in een hoek een donkere massa op.

Bedaard trad hij nader, vragende:

"Zoo, zoo, is ze dat? Heb je haar met opzet in het duister gelegd?"

De arme vrouw verkeerde in den hoogsten angst.

"O wee, wat zal me nu gebeuren!" mompelde zij.

Alewijn bekeek het gewaande meisje en ontdekte tot zijn groote
verwondering, dat het niemand anders dan de jonker was. Hij herkende
den ridder dadelijk.

"Ha, ha, nu, het had maar weinig gescheeld, of uw schuilplaats
was verraden. Ik vind het niet heel voorzichtig, hier zoo lang te
blijven. Weet ge wel, dat ge hier niet veilig zijt?"

"Vanavond wou ik al verder gaan," bromde de jonker, "maar ik was
uitgeput; ik had rust noodig en daarom ben ik een paar dagen bij de
oude Wena gebleven."

Deze luisterde met verwondering toe.

"Och," zei ze, "verraad mijn goeden jonker toch niet."

"Wees gerust, moedertje," antwoordde Alewijn glimlachend, "ik zal je
niet verklikken. Laat ik nu mijn best doen, mijn makkers hier vandaan
te krijgen; die zullen wel ongeduldig worden."

Voor hij wegging, besloot hij het brood mee te nemen, om niet met
leege handen bij de anderen te komen. Hij vreesde wel, dat ze niet
heel tevreden zouden zijn over den gevonden buit en dat ze daarom
zelf eens een kijkje zouden gaan nemen.

Tot zijn groote verwondering echter viel dit zeer mee: hij zag ze
met hun drieën op eenigen afstand van de hut druk bezig.

"Wat zouden ze nu hebben?" dacht hij. Het scheen wel, of ze een
beest gevonden en geslacht hadden. Een schaap misschien? "Dat arme
mensch," mompelde Alewijn, "misschien was het wel 't eenig stuk vee,
dat ze bezat."

"Niet veel te halen, jongens; 't is de moeite niet waard."

"'t Hoeft ook niet," riepen de anderen, "we hebben ons zelf al
geholpen. Kijk eens, wat een pracht van een beest, hé?"

Naderbij tredende, zag Alewijn met afschuw dat ze een hond geslacht
hadden.

"Wat?" zei hij, "een hond? Waar wil je met dit beest naar toe?"

"Ha, ha," lachte Gerebrandt, "vraag je dat nog? Wie een paar jaren in
heer Diederiks dienst is geweest, weet maar al te goed, wat honger
beteekent en hoe lekker hondevleesch er door wordt. Als onze heer
slechte tijden beleeft, laat hij dat het eerst aan zijn onderhoorigen
merken."

"Nu," zei Alewijn, "ik wensch je smakelijk eten, maar ik zal mijn
maal liever met dit stuk brood doen."

"Zeker niet," merkte Hark op, "alles eerlijk deelen. Jij kunt immers
ook van het vleesch krijgen?"

"Maar hoort eens, jongens, dat meisje is wezenlijk heel zwak; zouden
we niet liever wat verder weg gaan?"

"Je hebt gelijk," zei Gerebrandt, "in gindsche beek vinden we water;
daar kunnen we het vleesch afwasschen. En droog hout staat er in
overvloed."

"Hoe komen we nu aan vuur?"

"Daar kan Alewijn wel even voor zorgen. Kom, jongen, je hebt nog niet
veel goeds uitgevoerd. Ga bij dat vrouwtje wat halen."

Alewijn had daar natuurlijk niets tegen, en, terwijl zijn makkers een
ander plaatsje opzochten, begaf hij zich nog even naar de hut. Daar
binnengetreden, merkte hij op, dat de jonker al verdwenen was.

"Zoo, zoo, is de vogel gevlogen?"

"Och, beste jongen, zul je me heusch niet verklappen? De jonker is
zoo goed voor me geweest; dikwijls kwam hij hier een poosje praten,
en in kwade tijden kon ik altijd op hem rekenen."

"Wees maar gerust, vrouwtje; ik heb zelf reden om te zwijgen; als ik
jou verklapte, zou ik ook gevaar loopen. Nu, wees maar voorzichtig...."

Toen het viertal des avonds terugkeerde, zagen ze tot hun groote
verwondering, dat het kasteel overgegeven was; de vlag van heer
Diederik woei reeds van een torentrans; een groot deel van het leger
bevond zich binnen het kasteel; de belegerden waren gevangen genomen
en werden op het voorplein bewaakt. Voor het eerst in langen tijd
behoefde Alewijn niet meer buiten te overnachten; hij mocht met Hark
en Gerebrandt in een der kamers van den burcht zijn leger gereedmaken.



TIENDE HOOFDSTUK.

ALEWIJNS RIJKDOM.


Heer Diederik wenschte nog eenigen tijd in het veroverde kasteel
te vertoeven; in dien tijd hadden zijn mannen natuurlijk niet veel
te doen; ze konden dus vrij rondloopen en op allerlei wijzen zich
vermaken. Alewijn hield veel van visschen, en, daar hij in den omtrek
eenige plassen ontdekte, die rijk aan visch waren, had hij op die
wijze al spoedig een aangename tijdkorting gevonden. Terwijl hij eens
met zijn hengel in de hand, geduldig wachtende, bij een beekje stond,
kwam er een vrouw op hem toeloopen. Het was het moedertje, bij wie
de jonker een schuilplaats had gezocht.

"Gelukkig, dat ik je zie," sprak ze.

De jongen keek ontsteld om en zei: "Wel, je zou me doen schrikken."

"Zie ik daar nu naar uit?" vroeg het vrouwtje glimlachend.

"Volstrekt niet, maar ik wist niet, dat er iemand bij me stond en
toen ik daar opeens je stem hoorde."

"Nu, dat kan ik best begrijpen. Laat ik nu maar gauw mijn boodschap
doen, voor iemand ons ziet."

Deze woorden van het oude moedertje verbaasden Alewijn zeer. "Wat zou
ze me te vertellen hebben?" dacht hij en hij legde zijn hengel neer,
daar de visch den laatsten tijd toch niet meer scheen te bijten.

"Ik moet je de groeten van den jonker doen."

"Zoo, is hij goed terecht gekomen?"

"Ik denk het wel. Eergisteren werd mij bericht, dat hij bij een van
zijn vrienden een schuilplaats heeft gevonden. Nu wil hij, voor hij
verder reist, je een klein bewijs van zijn dankbaarheid geven. Zie
hier!"

"Wat," riep Alewijn verrast, toen hij zag, hoe de vrouw hem een zakje
met klinkende schellingen toereikte, "ik behoefde er volstrekt niets
voor te hebben; zooveel was me de heele zaak niet waard. Neen, dat
neem ik niet aan."

"Waar moet ik er dan mee heen? Ik kan het den jonker niet terugzenden,
en het in het water te gooien....."

"Dat is ook niet noodig, maar ik zou denken, dat je het zelf best
kunt gebruiken."

"'t Is voor mij niet bestemd; de jonker heeft het alleen gegeven als
belooning voor den redder van zijn leven. Ik vind, dat je het niet
weigeren kunt."

"Wat toevallig, dat je me gevonden hebt. Wat zou je doen, als ik hier
niet aan het visschen was geweest?"

"Dan zou ik heel brutaal het kasteel binnengaan; ik denk, dat ze
een arme oude vrouw wel geen kwaad doen, en als ik je daar dan zag,
wilde ik je vragen, even buiten te komen."

"Zoo, zoo, dat is wel slim overlegd. Nu, als je er dan volstrekt op
staat, wil ik het geld wel aannemen, ofschoon ik eigenlijk niet weet,
wat er mee uit te voeren."

"Wees maar gerust; er zal een tijd komen, dat je het best kunt
gebruiken; bewaar het goed en zorg vooral, dat niemand er achter komt."

"Dank je wel. Dit zul je toch wel van me willen aannemen." Alewijn
bood de oude vrouw een paar geldstukken aan, die zij dankbaar in
ontvangst nam, waarop ze Alewijn vaarwel zei en haars weegs ging.

Toen Alewijn alleen was, zette hij zich op een steen neer, haalde het
zakje met geld te voorschijn en toen hij zich had overtuigd, dat geen
onbescheiden oogen hem beloerden, nam hij de klinkende munten in de
hand en bekeek ze met schitterende oogen. Welk een rijkdom. Zooveel
geld had hij nog nooit bij elkaar gezien en aanstonds overlegde hij
bij zich zelf, wat er al niet mee gedaan kon worden.

't Was een ware schat voor den armen lijfeigene, maar geheel onvermengd
bleef zijn genoegen toch niet, want de arme jongen begreep heel goed,
dat hij er in den eersten tijd niet veel mee zou kunnen uitvoeren. De
vrouw had hem terecht tot voorzichtigheid aangemaand, en Alewijn was
verstandig genoeg om dezen goeden raad niet in den wind te slaan. Want
wat zouden de lui wel zeggen, als ze zagen, dat de jongen plotseling
in het bezit van zooveel geld gekomen was? En de verdenking alleen was
al voldoende, om een lijfeigene het bitterste lot op den hals te jagen.

Zoo bij zich zelf overleggende, kwam Alewijn tot het besluit, dat hij
het verstandigst zou doen met zijn schat te verbergen, en zorgvuldig
eenigen tijd te bewaren, totdat het oogenblik aanbrak, om het op de
beste wijze te besteden.

Het kwam er nu maar op aan, een geschikte plaats te vinden, een plaats,
waar niemand het vinden zou en waar hij het geld zoo nu en dan kon
bewonderen, zonder gevaar voor ontdekking te loopen.

In het geheel niet meer denkende aan den hengel, waar nog wel een ferme
zeelt aan zat, die in zijn ijver om los te komen, den stok reeds half
in het water had geworpen, verliet hij zijn plaatsje aan de beek,
en zocht het veld rond. Geen enkele schuilplaats kon hem eigenlijk
voldoen. Eerst borg hij het geld tusschen eenige struiken, doch toen
hij eenige dagen later daar twee mannen aan het werk zag, begon hij
ongerust te worden. Hij vond dus geen rust, voor het hem gelukte, een
nieuwe schuilplaats te ontdekken. Ook nu was hij echter niet tevreden.

Zoo ging het den knaap, totdat eindelijk de heer bevel gaf, op te
breken en het oude kasteel weer te betrekken. Pas had Alewijn vernomen,
dat hij en zijn makkers binnenkort den veroverden burcht weer zouden
moeten verlaten, of hij ijlde naar de plaats, waar zijn schellingen
in den grond gestopt waren en borg ze nu onder zijn kleeren op zijn
bloote lichaam.

Eenige dagen later waren allen weer op hun vroegere woonplaats
teruggekeerd, en, daar de oogsttijd naderde, viel er voor de
krijgslieden van eenige weken geleden overvloedige arbeid te vinden:
de meesten van hen, waaronder ook Alewijn, moesten boog of speer of
kolf wegbergen en ijverig meehelpen aan den veldarbeid.

Maar wat Alewijn ook deed, zijn schat ging hem geen oogenblik uit zijn
gedachten. Hoe verheugd hij er ook mee was, hoe goed hij hem ook had
verborgen, toch bekroop hem gedurig de vrees, dat het geld bij het werk
door een plotselinge sterke beweging voor den dag mocht komen. Deze
gedachte plaagde hem onophoudelijk, totdat hij eindelijk besloot, ook
nu weer een plaatsje op te zoeken, waar hij zijn rijkdom verbergen kon.

Op een namiddag, toen hij het dagwerk verricht had, begaf hij zich
niet zooals anders in den kring van zijn makkers om een praatje te
houden, maar hij sloop stil de poort uit.

"Hei, Alewijn, waar ga je naar toe?" riep Hark.

Onwillekeurig werd Alewijn verlegen, en in zijn angst, dat de ander met
hem mee zou willen gaan, gaf hij maar het eerste antwoord het beste,
dat hem in den zin kwam.

"Ik heb hengels gezet en ga zien, of er een snoek aan zit."

"Jongen, dan moet ik mee."

"Wat een vervelende kerel," dacht Alewijn, die niet weinig verlegen
was, daar hij in het geheel geen hengels gezet had, en zijn
verlegenheid werd nog grooter, toen Gerebrandt sprak: "Weet je wat,
ik wil ook wel eens zien, waar jij altijd die prachtige snoeken
vandaan haalt."

Alewijn kon natuurlijk, nu hij eenmaal gelogen had, niet meer met
de waarheid aankomen en hij bracht zijn nieuwsgierige makkers naar
een sloot, waar, naar hij zei, de hengels zich moesten bevinden. De
grootste verwondering veinzende, zei hij: "Wel verbazend, daar hebben
ook dikke snoeken aan gezeten; alles is verdwenen."

"Weet je, wat ik geloof?" zei Gerebrandt, terwijl hij aandachtig de
oppervlakte van het water onderzocht.

"Nu?" vroeg Hark.

"Dat hij ons leelijk voor den gek gehouden heeft."

Als Hark daar eerst nog niet aan gedacht had, dan kon hij het nu
wel gissen, want Alewijn, die de kunst van veinzen slecht verstond,
kreeg een kleur als vuur en stamelde enkele woorden, om zijn houding
te verklaren.

"Nu," zei Gerebrandt, "ik vind, dat het al een heel flauwe manier
van doen is. Wat heb je daar nu aan?"

En Hark zei: "Ik zal je wel weer krijgen, vrind. Je had zeker andere
plannen, niet waar Alewijntje, plannen, waarbij je geen dwarskijkers
gebruiken kunt."

"O, heelemaal niet," bracht Alewijn met moeite uit, terwijl zijn
kleur nog hooger werd.

"Dan moeten wij hem niet storen," zei Gerebrandt spottend. "Kom,
Hark, ga je mee?" Plotseling keerden beiden zich om en maakten,
dat ze wegkwamen, terwijl Alewijn met een dwaas gezicht bij de sloot
bleef staan, niet wetende, wat te doen.

Toen schoot het hem weer te binnen, met welk doel hij eigenlijk
uitgegaan was, maar hij durfde zijn plan niet te volvoeren, uit vrees,
dat Gerebrandt en Hark uit een boschje hem zouden beloeren. Daarom
keerde hij ten laatste naar het kasteel terug. Het spreekt van zelf,
dat er de volgende dagen geen denken aan was, het geld te verbergen;
daartoe hield de hooioogst hem, evenals de andere knechts van heer
Diederik, veel te druk bezig. Een dag of vier later was de gelegenheid
gunstig: Hark en Gerebrandt moesten voor den heer een sloot uitdiepen
en, toen Alewijn vrij was, vroeg hij aan Eggerik een schop ter leen,
begaf zich daarmee naar buiten en maakte op een eenzaam plekje een
kuil in den grond. Hier werd het zakje met geld verborgen. Om het
plaatsje later te kunnen terugvinden, mat hij, hoeveel passen het
verwijderd was van een boom, die daar in de buurt stond, vergewiste
zich, dat hij geen fout gemaakt had, en ging weer heen. Gelukkig was
hij zoo verstandig, er niet elken dag naar te gaan kijken; anders zou
het al spoedig de aandacht getrokken hebben, vooral daar Gerebrandt
en Hark op hem letten. Het kostte hem anders moeite genoeg, want
voortdurend had hij een groot verlangen om te zien, of zijn geld er
nog wel was. Weldra bemerkte hij tot zijn geruststelling, dat Hark
en Gerebrandt de geschiedenis vergeten schenen te zijn; op het door
hem gekozen plaatsje kwam nooit iemand en zoo had hij alle reden
tot tevredenheid.



ELFDE HOOFDSTUK.

HET TIENDMAAL.


Niet ver van den burcht woonde een boer, die tiendplichtig was aan
heer Diederik. Ook die landman had het druk met den oogst, zoo druk
zelfs, dat nog een groot deel van het koren op het veld stond, toen de
meeste werkzaamheden op de landerijen, die tot het kasteel behoorden,
reeds afgeloopen waren. Het weer bleef langen tijd gunstig, maar de
boer was er natuurlijk niet zeker van, dat het zoo blijven zou en
daarom zag hij uit naar rappe handen, die hem behulpzaam konden wezen.

Hierdoor kwam het, dat Alewijn en Hark, terwijl ze op een afgemaaid
hooiland stonden te harken, plotseling een stem achter zich hoorden:

"Hei, jongens, hoor eens even."

Beiden keken om en zagen den boer naderen, die dichtbij gekomen, sprak:
"Hebben jelui lust, mij met het inhalen van het hooi te helpen?"

Hark en Alewijn keken elkander aan. Hoewel ze nu niet bepaald op
overmatigen arbeid gesteld waren, schenen ze in dit geval wel zin te
hebben, aan de uitnoodiging van den boer te voldoen. Er was slechts
één bezwaar: "Zou heer Diederik het goedkeuren?" Mocht die er niets
tegen hebben, dan waren Hark en Alewijn wel tot helpen genegen,
want ze kenden den boer als een gul man en ze wisten dus, dat hun
bereidwilligheid geen windeieren zou leggen. Daarom gaven ze tot
antwoord, dat ze eerst de toestemming van heer Diederik moesten hebben.

"O, als het daarvan afhangt, weet ik al zeker, dat ik op jullie rekenen
kan. In zulke gevallen is heer Diederik altijd heel schikkelijk."

"Zou je denken? Dan geloof ik, dat je hem niet goed kent," meende Hark.

"Wees maar gerust. Nu, je zult het zien."

Het kwam uit, zooals de boer voorspeld had. De edelman maakte in
het geheel geen bezwaar; integendeel, hij vond het zeer goed, dat
zijn lijfeigenen, die op dat oogenblik toch niets te doen hadden,
aldus hun tijd nuttig besteedden.

Op den bepaalden dag trokken Alewijn en Hark dan ook naar den boer
en werkten ijverig mee, zóó ijverig zelfs, dat de man des avonds
herhaaldelijk zijn tevredenheid betuigde en hun een buitengewoon
goed loon uitbetaalde. Maar meer nog dan met dit loon, waren de
knapen verheugd over de uitnoodiging, om aan het tiendmaal deel te
nemen. Zoodra namelijk het oogsten afgeloopen was, moesten aan den heer
de tienden betaald worden, maar deze gaf dan aan zijn tiendplichtige
boeren een feest, het tiendmaal. Op dezen maaltijd nu waren de mannen
zeer gesteld, want de edelman schonk hun door groote mildheid de
gelegenheid, zich eens buitengewoon te goed te doen.

"Heb je lust, om aan het tiendmaal mee te doen?" vroeg de boer aan
de beide knapen.

Men kan gemakkelijk raden, wat ze antwoordden.

"Goed," zei de man weer, "ik zal mijn best doen, dat je daartoe
verlof krijgt; jullie hebt beiden zoo hard gewerkt, dat je wel een
pretje toekomt."

Hij hield woord ook, en toen eenige dagen later het feest op de
hoeve van een der tiendplichtige boeren gegeven werd, kwamen Alewijn
en Hark al tijdig, om mede van de partij te zijn. Reeds den dag te
voren was een lange tafel in gereedheid gebracht en dat de heer bij
deze gelegenheid niet karig was, bleek, toen hij bevel gaf, eenige
koeien te slachten en een paar tonnen bier uit den kelder te halen.

Oppervlakkig gezien, zou men denken, dat er wel te veel eten en drinken
was, maar heer Diederik kende de gasten en wist, dat ze, behalve een
opgeruimde stemming, ook een gezonde maag meebrachten op het feest.

Weldra ging het er lustig toe: eten, dat er gedaan werd, eten! Men zou
het haast een wonder noemen. Het eene stuk gebraden vleesch vóór, het
andere na, verdween in een ommezien. Daarbij werd het bier natuurlijk
niet vergeten, en toen tegen den middag de heer een kijkje kwam nemen,
merkte hij tot zijn genoegen op, dat men van zijn gulheid een dankbaar
gebruik wist te maken. Hij moest er hartelijk om lachen, toen hij
zag, hoe weer een reusachtig stuk vleesch in ongelooflijk korten tijd
verorberd werd. Dadelijk gaf hij bevel, nieuwe spijzen aan te laten
brengen; ieder gerecht werd begroet met gejuich, dat luider werd,
naarmate de feestvierenden meer bier hadden genoten.

Ook Alewijn, die zulk een feest nog nooit had bijgewoond, deed flink
mee aan de pret, en niet minder Hark, die een reusachtige maag scheen
te bezitten, want hij hield letterlijk niet op met eten. Toen het feest
gedaan was, begaven beiden zich in een recht genoeglijke stemming naar
huis. Alewijn had, om de waarheid te zeggen, meer bier gedronken dan
goed voor hem was; wel kon hij nog flink loopen, maar de bedaarde
jongen, die anders zoo voorzichtig was, gebruikte nu zijn verstand
niet meer en liet zich daardoor licht een woord ontvallen, dat hij
beter gedaan had met te verzwijgen. Dit zou zijn ongeluk veroorzaken,
en zoo had, zeer tegen verwachting, het tiendmaal voor Alewijn een
noodlottigen afloop.

Hark kon men namelijk niet vertrouwen. Alewijn wist dit wel en was
dan ook in de nabijheid van Hark zoo voorzichtig mogelijk geweest.

Onder den invloed van het zware bier scheen hij dezelfde kalme Alewijn
niet meer te zijn; lustig zingend liep hij naast Hark voort, en deze
deed dapper mee. Toen beiden uitgezongen waren, begon Hark:

"Heb je op dien Liebaart gelet; wat kan hij eten, hè? Ik geloof,
dat hij wel een halve ton bier opgedronken heeft."

"Dan is het geen wonder, dat hij zoo raar begon te doen. In het
laatst werd hij nog kwaad ook. 't Had weinig gescheeld, of er was
ruzie gekomen. Er is heel wat bier verdwenen."

"Ik heb mijn deel ook wel gehad."

"Toch mooi van heer Diederik, dat hij zoo gul is. Ik had het niet
van hem verwacht."

"Hij krijgt het anders gemakkelijk genoeg; zelf behoeft hij nergens
een hand voor uit te steken."

"Ja, je moet het geluk maar hebben. Wij kunnen sloven en hard werken
en hij....."

"Dat werken is nog 't ergste niet, maar dat zoo'n man zoo den baas
over je kan spelen...."

"O, ik vind dat slavenleven verschrikkelijk."

"Werd er nog maar eens een kruistocht gehouden, dan deed ik ook mee."

"Maar weet je wel, dat je dan veel kans had nooit terug te komen? Wat
had je dan aan je vrijheid?"

"Zeker weet ik dat, maar wat moet je anders? Als ik geld had, kon ik
me vrij koopen, maar daar is nu eenmaal geen denken aan."

"Wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet het niet oververtellen."

"Wat is het dan?" vroeg Hark vrij onverschillig, want hij vermoedde
niet, dat er wat bijzonders zou komen.

"Ik heb geld."

"Dat zal wel."

"'t Is heusch waar. Wel zooveel, dat ik mij driemaal vrij zou kunnen
koopen."

Nu was de belangstelling van Hark toch opgewekt, hoewel hij nog half
geloofde, dat Alewijn hem voor den gek hield.

"Laat mij het dan eens zien."

"Ik heb het natuurlijk niet bij me."

"Waar heb je het dan?" Hark vroeg dit zoo haastig, en zijn oogen
keken zoo begeerig, dat Alewijn het antwoord nog bijtijds terug
hield. Plotseling zag hij in, welk een dwaasheid hij begaan had en
hij haastte zich dus, aan het gesprek een andere wending te geven:
"Kom, 't is maar gekheid."

Maar juist hierdoor verklapte hij alles, want Hark merkte zijn
verlegenheid op en begreep daardoor, dat er iets van waar was. Dit
wekte zijn nieuwsgierigheid en--zijn hebzucht.

"Zoo, zoo, mannetje," dacht hij, "nu weet ik meteen, wat jij laatst
moest uitvoeren, toen het heette, dat jij op snoek uit ging."

Zwijgend vervolgden Alewijn en Hark hun weg. De eerste was stil
geworden; hij deed zich zelf aldoor de bitterste verwijten, en Hark
overlegde, hoe hij op de beste manier Alewijns geheim zou kunnen
uitvorschen. Zoo kwamen ze in het kasteel terug. Hark was tot het
besluit gekomen, dat Alewijn zijn schat zeker ergens zou verborgen
hebben. Om de plaats er van te vinden, behoefde hij slechts zijn
makker in het oog te houden en hem ongemerkt te volgen, als hij weer
een uitstapje deed.

Intusschen vermoedde Alewijn, wat er in Hark omging en dit spoorde
hem aan, voorzichtig te wezen. Hoeveel moeite hem dit ook kostte,
hij keek de eerste dagen naar zijn geld niet om, maar Hark was het
gesprek niet vergeten en dacht: "Zoo'n oolijkerd, hij meent mij te
misleiden, maar dat zal hij anders gewaar worden."

Op een namiddag hield Alewijn het niet langer uit; hij wilde en moest
weten, of zijn geld er nog was, en op een oogenblik, dat hij zich
onbespied waande, verliet hij het kasteel en sloeg den weg naar de
plek in, waar hij den schat had verborgen. Tot zijn genoegen was er
op den weg, dien hij volgde, niemand te zien. Gedurig keek hij om,
maar alles scheen veilig te zijn. Toch was dit niet zoo. Hark, de
brutale, valsche Hark had opgemerkt, dat Alewijn zoo omzichtig de
poort uitging en dadelijk ging hem een licht op. Aanstonds liet hij
de varkens, die hij bezig was te voeren, in den steek en begaf hij
zich niet naar buiten, maar de trap van een der torens op. Door smalle
luchtgaten kon hij het heele veld overzien en na eenig zoeken ontdekte
hij weldra Alewijn, die, zoo nu en dan omkijkende, het land over ging.

"Nu maar eens goed opgelet, waar dat heengaat," dacht Hark en na
eenig wachten zag hij tot zijn groote vreugde, hoe Alewijn zich bukte,
toen weer rondkeek en daarna in den grond begon te graven.

"Heel slim is hij toch niet," vond Hark; "wij zullen er wel een
beter plaatsje voor uitzoeken." Toen Alewijn eenige minuten later
terugkeerde, daalde Hark weltevreden de trap af, maar overtuigde
zich eerst, of hij de plek, waar het geld verborgen scheen te zijn,
zou kunnen vinden.

De nieuwsgierige Hark had niet veel geduld, en met verlangen zag hij
den avond tegemoet; hij was van plan, in de schemering het bewuste
plaatsje op te zoeken, vervolgens te wachten, tot het donker was
geworden en eindelijk zijn booze daad te volvoeren. Tegen den tijd,
dat de zon onderging, spoedde hij zich op zijn beurt het hek uit,
terwijl hij den poortwachter op diens vraag naar het doel van den
tocht, antwoordde, dat hij voor den heer de kwakende kikkers moest
doodslaan. Toen de man echter den geheelen nacht de lieve beestjes in
het water vroolijker dan ooit hoorde kwaken, begreep hij, dat Hark
iets anders uitvoerde. "Maar wat gaat het mij ook aan?" dacht hij
en bekommerde zich om den heelen Hark niet meer, die intusschen op
dezelfde wijze als 's middags Alewijn gedaan had zijn weg over de
velden nam. Ook hij stond ieder oogenblik stil om rond te kijken,
ook hij had een kleine schop onder zijn buis verborgen. Eindelijk
ontdekte hij de plaats, waar Alewijn 's middags gegraven had; er kwam
een grijns van boosaardige vreugde op zijn gezicht, toen hij zag,
hoe op één plekje sporen waren te zien, die aanduidden, dat men er
moest hebben gegraven.

"Ha, ha, daar heeft hij den aap verborgen. Nu nog maar even gewacht,
tot het donker is."

Met een waar genoegen ging onze Hark in de nabijheid op den grond
zitten, en oefende zich in geduld. De duisternis daalde hem lang
niet snel genoeg; elk oogenblik hief hij zich half op, om aan het
werk te gaan, maar dan ging hij weer zitten, want hij was bang,
dat men hem bespieden zou, en hij wilde den buit geheel voor zich
alleen hebben. Eindelijk kon hij niet langer wachten; trouwens, de zon
was al lang onder en in den geheelen omtrek bevond zich geen levend
wezen. Alleen in de struiken achter zich hoorde Hark iets ritselen,
maar dat kon wel een wezel of zoo iets zijn. Na voor de zekerheid nog
eenige minuten geduld te hebben gehad, nam hij zijn spade ter hand
en begon haastig te graven. Daar stootte hij op iets; zijn gezicht
gloeide van blijde verwachting, zijn hand greep begeerig toe, maar tot
zijn teleurstelling bemerkte de zoekende Hark, dat het maar een steen
was, die hem zoo blij had gemaakt. Een weinig knorrig zette de knaap
zijn arbeid voort, en zijn stemming werd er niet beter op, toen er bij
verder graven niets anders voor den dag kwam dan stokjes en steenen en
kluitjes. Van geld geen sprake. De diefachtige Hark was zelf bedrogen.

Want toen Alewijn des namiddags naar den schat was gaan kijken, kreeg
hij weer hetzelfde gevoel van onrust, dat hij al zoo vaak had gehad;
ook nu kon de plaats hem niet bevredigen en hij nam dus het zakje
met geld er weer uit, maakte den kuil met de aarde dicht en verborg
zijn rijkdom onder zijn buis. Vervolgens wilde hij een veiliger
schuilplaats zoeken, maar juist kwam, toen hij daarmee bezig was,
Gerebrandt voorbij, die etgroen had gemaaid. Gerebrandt vroeg aan
Alewijn, of hij meeging; deze wilde het niet weigeren, en zoo kwam
er van zijn plan niets.

Het spreekt van zelf, dat Hark zijn makker allesbehalve vriendelijk
aankeek. Intusschen gaf hij de hoop niet op. Gelukte het hem niet,
door list zich van den buit meester te maken, dan moest hij maar
brutaal optreden. Den volgenden morgen stapte hij regelrecht op
Alewijn toe en zei, hem met zijn gluiperige oogen valsch aankijkend:
"Als je mij niet de helft van je geld geeft, zal ik vertellen, waar
je het geborgen hebt."

Alewijn, die zoo iets niet verwacht had, werd plotseling bleek en
dit gaf Hark de zekerheid, dat zijn vermoeden waar was.

"Geld! Wat praat je toch van geld? Hoe zou ik daaraan komen?" stamelde
Alewijn, die eigenlijk niet wist, wat hij zeggen moest.

"Houd je nu maar niet onnoozel; ik heb alles gezien," hernam Hark,
die zijn makker hoopte te overbluffen.

"Wat.... wat heb je gezien?"

Hark wilde weer iets antwoorden, maar tot beider ontsteltenis klonk
er een stem dicht bij hen: "Zeg er eens, knapen, komt eens hier en
vertelt mij, waarover je het hebt."

't Was de meier, die in den koeienstal stond en het gesprek gehoord
had en er uit opmaakte, dat er iets bijzonders aan de hand was. Hark
vreesde, voor medeplichtige aangezien te worden en daarom achtte hij
het verstandiger, als aanklager op te treden. Vóórdat Alewijn nog
iets gezegd had, sprak de brutale rakker: "Hij heeft geld gestolen
en weggeborgen."

Deze woorden maakten Alewijn woedend. Vuurrood van drift sprong hij
op Hark toe en zou hem bij de keel gegrepen hebben, als de meier
niet tusschenbeiden gekomen was. Met zijn geduchte vuist greep hij
den jongen bij den pols en sprak bedaard: "Heila ventje, dat gaat
maar zoo niet. Ik ben er ook nog."

Alewijn poogde vruchteloos zich los te wringen uit de knellende
vingers, die hem vasthielden. Toen hij eindelijk wat bedaard was,
zei de meier: "Ziezoo, leg mij nu maar eens bedaard uit, wat je te
vertellen hebt."

Nu Hark eenmaal a gezegd had, moest hij ook b zeggen, en, terwijl
Alewijn hem met kwalijk verbeten woede aanzag, en hem telkens in de
rede wilde vallen, deelde Hark alles mee, wat hij wist. Eindelijk
zei hij nog, dat Alewijn zijn geld in het land verstopt had, maar het
later weer op een andere plaats moest hebben gebracht. We zien hieruit,
dat Hark niet alleen een verklikker en een dief, maar ook een leugenaar
was, want hij vertelde meer dan hij zelf wist. Alewijn stond versteld:
ondanks alle voorzorgen had die valsche Hark hem toch bespied.

Eén ding troostte hem: de verrader wist blijkbaar niet, waar de
schat eigenlijk wel verborgen zat; zoolang dit niet ontdekt werd,
kon niemand Alewijn met eenig recht van iets kwaads beschuldigen.

Diefstallen kwamen onder de lijfeigenen nog al eens voor, maar werden,
bij ontdekking, zwaar gestraft. De meier wist niet beter te doen,
dan de beide knapen naar den heer te brengen, en dien te vertellen,
wat er gaande was. De edelman liet Alewijn dadelijk in de gevangenis
brengen, terwijl hij tevens beval, Hark, dien hij evenmin vertrouwde,
goed in het oog te houden.



TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL.


Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere,
kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een
luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door
de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door
den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en
het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis
binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan,
zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?

De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid,
maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over
Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot,
dat hij hopeloos zich op een grooten steen liet neervallen en daar
langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.

Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het
verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn
makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het
ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo
plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid
niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren,
die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van
het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het
maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende
gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen
tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door
een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.

Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich
bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien,
maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang,
die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een
koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen,
liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den
killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien,
niets dan de donkere duisternis om hem heen.

Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deur knarste. De man,
die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst
toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den
armen Alewijn.

Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard
dan de meeste zijner tijdgenooten?

Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich
aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.

Zijn stem was zacht, toen hij beval: "Je moet mij volgen naar den
heer."

Maar Alewijn hoorde het niet.

Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder
even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.

De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep
hij niet, wat men van hem wilde.

Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te
gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.

Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.

Buiten gekomen, leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het
vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte
aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.

Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.

't Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer
van den edelman doorbracht. Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon
hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen,
om den schat te behouden.

De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman
in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen
er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te
vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan
het licht brengen.

Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak
vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat
zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer
tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.

Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.

In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.

Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee
lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen
voorzien.

Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.

Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet
minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem
reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één
tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn
machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de
kleeren af.

Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.

Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in
kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.

Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel
komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een
pijnlijk verhoor.

Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld
vandaan kwam.

Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook
baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze
in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem
en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.

Bevend wachtte hij zijn vonnis af.

De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover
hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan,
iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.

Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf
bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet
hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer
om te zien.

In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij
vroeg zich herhaaldelijk af, aan welke oorzaak hij dien gelukkigen
afloop van de zaak had toe te schrijven.

Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het
verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende
op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?

Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.

Zoo verzonk hij in een somber peinzen.

Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste
geeselslag deed hem opschrikken.

Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den
naakten rug en liet roode streepen achter.

Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker,
die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.

Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen
neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.

Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo
verlaten, zoo rampzalig gevoeld.

Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving,
alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam
het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.

Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.

Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijn krachten genoeg waren,
om dien te doen wankelen, dan weer beproefde hij aan den rand van
het luchtgat de steenen af te brokkelen.

't Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten
met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.

Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart
en barstte in woedend snikken uit.

Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en
nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.

Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de
eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten,
ver van de plaats der ellende.



DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE VLUCHT.


De gelegenheid tot vluchten deed zich eerder voor dan Alewijn zelf
verwachtte.

De jongen toch wist niet beter, of hij zou geruimen tijd, misschien
wel zijn geheele leven in den vochtigen kerker moeten zuchten.

Hoe groot was dus zijn verwondering, toen men hem eenige dagen later
kwam mededeelen, dat hij de gevangenis verlaten mocht.

't Was niet uit medelijden, dat de edelman hem de vrijheid schonk.

Eigenbelang, anders niet. Vooreerst had heer Diederik overwogen,
dat er op zijn kasteel niet gestolen was.

"Misschien," zoo dacht hij, "heeft de kwajongen zich bij de verovering
van den vijandelijken burcht van het geld meester gemaakt."

Daar Alewijn overigens een bruikbaar krijgsman was gebleken, wilde de
ridder het dezen keer bij een geeseling laten. De toegediende straf
zou in allen gevalle wel voldoende zijn, om den lust tot stelen voor
immer te doen vergaan.

Alewijn vond de ondervonden behandeling meer dan hard. Nauwelijks was
dan ook de kerkerdeur achter hem gesloten, nauwelijks mocht hij zich
weer in de frissche lucht en in het lieve, heldere daglicht bewegen,
of hij lette op alles, wat een gelegenheid tot vluchten kon bieden.

Eén zaak was er, die hem tot blijven noopte.

Dat was de zucht om zich op Hark te wreken. Die lafaard evenwel
vreesde Alewijns sterke vuist en ontweek zijn makker zooveel hij kon.

Ook bezat Alewijn een zacht karakter. Hij vergaf spoedig en daardoor
werd die begeerte naar wraak al minder en minder.

Het verlangen naar vrijheid echter wies aan.

Elken dag loerde de jongen rond. Herhaaldelijk stond hij gereed om te
ontsnappen. Maar telkens kwam er iets in den weg. Nu eens riep men
hem om werk te verrichten, dan weer bevonden zich tal van arbeiders
op het veld.

't Was om moedeloos te worden.

Maar Alewijn gaf de hoop niet op. Eindelijk zag hij de kans schoon. Op
een herfstmorgen werd hem bevolen, knollen te rapen op een akker,
ver van den burcht.

Overal om hem heen was het stil, nergens bevond zich een levend wezen.

Zulk een schoone gelegenheid kwam nooit weer. 't Ware zonde en
jammer, er geen gebruik van te maken. En Alewijn liet haar dan ook
niet voorbijgaan.

Nog eenmaal keek hij rond, nog eenmaal overwoog hij de bezwaren,
aan een vlucht verbonden.

Toen liep hij hard weg.

Nu zijn besluit genomen was, maakte hij zich niet meer bezorgd over de
hinderpalen, die hij noodzakelijk moest aantreffen. Toch waren die niet
gering. Overal zou men hem dadelijk aan zijn kort geknipte haren als
lijfeigene herkennen. En de straf, die een ontvluchten slaaf wachtte,
was afschuwelijk.

Maar Alewijn telde geen leven, dat in ellende moest worden
doorgebracht. Zonder ophouden liep hij door, zoo hard hij kon. Gelukte
het hem, de stad Utrecht te bereiken, dan zou de toekomst zich veel
beter laten aanzien.

Elke slaaf toch, die bij haar een toevlucht zocht, was vrij, als hij
binnen een jaar niet werd opgeëischt. En het zou Alewijn niet moeilijk
vallen, door arbeid in zijn onderhoud te voorzien.

Eindelijk had hij de landerijen van heer Diederik achter den rug. Maar
nu deden zijn beenen zich voelen. Geen wonder. Want hij had al maar
doorgeloopen, zonder zich een oogenblik rust te gunnen; had een enkele
maal de neiging tot zitten hem overvallen, dan was hij door den angst
weer sneller voortgedreven.

Nu kon hij niet meer. Hij zocht een beschut plekje op, legde zich
neer en sliep dadelijk in.

Lange rust werd hem echter niet gegund.

Nog had hij slechts een paar uur geslapen, toen hij werd opgeschrikt
door een vreeselijk koud en nat gevoel.

Het regende en niet zuinig ook; met stralen goot het water uit
den hemel.

Op die natte plek kon hij niet blijven liggen. In een wip was hij
overeind, om naar een beter plaatsje te zoeken. Helaas, het bleek
moeilijk dit te vinden.

De geheele omtrek was dofgrijs en de dichte regen belette het
uitzicht. Toch gaf Alewijn den moed niet op. Met rassche schreden
ging hij voort, naar alle kanten rondkijkende.

Wel zag hij hier en daar een groepje boomen, maar die gaven al heel
weinig bescherming.

Toen echter voor een kort oogenblik het licht doorbrak, schoot den
vluchteling een plan door het hoofd. Plotseling snelde hij op een
hoogen boom toe. Zonder zich te bedenken, sloeg hij armen en beenen
om den stam, moedig werkte hij zich omhoog, hoe lastig het ook ging,
den gladden, natten boom te beklimmen.

Gelukkig had Alewijn dit werkje meer gedaan; al moest hij herhaaldelijk
rusten, al kwamen er oogenblikken, dat hij evenveel teruggleed,
als hij vorderde, toch bleef hij doorklimmen.

Eindelijk had hij de onderste takken bereikt.

Nu was het klauteren niet meer moeilijk. In minder dan geen tijd
zat Alewijn boven in den boom, zoo hoog, dat de tak, waarop hij zat,
bedenkelijk ging buigen.

Hooger klimmen zou gevaarlijk zijn. 't Was trouwens ook niet noodig:
Alewijn was, waar hij wezen wilde.

Wel regende het nog altijd, wel zag de omtrek donker en grijs, maar
eenigen tijd later braken de wolken. 't Werd helderder.

Heel in het verschiet ontwaarde Alewijn de torens van een kasteel.

Die plek moest dus zorgvuldig vermeden worden.

De regen werd minder en hield eindelijk geheel op; de kring, die kon
overzien worden, breidde zich meer en meer uit. Daar kwam de zon voor
den dag. Vriendelijk straalde zij tusschen donkere wolken en bescheen
met een helder licht het geheele landschap.

Nergens was een sterveling te zien; overal heerschte de diepste
stilte. Maar wat Alewijn ontdekte, gaf hem reden tot groote blijdschap.

Daar zag hij, aan den horizon, een kronkelende, blinkende lijn op
het veld.

Dat was de Rijn; daar liep de weg naar Utrecht.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

AAN DEN RIJN.


De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch
aan de oevers der rivier uitrustte.

Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij
gingen.

Eindelijk stond hij op: 't was te koud om langer te blijven zitten. Het
gure weer dwong hem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.

Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.

Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel
naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond
achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand,
terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.

Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuig te bekijken;
nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.

Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet
langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water
te spartelen.

De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip
zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten
zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.

Te laat.

Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was
de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er
aan redden niet te denken viel.

De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en
worstelde vruchteloos met de krachtige golven.

Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles
zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn
plan gemaakt.

Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong
hij te water.

Dat was nog eens zwemmen!

Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen,
herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer
liet zich niet afschrikken.

Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij
tegen stroom en golven.

Zoo ging hij regelrecht op het doel af.

't Was hoog tijd.

Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten
uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed
zou zien verdwijnen.

Herhaaldelijk riep hij om hulp.

Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen
draaien: nu naderde het den oever.

Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn,
hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de
drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na
spoelden golven over hem heen.

Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het
en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij
hem was.

Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden
greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te
moeten bekoopen.

Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet
kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus,
dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.

Zoo dreven beiden met den stroom mede.

Maar de hulp was nabij.

Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn
zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem te
kunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten,
aarzelden ze niet.

't Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst
den ongelukkige bereiken?

Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde
zijn pogingen; hij spande alle krachten in en--smaakte de voldoening,
zich boven te houden, tot de redding nabij was.

Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden
allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.

Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep
van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.

De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te
brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven
en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde
niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.

Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende
broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde
er zich na het koude bad aangenaam warm in.

Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf
de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: "Jongen,
ik dank je nog wel."

Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde
ook niet, want de schipper praatte door.

"Zonder jou lag ik nu op den bodem van de rivier. Hoe kan ik je een
bewijs van mijn dankbaarheid geven?"

Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar
kwam niets van in.

"Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar
bezwaar tegen?"

Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje,
bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?

Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden
tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat
blijven mocht.

"Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink
een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet
van den schrik eens goed bekomen."

Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer
op zijn gemak.

Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.

't Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine,
slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.

Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu
had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche
kooplui afkomstig, aan boord.

Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man
zijn waren met goede winst van de hand te doen.

Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van
alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden
uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland,
Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen
te doen.

In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk
vertier, maar op zoo'n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte
in de straten.

En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon
levendig.

Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens
ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat
hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.

De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger
in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.

Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde
hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel
van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel
wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden
een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij
het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen,
legde de koopman hem met een vriendelijk gebaar het zwijgen op.

"Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig
verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet,
den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te
kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd
er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan,
ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt,
hoe je hier komt en wat je plan is."

Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet
goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: "Als je
liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er
even goede vrienden om."

Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem
zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste
verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij
druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig
toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een
uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei,
dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:

"Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in
slavernij te zuchten."

Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn
jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het
zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen. Toen
de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte
en afscheid wilde nemen, zei de koopman: "Hoe is het? Zou je geen
lust hebben, de reis met mij te maken?"

Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven
op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman
behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren
geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer,
in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij
als een vogel.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EEN ONAANGENAME ONTMOETING.


Nog eenige dagen bleef het schip op dezelfde plaats liggen; de koopman
behoefde geen haast te maken, daar de markt nog lang niet begonnen
was. Alewijn stond dikwijls op het dek en keek naar de voorbijgangers
op den weg, en naar de vaartuigen op de rivier.

Op een morgen, den dag, voordat het schip vertrekken zou, zei een
der opvarenden tot zijn metgezel, die de rol van kok vervulde:
"Hoe is het, zou je het ontbijt maar niet gereed maken?

"Ja, maar ik weet niet, of er wel veel meer te ontbijten is."

"Kom, wat praat je nu? Niet veel meer te ontbijten, en dat schaap dan,
dat Steven twee dagen geleden gekocht heeft; dat kan nog niet op zijn."

"Jongen, daar zeg je zoo wat; dat kon ik wel gereed maken; alleen...."

"Nu, wat wou je zeggen?"

"Ik heb geen hout meer. Kun jij niet even aan wal gaan, om wat
te halen?"

"Neen, onmogelijk, ik moet het zeil wat opknappen, dat een weinig
gescheurd is. Maar loop jij zelf even."

"Ik kan geen twee dingen te gelijk doen; ik moet het vleesch afsnijden
en schoonmaken en de potten nazien."

"Op zoo'n manier krijgen we niets te eten."

"Ik kan er niets aan doen; als je eten wilt, moet je er ook wat voor
over hebben."

Alewijn hoorde het gesprek en was blij, dat hij gelegenheid had,
zijn metgezellen van nutte te zijn.

"Wil ik even gaan?"

"Wel ja, als je lust hebt. Wacht, dan zal ik je een mes geven. Kom
je gauw terug?"

"Nu, dat weet ik niet. Die taaie twijgen daar aan den oever lijken me
niet heel geschikt toe, en ik moet zeggen, dat er dicht in de buurt
niet veel bosch te zien is."

"Daar heb je gelijk in: nu, zie dan, dat je zoo gauw mogelijk wat hebt;
deze baas hier rammelt van den honger."

Alewijn verliet het schip en ging den oever langs in de richting van
een boschje, dat hij in de verte ontdekt had. Tot zijn genoegen zag
hij, dat zich hier dun hout in overvloed bevond. Het boschje stond
ongeveer honderd schreden van den weg af. Alewijn verliet dus het pad,
stak het grasland over en was al spoedig druk aan den arbeid. Toen
hij een flinken bundel bijeen had, wilde hij terugkeeren, maar nu keek
hij rond, of er geen twijgje te zien was, geschikt om er den takkenbos
mee te binden. Toevallig zag hij op den weg twee mannen voorbijgaan.

"Wacht," dacht Alewijn, "die hebben misschien een touwtje of zoo iets
bij zich. Ik kan het hun best even vragen." En, zonder zich langer
te bedenken, verliet hij het boschje. Toen liep hij naar den weg en
riep de mannen aan, in de hoop, dat ze even zouden blijven staan.

Het scheen echter, of ze zoo druk in gesprek waren, dat ze van zijn
geroep niets hadden gehoord; daarom versnelde Alewijn zijn schreden, en
riep, toen hij hen op korten afstand genaderd was, voor de tweede maal.

Beiden keken om, maar in plaats van hen om een touw te vragen, bleef
Alewijn verschrikt eenige oogenblikken staan en staarde met groote
oogen voor zich uit.

En de beide mannen waren niet minder verbaasd dan hij: "Daar heb je
warempel den gevlogen vogel. Hoe komt hij nu hier?"

Het waren twee mannen van heer Diederik, die Alewijn achtervolgd
hadden, maar natuurlijk vruchteloos hadden gezocht.

"Nu mag hij ons toch niet ontsnappen," zei een van beiden, toen hij
zag, hoe Alewijn, zonder zich lang te bedenken, rechtsomkeert maakte,
en wegliep, zoo hard hij kon, dadelijk door de anderen gevolgd.

Alewijn kon gelukkig hard loopen, en hij was al spoedig een flink
eind voor. Eerst was hij van plan, zijwaarts het veld in te vluchten,
maar hij begreep, dat dit niet het verstandigste zou zijn, daar hem
dan allerlei hindernissen in den weg konden komen. Daarom bleef hij
het pad volgen; hierdoor liep hij echter zijn ongeluk tegemoet.

Want de mannen, die hem op de hielen zaten, waren niet alleen:
zij werden door een groot gezelschap gevolgd. En bij dit gezelschap
behoorde niemand minder dan heer Diederik zelf. De jongen merkte hen,
helaas, eerst op, toen hij op een bocht van den weg, waar een boschje
de reizigers voor zijn oog verborgen had, eensklaps voor hen stond.

Nu was Alewijn wel gedwongen, het veld in te vluchten en hij deed
het ook dadelijk, maar 't was te laat. Hier hielp geen hard loopen aan.

De heer, opmerkzaam geworden door het geschreeuw en Alewijn dadelijk
herkennende, beval eenigen van zijn volgelingen, eveneens aan de jacht
mee te doen. Zoo was de arme jongen spoedig ingehaald, gegrepen, en,
hoe hij zich ook verzette, bij heer Diederik gebracht.

Het zal geen verwondering wekken, dat de edelman niet voor den
tweeden keer van plan was, den lastigen lijfeigene genadig te
behandelen. Integendeel, hij wilde korte metten maken en vroeg aan
zijn bedienden: "Wie heeft er een flink touw bij zich; dan zullen we
hem maar aan den eersten den besten boom opknoopen."

Het was Alewijn angstig te moede; het scheen wel, of het ongeluk hem
nu altijd moest achtervolgen. Hoe dicht was hij nu niet bij zijn doel
geweest, en toch zag hij zich opeens onherroepelijk verloren.

Want ditmaal scheen er voor hem in het geheel geen kans op, dat hij
den dans weer zou ontspringen. Reeds kwam een der mannen met een
valschen lach op het gezicht aanloopen en liet een stevig stuk touw
zien. Het meeste ergerde Alewijn zich nog, omdat die man pleizier
scheen te hebben in het ongeluk van iemand, die hem toch nooit wat
in den weg had gelegd. Maar de slavernij maakt de menschen ruw en
hardvochtig, en Alewijn had al meer dan eens kunnen opmerken, hoe die
lieden vaak in kwaad doen hun vermaak vonden. Slechts zelden was hem
vriendschap bewezen, bijna nooit had hij een hartelijken toon tusschen
de lijfeigenen vernomen.

Zoo zou het dan met zijn leven gedaan zijn en Alewijn, die zag, dat
er toch niets aan de zaak te veranderen was, beproefde zich in zijn
ongeluk te schikken en zorgde, niets te laten merken van wat er in
hem omging.

Toch liep het ook dezen keer nog goed voor hem af, want, toen heer
Diederik, rondkijkende, een fermen boom scheen uit te zoeken, die
sterk genoeg was, om een weggeloopen lijfeigene aan op te hangen,
sprak een ridder, die naast hem reed: "Zeg eens, waarde zwager,
zou je daar nog niet wat mee wachten?"

Alewijn voelde een flauwe hoop in zich opleven, maar hij verwaardigde
zich niet, den spreker een dankbaren blik toe te werpen, want hij wist
heel goed, dat de ridder niet uit medelijden gesproken had. Het zou
spoedig blijken, dat hij goed gezien had. Toen heer Diederik vroeg:
"Waarom?" antwoordde de edelman: "Neem hem liever mee, dan kan je hem
op het kasteel op je gemak een geduchte straf toedienen en zoodoende
een waarschuwend voorbeeld stellen aan allen, die soortgelijke kuren
in hun hoofd mochten hebben."

Heer Diederik dacht even na. Hoe onverschillig Alewijn ook voor zich
zag, toch voelde hij zijn hart kloppen: zoo lang hij nog leefde,
had hij hoop, te kunnen ontvluchten, op het oogenblik echter, dat de
heer hem zonder complimenten liet ophangen, was het natuurlijk voor
goed uit. Lang heerschte er een pijnlijk zwijgen.

Weer wendde de edelman zich tot zijn zwager: "Dat is nu toch al de
derde keer dit jaar."

"Zooveel te meer reden, om een flink voorbeeld te stellen."

"En wat het vervelendste is: als ze ontsnapt zijn, zie je ze later
soms in Utrecht vrij rondloopen. Dat moest noodig veranderd worden."

"Doe er maar eens wat aan."

"Ik ben toch blij, dat we dezen snuiter te pakken hebben gekregen;
hij was zoo vriendelijk, ons recht tegen het lijf te loopen. Het leek
mij eerst nog al een kalme jongen toe."

"Dat soort is dus het minst te vertrouwen. Maar om op de straf terug
te komen, ik geloof stellig, dat het hoogstnoodzakelijk is, een goed
voorbeeld te stellen."

"Het kan zijn, dat je gelijk hebt. Als hij me onderweg maar niet
ontsnapt."

"Zoo je hem goed laat bewaken, zal hij dit wel laten."

Alewijn was dus vooreerst van den dood gered, maar dit diende slechts
om hem later gruwelijker straf te bezorgen.

Toch was hij blij met dezen afloop, want hij gaf de hoop niet op,
dat een gelukkig toeval hem redden zou. Hij nam zich tenminste alvast
voor, naar alle kanten goed uit te kijken en van de eerste de beste
goede gelegenheid gebruik te maken.

Het gezelschap zette de reis voort. Alewijn liep, geboeid en wel,
tusschen twee welgewapende mannen in, die in last hadden, den gevangene
goed te bewaken en hem bij de minste poging tot ontvluchten dood te
slaan. Deze bedreiging was voldoende, om Alewijn rustig voort te doen
stappen. Hij keek bedaard voor zich uit, maar wierp, toen men op de
plaats gekomen was, waar het schip lag, tersluiks een blik zijwaarts.

Toen Alewijn zoo lang wegbleef, keken de opvarenden naar hem uit. Maar
nergens was een spoor van den jongen te ontdekken.

De koopman had er toch allerminst vermoeden van, dat zijn jonge vriend
meeging met den troep reizigers, die daar den weg naar Utrecht volgden.

Eindelijk kon men niet langer wachten. Het schip moest vertrekken
en in de hoop, dat men den verloren zwerveling in Utrecht weer zou
ontmoeten, zeilde de schipper de rivier verder af.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ONVERWACHTE UITREDDING.


't Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui
en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen
vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen
te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis
getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.

De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in
Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond
zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere
stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af,
dat een kooper hem zou naderen.

Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik
van het gewoel, maar tegelijk goed uitziende, of Alewijn zich ook
onder de menschenmassa mocht bevinden.

De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den
redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de
gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.

Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn
aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den
deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had
moeten binnentreden.

Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg
vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan,
Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.

Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen
wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen
belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met
gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling
behoorde.

Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.

Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich
voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.

Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.

In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten
armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel
was.

Ook 's ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar
beiden waren het er over eens, dat zoo'n kostbaar stuk buitengewoon
veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen
hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer
veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.

De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai
bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl
hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan,
ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op
had doen springen. Daar stond Alewijn!

Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel
spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als
hij was, even gauw een besluit genomen.

Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was
zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk
te beloonen.

Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder
eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg,
antwoordde hij: "Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste,
dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook,
kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie
slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid
alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn."

Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid
geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik
kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden;
eindelijk keek hij den koopman vragend aan:

"En de prijs?"

De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht
de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon
verwachten.

"Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig,
om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een
van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den
uwen noemen."

Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige
oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of
hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand
niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de
handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen
toon zijn eisch.

Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan
eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou
zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen
prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men
behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de
echtheid van deze fijne stof te herkennen.

"Maar man," riep de edelman eindelijk uit, "meen je, wat je zegt?"

"Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me
hooge ernst."

"Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je,
dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat,
ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb."

Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de
koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op
een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak:
"Dank u, ik zoek liever zelf."

Nog eens zeide hij ernstig: "Gij geeft mij immers verlof te kiezen?"

"Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig."

"Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met
u voert."

Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet
minder zijn ergernis: "Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je
verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene."

De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij
maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder
naar het kleed was, sprak hij bedaard: "We zijn het dus niet eens,
welnu, dan gaat de koop niet door."

"Waarom vraag je niet een flinke som geld?"

"Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is," antwoordde de handelaar
wel beleefd, maar toch zoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde
aan te dringen.

Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel
blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.

Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van
een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.

Wat moest hij doen?

Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich
met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk
gaf, wond den edelman op.

"Spreek," riep heer Diederik ruw, "wat moet je voor den mantel
hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar...."

"Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb," was het eenvoudige antwoord.

Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar
nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.

Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de
verzoeking te sterk.

"Vooruit dan maar," riep hij plotseling, tot groote verbazing van
de omstanders.

Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving
den mantel.

Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak
hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen
Alewijn zich bukte, om ze te kussen.

Maar de handelaar glimlachte en sprak: "Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu
ben je vrij, voor altijd."

De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader
en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte,
maar dat behoefde ook niet.

Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders
op te zoeken.

Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam
de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land
verkocht was.

Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel
ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde
hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor
Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden
der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.



INHOUD.


                                                    Bladz.

    HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING         5
    VERKOCHT                                           16
    NIEUWE KENNISSEN                                   25
    DE BELEGERING                                      39
    DE KAT                                             48
    EEN GEVANGENE                                      59
    DE UITVAL                                          67
    OP WACHT                                           74
    DE OUDE WENA,                                      81
    ALEWIJNS RIJKDOM                                   89
    HET TIENDMAAL                                      97
    DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL                     109
    DE VLUCHT                                         116
    AAN DEN RIJN                                      121
    EEN ONAANGENAME ONTMOETING                        129
    ONVERWACHTE UITREDDING                            136





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Alewijn, de Lijfeigene - Historisch verhaal uit de 12e eeuw" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home