Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Natuurfantazieën
Author: Carelsen, G.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Natuurfantazieën" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                            NATUURFANTAZIEËN


                                  DOOR

                              G. CARELSEN

           Schrijfster van: Brieven van een Landmeisje, enz.



                                HAARLEM
                          H. D. TJEENK WILLINK
                                  1881



INHOUD.


                                                        blz.

          I.   Een Nieuwjaars-wandelpraatje               1
         II.   Meeuwen                                    6
        III.   Bloemen voor het venster                  16
         IV.   Sprokkelmaand                             26
          V.   De lange lente                            33
         VI.   Bij een schaaltje kievitseieren           39
        VII.   Rondom een molshoop                       48
       VIII.   Palm-Paschen                              53
         IX.   Tulpen                                    57
          X.   Hei, 't was in de Mei!                    63
         XI.   Een Engelsch landschap                    68
        XII.   In den bloeienden boomgaard               74
       XIII.   Bouquetten                                78
        XIV.   Een dubbele boodschap                     82
         XV.   Een boschtooneeltje                       88
        XVI.   Op de bloemmarkt                          98
       XVII.   Aan de Noordzee                          102
      XVIII.   Een kastanjeboom                         111
        XIX.   Een inlandsche arend                     115
         XX.   Eene linde                               118
        XXI.   Tapijtbedden                             124
       XXII.   De poëzie van het groenten-schoonmaken   129
      XXIII.   Korenbloemen                             135
       XXIV.   Een bergtocht                            140
        XXV.   Ouwerwetsche bloemen                     148
       XXVI.   Augustus                                 154
      XXVII.   Bloemen langs den weg                    160
     XXVIII.   De lotos                                 165
       XXIX.   Ons wier-eiland                          170
        XXX.   Najaarsbloemen                           179
       XXXI.   Een tragedie in den moestuin             187
      XXXII.   Een natuurkalender                       191
     XXXIII.   Jacht en wild                            197
      XXXIV.   Gesloten?                                205
       XXXV.   Wintervogels                             209
      XXXVI.   Vóór of achter den ploeg                 217
     XXXVII.   Groenblijvende boomen                    225
    XXXVIII.   Een oudejaarswandeling                   231



I.

EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.


Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers
en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....

Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik
veler menschen pad "met bloemen kon bestrooien", zooals de aloude
spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer
doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk
bezorgen moge door de lezing van dit boekje.

"Natuurfantazieën" heb ik het genoemd. Nu is "Natuur" een
van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind
vangen,--namelijk veel "wind van leering"; het is een woord waarvan men
dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er
soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven,
b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den
mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik
dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en
voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens
ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en
het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom
ons,--zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden "fantazieën".

Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen,
wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot
de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten
volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst
van wandelen te verstaan.

Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen
op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de "vrije
natuur". Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer
men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken,
dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd
heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van
zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig
aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den
slag niet van hebben.

Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt,
kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de
omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven
zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. "De
meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen,
en de zenuwen komen van de boeken." Ziedaar de zeker niet zeer
wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking,
waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer
beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel
wandelt, minder gevaar loopt van onder "de boeken" begraven te worden
dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met
inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer
blijken goede medicijn te wezen voor "de zenuwen",--zoo doet elk wèl
die daartoe zijne maatregelen neemt.

Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in
een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen
raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder
bloemen te bewegen; "dan zullen", voegt hij er ten slotte goedmoedig
bij, "de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die
niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!" Nu hoop ik
hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen
van "de menschen" te verachten of te haten; maar voor ieder onzer
komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen,
maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan,
er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het
punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen,
hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de
dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met "bloemen",--in
het algemeen met de "natuur",--als een weldadig middel aanbeveelt.

En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben,
maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap
weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen
staat,--ook dan is de stille omgang met die "natuur" een weldaad. Wij
moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven:
geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn;
ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet,
zij troost niet onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel
haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder
afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust
en verzoening te geraken.



Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te
wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van 't
jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder
koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap
meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met
een rij knotwilgen tot eenig sieraad.--Doch,... zal ik vertellen
hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren
waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer
en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo
arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken:
een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij
gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er
dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte,
en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder,
en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En
ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg,
wel zoo'n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou
hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo
onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om
te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen
rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden,
zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u
toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te
kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met
het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt
gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke
vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de
mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van
't jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel
kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij
vloog? En hoelang zou 't nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds
de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen?

Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat.



II.

MEEUWEN.


Wij zaten vroeg in 't voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch
logement.

Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen
daarvoor plegen te zeggen: "On parlait la pluie et le beau temps."

"Mooi weer vandaag!"

"Het zal niet lang zoo blijven."

"Waarom niet?"

"Er zit zoo'n bank in 't westen."

"Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen."

"Dat geeft regen!"

"Dat geeft sneeuw!"

"Dat geeft nachtvorst!"

"Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat
is altijd een goed teeken."

"Als zij duiken, dat is een slecht teeken."

"'t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken."

"Wat zouden zij dan eten?"

"Insekten en visschen."

"Ik geloof niet aan meeuwen."

"Ik wel."

"Wat gelooft u er dan van?"

"Wel, dat ze weêrwijzers zijn."

"Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op
zee. Ze waarschuwen de schepen."

"Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier."

Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze
heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op
hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet,
welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een
groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De
laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden
wisselt, zoodat zij 's zomers een zwart kapje schijnen op te hebben,
zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het
riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier
van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij
leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote
hoeveelheden meikevers te vernietigen.

De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn
trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het
winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en
eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker
afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen
bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van
den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar
barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling
in de natuur, zijn loon meebrengt.

Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed
kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende
laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al
wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water,
land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan
nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging
houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in
Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw,
die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij
ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor
den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik.

Op 't strand kunnen wij ons vermeien in 't aanschouwen van dat
zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en
het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in 't oog. Een paar
zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden
kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en
strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier
natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar
de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer
gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken,
of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel
"Burgemeesters" zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te
herkennen, behoeft men juist niet "wetenschappelijk gevormd" te wezen.

Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk
een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en
houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te
zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t'huis--men
zou bijna zeggen, zoo "veelzijdig ontwikkeld" zijn. Zij kunnen, wat
slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en
goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend
als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het
kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn
zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en
vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort
te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik
nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de
meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en
bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen;
welk een kracht in het zweven en "staan"! Misschien werkt de zilvertint
iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar
stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te
danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water,
hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel
bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig
of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo
als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt,
terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij
zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken,
als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben;
en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen
slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder
behaaglijk om voelen. Maar 't zij zwemmend, of vliegend of dobberend,
zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar
deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een
"zeestuk" zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij
niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine's "Meereslieder",
en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.

Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan
ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent
of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er "ja" op te
antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te
lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren
of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote
menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der
meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde
breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten,
de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij
slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook
nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij
zwerft in 't gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier,
en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit
beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze
als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart
en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen
tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch
landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen,
wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele
streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men
het eens, dat dit te "visschig" is om lekker te wezen. Trouwens
dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van
visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid:
zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven
dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar
ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of
deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou
mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel,
met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of
op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls
zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa
der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde
vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen
zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van
een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half
Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten,
ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar
komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug,
waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.

Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij
voor 't eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. "Toen
ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland," vertelt hij,
"had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen,
en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit
zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de
Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een "vogelberg" aanschouwde. Wat
ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei,
met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein
had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels
te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte
puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en
bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en
verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat
zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt
en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter
beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De
zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks
dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was
nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik
moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld
van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft."

Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken,
en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier
geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks
genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog
slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns
of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens
alle meeuwvogels "Visschenpikkers"). Ook hun lastige vijanden,
de roofmeeuwen of zoogenaamde "Jagers", volgen haar zuidwaarts, al
hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den
broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende
menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost,
de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; 's winters daarentegen
geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De
"Jagers" namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang
te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half
verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote
behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog
een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel,
treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale;
van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen.

Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug
vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer
wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk
leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons
te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure
jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor
de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries
zulk een angst en afkeer hebben. "Nu ja," zal men zeggen, "daarvoor
zijn het zwemvogels." Doch is niet juist dit het belangrijke bij
ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel tot zwemvogel maakt
en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het
kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat
stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels
en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge
geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts
vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het
zoo te noemen.

Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude,
die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun
vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen
en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: 't is als er
storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk,
onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of
wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk
maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet
gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid
der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs
vele volwassenen hun "humeur" niet boven dergelijke invloeden kunnen
verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene "redelooze meeuw"
daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen
de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem
wonende, hoorde ik dan vertellen, dat "de Zandvoorders hun duiven
loslieten". Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de
rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar
niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater
ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe
vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen
amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar
zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds
een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet
ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen,
die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander
dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo
heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur,
een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer
Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den
wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de
meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en,
in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam
wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar.



III.

BLOEMEN VOOR HET VENSTER.


Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne
wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij
het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als
sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig
te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe
vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij
brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets
anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen,
waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde
die er voor bloemen heerscht.

Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen
het feestelijke van onze feesten,.........

Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot
en klein, vooral voor 't venster, zelden aan "een bloemetje"
ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt
doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige,
gezellige, verkwikkelijke menschen, "gelukkig voor zich zelven en
een ander," zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan
vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun
eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich
doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk,
vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting,
zoo goed als een gordijn, een chassinet of "horretje". Maar terwijl
eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter
blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes
uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een
stuursch: "Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken",--verbiedt
dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en
groet als 't ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf
de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl
er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat
nader bekijken.

Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de
Begonia's. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze
variëteiten, van de "ouderwetsche" eenvoudigsten, met donkerroode
bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen
en zilver.

Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,--drie dingen trekken
bij alle Begonia's, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten
eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad,
waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben,
wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee
helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten,
hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de
plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede:
de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de
anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen
zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen,
vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate
zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde
aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer
in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij
elkaar staan.--Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de
jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit
Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas,
geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene
hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds
in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot
het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt
niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.

Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange,
dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen
verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan
denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk
drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan
ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein
zijn als de, minst in 't oogloopende, witte, van de oudste soorten,
of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez,
zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de
fraaie "bolbegonia's" over; de gewonen zijn en blijven in de eerste
plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren.

Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche
bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte
bladeren--wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid
dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is--doen zich aan
het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al
te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen
wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig
aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of
veranda's, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer
sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den
tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een
dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den
bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste
van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den
regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons
de kleurenwisseling van 't loof alleen normaal doet voorkomen gedurende
den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?--

Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort
de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden,
teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met
zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven
uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene
menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven
op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot
haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid
tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen
zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen,
gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf
afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien,
zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de
bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel,
afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den
stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo
spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo'n kroontje van hare
plant loslaat in volle kleur en frischheid,--'t is kinderachtig,
maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan
vast te willen maken.

Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula's op den kouden
grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of
"Primulaveeren", of "Bakkruidjes", zooals de tuinlui ze plegen te
noemen; de "Primevères" der Franschen en de "Primroses" der Engelschen.

En dan hebben wij ook inlandsche Primula's, sleutelbloemen die hier
in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige
bosschen en herkent ze dan aan haar "faux-air" van de in den tuin
gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen
dan hier; althans ze bloeit onder den naam van "cowslips" in negen
van de tien engelsche romans.--

Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel
haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer-
dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de
kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen,
beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene
plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het,
daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of
men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.

Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt
daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied
dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat
al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets
aan, wat men in een mensch "gemaakt" zou noemen. Misschien ligt die
indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg
had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid
heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden
werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve
aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend
struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij
te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar
vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen,
zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen
dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te
zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps,
iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes,
zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen
der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van
een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van
top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak
daar recht vrede mee hebben.

De kamer-winter-Azalea's doen mij altijd dubbel verlangen naar
een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit:
de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar
vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat
aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen
achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel,
hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden
en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen,
haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere
steeltjes,--dit alles geeft aan het geheel een veel losser en
sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de
andere heeft is... haar heerlijke geur!--

Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of
ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind
eene "winterroos" hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op
aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien
tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe.

Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze "rood en wit bloeien",
en haar geur, volgens Geibel's gloeiende regelen, "gelijk een adem
uit het paradijs over de velden rondwaart!" En ziet dan nog eens
uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in
't geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos
te lijken?

't Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud,
in het doodsch.

Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle
wintergroen kenmerkt. "Wintergroen" is het door zijn zware opperhuid,
die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als
menschen, die in 't geestelijke "een hard huidje" hebben. In kleur
en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen
eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig
doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad
alles wat inwendig voorvalt.

Doet ons de opperhuid van 't groene blad aan leder denken,--die van
het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren
dan ook juist in hun Camellia dat "wasachtig" aanzien. Het zou
misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant
heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat
leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in
een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer
onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als
menschen aankeken?

De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat
men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite
slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien;
en, mits 't een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang,
onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen 't groen laten hangen. Een
gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De
schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft;
de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere
nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat
het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En
haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het
uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder
dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in
die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en
langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag
geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed
doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft
nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.

Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak
uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke
eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo
schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de
gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het
fijne tintenspel nog daargelaten,--is niet ieder rozenblad, in vorm
en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen
is toe?

En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia,
met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of
de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende
lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid
harer twee en drie ongelijke kelkslippen!

Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!...

Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde
boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij
dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene
roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen;
als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;--en alle
doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van
het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering
kunnen brengen.

Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien
sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden
opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst
gun, niet altijd aan 't vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste,
maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk.



IV.

SPROKKELMAAND.



Zoo luidt sinds eeuwen Februari's bijnaam; en in oude almanakken ziet
men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen,
met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken,
om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar
te zamelen.

"Waar men hout hakt vallen spaanders", zegt het spreekwoord; en niets
is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid,
dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn
er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die
graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos
zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een
boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins
"door merg en been", als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke
hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden,
anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den
aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop
der jaren als het ware een individu is geworden, een "iemand", zonder
wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen;
een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield
voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken,
in 't voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw,
in 't najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des
winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is 't ons vaak of er
een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber
werk verrichten. En is dit niet min of meer 't geval met alle boomen:
brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk,
iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke
Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die,
om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens
denken aan de arabische spreuk:


    Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen.


Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden
aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van
sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge
boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur
gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge
aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder
aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen
van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in
de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig
beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,--omdat men er
meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen,
of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag
geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den
duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje
is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een
boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die
linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit
zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen
wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele
wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste
van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt,
en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En
wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat
een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft,
dat zij "ongezond zijn"? Ik weet een stad, waar vroeger overal,
langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede
punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden,
en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien
men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben,
zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten
wachten tot zij weder groot zijn!--En dan komt het maar al te dikwijls
voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is,
iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt
het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom,
een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat,
op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover
vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in
hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller,
zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels
bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag
men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht
aan haar lot overlaten, als met een "après nous le déluge"? En is
er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in
't zien opgroeien van wat men heeft aangelegd?

Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend
is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel
jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus
Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te
doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke
reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer
deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen
trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, "in jammer en in lijden",
en riep "Maria-Moeder, de reine maagd" tot getuige, dat hij gedaan had
wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet,
de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een
wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En
hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat
er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser
doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn
wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met
Wagner's blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem
gedane wonder genot late hebben,--de dorre stok met groene blaadjes
staat daar als lieflijk beeld van de "eeuwige genade", die meer is dan
"straffende gerechtigheid".

Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die
een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg
geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien
ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in
Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij
namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar
waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt,
zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met
een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming
aan op een vorstigen Februaridag, en moesten "gekuild" worden tot
de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een
stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden,
om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar,
en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en
daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen
liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors,
om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden
beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer
een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van
gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan
dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en
wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van
't geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste
blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor
iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne
eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid
geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar
de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is
het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij
tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang,
of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij
niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel,
hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten,
bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in
het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds
bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde
jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige
landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon "groen
gewelf" zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van
leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen
in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken
geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein
geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij
Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van
de prachtige houtpartijen rondom 's Graveland bestond niets, totdat
vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde;
en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad
had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer
groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans "de schoonste
beukenlaan van Nederland", de veelgeprezen laan van Middachten is....

De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt:


    "maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht".



V.

DE LANGE LENTE.


Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner,
onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die
ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht
had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de
kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders
antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag,
terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij
niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er
altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor
haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij
gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er
gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange
lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger.

De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot
verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente
zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de
lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden
ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet
zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te
hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht
is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik
antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en
een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere
dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse
speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand;
een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd,
ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren:


           "Mars, qui rit, malgré ses averses,
            Prépare en secret le printemps."


In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist
uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij
de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit
opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten.

Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die
velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor
teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche
bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het
jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht
hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of
hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden
worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel
iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo
schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar
voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen,
zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed
doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en
zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens
te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen
bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen:
de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de
lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt",
dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en
dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen
dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente
gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar,
dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.

Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme
lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles,
wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn
uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden
dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden,
diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo
was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch
bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring
zijn nood klaagde:


    OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.

    Een oude wrok is dus in Zephyrus' gebleven?
    Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus' leven!
    Neen, zijne gramschap treft op nieuw 't onnozel bloed
    Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed.
    Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten,
    Uit Phebus' lieveling tot ons vermaak gesproten.
    Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal!
    Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval?
    Eerst werd Andromeda door 't monsterdier verslonden;
    Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden.
    De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht,
    Moest bukken voor 't geweld van hagel, sneeuw en vorst.
    Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen.
    Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk's kroon beweenen!
    Fleury is heengereisd, die arme kardinaal!
    Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal.
    Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen;
    Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen.
    Formosa Helena is wederom geschaakt,
    En Paris met zijn buit te zaam omkoud' geraakt.
    De groote Goliath boog voor 't geweld der steenen,
    Maar Koning David's dood moest ik meteen beweenen.
    Mijn Ganimedes lag door 's winters hand geveld,
    En werd door Arcas naar het starrendak verzeld.
    Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene,
    Augustus d'andere), met Nisa laas! verdwenen.
    Zelfs Scheba's Koningin, met Koning Salomon
    Zijn door 't geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon.
    De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden,
    De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden.
    Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht;
    Polyxena op 't graf van Peleus' zoon geslacht.
    Hier zag ik Icarus naar d'Eridaan gezonden;
    Den dappren Hector aan Achilles' lijk gebonden.
    Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood),
    Regina hield haar man gezelschap in den dood.
    De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven;
    Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven.
    Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan,
    Met Palamedes en Ulyssus is 't gedaan!
    De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen;
    Parmenio werd kort hierna in 't veld verslagen.
    'k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord,
    En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord,
    Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen,
    Ginds is mij Pyramus en Thisbe's geest verschenen.
    De groote Jupiter vloog met den Arend heen,
    De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus' glans verdween.
    Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven,
    Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus' voeten geven,
    Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol;
    Wat van Monarq' du Monde, een allerbesten bol,
    Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,--
    (De droes nam mij het paard,--zou hij den ruiter sparen?)
    De Sultan is verreisd; King George meê van kant,
    En met den Ooijevaar naar 't onbekende land!
    'k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;...
    Waar is, o Goôn, de schaar die 'k eertijds konde tellen?
    Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist?
    Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!


't Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En
daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52 1/2° N.B.,
in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t'huis
behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de
schuld op ons klimaat!



VI.

BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.


De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te
bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den
burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste
mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou
gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan
in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen
kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel
goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t'huis komt,
en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een
"kieft" ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is,
maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij
heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te
onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar
de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een
nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid
dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.

Intusschen is 't mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in
zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De
kievit is een weidevogel. "De kievit," zegt Brehm ergens, "behoort
bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai
bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij
doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte
[1] koeien, aan windmolens en buitenplaatsen." De vraag is, of men
dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij
niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare
Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid,
en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop:


            Qui n'a pas mangé de vanneau,
            N'a pas mangé de bon morceau.


(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun
eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!)

Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche
vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is
grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft
zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag
zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens
op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en
ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te
rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte,
waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een
paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig
dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei
onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in
de vogelenwereld.

Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen,
zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen,
eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van 't hek zit,
waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen
met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur,
het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen
uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet
altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen
of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich
lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een
kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen,
die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor
hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers
gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje,
met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er
in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet
dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen
bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik
heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat
bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het
concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:--zooals trouwens
in meer kunstenaarsgezinnen het geval is.

De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd
in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij
loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig
welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto,
Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig
geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw
is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een
weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper,
nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van
wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren,
waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is
iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen
zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog
een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des
avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op
denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje
(?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner
en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een
tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en,
meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het
vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft,
kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd
van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij
Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel
geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen,
met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar
ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken.

Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik
hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de
merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat,
die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij
die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent "haren",
die "te berge rijzen"? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan,
of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij
wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze
veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken;
maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen
hem, op Texel, niet onaardig den naam van "kraagmaker" bezorgt. Dit
vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een
wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder
eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd
heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht,
het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke
snavel, die in de hitte van 't gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren
bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen
wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van
beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood
ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen:
zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.

Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl
onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij
hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam
om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde
tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht
genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend
kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte
van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon
een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings
groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een
weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van
den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts
eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is
geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze
samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem
dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen,
zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij
het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder 't
lichaam op te trekken.--Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet
iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn,
dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan;
en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en
gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen
van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem
vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij
dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche
moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert
door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden,
en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden,
nog altijd niet hebben leeren nadoen!...


           "Ik wou dat ik een vogel was,
            Een vogeltje met veêren."


Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een
dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn
eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar
een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van
zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee
in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, "en een mensch is
nu eenmaal geen vogel," luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang
in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen
in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen!

Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen
op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende
bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen
allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken:
wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien
zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben
dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het
nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier
eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij
toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet
hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons,
die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een
welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af
te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne
menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de
arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te
goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans,
daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter
kan zich zoo warm maken over de "wonderschoone Meimaand" als de
kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening
en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van
eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet
altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is
er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij
zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich
bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen
hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is
verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken
te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld
bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken
zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer
dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood,
bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet
men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden,
en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als
zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo'n vijand aan te
vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals
zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk
gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend,
en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad,
den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers
is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei
of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek,
in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen,
naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart,
eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug.



VII.

RONDOM EEN MOLSHOOP.


"Het kruid schiet op in den lommer van het geboomte, welig als het
gras op het veld; en de witte madelieven en de gele paardebloemen
spikkelen en strepen de groene weide met de sneeuw van den winter en
den goudglans van den zomer, of zij in kleuren wilden uitspreken, hoe
beide krachtige seizoenen samensmelten in de beminnelijke, maagdelijke
lente."--Dus heet het in een van die keurige natuurtafereelen,
die steeds de grootste en blijvende schoonheid van Hofdijk's werken
zullen uitmaken.

Ik gun u allen, lezers, het gezicht op zulk een gespikkeld veld;
benevens lust en rust om er u in te vermeien; gezondheid om er
beurtelings in te loopen, te zitten, te liggen; een vrijen en
ontspannen geest, ontvankelijk voor frissche indrukken!

Zoodra de spreeuwen op het dak hun voorjaarsliedje zingen gaan,
in plaats van hun eentonig winterdeuntje, zoek ik elk jaar de
plaatsen op, welke mij van ouds bekend zijn als het rijkst aan
paardebloemenplanten, en het drukst gefrequenteerd door mollen. De
paardebloemenplanten bloeien dan nog niet, maar zitten grootendeels
nog in den grond verscholen, evenals de mollen zelven, die men bij
die gelegenheden zelden te zien krijgt. Dit laatste is mij trouwens
vrij onverschillig. Heel mooi is een mol niet. Zij is het best te
vergelijken bij een donkergrijs fluweel speldekussentje, met zes niet
zeer bevallige uitsteeksels: een daarvan is de kop, (als van een varken
in het klein) en een de staart; de vier anderen zijn de pooten. Die
pooten zijn voor ons 't belangrijkst, èn om hun zonderlingen vorm,
èn... omdat zij het zijn die middellijk de molsla leveren. In
onderscheiding toch van gewone viervoetige dieren, heeft een mol,
gelijk een mensch of aap, twee beenen om te loopen en twee handen om
te werken. Die handen, als ik ze zoo noemen mag, hebben behalve haar
merkwaardige breedte nog dit eigenaardigs, dat de bijbehoorende armen
tot aan den elleboog toe onder de huid verborgen zijn. Een en ander
maakt ze tot zeer degelijke graafwerktuigen. De mol wroet gangen,
die men met de loopgraven van vestingwerken pleegt te vergelijken;
en menigeen die zich de moeite heeft gegeven om in letterlijken zin
die gangen na te gaan, bewonderde het instinktmatig plan, waarnaar
het kleine dier te werk gaat, om zijn hol zoo veilig mogelijk te
maken. Ik zelf ben nooit zoo diep in zijn geheimen doorgedrongen;
mijn kennis van zijn werk bepaalt zich tot de oppervlakte, namelijk
tot de "molshoopen", welke hij gaande weg omhoogwerpt. En hoe meer
paardebloemen-loten zich daarin dan ontwikkelen, hoe liever het mij
is. Aan ieder nieuw pleidooi voor de mollen, uit het oogpunt van hun
deugd als insectenvernielers, gaf ik telkens in verbeelding mijn
bijval uit het oogpunt van molsla, en koester een vernieuwde hoop
voor mijn oogst van het aanstaande voorjaar!

Of molsla-zoeken dan in waarheid geen vervelend werk is?--'t Hangt er
van af hoe men het doet. Als ik met een leege mand op molsla uitga,
zorg ik, dat ik met een volle t'huis kom; maar houd onderwijl mijn
oogen open voor hetgeen er nog behalve molshoopen en paardebloemen op
het veld te zien is. Eerlijk gesproken word ik dikwijls van mijn arbeid
afgeleid door.... Ja door? Door den leeuwerik omhoog; door kikkereieren
die in een greppel drijven; door het stuifmeel der wilgen; door het
eerste plantje hondsdraf, dat ik een heel jaar lang niet had gezien en
geroken. Bij elken stap ontmoet ik oude kennissen, die ik moet groeten;
en somtijds ook nieuwe: kruiden, dieren, die mij onbekend zijn, en
met welke ik trachten moet kennis te maken. Want indien ik dat niet
deed, indien ik ze met half gesloten oog voorbij liep,.... ik zou
mij schamen, al ware het slechts voor de nagedachtens van ouden Hend!

Wie oude Hend was, en wat zijn aandenken nog achteraan voor invloed op
mij uitoefent?--Het was een tuinman uit de buurt. Hij was 't, die mij
de eerste lessen in de botanie gaf, en bijwijlen, in 't voorbijgaan,
ook in de entomologie. Hij zou verbaasd gestaan hebben, zoo hem dit
verteld werd, en toch was het de waarheid. Hij was het, die mij, toen
ik vijf, zes jaar was, uren achtereen rondom zich in den tuin liet
spelen; die mij, al spittend, zaaiend, wiedend, altijd met het uiterste
geduld te woord stond, zoo over de geheimen van zijn eigen arbeid, als
over honderderlei zaadjes, diertjes of onnoembare "griezeltjes", die ik
om hem heen verzamelde. Hij was het ook, die mij het eerst die witte
en die gele "spikkels" van de weide leerde kennen en liefhebben; die
mij het eerst een madeliefje in de hand gaf, met de zonderlinge vraag:
"hoe veel bloempjes ik daar wel tegelijk had?", en mij de pret van "'t
kaarsjes blazen" dubbel aardig maakte, door te vertoonen dat zij uit
een paardebloem afkomstig waren, blijkens het daarin reeds als zachte
zijde gereedliggend zaadpluis. En wanneer de gele spikkels, later in
't seizoen, van paardebloemen boterbloemen werden, dan leerde hij mij,
aan de al of niet omlaag geslagen kelkblaadjes, voorspellen of onder
aan de plant, als men haar uittrok, een bolletje zou zitten....

In zeker stadje, dat zich, sinds een paar jaar, in het
beschavingwekkende bezit van een Hoogere Burgerschool verheugt, bestaat
voortdurend een vriendschappelijke oorlog tusschen den leeraar in het
teekenen en dien in plant- en dierkunde. De een verwijt den tweede
het "onpraktisch" karakter van zijn lessen. De jongens hollen door,
beweert hij, en letten op hetgeen zij op hun weg door de natuur
ontmoeten slechts in zoover, als het hun de theorieën, waar men heen
wil, helpt bereiken; zij praten mee over de leer, die Darwin op zijn
duiven-studiën bouwde, eer zij zelven, met hun eigen oogen, een tortel
uit een houtduif kennen. De man der wetenschap nu kan dit laatste feit
niet tegenspreken; hij vindt het jammer, maar hij troost zich daarmee,
dat de groote zaak niet zoozeer is, den jongens in hun korten leertijd
vele beesten en gewassen "uit elkaar te leeren kennen", als wel om
hen "in te wijden in een goede natuurwetenschappelijke methode", die
hen helpen kan "een helder inzicht te verkrijgen in de plaats die de
mensch in de wereld inneemt", enz. De ander echter blijft van oordeel,
dat een leek, aan hetgeen hij van natuurwetenschap leert, het meest
heeft, in zoover het hem het teekenachtige van de natuurverschijnselen
rondom zich doet gevoelen, en hem gewent zijn fantazie met dat
gezonde en nooit opgebruikte voedsel te versterken. En daar beiden
degelijke menschen en niet van geestigheid ontbloot zijn, is het
niet onaardig hun schermutselingen aan te hooren. Ik echter denk dan
onderwijl wel eens aan Hend. Hem zal het zeker nooit zijn ingevallen,
dat er zooveel onderscheid kon wezen tusschen kunst en wetenschap,
en tusschen de "methode" van verschillende scholen; maar ik heb alle
reden om de zijne hoogelijk te waardeeren. Want--om slechts bij de
weide-"stippels", die wij straks bespraken, te blijven:--indien ik met
belangstelling de botanische ontdekkingen bijhoud, waarbij o. a. de
vorm der meeldraden van de "boldragende ranonkel" tot bewijs dient;
indien ik oog en hart heb voor de schilderachtige legende, die de
roode puntjes van de madelieven als met Held Siegfried's laatste
bloed bezoedeld voorstelt; als, in één woord, mijn ooren open staan
voor al wat dichters en geleerden van dergelijk klein veldsieraad
vertellen,--dan dank ik dat aan Hend, omdat deze de eerste geweest is,
die mij met die bloemen zelven gemeenzaam en bevriend gemaakt heeft!



VIII.

PALM-PASCHEN.


"Pallem-pallem-paschen!..." klinkt het jaarlijks alom in
kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een
voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg
inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van
een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken,
en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij
zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan
zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun
"Pallem-pallem-paschen!"... met nog eenige moeielijk verstaanbare
klanken er achter.

Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die "het van dergelijke klanten
moeten hebben", kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen,
bekend maken. 't Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate
dat het groot en weelderig is,--waaraan een sinaasappel en een paar
appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en
papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van
den welbekenden buks- of palmboom.

Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord
had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien
naam van "palm" gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst
tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal
grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde ("een-zaadlobbige"
[2]) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten
aan de Bildt van ouds den naam van "Palmmarkt" dragen, staat de
Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den
Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in
het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de
eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen,
vertegenwoordigen het daverend "Hosanna", dat in zeker onvergetelijk
drama zoo kort aan het "Kruist hem" voorafging!

Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin
verhaald wordt hoe in 't Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte
palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de
kardinaals voor 't altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in
andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters
met olijventakken in de handen; hoe men zich in 't gebergte vaak
met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte
wilgenteentjes dienst doen.--Ook bij ons in 't Noorden moest
natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd,
een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt
men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan
nauwlijks uitgebot. 't Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo
slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes
vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor
't doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven;
en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk
te krijgen. Eenmaal geregeld "palmdienst" doende, kreeg hij den
naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk
gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht
"onreine geesten" te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van
't volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere
tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden
verspreiden, verhindert niet dat "palmboompjes" tot de meest algemeene
huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door,
palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen
't inslaan van den bliksem.

Den ganschen winter door kroop hier en daar in 't bosch, in tuinen,
en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met
vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de
eenige verdienste was,--dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds
kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een
paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van
't loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men
aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En
indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich
door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is 't niet
vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, 't zij in
vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der
bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets
bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te
weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf
het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga
dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch
om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er
haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar
zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En
zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde
voor die teedere gave.



IX.

TULPEN.


Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer
gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke
rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van
de "Ingezetenen des Plantenrijks" beproefd. In deze teekenachtige
indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en
in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden,
met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij:

"De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en
ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).

"De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei
gestalte), de Edelen.

"De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze
omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten,
namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen
en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers,
namelijk de woekerplanten.)

"De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe
meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)

"De Varens, Werklieden (die 't zaad op den rug dragen).

"De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die
schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen,
welke voor de anderen ongeschikt zijn.)

"De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of
fraaiheid.)

"De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan
op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als
't ware in den nacht, als de anderen slapen)."

Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als "Hovelingen,
pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het
Rijk te strekken."--Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die
schitterende Leliën en Tulpen, Ixia's en Narcissen, al die prachtige
soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige
Scilla's, Frittellaria's en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van
verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk
karakter.

Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode
bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt,
alsof 't in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden,
op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een
weinigje vochtige aarde,--(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds
alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde
niet noodig,)--de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin
maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen!

De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of
zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven,
zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één
woord, gras in 't grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond
overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij
niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een
chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men
gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan.

Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke
voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats
van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie
blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel,
de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder
de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van
drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is,
drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig,
zooals in Tulpen.

De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van
den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op
hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel
van eene soort, die de oude grief,--dat zij "wel pronken, maar niet
geuren,"--het volkomenst logenstraft: de welriekende "ducjes" (Duc van
Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat,
maar overigens in 't oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud,
zwart--(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische,
zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom
van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te
tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden
in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes
samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook
het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In
hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl,
op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den
bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of
gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van
het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes,
verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet
of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan
bij menigte.

Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een
aantal liefhebbers vermeien zich in 't schouwspel dat "de bollenlanden"
rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt
zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois
aan "zoo'n bloemenfabriek", en vergelijken de met vierkante vakken van
roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld
van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan;
maar er valt dan ook van een "fabriek" niet anders te verwachten,
dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk
rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de
bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het,
als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de
schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen,
waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter
"voor het mooi" geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden
om ze bevallig te doen uitkomen.

Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te
"flatteeren", leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een
rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder
er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er
stonden daarin echter ook--van boven geheel afgestorven--drie planten
van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen
nu in 't volgend jaar de tulpen--het waren geen zeer vroegen--gingen
groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en
tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de
laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder
ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel
tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken;
het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen,
terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend
boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite
zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten;
en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste
bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig,
èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan
de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving--ik meen, in
haar vaderland--hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende
als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig
dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen,
zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient
gedaan te worden dan in kweekerijen.



X.

HEI! 'T WAS IN DE MEI!


De Mei is in het land!

Ik heb dikwijls hooren zeggen, dat de Meimaand zeker achteruit gaat,
en in vroeger eeuwen hier te lande veel schooner moet geweest zijn dan
heden; daar anders onze voorouders niet zooveel werk gemaakt hadden
van hunne Mei-verheerlijking, die ons thans maar al te dikwijls, bij
de kachel, de schouders doet ophalen. De liederen van "de zoete Meie,"


       "..............een kus,
        Dien de zon geeft aan de aarde,"


klinken bijna als eene bespotting van de hedendaagsche pinksterstormen.

Het kan waar wezen, dat de geleerden gelijk hebben, die in
ijsverplaatsing in de poolstreek een oorzaak zien van eene telkens
vermeerderende afkoeling van ons klimaat. Maar er is zeker nog
een andere, meer geestelijke reden voor die klachten. De vroegere
geslachten, of liever de traditioneele volksgeest, welke die legenden
en die liederen schiep, was in zeker opzicht veel wijzer dan wij
zijn; hij mat het Meigenot niet naar de hoeveelheid, maar naar de
hoegrootheid. Wij tellen, angstig en bekrompen, de schoone dagen,
avonden, halfuren, die de Mei ons aanbrengt. Is dat genot te tellen,
of te meten? 't Is een prozaïsch, een huisbakken element, dat ooit
eenige weelde--welke ook--naar hoeveelheid berekent! Ons beter
deel,--de dichter in ons,--weet wel anders. Hij weet dat daar geen
sprake is van tijd, maar van diepte; niet van langer of korter, maar
van een min of meer machtigen indruk. En of de Mei nu drie- of viermaal
heeft geglimlacht in zijn 31 dagen, doet er weinig of niets toe, mits
elk onzer slechts één oogenblik dien lach heeft weten op te vangen,
zóó dat hij ons door merg en been, door ziel en zinnen heendrong,--zóó
dat nog maanden achteraan onze verbeelding tintelt bij de herinnering,
en ons hart opengaat bij het hooren van het ééne woord: Lente!

De vaderen plachten hunne Meifeesten te vieren; en de overlevering
brengt verhalen van de vreugd die daar gesmaakt werd, welke ons,
indien zij ons toevallig in een opgewekte stemming treffen,
jaloersch maakt dat wij daar niet bij geweest zijn. Zou dan toen
altijd de zon geschenen hebben op die landelijke danspartijen, en
de lucht zoel geweest zijn juist op den 1sten of den 21sten Mei,
en de noordoostewind de takken op de Meiwagens ontzien hebben? Soms
wel, soms niet: ten naastenbij als tegenwoordig. Maar het feest was
eenmaal dààr; en verreweg de meeste feestgenooten waren sterk van huid
en zenuwen; en de hartstocht der werkelijkheid was niet altijd zoo
wakker in hen, of onder al het nieuwe wat op zoo'n dag hun fantazie
beheerschte, vergaten zij gemakkelijk den ouden regen of de maar al
te wel bekende zeevlam. Zij vonden die niet eens de moeite waard om
op te merken;... gelijk dit alles dikwijls nog gaat bij dergelijke
feestelijkheden; maar dan doorgaans bij een ander publiek, dan 't
geen mij de eer aandoet om deze mijne schetsjes te lezen!

Doch ook voor den meest verfijnden negentiende-eeuwer zijn Meifeesten
weggelegd,--even plechtig als men 't zich van Druïden-priesters, even
jolig als men 't zich van middeleeuwsche poorters voorstelt. Mits
hij zelf bereid zij, zal het Meiweer wel komen! Maar het komt
onverwachts. Somtijds springt het over de grenzen en komt in April
of in Juni: ook die gril moet men nemen zooals 't valt.

Heden is het gekomen. Ik kan niet nalaten, aan uw venster te
kloppen. Ruim uw werk op en ga mêe. Er zullen gure dagen genoeg
aanbreken, waarop ge kunt lezen, schrijven, boekhouden, visites
doen, schoonmaken of naaien. Een dag als deze is zoo goed als een
heiligendag.

Waar wilt gij heen? Kies slechts. De Mei heeft alles met een waas
van schoonheid overtogen,--zelfs de kaalste velden en de leelijkste
moerassen,--maar toch: er zijn bevoorrechte plekjes. Begin eens
ginds aan den stadswal, waar 't leven van natuur en maatschappij
elkander zoo naief ontmoeten: waar kleine kinderen met gras en jonge
lindeblaadjes spelen, en opgeschoten meisjes al schrobbend zingen,
met de lijsters om het hardst. Of ga wat verder, waar gij 't oog hebt
op de tuinen in den omtrek, waar de hagedoorns bloeien, en waaruit u
nu de ééne, straks een andere geur te gemoet komt, die u doet denken
aan,--ja aan....? Gij weet het zelf niet...--zeker aan een vroegeren
Mei.--Of wel, waag u eens even aan den waterkant, en verdiep u in het
duizendvoudig leven, dat daar tiert en wemelt: kruipend, zwemmend,
vliegend. Of begeef u in het beukenbosch, waar nog wel lang niet
alles volop groen is, maar waar sommige voorlijke takken u ieder
jaar op nieuw verbaasd doen staan over hunne voorlijkheid, en u,
in sierlijk stilzwijgen, het antwoord schuldig blijven op de vraag:
waarom zij zooveel vroeger in blad staan dan de anderen?

Moet ik nu, zooals gewoonlijk, iets vertellen van de bloemen, die
wij gaandeweg vinden? Och toe! neem heden liever zelf het woord, en
vertel gij mij. Vertel mij van alles en alles en nog wat; van hetgeen
u op een dag als dezen voor den geest komt. Vertel mij van u zelven;
van hetgeen er in u omgaat. Het is zoo onderhoudend, een mensch bij
te wonen in zijn volle oprechtheid, hem zijn geest binnenste buiten
te zien keeren; en het moet raar loopen, als wij niet een beetje
sympathie hebben voor hetgeen wij dan te hooren krijgen. Vertel mij
wat gij voelt en denkt, hetzij vroolijk of treurig: ik--in elk geval
slechts in verbeelding bij u--ben een veilige vertrouwde. Vertel
mij van uw jeugd, uw kindsheid; van uw doen en laten, uw vreugden en
teleurstellingen, uwe plannen, uwe wenschen, uw hoop. Zoek ongestoord
de woorden om u zoo juist mogelijk uit te drukken: ik heb geduld,
ik luister. En als gij ze niet langer vinden kunt,--welnu, dan voel
ik met u mee, hoe wenschelijk het is om altijd nog een overschotje van
bewustzijn te hebben, boven dat uit, wat zich reeds als denkbeeld weêr
laat geven. Maakt u de Mei bewegelijk of stil? Stemt zij u tot juichen,
als om strijd met de vinken; of dringt zij u terug in u zelven? Bezielt
zij u onmiddellijk met denzelfden drang tot werkzaamheid en leven,
die u uit alles te gemoet stroomt; of vervult zij u met weemoed over
onbereikbare dingen? Beiden zijn begrijpelijk; in beiden kan een schat
van levenslust en van ontwikkeling besloten liggen. Met beiden zou ik u
geluk wenschen. Voor beiden heeft Mei raad. Die raad--ik meen wijding
voor de opgewektheid, ontspanning voor den weemoed--lag van oudsher
in samenstemming met de edelste, beminnelijkste aller fantazieën,
ooit aan de dichterziel der menschheid ontsproten: dankbaarheid
jegens een verborgen Maker, die de lente en hem die haar liefheeft,
naast elkander voortbracht. Verheug u, zoo de tooveresse Mei u doet
meedoen aan die "goddelijke dwaasheid", die hoogste geestelijke weelde!

Dat ik ondertusschen ook een weinig met de boomen gepraat heb,
heeft volstrekt geen afbreuk gedaan aan mijn aandacht voor u. Gij
vraagt wat ik in de hand heb? Bloemen van het seizoen: een bloeiend
eschdoorntakje......



XI

EEN ENGELSCH LANDSCHAP.


"H. M. de Koningin zal overmorgen haar kasteel te Windsor betrekken,
en aldaar eenige weken vertoeven."

Als ik dit berichtje in de eene of andere courant lees, zie ik reeds
in verbeelding de vlag van den ronden toren wapperen (het welbekende
teeken van H. M.'s tegenwoordigheid op het kasteel), en breidt zich
eensklaps het gansche schoone panorama rondom Windsor in al zijn
heerlijkheid voor mijne oogen uit.

Het kasteel te Windsor is een geheel eigenaardig gebouw. Velen onzer
hebben waarschijnlijk wel hier of daar oude kasteelen gezien, maar dan
waren die doorgaans òf tot bouwvallen afgebrokkeld, òf tot gevangenis,
wapenhuis of iets dergelijks gedegradeerd. Een oud versterkt slot
echter, zoo geheel in zijn middeleeuwsch karakter bewaard, en nochtans
zoo goed onderhouden en keurig ingericht, als voor de woonplaats
van een der voornaamste europeesche hoven van onzen tijd betaamt,
vindt men niet licht ergens anders dan te Windsor.

Gedurende de afwezigheid der koningin, mogen reizigers voor eenige
fooien de staatsiezalen en een gedeelte van het terras bezoeken,
en kan men, door hier en daar een blik te werpen in de meubileering
der andere gedeelten, zich verdiepen in de tegenstelling tusschen
het strenge uiterlijk dezer grijze veste, en het inwendig comfort
van H. M.'s vertrekken. Zoodra het hof te Windsor verblijf houdt, is
natuurlijk de vergunning tot dergelijke kijkjes zeer ingekrompen; maar
m. i. wordt dit ruimschoots opgewogen door de meerdere levendigheid
en bedrijvigheid die dan in het geheele plaatsje heerscht. Het is
dan bijzonder aardig, om van den hoogen "ronden toren", dien men ten
allen tijde mag beklimmen, op de ruime binnenplaats neer te zien,
de vuren in de bewoonde appartementen te zien flikkeren, de warmte
der schoorsteenen te voelen, hofrijtuigen en voorrijders af en aan te
zien rijden, in één woord een blik te slaan in het groote huishouden
beneden.

Maar van dat standpunt is meer genot te smaken, dan wat sommigen
misschien onbescheiden, anderen vrij onbelangrijk zouden kunnen
noemen. Van den bewusten toren geniet men een der schoonste
vergezichten die zich laten denken. Windsor ligt op eenige weinige
mijlen afstands van de buitenwijken van Londen,--een afstand die
jaarlijks vermindert, naarmate de hoofdstad zich uitbreidt; maar
tot nog toe is er genoeg tusschenruimte gebleven, om hier al het
liefelijke van eene landelijke omgeving over te laten. De omstreken
van Londen zijn onuitsprekelijk aanvallig. De eigenaardige schoonheid
van het engelsche landschap leent er zich geheel toe, om rondom de
hoofdstad haar toppunt te bereiken. Wat toch is die schoonheid? Niet
in de eerste plaats iets wilds en grootsch, zooals in de minder sterk
bewoonde gedeelten van Europa's vasteland; oorspronkelijke wouden
vindt men bijna niet in Engeland, en de bergachtigste gedeelten
zijn meestal de beruchte mijndistrikten, door de fabrieksnijverheid
van alle natuurschoon beroofd. Wat ons in Engeland aantrekt, is het
gezellige, parkachtige, dat het aanzien van zijn beste landstreken
kenmerkt, en waardoor geheele graafschappen, met inbegrip van hunnen
landbouw, hun dorpen en hunne heerlijke buitenverblijven, als naar
één samenhangend plan schijnen te zijn aangelegd. Als men goed kijkt,
spelen drie dingen daarbij eene hoofdrol. Vooreerst de natuurlijke
zachte glooiing der terreinen; bijna overal beweegt men zich tusschen
heuvelen en dalen, niet hoog en diep genoeg om eenigerlei storing
in het verkeer te weeg te brengen, of den gezichteinder te benauwen,
en toch sterksprekend genoeg om den eentonigen indruk eener vlakte te
voorkomen. Ten tweede het prachtige gras, dat den bodem tot een groen
tapijt maakt; klimaat en kunst werken in dit opzicht samen: zoowel
de weiden als de gazons der parken hebben hier den hoogsten graad van
volkomenheid bereikt. En ten derde: de houtcultuur. Mogen in Engeland
groote bosschen ontbreken, nergens wordt zoo goed als daar werk gemaakt
van het kweeken van boomen, met name van alleenstaande boomen. Wij,
wij hebben onze lanen, onze grootere en kleinere boomen, onze zoo- en-
zooveel kubiekmeters akkermaalshout: maar prachtexemplaren van iepen,
eiken, eschdoorns en kastanjes, zooals men die in Engeland pleegt aan
te treffen, vindt men hier slechts hoogst zelden. Men is er bij ons,
zoowel als in Duitschland en Frankrijk, al te weinig op bedacht een
boom zóó te planten, dat hij, onbelemmerd, naar alle kanten uit kan
groeien en zijn grootsten omvang bereiken: één blik op eenige engelsche
landschap-gravures kan ons toonen hoezeer wij daarin bij de Engelschen
ten achteren zijn. Dit een en ander kenschetst het karakteristieke
van hun landschappen. En indien men dan ten overvloede een rivier
als de Theems in het oog krijgt, niet breed, maar allersierlijkst
kronkelend.... Waarlijk de "country" rondom Londen is verrukkelijk;
en aan ieder die de groote stad bezoekt, kunnen wij een toertje
naar Windsor, als proefje daarvan, aanbevelen. Natuurlijk is dit het
aangenaamst in "het schoone jaargetijde"; maar door den overvloed van
wintergroen, waarop steeds het oog kan rusten, voelt men zich daar ook
vroeg in 't voorjaar, laat in 't najaar, ja zelfs in het hartje van den
winter recht behaaglijk. 't Is inderdaad merkwaardig, hoeveel prachtige
ceders en naaldboomen er prijken op de grasvelden der parken; hoeveel
hulst, ligusters en eene eindelooze verscheidenheid van groenblijvende
boomen en heesters, (tot groenblijvende eiken toe), men in de tuinen
vindt; en welk een schat van fijnuitgepunte klimop daar hangt, kruipt,
zweeft, klimt en guirlanden vormt langs allerhande muren, boomen,
hekken, huizen en heggen, "Ivy lodges" en "--cottages". Natuurlijk
hangt deze liefhebberij samen met de gewoonte van de engelsche
aristocratie, om bij voorkeur den winter op het land door te brengen,
en is zij vandaar gaande weg naar de lagere standen afgezakt.

Het stadje Windsor zelf, waarop onze blik telkens onwillekeurig
terug zakt, levert niet veel bijzonders op, dan in zoover het ons
een duidelijk voorbeeld geeft, hoe in de middeleeuwen de meeste,
later groot geworden, steden zich gevormd hebben, nl. in een
halven cirkel aan den voet van een kasteel. Het mag nauwelijks
den naam van stad dragen. Een kleine marktplaats, een winkel- en
hotelstraat, welks ronding die van den muur van het slot volgt,
laten een niet onaangenamen indruk na. Wie een kerk wil bezoeken,
late zich de slotkapel binnenleiden; en lette daar vooral op het
schoone witmarmeren praalgraf van Prinses Charlotte (eerste gemalin
van koning Leopold I van België).--Maar vlak tegenover Windsor,
door een fraaie Theemsbrug daarmede verbonden, ligt het niet veel
grootere stadje Eton; en evenals te Windsor het kasteel, maakt te Eton
het wereldberoemde college het middelpunt van het verkeer uit. Hebben
niet, sinds verscheidene geslachten, alle Britten van rang en geboorte,
hebben niet, (want menigeen denkt misschien daaraan het eerst) alle
mogelijke helden van engelsche romans, voor zoover die in de hoogere
kringen spelen, mitsgaders de schrijvers zelven dier romans te Eton
school gelegen? Te midden dezer eigenaardig engelsche omgeving wekte
die onverwachte aanblik duizend gedachten bij mij op. Ik rustte niet,
eer ik de poort van het gesticht was ingetreden, en in de zalen rond
mocht dwalen. Het is een in ons oog eenigszins kloosterachtig gebouw,
zooals trouwens alle engelsche colleges; maar ruim, indrukwekkend
en niet zonder strenge weelde. Ik kon niet laten, om tusschen de
half uitgesleten letters en krassen, in de eikenhouten paneelen en
trapleuningen, naar beroemde namen te zoeken. Het was zaterdag middag;
de kweekelingen, Eton-boys, zooals zij in de wandeling genoemd worden,
liepen aan groepjes door den omtrek te praten en te spelen, kenbaar
aan hun zwart kostuum met hooge hoeden en groote witte boorden en
dassen... Zouden er weer aanstaande groote mannen onder schuilen?



XII.

IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.


Reeds vroeg in 't jaar, tegelijk met boschanemonen en muurbloemen
en welriekende viooltjes, bloeide de Pyrus Japonica. 't Was het
sieraad van de buurt, die welige drie voet hooge leiboom in zijn
schitterend rood Maart-kleedje. Beschut tegen den noordenwind, en
volop de voorjaarszon genietende, wijdde hij het schoone jaargetijde
in, alsof er van geen kladsneeuw en geen nachtvorst meer sprake
kon wezen. En menigeen vergastte dagelijks de oogen op zijn gloed,
te treffender in dat seizoen der zachte tinten.--Dat het een peer-
of een appelboom is, valt spoedig in het oog, al ziet men er hier
in 't land zelden vruchten aan groeien. Is de bloesem niet juist
appelbloesem in het donkerrood? Zijn het niet dezelfde vijf ronde
kroonblaadjes, dezelfde talrijke gele meeldraden, dezelfde duidelijk
voel- en zichtbare vruchtbeginseltjes onder de bloem? Doet ook niet
het loof aan pereblaadjes denken? Heeft niet het bloempje, ondanks
de sierlijkheid van het met groen en bloemen bekleede geheel, in zijn
bouw datzelfde stokkerige, hoekige karakter, dat, zal men de verlakte
werkdoozen en theeblaadjes gelooven, een hoofdkenmerk van de japansche
Flora uitmaakt? Die bloemen, zonder steeltjes, stijf opeendrongen op
de knoopen der takken,--een plaag voor ieder, die er een bouquet van
wenscht te maken,--hebt gij ze niet vaak teruggevonden op japansch
porselein? Op een prijscourant van peren vond ik den naam "Ya-lo-ala":
zou dat misschien de vrucht zijn, die dit soort van appelboomen in
hun vaderland draagt?

Thans is de beurt aan onze inlandsche vruchtboomen. De perenboomen
zijn reeds "als met een wit laken overdekt"; en hun eigenaars
worden geslingerd tusschen welbehagen over dat rijke gezicht, en
angst voor ieder oostenwindje dat vorst of "zwarte vlieg" zou kunnen
aanbrengen. (Tusschen twee haakjes zij gezegd, dat deze bête noire geen
"vlieg" is, maar een kevertje.) En nog een dag of tien, en 't zachte
rood der appelbloesems zal, voorlooper van 't later rood der rozen,
aan duizend tuinen een feestelijk, echt lenteachtig aanzien geven.

Er is in de laatste twintig jaren heel wat voorgevallen in de
pomologische wereld;--ja, lezer, ook een wereld op zich zelve, zoo
goed als de "groote", de parlementaire, de letterkundige, en andere
afzonderlijke werelden!--Denk aan de pereboomen in de boomgaarden
van onze boerderijen: echte knoestige boomen, met stammen en kronen,
waaronder menschen rondloopen en kinderen spelen, en schapen aan
een lijntje grazen kunnen. Denk aan de appelboomen, zooals zij in
Duitschland langs de wegen geplant zijn, om den wandelaar een schijn
van lommer, en den pachter op den koop toe een oogstje te bezorgen,
en die mevrouw De Stael, bij hare komst "en Allemagne", vervulden met
een grenzenloozen eerbied voor de eerlijkheid der Duitschers, toen
zij hoorde dat het grootste deel der vruchten daaraan wezenlijk bleef
hangen tot het rijp was!--En denk dan aan de "snoeren en palmetten",
de "spiraal- en vleugel-piramiden"; in één woord aan die zonderlinge
waaiers en ladders en rechthoekige figuren, zooals de heer de Beucker
ze invoerde, boompjes welke meer aan Araucaria- of Cactusvormen,
dan aan hunne eigene eenvoudige stamgenooten herinneren.

"En kies tusschen het oude en het nieuwe," had ik er haast
bijgevoegd. Als wij echter de zaak in het aangezicht kijken, valt er
niet veel te kiezen. Leelijk is die nieuwe snoeimanier. Doch daar men
nu eenmaal vruchtboomen niet voornamelijk om "het mooi" kweekt, maar
om de vruchten; en de "beredeneerde kweekwijze", omdat zij wezenlijk
onmiddellijk op natuurfeiten berust, op de grootte en de fijnheid van
die vruchten waarlijk gunstig werkt, valt daartegen niets afdoends meer
in te brengen. Wie voortaan eigen appelen en peren eten wil, kieze
uit de honderden op eene prijslijst voorkomende nummers die, waarvan
hij den geurigen smaak heeft ondervonden, of wel enkelen waarvan
de namen hem bijzonder prikkelen, (als daar zijn: Adams pearmain;
Beefsteak; Newtons pippin; Weissbrod; Calville d'Eve; Républicain;
Drie torenpeer; Napoleon-Bon-Chrétien; Curé Belle Héloise; Pie IX;
Saint-Michel-Archange!) en ik wensch hem voorspoed op zijne plantage.

Maar wie ééns in het jaar, ééns in de ééne veertien dagen gedurende
welke een appel- of pereboom schoon is, waarlijk al de weelde van den
teêren bloesem wil genieten, die brenge--waar hij ze slechts weet
te vinden, al is het op een schamel erfje, tusschen schuttingen en
bleekveldjes--een visite aan de oude, groote boomen van zijn kennis,
't zij zij Juttepeer heeten of Sapperdegroentje, of de grofste
onbenoemde soort van "hand-" of "pot"-appel voortbrengen. Dan legere
men zich hier of daar in de nabijheid, en late zich beregenen door de
eerste afvallende blaadjes. En als dan toevallig aan de eene zijde
een sering en aan de andere een gouden-regen over eene heining heen
komt kijken,--het blonde kind der Alpen naast den geurigen zoon van
het Oosten,--dan zal het steeds nog te bezien staan wie van die drie,
zij of de vruchtboom, het meest tot ons lentegevoel bijbrengen.



XIII.

BOUQUETTEN.


Wat moet toch een "bouquet", of, naar den nederlandschen naam, een
bloemruiker eigenlijk wel wezen?

Wat anders dan een bosje schoone, liefst welriekende bloemen, zoo
saamgevoegd dat hare schoonheid en al haar eigenaardigheden zoo
voordeelig mogelijk uitkomen? En wat is het tegenwoordig doorgaans?

Er is in de kunst van bloemen-schikken een zonderlinge gewoonte
ingeslopen, die, uit zuinigheid geboren, zich allengs tot een
heerschende mode heeft verheven. Het was namelijk, sinds lang,
een zuinigheidspraktijk der fransche bloemenmeisjes, om voor kleine
knoopsgatbouquetjes, die men voor een cent of wat op straat koopt, de
bloemen bijna zonder steel af te snijden, ze dan elk op een rietje te
steken en, met een paar bladeren er om, bijeen te binden. Het voordeel
hiervan ligt voor de hand. Op deze wijze toch kan men alle bloemen,
die een plant oplevert, gebruiken, zonder de nog onontloken knoppen
meê weg te knippen, en behoeft er ook volstrekt niet op te letten of
de plant in haar geheel goed uitgegroeid is: elk frisch puntje, zij
het van een nog zoo krom of verlept lot, is bruikbaar. Van lieverlede
nu is deze handgreep ook overgegaan op grooter en kostbaarder, uit
zeldzamer bloemen saamgestelde bouquetten. Daar, uit den aard der
zaak, die rietbouquetten een vrij gladde oppervlakte krijgen, en de
bloemen dicht tegen elkaar gepakt dienen te worden, (ten eerste om de
kortheid der stelen, en ten andere om de rietjes te bedekken), was men
vindingrijk genoeg, om van zoo'n vlak of bol een soort van mozaiek
te maken. Wij kennen allen de patronen, die bij dit knutselwerk het
meest in zwang zijn: b. v. ééne groote bloem in 't midden, dan een
kringetje groen, daar omheen weer een randje van een andere kleur,
enz. Soms worden er ook letters en cijfers in gewerkt, zooals ik het
onlangs in een zilveren-bruilofts-bouquet zag bewonderen: het getal 25,
uit knoppen van oranjebloesem samengesteld, midden in een groot vlak
van rozenknoppen en rozen.--Eén bezwaar had zich voorgedaan: Terwijl
in de centsruikertjes de rietjes zeer gemakkelijk verborgen werden,
bleek dit bij de grootere bouquetten (waarin het rietwerk gaandeweg tot
een vrij ingewikkelde stellaadje aangegroeid was!) vrij wat moeielijker
te wezen. Maar daar wist de industrie raad op; en zoo zijn sinds vele
jaren de welbekende bordpapieren kokers met uitgeslagen randen, een
belangrijk onderdeel van de kartonwerkerij geworden. Menig minnaar,
die zijn bruid op haar verjaardag een "hand-" of "vaasbouquet" wil
sturen, zou dien niet gaarne zonder zoo'n geijkten witten driehoek zien
bezorgen, maar misschien zeer geërgerd wezen, als men hem vraagde,
waarom hij zulk een op een goedkoopje gefabriceerden bouquet had
besteld. En menig bruidje, dat zoo'n "porte-bouquet" aanneemt, en
niet gaarne zou willen, dat men aan haar goeden smaak twijfelde,
beseft niets van het kluchtig loopje, dat de mode neemt met haar en
haar smaak, en vooral met haar begrippen van kostbaarheid en weelde.

Wie intusschen deze geschiedenis kent, en zich aan de stijfheid
dier bloementaartjes ergert, voelt den wensch opkomen, dat die mode
mocht veranderen. De mode nu is eene groote macht; doch welbekeken
is zij als een stout kind: er tegen praten kan men niet, maar ze is
gemakkelijk af te leiden. Een flink bloemist, met schoonheidsgevoel
in het hart en een voorraad mooie bloemen te zijner beschikking, zou
zeer licht iets beters "in de mode" kunnen brengen. Zeer geschikt zou
hij daartoe gebruik kunnen maken van den heerschenden eerbied voor al
wat oud-hollandsche kunst heet, zich beroepen op het oordeel onzer oude
schilders, en b.v. op de eerste de beste tentoonstelling, in een grijze
terra-cotta vaas van eenvoudig model, een groot bouquet à la van Huysum
ter tafel kunnen brengen. Het Trippenhuis of eene andere verzameling
van schilderijen zou licht een voorbeeld leveren, dat men in hoofdzaak
na kon volgen, vooral daar toch die hoofdzaak in niets anders bestaat,
dan in de eischen der natuur zelve. Zij--en van Huysum!--stellen op den
voorgrond, dat men alle schoonheid van de bloemen eere: niet alléén de
kleuren van haar kroontjes, maar ook de sierlijkheid, waarmee zij, op
haar stengel wiegend, zich verheffen of neerhangen; den rijkdom harer
vormen, in verband met de plant, die haar voortbracht; het kontrast
met het bij haar behoorend groen.--Het kost misschien meer bloemen en
meer zorg, in elk geval meer kunst-smaak, zulk een bouquet te maken,
dan een waarbij papier en riet te hulp komen. Daartoe toch kan men
slechts volkomen gave takken, trossen, pluimen nemen, en ten tweede is
die schikking niet gemakkelijk. Tusschen artistieke losheid en zeer
alledaagsche slordigheid is slechts één zeer klein stapje; en teêre,
levende, dorstige bloemen zijn een gevoelig, lastig materiaal. Soms,
als de bloemen zelven handelbaar zijn, is het groen weerspannig; en er
wordt takt en oefening vereischt, om daarvan juist zooveel te kiezen,
dat het altijd aan de bloemenpracht ondergeschikt blijft. Daarbij,
hoe meer verscheidenheid van kleuren, hoe meer gelegenheid voor fijne
schakeering, maar hoe meer gevaar ook voor bontheid en hardheid.--Dit
alles zijn bezwaren, en maken een Bouquet van Huysum,--om ons aan dien
naam te houden,--tot een waagstuk. Maar nochtans, als hij goed uitvalt,
zal hij stellig den eereprijs wegdragen in het oordeel van allen:
ook van hen die nu de rietjes-ruikers mooi vinden, omdat.... ja, omdat
bloemen nooit ophouden mooi te zijn, al wordt er nog zoo mee geknoeid!



XIV.

EEN DUBBELE BOODSCHAP.


Tot de vaste attributen van een eersten mooien zomerschen dag behooren
van oudsher, behalve zonneschijn, bloemen en vogelenzang, ook een zwerm
vroolijk dansende muggen, een van plant tot plant zwevende vlinder,
een sierlijk boven 't water heen en weer vliegend juffertje. En zoo
groot is de kracht der sympathie,--van de gemeenschappelijke vreugde
over 't mooie weer,--dat men bij zoo'n gelegenheid ieder spoor van
afkeer jegens deze dieren laat varen, en hen alleen als natuurgenooten,
als feestgenooten begroet!

Trouwens, der meeste menschen afkeer van insekten is nooit zoo
groot, wanneer men ze met vleugels, dat is in volwassen, zoogenaamd
"volkomen" toestand ontmoet, dan wanneer men in hun kruipend
tijdperk met hen te doen heeft. 't Is opmerkelijk, terwijl men in
den regel aan jonge zoogdieren,--jonge honden, katten, lammeren,
ja zelfs biggen,--vriendelijkheden pleegt te bewijzen, waarop zij
op hun ouden dag wijs doen van niet meer te rekenen, heeft tegenover
insekten juist het omgekeerde plaats. Van een rups heeft bijna elk een
afschuw; zoodra zij een "kapelletje" geworden is, behoort zij tot de
welkome, ja, dichterlijk gevierde verschijningen. Evenzoo geldt een
gouden torretje algemeen als een schoon bezienswaardig beestje; maar
indien men het bij ongeluk in zijne jeugd, d.i. als larve, in handen
had gekregen, zou men het al heel licht voor "een wurmpje" aangezien
en ter dood veroordeeld hebben, in plaats van het den tijd te laten
om zich te verpoppen, en vleugels en schildjes te krijgen. Aan menig
groen, purper, of rood-gespikkeld vliegje ontzegt men volstrekt geene
schoonheid; mits het zich, voor zijn eigen veiligheid, maar schuil
houde, zoo lang het nog als made in de kinderkamer t'huis behoort.

Hoe het zij, als figuranten bij een pastorale mag men dat kleine
vliegende gebroed wel lijden, en gunt hun dan ook gaarne den honig
dien zij uit de bloemen zuigen, te meer daar men overtuigd is, dat
zij voor zich niets begeeren, wat de menschen zelven wenschen te
behouden. Wanneer zich spreeuwen, musschen of andere vogels in den
tuin of het bouwland vertoonen, worden zij onmiddellijk als dieven
gebrandmerkt; maar vliegen en kapellen doen den mensch geen afbreuk;
zij zoeken slechts honig, en... dauwdruppels, en.... "bloemenstof",
zooals mij eens verteld werd.

Ik ben niet genoeg op de hoogte van de dagelijksche spijslijst der
verschillende insekten, om juist te weten welke van deze drie artikelen
daarop het meest voorkomen en het meest gezocht worden. Maar wel
stel ik groot belang in de meer en meer bevestigd wordende ontdekking
omtrent de groote rol die de insekten in het leven van de plantenwereld
spelen. Terwijl tot voor omstreeks honderd jaar deze dieren alleen op
zich zelven beschouwd werden, als nuttig of schadelijk, al naarmate zij
der menschelijke maatschappij onmiddellijk voor- of nadeel aanbrachten,
is toch in de laatste eeuw ten stelligste gebleken, dat er althans
bij verreweg de meeste planten, geen zaad tot stand zou kunnen komen,
geen vrucht zou kunnen rijpen, indien er geen insekten waren, die
daartoe een behulpzaam pootje boden.

Ik weet niet of op ieder de kennismaking met dit feit zoo'n diepen
indruk maken zou als zij op mij gedaan heeft. Ik zie al die kleine
vliegende reizigers met een geheel ander oog aan, sinds ik weet dat zij
op hunne tochten,--de eene bloem uit, en de andere weer in,--telkens
eene dubbele boodschap doen, nl. voor zich zelven den kost opduiken,
en ten behoeve van de plantensoort, die zij bezoeken, het verkeer
tusschen de meeldraden en de stempeltjes bevorderen.

Het is toch eene bijna algemeen bekende waarheid, dat er aan
zichtbaar bloeiende planten geen zaadvorming plaats kan hebben,
tenzij er stuifmeel op een zoogenaamd stempeltje (het bovenste deel
van het vruchtbeginsel) hebbe gelegen. Wie dit voor het eerst hoort,
moet zich dikwijls verwonderen, hoe dat stuifmeel juist altijd
op dat kleine lichaampje, terecht komt; te meer daar meeldraden en
vruchtbeginsels bij vele plantensoorten in verschillende bloemen, ja,
op verschillende exemplaren aanwezig zijn, en zij zelfs in dezelfde
bloem lang niet altijd tegelijk tot ontwikkeling komen. Men zag dan
ook sinds een paar eeuwen dat het stuifmeel van de eene bloem in
de andere kwam; dat het zelfs groote reizen maakte,--maar hoe zulks
geschiedde wist men niet te verklaren. De wind kreeg er meestal den
dank voor; en bij vele boomen, waar het stuifmeel zeer vluchtig is,
en de stempeltjes zeer weinig bedekt zijn, doet hij in dit opzicht
ontegenzeglijk groote diensten. Maar weldra begon men te bemerken
dat er plantengeslachten bestaan (b. v. de Orchideeën) waarbij
de stuifmeelklompjes zich zóó moeielijk laten verplaatsen en de
stempeltjes zóó diep zijn verborgen, dat het zonder medewerking van
buiten onmogelijk was, dat die beide organen met elkander in aanraking
kwamen. Het waren dan ook vooral zulke planten, die den Duitscher
Spengler het eerst tot zijn ontdekking van de hulp der insekten
brachten; en voortgezette proefnemingen brengen hoe langer hoe meer
bewijzen aan het licht voor de vooronderstelling, dat het overbrengen
van het stuifmeel door deze kleine dieren (voor verschillende planten
ook verschillende diersoorten) geen uitzondering maar regel is.

Wie even nadenkt, kan daarvoor eene menigte voorbeelden vinden in
zijne omgeving. Hoe komt het dat onze kamerplanten,--al zijn zij
nog zoo gezond, en al bloeien zij prachtig, in huis bijna nooit
zaad geven? Een Fuchsia bijvoorbeeld heeft een zeer zichtbaar
vruchtbeginsel onder (of omdat zij hangt, boven) de bloem. Soms,
als de plant buiten staat, zwelt dit na den bloeitijd op, en kan men
er duidelijk zaadjes in ontdekken; maar binnenskamers verschrimpelt
het doorgaans, en valt, zonder verdere ontwikkeling af. Zou het niet
kunnen zijn, omdat in huis de kleine handlangers ontbreken, noodig om
het stuifmeel van de acht langere en kortere meeldraden op het korte,
gespletene stempeltje te brengen? In 't groot heeft men hetzelfde,
tot schade van de proefnemers, ondervonden, toen men, eenige jaren
geleden, de vanilleteelt op Java wenschte in te voeren. De vanille
toch is eene zuid-amerikaansche klimplant, die zich in de wouden
van haar vaderland rondom de hoogste boomen slingert, en de kostbare
vanillestokjes zijn haar zaadhokjes of vruchten. Waarom zou men op
Java geen voordeelige kultuur daarvan kunnen maken? Het klimaat voldeed
aan alle eischen; de grond ook; men zou de planten tegen hooge staken
laten opklimmen. En o ja, zij klommen, zij groeiden en bloeiden; maar
er kwamen geen vruchten aan. Elk jaar werden nieuwe proeven met telkens
nieuwe voorzorgen genomen, maar het wilde niet lukken. Eindelijk gaf
iemand daarvan de verklaring, op grond van Spengler's merkwaardige
ontdekking: het kleine vliegje, dat in Amerika, al honig zoekend,
onwillekeurig zijne diensten aan de plant bewees, was niet mee den
oceaan overgestoken; zijn werk kunstmatig, met menschenhanden aan
iedere vanillebloem te verrichten, was te omslachtig, en dus moest
die kultuur worden opgegeven.

Een ander sterksprekend voorbeeld. Men kent algemeen de Aucuba, met
haar groenblijvende gevlekte bladeren, een sieraad van grootere en
kleinere tuinen. Elk weet dat daarvan tweeërlei exemplaren bestaan:
met witte bloemen, die nooit vruchten dragen, omdat zij wel stuifmeel,
maar geen vruchtbeginsel bevatten, en anderen, met zeer onaanzienlijke
paarsachtig-bruine bloempjes, die mooie helder-roode vruchten
voortbrengen, mits er van elders stuifmeel op haar vruchtbeginseltjes
gebracht worde. Daar nu de plant zich zeer gemakkelijk door stekken
vermenigvuldigt, zoo gebeurde het, voor een jaar of wat, in een onzer
provinciesteden, dat bijna ieder Aucuba's bezat, maar die noch bloeiden
(nl. met de bekende witte bloempjes), noch vruchten droegen. Het geval
was dat men in het eindelooze van elkanders vrouwelijke exemplaren
afgestekt had, en er geen mannelijke in de buurt voorhanden waren. Een
plantenliefhebber liet een groot wit-bloeiend exemplaar komen. Dien
zomer merkte ieder rondom zijne Aucuba kleine bruinachtige insekten
op; en in den daaropvolgenden winter prijkten bijna allen met een
grooter of kleiner aantal roode vruchtjes. De een schreef het toe
aan het verpotten van de Aucuba, de ander aan de warmte, een derde
aan het mooie najaar; maar voor wie alles in aanmerking namen, was
het eene glorie te meer voor des ouden Spengler's nagedachtenis!

Ik herinner mij, als kind, uit een fransch leerboek, hoe op zekeren dag
Bernardin de St. Pierre verschillende soorten van vliegen bewonderde
die hij achtereenvolgens op een aardbeienplant waarnam. Had die man,
met zijn dichterlijk oog voor natuurschoon, Spengler's wetenschap er
bij bezeten, hoe veel rijker mijmerijen zou die "fraisier" dan nog
bij hem opgewekt hebben!



XV.

EEN BOSCHTOONEELTJE.


Er vaart iets vreugdevols door alle gezonde gemoederen, want ziet,
"het jonge groen" is nu werkelijk daar! Wij wandelen op een landweg,
in een der schoonste gedeelten van Holland, als het ware in een koker
van groen: onder ons het welige gras, met zijn afwisseling van kleinere
plantjes, rondom ons laag en hooger kreupelhout, bloeiende heesters
en opgeschoten fluitekruid, en boven onze hoofden een gewelf van
lindentakken, niet gesnoeid of geleid, maar van nature zoo gegroeid.

Het jonge groen! Welk een verscheidenheid van tinten en van vormen
ligt daar opgesloten in die woorden! Daar zijn, om 't dichtst bij te
beginnen, de kleine blaadjes van de linden, die reeds bij hun geboorte
precies het fatsoen hebben, dat zij, bij leven en welzijn, tot November
behouden zullen; zoodat zij slechts hebben te groeien, maar volstrekt
niet meer van vorm te veranderen. Zij doen mij denken aan die jongens
en meisjes van ouderwetsche prentjes, op vijf- of zesjarigen leeftijd
reeds juist zoo gekleed als hun vaders en moeders. Geheel anders
is het jonge iepenloof, dat zoo stijf geplooid uit den knop komt,
dat het wel een week noodig heeft, eer het blijkt dat die plooien
niets anders zijn dan dwarsadertjes. En dan hebt ge het elzengroen,
met zijn kleverige steunblaadjes, en het uit zijn viltige omhulsels te
voorschijn komende esschenloof, dat gedurende een dag of wat rechtop
blijft staan, alsof het, eer het verder uitgroeide, eens goed wou
kijken hoe 't er in de wereld uitzag. En dan staan daar de berken;
zij bloeien, al is dat nauwelijks merkbaar voor verreweg de meeste
voorbijgangers. En de eiken en populieren, die het langst treuzelen,
beginnen ook hun goudleerachtig pakje aan te trekken; beider jonge
bladeren komen opgerold uit de knoppen. De eikenblaadjes zijn in
het begin niet mooi van vorm: zij hebben nog iets uitgerekts, dat
later moet terecht komen, wanneer zij in de breedte gaan groeien;
die der populieren daarentegen zijn zeer sierlijk, van beide zijden
af naar het midden toe opgerold. En ginds tooien zich de sparren en
dennen met lichtgroene puntjes op den achtergrond van hun ouderen
naaldenschat, en strooien bij de minste beweging een wolkje stuifmeel
uit, ten behoeve van de twintigste eeuw.... Dat alles samen is "het
jonge groen"; en de lijsters zingen daarin, zoo niet de nachtegalen,
en juichen om het mooie weer.

Onwillekeurig hebben wij gaandeweg een ruikertje verzameld, en zijn,
al bloemen zoekend, van het ééne pad in het andere gedrenteld. Eerst
was het, op een open plek, de allerliefste blauwe eereprijs die ons
lokte; daarna viel ons een menigte van bloemen in het oog, melkwit met
groene strepen, die ons, wat de kleur betreft, aan sneeuwklokjes, maar
door haren vorm aan crocussen deden denken, en die den zonderlingen
naam van "vogelmelk" dragen. Ginds werd onze blik getrokken door een
helder paarse kleur, als van viooltjes; het was een veld bedekt met
de fraaiste der inlandsche orchideeën, de kleine "harlekijn". Wij
weten het niet recht, maar wij beginnen te vermoeden dat wij binnen
de omheining van een oude buitenplaats zijn; het nette onderhoud der
paden, de meer park- dan boschmatige aanleg versterkt ons telkens
meer in die vooronderstelling. Welnu, wij zijn er eenmaal, wij zullen
geen baldadigheden plegen, maar wagen het te blijven en door te loopen
"tot wij verjaagd worden". En wij wandelen door... tot wij plotseling
voor iets heel ongewoons staan....

Op een terrein, niet grooter dan een groote zaal, van voren en
van achteren door dicht geboomte afgesloten, was door middel van
hoogere en lagere lindenhagen iets gemaakt, wat wij weldra voor een
boschtooneeltje herkenden. De ééne helft althans, een weinig meer
opgehoogd dan de andere, was door die groene schermen geheel tot
tooneel ingericht; terwijl de andere helft, voorzien van zodenbanken,
en door het bladerdak van een kastanjeboom tegen de zon beschut,
blijkbaar de plaats voor de toeschouwers was. Ter weerszijden van
het tooneel waren vierkante ruimten, die voor kleedkamers of "foyer"
konden dienen; en een paar doelmatig aangebrachte greppels zorgden voor
het gevaar van modderachtigheid in het parterre. 't Spreekt van zelf
dat wij ons nederzetten op de banken, en dat een uit het gezelschap
op de groene "planken" ging staan declameeren; en dat voorts elk het
zijne zei over deze antiekiteit.

"Hoe aardig!" riep de meerderheid, onder den eersten indruk.

"Hoe kinderachtig!" zeiden enkelen. "Hoe popperig!" "Hoe
bekrompen!" "Hoe kleingeestig!"

"De pruikentijd in levenden lijve!" bracht iemand in het midden. "De
bloeitijd van het dilettantisme op alle mogelijk gebied. Mij dunkt,
je hoort al in verbeelding de produkten van den een of anderen
prulpoëet opgalmen, die de heele grieksche mythologie er bij haalt,
om den 50sten verjaardag van den heer van 't dorp, of de bruiloft
van diens dochter te vieren. Gelukkig dat wij dien tijd te boven zijn!"

Ik behoorde tot degenen, die ook bij nader inzien het tooneeltje
heel aardig bleven vinden. Ondanks mijn afkeer van geschoren hagen
"als zoodanig", vond ik ze hier zoo geestig aangebracht, dat ik er
niets tegen kon hebben, en ik deed mijn best om den pruikentijd te
verdedigen, of althans de gissing te wagen, dat zij, wat betreft de
gave om feesten te organiseeren, iets bij den onzen vóór had. Het
valt mij in hoe Van Lennep die verdediging ergens heeft op zich
genomen, en ik kan niet laten iets van 't geen hij daaromtrent zegt,
in herinnering te brengen.

"Men hoort zoo vaak, dat in die jaren onze natie in een staat van
diep zedelijk verval verkeerde; dat de langdurige vrede, dien zij
had genoten, de ontzettende rijkdommen, die men maar te verzamelen
en te genieten had, de weelde en wat dies meer zij, alle veerkracht
had verlamd, alle ontwikkeling doen ophouden; en dat men, gerust
insluimerende op den roem der voorvaderen, in een toestand geraakt
was van algemeene verdooving en machteloosheid. Ik weet dat niet; ik
zal mij althans wachten een geheele maatschappij... te veroordeelen;
ik zie niet in, dat de hedendaagsche zooveel beter is. Ik verzeker u,
dat er toen in de meeste dingen vrij wat meer degelijkheid heerschte
dan thans; als men bouwde, al was het maar een onnoozel koepeltje,
dan bezigde men duurzame materialen, en... wat ik eigenlijk aanmerken
wou, is, dat de menschen toen ter tijd veel aangenamer in den omgang
waren dan nu. Men wist zijne vrijheid aan banden te leggen; ieder
had het gevoel, dat, wanneer hij in een gezelschap werd toegelaten,
zulks onder de stilzwijgende voorwaarde was, dat hij zijn aandeel
tot het algemeen genoegen moest bijbrengen; en dan bleek het,
dat wie het meest zijn best deed om anderen welgevallig te zijn en
zich van de voordeeligste zijde te vertoonen, ook doorgaans zelf het
meeste genoegen had. Ofschoon er, wat de politiek aangaat, spanning
tusschen de partijen in den staat was ontstaan, en somtijds lieden
van verschillende kleur elkaar in gezelschappen ontmoetten,--men had
de welvoegelijkheid, niet altijd en overal over politieke vraagpunten
te twisten. Enfin, men wist toen nog te "praten", wat de Franschen
causer noemen; een kunst, die zoo goed als verloren schijnt, en
door het verdwijnen waarvan de gezelschapskringen ontaard zijn òf
in dispuutcollegiën, òf in een vervelend gewauwel over dienstboden
en modewinkels. Niet, dat men toen ook niet somtijds over zeer
onbeduidende dingen sprak; maar over al wat men zeide was een zeker
waas van bevalligheid verspreid, dat alleen verkregen wordt door eene
goede opvoeding, door den omgang met hoogbeschaafde lieden, en vooral
door de gestadig aangekweekte zucht om elkander aangenaam te wezen. Men
ontmoette in dien tijd, zoo goed als nu, menschen, die dom, enkelen
zelfs die vrij belachelijk waren; ook nu en dan bewees deze of gene,
dat zijn hart niet op de rechte plaats zat; maar de dommen hadden
doorgaans van jongs af geleerd te zwijgen en toe te luisteren, en
vormden alzoo als het ware "het publiek"; de belachelijken dienden tot
vermaak van de anderen; en de slechten... nu ja, de slechten... moesten
zich wat beter voordoen dan zij waren, op straffe van uit de kringen
der ordentelijke menschen te worden geweerd. En noeme men nu die
toenmalige maatschappij oppervlakkig, onbeduidend, futiel, al wat men
wil; ik voor mij weet, dat zij honderdmaal beschaafder, wellevender,
aangenamer en vermakelijker was dan de hedendaagsche, die er menige
les en goed exempel aan zou kunnen nemen."

Tot dusverre Van Lennep. Ik vermeet mij niet daar iets aan toe of af
te doen, te meer omdat het "tegenwoordig", waarover hij hier juffrouw
Stauffacher laat spreken, op zijne beurt alweer zoo lang geleden
is. Maar wel weet ik, dat ook in onzen tijd zekere maatschappelijke
deugden te weinig in tel zijn, in verhouding tot anderen. Zoo vraag
ik mij dikwijls af, om eens een karakteristiek voorbeeld te noemen,
of er niet werkelijk meer waarde voor de maatschappij ligt in de kunst
om met goed gevolg als ceremoniemeester op een feest te fungeeren,
dan in de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs in
natuurkundige wetenschappen?

Stel een jongen Dr. phil., die na zijn promotie een plaats als
leeraar aan een hoogere burgerschool aanvaard heeft. Hij doet dit
liever dan, op omstreeks dezelfde voorwaarden, medewerkend deelgenoot
in een industriëele zaak te worden, omdat hij zich nu meer aan zijn
wetenschap kan wijden. Nog liever was hij assistent geworden bij den
een of anderen professor, omdat hij dan nog meer in die wetenschap
had kunnen opgaan. De wetenschap, zijn vak van wetenschap namelijk,
is zijne wereld; ik weet niet recht of hij specialiteit is in schei-
of wis-, plant- of dierkunde, of wel in datgene wat, buiten deze om,
"natuur"-kunde genoemd wordt; maar in hetgeen waar hij voor opkomt
munt hij uit. Doch voor hetgeen daar buiten ligt... is hij weinig
of niets. Hij "moet" een weinig achting toonen voor de andere
takken van menschelijke kennis, die op school gedoceerd worden,
en hij spreekt daar ook soms over; maar eigenlijk zijn zij hem als
een gesloten boek. Het ligt aan zijn ontwikkeling, misschien reeds
aan zijn afkomst. Hij heeft hard moeten doorstudeeren, had geen tijd
tot iets anders, en bewoog zich te huis altijd onder menschen, die
beneden hem stonden. Dit een en ander maakt hem thans teruggetrokken
en eenzelvig. Zijn uitsluitende studie van de stoffelijke natuur heeft
ook aan zijne levensbeschouwing iets stoffelijks, laat ons gerust
zeggen, iets sombers gegeven. Ofschoon de goedhartigheid zelve, durft
hij aan zijn gemoedsleven geen stem te geven in zijn oordeel over de
grootere vragen der menschheid, omdat hij gewoon is niets te eeren
dan: wiskunstig denken, toegepast op zinnelijke waarneming. Hij haalt
eigenlijk de schouders op over de stad zijner inwoning, omdat er... zoo
goed als niemand is met wien hij kan praten,--want hij bedoelt daarmede
praten over zijn speciale onderwerpen. Hij erkent in het minst niet hoe
eenzijdig zijne ontwikkeling is, en hoe goed voor hem de omgang zijn
zou met lieden, die, al waren zij dan ook zijne minderen op 't punt
van natuurkennis, daarom wel zijne meerderen zijn konden op al wat
verder noodig is om iemand tot een beschaafd mensch te maken. Hij is
schuw en verlegen tegenover lieden met verfijnder vormen dan de zijnen;
hij beweert, dat hij "boven die vormen verheven" is, en dat zij maar
overlast zijn in de wereld; maar soms hindert het hem, half onbewust,
dat hij ze niet machtig is. Dit maakt hem afkeerig van gezelligen
omgang. Hij is getrouwd en zeer huiselijk, maar het geheim van die
huiselijkheid ligt in zijn bekrompen en verlegen trots. Op een feest,
van welken aard dan ook voelt hij zich volstrekt niet op zijn plaats;
zoo het lot hem er een enkele maal heenvoert, dan beschouwt hij zulks
als een noodzakelijk kwaad; vraagt van alles: wat men er eigenlijk
aan heeft; vult zijn stoel zonder iets te zeggen; trekt een zwart of
spottend gezicht, en verveelt zich zelven en zijn medegasten.

Stel nu daartegenover een ander. Wat hij "van zijn vak" is doet weinig
ter zake; misschien ook leeraar, of bij voorbeeld koopman, lid van
de eene of andere firma, op wier kantoor hij dagelijks werkt, zooals
honderden anderen op hunne kantoren. Maar 's mans eigenaardigheid
ligt in iets anders: in zijn gezellige talenten. Reeds vroeg heeft
hij van een begaafde moeder, in een goeden kring, den grondslag beet
gekregen van zijn echte beschaving, die gedurende zijn opvoeding meer
en meer is ontwikkeld, en waardoor hij nu velen een niet te berekenen
vreugde bereidt. Want wie zal "berekenen" hoeveel levensvreugd er in de
wereld opgewekt wordt door een mensch, die de gave heeft zijn omgeving
te leeren, het leven op edele en waardige wijze te genieten? Wie
zal meten hoever de gevolgen strekken van een uur van verkwikking,
waarin een aantal menschen het bewustzijn vernieuwden, dat er een waar
en hoog genot is in gezelligen omgang? Wie zal vooruit of achterna
afwegen hoeveel de maatschappij, de school, de kunst, de politiek,
de wijsbegeerte zoo ge wilt, te danken kunnen hebben aan den indruk
van een goed bestuurd feest? Bij feestelijke gelegenheden is een
man zooals ik bedoel "goud waard". Niet alleen dat hij zelf aardig
praat, tot iedereen het rechte woord richt, en door zijn persoonlijke
verschijning reeds dadelijk een aangename stemming inboezemt; maar
hij weet op verwonderlijke wijze de latente krachten der aanwezigen
wakker te tooveren. Wie anders stom tegenover elkander zitten, hetzij
uit botheid of uit loomheid, of wel uit angst om zich bespottelijk te
maken, worden onder zijnen invloed spraakzaam, en ontwikkelen talenten
die men niet in hen vermoed had. Vlug van begrip, is hij goed op de
hoogte van alles wat er om hem heen geschiedt; ofschoon in geen één
kunst of wetenschap iets meer dan "dilettant", heeft hij oog voor
het belangrijke in alles, en een grooten takt om daarvan partij te
trekken ten bate van het gezelschap. In tegenstelling met al wat er
afbrekends, verbrokkelends, ontledends is in onzen tijdgeest, heeft hij
eene groote mate van verbindende kracht. De gasten, die zich naar hun
gevoelen "vrij en ongedwongen" bewegen, werken onder zijne leiding
allen mede aan een welgevormd plan. Hij is geen "natuurkundige",
maar heeft groote ervaring op het punt van stoffelijke voorwaarden,
als daar zijn warmte en frischheid, luchtverversching en afwisseling
van rust en beweging. Hij laat zich niets op "wijsbegeerte" voorstaan,
maar hij voelt bij ondervinding, dat een mensch, om waarlijk te
genieten, op den duur nog iets anders noodig heeft dan "pret". Hij
ontwijkt volstrekt niet de diepere zijde, die bij elke feestelijkheid
kan opgewekt worden; hij trotseert de kansen van bespot te worden,
als hij zorgt, dat ook de ernst zijn deel krijgt, en als hij teêre
snaren aanroert, of aan weemoedige gevoelens, die in de aanwezigen
rondwoelen, een ontspannende uiting bereidt. Hij kent de weelde van
zulk een oogenblik van wijding; hij weet dat een mensch zich bedriegt,
die meent dat plechtigheid het tegendeel van vreugd is; hij voorziet
dat de traan, die nu opwelt in de oogen, straks ten goede zal komen
aan den hartelijksten lach der vroolijkheid. En die vroolijkheid is
onder zijn bestuur zóó vroolijk, dat de deftigste lieden vergeten te
bedenken of vroolijkheid wel deftig genoeg is....

Die beelden doemden voor mij op in het amphitheater van het
boschtooneeltje. Men raakt zoo licht aan 't mijmeren in het jonge
groen: vooral over de vraag, hoe men wel het meest kan maken van
ons wonderlijke menschenleven, dat "zoo velen medeleven, maar zoo
weinigen verstaan!"



XVI.

OP DE BLOEMMARKT.


Hoe vreemd het klinken moge, ik weet nog altijd niet, waar ik het
liefst de lente haren intocht zie houden: op haar eigen gebied, in
de bosschen en dorpen, of wel in eene stad, waar zij dan eensklaps
tusschen alle huizen en muren en daken, op elk leeg plekje en in
ieder kiertje, een groen spruitje doet opschieten, als ten teeken
van haar alles doordringende levenskracht. Ik, volbloed kind van 't
vrije veld, zoo er ooit een bestond, heb een soort van hartstocht
voor met iepen of linden beplante stadsgrachten, en stadsvesten
met haar bleekveldjes en over schuttingen reikende vlierstruiken,
en stads-achterbuurtjes met hun bloemenrekjes voor de bovenramen,
en ik voel mij in een vreemde stad dadelijk beter te huis, zoo ik
er toevallig een bloemmarkt ontdekt heb. Hoeveel aantrekkelijkheid
heeft voor mij, in Amsterdam, des maandags en des vrijdags morgens,
zeker eindje singel met zijn bonte decoratie! In dit jaargetijde is
zij op haar levendigst. Wij gaan er in verbeelding heen; en mits wij
kans zien de al te gedienstige dragers een weinig van ons af te houden,
kunnen wij naar hartelust rondkijken, en is 't een recht vermakelijke
tocht. Het zijn juist niet de "fijnste", nieuwste bloemen die hier
prijken, de glorie van de kweekkunst; maar het zijn meestal goede
kennissen die het ons genoegen doet in welstand te ontmoeten.

Welk een schat; een waar kleurenbad voor onze oogen; welk een rijkdom
van bloemen, en waar men toch met weinig stuivers al heel wat uit
kan richten! Ziet de bouquetten rozen, al naar mate van haar grootte,
voor drie of zes centen, een dubbeltje, een kwartje te krijgen: wij
weten wel dat het niet alles natuurlijke dauw is, wat daar op die
blaadjes glinstert; wij merken gauw dat zij reeds half verwelkt zijn
door het stijve binden, en dat zij het losmaken niet kunnen velen,
omdat zij kort zijn afgesneden en op steeltjes gestoken. Maar zij
helpen mee de markt versieren. De stamrozen in knop, die daar eene
eereplaats innemen in de achterste rij van het amphitheater, mogen
uit de hoogte op ze neerzien; dat doen zij evenzeer op die honderden
lichte en donkere maandroosjes, die nog aan hun struik zitten, en
juist dienen moeten om die aan den man te brengen. En dan volgen,
in gesloten gelederen, de Oranje-lelies, het achterst, omdat zij het
hoogst groeien, en de Cineraria's en de Calceolaria's, en de Fuchsias,
en de Geraniums, en de geurige Heliotropen. Verder tallooze potten
laaggekweekte Pelargoniums, enkelen van zachtroode schakeeringen,
maar de meesten vuurrood. (Waterloo's, "Only showflowers" hoorde ik
ze eens niet onaardig noemen.)

Gij vindt er zonder twijfel in den loop van den zomer Verbena's,
wier fraaiheid stellig beter gewaardeerd zou worden, als zij maar een
beetje geur hadden; Lathyrussen tegen stokjes gebonden; Escholtzia's,
wier helder goudgeel menigeen doet glimlachen bij de bedenking dat
zij uit het "goud-land" Californië afkomstig zijn; Hanekammen, die een
nieuwe jeugd zijn ingetreden door de nieuwe variëteiten, die er onlangs
weder van in omloop gebracht zijn; Symphytums,--de gewone inlandsche
"smeerwortels" in gala-tenue; Verbascums, in het wild bekend onder den
naam van "stalkaars", en Achillea's onder dien van "hazegerf". Voorts
zijn er Antirrhinums, "leeuwenbekken",--in verschillende fijnere en
grovere tinten; Spiraea's, met haar sierlijke pluimen; groote dubbele
Paeonea's, waarvan ik niet recht weet wat ik het mooist vind: de
losse bloemen of de fraai ingesneden bladeren; Reseda's tot boompjes
opgekweekt; Erythrina's met hun zonderlinge vruchten die, als zij van
den winter open zijn gesprongen, en de zwarte zaden helder tegen de
vuurroode binnenzijde afsteken, den niet onbegrijpelijken naam van
"koraalrozen" zullen dragen. Vooraan staan potjes met Violen, met
Vergeet-mij-niet, of de dikwijls in plaats daarvan verkochte kleine
blauwe Lobelia's, en allerlei "laag zaadgoed". En ter zijde van het
kleurig vierkant staan of liggen de groene bijzaken: groen blijvende
heesters, voornamelijk Thuya's, met een kluitje aarde in een stukje
mat gepakt; palmboompjes in potten; ranken klimop met een rietje bij
elkander gebonden; siergrassen; citroenkruid; Lieve Vrouwebedstroo,
"om mei-wijn mee te maken"; en ten slotte graszoodjes, bestemd om
leeuwerikken, kwartels, lijsters, in een kooitje van het vrije veld te
doen droomen. Landslui in gevangen staat worden licht goede vrinden:
dat zal misschien ook het geval zijn met zoo'n vogel en deze gras-
en klaverplantjes, wanneer zij van avond samen opgehangen worden in
een gang, die licht krijgt uit een dwarssteeg.

Maar willen wij nu nog iets koopen, al was het slechts uit dankbaarheid
voor de gratis-tentoonstelling? Laat ons wat anjers meenemen:
grasanjers, of groote roode anjers, van verschillende tinten;
en die chineesche ginds,--dat zal de duurste wezen;--en ja, die
duizendschoonen,--dat zijn toch eigenlijk ook anjers. En moge soms
deze of gene bedachtzame omstander ter goeder trouw en niet geheel
ten onrechte ons influisteren, dat "ze pas van ochtend uit den grond
zijn genomen", en dus allicht geen wortel vatten zullen, neem ze toch
maar mee: ze zijn den prijs wel waard, als kijkgeld voor al de rest.



XVII.

AAN DE NOORDZEE.


Dezer dagen is aan de zee, te Scheveningen, te Zandvoort, en te
Domburg,--en wat wilt gij er nog meer bij noemen?--het "badseizoen"
weer begonnen, en de tijd aangebroken, waarop, althans aan de beide
eersten, verschillende natiën elkander aan ons strand ontmoeten.

Nu zijn de drukke dagen nog niet daar: de levendigste tijd is Juli,
Augustus, September; de vroegste gasten verschijnen op het eind
van Juni. Wie in het begin dezer maand, op een mooien dag, onze
zeedorpen bezoekt, vindt ze nog in hun normalen toestand, alleen
bewoond door het oorspronkelijke visschersras,--de visscherskaste had
ik bijna gezegd,--waarvan het mij altijd verwondert, dat, ondanks de
voortdurende aanraking met de zeer onfrissche badwereld, het type
zoo zuiver bewaard blijft. Welkom, knappe, frissche scheveningsche
deernen, met uw mooie roode wangen en nog mooier blauwe of lichtbruine
oogen! Welkom, oude zeebonk, met uw gerimpeld voorhoofd onder den
zuidwester, met uw blik, die zoo dof schijnt, maar zoo geestig zijn
kan! Houdt u goed te midden van dien zwerm vreemden, onder wier
nieuwsgierige of geblazeerde oogen gij sinds jaren zoo rustig uw
bedrijf uitoefent, alsof zij er niet waren. Neemt steeds zoo weinig als
het zijn kan over van die heeren en dames, wier geurige parfumerieën
u dagelijks om den neus waaien; behoudt uw eigen aard, zelfs al
verkoopt gij hun uw speldenkussentjes met schelpen, of al leent gij
hun, als "badman" en "badvrouw", de hulp van uw gespierde armen. Laat
hen liever gevoelen dat zij iets van u hebben over te nemen. Want
waarlijk, gij zijt hunne meerderen, in zooverre gezondheid de meerdere
is van ziekelijkheid; gij staat boven hen, zoover als inspanning en
arbeidslust staan boven niets-doen, leêgloopen en luieren!

Niemand zal mij tegenspreken, dat dit laatste zoowat de dagverdeeling
van de meeste badgasten is, ook al zijn zij niet bepaald ziek.--Hoe
dit zij, er zijn er stellig altijd eenigen onder, wien ik bij nader
kennismaking gaarne een verkwikkende vakantie, te midden van hun
werkzaam leven, zou gunnen. En zeker is niets meer geschikt dan een
verblijf aan zee, om iemand, beurtelings door rust en prikkeling,
nieuwe krachten te bezorgen. Om nog niet eens te spreken van het
eigenlijke zeebad, als geneesmiddel, of de watergymnastiek, zooals
men haar kan noemen,--welk een verfrissching gaat er niet reeds uit
van de lucht en het strand en de duinen en de ongewone leefwijze, voor
geest en lichaam beide! Hoeveel en hoe men daarvan profiteert, hangt
zeker af van individueele eigenschappen: van oog voor natuurschoon;
van ontwikkeling van verstand, gemoed, verbeelding; van artistieken zin
en wetenschappelijke vorming; van de gaaf om omtegaan met allerhande
menschen; van de gewoonte om zich rekenschap te geven van hetgeen
men ziet en geniet.

Zonderling, dat zij zulk eene toovermacht op ons kan uitoefenen,
die zee, die vale Noordzee, met dat meestal vale zwerk daarboven,
en dat vale zandvlak daarvóór, en die zandige heuvelen, slechts
met vaal helm begroeid, als afsluiting van 't landschap! Ginds in
de verte stoomt een boot voorbij; nog verder aan den horizont telt
gij een twintigtal pinken; achter u verheffen zich de badgebouwen,
door boom noch struik versierd of beschaduwd; beneden, aan den voet
der duinen, staan een stuk of wat leelijke koetsjes, die u misschien
een glimlach afdwingen; behalve op een paar zeer drukke uren, zijn
de menschenfiguren betrekkelijk zeldzaam, en slechts het gekrijsch
van meeuwen breekt nu en dan het eentonig geruisch van de zee. Wat
is daar toch te zien, zou men haast vragen, 't welk het verblijf
aan zulk een badplaats zoo aantrekkelijk maakt? Wat lokt niet alleen
kranken, maar niet minder gezonden, jaarlijks in zulk een groot aantal
derwaarts? Wat maakt dat onze zeebaden geen speelbank noodig hebben
om bevolkt te blijven?

Vertoef er slechts één of twee dagen, en gij zult het voelen en
begrijpen.

Vooreerst doet het de zee, door hetgeen zij niet is. Zij is namelijk
zóó geheel iets anders dan het tooneel van ons dagelijksch leven en
werken, dat haar aanblik ons reeds daardoor eene onvergelijkelijke
verfrissching bezorgt. Zij is niet het land, met al wat daarop groeit
en vaststaat, en waarmee ons alledaagsch bestaan op de eene of andere
wijs is verbonden; ik had bijna gezegd, zij is niet de aarde. De
gansche zandige, flauwlijnige omlijsting helpt, juist doordien zij
niets te zien geeft,--niets dan zand en fletse gewassen,--slechts
mede om dien indruk te versterken. Het vage, golvende karakter van
alles om ons heen, geeft ons reeds onbewust de zekerheid, dat wij
hier niet met menschenwerk te doen hebben; het dichtste bosch, de
wildste bergpartij doen ons niet zóó volop gevoelen, dat wij alléén
met "de natuur" zijn. Zelfs de heide niet, want de heide is vast,
en de zee is eeuwig bewegelijk.

En de zee treft ons ook wel degelijk door hetgeen zij wel is: door de
eindeloos afwisselende schoonheid, die zonneschijn en wolkenschaduwen
op haar te weeg brengen; door het spel der rimpels op haar spiegel,
of het klotsen van de baren vóór, in en na een storm. En is er,
voor wie dieper doordringt, niet nog grootscher bekoring verscholen
in haar eigene gestadige rijzing en daling,--in dien vloedgolf,
die zoo rustig komend en weer heengaand, getuigt van eene kracht,
waarbij de felste storm nog niets is? Is daar geen prikkel voor den
geest van elk die voelt en doordenkt, in al de verscheidenheid van
kleine aanspoelende voorwerpen,--eene doorloopende tentoonstelling,
die met elk getij vernieuwd wordt? Kan men open oogen hebben, en niet
reeds na weinig dagen eenig hart hebben gekregen voor die ongewone
dier- en plantenvormen, waarmede wij, desnoods onzes ondanks, in
kennis gebracht worden?

En dan is er eindelijk het sterk sprekende contrast tusschen
die afzondering en eenzaamheid,--dat uit-de-wereld-zijn, dat men
hier gemakkelijker dan ergers kan bereiken,--en het bont gewoel
der badwereld op een paar schreden van ons af. Juist hier, bij deze
scherpe tegenstelling, worden wij er ons diep van bewust, dat in het
leven van ieder menschelijk mensch natuur en maatschappij twee elkaar
aanvullende machten zijn; dat de omgang met de eene op den duur nooit
geheel het gemis van de andere vergoedt, maar dat zij, indien wij
slechts willen, ons elk op haar beurt leeren ze beiden lief te hebben.

Stel u voor, dat gij badgast zijt. Gij zijt vroeg opgestaan,
vroeger dan gij 't in de stad gewoon waart;--gij hebt gebaad of
wel het badgewemel aangezien, naar den vischafslag staan kijken, of
wel in uw tijdelijk tehuis het noodige verricht. Thans zijt gij met
een boek of knutselwerk naar een luw plekje aan de voorste duinrij
getogen. De zee is kalm; het is een jour de dame: de zon schijnt
bijna door de dunne wolken heen. Maar het werken wil niet vlotten,
en het lezen ook niet. Gij vindt, dat gij dat t'huis, aanstaanden
winter, genoeg doen kunt. Het valt u moeielijk, uw blikken van de zee
af te houden. Indien gij Heine kent, lokt hij u in verbeelding naar
Norderney; zoo gij Schleiden hebt gelezen, vliegt gij met hem over
naar Helgoland: wie weet welke andere lievelingsdichters u ongemerkt
naar fransche, britsche, noorsche kusten heentrekken. Eensklaps
valt uw oog op de schaal van een kokosnoot, die een pas of wat van
u afligt. Zou die zijn komen aandrijven op de golven: op haar eigen
houtje zulk een lange reis gemaakt hebben, uit een land waar palmen
groeien? Of zou zij afkomstig zijn van een verongelukt schip? Waar
zou dan de bemanning terecht zijn gekomen?... En gij ziet er
gindsche visschers, die bezig zijn iets aan hun pink te timmeren,
eens op aan, hoeveel gevaren het zeeleven meebrengt; en gij krijgt
sympathie voor hunne avonturen. Onwillekeurig raapt gij af en toe een
schelp op of een horentje, afgelegde omhulsels van vergane zeedieren,
die in plaats van inwendig geraamte, slechts deze uitwendig op één
punt aan hen vastgegroeide huisjes, tot stevig tegenwicht voor hunne
weekheid hadden! En kijk, wat hebt gij daar? Een bruin, hoornachtig
langwerpig-vierkant zakje, met vier puntige aanhangsels. Het is een
rogge-ei. Gij weet dat misschien niet, maar dan zult gij het vragen
aan dien aardigen duitschen professor, die gisteren uitgelegd heeft,
hoe het komt dat alles wat met zeewater bevochtigd is niet opdroogt
eer men het in zoetwater heeft uitgewasschen. Hij beweerde dat dit
een gevolg is van de "zoutzure magnesia", die er aan was blijven
hangen, en die altijd weder vochten uit den dampkring opneemt; en
hetzij gij iets van scheikunde begrijpt of niet, gij kunt niet laten
er het nimmer geheel droge zand eens op aan te voelen.

Intusschen is het etensuur geslagen, en daarna, tusschen
zessen en zevenen, begint op het strand en de terrassen de
pantoffelparade. Menigeen, die tot dus verre genoeg had aan de zee en
zich zelven, komt nu om het gezelschap. Gij doet mee met de massa. Een
mensch is zóó niet, of hij wil daar ook eens het zijne van hebben. Gij
voelt u minder vrij dan 's morgens, maar hebt daartegenover het
voorrecht van menschengezichten te zien. Gij weet, er zijn er bij,
die u aantrekken; gestalten, die gij gaarne nog eens zien zoudt,
stemmen, die gij gaarne nog eens hooren wilt, al was 't alleen maar om
te weten welke taal zij spreken; ontmoetingen, waarnaar gij wenscht, en
andere, nieuwe, die u misschien boven het hoofd hangen. Gij hebt reeds
heele, halve, groet- en aanspraakkennissen; en loopen er soms onder,
met wie gij liever niet tot meerdere gemeenzaamheid woudt komen,--de
talrijkheid van 't badpubliek geeft desverkiezende gelegenheid genoeg
om die te ontwijken. De kans op conversatie is voortreffelijk; 't
is een prachtige avond geworden en 't blijft licht tot negen uur,
half tien toe.

Doch eer het donker is, komt er één oogenblik, of liever één kwartier,
waarin de meeste gesprekken verstommen, en bijna aller oogen naar
één zij gericht zijn: naar den noordwestelijken horizont. Het is,
als daar het drama van den zonsondergang wordt afgespeeld. Ziet,
het oogenblik nadert; reeds begint zich de hemel te kleuren. De zon
daalt merkbaar; en zij, die op den dag niet dulden wilde, dat wij
haar in het aangezicht zagen, laat zich nu, mak en goedig, van hare
verblindende stralen ontdaan, ongestraft in hare volle grootte ten
afscheid groeten. Daar daalt zij tot de kim; het is als rust zij op
het water. Daar duikt zij onder; nog een klein gedeelte en zij is
verdwenen. Maar alsof dan plotseling al haar gloed uiteen spatte, zoo
schitterend rood verft zich de plaats waar zij is neergezonken,--de
zee, zoo even donkergrijs, wordt paarlemoerwit en de nevelen,
waarvoor ons Noorden berucht is, doen zich dan eensklaps gelden als
de luchtgeesten uit een sprookje, en maken van het halve uitspansel
een kolossalen ongestreepten regenboog. Onwillekeurig zwijgt men. Ik
ken menschen, die nooit vroom zijn, dan alleen op zulke oogenblikken;
menschen, die, hetzij uit lichtzinnigheid of redeneering, gewoonlijk
alle godsvereering van zich werpen, maar die bij dezen aanblik zwichten
voor de geheimzinnige weelde van iets boven zich te vereeren, en in
stilte den raad des dichters volgen:


        Laisse aller ta prière où ton âme l'envoie:
        Ne t'inquiète pas, toute chose a sa voie,
        Ne t'inquiète pas du chemin qu'elle prend!


Dit gloeiend schouwspel duurt slechts kort; na weinige minuten
verbleeken de tinten, en weldra is alles voorbij.

Nooit voelt men den overgang van dag tot nacht zoo snel en sterk,
als wanneer men het hoofdmoment zoo geheel mee doorleefd heeft. Het
zwijgen is dan weder opgeheven, en men wordt op nieuw spraakzaam. Het
is zelfs alsof, na het verdwijnen van de dagvorstin, de menschen zich
inniger aaneensluiten. Maar juist daardoor is de toon veranderd. Een
groot deel van het publiek trekt zich na zonsondergang terug: het wordt
stiller op het strand en rondom ons, naarmate de duisternis valt, en
de moed wordt grooter voor gesprekken, die, hetzij in vertrouwelijkheid
of in verheffing, min of meer het alledaagsche overschrijden.

Ten slotte keeren ook de laatste achterblijvers huiswaarts naar hun
grooter of kleiner logies. En indien zij daar dan iemand vinden,--het
is een tref, maar als men 't treft, is het een groot voorrecht aan
een badplaats!--die het gemeenschappelijke avondeten weet te kruiden
met een aardigheid; die de kleine feiten van den dag artistiek opvat,
of een oude anekdote handig weet te pas te brengen; die de kunst
verstaat, òf om zelf te vertellen, òf om het gezelschap aan de praat
te brengen,... zie, dan wenschen zij, in negen van de tien gevallen,
dat het badseizoen voor hen nog heel lang moge duren.

Zulk badgenot, en nog veel meer, in dagelijksche verscheidenheid,
wensch ik aan allen toe, die in dit jaar hun op een of ander veld
van eer (om 't even van welke soort) verloren krachten, aan ons
noordzeestrand zullen trachten te herwinnen. Moge hun gezondheid
hersteld, hun zenuwen versterkt, hun geest opgewekt worden; en mogen
zij de zee vaarwel zeggen met aangename herinneringen en met nieuwe
plannen voor de toekomst, waarover zij zich voor badvrouw noch badman
behoeven te schamen!



XVIII.

EEN KASTANJEBOOM.


Ginds aan het stadsbolwerk, dicht bij 't water, staat een wilde
kastanje in bloei. Dat is dan nu ten minste een groote boom, die
zijne bloemen niet verbergt, en die niet, zooals eiken, beuken,
iepen, de menschen in twijfel laat, of ze wezenlijk tusschenbeide
"nog bloeien ook". De kastanje pronkt zelfs met zijn bloei. Hij
draagt zijn eigen natuurlijke bloemen met niet minder vertoon, dan
de spar op kerstmis zijn kaarsjes. Hij stelt zich zelven aan ons
voor als de zomer-kerstboom van het bosch; en als er sprake is van
een lentefeest der natuur, verdient hij daarbij wel den titel van
fakkeldrager te voeren.

Hij heeft zich waarlijk lang genoeg te voren op het feest verheugd
en zijne toebereidselen daarvoor gemaakt. Geen onzer groote boomen,
die zoo vroeg teekenen van leven geeft. Laat ons even nagaan, hoe
hij zich gedragen heeft sinds de dagen begonnen te lengen.

Reeds omstreeks Nieuwjaar... Maar ik moet u eerst eens eerlijk vragen,
of gij hem zoudt kennen in den winter, "bij winterdag", zooals
de buitenlui het zooveel teekenachtiger uitdrukken? De sierlijke
wrong in zijn stam--een wrong als van een reusachtig koord--toont
wel den kastanjeboom aan, maar niet alle kastanjeboomen bezitten
dien wrong. Zijn rechtopgaande takken heeft hij o. a. met esschen
gemeen. Doch wie hem eens bekeken heeft, herkent hem altijd en overal
aan zijne groote, breed geschubde, roodbruine knoppen, glimmend
door de kleverige harst, die ze reeds van den herfst af bedekt,
en ze, voor het oog en het gevoel beiden, een zeker waas van leven
geeft, in een seizoen waarin alle overige knoppen er dor en droog
uitzien. En niet minder opmerkelijk dan deze knoppen, is het onder
elken knop zichtbare "kussentje", nl. het litteeken waar het oude
blad aan den tak is vastgehecht geweest. Zelf lichter van kleur dan
de omringende bast, vertoont het duidelijk zeven of vijf donkerbruine
stippels, al naar mate het afgevallen blad normaal uit zeven, of, door
schraalheid, slechts uit vijf blaadjes is samengesteld geweest. Men
heeft hier namelijk een aardig voorbeeld, hoe voor de hoofdnerf van
elk blaadje, door den gemeenschappelijken steel heen, een taaie draad
(een zoogenaamde vaatbundelstreng) van den tak uitgaat. Plukt, in welk
jaargetijde gij wilt, een kastanjeblad vlak bij den tak af, en zoodra
de breuk een weinig opdroogt en verdort, kunt gij de bruine stipjes,
de doorsnee van die strengen zien, en ook in den steel zelven die
strengen vervolgen. (Op dezelfde wijze kan men b. v. in den steel van
een "drievoudig" aardbeiblad drie vaatbundelstrengen, in die van een
"enkelvoudig" eikeblad ééne vinden.)

Reeds op het eind van Februari begint, onder eenigszins gunstige
omstandigheden, de kastanje aan "uitloopen" te denken. Nochtans
behoorde er zonder twijfel ieder jaar een groene bril bij, om
dien van den tuin der Tuilerieën, op den 20sten "in volle groen"
te zien staan. De ontwikkeling van het "groen" toch gaat juist
bij den kastanje ongewoon langzaam: tusschen de eerste teekenen van
inwendige beweging en den vollen wasdom van het loof moet een geruime
tijd verloopen. Bijzonder aardig is het, om het sterke contrast waar
te nemen tusschen de laatste dagen dat de boom in knop staat, als
een beeld van volle levenskracht en moed en ijver, en de armzalige
figuur, die hij maakt in het daaropvolgend tijdperk, wanneer al de
jonge blaadjes slap ter neder hangen, even als de ooren van pasgeboren
lammeren. Het duurt, zelfs bij warm weêr, meer dan een week voordat
zij zich opheffen; dit ligt, denk ik, aan de lange stelen, die in
den beginne te zwak zijn om het betrekkelijk zware blad, dat hen in
ontwikkeling vooruit is, te dragen. Eindelijk echter rijzen zij omhoog
tot een meer dan horizontale houding; intusschen zijn zij uit hun
eerste plooi verlost en vlak geworden, en spreiden zij zich uit als
groote waaiers, ieder blaadje in het midden dikwijls een hand breed.

En dan komt de beurt aan de bloemen. Hebt gij opgemerkt hoe zij
zich vormden aan de uiteinden der takken? Thans zijn zij volwassen,
en op haar mooist. Reeds begint er hier en daar een af te vallen:
als gij er een paar opraapt, kunt gij ze op uw gemak bekijken. Het
zijn zonderling gevormde bloemen: ik meen natuurlijk de afzonderlijke
bloempjes, die te zamen een pluim uitmaken. Zij bestaan uit vier witte,
ongelijk gevormde blaadjes, en op ieder der twee grootsten is een klein
rood vlekje, hetgeen aan de geheele pluim een zeer licht roosachtige
tint geeft. Ook het stuifmeel is hier niet, zooals bij verreweg de
meeste planten, geel of zwart, maar rood. Dat getuigen de bijen,
of liever hare roode pootjes, wanneer zij na eenige minuten werkens,
uit de kroon van den kastanjeboom terugkeeren.

In ieder bloempje zit een vruchtbeginsel, met een krommen stijl
gewapend. Daaruit zullen zich weldra de kastanjes ontwikkelen. Een
blik op de honderden en duizenden bloemen doet een goeden oogst
verwachten. Wij weten echter wel, dat lang niet allen hun vollen groei
bereiken; dat er bij elke flinke windvlaag tusschen nu en October
een menigte afwaait. Doch juist hiervan kunnen wij gebruik maken. Ik
heb eens een ganschen zomer volgehouden om, van alle mij bereikbare
boomen en heesters in den omtrek, wekelijks eene groeiende vrucht
open te snijden. Het zal zeker uwe moeite loonen, indien gij dit
geregeld doen wilt met de afvallende kastanjes. Het is verrassend,
na te gaan hoe zulk een vruchtbeginseltje tot vrucht wordt: wat er
omgaat binnen dien, reeds spoedig ruwen, kleinen bolster; hoe hij
eerst drie kastanjes belooft, maar er meestal slechts ééne of twee
groot brengt, en hoe lang het duurt eer zij hunne mooie bruine kleur
aannemen en glad en droog in hunne hokjes gereed liggen.



XIX.

EEN INLANDSCHE AREND.


Wie onzer, zonder nadere aanduiding, over arenden spreekt, bedoelt
daarmede doorgaans een dier welbekende luchtbewoners, die zich
door hun grootte, hunne kracht, hun scherp gezicht, de statigheid
van hunne vlucht en misschien ook door de onbereikbaarheid hunner
woonplaatsen, van oudsher den naam van koningen der vogels verwierven,
tot zinnebeeld geworden zijn van heerschappij en hooge waardigheid,
en, ondanks hun gevreesde roofzucht, de reputatie genieten van zekere
"edele" eigenschappen te bezitten. En hetzij men daarbij dan het
meest denkt aan den steenarend, den goudarend of den keizersarend,
(en zich wellicht verwondert dat die laatste titel aan de kleinste
en minst sterke dezer drie soorten toebehoort), hetzij men zich
de zuid-amerikaansche harpijen, den afrikaanschen kuifarend of den
australischen kegelstaart voorstelt;--men meent in ieder geval vogels,
die ver van hier, in berglanden, de schrik zijn van lammeren, hazen
en soms kinderen, maar waarmede wij in ons plat, tam, kalm Nederland,
strikt genomen, niets te maken hebben. Hoogstens kunnen wij ze gaan
zien in Artis.

Toch zijn er ook inlandsche arenden. Soms gebeurt het, des winters,
dat de groote zeearend, die in grootte en kracht bij geen steenarend
onderdoet, op reis van de poolstreek naar Noord-Afrika, over onze
vlakten een strooptocht onderneemt. Het is en blijft intusschen eene
zeldzaamheid, dat men er zoo een vangt of schiet,--een uitzondering,
die door de verbazing welke zij opwekt, den regel bevestigt, dat
zulke reuzen bij ons niet t'huis behooren. Maar er is nog eene andere
soort, de helft kleiner, en nochtans toegerust met al datgene wat
een echten arend kenmerkt, die aan onze kusten dikwijls voorkomt:
de visch-arend. Zoo een heb ik er, een jaar of wat geleden, in onzen
tuin opgeraapt.

Het was in den voorzomer. Een paar tamme zwanen had op een, door een
wilgenboschje beschutte plaats, in den rietzoom van een zoogenaamd
zwin, zijn nest gemaakt: een wijde, ondiepe mand van riet, biezen en
watergras. De blanke ouders hadden reeds verscheiden weken hun geduld
geoefend: vijf jongen lagen in het nest. 't Waren leelijke diertjes met
hun grauw dons en hunne onbehouwen figuurtjes; doch daar zij gelukkig
niet, zooals Andersen's beroemde zwaantje, onder jonge eenden verdwaald
waren, maar rustig onder moeders vleugels groot en mooi konden worden,
hadden zij daar weinig last van. De bescherming van de zijde der
ouders was intusschen wel noodig, zooals bleek uit het geval met den
arend. Sinds een dag of wat namelijk, hadden wij hoog in de lucht
een grooten vogel zien vliegen, en dikwijls verscheidene minuten
onbeweeglijk op dezelfde plek zien zweven, zooals arenden plegen te
doen. Een paar malen, 's avonds bij zonsondergang en 's morgens zeer
vroeg, hadden wij een ongewoon geschreeuw gehoord, dat wij aan dien
vreemdeling toeschreven; en eens had het gegil der zwanen, die zich
anders zelden lieten hooren, ons doen vermoeden dat deze met hem slaags
waren. Daarna merkten wij niets meer van hem; maar een week later bleek
de onderstelling juist te zijn geweest, daar de indringer dood in het
riet werd gevonden, op een pas of tien afstands van het zwanennest. In
huis gehaald en goed bekeken, bleek hij tot de genoemde vischarenden
te behooren. Zijn kleur was, in het kort gezegd, wit met bruin, in
verschillende donkere schakeeringen; hij had, als alle roofvogels,
een krommen snavel en een zeer duidelijk herkenbare blauwachtige
washuid. Zijne pooten, met vier, bijna in het kruis staande teenen,
hadden ruwe grove schildjes en ronde kromme nagels, zoodat men zich
gemakkelijk verbeelden kan, hoe gevaarlijk zijne aanvatting is voor
zijn slachtoffers. Wat dezen aangaat--ofschoon het in verscheidene
boeken staat, dat de vischarend zich uitsluitend met visch voedt en
andere dieren met rust laat, zoo was het toch voor ons boven allen
twijfel verheven, dat hij het ditmaal op de jonge zwanen gemunt had
en toen door de ouden onschadelijk gemaakt was. Trouwens de naam van
"Eendendooder", waaronder een onzer werklieden hem dadelijk herkende,
bewijst wel dat hij ook als wilddief bekend staat. Het spijt mij
altijd dat ik hem niet heb laten opzetten. Een zijner vleugels heb
ik lang bewaard; deze was omstreeks zoo groot als eene ganzewiek,
maar slanker van bouw.



XX.

EENE LINDE.


                                "Aldaer dat clare water spranc,"
                                  Daer stont een groene linde,
                                Daer de nachtegael sat en sanc
                                  .........................."


De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine,
rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de
stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds
lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist
heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid--in
alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers
gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar;
men ziet het niet, maar men ruikt het.

Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de
bloeiende linden, hetzij dan 's avonds, als "de nachtegaal" uit alle
macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de
lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik
alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam,
laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt,
de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn
er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang,
lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe 't komt dat gij zoo
onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij
sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de
geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke
vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en
herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten;
het is wreed zulk een stemming te storen!...

Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden,
waarin die geur ontstaat. 't Is klein en flets van kleur: 't is in zijn
soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan 't ons
ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek
kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts
een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er
op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen
bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten
overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die,
heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. 't Behoefde slechts
wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw,
geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar
zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet
meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist
haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel,
zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de
jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer
goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand,
buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een
verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje,
en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan
deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. 't Is of het
vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden:
het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht
door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke
helften. Het adernet is bijna tot in 't oneindige verdeeld, zooals
vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde
is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en
zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander;
elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke
takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij
uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.

Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het
geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en
fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der
menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige
van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is
en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem
te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied
te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur
zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk
door menschenhand herwaarts overgebracht,--lindenbosschen komen
nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden
rijp,--is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft
ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet
in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar
in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke
leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers,
en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes
zou verliezen, indien niet rechts of links zoo'n aardig stukje
lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie
kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld
van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij
verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde [3] vertegenwoordigt
zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn,
daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom,
misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan:
de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk
karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet
ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien,
opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden
rusten in zijn schaduw!

In de schaduw.--Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol
bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze
bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond,
was dat hier in het Noorden, "waar men toch al zoo weinig zonneschijn
heeft", zooveel hooge boomen gekweekt worden, "die het beetje, wat
er is, nog onderscheppen". Trouwens, op alle italiaansche prentjes,
met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. "'t Is omdat
wij den zonneschijn te lief hebben," was zijn uitleg daarvan.

Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts
onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt,
dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen
wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten
door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op
de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar
heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen
glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is
des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond
van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een
landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. 't
Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis
aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in
welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar
verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde!



XXI.

TAPIJTBEDDEN.


Tot de gaven die ik, bij haar geboorte, ons prinsesje Pauline voor
de toekomst toewenschte, behoorde:


    "Weet wat gij schoon vindt in de wereld om u henen".


De meeste menschen weten dat van de meeste dingen volstrekt niet;
en het is hun zelfs vrij onverschillig. Op het punt van kleederen bij
voorbeeld vraagt men zich in den regel volstrekt niet af of men iets
mooi vindt; niet schoonheid, maar "fatsoen" en "stand" zijn daarbij
vaak de openlijk erkende hoofdbedoeling. Doch op het glibberig terrein
der kleeding behoeven wij ons thans gelukkig niet te wagen. Ik wou
eenvoudig even praten over het groepeeren van bloeiende planten.

Ik wou vragen: wat dunkt u van de in de laatste jaren heerschende
mode der "tapijtbedden" of "mozaiekperken"?

Ziet ze vóór u, in hun sterksprekend karakter van netheid, stijfheid
en hardheid, in dit alles niets onderdoende voor een keurig opgemaakt
schoteltje haringsla. Schitterend rood, helder geel, hard blauw,
blinkend wit spelen daarin gewoonlijk de hoofdrol; en vertoonen
zich nog harder dan zij zijn, door de combinatiën waarin zij naast
elkander geplaatst worden. Het spreekt van zelf, dat indien eenmaal
zuiverheid van uit bloemen gevormde figuren hoofdzaak wordt, sterke
contrasten zeer gezocht zijn, om de teekening effekt te doen maken;
en dat daarbij zekere hardheid bijna onvermijdelijk is. Maar zelfs
waar men er in slaagt die te ontwijken, en met fijnere tinten te
werken dan in den regel het geval is, zondigt men daarbij toch altijd
in hooge mate tegen de natuurlijke schoonheid der planten, door ze tot
een vlakken groei te dwingen. De voor mozaiekperken gebruikte gewassen
zijn veelal dwergachtige planten, die van jongs af voor deze bestemming
gedresseerd zijn: zij groeien in de breedte, doordien men er bijtijds
den kop heeft uitgesneden. Daardoor vervalt van zelf al de rijkdom
van vormen, die uit een bevallige vertakking voortvloeit; van een
sierlijk zwenken, buigen, zwieren kan geen sprake meer wezen. Het was
zeker geen tapijtbed dat den italiaanschen dichter de gedachte ingaf:


        Gij vlindertje in de bloemenperken,
        Gij bloem die op den stengel wiegt,--
        Een vlinder is een bloem met vlerken,
        Een bloem, een vlinder, die niet vliegt!


Wel verre van tot de gelijke van een levenden vlinder verheven te
worden, wordt de bloem hier verlaagd tot een gebruik, waartoe men juist
zoo goed een hoopje steenen van verschillende kleuren kon bezigen!

Ofschoon nu verreweg de meeste eigenaars van grootere of kleinere
parken en tuinen hierin volstrekt hun eigen smaak niet raadplegen,
maar de zaak eenvoudig aan de mode en hun witboezeligen tuinman
overlaten, zoo zijn er toch een aantal menschen, die dergelijke
plantenmozaieken volstrekt nog zoo leelijk niet vinden. Hun oog
wordt, geloof ik, verleid door den ontzaglijken rijkdom van bloeiend
materiaal, dat er toe wordt gebruikt; en zij gaan dan niet na, dat
deze zelfde bloemenmassa nog veel aangenamer indruk zou maken, indien
zij op eene meer met haar karakter overeenstemmende wijze gegroepeerd
was. En eindelijk zijn er sommigen, die werkelijk uit overtuiging
de tapijtbedden toejuichen, omdat zij...hen doen denken aan den
Style-le-Nôtre en de tuinen van Versailles, die zij zoozeer bewonderen.

Ik heb dikwijls getracht mij daarvan rekenschap te geven. Doch wat
aangaat den Style-le-Nôtre, in één geval slechts kan ik mij voorstellen
dat iemand van beschaafden smaak daarmede ingenomen is. Dat is:
wanneer men lang, te lang in eene wildernis vertoefd heeft, waar de
natuur alléén het heft in handen had, en dan, teruggekeerd in de
bewoonde wereld, zich als tegenstelling aangenaam voelt aangedaan
door zulk een machtig en planmatig ingrijpen van menschelijke kunst
in natuurlijke groeikracht. Of wel,--wat geestelijk daarmee gelijk
staat,--wanneer men dezen tuinstijl beschouwt als 't geen hij is:
de allereerste poging, die de europeesche maatschappij in dit opzicht
beproefd heeft, en van welke men dus niet al te veel mag verwachten. De
lage trap waarop hij staat, blijkt overigens wel daaruit, dat zijne
degelijke bewonderaars hem 't meeste prijzen als: "zoozeer in harmonie
met den bouwtrant" van zekere kasteelen en paleizen, wier lijnen hij
in eene andere grondstof herhaalt. De tuinaanleg wordt daarbij dus
geheel ondergeschikt gesteld aan de steen-architektuur. En is dit
niet juist in tegenspraak met het karakter van tuinen en parken:
het omheinde lapje grond, waarop de mensch zijn best doet, om te
midden van de aangroeiende steenwereld der steden iets te scheppen,
dat hem zoo veel mogelijk aan het vrije veld herinnert?

Indien wij de geschiedenis van den zich ontwikkelenden tuinsmaak
nagaan, zien wij dezen dan ook weldra eene hoogere vlucht nemen. Na
eerst naar hartelust getoond te hebben, in hoeverre men bij machte was,
den dwingeland te spelen over de natuur, kwam men op den edeler inval,
om dieper in haar wezen en haar eigen wetten door te dringen, en haar
in overeenstemming daarmede te regeeren. Na Le Nôtre heerschte William
Kent. Na de stijve sterrenbosschen en de tot groene muren opgesnoeide
hagen, en als geparquetteerde vloeren vlak uitgestrekte bloemperken,
kwam de "engelsche aanleg" met zijne aan de natuur zelve ontleende
schoonheden, met zijn heerlijke boomgroepen, zijn verrassende
wendingen, zijn wandelwegen, waarop men zich zoo vrij beweegt,
en zich nochtans onder de betoovering van echte kunst gevoelt; zijn
schijnbaar ongedwongen lijnen, maar die toch allen samenwerken aan een
goed verdeeld geheel. Het is eigenlijk verbazend hoe in betrekkelijk
zoo korten tijd de destijds jonge tuinarchitektuur zich zoo sterk
heeft ontwikkeld,--zulk een sprong voorwaarts heeft gedaan van die
bekrompen strengheid tot dat ongedwongen meesterschap!

Maar nog verbazender, en daarbij beschamend dunkt het mij, als
onze eeuw zoo goedsmoeds weder een sprong achterwaarts schijnt te
willen maken. Of is het niet een onbegrijpelijke terugkeer naar
het oude, wanneer hier, zoowel als in Engeland, in Frankrijk,
in België, in Duitschland, op zoo menig glooiend grasveld de
liefelijkste heesterpartijtjes weggeruimd worden ten behoeve van een
mozaiek-aanleg? Wanneer in plaats van hier en daar verspreide perken,
waar schilderachtig geschakeerde planten, los en sierlijk, al naar haar
aard het meebracht, uitgroeiden, zich vertakten en bloeiden,...... een
aantal potjes zoo symmetrisch mogelijk gerangschikt worden tot randen,
tot sterren, tot krullen? Wie eens de tuinen van Versailles en van
Hamptoncourt gewaardeerd heeft als antiekiteiten, en daarna met oog
en geest genoten in Hydepark, in ons Haagsche bosch, in het Bois
de la Cambre, die staat verstomd bij het betreden van een plein
als b. v. voor den Palmengarten te Frankfort. Men vraagt zich dan
onwillekeurig af, of het geheel voor niet is, dat er een poos lang
een beter wind gewaaid heeft? Frankfort a/M. is niet zoo heel ver
van Cassel, met zijn schoonen Auegarten. Zou er dan niets waar zijn
in hetgeen wij somtijds droomen van esthetischen vooruitgang? Zou de
mode maar altijd als in een mallemolen ronddraaien, en de menschen
zich daardoor zoo duizelig laten maken, dat zij hunne eigen oogen
niet meer durven vertrouwen?

Het zal hier wel zijn gelijk op elk ander gebied: iets van het betere
blijft altijd hangen!



XXII.

DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.


Hoe zouden wel de meesten mijner lezeressen gestemd zijn, indien
het haar onmogelijk gemaakt werd iets van al de spijzen, die men
"groente" noemt, op tafel te krijgen, tenzij zij ze eerst met eigen
fijne handen dopten, sneden, schoonmaakten? Zeer velen noemen dit
eenvoudig "meidenwerk", dat haar eigenlijk niet aangaat, en waarboven
zij, als 't ware, verheven zijn; en anderen, die er zich somwijlen meê
belasten, beschouwen dit als eenen nuttigen en daarom onvermijdelijken,
maar dan toch altijd zeer eentonigen, geestdoodenden, recht prozaïschen
arbeid, waarmeê zij zoo gauw mogelijk gedaan maken, om zich aan ander,
meer harer beschaving waardig, werk te begeven.

Prozaïsch?--Om te weten of er poëzie schuilt in het een of ander, ken
ik een zeer eenvoudig middeltje, dat meestal op den rechten weg brengt;
ik tracht mij duidelijk te herinneren hoe ik er over dacht als kind.

Mag ik van mijn eigen kindsheid spreken? Ik weet nog heel goed wat
ik voelde, toen ik, vier, vijf, zes jaar oud, aan iemands knieën
erwten stond te doppen. Ik weet dat ik ze telkens weer "zoo mooi"
vond, die schokken, gaaf en glimmend als glacé-leer, en van binnen
nog veel zachter dan een lapje zijde. Ik weet hoe aardig ik het vond,
dat ik ze met zoo weinig kracht kon opendrukken; dat zij juist spleten
daar, waar die twee stijve, lichtgekleurde randjes elkaar raken. En
als de schok dan half geopend in mijn hand lag, met de beide helften
aan de andere zijde nog vereenigd, hoe keurig netjes was dan niet
het inzicht op die zeven, acht of negen erwten, ieder met een kort
wit steeltje, beurtelings op ééne van de beide zijden bevestigd,--die
zich zoo gemakkelijk, juist passend, schikten in die kleine ruimte,
als "veel makke schapen in één stal". Elk nieuw seizoen bekeek ik ze
met nieuwe aandacht, als een fraai stuk speelgoed, dat een jaar lang
weggesloten was geworden. Hoe glommen zij, hoe zacht lichtgroen, hoe
glad en teeder waren zij, "veel mooier nog dan eene rist matglazen
kralen", dacht ik, en dat was anders al het mooiste wat ik kende;
en achteraan herinner ik mij heel goed, iets gevoeld te hebben wat
ik toen niet wist te zeggen, ja niet eens te denken: zij waren meer
dan kralen, want zij leefden!

Evenzoo weet ik o. a. nog heel goed, hoeveel pleizier ik altijd had in
het schoonmaken van Brusselsche spruitjes. Een kind, niet waar? wordt
aangetrokken door miniatuur-namaaksels van dingen, waaraan het gewoon
is. Welk een verrukking was het niet, om bij voorbeeld, bij toeval,
op een étagère het huisraad, gereedschap, servies onzer ouders,
in precies dezelfde vormen, maar veel kleiner afmetingen, weder te
vinden; hoe ging ons hart open als wij eens een goed geproportioneerd
model van een molen of een brug onder de oogen kregen! Zoo troffen
mij ook deze boerenkoolen in het klein. Ik bekeek ze, ik bewonderde ze
elken winter, met evenveel verrukking als de gelijktijdig aangekomen
Sint-Niklaas-figuurtjes. Met evenveel verrukking, plus zekeren
eerbied. Want ziet, ik weet nog dat ik ze voorzichtig aanvatte, en
ze poogde los te maken zonder ze te scheuren, om te zien of hunne
kleine blaadjes evenzoo geaderd waren als de groote bladeren van de
groote koolen. En dan zag ik dat zij daartoe wel den aanleg hadden,
maar dat hun gansche weefsel meer ineengedrongen, "vleeziger" was,
zooals ik het toen noemde. Ik trachtte te begrijpen hoe die witte,
malsche massa, die het hartje van het spruitje uitmaakt, bestemd
kon wezen om tot dunne, fijne, bijna droge bladstof te vergroeien:
ik stond, voor dat ik het wist uit te drukken, nieuwsgierig tegenover
het wonder der natuurlijke ontwikkeling, en gevoelde dat ik voor iets
dieps en schoons stond!

Zoo leerde ik aan penen en radijzen wortels; aan porselein stengels;
aan aspergies uitspruitsels waardeeren; en deze eerste indrukken
hebben het hunne bijgedragen om mij later de natuur zoo innig te
doen liefhebben.

Hebben uw en mijn herinneringen het voornaamste niet met elkander
gemeen? Weet ook gij niet zoo iets te vertellen uit uw kinderjaren?

En waarom zouden dan diezelfde dingen, die ons toen zoo boeiden,
thans "prozaïsch" zijn geworden? Is het beneden onze waardigheid
oog en hart te hebben voor die kleinigheden, als daar zijn erwten
en hun steeltjes, het adernet van spruitjes, of de haren van een
raapsteelblaadje? Maar gij schaamt u immers niet om veel opmerkzaamheid
te wijden aan pareltjes en diamanten en andere fraaie kleine zaken!--Of
is het dat wij sinds die eerste jaren reeds zooveel erwten, boonen,
kool en andijvie-bladen in de handen gehad hebben, dat wij afgestompt
zijn op het punt van hun belangrijkheid, en niet meer vatbaar voor het
schoon van hun détails? Stelt gij dat kinderlijk genot van 't eerste
erwtendoppen gelijk met dat wat u vervulde, toen gij voor het eerst
mocht breien, naaien of een tapisseriepatroon nawerken? Misschien
in zeker opzicht, maar toch niet in alle: niet in zoover wij iets
gevoelden voor de diepte der natuur, en vele vragen zich in onzen
jongen geest verdrongen. Hierin staat een kind veel hooger dan
de meeste volwassenen: het vraagt, vraagt altijd verder. Een kind
voelt onder 't boonendoppen de vraag in zich rondwoelen: wat een
boon toch wel voor een ding is; en wij zijn meestal tevreden met het
praktisch-oppervlakkige bewustzijn, dat zij daar met duizend anderen
vóór ons ligt als eetwaar.

Wij zelven zijn prozaïsch geworden, dat is het. Wij zijn er aan gewoon
geraakt de natuur als onze wettige slavin te beschouwen en hare "ruwe"
voortbrengselen alleen maar te waardeeren in zoover zij onze zeden
en gebruiken, onze huishouding dienen. Als een kind een mand met
fraai gevormde, vriendelijk geschakeerde groenten "mooi" vindt, dan
is het in denzelfden zin als waarin het dat zou zeggen van een doos
met speelgoed of iets anders; als volwassen vrouwen van een "mooie"
mand met sla of rapen spreken, dan is het meestal slechts uit eene
zekere voldoening, dat zij zulk eene groote massa zoo goedkoop hebben
weten te bedingen. Komt dat alleen doordien een kind geen zorgen heeft,
de dingen nog met een vrij, afgetrokken oog kan aanzien, terwijl men
later zoo verdiept is in de zorgen voor het onderhoud des levens,
in het onmiddellijke platte "nut" der dingen, dat er geen greintje
hart meer overblijft voor hunne schoone zijde? Voor mijne meeste
lezeressen kan ik die reden niet vooronderstellen.

De schuld van het eenzijdige prozaïsch worden ligt, geloof ik, voor
de meesten in opvoeding, beschaving, gekunstelde ontwikkeling. De
aangeboren trek bij voorbeeld, die ons in onze kindsheid ingaf dat
"erwten meer zijn dan kralen, wijl zij leven", heeft geleden onder
zekere maatschappelijke conventies, die ons ten naastenbij wijs wilden
maken dat kralen integendeel meer zijn dan erwten, wijl kralen in
't salon en erwten in de keuken t'huis behooren. En boonen, wortelen,
augurken "mooi"? Wat "mooi" is, dat beslist immers de mode? "Mooi" is
een hoed of mantel naar den laatsten smaak, een kostbaar meubel uit een
van de grootste magazijnen; "mooi" zijn heel veel waarlijk bevallige
dingen, maar ook b. v. allerlei chineesche vazen en japansch-verlakte
schilderingen, al deinst ieder gezond menschenoog terug voor haar
gebrek aan perspectief. Een groenteblad, dat door een kind bewonderd
wordt, trekt verder geen opmerkzaamheid: men heeft dat niet voor 't
"mooi", maar om te eten.

Biecht eens eerlijk op. Zijn wij niet allen min of meer slavinnen
geworden van dergelijke opgedrongen denkbeelden?

Ik kan best begrijpen dat de meeste dames het een voorrecht achten
veel van het dagelijks terugkomende huiswerk, en daaronder ook het
schoonmaken van groenten, in den regel aan dienstboden te kunnen
overlaten. Toch, zoodra de omstandigheden u weer een mand met groenten
ter bewerking voorzetten, beproeft dan nog eens te doorleven wat
gij als kind gevoeldet, toen gij voor het eerst de eer had met uw
kleine vingers in een dergelijken voorraad rond te woelen. De rijkdom
der natuur is zoo onuitputtelijk: wie weet of gij er thans, met uw
volwassen oogen, niet nog meer schoons in zien kunt, dan toen!



XXIII.

KORENBLOEMEN.


        De bloem is noodeloos in 't koren, en nochtans,
        Daer is geen weer seggen aen: sij geeft de Terw' een glans...


Al ware het alleen om deze vriendelijke pleitrede ten gunste
van de "noodelooze" bloemen, verdient Ridder Constantijn Huygens'
nagedachtenis nog eene warmere vereering, dan die zich openbaart in 't
geven van zijn naam aan eene der meest bloem- en lommerlooze straten
van nieuw-Amsterdam. Ik betwijfel zeer of hij zelf lust gehad zou
hebben, daar te wonen. Hij zou ons spoedig mee getroond hebben naar
Hofwijk, of naar een of ander lievelingspad, waar hij zijn "gestolen
uren van wandelingh" placht te slijten, waar misschien werkelijk het
uitzicht op golvende akkers hem het eerst den titel "Korenbloemen"
voor zijn dichtbundel ingaf en hem, ter verontschuldiging van zijn aan
kunst gewijde dagen en krachten, de zinnebeeldige regelen deed dichten:


    Hij meent geen' Korenbloem, die Terw saeyt; verr' van daer;
    Hij meent den nootdruft, en hij neemt den oorber waer.
    De bloem verschijnt nochtans, en mengt zich onder 't Koren,
    Als Gasten, die in 't Mael der Gasten niet en hooren,
    En komen ongenoodt, en schikken zich in 't best,
    En sien soo vrolick, of wat meer licht, als de rest.
    Men leeds'er wel van daen, maer, soo sij 't Mael verblijden
    Met haer bevallickheit, soo komt men ze te lijden.


En indien wij dan gaandeweg, tot aandenken, een ruikertje korenbloemen
hadden willen verzamelen, zouden wij zeker al nagenoeg hetzelfde
gevonden hebben, wat thans, na tweehonderd jaar, nog steeds bij
voorkeur in het bouwland groeit: klokjes, winden, leeuwenbekken en
bolderikken, oogentroost en wilde riddersporen, kamille, centauriën
en klaprozen....

Als er van "glans" gesproken wordt, komen de laatsten zeker wel het
eerst in aanmerking. Is er schitterender kleur in de wereld, dan
dat helder-rood waarmede zij tegen het gelende graan afsteken? Zij
leven slechts zeer kort. Wanneer de knoppen openbarsten, en 't
roode kroontje, dat daarin met duizend kreukels opgesloten zat, zich
losmaakt, valt reeds aanstonds de groene kelk af, die 't beschutte,
en de vier blaadjes zijn aan alle wisselvalligheden van weer en wind
overgeleverd. Weldra ziet men ze dan ook her- en derwaats zwerven,
schoon, en zijde-achtig als toen zij nog op hun stengel zaten;... zij
dienen dan des nachts tot dansrokjes voor elfen, heb ik wel eens
hooren vertellen. En behalve door de sage, worden zij vereeuwigd
door 't penseel van elken schilder die zich min of meer gelukkig met
veldbloemen inlaat. Denkt u een "jardinière" zonder haar; denkt u
de doosjes, kistjes, bakjes, portefeuilles, waarmee de winkels van
het vroolijk Spa zich telken jare sieren, zonder eene klaproos als
onmisbaar middelpunt?

Intusschen, onder "korenbloemen" verstaat men doorgaans niet
voornamelijk de rooden, maar de blauwen: die welbekende bloemhoofdjes,
in welker buitenste randbloempjes, (welbezien slechts als peperhuisjes
opgerolde blaadjes), de schoone tint van eenigszins gebroken blauw
ten toon gespreid wordt, dat daaraan den naam van "korenblauw"
ontleent. Aan de blauwe korenbloemen is van oudsher zekere poëzie
verbonden; als ware het bij overlevering hebben wij ze lief; dat elk
ze kent, beter dan zoo menige andere fraaie veldbloem, is daarvan
wel het duidelijkste bewijs.

Heeft zij dit voorrecht, dit prestige, indien ik het zoo noemen
mag, aan zich zelve te danken, aan de eene of andere bijzondere
eigenschap? Och, zij bezit, voor zoo ver ik weet, niets wat ook een
aantal andere gewassen met haar deelen: zij heeft niet eens de gave
van een lieflijken geur. Ik geloof veel meer, dat hetgeen wij in
haar liefhebben het beeld harer omgeving is. Zonder die omgeving
is zij niets. Als "Centaureae Cyanae" in tuinen gekweekt worden,
vindt gij ze dan wel mooi? Gesteld al, dat zij bij de kweeking haar
oorspronkelijke kleur behouden, wat meestal niet geschiedt, (want
doorgaans wordt het blauw òf donkerder òf fletser, of verbastert het
tot vuil-wit of vuil-paars),--gesteld al, dat de kleur zuiver blijft,
dan maken zij toch altijd een onverschilligen indruk. Het grove,
schrale, onbehaaglijke der stengels en der bladeren valt in den tuin
ieder in het oog; in 't veld verschuilt zich dat tusschen de halmen,
en alleen de bloemen komen uit "het golvend bosch" te voorschijn.

En indien wij dan bedenken, dat zij bij voorkeur tusschen rogge
groeien; dat rogge op zandgrond gekweekt wordt; en dat de zandstreken
wel niet de vruchtbaarste, maar zeer zeker de schilderachtigste
gedeelten van ons vaderland uitmaken, dan vereenzelvigt zich voor ons
de schoonheid van de korenbloem met die van het roggeveld.--En dat is?

Wel, dat zijn de lijnen van een eenigszins golvenden bodem, bedekt
met graan, en hier en daar doorsneden door landwegen, en gebroken
door grooter of kleinere boschjes rondom menschen-woningen. Het
is een gezichteinder, afgesloten hetzij in de verte door heuvelen,
hetzij dichterbij door hooge boomen, of de daken en de torens van
een dorp. Het is het mooie Juli-weêr, de helderheid der lucht, de
geelachtige tint der aren, en het volle warme groen van gindsche
olmen. Het is de zonneschijn die alles verguldt, de rust die daar
heerscht om u heen; het koeltje dat er nu en dan alles in beweging
brengt. Het is wat daar groeit en bloeit rondom u, hetzij gij gewoon
zijt daarop meer of min nauwkeurig te letten. Het zijn de honderd
kleine kevers, wespen, torren, mieren, vlinders, die er tusschen loopen
en vliegen, en voor wie gij nu volstrekt niet bang zijt, ziende hoe
druk zij het hebben. Het is de boeren-zwaluw, die een schuurtje in
en uitvliegt, of de patrijs, die juist, met hare jongen achter zich,
het ongelijke, half begroeide voetpad voor u oversteekt. Het is
de haas, die eensklaps u voorbij schiet, en die u dan veel rosser
dunkt dan 's winters. Het is de wagen, die piept in de verte, en
de menschenstemmen die daartusschen klinken op een afstand. Het
zijn de halfgekleede kinderen, die ginds zitten te spelen. Het is
bovenal uw eigen stemming, het gevoel van ruimte, van frischheid,
en nochtans van gezelligheid; en het spel van uw eigen gedachten,
die beurtelings de verte en de diepte indwalen....

Als ge lang zoo'n korenbloem aanziet, dan is het alsof al die blauwe
buisjes tot tooverkijkers worden, waaruit u dat tafereel hoe langer
hoe omstandiger te gemoet blinkt. Dan wordt dat kleine ding voor u
de vertegenwoordigster van een der lieflijkste landschappen.... of
liever, van dat deel er van, dat niet bekend staat bij eenig kadaster,
dat nooit een vasten eigenaar gehad heeft en er nooit een zal krijgen;
maar dat toebehoort aan ieder, die het aanziet met het oog van den
kunstenaar, welke meer of min in ieder onzer leeft!



XXIV.

EEN BERGTOCHT.


Wanneer Hollanders over Boheme, met name over eene eigen reis
naar Boheme spreken, denken zij daarbij meestal het eerst aan een
badreis naar Karlsbad, met een uitstapje naar Praag, of wel aan het
op boheemsch grondgebied liggende deel van de zoogenaamde "Sächsische
Schweiz". Mij voerden bijzondere omstandigheden een paar jaar geleden
naar een ander hoekje, ook in het noorden van Boheme, maar een weinig
dieper landwaarts in. Mijn tijdelijke verblijfplaats was dicht bij
Trautenau, een welvarend stadje, bekend door de worsteling tusschen
Pruisen en Oostenrijkers in 1866; en van daar maakten wij tochtjes
in den omtrek. Eén daarvan heeft niet alleen voor mij zijne aangename
herinneringen, maar gold eene merkwaardigheid, die hier te lande zoo
goed als onbekend is, de "Weckelsdorfer Felsenstadt".

Op een mooien zondagochtend trokken wij uit; één van het gezelschap
had den weg vooraf bestudeerd, en wij overigen lieten ons leiden. Wel
moesten wij een keer of vijf van lijn verwisselen; ééns een uur wachten
op een trein die te laat kwam, en daarna nog eens twee uur overblijven
aan een station dat midden in het land stond, met een arbeidershut die
voor stationskoffiehuis diende; maar met dat al was 't heerlijk dat
er spoorwegen waren, waardoor wij binnen eenige uren ons doel konden
bereiken. Naarmate de reis vorderde, begonnen wij te bemerken dat de
plaats onzer bestemming eene zeer geliefkoosde zondagsuitspanning was
voor de hoogere en lagere burgerij der omliggende stadjes. Zoo stil
en eenzaam onze tocht in den beginne geweest was, zoo gezellig werd
zij gaandeweg. Elk station leverde nieuw reisgezelschap, en bijna
allen gingen naar Weckelsdorf of Adersbach om "die Felsenpartie zu
machen". Ook het aardige, vroolijke, geheel op den zomer ingerichte
logement, waar wij te Weckelsdorf onzen intrek namen, bleek op die
wekelijksche buitenpartijen voorbereid te zijn. Het was er druk en
levendig, de kamers hadden zoo'n mooi uitzicht, de eetzaal was zoo
lief met groen versierd, er was muziek aan tafel en wij deden ons te
goed aan een bord oostenrijksche soep;--onze leidsman had moeite om
ons allen tot opstaan te krijgen met de aanmaning: "Nu eerst naar de
rotsen,--het is nog een half uur gaans en de zon mag niet te laag
staan, als wij ze goed zien zullen." Het aangenaam vooruitzicht
van des avonds in die zelfde zaal terug te zullen komen, deed ons
eindelijk gehoorzaam meegaan... naar "de rotsen".

Maar wat waren dan toch eigenlijk die rotsen, op een half uur
afstands, waarvan wij nog niets zagen? Onderweg lieten wij het ons
uitleggen. Wij wandelden door een welvarend, heuvelachtig (laat mij
ter vergelijking zeggen Veluwsch) landschap; ginds, als wij dat bosch
achter den rug hadden, zouden wij van zelf de "Felsenstadt" in het
oog krijgen. Tusschen de dorpen Adersbach en Weckelsdorf namelijk
verheft zich, midden in eene betrekkelijk vlakke landstreek, eene
zandsteenformatie van een paar uur gaans in omtrek. Tot voor omstreeks
tachtig jaar werd zij bijna niet door menschen bezocht. De rotsen,
hare zonderling gapende kloven en moeilijk te beklimmen spitsen, waren
met een zoo goed als ondoordringbaar pijnbosch begroeid. Het kappen
van het hout loonde de bezwaren van 't vervoer niet; en ook voor de
jacht werd deze steenmassa als al te gevaarlijk beschouwd. Slechts in
oorlogstijden schijnt zij af en toe tot toevlucht verstrekt te hebben
aan wanhopige vluchtelingen; de sporen van vroegeren menschenarbeid
hier en daar zichtbaar, worden in den regel aan "de Hussieten"
toegeschreven, die in alle oude boheemsche vertellingen eene groote
rol spelen. Daar wij dicht bij het Reuzengebergte zijn, komt natuurlijk
ook de berggeest Rübezahl bij de legenden van de Felsenstadt te pas.

Eensklaps echter, in het begin van onze eeuw, ontstond er in deze
geheimzinnige rotsmassa boschbrand. Wie zich een brand voorstellen
kan in zulk een woud van naaldhout, met zijn oorspronkelijken
harsvoorraad, die doe het. Ik kan er niet van meepraten: ik zag
slechts de gevolgen. En deze waren: dat de rotsen kaal en daardoor
toegankelijker voor menschen waren geworden. Dat toen weldra de
lieden uit den omtrek, nieuwsgierig in dat plotseling geopend
heiligdom der natuur binnendringende, verstomd hadden gestaan
over de vreemde vormen die zij daar aanschouwden. Het weer, het
water, de elkander opvolgende boomgeslachten, die sinds honderden
van jaren daar ongestoord aan 't werk waren geweest, hadden deze
rotsen op allerhande wijzen doorkliefd en gespleten. De regen was er
doorgesiepeld, en de wind had het ééne stuk op het andere geworpen;
en zandsteen is zoo bros en laat zich zoo gemakkelijk boetseeren,
vooral wanneer de reuzenkrachten, die zich daarmee bezighouden,
er hun tijd voor kunnen nemen! En een laatste gevolg was geweest,
dat het bezit der rotsenstad, waaraan zich tot nog toe niemand veel
gelegen liet liggen, nu door den rechtmatigen eigenaar, den landheer,
geregeld aanvaard werd; dat hij de gemakkelijkste toegangen afsluiten
en aan vreemdelingen zonder gids verbieden liet. Weldra werd toen het
vertoonen van de "Felsenstadt" aan beëedigde gidsen verpacht,--en op
aanbeveling van Baedeker en zijne plaatselijk-boheemsche collega's,
neemt in de laatste jaren het aantal bezoekers elken zomer toe.

Wie nu mocht vreezen dat die inmenging der menschen aan het
echt natuurlijke van deze natuurstad veel afbreuk doet, behoeft
zich daarover niet ongerust te maken. Zij mogen hier en daar een
boomstam weggehaald, de hoofdwegen een weinig gelijkgemaakt, op
een gevaarlijk hoekje een hek of een paal gezet, of een schuitje
beschikbaar gesteld hebben om de waterplassen over te steken;
klauterlustige reizigers mogen op moeilijke punten hun naam gegrift,
(of minder klauterlustigen ze door een daartoe aanwezigen verver op
de rotswanden hebben laten schilderen!); orgelmannen mogen verlof
hebben om op de meest indrukwekkende plaatsen een verflauwd Stabat
Mater te spelen, en af en toe moge er op een hoorn geblazen worden,
ter wille van een echo,--aan de eigenlijke rotsvorming zelve heeft de
menschenhand blijkbaar niets veranderd, hetgeen trouwens in de meeste
gevallen eenvoudig onmogelijk zou geweest zijn. En deze rotsvorming is
en blijft toch het voorname doel van het bezoek. De plantengroei is
schraal en onaanzienlijk; behalve in enkele vruchtbare valleitjes,
brengt die weinig tot de aantrekkelijkheid van 't landschap bij:
hoofdzaak zijn de verrassende wendingen, de grillige blokken, de
donkere kloven, welker aanblik bij iederen voetstap verwisselt. Ons
allen boeiden deze tooneelen ontzaglijk; de gids ging vóór, wij
volgden, bijna twee uur lang, nu rechts dan links, en niemand dacht aan
moeworden. Indien men spreekt van een eenigszins vervelende inmenging
van menschen, dan bestaat die misschien daarin, dat de gidsen aan de
meeste eenigszins in het oogvallende rotsstukken namen geven. "Daar
zijn de koornzakken,"--werd ons reeds kort bij den ingang aangewezen,
"daar zijn de kazen", daar is "de kroon", "de wandelende pelgrim",
de "reuzenharp", de "schoorsteenveger"; ginds in de hoogte zit
"de broeiende kip." Ik moet eerlijk bekennen dat dit mij minder
aangenaam aandeed; men had het, dacht mij, wel aan onze eigen
verbeelding kunnen overlaten. Somtijds echter waren de figuren zoo
teekenachtig, dat zij voor zich zelven spraken. "Kijk," riep eensklaps
een van het gezelschap, toen wij een bocht van een smal dal omgingen:
"daar staat Erasmus boven op dien top." "Sanct Johan von Nepomuc,"
zei de gids, die ons natuurlijk niet verstond, sloeg een kruis,
en wees plechtig naar de hoogte. Er werd hartelijk gelachen om die
botsing van de katholieke en de protestantsche zienswijze; maar het
is waarlijk niet te verwonderen dat het volk hier den schutspatroon
van Boheme meent te aanschouwen. Dat groote standbeeld van dien man
met toga en baret, met een boek in de ééne hand, en de andere over
het land uitgestrekt,--spreekt het niet van zelf, dat men hem als
den heilige moet aanbidden? (Welk een groote rol het lichteffekt
echter bij die gelijkenissen speelt, blijkt wel dadelijk daaruit,
dat dezelfde rotspunt, van de andere zijde gezien "der Uhu", de uil,
heet!)--Iets verder maakte ons de gids opmerkzaam op: "de wachtende
rotsbruid". Ditmaal was het goed dat hij ons voorthielp, want wij
zouden de aardige figuur niet gezien hebben; toen wij haar eenmaal
in het oog kregen, trof ons allen dat zinnebeeld van verlangend
wachten. Een driehoekige rotspunt namelijk maakt geheel den indruk
van een lange vrouw, die, vlak op den bergrug gezeten, met uitgerekten
hals in de verte naar iets uitziet.

Weldra kwamen wij aan het "rotsamphitheater", een halfrond dal,
dat werkelijk aan de afbeeldingen van het romeinsche Coliseum doet
denken; in den somberen "grafkelder"; en eindelijk in den "Münster",
een prachtige grot, waar de tonen van 't genoemde orgel, ofschoon
zwak, niet slecht klonken. Een paar allerliefste plekjes waren "de
lentetuin", met zijn frissche varensvegetatie, en "Italië". Dit laatste
heet nl. zoo, in tegenstelling van "Siberië", een kille kloof, waar
nooit zonnestralen doordringen en waar het gansche jaar door sneeuw
ligt;--daaruit tredende, komt men dan onmiddellijk in het warme,
rondom beschutte, rijk begroeide "Italië". Eerst tegen 't vallen van
den avond, juist toen de schaduwen te lang begonnen te worden, was onze
wandeling ten einde. Bij den ingang--thans voor ons den uitgang--stond
een hut, waar men bier en wijn kon krijgen en allerhande snuisterijen,
bestemd voor "welkom t'huis"; getuige de gemoedelijke woorden, waarmee
ze allen prijkten: "Auch in Weckelsdorf gedachte ich Dein." Vóór de
deur, op onze tafel, lag een vreemdelingenboek, en als gewoonlijk
zochten wij daarin naar Nederlanders, die wij echter hier zoomin als
ergens anders in deze buurt ontmoetten. Het plan werd aangenomen om er
een versje in te schrijven, en ten slotte kwamen deze drie coupletjes
tot stand:


            Wie zien wil, hoe een schutspatroon
              Ontzag wekt en vertrouwen,
            Lette op Johan von Nepomuk,
              Door de eeuwen uitgehouwen.

            Wie voelen wil, wat wachten is,
              Trots tijd, en storm, en regen,
            Zie opwaarts naar de Steenen Bruid,
              En vraag haar stillen zegen.

            Wie weten wil hoe grillig-grootsch
              Natuur zich kan vertoonen,
            Betreê de Weckelsdorfer "Stadt:"
              Het zal de moeite loonen.


En dien raad herhaal ik bij deze tot allen, die ooit in de nabijheid
van deze zonderlinge rotsen mochten komen.

Na een vroolijken avond en een rustigen nacht gingen wij den volgenden
morgen de zaak nog eens even van de Adersbachsche zijde bekijken. Bij
Adersbach nl. is nog een tweede toegang, en vandaar uit wordt men door
de andere helft van het rotsgebied rondgeleid. M. i. is intusschen de
Weckelsdorfsche helft de beste, daar zij veel meer verscheidenheid
aanbiedt. De Adersbachsche kant heeft dit vóór, dat werkelijk het
begrip van stad daar het meest tot zijn recht komt. In de lange,
eentonige, slechts nu en dan in breedte verschillende gangen, die
daardoorheen leiden, kan men zich volkomen verbeelden door straten
te loopen. De rotswanden aan weerszijden zijn telkens, op eenige
ellen afstands, gespleten; de doorsiepelende regen heeft er gleuven
tusschen gemaakt, die aan smalle stegen of slopjes doen denken; en
wie dan den donker grijzen steen kent, waarvan reeds te Leipzig en
te Dresden het grootste oude deel der steden opgetrokken is, zal zich
niet verwonderen dat de namen: "lange Gasse", "Prager Jesuïtengasse",
"Breslauer Wollmarkt" enz. hier zeer teekenachtig en gelukkig zijn
gekozen.



XXV.

OUWERWETSCHE BLOEMEN.


In een onzer echt hollandsche provinciesteden weet ik een hofje, waar
ik elk jaar gedurende den bloementijd een paar keeren naar toe ga,
om te botaniseeren. Het hofje zelf is ten naastenbij als alle andere
hofjes. Ofschoon midden in eene zeer volkrijke buurt gelegen, is het
als een zinnebeeld van rust en stilte. Als gij er binnen treedt,
en de zware ijzeren deur achter u toevalt, gevoelt gij u in eene
kleine afzonderlijke wereld. De beide helften van de groengeverfde
deuren glimmen u rustig tegen; het neteldoek van de gordijntjes,
zoo het al ooit gedroomd mocht hebben voor een dansjapon bestemd te
wezen, heeft zich thans voor goed geschikt in zijn rustige plooi:
zóó goed, dat het dien dadelijk weer aanneemt, als de rimpelige hand,
die het eventjes oplichtte om ons te begluren, het loslaat. De katten
sluimeren rustig in den zonneschijn. Zelfs de lijsters in de kooien
schijnen zich onder dien invloed te voelen. De mijne zingt altijd:
"Wat wil je nou liever als vrede?" zeide mij eens een oud vrouwtje;
en ik moest erkennen dat althans "de maat precies uitkwam." Eerlijk
gezegd, het is er mij al te rustig; ik verbeeld mij dat ik minstens
tachtig jaar zal moeten wezen, eer ik zulk een rust behagelijk zal
kunnen vinden. En als ik er weer uit kom, en de drukke straat op kijk,
en mijn gezichteinder verruim door het marktplein te zoeken,--dan haal
ik diep adem, en word mij meer dan ooit bewust, dat, ondanks al zijn
grootere en kleinere bezwaren, ondanks de vele lastige, vervelende,
kleingeestige menschen, die er in rondloopen, zelfs ondanks de
dorre menschen, die aan onze fantazie haar goed recht van bestaan
en ontwikkeling betwisten, en de neerslachtigen en malkontenten,
die ons trachten op te dringen dat de zonneschijn van het leven zijn
nevelen niet waard is... ik toch de wijde wereld nog niet moe ben!

Doch niet slechts wat den graad van stilte, ook wat de tijdrekening
aangaat, scheidt de poort van 't hofje hetgeen daarbinnen van hetgeen
daarbuiten is. Aan den ingang vindt men, in een berijmd opschrift,
uitdrukkelijk vermeld, dat dit huis voor omstreeks 150 jaar gesticht
is door zeker kinderloos patricisch echtpaar, met het drievoudig
doel: om den ouderdom te eeren, hun geslachtsnaam te vereeuwigen,
en zich zelven eene plaats in den hemel te verwerven. De bouwtrant
en de ornamenten getuigen van dien tijd; en het is alsof zich ook
in de meer roerende goederen een geest van vroeger dagen vastgelegd
heeft. Hij spreekt u toe uit de meubelen der oude bewoonsters; uit de
neepjesmutsen, nog van het model als waarmeê zich onze overgrootmoeders
lieten portretteeren; en... lach mij niet uit, hij spreekt u ook toe
uit de bloemen, welke daar bij voorkeur gekweekt worden.

Of waar anders dan op zulk een hofje zoudt gij tegenwoordig in Holland
nog een "juffertje in 't groen" (Nigella Damascena) vinden, met het
lichtblauw deel harer bloemen tusschen fijngespleten groen verscholen;
of een "kooltje vuur" (Adonis autumnalis); of, om in dezelfde kleur
te blijven, die vuurroode verwante van de koekoeksbloem (Lychnis
chalcedonica), in de wandeling "Konstantinopel" genoemd? Wie anders
kweekt nog als sierplant "bernagie" (Borago officinalis), met zijn
stijfbehaarde bladeren en hemelsblauwe bloemen, of vermeit zich in
de weelde van er "gouden knoopjes" op na te houden? Waar anders dan
misschien op eene bloemmarkt, in den voorraad van een "tuinder," die
zich bepaald op de klandisie van de oude vrouwtjes toelegt, krijgt
men zulk een rijkdom van schitterende duizendschoonen en welriekende
violieren te zien? Waar anders speelt de balsamine zulk een groote
rol? Ik meen èn de enkele, de klimplant, èn vooral de oost-indische
balsamine, met haar dubbele bloemen, rood, wit of purper, als de nagels
van een hyacinth rondom den schijnbaar verglaasden stengel geschikt,
terwijl een bladerkroon, als bij een ananas, daar boven uitsteekt.

Vroeg in den zomer ga ik er graag heen, om mij te goed te doen aan
den geur der muurbloemen (Cheiranthus Cheiri), wier geel mij nergens
zoo fraai geschakeerd, en wier bruin mij nergens zoo fluweelachtig
toeschijnt als daar. Omstreeks dien tijd bloeien in het vierkante
middenvak de witte en kersroode dubbele madeliefjes, die in plaats van
gras eenige bloemperkjes omzoomen. Iets later komen ook de randjes van
grasanjers in bloei; en dan staat op de rekjes voor de ramen, tusschen
een aantal kleine potjes met Sedums en Cacteën, een groote "ruiker"
ranonkels in een glas water of, zoo mogelijk, in een blauw porceleinen
vaasje. Ruiken doen zij echter niet, en hun bouw is zoo stijf, dat de
gedachte voor de hand ligt, hoe gemakkelijk zij uit vischschubben na te
maken zouden wezen; maar de bontheid van hun kleuren, liefst zonder
eenig temperend groen er tusschen, maakt hen tot een geliefkoosd
sieraad zoo binnen als buiten het venster der bestjes. Die rekjes
zijn dan verder gevuld met maagdepalm en bakkruidjes (de oudste
soort van Primula veris); en zoo er soms een maandroos bij staat,
dan is die stellig tegen een paar latjes opgebonden.

Nieuwerwetsche bloemsoorten komen er ook voor, zij het dan juist
niet in haar allernieuwste verscheidenheden; maar voor bijna ieder
raam verrast ons iets, wat men eene tuinbouwkundige antiekiteit zou
kunnen noemen, en wat ons af en toe een: "wel, is dat nu een... (dit
of dat)"? ontlokt. Ik herinner mij nog steeds met vreugde, hoe ik
daar voor het eerst een echte blauwe passiebloem bespeurde, en mij
verdiepte in de beteekenis van haar zonderlingen naam. Blijkbaar
heeft haar sierlijk gevormde bijkroon, een krans van zeer smalle
blaadjes binnen in de eigenlijke bloemkroon, aan een doornenkroon
doen denken; en is men daarna in de andere inwendige bloemdeelen
het beeld van nog meer kruisigingsattributen gaan zoeken. Hieraan
ontleende zij een soort van wijding, van mystieke waarde, die haar
in hooge eer bracht. Zuid-amerikaansche liane als zij is, kon zij
in ons koel klimaat nooit algemeen worden; zij bleef steeds een
kasplant. Dat ik haar op het hofje ontdekte, was dan ook door een
bijzonder fortuintje. Zij was het eigendom van een vrouwtje van
brabantsche afkomst, die haar plant zóó geleid had, dat die een
soort van nisje vormde, waarin zij haar crucifix plaatste. Om, als
éénige roomsche onder de hofbewoonsters, geen ergernis te geven,
hield zij die stellage in den regel verscholen; eens, op een mooien
achtermiddag, trof ik het toevallig dat zij haar buiten had gehaald
"voor een verfrissching".

En als men dan den blik weer van de vensters naar den algemeenen tuin
wendt, kan men daar kennis maken met de akoly (Aquilegia vulgaris),
met vijf spoortjes, op de wijze als oost-indische kers er een
heeft; een bloem die blijkbaar aan de orde van den dag was, toen de
rederijkerskamer "De witte Akelye" een "zinnespel" vertoonde, ter
eere van ik weet niet recht welk voorval in den "prinsentijd". Daar
staan ook in al hare bescheidenheid de "menniste zusjes" (Saxifraga
umbrosa), wier ondeugende naam mede aan een vroegere periode doet
denken; en de goudsbloemen, die zulk een vermakelijke politieke rol
speelden in de dagen der "Oranjeklanten". Onder den grooten pereboom
in 't midden, die ouderwetsche peren voortbrengt,--even geurig als
menige groote, nieuw veredelde,--groeit en bloeit een struik (Rubus
occidentalis), met donkergroene bladeren en zachtroode bloemen, die men
"kaapsche framboos" noemt, en ook zeldzaam elders meer aantreft; aan
gindsche hoog opgeschoten, paarsbloemige plant zullen in het najaar
zaadhauwen komen, waarvan de tusschenschotten onder den titel van
"Judaspenningen" in de zon gedroogd zullen worden. Ook worden daar
"steekneusjes" (Agrostemma coronaria) gekweekt, en wijnruit, en
rosemarijn, en een soort van salie met afwisselend roode en blauwe
schutblaadjes. Ik zou wel graag eens willen weten hoe de Hollanders
toch aan dien zonderlingen scheldnaam van Jan-Salie zijn gekomen;
namelijk of en hoe dat samenhangt met de Salvia officinalis, welke
in de middeleeuwsche kruidendoos zoo hoog stond aangeschreven, dat
een latijnsch spreekwoord luidde: "Waaraan zal een mensch sterven,
die nog salie in den tuin heeft?"

Waarom toch al deze planten uit de mode geraakt zijn?

Sommigen omdat zij niet mooi genoeg waren. Anderen omdat zij hier niet
"aarden wilden".--Maar dat kunnen niet de éénige redenen zijn. Een
bejaard bloemist zei eens: "Wat ik altijd opgemerkt heb: zoolang er
aan een plant wat te veranderen valt, blijft zij in de mode; zoodra
men daar geen kans meer op ziet, raakt zij er uit." Ik geloof dat
daar veel waars in is. De wedijver der kweekers om nieuwe variëteiten
te leveren, maakt de mode; en de plantensoorten die zich daartoe het
dankbaarst leenen, hebben voor een tijd den boventoon.

Doch op die wijze wordt het aantal der "in den smaak" zijnde bloemen
zeer beperkt; en wie waarlijk Flora liefheeft juist in hare eindelooze
verscheidenheid, dient zich dan schadeloos te stellen door af en toe de
"verouderden" in hare schuilhoeken op te gaan zoeken.



XXVI.

AUGUSTUS.


Ik weet wel, dat, als men de zaak aan taal- en geschiedkundigen
voorlegde, zij er een geheel ander verklaringje van zouden leveren;
maar in mijn ooren doelt de naam Augustus voor onze achtste
maand steeds daarop, dat de volle majesteit en heerlijkheid van
't zomerleven zich om dien tijd van 't jaar het meest in al haar
omvang openbaren.--Juni heet zomermaand; maar "voor den langsten dag
krijgen wij geen warmte", is eene in onze volksovertuiging opgenomen
zekerheid.--Thans, op 't eind van Juli, is de warmte eindelijk
gekomen.--De wind is oostelijk; de barometer teekent "bestendig"; het
"laat zich aanzien dat wij--("met de nieuwe maan", voegen sommigen
er bij)--het mooie weer een poosje zullen houden." De natuur rust op
haar lauweren van het groeien; de zonneschijn heeft nu slechts voor
het rijpen te zorgen.

Ook gij rust uit. Gij zit in het gras op een warmen namiddag. Gij hebt
u verscholen in de schaduw. Het diepe groen der iepen en der linden
komt te rijker uit, sinds het wordt afgewisseld door de frisscher tint
der jongste loten. De lucht is helder. Nu en dan snort u een hommel of
een juffertje voorbij; of een wielewaal vliegt van den eenen boom naar
den anderen, met de schalksche, zangerige vraag: "Klinkt mijn liedje
niet goed?"--De grashalmen en wilde kruiden sluiten zich, zoodra gij
u hebt neergevleid, behaaglijk om u henen, als vermeiden zij zich
in 't gezelschap van een mensch. Gij doet niets en denkt niet veel,
maar speelt met de bloemen en de bladeren, die zich over uwe handen
buigen; gij staart voor u uit en droomt. Zulke oogenblikken van rust
in de vrije natuur zijn voor de meeste menschen zeldzaam.... Dikwijls
komt het mij voor, dat menig leven minder zenuwachtig, menige geest
gezonder en blijmoediger, menig humeur beter zijn zou, indien er aan
die vaak onbewuste behoefte meer gereedelijk voldaan werd.

Of wel, wat nog beter is, gij zijt niet alleen, maar in aangenaam
gezelschap,--ik meen werkelijk aangenaam gezelschap, niet slechts
het gedwongen samenzijn van eenige personen, binnen het bereik van
elkaars stemmen....

De tijd is nu gekomen, waarin zeer velen zich voorgesteld hebben
den zomer eigenlijk eens recht te gaan genieten. "Van den zomer"
zullen wij dit doen, en tot "van den zomer" zullen wij dat uitstellen,
heeft men elkander reeds sinds maanden hoopvol toegefluisterd: en al
die bezielende, veelbelovende plannen doelden op die lange dagen,
die voor zeer velen, te beginnen met de schoolkinderen, een korter
of langer vakantie, verlof, of "komkommertijd" mee plegen te brengen.

Maar hoe zou het toch wel komen, dat het dan voor een aantal menschen
met dezen langverwachten zomer gaat als met zoo menig feest, waarvan
de toebereidselen veel aangenamer waren dan ten slotte de uitvoering
zelve? Dat die zomervreugde, waarop men zich zoozeer verheugd heeft,
als zij eindelijk dáár is, ronduit gezegd, maar al te dikwijls
tegenvalt? Dat de één veel tijd besteedt aan plannen, om zich het
schoone jaargetijde het aangenaamst te maken, en nochtans tot geen
recht genot kan komen; en een ander, zij het dan ook met een beetje
schaamte, moet erkennen, dat hij eigenlijk den winter wèl zoo kalm
en rustig, gezellig, "comfortable" en pleizierig vindt?

Wel, voor honderd menschen komt het allicht door honderd
verschillende redenen; doch er is er ééne, die daarbij voor velen
eene groote rol speelt. Ik meen de voet van oorlog waarop de meeste
Nederlanders voortdurend staan met het klimaat, waarin zij nu
toch eenmaal leven. Hoort al de eindelooze aanklachten tegen zijne
"onbestendigheid", zijne "guurheid", en het geringe aantal schoone
dagen, die het schenkt! Men haakt, men snakt naar warmte, en... als
dan op eens de thermometers zijn gerezen, beklaagt men zich daar al
heel gauw nog meer over, dan te voren over de kou.

Ik zou wel eens willen vragen: Is de leefwijze van ons, beschaafde
Nederlanders, wel heel geschikt om ons in opgewekte stemming het
schitterend jaarfeest der ons omringende natuur te doen mede vieren?

Ik denk het allereerst aan onze dag- en nacht-verdeeling. Hoe zijn
wij er toch toe gekomen om, wonende op een breedtegraad waar zulk een
groot verschil is in zons-op- en ondergang, in het huiselijk leven
nagenoeg het gansche jaar door één tijdsverdeeling te behouden, en
wel een die het beste past voor de allerkortste dagen? Het meerendeel
toch der beschaafde menschen begint den dag met het uur, waarop de
zon in Januari, hoogstens Februari opkomt, en verlengt hem s'avonds,
ook in Juni, op eene wijze die men geheel een winteruitvinding zou
kunnen noemen. Is het wonder dat de meesten een zomerdag nooit op zijn
volle waarde schatten, indien zij beginnen met zijn eerste, heerlijkste
uren te verslapen; dan, daardoor verhit, moe en dof wakker geworden,
de warmste uren, waarin de natuur rust en stilte voorschrijft, al
zwoegend doorwaken; om ten slotte in den avond tot zich zelven en een
handjevol genot te komen, en, bejammerend dat die schoone dag "zoo
kort", en het afscheid van de zon "reeds" dáár is, met kunstmatige
verlichting den tijd in te halen dien men des morgens heeft bedorven?

Ik denk aan onze woningen, waarin wij zoo verwend zijn, dat het
weder al "heel mooi" moet wezen eer wij ons met genoegen in de vrije
lucht ophouden. Is het wonder dat men, daarin zooveel beter ingericht
op koude dan op warmte, op zomer-morgens dikwijls meer tobt, mort,
zich over de natuur beklaagt,--dan op den guursten Novemberdag?

Ik denk aan onze steden: honderden en duizenden van menschen, het
grootste gedeelte van hun leven, ja, zelfs in den regel, besloten
tusschen muren en nog eens weer muren, en straten en nog eens weer
straten, zoodat zij nauwelijks één uurtje daags den zonneschijn op
hunne ramen hebben, en nooit de weelde smaken, de zon met eigen oogen
te zien op- of ondergaan. Is 't wonder, dat voor velen hunner de zomer
geen genot is, en dat zij,--misschien zonder het te weten,--hem daarom
liever maar voorbij wenschen, omdat er dan sprake is van een vrijheid
en een vreugde, die voor hen toch niet schijnen weggelegd te zijn?

Ik denk aan de in onze eeuw zoo sterke verdeeling van arbeid,
die aan een groot en wel het toongevend deel der europeesche volken
bijna louter geestelijken arbeid opdraagt, de verplichting tot de zoo
noodzakelijke en gezonde lichaamsinspanning afneemt, en daardoor ook de
naaste aanleiding tot onmiddellijken omgang met de natuur ontrooft. Is
het wonder, dat er enkelen den winter boven alles kiezen, indien hun
werk, hun schat en hart schuilt in een vak, dat naar onafgebroken
kamerafzondering, en een door weer noch wind gestoorde omgeving
doet wenschen?



Ik weet wel, dat ik hier gedachten uitspreek die zeer velen dwaas en
"overdreven" dunken; dingen onnatuurlijk noem, die men door de kracht
der gewoonte normaal is gaan vinden; zinspeel op idealen, die ik op
het oogenblik evenmin in praktijk kan brengen als gij.

Toch blijf ik er aan hechten, aan die idealen. Dat doe ik elken zomer,
als ikzelve op nieuw de gelegenheid heb, om er al de aantrekkelijkheid
van te gevoelen. En per slot van rekening denk ik daarbij telkens weder
aan de geschiedenis van Mohamed en den berg. Dit weet ik dat genoemd
klimaat zich niet naar ons zal schikken; en dat wij dus het wijst
zouden doen met ons naar zijn veranderingen, zijn nukken en grillen
te regelen, ons er op toe te leggen om van zijn vriendelijke luimen
zooveel mogelijk te profiteeren, en ons voor zijn onvriendelijkheid
zoo onkwetsbaar mogelijk te maken.



XXVII.

BLOEMEN LANGS DEN WEG.


Wel, zoudt gij bij machte zijn om Cremer's lief heldinnetje de kunst
van "kruuzemunt"-zoeken na te doen? Ik durf bijna zeggen: men kan het
met den neus gaan zoeken; evenals thijm, hondsdraf, en al dergelijke
kleine paarse lipbloemen, die zoo rijk zijn aan geurige vluchtige olie,
dat men de blaadjes slechts hoeft aan te raken om ze te herkennen. Wat
hun groei aangaat, heeft men slechts aan een doovenetel te denken...

"Al die Munt en al dat Penningkruid langs de publieke wegen," zei
laatst iemand op een wandeling, "is maar een bespotting van den armen
drommel, die er langs loopt, zonder een cent in zijn zak."--"Ja,
als je daaraan wilt beginnen," hervatte een ander: de Sleutelbloem
past op geen enkel slot; en wie den Helm voor hoofddeksel wou
gebruiken, zou al een heel raar fatsoen van hoofd moeten hebben."--De
aardigheid was aanstekelijk, en de voorbeelden liggen slechts voor
het oprapen. "Aan het Vuurkruid", viel een derde in, "kunt ge niet
ééns een sigaar aansteken: waarvoor dient zoo'n ding dan?"--"Onder
al de Violen en Vioolachtigen is er geen enkele, waarop men, al was
't ook maar het minste deuntje van Offenbach zou kunnen spelen."--"De
meeste Paddestoelen zijn al heel onpraktische zitplaatsen, zelfs voor
een pad."--"De kammetjes van 't Kamgras kunnen nooit een kapper van
nut zijn; en het zou mij zeer verwonderen, als Salomo, in zijn tijd,
niet heel wat anders dan een Convallaria als Zegel gebruikt had."--"Al
die Slangenkoppen en die Addertongen, waarvan het, naar men zegt,
in de duinpannen wemelt, zouden iemand voor goed den schrik van een
duinwandeling geven..."--"Is waar, 't is wel wat erg; en als gij
ooit, in welken restaurant ook, vermoeid en hongerig, een broodje
met Ossentong bestelt, en de knecht u met een ruwbladerig plantje aan
komt dragen, dan ken ik u volkomen het recht toe, om hem een uil of
een brutalen spotvogel te noemen!"

Het wemelt langs den weg van dergelijke onmogelijke namen. Wat
dunkt u wel van: Wambuisknoopen, Venushaar, Grilkijkers,
Donderbaard, Grijzekam, Jezusgras, Platvoet, Ratelaars, Lamsooren,
en Herderstasch? Van dit laatste zou men ook gerust kunnen vragen,
waarvoor het zooveel taschjes noodig heeft, of kunnen glimlachen
over den idyllischen geest, die zulke kleine zaadhokjes bij
herdersbeursjes vergeleken heeft, groot genoeg om den bruidschat
van de eene of andere Philis te bergen!--Soms is er aan die wilde
planten een legende verbonden, en dan heeten zij naar den eenen
of anderen heilige; soms ook is hun naam louter onzin, zooals bij
voorbeeld die van "kamperfoelie", blijkbaar verbasterd van het fransche
"chêvre-feuille"! Soms weer zijn zij zeer teekenachtig, zooals die van
"duivelsgaren" voor verschillende zeer lastige slingerplanten.--Doch
hetzij hun zin dichtbij of veraf zij te zoeken, en hetzij wij ze
mooi mogen vinden of leelijk, ik hoor ze in het dagelijksch leven
altijd veel liever dan de daarmee overeenkomende latijnschen. Als de
bedoeling van de tegenwoordige natuurwetenschappelijke beweging niet
zoozeer is om meer geleerden te vormen, als wel om in alle menschen
meer oog en hart voor de hen omringende natuur te ontwikkelen, dan
moet op de populaire wetenschap ook niet door latijnsche terminologie
een te "geleerde" stempel worden gedrukt. En indien een groot aantal
plantensoorten geen eigenlijke volksnamen hebben, omdat tot nog toe
het "volk" ze, als van geen bijzonder praktisch belang, onopgemerkt
voorbijging, dan is het, dunkt mij, nog zoo onmogelijk niet, ze een
volksnaam te bezorgen, nu de kern van het volk er door botanisch
onderwijs opmerkzaam op gemaakt wordt. Onze taal is toch niet dood,
verstijfd, voor verdere uitbreiding en ontwikkeling onvatbaar! Indien
de wetenschappelijke gezichteinder der natie zich aan de eene of
andere zijde verruimt, moet zij--de taal--dan niet meegaan en zich
voegen? Dat uitheemsche, nog sinds kort ingevoerde gewassen bij hun
latijnschen naam plegen genoemd te worden, is geheel iets anders;
de hier in het wild groeienden dienen er een eigen, nederlandschen
op na te houden. Zijt gij gewoon om eenige notitie te nemen van het
levende tapijtje voor uw voeten? Wij spraken van Herderstasch. Ziet
eens of het er nog juist zoo uitziet als toen de oude Dodonaeus het
voor ruim twee eeuwen in zijn naieven eenvoud aldus uitteekende,
en daarmee aan de eene zijde fijnheid van zijn eigen blik, en aan de
andere de oppervlakkigheid der wetenschap zijner dagen karakteriseerde:

"Teskens- oft Borsekens-cruydt gheeft in 't eerste uyt syne wortel
sommighe langhworpighe bladeren, rondsomme diep gekerft,--langhs der
aerden verspreydt; daer nae krijghet dunne; somtijds veelachtighe
recht op staende steelkens, in andere zijd-steelkens dickwijls
verdeyldt, met dierghelijcke, maer kleynder bladeren beset; op het
top van dewelcke kleyne witte bloemkens voordtkomen, gheschicktelijck
gevoeght: als die vergaen sijn, komen daeraen kleyne, platte, kantighe
hauwkens, bij haer steelken oft aen haer oorspronck wat smaller en
wat meer ineenghedrongen dan nae bovenwaerts, waer zij breeder zijn,
kleyne borsekens oft teskens eenighsins ghelyckende, nae de welcke
dit cruydt synen naem voert. In de teskens steeckt het saet.(!) De
wortel is langhachtigh, wit, met sommighe veselinghen.--Het groeyt,
bloeyt, ende maekt syn saet ryp den geheelen somer door."

Dit laatste kan men waarlijk niet van alle wilde planten zeggen. De
voorjaarsbloemen hebben afgedaan. De boterbloemen zijn verdwenen
en de gouwe, met een aantal gele, roode, blauwe tijdgenooten; maar
de ganzerikken zijn gebleven; en de wilde peen; en de kamille;
en de brunelle is gekomen en het mooie roode duizendguldenkruid;
en de basterdwederikken steken nog hare fraaie kroontjes op in
open plaatsen tusschen het hakhout; en hoe meer men er op let, hoe
meer verscheidenheid zich voordoet. Zoo er thans witte spikkels
in de weide glinsteren, dan zijn 't, in plaats van madeliefjes,
witte klaverkopjes. De ruil is nog zoo slecht niet; hun zachte geur
vergoedt meteen het reukgras, dat zich niet meer vertoont. Plukt er een
handvol van, ten blijke dat gij vollen vrede hebt met de verandering:
misschien vindt gij dan tegelijk een klavertje-van-vieren, en gij
weet,.... dat brengt geluk aan!



XXVIII.

DE LOTOS.


Onlangs had er een botanisch verkeerd à propos plaats zooals heel licht
gebeuren kan, wanneer twee of meer planten, in den loop der tijden,
aan denzelfden naam gekomen zijn. Het was tusschen een geleerde, die
zich nooit veel met bloemen ingelaten had, maar des te meer met oude
dichtkunst, en een dertienjarig meisje, dat juist dezen zomer, als
H. B. school-leerlinge, haar eerste veld liep op plantkundig gebied.

"Je hebt het tegenwoordig zoo druk over planten," zei de doctor in
de letteren; "maar weet je wat ik graag eens zien zou: een Lotosbloem."

--"Ja, die zijn ook heel mooi! Kent u ze niet?"

--"Ze zouden mij zoo interesseeren om de poëzie, die er aan is
verbonden. Je denkt dan zoo om een stil waterlandschap met een
weelderigen plantengroei bij maanlicht." En hij vertelde een en ander
van de "Lotophagi, de veelbebesproken Lotoseters", en beweerde dat
hij er zelf wel eens even, bij voorbeeld voor één nacht, een zou
willen wezen.

--"Maar dat moeten dan toch koeien zijn, of schapen," schertste
't meisje; "menschen zullen ze toch wel niet eten."

--"Ja zeker. Menschen aten ze; of eten ze waarschijnlijk nog wel."

--"Ik ga er een halen," besloot zij.

--"Waar? Op den Ganges? Op den Nijl?" vroeg hij lachend.

--"Neen, vlak bij uw huis."

--"Een Lotos? Een heilige Lotos, hier dicht bij" mompelde hij
ongeloovig. En halfluid reciteerde hij:


           "Die Lotosblume ängstigt
            Sich vor der Sonne Pracht,
            Und mit gesenktem Haupte
            Erwartet sie träumend die Nacht."


Binnen weinige minuten was zij terug met een plantje van een paar palm
hoog, met fijne groene klaverblaadjes, en fraaie botergele bloempjes.

--"Is dat een Lotos?" riep de doctor, "'t Lijkt wel een gouden-regen!"

--"Een gouden-regen!" herhaalde nu het meisje op haar beurt, met al
de verbazing van iemand, voor wie zóó'n vergissing sinds zes weken
een onmogelijkheid was. "'t Is een Lotus corniculatus, een gehoornde
Rolklaver."

--"Nu, dan zal ik het voortaan voor jou plezier een land-Lotus noemen,
juffrouw Flora," eindigde de litterator vriendelijk.--Maar wat hij
had wenschen te zien was een Nymphea-Lotus, dat sieraad van den Nijl,
die met hare indische zuster, de Nymphea Nelumbo, als "Lotosbloem"
zulk een voorname rol speelt in de aloude poëzie van Indië en van
Egypte. En hij verhaalde daaromtrent verscheiden mythen en legenden,
die haar lieve oogen deden glinsteren.



"Mijnheer," zei twee maanden later juffrouw Flora, zooals hij haar
sedert dien tijd voortdurend noemde, "nu weet ik waar u iets te zien
kunt krijgen, wat op uw water-Lotos lijkt! In den Amsterdamschen
"Hortus" bloeit de Victoria regia. Ik heb er een prent van gezien,
en dacht dadelijk aan uw indische vertellingen."

--"Welnu, dan zullen wij er samen eens heengaan. Wat wil je liever:
bij dag, of bij avond met gaslicht."

--"Neen, bij dag!" koos haar rein instinkt; "'t is wel waar,
zij bloeit het mooist bij avond, maar bij gaslicht, dat vind ik
zoo.... onnatuurlijk."

Hij was dat blijkbaar met haar eens, en dus gingen zij op klaarlichten
dag. Daar lag de koninklijke plant in haar bassin, als een leeuw in
zijn hokje. Zij droeg verscheiden bloemen in witten en in roodachtigen
toestand, en knoppen waaruit men nog grooter bloemen zou verwachten. En
men bekeek de bladeren, met en zonder opstaande randen. Een was er
omgedraaid, opdat men 't sterke adernet in oogenschouw zou kunnen
nemen; en de geleider zei dat op het grootste gisteren een jongen
van acht jaar gestaan had; en een heertje was bezig om de bloemen
met een duimstok te meten, en verklaarde dat hij er te Berlijn een
gezien had, die vier duim meer in middellijn besloeg.--En eer zij
uit den Hortus gingen, waren hun ook dadelpalmen, suikerriet, een
koffieboompje en een bak met bijna rijpe rijst gewezen, al hetwelk
zeer hunne belangstelling opwekte.

Toen zij 't hek uit waren, zwegen zij beiden.

"Ik wou zoo graag die planten alleen in haar eigen land zien," zei
het meisje het eerst.

"Ja," antwoordde de dokter, "'t is heel mooi voor de wetenschap,
zoo'n inrichting; maar je waardeert de planten eigenlijk maar half,
als ze zoo uit haar element gerukt zijn. Het kan wel best wezen, dat
de Victoria op een Lotos lijkt, maar het wou mij toch niet lukken
om mij in zoo'n kunstmatige omgeving aan de oevers van den Ganges
te verplaatsen."



In den loop van den volgenden zomer waren beiden op een
buitenpartij. 't Was een zonnige middag; geen blaadje bewoog zich.

"Juffrouw Flora," zei de dokter, haar op den schouder tikkend,
"ga eens even mee: ik heb wat moois ontdekt." En langs een paar
verborgen paadjes troonde hij haar mede naar een open plekje in het
bosch, waar zij eene kleine watervlakte in het oog kreeg, 't Was een
verlaten vijver, die zeker vroeger tot een buitenplaats behoord had,
maar thans geheel aan zich zelven was overgelaten. Voor het grootste
gedeelte was hij door hoog hout: linden, elzen, esschen, een paar wilde
kastanjes en een treurwilg ingesloten; aan ééne zijde, van waar thans
het licht viel, liep de kant zacht glooiend af. Hier en daar groeide
riet, zegge en pijlkruid. Rechts verhief zich een bos lischdodden en
staken gele irissen haar sierlijke kronen omhoog, en links bloeiden,
nauwelijks zichtbaar, Vergeet-mij-niet-jes, vlak aan den oever.

--"Ziet gij wat daar drijft?" vroeg hij, terwijl zij van de helling
op het water nederzagen.

--"Ja, Nymphaea's, gewone witte waterrozen, Victoria Regia's in
't klein!" voegde zij er glimlachend aan toe.

--"Zulk een indruk nu verbeeld ik mij dat Lotosbloemen moeten maken!"

--"Maar die zijn zooveel grooter en hebben lange dunne stelen, en
ontsluiten zich eerst 's avonds," bracht het meisje, dat intusschen
meer geleerd had, in het midden....

Dat kan zijn. Maar dat is bijzaak. Het is blijkbaar dezelfde
uitdrukking van kalme, ontspannende schoonheid als waarmee deze
bloemen, in dit weêr, in dit licht, stil op hare ronde bladeren rusten,
die aan de Lotos hare wijding heeft geschonken....



XXIX.

ONS WIER-EILAND.


Allen die zeggen--en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen 't
daarom niet--dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten
het bereik van spoor en stoomboot, ("van de gewone touristen-route
af", zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche
eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen
telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het
stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo
kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op
zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar
Vlieland, Terschelling, Wieringen...

Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois
voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op
een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap
heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het
Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de
velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij "La Belle
Alliance". Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas
de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich
plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen
niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes
gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als
de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons
aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten
kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee
uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het
geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is
betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur
gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een
uur of wat zijn strand; zoo is 't gegaan sinds honderden van jaren,
en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.

Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van
eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van
verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in
zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een
kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland,
dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts
een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog
punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk
anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij
hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine
zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel
doordrongen van 't bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u
van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen,
de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u
heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug
houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt,
gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven
boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! 't Is hier
volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait;
gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de
wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven,
zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats
van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet
gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te
midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan
meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in
't weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst,
en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre
de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de
hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij
aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op
het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen,
of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet
zoo'n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar,
dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar "nou" en "hoor",
en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast,
met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen
niet ongemoeid laat,--men zou zich in een zuidoostelijker deel van
ons land wanen!

Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen
te blijven. "Op een eiland te zitten", is op zich zelf voor
negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is
niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling
en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of
verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat 's lands regeering er ook zoo
over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd 't geschiktste
punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen
waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal
af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen
zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een
kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan,
uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf
dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever,
te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi,
de rotganzenvangst en de wier-industrie.

Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen
wou schrijven.

Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige
plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug
van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de
zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier
eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen
eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische
verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het
plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima),
dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door
verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen.

Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg--met de
postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna
Paulowna-polder afvaart,--landen wij aan de kleine havenplaats, de
Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het
hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het
langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor
't grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed;
somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen;
deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde
knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze;
en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen
dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen
hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant.

Zoo wij nu dicht bij 't eiland komen--en wij moeten er een eind ver
langs zeilen--rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa
is, waar wij tegen aankijken, "'t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,"
oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten
van "dien hoogen wal met loodrechte spleten". Om met dit laatste te
beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte
der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier
voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds
zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter
bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in
deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die
dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het
eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt
beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust
van "Albion" deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier!

Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot
eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten
tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden,
en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen
met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit,
en daarbij zijn zij trouwens 't best te vergelijken. Hun overeenkomst
met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde
kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit
krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten
slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een
zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk
lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en
Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen
lapje tapijt over den grauwen muur afhing!

Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,--de aanlegplaats aan de Houkes is
juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een
ander schip ingenomen,--komen wij aan wal, en bij den eersten stap
vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen
bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot
het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks
aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,--altijd weer met "wier",
(met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo
maar blijven noemen). 't Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop
wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist
bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen
met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk
af,--want het wortelt in den bodem der zee,--en verzamelen het zoodra
het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte
voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard
bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen,
te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het
natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.

Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die
het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak
daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld
en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van
den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en
geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het
verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename
eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de
velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg
wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten,
want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht,
die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde
visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het
onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen,
waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij
men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.

Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag:
wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij
achteruitgaat, dat "het vet van den ketel is", en dat er weinig
of niets meer aan te verdienen is, wegens "de hooge pachtgelden"
en "de groote concurrentie". 't Zal allicht waar zijn, dat er
persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de
geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor
betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust
heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje
van nijverheid niet kwijnt.--Doch ons is het niet om de statistiek,
maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en
dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart
wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in
geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen
vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van
het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel
groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt:
veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij
elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook
beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en
verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet
ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt;
weldra zal het bij een koopman "in drogerijen en verfwaren" terecht
komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen!



XXX.

NAJAARSBLOEMEN.


't Is September; en uw tuin, die in de laatste weken misschien
wat had geleden, hetzij door de hitte der hondsdagen, hetzij door
de Margriet-regens, of door de stormen, die doorgaans het ernstige
korten der dagen aankondigen, staat op nieuw vol bloemen. Maandrozen
hervatten met moed haren bloei; en onder 't lage zaadgoed ziet ge
menig plantje vol levenslust het kopje opsteken, om mee te werken
aan de opgefrischte decoratie.

Een groote rol speelt daarbij in de laatste jaren de Phlox
Drummondi. Phlox, Vlambloem; volgens haar naam dient zij rood te wezen,
en dat is zij dan ook. Uw rond perkje, welig volgegroeid gedurende
de laatste vochtigheid, pronkt met eindelooze schakeeringen. Zijn er
takjes onder, die slechts rood zijn in de twijfelachtige beteekenis
waarin men van "roode" kool spreekt, ook het zachtste en zonnigste
rozerood en kersrood, de teerste appelbloesemtintjes en het donkerste
amaranth zijn er vertegenwoordigd. Daartusschen schittert hier en
daar in volle reinheid een groepje witte; en de overgangen vormen
de gestreepte en gevlekte. Soms is het of de kleur er bovenop ligt;
soms glimmen uwe bloemen als zijde of satijn (vooral de lichte),
terwijl anderen (vooral de donkere) een waas van fluweelachtigheid
hebben, zonder dat gij er nochtans het minste haartje op ontdekt. Een
en ander hangt af van den bouw der opperhuid. Want hoe dun de roode,
witte en paarse bloemkroontjes ook zijn mogen, is hun bouw veel meer
samengesteld dan zulks oppervlakkig lijkt. Met een weinig moeite
kan men het zeer dunne, doorschijnende opperhuidje van het overige
weefsel losmaken. Het huidje zelf is kleurloos, maar doorschijnend;
en de vorm zijner cellen bepaalt de wijze, waarop het de tint der
daaronder liggende kleurstof min of meer breekt. De Phlox is een
hoogst eenvoudige bloemvorm. De proef op de som is, dat wanneer eene
ongeoefende hand eene bloem tracht te teekenen, er tien tegen één
iets te voorschijn komt, wat ten naastebij op eene Phlox lijkt. Vijf
ronde lobjes, zoo diep ingesneden dat zij voor vijf blaadjes kunnen
doorgaan, uitloopend in een buis, waarin de binnenste organen zijn
verscholen, zoodat die het den teekenaar niet lastig maken, maar hij
den toegang tot de buis slechts als een donker-inziend ledig voor
kan stellen... zoo is de Phlox het meest geliefkoosde model voor "een
bloemetje" bij uitnemendheid; doch hoeveel wonderlijke konterfeitsels
er ook van gemaakt mogen worden, in werkelijkheid zijn zij daar niet
minder mooi om.

Vroeger kweekte men meer algemeen de Phlox Decussata, de struikachtige
overblijvende soort,--in 't grooter, zwaarder, steviger, geheel op de
Ph. Drummondi gelijkende. Nog eene derde, Ph. paniculata, heeft men
beproefd uit Amerika herwaarts over te brengen. In Europa toch groeien
zij nergens in het wild. Dit geeft eenen schrijver van nu juist honderd
jaar geleden [4] aanleiding tot de volgende merkwaardige opmerking:

"Indien het eerste Oir van alle gewassen in 't Paradijs gevormd
ware, gelijk het denkbeeld van Linnaeus is geweest, zoo zou het zeer
onbegrijpelijk zijn, dat in het verspreiden over den Aardbodem, deze
Vlambloemen niet ergens grond gevat hadden dan in Noord-Amerika alleen;
terwijl in Europa genoegzame streken zijn, van een dergelijk klimaat
en grond."

(Het is in onzen tijd van Darwinisme niet onaardig, eens te lezen
hoe men omtrent dergelijke punten in 1777 redeneerde en schreef.)

Tot hetgeen nog in volle frischheid over is gebleven, behoort de
Oost-indische kers. De publieke opinie is haar gunstig gezind. 't
Is een balkon- en een veranda-bloem, zoo goed als het voornaamste
sieraad van alle mogelijke bloemenhekjes van nederiger soort. Zij
houdt stand door alle wisseling van bloemenmode heen, en bloeit
heden in moderne parken even gevierd en overvloedig, als toen zij,
tweehonderd jaar geleden, reeds "in de tuinen der liefhebberen als
een gemeen gewas bekend" stond. De tijd van hare invoering (juist
niet uit Oost-Indië, maar uit Peru) is niet precies meer te bepalen,
en zij schijnt dan ook in het minst geen bezwaren tegen ons klimaat
te hebben. Gij plant haar in het voorjaar aan den ingang van een
prieeltje; gij zorgt slechts, dat zij licht en water genoeg heeft, en
behoeft haar overigens volstrekt niet te helpen; en binnen weinig weken
is zij boven, en hangt u van het dak van het prieel af toe te knikken,
dat het een lust is om te zien. Hoe zij er kwam? Hoe zij het eigenlijk
heeft aangelegd om zich omhoog te werken? Hoe men ook onderzoeken moge,
er is aan haar gladden stengel geen spoor van hechtworteltjes, zooals
aan de klimop, te ontdekken; en ook nergens ranken of klawieren van
eenigerlei soort. Ach, zij heeft die niet noodig. Zij is zoo vlug,
en heeft eenvoudigweg genoeg aan hare bladstelen, waarmee zij zich
behendig telkens aan den eersten steun den besten vasthoudt, om dan
dadelijk weer verder voort te spoeden. En wij zien dat aan met al het
welgevallen, waarmede wij zoo dikwijls echt praktische, redzame lui bij
hun arbeid bespieden, die met geringe middelen en weinig gereedschap
toch altijd weten klaar te komen,--in tegenstelling met het heir van
slechte schrijvers, wie het altijd weer aan inkt en pennen, en van
onbeholpen naaisters, wie het altijd aan haar naalden hapert!

Al slingerend en klimmend heeft de plant eene menigte bloemen
voortgebracht: Kapuzinen noemen ze de Duitschers, wegens den vorm
van den gespoorden, gelen kelk, die aan een middeleeuwsche kap doet
denken, zooals waarmede men vaak monniken of wel kaboutermannetjes
ziet afgebeeld. De fraaie kleur, dat heldere oranje, waarom de
O.-I. kers indertijd dikwijls de eer had, van tot sarring van
"Keezen" moedwillig tentoongesteld te worden, is in de laatste jaren
met allerlei schakeeringen van geel tot bijna zwart toe afgewisseld
geworden, maar behoudt toch den boventoon; en zoo vormen die massa
"schildvormige bladeren en bloedroode bloemen", jaar in jaar uit,
datgene wat Linnaeus aan "tropeeën der ouden" deed denken, toen hij
dit plantengeslacht met den naam Tropaeolum bestempelde! Mij dunkt,
men kan begrijpen, hoe een man, zoo rijk aan fantazie, er blijkbaar
zeker artistiek genot in schepte, den hem toestroomenden schat van heel
en half bekende en onbekende planten zoo schilderachtig mogelijk te
benoemen. Dat wij van O.-I. "kers" spreken, geldt natuurlijk niet de
vruchten, die in 't minst niet op kersen gelijken, maar stellig den
aangenaam prikkelenden, aan water-, tuin- en sterrekers herinnerenden
smaak.

En dan zijn er stokrozen.

"O foei, die stijve, grove, leelijke stokrozen; 't is ten minste goed,
dat de mode die afgeschaft heeft!"

Met uw verlof, ik geloof dat stokrozen alleen dan grof en leelijk zijn,
als de kweekkunst ze in zekeren onhandigen ijver bederft, namelijk
van haar natuurlijk karakter berooft en er, door verdubbeling, iets
van tracht te maken, wat op rozen moet lijken. Maar zij zijn niet
leelijk, wezenlijk niet, zoolang zij vrijuit volgens haar natuur mogen
opgroeien, en zich handhaven in hare waardigheid van "grootstbloemige
der Malvaceën". Sinds Mei heb ik een perkje met stokrozen onder het
oog. Omstreeks dien tijd ontwikkelden zich aan ieder plantje een
stuk of tien groote, heldergroene bladeren, die voorshands laag bij
den grond bleven, maar zich daar meer en meer uitspreidden. Op 't
laatst van Juni begon zich in het midden een groene kegel te vormen;
zachtjes aan verhief zich deze, en vertoonde zich als eene dikke,
dichte aar, bezet met een groot aantal bloemknoppen. Hoeveel, was
nog onmogelijk te bepalen; want ofschoon de onderste reeds duidelijk
afzonderlijke lichaampjes waren,--het puntje van de aar, een weinig
omgebogen, was eigenlijk nog eene onontwikkelde, onverdeelde massa. De
aar had hierdoor uit den aard der zaak eene kegelvormige gedaante,
die zij onder 't voortgroeien behield, omdat alles verder gelijkelijk
groeide. Naarmate nu de aar zich ontwikkelde, verhief zich de stengel
langzaam aan. Och, zeg toch niet dat de stokroos stijf is. Dat
wordt zij, ja, indien men haar uit al te groote zorg een soort van
steun wil geven, haar opbindt tegen een groen stokje, met een rood
of geel puntje. Zij heeft dien steun niet noodig. Haar eigen "stok"
is sterk en krachtig en houtachtig genoeg; en toch niet "houterig"
in leelijken zin, juist omdat zij zoo langzaam groeit. Want zoodra zij
zoo hoog begint op te schieten, dat zij, om niet spichtig te worden,
verbreeding noodig krijgen zou, komt ook werkelijk die verbreeding in
den naderenden bloei. De knoppen toch, eerst dicht tegen den stengel
aangedrukt, verwijderen zich daarvan, zoodra haar steeltjes sterk
genoeg zijn om zich met een kleine kromming uit te strekken. Zijn
't geen fraai besneden knoppen, met hun dubbel omhulsel, dat aan de
bloem een dubbelen kelk voorspelt?

Onder de onderste knoppen ontplooide zich intusschen een blad, dat, ook
weer aan een eigen steeltje gedragen, niet weinig tot versiering van
de plant medewerkt. En eindelijk openden zich de eerste bloemen. Het
waren roode, van het helderste rozerood. De vijf bladen zijn zoo
dicht aaneengegroeid, dat zij samen een klokje schijnen te vormen;
en de roode tint smelt zoo zacht weg naar het midden. Ik wou dat ik
ze u had kunnen toonen: ik durf hopen dat gij ze welbezien noch stijf,
noch grof, noch leelijk hadt gevonden.

In mijn oog staan zij bijvoorbeeld verre boven Dahlia's. Na de
zonnebloemen, die hier en daar als gele monster-madelieven rondom
boerenwoningen pronken, om, zooals het heet, de lucht van kwade
dampen te zuiveren, is de Dahlia stellig de grootstbloemige onder onze
najaarsplanten. 't Is nog niet zoo heel lang geleden, dat zij met een
kleine, flets-oranjebloem hier aankwam, en de geleerden het een tijd
lang oneens waren, of zij haar den naam van Dahlia of van Georgine
zouden laten behouden. Hier te lande heeft de eerste, in Duitschland
de tweede naam gezegepraald; maar intusschen had het aanzien van de
plant in kwestie reeds vrij wat veranderingen ondergaan. Vooreerst
was zij verdubbeld, ja bijna geheel "gevuld" geworden, en ten andere
was zij met haar sterken aanleg tot kleurwisseling (de eindelooze
mislukte pogingen om haar ook zuiver blauw te doen worden nu niet
meegerekend) een dankbaar materiaal voor den tuinbouw. Geur heeft zij
volstrekt niet; haar eenige aantrekkelijkheid bestaat als decoratie
in het groot, en op verren afstand is zij niet onaardig. Maar om
van dichtbij bekeken te worden...? Ook aan deze planten heeft de
verdubbeling, wat de sierlijkheid betreft, meer kwaad dan goed
gedaan; en men behoeft nog geen modemaakster van beroep te zijn,
om bij een gevulde Dahlia maar al te gauw aan eene zwaar geplooide
rozet van de logste soort te denken, waarbij dan de afzonderlijke
bloempjes voor omgevouwen lussen gelden.--De anders niet onaardige
term "bloemkorfje", dien de plantkunde bij dergelijke "samengestelde"
bloemen gebruikt, verliest in geval van vulling allen zin. De kleine
bloempjes, die oorspronkelijk in 't korfje zaten, zijn verdwenen en
het niet onbevallige randje is een plompe bal geworden.

Het is opmerkelijk, dat, laat in 't najaar, de "samengestelde" bloemen
ons in den regel 't langste bijblijven. Dit laat zich dan ook zeer wel
hooren. Vooreerst toch behooren daartoe verschillende soorten, wier
weefsel van nature vrij droog en duurzaam is: (b. v. de zoogenaamde
stroo- of zevenjaarsbloemen). Maar ook diegenen, welker randbloempjes
van een teerder maaksel zijn,--Goudsbloemen, Sanvitalia's enz.--hebben
in haar bloembodem en haar omwindsel (in één woord in datgene wat in
de wandeling haar "hartje" heet) een steun, welken men aan bloemen
zonder zulk een hartje nimmer kan verschaffen.

Waarschijnlijk is het daaraan toe te schrijven, dat als alles in
uw bloemperk wegsterft, een stuk of wat Chrysanthemums, Zinnia's,
Afrikanen en Asters nog tot het laatst aan storm, regen en verweering
het hoofd weten te bieden.... Zij hebben kans er te meer om gewaardeerd
te worden.



XXXI.

EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.


Elk die in dit seizoen een "tuinder" in zijn tuin bezoekt, kan zeker
wezen klachten te vernemen over de erbarmelijke wijs, waarop de
rupsen in de kool huishouden; en de groenlui in de stad hebben niet
altijd ongelijk, wanneer zij dit als reden opgeven voor het "opslaan"
van genoemd artikel.

Ieder nu, die niet geheel en al vreemdeling is in hetgeen er in
de dierenwereld omgaat, weet hoe die koolrupsen de larven zijn van
zekeren witten vlinder met twee zwarte vlekjes op de vleugels, die
dan ook gewoonlijk "koolwitje" genoemd wordt. Het wijfje van dien
vlinder legt in de lente hare eitjes aan de onderzij der bladeren van
kool of koolzaadplanten, bij hoopjes van 20 tot 30; ieder diertje
dikwijls een paar honderd stuks. Na een dag of veertien komen deze
eitjes uit; en de daaruit geboren rupsen blijven eene week lang
gezellig bij elkander in een soort van zelfgesponnen web. Omstreeks
den achtsten dag vervellen zij voor 't eerst, en beginnen zich dan
over de geheele plant te verspreiden. De jonge rupsen zijn bijzonder
gulzig; dag en nacht eten zij voort; men heeft opgemerkt dat zij
in zeker aantal uren steeds het dubbele van haar eigen gewicht aan
voedsel gebruiken. Na ongeveer drie weken zijn zij volwassen, en
zoeken naar eene schuilplaats om zich te verpoppen. Wie nu daartoe
een veilig plekje, liefst aan een heg of muur of schutting, heeft
gevonden, hecht zich stevig vast met spinsel, stroopt haar huid af,
en blijft zelve daarnaast zitten, als een bleek-groene pop, met zeer
vele zwarte puntjes en vlekjes geteekend. Na veertien dagen barst op
nieuw de huid, en de jonge vlinder vliegt de lucht in.

Omstreeks dezen tijd nu zijn doorgaans de kleine koolplanten in den
tuin juist beginnen te groeien, en bieden dus een heerlijke gelegenheid
tot eierleggen aan de nieuwe kapellen. Zoo verschijnt in den nazomer
een tweede geslacht van rupsen, dat op zijne beurt zijne gulzigheid bot
viert. Indien men nu stelt, dat in het voorjaar 10 vrouwelijke kapellen
zijn uitgekomen, en 2000 rupsen hebben voortgebracht, dan is het niet
te veel gerekend, indien een vierde daarvan weder wijfjes zijn, en
deze in September 100,000 nakomelingen leveren. Het is dan waarlijk
wonder, dat er nog iets van onze kolen overschiet;--de bladstelen en
een gedeelte van de hartbladeren blijven meestal gespaard.

Doch slechts zelden wordt dat groote heir voltallig. Om van de musschen
en de spreeuwen en de kraaien enz. niet te spreken, het koolwitje
heeft een vijand, veel kleiner dan deze, maar eigenlijk nog veel
geduchter. Het is een diertje van bijna drie millimeter grootte,
een zwarte sluipwesp, met roode pootjes en paarsche doorschijnende
vleugels. Sluipwespen nu zijn wespen, die hunne eieren leggen in het
lichaam van een ander levend insekt; hunne maden leven dan ten koste
van het gewonde beest, en eindigen met dit te dooden. Zij zijn de
slankste en sierlijkste onder de wespen, en de wijfjes zijn voorzien
van iets, wat men oppervlakkig voor een langen staart zou groeten. Dat
is de zoogenaamde "legboor", en bestaat uit drie borstelige haren,
die te zamen een holle buis vormen, en door middel waarvan zij haar
eieren onder de huid van haar slachtoffers brengen.

De kleine wesp nu, die uitsluitend op koolrupsen aast, legt dikwijls
meer dan 30 eitjes in den rug van ééne rups. Ondanks de pijn, die
dit haar zeker moet veroorzaken, en het uitkomen en groeien van de
made, blijft de rups toch doorgaans leven tot zij aan verpoppen toe
is, en beklimt tot dat doel, blijkbaar met niet geringe moeite, een
schutting of een boom. Alvorens zij er dan echter in slaagt om haar
vel af te stroopen, wordt dit door de maden doorgebeten, die dan alle
te gelijk, wel-doorvoed en volwassen, aan hare zijden naar buiten
komen kruipen. De nu stervende rups valt dan meestal op den grond;
en op haar plaats vindt men de jonge woekerdieren, bezig met zich
in te spinnen, ten einde, ieder in een geel cocon, maar te zamen in
het spinsel dat de rups reeds was begonnen te maken, haar poptijd
door te brengen op het plekje, dat deze voor zich zelve uitgezocht
had. Ziedaar de 100,000ste opvoering van een ieder jaar terugkeerend
treurspel.--Het naspel wisselt af. Misschien zal het ditmaal daarin
bestaan, dat het gansche cocon in den loop van den winter door een
boomkruipertje gevonden en buit gemaakt wordt. Of wel dat de jonge
wespen, aanstaande voorjaar, bij hun eerste uitvlucht in de wereld,
grootendeels in een spinneweb terecht komen. Of wel dat de eerste
zwaluw er een stuk of wat als welkom-thuis opvangt, en een ander deel
gebruikt wordt om het eerste broedsel basterd-nachtegaaltjes op te
kweeken. Of wel eindigen eenige hunner hun leven onder de zonderlinge
praktijken van een negendooder, dien kleinen moordlustigen vogel, die
veel meer insekten doodt, dan hij opeet of aan zijne jongen vervoedert,
maar ze ter bewaring tusschen takjes of aan doornen vaststeekt...



XXXII.

EEN NATUURKALENDER


"De hoeveelste is het van daag?"

"De 28ste, Neef, de 28ste October."

"Bloeien er nog Heliotropen?"

"Ja zeker. Woudt u een takje hebben?"

En ik plukte een paar frissche takjes en bood er neef Piet een
aan. 't Was verleden najaar, op een heerlijk mooien dag, zoo als in
dit seizoen alleen vinkenmist-ochtenden ze kunnen opleveren.

"Citrouilles, dat zijn immers pompoenen?"

"Ja, neef."

"En Aubergine, hoe noem je dat in 't hollandsch?"

"O, dat is Datura. Doornappels is de hollandsche naam. Maar hoe komt
u zoo aan 't fransch vandaag?"

Mijn neef Piet was namelijk jong geweest in den franschen tijd en
had, om bijzondere redenen, zijn leven lang een hekel gehad aan al
wat fransch was.

"Wel, die fransche kalender......"

"Wat meent u?"

"Je weet toch wel: die republikeinsche kalender: Nivôse, Pluviôse,
Ventôse?"

"Germinal, Floréal, Prairial.... Maar wat heeft die met bloemen
te maken?"

"Wel, voor iederen dag stond een bloem, of een beest, of een hark,
of een ploeg, maar meest bloemen. De 28ste October was de verjaardag
van Jan, goeden jongen, en dat was de dag van de Heliotrope. Dat wisten
wij als kinderen allen precies. Je tante Lucie, die zoo droomerig kon
wezen, plaagden wij er altijd meê, dat zij op den papaverdag t'huis
hoorde, maar zij trof op de aardbei. Moeder had de Lelietjes-van-dalen,
27 April...." En neef verdiepte zich in zijne kindsheidsherinneringen.

"Maar hoe was dat dan, neef? Hadt u dat zelf bedacht, of was dat,
hoe zal ik zeggen, officiëel?"

"Wel, het hoorde bij den kalender. 't Was in plaats van de
heiligendagen. Wij hadden 't uit een zwitsersch almanakje; als je
goed zoekt, kan je 't misschien nog wel vinden....."



De zaak had mijn belangstelling genoeg wakker gemaakt, om er een
tochtje naar de vliering voor te wagen; en werkelijk vond ik het
bedoelde boekje. Het was een Helvetischer Revolutionsalmanach für
das Jahr 1800, welks inhoud begon met een dubbelen kalender, in de
"oude" en de "fransche" tijdrekening. [5]


Ik weet niet of deze laatste mijnen lezers bekend is: mij kwam ze
gedeeltelijk nieuw voor. Ik kende wel de teekenachtige, aan het weêr
ontleende namen der maanden... (Voelt gij geen Juli-gloed in het woord
Thermidor, en ligt er niet een sombere Novemberdag verscholen tusschen
de letters Brumaire?) Ik wist ook, dat de fransche republiek van 1800
niet bij weken rekende, maar bij tientallen van dagen: Primidi, Duodi,
enz. Doch wat ik nooit gehoord had, was dat men, bij het schrappen
van al wat naar kerkelijke plechtigheid zweemde, in de leegte, door
het wegvallen der heiligendagen veroorzaakt, op eene eigenaardige
wijze had trachten te gemoet te komen. Zoo als neef zeide: voor de
heiligen waren bloemen, enz. in de plaats gekomen. En daar in den
ouden heiligen-kalender geregeld iedere dag een patroon gehad had,
zoo was nu ook voor elken dag een plant of iets anders gekozen. Niet
altijd bloemen. "Vooreerst", zei neef, "waren die in den winter niet
gemakkelijk te vinden; dan behielp men zich met delfstoffen, zooals
b. v. zand, klei, kalk; tot dat de sneeuwklokjes en hunne tijdgenooten
de bloemenreeks begonnen, die in den herfst door vruchten en andere
produkten uit het plantenrijk werd aangevuld. Daarenboven was de
zaak zoo ingericht, dat telkens voor den vijfden dag der décade een
huisdier, en voor den tienden dag een of ander landbouwgereedschap
gesteld was." Dit nu zou alles netjes rondgeloopen hebben, indien het
aantal dagen van het jaar juist in tienen deelbaar was geweest. Maar
de zesendertigste décade eindigde met den 30sten Fructidor, (17
September); en vóór den 1sten Vendemiaire--het republikeinsche jaar
begon met 20 September,--moesten dus nog vijf dagen verloopen. In dit
bezwaar had men op hoogst merkwaardige wijze voorzien, en wel door de
zoogenaamde jours complémentaires. Deze waren niet gewijd aan bloemen,
noch aan aarde, noch aan steen, noch aan werktuigen, noch aan dieren;
zij vormden geheel afzonderlijk eene halve décade op zich zelve,
en heetten eenvoudig naar de beruchte Septemberfeesten: 1 Fête de
la Vertu; 2 Fête du Génie; 3 Fête du Travail; 4 Fête de l'Opinion;
5 Fête de la Récompense. [6]

Ik was recht in mijn schik met mijn vondst, en neef Piet's hart werd er
jong van. Allerhande bijzonderheden kwamen bij hem boven. "Op den 1sten
September", vertelde hij, "gooiden wij altijd naar noten, en ergerden
ons als ze nog niet rijp waren, want het was le jour des noix. Eén
dag in 't jaar werd de poes getrakteerd, omdat het le jour du chat
was. Dat viel... O, neen, dat was de hond, die viel op Kerstmis. Dat
was de ergernis van tante Leentje. Goed luthersch als zij was, vond ze
't heel best, dat de heiligendagen afgeschaft werden; maar dat op 25
en 26 December Cire en Chien stond, dat kon ze niet velen..."

"Er is iets frisch, iets oorspronkelijks aan," beproefde ik.

"Ja, 't was wel fransch, maar 't was toch aardig!"

En neef en ik, nu beiden tamelijk onpartijdig tegenover de
nagedachtenis dier fransche republikeinen,--ik omdat ik hun tijd
niet gekend had, hij, omdat er thans zooveel jaren tusschen
lagen,--verdiepten ons naar hartelust in het tintelende leven
dat er ligt in die poging om, tegelijk met de omwenteling in de
staatkundige wereld, de vernieuwende beginselen ook dadelijk op
allerlei maatschappelijk gebied door te voeren. Men bewondert, en te
recht, de levenskracht dier mannen, die te midden van de woelige en
bloedige tooneelen van het schrikbewind, zich rustig bezighielden met
het samenstellen van een wetboek, waaruit later het Code Napoléon is
geworden; maar hoe eigenaardig uit zich dan niet de geest dier dagen in
dezen, al naar ge het noemen wilt, naïeven of genialen kalender. In
alles moest verandering komen; geen onderdeel van 't dagelijksch
leven was te gering om in de plotselinge hervorming te deelen; aan
scheppingskracht ontbrak het niet, en een oorspronkelijke inval had
meer dan in gewone tijden kans van toegejuicht te worden. Met welk
een kunstgevoel is hier partij getrokken van het beetje natuurkennis,
sinds gisteren of eergisteren door Rousseau op 't tapijt gebracht;
hoeveel ruwe, maar karakteristieke poëzie ligt er in al die ploegen,
eggen, zeissen, ossen, als 't aktief ingrijpend element, midden
tusschen de van wege de natuur geschonken grondstof, vertegenwoordigd
door delfstoffen, boomen en bloeiende kruiden!

Maar 't merkwaardigste van alles zijn en blijven toch voor mij
die "jours complémentaires". Ligt daarin niet de indruk van eene
bekentenis,--en in dit geval wel een zeer ongedwongene, zeer
onwillekeurige, misschien onbewuste, maar daarom te treffender
bekentenis,--dat de menschheid alleen bij de stoffelijke natuur om
haar heen het leven niet kan houden? Dat zij bij en boven boomen en
bloemen, hoe schoon ook, en koorn hoe nuttig ook, en karren, wagens,
spaden, hoe onontbeerlijk ook, en dieren, hoe na ook aan ons verwant,
nog steeds iets anders noodig heeft, wat alleen den menschelijken
geest aangaat: in den eenen of anderen vorm geestelijke idealen?



XXXIII.

JACHT EN WILD.


Ik heb eens iemand hooren zeggen dat hij in Duitschland geologie
ging studeeren, omdat er in ons land "geen geologie is". Hij doelde
daarmede natuurlijk niet op een gebrek in de studie der nederlandsche
deskundigen, maar op een gebrek aan belangrijkheid en rijkdom van
delfstoffen in onze aangeslibde gronden. Evenzeer zou ik mij best
kunnen begrijpen dat iemand naar een ander land ging jagen, "omdat
hier geen jacht is". Of noemt gij dat bijvoorbeeld jagen, als een
man in de kracht van zijn leven, dag in dag uit, met een hond en een
polsdrager achter zich, door Hollands moerassige rietvelden drentelt,
af en toe een snipje schiet, den hond roept om het te apporteeren,
zijn prooitje met hoogsteigene hand het kopje inknijpt en dan
's avonds rhumatiek te huis komt?... Toch, als men opmerkt hoe de
jachtliefhebbers, edellieden, heeren- en andere boeren, jaarlijks
voor het jachtveld van een of ander terrein, sommen overhebben, die
een eerzaam stadbewoner de haren doen te berge rijzen, dan moet men
wel vooronderstellen dat er groote bekoorlijkheid ligt in die jacht
zonder gevaar, dat overwinnen zonder strijd, dat zegepralen over
zulke onnoozele slachtoffers.

Voor de meeste jagers wil ik gaarne gelooven dat die aantrekkelijkheid
minder bestaat in het dooden of verminken dier dieren, als wel in
hetgeen uit den aard der zaak aan eene jachtpartij verbonden is:
de verre tocht, die dikwijls in den vroegen morgen aanvangt, het
dwalen door de bosschen en de velden, de afwisseling van zulk een
dag, en het doorgaans daarop volgende diner. Voor weder anderen,
en dat is wellicht nog de beste zijde van 't geval, is de grootste
prikkel gelegen in het zoeken van de schuilplaats onzer kleine "wilde"
landgenooten, in 't beloeren van hun listen, en het leeren kennen
van hun vlugheid en hun sluwheid. En werkelijk zijn het gewoonlijk
alleen jagers, die in hunne gewoonten goed te huis zijn.

Die haas bij voorbeeld, die daar in uw keuken hangt, en morgen
"afgehaald" zal worden, hoe zou die zijn leven wel gesleten
hebben? Ieder weet dat een haas hard kan loopen en graag kool eet;
maar betrekkelijk zeer weinig menschen zijn goede kennissen met Lampe,
zooals hij in de "dierfabel" van Reintje-de-Vos heet. Ik moet dan
ook erkennen, dat er heel wat takt toe behoort, om op een familiaren
voet te komen met iemand, die zoo schuchter en achterdochtig is
als hij.--Toch is hij, bij al zijn beruchte lafheid, een aardig,
lustig diertje. Sla hem slechts gade in het voorjaar. Nauwelijks is de
jachttijd om, waarin hij zooveel angsten doorstaan heeft, en de winter,
waarin hij dikwijls zooveel kou moet lijden, en zich soms, ten einde
raad, geheel onder de sneeuw woelt,--of hij vat den moed weer op en
krijgt op nieuw lust in zijn leven. Dikwijls reeds in Januari zoekt hij
zich een wijfje; en een maand later, als de meeste vogels nog aan geen
nestenbouwen denken, is het hazennest gereed; en weldra liggen daarin
drie of vier jongen rond te kruipen. Zeer kunstig is dat nest niet. De
aanstaande moeder krabde slechts een ondiep kuiltje in het bouwland,
en belegde dat met wat gras of stroo en met een vlok of wat van hare
eigen haren. Geheimhoudend als een haas is, zoekt zij dat nestje met
de meeste zorg voor elkeen te verbergen. Ook voor andere hazen, die
zich, als zij ze vinden, wel eens aan de jongen vergrijpen. Zij zelve
houdt ze doorgaans een week of drie bij zich, en lokt ze tot zich,
door te klappen met de ooren. Dat hazen dadelijk na hun geboorte
zien kunnen, is niet te verwonderen: hunne oogen dienen wel dadelijk
voor het daglicht geschikt te wezen, want hun oogleden zijn te kort,
dan dat zij ze ooit geheel zouden kunnen sluiten. Zelfs wanneer zij
slapen, staan dezen dus altijd half open. Vandaar wellicht het woord
"hazeslaapje"; terwijl de vorm van hunne bovenlip, (door eene breede
gleuf, die zich tot het middenschot der neusgaten uitstrekt, bijna
geheel in tweeën verdeeld), eene zeer natuurlijke aanleiding geeft
tot den term "hazelip". Zoodra de jongen kunnen loopen en mee kunnen
eten van de spruiten op het veld, wordt het nest verlaten; en weldra
heeft de moeder weer een ander, tot driemaal in het jaar toe. En daar
die van 't eerste nest in 't najaar meestal zelven reeds weer jongen
hebben, kan er van één hazenpaar binnen drie jaar gemakkelijk een
duizendtal afstammen.

Tegen de verschillende gevaren, die hem gedurende zijn leven bedreigen,
heeft hij in letterlijken zin zijne loopjes. Ligt de haas overdag
rustig in zijn leger,--zooals hij in den regel schijnt te doen, om
slechts des nachts op zijne zaken uit te gaan,--dan heeft hij eene
heerlijke bescherming in de vaalbruine kleur van zijn pels. Dit schijnt
hij wel te weten; want hij blijft gewoonlijk doodstil liggen, wanneer
hij een mensch aan hoort komen, drukt zich dicht tegen den grond
aan, en beloert, zonder zich te verroeren, iedere beweging van den
onwelkomen bezoeker. Slechts wanneer de vijand zeer dicht bij is, en
hem dreigt aan te vallen, springt hij eensklaps op, en maakt zich uit
de voeten. Gaat hij, als het gevaar voorbij is, naar zijn rustplaats
terug, dan loopt hij daar nooit regelrecht naar toe, maar maakt
eerst eenige dwarssprongen in de buurt, als om zijn eigenlijk doel,
voor ieder die er naar mocht kijken, te verbergen. Een haas echter,
die meermalen eene jacht heeft bijgewoond, weet dat daarmede niet valt
te gekken; en dat ook het kunstje van het stil-liggen hem tegenover
de neuzen der speurhonden niets helpt. Hoort hij dus het gevreesde
schieten of wel het blaffen van een zijner aartsvijanden, dan schrikt
hij, zet zich op de achterpooten, en besluit tot de vlucht. Een groot
voordeel voor hem is het, als hij bij die vlucht tegen eene hoogte
op kan rennen, want zijn voorpooten (of "loopers"!) zijn langer dan
zijn achterloopers: daardoor klimt hij gemakkelijker dan hij daalt,
en maakt in het laatste geval dikwijls een buiteling. Merkt hij nu
echter, dat ondanks al zijn vlugheid, de honden hem dicht op de hielen
zijn, dan heeft hij nog één middel over. Hij neemt namelijk plotseling
een geweldigen zijsprong, en loopt in een andere richting door. Vaak
schieten dan zijne vervolgers in hunne drift voorbij, en in dat geval
heeft Lampe een heel eind gewonnen. Door deze manoeuvre ontkomt hij
dikwijls aan de honden, en zelfs aan den vos, die graag jacht op
hem maakt, en anders zeer ervaren is op het gebied van allerhande
listen en lagen. Al mogen dan ook betrekkelijk zeer weinig hazen den
ouderdom van acht of tien jaren bereiken, waartoe zij komen konden
indien menschen, wezels, raven, sperwers, ooievaars en anderen hen
ongemoeid lieten, zoo blijven er toch, ondanks alles, jaarlijks nog
een groot aantal onze velden bevolken, en in duinen en bouwlanden en
heiden, hun leven naar hun zin genieten.

En dan konijnen. Zouden er soms onder mijne lezers zijn, die, zooals
ik laatst van iemand hoorde, vast meenen dat konijnen jonge hazen
zijn? Ofwel, zouden niet velen, ook al zijn zij in theorie volkomen
van dat verschil overtuigd, veel kans loopen zich in de praktijk te
vergissen tusschen een haas en een konijn? Hun weet ik geen beter raad
te geven dan: gaat naar een poelier, maakt daar uwe vergelijkingen
tusschen ooren en pooten, en wordt wijs.

En patrijzen. Velen kennen dezen niet anders dan gebraden. Anderen
kennen ze dood; en weten dan zelfs aan de bruine borstvlek de haantjes
te onderscheiden. Maar de jagers hebben hen levend gezien, wat ons
anderen niet licht overkomt, Zij weten hoe het "hoen", zooals zij den
patrijs plegen te noemen, in leefwijs en gewoonte werkelijk groote
overeenkomst heeft met kippen en andere hoendervogels,--te beginnen
reeds daarmee, dat het evenals een kuiken, dadelijk na zijn geboorte
loopen kan, in plaats van, zooals b. v. jonge leeuwerikken, eerst
een paar weken in het nest te blijven liggen. Het huislijk leven der
patrijzen is daarom echter niet minder trouw en gezellig. Reeds vroeg
in het voorjaar vechten de mannetjes hevig, om ieder een wijfje te
bemachtigen. In een van droge grashalmen voorziene uitholling van
den grond worden de groenachtig-grijze eieren gelegd. Een broedsel
bestaat wel uit tien of twaalf eieren, dus evenveel als onze kippen
tegelijk plegen uit te broeden, en veelmeer dan zulks bij de meeste
vogels het geval is. Trouwens, dit hangt juist samen met het vroege
wegloopen. De oude haan houdt bij het nest de wacht, en waarschuwt
bij gevaar het broedend wijfje, dat dan het nest loopende verlaat,
en eerst op een goeden afstand opvliegt. Zoo er mierenhoopen in de
buurt zijn, worden de jongen, kort nadat zij uitgekomen zijn, door de
ouden daar heen geleid, en vinden dan in de dikke gele mierenlarven
een uitgezocht voedsel. Zij kunnen slecht tegen een nat seizoen; bij
nacht, gevaar of slecht weer neemt de moeder hen onder hare vleugels,
juist als eene hen hare kuikens; de bouw en vorm van het diertje
heeft dan ook iets zeer hoenderachtigs.

En snippen. Als echte moerasvogels loopen dezen op dat hooge soort van
pooten, die niet onaardig bij stelten vergeleken zijn geworden. Haar
aangezicht heeft iets... anders dan dat van alle andere vogels;
en als men ze goed aankijkt, begint men er langzamerhand achter
te komen, dat dit is, doordien de oogen zeer ver naar boven en
naar achteren staan,--iets wat ook aan menschengezichten zoo iets
vreemds geven kan, zelfs al is het niet meer dan een streep buiten
de normale maat.--Haar snavel is nog langer dan de kop zelf; en
als men dien bevoelt, bemerkt men dat hij min of meer week is,
van achteren bijna vierkant, en van voren een weinig verdikt, en,
althans bij de watersnippen, met een klein puntje omgebogen. Zij
kunnen daarmee gemakkelijk in de modder boren, om water-insekten en
weekdieren te zoeken; en het is tot dat einde natuurlijk van groot
voordeel, dat haar neusgaten zoo dicht mogelijk naar den kop toe
staan. De houtsnip kan men uit de overige snippen kennen, doordien
haar pooten tot bijna aan den hiel toe met vederen bekleed zijn. Zij
broedt hier te lande slechts bij uitzondering, ofschoon zij zulks
niet laat omdat het haar bij ons te koud is, want b. v. in Lithauen
wordt zij in menigte broedende aangetroffen. Hier komt zij slechts
op den trek voor, nl. van October tot December. Zij rust dan bij
voorkeur des nachts, verschuilt zich overdag in kleine boschjes,
en vliegt, als zij opgejaagd wordt, met den bek omlaag gericht, een
eindje voort, om zich echter zoo spoedig mogelijk weder in het hout
te wagen. De watersnip daarentegen, een weinig kleiner dan de vorige,
voelt zich zeker bij ons meer in haar element. Zij broedt veelvuldig
in Noord-Brabant en Groningen, aan lage, vochtige plaatsen; maar
ook haar aantal wordt jaarlijks zeer vermeerderd in den trektijd,
die voor deze soort twee malen voorkomt, nl. in het vóór- en in het
najaar. Van Augustus tot het einde van October namelijk, trekken
er een groot aantal watersnippen zuidwaarts, van Maart tot April
noord-oostwaarts. Ook haar reis heeft bij nacht plaats, en overdag
vindt men haar tegen den grond gedrukt liggen. Wanneer zij opgejaagd
worden, laten zij eenige kort afgebroken klanken hooren, en vliegen
dan vrij hoog op. Zij laten somtijds een zonderling geluid hooren, dat
aan het blaten van een schaap doet denken; dit schijnt niet door de
keel, maar door de snel trillende beweging der staart- en slagpennen
voortgebracht te worden. Haar voedsel bestaat uit insekten en wormen;
zelfs azen zij op bloedzuigers. Ofschoon zij zich vaak in de toppen
der boomen ophouden, nestelen zij op den grond; het nest bevat meestal
vier eieren, en de broedtijd duurt ongeveer 16 dagen.

Dit een en ander, in den loop der tijden gemeengoed der dierkundige
wetenschap geworden, werd zonder eenigen twijfel voornamelijk door
jagers ontdekt. Een haas of snip zou eene treurige beschouwing kunnen
maken over de omstandigheid, dat de beste kenners van het wild ook
tevens zijne bloedigste vervolgers zijn. Soms straffen dergelijke
dingen zich zelven. Ik heb een hartstochtelijk jager gekend, die in
eene lange ziekte zich voortdurend verbeeldde dat hij een aangeschoten
eend was en ergens in het riet lag te sterven. Elk ongewoon gedruisch
deed hem denken aan een hond, die hem wou oprapen.



XXXIV.

GESLOTEN?


Victor Hugo vertelt in een van zijne verrukkelijke kleine Chansons,
hoe hij, den eersten November naar den "boschtempel" gaande, waar
hij den ganschen zomer door met zooveel dichterlijke stichting "de
dienst" placht bij te wonen, den toegang onverwachts versperd vond
door verdorde bladeren en afgewaaide takken en breede modderplassen; en
dat een uil, die hem zag zoeken en zich met moeite een weg banen, hem
vriendelijk terecht wees met de inlichting: "Fermé pour réparations."

Zoo zou het ons ook kunnen gaan, indien wij nog altijd volhielden
bloemen in het vrije veld te willen zoeken!

Toch zijn zij er wel te vinden. Zoo wij afdalen tot de bijzonderheden
van Hugo's teekenachtig natuurtafereeltje, dan zien wij in en om
die modderplassen, en onder al dat afgevallen loof iets, wat hij
niet noemt, maar wat het weinig moeite kost er ons bij voor te
stellen. Ik bedoel die onnoemelijke massa grootere en kleinere
Zwammen, die juist in dezen tijd van 't jaar te voorschijn komen,
die gedeeltelijk op den grond, gedeeltelijk op het natte hout en op
de half vergane bladeren groeien, en die half een gevolg, half mede
eene oorzaak zijn van hunne spoedige ontbinding en van de duffe lucht,
die wij rondom ons waarnemen.

En of deze nu bloeien? Kritieke vraag, in meer dan één opzicht. Wij
zullen ons maar aan den geijkten term van Bedektbloeienden houden.

Was dat bloeien, wat de Varens deden, toen zich, kort geleden, op de
achterzijde hunner sierlijke veeren een aantal kaneelbruine stippels
vertoonden, in regelmatige figuren rondom de nerven en insnijdingen
gerangschikt? Zeker is het, dat van de verschijning dezer stippels de
vermenigvuldiging der plant, of, zooals het hier heet, "sporenvorming"
afhangt. Zoo'n bloei schijnt zeker al heel zonderling; de zaak wordt
echter reeds een weinig minder vreemd, zoodra wij kennis maken met
die soorten van varens, (b. v. het inlandsche Dubbelloof, Blechnum
Spicant), die er tweeërlei veeren op nahouden, waarvan de ééne niet
bloeien en de andere op bloeiende stengels gelijken; en indien wij
daarbij denken aan den geleidelijken overgang van bladeren tot bloemen,
door Goethe dichterlijk geschetst in zijn Metamorphose der Pflanzen.

En het mos, draagt dat bloemen? Van het loofmos kan zelfs
een oningewijde het gelooven, als hij de fijne bruine peer-
of bekervormige figuurtjes, die daar den bloei vertegenwoordigen,
op hunne dunne steeltjes tusschen 't groen ziet steken. Bij het
korstmos--die platte, vlakke korsten op boomstammen en muren--valt
het alweer iets moeilijker; toch bloeit ook dit op zijne wijze. En
let eens op uw Selaginella, uwe kamer-"mosplant", (eigenlijk geen
mos); ga eens na of aan de uiteinden dier stengeltjes, van boven
met een dubbele rij kleine, van onderen met een dubbele rij grootere
blaadjes bezet, niet op zekere tijden van het jaar groene bolletjes,
zoo groot als speldeknoppen, voorkomen?... Dan bloeit zij.

Zoo afdalende tot in de laagste kringen van het plantenrijk, komen
wij terecht bij de zwammen, paddestoelen, schimmels, enz. Ook
dat is bloeien, als die hooge witte paddestoelen, die ons in het
najaar in den tuin zoo lastig vallen, gaandeweg, van kegelvormig,
plat worden, meer en meer als een parapluie gaan uitstaan, en dan,
tusschen de stralen aan hun onderzijde, een dik zwart vocht loslaten,
dat vlekken geeft als wagensmeer en, door zijn onaangenamen geur,
hoofdpijn veroorzaakt. Ook dat is bloeien, als de schimmel op dat
rottende blad in het bosch, of op een rotten appel in uw provisiekamer,
na eerst wit geweest te zijn, groene puntjes krijgt.

Het is alles wel geen bloeien in den gewonen zin... En de sporen,
die zich daarbij vormen, zijn geen zaden, die slechts behoeven te
ontkiemen... De wereld der bedektbloeienden is een wereld op zich
zelve in het plantenrijk.

Maar indien wij nagaan, hoe elk blaadje van het veenmos een gewoon
boomblad in het zeer eenvoudig is, in dier voege namelijk, dat het
opperhuid noch nerven heeft, maar slechts uit één laagje cellen
bestaat;--indien wij in het algemeen bedenken, dat in die lagere,
die eergevormde plantenwereld, met name in de varens, reeds al de
bladvormen voorkomen, die zich later onder de zichtbaarbloeiende
gewassen hebben gereproduceerd;--indien wij eenen blik slaan in de
keurige bijzonderheden van dien "bedekten" bloei, zooals zij in de
afbeeldingen van het eerste het beste boek over plantkunde vergroot
te zien zijn,--dan.... Doch dat wordt een zaak voor 't mikroskoop in
de studeerkamer, en wij wenschen in de open lucht te blijven.



XXXV.

WINTERVOGELS.


Het is een algemeen heerschend volksgeloof,--bij den eersten den besten
boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op
nemen,--dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe
dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens
duidelijk uit, dat men 's winters hier te lande nooit een koekoek,
en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens,
men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben,
om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat
den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld,
dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen
behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen
"heimwärts", huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt
niet juist: want onder iemands t'huis, zijn "heim", zijn vaderland,
verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen,
die 's zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts
in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt,
wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat
het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst
weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde
plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan
het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij
troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te
koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken
die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger
gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en
op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden.

Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor
een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De
groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen,
afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om
den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende
plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in
de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van
trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de
boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel
van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt,
van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in
hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht,
wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te
houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen
hebben,--bij voorbeeld op den vlakken grond,--dan dringen daar,
zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in.

Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er
ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf
houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen,
zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan
hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort
daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke
verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend,
dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was,
met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte
van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend
herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor 't
eerst de zachte stem van 't kleine dier weer hoor.

Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen
lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen
staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel
opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes,
tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar
korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in
het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de
schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te
bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den
tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden
ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... 't Is waar,
in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,--anders durf ik niet zeggen
hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.--Op deze behoefte aan dierlijk
voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende
jongens, "dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet
weeken". Ondanks deze goede bedoeling om 't haar lekker te maken,
wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte
of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners
mogen vallen.

De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen
toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft,
voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;--hetgeen
zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie
van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor,
in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw,
en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid
bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste
boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid
te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof
ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht
het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen,
erwten enz, er wel verbruikt worden door de "onnutte" snavels van zoo'n
aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering
vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen,
loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren
gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of
van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken
dat zij gedurende den schralen tijd veel eten.

Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee
bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan,
"een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen". Hij neemt dan
soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte
wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en,
met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die
donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet
te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet
trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft
zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het
water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun
langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was;
en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van 't seizoen,
dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den
snavel aan de vetklier gebracht te hebben.

Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje,
dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart
en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn
langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is
een echte visscher,--de "Martin-pêcheur" der Franschen,--en zit met
een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer,
dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der
zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste
plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin
moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en
rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar
al te zeer aantrekt: "l'oiseau bleu" wordt waarlijk zoo dikwijls te
vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten
glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt!

Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes,
die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat
dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik
des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien
zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn,
natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch
de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte,
schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft,
om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van
zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals
andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes
met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts
aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele "pluimagie",--zooals
onze overgrootouders den vederdos noemden,--een zeer los karakter
krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder 't malen veel meer
leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier
plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als
de uilen 's nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel
muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle
andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting
dadelijk in 't oog springen.

Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering
van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,--het vindt allicht zijn
voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der
beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst
en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze
heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld
spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels,
door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten
broeden, de sperwer,--een havik in het klein,--is een echte roofvogel
en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt
wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en
zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer,
want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor
vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk
deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij
een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer;
bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen
beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt
dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor
hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was,
van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken
voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder
dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken.



XXXVI.

VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.


Ik betwijfel zeer, of er ooit in de werkelijkheid iemand bestaan
heeft, die den titel droeg van "Graaf van Rome". Maar er is eene
oud-duitsche ballade, waarin van zulk een personage en zijn vrouwtje
een teekenachtig avontuur wordt verteld.

De graaf van Rome dan, "een man van eer en ridderlijke deugden",
wilde aan de eischen van zijn tijd voldoen en een der kruistochten
naar Palestina meemaken. Zijne vrouw, de gravin, had hier veel tegen;
zij deed alle moeite om hem van zijn plan af te brengen, maar mocht
daarin niet slagen. De graaf vertrok. De tocht was voor hem alles
behalve voorspoedig. Het duurde niet lang of hij viel in handen van
een koning, die zijn krijgsgevangenen zeer slecht behandelde en streng
liet bewaken. Hij leed honger en ellende, en het ergst was dat hij,
die aan zulken arbeid natuurlijk niet gewoon was, dag aan dag den
ploeg moest trekken:


       "am pflug da must er ziehen
        viel lenger denn jar und tag,"


zoo heet het in het oude gedicht. Eens, toen de koning aan het hoofd
van zijn ridderstoet uitreed, viel de graaf hem te voet, en smeekte
om genade en vrijheid; doch de koning "zwoer bij zijne kroon", dat
hij den gevangene niet zou loslaten, tenzij diens eigen vrouw er om
kwam vragen. De graaf schrikte van dat bericht, en hield toen "in
diep leed" de volgende naief-zelfzuchtige overpeinzing: "laat ik mijne
vrouw komen, dan wordt haar smaad aangedaan; moet ik hier blijven, dan
geldt het mijn lijf; dus: ik wil schrijven dat mijne vrouw kome." Zoo
gedacht, zoo gedaan. Er werd een brief geschreven, waarin hij aan de
vrouw duidelijk maakte, dat niemand dan zij zijnen kommer kon keeren;
en een bode ging er mee op weg. De vrouw ontving den brief, las dien
"in 't geheim", en "het hart werd haar koud wegens den toestand van
haren heer". Nochtans schreef zij terug.... dat zij niet kon komen;
dat het voor een vrouw niet paste "over de wilde zee" te varen;
maar dat zij te huis alles voor hem doen zou wat zij kon. Zoodra
echter de bode weer vertrokken was, beredderde zij in stilte al wat
zij dadelijk bedacht had: zij liet zich een monnikspij maken en eene
tonsuur scheren; en daar zij "lezen, schrijven en nog heel veel meer
doen" kon, en ook in 't snarenspel bedreven was, hing zij de harp
en de luit op zijde en--reisde zoo den bode na. De zeereis duurde
drie of vier dagen. Tot vermaak van zich en hare tochtgenooten,
begon zij midden op de zee muziek te maken; de bode zat aandachtig
en met welgevallen te luisteren. "Zij herkende hem wel, maar hij haar
niet". Toen zij geëindigd had, stelde hij haar voor, met hem mede te
gaan naar zijn koning, die haar spel zeker rijkelijk zou beloonen;
hij drong daar zeer op aan; zij stemde toe; zij reisden, toen zij aan
land gestapt waren, samen verder, "over bergen en door diepe dalen"; en
zoo was de bode, zonder het te weten en met hare weigering in den zak,
de geleider en beschermer van de vrouw, om wie hij uitgezonden was.

Weldra stond de gewaande monnik voor den koning, en werd wegens haar
spel luisterrijk ontvangen. Zij speelde en zij zong "veel vreugdevolle
woorden"; en al de aanwezigen verzekerden luide, dat zij het nooit
beter gehoord hadden. Zij werd onthaald "op wildbraad en op visch",
verheugde zich "in haar binnenste" dat "hare zaak zoo goed stond", en
speelde met vernieuwden moed, zoodat het door het geheele paleis klonk,
en al de heidenen, ('s konings dienaren en gasten) begonnen te dansen.

Den graaf werd de boodschap van zijn schoone vrouw gebracht; hij
treurde daarover zeer en zag geene andere toekomst vóór zich,
dan zich "dood te moeten werken". De vrouw intusschen, in hare
vermomming, keek met alle opmerkzaamheid naar haren man uit; en
haar eenig verdriet was, dat zij hem nergens zag. Eindelijk klom
zij op den toren van 't kasteel, en werd hem gewaar voor den ploeg
in het veld. Zij schreide vele tranen, omdat zij hem niet dadelijk
kon helpen; maar zij was intusschen onvermoeid in 't spelen, en
bleef vier weken op het slot. Toen zij nu sprak van afscheid nemen,
wilde men den muzikalen monnik rijkelijk beloonen. Men bracht hem
"eene gouden kroon en een schepel vol goud", en verzocht hem die
niet te versmaden; maar de monnik weigerde en zeide zeer nederig,
dat "zijn orde hem niet vergunde zoo iets aan te nemen", en hij zulk
loon niet begeerde. "Maar", voegde hij er bij, "om één geschenk wil
ik u vragen: het is niet om roodgeel goud, noch om edele steenen,
noch om eenig ander goed, maar alleen om den man, die ginds in het
veld den ploeg trekt." De koning antwoordde beleefd: "Heer, neem dien,
als gij hem verkiest"; en de graaf werd van den ploeg gehaald en voor
den koning gebracht, en de koning gaf hem zijne vrijheid en den raad:
"bedank den avonturier, die u verlost heeft."

Het verdere beloop van het verhaal is: dat de graaf, ondanks al wat hij
geleden had, nog niet afzag van zijn tocht naar het heilige graf; en
dat "de avonturier" zijns weegs ging. Dat de graaf, toen hij ten slotte
tehuis kwam, door zijne vrouw ontvangen werd, alsof er niets gebeurd
was, maar zich zeer beklaagde over den onvriendelijken brief, waarmee
zij den zijne had beantwoord; en dat hij van geene verontschuldiging
wilde weten. Dat ten overvloede zijne vrienden de vrouw aanklaagden en
belasterden, omdat zij in zijne afwezigheid van huis was geweest, en
wel op zulk eene geheimzinnige wijze, dat geen van de buren haar spoor
had kunnen volgen. Dat het vrouwtje toen echter niets antwoordde, maar
opstond, naar haar kamer ging, de pij aan en den monnikskap over het
hoofd trok, en de harp, de luit en den bedelzak omhing, juist zooals
zij zich in den vreemde aan hem had vertoond; en dat bij dien aanblik
de graaf opsprong van blijdschap, haar in zijne armen greep en uitriep:


        "das ist der abenteurer, der mich erlöset hat!"


Onder de prentjes, die in mijn oude boek dit verhaal aanschouwelijk
moeten maken, is één, zeer sterk sprekend, waarop een man, bijna naakt
en met uitgerekte spieren, rondom zijn lendenen is ingespannen voor een
soort van wagentje met twee kleine wieltjes, dat bij nader onderzoek
een ploeg blijkt te zijn; terwijl een ander, met een tulband op het
hoofd en een stok in de hand, toezicht over hem staat te houden.--Ik
denk aan die voorstelling dikwijls, als ik in werkelijkheid een ploeg
zie, bespannen met twee flinke paarden: een der schilderachtigste
sieraden van een schoon winterlandschap. Doorgaans verstaat men onder
winterschoonheid slechts de pracht van sneeuw en rijm en ijs; maar
ik bid u, versmaadt niet die stille dagen in December of in Januari,
als het niet vriest, maar ook niet mist of stormt of regent, als het
eigenlijk niets doet, doch de boer daarvan gebruikt maakt om des
te meer te doen! Denkt u een heuvelachtige, eenigszins boschrijke
streek; de reeds opkomende dunne nevel van den korten namiddag
belet u om vèr om u heen te zien, en belooft een van die prachtig
geschakeerde zonsondergangen, die juist in dit jaargetij ons oog
zoo kunnen verblijden. Links van u liggen eenige roeden met rapen,
rechts staat winterkoren te veld; de hooibergen rondom de huizen
getuigen ook van weiland in de buurt; en ginds, af en toe achter
een schuur of een paar boomen verscholen, en dan eensklaps weer te
voorschijn komende, legt rustig en bedaard de ploeger zijnen weg af,
van den eenen akker op den anderen, in 't gezelschap van musschen en
kraaien, die in de versch opgeworpen aarde op de jacht gaan.... 't
Is een welkom beeld van bedrijvigheid en leven, te midden van dat
stille wintertooneel. Hij weet het niet, de jonge ploeger, welk een
schilderachtige figuur hij is in deze omgeving.

Doch wij van onze zijde dienden ons te schamen, als wij hem niet
nog met een ander oog bekeken. Hij zelf en zijn arbeid verdienen
onze belangstelling. Een ploeger is, als hij zijn vak verstaat, een
man van zekere kunde. Ploegen is nog niet iedermans werk. Men dient
daartoe vooreerst goed met paarden te kunnen omgaan, zekere handgrepen
machtig te zijn, vooral bij het zwenken aan de kanten der greppels;
en minstens evenveel begrip van het verschil tusschen recht en krom
te hebben, als iemand die zich op "rechtlijnig teekenen" toelegt.

"Maar 't is een erg eentonig werk", dus brengt misschien iemand in
het midden; "en ik heb medelijden met een menschenleven dat op deze
wijze wordt gesleten."

Hoor eens,--is dan mijn antwoord, de "Graaf van Rome" werd zelf
voor den ploeg gespannen; en in de dagen, waarin dat verhaal heet
te spelen, was zulks volstrekt geen zeldzaamheid. Menschen,--slaven,
lijfeigenen,--trokken den ploeg. Reeds die ploeg, hoe gebrekkig en hoe
grof van vorm, was een werktuig, uitgevonden tot verlichting van die
moeilijke, maar onvermijdelijke losmaking van den grond, die aan allen
landbouw, aan alle zaaiing en oogsting dient vooraf te gaan. Thans,
bij de hedendaagsche ploegwijze, is het niet meer de mensch die trekt,
maar hij geleidt de huisdieren: paarden of runderen. Ook het werktuig
zelf is in den loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. De ploeger,
die zijne zaak meester is, arbeidt meer met zijn geest dan met zijn
lichaam; en dit toch houdt men doorgaans terecht voor den standaard,
waarnaar men het meer of minder menschwaardige van verschillenden
arbeid bepaalt. Op den koop toe kan hij er zijn lichaam gezond en flink
bij houden, wat op lange na niet bij allen uitsluitend geestelijken
arbeid het geval is. Daarbij: een ploeger ploegt niet altijd. Hij
ploegt in 't najaar, opdat de omgeworpen grond zou "doorvriezen",
d. w. z. opdat door het bevriezen van de vochtigheid, die er in is, de
opgeworpen stukken ondergrond in duizenderlei richting zouden barsten
en zeer los worden. Hij ploegt in den winter, voor zoover de vorstlooze
tusschentijden het toelaten. Hij ploegt soms nog laat in 't voorjaar,
maar dan is het wegens tegenspoed in 't werk. In de lente en den zomer
doet diezelfde arbeider geheel andere dingen. Hij zaait misschien,
als hij die kunst verstaat,--want ook dat is een kunst, of voor het
minst eene behendigheid; hij helpt bij het schoonhouden der akkers;
ook zijne handen worden in beslag genomen in den oogsttijd, als er
altijd handen te weinig zijn om den boel binnen te halen,--vooral
waar het gewassen geldt welker vruchtjes gemakkelijk losspringen, en
welker zaad dus bij de minste nalatigheid reddeloos verloren gaat. Ik
bedoel hier b. v. koolzaad en karwei, die twee "dobbelgewassen",
die zelfs onze noordhollandsche landbouwers zoo dikwijls verleiden
om in hunne kostbaarste weiden den ploeg te zetten, en ze tijdelijk
tot bouwland te maken, (ze te "scheuren").

En weldra zal op zijne beurt de stoomploeg den paardenploeg
vervangen. Hij moge nog veel onvolkomens hebben, en vooral in
de huishouding van kleinere boerderijen volstrekt geen voordeel
aanbrengen--in beginsel behoort hem toch zeker de toekomst. Dan wordt
de werkman geheel machinist, en dat is alweer bijna een even groote
sprong als tusschen onze hedendaagsche ploegers en de lotgenooten van
den Graaf van Rome. Zal hij er gelukkiger om wezen? De voorvechters van
den "vooruitgang" verzekeren van ja. De vrienden van den "goeden ouden
tijd" schudden het hoofd. Wie met Karl Marx een open oog hebben voor de
gevaren die de stoom meebrengt,--in zoover deze door sterke verdeeling
van arbeid alle menschen tot specialiteiten, d. i. tot fragmenten
van menschen dreigt te maken--zetten een waarschuwend gezicht. Laat
ons die twee punten in allen geval uit elkander houden. Iemands geluk
hangt waarlijk niet af van zijn gereedschap, maar van zijne macht om
dat gereedschap, en nog vele andere dingen er bij, te beheerschen:
van zijne opvoeding, van zijn gemoedsleven, van de wijze waarop hij
geleerd heeft zijn verstand, zijn geestesgaven, vooral zijn verbeelding
te gebruiken! De soort van ploeg, waarmee hij werkt, komt er dan,
beide in letterlijken en in figuurlijken zin, minder op aan.



XXXVII.

GROENBLIJVENDE BOOMEN.


Een maand of wat geleden door Gelderland reizende, zat ik in den trein
met twee bejaarde freules. Zij waren door een dikken livreiknecht in
den wagen en aan haar bagage geholpen, en begonnen zich al spoedig
over te geven aan 't genot van den tocht. Het was mooi weer en het
landschap deed dat goed uitkomen. Ik kreeg een soort van sympathie
voor mijne reisgenooten, ten eerste om haar warme geestdrift en
bewondering voor al het schoons dat wij voorbijvlogen, en ten tweede
omdat zij zich, ondanks de nederlandsche etiquette, niet ontzagen
die bewondering tegenover mij, onbekende, te uiten. Wij spoorden
nu door bosschen en dan weder over de heide; en eensklaps, nadat
wij een paar minuten tusschen hooge dennen heengetrokken en aan een
gehakte opening gekomen waren, riep eene van de dames in verrukking:
"Och, Keetje, kijk die snoeperige Conifeertjes, daar vlak bij dat
sparrenbosch!" Zij meende blijkbaar de twee- of driejarige dennen
zelven, die hier van de vrijgekomen lucht en ruimte gebruik maakten,
om zich krachtig te ontwikkelen. Ik vrees dat ik een lachje niet heb
kunnen weerhouden, maar had toch iets geleerd van mijne gezellige
buurvrouw. Dat zij sparren en dennen verwarde, vond ik heel gewoon
en begrijpelijk; maar dit had ik geleerd, dat onder "Conifeertjes"
door sommigen verstaan worden: niet al te groote, groenblijvende,
pyramidale boompjes;--(een zin waarin, zooals ik later bemerkte,
het woord dikwijls op prijscouranten voorkomt).

Tot dergelijke "Conifeertjes" zullen wij ons thans terug dienen te
trekken, nu bijna alles uitgebloeid heeft. In stadstuintjes, vooral
in de zeer kleinen, (vóór aan de straat, achter een ijzeren hekje),
plegen zij een groote rol te spelen, en vormen daar wat de Engelschen
hun "shrubbery" noemen.

Op Hulst, Jeneverbes, Taxis en misschien nog een paar anderen na, die
hier ook in het wild groeien, zijn verreweg de meeste van die groene
dwergjes onder uwe vensters uit een verwijderd vaderland afkomstig. Om
met de eigenlijke Conifeeren (Kegeldragers) te beginnen: van onze
eigen spar en den zijn in de laatste halve eeuw een aantal aanverwante
soorten uit den vreemde ingevoerd. Zie, daar staat een Pinus Cembra,
wiens naaldjes altijd vijf aan vijf staan, zooals die van onzen
gewonen den twee aan twee; hij komt uit de berglanden van zuidelijk
Europa. Daarnaast prijkt een echt Cedertje "van den Libanon". Die
kleine Balsempijnboom of Hemlockspar, zooals hij tegenwoordig hier
genoemd wordt, komt uit Virginië. De Cypres vertegenwoordigt ons
de grieksche rouwplechtigheden; en die Araucaria met hare stijve,
breede, geschubde armen,--is 't wezenlijk een levend boompje of een
kapstok?--hoort in Brazilië tehuis. Uw Thuya is een Noord-amerikaan,
ofschoon reeds sinds lang hier burger geworden, en met den naam
van "Arbor vitae" vereerd. Het kan wel zijn, dat menigeen, die van
"Levensboom" hoort spreken, daaronder heel iets anders vermoedt dan
de Thuya's, die de nederige rol vervullen van, op zijn binnenplaats,
het bezemhok aan het oog te onttrekken: en toch worden werkelijk
slechts deze er mede bedoeld.

In uw groene heesterperkje staan intusschen ook verscheidene
niet-kegeldragers, dadelijk kenbaar aan hun ander loof-karakter. De
Aucubas, met haar gevlekte laurierachtige bladeren, komen uit Japan,
evenals de bonte Evonymus, een groenblijvende nabestaande van ons
Papenhout. De Ledum groeit in 't wild in Polen en Bohemen; de Arbutus
Unedo in Italië en 't Zuiden van Frankrijk; de Kalmia, die, bij goede
verzorging, omstreeks Juni in een appelbloesemkleurig bruidskleed
zal prijken, in Noord-Amerika.

Hoe meer het teedere zomerloof verdort en afvalt, hoe meer wij deze
trouwe winter-heestertjes waardeeren. Doch ook: hoe winterachtiger het
om ons heen wordt, hoe meer zij ons bijwijlen doen verlangen naar hun
vaderland, waar zij de hoofdrol spelen in het landschap. Ik spreek nu
niet voornamelijk van de "eeuwiggroene myrthen en laurieren" en hun
zuidelijker klimaat. Ik wensch onze noordsche sneeuw- en ijs-pracht, en
de afwisseling, die zij in het natuurschoon en in het maatschappelijk
leven aanbrengt, volstrekt niet te ontvluchten; maar juist omdat die
witte vlokken zoo goed staan op de takken van dien kleinen spar voor
't venster, doen zij telkens mijn verbeelding de vleugels uitslaan
naar streken, waar men ze in 't groot op groote sparren kan bewonderen
in niet alleen groote, maar grootsche verhoudingen.

Zoo weet ik in Noord-Duitschland, in een afgelegen hoekje, een smal
dal, door hetwelk eene kleine rivier stroomt. Of het dal de rivier
zou gemaakt hebben, of de rivier het dal, durf ik niet te beslissen,
maar in hunnen tegenwoordigen toestand zijn zij onafscheidelijk aan
elkaar verbonden. Ook ten opzichte van 't geen de menschenwereld
aangaat. Zonder het riviertje zou het dal zeker in 't geheel niet
bewoond zijn; maar nu het kleine, levendige ding zich zeer hulpvaardig
tot allerhanden arbeid laat gebruiken, nu dient het dal tot woonplaats
aan eene nijvere bevolking, wier bedrijf de voortbrengselen van
het bergland verwerkt. Het waterrad drijft "molens" van allerhande
soort en grootte, o. a. een paar papier- en glasfabrieken. Ook levert
het riviertje het geheele jaar door overvloed van bruikbaar water,
en op den koop toe forellen en krabben. Bevaarbaar is het nooit,
maar dan ook zeer zelden gevaarlijk; in 't voorjaar, als de sneeuw in
het gebergte begint weg te dooien, zwelt de stroom natuurlijk zooals
alle anderen; doch de plaats der meeste huizen is wel zóó gekozen,
dat die tegen hare mogelijke kromme sprongen zijn gevrijwaard. Een
en ander geeft aan dit valleitje iets behagelijks en menschelijks,
zonder daarom aan den diepen indruk zijner eigenaardige natuurpracht te
schaden. Die indruk wordt voornamelijk te weeg gebracht door de hoogte
der bergen ter rechter en ter linkerzijde, en door de kronkelingen van
rivier en dal, meestal ook vóór en achter,--zoodat men schijnbaar
geheel ingesloten is, en de uitgangen niet ziet, maar slechts
vermoedt. Die bergen nu zijn bijna overal, van onderen tot boven,
begroeid met verschillende soorten van naaldboomen. Toen ik per spoor
die bergstreek naderde, trof mij reeds meer en meer het ontbreken van
't gewone loofhout. En toen wij, aan het naaste station uitgestapt,
nog drie uur moesten loopen om het dal te bereiken, ontmoetten wij,
op hier en daar een berkenboschje na, geen ander hout dan sparren,
dennen, Weymouthspijnen, enz.

De meesten onzer weten zich zoo'n dal te herinneren, hetzij in
den Harz, het Schwarzwald of misschien in Zwitserland; en roepen
zich met innig welbehagen zijn schilderachtigste partijen voor den
geest terug. Ons, kinderen van de vlakte, kwam het er intusschen
wel eens eng voor en benauwend; de blik zocht er onwillekeurig
naar bergpaden, om, als 't ons al te bang om 't hart mocht worden,
spoedig den gezichteinder te kunnen verruimen. En als wij op een
mooien zomerdag daar nederzaten, kwam dikwijls de gedachte in ons
op: "Hoe somber moet het hier des winters zijn!" Dan rekenden wij
echter buiten de sneeuw, die ten eerste een groot deel van de door
ons vermoede wintereenzaamheid en afgeslotenheid wegneemt, door
het vlug en vroolijk sleêverkeer, en ten andere de somberheid der
groene bergwanden breekt door haar tintelend wit.--Denkt u een mooien
Februaridag, met vorst maar zonder wind. Op elken boom ligt zooveel
sneeuw als hij maar dragen kan zonder te breken: de veerkracht van de
breede takken wordt op een zware proef gesteld; zij buigen dóór onder
hunnen reinen last. De spitse toppen van de sparren en de vlakke kroon
der dennen wisselen elkander sierlijk af tegen den blauwen ether;
en al de duizend groene twijgjes, die tegen de sneeuw afsteken,
bewaren 't landschap voor eentonigheid. 't Is Vrouwendag: er zal een
groote sledevaart gehouden worden. De zon beschijnt en koestert u,
en betoovert de sneeuw; en haar stralen dringen door in de diepte der
bosschen, en lokken hier en daar een kudde herten naar hun zoom. Gij
glijdt voort in een ijlende vaart, maar toch niet zóó snel, of gij
kunt de schoonheid om u heen naar hartelust genieten. En zoo de dag
al kort is, des avonds komt de maan op, en verlicht den terugtocht
op haar wijze.... Wie dat eens in vollen glans heeft bijgewoond,
vergeet het niet gemakkelijk.



XXXVIII.

EEN OUDEJAARSWANDELING.


Het loof is afgevallen of verdord, de vlakte om ons heen ziet er
verlaten uit. De natuur zwijgt. De dagen zijn kort, en de nachten
zijn lang. Een aantal dieren hebben zich verscholen en slapen.

Soms komt het in een mensch op, dat hij wel lust zou hebben, ook maar
op die manier te overwinteren, en eerst met de lente weer voor den
dag te komen. Erken maar eerlijk, dat de herfst u dikwijls sombere,
neerslachtige oogenblikken bezorgd heeft: iets waarop gij meer kans
hebt, naarmate gij meer met de natuur meeleeft, en meer ontvankelijk
zijt voor hare indrukken. Doch zoo er dan nog slechts één greintje
veerkracht in ons over is, herstellen wij ons doorgaans dadelijk in
het besef, dat een mensch meer is dan een visch of een marmot. Ik
voor mij ten minste, hoe gevoelig ik ben voor de opwekkelijke prikkels
van ijle lucht en zonneschijn, schaam mij altijd, als ik op het punt
ben mij door mist of "waterkou" te laten nederdrukken. Vaak, als het
leven mij op de eene of andere wijze pijn deed, was, zoo ik de ruimte
slechts in 't oog kon krijgen, één blik op den blauwen hemel met zijn
lichtgrijze wolkjes genoeg, om mij weer blijde te doen zijn dat ik
geboren was, al ware het alleen maar voor 't plezier van deze schoone
tinten te genieten. Doch zoo vaak een Decemberdag mij dreigde mee te
slepen in zijn somberheid, voelde ik dat... hier de hoek van uitval
niet gelijk mag wezen aan den hoek van inval: dat wij in onzen geest
gaven bezitten, die bij machte zijn om ons in dit opzicht boven deze
wet verheffen.

Men heeft van oudsher veel gesproken over de scheppingskracht van den
menschelijken geest. Zij stelde hem in staat om ruwe grondstoffen
voor zijne dagelijksche behoeften te verwerken en om telkens meer
verfijnde werktuigen tot verlichting van persoonlijken arbeid uit te
vinden. Zoo schiep hij zich het noodige voor stoffelijke welvaart. Door
de verbeelding schiep hij zich figuren uit hetgeen de wereld hem te
zien gaf, en dat was een der eerste schreden op het pad der kunst. Hij
verzamelde kennis van hetgeen er om en in hem voorviel, en noemde
dat wetenschap. Maar van al de vormen, waarin zich de menschelijke
scheppingskracht geopenbaard heeft, is er zeker geen edeler, geen die
hem meer boven het dier verheft, geen die, ondanks al de dwaasheden en
troebelen, waartoe zij aanleiding gegeven heeft, meer geluk schenkt,
dan de duizendvoudig afwisselende poging om, ondanks de onvolkomenheden
van al wat hij kent, toch aan zekere volmaaktheid te gelooven.

Het is heden niet slechts December, maar ook Oudejaar, en er zijn
dagen, waarop men meer dan gewoonlijk in eigen gemoedsleven doordringt,
en verzoening zoekt voor dingen, ten opzichte waarvan men zich anders
slechts met afleiding behelpt. Ook in dit bosch zingt "ieder vogeltje
zooals het gebekt is." In elk mensch die over deze dingen nadenkt, doet
de verhouding tusschen afhankelijkheidsgevoel en dorst naar volmaking
zich op eene andere wijze gelden. Gun dat ik op onze laatste wandeling
tracht weer te geven, hoe mijn "geloofsbelijdenis" zou uitvallen,
zoo ik die, als van ouds, in "twaalf artikelen" moest samenvatten. Van
weten is hier natuurlijk geen sprake en dus van gelijkhebben ook niet.



Ik leef, ik wil gelukkig zijn; ik heb lief, ik wil geluk bezorgen.

Ik heb bemerkt, dat ons geluk afhangt van den kunstzin, waarmede wij
onszelven met onze omgeving, onze wenschen met de omstandigheden,
al datgene waarover wij te beschikken hebben met onze krachten en
talenten--in harmonie weten te brengen.

Zoo min bij deze, als bij eenige andere levensopvatting, is in
dadelijke werkelijkheid volmaakt geluk te vinden, omdat wij nooit
volkomen slagen in ons streven. Gelijk de kunstenaar in engere
beteekenis, zoo blijft elke mensch als levenskunstenaar, steeds ver
beneden zijn ideaal;--nu eens omdat zijn grondstof ontoereikend is
voor zijne plannen, dan weer omdat deze hem te machtig is, en zijne
eigene kracht, vaardigheid, "inspiratie" te kort schiet.

Maar ik heb ondervonden dat een dergelijk artistiek streven, naast
zijne gedeeltelijke, praktische voldoening, nog een ander, hooger
voordeel aanbrengt: het aangroeien van ons besef van harmonie.

Al strevend om het actieve gedeelte van mijn leven, (dat hetwelk
ik binnen de speelruimte van mijn kleinen wil heb), zoo harmonieus
mogelijk te maken, leer ik vooronderstellen, dat het grootere,
passieve gedeelte, (dat waarin ik mij afhankelijk en machteloos
gevoel), ook op harmonie moet berusten.

Al worstelend met mijn dagelijksch materiaal, al struikelend en
opstaand, en met schade en schande en inspanning ervarende, op
welke wijzen en langs welke wetten harmonie tot stand komt,--word
ik doordrongen van de waarheid, dat een kunststuk des te rijker is
naarmate er meer tegenstrijdige gegevens met eere in verwerkt worden,
en aldus rijp voor het bewustzijn, dat de heftigste botsingen,
welke wij in en om ons waarnemen, slechts heenwijzen naar een meer
samengestelde schoonheid van het geheel waartoe wij behooren.

Het besef van die volmaakte harmonie verzoent mij met mijne
persoonlijke onvolmaaktheid. Ik voel, dat een mensch, ondanks al het
lijden dat zijne onvolkomenheid meebrengt,--niet het minst de botsing
tusschen zijnen levenslust en het onvermijdelijk vooruitzicht van
verval en vergankelijkheid,--er, om een muzikaal beeld te gebruiken,
vrede bij kan hebben een dissonant te wezen, mits hij zich slechts
bewust zij, deel uit te maken van eene schoone symfonie.

Alleen echter op ééne voorwaarde kan ik in mijn "dissonant"schap
berusten:--dat ik nl. den mogelijken Kunstenaar van de "symfonie" mag
vermoeden, Hem vereeren en liefhebben. Ik heb behoefte om dankbaar
te wezen, in zoover mijne levenskunst mij gelukt; behoefte om mijn
steun te zoeken in zijn grootheid, zoo vaak mijne eigene kleinheid
mij pijnigt.

Ik erken volkomen dat die gemeenschap met mijn vermoeden Maker niet
berust op eenigerlei wetenschappelijke kennis van zijn wezen; maar
ik ben boven alles dankbaar voor de kunst, die mij in staat stelt de
gedachte aan Hem te scheppen.

Godsgemeenschap is, als kunstgewrocht, alleen aan schoonheidswetten
onderworpen. Elke poging tot detailleeren op dit gebied is
wansmaak. Zoodra zij vaste voorstellingen aanneemt,--tot dogmatiek
verstijft,--ontaardt de poëzie van 't religieuse leven. De eerbied
zelf voor mijnen onbekenden Maker leert mij ten zijnen opzichte
bescheidenheid.

Het is mij van ondergeschikt belang, in hoever mijne levensopvatting en
mijne godsgemeenschap zich aansluit aan geijkte godsdiensten. "Gelijk
het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt ..." ook mijn
ziel, op mijne wijze, naar den Kunstenaar, tot wiens kunstwerk ik mij
bewust ben te behooren. En indien de geschiedenis verhaalt van iemand,
in wien het gemeenschapsgevoel met dien Kunstenaar zoo sterk was,
dat hij in gemoede kon getuigen: "Ik ben niet alleen, want de Vader
is met mij," dan trilt in mij een volle, diepe weerklank mede met
zulk eene eenige religiositeit. Maar ik kan mij, eerlijk en oprecht,
zeer wel de mogelijkheid voorstellen, dat ik tot al het bovenstaande
uit eigen ervaring even goed zou gekomen zijn, al had ik nooit van
joodsche psalmen of kristelijke evangeliën gehoord.

Het behoort tot mijn verdriet in 't leven, dat er op het gebied van
vrije, dogmatieklooze vroomheid zoo weinig gezelligheid heerscht in
de wereld. Dat er op een punt, dat mij zoo na aan 't hart ligt, zoo
weinig verkeer is onder levende menschen, en men zich grootendeels
moet vergenoegen met menschengeest-extrakt,--nl. uit boeken.

Ik doe mijn best om ook dit feit aan te zien als een wanklank, die
opgelost wordt,--of worden zal,--gedeeltelijk door ons eigen toedoen:
daardoor namelijk, dat ieder trouw en moedig naga, wat er in zijn
beste, zijn gezondste, zijn gelukkigste uren in de diepte van zijn
geestelijk leven omgaat.



En hiermee, zooals bij den aanvang van dit boekje:



                          Gelukkig Nieuwejaar!



AANTEEKENINGEN


[1] Men bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene
uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche
soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken zijn.

[2] Ik verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk
een paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter
van één- en twee-zaadlobbige planten in volwassen toestand uitgedrukt
wordt; zoodat men niet telkens, om het sterksprekend onderscheid
tusschen deze beide afdeelingen van het plantenrijk aan te duiden,
zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode van iederen boom behoeft
terug te gaan!

[3] Te Dortmund in Westfalen staat,--stond althans voor een paar jaar
nog,--een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het spoorterrein,
tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is een punt
waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet inéénloopen),
was een heuvel uitgespaard van een voet of drie in het vierkant;
en daarop stond een steenen bank, waarop weleer veemgericht gehouden
werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, met nog slechts één
levenden tak.

[4] Houttuyn. "Natuurlijke historie."

[5] In dezer voege:

              Jänner.                       Nivôse.

     Mittwoch     1   Neujahr.   |  Primidi    11   Poix.
     Donnerstag   2   Mel D.     |  Duodi      12   Thérebent.
     Freitag      3   Enoch.     |  Tridi      13   Argile.
     Samstag      4   Gottfried. |  Quatridi   14   Marne.
     Sonntag      5   Simeon.    |  Quintidi   15   Lapin.

[6] Ik heb later nog meer jaargangen van dien almanak in handen
gekregen. De natuur-heiligen-kalender bleef alle jaar hetzelfde. Het
speet mij er geen van een schrikkeljaar machtig te kunnen worden,
om na te gaan hoe in dat geval voorzien werd.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Natuurfantazieën" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home