Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het Yellowstone-Park
Author: Vries, Hugo de
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Het Yellowstone-Park" ***


                           WERELDBIBLIOTHEEK

                      ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
                        Prof. Dr. HUGO DE VRIES



                          HET YELLOWSTONE-PARK

                (MET VIER ILLUSTRATIES NAAR PHOTO'S VAN
                      Dr. E. O. HOVEY te New York)

                        EXPERIMENTEELE EVOLUTIE



                         UITGEGEVEN VOOR DE MIJ
                        VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE
                              LECTUUR DOOR
                        G. SCHREUDERS AMSTERDAM



De Redactie der WERELD-BIBLIOTHEEK heeft haar bizonderen dank uit te
spreken niet alleen aan den schrijver voor het afstaan van zijn in
De Gids en Onze Eeuw verschenen stukken, maar ook aan Dr. E. O. Hovey
te New-York, die zoo vriendelijk is geweest een viertal door hemzelf
genomen photo's van het Yellowstone-Park ter opluistering van het
eerste artikel te zenden.

Voor de correctie en de enkele noten--ter verklaring van Engelsche
uitdrukkingen--rust, bij verhindering van den schrijver, de
verantwoordelijkheid op de redactie.



I.

HET PARK EN DE WARME BRONNEN.


Het Yellowstone National Park is wellicht de meest merkwaardige
plek in Amerika. Het is de hoogste plaats in het Rotsgebergte, de
top van de wereld, zooals de Indianen het noemden. Tegelijkertijd is
het de plaats, waar de inwendige warmte der aarde het dichtst bij de
oppervlakte komt en hare werking het meest doet gevoelen. Weliswaar
zijn er thans geen eigenlijke vulkanische uitbarstingen meer, maar in
geologisch kort geleden tijden zijn deze hier veelvuldig geweest,
en hare producten vormen de grondstof waaruit het landschap is
opgebouwd. Thans vertoont zich de macht der centrale hitte in
warme bronnen en geysers en al haar talrijke tusschenvormen en
verscheidenheden. Nagenoeg het geheele park is als bezaaid met zulke
plekken, waar de hitte der diepte een uitweg vindt. Hier en daar zijn
de spleten en gaten en bronnen zóó dicht bij elkander opgehoopt,
dat zij groote groepen vormen, vele honderden van zulke openingen
omvattend. Zij bedekken dan de geheele oppervlakte van een dal,
of de helling van een berg. In het eerste geval spreekt men van
geyser-bassins; tot het tweede behooren de brullende berg of Roaring
mountain, en de travertijn-rotsen van Mammoth Hot Springs. [1]

Even nobel als de natuur, toont zich hier ook de menschelijke
geest. Het Amerikaansche volk heeft deze geheele landstreek, meer
dan 3000 vierkante mijlen omvattend, gemaakt tot een park, d.w.z. tot
een plaats, waar industrie en landbouw buitengesloten zijn, en waar
de natuur zooveel mogelijk ongeschonden bewaard moet blijven. De
trotsche en zielsverheffende natuurverschijnselen mogen niet aan gewone
doeleinden dienstbaar gemaakt worden, de groote bronnen van mechanische
kracht, die zij in zich sluiten, mogen niet voor het voordeel van
enkelen worden gebruikt. Het park moet ten allen tijde en uitsluitend
bestemd blijven "for the benefit and the enjoyment of the people" [2]
zooals het eerste artikel van de stichtingswet luidt en zooals het in
steenen letters boven de poort aan den ingang bij Gardiner gegrift is.

Voorloopig dient het park nog meer voor "the enjoyment" dan wel voor
het nut van het volk. Tenminste op den gewonen toer krijgt men niet
den indruk, dat het verhevene der natuurverschijnselen de Amerikanen
bizonder treft, noch dat zij door de beschouwing dier verschijnselen
tot een dieper inzicht in de hoofdlijnen van de geschiedenis dezer
aarde trachten door te dringen. Het leven in de fijne hooge lucht en de
heerlijke omgeving der dennebosschen is hun de hoofdzaak, en daarvan
wordt veelvuldig gebruik gemaakt. De gewone toer, die minstens zes
dagen duurt, wordt jaarlijks door minstens 10.000 personen van elken
leeftijd en van elken rang en stand gemaakt. Daarenboven kampeeren
ongetelde aantallen gedurende den zomer overal in de bosschen en
trekken met eigen wagens rond. Deels om hun daarbij behulpzaam te
zijn en deels met het oog op het brandgevaar, dat zeer groot is,
heeft het landsbestuur overal aan de wegen door wegwijzers en borden
de goede kampeerplaatsen aangewezen, en op andere schijnbaar geschikte
plaatsen verboden tenten op te slaan.

De geysers en de warme bronnen zijn voor de meesten nog slechts
curiositeiten, die geen verder belang inboezemen en spoedig eentonig
worden; de rotsen treffen hen door hunne steilheid en de grootte
der neergestorte blokken, maar op het verschil in bouw wordt weinig
gelet. Toch heeft de geheele streek zijn merkwaardigheid voor een
groot deel er aan te danken, dat de bergen oude lavastroomen zijn,
die over krijtachtige gesteenten heen vloeiden, en dat met de lava
andere vulkanische gesteenten afgezet werden. Zoowel in de groote
trekken van het landschap als hier en daar in de onbedekte rotsen
kan men dit duidelijk zien.

Waarom aan deze landstreek de naam van park gegeven is, is niet
duidelijk. Want het is er verre vandaan, dat het op een park zou
gelijken, of zelfs dat men zou willen trachten, het allengs in die
richting te verbeteren. Integendeel, men wenscht juist de woeste
en vrije natuur te bewaren. Zwitserland, met zijn goed verzorgde
bosschen, gelijkt veel meer op een park dan Yellowstone, waar de
afwezigheid van de zorgen der menschen juist het beoogde doel is. Ook
is de naam park juist niet geschikt om een denkbeeld van de grootte
van deze streek te geven. Men reist er zes dagen lang in wagens op
goede wegen rond, en kan dan nog maar een zeer klein gedeelte van de
geheele uitgestrektheid bezoeken.

Natuurlijk zou een ongerepte toestand het bosch ontoegankelijk maken
en het genot er van beperken tot slechts zeer enkelen. Vandaar dat de
regeering voor een stel van goede rijwegen gezorgd heeft en dat een
vereeniging zich de oprichting en exploitatie van het vereischte aantal
hôtels en van de vervoermiddelen tot taak heeft gesteld. Voortdurend
worden verbeteringen aangebracht en worden hier nieuwe bruggen gebouwd
en ginds de bochten en hellingen der wegen door den aanleg van nieuwe
gedeelten vereffend.

Huizen mogen in het park overigens niet gebouwd worden en alleen nabij
den heuvel der Mammoth Hot Springs, het hoofdstation van de gewone
toeristenreis, en tevens het eerste station dat men met de rijtuigen
bereikt, is voor militaire doeleinden een dorp aangelegd. De bezetting
bestaat uit twee compagnieën ruiterij, waarvan de manschappen door
het geheele park als politie dienst doen, zorgende, dat met vuur
voorzichtig worde omgegaan, dat geen overblijfselen van gebruikte
maaltijden of van nachtverblijven het park ontsieren en dat aan de
gewrochten der natuur geen balddadige handen of geen verzamelaars van
curiositeiten afbreuk doen. Om dit laatste doel nog beter te bereiken,
zijn in de nabijheid van enkele hôtels kleine winkeltjes opgericht,
waar natuurvoorwerpen kunnen worden gekocht. Het is een zeer bekende
eigenschap der bronnen, om hetzij kalk, hetzij kiezel af te zetten,
en zoo dus kleine voorwerpen daarin worden gelegd, worden zij allengs
met een dun laagje van deze stoffen overtrokken. Takken en naalden
van dennen kan men zoo vinden, maar ook kunstmatige voorwerpen
worden evenzoo omkorst, en onder deze geven de Amerikanen vooral
aan monogrammen de voorkeur. Op deze incrustatie, de wijze waarop
zij plaats vindt en het aandeel dat zij aan het ontstaan der heuvels
rondom de bronnen in den loop der tijden gehad heeft, kom ik trouwens
later uitvoerig terug.

Het klimaat van het park is, zooals men dit van een zoo hoog gelegen
landstreek mag verwachten. Gedurende drie vierde gedeelten van het
jaar is het diep met sneeuw bedekt en zoo goed als ontoegankelijk,
zelfs vinden de herten en antilopen er dan dikwijls slechts met
groote moeite hun voedsel. Gedurende de overige drie maanden is het
klimaat dat van de hooge alpen, een zuivere frissche lucht en een
heldere hemel, afgewisseld met hevige onweersbuien, die naar mijne
zeer korte ervaring vooral rondom Mammoth Hot Springs zeer talrijk
zijn. Trouwens de bergtop, waar rondom zij zich voornamelijk ontladen,
draagt den naam van Electric Peak. [3] Twee malen ben ik daar omstreeks
24 uren geweest, en in dien tijd heb ik drie zware onweersbuien met
plasregens bijgewoond.

De koude en de korte duur van den zomer maken de streek voor landbouw
onbruikbaar. Als men er voor de hôtels groenten wil telen, moet
dit in kassen gebeuren. Ook het hout is voor het grootste gedeelte
als timmerhout ongeschikt. De dennebosschen, die alle hellingen en
verreweg het grootste deel der vlakten en valleien bedekken, bestaan
maar uit één soort van den, den Pinus contorta, var: Murrayana, die
hier gewoonlijk black pine genoemd wordt. Deze naam is ontleend aan
de zwarte bosschen die hij vormt. Hij heet ook wel lodge pine of pole
pine, aanduidende dat men van de stammen huizen kan bouwen zonder ze
tot planken te zagen, of dat men de stammen voor telegraafpalen en
andere dergelijke doeleinden kan gebruiken. Maar het verdere gebruik
beperkt zich tot het nut als brandstof. Daarentegen komen er hier en
daar, en vooral in het noordelijk gedeelte, twee soorten van sparren
voor, die voor timmer hout geschikt zijn. Het zijn de douglas-spar en
de balsam-spar (Pseudotsuga Douglasii en Abies alpina); ik zag ze in de
bosschen rondom Mammoth Hot Springs in groot aantal en in prachtige
exemplaren, doch elders meest zeer verspreid en zeldzaam. Maar
misschien zijn de meeste op de voor toeristen toegankelijke plaatsen
reeds weggehaald voor de constructie van de bruggen en de hôtels.

In vroegere tijden was deze ontoegankelijke landstreek zoo goed als
onbewoond. De Indianen hadden voor "den top der wereld" een diep
ontzag en begaven zich in deze streek, waar de natuurverschijnselen
hun vrees inboezemden, slechts zeldzaam. Wel zijn door de hoofddalen
hun voetpaden gevonden, en volgen de tegenwoordige rijwegen meestal
zulke oude "Indian Trails", maar het is een bekend feit, dat in de
tijden van de eigenlijke ontdekking van het park, nog geen 40 jaar
geleden, het zoo goed als onmogelijk was indiaansche gidsen te vinden,
die werkelijk overal den weg wisten. En het bleek dat deze gidsen
bij het aanschouwen der geysers nog meer verbaasd en ontdaan waren
dan de blanke natuuronderzoekers. Slechts een vreesachtige stam van
de Shoshone-Indianen, de schaap-eters of Tukuarika, trok zich hier
terug, maar ook zij kenden de geysers niet.

De Indianen gaven aan de geheele streek den naam van de hoofdrivier,
die er doorstroomt, en aan deze een naam, ontleend aan de kleur
der rotsen in de canyons of ravijnen. Deze kleur is dikwijls helder
geel, en uit het gele nu eens in het roode, dan weer in het grijze
spelend. In het Grand-Canyon van de Yellowstone-rivier, waar men
een uur langs de naakte rotswanden wandelt en de rivier, tusschen
de windingen, hier en daar op groote diepte en als zeer in de verte
onder zich ziet, is dit kleurenspel bizonder treffend. De indiaansche
term voor Rock Yellow rivier is Mitsiadazi, in een der Siouxtalen,
en vandaar stammen de tegenwoordige namen van Yellowstone-rivier en
Yellowstone-park af. [4]

Het park is geen eigenlijk bergland zooals Zwitserland. Ook mist het de
sneeuwbergen. Het is een hoog plateau, doortrokken met lage heuvelen,
die meest geheel met bosch bedekt, doch op steile hellingen en langs de
doorsnijdingen der beken dikwijls rotsachtig en dan zeer schilderachtig
zijn. Slechts hier en daar vindt men enkele hoogere toppen, en onder
deze is de Mount Washburn, een halve dag reizen van het Hôtel der
Mammoth Hot Springs gelegen, de voornaamste. Rondom is het park door
hoogere gebergten omgeven, die ten deele buiten, doch ten deele ook
binnen zijne wettelijke grenzen liggen. Deze omgeving geeft overal,
waar het uitzicht niet door boomen of heuvelen belemmerd is, iets
bizonder aantrekkelijks aan het landschap. Het allerfraaist is dit,
als men op het uitgestrekte meer, dat de Yellowstone-rivier ongeveer
in het midden van het park vormt, met de boot van de zuidelijke naar
de noordwestelijke punt overvaart. Overal achter de groene bergen ziet
men dan de kale toppen uitsteken. In het oosten de lange keten der
Absaroka-mountains; in het zuiden de dubbele top der Teton-bergen
en aan de overige zijden hier en daar lagere gebergten. Het zijn
wel geen sneeuwtoppen, maar in de hoogste dalen en ravijnen lagen
toch omstreeks half Augustus nog talrijke uitgestrekte sneeuwvelden,
langzaam afsmeltend en den oorsprong gevend aan talrijke beken, die
bruischend en schuimend door het park trekken, om zich ten slotte
grootendeels in de Yellowstone-rivier te vereenigen. Het plateau ligt
in het hart van het Rotsgebergte, en wordt als een typisch gedeelte
daarvan beschouwd. Het is een streek waar veel regen en veel sneeuw
vallen, en vormt daardoor een groene en bloemrijke oase te midden van
de dorre wildernissen, de door watergebrek onbebouwbare "semi-arid
regions" [5] van het Westen. Het ligt nagenoeg geheel in den staat
Wyoming, met een paar smalle grensstrooken, die in Montana en in
Idaho vallen. Trouwens het eerste wat de aandacht der toeristen na
het binnenrijden door de ingangspoort treft is, omstreeks een half
uur verder, de grenspaal, die aanwijst waar men uit het gebied van
Montana in dat van Wyoming overgaat.

De plantengroei van de omgevende woestijnen zet zich voor een deel
op de hellingen van het park voort, waar deze van bosch ontbloot
zijn. Zij vertoonen dan de eigenaardige grijsgrauwe kleur, die in
zoo hooge mate tot het onaantrekkelijk karakter der wildernissen
bijdraagt. Overal groeien de lage heestertjes van de Sage-brush
(Salieplant: Artemisia tridentata e.a. soorten), die uiterst
algemeene, zonderlinge en nuttelooze plant, zooals zij zoo gaarne
genoemd wordt. Elk grijs bundeltje staat afzonderlijk, en uit de
verte gezien heeft een vlakte of een helling daardoor een gevlekt
aanzien. Dit is zóó kenmerkend, dat men zelfs op groote afstanden den
Sage-brush gemakkelijk herkennen kan. Onwillekeurig rijst de vraag
of die Sagebrush en de andere woestijnplanten die met haar samengaan,
oorspronkelijk uit de woestijn naar het park, of uit de bosschen van
het park naar de woestijn gegaan is. Maar op de bespreking van die
vraag, die met tal van punten omtrent de verspreiding der planten en
haar gemeenschappelijke afstamming samenhangt, mag ik hier niet ingaan.

Op den bezoeker maakt de oase den indruk van een toevluchtsoord voor
planten en dieren. Daar vinden vele, en daaronder de fraaiste en
belangrijkste, wat hun elders ontzegd wordt. Over de planten zal ik
later het een en ander mededeelen, maar het zal vermoedelijk velen
mijner lezers belang inboezemen hier het een en ander omtrent de
grootere dieren te vernemen. Daarbij moet men echter een onderscheid
maken tusschen de opgaven in de gewone gidsboeken voor het park,
en dat, wat de toerist werkelijk te zien krijgt. Onder de groote
soorten verdienen vooral de bisons genoemd te worden, daar zij alleen
hier nog werkelijk in het wild voorkomen. Evenals elders, zijn zij
door hun woeste en weinig slimme natuur tot uitsterven veroordeeld,
en het landsbestuur is op maatregelen bedacht om ze, door middel van
omheiningen, des winters te dwingen op plaatsen te blijven, waar
de sneeuw niet zoo diep ligt, en het gras dus voor hen bereikbaar
is. Ook heeft men op het Dot-island in het Yellowstone-meer een
troepje bisons ingevoerd met het doel om deze later, na genoegzame
harding en vermenigvuldiging, des zomers vrij in de bosschen te laten
zwerven. Behalve dit troepje, dat tijdens mijn bezoek uit een familie
van een zestal exemplaren bestond, ziet de toerist natuurlijk geen
bisons. En hetzelfde is het geval met de "elk" of eland, waarvan ik ook
slechts het half dozijn exemplaren in het park op Dot-island zag. Men
ziet de bisons en de elanden hier juist even goed en even natuurlijk
als in den dierentuin te Amsterdam--afgezien van de omgeving.

Volgens Chittenden's uitvoerig handboek over het park, dat in de
meeste hôtels te koop aangeboden wordt, zijn bevers overvloedig in
al de stroomen en zijn de door hen uitgevoerde bouwkundige werken
overal te zien. Feitelijk wijst de gids u op den geheelen tocht op
ééne plaats, die dan ook "beaver-lake" [6] heet, twee beverwoningen
en een langen dam, die zigzagsgewijze dwars door den tot een meertje
verbreeden stroom heen gebouwd is. Maar de dam is 16 jaren oud,
en of de woningen nog bewoond zijn, wist niemand ons te vertellen.

Omstreeks het jaar 1830 zijn de bevers, die vroeger zeer talrijk
waren, in deze en de aangrenzende streken nagenoeg uitgeroeid. Het
was in den tijd van de oprichting en de krachtigste werkzaamheid
der bontmaatschappijen, die in scherpe rivaliteit alle bevers lieten
vangen, die slechts te bemachtigen waren. Moge hierdoor ook al een
der meest belangwekkende trekken van het landschap naar het schijnt
voor goed verloren zijn, zoo moet men aan de andere zijde niet
vergeten, dat de eigenlijke ontdekking van de wonderen der streek
het gevolg is geweest van de onvermoeide en niets-ontziende tochten
der beverjagers. Het was de eerste ontdekking van geysers en warme
bronnen, van Canyons en landschapsschoonheden, die in Amerika bekend
werd. Opgesierd met de verhalen die een rijke verbeelding en een
onnauwkeurig geheugen rondom deze wonderen deden ontstaan, vonden de
mededeelingen geen geloof. Toch waren zij de eerste bron van de kennis
en de prikkel die tot latere, meer op onderzoek gerichte tochten en
ten slotte tot de reserveering van het terrein als park aanleiding gaf.

Een enkel verhaal moge een denkbeeld van deze overdrijving geven. Het
is de eerste beschrijving van rotsen van vulcanisch glas, en wel
van de rots, die thans Obsidiaan-cliff heet. Dit gesteente glinstert
als glas, maar is gitzwart en ondoorzichtig. Een beverjager bevond
zich in de nabijheid, maar zag de rots van glas niet. Daarentegen
zag hij een hert, en schoot er op. Zeker van zijn schot, was hij ten
hoogste verbaasd dat het hert kalm bleef grazen, en het schot niet
eens scheen gemerkt te hebben. Hij schoot nog een paar malen, doch
met hetzelfde gevolg. Toen wilde hij dichter bij gaan, maar stuitte
tegen een glazen rotswand, waarachter het hert volkomen veilig was
en waarop zijn kogels waren afgestuit.

Natuurlijk vond dit verhaal geen geloof, ofschoon de Amerikanen anders
lichtgeloovig genoeg zijn. Zoo vond een bewering dat het obsidiaan,
omdat het zoo zwart is als steenkool, ook even goed moet branden,
bij mijne reisgenooten vrij algemeenen bijval en werd ten minste niet
tegengesproken, totdat een ander lid van het gezelschap verklaarde
dat het woord obsidiaan toch een andere klank had dan steenkool en
dus ook wel wat anders beteekenen zou.

Van groote dieren ziet de toerist alleen de beren en de herten. De
herten trekken in kudden rond, evenals in vele europeesche
bosschen. Menigmaal zag ik ze, nu eens enkele, dan weer meer. De beren
daarentegen worden u op eigenaardige wijze vertoond. Bij elk hôtel,
behalve bij dat van Mammoth Hot Springs, is daartoe een bepaalde
plaats bestemd, nu eens een klein dal, dan weer een open plek in een
bosch. Hier worden al de geledigde blikjes en al de overige afval van
het hôtel gebracht, en de beren komen des avonds zoeken, of daarin
nog eenige lekkernij voor hen te vinden is. Op behoorlijken, maar
vrij kleinen afstand is een ijzerdraad gespannen, en daarachter staan
banken voor de toeristen om te zitten kijken. Schuw en bang komen de
beren, omstreeks zeven of acht uur des avonds, een voor een uit het
bosch te voorschijn, gaan op hun achterpooten staan en kijken overal
rond of alles veilig is. Treft men luidruchtige reisgenooten, dan
krijgt men niet veel te zien, daar de beren weldra omkeeren en naar
het bosch teruggaan. Zochten zij de blikjes door, en vonden zij wat
hun beviel, dan verkondigden zij dit door een luid gebrul; een zag
ik er met een groot stuk in den bek snel den heuvel oploopen en in
het bosch verdwijnen. Een ander klauterde in een boom en genoot daar
klaarblijkelijk nog eens van het gevondene. Een moeder kwam met haar
jong, beide gingen op de achterpooten staan om rond te kijken, en het
was grappig om te zien hoe het jong de moeder in alles nadeed. Wel
driemaal vonden zij het onveilig en gingen naar het bosch terug,
eindelijk verstoutten zij zich en gingen eerst behoedzaam, daarna snel,
den heuvel af naar de blikjes. Een oudere beer, die daar bezig was,
misschien wel de vader, maakte toen voor hen plaats en ging om den hoop
rondwandelen. Zoo kan men, na het middagmaal gebruikt te hebben, de
levenswijze der beren, alhoewel onder zeer eigenaardige omstandigheden,
uitvoerig gadeslaan. Maar hoewel ik een paar wandelingen door de
bosschen gemaakt heb, ben ik er daar natuurlijk geen tegengekomen.

Een enkele slang heb ik gezien en hier en daar op de rotsen een
woodchuck, ook wel groundhog genoemd, een dier als een wombat,
kruipende in of uit zijn hol. Algemeen zijn eigenlijk alleen
eekhoorntjes, zoowel de bruine soort die op de boomen leeft, als
de grijze, die met vier overlangsche zwarte strepen over kop en rug
versierd is, als gevolg zegt men van de vier vingers van een godheid,
die eenmaal trachtte dit onrustige dier tot rust te brengen. Maar het
is nog altijd even onrustig en snelt over en langs de wegen. Ik zag
ze in groot aantal, op één dag zelfs bijna honderd. Zij zijn door de
wet volkomen beschermd en dus volstrekt niet vreesachtig, en ik kon
ze herhaaldelijk van vlak nabij gadeslaan. Nieuwsgierig zitten zij,
rechtop, aan den weg naar de voorbijgaande rijtuigen te kijken, met
een pakje wortels of vruchten in hun voorpooten. Dikwijls ziet men
ze hun holen in den grond opzoeken en daarin verdwijnen. Dicht naast
mij, in het bosch bij Mammoth Hot Springs, zat een roode eekhoorn
te knagen aan een groenen dennekegel, een vrij grooten van den Pinus
flexilis, zoo groot ongeveer als die van onze zeedennen, maar niet zoo
hard. Soms sprong hij op, met den kegel in zijn handen, ging dan weer
zitten, en het was aardig om te zien hoe hij den kegel ronddraaide
om de zaden te vinden. Eindelijk sprong hij op een tak en verdween,
met groote sprongen van boom tot boom overwippende.

Over leeuwen en andere verscheurende dieren, die de gidsboeken u
opnoemen, zal ik maar niet spreken; die leven in de ontoegankelijke
gedeelten der hoogere bergen, en men ziet ze natuurlijk nooit. Van
visschen wekken alleen de trouts of forellen groote belangstelling,
daar men ze in het heldere water der stroomen,--en op tafel--bijna
elken dag zien kan. Het visschen is geoorloofd en behoort tot de
voornaamste genoegens van het leven in het park.

Een punt van belangstelling, dat echter op de kaart beter zichtbaar is
dan in de werkelijkheid, is de "Continental divide". Dit is de lijn
die men trekken kan tusschen de oorsprongsplaatsen van alle beken,
wier water naar den Atlantischen Oceaan vloeit en van al die, welke
naar den Pacific Oceaan uitwateren. De gewone toeristentocht ligt op
het atlantische gedeelte van het gebergte, met uitzondering van een
paar uren, die men aan de andere zijde rijdt. Men ziet dan de bergen
naar het westen afhellen en in de verte het Shoshone-meer, waarvan
het water, door bergstroomen omlaaggevoerd, naar de Columbia-rivier
gaat, om door Oregon en langs Portland in zee te vloeien. Een
paar naamborden wijzen de punten aan, waar men de scheidingslijn
overgaat. Op een dezer beide punten ligt in de pas een groote plas,
vol met gele waterplompen, en omlijnd door biezen en bloembiezen, als
een hollandsch moerasje. Het water van deze plas weet niet, of het door
de Columbia-rivier naar den Pacific-Oceaan, of door de Yellowstone en
de Missouri naar de Atlantische zee zal gaan. Een moeilijke twijfel,
want een kleine windstoot kan het water nu eens naar de eene zijde,
dan weer naar de andere in de beek drijven en zóó de beslissing geven.

Trouwens, in den loop der eeuwen kunnen ook groote meren in dit
opzicht van meening veranderen. Het Yellowstone-meer, dat voor menig
ander beroemd meer in grootte niet behoeft onder te doen, is daarvan
een voorbeeld. In langvervlogen voorhistorische tijden liet het zijn
water naar de Stille Zuidzee afvloeien. Maar in en na den ijstijd heeft
het zich een uitweg naar het oosten gemaakt, den Grand Canyon als een
diepe en enge sleuf in de rotsen ingravende. Het bereikte daardoor
een nieuwen en tevens een beteren waterweg en kan sedert zooveel
meer water afvoeren, dat zijn waterspiegel verscheiden tientallen van
meters gedaald is. De vroegere "outlet" naar de Snake-rivier aan de
westzijde is thans dus een vrij hooge, hoewel vlakke pas geworden.

Een juist begrip van de bergen en van de vulkanische werkingen in
het park moet natuurlijk uitgaan van de geologische gesteldheid. [7]
Een zeer eenvoudig overzicht mag hier echter daartoe voldoende geacht
worden. Het kan zich beperken tot den tijd, waarin de voornaamste
uitstortingen van lava over het tegenwoordige park plaats vonden. In
de krijt-periode was het park nog een gedeelte van de zee, die
toen uitgestrekte streken van Amerika bedekte. Het was echter reeds
omgeven door rotsen en gebergten en vormde waarschijnlijk een soort
van golf, of een deel van een archipel van kleine eilanden. Door de
werkzaamheid van koralen en andere diersoorten werden op den bodem dier
zee kalkmassa's afgezet, die in den loop der tijden tot aanzienlijke
lagen aangroeiden. Allengs werd echter, over de lijn die thans de
kam van het Rotsgebergte is, de korst der aarde in verhouding tot
de zee opgeheven, en omstreeks het einde der krijtperiode ging het
park van zee over tot land. Dit leidt men daaruit af, dat na de kalk-
of krijtlagen geen omvangrijke afzettingen meer hebben plaats gevonden.

Lagen van kleinen omvang, in kleine zeeboezems of in meren gevormd,
zijn gedurende den geheelen tertiairen tijd hier en daar afgezet,
doch zij zijn voor ons tegenwoordig doel van geen beteekenis. Veel
belangrijker is, dat gedurende al dien tijd het park de zetel van
een vrij groot aantal vulkanen geweest is, die allengs het grootste
gedeelte van de landstreek met lava en vulkanische asch bedekt
hebben. Een dier kraters was de Mount Washburn, en deze vertoont
op zijn top nog de ronde holte van den vroegeren kratermond. Thans
echter is hij sinds lang uitgedoofd, evenals alle andere vulkanen
van deze streek, en is de kratermonding met dennenbosschen dicht
begroeid. De lava-stroomen vloeiden van uit die kraters in alle
richtingen over het land; nu eens bleven zij afzonderlijk en vormden
dan eigen bergruggen, dan weer vloeiden zij ineen, zoodat plateau's met
talrijke uitloopers ontstonden. De meeste tegenwoordige heuvels zijn
zulke oude lava-stroomen, terwijl de hoogere toppen waarschijnlijk de
plaatsen der oude kraters aanduiden. De lava en de vulkanische asch,
tot rotsen en gebergten vervormd, bedekt thans nagenoeg de geheele
vlakte, en slechts hier en daar komen de oude lagen voor den dag.

Over het algemeen is de lava een zacht gesteente, dat bij het verkoelen
sterk gebarsten is en gemakkelijk verweert. Voeren de bergstroomen de
verweerde deelen spoedig weg, zoo blijven de rotsen naakt en vertoonen,
door de talrijke kloven en de dikwijls op ruïnen gelijkende toppen,
bizonder fraaie en afwisselende vormen. Soms niet veel hooger dan
de naburige dennenboomen nemen deze rotsen in andere dalen zeer
indrukwekkende afmetingen aan. Alle overgangen tusschen gewone lava
en glasachtige lava of obsidiaan zijn voorhanden, en hier en daar
vindt men ook basalt-formaties. De basalt, die meest zeer regelmatig
tot zeszijdige zuilen gebarsten is, levert een uitmuntende bouwsteen,
en de poort aan den noordelijken ingang bij Gardiner is dan ook geheel
uit deze steen opgetrokken.

De lava levert natuurlijk het gesteente, waarvan de groote wegen
worden gemaakt. Vooral de glasachtige soorten zijn daarvoor geschikt,
daar zij harder zijn en minder snel tot stof vergaan. Om de blokken
tot gruis te verwerken moet men hier echter een zeer bizonder middel
gebruiken. De blokken worden in een vuur van dennenhout verhit en dan
plotseling met koud water overgoten. Zij barsten dan juist in gruis
van de gewenschte korrelgrootte uiteen. De zachtheid van de lava
maakt echter, dat de wegen snel slijten en zeer stoffig zijn. Om aan
dit bezwaar tegemoet te komen laat de regeering de wegen, overal waar
voldoende water aanwezig is, regelmatig besproeien. Meest wordt het
water van een hoogere berghelling in een pijp geleid, die eindigt boven
de plaats waar een waterwagen gevuld moet worden. Zulke standpijpen
ziet men in de bergstreken zeer veelvuldig. Is er geen berg dicht
genoeg bij den weg, zoo moet het uit de beken worden opgepompt. De
groote zorg, die hieraan besteed wordt, draagt zeer veel er toe bij
om het rijden in een reeks van rijtuigen aangenamer te maken.

Hoe de verkoelde lavastroomen op de krijt-lagen liggen, kan men
dikwijls zien, als men de hellingen der grootere heuvels beschouwt. De
hoogere heuvels zijn namelijk wel niet hooger dan de andere, maar
het dal aan hun voet is door den bergstroom dieper uitgegraven. Van
dit uitgraven kan men, op verschillende plaatsen, bijna alle stadiën
zien. Is nu het dal zoo diep uitgegraven, dat de krijtlaag niet alleen
bereikt is, maar dat daarenboven de kloof in deze indringt, en is dan
de rots steil genoeg om niet door verweerden grond bedekt te zijn,
zoo ziet men natuurlijk de lava op het krijt rusten. Sommige dalen
zijn in het krijt zoo diep uitgehold, dat de bergen ter weerszijden
geheel uit grijs-witte krijt-lagen schijnen te bestaan, slechts aan
hun top door de roodbruine lava-massa's gekroond.

Het is natuurlijk niet gemakkelijk om op zulk een tocht te zien, hoe
de rivieren werken en hoe de dalen ontstaan. In den zomer is alles
rustig en kalm, en zelfs de watervallen schijnen geen verandering
in hun omgeving te brengen. Het eigenlijke werk geschiedt in den
winter en vooral in het voorjaar, als de sneeuw, die het geheele
park bedekt, snel begint te smelten en de beken dus tijdelijk zeer
groote hoeveelheden water afvoeren. Niets is dan tegen hun geweld
bestand, en rots voor rots wordt ondergraven en gebroken en ten val
gebracht. Het eene jaar hier, het andere jaar daar verandert het
landschap. De kleinere trekken verdwijnen, en slechts de hoofdlijnen
blijven dezelfde, tot ook hare beurt zal komen om voor de macht van het
water onder te doen. Maar de reiziger ziet van dit alles niets; hij kan
niet onderscheiden of een naakte rotsvlakte jong of oud is, en of een
rots vroeger hooger was dan nu, of door andere vormen gekroond. Toch
zijn er verschijnselen, waaruit men kan afleiden wat er 's winters
gebeurt. Dit zijn vooral oude wegen, die voor een zeker aantal jaren
door geen nieuwen weg vervangen en sedert niet meer verzorgd zijn. Zulk
een weg is o.a. die in de klove tusschen Livingston en Gardiner,
kort vóór dat men het laatstgenoemde dorp bereikt. Dit Canyon voert
den naam van Yankee Jim, en jaren voordat de spoorweg door dit enge
dal gemaakt werd had James George hier een wagenweg aangelegd, die
nagenoeg de eenige toegang tot het latere park was. Hij had het recht
om op dien weg tol te heffen en genoot daarvan langen tijd een niet
onbelangrijk inkomen. Eenige jaren geleden is echter de spoorweg, die
toen slechts tot Cinnabar liep, door dit Canyon doorgetrokken tot aan
Gardiner, d.w.z. tot aan den ingang van het park zelf. Verder kon hij
niet gaan, daar de bepalingen omtrent de strekking en het onderhoud
van het park den aanleg van spoorwegen daarin verbieden. Vroeger moest
dus ieder, die te Cinnabar uitstapte, langs den weg van Yankee Jim
naar Gardiner rijden; nu spoort men eenvoudig door. De weg is dus
in onbruik geraakt, en het onderhoud niet meer waard. Maar van den
trein uit kan men zien, wat in die enkele jaren gebeuren kon. Op
talrijke plaatsen toch is de weg onder rotsstortingen bedolven,
soms over een lengte van honderden meters. Geweldige aardmassa's en
groote rotsblokken moeten in die weinige winters omlaag gekomen zijn,
nieuwe hellingen vormend, en nieuwe rotswanden onthullend. Soms ligt de
massa huizenhoog op den weg, en strekt zij zich tot in de rivier uit.

Het neerstorten van zulke rotsmassa's is ten deele het gevolg van het
afknagen van den voet door de bergstroomen. Maar deze alleen zouden
niet zoo spoedig zulke groote hoeveelheden kunnen afbreken. Zij worden
geholpen door het ijs. Overal is het inwendige der rotsen gebarsten,
en in deze barsten dringt het water door, na als regen op het oppervlak
gevallen en korter of langer tijd in de bovenste lagen vastgehouden
geweest te zijn. In het najaar wordt het zoo koud, dat het water in
deze spleten bevriest. Nu echter weet men, dat water bij het bevriezen
met geweldige kracht uitzet. De barst wordt dan daardoor een weinig
verwijd. Is dit juist zooveel, dat de steenmassa aan de vrije zijde
daardoor losraakt, dan valt zij nog niet, want het ijs werkt ook als
plakmiddel. Maar als dan in het voorjaar het ijs ontdooit, houdt het
verband op, en de geheele steenmassa valt omlaag. Het is trouwens
hetzelfde spel, dat zich in alle rotsachtige streken herhaalt, en
waarvan men de verwoestende gevolgen ook in Zwitserland niet zelden
waarnemen kan.

De Canyons zijn in het algemeen kloven, die door de bergstroomen met
behulp van dit proces in de gesteenten zijn uitgegraven. Het ijs werpt
de rotsblokken omlaag, het water vervoert het gruis, en slijt de te
groote blokken allengs af. Maar grootere en kleinere blokken, zoo groot
als een kamer en meer, ziet men bijna overal in de rivieren liggen,
soms zeer sierlijk met struikgewas begroeid. Langzaam wordt het dal
dieper en breeder. Is het gesteente zacht, zooals in het Grand Canyon,
dan wordt de kloof van boven betrekkelijk sterk verwijd; is het echter
harder, zooals in de oude lava-stroomen en vooral in de basalt, dan
is het dal dikwijls huizenhoog niet veel breeder dan waar de rivier
er in stroomt. In deze twee gevallen ontstaan geheel verschillende
landschappen, maar zoowel het eene als het andere oefenen op den
bezoeker een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit.

De kraters zijn uitgedoofd en de lava-stroomen verkoeld, en
alleen de geysers en warme bronnen getuigen er nog van, dat de
onderaardsche warmte hier dichter bij de oppervlakte komt, dan op
de meeste overige plaatsen dezer wereld. Maar die uitdooving zelve
is reeds van ouden datum. Na haar heeft hier, evenals elders, die
bekende periode van koude geheerscht, waarin de gletschers geheele
landstreken bedekten, en de hoofdrol in de geologische veranderingen
van het aardoppervlak speelden. Voordat ik echter over deze ijsperiode
spreek, is het misschien goed een vraag te vermelden, die de reiziger
zich onwillekeurig stelt, en die vrij rechtstreeks tot een juiste
voorstelling geleidt.

Het Grand Canyon aan de Yellowstone-rivier, dat ik reeds eenige malen
genoemd heb, is een klove van onovertrefbare schoonheid in vormen en
kleuren, door de rivier in de vulcanische lagen gegraven. Het strekt
zich over een twintigtal mijlen uit, en is op het schoonste gedeelte
omstreeks 400 Meter diep. Het is een kloof in een uitgestrekt plateau,
en een voortreffelijke rijweg voert op dit plateau langs den rand
van den afgrond, terwijl in de diepte, waar de rivier bruist, het dal
meest zoo eng is, dat er zelfs voor geen boom plaats is. Boven op dit
plateau nu ligt, juist bij het meest imposante gedeelte van het Canyon,
een eenzaam rotsblok, verscholen in het dennenbosch, half zoo hoog
als de boomen. Maar het is thans een bekende curiositeit geworden,
en de weg naar Inspiration-point voert er vlak langs. Gaat men even
van den weg af om het nader te beschouwen, dan wordt men terstond
getroffen door twee feiten. Ten eerste ligt het klaarblijkelijk los
op den grond, zonder eenig verband met de onderliggende rotsen. Ten
tweede echter bestaat het uit graniet, en geenszins uit vulkanische
steen, zooals de geheele streek in de rondte. Het heeft een fraaie
en gemakkelijk te herkennen granietstruktuur, die vooral daar goed
te zien is, waar door het afvallen van kleine stukken, een gave
breukvlakte aan den dag is gekomen.

Van waar komt dit blok? Het ligt honderden meters boven de rivier, en
is ook vele malen te groot en te zwaar om zelfs door den machtigsten
stroom te kunnen worden vervoerd. Van waar komt het? Het moet
natuurlijk eenmaal afgebroken zijn van een naburigen granietberg, en
hierheen gebracht. Maar in den omtrek komen wel enkele hooge bergen
voor, zooals Mount Washburn, maar die zijn uitgedoofde kraters en
bestaan niet uit graniet.

Uit graniet bestaan echter de Absaroka-gebergten, die ik ook reeds
genoemd heb, en die op de oostelijke grenzen van het park gelegen
zijn. Van uit het park ziet men ze, als het uitzicht vrij is, als een
hooge keten van toppen, hier en daar op de hellingen met sneeuwvelden
bedekt, op grooten afstand. Evenzoo vindt men hier en daar aan de
andere zijden op en over de grenzen van het park granietgebergten. Maar
dichterbij vindt men ze niet. Daaruit volgt dus met volkomen zekerheid
de conclusie, dat dit blok van een der omliggende bergen, en wellicht
juist van de Absaroka's, hierheen is gekomen.

Zoo dit feit alleen stond, zou het natuurlijk moeilijk te gelooven
zijn. Men zou zich niet goed een voorstelling van zulk een werking
kunnen maken. Maar het staat volstrekt niet alleen. Zoodra men toch
het park bij Gardiner binnen komt, rijdt men door een vallei, die
met grootere en kleinere granietblokken als bezaaid is. Overal waar
de weg in de heuvelhellingen is ingegraven, ziet men links en rechts
dergelijke steenen in den grond. De geheele bodem bestaat hier uit
een laag van granietsteenen, waarvan de tusschenruimten eenvoudig
met verweerd graniet zijn aangevuld.

Het vervoer van graniet heeft dus op zeer groote schaal plaats
gevonden, en ging gepaard met een zeer aanzienlijke verweering van
dit gesteente. Trouwens bijna in alle dalen van het park vindt men
zulke blokken en zulke lagen, ofschoon natuurlijk geen van alle de
afmetingen van dat beroemde blok bij Inspiration-point ook maar nabij
komt. Er moet dus een werking geweest zijn, die in staat was bergen
te splijten en den afval van alle kanten naar het park en over het
park heen te vervoeren. Dat vervoer geschiedde in de richting waarin
thans de beken en stroomen zich bewegen, en zich ten slotte alle te
zamen vereenigd in Yellowstone-rivier, bij Gardiner uit het park naar
het Noorden begeven. Want ook de vallei van deze rivier, tot voorbij
Livingston, vertoont overal deze zelfde erratische [8] gesteenten.

Om dit alles te verklaren, en in verband met hetgeen men omtrent de
ijsperiode uit andere streken en landen weet, stelt men zich voor,
dat in een tijd, toen het Grand Canyon nog niet bestond, en het
plateau hier dus nog onafgebroken was, één enkele groote gletscher
het geheele park bedekte. Ontstaande in de kloven en op de hellingen
van alle omliggende bergen, bewoog zich dit ijs als een taaie maar
buigzame massa over het park heen, en drong het door het enge Canyon
van Yankee Jim in de vlakte van Cinnabar en Livingston. Waar het op de
bergen langs de rotsen gleed, brokkelde het deze af, en beladen met de
producten schoof het noordwaarts. Nu eens zullen de blokken bij dien
val vergruizeld zijn, dan weer zal hetzelfde lot hen getroffen hebben,
als zij ten slotte van het ijs afvielen, maar enkele blokken kunnen
natuurlijk aan dit lot ontkomen zijn. Zulk een blok zou dan dat van
"Inspiration-Point" zijn. En thans ligt het daar, om te getuigen van
wat in lang vervlogen tijden, wellicht vóór er menschen in Amerika
woonden, door de grootsche machten der natuur gewrocht is.

Maar hoe verleidelijk het ook zij, ik mag hier niet over de ijsperiode
uitweiden. Reeds lang genoeg heb ik mij met de geologische gesteldheid
beziggehouden, en wil daarom hier de beschrijving en verklaring
van wat ik gezien heb, eindigen om nog een enkel feit te vermelden,
dat gebrek aan tijd mij belette te gaan aanschouwen. Maar het is te
merkwaardig om het geheel onaangeroerd te laten.

Op een plaats, genaamd Fossil Forests [9], doch niet aan de gewone
touristen-route gelegen, heeft de rivier Lamar een diepe en enge
spleet in den rotsachtigen grond gegraven. Daardoor zijn de boven
elkander liggende lagen van deze rotsmassa plaatselijk zichtbaar
geworden, en zij zijn het die de fossiele bosschen vertoonen. Stelt
u voor, dat oudtijds een groot dennenbosch hier de vlakte bedekte,
en dat dit plotseling door een lavastroom of door vulkanische asch
bedolven werd. De stammen werden verkoold, doch konden door gebrek
aan lucht niet verbranden. Eenmaal bedekt werden zij langzamerhand
fossiel door het water dat het afgekoelde gesteente eeuwen lang
doorsiepelde, en dat uit de steenmassa kiezelzuur oploste om
dit weer in de stammen af te zetten. Van betrekkelijk zacht hout
gingen zij in een glanzige steenmassa over, zoo hard als het beste
vulcanische glas. Ondertusschen verweerden de bovenste lagen van de
lava en vormden een grond, geschikt voor plantengroei. Een nieuw
bosch ontstond boven op het oude, maar vroeg of laat zou ook dit
weer door lava bedekt en versteend worden. Zoo ziet men hier in den
vertikalen rotswand een aantal bosschen uit verschillende perioden
boven elkander staan, gescheiden door lagen van verharde asch. Hier
en daar zijn de stammen zeer goed bewaard gebleven. De stammen en de
wortels ziet men van verre, van meer nabij onderscheidt men het hout
en de schors; maar ook takken en dennennaalden, ja zelfs de gaten,
die door rupsen in het hout geknaagd waren, kan men herkennen. Men kan
de jaarringen tellen en vindt dan voor de dikste boomen een ouderdom
van somwijlen 500 jaren, bij een diameter van 3 meter en meer. Op
ééne plaats ziet men op den rotswand een grooten stam, die vóór de
algemeene verwoesting omgevallen was, in horizontale richting tusschen
de stompen liggen. Men heeft de opeenvolgende boschformaties geteld,
en de ervaringen aan verschillende gedeelten vereenigend, is men tot
de uitkomst geraakt dat ten minste negen- en waarschijnlijk twaalfmaal
zulke bosschen bedolven en door nieuwe vervangen geworden zijn.

Keeren wij echter terug tot het thans levende bosch, dat meer dan
drievierde gedeelte van het park bedekt en nagenoeg overal, zoowel op
de hellingen der bergen als op de vlakten, gezien wordt. Wat mij in dit
bosch het meest trof, was de omstandigheid dat de grond overal bezaaid
is met doode stammen en dat ook tusschen de levende boomen de doode nog
staan blijven totdat zij omvallen. Soms ziet men de doode stammen bij
honderden boven de toppen der levende uitsteken. In vergelijking met de
dennenbosschen in Europa en met name in de Zwitsersche Alpen maken deze
tallooze meest sterk gebleekte, soms bijna geheel vermolmde stammen
een eigenaardigen indruk. Zonder twijfel behoort ook de dood tot de
natuur, en is het sterven van boomen een zeer natuurlijk verschijnsel,
een normaal bestanddeel van het wezen van een bosch. Toch is er iets
weemoedigs en iets onvolkomens in al die afgestorven overblijfselen,
iets wat den indruk sterk vermindert, en zoowel aan het liefelijke
als aan het grootsche merkbaren afbreuk doet.

Het dennenbosch bestaat geheel uit ééne soort van den, den reeds
genoemden Pinus contorta var. Murrayana, die lodge pine, pole pine
of black pine (zwarte den) genoemd wordt. Voor timmerhout zijn de
stammen geheel zonder waarde, voor telegraafpalen en overeenkomstige
doeleinden zijn zij bruikbaar, en natuurlijk ook voor brandhout. Maar
in een onbevolkte streek zooals deze zou zelfs een verlof tot
het wegvoeren der doode stammen in dit opzicht geen verbetering
aanbrengen. Alleen rondom de hôtels zijn zij weggehaald, om voor
brandstof te dienen. Daarbij komt nog een andere reden. In de droge
maanden vormen deze liggende stammen groot gevaar met het oog op
boschbranden, die door dit doode en droge hout sterker voortgeplant
worden dan door de levende boomen.

De zwarte den is een vreemde boom. Inplaats van de krachtige stammen
en uitgespreide kronen van onze dennen heeft hij een dunnen slanken
en zeer hoog opgroeienden stam, die van onderen tot boven met takken
bezet is. Maar die takken zijn nagenoeg alle even zwaar en even lang,
zoodat een kaarsvormige gedaante ontstaat, herinnerende aan die der
Californische reuzenboomen. De naalden blijven langer aan de takken,
en niet zelden ziet men stamgedeelten van 10 of meer jaren ouderdom
nog met de naalden overdekt. De vruchten zijn talrijke, maar kleine
kegels. Een zeer opvallende eigenschap is, dat vele stammen zich in
twee gelijke, en bijna tegen elkander aan gedrukt omhoog groeiende
takken splijten. Dit kan zich herhalen, zoodat niet zelden een stam,
die van onderen enkelvoudig en betrekkelijk dun is, naar boven in zes
of acht, of zelfs in tien tot twaalf rechtopstrevende armen gesplitst
is. Overal zag ik die splitsingen; soms zoo talrijk, dat minstens
elke vierde boom er een of meer vertoonde.

Zeer gevoelig is de zwarte den voor vrijen stand. De bosschen zijn
altijd ijl, doorzichtig, nooit een gesloten massa vormende zooals
onze dennenbosschen. Elke boom staat dus op zich zelf. Maar dit is
voor een zwarten den nog lang niet genoeg. Hij wenscht rondom de
ruimte te hebben, en door geen soortgenoot of anderen boom belemmerd
of beschaduwd te worden. Heeft hij zulk een stand van jongs af gehad,
dan wordt de vorm zeer statig. In verhouding tot de hoogte wordt de
stam dan dik, en hij blijft van onderen tot boven rondom met groene
zijtakken omgeven. Het is nog wel niet de trotsche pyramide van onze
sparren, maar nadert er toch zeer toe. Het verschil tusschen zulke
vrijstaande exemplaren en de andere is zoo groot, dat leeken de beide
vormen voor verschillende soorten houden.

Maar zulk een stand is zeldzaam. Meest staan zij dicht opeen,
en zelfs waar het jonge gras opschiet ziet men ze veel te dicht
staan. Het gevolg is, dat de stammen zeer hoog en dun worden. Zij
kunnen zoo dun worden, dat zij hun eigen kroon niet kunnen dragen,
en slechts door hun buren rechtop gehouden worden. Komen die buren
te vallen, dan buigt zulk een stam zich ter aarde, en ik zag er,
die ongebroken, met de kroon op den grond lagen, terwijl de jonge
toppen van de zijtakken zich weer alle omhoog gebogen hadden.

Hier en daar is een boschbrand de schuld van het voorkomen van
veel doode stammen, die dan kaal en naakt boven het opstaande
jongere geslacht uitsteken. Maar overal ziet men in het bosch
boomen sterven. Meestal zijn het de oudere, enkele malen ook
jongere. Gewoonlijk sterven de takken van onderen af, door den te
dichten stand, en allengs is alleen de topkroon nog groen. Later
sterft ook die, zonder dat men de reden zien kan. In droge streken
zou men meenen, dat watergebrek hierbij een rol speelt, en dat
talrijke jonge en krachtige exemplaren het water zoo sterk tot zich
kunnen trekken dat er voor de oudere en zwakkere niet genoeg meer
overblijft. Maar hier is geen gebrek aan water. Het droge seizoen
duurt slechts kort, en regens zijn in den zomer zeer talrijk, en
geven, te oordeelen naar de onweersbuien die ik bijwoonde, een zeer
voldoende hoeveelheid water. Ook is de den niet zeer gevoelig voor
verschillen in watergehalte, want hij groeit zoowel op de hellingen
en in de spleten van afgevallen rotsblokken, als aan den oever der
meertjes en in de moerassige velden.

In verband met het bovenstaande moge hier opgemerkt worden, dat
het bosch geheel zonder menschelijke zorgen is. Het plant zich zelf
voort. Overal ziet men dan ook jonge en oude exemplaren en dennen van
alle leeftijden dooreen, en dit geeft natuurlijk een hoogen graad
van onregelmatigheid en ijlte. De doode boomen vallen zooals zij
kunnen en liggen dan ook dikwijls schuin met den stam in de kroon
van andere. Andere boomsoorten zijn er maar weinig. Langs de randen
en langs de beken en stroomen ziet men nog al eens sparren (Abies
subalpina), met een grijsblauw loof, die daarom hier zilverspar heeten,
maar die niet overeenkomen met hun hollandschen naamgenoot. Enkele
andere soorten van sparren, nl. de Douglas-spar (Pseudotsuga mucronata)
en de Engelmann-spar (Picea Engelmanni) zijn zoo zeldzaam, dat zij
eigenlijk geen invloed op het landschap uitoefenen.

Dit doen daarentegen een paar loofboomen wel. Het zijn populieren
en wilgen, van elk ééne soort, en te zamen alle loofboomen van het
geheele park uitmakende. De populier (Populus tremuloides) gelijkt
sprekend op onze gewone klaterpopulier, maar heeft wat kleiner blad en
wat slanker gestalte; hij vormt tegen de berghellingen soms geheele
bosschen van een blauw-groene kleur, waartusschen dan de donkere
dennen een scherpe tegenstelling vormen. De wilgen groeien langs de
rivieren en in de moerassen; zij zijn meestal ternauwernood manshoog,
maar bedekken uitgestrekte vlakten van den vochtigen bodem. Aan de
zeer smalle bladeren zijn zij gemakkelijk te herkennen.

Het bosch heeft, trots zijn doorzichtigheid, zeer weinig
onderhout. Kleine, meest kruipende heestertjes vormen zoden op den
grond, doch veelal is die kaal. De kruipende jeneverbes, hier kruipende
ceder genoemd (Juniperus sibirica), is een zeer fraaie vorm, vooral
als hij over rotsblokken als een gordijn omlaag hangt. Een andere
soort van hetzelfde geslacht, de roode ceder (Juniperus scopulorum),
groeit recht omhoog, en vormt, vooral bij Mammoth Hot Springs, hooge
en zeer gevulde boompjes, vol bessen, die nu nog groen waren. Groene
zoden van een meter en meer, plat op den grond liggend en dikwijls
eveneens vol beladen met bessen, maar met ronde blaadjes, behooren
tot de berenbes, zoo genoemd omdat de bessen, ten minste van sommige
soorten van dit geslacht (Arctostaphylos), behaard zijn, terwijl bijna
alle andere soorten van bessen een onbehaarde schil hebben. De bessen
zijn eetbaar en zeer gezocht en waren den Indianen goed bekend; zij
noemden ze Kinnikinick, en dien naam hebben deze planten ook nu nog
behouden. Van de schors maakten de Indianen een soort van tabak. Andere
lage besdragende heestertjes zijn er in talrijke soorten; ik noem
daarvan een lage soort van Mahonia, wier blauwe bessen in trosjes
uit de naakte rots schijnen te komen, en een zeer kleine boschbes,
klein van struik en blad en klein van bes, maar uiterst algemeen,
evenals onze gewone blauwe boschbes. De besjes zijn echter rood.

Wilde bloemen zijn er in het eigenlijke bosch niet veel. Deze komen
eerst aan den rand voor den dag, zooals de wilde roode roosjes,
maar vooral op de graslanden, die hier en daar op de vlakte met het
bosch afwisselen. Uitgestrekte weiden leveren een uitstekend voedsel
voor wilde herten en antilopen en ten deele ook voor enkele kudden
vee. Gramma-gras en buffalo-gras vormen er een groot gedeelte van, maar
het bunch-gras is verreweg het belangrijkste en algemeenste. Enkele
europeesche grassoorten spelen een belangrijke rol, zooals Festuca
ovina en Koeleria cristata. Daartusschen ziet men tallooze bloemen in
allerlei kleuren. Vóór allen de blauwe gentiaan, die een van de meest
gewone sieraden dezer weilanden is (Gentiana detonsa). Groote blauwe
bloemen op dunne slanke stelen, elk met vier wijduitstaande slippen
prijkend, en niet zooals de groote gentianen bij ons, met een weinig
geopende kroon. Maar de fraaie goudgele stippels en het donkere blauw
van onze soort missen de amerikaansche, zij gelijken veel meer op
een sterk vergroot beeld van onze kleine duin-gentianen. Afwisselend
met deze zag ik de roode kwastjes der paint-brush, en de gele pluimen
der guldenroeden. Alle drie deze soorten zijn zoo veelvuldig en zoo
in het oog loopend, dat zij in groote bouquetten ter tafelversiering
in de hôtels gebruikt worden.

Donkere Aconieten en sierlijke akeleien groeien meer in het bosch
(vooral Aconitum columbianum en Aquilegium flavescens), een soort van
edelweiss, zeer gelijkend op onze inlandsche soort (Gnaphalium dioicum)
en enkele immortellen vindt men eveneens overal. Lelieachtige gewassen,
blauwe lupinen, paarsche asters, gele Doronicums, alpen-aardbeziën
en allerlei andere, min of meer van hun europeesche geslachtsgenooten
afwijkende vormen ziet men overal. Sierlijke, groenkronige orchideeën
met gedraaide reeksen van bloemen vond ik soms dicht bij de randen
der kokende Geysers.

Tegenover deze typische en locale flora, waarvan ik gaarne nog
allerlei andere voorbeelden zou opnoemen, staan enkele klaarblijkelijk
europeesche indringers. Het gewone duizendblad (Achillea Millefolium)
volgt de nieuwe wegen en zelfs de kamille zonder straalbloemen,
die in Europa eerst in de laatste tientallen van jaren zich zoo snel
uitbreidt, is hier tot in het hart van het park doorgedrongen. Ik zag
ze rondom de hôtels, vooral in het Lower-Geyser-bassin. Merkwaardig
is ook dat de wilgeroosjes (Epilobium angustifolium) met hun lange
rechtopstaande trossen van roode bloemen, hier evenals bij ons op de
heiden, zeer algemeen zijn.

Yellowstone-Park is een hoog plateau. De bergen steken slechts
weinig boven de vlakte uit. Eigenlijke sneeuwtoppen zijn er niet,
maar toch ligt er in de canyons der hoogste bergen in Augustus nog
vrij veel sneeuw. Op groote afstanden ziet men de schitterend witte
velden en strepen. De bergen hebben meest glooiende, hoewel vrij
steile hellingen, en deze zijn tot op de kammen met het dennenbosch
begroeid. Slechts hier en daar ziet men naakte rotsen, of hellingen die
met groote steenblokken bezaaid zijn. Doch daarover heb ik thans niet
te spreken. Het hoogplateau is uit den aard der zaak moerassig. Nu
eens vormt het uitgestrekte vochtige weilanden, met een natuurlijke
draineering, dan weer echte moerassen met stroompjes en plassen en
meren. Hier tiert een moeras-vegetatie in groote weelderigheid. In
de geslachten komt zij met onze waterplanten overeen, en zelfs de
gele waterleliën (Nuphar) ziet men hier veelvuldig en in groote
aantallen. Biezen en bloembiezen, zeggen en grassen en allerlei
gewone waterplanten vormen de hoofdmenigte. In enkele plassen
zag ik de lidsteng of Hippuris in groote hoeveelheid, in andere
vooral veen-vormende mossoorten. Zoutgrassen, overeenkomende met
onze Triglochin's, maar grooter en frisscher, groeiden vooral op de
natste plaatsen.

Een van de meest aantrekkelijke zijden van het park is de rijkdom
aan fraaie wilde bloemen, die groote overeenkomst vertoonen met de
europeesche alpenplanten. Zij geven de kleuren en de afwisseling aan
de hellingen en de vlakten. Moge het bosch zwart en eentonig zijn,
de bloemen verlevendigen het in zoo hooge mate, dat zij de aandacht
van alle toeristen trekken, en dat bouquetten plukken een der meest
geliefde bezigheden is. Groote donkerblauwe gentianen kleuren de weiden
in strepen en vlekken, of wisselen op de moerassige plaatsen met de
rose-roode en oranje kwasten van de Indian paint brushes (Castilleia)
af. Overal vindt men bloemen. Ternauwernood verdwijnt de sneeuw of
zij verheffen hare hoofden, en in onafgebroken afwisseling blijven
zij een sieraad van veld en boschrand, totdat, drie maanden later, de
sneeuw wederom een einde aan haar leven maakt. Snel volgen de soorten
elkander op, want de tijd is kort. Maar wat aan den duur ontbreekt,
wordt door het aantal vergoed.

Meest zijn het lage planten, of soorten die haar bloemen even boven
het gras uitsteken. De manshooge bloemplanten, die in Zwitserland in de
bosschen der lagere bergstreken een zoo belangrijke rol spelen, zag ik
hier zoo goed als niet. Meest ook zijn de bloemen niet zeer groot en
niet tot rijkbeladen trossen vereenigd. De grootte van vlasbloemen is
hier wel de meest algemeene, maar het vlas zelf, hoewel zeer veelvuldig
en blauw bloeiend, is een andere soort dan het onze, Linum perenne,
en belangrijk om de vruchten, die openspringen en de zaden uitwerpen,
terwijl het gekweekte vlas juist in het dichtblijven der vruchten een
zoo uitstekend middel heeft, om het verlies van zaad vóór en bij het
oogsten te voorkomen.

Grootere bloemen vertoont het roode Bitter-Root, Lewisia rediviva,
een voorjaarsplant, en vrij groote schermen van zwavelgele
bloemen vertoonen de Eriogonums, die, in verschillende soorten, de
berghellingen tijdens mijn bezoek bijna overal bedekten. Allerlei
immortellen ziet men, witte, grijs-grauwe en gele, en onder deze is
vooral de Everlasting of the East (Anaphalis) zeer algemeen. Gewone
blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), Penstemons, Geraniums,
verschillende soorten van Oenothera's, Monkey-flowers of Mimulus en
tal van andere zouden genoemd kunnen worden.

De mooiste bloem die ik zag is de Mentzelia. Het zijn helder witte
bloemen zoo groot als Papavers, en door een groot aantal meeldraden
daaraan herinnerend, maar met talrijke smalle bloembladeren, die op
een grijsgroen, sterk vertakt, doornachtig gewas groeien. Bij Mammoth
Hot Springs, en vooral langs den weg die onderlangs dit dorpje voert,
zag ik ze in groot aantal. Zij openden hun bloemen tegen den avond, en
herinnerden dan in sterke mate aan den nachtcactus, met welks bloemen
men ze op een afstand gemakkelijk kon verwarren. Maar zij behooren
tot een geheel andere familie, namelijk tot die hevig brandende,
meest met oranje bloemen versierde planten, die in onze tuinen soms
als Loasa gekweekt worden. De Mentzelia's echter branden niet, maar
treffen u door een rijken en aangenamen reuk, vooral des avonds, als
de bloemen open zijn. De gelijkenis op den genoemden Cactus is oorzaak
dat deze bloem, die ook in de omliggende woestijnen niet zeldzaam is,
met den naam van Night blooming Cactus [10] wordt aangeduid.

Omtrent het zooeven genoemde Bitter-Root valt nog op te merken,
dat het in ongunstige jaren zeer zeldzaam, doch in betere jaren
soms zeer algemeen is, vooral rondom Mammoth Hot Springs. Het heeft
fraaie stervormige bloemen, die op korte stelen dicht boven den grond
groeien. De Indianen gebruikten de wortels als voedsel, en later is
deze bloem gekozen om de State-flower van Montana te zijn.

Vergeetmijnietjes zijn vertegenwoordigd door Myosotis alpestris,
Primula veris door een verwante soort, de Clematis gelijkt in
hooge mate op onze heggeranken, ofschoon de soort een andere is
(C. Douglasii). Zoo zou ik voort kunnen gaan, maar liever dan
zulk een algemeen overzicht te geven, wil ik trachten den indruk te
schetsen dien ik op een wandeling in het bosch en langs de boschbeken
gekregen heb. Het was dicht bij het hôtel bij het meer. Rondom
het Yellowstone-meer is het bosch mooier dan in de streek der
geyser-bassins. De boomen zijn voller in hun groen; minder talrijke
doode stammen ontsieren het bosch, en de flora is rijker. Wellicht
staat dit in verband met de minder scherpe tegenstelling van dal en
berg en met de talrijke beekjes, die hier van de bergen afvloeien. Die
beekjes loopen dan niet over rotsblokken springend omlaag, maar vormen
een smal dal, met drassigen bodem. Op dien bodem ziet men dan geen
dennen, maar dicht gras. Deze smalle dalen zijn zoo moerassig, dat
zij dikwijls moeilijk toegankelijk zijn, en de wegen, die er dwars
overheen gaan, zag ik dan ook met dennenstammen hard gemaakt, evenals
bij ons de oude veenwegen, die uit dwarsliggende dennenstammen gemaakt
werden. In die dalen zijn de talrijke omgevallen dennenstammen voor
den plantenzoeker dikwijls het eenige middel om zijn doel te bereiken,
en van stam op stam stappende vond ik allerlei bloemen. Sterk werd
ik herinnerd aan de overeenkomstige dalen in de Alpen en in het
Schwarzwald.

Ook op de hellingen liggen talrijke doode stammen. Het zijn meest de
dunste en ijlste boomen van het bosch, en deze groote sterfte maakt
dan den indruk van een zelfreiniging, waarbij de zware stammen meer
ruimte voor hun groei krijgen. Merkwaardig is, dat bijna al deze
stammen zonder schors zijn; de schors vergaat hier sneller dan het
hout en de witgrijze tint, die het hout aanneemt, doet de stammen
sterk in het oog vallen. Deze afwezigheid van de schors doet enkele
eigenschappen van het hout gemakkelijk waarnemen. Allereerst den loop
der vezels en der barsten. Deze is slechts in weinig stammen evenwijdig
met de as, maar loopt er gewoonlijk in een schroeflijn om heen. En
wel in talrijke windingen, iets wat natuurlijk voor de duurzaamheid
van planken, die men er uit zou willen maken, zeer nadeelig is;
daarenboven barst en scheurt het hout zeer sterk, en in de barsten
en scheuren rot het spoedig, zoodat men dikwijls stammen vindt, die
men met den voet in dunne plankjes uiteen kan drukken. Die plankjes
loopen dan in de richting der beschreven barsten.

Een andere bizonderheid van de dennen valt overal op, namelijk de
neiging om heksenbezems en knoesten te maken. Of eigenlijk moet
ik dit een vatbaarheid noemen voor de ziekten die de oorzaak van
den afwijkenden groei zijn. De heksenbezems zijn takken die als
dikke bezembundels vertakt langs den stam omlaag hangen en dikwijls
vruchteloos trachten zich op te richten. Vlak bij den stam is zulk een
tak dan knoestig. Tusschen de gezonde, dwars uitstaande en gelijkmatig
omhoog gebogen takken vallen deze zonderlinge vormen zeer sterk in het
oog. De knoesten ziet men meest aan de stammen, die zij op de vreemdste
wijze doen draaien en opzwellen, en in het rustiek gebouwde Hôtel van
het Upper-Geyser-bassin heeft men van die knoesten aan trapleuningen
en zuilen een eigenaardig gebruik gemaakt, om daardoor het landelijke
van dit bijna geheel uit ongezaagde boomstammen opgetrokken gebouw nog
te verhoogen. Van de brosheid van het hout overtuigt men zich het best
als men stammen ziet die omgevallen en daarbij in hun midden dwars
doorgebroken zijn. Dit omvallen schijnt elken winter te gebeuren,
en hier en daar zag ik de stammen nog schuin over de rijwegen in het
bosch liggen.

Aan kleine heesters is het bosch niet rijk. Kruisbessen, wier
bessen niet grooter zijn dan erwten; Cotoneasters met even kleine
mispelachtige vruchten; bloeiende roosjes, enkele berken en in de
moerassige dalen vooral wilgen in verschillende soorten. Bizondere
opmerkingen verdient de Elaeagnus of het zilverblad, kenbaar aan
het zilver-overtreksel van de onderzijde der bladeren, dat met de
loupe blijkt uit tallooze fijne stervormige schildjes te bestaan. Ik
vond er hier geen vruchten aan, maar in Noordelijk Californië zag
ik de takken beladen met de roode bessen, sierlijk gebogen onder
dien last. De bessen zijn eetbaar, en zooals ik elders opmerkte,
tracht Burbank ze te veredelen om ze tot een gewone tafelvrucht te
maken. Overal over rotsblokken en omgevallen stammen, zoowel tegen
de hellingen als in de moerassen, ziet men een heestertje dat groeit
als de Azalea's der Alpen, en dat tot een bizonder geslacht, Ledum,
behoort, omdat zijn vijf witte bloemblaadjes los van elkander op den
bloembodem ingehecht zijn. Meest waren zij uitgebloeid, maar hier en
daar zag ik toch nog de ronde, helder witte schermen der bloemen. Zeer
kleine boschbessen, wier vruchten op roode kraaltjes gelijken, ziet
men bijna overal in de menigte, en hier en daar ook eene andere soort,
overeenkomende met de moeras-boschbes.

Een groot aantal wilde planten herinnert sterk aan onze
alpen-planten. Het zijn meest lage gewassen met groote bloemen
of rijke tuilen of trossen. Langs kabbelende beekjes zag ik een
rondbladerige steenbreek bloeien, gelijk aan onze Meniste-zusjes,
maar met sappig blad. Donkerblauwe aconieten en lichtgele akelei;
groote gele Trollius, talrijke soorten van Potentilla en van
Geum, de hooge witte alpenklaver, allerlei soorten van eereprijs,
bloembiezen, Hedysarum, witte en roode Geraniums, Composieten als
Doronicum en Arnica, alpen-aardbeziën en allerlei andere soorten
kunnen hier genoemd worden. Een veelknoop hield het midden tusschen
onze dubbelgedraaide soort (Polygonum Bistorta) en de kleine verwanten
der alpen (P. vivipara). De Primula's waren vertegenwoordigd door
de fijne langstralige schermen van een witbloeiende Androsace. Van
de Mimulus zag ik niet alleen de gele, maar ook een fraai paarsroode
soort in menigte langs de beekjes.

Typische geslachten ontbraken natuurlijk niet, deels zulke, als men
bij ons niet ziet, deels die bij ons in botanische tuinen gekweekt
worden. Onder de eerste noem ik de sierlijke roode penseeltoppen
van den Indian paint brush (Castilleia), een andere soort dan aan
de kusten van Californië, slanker en minder behaard, maar met toppen
van roode schutbladen evenals deze. Verder een lichtgele Eriogonum,
een der alleralgemeenste bloemplanten overal waar het bosch maar
eenigszins open is. Onder de laatste groep verdient allereerst een
Phlox genoemd te worden. Het is een laag kruipend plantje met vrij
groote witte bloemen, die alleen staan, doch overigens met die van
onze najaars-seringen overeenkomen. De bladeren zijn naaldvormig. De
bloemen waren nu eens vijf- dan weer vierstralig. Een fijne soort van
Polemonium met blauwe bloemen, en een soort van Phacelia met rozetten
van wortelbladeren en opstijgende stengels, die kluwens van bleek
purperen bloemen droegen, en eindelijk de meest gewone plant dezer
bosschen, de blauwe lupinen, waarvan men overal de vingervormige
bladeren en de blauwe bloemtrossen ziet. Van deze soort vond ik ook
een wit en een rose exemplaar. Trouwens ook van de blauwe gentiaan
en van de gewone blauwe klokjes trof ik in dit bosch een enkele maal
een groepje met zuiver witte bloemen aan. De variabiliteit is hier
dus al juist zooals bij ons.

Een vrij groot aantal soorten komt met bij ons inheemsche wilde planten
min of meer overeen. Onder deze trof mij vooral de Parnasbloem. Onze
Parnassia heeft vijf groote, breede witte bloembladeren, die elk
een straalvormig vertakt, groen en geel, schubvormig aanhangsel
dragen. Die aanhangsels zien er uit als onechte meeldraden. Hier
bloeide de Parnassia langs de beken met smalle witte bloembladeren,
die ter weerszijden een fraaie witte franje droegen, en hadden zij
elk een kort en onvertakt, groen en geel gekleurd kliertje. Overigens
was de bouw van de bloem en de plant dezelfde als bij onze soort. Van
het wintergroen of Pyrola bloeiden hier twee soorten. Een precies
zoo als de onze, die in onze duinvalleien zoo heerlijk ruikt, maar
hier had de plant vrij donker roode bloemen. De andere kwam meer
met de Pyrola secunda overeen, daar alle bloemen naar eene zijde van
den tros overhingen. Kleinbloemige witte Orchideeën waren talrijk,
en een andere plant, een soort van Pedicularis, geleek sprekend op
een roode Orchidee met smallen tros, b.v. op een Gymnadenia. Het was
de Olifantsbloem, zoo genoemd omdat uit den groenen kelk een kroon
uitsteekt, die precies op een olifantskop gelijkt. Men ziet den kop
met den eerst omlaag, daarna omhoog gebogen, dunner uitloopenden
snuit, en terweerszijden van den kop twee groote olifantsooren, maar
van rose kleur. Enkele andere soorten mogen nog genoemd worden. Een
kruisbloem als onze Sisymbriums viel op, doordat de lange groene
hauwen steeds loodrecht langs den tros naar beneden hingen, inplaats
van rechtop te staan. Verder zag ik Asters in alle kleuren, van zuiver
blauw tot zuiver rood, zeer talrijk, maar steeds als lage planten,
een plantje dat veel op Salomons-zegel geleek, maar niet bloeide
(Smilacina), Gnaphalium's, beek-Veronica's, roodbloemige uien, gele
Sedums, biezen en bloembiezen, wederikken en grassen, te veel om op
te noemen. Langs de beken groeide een fijne smeerwortel met lange
smalle helder blauwe bloemen.

Mossen en korstmossen, gallen en vergroeningen zag ik hier en daar
in vormen met de onze overeenkomende. Het schildmos of Peltigera, en
het bekermos of Cladonia was van onze soorten niet te onderscheiden,
evenmin het haarmos of Polytrichum. Op doode boomstammen groeide
een fijn vertakt korstmos, als onze grijze Ramalina's, maar geheel
zwavelgeel, en daardoor bizonder fraai. De wilgen droegen ronde gallen
en door 't blad heen gegroeide, evenals er bij ons door bladwespen
op gemaakt worden, en de meest merkwaardige vergroeningen van bloemen
toonden het duizendblad en eenige andere planten.

In het algemeen was de indruk van de flora in het begin als die
van een geheel vreemde, maar veranderde die indruk bij het nader
bezien der bloemen zeer spoedig. Dezelfde typen en dezelfde vormen,
die wij uit ons eigen land en uit Duitschland en Zwitserland kennen,
vindt men hier, maar bijna altijd met soortgelijke verschillen. Men
herkent ze gemakkelijk en is toch getroffen door hun bizondere, soms
zeer merkwaardige eigenschappen. Meer rijkdom dan bij ons schijnt de
flora hier niet te bieden, terwijl het voorkomen van groote bloemen
of bloemgroepen met treffende kleuren aan de valleien in onze duinen
en op onze Noord-Hollandsche eilanden en verder aan de weilanden op
de Alpen herinneren.



Na deze beschrijving van de landstreek en haar bloementooi ga ik over
tot de bespreking der warme bronnen en geysers, en begin met die,
welke den naam Mammoth Hot Springs voeren. Zij vormen het eerste punt,
dat de reiziger bezoekt, als hij van Gardiner, in het Noorden, het
Yellowstone-park ingaat. Dit punt ligt ruim een uur rijden ten zuiden
van den ingang van het park. Men vindt hier, zooals ik reeds opmerkte,
een hôtel en het militaire station, dat het centrale punt voor den
politie-dienst in het park is. De behoeften, daaruit ontsproten,
hebben allengs rondom deze twee een klein dorp van winkeltjes en
werkplaatsen doen ontstaan. Een post-bureau, een curiosity-shop [11]
een winkel met kunstmatige versieringen uit de bronnen, en de stallen
van de transportatie-maatschappij zijn daaronder voor de bezoekers
de belangrijkste.

De warme bronnen bevinden zich op de uitloopers van een der omliggende
bergen. Voor het grootste gedeelte liggen zij verscholen in het
bosch, maar schuin tegenover het hôtel is de berg, die ze draagt,
bijna geheel zonder boomen, een krijt-witte, afgeronde massa vormend,
die, van het hôtel uit gezien, onsierlijk is en in de zonnestralen
te sterk schittert, maar die van nabij bezocht als het ware bezaaid
is met de grootste wonderen der natuur.

Deze bronnen kan men in de eerste plaats verdeelen in werkzame
en uitgedroogde. Slechts een klein deel is feitelijk werkzaam, en
daarvan zijn de meeste op den bedoelden heuvelrug vereenigd. Maar
ook op dezen rug en op de hellingen bedekken zij niet het geheele
oppervlak. Integendeel zou men kunnen zeggen dat de geheele berg uit
opgedroogde bronnen bestaat, hier en daar afgewisseld met enkele
werkzame. Men kan dan ook nagenoeg overal loopen en een aantal
voetpaden doorkruisen de streek. Op die voetpaden moet men bij voorkeur
blijven, want het gesteente is zacht en wordt gemakkelijk tot poeder
vertrapt. Waar niet geloopen wordt, vertoont het daarentegen overal de
gekronkelde lijnen, die eenmaal elk de omtrek waren van een bassintje
met warm water. Zoo is de geheele berg, zoowel in het bosch als op
de onbegroeide gedeelten.

De bedoelde heuvel, waarop de meeste bronnen zijn, loopt langzaam
op tot omstreeks 100 M. boven de vlakte van het dal, waarin
het dorp gelegen is. Het is een uitlooper van een hoogeren berg,
die er achter gelegen is. Deze berg zelf heeft geen warme bronnen,
behalve in de onmiddellijke nabijheid van zijn voet. Maar er zijn nog
meer zulke bronnen-rijke uitloopers, die, van het hôtel uit gezien,
meer naar achteren liggen, en waarlangs de rijweg de toeristen eerst
den volgenden dag voert. Op die uitloopers echter zijn de bronnen,
met zeer enkele uitzonderingen, sinds eeuwen droog, en ziet men
nog slechts de gesteenten die zij voortgebracht hebben. De hoogste
uitlooper heet Terrace Mountain en is 500 M. hoog.

Het gedeelte dat gewoonlijk bezocht wordt, wordt eenvoudig "the
terraces" [12] genoemd, omdat de afzettingen rondom de bronnen steeds
den vorm van terrassen aannemen en dit vooral dan duidelijk doen,
als zij zich op een hellend gedeelte van den heuvel bevinden. Het
beste denkbeeld van de uitgestrektheid dezer formatie verkrijgt men
als men weet dat volle twee uren noodig zijn om de gewone wandeling
langs de merkwaardigste punten van "the terraces" te maken, waarbij
men dan Terrace Mountain slechts uit de verte ziet. Want de geheele
formatie strekt zich over een lengte van ruim drie mijlen langs de
Gardiner-rivier uit.

Vele terras-groepen, en vooral die, welker bronnen op dit oogenblik
werkzaam zijn, hebben afzonderlijke namen ontvangen, en door
naambordjes wordt men hieromtrent ingelicht, als men zonder gids deze
wonderen bezoekt. En dit doet men bij voorkeur, want ze zijn te schoon
en te treffend, en vooral te rijk aan afwisseling om ze door de oogen
van een ander te bekijken, en om daarbij niet wat verder te gaan dan
de gewone routine.

Een overzicht over de voornaamste bronnen moge eenig denkbeeld geven
van wat de natuur hier biedt. Allereerst ziet men, van het hôtel uit,
vóór den berg en vrij op de vlakte van het dal staande, een hoogst
eigenaardigen kegel, den Liberty-cap [13]. Dit is eigenlijk meer een
zuil met afgeronden top dan een kegel. De zuil is 17 meter hoog en
7 meter in diameter en bestaat als het ware uit een aantal schotel-
of panvormige schalen, die omgekeerd op elkander gestapeld zijn. De
randen zijn door den tand des tijds ruw afgebroken en de bovenste
schalen hebben den vorm, die aanleiding gegeven heeft tot den
naam. Een weinig verder op, en leunend tegen den heuvelrand, staat
een kleine dergelijke zuil met minder afgebroken schalen, en dus nog
bijna geheel door de buitenste laag bedekt. De naam duidt ook hier
eenigszins den vorm aan en luidt "Devil's thumb" [14]. Beide kegels
zijn oude formaties en brokkelen voortdurend af. Het eerste blijkt
uit de talrijke roodbruine korstmossen, waarmede zij begroeid zijn,
en het laatste uit de afgevallen brokken der schalen, die rondom hen
op den grond liggen.

Gewoonlijk gaat men den heuvel aan de noordelijke zijde op, om langs
de zuidelijke, dat is die waar hij aan de hoogere bergen aansluit,
terug te komen. Men bezoekt dan de beide fraaiste terrassen het eerst,
en krijgt, daar zij zeer verschillend zijn, een voorloopig overzicht
over hun formatie. Het eerst bereikt men, halverwege de hoogte van den
berg, het Minerva-terras, daarna, op het eind van den heuvelrug, het
terras van Jupiter. Dit laatste geeft het beste denkbeeld. Het bestaat,
als men het van een hoogeren bergtop beschouwt, uit twee donkerblauwe
oogen. Het zijn twee groote natuurlijke vijvers, die bijna rond en
met een prachtig doorschijnend donkerblauw water tot aan den rand toe
gevuld zijn. De rand en de bodem, voor zoover men die zien kan, zijn
van het zuiverste wit, en overal golvend. De kleurschakeeringen, die
daardoor ontstaan, zijn onovertreffelijk schoon, en het is een groot
genot in de heldere blauwe diepte te kijken. Telkens als ik kon, heb ik
mijn weg zóó gekozen, dat ik langs dit terras kwam, en steeds boeide
het mij in gelijke mate. Geysers heeft men spoedig afgezien, maar
langs de warme bronnen zou men weken lang elken dag willen wandelen.

In die twee vijvers kookt het water heftig. Of liever, de vorm is
die van een trechter of trompet, en uit de diepte van de buis stijgen
stoom en kokend water op. In elken vijver is een plaats waar men dit
opborrelen op de oppervlakte reeds van verre ziet. Het opstijgende
water vloeit dan over en door de voorhanden watermassa heen en
houdt deze op een temperatuur, die aan die van kokend water nabij
komt. Het vult de vijvers en doet ze overvloeien, en dit overvloeien
is de eigenlijke bron van de terrasvormingen. Want de beide vijvers
liggen op een vrij vlak plateau, en nemen daarvan het hoogste punt
in. Het water vloeit dus overal over den rand en bedekt de vlakte in
zeer ondiepe stroomen. In deze ontstaan lage dwarswalletjes, die het
water tegenhouden. Deze volgen elkaar, op de weinig hellende vlakte,
regelmatig op, en veranderen zoo het terrein in een stel van zuiver
horizontale terrassen. Op elk terras staat een duimbreed water of
iets meer, komt er nog meer in, dan vloeit dit naar het volgende
terras over. Zoo is de geheele omgeving der beide groote blauwe oogen
met ondiepe bassins bedekt, en slechts op een zeer enkele plaats kon
men droogvoets er zoo dicht bijkomen, dat men in de diepte der oogen
kijken kon.

Ten slotte vloeit al dit water over den heuvelrand omlaag. Daar heeft
het een vertikalen wand gevormd, waarlangs het met groote snelheid
afglijdt. Dan komt het weer op een hellend gedeelte. Hier is de
helling te steil voor de vorming van grootere bassins of bakken, en
vloeit het water over talrijke, zeer kleine kommetjes gelijkmatig naar
beneden. Ten slotte komt het tegen den rijweg aan en wordt daar door
een greppel opgevangen en zijwaarts geleid. Het is dan nog zeer warm.

Kabbelend vloeit het water en het vormt den bodem als het ware naar het
beeld zijner beweging. Het natte rotsoppervlak is bedekt met tallooze,
grootere en kleinere golvingen, die in de sierlijkste bochten dwars
op de stroomrichting staan. De kleinere heuvellijnen worden door het
water eenvoudig overstroomd, de grootere houden het een tijd lang tegen
en worden zoodoende tot de randen der bassins. Ook op den vertikalen
wand ziet men die dwarsche plooien, ofschoon hier de richting van
het water meer aanleiding geeft tot het ontstaan van zuilen, die aan
stalactieten of wel aan de naast elkander geplaatste pijpen van een
orgel herinneren.

Al dit gesteente bestaat uit kalk, die door het water wordt
afgezet. Even als ons duinwater met kalk beladen is, en dit bij koken
of bij lang staan aan de lucht als een dunne witte neerslag afzet,
evenzoo wordt ook hier de opgeloste kalk uit het water in vasten vorm
overgebracht. Maar de hoeveelheden zijn natuurlijk geheel andere, en
de verschijnselen, die in ons land het bekende meertje van Rockanje
vertoont, komen aan de kalkafzettingen uit de heete bronnen van het
Yellowstone-park nog het dichtst bij.

De afgezette kalk heeft een zeer eigenaardige, poreuze structuur,
geheel anders dan die van gewone kalksteen. Zij draagt den
bizonderen naam van travertijn. De geheele heuvelgroep bestaat uit
dit travertijn. Deze poreuze structuur hangt, zooals wij weldra zien
zullen, ten nauwste met de wijze van ontstaan samen en is de oorzaak
van de snelle en gemakkelijke verweering van het gesteente.

Het Minerva-terras onderscheidt zich van het Jupiter-terras zeer
sterk. Het ligt op een sterk hellenden heuvelrand en bestaat uit een
aantal vrij groote vijvers die trapsgewijze boven elkander liggen. In
een der bovenste vijvers is de warme bron, en het overvloeiende
water vult de lagere. Vele vijvers liggen een of twee meters boven
hun lagere en evenveel onder hun hoogere buren. Zij zijn dan elk
voorzien van een vertikalen wand met stalactieten en versteende
orgelpijpen. Hierdoor ontstaat een systeem van grootere en kleinere
terrassen, te zamen meer dan honderd in aantal en van onovertrefbare
schoonheid. Natuurlijk vloeit het water niet over al die terrassen,
want de minste breuk in een of anderen rand kan het bij voorkeur
naar één zijde doen stroomen. Sommige terrassen zijn dus actief,
andere droog. Tijdens mijn bezoek waren verreweg de meeste droog en
toegankelijk, en stroomde het water slechts over een breeden band in
het midden.

Ook hier is het water weer donkerblauw en volkomen helder. Maar het
bassintje waarin het opbruist en kookt, heeft slechts enkele meters
in doorsnede en boeit niet zeer sterk. Het fraaist is de groep als
men hem van ter zijde op korten afstand beschouwt.

Al die wanden zijn, zooals ik reeds zeide, uit bros travertijn
opgebouwd. Zij brokkelen voortdurend af. Grootere en kleinere brokken
ziet men in de diepte, aan den voet der geheele formatie liggen. De
toer door het park is zóó ingericht, dat men na vijf dagen te Mammoth
Hot Springs terug komt. Ik heb dus het terras beide keeren bezocht,
en daar ik den eersten keer een goed beeld in mij had opgenomen kon
ik, na vijf dagen, zien hoe een halve wand voor aan de terrassen
in dien tijd was afgebroken en uiteengevallen. De stukken lagen
nog ter plaatse en pasten nog aan de versche breukvlakken. Maar
voor mij werd daardoor de inwendige structuur op een zóó duidelijke
wijze zichtbaar, als noch door een beschouwing van het uitwendige,
noch door het onderzoek der oudere, steeds meer of min afgebrokkelde
formatiën, kon worden verkregen. De geheele inwendige massa bestond
als het ware uit een herhaling van het orgelpijpen-systeem, nu eens
met pijpen zoo dik als een potlood, en dan weer met dikkere.

Vlak achter het Jupiter-terras, dus op een uitgestrekt plateau,
ligt een systeem van kronkellijnen als randen van vroegere, vlakke
bassins. Maar dit alles is geheel droog en ten deele vertrapt en
verweerd. Iets verder ziet men het terras van Cleopatra, uit een
stelsel van vrij groote, maar lage bassins bestaande. Het heeft dit
eigenaardige, dat al het water, dat in vrij groote hoeveelheid uit
de bron in het bovenste bassin omhoog komt, ten slotte, na al de
bassins gevuld te hebben, zich weer verzamelt en met groot geraas in
een diepe spleet in de rotsmassa verdwijnt.

Het terras van Cleopatra grenst aan het bosch, en de verdere formaties
liggen meest alle in het bosch, zoo zij niet, door het bedekken van den
grond met dikke kalklagen, dit bosch gedood hebben. Zulk een dood en
aan de randen stervend bosch ziet men dicht bij, op de terrasvormige
hellingen van een grooteren heuvel. Het is allermerkwaardigst om
na te gaan hoe het kalkhoudende water zich, bij het voortbrengen
van randen en bassins, aan de aanwezigheid van boomen en planten in
het geheel niet gestoord heeft, maar eenvoudig met de productie der
allerfraaiste, zuiver witte vormen is voortgegaan, alsof deze niet
gemaskeerd en onderbroken werden door de doode, zwarte, bladerlooze
stammen. Honderden van die boomen, op deze wijze gedood, ziet men
hier te midden der terrassen van travertijn. Verderop ziet men overal
op de wandeling hetzelfde, maar de formatiën zijn daar al zoo oud,
dat de doode stammen verdwenen en door levende vervangen zijn, en dat
een prachtig bosch de terrasvormingen overdekt en voor een groot deel
aan het oog onttrekt. Nog werkzame bronnen zijn hier zeldzaam.

Daarentegen komt hier een andere zijde van het verschijnsel voor
den dag. Het zijn de rotsspleten. Over een lengte van verscheidene
tientallen van meters, en soms veel meer, is de travertijn-rots
opengespleten. De spleet kan nog open zijn, of door het afbrokkelen van
haar randen gedeeltelijk weer gevuld. Zij kan werkzaam of onwerkzaam
zijn. In het eerste geval ziet men een lange reeks van kleine bronnen
uit haar te voorschijn komen; door het invallen van steenbrokken en
door de formatie, die zij zelven afzetten, zijn dan die bronnen van
elkander gescheiden. Soms zijn die bronnen kleine zichtbare vijvertjes
vol water; soms echter ligt hun water in de diepte en kan men het
niet of bijna niet zien; men hoort dan echter het koken en ziet de
ontwijkende stoom. Vroeg of laat wordt zulk een barst, door dezelfde
oorzaak die haar deed ontstaan, wijder of krijgt zij zijbarsten,
en dan verdwijnt het water daardoor weer in de diepte en wordt de
barst onwerkzaam en droog. Op het Angel-terrace, op het zuidelijk
gedeelte van denzelfden heuveluitlooper, zag ik zulk een barst, die
klaarblijkelijk oud was maar eerst onlangs weer opengebarsten. Een
aantal kleine kegeltjes, zoo groot als omgekeerde emmers en grooter,
waren op den barst ontstaan, doordat het overvloeiende water hun randen
snel had doen groeien. Van binnen waren zij hol, en de zuiverheid van
het binnenvlak deed vermoeden, dat zij nog niet lang geleden actief
geweest waren. Maar de nieuwe barst had ze overlangs opengespleten,
aan twee zijden van boven naar beneden, en zoodoende het water doen
wegvloeien. In de kleinere was de spleet een handbreed of minder;
maar in den grootsten kegel was zij zoo breed dat ik er door heen
kon loopen en de inwendige kolk kon bereiken, zonder de randformatie
te beschadigen.

Veel oudere barsten zijn soms veel wijder. De wijdste die ik zag,
wordt genoemd Devil's Kitchen [15]; men kan hierin door middel van
een ladder tot op een diepte van een tiental meters afdalen. De
diepere ruimte bevat lucht die met koolzuur sterk bezwangerd en dus
doodelijk is, zooals uit de overgebleven gebeenten van allerlei dieren
blijkt. Maar daar is de spleet zoo smal, dat men er niet in kan komen.

Zulke barsten ziet men dikwijls in den vlakken grond, zoowel die met
werkzame bronnen als met uitgedoofde. Maar ook komt het voor, dat een
smalle heuvelring, die eenmaal uit travertijn werd opgebouwd, over zijn
lengte gespleten en daardoor onwerkzaam geworden is. De Devil's Kitchen
ligt in zulk een rug. Die ruggen zijn maar weinige meters breed en
dikwijls meer hoog dan dik. De White Elephant is een der meest bekende
formatiën van dien aard, en geeft door zijn naam den vorm vrij wel aan,
als men alleen aan den romp van het dier denkt. Andere zulke ruggen
zag ik rondom Angel terrace, en een zeer fraaien bij den pulsating [16]
geyser, die geen geyser, maar een gewone warme bron is. Een uitvoerige
beschrijving van een actieve en nog jonge spleet zal ik later geven,
als ik mijn waarnemingen over den Orange-geyser bespreek.

Bath Lake [17] is een groote vijver of klein meertje, in een diep
gedeelte van een der dalen tusschen de travertijn-heuvels gelegen,
dat ook voor baden gebruikt wordt. De warme bron bevindt zich aan
een der zijden, maar het meertje is zoo groot, dat het daardoor op
een aangename temperatuur gehouden wordt. Het instroomende water
vloeit ergens weer door een spleet weg. Hier als in de blauwe oogen
van Jupiter overtreft de heerlijke doorschijnendheid van het water
alles wat men zien kan. De kleine wolken aan den hemel worden op de
oppervlakte teruggekaatst en in de diepte ziet men overeenkomstige,
wolkachtige beelden van de zachte en glibberige, in allerlei bochten
en rondingen omhoog dringende en groeiende travertijn-gesteenten. De
fijnste trekken van dezen bron kan men op groote diepte zien, en
allerlei voorwerpen, als takken en bladeren van boomen, ziet men er
liggen, reeds bedekt door een fijne, groeiende kalklaag, maar nog
goed herkenbaar. Hier en daar neemt het levende travertijn bruine en
blauwe, gele en roode tinten aan, in onnoemelijke schakeeringen. Het
kleurenspel is even zacht en boeiend als het onuitputtelijk is.

Na deze zeer onvolledige beschrijving kom ik tot de bespreking van
de verklaring der behandelde verschijnselen. Allereerst wil ik dan
trachten de levenswerkingen van het travertijn te beschrijven, om
eerst daarna de aandacht te vestigen op de bronnen van het water en
van de kalk, en vooral op de bron van de warmte.

In kalkhoudend water pleegt de kalk door middel van koolzuur te
zijn opgelost. Verdwijnt dit, zoo slaat de kalk neer. Nu zijn er in
het algemeen twee middelen, die het koolzuur uit water kunnen doen
verdwijnen. Allereerst de gewone verdamping. Zooals iedereen weet
verdampt uit ons duinwater het koolzuur, als dit water eenvoudig open
aan de lucht staat, en wel des te sneller naarmate het warmer is. Uit
het water der heete bronnen kan dus het koolzuur ontwijken, zoodra
het aan de oppervlakte komt. Maar als er een overmaat van dit gas in
het water is opgelost, behoeft de kalk dan nog niet neer te slaan,
zooals zij bij het staan van duinwater aan de lucht doet, of zooals
blijkt uit de ketelsteen, die zich bij het koken van water vormt.

Het tweede groote middel, om koolzuur aan het water te onttrekken, is
het leven van planten. Het hoofdverschijnsel toch van de voeding
is juist het opnemen van dit gas en de verwerking er van tot
organische stof. De planten zijn hongerig en zouden gaarne veel meer
koolzuur nuttigen dan het water hun aanbiedt. Zij nemen dus ook de
laatste sporen er van op. Dientengevolge doen zij de kalk volledig
neerslaan. Dit neerslaan kan dan in of buiten de plant geschieden. Het
weefsel kan met kalk doortrokken worden, of het geheele gewas wordt
door een korst omgeven, of de kalk slaat in vlokken neer en zinkt op
den bodem. Onze gewone kranswieren doortrekken hun lichaam met de
neergeslagen kalk en worden daardoor witachtig en bros; men kan ze
haast niet drogen zoo bros zijn ze. Allerlei andere wieren verkalken
op deze wijze, zonder dat dit aan hun leven of aan hun groei schaadt,
en aan de kusten van Normandië vindt men zelfs wieren, die er uitzien
als witte en fijn vertakte koralen, en die geheel hard en kalkachtig
schijnen te zijn. Maar het microscoop doet overal de levende cellen
tusschen de afgezette kalkmassa's zien. Aan de kusten van warme zeeën
vindt men zulke wiersoorten, die zooveel kalk bevatten, dat men ze
eenvoudig voor een deel van den rotswand of voor steentjes in het
zand houdt, en het geslacht Lithothamnion of steenwier is een van de
meest bekende en vormenrijkste onder hen.

Zoo is het ook in de bronnen van Mammoth Hot Springs. Nagenoeg alle
kalk wordt door wieren afgezet, en het microscoop toont in de jonge
groeiende lagen overal de groene, levende cellen.

De geheele travertijn-rots, eenige mijlen lang en honderden meters
hoog, is het product van de werkzaamheid dier wieren, evenals
koraalriffen en de daaruit ontstane gebergten het resultaat van de
werkzaamheid der koraaldieren zijn. Maar de wieren, die het travertijn
voortbrengen, zijn over het algemeen zeer eenvoudig van structuur en
behooren tot de laagste afdeelingen. Het zijn deels draadbacteriën,
deels gekleurde vormen, die daarmede nauw verwant zijn.

Een van de meest vreemde verschijnselen is, dat deze wieren bestand
zijn tegen warmtegraden, die andere wieren en hoogere planten niet
verdragen kunnen zonder te sterven. Elk blad en elke bloem sterft
dadelijk, als men ze dompelt in het water der heete bronnen. Slap en
verflenst komen zij er uit. Maar de kalkwieren dezer bronnen kunnen er
tegen. Natuurlijk echter in zeer verschillende mate. Er zijn er enkele,
die zelfs in het warmste, bijna kokende water groeien en tieren, en
andere, die af moeten wachten tot het water afgekoeld is tot juist op
die graden, die voor het gewone leven de uiterste grenzen vormen. Maar
op die grenzen tieren zij dan ook bij voorkeur. In het algemeen kan men
zeggen dat het de kleurlooze, witte of lichtgele draadbacteriën zijn,
die die hoogere temperatuur verdragen, terwijl zoodra een groene
of daarmede verwante kleur de organen voor de voeding doortrekt,
de temperatuur niet hooger mag zijn, dan de hoogste grenzen voor het
gewone plantenleven.

De wanden der kokende vijvers en het eerste begin der overvloeibeekjes
zijn dus het gebied der draadbacteriën, terwijl in de volgende
bassins en in hun latere overvloeiïngen de groene en roode en bruine
en gele wieren in alle schakeeringen van den regenboog, tot bijna
zuiver zwart toe, welig tieren. Ginds het zuiverste wit, hoogstens
in licht zwavelgeel overgaand, hier een rijkdom van fraaie en meestal
schitterende kleuren, in de grootste wisseling die men zich denken kan.

Het kookpunt van water ligt, op de hoogte waarop het geheele
Yellowstone-park gelegen is, niet zooals bij ons, bij 100° C. of 212°
Fahrenheit. Het is aanzienlijk lager en bedraagt slechts 92° C. of
198° Fahr. De hoogste temperaturen, waarbij wieren levend gevonden
werden, waren omstreeks 85° C. of 185° Fahr., dus slechts weinige
graden lager dan het kookpunt. Het zijn verschillende soorten van
draadvormige bacteriën, waarvan sommige de witte golvende wanden
van de vijvertjes bekleeden, en andere in lange, buigzame en door de
stroompjes heen en weer bewogen draden van meest bleek gele kleur in
de overvloeibeekjes gezien worden. Onder de laatste speelt vooral
de zwavel-bacterie of Beggiatoa (zoogenoemd naar een Italiaansch
plantkundige) een hoofdrol. Zij ontleedt de zwavelzure zouten, maakt
de zwavel vrij, zet die in korreltjes in haar cellen af en verkrijgt
daardoor haar gele kleur. Zij leeft in water van 150--165°. Hoogere
temperaturen verdragen Leptothrix laminosa (135--185° F. = 58°--85°
C.) en Phormidium (165° F.)

De gewone levensgrens voor planten ligt omstreeks 50° C. of 120°
Fahr. Zoodra het water een lageren warmtegraad bereikt heeft,
laat het den groei van eigenlijke wieren, met echt bladgroen,
toe. Talrijke soorten, alle met een zeer eenvoudigen cellenbouw,
worden dan aangetroffen. Zij behooren tot verschillende geslachten,
als Chroöcoccus, Gloeocapsa en andere; ja, zelfs enkele met onze
gewone flab verwante soorten van Conferva, zijn in heete bronnen
waargenomen. Het zou mij echter te ver voeren hier op de namen of de
kenmerken dier wieren te willen ingaan. Zij bestaan meest uit kleine
ronde of rondachtige cellen, die onderling tot draden en vliezen
vereenigd zijn. Voor hun beteekenis voor de warme bronnen is vooral
van belang dat zij in soms dikke slijmlagen gehuld zijn, en het is
een zeer merkwaardige ondervinding, als men de allerbuitenste laag
van de travertijn-massa niet alleen gekleurd ziet, maar ook op het
gevoel als een zachte gelei gewaar wordt. Maar men moet zijn vingers
daartoe steken in water dat zoo heet is, dat men zich branden zou
als men er even te lang in bleef.

Al deze wieren nu maken samen het travertijn. En daar de eene soort
draadvormig en de andere vliezig is, de een in opstaande lijsten en
de ander in vlakke overtreksels groeit, daar er verder in stil water
meer opstaande koraaltjes en in stroomend water meer lange draden
ontstaan, en er allerlei andere kleine verschillen in hun levenswijze
zijn, kan men de eigenaardigheden van randformatie en bassinvorming,
van stalactieten en orgelpijpen en van allerlei andere zeer fraaie
trekken gemakkelijk verklaren. Ik wensch dit echter uit te stellen
tot de beschrijving van enkele der merkwaardigste bronnen.

Over den oorsprong van het heete water wil ik kort zijn, te meer
omdat ik daarop bij de bespreking der geysers uitvoerig terugkom. Op
de hoogere bergen valt de regen, en het water wordt voor een deel
in den humusachtigen bodem der bosschen teruggehouden. Hier belaadt
het zich met het koolzuur dat in dien humus rijkelijk ontstaat. Een
volgende regenbui doet het in den ondergrond verdwijnen, waar het door
de spleten in de rotsen ver in de diepte kan komen. Bestaat nu dit
rotsgesteente uit kalk, zoo belaadt zich het koolzuurhoudende water
daarmede, terwijl het verder vloeit. Dringt het in lagen die door de
onderaardsche warmte tot 100° C. en hooger verwarmd zijn, zoo kan het
die temperaturen aannemen, en dus, als het later weer te voorschijn
treedt, dit doen in den vorm van heete bronnen. Deze beweging van
het water is, afgezien van de temperatuurverschijnselen, geheel
overeenkomstig met wat elders, vooral in streken van kalkgebergten,
gezien wordt. Iedereen weet dat in de Grotte de Han de rivier aan
de eene zijde den berg instroomt, om door de onderaardsche grotten,
gangen en spleten, aan de andere zijde weer te voorschijn te komen. Op
dezelfde wijze verzamelen zich de wateren van Mammoth Hot Springs
voor een groot deel in onderaardsche spleten, en bij het terras van
Cleopatra kan men ze, zooals ik reeds gezegd heb, rechtstreeks daarin
zien verdwijnen. Al dat water, dat tijdelijk aan de lucht geweest
is, als het ware met het doel om zijn kalk af te zetten, verzamelt
zich tot een onderaardschen stroom, die dwars onder de bergen door,
met een verval van 200 meters en over een afstand van meer dan een
mijl naar de Gardiner-rivier stroomt om zich daar als een waterval
van heet water in dien hoofdstroom uit te storten. Die watervallen
worden aan de toeristen onder den naam van Boiling-river [18] vertoond.

Een zeer belangrijk punt is de vraag, waar de kalk vandaan komt. En
wel vooral, waar zooveel kalk vandaan komt dat een gebergte van enkele
mijlen gaans en van een hoogte van honderden meters daarvan in den
loop der tijden kan zijn opgebouwd. Natuurlijk moet een ongeveer even
groote rotsmassa daartoe opgelost en weggevoerd geworden zijn. Geheele
gebergten moeten verbruikt zijn, om het materiaal voor de nieuwe
travertijn-bergen te leveren. Dit is, hoe onverwacht misschien
voor sommige lezers, toch een uiterst eenvoudige en volkomen zekere
gevolgtrekking. Maar verder kan men zeggen, dat die oplossing in de
diepte en niet aan de oppervlakte is geschied, daar het water zich
daartoe steeds eerst in de humus-lagen van koolzuur moest voorzien. Er
moeten dus uitgestrekte grotten ontstaan zijn, zooals die trouwens
bijna overal in kalkgebergten worden aangetroffen. Wellicht bestaan
er in den omtrek van Mammoth Hot Springs nog dergelijke grotten, en
wellicht vormen zij, met hun stalactieten en stalagmieten, even groote
wonderen als de Hot Springs zelven. Maar zij zijn nog niet ontdekt,
en daar de zorgen voor het behoud van het park voor diepgaand onderzoek
niet bevorderlijk zijn, zullen zij wellicht nog lang onbekend blijven.

Zulke uitgestrekte grotten echter, als hier noodig geweest zijn,
zullen wellicht gevolgd zijn door instortingen, die hun wanden
en gewelven in groote steenblokken omlaag wierpen. Men zou dan
een berghelling krijgen, overladen met huisgroote blokken, scherp
gebroken en niet afgerond, uit lagen van kalk bestaande en nu eens
met de lagen schuin, dan weer met de lagen vertikaal neergeworpen,
te groot en te talrijk om op die wijze door een gletscher te zijn
vervoerd. Werkelijk vertoont men u, op den rijweg ten zuiden van
Mammoth Hot Springs, zulk een terrein. Een klein halfuur rijdt men
tusschen die gevallen reuzen door. Het is de streek bekend als
"Silvergate and the Hoodoos." Silvergate [19] om de glinsterend
witte kleur der rotsblokken, die ter weerszijden van den weg op
elkander gestapeld liggen. Hoodoos om de vreemde vormen, die in de
avondschemering op sommigen den indruk van rondzwervende berggeesten
kunnen maken. Over meer dan een halve vierkante mijl liggen deze
blokken op de helling van den berg, als ruïnen van ongeziene trotsche
zalen en gewelven.

Van de plaatsen die men bezoekt, is alleen Mammoth Hot Springs
op kalkgebergten gelegen; verder gaat de reis over en tusschen de
vulkanische gesteenten, wier hoofdbestanddeel geen kalk maar kiezel
is. Al de geysers en al de warme bronnen van het park, behalve deze
eene groep, hebben dus kiezelhoudend water; zij zetten sinters af en
geen travertijn.

Daarmede is echter ook de boomgroei en de flora een andere, evenals ook
in Europa de kalkstreken gemakkelijk aan zeer bizonderen, meest zeer
bloemrijken plantengroei te herkennen zijn. De zwarte den, die elders
de bosschen vormt, is hier zeldzaam; de soorten die elders zeldzaam
zijn, vormen hier het eigenlijke bosch. De gewone boomen zijn hier
de witte den, Pinus flexilis, met naalden in bundeltjes van vijf,
met een witte schors en met kegels zoo groot als onze zee-den. Het
is een heel werk voor een eekhoorntje zulk een kegel af te knagen;
ik zag er een daarmede bezig, terwijl ik vlak bij hem bleef staan. De
sparren zijn hier vooral Pseudotsuga mucronata of de Douglas-spar,
met kleinere kegels met zeer fraaie aanhangsels aan de schubben. Als
onderhout vindt men, manshoog en tot heele boomen opgroeiend, den
rooden ceder of Juniperus virginiana, en verder een Elaeagnus met
roode maar bittere bessen, een kruisbes met kleine, sterk zure bessen,
een heesterachtige boschbes, gelijkende op den Vaccinium uliginosum,
den kruipenden ceder of jeneverbes, Juniperus Sibirica, en een groot
aantal kleine bloemplanten, die in Augustus echter grootendeels reeds
uitgebloeid waren.

Ik geef thans eene beschrijving van mijne eigen waarnemingen
over den groei der wieren, en de wijze hoe zij de terrassen en de
formatiën voortbrengen. Slechts een drietal dagen kon ik de bronnen
bezoeken, en mijn bespreking is uit den aard der zaak onvolledig
en oppervlakkig. Maar ik hoop, dat zij voldoende moge zijn, om aan
mijn lezers een denkbeeld van dit hoogst merkwaardige verschijnsel
te geven, waar de opbouw van rotsen en bergen het resultaat is van
de nog steeds voortgaande werkzaamheid van het plantenleven.

Verhit door de onderaardsche warmte en bezwangerd met kalk komt dus
het water in de Mammoth Hot Springs te voorschijn. Door talrijke
spleten komt het omhoog om over de oppervlakte weg te vloeien of
vijvers te vormen, die door haar helder, donkerblauw water het oog
boeien. In het midden van zulk een vijver of soms ook aan den rand,
ziet men de heete bron, die opborrelt en kookt en zoodoende het water
van den vijver verhit. Dit verdampt snel en dichte nevelen hangen
over het watervlak of worden door den wind weggedreven. Onaangenaam
warm als men te dicht in hunne nabijheid komt, zijn die nevelen nog
op verren afstand zichtbaar.

Het water koelt natuurlijk allengs af, snel waar het in een dunne
laag over den grond wegvloeit, langzaam waar het als kokende
beekjes stroomt, of in de vijvers en holten blijft staan. Bij dat
afkoelen zet zich de kalk af, vooral ook omdat zij opgelost is
door middel van koolzuur, dat uit het heete water verdampt. Maar de
eigenaardige structuur van de oppervlakte der heuvels, waaruit deze
bronnen te voorschijn komen, is niet aan die eenvoudige afzetting te
danken. Integendeel, zij is het werk van levende planten, kleine,
maar in geweldige massa voorkomende wiertjes, die de kalk in hun
weefsel vast doen worden en zoo als het ware zichzelve doen versteenen.

Van die wieren zijn de meeste bruin, andere zijn groen in
verschillende tinten, van licht geel-groen tot helder groen en donker
smaragd-groen. Al die kleuren ziet men op de door het heete water
bevloeide vlakken in de bontste mengeling. Daarenboven komt nog
een kleurloos of hoogstens bleek geelachtig gewas voor, dat geheel
andere eigenschappen heeft en ook een geheel andere rol speelt. Het
groeit in bundels van lange, slappe, in de stroompjes heen en weer
wiegelende draden.

Deze twee groepen zijn in vele opzichten verschillend. De
eerstgenoemde, die de randen der bassins vormen en die ik dus
randwieren zal noemen, leven bij temperaturen die wel hoog zijn,
maar die toch door vele andere planten, zij het soms ook slechts
tijdelijk, kunnen verdragen worden. Het zijn, zooals ik reeds zeide,
temperaturen van 45-50° C. en lager. Ik zal water van die temperaturen
warm noemen en wat daarboven is heet. Wel is 45-50° zeer warm en
brandt men zijn vingers als men ze er een poosje in houdt, maar het
is een gemakkelijke wijze om een duidelijk verschil te maken. In
wat ik heet water noem sterven nagenoeg alle planten en ook vele
randwieren. Maar daarin kunnen de draadwieren leven en wel tot graden,
die soms vrij dicht bij het kookpunt van water komen. Dit kookpunt
is hier trouwens, zooals ik reeds zeide, veel lager dan bij ons. Het
is dus een zeer bizondere en in het plantenrijk zeldzame eigenschap,
die de draadwieren in staat stelt in dit heete water te leven.

De randwieren verdienen dien naam om de wijze waarop zij groeien. Deze
groei toch is de oorzaak van de geheele formatie en vooral van het
ontstaan van terrassen. De wieren groeien op den bodem der vijvers
als erwtgroote geleiachtige vlokken, soms iets grooter wordende en
gekleurd al naar gelang van de soort. Hier en daar zag ik die vlokken
aan de oppervlakte drijven, tengevolge van kleine gasbelletjes, die de
zuurstof bevatten, welke zij uit het koolzuur vrij maken. Soms hangen
zij in een dichte laag tegen het watervlak aan. Ik zag dit vooral in
Bathing lake, dat een vrij groot meertje is, waarvan de heete bron
op een plaats aan den rand ligt. Op de meest verwijderde plaatsen is
het water dus vrij koel en gaat de ontwikkeling der wieren langzaam,
zoodat men de verschillende processen goed kan volgen.

Zet nu zulk een wierkogeltje kalk af, doordat het het oplossingsmiddel
der kalk, het koolzuur verbruikt, dan wordt het allengs zwaarder en
zinkt het op den grond. Zinkt het diep, dan zal het de voorwaarden
van zijn groei moeilijker vinden; is de plaats ondiep, dan zal het
sneller groeien. Dit groeien bestaat dus in dubbele werkzaamheid van
grooter worden en verharden. De meest ondiepe plaatsen zijn natuurlijk
bij den rand, en zoo ontstaat langs den rand een soort van levende
wal, die voortdurend groeit. Men heeft berekend, dat zulk een wal
omstreeks 1 cM. in een maand hooger kan worden. Dit zal ten slotte er
toe leiden, dat de rand boven het water gaat uitsteken. Maar de bron
voert voortdurend meer water aan, en dus zal het water over den rand
heen vloeien. Aanvankelijk is dit voor den groei van den rand gunstig,
maar de rand kan onmogelijk overal even hoog blijven. Zoodra de lijn
ongelijk wordt, vloeit het water bij voorkeur of uitsluitend over de
lagere gedeelten, en zoo worden deze verhoogd. Op die wijze worden
verschillen in de hoogte van den rand steeds door den groei der wieren
zelven vereffend en groeit dus ten slotte de rand gelijkmatig omhoog.

Tevens groeit de rand sneller dan de wieren op den bodem van
den vijver en dit heeft ten gevolge, dat de vijver allengs dieper
wordt. Feitelijk wordt hij niet dieper, daar zijn bodem steeds hooger
wordt, maar aangezien de rand sterker toeneemt, wordt toch de waterlaag
langzamerhand dikker.

Dit beginsel van randvorming ziet men op de terrassen van de Hot
Springs overal en in alle graden ontwikkeld. De meest eenvoudige en ook
meest algemeene wijze is de vorming van verheven ribbels. Vloeit het
kalkhoudend water over een zachte helling omlaag, zoodat het nergens
blijft staan, dan bekleedt zich die helling geheel met de beschreven
wieren. Eerst gelijkmatig, maar weldra uit zich de neiging om randen te
maken en groepeeren zich de wieren in kronkelende en ineenslingerende
lijnen, die het oppervlak in kleine mazen verdeden. Deze mazen zijn
dikwijls kleiner dan een gulden, en altijd smal en links en rechts
in punten uitloopend, want de dammetjes staan dwars op de richting
waarin het water vloeit. Dit is juist de grondslag voor het maken van
randen. Men kan gerust zeggen dat de geheele rotsmassa, die eenige
bunders bedekt, met dit fijne netwerk overtrokken is. Men ziet het
overal, waar het water in een dunne laag over de oppervlakte stroomt,
hetzij deze zwak helt of steil omlaag gaat of zelfs een vertikalen wand
vormt. Men ziet het in allerlei kleuren, meestal bruin en roodbruin,
soms in de verschillende tinten van groen.

Waar thans geen water vloeit, heeft dit vroeger gevloeid en is
de oppervlakte met dezelfde ribbels dicht bedekt. Het is als een
soort van fluweel. Blijft een gedeelte echter lang droog, dan slijt
het oppervlak, deels door regen, deels door plantengroei, deels,
en misschien vooral, door de menschen die er op loopen. Het wordt
dan tot een krijtwitte, poederachtige massa. Maar dit slijten gaat
niet zoo snel, of overal vindt men langs de voetwegen en ook er op,
de sporen van de opstaande randen.

Het is gemakkelijk te begrijpen, hoe een rand allengs in een terras
verandert. Het doet er niet toe hoe groot de vijver is, maar de meeste
dier vijvertjes zijn slechts enkele vierkante meters groot. Vloeit
nu het water nu eens hier dan weer daar over den rand, dan is de
rand de plaats van den snelsten groei. Het water wordt er als het
ware even opgehouden door de glibberige, geleiachtige wiermassa,
die er de kalk en het koolzuur grootendeels uithalen. Dan vloeit het
water over den rand heen, loodrecht naar omlaag en dus veel sneller;
daarenboven heeft het niet meer zooveel kalk in oplossing. De groei
der wieren over die loodrechte vlakten gaat dus slechts langzaam,
en terwijl de rand jaarlijks zeer merkbaar hooger wordt, groeit de
wand onder hem haast niet aan. Men ziet nu, hoe dientengevolge de
rand vertikaal omhoog groeit, en dit is dan ook een algemeen karakter,
zoowel voor de tallooze handhooge randen, die overal op de hellingen
voorkomen, als voor die eigenaardige terrasvorming, die zoozeer de
aandacht trekt. Horizontale terrassen met vertikale wanden staan
boven elkaar op de oude heuvelhelling, die zij in een reuzentrap,
met treden van een meter en meer veranderen. Maar elk terras is een
vijvertje, dat wel allengs zijn bodem met nieuwe kalkwierlagen bedekt,
maar toch, zoolang alles levend blijft, met water gevuld blijft.

De vertikale wanden van die terrassen zijn soms uiterst fraai. Meest
wit of zeer licht bruin, omdat de groei der wieren er slechts
langzaam is, en altijd met de tallooze dwarsribbeltjes bezet, die van
nabij beschouwd week en bros, d.w.z. geleiachtig en met kalkkorrels
doortrokken, en niet zelden rose van kleur zijn. Soms is de loodrechte
wand overigens vrij vlak, soms echter ook gevormd als een orgel, met
tallooze pijpen, of liever als een reeks van afhangende stalactieten
op dunne en steile stalagmieten rustende. Want in hun midden vertoonen
deze kolommen dikwijls eigenaardige versmallingen.

Hier en daar ziet men de levende, nog vochtige terrassen met de warme
bron of groep van bronnen die ze voedt, alles nog in vollen groei en
in krachtige werking. Deze zijn het voornamelijk, die met bizondere
namen worden aangeduid, en waarheen de bezoekers bij voorkeur worden
geleid. Maar er zijn tallooze terrasvormingen die geheel droog en
dood zijn, en waarin de vijvertjes nu eens nog diep, dan weer met
afval en stuivende kalk aangevuld zijn. Ook slijten de wanden en
de randen allengs, en gaat dus het fijne en sierlijke op den duur
verloren. Heeft men eenmaal echter het verband tusschen die droge
en de nog vochtige terrassen goed begrepen, dan vindt men dezelfde
formatie op dezen geheelen berg telkens en telkens weer terug.

Het warme water komt door spleten in de onderliggende rotsen
omhoog. Elk gesteente is min of meer gespleten, maar het vermogen
van water, om zoo het voldoende koolzuur bevat, een overeenkomstige
hoeveelheid kalk op te lossen, maakt hier de spleten waarin het water
loopt allengs wijder. Het worden geheele kloven en grotten. Trouwens
alle kalk die hier op de oppervlakte wordt afgezet, moet ergens in
de diepte zijn opgenomen. Vloeit het water nu uit zulk een spleet,
hetzij in een vijver, hetzij over een helling, dan ondergaat die spleet
voortdurend verandering. Want het oplossen van kalk verbrokkelt het
gesteente, en doet blokken invallen. Zoo kan men zich voorstellen
dat vroeg of laat een spleet verstopt raakt. Het water moet dan een
anderen uitweg zoeken; de formatiën van de vroegere spleet drogen uit
en groeien niet meer, en elders beginnen nieuwe zich te vormen. Dit
kan natuurlijk gebeuren buiten het tegenwoordige gebied der gewone
werkzaamheid, en dan krijgt men zulke geïsoleerde kraters als bv. den
oranje-geyser, dien ik straks nader beschrijven zal. Of het gebeurt
binnen het oude gebied, en de afgezette lagen worden door nieuwe
barsten geopend.

Daartoe bestaat trouwens alle gelegenheid. Want de werkzaamheid der
randwieren leidt niet tot de vorming van een compacte rotsmassa, maar
tot het ontstaan van dunne, meest niet meer dan vingerdikke schalen
en lagen. Overal waar de grond afbrokkelt kan men dit zien. Het is
waarschijnlijk een gevolg van de periodische werkzaamheid, die zelf
weer een gevolg is van het feit dat het water over den wierenrand nu
eens hier en dan weer daar overvloeit.

De beschreven oorzaak moge de meest algemeene zijn voor de kleine
spleten tusschen de schalen, voor de grootere en zeer groote spleten
geeft zij geen voldoende verklaring. Deze moet gezocht worden in de
neiging der randwieren om niet alleen vertikaal omhoog te groeien maar
ook horizontaal over den vijver heen zich uit te breiden. Drijvende
wiertjes aan den rand, die niet gaan zinken als zij zich met kalk
beladen, maar aan den rand aansluiten en met dezen allengs vast
worden, zijn het begin van deze vorming. Zij groeien op de wijze
van die paddestoelen, die men zoo dikwijls uit rottende boomstammen
ziet uitgroeien als platte korsten met een opbouw uit evenwijdige
kringen. Hun rand is dan de laatste en jongste kring. Zoo is het
ook hier. Dezelfde zonen ontstaan, met een witte rand en bruine
binnenkringen in allerlei tinten. Op Minerva-terrace ziet men een bron,
als een helderen blauwen en vrij diepen vijver, door een aantal stellen
van zulke horizontaal groeiende randen omgeven; de meer verwijderde
zijn ontstaan, toen het water nog hooger stond, en die aan het water
grenzen natuurlijk het laatst.

Deze horizontale groei neemt nu soms zeer aanzienlijke afmetingen
aan. Ik zag daarvan verscheidene bewijzen. Het fraaist was echter een
warme bron, vóór en lager dan het Minerva-terrace. Het water was weder
helder en donker blauw, de vijver had verscheidene meters in omtrek
en in zijn midden borrelde het kokende water omhoog. Maar dat midden
was volgegroeid, er stond een kleine krater met een centrale holte
waaruit stoom en water kwamen. Rondom was die krater ver uitgegroeid
tot een vlies, dat over het water zich uitbreidde. Aan de eene zijde
had dit vlies den rand van den vijver al bereikt. Gelukkig was alles
nog overvloeid en in vollen groei, in witte en bruine en groene
kringen. Want het was een broos oppervlak, dat bij betreden in zou
zakken en plaats maken voor het kokende vocht. Doch het betreden van
al deze natuurwonderen is verboden.

Aan de andere helft van dezen vijver was het middenvlies over het
water heen tot bijna aan den rand gekomen, een waterlijn van 10-40
cM. breedte vrij latend. Door deze lijn heen kon men in de diepte
kijken, en ook de groene vlokken van wieren aan de onderzijde van
het vlies zien.

Het vlies was aan den rand nog papierdun, doch naar het midden toe
veel dikker, het groeide van boven en van onderen gelijkmatig aan,
en het scheen niet lang meer te behoeven te duren, voordat deze vijver
rondom gesloten zou zijn.

Wordt nu vroeger of later de toevoer tot zulk een bron afgesloten, dan
blijft de spleet. In grootere vijvers kunnen zulke spleten veel langer
worden. Overal in het droge gesteente vindt men die spleten. Hier
en daar zijn ze ingetrapt of door een andere oorzaak geopend zoodat
men ze zien kan. En van zeer kleine tot zeer groote spleten ziet
men alle overgangen. Overal vindt men ze, meest in schuine richting
omlaag gaande. Cupid's Cave is zulk een spleet, die zijdelings in
een loodrechten wand wijd openstaat, en Devil's Kitchen is er een,
die ik reeds genoemd heb en die enkele tientallen meters lang is en
omstreeks 13 meter diep. Van ons gezelschap klommen een aantal personen
langs ladders in deze spleet af, die juist wijd genoeg daarvoor was. In
zulke spleten is onderaan niet zelden een koolzuurrijke lucht aanwezig,
die vogels en andere dieren kan doen verstikken en op bepaalde bronnen
van koolzuur wijst. Trouwens koolzuuruitwasemingen uit den grond gaan
zeer dikwijls met vulcanische werkingen gepaard.

Hoe dik de kalkafzettingen van deze wieren zijn, vond ik niet
opgegeven. Gewoonlijk meent men, dat de geheele berg zóó ontstaan
is, en overal in den omtrek vindt men sporen van denzelfden bouw uit
dunne lagen en schalen. De afzettingen liggen echter op het uiteinde
van een uitlooper van een heuvelenreeks, en zijn dus waarschijnlijk
op een heuvelkam ontstaan.

Om op de vliesvorming op de oppervlakte van het water terug te komen,
merk ik op dat dit vlies, zoover het met het heete water in aanraking
is, bijna altijd geheel wit is. Dit wijst er op dat het niet de
randwieren zijn, die het grootste aandeel aan den snellen groei van
dit vlies hebben, maar de draadwieren. Men ziet dan ook dikwijls een
draderige structuur, de draden loopen evenwijdig en naar den rand toe,
zoodat de lengtegroei van elken draad tot de voortzetting van den
rand bijdraagt. Op enkele plaatsen zag ik zoo van één punt uitgaande
een waaier van draden over de oppervlakte uitstralen. Of liever over
wat de oppervlakte geweest was, want de watertoevoer was, tijdens
mijn bezoek, zoo klein, dat het vijvertje droog was. De bodem was
vlak en bezaaid met koraalvormige wiergroepen, wit van de kalkmassa
waarin zij zich gedompeld hadden. Het waaiervormige dradenvlies lag
rustig op die koraaltjes. En dicht er bij waren dergelijke vormingen,
deels jonger en nog bevloeid en groeiend, deels ouder en ten deele
vergaan. Zulke fijne vormingen moeten wel vernietigd worden als zij
door een hagelbui met grove hagelsteenen getroffen worden, zooals
op den avond na mijn bezoek. En eveneens moeten de herhaalde heftige
regens en onweersbuien veel tot het afslijten bijdragen.

Vele spleten zag ik in de droge gedeelten. Maar een aantal vond
ik ook op de bevloeide plaatsen, en dan daalde het water in een
dikken stroom in de spleet af, om in den ondergrond te verdwijnen,
en waarschijnlijk, met nieuwe kalk beladen, elders weer voor den dag
te komen. Zoo bijvoorbeeld aan Marble-terrace.

De fraaiste vijvers zijn die van het Jupiter-terrace. Het zijn
twee groote diepe vijvers van prachtig donker blauw water, dat zoo
heet is, dat het de boven beschreven dampen en nevels geeft, en dat
overal in de vijvers, die tientallen van quadraat-meters groot zijn,
de bodem en binnenranden zuiver wit zijn, en dus geen randwieren maar
slechts draadwieren bevatten. Over de randen vloeit het water deels
loodrecht omlaag, aan de andere zijde echter over een uitgebreide
vlakte, waar het groote terrassen met lage randen maakt. Hier koelt
het voldoende af, om den geheelen bodem zich met bruine en groene
wieren te doen bedekken. Vallen in zulke koelere vijvertjes naalden
of geheele takken van dennenboomen en roode ceders, dan worden die
allengs met wieren overgroeid en met een kalklaagje omkleedt evenals
bij ons in het meertje van Rockanje. Kunstmatig ingebrachte voorwerpen
kan men op deze wijze ook laten incrusteeren. Verderop is het water
soms zoover afgekoeld, dat grassen en lage soorten van biezen er aan
groeien kunnen.

De eigenaardige groeiwijze der randwieren geeft nog tot een ander
merkwaardig verschijnsel aanleiding, als namelijk de randen zeer hoog
worden. Het zijn de kegels en schoorsteenen. Kegels heeten zij als de
holte betrekkelijk klein is, schoorsteenen als die in verhouding tot
den rand groot is. De namen hebben betrekking op de droge toestanden,
maar men vindt dezelfde gevallen ook met een warme bron er in. Een
schoorsteen van omstreeks een meter hoogte wordt den toeristen
vertoond, en kegels ziet men op verschillende plaatsen.

Als de travertijnrotsen lang droog zijn en verweeren, herneemt de
plantengroei zijn rechten. Eerst komen gras en kleine bloemplanten,
daarna komen heesters en boomen, en geheele bosschen van den
Yellowstone-den (Pinus Murrayana) staan op dezen berg. Maar als zich
dan dicht bij en iets hooger dan het bosch een nieuwe spleet opent,
en haar heete water over den grond van het bosch uitspreidt, kan
zij het geheele bosch dooden. Niet door de warmte van het water,
want dat is op dien afstand van de bron voldoende afgekoeld om
onschadelijk te zijn. Maar omdat de grond met een verhardende korst
van kalk wordt bedekt, die ten slotte den bodem geheel van de lucht
afsluit zoodat daaronder de wortels sterven, en dus ook de boomen te
gronde gaan. Angel's terrace is een droevig voorbeeld van dit geval,
daar hier honderden groote dennenboomen geheel dood en kaal op den
kalkgrond staan. Soms bereikte de kalklaag hunne onderste takken,
maar soms liet zij den voet der wortels aan de stammen onbedekt,
zoodat men gemakkelijk zien kon, dat zelfs een zeer dunne laag
zóó moorddadig kon werken. Aan de randen van deze plaats zag ik de
stervende en half gestorven boomen, die een toenemende uitbreiding
van het euvel aanduidden. Merkwaardig vond ik het voorkomen van onze
gewone europeesche blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), die hier,
te midden van die vreemde verschijnselen en die geheel bizondere flora,
weelderig bloeiden en een aangename herinnering aan onze heiden boden.

In een der boschrijke valleien achter de heuvelengroep, waarop
de voornaamste bronnen der Mammoth Hot Springs gevonden worden,
staat een groote kegel van travertijn, die den naam draagt van
Orange-Geyser. Deze naam zou allicht doen vermoeden, dat men hier te
doen had met een formatie, zooals die in de eigenlijke geyserbassins
gevonden worden, en dat deze bron dus op dit gebied niet thuis
behoorde. Men zou meenen dat zijn wateren kiezelzuur bevatten en dus
sintel afzetten, terwijl de opgeloste stof in werkelijkheid hier
koolzure kalk is, evenals in alle bronnen van deze omgeving. Ook
springt de bron niet hoog op, zooals men het van een echten geyser
verwachten zou.

De kegel is stomp en van boven min of meer vlak. De kleur is aan de
eene zijde krijtwit, aan de andere bruin en grijs; de eerste zijde is
thans droog, en de kleuren der laatste worden door het overvloeiende
water onderhouden. Op den vlakken top bevindt zich een bekken met
water, in welks midden een bron kookt. Van uit het dal kan men dat
niet zien, maar men hoort het geluid duidelijk en ziet de dampen
opstijgen. Ik ben op een der bergen die het dal omgeven geklommen
om het bekken te zien; het neemt slechts een klein deel van de
topvlakte in.

Die bron schijnt uit een opening van een onderaardsche spleet te komen,
want aan de eene zijde van den hoogen kegel is een lage afzetting van
travertijn, die den vorm van een vlakken heuvelrug heeft, op zijn kam
een aantal kleine openingen en barsten dragend, waaruit heet water te
voorschijn komt. Die lijn is slechts een twintigtal passen lang, en
even groot is de afgezette kalkmassa, die links en rechts van haar den
grond bedekt. Deze formatie is vrij gelijkmatig van oppervlakte, zoodat
zij bijna overal door het afvloeiende water bevochtigd wordt. Het kwam
mij belangrijk voor, deze openingen nader in oogenschouw te nemen en
eenigszins uitvoerig te beschrijven, omdat zij veel kleiner zijn dan
die der meeste andere heete bronnen, en te zamen een typisch beeld
van den bovenrand van een onderaardsche barst geven.

De opening, die het verste van den hoofdkegel gelegen is, is zoo
groot als een vuist, en aan drie zijden met korsten van bruin en groen
verkalkt wier overgroeid; het water, dat er in vrij groote hoeveelheid
uitstroomt, is zeer heet. Vlak er naast staat een kegeltje met een
opening zoo wijd als een vinger dik is, maar dit is nu droog. Het water
uit de vuist-groote opening kookt met tallooze bellen op en vloeit
dan omlaag in een smal stroompje. Daarin groeien de witte of bleekgele
draadwieren in drie of vier bundels, wiegelend in den kleinen heeten,
snelvlietenden stroom. Men brandt zijn vingers als men de wieren er
uithaalt. Iets verder op vindt men zulke draden, die afgebroken en
dus weggevoerd zijn, maar tegen een scherpen hoek van den rand zijn
blijven hangen. Allengs koelt het water natuurlijk af, en weldra is
het zooveel lager in temperatuur geworden, dat de groene en bruine
wieren er in kunnen leven. Het beekje is dan breeder en minder diep
geworden, en loopt over korsten van levend travertijn in allerlei
kleuren, met een slijmerige, maar allengs verkalkende oppervlakte.

Volgt men de vermoedelijke barstlijn, dan vindt men, ongeveer een
meter verder en iets hooger op, een vingerdikke opening, waaruit
voortdurend groote damp-blazen komen, die de opening telkens
afsluiten. Er vloeit maar weinig water uit, doch ook daarin groeien
de witte draadwierbundels. Het water verspreidt zich dan en is juist
voldoende om een aanzienlijk deel der oppervlakte vochtig en warm te
houden. Daar groeien de bruine en groene korsten, nog geleiachtig
en bros, brekend bij het aanraken. Enkele voetstappen van vroegere
bezoekers maken er kleine meertjes, waarin het water blijft staan;
in de hoogste en warmste groeien de bleeke draadwieren, in de lagere
de bruine en oranjegekleurde soorten.

Een halven meter verder, op de overigens gesloten barstlijn, komt
weer een vuistgroote opening, die wat hooger op het heuveltje ligt,
en dus een sneller afvloeiend stroompje geeft. Die stroom is aan den
rand zwart, in 't midden draderig wit, beide door de wieren die er
in groeien.

Nu stijgt de heuvelrug sneller en over een afstand van een meter
liggen nog een vijftal dergelijke bronnetjes, elk met een wit of
zwart stroompje, omgeven door een bruinen rand. Hooger op de lijn
worden de vingergroote openingen talrijker en moeilijk te tellen, soms
vloeien zij tot groepen inéén. Maar de beekjes en afzettingen zijn
dezelfde. Een 25-tal zulke gaatjes liggen op een paar meter bijeen,
een smalle lijn vormend. Dan volgt een duimdikke bron, die zijn water
een hand hoog opspuit en in een bocht omlaag laat vallen. Rondom
de opening en de plaats waar het water valt, vormen zich korsten,
die aan den warmwaterkant wit, doch aan de andere zijde bruin zijn.

De groep der actieve bronnetjes wordt thans afgewisseld door een
onwerkzamen kegel, die een hand hoog boven het oppervlak uitsteekt,
en de meeste andere dus in grootte overtreft. Water kon ik in de
holte niet zien, doch ongetwijfeld was dit in de diepte voorhanden.

Op dezen kegel volgt een spuitbronnetje, dat zoo dik is als een pink
en door een gekorrelden rand omgeven. Het werpt groote druppels water
omhoog, die telkens met bellen kokenden waterdamp afwisselen. De
druppels vallen buiten den rand op de kalkafzetsels, die daar en vlak
langs den rand wit zijn, maar op zeer kleinen afstand eene bruine
kleur aannemen. Want daar helt het oppervlak sterk en vloeit dus het
water snel in een dunne, verkoelde laag weg.

Nu komen weer, altijd in de richting van den geyserkegel, een
tiental vingerdikke gaten waarin het water kookt; zij vormen een
kleine groep met een gemeenschappelijken rand, die echter aan de
eene zijde van onderen gebarsten is, zoodat het heete water niet
over, maar onder den rand afvloeit. Het is een handbreede spleet,
die een even breed stroompje geeft, dat weer een zwarten bodem heeft
en vol is met slingerende, bleekgele draden. Aan de randen groeien
allengs korsten van bruine en witte wieren over het water heen; zij
groeien van onderen sneller aan, daar zij aan de bovenzijde dikwijls
droog worden, en hechten zich dus meer en meer aan de onderlaag vast,
de bedding van den stroom vernauwend.

Eindelijk volgt nog een veel grootere opening. Het is een kegel zoo
groot als een hoofd, die van boven en aan de eene zijde open is,
en waaruit een breede stroom van heet water omlaag vloeit. Zwarte
vliezen en witte draden wisselen elkaar in dit water af, terwijl
allerlei fijne koraalvormige gewassen zich aan den voet van den
kegel in het warme water bevinden. Verder op wordt de bodem van dezen
stroom breeder en licht roestbruin van kleur, en bedekt hij zich met
tal van wierlijsten en van lepelvormige uitsteeksels, die het water
plaatselijk en tijdelijk tegenhouden, een ontelbare menigte van kleine
bekkentjes vormend.

Boven dezen langen en breeden rug verheft zich de eigenlijke
geyser-kegel nog drie meter hooger. Aan de beschreven zijde vloeit
overal een dunne laag heet water over den rand, zwarte en witte en
bruine strepen vormend, al naar gelang der wiersoorten. De bovenrand
is afgerond door het overvloeiende water; daaronder vormen zich
stalactieten, die als ribben vertikaal omhoog loopen. Dan volgt een
gedeelte waar de kegel minder steil is, en hier hebben zich vooral
de randwieren genesteld, tal van terrassen, elk met een vijvertje,
vormend. Sommige dezer terrassen zijn ook reeds volgegroeid en
het water vloeit eenvoudig over den rand van het horizontale vlak
heen. Soms zijn deze terrassen groot, en telt men er slechts een
tiental boven elkaar, soms zijn zij kleiner en vindt men er twintig
en meer bij dezelfde daling. Overal is de geheele oppervlakte met de
kronkelende dwarsribben der bruine wieren dicht bedekt. Het is als
het ware een fijngolvende bodem onder de dunne waterlaag.

Aan de tegenovergestelde zijde, de noordzijde van den kegel, vloeit,
zooals ik reeds gezegd heb, tegenwoordig geen water meer af; hier
en daar zijn zelfs groote stukken er uit gevallen, zoodat men iets
van de inwendige structuur zien kan. Daarbij blijkt, dat de opbouw
voortdurend ongeveer op dezelfde wijze heeft plaatsgevonden, waarop nu
de afzetting aan de oppervlakte nog voortgaat. Want de massa bestaat
uit vingerdikke schalen, die los en met smalle tusschenruimten over
elkander liggen. Die tusschenruimten correspondeeren met de perioden,
waarop dat gedeelte van het oppervlak droog was, terwijl de schalen
natuurlijk des te dikker zijn, naarmate de plek langer onafgebroken
bevloeid geworden is. Bij het drogen is de donkerbruine kleur der
vochtige en levende massa in een licht geelachtig bruin veranderd.

Rondom de beschreven formaties is een uitgebreid afvloei-terrein voor
het water. Op dit terrein is alle vegetatie van andere planten dan
wieren gedood, en het is met een travertijnlaag bedekt, die vlak bij
den kegel vrij dik is, maar naar de randen toe dun uitloopt. Vlak
langs den rand groeien echter allerlei planten, zoodat men precies
zien kan, hoever de afzetting gegaan is. Onder die planten, die de
oorspronkelijke flora van het dal vertegenwoordigen, komt vooral
een lage soort van gulden roede vrij veelvuldig voor. Trouwens het
geslacht der Solidago's of gulden roeden is in het geheele park, en
verder over al de prairiën van het westen, aan de oostzijde der Rocky
mountains, een der meest algemeene, zoowel wat rijkdom aan soorten,
als wat de onafzienbare millioenen van individuen betreft. Verder
vindt men langs den rand blauw bloeiende vlassoorten, gele Sedums,
kleine Asters (een geslacht, dat in Amerika even rijk vertegenwoordigd
is als de gulden roeden), immortellen, en aan den boschkant de kleine
moeras-zonnebloemen.

Zoover de kalkafzetting gaat, zijn ook de boomen gedood. Het zijn
de reeds genoemde "red cedars," een soort van jeneverbessen, die
hier overal veelvuldig groeien. Rondom den voet van den kegel staan
die boomen in groepjes, tot manshoogte en meer opgegroeid en op de
armsdikke stammen rijk vertakt. Maar thans zijn zij zonder loof,
geheel dor en kaal, en ten deele is reeds de schors afgestorven
en afgevallen. Uit den kegel zelf steken de toppen van een zestal
zulke stammen nog omhoog; zij moeten reeds eeuwen geleden, in het
begin der formatie, gedood zijn, en zijn sedert langzamerhand onder
de aangroeiende travertijn-massa bedolven geraakt. Wat daarboven
uitsteekt is kaal en bestaat alleen nog maar uit de dikste takken;
al het overige is vergaan, en ook de schors is sedert lang verdwenen.

Zijn deze stammen een treurig getuigenis van den strijd tusschen de
kalkwieren en het oorspronkelijke bosch, iets verder op kan men dezen
strijd nog in vollen gang zien. Hier zijn de roode ceders ten deele
nog groen en vol bessen, ten deele dor en droog. Aan sommige is het
gelukt den kalkhoudenden stroom tijdelijk af te wenden; de voorste
stammen zijn in den strijd gevallen maar zij hebben de overige van
het groepje beveiligd. Als een eilandje ligt zulk een plekje in den
versteenenden stroom, en allerlei kleine planten hebben van de geboden
beveiliging gebruik gemaakt, de plek tot een groenende en bloeiende
oase in de kleine woestenij makend. Vooral een soort van distel en
de Smilacina, die later in het najaar uiterst sierlijke trossen van
roode besjes zal dragen, troffen mij hier, tusschen de zooeven reeds
genoemde planten van den rand.

Behalve de roode ceders, die den kegel omgeven, ziet men aan de nu
droge voorzijde een paar hooge dennenstammen, wier voet ook reeds
door het travertijn overdekt is, en die dus geheel dood zijn. Als kale
pilaren met wijduitgespreide takken reiken zij boven den heuvel omhoog.

Het is duidelijk, dat deze geheele formatie van de vlakte van het
dal uit is opgewerkt. Er moet zich in het bosch een onderaardsche
spleet gevormd hebben, die in verband stond met de watermassa,
die hier van uit de hooge bergen naar het eigenlijke terrein der
Mammoth Hot Springs vloeit. Uit die spleet is het kalkhoudende water
te voorschijn getreden, rondom kalk afzettend en de oude vegetatie
doodend. De spleet moet ontelbare jaren en wellicht eeuwenlang op
dezelfde plaats werkzaam zijn geweest, met één hoofdopening, die den
grooten kegel gevormd heeft, en met een reeks van kleinere voor het
vlakke heuvelrugje, dat ik beschreven heb.

Rondom heeft het dal den gewonen vorm, en zijn de hellingen met de
gewone dennensoort dezer streek meest dichtbegroeid. In het dal is de
beschreven spleet echter niet de eenige uitlaat voor het heete water
geweest. Want een honderdtal passen verder op ligt een tweede kegel,
veel lager en veel vlakker en breeder, maar zuiver kegelvormig. De
hoogte bedraagt slechts een meter, maar de straal is verscheidene
meters lang. In het midden, dus op den top van den vlakken kegel,
ligt een uitgedoofde bron. Het is een kommetje vol water, iets kleiner
dan een gewone waschkom. Dit water is lauw, en dus afkomstig van de
onderaardsche spleten; ook ziet men in den bodem van het bekken een
drietal gaten, waaruit dampen en luchtbellen omhoog bobbelen. De bodem
van dit kommetje is met roodbruine wiervlokken bedekt, en dezelfde
wieren, doortrokken met kalk en uitgedroogd, vormen klaarblijkelijk
de geheele massa van den kegel, blijkens de lichtgrijze kleur.

De geheele, vlakke kegel is kaal, maar toch begint de plantengroei
hier en daar zijne rechten weer te laten gelden, en mossen, grassen,
enkele gulden roeden en wolfsmelken met nog een paar andere soorten
hebben al enkele punten vermeesterd, om van daaruit zich allengs uit
te breiden. Ook een immortelle zag ik er bloeien. Op de oppervlakte
van den kegel ziet men nog duidelijk de sporen van de gekronkelde
wierranden, die eenmaal ook deze formatie terrasvormig gemaakt moeten
hebben. Maar het meeste is toch reeds tot puin en poeder vergaan,
wellicht grootendeels door belangstellende bezoekers vertrapt.

Ook elders in de vallei zijn nog sporen van bronnen of onderaardsche
spleten wier wanden zijn ingevallen, zoodat men dus in de diepte
zien kan.

In een naburig dal had ik de gelegenheid nog beter te zien hoe zulk
een travertijn-massa er van binnen uitziet. Daar vond ik een kegel,
juist zooals die van den Orange-Geyser, maar klaarblijkelijk sedert
lange jaren droog en onwerkzaam. Hij is drie meter hoog, van boven niet
merkbaar veranderd, maar zijdelings afbrokkelend. Deze geheele kegel
bestaat uit meest vinger dikke schalen, die van boven bijna horizontaal
liggen maar dan ombuigen en loodrecht omlaag gaan. Zij zijn zoo los
aan elkander verbonden, dat zij afbladeren en afschilferen. Op zijn
buitenvlak vertoont elke schaal een stalactietachtige structuur, en
waar de schalen dwars doorgebroken zijn is de inwendige massa helder
wit en grof-poreus. Sommige schalen zijn zoo dun als bordpapier,
andere dikker, tot vingerdikte toe. Plaatselijk is de buitenvlakte van
den geheelen kegel nog goed bewaard, vooral aan sommige zijden aan
den voet, en hier ziet men haar bedekt door tallooze dwarsloopende
ribbels, die thans grijs en droog zijn, maar die klaarblijkelijk
door de bruine randwieren zijn gemaakt. Hoeveel eeuwen de wieren aan
dezen kegel gebouwd hebben, is moeilijk na te gaan, maar alles pleit
er voor, dat zij van den beginne af tot aan het einde op dezelfde
wijze werkzaam geweest zijn. Uiterst eenvoudige beginselen brachten
ook hier een rijke afwisseling in vorm en structuur teweeg.



II.

DE GEYSERS.


Verlaten wij thans de warme bronnen van Mammoth Hot Springs met
hunne terrassen van kalksteen, om tot de eigenlijke geysers over te
gaan. Deze liggen in het algemeen in de dalen tusschen de vulkanische
gesteenten, en hunne afzettingen bestaan dan ook niet uit kalk maar in
hoofdzaak uit kiezelzure gesteenten of silicaten. Deze formatie heet
hier geyseriet, in tegenstelling met het travertijn der beschreven
warme bronnen.

Hoogopspringende bronnen ziet men op het kalkterrein niet. De geysers
zijn echter juist het meest bekend om de enorme hoogten waartoe
sommige van hen het kokende water opwerpen.

Vanwaar die kracht, die stoom en water zoovele honderden meters omhoog
kan werpen? Vanwaar dat vermogen, om een schijnbaar volkomen rust
plotseling af te breken, om zulke geweldige verschijnselen voort te
brengen, en dan weer, als of niets gebeurd ware, tot de vroegere rust
terug te keeren? Het is de inwendige warmte der aarde, die dit teweeg
brengt. Het zijn eenvoudig verschijnselen van koken, maar onder zeer
bizondere omstandigheden. In een gewonen ketel bruist en borrelt en
spat het water op. Kon op een of andere wijze plotseling het koken
versneld worden, dan zou ook het opspatten van waterdruppels plotseling
toenemen, zij zouden talrijker en hooger opgeworpen worden. Zoo moet
men zich de geysers voorstellen. Enkele komen uit een diepe spleet,
waarin men tijdens de rust het water niet zien kan, maar kort vóór
de uitbarsting komt het toch omhoog. De meesten echter komen uit
een kleinen kom of vijver, die tot aan den rand toe gevuld is met
water. Een volkomen helder, maar donkerblauw water, dat in schoonheid
en aantrekkelijkheid voor dat der andere warme bronnen van het park
niet onderdoet.

Men kan veilig zeggen, dat tusschen de voortdurend kokende bronnen
en de machtigste geysers in de bassins van het Yellowstone-park alle
overgangen voorkomen. Daarbij geldt de regel, dat gewoon kokend
water betrekkelijk slechts weinig opspat, maar dat het opwerpen
van hooge zuilen samenhangt met periodische rust. Hoe zeldzamer het
opspatten is, des te hooger en des te machtiger kan het worden. De
meest bekende geyser is de Old Faithful, die dien naam draagt, omdat
hij, zoolang als men hem kent, nog nooit aan zijne belofte ontrouw
geworden is. En die belofte, afgeleid uit een lange ervaring, is dat
hij telkens, na ruim een uur, weer zal beginnen te "spelen," zooals
de locale term luidt. Alle andere hoog opspuitende geysers van deze
streek zijn zeldzamer in hun uitingen, zij werken elken dag eens,
of om den anderen dag of om de 4 of 5 dagen. De tusschenpoozen van
rust zijn wel ongeveer gelijk, voor elk van hen, maar toch niet zóó,
dat men juist vooruit kan zeggen, wanneer het spel beginnen zal. Voor
den reiziger, die op elk bassin slechts eenige uren vertoeft, hangt
het dus geheel van het toeval af of hij de verschijnselen zien zal
of niet. Maar de Old Faithful laat hem nooit in den steek.

Vlak bij dezen geyser, op een afstand van omstreeks 300 Meters, is het
hôtel gebouwd, dat zijn naam in de curieuse combinatie draagt. Het
heet Old Faithful Inn, een naam, dien, buiten verband met de bron,
menige Inn benijden zou. Het spel begint met het opstijgen van heet
water uit de spleet en het overvloeien van groote hoeveelheden daarvan,
terwijl voortdurend aanzienlijke hoeveelheden stoom in groote wolken
in de lucht ontwijken. Heeft dit eenige minuten geduurd, dan begint
het water sterker op te spatten, meters hoog en in verschillende
richtingen schuin opstijgend, totdat ten slotte een zuil van wel
twee voet in doorsnede tot een hoogte van 40-50 M. met geweldige
snelheid omhoog stijgt. Deze zuil is echter, zoover ik zien kon,
geen massieve waterkolom, maar gevormd uit een onnoemelijk aantal
grootere en kleinere druppels. En de hoeveelheid water, die terstond
daarna omlaag valt en den geheelen geyserkegel overdekt, komt met
deze voorstelling goed overeen. Een uitvoerige beschrijving van dezen
geyser en zijn spel zal ik echter eerst later geven.

Juist op dezelfde wijze werken de talrijke geysers die met
tusschenpoozen van een kleiner of grooter aantal minuten
opspuiten. Hier kan men alles meer van nabij en dus nauwkeuriger
zien. Een, twee of drie meters spat het water op. Zorgt men dat
men ten opzichte van de windrichting ter zijde staat, zoo kan men
soms veilig vlak aan den rand blijven staan. Onder den wind zou men
natuurlijk door de heete stoomdampen omhuld worden, zonder snel genoeg
een uitweg te kunnen vinden. Men ziet ook hier geen eigenlijke zuil
van water. Uit de diepte van den helderen vijver stijgen plotseling
groote stoomblazen in geweldig aantal op. Zij werpen het water dat
boven hen is, en dat zij meevoeren met kracht omhoog, maar doen het
daarbij snel en volkomen uiteenspatten.

De Ginantess [20] speelt om de 12 uren, de Sawmill [21] 5 of 6
maal daags, de Giant [22] eens in de week, de Castle [23]-geyser
met tusschenpoozen van omstreeks 30 uren, en zoo zou men voor al de
grootere geysers een lijst van hunne werkzaamheid kunnen geven. De
Giant, die het zeldzaamst werkt, is ook de hoogste, zooals zijn naam
trouwens aanduidt; zijn water wordt tot ruim 80 Meter hoog opgeworpen,
dus bijna de dubbele hoogte van Old Faithful.

Door dit overzicht van de kracht der uitbarstingen in verband met de
lengte van de perioden van rust, komen wij tot de voorstelling, dat de
machtige geysers gedurende die perioden eenvoudig hun kracht opsparen
en ophoopen, om die dan, in den korten tijd van enkele minuten, op
veel grootschere wijze te kunnen gebruiken. Als van zelf ontstaat
dus de vraag, op welke wijze zij dit ophoopen kunnen tot stand brengen.

Natuurlijk kan men in het inwendige der aarde niet gaan kijken, hoe
het water daar eigenlijk kookt, noch ook hoe de ketel of ketels er
uit zien, waarin dit gebeurt. Kon men door boringen zoo dicht bij de
bronnen komen, dan zou men toch waarschijnlijk hun regelmatige werking
storen. Men moet dus uit gewone natuurkundige verschijnselen, in
verband met den bekenden bouw der gesteenten, en den gewonen loop van
het water, dat in artesische putten en in overeenkomstige natuurlijke
bronnen omhoog komt, trachten een voorstelling af te leiden.

Zulk een voorstelling heeft de groote scheikundige Bunsen ontwikkeld
en door laboratorium-proeven gesteund. Zij heeft algemeenen bijval
gevonden, en hoewel door lateren hier en daar in de uitwerking wat
veranderd is, is het beginsel toch steeds hetzelfde gebleven. Zoo groot
is de vereering, die de bewonderaars der geysers voor Bunsen hebben,
dat een der hoogste en fraaiste bergtoppen van het Yellowstone Park
naar hem genoemd is. Het is de Bunsenpeak, de hoekige pyramidale
berg, die vlak achter de Mammoth Hot Springs en tegenover de
Terrace-mountains staat. De groote zijweg gaat tusschen hem en deze
bergen door, en mijlen lang rijdt men rond om zijn voet, met het
volle uitzicht op zijn rotsen en bosschen.

Om mij echter niet te zeer in theoretische beschouwingen te begeven,
zal ik beginnen met een korte schets van de beweging van het
water in den grond in gewone gevallen. Ik knoop daarbij aan aan den
gedachtengang, dien ik reeds bij de bespreking der travertijn-bronnen
van Mammoth Hot Springs gegeven heb.

Overal waar een kunstweg in het gesteente van een gebergte is
uitgehouwen kan men zien, dat die steen niet gaaf is. Altijd is
hij door spleten en barsten in verschillende richtingen in stukken
gebroken. Men beweert dat nergens op aarde, noch aan de oppervlakte,
noch in de diepte, een volkomen gaaf rotsblok van kubieken vorm met
zijden van 3 Meters of meer zou te verkrijgen zijn. Die barsten zijn
onafhankelijk van den laagsgewijzen bouw en in het algemeen het gevolg
van plaatselijke opheffingen en verzakkingen. In het lava-gesteente
van het Yellowstone Park komt daarbij het feit dat de lava bij het
verkoelen natuurlijk sterk ingekrompen is. Zij is daarbij min of meer
regelmatig gebarsten, in het geval van de basalt zelfs zeer regelmatig
in de bekende zeszijdige zuilen.

In die barsten ziet men somwijlen op de rotsen, maar meer nog op de
zooeven bedoelde, bij het aanleggen van wegen kunstmatig gemaakte in-
en doorsnijdingen, de wortels der planten doordringen. Dit is een
studie op zichzelf, vooral omdat het een tastbare verklaring geeft
hoe het komt, dat zoovele planten op schijnbaar naakt gesteente of op
klaarblijkelijk uiterst droge hellingen leven kunnen. Meters ziet men
de wortels omlaag dalen, en waarschijnlijk gaan zij nog veel dieper,
maar de fijne takken en uiteinden zijn allicht beschadigd en gebroken
en dus niet meer waarneembaar.

Langs denzelfden weg sijpelt natuurlijk het regenwater in het gesteente
omlaag. Het moge in de humuslagen langeren of korteren tijd zijn
opgehouden, alles wat niet verdampt, of niet als beken langs de
oppervlakte afvloeit, zinkt weg in de spleten. Het verzamelt zich
in de diepte. Ging het gesteente met denzelfden bouw onbeperkt door,
allicht zou het water onbeperkt kunnen wegzinken. Maar de lava rust op
krijtlagen, en deze weer op andere formatiën. Storingen in de beweging
van het water moeten dus het gevolg zijn, en zoo de lagen eenigszins
hellen, zullen zij het water in bepaalde richtingen afvoeren. Zoo
ontstaan onderaardsche beken en stroomen en hun aantal en macht is
veel grooter dan men zich gewoonlijk voorstelt. Trouwens ook in ons
eigen land speelt die onderaardsche beweging van het water een groote
rol, een rol, die men thans, bij het aanleggen van waterleidingen
hoe langer hoe meer waardeeren en bestudeeren gaat.

Loopt nu een laag in een berg zóo, dat zij met haar laagsten rand in
een dal uitkomt, dan zal het water, dat over de laag heen vloeit, in
dit dal te voorschijn komen. Soms ziet men het rechtstreeks uit den
rotswand sijpelen, maar waar deze met een dikke humuslaag bedekt is
ziet men meestal, in het hoogste deel van het dal een klein moerasje,
van waaruit een beek omlaag stroomt. Vloeit geen zichtbare beek in dit
moerasje, dan is het duidelijk dat het door een of meer onzichtbare
stroompjes gevoed wordt; zijn er echter een of meer aanvoerbeekjes,
dan heeft de gewone beschouwer meest geen reden om ook nog aan
onzichtbare te denken.

Thans komen de artesische putten aan de orde. Hun water komt onder
drukking uit de diepte te voorschijn, het moet dus daar onder
drukking staan. De laag, die door talrijke en wijde spleten het
water gemakkelijk vervoert, moet van boven en van onderen aan minder
gespleten en minder doorlatende lagen grenzen. Evenzoo zijn het bij ons
vooral grint- en zandlagen, die als het ware ingesloten zijn tusschen
klei, die het water voor de opborrelende putten leveren. De put maakt
men in een dal, op grooteren of kleineren afstand van een gebergte-
of heuvelenreeks. Niemand zal verwachten dat in een put, geboord op
den top van een berg, het water tot aan den rand zal opstijgen. Want
terwijl de laag helt, is het het water in de heuvelen dat drukt op
dat in de vlakte, en waar men boort tracht het natuurlijk even hoog
op te stijgen, als het onder den heuvel staat. Het tracht eenvoudig
het evenwicht te herstellen, want de put en de laag vormen een stel
van communiceerende buizen, en eer het tot rust komt, moet het water
dus in beiden even hoog staan. Is dus de monding der put lager dan
de waterstand in den heuvel, dan blijft het water voortdurend vloeien
en de bron is schijnbaar onuitputtelijk.

In een zand- of grintlaag vloeit het water met een zachte helling
in een regelmatigen stroom. In een gespleten gesteente hangt de weg
geheel van de spleten af, en is dus uiterst onregelmatig. Dit heeft
nu voor den loop over groote afstanden wel niet veel beteekenis,
maar de aard van de uitmonding hangt daarvan natuurlijk geheel af. De
laatste spleet, die waaruit het water te voorschijn komt, kan rechtop
gaan of schuin of misschien bijna horizontaal liggen, en waar op het
gebied der geysers heete stoom uit spleten te voorschijn dringt,
zonder dat rondom de monding een vijvertje ontstaan is, ziet men
de spleten dan ook in alle richtingen hellen. Monden zij in een
vijver uit, dan kan men ze maar zelden zien, en liggen zij diep,
dan werken zij onder water allicht toch als vertikale openingen, ook
al zijn zij zeer schuin. Verder zullen de spleten natuurlijk nooit
overal even wijd zijn, maar hier en daar zullen wijdere gedeelten,
wellicht zelfs geheele grotten, met de nauwere spleten afwisselen.

Het spreekt van zelf dat het water, dat uren ver door bepaalde lagen
loopt, de temperatuur van die lagen zal aannemen. En komt het snel
genoeg aan de oppervlakte, dan zal het dus daar dien warmtegraad, ten
minste ongeveer, verraden. Nu is het Yellowstone-park in de laatste
geologische tijden voortdurend een terrein van uitgebreide vulkanische
werkzaamheid geweest, en moet men dus aannemen, dat de koude korst,
die hier de inwendige warmte bedekt, dunner is dan wellicht op eenige
andere plaats op aarde. Het water behoeft dus niet zoo heel diep af
te dalen om in lagen te komen, wier temperatuur boven het kookpunt
ligt. En het doorloopen van zulke warme aardlagen is klaarblijkelijk
de eenige bron voor de warmte van het heete water.

Hier komt nu een zeer belangrijke factor in het spel, namelijk de
afhankelijkheid van het kookpunt van water van de drukking. Iedereen
weet, dat op hooge gebergten het water bij een lagere temperatuur
kookt dan bij ons, al ware het ook slechts uit de ervaring dat het
koken van eieren in zulke streken langeren tijd vordert. Evenzeer
weet iedereen dat in een Papiniaansche pot [24] het water tot ver
boven 100° C. verhit kan worden, zonder tot stoom over te gaan. Het
is de grootere drukking, die dit belet. Passen wij dit nu toe op onze
onderaardsche stroomen, die op de beschreven wijze onder de zeer
aanzienlijke drukking van het grondwater in de omringende heuvelen
staan. Het zal dus bij 100° C. nog niet gaan koken, ja verscheidene
graden hooger verhit kunnen worden, zonder dit te doen. Het kan dus
een tijd lang in oververhitten toestand zich voortbewegen. Eindelijk
echter nadert het de openingen der spleten, en dus de plaats waar
geen overmaat van drukking er meer op rusten zal. Is het dan toch nog
warmer dan 100° C., dan zal het gaan koken, plotseling of langzaam,
al naar gelang van de wijze waarop het toestroomt. Bij den overgang
tot stoom zet het zich geweldig uit, en perst dus al het water dat
er boven staat voor zich uit.

Zoo ontstaan de kokende bronnen. In oververhitten toestand wordt het
water in een zeer langzamen stroom toegevoerd. Houdt dan de drukking
op, dan gaat het koken, en de stoom verhit het water in den vijver,
tot ook dit het kookpunt nadert, waarna de stoom, in grootere en
kleinere bellen ongehinderd doorgaat, bruisend en barstend aan de
oppervlakte komend. Veel kleine geysers, die heftig koken, voeren
alleen stoom en geen water omhoog, en men ziet hun rand dan ook niet
overvloeien; een van de grootere heeft zelfs, om het typisch zuinige
van dit verschijnsel, den naam van Economy-geyser ontvangen.

Zijn nu de onderaardsche spleten regelmatig, zoo zal de bron
gelijkelijk door blijven koken. Onregelmatigheden in de spleten kunnen
echter tot plaatselijke ophoopingen van stoom aanleiding geven. Een
gewelfvormige spleet, die alleen van onderen toe- en afvoergangen
heeft, zal zich b.v. allengs met stoom vullen, en deze zal onder de
drukking van de zuil water tusschen het gewelf en de oppervlakte
van den uitmondings-vijver staan. Langzaam neemt de stoom toe,
tot hij eindelijk de geheele holte vult. Ontstaat er nu nog meer,
dan moet deze ontwijken, en drukt dus de zuil water boven zich
weg. Men ziet den kraterrand overvloeien, meest schoksgewijze. Maar
stoom weegt minder dan water, en het wegpersen van de waterkolom
ontheft den stoom in het onderaardsche gewelf van den druk, die
hem daar samenperste. Plotseling zet hij zich geweldig uit, en
slingert nu alles wat nog in het te doorloopen kanaal gebleven was,
en misschien zelfs al het water van den vijver, met groote kracht voor
zich uit. In plaats van af te nemen, neemt de kracht op den weg toe,
daar de drukking vermindert. Zoo worden in weinige minuten nagenoeg
al de stoom en al het water hoog in de lucht opgeworpen.

Dan echter is de kracht gebroken. Wat in den vijver neerviel vloeit
thans kalm in de buis terug, en de onderaardsche aanvoer vult het
gewelf en de gangen met water. Langzaam begint de stoom zich weer
op te hoopen, tot hij eindelijk weer ontsnapt, onder dezelfde hevige
verschijnselen.

Uit deze door Bunsen gegeven voorstelling volgt nu als vanzelf,
dat spleten zonder zulke gewelven een regelmatig kokenden geyser
zullen geven, en dat de aanwezigheid van gewelven daarentegen de
periodische werking kan teweeg brengen. Hoe grooter de gewelven, des
te langer zal het duren voordat zij voldoende met stoom gevuld zijn,
en des te langer zullen dus de perioden van rust zijn. Maar des te
heviger zal ook de uitbarsting worden.

Men moet zich dus de toevoerbuis van elken geyser als een
onregelmatigen, langzaam schuin omhoog stijgenden barst voorstellen,
waarvan de onregelmatigheden nu eens zonder beteekenis, dan weer,
door de vorming van van boven gesloten gewelven, geheel beslissend
voor het verschijnsel worden.

In de verschillende spleten loopt het water meest onafhankelijk van de
overige, soms zelfs van zeer naburige bronnen. Dit blijkt allereerst
daaruit dat de vijvers op de hellingen van een heuvel op zeer ongelijke
hoogten plegen te liggen. Waren er communiceerende buizen, zoo zouden
de hoogere natuurlijk leegloopen en de lagere overvuld worden. Verder
blijkt het uit het feit dat de uitbarstingen van naburige geysers
van elkander geheel onafhankelijk zijn, de meest woeste uiting van
den een kan de volkomen rust van zijn buurman volstrekt niet storen.

Laat ons thans de heftige maar voorbijgaande werkingen verlaten,
om ons met de kalmere en schijnbaar onaanzienlijke, maar de eeuwen
trotseerende afzettingen rondom de geysers bezig te houden.

De geysers, en in dien naam zal ik thans gemakshalve de overeenkomstige
kokende bronnen mede begrijpen, liggen overal in de dalen van het
Yellowstone-park. Soms liggen zij eenzaam, meest zijn zij tot groepen,
enkele malen tot groote groepen vereenigd. In het laatste geval noemt
men het geheele dal een geyser-bassin, en het Norris-bassin, de Lower-,
Midway- en Upper- [25]bassins zijn daaronder de meest bekende. Maar
ook elders, zelfs aan de oevers van het Yellowstone-meer, vindt men
zulke bassins.

De term bassin is in zekere mate misleidend. Allereerst om de reeds
besproken onderlinge onafhankelijkheid der geysers en om het feit
dat er bijna nooit twee uit denzelfden vijver omhoog springen. Elke
geyser heeft als het ware zijn eigen monding gemaakt, het zij die
vol water is of niet. Er is dus geen gemeenschappelijk bassin, noch
onder den grond, noch er boven. Het is alleen een waterrijk dal,
dat vele bronnen omsluit. Verder is de naam van bassin misleidend,
omdat de geysers zich altijd op een soort van heuvel bevinden. Midden
in het dal ligt zulk een heuvel, van eigenaardige vorm en formatie,
en de vijvers, spleten, heete bronnen en geysers liggen bovenop
of op de hellingen van dien heuvel. De heuvel is laag en breed, de
hellingen zacht glooiend. Soms vult hij plaatselijk het dal over de
geheele breedte en sluit dan aan de aangrenzende bergen aan, maar
altijd met een lageren rand, waarlangs het geyserwater kan wegvloeien.

Deze vlakke heuvels zijn het product der geysers; zij bestaan
uit een bizonder gesteente, dat den naam van geyseriet draagt. In
tegenstelling met het travertijn der Mammoth Hot Springs, dat een
kalkgesteente is, is het geyseriet een kiezelgesteente. Zooals ik
reeds meermalen opgemerkt heb, liggen de geysers in de dalen tusschen
heuvels en bergen die voornamelijk uit lava bestaan, en is de lava
zelf weer in hoofdzaak uit kiezelmassa's gevormd. Het water, dat van
die bergen naar de geysers stroomt, vindt dus in de spleten op zijn
weg geen kalk maar kiezelzuur om op te lossen. Dit is echter op verre
na niet zoo gemakkelijk oplosbaar als kalk, en het water neemt er dus,
ook bij een langen loop, maar weinig van op.

Dit opgeloste kiezelzuur nu wordt bij het uitstorten van het water
en dus rondom de heete bronnen afgezet. Het vormt het geyseriet, en
het heeft dus, in den loop der eeuwen, de geheele geyserietheuvels
in de dalen tot stand gebracht. Moge men ook uren lang op die
"bassins" rondwandelen, toch moet men bedenken, dat deze geheele
steenmassa eenmaal vloeibaar was. Niet alles tegelijkertijd, maar
achtereenvolgens, eeuw na eeuw en laag na laag.

De vastlegging van dit kiezelzuur nu geschiedt uitsluitend door
wieren. Noch de verkoeling van het water, noch de betrekkelijk geringe
verdamping kunnen het kiezelzuur doen neerslaan; zonder de wieren
zou het even rijk daaraan afvloeien als het omhoog gekomen was.

De afzetting van kiezelzuur door levende planten is geenszins een
verschijnsel dat tot de geyserietvormingen beperkt is. Integendeel,
het is in het plantenrijk zeer algemeen, veel algemeener dan
de afzetting van kalk. Sommige planten zijn er zeer rijk aan en
hebben er een bizondere hardheid en ruwheid aan te danken, zooals
b.v. onze schuurbiezen, wier schurend vermogen juist aan deze stof
te wijten is. Opgelost kiezelzuur, of liever oplosbaar kiezelzuur
heet in den handel waterglas, de oplossing ziet er uit als water,
maar gaat bij volledige verdamping in een glasachtige massa over,
die dan niet weer door water kan worden opgenomen. In de planten
wordt het opgenomen kiezelzuur eerst als een gelei-achtige massa in
de celwanden gebonden, zoodat het die geheel doortrekt, voornamelijk
in de buitenste weefsellagen. Grassen en granen zijn er zeer rijk
aan. Allengs wordt het harder, maar blijft met de celwanden zoo
vereenigd dat men het daarin niet zien kan. Maar toch kan men het
gemakkelijk vinden daar het onbrandbaar is en dus als een skelet
achterblijft als men de weefsels voorzichtig verbrandt.

Onder de wieren is er een groep, die om dit kiezelgehalte zeer
bekend is. Het zijn de kristalwieren of Diatomeeën, beide namen die
op hun vorm en niet op hun inwendigen bouw betrekking hebben. Zulke
kristalwieren groeien ook bij ons overal in allerlei wateren, waar
zij dikwijls een dicht, vlokkig of geleiachtig bekleedsel rondom de
stengels der waterplanten vormen, voor zooverre deze onder het water
groeien. Zulke Diatomeeën spelen nu bij de vorming van het geyseriet
een belangrijke rol, maar zij verdragen de groote hitte van het
opbruisende water niet en zijn dus beperkt tot de bassins, die rondom
de eigenlijke kraters door het overvloeien ontstaan. Aanzienlijke
lagen van Diatomeeën vindt men b.v. rondom "Black Sand Pool" en
voornamelijk op den bodem van het Specimen lake, dat daaraan zijn
water ontleent. Soorten van de bekende geslachten Navicula, Epithemia,
Cocconema en andere nemen aan die formatie deel. Zij zouden even goed
voor polijstaarde kunnen worden gebruikt als sommige Diatomeeën-lagen
in Europa.

Toch zijn deze kristalwieren slechts van locale beteekenis. Zij
vormen de hoofdmassa's van het geyseriet niet. Dit doen wiersoorten
van een veel eenvoudigeren lichaamsbouw. In het algemeen zijn het
dezelfde geslachten en ten deele ook dezelfde soorten als in de
travertijn-formatiën. In verband daarmede ziet men hier dan ook
overeenkomstige kleurschakeeringen en kleuren. De wanden der kokende
vijvers zijn ook hier wit of zeer licht geel, en de bruine of roode,
groene of blauwe, lichte en donkere, soms geheel zwarte overtrekselen
ziet men slechts in de omringende bassins, waar het water reeds meer of
min afgekoeld is. De wieren groeien snel, maar het kiezelzuurgehalte
van het water is gering, zoodat op veel organische stof weinig
sintelmassa komt. Voor een deel ten gevolge daarvan is het geyseriet
later, als het dood en droog is, een veel lichter gesteente dan het
travertijn, terwijl toch anders de kiezelgesteenten juist niet tot de
lichtste behooren. Ook verweert het zeer gemakkelijk, en ziet men op de
oppervlakte der geyserietheuvels de overblijfselen der oorspronkelijke
structuur niet zoo veelvuldig en zoo fraai als op de travertijnrotsen.

Onder de lagere wieren, die hier een rol spelen, mogen er hier enkele
genoemd worden. Ten deele zijn zij dezelfde, die ik bij de beschrijving
der Mammoth Hot Springs reeds heb aangevoerd. De voornaamste geslachten
zijn Leptothrix, Phormidium, Calothrix, Gloeocapsa en andere. De
eerste zijn bleek en verdragen hooge temperaturen, de Gloeocapsa is
blauwgroen en vormt soms aan de buitenzijde der geyserkegels zwarte
geleiachtig-vliezige en soms vingerdikke overtreksels. De kleur
schijnt overigens zeer veranderlijk te zijn, want als men van een
bruin of zwart overtreksel in een warm stroompje of bassintje deelen
los maakt, ziet men de onderzijde dikwijls groen of blauwgroen.

De wijze waarop deze wieren de formatie tot stand brengen hoop ik
weldra, naar aanleiding van mijn bezoek aan het Upper Geyser-bassin,
uitvoerig te schilderen.

Vooraf moge echter het een en ander omtrent de voornaamste bassins
gezegd worden. Zij liggen dicht bijeen, op een bijna recht van het
zuiden naar het noorden loopende lijn. De toerist bezoekt ze in
zoodanige volgorde, dat hij met de minst belangrijke begint, om met
de groep der krachtigste geysers te eindigen.

Het meest noordelijke of Norris bassin omvat een aantal geysers,
bronnen en stoomspleten, deels in het dal, deels op de hellingen
der heuvels gelegen. Onder hen speelt de Constant om de minuut, zijn
waterdroppels eenige meters omhoog werpende. De Congress is gewoonlijk
een groote, blauwe, kokende vijver, maar geeft op onverwachte tijden
geweldige uitbarstingen.

Overal in den grond ziet men spleten en gaten, waaruit stoom komt en
waaronder men het rommelen hooren kan. Soms zijn die gaten met een
dunne korst van geyseriet bedekt en onzichtbaar; op zulke plekken moet
men bij het loopen zeer voorzichtig zijn, daar de korst te dun is, om
het gewicht van een mensch te dragen. Men doet beter op de planken te
blijven, die hier de voetpaden vormen. Een zeer breede, ternauwernood
vingerdiepe stroom voert het warme water uit al deze bronnen weg,
vloeiend over een laag van kleurig en levend, voortdurend aangroeiend
geyseriet. Hooger op den berg liggen geweldige stoomspleten, die een
oorverdoovend geraas maken, en nog iets hooger de Black Growler, [26]
waarvan de kegelvormige opening geheel leeg, maar tot aan den bovenrand
met zwarte koraalvormige wiergroeiïngen bedekt was. Ik wachtte een
poosje en zag langzaam het water in den trechter opstijgen. Het
bereikte een zekere hoogte en zonk toen weer weg. Daarna stijgt het
gewoonlijk weer, nu eens hooger, dan weer lager, nu eens alle wieren
bevochtigend en overvloeiend over den rand, dan weer onvermogend om ook
maar de helft van het koraal-oppervlak te bedekken. De naam Growler
duidt op het geruisch, dat hij bij al die bewegingen maakt. New
Crater, Gibbon-Geyser en vele andere zou ik kunnen noemen; ik wil
echter alleen de grijze-verfpotten vermelden, die vol met een grauw
troebel water zijn, dat over de geheele oppervlakte kookt.

In het Lower Geyser-bassin vindt men heldere bronnen, rond en blauw als
een oog en omgeven met een bruinen rand, die met blauwe Convolvulussen
vergeleken worden en daarom, met den engelschen naam dier bloemen,
Morning glories worden genoemd. Verder grijze-verfpotten, stoomspleten
en geysers, en allerlei andere vormen van stoom-uitlaten. Great
Fountain is hier een der meest bekende geysers.

Het Midway Geyser-bassin vertoont het uitgestrekte meer van den
Excelsior Geyser en verder den Turquoise Spring en het Prismatic lake.

Het Upper Geyser-bassin is het belangrijkste. Het ligt zoo, dat
men het van uit het hôtel nagenoeg geheel kan overzien. Rechts ligt
Old Faithful, springend om het uur. Midden door het bassin loopt de
Firehole-rivier, zijn bedding ingravend in het geyseriet en de heete
wateren der bronnen overal opnemend. Soms ziet men ze vlak aan den rand
der rivier opkoken, soms stroomt het warme water langs de helling over
afstanden van honderden meters omlaag. De rivier is rijk aan forellen,
en vandaar het verhaal dat men hier, zonder zijn plaats te veranderen,
een forel vangen kan en hem dan aan den hengel in de heete bron kan
houden om hem te koken.

Aan de overzijde der rivier liggen tal van kleine, voortdurend, maar
betrekkelijk zwak werkende geysers, als Beehive [27], Sponge [28],
Beach [29], Surprise [30] en andere. Aan de zijde van den rijweg liggen
vooral Castle en Giant, over wier werkingen ik reeds gesproken heb,
en verder een groot aantal kleinere. Ook vindt men hier lange reeksen
van uitgedoofde kraters, die meest geheel droog zijn.

Aan beide zijden is het dal ingesloten tusschen heuvelreeksen die met
uitgestrekte dennebosschen begroeid zijn, en bijna van alle plaatsen
kan men Old Faithful zien, als hij aan het einde van elk uur zijn
water en zijn stoommassa hoog in de lucht werpt.

Maar ik zou kans loopen, eenvoudig een uittreksel uit mijn gids-boekjes
te geven, als ik deze beschrijving wilde vervolgen. Het medegedeelde
echter meen ik, dat noodig is voor een juist begrip van de bespreking,
die ik thans op grond van mijn eigen bezoek wensch te geven.

Ik begin daartoe met de voornaamste groep van geysers die den naam van
Upper-Geyser-bassin voert. En onder hen is de belangrijkste geyser
die van de Old Faithful, die vlak bij het hôtel is dat daarnaar
den reeds genoemden naam van Old Faithful Inn draagt. Hij springt,
of speelt zooals men het daar noemt, om het uur, en de reizigers die
slechts een halven dag in dit bassin vertoeven, kunnen dus alleen op
hem met zekerheid rekenen om de werking van een machtigen geyser te
zien. Hij is zoo trouw in zijn uitbarstingen, dat men telkens vooraf
kan berekenen, wanneer er weer een komen zal. En zijne periode van een
uur heeft hij onveranderlijk behouden gedurende al de--weinige--jaren,
dat men hem kent.

Nauwkeuriger gezegd duren de perioden gemiddeld 65 minuten, waarbij dan
de tijd van rust en de tijd van werkzaamheid telkens als één periode
samen gerekend zijn. Ik begaf mij dus op het juiste oogenblik uit
het hôtel naar den geyser, beschouwde hem eerst in den rusttoestand,
zag daarna in de diepte van de krateropening het heete water omhoog
komen en ging toen op een bank zitten om het verdere verloop te
aanschouwen. Het ging langzaam genoeg om de volgende aanteekeningen
te maken.

De krater is een zeer vlakke kegel met een zeer fraaie
terrassen-formatie met tal van zijbekkens, waarin het water blijft
staan. Die bekkens zijn omgeven door armsdikke gekronkelde randen. De
hoogere, waarin het heete water rechtstreeks valt, hebben krijtwitte
randen, de lagere, waarin het water na gedeeltelijke afkoeling vloeit,
hebben meest lichtbruine randen, vooral waar zij nog nat zijn. In de
eerste bekkens ziet men witte en lichtgele afzettingen, die den bodem
met een eigenaardig gevariëerde vegetatie van sintelwieren bedekken;
hier zijn de randen hoog opgegroeid en de bekkens dus vrij diep. De
koelere bekkens zijn vlakker, minder diep en vol bruine afzettingen in
allerlei tinten. Nog verder af, waar de helling veel geringer wordt,
zijn vlakke terrassen zonder opstaande randen, trapgewijze afdalend;
het water vloeit hier eenvoudig langzaam in een dunne laag over de
geheele sintelmassa heen.

Soms is die vlakte te droog; dat hangt er grootendeels van af of
de wind de geyserkolom naar de eene zijde of naar de andere zijde
waait en dichterbij of verder af doet neervallen. Want de uitbarsting
moet elk uur het noodige water voor het overvloeien in het volgend
uur leveren. Op dit breede terrassenvlak komen groote vlokken van
zwarte geleiachtige wiermassa's voor, die het terrein hier en daar
zoo glibberig maken, dat het gevaarlijk is er op te loopen.

Old Faithful staat niet alleen; rondom hem ziet men nog ruim een
half dozijn kraters van ongeveer gelijken bouw en ontwikkeling. Zij
staan allen op denzelfden breeden heuvelrug, vlak langs de rivier,
waarheen dan ook het geyserwater afvloeit. Maar al die buren zijn
sinds lang uitgedoofd en onwerkzaam geworden.

De krater is een diep gat op den top van den vlakken heuvel. Rondom de
eigenlijke opening is een dikke wal opgegroeid, sierlijk geteekend met
randen en lijsten als aanduiding van de werkzaamheid der wieren. In
het gat ziet men in de rustperiode geen water, doch voortdurend
komen er heete dampen uit te voorschijn. Aan de noordzijde is de rand
hoog en onregelmatig, omstreeks een halven meter hoog. Hij bestaat
uit een grijswitte steenmassa met ronde vormen, en overal ziet men
de fijne ribbelingen van den wiergroei. Naast den krater en hier
en daar over den heuvel verspreid zijn een aantal kleinere gaten,
waarin water kookt of waaruit stoom komt. Voortdurend hoort men de
onderaardsche opborrelingen.

Langzaam wordt nu de stoommassa in den hoofdkrater dichter en van
tijd tot tijd stijgt zij wat hooger op, terwijl de wind de nevels
zuidwaarts drijft. Voor enkele minuten zag ik den krater nog leeg,
nu spuit hij herhaaldelijk groote druppels heet water omhoog, en rust
dan schijnbaar weer eenigen tijd. Maar het onderaardsche geluid hoort
men nu voortdurend, het wordt langzaam sterker.

Plotseling wordt een watermassa tot een hoogte van een meter in
druppels opgeworpen, en weer volgt schijnbare rust. Dan volgt weer
zulk een kleine, voorloopige uitbarsting. Allengs worden deze talrijker
en krachtiger, doch de pauzen duren soms nog eenige minuten. Nog eens
wordt de dampzuil hooger en voller, dan weer lager en zwakker, en van
tijd tot tijd worden weer gulpen waterdruppels omhoog geworpen. Dit
voorspel duurt ruim een kwartier, dan volgt weer schijnbare rust,
ofschoon de stoom en het geluid voortduren.

Plotseling volgt nu de uitbarsting. Huizen hoog wordt het water in
een dikken straal van druppels omhoog gezonden, schok volgt op schok,
en de fijne nevel, die alles omgeeft, wordt door den wind voldoende
op zijde geschoven, om het geheele spel te laten zien. Geen straal of
zuil van water komt er omhoog, alles is stof-fijn verdeeld in grootere
en kleinere druppels, in onnoemelijk aantal. De druppels verplaatst de
zachte wind maar weinig; zij vallen rondom neer, en over den geheelen
geyserheuvel vloeit nu voor een korte pooze het heete water. Na een
paar minuten wordt de zuil van druppels iets lager, maar dan duurt
het nog geruimen tijd vóór zij sterk vermindert. Telkens komen er
nog schokken, die de druppels weer wat hooger opwerpen. Eerst na
ongeveer vijf minuten houdt het spel op. Ik ging er terstond heen,
maar de krater was leeg, zoover ik in zijne diepte kon zien, en alleen
met dwarrelende stoom gevuld.

Toen volgde weer ruim een half uur van rust en daarna begon allengs
het voorspel. Dit duurt, met de uitbarsting zelve, bijna een half
uur. Zoo gaat het jaar uit jaar in, met de groote regelmatigheid,
die er den naam van Old Faithful aan heeft doen geven.

Ik had op dien namiddag nog verscheidene malen het voorrecht de
uitbarsting te zien, maar telkens bevond ik mij op een anderen afstand
en min of meer aan een andere zijde. Telkens ook woei de wind anders,
en werd de wolkenzuil, die de druppelmassa omgaf, of ter plaatse
gehouden of in andere richting en op andere wijze weggedreven. Eenmaal
kon ik, op aanzienlijken afstand staande, de hoogte van de rookzuil
goed vergelijken met de hoogte der boomen in het bosch er achter;
de rook dreef in horizontale richting weg, ver boven de toppen
der dennen. Over het algemeen ziet men de trotsche trekken van het
verschijnsel pas op eenigen afstand goed; eerst hier is het werkelijk
indrukwekkend. De bizonderheden treden op den achtergrond en vooral het
voorspel, dat betrekkelijk zoo lang duurt, ziet men niet. Plotseling
en zonder voorbereiding ziet men de geweldige zuil van damp en water
omhoog stijgen in al de schittering van het zonlicht, en kort daarop
verdwijnt zij even plotseling en keert de volle rust van het landschap
weer terug.

Na de uitbarsting van Old Faithful gadegeslagen te hebben volgde
ik den stroom van zijn water naar de Firehole [31]-rivier en ging
over een brug naar de andere zijde, waar op een uitgestrekt, een
weinig golvend terrein een groot aantal der kleinere geysers bijeen
liggen. Hier had ik een gunstige gelegenheid om vele bizonderheden
te leeren kennen, zoowel omtrent het koken van het water als vooral
omtrent de werkzaamheid der sintelwieren, die de randen en de
kraterkegels opbouwen.

Tea Kettle [32] is een ronde ketel van 2-3 meter doorsnede, met een
lagen opstaanden rand, die zich niet meer dan een paar decimeters
boven den ketel verheft. De rand is dik en van boven naar binnen toe
omgebogen. Het water vult den ketel met een heldere, doorschijnende,
donkerblauwe massa, en ergens in den bodem, op eenigen afstand van
het midden, is een gat, waaruit het voortdurend heftig opkookt. De
ketelrand heeft een overlaat en een lek. Het lek ligt iets lager en
daaruit vloeit voortdurend water. Het is een horizontale spleet in
den overigens gaven wand. Het is de oorsprong van een beekje, met
witte wierafzetsels in 't midden doch met zwarte, glibberige, levende
randen. Verder op, waar 't water minder heet is, worden de witte
wieren door oranjeroode soorten vervangen. De overlaat is bizonder
fraai gebouwd, daar de geheele meer dan handbreede oppervlakte er van
met kleine koraalvormingen dicht bezet is. Aan de buitenzijde is een
klein vijvertje, dat somtijds een afvloeibeekje heeft, maar dit was
tijdens mijn bezoek droog. Die koraalvormingen in den overlaat zijn
een begin van herstel der opening en leeren dus hoe de geheele wand is
opgebouwd. Let men hier op, dan ziet men aan die zijde van den ketel,
waar de winden van tijd tot tijd het water over den rand kunnen waaien,
juist dezelfde koraalvormingen, maar kleiner, dikker en meer tot een
dichte massa aaneensluitend. Zij staan in groepjes, die de richting
van het overvloeiende water volgen en dus dwars over den ketelwand
gaan; op de buitenvlakte zijn de koralen langer en met zuiverder,
meer levende toppen dan op den bovenkant. Elders op den rand is de
droge oppervlakte klaarblijkelijk afgesleten, maar vertoont toch nog
dezelfde structuur. Ook zijn de openingen tusschen de wierkoralen
hier door nieuwere formaties grootendeels toegegroeid. Hier en daar
is door deze vormingen de wand fijn getand of gegolfd of gekarteld,
maar zelfs in die tanden en kartelingen is de massa zoo hard als
steen. De witte wiermassa is dus hier niet eerst een dikke gelei,
maar verkiezelt nagenoeg in gelijke mate als zij groeit.

Topaas-pool is een jonger voorbeeld van dezelfde ketelvorming. Zij
is van boven nog wijder open en zoo breed, dat zij aan haar rand
voldoende afgekoeld is voor den groei der bruine wieren. Dit heeft
haar klaarblijkelijk haar naam doen geven. Het opborrelende water
stroomt in een breede beek snel weg, terwijl het over verscheidene
meters van den weg in zijn midden nog te heet is om den groei der
bruine wieren toe te laten.

Vlak er naast is een breed gat, zoo breed dat men er bijna in
zou kunnen afdalen. Heel in de diepte ziet en hoort men het water
koken. Zulke gaten, kleine heete bronnen, kleine kokende vijvertjes en
kleine geysers zijn hier talloos over den geheelen geyserietheuvel
verspreid, veel te talrijk om ze afzonderlijk op te noemen. Zij
vertoonen alle een zekere periodiciteit, de een meer, de ander
minder. In intervallen van enkele minuten pleegt het water nu eens
harder en dan weer zachter te koken en soms bijna geheel zonder
beweging te zijn.

De vormen der vijvertjes zijn zeer verschillend, maar naderen meestal
tot het cirkelronde of wijken daarvan alleen om plaatselijke redenen
af. Eén, twee of drie meters middellijn is de gewone grootte.

Beach is de naam van een diepen ketel, omgeven door een breeden
vlakken rand. Op dezen rand staat het water maar een vingerdikte
hoog, en een kleine lijst beveiligt het tegen wegvloeien. Die lijst
is echter zeer onregelmatig, zoodat het water bij de minste golvende
beweging overvloeien kan. Tusschen den diepen ketel en den vlakken
vijver er rondom is ook een sintelrand, die boven het water uitsteekt,
maar waarover het toch telkens bij het koken wordt heen geworpen. De
bodem van den vlakken vijver is met brosse, korrelige wiermassa's
dicht begroeid; zij zijn lichtgeel van kleur. In den diepen ketel is
het water helder blauw en in de diepte ziet men de vooruit groeiende
gedeelten van den levenden wand als ronde witte rotsblokken.

Juist had ik deze beschrijving gemaakt, toen het water in den ketel,
dat zoolang rustig geweest was, heftig begon op te koken. Dit
duurde echter slechts kort, daarna kwam weer rust, ofschoon nu
en dan afgebroken door het opstijgen van groote stoomblazen. Nu
begint het weer heftiger te koken en talrijke groote stoombellen
komen uit de diepte te voorschijn. Ook schijnt de watermassa toe te
nemen. Allengs worden de stoombellen zoo talrijk en zoo krachtig,
dat zij waterdruppels meenemen en in de lucht slingeren. In golven
stroomt het water over den rand van den ketel in den omringenden
vlakken vijver, maar toch is slechts een zeer geringe overvloei van
dien vijver er het gevolg van, en allengs komt de kokende massa weer
tot rust. De onderaardsche spleet werpt dus hier veel stoom maar
slechts weinig water omhoog.

Kleinere poeltjes zijn in het algemeen duidelijker van bouw dan de
grootere. Men ziet dat de geheele wand, tot zoo diep het oog reiken
kan, met groeiende steenmassa's bekleed is. De wieren daarin groeien
niet in vlakke lagen, maar maken overal vooruitstekende hoorntjes,
die zich soms tot groote halve bollen vereenigen, soms kartelranden
maken en in het algemeen een zeer groote verscheidenheid van vormen
voortbrengen. Dikwijls groeien zij in verdiepingen van lijsten, de
bovenste aan de oppervlakte van het water, de overige trapsgewijze
lager.

Dichtbij was een trechtervormige put, die geheel met een geelbruin
wier bekleed was. Alleen de randen waren grijs, en de kleurverdeeling
was dus juist andersom dan in de meeste overige gevallen. Toch was
ook hier het water kokend heet. Vlak er naast zag ik een diepe,
met heet water gevulde kloof met zuiver witte, koraalachtige wanden.

Lion, Lioness en Cubs [33] zijn namen van dergelijke grijswandige
formaties, die reeds een hoogeren ketelrand om zich heen gevormd
hebben. Hun water kookt hevig, zij staan dicht bijeen op een heuveltop
met vrij steile wanden. Bee-hive, een der meest bekende kleine geysers,
heeft rondom zijn krater een wand gemaakt die sterk op een bijenkorf
gelijkt, maar van boven open is. De korf is ongeveer een meter hoog.

Na deze groep van kleine geysers en vijvertjes beschouwd en nog
een laatsten blik over het periodisch opspuiten van het water
geworpen te hebben, begaf ik mij weer naar de andere zijde van de
Firehole-rivier. Hier verheft zich de Castle als een kasteel boven
op een grooten, vlakken geyseriet-heuvel.

De Castle is een der grootste geysers, werpt zijn waterdruppelzuil
vele malen hooger en in veel dikkere massa op dan Old Faithful, maar
wisselt dan ook zijn werkzaamheid met perioden van rust af, die langer
dan een dag duren. Ik had niet het voorrecht een uitbarsting te zien,
maar daarentegen wel de gelegenheid om de formatie zeer nauwkeurig
te bestudeeren. Deze biedt hier meer afwisseling dan bij de meeste
andere geysers. Op den geyseriet-heuvel, dicht bij den Castle-geyser
bevindt zich een vrij groot, ondiep meertje "Crest" [34] of "pool"
[35] geheeten, en verder ziet men er een aantal andere poeltjes en
spleten met kokend water of met stoom.

Het kasteel is een bijna zuilvormige kraterwand, ongeveer manshoog
en even breed; het wierp tijdens mijn bezoek voortdurend stoom en
ongeveer om de minuut een smalle maar hooge zuil van waterdruppels
uit. Aan de westzijde is de wand steil en de voet rond, aan de
oostzijde echter bestaat de voet, onder de zuil, uit een trapsgewijs
gebouw van terrassen, waarop het water, dat het kasteel uitwerpt,
neervalt. De geheele heuvel is grijs, en van terras naar terras
stroomen breede beekjes vol heet water. De randen der terrassen golven
sterk en zijn geheel met koraalvormingen bedekt, en dus van nabij
gezien uiterst fraai. Op een afstand maakt dit alles zeer sterk den
indruk eener oude ruïne. En deze indruk wordt nog versterkt door de
vele gaten en holten, openingen die door uitgroeiingen der wierranden
overwelfd zijn, en die aan dezen krater een zeer eigenaardig karakter
geven. Aan den steileren kant vloeit het water sneller af, en hier
zijn de koraalvormingen dus veel minder ontwikkeld. Ook brokkelt en
schaalt die massa hier voortdurend af, waarschijnlijk omdat zij te
dikwijls droog is. Rondom den voet, waar het overvloeiende water al
afgekoeld is, is de grond evenzeer van een schaalachtigen bouw, met
een geribbelde oppervlakte maar zonder de eigenlijke koraalvormingen.

Kon men van den eigenlijken kraterwand een stuk zoo groot als
een hoofd afnemen en afzonderlijk vertoonen, zoo zou het zeer
gemakkelijk met een echt koraal verward kunnen worden, zoo groot
is de gelijkenis. Ik bedoel met die soorten van koralen, die als
bollen van een dichte vertakte massa opgroeien, zoodat de oppervlakte
voortdurend met tallooze kleine opstaande takjes bedekt is, terwijl
de massa daaronder aaneengegroeid en steenhard geworden is. Dezelfde
eigenaardige verdeeling in vakken en groepen vindt men ook hier.

Op den breeden voet, waarop dit kasteel rust, liggen de schalen
tamelijk los op elkander. Sommige schalen zijn zoo dik als papier,
andere zoo dik als een vinger; overal vertoonen zij de ribbelingen
der randwieren, dikwijls in zeer fraaie teekeningen.

De overvloeiende watermassa stroomt in talrijke groote en kleine
beekjes langzaam naar beneden en vereenigt zich hier en daar
met het water der andere heete bronnen van dezen heuvel. Op eene
plaats vormen zij een breeden poel, die geheel met de oranje-roode
wiersoort volgegroeid is, afgezien van smalle gekronkelde lijnen,
waarin het water in dezen poel omlaag stroomt. Het water is zoo heet,
dat torren, libellen en andere insecten er in sterven als zij er bij
ongeluk in vliegen; toch tieren de roodbruine wieren hier welig. Langs
de stroompjes ziet men ze in lange, fijne, sterk vertakte draden,
boomvormig als de stroom ze vrij laat, en als natte penseelen overal,
waar de stroom ze heen en weer wiegelt. Op den bodem vormen zij een
zeer sierlijke teekening, een bekleeding die fluweelachtig naar een
zelfde richting heenvloeit. In de diepte helderbruin, zijn zij dichter
bij het oppervlak donkerder van kleur en tevens meer geleiachtig. Waar
het water, tusschen de stroompjes, stilstaat, groeien zij omhoog,
zoodat zij er een sierlijk netwerk van walletjes van een vrij
vaste gelei vormen. Die walletjes houden het water tegen en doen het
stilstaan, trots de zwakke helling van den bodem aan den poel. Nu eens
omsluiten die walletjes kleinere, en dan weer grootere watervakken.

Is het water door den groei dier walletjes dieper geworden, dan groeien
de oranje bruine wieren als dunne boompjes omhoog, om zich eerst
aan de oppervlakte uit te breiden. Zij zien er dan uit als tallooze
kleine paddestoelen, wier koppen op dunne stelen rusten en allengs
tegen elkander aan gaan sluiten, zoodat zij een dicht vlies over het
water vormen. Zinkt nu de oppervlakte van het water, hetzij doordat
de toevoer vermindert, hetzij doordat tijdelijk een betere afvoer tot
stand komt, dan wordt deze oranje massa allengs geheel wit, maar blijft
nog staan als een harde geleikorst. Verdroogt zij dan ten slotte, zoo
wordt de grond weer begaanbaar, en maken de kiezelwieren het geheel
bros en korrelig, zoodat het weldra in een zanderige massa verandert.

Het beschreven poeltje is klaarblijkelijk van jonge vorming en grenst
aan de eene zijde aan een ouder gedeelte, dat met grassen, asters,
gulden roeden en andere kleine, meest bloeiende planten begroeid
is. Enkele vooruitspringende grasplanten zag ik door het heete
water gedood.

Langzamerhand ontstaat in dit poeltje een laag van een zeer poreuze
structuur, die in verhouding tot het kiezelzuur, dat uit het water
wordt afgezet, rijk is aan organische stof maar ook rijk aan die
zouten, die voor het leven en den groei der wieren noodig zijn. Deze
stoffen zijn dezelfde, die ook het voedsel voor de bloemplanten
vormen, en daaruit volgt, dat als eenmaal dit poeltje opgedroogd
zal zijn, de grond voor allerlei plantengroei bizonder geschikt
moet worden. Dit verklaart ons op een zeer eenvoudige wijze waarom
de heuvels van geyseriet over het algemeen zoo spoedig met gras en
andere planten begroeid worden. Er is daartoe niet veel anders noodig
dan dat de heete waterstroom tijdelijk naar een andere zijde wordt
afgeleid. Het verklaart ons tevens, hoe de dennen bijna even gaarne
op deze gesteenten van jongen vulcanischen oorsprong groeien als op de
lava's, die overal rondom deze vallei de boschbedekte bergen vormen. Op
deze is het verweerend gesteente rijk aan minerale voedingsstoffen,
terwijl de geyserietheuvels niet alleen uit kiezelzuur bestaan,
maar ook uit die andere bestanddeelen, die hier niet door verweering
ontstaan, maar rechtstreeks door den groei der wieren vastgelegd zijn.

De verandering der levende wieren in dit vruchtbare gesteente
verdient nog een nadere beschouwing. Zij vormen een vlies, dat aan
de onderzijde langzamerhand verkiezelt; zij plegen daar meest vast
met den onderliggenden bodem te zijn verbonden, daar zij slechts
een voortzetting van den groei en de transformatie van dien bodem
zijn. Doch soms laat de bovenste korst in kleine stukjes min of meer
gemakkelijk los; en dan blijken die stukjes op de breukvlakte groen
te zijn. En dit zoowel als de bovenkant donkerbruin is, als wanneer
zij zoo bleek is, dat men er geen wierleven in vermoeden zou. Het
groen is blauwachtig in allerlei tinten, zoodat men daaruit mag
afleiden dat hier soorten uit de groep der Blauwwieren de hoofdrol
spelen. De losgelaten stukjes bevatten vrij veel kiezelzuur maar
zijn nog bros en het was gemakkelijk ze tot een fijn poeder te
wrijven. In de onmiddellijke nabijheid der geyserbekkens en der
heete bronnen droogt deze korst veelal langzaam op, en ik vond haar
op verschillende plaatsen afschilferend. Dan was de droge bovenkant
der schilfers hard en grijs, maar de onderkant was nog geleiachtig en
groen. Daar ging dus het leven nog voort, en kon het telkens, als de
bron er water overheen werpt, opnieuw werkzaam worden en kiezelzuur
vastleggen. De kale, harde, schijnbaar rotsachtige grond is dus hier
overal levend en groeiend. Hoe diep deze gelei nog vochtig genoeg
blijft om te leven, en hoe dik dus de laag is die nog groeien kan,
is moeilijk na te gaan. De geheel losgeraakte schilfers, waarmede
de geyserietheuvels overal bedekt zijn, zijn natuurlijk ook aan de
onderzijde grijs, al bevatten zij misschien hier en daar nog levende
overblijfselen van wieren.

Evenals de bruine wieren vond ik ook de zwarte gelei op den bodem der
koelere beekjes van onderen groen en hard. Aan de randen der heete
bronnen drogen de wiervliezen niet zelden op, zonder nog versteend te
zijn, en worden zij dus min of meer leerachtig. Ook deze vond ik, als
ze nog vochtig waren, aan de onderzijde groen, terwijl de bovenkant
bruin of zwart was. Hier en daar zag ik ook, hoe de diepere beekjes
soms gleuven in den grond maken, en waar de wanden schuin overhellen
en dus een onderkant hebben, is deze dan duidelijk groen. En dit ook
daar, waar het water nog zeer heet was.

Een zeer eigenaardig geval van den groei der kiezelwieren zag ik aan
den rijweg dicht bij den Castle-geyser. Een deel van het water uit deze
bron wordt in een kunstmatige greppel verzameld en van deze uit door
een houten goot naar een grooten houten bak naast den weg geleid. In
de goot is het water nog zeer heet, in den bak nog warm. De bodem van
die goot is bekleed met de bruine wieren, die er deels in vlokken en
deels in draden groeien, en die, als men ze wegveegt, van onderen
weer blijken groen te zijn. Zij zetten nog laatste overblijfselen
van het opgeloste kiezelzuur uit het water af en vormen dus allengs
een verhardende korst tegen de binnenzijde van den wand der goot.

Tusschen al deze lage en breede geyserietheuvels, met hun
tallooze bekken en spleten, stroomt de Firehole-rivier in sierlijke
kronkelingen. Soms hellen de heuvels zoo sterk, dat zij het water nog
heet in de rivier brengen; soms zijn zij zoo vlak en wordt het water
zoo breed uitgespreid, dat het afkoelt en een soort van moeras vormt,
waarin gras en biezen en talrijke bloemen welig tieren. Vlak langs de
rivier vindt men somwijlen ook heete bronnen, soms ook kegelvormige
kraters rondom kokende poeltjes. Meest zijn zij grijswit, soms met
bruine wieren zoo sterk overgroeid, dat de toeristen ze met den naam
van chocolade-potten bestempelen. Enkele kraters liggen niet hooger
dan de rivier zelf; kokend en in een breeden stroom zag ik hier het
water in de rivier vloeien zoodat plaatselijk alle groei van hoogere
planten belet werd. Zelfs hoog opspringende geysers vindt men aan
den rand van den stroom, bijna in de rivier zelve.

Rondom zijn de bergen met het donkere dennebosch bedekt, of ziet
men op de hellingen de tallooze kleine gewassen, die ze met een
dicht en overal bloeiend gazon bekleeden. In de moerasachtige
gedeelten langs de rivier, tusschen het hooge gras, schitteren de
blauwe sterbloemen der Sisyrrhynchium's, de gele Mimulus, paarsche
asters, lange witte bloemtrossen van Orchideeën en tal van andere
fraai bloeiende planten. Overal heerscht leven en prijken bonte
kleuren. Maar de grond waarop zij groeien is grootendeels zelf een
product van het leven, zij het dan ook van allerlaagst georganiseerde
wezens en van een groei onder de meest vreemde omstandigheden. Onder
en boven den grond wedijveren de wieren en de bloemplanten. Maar
terwijl de laatste telken jaren verdwijnen, hoopen de kleine wieren
in den loop der eeuwen hunnen arbeid op, en stichten zij de kraters en
geyserietheuvels. Zoodoende herinneren zij ons levendig aan Harting's
woord: De macht van het kleine.

Reeds meermalen heb ik opgemerkt, dat volstrekt niet alle geysers hun
water tot aanzienlijke hoogte opwerpen. Integendeel, verreweg de meeste
zijn slechts warme bronnen, waarin het water wel kookt en opbruist,
maar slechts tot een geringe hoogte opspat. Ik kom daarom thans tot een
beschouwing van de warme bronnen en de stoomspleten. Wat de geysers
ook vóór mogen hebben door hun geweldige werkingen, de warme bronnen
winnen het verre van hen in schoonheid. De namen Gem [36], Jewel [37],
Emerald [38] pool, Morning glory--de engelsche naam voor den blauwen
Convolvulus,--en talrijke andere bewijzen dit ten duidelijkste. De
stoomspleten vinden weinig aandacht, zij zijn uitermate talrijk en
meest kleine, soms zeer kleine gaten in den gewonen beganen grond. Soms
spuiten zij stoom uit, soms hoort men er een borrelend geluid in en
soms ziet men in de diepte wat kokend water. Maar eigenlijke open
vijvertjes vormen zij niet; dit is het type der warme bronnen.

De vijvertjes zijn meest alle nagenoeg even groot, en eenige weinige
meters in diameter; soms echter zijn twee of meer naburige vijvertjes
ineengevloeid en toonen zij biscuitvormige gedaanten. Het oppervlak is
meestal cirkelrond of daartoe naderend. De bodem is soms panvormig,
soms trechtervormig en soms meer trompetvormig. In het eerste geval
ziet men in de diepte een aantal plaatsen, waar de stoomblazen in het
water opstijgen; terwijl in de trechter- en trompetvormige bronnen
de stoom bijna uitsluitend of tenminste in hoofdzaak uit de diepte
van het midden te voorschijn komt.

Het water is zeer helder en de wanden zijn meestal wit, terwijl in het
diepste gedeelte de bodem niet gezien kan worden. De kleur van het
water is blauw, het diepste gedeelte bijna zwart. Deze kleur is zoo
zuiver, dat zij alleen voldoende zou zijn om de bronnen tot juweelen en
edelgesteenten te stempelen, maar zeer dikwijls zijn deze nog gevat in
een ring van goud of van zilver. Dit is dan het geval, wanneer de rand
zich zeer vlak uitspreidt, wat vooral bij de trompetvormige voorkomt;
dan groeien daarin oranjebruine of zilverwitte wieren, die een
gelijkmatig overtreksel over den vlakken bodem van den ondiepen rand
vormen, wat dan den indruk van een ring rondom een edelen steen maakt.

Uit de duistere en raadselachtige diepte stijgt de stoom in blazen
op. Nu eens in enkele groote, dan weer in talrijke kleine. Valt
het licht gunstig in, dan schitteren deze blazen in de diepte als
zilver of als goud, en worden dan soms, om hun beweeglijkheid, met
vlammen vergeleken. Omhoog stijgende doen zij het water opborrelen
en koken. Met den stoom wordt ook heet water opgevoerd, doch in
zeer wisselende hoeveelheden. Men leidt dit af uit het feit, dat de
vijvertjes voortdurend overvloeien; het overtollige water loopt dan
over den rand weg. Want elk vijvertje neemt in den regel het hoogste
punt van den vlakken heuvel in, waarop het voorkomt. Sommige nu
vloeien sterk over, andere weinig, nog andere in het geheel niet.

Tot de helderheid van het water en de overweldigend schoone kleuren
draagt de bouw van den trechterwand zeer veel bij. Deze wand toch is
meestal zeer zuiver wit. Zelden is hij vlak, of volgt hij nauwkeurig
de bochten van den trechter, trompet of pan. Meestal ziet men hier
en daar grootere en kleinere vooruitstekende bochten, die aanleiding
geven, dat op de betrekkelijk eenvoudige thema's, zooals ik ze aangaf,
tallooze varianten voorkomen. Bedenkt men daarbij dat de donkere diepte
soms rond, soms ovaal en soms spleetvormig is, en dat de bovenste
en buitenste rand in hooge mate van de omgeving afhankelijk is, dan
kan men zich gemakkelijk voorstellen dat geen twee van die bronnen
precies aan elkaar gelijk zijn.

Trots de groote hitte is de geheele wand levend. Hij bestaat uit
microscopisch kleine wieren, die zich voeden met de opgeloste
bestanddeelen van het water en die het kiezelzuur er uit vast
leggen. Deze wiertjes zijn geleiachtig en slaan het kiezel ook
als gelei neer, maar zij worden spoedig zoo hard, dat men de
weeke oppervlakte ternauwernood voelen of zien kan: deze vormt
slechts een dun overtreksel van de steenharde, maar toch levende
massa. De temperatuur van het water komt, tot aan den rand, nabij het
kookpunt. Ik nam in eenige bronnen 86-90° C. waar, terwijl ik den bol
van mijn thermometer tegen de levende wieren aandrukte. Het kookpunt
van water is op deze hoogte slechts 92° C.; het hangt, zooals men
weet, van de drukking der lucht, of van den barometerstand, zooals men
het noemt, af. Men kan dus veilig zeggen, dat de geheele warme bron
nagenoeg kokend water bevat, en dat de wieren dus aan deze temperatuur
blootgesteld zijn. Wat ze niet belet om krachtig te groeien.

Al naar gelang van de soorten der wieren en van de bizondere
omstandigheden, groeien zij bij voorkeur als randen of als koralen. In
het eerste geval vormen zij talrijke ribbels, wier richting dwars
op de richting staat, waarin het water over hen heenvloeit. In het
laatste geval vormen zij korte, opstaande zuiltjes, zoo dik als een
pink of dunner, en die zich veelal naar boven toe vertakken. Maar
veel hooger dan een centimeter worden die zuiltjes niet, omdat zij
zich van onderen snel verbreeden en daar dus tot een samenhangende
massa inéén groeien. Overeenkomstige groeiwijzen vindt men trouwens
ook bij de stoomspleten en rondom de geysers. Zeer fraaie, gitzwarte
koraalvormingen bekleeden den geheelen binnenwand van den Black
Growler, die daaraan dan ook zijn naam ontleent. Het is een groote,
wijde spleet waarin het water nu eens tot onzichtbare diepte wegzakt,
en dan weer opbruist, totdat het den smallen trechter geheel of
ten deele vult. Vult het hem geheel, dan bevochtigt het het geheele
zwarte koraalvlak en vloeit over, maar talrijker zijn de perioden
dat het minder hoog opborrelt en dus den bovensten rand alleen met
stoom bevochtigt.

Het overvloeiende water vormt de geyseriet-heuvels evenals bij de
geysers. Overal, waar de grond vochtig is, groeien de kiezelwieren,
en leggen zij het kiezelzuur en de minerale bestanddeelen uit
het water vast, zoodoende den grond met een nieuwe steenschaal
bekleedende. Vloeit het water dan weer eens aan een andere zijde over
den rand, dan wordt de eerste vlakte droog en verbrokkelt zijn nieuwe
schaal, zoodat bijna overal de geyserietvlakten met zulke verbrokkelde
gesteenten bedekt zijn.

Waar dit heete water over een helling vloeit die met planten begroeid
is, doodt het ze. Niet alleen door de hitte, maar vooral door de
vorming van een harde en ondoordringbare kiezellaag, die de lucht van
de wortels afsluit en deze daardoor doet sterven. Telkens en telkens
ziet men boomen die zóó gedood zijn, en zoowel in het Norris-bassin als
op andere plaatsen zijn soms geheele bosschen op deze wijze te gronde
gericht. De kale, gebleekte stammen getuigen dan nog jaren lang van
de ramp. Soms vallen die boomen in een bron of over den rand, en dan
worden zij geheel met een kiezellaag overtrokken. Ook kleinere takken
en losse naalden worden zoo verkiezeld, en naast een bron vond ik,
toen ik een stukje steen opnam en omkeerde, aan de onderzijde een
paar dennenaalden op deze wijze uiterst fraai versteend.

Zeer kenmerkend voor de warme bronnen is de neiging van de korstwieren
van den rand om in een dunne laag over het water heen, en dus naar het
midden der bron toe te groeien. Bij den ingang van het Elk-Park zag ik
een vrij groote, langwerpige bron die over de eene helft met zulk een
laag bedekt was, de andere was nog open en liet het diepe en helder
blauwe water zien. Soms brokkelen deze randen af en dan kan men hun
inwendigen bouw uit schalen duidelijk waarnemen. Meestal nemen zij
allengs in dikte toe en vernauwen den vijver. Zoo zijn wellicht de
kleinere waterhoudende gaten door het gedeeltelijk dichtgroeien van
vroegere vijvertjes ontstaan.

In zeer enkele heete bronnen is het water troebel en modderachtig. Zoo
b.v. in de paint-potten, die op grijze verfpotten gelijken, en over
de geheele oppervlakte koken. Trouwens, allerlei afwijkingen van het
gegeven beeld komen voor. Van deze wensch ik hier alleen te wijzen op
den Excelsior-geyser, die een kuil van vele meters diepte in de oude
geyseriet-lagen gemaakt heeft en daarin een meertje vormt, zoo groot,
dat men door de heete nevelen heen de overzijde niet zien kan. En
eindelijk het Prismatic-lake, daar dicht bij, waar de geheele bodem,
zoover ik zien kon, uit groote schuin geplaatste schotsen van een licht
groene kleur en een geleiachtig draderige structuur bestond. Bizondere
soorten van wieren geven aan zulke meren en plassen een zeer bizonderen
kleur en vorm, zoodat zij dan ook telkens en telkens op den bezoeker
een anderen indruk maken.


Chicago, Aug. 1904.



EXPERIMENTEELE EVOLUTIE


De volgende bladzijden bevatten de feestrede, door mij uitgesproken bij
de opening van het laboratorium voor experimenteele evolutie van het
Carnegie-Institution, eenigszins gewijzigd en op verschillende punten
ten behoeve eener nadere toelichting der voorgedragen denkbeelden
uitgebreid. Het is misschien niet van belang ontbloot, daaraan
enkele mededeelingen omtrent de stichting van dit laboratorium te
laten voorafgaan.

Voor een aantal jaren werd door den heer Carnegie een instituut
gesticht met het doel, zooveel mogelijk de studie der natuur te
bevorderen. Dit Carnegie-Institution is gevestigd te Washington
en beschikt over zeer rijke hulpmiddelen, waardoor het nu eens
bestaande wetenschappelijke ondernemingen steunen en dan weer
andere zelf op touw kan zetten. Het sticht dan afdeelingen of
zoogenoemde departementen. Enkele daarvan, zooals het departement
voor sterrenkunde, blijven te Washington en hebben daar hunne
observatoriën en laboratoriën. Andere onderzoekingen zijn aan
bepaalde plaatsen gebonden en worden dus daar uitgevoerd, waar de
omstandigheden voor hen het gunstigst zijn. Zoo werd voor een paar
jaren het woestijn-laboratorium te Tuscon (spr. Toesonne) in Arizona
gesticht, welk laboratorium ik in den loop der maand Juni het voorrecht
had te bezoeken. Het heeft ten doel, het planten- en dierenleven te
bestudeeren onder de eigendommelijke omstandigheden, die de woestijn
met zich brengt. Het is wel geen eigenlijke woestijn, in den zin van
een dorre en van plantengroei nagenoeg ontbloote vlakte, zooals ik ze
in het zuiden van Californië zag. Het is een streek, waar de regenval
geringer is dan de verdamping, en waar dus altijd gebrek aan water
bestaat. Dit gebrek aan water beperkt den plantengroei tot drie groepen
van gewassen. Ten eerste de kleine, kortlevende eenjarige soorten,
die in 't eind van den winter, als er wat regen valt, ontkiemen,
en die haar zaad rijpen vóór dat het korte natte seizoen voorbij
is en de droogte intreedt. In de tweede plaats vindt men hier de
cactussoorten, wier geribd lichaam bij den minsten regen zich vol zuigt
met water en de plooien tusschen de ribben bijna uitwischt, zoodat
het volume sterk toeneemt, en die dan bij aanhoudende droogte allengs
inkrimpen, zoodat eindelijk hun takken slap langs den stam hangen,
en het geheel er uitziet als afgestorven. Tal van boomachtige cacti,
[39] tot weinige soorten en geslachten behoorend, zag ik in dezen
toestand. Naast deze beide groepen staan de kleine, half-manshooge tot
manshooge heesters, met zeer kleine bladeren of ook wel zonder blad
en met groene stammen en takken, die hun leven behouden, dank zij de
zeer geringe verdamping en de bijna ongelooflijke lengte der wortels,
waardoor zij uit de onderste, soms meer dan 10 meter diepe lagen,
nog in de droogste jaargetijden het noodige water kunnen opzuigen.

Verdamping en wortelgroei zijn voor dit laboratorium dus een
hoofdonderwerp voor studie; daarnaast komt de vraag, welke soorten
in de woestijn kunnen leven en waarom zij alleen dit kunnen, en
tevens de verdere vraag naar den invloed, dien in de woestijn de
bizondere samenstelling van den grond op verschillende plaatsen op
den plantengroei oefent. Het spreekt van zelf, dat deze zaken alleen
ter plaatse bestudeerd kunnen worden.

Zoo is het ook met de experimenteele evolutie gesteld. Niet in of
nabij een groote stad vindt men in den regel de omstandigheden,
die voor de studie daarvan het meest geschikt zijn. Vandaar dat
het Carnegie-Institution eerst een uitvoerig onderzoek heeft doen
instellen naar de meest geschikt gelegen plaats.

De keuze is daarbij gevallen op Long-Island, het lange, smalle eiland,
dat zich ten Oosten van New-York uitstrekt en op welks meest westelijke
punt de voorstad Brooklyn gelegen is. Voorbij Brooklyn vertoont
het de talrijke kleinere en grootere villa's en buitenplaatsen van
velen onder New-York's rijke handelslieden, de plaatsen waar dezen
des Zondags de rust en de kalmte komen genieten, die nu eenmaal in
het al te dicht bevolkte handelsgedeelte van New-York niet te vinden
zijn. Nog verderop liggen een aantal kleine steden en dorpen, en onder
deze munt Cold Spring door zijn allerheerlijkste ligging te midden
van boschbegroeide heuvelen uit. Het ligt aan de noordzijde van het
eiland, ongeveer op een uur afstand van de kust, die hier een inham
of natuurlijke haven vormt. Deze plaats heet Cold Spring Harbor. [40]
Aan den oever van de kleine golf zijn de heuvelen bedekt met bosschen
en buitenplaatsen, onder welke laatste die van President Roosevelt
hier verdient vermeld te worden. Deze golf was sinds jaren bekend
als bizonder geschikt voor de studie van het leven van allerlei
zeedieren. Men vindt ze ten deele aan de houten havenwerken, ten
deele op de lagere plaatsen van een breede zandbank, die zich van den
westelijken oever tot dicht bij den oostelijken, dwars door de baai
uitstrekt. Hier leeft de reusachtige eenstaartskreeft, waarvan ik
honderden van exemplaren in het ondiepe water vlak bij mij kon zien,
velen van hen bezig met eieren leggen. Hier leeft de bijna onzichtbare
kleine springstaart, en soort van het geslacht Columbula. Om ze te zien
moet men een stuk wit papier op het strand leggen. Dadelijk is dit
bedekt met een groot aantal heele kleine zwarte puntjes, die lustig
op en neer en heen en weer springen. Allerlei andere diersoorten kan
men hier bestudeeren, waaronder een heel gewone kleine zee-anemoon,
behoorende tot het geslacht Sagartia.

Sinds jaren was dan ook aan deze kust een Marine Laboratory
gesticht, dat echter, bij gebrek aan fondsen, eigenlijk alleen des
zomers in gebruik was. Van deze bizondere omstandigheden en deze
uitmuntende gelegenheid heeft nu het Carnegie-Institution gebruik
gemaakt voor de stichting van zijn nieuw laboratorium. Het heeft de
beschikking verworven over de voorhanden gebouwen, bestaande in de
directeurswoning, den Library-Hall [41] en het eigenlijke laboratorium,
die, op korten afstand van elkander, aan den westelijken oever,
dicht bij het zuidelijke uiteinde van de baai gelegen zijn. Het heeft
tevens den directeur van het Marine Biological Laboratory tot directeur
van de nieuwe stichting benoemd, hem daarbij opdragende, niet alleen
enkele weken des zomers, gedurende de vacantie, te Cold Spring Harbor
te vertoeven, maar zich daar voor goed met der woon te vestigen.

De heer Davenport, algemeen bekend om zijn statistische onderzoekingen
over de veranderlijkheid van dieren in verband met de plaatsen waar zij
leven en met de waarschijnlijke wijze van hun ontstaan, was sinds vele
jaren hoogleeraar in de dierkunde aan de Universiteit van Chicago,
en tevens belast met het bestuur van het zee-laboratorium. Zijne
echtgenoote stond hem in dit laatste krachtig ter zijde, en heeft
een aantal onderzoekingen over de dieren van den Cold Spring Harbor
het licht doen zien, onder andere een zeer belangwekkende studie over
den invloed van de vermenigvuldiging door deeling op het aantal armen
van de bovengenoemde zee-anemonen.

Het oude laboratorium voldeed echter niet aan de eischen der nieuwe
stichting. Het was slechts voor enkele weken of maanden des jaars
ingericht, en daarenboven alleen voor zoölogische studiën. De evolutie
der levende wezens moet echter zoowel aan planten als aan dieren
bestudeerd worden, en bij den tegenwoordigen stand der wetenschap biedt
het onderzoek van planten de grootste kansen op spoedige en belangrijke
resultaten. Er werden daarom plannen gemaakt voor een nieuw gebouw,
voldoende aan alle eischen van den tegenwoordigen tijd en voor een
uitgebreiden proeftuin in de onmiddellijke nabijheid. Tijdens mijn
bezoek, in Juni van dit jaar, was men met den bouw gevorderd tot aan
de eerste verdieping, en was de proeftuin afgepaald en met voorloopige
culturen bezet, wier doel echter vooralsnog in hoofdzaak was, om door
voortdurende bewerking den grond te zuiveren van de wortelstokken
en zaden van de wilde soorten, die daar vroeger gegroeid hadden. De
eigenlijke proeven zouden eerst later begonnen worden, maar de zaden
daartoe waren reeds grootendeels bijeengebracht.

In de maand Mei bracht de nieuwe directeur zijne huishouding van
Chicago naar Cold Spring Harbor over, en begon de verandering van de
oude in de nieuwe stichting. Toen deze naar wensch gevorderd was en
alles zoover was geregeld, dat aan bezoekers een voldoend denkbeeld
kon gegeven worden van de plannen en methoden van werken, werd het
tijdstip gunstig geoordeeld om het nieuwe laboratorium plechtig te
openen. Het ontving den naam van Laboratory for experimental evolution
[42] en den rang van een departement van het Carnegie-Institution
te Washington. Behalve den directeur zijn daaraan verbonden
twee assistenten en een secretaris. Als assistent belast met het
plantkundige gedeelte treedt op de heer Dr. G. Shull, die te Chicago
onder leiding van Davenport studeerde, terwijl de heer Luts met het
zoölogisch gedeelte belast is. Secretaris of "stenographer" zooals
het in Amerika heet, is Miss Luts, wier naam slechts bij toeval en
niet door verwantschap met dien van den laatstgenoemden assistent
overeenkomt.

De plechtige opening was bepaald op Zaterdag 11 Juni. Uitgenoodigd
waren allen, die te New-York en elders in ontwikkelingsgeschiedenis
belangstellen, en een tachtigtal van hen, meest onderzoekers van naam
of professoren of instructoren aan bekende inrichtingen van onderwijs,
hadden aan de uitnoodiging gevolg gegeven. Enkelen waren daartoe zelfs
uit Washington en andere meer verwijderde plaatsen overgekomen. Zij
allen werden verzocht hunne namen te plaatsen in een album, dat als
gedenkboek van de stichting daartoe gecalligrapheerd was. Behalve
deze geleerden waren de bewoners der omliggende buitenplaatsen en
villa's talrijk opgekomen, deels uit belangstelling in de nieuwe
stichting, deels omdat zij reeds te voren van die belangstelling de
meest ondubbelzinnige bewijzen hadden gegeven. Terwijl namelijk de
gelden voor de stichting door het Carnegie-Institution werden gegeven,
was het terrein voor het nieuwe gebouw en de proeftuin en de noodige
grond voor eventueele latere uitbreidingen door een aantal der rijke
naburen aan de stichting aangeboden.

Omstreeks twaalf uur kwam de eerste groep van genoodigden aan het
station te Cold Spring aan, van waar men in een langen stoet van
rijtuigen door het heerlijke bosch en ten deele langs de beek, die
in de baai uitstroomt naar het laboratorium reed. Voor hun vervoer
waren door de Long-Island Spoorwegmaatschappij de noodige bizondere
wagens kosteloos ter beschikking gesteld. Een dezer wagens kwam
van New-York, de andere van Brooklyn, beide vereenigden zich aan
het station Jamaica. De gasten werden in de woning van den directeur
Davenport ontvangen en gebruikten aldaar, deels in de versierde kamers,
deels op het ruime balkon, het luncheon. Daarna begaf men zich naar
den Library Hall, het grootste der beschikbare localen, dat voor deze
gelegenheid ten deele ontruimd en van een spreekplaats voorzien was.

De plechtigheid werd geopend door den heer Davenport, die er op wees,
dat studiën over evolutie en vooral proefondervindelijke studiën niet
van dien aard zijn, dat zij spoedige uitkomsten beloven, en dat de
stichters en belangstellenden dus geduldig moeten afwachten wat men
eenmaal bereiken zou. Het nieuwe laboratorium is wel eenig in zijn
opvatting en in het doel van zijn streven, toch zal het zich zooveel
mogelijk in verbinding stellen met andere inrichtingen, die hetzij
in Amerika, hetzij elders, de studie der ontwikkelingsgeschiedenis
beoogen. Ten slotte bracht de directeur zijn dank aan de directeuren
van het Brooklyn-Institute of Arts and Sciences, [43] de vroegere
stichters van het Marine Biological Laboratory, die dit geheele
laboratorium met al zijn inrichtingen aan de Carnegie-Institution
ten geschenke aangeboden hadden, aan de gevers van het voor de
vergrooting benoodigde land, en aan de locale Wawepex-Society,
die de stichting door een echt Amerikaansche bijdrage in de kosten
grootelijks bevorderd had.

Daarna hield de voorzitter der Wawepex-Society een toespraak, aan
het einde van welke hij de eigendomsbewijzen aan den heer Billings
als vertegenwoordiger der Carnegie-Institution ter hand stelde. Hij
schetste de geschiedkundige ontwikkeling van het dorpje Cold Spring
Harbor. Vroeger was dit een haven voor walvischvangers en zeer
welvarend, later was dit echter, ten deele door het verzanden van
de haven, ten deele door het gebruik van grootere schepen en door
andere oorzaken allengs afgenomen, en thans hebben de walvischvangers
andere havens opgezocht en is het dorp in verval geraakt. Het bestaat
nu voornamelijk door de aanwezigheid van zoo talrijke New-Yorkers in
den omtrek.

Dr. Billings nam de bedoelde papieren met een kort antwoord
aan, waarin hij er op wees hoe grooten invloed de studie der
ontwikkelingsgeschiedenis op de philosophie en op de theologie
gehad hebben, en hoe groote resultaten men daarvan ook op sociaal
gebied verwachten mag. Hij sprak ten slotte eenige woorden tot den
directeur en verklaarde zich ten volle bewust van den langzamen gang,
dien het onderzoek noodzakelijk moest gaan. Laat ons hopen, zeide hij,
dat bij de viering van den vijftigsten verjaardag van deze stichting
de bewijzen ruimschoots zullen voorhanden zijn, dat de stap dien wij
thans doen, wijs en gerechtvaardigd was.

Na hem werd nog een woord van welkom namens de buren van het nieuwe
laboratorium gesproken door den heer F. W. Hooper, die kortelijks
aan de verdiensten van de heeren Deane en Conn, de beide voorgangers
van den tegenwoordigen directeur, herinnerde. Daarna werd het woord
gegeven aan schrijver dezes, voor het houden van de volgende feestrede.



De evolutie der organische wezens was tot nu toe eensdeels een voorwerp
van diepe bewondering, en anderdeels van vergelijkende studie. Uit de
algemeene verschijnselen die de verwantschap van planten en dieren ons
overal in de natuur doet zien, meende men den gang der ontwikkeling
zelve te kunnen afleiden.

Thans is dit anders geworden. Men is niet meer tevreden met de kennis
van de groote lijnen van het proces, men wil tot in de fijnste
bizonderheden daarvan doordringen. Men wil nieuwe soorten zien
ontstaan, en onderzoeken door welke wetten haar ontstaan beheerscht
wordt, en van welke invloeden het afhankelijk is. Men wil trachten deze
kennis zóó uit te breiden, dat het eenmaal mogelijk zal zijn, zelf in
de verandering der soorten in te grijpen. Het is niet voldoende, ons
deel te hebben in de vruchten van het werk der natuur; wij willen ook
ons deel in het werk zelf hebben. Ja, wij willen trachten het werk te
beheerschen en te leiden, ten einde nog betere vruchten te verkrijgen.

Ongetwijfeld is dit een hoog en verheven doel. Maar door den bouw
van dit laboratorium zijn de voorbereidingen getroffen, die noodig
zijn om het te bereiken. De grondslagen voor een onderzoek zijn op
breede schaal gelegd, met het vaste voornemen aan de natuur geheimen
te ontwringen, die tot nu toe onschendbaar schenen.

De ontwikkelingsgeschiedenis van het planten- en dierenrijk moet een
proefondervindelijke wetenschap worden. Eerst moet zij grondig worden
bestudeerd en zooveel mogelijk gecontroleerd, daarna moet zij in haar
tegenwoordigen voortgang worden geleid, om eindelijk op verschillende
punten ten nutte der menschheid te worden veranderd.

Deze denkbeelden zijn reeds voor een bepaalde richting uitgesproken
en uitgewerkt door den heer Davenport, die thans tot directeur
van dit laboratorium is benoemd. Zijn werk draagt den titel
"Experimenteele Morphologie", een combinatie van begrippen, die
aanvankelijk zeer gewaagd scheen, maar die sedert allengs burgerrecht
verkregen heeft. Proefondervindelijke vormleer is echter nog geen
experimenteele evolutie. De eerste bepaalt zich tot de studie
der oorzaken, die het verschijnen van de reeds gegeven vormen der
soort in de bepaalde gevallen beheerschen, de tweede vraagt naar de
oorzaken van het ontstaan van nieuwe eigenschappen. De aardappelplant
maakt uit het onderste gedeelte van haar stam uitloopers, die onder
gewone omstandigheden aan hun top elk een aardappel voortbrengen,
maar die in andere gevallen boven den grond groeien en tot groene,
bebladerde stengels worden kunnen. De experimenteele morphologie vraagt
waarom nu eens aardappelen en dan weer stengels ontstaan, van welke
omstandigheden en oorzaken dit afhangt, en hoe men het verschijnsel
naar willekeur kan regelen. De experimenteele evolutie daarentegen
vraagt hoe het komt, dat onder de talrijke soorten van het geslacht
Solaum er één is die aardappelen voortbrengt, welke oorzaken en wetten,
en welke bizondere omstandigheden het allereerste ontstaan van dit
vermogen beheerschen, en hoe men, misschien, bij andere soorten van
hetzelfde geslacht, of wellicht zelfs in andere geslachten, eveneens
een vermogen om aardappelen te maken zou kunnen te voorschijn roepen.

Om zulke vragen te beantwoorden, wordt natuurlijk veel tijd en
veel studie vereischt. Maar het nieuwe laboratorium is voorzien van
de noodige inrichtingen, van uitgebreide cultuurvelden en van het
vereischte personeel, om dit onderzoek aan te vangen. Langzaam en
geleidelijk moet het beginnen, en de moeilijkheden zullen in den
aanvang uiterst talrijk zijn. Maar alles wijst er op, dat de hoop
gegrond is, dat het ten slotte gelukken zal ze te overwinnen, en
wetten te ontdekken, wier toepassing in wetenschap en praktijk voor
het menschdom een zegen zal worden.

Op het gebied der evolutie gaat het onderzoek in Amerika en in
Europa thans hand in hand. Moge jaren geleden het zwaartepunt in
de oude wereld gelegen zijn, in de laatste tijden is een snelle
verandering duidelijk te bespeuren. Talrijker en talrijker worden
de bijdragen uit de nieuwe wereld, en meer en meer raken zij de
dieper gelegen, ja de moeielijkste vraagstukken. In Amerika hebben
de leer der bevruchting, de rol van het mannelijk element daarbij,
ja zelfs de uiterst moeielijke vraag naar de oorzaken, die het
geslacht van het nieuwe individu bepalen, door de ontdekking van zeer
belangrijke feiten een geheel onverwachten steun gekregen en is ook
de rol der cel-kernen en haar aandeel aan de bepaling der erfelijke
eigenschappen onlangs uit het speculatieve stadium van onderzoek
tot dat van rechtstreeksche microscopische waarneming overgegaan. Op
talrijke andere punten is een toenemende vooruitgang te bespeuren,
en daarom heb ik er bizonderen prijs op gesteld, dat bij de opening
van dezen nieuwen weg van onderzoek het houden der feestrede aan mij
is opgedragen. Dit toch getuigt van een streven naar samenwerking,
dat dezerzijds natuurlijk hoogelijk gewaardeerd wordt.

De taak, die ik op mij heb genomen, sluit in zich, een denkbeeld te
geven van wat ik mij voorstel, dat op het gebied der experimenteele
evolutie, zoowel in de eerste als in de latere jaren, te onderzoeken
zal zijn, welke methoden daarbij kunnen worden gevolgd, en welke
uitkomsten, wellicht, mogen worden verwacht.

Uit den aard der zaak is deze taak deels een zeer reëele, deels een
uitermate bespiegelende, bijna gelijk aan een droom. Wat voor de
eerste jaren het werk en de verwachtingen zijn, laat zich op vaste
grondslagen en tot in vrij fijne bizonderheden uitwerken. Maar wat de
verre toekomst eens brengen zal, kunnen wij thans nog ternauwernood
vermoeden. Slechts wat wij hopen en gaarne verwezenlijkt zouden zien,
laat zich schetsen, en zelfs dit nog in zeer grove trekken. Toch is
dit het oogenblik, waarop het bespreken van dergelijke verwachtingen
geoorloofd en noodig is, en waarop misschien uit een zeer vage hoop en
een droomerig denkbeeld een middel kan ontstaan, dat, aan de ervaring
getoetst, den weg wijst tot geheel nieuwe middelen van onderzoek en
tot te voren onverwachte uitkomsten.

Vergunt mij het onzekere aan het zekere te doen voorafgaan, en eerst
de verdere toekomst te beschouwen, om daarna tot het werkplan voor
de eerstvolgende jaren over te gaan. Vergunt mij tevens daarbij een
beeld te gebruiken, ten einde mijne bedoelingen op gemakkelijker
wijze duidelijk te maken.

De wetenschap is een veld van licht, te midden van bijna
ondoordringbare duisternis. Helder schijnt het licht op de menschheid,
verlossing brengende van onkunde en onmacht, van twijfel en vrees. Door
gestadigen en harden arbeid en door de toewijding van velen wordt
het licht onderhouden en zijn gebied allengs vergroot, en dringen de
zegeningen van ervaring en macht over de natuur allengs in grooter
kringen door. Amerika is rijk aan stichtingen, die de middelen geven
tot onderzoek en onderwijs, tot verdieping en verspreiding van kennis,
en iedereen weet, hoe naijverig Europa op de mogelijkheid van zulke
schenkingen, en op den edelen, vaderlandslievenden en het menschdom
bevoordeelenden geest is, die daaraan ten grondslag ligt.

In ons beeld kan de vermeerdering van kennis op tweeërlei wijzen
plaats vinden. Ten eerste door gestadig en zorgvuldig werk in het
lichtveld zelf. De grond moet worden beploegd en de grenzen moeten
worden uitgebreid, en honderden en duizenden van onderzoekers zijn
onvermoeid bezig alle leemten aan te vullen en aan alle kanten op de
eenmaal vaststaande grondslagen voort te werken.

Daarnaast staat het tweede middel van vooruitgang. Van uit het groote
veld worden lichtpunten uitgeworpen in de omringende duisternis. Hun
kansen om uitgedoofd te worden, en zonder gevolgen voorbij te gaan zijn
natuurlijk voor de hand liggend, en tallooze pogingen leiden dan ook
niet tot de gewenschte uitkomst. Maar van tijd tot tijd verwerven zij
vasten voet en staan zij als bakens, ver in de donkere omgeving. Dan
wijzen zij den weg voor een veel snelleren vooruitgang. Rondom de
bakens kan het licht zich uitbreiden, en tusschen hen en het groote
lichtveld wordt de duisternis van twee kanten bestreden, zoodat het
vroeg of laat gelukken moet, de bakens met het lichtveld te verbinden,
en al het terrein tusschen hen beiden te veroveren en toegankelijk
te maken. Zoo worden de uitgeworpen lichtpunten de middelen tot een
snelleren vooruitgang in bepaalde richtingen.

Vandaar dat zulke lichtpunten de groote feiten geworden zijn, die de
geschiedenis van het natuurkundig onderzoek ons bewaart. Zij maken
den naam van de mannen, die ze uitwerpen onsterfelijk, zij zijn als
het ware de keerpunten der historie. Baco en Newton, Lyell en Darwin
staan onder allen vooraan, en in den tegenwoordigen tijd wijden Edison
en Marconi, Röntgen en Curie den arbeid van hun genie aan de belangen
der menschheid.

Met deze opvatting van de beide hoofdbeginselen van vooruitgang
op het gebied van kennis en wetenschap vereenigt zich het
Carnegie-Institution ten volle. Te Washington heeft het zijn zetel;
hier werkt het regelmatig en gestadig voor de bevordering der algemeene
wetenschappelijke belangen. Daarnaast heeft het een eerste lichtpunt
uitgeworpen ver in de dorre woestijn, om een baken te worden van
onderzoek in de talrijke vragen van theoretisch en practisch belang,
die de woestijn ons aanbiedt. De oorsprong van de flora en de fauna van
die waterarme streken moet worden nagegaan. Hoe zijn sommige planten en
dieren er toe gekomen, bij voorkeur daar te leven? Waardoor zijn zij in
staat gesteld, in millioenen van exemplaren zich te vermenigvuldigen,
waar andere soorten noodzakelijk zouden te gronde gaan? Hebben zij bij
dien overgang hun natuur veranderd, of zijn zij slechts uitgezocht
uit vele anderen, en zijn alleen zij toegelaten, die reeds van den
aanvang af geschikt werden bevonden? Hoe kan de mensch in dit proces
ingrijpen? Is hij beperkt tot de werken van irrigatie en tot de keus
van elders bekende, maar toevallig voor de nieuw te ontginnen landen
passende soorten van land en tuinbouwgewassen?

Deze en tallooze andere vragen moeten worden beantwoord. Om daartoe bij
te dragen heeft het Carnegie-Institution een laboratorium ingericht,
midden in de woestijn. Het is gebouwd op de heuvelenreeks nabij
Tucson in Arizona, een der oudste Spaansche stichtingen in die
bijna onbewoonbare landstreek, en thans een bloeiende en zich snel
ontwikkelende stad, met groote industrieën en een levendigen handel
op Mexico, en met toenemenden landbouw, gegrondvest op kunstmatige
irrigatie.

Het woestijn-laboratorium staat onder het toezicht van de plantkundigen
Coville te Washington en MacDougal te New-York, terwijl Dr. Cannon,
met den titel van "resident-investigator" [44] de werkzaamheden
leidt. De hoop op een wetenschappelijke en praktische verovering
der woestijn is de grondslag van het werk, en alles wijst er op,
dat deze hoop ten volle gewettigd is.

Heden wordt een tweede lichtpunt door het Carnegie-Institution in
de omringende duisternis uitgeworpen. Het is het laboratorium, dat
wij thans inwijden. Het moet een baken worden in een veel dichter
duisternis; het moet veel moeilijker vraagstukken aanvatten, en kan
daarbij slechts op een veel zwakkeren grondslag van voorafgaande
kennis steunen. Het heeft een veel hooger doel, en streeft naar
vruchten van meer algemeen belang. Het moet een leidster worden op
een gebied van geheel onverwachte feiten en ontdekkingen en een bron
voor geheel nieuwe methoden van verbetering van onze huisdieren en
landbouwplanten. Het heeft een veel zwaarderen arbeid voor zich en
zal eerst na jaren van voorbereidende studie de groote praktische
problemen rechtstreeks kunnen aanvatten.

Maar hoelang deze periode van stillen arbeid ook moge duren, er kan
geen twijfel zijn, of het doel zal eenmaal worden bereikt. De geheele
inrichting, de rijke middelen, maar vooral de persoon van den directeur
en de keuze van zijn staf beloven een glansrijke toekomst. Welke
die toekomst zal zijn, laat zich natuurlijk niet in bizonderheden
omschrijven. Toch is het wenschelijk, de verwachtingen eenigszins
nader uit te werken, welke de tot nu toe genomen maatregelen met
recht kunnen doen ontstaan.

Zulke verwachtingen binden niet, want 's werelds loop laat zich niet
voorspellen. Maar ik zie geen bezwaar in een schets, daar ik ten volle
overtuigd ben, dat de uitkomst toch eenmaal de meest schitterende
verwachtingen overtreffen zal.

Meer in bizonderheden gaande, kunnen wij ook hier ons beeld van het
lichtveld der wetenschap toepassen. Ook dit laboratorium moet zulk een
veld worden, dat door vlijtigen arbeid zich steeds vergroot, maar van
waaruit tevens losse lichtpunten in de omringende duisternis worden
uitgeworpen. Hoe het werk op het veld moet geschieden, laat zich
ten minste in groote trekken berekenen; wat de bakens zullen kunnen
bereiken laat zich ternauwernood gissen. Het is als een droom. Maar
het is een zeer verleidelijke droom, en ik vind geen reden, om aan die
verleiding weerstand te bieden. Daarom zal ik trachten te schetsen,
wat ik in dien droom heb meenen te zien, en welke hoop het denkbeeld
van experimenteele evolutie, in verband met de groote ontdekkingen
van onzen tijd op verwant gebied, in mij opwekt.

Mijn droom is uitgegaan van de oude vraag, wat er in een ei is,
dat dit in staat stelt al de eigenschappen van een vogel allengs te
ontwikkelen. Waarom wordt uit het eene ei een kip, en uit het andere
een fazant geboren? Welke eigenschappen hebben de ouders daarin
gelegd, die met klaarblijkelijke noodzakelijkheid de ontwikkeling
in een bepaalde richting leiden? Natuurlijk moet er in het eigenlijk
levende deel van het ei, het zoogenaamde kiemvlekje iets anders zijn,
zoo er een kip, en iets anders zoo er een fazant uit ontstaan zal. De
dooier en het eiwit zijn slechts voedsel, en daarin kan de oorzaak van
het verschil dus moeilijk liggen. Nog grooter verschillen moeten er
zijn tusschen het ei van een vogel en van een slang, en veel grooter
natuurlijk tusschen die en de eieren van zeesterren en zeeappels, die
bekende soorten, die zoo dikwijls door de zee op ons strand worden
geworpen, en wier eieren en larven een zoo zeer gezocht materiaal
voor de studie der ontwikkelings-verschijnselen geworden zijn.

Nu zouden wij kunnen trachten, ons een voorstelling te maken van
den aard dezer onzichtbare verschillen. Wij zouden kunnen vragen,
wat wellicht het microscoop ons openbaren zal, wanneer het zijn
gebied nog verder zal uitgebreid hebben en deeltjes, die thans nog
onzichtbaar zijn, zoo zal kunnen vergrooten, dat wij ze rechtstreeks
kunnen waarnemen. Maar op deze vraag wil ik thans niet ingaan. Liever
wil ik vragen, of het mogelijk zou kunnen zijn, in de samenstelling van
die kiemen willekeurig veranderingen te weeg te brengen, zóó, dat het
dier dat uit het ei ontstond, andere eigenschappen zou vertoonen dan
zijne ouders. Natuurlijk bedoel ik niet, dat men zou kunnen trachten
uit een zeesterren-ei een slang, of uit een schildpadden-ei een vogel
te maken. Die verschillen zijn veel te groot. Aanvankelijk zal men
wel met de allerkleinste veranderingen tevreden moeten zijn. Laat ons
daarom een voorbeeld kiezen van zulk een zeer kleine en schijnbaar
onbeteekenende wijziging.

De gewone pauw heeft een witte variëteit, die de schitterende kleuren
van de gewone soort mist. Uit de eieren dezer variëteit komen steeds
weer witte pauwen. Er moet dus tusschen het ei van een gewone en
dat van een witte pauw een verschil zijn dat het verschil in kleur
bewerkt. Dit verschil echter kan eenvoudig zoo beschouwd worden, dat
men zegt, dat de kleuren in het eene geval vrij tot ontwikkeling komen,
terwijl zij in het andere daarin door een of andere oorzaak worden
belemmerd. Wat is nu deze oorzaak, en hoe zou men die kunstmatig
kunnen nabootsen? Met andere woorden, zou het mogelijk zijn, een
middel te ontdekken dat in het ei van een gewone pauw, de kleuren
kan beletten tijdens den lateren groei te voorschijn te treden?

Wij moeten natuurlijk aannemen, dat in het ei voor elke eigenschap
en dus ook voor de kleuren, bepaalde deeltjes voorhanden zijn, die
die eigenschap als het ware vertegenwoordigen, en die door zich te
vermenigvuldigen, tijdens de ontwikkeling van het jonge dier ten
slotte de kleuren doen ontstaan. Kon men die deeltjes nu dooden,
of ook slechts zóó verzwakken, dat zij, in vergelijking met andere
achterlijk bleven, dan zou misschien uit een gewoon pauwenei, in eens
en kunstmatig, de witte variëteit kunnen verkregen worden.

Overlegt men de zaak op deze wijze, dan schijnt het dat men met
heele kleine veranderingen in een ei, zeer groote wijzigingen in een
organisme zou kunnen teweeg brengen. Een witte variëteit van de pauw
zou slechts een herhaling zijn van iets dat reeds bestond. Maar het
is duidelijk, dat dezelfde redeneering van toepassing zou zijn op
vogels en andere dieren, waarvan zulk een variëteit nog niet bestaat,
zoodat men werkelijk iets nieuws zou krijgen. Ja men zou het beginsel
misschien ook op bloemen kunnen toepassen. Witte afwijkingen van
soorten met blauwe of roode bloemen komen zoo algemeen voor, dat
het slechts natuurlijk schijnt om aan te nemen, dat elke rood- of
blauwbloemige plant er eene zou kunnen hebben. Toch is dit nog niet
het geval, en zijn er tuinplanten, waarvan een witte vorm nog steeds
te vergeefs gezocht is en zeker, zoo zij gevonden of voortgebracht kon
worden, door kruising met andere, tot een belangrijke vermeerdering
der vormen zou kunnen bijdragen. Ik noem slechts de bloeiende canna's,
wier kleur rood is, doch met geel vermengd. Verlies van het rood zou
ze zuiver geel doen worden, verlies van het geel zuiver karmijnrood,
terwijl een verlies van beide kleuren noodig zou zijn, om de zoo zeer
gewenschte witte variëteit te doen ontstaan. Maar men heeft haar nog
niet gevonden, en kan haar voorshands ook nog niet maken.

Is het mij gelukt duidelijk te maken, wat men in zulk een bepaald geval
door vernietiging of verzwakking der vertegenwoordigende deeltjes
in een ei van een dier of in een zaadknop van een plant wellicht
eenmaal zou kunnen bereiken, dan mogen wij dit denkbeeld natuurlijk
uitbreiden. De kleuren dienden ons slechts als voorbeeld. Juist
dezelfde beschouwing zou men ook op allerlei andere eigenschappen
kunnen toepassen. Doornlooze en onbehaarde variëteiten worden
dikwijls als verdere voorbeelden aangehaald. Verlies van het meel in
het zaad onderscheidt de suikererwten en de suikermais van de gewone
soorten. Er zijn aardbeziën die geen uitloopers en Acacia's die geen
gevinde bladeren maken. Dit zijn natuurlijk slechts onbelangrijke
wijzigingen, maar het is duidelijk dat als men die kunstmatig kon
maken, men allengs tot meer belangrijke zou kunnen overgaan. Groote
verbeteringen onzer nuttige dieren, of van land- en tuinbouwplanten
zouden ten slotte mogen worden verwacht.

Gaarne geef ik toe, dat wij van het bereiken van dit doel nog ver af
zijn. Maar bij de stichting van een nieuw laboratorium met een nieuwe
richting van onderzoek komt het mij toch wenschelijk voor zulk een
blik in de toekomst te slaan. Natuurlijk kan men niet voorspellen
wat later eenmaal zal worden ontdekt. Maar het is van groot belang,
een heldere voorstelling van de mogelijkheden op dit gebied te hebben,
teneinde van elke toevallige vondst terstond de waarde en de beteekenis
te kunnen beoordeelen. Zonder die voorzorg zou allicht een kleine
ontdekking kunnen verloren gaan, die toch het punt van uitgang had
kunnen worden, van waaruit ten slotte de oplossing van het raadsel
had kunnen bereikt worden.

Daarom wensch ik thans na te gaan, welke kansen er zijn, om in eieren
zulke veranderingen teweeg te brengen. Ik stel daarbij voorop, dat
alles, wat men tot nu toe omtrent de physiologie van de eieren der
meest verschillende soorten van dieren onderzocht heeft, en alle
veranderingen, die men daarbij feitelijk in de kiemen teweeg heeft
gebracht, grof is in vergelijking met het verschijnsel dat ons thans
voor den geest zweeft. Een kleurverandering in de veeren van een pauw
zou natuurlijk volkomen onzichtbaar blijven, zoolang het kuiken in het
ei ligt, en zelfs nog geruimen tijd daarna. En zoo zou het met allerlei
andere eigenschappen zijn. Zichtbare veranderingen in de kiem en het
kuiken komen ons, van dit standpunt, voor als grove monstrositeiten,
die wel belangrijk, maar niet het doel van ons streven zijn. Wat
men thans moet zoeken zijn onzichtbare, en zich eerst veel later
verradende wijzigingen.

Het dooden van enkele vertegenwoordigende deeltjes in een ei is
misschien het beste voorbeeld, ofschoon het allicht in de praktijk nog
te grof zal blijken. Men zou kunnen trachten het te bereiken met een
methode, die door Engelmann voor andere doeleinden gebruikt is. Ligt
een levende cel onder het microscoop, zoo kan men het licht dat haar
beschijnt, door een lens laten gaan, en die lens zoo kiezen en zoo
plaatsen, dat haar brandpunt juist in het veld van het microscoop
valt. Is de lens aan een eigen, beweeglijk statief bevestigd,
dan zou men dit brandpunt zich onder het microscoop kunnen doen
verplaatsen. Men zou dan in een vrij donker veld een helder lichtend
punt als het ware kunnen laten wandelen. Is het klein genoeg om een
enkele bladgroenkorrel, of een celkern, of zelfs een deel van een
kern te treffen, zoo zou men alleen dat punt kunnen verlichten. Op
deze wijze heeft Engelmann rechtstreeks aangetoond dat het licht in de
groene deelen der cellen zijn koolzuur-ontledende werking uitoefent,
en niet in de kleurlooze gedeelten van het levend protoplasma.

Nu concentreert een lens natuurlijk niet alleen de licht- maar ook
de warmtestralen. Iedereen weet, dat voorwerpen, in het brandpunt
geplaatst, verhit worden; vandaar trouwens de naam. Past men dit onder
het microscoop toe, dan zou men dus een klein deel van een cel sterk
kunnen verwarmen, zonder de overige deelen te beschadigen. Spoedig
zou daarbij de warmte zoo groot worden, dat het getroffen deel
afstierf. Zoo kan men enkele bladgroenkorrels dooden, terwijl de
overige deelen der cel levend blijven. Als men nu voorzichtig een
celkern, of een deel daarvan tot dicht bij de temperatuurgrens van
het leven verwarmde, zou men mogen verwachten, dat die grens niet
voor alle deeltjes dezelfde is. Enkele zouden eerder sterven, andere
later. In een gunstig geval zou men dus de meest gevoelige kunnen
dooden, maar de overige sparen.

Gesteld nu, dat men er enkele trof, die voor de ontwikkeling niet
volstrekt noodzakelijk waren, dan zou men misschien, langs dezen
weg, een variëteit kunnen tot stand brengen. Natuurlijk zou er nog
heel wat te bestudeeren en te beproeven zijn, vóórdat men zoover kon
komen. Doch dit is thans niet de zaak die ons bezighoudt. Het kwam
er slechts opaan, aan te toonen, dat er een weg is, die de kans op
zulk een ingrijpen opent.

Waarschijnlijk zal het volstrekt niet noodig zijn, bepaalde deeltjes
in een ei te dooden, om zichtbare veranderingen in het daaruit groeiend
organisme teweeg te brengen. Veel natuurlijker schijnt het ze eenvoudig
in meerdere of mindere mate te verzwakken, hetzij tijdelijk, hetzij
op den duur. Door een tijdelijke verzwakking zou men kunnen hopen
ze achterlijk te maken in vergelijking met de overige factoren van
het ontwikkelingsproces en daardoor misschien de fijnst mogelijke
wijziging te erlangen.

Een eerste middel dat zich daarbij aanbiedt is het bedwelmen. Aether
en chloroform werken op dierlijke en plantaardige cellen op
overeenkomstige wijze als op het menschelijk organisme, en wellicht
zou men daarvan gebruik kunnen maken, om geringe storingen in
de allereerste ontwikkeling te doen optreden. Reeds zijn een
aantal feiten bekend, die de uitgesproken hoop wettigen, of ten
minste steunen. Wat eieren betreft, gebruikt men bij voorkeur die
van zee-egels en zee-appels, die deels om hun doorschijnendheid,
deels om hun taaiheid, deels om allerlei andere redenen voor
onderzoekingen bizonder geschikt zijn. Wilson heeft nu vóór, tijdens,
en na de bevruchting aether op zulke eieren laten inwerken. Zichtbare
afwijkingen van het normale proces waren daarvan het gevolg. Zoo kan
de mannelijke kern belet worden met de vrouwelijke te copuleeren,
doch daarbij op eigen gelegenheid voortgaan met groeien. Ook kunnen de
stralen-sphaeren, die gewoonlijk van de kernen uitgaan, en waarlangs
zij vermoedelijk haren invloed op de cel oefenen, door de werking van
aether tijdelijk worden uitgewischt, of ten minste onzichtbaar gemaakt,
zonder dat daardoor de levensverschijnselen en met name de deelingen
in de kernen merkbaar worden gestoord. Dan kunnen de kernen zich
vermenigvuldigen, zonder dat dit door de overeenkomstige celdeelingen
wordt gevolgd en er ontstaan veelkernige cellen. Wilson kon soms 64
kernen in een enkele cel tellen, terwijl het normale aantal niet meer
dan één bedraagt. Eindelijk kunnen de celdeelingen zoo onregelmatig
worden, dat zij, inplaats van tusschen de kernen door te gaan, langs
deze den nieuwen wand maken, zoodat de eene helft geen en de andere
beide of alle jonge kernen krijgt. Zulke kernlooze cellen vertoonen
dan natuurlijk allerlei afwijkende verschijnselen.

De meeste van de beschreven afwijkingen zijn van voorbijgaanden aard,
zoo de bedwelming slechts kort genoeg duurt. Is het nog mogelijk, dan
keert daarna de kiem tot het normale ontwikkelingsproces terug. Maar
misschien blijft er toch nog iets over, dat, aanvankelijk onzichtbaar,
en dus tot nu toe niet opgemerkt, in het latere leven zich zou
verraden, en dan juist wijzigingen geven, zooals wij die zouden
wenschen te zien ontstaan. Een ruim veld van waarneming en onderzoek
ligt hier voor ons open.

Dat bedwelming werkelijk veel fijnere wijzigingen in den groei en de
ontwikkeling kan te weeg brengen is, ten minste voor planten, door
de merkwaardige studiën van Johannsen bewezen. Aan dezen gelukte
het, door een voorbijgaande bedwelming, slapende knoppen wakker te
maken. Het resultaat was geheel onverwacht, en toch kan iedereen zich
gemakkelijk van de juistheid overtuigen. Onze boomen en heesters,
onze bloembollen en knolgewassen hebben 's winters een periode
van rust, die niet eenvoudig het gevolg van de koude is. Dit blijkt
terstond wanneer men bedenkt, dat de term winterrust het verschijnsel
eigenlijk zeer onvolkomen uitdrukt. Want hyacinten en tulpen en tal van
andere bolgewassen rusten eigenlijk des zomers. Als in het voorjaar
hun bloemen uitgebloeid zijn, kunnen zij nog zaad maken, en moeten
zij, b.v. een maand lang, door middel hunner bladeren het voedsel
maken dat voor het verdere leven van den bol, tijdens de periode
van rust, noodig is. Maar juist als de ware zomermaanden intreden,
beginnen zij deze periode, en daaruit volgt, dat gebrek aan warmte
daarvan klaarblijkelijk niet de oorzaak is. Zoo is het met tal van
voorjaarsplanten, waarvan men de bladeren nog eenigen tijd in den
zomer ziet, maar die vroeg of laat ter ruste gaan, lang vóór het
einde van den herfst.

Er moeten dus inwendige, van het jaargetijde onafhankelijke oorzaken
zijn, die deze rust bewerken. Daarnaast kan 's winters de koude de
ontwikkeling vertragen, en iedereen weet dat enkele te vroege en te
warme voorjaarsdagen de knoppen er toe brengen kunnen vóór hun tijd
uit te loopen. Maar dit kan wel in het voorjaar, doch niet in den
eigenlijken winter, vooral niet in 't begin daarvan geschieden. Men
kan dit bewijzen door takken van allerlei boomen en heesters af te
snijden en, in wat water, in een warme kamer te plaatsen. Doet men dit
in Februari of Maart, dan ziet men weldra de meeste knoppen zwellen,
en een aantal er van open barsten en hun bladeren en bloemknoppen
ontplooien. Doet men het in October of November, zoo blijven de
takken echter werkeloos. Toch is alles of ten minste nagenoeg alles
in hen voor het hernieuwde leven gereed. Dit blijkt juist uit de
aether-proeven van Johannsen. Want wat men door eenvoudig verwarmen
niet kan bereiken, kan men daardoor wel verkrijgen na een voorbijgaand
bedwelmen. Men zet de takken, na ze afgesneden te hebben, en liefst
zonder water, in een groote metalen kist met goed sluitend deksel,
of ook onder een glazen stolp of in een flesch met wijden hals,
en voegt daaraan een afgemeten hoeveelheid aether toe. Men laat ze
er twee dagen in, en herhaalt daarna zoo noodig de bewerking nog
eens. Zet men ze nu in wat water op een verwarmde plaats dan ziet
men ze spoedig uitloopen, ten minste verscheidene soorten, want de
vereischte hoeveelheid aether is niet voor alle dezelfde. Dit proces,
dat in het klein zeer verrassende uitkomsten geeft, heeft in de laatste
jaren in het groot in de praktijk ingang gevonden voor het forceeren
van seringen. Want het is daardoor mogelijk geworden, den bloei
dezer struiken in Januari en December eenige weken te vervroegen, en
zoodoende omstreeks Kerstmis en Nieuwjaar daarvan groote hoeveelheden
bloemtrossen in den handel te brengen. En merkwaardiger wijze groeien
de trossen na het aetheriseeren zooveel sneller dan bij het gewone
forceeren, dat de meerdere kosten van de installatie en toepassing van
dit proces geheel opgewogen worden door de besparing aan brandstof,
die het kortere forceeren in de kassen natuurlijk met zich voert.

Zoo hebben wij in aether--en hetzelfde geldt van chloroform--een zeer
merkwaardig middel om allerlei wijzigingen in het ontwikkelingsproces
te voorschijn te roepen, en het spreekt van zelf, dat na zulke
onverwachte en uiteenloopende feiten, als die van Wilson en van
Johannsen, nog een lange reeks van ontdekkingen op dit gebied mag
worden verwacht.

Van geheel anderen aard zijn de studiën van Loeb in Californië
en van Delage in Parijs omtrent den invloed van opgeloste stoffen
en van gassen op de ontwikkeling van eieren. Ook zij gebruiken bij
voorkeur eieren van zee-sterren en zee-egels. Als zulke eieren bevrucht
worden, gebeurt er tweeërlei. Eensdeels brengt het mannelijk element
de eigenschappen van den vader op de kiem over, en bewerkt zoo de
gelijkenis der kinderen op hem, wat bij ons menschen zeer bekend is,
en bij bastaarden een zeer belangrijke rol speelt, maar wat natuurlijk
overal bij planten en dieren het meest wezenlijke deel der bevruchting
is. Maar dit is volstrekt niet het eenige, wat de mannelijke cel
bewerkt. Het ei bevindt zich in rustenden toestand, en moet daaruit
worden opgewekt, om zich verder te gaan ontwikkelen. Dit gebeurt nu
niet door die overbrenging der erfelijke eigenschappen, maar door
een afzonderlijke werking. Bij sommige planten en met name bij vele
orchideeën vindt zulk een werking zelfs reeds vóór de bevruchting
plaats, en gaat er van de stuifmeelkorrels en haar buizen iets uit,
wat den groei der zaadknoppen bevordert. Zonder dien prikkel worden
zij in die gevallen nooit normaal en voor de bevruchting geschikt.

Men kan nu, dank zij de onderzoekingen der genoemde geleerden, die
twee belangrijke werkingen van elkander scheiden. Want men kan den
groeiprikkel, als ik het zoo eens noemen mag, die van het mannelijk
element uitgaat, vervangen door iets anders. Dan zal het ei zich
ontwikkelen, zonder in den eigenlijken zin van het woord bevrucht te
zijn, en daarom pleegt men dit proces parthenogenesis, en wel in dit
bizondere geval, kunstmatige parthenogenesis te noemen.

Loeb ontdekte dit door het gebruik van opgeloste zouten, en met
name van chloormagnesium, dat in het zeewater wel aanwezig is,
maar natuurlijk niet in voldoende hoeveelheid om die onnatuurlijke
ontwikkeling te bewerken. Voegt men er echter wat grootere hoeveelheden
van aan het zeewater toe, waarin de eieren van zee-sterren, zee-egels
en zee-appels liggen, dan ziet men deze tot jonge larven worden, ook
zonder bevruchting. Eenige andere zouten zijn eveneens in staat, dit
gevolg te bewerken. Het maakt den indruk alsof het ei rustend gehouden
werd door een of andere onbekende maar op den groei belemmerend
werkende oorzaak. Het mannelijk element en de genoemde zouten heffen
die oorzaak op, lossen haar misschien eenvoudig op, zoo zij een
bepaalde stof is, en veroorloven zoo den voortgang der ontwikkeling.

Delage heeft nu aangetoond, dat behalve zouten ook gassen, en met
name koolzuur, zulk eene werking hebben. Gasvormige lichamen hebben
bij zulke proeven allerlei voordeden boven opgeloste zouten. Men
behoeft slechts een stroom van koolzuur uit een ontwikkelingsflesch,
of uit een gewonen syphon van koolzuurhoudend mineraalwater te leiden,
om de eieren, die er in liggen, tot ontwikkeling te doen komen zonder
bevruchting. Zouten werken altijd op een aantal eieren schadelijk,
maar koolzuur kan ze bij honderden doen groeien, zonder dat er een
enkel verloren gaat of ook slechts achterlijk blijft. Daardoor geeft
het koolzuur een middel aan de hand, om de onbevruchte eieren in
hun verderen levensloop te bestudeeren, iets wat op dit oogenblik
nog zeer moeilijk is, daar men met de vereischten van het leven van
jonge zee-appels, ook na bevruchting der eieren, in een aquarium
nog zeer onvoldoende bekend is. In een aquarium moet men het water
voortdurend in beweging houden, en daarenboven moet men zorgen,
dat voedsel in overvloed voorhanden zij. Dit voedsel nu bestaat in
allerkleinste organismen, bijna onzichtbaar klein, die in het zeewater
in onnoemelijk aantal voorkomen, en die door de larven der zeesterren
worden gegeten. Deze plantaardige en dierlijke, microscopisch kleine
wezens vormen een deel van de in de bovenste lagen der zee drijvende
of liever zwevende wereld, die men tegenwoordig gewoon is het plankton
te noemen. Dit plankton, waarop ik trouwens later nog terug zal moeten
komen, is de groote bron van het voedsel voor alles wat in zee leeft,
tenminste wat het dierenrijk betreft, en grootere planten zijn in de
zee zooals men weet betrekkelijk zeldzaam, en eigenlijk beperkt tot de
kusten en tot de enkele, drijvende sargasso-zeeën. Dit microscopische
voedsel moet men vermengen met het zeewater, waarin de larven leven,
en dit heeft, bij hun vraatzucht, groote moeielijkheden, doch het is
hier de plaats niet, daarop nader in te gaan.

Genoeg zij het, er op gewezen te hebben, dat eieren zonder bevruchting
tot larven kunnen worden. En kunnen zij dit, zoo zouden zij het
wellicht ook met een gedeeltelijke bevruchting kunnen, en misschien
met een gemis van slechts enkele der vertegenwoordigende deeltjes
van de erfelijke eigenschappen van den vader.

Evenals van chloormagnesium, zou men ook de werking van zwakke
vergiften op den aanvang van het ontwikkelingsproces kunnen
bestudeeren. Davenport heeft aangetoond, dat er een zeer groote
mate van overeenkomst bestaat tusschen de werking van vergiften
op het menschelijk lichaam en op verschillende soorten van lagere
dieren. Met name kunnen in vele gevallen dieren aan bepaalde vergiften
gewend worden, door de dosis langzaam te doen toenemen. Er ontstaat
dan een soort van immuniteit, en deze treedt, al naar gelang der
onderzochte voorwerpen, nu eens vroeger, dan weer later in. Zoo men
nu aan mag nemen, dat bij een fijner uitwerken van dit beginsel,
ook de vertegenwoordigende deeltjes der erfelijke eigenschappen in
een ei in verschillende mate gevoelig zullen blijken te zijn voor
zulke vergiften, dan ontstaat de kans dat men daardoor sommige kan
elimineeren, zonder de overige al te zeer te schaden. Zoodoende zou
men allicht, in de ontwikkeling van de kiem en van het jonge dier
uit het ei, enkele bepaalde eigenschappen kunnen onderdrukken.

Allerlei andere invloeden zouden kunnen worden bestudeerd, en onder
deze bieden wellicht de stralen van Röntgen, en de radio-activiteit
van het nieuwe element radium, bizondere kansen van slagen aan. Van
beide zijn reeds uiterst belangrijke werkingen op het levend organisme
bekend, die deels als genezing, deels als schadelijke veranderingen
van beteekenis zijn. Ook is in sommige gevallen hun invloed op
de ontwikkeling van jonge dieren uit het ei nagegaan. Zoo kan de
groei der organen van de donderpadden, die uit de kikvorsch-eieren
ontstaan, op belangrijke punten gewijzigd worden door de stralen
die van radium-bromide en andere radium-zouten uitgaat. In normale
gevallen verandert b.v. de vorm van den kop na omstreeks acht dagen,
de hals wordt onduidelijk en de uitwendige ademhalingsorganen
worden door inwendige vervangen. Maar de radium-stralen belemmeren
deze processen, en inplaats van te verdwijnen, wordt de hals door
het ontstaan van huidplooien duidelijker. In jonge zee-appels,
die zich uit eieren ontwikkelen, kan het radium den geheelen bouw
der ingewandsholte wijzigen. Wijzigt men nu de intensiteit van de
inwerking van het radium, zoo verandert ook de uitwerking, en voor
zoover de waarnemingen thans reeds een inzicht veroorloven, kan men
zeggen dat zwakke werkingen dikwijls de levensfunctiën bevorderen,
terwijl sterkere ze vertragen of belemmeren. Zeer sterk behoeft de
werking dan ook niet te worden, om plaatselijk enkele organen of cellen
geheel te dooden. Ook in dit opzicht gedragen zich verschillende cellen
verschillend, en onlangs heeft Soddy voorgesteld om de radio-activiteit
van het thorium, die zooveel zwakker is dan die van het radium zelf,
te gebruiken om de microben der longtering binnen in het lichaam te
dooden. De longen zouden daarbij zoo goed als onbeschadigd blijven. Hoe
dit ook zij, de hoofdzaak is voor ons dat ook hier, evenals in de
vorige gevallen, krachten aanwezig zijn, die bepaalde deeltjes meer en
andere veel minder in hun levensfunctie en ontwikkeling tegenwerken,
en evenals wij dit reeds herhaaldelijk gedaan hebben, kunnen wij
ons ook hier voorstellen dat een fijnere uitwerking van het beginsel
eenmaal tot een scheiding onder de vertegenwoordigende deeltjes der
erfelijke eigenschappen in het ei zal kunnen leiden.

Maar ik heb wellicht reeds te veel feiten en verschijnselen uit te
zeer uiteenloopende deelen der natuurwetenschap aangehaald. Bij de
volkomen onzekerheid die hier uit den aard der zaak nog heerscht,
zou een verdere beschouwing van dit punt allicht al te vermoeiend
worden. Mijn doel was dan ook slechts aan te toonen, dat de
zuster-wetenschappen, vooral in haar nieuwste ontdekkingen, een schat
van feiten aanbieden, die als uitgangspunten voor onderzoekingen op
het gebied der experimenteele evolutie kunnen dienst doen.

Daarom is een der eerste vereischten voor den goeden gang van de
werkzaamheden op dit nieuwe laboratorium, dat men zooveel mogelijk op
de hoogte blijve van het nieuwste wat in alle andere wetenschappen
ontdekt wordt. Natuurlijk kan niet alles van toepassing zijn. Maar
men weet vooruit niet, op welken weg een ontdekking zal te vinden
zijn. De eene poging kan mislukken, terwijl de andere gelukt. Het
komt er slechts op aan, de gunstige gelegenheden niet voorbij te laten
gaan. En om daarvoor te zorgen moet men op alles voorbereid zijn. Zeer
dikwijls hangt een belangrijke ontdekking af van een toevallige
kennismaking met een of ander nieuw feit, of een of andere nieuwe
gedachte, die plotseling blijkt van toepassing te kunnen worden op
het werk waarmede men juist bezig is. Is dan dit werk in vollen gang,
en beschikt het over alle methoden en hulpmiddelen die noodig zijn om
het nieuwe gezichtspunt terstond aan de ervaring te toetsen, dan is
wellicht de ontdekking ineens gedaan en misschien tevens al halverwege
voltooid. Is men echter òf niet voldoende voorbereid in eigen werk,
òf niet voortdurend op den uitkijk naar wat het toeval soms brengt,
dan gaat de gelegenheid ongemerkt voorbij, en jaren kunnen verloopen,
eer zich een tweede voordoet. Naast grondigen arbeid acht ik daarom
een voortdurende algemeene oriënteering een eerste vereischte voor
welslagen.

De experimenteele evolutie kan echter nog van geheel andere
gezichtspunten uitgaan dan de tot nu toe ontwikkelde, en daarbij
geheel andere wegen van onderzoek inslaan. Zulk een weg is die, welke
men vroeger algemeen de studie der generatio spontanea noemde. Maar
toen had men, omtrent wat men mocht verwachten, nog slechts uiterst
vage en grootendeels onjuiste voorstellingen. Pasteur's ontdekking
der bacteriën heeft hier veel verkeerde denkbeelden opgeruimd. Want
mogen de bacteriën ook nog zoo klein zijn, en voor het gewapend
oog een ook nog zoo eenvoudigen bouw vertoonen, toch leeren ons hun
zoo uiterst verscheidene, scheikundige en physiologische werkingen,
dat hun binnenst maaksel volstrekt niet zoo primitief zijn kan. Men
is dan ook reeds lang van het vermoeden terug gekomen, onder hen
de meest oorspronkelijke wezens te zoeken. Vooral heeft daartoe de
overweging bijgedragen, dat zij alle òf van de weefsels van hoogere
planten en dieren, òf tenminste van hunne afvalproducten leven. Zij
zijn dus in hun geheele bestaan van deze afhankelijk en men kan zich
dus moeilijk voorstellen, dat zij, in het begin van den biologischen
tijd, aan deze zouden zijn voorafgegaan.

Hierdoor komen wij als van zelve tot de vraag, waar men zich dan
voorstellen moet, dat het eerste leven ontstaan is. Dit nu is uit
den aard der zaak een quaestie die thuis behoort op het gebied
van het verre verleden, en dus in de palaeontologie. De leer der
voorwereldlijke planten en dieren antwoordt op onze kwestie echter
met een groot bezwaar. In fossielen toestand kan men natuurlijk
niet verwachten, dat van de bedoelde verschijnselen iets zal zijn
overgebleven. Integendeel, er is in het algemeen al een vrij hooge
graad van organisatie noodig, zal een plant of dier kans hebben om zijn
overblijfselen of indrukken in de gesteenten achter te laten. En die
hoogere bouw, gepaard gaande met een grootte, die de eerste levende
wezens zeer zeker niet bereikt kunnen hebben, sluit de studie van
het bedoelde verschijnsel op palaeontologisch gebied geheel van de
ervaring uit.

Wij komen dus hier op een gebied van reine fantasie. Maar niet van een
vrije fantasie. Want zij is gebonden aan de bekende feiten, die haar
binnen vrij enge grenzen beperken. En met deze beperking kan zij ons
van groot nut zijn om ons een nieuwen weg te wijzen, waarlangs wellicht
de studie der experimenteele evolutie zou kunnen worden aangevat.

Ik wil thans trachten duidelijk te maken, welke gezichtspunten ons
door zulke beschouwingen worden geopend. Daartoe wensch ik een kort
beeld te ontwerpen van de theorie van Brooks omtrent het leven op
aarde gedurende de oudste tijden, waarvan geen fossielen tot ons
zijn gekomen. Deze beschouwing komt mij voor zoo eenvoudig en zoo
gemakkelijk te begrijpen te zijn, dat ik geen bezwaar zie haar hier
eenigszins in bizonderheden te volgen. Zij gaat natuurlijk uit van
hetgeen feitelijk bekend is omtrent de alleroudste fossiele fauna,
die van de cambrische lagen.

Allereerst een enkel woord omtrent den tijd. Men stelt zich thans
algemeen voor, dat het leven op aards geenszins onbegrensd lange
tijden geduurd heeft. De ontwikkeling op de hoofdlijnen van den
stamboom van het dieren- en plantenrijk behoeft niet zoo onmerkbaar
langzaam geweest te zijn, als men voor een tiental jaren nog algemeen
geloofde. Hubrecht heeft ons geleerd de tallooze vertakkingen van
den stamboom beter te beoordeelen en veel, wat men vroeger meende dat
een plaats op de hoofdlijnen moest hebben, wordt thans beschouwd als
te behooren tot de zijtakken. Daardoor wordt, in onze voorstelling,
het geheele proces der evolutie aanzienlijk verkort. Wat men vroeger
meende, dat na elkander moest gebeuren, ziet men thans in, dat voor
een groot deel naast elkander geschied kan zijn. Daarnaast komt de
overtuiging, dat een ontstaan van soorten zoo langzaam, dat eeuwen
noodig zouden zijn om merkbare verschillen teweeg te brengen, allengs
moet wijken voor de meening dat de vooruitgang stapsgewijze geschiedt,
en dat nu eens talrijke stappen elkander snel hebben opgevolgd,
terwijl in andere gevallen, zooals bij de zoetwatermosselen, lange
geologische tijden zijn voorbijgegaan, zonder dat eenige merkbare
vooruitgang, ja zelfs zonder dat eenige belangrijke wijziging in de
organisatie tot stand kwam. Men meent thans dat eenige millioenen van
jaren geheel voldoende kunnen worden geacht voor de verklaring van
het geheele evolutie-proces. Hoeveel millioenen doet er natuurlijk
niet veel toe, daar ons voorstellingsvermogen toch niet in staat is
op zulk een ontzaggelijke uitgebreidheid verschillen duidelijk te
waardeeren. Meestal schat men den duur van het leven op tusschen
de 20 en 40 millioen jaren, of, bij enger beperking, doch nog met
een voldoenden graad van waarschijnlijkheid, tusschen de 20 en 30
millioen jaren.

In dien tijd zouden dus tevens nagenoeg alle geologische lagen zijn
afgezet. De dikte van deze, voor de verschillende perioden van de
ontwikkelings-geschiedenis der aarde, geeft een in 't groot goed
vertrouwbaren maatstaf voor de verdeeling van den zooeven aangenomen
tijd over die verschillende perioden. De oudste lagen zijn verreweg
de dikste, de perioden duurden dus in den aanvang het langste en
dit wil zeggen, dat toen de veranderingen in de aardschors, in
de verdeeling van land en zee, en in de organisatie der levende
wezens uiterst langzaam geschiedde in vergelijking met de latere
tijden. Groote eentonigheid en groote gelijkvormigheid moet er
in den beginne overal op aarde geheerscht hebben. En, naar alle
waarschijnlijkheid heeft het ongeveer de helft van den geologischen
tijd geduurd, voordat hierin eenige merkbare verandering kwam. Sedert
zijn de veranderingen sneller en sneller, en de perioden dus korter
en talrijker geworden. Daaruit volgt echter nog niet dat de totale
vooruitgang ook in die tweede helft de grootste is geweest. Doch eer
ik hierop in ga moet ik eerst de palaeontologische feiten vermelden,
waarop de theorie van Brooks steunt.

De periode in de ontwikkeling der aardschors die het keerpunt in
de geheele ontwikkelings-geschiedenis schijnt te zijn, draagt den
naam van den cambrischen tijd. Deze komt ongeveer met het midden van
alle geologische lagen, en dus met het midden van den geheelen duur
van het leven op aarde overeen. Vóór het cambrium moeten dus 10 à
20 millioen jaren zijn verloopen, sedert de eerste levende wezens
ontstonden, en daarna ongeveer evenveel. De cambrische periode
echter is de oudste, waaruit fossielen bekend zijn geworden, en wij
mogen dus zeggen dat wij van de eerste helft van de ontwikkeling
van het leven op aarde feitelijk niets weten. Daartegenover staat,
dat na het cambrium het voorkomen van fossielen in de gesteenten
regelmatig is toegenomen. Leemten zijn er in onze kennis natuurlijk
nog zeer talrijke, doch zij betreffen meer de fijnere trekken der
ontwikkelingsgeschiedenis. Omtrent de hoofdlijnen mogen wij zeggen
dat de ervaring ons voldoende uitsluitsel geeft.

Geheel juist is het echter niet, zooals ik zooeven zeide, dat wij
omtrent de eerste helft van den biologischen tijd niets weten. Mogen
de feiten ook ontbreken, toch is het duidelijk dat de fauna van den
cambrischen tijd als het product der voorafgegane evolutie mag worden
beschouwd, en dat deze dus zoodanig moet geweest zijn, als met dat
product overeenkomt.

Daarom willen wij thans die cambrische fauna nader in oogenschouw
nemen. Ik doe dit aan de hand van Brooks, die in zijn boek over de
"Foundations of Zoology" een uiterst aantrekkelijke beschrijving van
het leven in de zee, in dien tijd en in den tegenwoordigen tijd,
geeft. Zooals iedereen weet, is de zee veel rijker aan fraaie en
vreemde vormen, aan de meest treffende en boeiende kleur-schakeeringen,
dan eenige vegetatie op het land. Zelfs de tropische bosschen kunnen
met het leven op den bodem der zee op verre na niet wedijveren.

De fauna van de onderste lagen van de cambrische periode, die dus de
alleroudste is, waaromtrent de fossielen ons iets leeren, was rijk
en verscheiden, en de meeste tegenwoordige typen van het dierlijk
leven hadden hun vertegenwoordigers reeds in dien tijd, terwijl er
daarnaast toen geen eenigszins belangrijke typen gevonden werden, die
thans geen levende nakomelingen meer zouden hebben. Gewervelde dieren
en bloemplanten waren er toen nog niet, maar van de lagere dieren,
en zoover men na kan gaan van de wieren, waren de hoofdtypen toen
reeds allen aanwezig. Men kent omstreeks 150 soorten van dieren uit
die onderste cambrische lagen, maar deze zijn zeer gelijkelijk verdeeld
over de orden en familiën, die thans nog op den bodem der zee leven.

Die 150 soorten maken daarenboven niet den indruk van allerprimitiefste
voorvaderen te zijn van de tegenwoordige typen. Integendeel, de
specialisatie en organisatie mogen toen in bizonderheden anders
geweest zijn dan nu, zij stonden volstrekt niet merkbaar lager dan
thans. In geologischen zin de alleroudste waren zij volgens zoölogische
opvatting even modern als de tegenwoordig levende wereld. Binnen in
elke groep is het aantal soorten en vormen in de sedert vervlogen
tijden uitermate toegenomen, en is er een verscheidenheid ontwikkeld
zooals die toen, naar alle waarschijnlijkheid, op verre na niet
bestond. Maar deze differentiëering geldt eigenlijk slechts bijzaken,
terwijl de hoofdzaken nagenoeg onveranderd zijn gebleven. Allerlei
levensomstandigheden, deels voortspringende uit de ongelijkheden van
den bodem der zee en de verschillende diepten, voornamelijk echter
te wijten aan de overal afwijkende eischen van den strijd met andere
wezens en van den grooten wedstrijd om voedsel, hebben talrijke
speciale adaptatiën doen ontstaan, en een enormen rijkdom van vormen
teweeggebracht, waarvan de gewone mensch zich geen voorstelling kan
maken. Maar de hoofdtrekken van de organisatie waren toen dezelfde
als thans, de kenmerken van de hoofdgroepen van het dierenrijk zijn
al die millioenen van jaren vrij wel onveranderd gebleven.

Deze moeten dus in de vóór-cambrische tijden ontstaan zijn, terwijl
de tallooze bizondere aanpassingen van lateren datum zijn.

Wil men nu trachten zich een voorstelling te maken van het leven
gedurende die vóór-cambrische tijden en van de veranderingen, die zoo
plotseling het ontstaan van fossielen mogelijk maakten, dan moet men
natuurlijk geheel van zoölogische, in plaats van palaeontologische
gegevens uitgaan. Het wordt dan een vergelijkende studie, waartoe de
tegenwoordig levende wereld het materiaal moet leveren.

Er zijn in de levensgeschiedenis der aarde klaarblijkelijk perioden van
langzame en tijden van snellere verandering geweest. Voor de fossiele
kruipende dieren was de tijd van den Ichthyosaurus zulk een tijdperk
van snelle ontwikkeling. De allerlaatste tijden toonen een toenemend
overwicht van intellectueelen vooruitgang, en onder de landdieren
geldt thans vrij algemeen list meer dan kracht. De fossielen leeren
ons, dat de gemiddelde grootte van de meeste typen van landdieren
sinds het midden van de tertiaire periode is afgenomen, maar dat de
verhouding van den inhoud van de hersenpan tot de lichaamsgrootte
aanzienlijk is toegenomen. Naar een globale schatting is het gewicht
der hersenen in vergelijking met dat van het lichaam in die latere
geologische tijden meer dan verdubbeld.

Brooks neemt nu aan, dat het begin der cambrische periode ook zulk
een tijd van snellen vooruitgang in een bepaalde richting was, en
wel in de richting van die vaste kalkachtige lichaamsdeelen, die in
fossielen staat zijn overgebleven. De reden, waarom uit oudere tijden
geen fossielen bekend zijn, zou dan eenvoudig deze zijn, dat alle
lichaamsdeelen nog week en voor fossilisatie ongeschikt waren. En de
oorzaak van die verandering zoekt hij in den overgang van het leven
uit de hoogere lagen der zee naar den bodem.

Om de bedoeling van deze voorstelling duidelijk te maken, moeten
wij dus trachten een denkbeeld te geven van die twee, zoo uiterst
verschillende fauna's.

Bestudeert men de ontwikkelingsgeschiedenis van tegenwoordig levende
dieren uit de meest verschillende afdeelingen van het dierenrijk,
dan komt men tot de overtuiging dat zij moeten afstammen van kleine
en eenvoudig gebouwde voorvaderen, die echter reeds het kenmerkende
type der afdeeling in zich droegen. De gemeenschappelijke afstamming
van die groepen moet dus plaats gevonden hebben in een zeer ver
verwijderden tijd, toen alle dieren nog zeer klein en eenvoudig van
bouw waren. Zulke zeer kleine en eenvoudig gebouwde diertjes leven
tegenwoordig talloos in zee, maar niet op den bodem, doch drijvende
of zwemmende in de golven. De bovenste lagen van het water onzer
zeeën moet men zich bevolkt denken met een onnoemelijk aantal uiterst
kleine levende wezens, waarvan velen zelfs microscopisch klein en
voor het ongewapend oog onzichtbaar zijn, terwijl de anderen niet
veel grooter zijn, dan zoo, dat zij juist nog even gezien kunnen
worden. Deze zwevende wereld, die tot een diepte van verscheidene
meters onder de oppervlakte gaat, zoover als het licht en de zuurstof
en het koolzuur der lucht nog ruimschoots kunnen binnendringen, is
het plankton, waarvan ik bij een vorige gelegenheid als van voedsel
voor grootere zeedieren, reeds met een enkel woord heb melding gemaakt.

Dit plankton nu bestaat deels uit plantjes, deels uit diertjes,
maar allen van een zeer eenvoudigen bouw. De planten behooren tot
verschillende groepen van lagere wieren, de dieren daarentegen omvatten
vertegenwoordigers van nagenoeg alle afdeelingen van het dierenrijk,
zoover zij zeedieren omvatten, en met uitzondering natuurlijk van
de gewervelde dieren. De verschillen, die reeds in het plankton de
groote afdeelingen van het dierenrijk van elkander onderscheiden,
worden algemeen als veel diepergaande en als van veel grooter
systematische beteekenis geacht dan alle de tallooze verschillen binnen
die afdeelingen zelven. In het plankton vormen de microscopische
wiertjes niet alleen het voedsel voor alle dieren daarin, maar
tevens voor nagenoeg het geheele leven in zee, met uitzondering van
de kust. Natuurlijk niet rechtstreeks, maar middellijk. De wieren
behooren maar tot een klein aantal typen en soorten, maar deze
komen dan ook in ontelbare millioenen van individuen voor. De meeste
gewone vormen behooren tot de Protococcen of oudste celvormen; het
zijn microscopisch kleine, kogelronde groen eencellige wezens. Zij
vermenigvuldigen zich door deeling, maar zoodra een cel op deze wijze
er twee gevormd heeft, laten deze elkander los, om afzonderlijk te
gaan leven. Zij voeden zich in hoofdzaak met het opgeloste koolzuur,
dat zij ontleden en waaruit zij de organische stof maken. Hoe fijner
zij in het water verdeeld zijn, des te gemakkelijker kunnen zij
dit koolzuur natuurlijk opnemen, daarmede hangt hun microscopische
kleinheid, hun eencellige bouw en hun gemis van bizondere organen
samen. Dit alles toch zou in de eentonige en gelijkmatige omgeving
van het zeewater slechts last en omslag zijn. Alles is ingericht voor
een snelle en rijkelijke vermenigvuldiging, maar ook nagenoeg alleen
daarvoor. Behalve groene protococcen komen ook diatomeeën en enkele
andere vormen van eencellige wieren in ontelbare hoeveelheden in het
plankton voor, maar over deze behoef ik hier niet uit te wijden.

Opgegeten worden is in zee de levensregel, en voor dat de protococcen
tot een geschikt voedsel voor haaien en andere groote visschen
geworden zijn, moeten zij, als ik het zoo eens zeggen mag, tallooze
malen opgegeten zijn. Ik bedoel natuurlijk dat zij door zeer kleine
diertjes worden gegeten, deze weer door grootere, die op hun beurt
aan nog grootere tot voedsel strekken, en zoo vervolgens. De eersten
in deze reeks zijn de globigerinen en radiolarien of straaldiertjes,
fijne, slijmerige wezens met naalden van kiezel of andere harde
deeltjes van uiterst fraaie structuur in hun overigens schijnbaar
structuurloos lichaam. Bijna even talrijk als de protococcen, maar
zonder het vermogen om zich met koolzuur te voeden, leven zij van
deze, om zelven weer aan tal van andere, grootendeels wat hooger
georganiseerde maar toch nog uiterst kleine wezens ten prooi te
vallen. Zoo klimt de organische stof, die de zee-planten oorspronkelijk
maken, langzamerhand in het dierenrijk op.

Ofschoon nu opgegeten worden de regel is, spreekt het wel van zelf, dat
daaraan ten slotte een grens komt. Kleinere en grootere aantallen van
diertjes sterven af, zonder aan anderen tot voedsel te strekken. Deze
zullen allengs gaan zinken. En moge hun aantal ook slechts een klein
deel vormen van wat er in de bovenste lagen der zee blijft leven, toch
zal het ten slotte zijn als een regen van voedsel, die uit deze lagen
langzaam omlaag daalt. Wanneer dit begonnen is, en welke graad van
organisatie vereischt was, om dit verschijnsel van eenige beteekenis
te doen worden, is moeilijk na te gaan. Maar het is een feit, dat
tegenwoordig die onderzeesche regen van organisch voedsel de groote
en nagenoeg de eenige bron van het leven op den bodem der zee is.

Het licht wordt door het zeewater geabsorbeerd. Het dringt tientallen
van meters in, maar wordt voortdurend verzwakt. Overal waar de zee niet
al te ondiep is, heerscht op den bodem volkomen duisternis. Planten
kunnen daar niet groeien, want die leven niet zonder licht. Organisch
voedsel wordt er dus niet gemaakt; alles wat er noodig is, moet
uit de hoogere lagen neerdalen. Toch pleegt die bodem met een rijke
vegetatie van koralen en van allerlei andere dieren bedekt te zijn. De
een leeft van den ander, en ook hier moet dezelfde organische stof
achtereenvolgens in tal van lichamen dienst doen. Maar het spreekt
van zelf dat er een bron moet zijn, waarmee dit alles begint. Het
is geen kringloop. Het is een langzaam en zuinig gebruik van wat er
voorhanden is, maar al die dieren ademen toch en verbruiken daartoe
een deel van het opgenomen voedsel. Een bron moet er dus zijn, en
wel een rijke en altijd vloeiende bron.

Die bron is de zooeven bedoelde regen van voedsel uit de bovenste
lagen, de lijken der diertjes die daar geleefd hebben, en die zich,
rechtstreeks of indirect, met de daar levende groene wieren hebben
gevoed.

Op den bodem der zee is nu het leven natuurlijk geheel anders dan boven
in de golven. Daar ontstaan vastzittende en zwemmende vormen. Daar
is kleinheid en eencelligheid geen voordeel meer. Allereerst komt
het beginsel van kolonie-vorming en van uitbreiding over de vlakte,
want dit vergroot natuurlijk de kans, om het neerdalende voedsel te
bemachtigen. Dan komt het belang van over anderen heen te groeien, en
het voedsel als het ware te onderscheppen. Zoo ontstaan de stamvormende
en vertakte koralen. Eindelijk is het klaarblijkelijk een voordeel
om liever niet rechtstreeks op den voedselregen te teren, maar de
dieren te verslinden, die zich zoo gevoed hebben. Dit is de bron
van de plaatsbeweging, van kruipen en zwemmen, ten einde de prooi te
bereiken. Zoo kan men gemakkelijk verder gaan, en opklimmen tot hoogere
en hoogere organisatie, ja tot die lichtende zeedieren, die zich zelven
in hun strooptochten in de duisternis kunnen bijlichten. In één woord,
het leven op den bodem is de bron van differentiëering en aanpassing
aan tallooze verschillende behoeften van het leven. Het is een strijd
om het voedsel, en strijd is de grondslag van den vooruitgang. In de
bovenste lagen der zee daarentegen is het voedsel in overvloed aanwezig
en zijn de levensomstandigheden zoo eenvoudig als men zich maar denken
kan. Daar mogen wij dus niet die aanpassing en die ontwikkeling van
tallooze nuttige en doelmatige inrichtingen verwachten, daar blijft
eenvoudigheid de hoofdleus.

Het plankton, of het zwevend leven, is nu niet alleen de eenige groote
bron van het organisch voedsel in zee, het is uit den aard der zaak
ook de oorspronkelijke bron, en dus de meest oorspronkelijke vorm van
het leven. Daarmede komen wij terug, van den tegenwoordigen toestand,
zooals ik dien nu geschetst heb, tot Brook's voorstelling van het
leven in de vóór-cambrische tijden.

Het leven op den bodem en de ontwikkeling van grootere organismen
is geheel afhankelijk van het plankton. Het spreekt dus van zelf
dat het niet zonder dit bestaan kan en dus jonger moet zijn dan
dit. De fossiele overblijfselen in de cambrische lagen, waarvan ik
reeds gesproken heb, vertoonen ons koralen en allerlei diertypen,
zooals zij tegenwoordig op den bodem der zee leven. Natuurlijk niet
dezelfde soorten, maar toch zoo nauw verwant, dat men ze gemakkelijk
herkennen en beoordeelen kan. In oudere lagen vindt men zulke
overblijfselen niet. Toch is er in den bouw der gesteenten niets
wat zou doen vermoeden dat zij hier wel geweest, maar sedert door
latere veranderingen weer verdwenen zouden zijn. Zulke veranderingen
hebben de alleroudste lagen zonder twijfel ondergaan, maar het komt
hier natuurlijk alleen aan op die, welke in de laatste periode vóór
de cambrische afgezet zijn. Daaruit nu moet men besluiten dat er
in die periode nog geen leven op den bodem der zee was. Is deze
conclusie juist, dan is het cambrische tijdperk het begin van alle
hoogere organisatie, van alle vastzittende planten en dieren, en
van de tallooze soorten die rond waren om zich ten koste van deze
te voeden. Dan is de cambrische periode tevens het begin van het
ontstaan van grootere diervormen met vaste skeletachtige deelen,
die in fossielen toestand bewaard kunnen blijven. Dan is ten
slotte de cambrische periode het slot van eenvoud en kleinheid en
gelijkvormigheid, terwijl in alle vóór-cambrische tijden deze drie
hoofdbeginselen altijd het geheele leven op aarde beheerscht hebben.

Ik kom nu terug op de bovengegeven tijdsbeschouwing. Deze leerde ons,
dat het cambrium omstreeks het midden van den biologischen tijd
ligt. De helft van den beschikbaren tijd, meer dan tien millioen
jaren, moet het leven in dien eenvoudigen zwevenden toestand bestaan
hebben. Al de groote rijkdom van vormen, dien wij thans overal rondom
ons bewonderen, moet het product zijn van de tweede helft.

Maar nutteloos voor den vooruitgang is de eerste helft volstrekt
niet geweest. Juist integendeel moet men aannemen, dat toen de breede
grondslag gelegd is, waarop de trotsche bouw van het dierenrijk in het
cambrium kon worden opgetrokken, of waarop ten minste met dien bouw een
omvangrijk en in vele opzichten beslissend begin kon worden gemaakt.

Wat in den voortijd geschied is weten wij niet, maar wij moeten
het afleiden uit wat van de onderste cambrische lagen tot ons is
gekomen. Ik heb reeds gezegd dat het een 150-tal soorten zijn, maar dat
deze, met uitzondering van de bloemplanten en de gewervelde dieren,
alle hoofdgroepen van het latere leven omvatten. De eigenschappen
van die hoofdgroepen waren dus toen al voorhanden. De thema's waren
gegeven, waarop tallooze nuanceeringen konden worden gegrond. In die
lange plankton-periode moeten dus deze fundamenteele eigenschappen,
deze grondverschillen tusschen schelpdieren en gelede dieren, tusschen
kwallen en zeesterren en al die andere groote typen, reeds tot stand
gebracht zijn. De organismen bleven klein, hun omgeving stelde aan hen
geen uiteenloopende eischen, maar daarentegen hadden eigenschappen,
die geen aanpassing, maar de grondslag van principieele verschillen
in den bouw zijn, al den tijd om zich te ontwikkelen.

Het is zeer moeilijk zich daarvan een nauwkeurige voorstelling te
maken, en zelfs de vraag of men die ontwikkeling als snel of als
langzaam moet beschouwen in vergelijking van wat er sedert gebeurd
is, is onbeteekenend tegenover de millioenen van jaren die voor dit
proces beschikbaar waren.

Een rijk drijvend leven van uiterst kleine wezens, maar een kale
zeebodem en kale kusten, en hier en daar wat land dat eveneens zonder
leven was, ziedaar ons beeld van de alleroudste tijden. De totale
massa der levende stof was misschien niet noemenswaard kleiner, dan zij
thans is, nu wij er zooveel meer van zien. Maar er was toen niets dat
fossiel kon worden; geen overblijfselen er van zijn tot ons gekomen.

Laat ons thans op den ingeslagen weg nog een stap verder gaan. Als
het oudste leven dat van het plankton was, dan volgt daaruit dat
het leven ook in dien vorm aanvankelijk moet zijn ontstaan. Niet op
het vaste land, noch aan de kusten, noch op den bodem der zee is het
begin van het leven te zoeken. Drijvend in de golven moet het ontstaan
zijn. Verder is het gemakkelijk in te zien, dat de eerste levende
wezens niet ten koste van andere geleefd kunnen hebben. Zij kunnen
dus geen dieren geweest zijn, want deze leven òf van andere dieren
òf van planten. Alleen de eencellige wieren van het plankton zijn
in hun bestaan van andere levende wezens geheel onafhankelijk, daar
zij zich met het opgeloste koolzuur en met opgeloste zouten voeden,
en dan, behalve water en licht, ook niets anders noodig hebben. En
onder de eencellige wieren hebben nu de protococcen verreweg den
eenvoudigsten bouw. Kogelvormig en met niet meer dan de strikt
noodzakelijke bestanddeelen van een cel, bestaan zij eigenlijk alleen
uit het levend protoplasma, de kern, den celwand, en het groene orgaan
hunner voeding. Het is duidelijk dat er tijden geweest kunnen zijn,
dat zij alleen het geheele plankton vormden, maar ook dat dit van
geen der andere soorten, en met name van geen der dieren beweerd
kan worden. Eerst nadat de zee over uitgestrekte streken dicht met
groene protococcen bevolkt was, konden andere vormen van planten en
dieren optreden.

Hieruit leiden wij af, dat de protococcen de oudste bekende levende
wezens zijn. Deze stelling kan, trots het gebrek aan fossiele
overblijfselen, aan geen twijfel onderhevig zijn. Mogen wij daaruit
ook afleiden dat zij de oudste van alle levende wezens geweest
zijn? Hiertegen vormt hun wel is waar eenvoudige, maar toch nog voor
ontleding vatbare bouw een bezwaar. Alle analogie pleit er voor,
dat het eerste tevens het allereenvoudigste geweest moet zijn. Een
cel zou kunnen leven zonder celwand en zonder celkern, en zelfs de
differentiëering in groene en kleurlooze deelen sluit het denkbeeld
van hoogsten eenvoud uit. Wij zouden ons een levende gelei willen
voorstellen, die het vermogen van groei had, maar ook niets meer. Een
vermogen dus om koolzuur om te zetten in dezelfde stof, waaruit de
gelei reeds bestaat, zoodat voortdurende vergrooting plaats vond,
maar ook niets meer. Eerst daaruit zouden dan later, in den loop van
lange tijden, door geleidelijke differentiëering de groene eencellige
wiertjes ontstaan zijn.

Zou zulk een gelei nog ergens bestaan? Zou zij misschien nog
voortdurend ontstaan, maar thans spoedig aan allerlei dieren ten prooi
vallen, en dus nog slechts een zeer ondergeschikte rol spelen? Wij
weten het natuurlijk niet. Maar aan de andere zijde is het niet erg
waarschijnlijk, dat de omstandigheden op zee voor twintig of dertig
millioen jaren zoo geheel anders geweest zouden zijn, dan zij sedert
waren en nu nog zijn. Het is slechts een gissing, maar het komt
mij volstrekt niet onmogelijk voor, dat diezelfde gelei ook thans
nog hier en daar ontstaan zou. Haar ontstaan zoude het eenvoudigst
denkbare geval van generatio spontanea, van een geboorte zonder ouders
zijn. En het is duidelijk, dat het in de hoogste mate de moeite waard
moet geacht worden, naar dit verschijnsel te zoeken.

Is deze voorstelling juist, en gelukt het die oorspronkelijke
levensgelei te vinden, dan zou men natuurlijk een van de merkwaardigste
uitgangspunten voor een experimenteele studie der evolutie in handen
hebben. Dan zou allereerst de vraag onder het oog moeten worden gezien
hoe zulk een gelei ontstaan kan, welke stoffen en welke krachten
daartoe samen moeten werken. Men zou natuurlijk de hoop koesteren,
het proces kunstmatig na te leeren bootsen, en zoodoende eindelijk
het zoo dikwijls besproken denkbeeld van een experimenteele generatio
spontanea te kunnen verwezenlijken. Maar men zou ook willen weten,
hoe in die gelei de differentiëeringen tot stand gekomen zijn, die
tot het eerste optreden van cellen geleid hebben. En als men ook hier
de experimenteele methoden wilde toepassen, zou men ten minste niet
zoo in den blinde behoeven rond te tasten, als thans het geval is. In
één woord, het historische uitgangspunt van het leven zou tevens het
wetenschappelijke uitgangspunt voor een geheel nieuwe richting van
bestudeering van het leven kunnen worden.



Maar ik ben reeds veel te ver verdwaald op het gebied van vermoedens
en van verwachtingen, wier vervulling, zoo zij al mogelijk zal zijn,
toch niet voor de naaste tijden is weggelegd. Het is thans noodig
terug te keeren tot vasteren bodem, en tot die uitgangspunten voor
onderzoek, die rechtstreeks door de bekende feiten worden aangeboden.

Daarmede springen wij in eens over tot het andere uiterste van de
geschiedenis van het leven op aarde. Hadden de gegeven beschouwingen
ten doel, te trachten een slip op te lichten van den sluier, die het
begin bedekt, thans richten wij onzen blik naar het einde. Maar een
eigenlijk einde is het niet. Geen reden bestaat er om aan te nemen, dat
de evolutie der levende wezens vóór of in onzen tijd reeds opgehouden
zou hebben. Misschien gaat zij langzamer vooruit dan vroeger, maar
misschien ligt het ook slechts aan onze kortzichtigheid, dat wij haar
niet meer bemerken.

Land- en tuinbouw en evenzoo de tegenwoordige historie onzer
huisdieren wijzen er echter duidelijk op, dat de levende vormen
geenszins onveranderlijk zijn. Overal is er afwisseling, telkens
ontstaat iets nieuws en de praktijk heeft daaruit slechts te kiezen
wat voor haar van nut kan zijn. Het ligt voor de hand om aan te
nemen, dat wat de huisdieren en cultuurplanten ons vertoonen, ook in
de vrije natuur moet gebeuren. Ginds wordt het gezien en opgemerkt,
omdat groote belangen er rechtstreeks mede gemoeid zijn, in het wild
gaat het voorbij, zonder dat men er zich om bekommert.

Gelukkig is hierin in den laatsten tijd verandering gekomen. Men
begint in te zien, dat de verschijnselen, aan land- en tuinbouwplanten
waargenomen, dikwerf slechts zeer onvolledig bespied zijn, en dat
zij daarenboven, door invoer van andere rassen uit andere streken, of
door kruisingen der bastaardeeringen dikwijls zoo samengesteld zijn,
dat een juiste beoordeeling niet meer mogelijk is. Daarbij komt dat
de overtuiging veld wint, dat vele der zoogenaamd nieuwe variëteiten
en soorten van land- en tuinbouwgewassen eigenlijk niet in de cultuur
ontstaan zijn. Vele belangrijke rassen schijnen overoud te zijn, maar
eerst sedert omstreeks het midden der vorige eeuw is men begonnen ze op
te merken en te isoleeren. Vele tuinbouwgewassen, die zich voordoen als
variëteiten van bekende soorten, zijn niet op kweekerijen ontstaan,
maar toevallig ergens in 't wild aangetroffen. Met name geldt dit
voor heesters en boomen, die door hun langer leven meer kans hebben
om ten slotte te worden opgemerkt dan variëteiten van kruiden en met
name van een- of tweejarige gewassen.

Sedert Darwin het voorbeeld gegeven heeft, al dergelijke gevallen uit
de praktijk zorgvuldig bijeen te verzamelen, om uit het geheel der
verschijnselen die kennis af te leiden, die de gebrekkige waarneming
der afzonderlijke gevallen niet zou kunnen opleveren, is deze arbeid
door verschillende schrijvers voortgezet. Voor enkele jaren heeft met
name Korshinsky, een helaas te vroeg overleden russisch plantkundige,
een volledig historisch overzicht van de eerste vondsten van tal van
tuinbouwplanten gegeven. En al deze feiten wijzen te zamen op een
zeer bepaalde wijze van het ontstaan van soorten en variëteiten. De
algemeene voorstelling, die men uit hen moet afleiden, is een
zoo scherpe, dat zij als van zelf tot de conclusie leidt, dat een
experimenteele behandeling der evolutie ten minste op dit gebied
reeds thans mogelijk moet zijn.

Variabiliteit is een uiterst vaag en veel omvattend begrip. Het
omvat zoowel rijkdom aan voorhanden verschillen, als het ontstaan van
deze verschillen zelf. In het eerste geval is het gelijkluidend met
veelvormigheid of polymorphie, in het laatste met verandering. En op
beiderlei gebied zijn er dan weer twee hoofdtypen te onderscheiden. Op
het gebied der veelvormigheid heeft men eensdeels de tallooze vormen,
ondersoorten en variëteiten, die een zelfde soort ons aanbiedt, maar
die feitelijk van elkander onafhankelijk zijn, en naast elkander
een volkomen eigen leven leiden. Zoo hebben de tuin-papavers, de
latherussen en andere bloemplanten tientallen van variëteiten, die
uit zaad geheel constant zijn en nooit in elkander overgaan, maar die
te zamen den zoo zeer aantrekkelijken rijkdom van vormen in die soort
bepalen. Zoo bestaan tarwe, mais, bieten en allerlei cultuurplanten uit
tal van constante en van elkander scherp gescheiden rassen. Daarnaast
staan de vormverschillen die binnen elk ras, en dikwerf ook tusschen de
deelen van eenzelfde individu te zien zijn. Op een paardenkastanje-boom
hebben de bloemen volstrekt niet allen denzelfden bouw. Afgezien van
het feit dat sommige kastanjes kunnen maken en andere niet, is ook het
aantal meeldraden aan voortdurende wisselingen onderhevig. Meestal
is het 7; nu eens wordt het 8 of 9, dan weer 6 of 5, en in enkele
gevallen worden zelfs deze grenzen overschreden. Heen en weer slingert
het aantal, nu eens meer dan weer minder, soms in enkele trossen zeer
sterk, dan weer een verschil tusschen de afzonderlijke trossen teweeg
brengend. Van daar de naam fluctueerende variabiliteit die aan dit
verschijnsel wordt gegeven. Het zijn veranderingen, die schijnbaar
voortdurend ontstaan, maar die toch altijd weer op dezelfde wijze
terugkeeren. Het zijn voortdurende schommelingen om een gemiddelde,
dat in hoofdzaak steeds hetzelfde blijft.

Uit deze beschouwingen volgt, dat de studie der variabiliteit op dit
laboratorium twee hoofdrichtingen te volgen heeft. En daar zoowel
de heen en weer schommelende als de toevallige en schoksgewijze
variabiliteit zich èn bij dieren, èn bij planten voordoen, kunnen
hieruit vier hoofdafdeelingen voor den te ondernemen arbeid worden
afgeleid. Nu zou het natuurlijk te veel tijd kosten elk dezer vier
richtingen in bizonderheden na te gaan, en den weg te schetsen,
waarlangs de onderzoekingen voornamelijk zullen moeten gaan, om tot
de gewenschte uitkomsten te geraken. Beter komt het mij voor, onder
die allen er een uit te kiezen, en daarvan te schetsen wat gedaan
behoort te worden, en wat met recht mag worden verwacht. Uit den
aard der zaak kies ik daartoe het plotseling ontstaan van soorten en
variëteiten in het plantenrijk.

Mac Dougal heeft, door een reeks van culturen, de aandacht der
Amerikaansche biologen op de veranderlijkheid van de grootbloemige
Teunisbloemen of Oenothera Lamarckiana gevestigd. Naast de
soort zelve heeft hij enkelen der daaruit in Europa ontstane
nieuwe vormen gekweekt, en aan het oordeel zijner vakgenooten
onderworpen. Voornamelijk de Oenothera rubrinervis en de dwergvorm
of O. nanella werden door hem in een aantal exemplaren gekweekt,
en gedurende al haar ontwikkelingstoestanden onderling en met de
moedersoort vergeleken. Zij werden onderworpen aan het oordeel van
stelselkundigen, die de waarde der kenmerken en de scherpe scheiding
van de moedersoort erkenden, en aan de nieuwe vormen dezelfde
rechten als aan andere zelfstandige typen toekenden. Door een aantal
afbeeldingen werd verder het goed recht der nieuwe soorten gestaafd.

Het spreekt echter van zelf, dat het vermogen, om jaarlijks een zeker
aantal nieuwe soorten voort te brengen, noch tot de Oenothera's,
noch tot de planten der oude wereld kan beperkt zijn. Het ligt voor
de hand aan te nemen, dat tegenwoordig ook andere soorten in dien
zelfden toestand van veranderlijkheid verkeeren. Misschien zijn het
er vele, misschien slechts enkele. In elk geval ontsnappen zij tot
nu toe om een of andere reden aan de waarneming. Het komt er dus op
aan, middelen te vinden ze op te sporen. Want de mogelijkheid bestaat
natuurlijk, dat de Oenothera's nog slechts een zeer eenzijdig beeld
van die soortenvormende veranderlijkheid geven, en dat andere planten
ons verschijnselen en wetten zullen doen kennen, die de studie der
Teunisbloemen ons niet ontsluieren kan. En wanneer het doel is, ten
slotte de wetten dezer veranderlijkheid voor alle levende wezens te
leeren kennen, dan is het natuurlijk noodzakelijk, de verschijnselen
van zoo verschillend mogelijke kanten aan te vatten.

De eerste taak is dus om te zoeken naar nieuwe muteerende
soorten. Het beste doet men, dit zoeken te beperken tot de wilde
soorten der naaste omgeving of van landen met een overeenkomstig
klimaat. Gekweekte planten bieden voorloopig weinig kans. Ten deele
is hare veranderlijkheid al zoo lang op de proef gesteld, dat men die
vrij wel als uitgeput kan beschouwen. Anderdeels zijn zeer talrijke
cultuurplanten niet meer van zuiveren oorsprong, maar zijn zij nu eens
meer, dan weer minder, door kruisingen verontreinigd. Nu heeft men
in den laatsten tijd in de kennis van de gevolgen der kruisingen wel
groote vorderingen gemaakt, maar deze zijn juist groot genoeg om ons te
waarschuwen, dat bastaardrassen nog allerlei verschijnselen vertoonen
en vertoonen kunnen, die men thans nog niet begrijpt. Hoe licht zou men
niet de zoogenaamde bastaard-splitsingen met het ontstaan van nieuwe
soorten kunnen verwarren, als men een ras onderzoekt, waarvan men
niet weet of het zuiver is, dan wel aan bastaardeering zijn oorsprong
dankt. Wilde soorten kruisen nu in 't algemeen zeer zelden, vooral
als men de enkele, aan bastaarden rijke en overbekende geslachten,
zooals wilgen, anjelieren, vingerhoedskruid en eenige andere uitsluit.

Tot de planten van het eigen klimaat moet men zich beperken, omdat de
zaaisels in het groot moeten geschieden. Duizenden en tienduizenden
van zaailingen moeten van elke soort vergeleken worden. Dit kan
bezwaarlijk in kassen geschieden, vooral omdat de kenmerken der te
verwachten nieuwe soorten misschien eerst op lateren leeftijd zichtbaar
zullen worden, en de culturen dus veel ruimte zullen vereischen. Vele
soorten zullen opgekweekt moeten worden tot zij gaan bloeien, en van
soorten met zaadarme vruchten of met weinig vruchten op elke plant
zal men slechts door vrij omvangrijke culturen het noodige zaad voor
de uitzaaisels kunnen winnen.

Men kan de culturen beginnen met planten of met zaad. Het zal in
den regel niet noodig zijn, die in het wild in groote hoeveelheid
te verzamelen. Voldoende is het ze aanvankelijk in den tuin zooveel
mogelijk te vermenigvuldigen.

Een belangrijke vraag is natuurlijk met hoeveel soorten men beginnen
moet. Dit hangt natuurlijk van de kansen af die men meent te
hebben. Hier nu tast men voorloopig nog in den blinde. De Oenothera
Lamarckiana werd gevonden door een honderdtal wilde planten in
cultuur te nemen. Daarvan werd de eene op grootere, en de andere
natuurlijk op kleinere schaal gekweekt. Bij voorkeur werden zaden
van afwijkende exemplaren genomen, maar het verzamelen van zaad in
het wild is een werk dat slechts zelden meevalt, en dat daardoor de
keus zeer sterk beperkt. Verder zijn boomen en heesters uitgesloten,
en zal men bij voorkeur ook niet die overblijvende soorten kiezen,
die telkens eenige jaren gekweekt moeten worden, voordat zij gaan
bloeien. Zoodoende wordt allengs de keus zoo klein, dat men tevreden
mag zijn, als men van een honderdtal bruikbare soorten zaden bijeen
heeft gebracht. Heeft men dan ook van sommige soorten slechts enkele
zaadkorrels, dan kan dit nog voldoende zijn, om de cultuur te beginnen.

Opmerking verdient vooral, dat de schoksgewijze veranderlijkheid
niet een eigenschap is, die vermoedelijk aan bepaalde soorten kleeft,
maar dat men aannemen mag, dat zij van geheel locaal voorkomen is. Een
soort, die op de eene groeiplaats onveranderlijk is, kan op een andere
misschien volop bezig zijn, nieuwe soorten voort te brengen. Daaruit
volgt, dat men bijna evenveel kans heeft, als men zaden van twee
of meer, onderling voldoend verwijderde groeiplaatsen van ééne
soort bestudeert, als wanneer men een gelijk aantal verschillende
soorten kweekt. Daaruit volgt tevens, dat men vooral niet de zaden
van verschillende groeiplaatsen vermengen mag, maar dat elke cultuur
zuiver van een enkele vondst moet uitgaan.

Het voornemen bestaat, dit zoeken op zoo groot mogelijke schaal
aan te vangen. Hiertoe zijn reeds van een honderdtal wilde planten
zaden verzameld en uitgezaaid. De meeste soorten zijn natuurlijk
uit New York en de aangrenzende streken der Unie genomen, maar ook
uit Europa werden zaden gezonden. In Nederland zijn zaden van een
tiental soorten speciaal voor dit doel in het wild verzameld; zij
kunnen dus reeds dezen zomer in den proeftuin van het laboratorium
met de Amerikaansche concurreeren.

Welke kansen heeft men, om bij dit zoeken te vinden wat men wenscht? Om
dit na te gaan moet men trachten zich een denkbeeld te maken van
wat er in de vrije natuur gebeurt. En dan treffen wij allereerst den
strijd voor het leven aan. Deze strijd, die in onze theorieën een zoo
belangrijke rol speelt als het groote orgaan van den vooruitgang, heeft
echter onder gewone omstandigheden, in onze onmiddellijke omgeving,
slechts een zeer conservatieve taak. Want ten slotte komt het geheele
begrip neer op den vroegtijdigen dood van alle individuen, die in een
of ander opzicht zeer merkbaar van het gemiddelde type afwijken. De
meeste planten toch hebben zich hun tegenwoordige groeiplaatsen zoo
uitgekozen, dat de gemiddelde eigenschappen der soort, of anders
van het locale ras, daarvoor het best passen. Afwijkingen kunnen
natuurlijk onschadelijk, ja soms misschien voordeelig zijn, maar
als regel volgt uit het zooeven vooropgestelde dat zij als nadeelig
moeten worden beschouwd. Zij zullen dus in den strijd voor het leven
te gronde gaan. En deze gevolgtrekking geldt natuurlijk even goed
voor de afwijkingen, die telken jare door de gewone of fluctueerende
variabiliteit ontstaan, als voor de zeldzamere schoksgewijze gevallen
van het ontstaan van nieuwe soorten en variëteiten.

Tallooze afwijkingen kunnen dus ontstaan en in de eerste jeugd
te gronde gaan, zonder dat men er ooit iets van bemerkt. Treft de
schadelijke verandering de kiemplanten, of de bladeren, of den groei
der stengels, zoo is de kans dat zij zichtbaar worden zoo goed als
nul; treffen zij de bloemen of de vruchten, zoo worden zij licht met
monstrositeiten verward en dan veelal niet nader bestudeerd. Zelfs
wanneer een zelfde afwijking in een aantal van exemplaren en jaren
achtereen op nieuw ontstaat, is haar kans om ontdekt te worden nog
maar klein. Daarbij komt, dat onze gewoonten in de studie van wilde
planten allengs zeer bepaalde zijn geworden. De invloed van Linné laat
zich hier nog steeds sterk gevoelen. Voor de verschillen tusschen
systematische soorten zijn wij zeer gevoelig, en elke nieuwe soort
trekt terstond onze aandacht. Voor geringere verschillen echter zijn
wij veel minder gevoelig, ja in zekere mate onverschillig geworden,
en deze worden dus allicht over het hoofd gezien.

Daaruit nu volgen twee regels voor het zoeken naar muteerende
planten. Allereerst moet de strijd voor het leven worden uitgesloten,
en dan moet men zich oefenen om ook zeer kleine en schijnbaar
onbeteekenende verschillen op te merken.

Het uitsluiten van den strijd voor het bestaan omvat zelf weer twee
punten. Het eene spreekt van zelf. De zaden moeten zoo ruim gezaaid
worden, dat allen de volle gelegenheid wordt gegeven om te groeien
en hun kenmerken te ontplooien. Dit eischt natuurlijk, bij duizende
zaden, voor elke soort veel ruimte. Echter komt in vele gevallen
de natuur zelve aan dit bezwaar voor een groot deel tegemoet. Als
de verschilpunten in de kiemplanten of in de bladeren gelegen zijn,
kan men dit na een paar maanden dikwijls reeds voldoende beoordeelen,
zoodat men door het regelmatig uitrooien der onveranderde voortdurend
plaats voor de nakiemers kan maken, en zoodoende op een zelfde bed
achtereenvolgens groote aantallen van individuen kan vergelijken.

Het tweede punt ligt minder voor de hand. Het vindt zijn oorsprong in
de vraag, of alle zaden van een plant, ten opzichte der variabiliteit,
gelijkwaardig zijn. Tijdens den volsten bloei plegen de bloemen
grooter en fraaier te zijn, dan in het najaar. Eveneens brengen de
zwakkere takken op vele planten kleiner en minder diep gekleurde
bloemen voort. Soms wijken ook de eerste bloemen af. De onderste
bloemen van trossen, en de buitenste bloemen van hoofdjes en schermen
zijn dikwijls anders dan de daarop volgende, en het is een zeer gewoon
verschijnsel dat de top of het centrum een geheel afwijkenden vorm van
bloem voortbrengt. Op menige plant is b.v. de eindbloem viertallig
als de zijbloemen vijftallig zijn. Hebben nu de zaden van al zulke
bloemen gelijke kansen om toevallig iets nieuws voort te brengen? Men
weet het natuurlijk nog niet, en zoolang men het niet weet, zou
het zeer onvoorzichtig zijn alleen het beste zaad tot ontwikkeling
te laten komen, te verzamelen en te zaaien, en het zwakkere te
verwaarloozen. Want misschien zijn juist de zwakke kiemen gevoeliger
voor de nog onbekende invloeden, die deze veranderingen bewerken.

In de vrije natuur worden die zwakke zaden grootendeels onderdrukt. Of
wel de takken ontstaan niet, of zij dragen geen bloem, of het zaad
wordt niet rijp, of eindelijk worden de kiemplanten verdrongen zoodra
zij zich ontplooien. Daarom kan men in het wild slechts het zaad
verzamelen dat voor het begin der cultuur noodig is, maar moet men
in den proeftuin, bij wijden stand en rijke vertakking, elke plant
zooveel mogelijk zaden laten maken. Daarom ook bieden soorten, die
door het klimaat in haar groei vertraagd worden, over het algemeen
minder kans van slagen.

Zijn deze voorzorgen genomen, dan komt de oefening in het waardeeren
van kleine verschillen. Deze eisch heeft ten gevolge, dat men niet
verwachten mag in een eersten zomer te kunnen beslissen of een ras
muteert of niet. Aanvankelijk is de kans om de nieuwigheden over het
hoofd te zien, zeer groot. Slechts allengs leert men zijne planten
zoo kennen, dat men een open oog voor haar onderlinge afwijkingen
krijgt. Daarbij komt, dat de producten van de fluctueerende
variabiliteit en van de mutatie niet gemakkelijk van elkander
te onderscheiden zijn, ja dikwijls zóó ineen loopen, dat eerst
in een volgende generatie een werkelijke beslissing kan worden
genomen. Verder ontstaan er door parasieten, door allerlei insecten,
door toevallige verwondingen en verschillende andere oorzaken soms
belangrijke afwijkingen, die niets met de eigenlijke variabiliteit
te maken hebben, en dan ook volstrekt niet erfelijk, ja zelfs in het
individu niet eens blijvend zijn.

Min of meer op goed geluk af moet men dus alle individuen die eenige
duidelijke afwijking vertoonen, beschouwen als de dragers van de
kansen van slagen. Al de overige kan men allengs uitrooien, maar
deze moet men met zorg behandelen. Dit eischt allereerst, dat zij
van het gedrang, waarin zij natuurlijk staan, worden bevrijd, hetzij
door rondom hen ruimte te maken, hetzij door ze te verplanten. Dit
laatste heeft het voordeel, dat de hoofdcultuur er niet onder lijdt,
en dat de planten zelven goed bemest en onder alle vereischte zorgen
opgekweekt kunnen worden, zoodat een snelle en volledige ontplooiing
van hun afwijkende kenmerken zoo goed mogelijk wordt verzekerd. Bij
honderden zoekt men zulke exemplaren uit, want velen onder hen zullen
natuurlijk later blijken, niet aan de verwachting te voldoen. Dit
echter ziet men dan dikwijls eerst tijdens den bloei, en soms zelfs
pas in de volgende generatie.

Het is duidelijk, dat dit zoeken naar mutatiën veel werk
vereischt. Maar daarnaast blijkt, dat het, meer dan iets anders,
een zaak is van oefening. Daarom moet het jaren lang worden
voortgezet. Telken jare moeten de culturen der reeds gekweekte
soorten worden uitgebreid, en telken jare moeten nieuwe soorten in
het wild worden verzameld. Zoo neemt allengs de kans toe, en zal
men ten slotte ook tot een voorstelling kunnen komen van den omvang,
dien het verschijnsel in de omgevende natuur feitelijk heeft.

Het werk zou in hooge mate vereenvoudigd kunnen worden, zoo men een
leiddraad had, om uit de waarnemingen in de vrije natuur eenigszins
af te leiden, welke soorten meer, en welke minder kans van slagen
hebben. Het toeval, gesteund door oefening, kan natuurlijk zulke
aanwijzingen aan de hand doen, en de Oenothera Lamarckiana vertoont,
op haar oorspronkelijke vindplaats bij Hilversum, nagenoeg telken
jare enkele afwijkende individuen, die aan den ingewijde terstond
haar toestand van mutabiliteit zouden kunnen verraden. Dit schijnt
hier, en eveneens in enkele andere gevallen, samen te hangen met de
gelegenheid tot snelle uitbreiding, waardoor hier en daar zwakke zaden
en zwakke kiemplanten aan den strijd voor het leven worden onttrokken,
zoodat vormen zich ontplooien kunnen, die anders vroegtijdig te gronde
zouden gaan.

Dergelijke waarnemingen zijn enkele malen meer gedaan. Zoo
beschrijft Darwin een geval, dat hij bij een wilde kleinbloemige
soort van Geranium (G. pyrenaicum) heeft gezien. Deze was ergens in
Staffordshire van uit een tuin ontsnapt en had zich in den loop van
eenige jaren verbazend sterk vermenigvuldigd, waarbij natuurlijk
telken jare een groot aantal zaden moesten voortgebracht worden en
ontkiemen. Daarbij was de soort sterk gaan varieeren, in bijna alle
organen en eigenschappen en in de meest verschillende richtingen. Een
zoo sterke variabiliteit was vroeger bij deze soort nooit waargenomen,
en het is dus zeer waarschijnlijk, dat zij, hoewel aanwezig, toch
door het voortdurend mislukken van het overgroote aantal van zaden
en kiemen eenvoudig was verborgen gebleven. Over de grens van de
veranderlijkheid mag men dus bij geen plant een oordeel vellen,
voordat zij onder een dergelijke snelle vermenigvuldiging van het
aantal individuen is beoordeeld geworden.

Daar tegenover staat, dat snelle vermenigvuldiging volstrekt niet
altijd met het vertoonen van zulk een hoogen graad van variabiliteit
gepaard gaat. Zij is het middel, om haar te toonen als zij er is,
maar niet de oorzaak die haar doet ontstaan. Dit ziet men bij ons te
lande, als na het droog leggen van een polder bepaalde soorten snel den
nieuwen grond overwoekeren, en hem soms met een dichten plantengroei
bedekken, voordat de verschillende stukken in cultuur kunnen worden
genomen. De Zilte of Aster Tripolium, verschillende soorten van melde
en andere bekende gewassen zouden hier kunnen genoemd worden. Onder
millioenen van exemplaren zoekt men tevergeefs naar afwijkingen. Een
variëteit van de gewone kamille, gekenmerkt door het gemis van de
witte lintbloemen, breidt zich sedert enkele tientallen van jaren
op sommige plaatsen van Europa en Noord-Amerika geweldig snel uit,
zonder dat daarbij iets van bizondere veranderlijkheid gebleken is. De
Erigeron canadense, die in Europa uit Canada is ingevoerd, treedt
soms op zandige gronden plotseling in millioenen van exemplaren op,
de Diplotaxis teuifolia, een kruisbloem met fraaie groote gele bloemen,
verspreidt zich talloos langs sommige wegen, en zoo zouden een aantal
andere voorbeelden kunnen worden aangehaald. Zij blijven even trouw aan
hun type, als of zij slechts oude en kleine groeiplaatsen bewoonden.

Een belangrijk punt omtrent het zaaien van wilde planten verdient
nog besproken te worden. Als men erwten zaait, verwacht men dat
elke afzonderlijke erwt zal opkomen; als men zaad van tuinbloemen
zaait, rekent men er op dat tenminste verreweg het grootste deel
planten zal leveren. Bij wilde soorten is deze kans nu veel minder
gunstig. Dikwijls kiemen op honderden zaden slechts eenige weinige. De
overigen zijn dan niet dood, maar vinden niet de vereischten voor
hun groei. Laat men ze in den grond, dan wachten zij een jaar, en in
't volgend voorjaar komt weer een deel op. Anderen wachten langer,
en soms kan men na 5 tot 6 jaren de oude zaden nog zien kiemen. Hoe
meer zorg men aan het uitzaaien besteed, des te meer zaden kiemen
er van elke honderd, en er bestaat natuurlijk een kans dat juist de
achterblijvenden de afwijkende vormen zullen voortbrengen. Daarom is
het dikwijls beter, niet in den tuin te zaaien, maar in zaaischotels
in goede tuinaarde in een goed verlichte kas. Men moet dan echter
daarna de planten uitplanten, en dit vereischt veel werk, tenzij
reeds in de schotels een keus gedaan kan worden.

Nemen wij thans aan, dat het door al deze zorgen gelukt is een of meer
soorten te ontdekken, die hetzelfde verschijnsel van veranderlijkheid
vertoonen als de Oenothera Lamarckiana. Wat moet er dan met die
planten gedaan worden?

Allereerst moet worden nagegaan, welke nieuwe soorten zij voortbrengen,
en welke eigenschappen deze vertoonen. Die eigenschappen hebben deels
betrekking op den vorm, en deels op de erfelijkheid. De vormen van
twee soorten kan men echter niet volledig vergelijken zoolang men van
een van beiden slechts een of slechts weinige exemplaren bezit. Dit
kan natuurlijk wel, als er zeer groote verschillen in het spel zijn,
zooals bij het onderscheiden en omschrijven van soorten die uit vroeger
niet onderzochte landen en zeeën worden medegebracht. In ons geval
echter hebben wij uit den aard van de zaak steeds met zeer kleine
verschillen te doen, verschillen die dikwerf niet duidelijk buiten het
gebied der gewone of fluctueerende variabiliteit vallen. Men moet dus
van de afwijkende exemplaren zaad winnen en dit uitzaaien, teneinde
een juist beeld en een volledige beschrijving van het gemiddelde
type te kunnen geven. Daar men nu voor de studie der erfelijkheid
toch ook zaaien moet, zoo is het noodig thans eenigen tijd bij deze
werkzaamheden stil te staan.

Het is om de waardeering van kleine verschillen te doen. Daaruit
volgt, dat twee exemplaren, die schijnbaar aan elkander gelijk zijn,
toch in werkelijkheid nog kunnen verschillen, terwijl omgekeerd
de fluctueerende variabiliteit verschillen kan doen waarnemen bij
individuen, die eigenlijk tot eenzelfde type behooren. Deze overweging
leidt tot de conclusie dat men de zaden van elk exemplaar afzonderlijk
moet oogsten en afzonderlijk moet zaaien. Want alleen zóó kan men
zeker zijn, zuivere rassen te verkrijgen. Elke variatie in een groep
van kinderen van ouders, wier zaad gemengd werd uitgezaaid, kan het
gevolg van die menging zijn. Zijn de kinderen eenvormig, dan is het
bewijs natuurlijk van die voorzorgen onafhankelijk, maar bij het minste
verschil zou de vertrouwbaarheid der uitkomsten kunnen wegvallen. Een
varieerend bed zou een mengsel kunnen zijn van twee verschillende
constante rassen, of van een varieerend en een constant ras. Waren
beide deelen variabel, dan zou nog die variabiliteit verschillend
kunnen zijn, zoodat enkele der vormen van de eene, en andere van de
andere moeder afstamden. Al zulke onzekerheden kunnen alleen door
een individueele zaadoogst voorkomen worden, en deze moet dan ook bij
wetenschappelijke studiën over erfelijkheid en variabiliteit als een
eerste beginsel worden voorop gesteld.

Het moge in den aanvang een al te zware eisch schijnen, elk afwijkend
individu op deze wijze op zijne erfelijkheid te onderzoeken. Heeft een
proef eenmaal een gunstig gevolg, dan komen licht een 50 tot 60, soms
misschien een honderdtal zulke planten voor. De ondervinding met de
Teunisbloemen leert echter, dat het zeer goed uitvoerbaar is, op zulke
groepen het beginsel toe te passen, en vooral leert zij, dat alle werk
zonder dit beginsel zeer groote kans heeft verloren te zijn en tot geen
betrouwbare uitkomst te leiden. Wanneer de planten eerst tijdens den
bloei te onderscheiden zijn, drukken deze bezwaren natuurlijk met hun
volle gewicht. Maar wanneer de verschillen reeds in de jeugd, b.v. 2
of 3 maanden na het zaaien zich vertoonen, dan kan men de planten in
de zaaischotels of in de speenbakjes laten, tot deze toestand bereikt
is, en zoodoende het werk zeer aanzienlijk verminderen. Bij volkomen
erfelijkheid is het dan dikwijls voldoende op deze wijze in eenige
honderden van zaailingen het nieuwe kenmerk waar te nemen, terwijl
daarvan dan slechts zoovele behoeven te worden uitgeplant, als toch
noodig zijn, om een voldoende zaadoogst te verkrijgen. Zoo bestudeert
men hun latere eigenschappen en zorgt er tevens voor, dat de contrôle
nog een of meer generatiën kan worden voortgezet. Bij onvolkomen
erfelijkheid kan men in de zaaischotels en speenbakken met groote
nauwkeurigheid de getalsverhouding der afzonderlijke typen bepalen,
terwijl men dan weer van elk type slechts een betrekkelijk klein aantal
exemplaren als zaaddragers uitplant. Door middel van hun zaad kan men
dan verder zien of deze typen op den duur even veranderlijk blijven,
of dat sommigen onder hen weer standvastig worden.

Heeft men op deze wijze het verschijnsel der schoksgewijze
veranderlijkheid zoo volledig mogelijk leeren kennen, dan treedt
daarnaast de vraag naar de oorzaken op den voorgrond. Als regel zal
men waarschijnlijk vinden, dat van een veranderlijke plant slechts
enkele zaden nieuwe soorten geven, terwijl verreweg de meerderheid
aan het ouderlijke type getrouw blijven. De vraag ontstaat dus,
welke zaden afwijken, en waarom juist zij dit doen en niet de anderen.

De oorzaak daarvan kan deels gelegen zijn in de plaats van de zaden
op de plant, deels in de uitwendige omstandigheden waaronder het
zaad ontstond en bevrucht werd en waaronder de kiem in het zaad zich
vormde. Die oorzaken moeten dus worden nagegaan, en daarbij moet
natuurlijk niet alleen met de zaden, maar ook met het bevruchtende
stuifmeel rekening worden gehouden. Om dit te doen is het in
het algemeen wenschelijk, elke bloem met haar eigen stuifmeel te
bevruchten. Daartoe worden de trossen of bloemgroepen omhuld met
zakken van geprepareerd papier, die onder den tros rondom den tak
worden dichtgebonden. Insekten kunnen dan de bloemen niet bezoeken, en
dus geen stuifmeel van ongecontroleerde herkomst aanbrengen. Menige
plant drukt zelf haar meeldraden tegen haar stempel, en zoo dit
bevruchting geeft, behoeft zij natuurlijk verder geen hulp. Anders
moeten de zakken van tijd tot tijd geopend worden, ten behoeve eener
kunstmatige bestuiving. Sommige soorten geven alleen dan zaad, als
twee individuen onderling worden bevrucht, en in dit geval krijgt
men natuurlijk meer samengestelde bewerkingen.

Onder deze voorzorgen zal men nu allereerst de verschillende
vruchten op een plant onderling moeten vergelijken. De zijtakken van
verschillenden rang, de hoogere en lagere vruchten van een tros, kunnen
misschien in verschillenden graad neiging tot muteeren hebben. Kon
men hieromtrent een regel vinden, dan zou de geheele studie op dit
gebied zeer vereenvoudigd kunnen worden, daar men dan voortaan bij
het zoeken naar veranderlijke soorten, zich tot de keuze van bepaalde
takken en bepaalde groepen van vruchten zou kunnen beperken.

In de tweede plaats zal men de levensomstandigheden vóór, tijdens,
en na de bevruchting kunstmatig moeten wijzigen. Hebben krachtige
individuen een grooter of wel een kleiner aantal afwijkende
nakomelingen dan zwakke? Heeft de vruchtbaarheid van den bodem op dit
verschijnsel een bevorderenden dan wel een belemmerenden invloed? Hoe
gedragen zich de mest en hare afzonderlijke bestanddeelen? Is goede
verlichting gunstig of ongunstig? Kan men door snoeien het voedsel zoo
in bepaalde richtingen leiden, dat zichtbare gevolgen ontstaan? Deze
en al dergelijke vragen wijzen den weg, dien het onderzoek heeft in
te slaan. Zij leeren tevens, dat de ontdekking van een of meer nieuwe
veranderlijke soorten slechts als het uitgangspunt te beschouwen is,
en dat zeer omvangrijke studiën vereischt zullen zijn, om van die
uitgangspunten uit tot belangrijke ontdekkingen te geraken.

Maar langs dezen weg zal men toch ten slotte een macht over de planten
verkrijgen, die allereerst ons in staat zal stellen, het aantal
muteerende zaden belangrijk te vergrooten, en die het daarna mogelijk
zal maken ook den omvang der mutabiliteit te verwijden. Nieuwe en
onverwachte soorten zullen dan verschijnen, en wat men thans weet,
zal blijken slechts een eerste begin te zijn van een wetenschap,
die zoowel voor de theorie als voor de praktijk geheel nieuwe
gezichtspunten zal openen.

Een alzijdige en zoo volledig mogelijke kennis van het geheele
verschijnsel van het ontstaan van soorten en variëteiten is het
doel, dat in de eerste jaren behoort te worden nagestreefd. De keus
der onderzoekers, die met dit werk belast zijn, de inrichtingen en
de middelen waarover het nieuwe laboratorium beschikt, wettigen de
verwachting, dat ook hier de leer zal gelden: onvermoeide arbeid komt
alles te boven. De methoden zijn duidelijk, en zoodra dus een bruikbaar
materiaal gevonden zal zijn, moeten de wetten, die de verschijnselen
beheerschen, aan het licht komen.

Om tot zulk een volledig inzicht te komen is echter nog een ander
beginsel noodig. Dit is het boekhouden. Mutatiën komen onverwacht,
en wat men dan van haar weten wil, betreft minder haar zelven dan
wel hare ouders en voorouders. Deze moet men elk afzonderlijk kennen,
en een geheele stamboom moet ontworpen kunnen worden, zoodra zulk een
nieuwe soort optreedt. Van de voorouders moet steeds een volledige
beschrijving voorhanden zijn, al hunne kenmerken moeten met die van
den nieuwen vorm nauwkeurig kunnen worden vergeleken. Maar dit is nog
geenszins de hoofdzaak. Bovenal moet men ingelicht zijn, of zich kunnen
inlichten omtrent hun erfelijkheidsverschijnselen. Zijn zij in elk jaar
zuiver bevrucht, en zoo het stuifmeel van een andere plant herkomstig
was, welke was deze, en welke was hare afstamming? Hebben onder de
kinderen dier voorouders reeds vroeger mutatiën plaats gevonden,
en zoo ja, hoe dikwijls en in welke richting?

Al deze zaken moeten nauwkeurig opgeteekend zijn, en daarenboven moet
van iedere individueele plant zooveel zaad bewaard zijn, dat men den
graad van zuiverheid van hare nakomelingschap zoo noodig nog door
nieuwe proeven kan controleeren. Hiertoe moet iedere plant natuurlijk
een nummer hebben, aangevende het jaar en het ras, het zaaisel en het
individu, en haar zaad moet onder dit nummer worden bewaard. Goed
droog bewaarde zaden blijven vele jaren kiembaar, en kunnen dus na
langen tijd nog voor het onderzoek dienen, maar het bewaren van het
zaad eischt natuurlijk bizondere inrichtingen en voorzorgen.

Op deze wijze moet nagenoeg de geheele familie van een muteerende
plant bekend zijn, want eerst dan heeft men de gegevens in handen,
om de verandering volledig te beoordeelen. Wenschelijk is het ook,
dat de cultuurvoorwaarden, de invloeden van klimaat en weder, zooveel
mogelijk zijn opgeteekend, omdat uit de kennis daarvan allicht
vermoedens omtrent de oorzaak der mutatie kunnen worden afgeleid.

Elke proef moet eens een begin hebben. Men kan aanvangen met een plant
of met een groepje planten, of met eenig zaad, dat men in 't wild
verzameld heeft. Omtrent de daaraan voorafgaande geschiedenis van
zulk een ras weet men in den regel niets. De kennis der wilde flora
geeft in het algemeen enkele aanwijzingen omtrent standvastigheid
of variabiliteit; eveneens kan men nagaan of men soms een bizondere
elementaire soort als uitgangspunt heeft gekozen. Maar men zou ook
toevallig een bastaardras in handen hebben kunnen krijgen, en zoo
dit voldoende constant is, is er tegenwoordig nog geen middel om
hieromtrent zekerheid te verwerven. Heeft men een vermoeden omtrent
bepaalde ouders dan zou men de kruising kunnen herhalen; heeft men
echter zulk een gissing niet, dan is het bezwaarlijk om de vraag
te beantwoorden.

En daar men niet weet, waar en wanneer een mutatie zal ontstaan, is
men wel gedwongen, om dit boekhouden op al zijn culturen en al zijn
planten toe te passen, en voor allen al datgene op te teekenen, wat men
in de enkele gunstig afloopende gevallen wenscht te weten. Hierdoor
wordt het werk wel zeer omvangrijk en moeilijk, maar toch is het de
eenige weg om met voldoende zekerheid vooruit te komen.

Met al deze studiën zal dan toch volstrekt nog niet alles bereikt
zijn. Want wat men ten slotte wenscht te weten is niet hoe de soorten
ontstaan, en van welke oorzaken dit afhangt, maar hoe men kunstmatig
en willekeurig nieuwe soorten kan doen ontstaan. Zoolang men dit niet
weet, staat men tegenover alle soorten, die thans niet in een periode
van onveranderlijkheid verkeeren, natuurlijk machteloos. Alles wijst
er op, dat de groote meerderheid der soorten thans standvastig is,
en dat slechts enkele veranderen. Die enkele veranderlijke kunnen
ons wel als voorbeeld en als materiaal van studie dienen, maar daarom
is het ten slotte toch niet te doen. Men moet trachten soorten, die
thans reeds door bepaalde eigenschappen nuttig zijn, op andere punten
zoo veranderlijk te maken, dat zij schadelijke trekken verliezen, of
andere gunstige afwijkingen er bij krijgen. Eerst dan zal de wetenschap
der mutabiliteit ten volle aan de belangen der menschheid dienstbaar
gemaakt worden; eerst dan zal het doel van dit laboratorium in dit
opzicht worden bereikt.

Wat er vereischt zal worden, om in die richting vooruit te komen,
laat zich thans nog niet voorspellen. De bizondere gevallen, die men
vinden zal, moeten het uitmaken. In zekeren zin zal het werk moeten
samenvloeien met hetgeen ik zooeven geschetst heb, en misschien geeft
de voltooiing van het een van zelf de oplossing van het andere.

Veel, ja zeer veel is er nog te doen, en het arbeidsveld is bijna
onafzienbaar. Maar van tijd tot tijd komt een gelukkige vondst of een
invallende gedachte den weg bekorten, en daarom is er geen reden om
aan een volledig slagen in niet al te langen tijd te wanhopen.

Hoofdzaak is, dat het werk worde aangevangen, dat men voor zichzelf het
te bereiken doel nauwkeurig en zoo zorgvuldig mogelijk vaststelle,
en dat alle middelen ten dienste staan, die voor die bereiking
noodig zijn.

Daarom acht ik de stichting van dit laboratorium van het allerhoogste
belang. Gedurende een halve eeuw heeft de afstammingsleer aller
aandacht tot zich getrokken, en op het gebied van stelselleer,
vergelijkende morphologie en vergelijkende ontleedkunde, vooral ook in
de studie der ontwikkelingsgeschiedenis der afzonderlijke organismen,
een krachtigen stoot tot snellen vooruitgang gegeven. De experimenteele
wetenschap is daarbij achtergebleven. Nog steeds zoekt de physioloog
zijn materiaal in de ervaringen van land- en tuinbouw. Thans is de
tijd gekomen, dat die rijke, maar steeds min of meer vage en door
twijfel omhulde bron door een andere worde vervangen. Het zuiver
proefondervindelijke onderzoek, met een volledige kennis van alles
wat voor een juiste beoordeeling der feiten noodig is, moet op den
voorgrond treden. Zoo enkelvoudig mogelijk moeten de verschijnselen
worden uitgekozen en zóó geleid, dat alle vragen kunnen worden
beantwoord. Eerst dan zal de leer der erfelijkheid een wetenschap
worden, die, ontdaan van al de poëtische beschouwingen waarin zij
thans bevangen is, den waren aard van het leven in zuivere trekken
aan ons openbaart. Eerst dan zal zij de grondslag worden voor die
echte poëzie en die verhevene levensopvatting, die nu eenmaal alleen
door een grondige studie der natuur kunnen worden bereikt.



Het Carnegie-Institution te Washington heeft heden een stoot gegeven
in een richting, die niet nalaten kan spoedig in hare volle waarde
erkend te worden. Dan zal zijn voorbeeld worden gevolgd, en zullen
talrijke andere gelijksoortige inrichtingen worden gesticht. Het is
het voorrecht van Amerika op deze wijze te kunnen voorgaan en bakens te
plaatsen op een gebied, waarop nog geen ander zich durft te wagen. Moge
de uitkomst bewijzen, dat hier een weg is ingeslagen, die eenmaal een
roem voor het land, en een zegen voor de geheele menschheid zal worden.


                                 EINDE



AANTEEKENINGEN


[1] Reuzen Warme Bronnen.

[2] "Voor het nut en genot van het volk".

[3] Electrische top.

[4] Gele-steen-rivier en -park.

[5] Half-droge streken.

[6] Bever-meer.

[7] Behalve de gidsen, door de Northern Pacific- en de Union
Pacific-Spoorwegmaatschappijen in den vorm van hunne time-tables of
folders uitgegeven, wordt door de toeristen gewoonlijk Haynes Guide to
the Yellowstone-park gebruikt. Dit is een boekje in zak-formaat. Voor
een grondiger studie van wat men op de reis zien kan wordt vooral
gebruikt Chittenden, The Yellowstone National Park, historical and
descriptive 1903. Voor een meer wetenschappelijke studie worden de
verhandelingen van Weed, Davis (Science, July 1897), Tilden (Botan,
Gazette, Sept. 1897), Harshberger (Am. J. A. Pharmacy, Dec. 1897),
Setchell (over de wieren in de warme bronnen) e. a. aanbevolen.

[8] Verdwaalde.

[9] Bosch-der-Versteeningen.

[10] Nachtelijk bloeiende cactus.

[11] Verkoopgelegenheid voor curiositeiten.

[12] Terrassen.

[13] Vrijheids-Kegel.

[14] Duivelsduim.

[15] Duivelskeuken.

[16] Borrelende.

[17] Het Badmeer.

[18] Kokende Rivier.

[19] Zilverpoort.

[20] De Reuzin.

[21] De Zaagmolen.

[22] De Reus.

[23] De Kasteel-geyser.

[24] Papiniaansche pot.--Aldus genoemd naar dr. Papin, een Fransch
natuurkundige, die onder leiding van onzen Christiaan Huyghens werkte,
en in 1680 voor den dag kwam met zijn ontdekking van stoom onder druk
in een hermetisch gesloten pot.

[25] Lager-, Midden- en Boven-bassins.

[26] Zwarte Rommelaar.

[27] Bijenkorf.

[28] Spons.

[29] Kust.

[30] Verrassing.

[31] Vuurhol.

[32] Thee-ketel.

[33] Leeuw, Leeuwin en Welpen.

[34] Kruin.

[35] Spreek uit Poel.

[36] Edelsteen.

[37] Juweel.

[38] Smaragd.

[39] Cacti. Meervoud van cactus.

[40] Koude-Bron-Haven.

[41] Bibliotheek-zaal.

[42] Onderzoek-inrichting voor de proefondervindelijke
ontwikkelingsgeschiedenis.

[43] Instituut voor Kunsten en Wetenschappen te Brooklijn.

[44] Inwonend onderzoeker.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Het Yellowstone-Park" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home