Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Jacob Martens - Een verhaal uit de zestiende eeuw
Author: Hoogewerff, G. C.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Jacob Martens - Een verhaal uit de zestiende eeuw" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                             JACOB MARTENS

                   EEN VERHAAL UIT DE ZESTIENDE EEUW

                                  DOOR

                            G. C. HOOGEWERFF


                Een goede zaak wordt niet slecht, omdat
                sommige van hare voorstanders kwaad
                hebben bedreven; zij wordt reiner in
                onze oogen, naarmate zij zich scherper
                van het bedrijf der zoodanigen afscheidt.

                                                    R. Fruin



                       NIJKERK--G. F. CALLENBACH
                                  1921



I.


't Was een van de eerste dagen van Zomermaand van het jaar 1566,
zeer vroeg in den ochtend.

De zware voordeur van een deftige heerenhuizing, gelegen aan de
Vrijdaegsmarkt te Gent, werd voorzichtig geopend en twee jongelieden
traden naar buiten. Ze waren voorzien van lange, groengeschilderde
hengelroeden en stevige linnen tasschen: blijkbaar was het om
een aanslag op het "schubbigh watervolck" te doen, dat zij zoo
vroeg uit de veeren waren, nu, volgens de oud-stedelijke keure,
"het visschen met angelroeden, schakelen ende ander visscherstuygh"
sinds den eersten van Zomermaand weder was geoorloofd.

Een van de beide hengelaars was haastig het met boomen bezette plein
een eindweegs opgeloopen en had een blik geworpen op de windvaan onder
't kruis van de St. Jacobskerk, die haar ouden, zwaren toren statig
boven de deftige huizen van de Oostzijde der markt verhief.

--"Een Zuidwesten wind en een beloken lucht, Thierry," riep hij
vroolijk. "Dat belooft een goede vangst!"

--"'t Mag zeker wat bijzonders zijn, als 't de moeite zal loonen,
zoo voor dag en dauw het bed te ruimen," zei de aangesprokene, die
blijkbaar niet zeer in zijn humeur was.

't Was een slank jonkman van ongeveer twintig jaren, met een donker
uiterlijk. Een trek van onverschillige hooghartigheid lag op het
welbesneden, bleek gelaat en de koele, gebiedende blik der donkere
oogen versterkte dien indruk.

Hoewel het doel van den tocht zeker een eenvoudige kleeding het
meest doelmatig en wenschelijk maakte, was hij keurig gekleed in een
wambuis en broek van bruin Diestsch laken, waarvan de insnijdingen
in de opgedofte mouwen de geelsatijnen voering vertoonden. De lange
zeemlederen hozen verdwenen in een paar keurige rijlaarzen.

Zijn makker scheen iets jonger. 't Was een echte zoon van het
land. Lange blonde haren fladderden in den frisschen morgenwind, om een
echt Vlaamsch gezicht, wit en rood, met heldere blauwe oogen. Die oogen
tintelden thans van schalkheid en levenslust, maar het hooge voorhoofd
en de fijn besneden mond deden vermoeden, dat ze veel méér konden
uitdrukken, dat ze konden fonkelen van toorn en verontwaardiging en
voor zich uit staren met den zoekenden blik van den dichter en dweper.

Hij zag er vrij wat eenvoudiger uit dan zijn metgezel. Hij droeg
een nauwsluitend pak van groen laken, al tamelijk versleten, en
een kaproen van dezelfde stof, terwijl zijn bruine hozen haast niet
zichtbaar waren door een paar flinke waterlaarzen.

Thans keek hij den ander aan met een oolijken trek op het gelaat.

--"Arme kerel," zei hij spottend, "heb je de veêren zoo lief? Hoe
je Brussel zult missen in ons goede, oude Gent. Maar wij geven je
wat wij hebben, en als de Fonteynisten, onze kamerbroeders, niet
spelen en de Gilden geen feest geven, dan schieten wij met den boog
of wij visschen."

--"Ik zal je wat anders laten zien, als je te onzent komt, te Brussel,"
zei Thierry, met een minachtenden glimlach. "Een zomerfeest in de
tuinen van Mevrouw van Parma is wat eêls! En al geven de Geuzen-edelen
hun lakeien een grauwe livrei, om Mevrouw te plagen, hunne feesten
zijn er niet minder om! Floris van Culemborg weet te leven!"

Al sprekende waren de beide jongelieden het met boomen bezette plein
overgestoken. Achter hen sloeg de zware klok van St. Jakob drie uren.

--"Culemborg, Brederode en de hunnen weten te leven, Jacques, dat zeg
ik je," herhaalde Thierry. "Jammer dat 't verraders zijn van onzen
Heere, den Koning van Spangiën."

't Werd op spottenden, tartenden toon gezegd, blijkbaar om verzet uit
te lokken, en de spreker slaagde naar wensch. Een hooge blos kleurde
het gelaat van den jongen Vlaming en zijn blauwe oogen flikkerden.

--"'t Zijn geen verraders, die de rechten en vrijheden van den lande
verdedigen tegen vreemd geweld!" riep hij levendig.

--"Vreemd geweld! En dat van den Koning, onzen genadigen Heere!" spotte
de ander. "Fraaie taal voor den zoon van den president van 't Hof van
Vlaanderen! Jacobje, Jacobje, wat een rebelsche taal. Draag je nog geen
geuzennapje op de muts, als je vrienden in Brussel en Antwerpen? Fij
van zoo'n jongen rebel!"

--"Fij van den Nederlander, die heult met de creaturen van den
Kardinaal, Thierry de St. Foy!" riep de blonde jonkman met vuur.

Thierry lachte gedwongen.

--"Als de visch straks zoo goed bijt, als jij, Jacob Martens," zei
hij schijnbaar luchtig, "dan vangen wij de Lys leeg! Een enkel woord
over de kostelijke voorvechters van je dierbare vrijheden is lokaas
genoeg! Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat je vrijheidszin je
hoffelijk maakt voor je gast!" liet hij er ernstiger op volgen.

Jacob Martens bleef staan.

--"Je hebt gelijk, Thierry!" zei hij gulhartig. "Vergeef mij mijn
uitval. Je bent te Brussel aan 't hof en misschien kun je voor deze
dingen niet zóó voelen als wij!"

--"Alsof 't er op aankwam, wat wij voelden of dachten!" riep
Thierry. "Geloof maar vrij, dat Brederode en Culemborg de zaken niet
zoo ernstig opnemen als jij, eeuwige dweper! Zij mogen schreeuwen over
de plakkaten en de Inquisitie en hun bedienden in grauw livrei steken,
zij vieren feest en laten het geld rollen en drinken als tempeliers!"

--"Laten we liever over wat anders spreken!" zei Jacob Martens.

--"Bijvoorbeeld over de mooie bruine oogen van joffer Madeleine?" zei
St. Foy met een snellen, loerenden blik.

Jacob Martens kleurde.

--"De oogen van joffer Madeleine de Bette behoeven niet te worden
besproken door twee jonge fanten, die uit visschen gaan!" zei hij
kort en droog.

Weer barstte Thierry in lachen uit.

--"Of je je verliefdheid verraadt, Jacques! 't Is aandoenlijk! De
mooie oogen van joffer Madeleine te heilig om er over te praten? Ik
weet, dat zij er anders over denkt! Ze glinsterden ten minste van
pleizier, toen je neef Boelman, de Fonteynist, het refrein voorlas,
dat hij voor haar gemaakt had. Hoe was 't ook weer:

"Twee vierighe keerskens, die bernen als sonnen!"

Jacob Martens antwoordde niet en liep stevig door.

--"Ben je al geen retrosijn, Jacques, je hebt toch zeker ook al
verzen voor haar geschreven. Mag ik 't haar eens vragen?" ging de
plaaggeest voort.

Jacob had zich intusschen hersteld en begrepen, dat hij het best deed
zijn makker met gelijke munt te betalen.

--"Je moogt wel praten van verliefdheid, Thierry de St. Foy,"
antwoordde hij vroolijk. "Wie zoekt er altijd het gezelschap van
de zoete joffers, en houdt amoureuse propoosten? Als een jonker uit
Brussel ze bezighoudt, hebben de meiskes oogen noch ooren voor een
simpelen scholier als ik."

Nu was de beurt aan Thierry om te kleuren.

--"Zeg maar, dat je jaloersch bent, Jacques!" zei hij.

--"Natuurlijk! Wie zou er niet jaloersch zijn, als de zoete meiskes
zoo aan je lippen hangen, wanneer je vertelt van het Hof van Mevrouw
van Parma en de schoone feesten en brillante partijen, van menuetten
en sarabandes. Wat zullen wij simpele Vlaamsche knechten beginnen,
als een page van den hertog van Aerschot onze maagdekens het hoofd
op hol komt maken."

De donkere jonkman beet zich op de lippen.

--"De zoon van den president van den Raad van Vlaanderen behoeft niet
jaloersch te zijn van een armen hofjonker," zei hij bits. "Joffer
Madeleine en haar schoon goed zijn u in de wieg al toegedacht."

Jacob Martens zweeg, verontwaardigd en verlegen tegelijk. Hij
was overtuigd, dat hij geen aanleiding gegeven had tot den ruwen
uitval. Maar wat zou hij er op antwoorden? Hij had er niet aan gedacht,
zijn vriend, een jongeren zoon uit een verarmde adellijke familie
uit Brabant, te kwetsen, en zoo hij zich schertsend had verdedigd,
dan was het omdat hij zeker in Thierry geen vertrouwde gevonden had
voor zijn gevoel voor Madeleine de Bette, die hij liefhad met de
mooie eerste liefde van een jong en rein hart.

Zwijgend stapten de beide jongelieden voort door de slapende straten
van de oude Vlaamsche hoofdstad. De luiken der schilderachtige gevels
waren overal nog gesloten op dit vroege ochtenduur, en Gent sliep
nog in de grijze grauwe morgenschemering.

Ze gingen langs het Hagenklooster en het sombere Simpelhuys met zijn
getraliede vensters, langs het groote klooster der Penitenten en het
Hebbeliens-hospitaal en liepen thans langs een der gemetselde kaden,
waartusschen de Lys vloeide. De deftige huizen maakten plaats voor
eenvoudiger woningen met uitstekende of overhangende houten gevels,
de steenen muur ging over in een met gras begroeide kade, de nauwe
straten gingen over in verstrooide buurten, en eindelijk liepen zij
tusschen weiden en korenvelden, want het oude Gent had zich uitgebreid
en zijne landelijke voorsteden gastvrij opgenomen in zijn beschermende
wallen. De weg liep uit op een zonderling en grillig gebouwtje: het
oude Peterscellepoortje, of Pieterseliepoortje, zooals het volk zeide.

--"Is dàt de poort? En zouden ze ons zoo vroeg openmaken?" vroeg
Thierry.

--"Geen nood!" zei Jacob Martens. "Aegte Jansdochter, mijn oude min,
is er portierster. Ik heb haar een boodschap gezonden, dat zij van
morgen vroeg poortgeld kon verdienen, en zij zou meer voor mij doen,
als 't noodig was, dan eens wat vroeg uit de veeren te zijn. En buiten
de poort wacht ons de beier met het aas."

Hij had niet tevergeefs op de portierster gerekend. Een kloek Vlaamsch
wijf kwam uit het lage huisje bij de poort schieten en heette hen
met een vriendelijk lachend gezicht welkom.

--"Hoe gaat het, Aegte? Niet boos, omdat wij je zoo vroeg uit de
veeren halen?" vroeg Jacob Martens gul.

--"'t Is de eerste keer niet, jonker Jacob, dat je mij te vroeg uit
't bedde haalt," zei Aegte Jansdochter met een breeden lach. "En dat
heb ik wel voor mijn voedsterkind over. Alles wel thuis, jonker?"

--"Best, Aegt. Moeder alleen is, als altijd, zwak. Maar nu de
sleutels! Wij gaan visschen!"

De sleutels rammelden; het winket in een der zware poortdeuren draaide
knarsend op zijn hengsels en Aegt stak de poortstuivers op.

--"Goede vangst, jonkers!"

De beide hengelaars stonden buiten de poort en zagen om zich
heen. Achter hen lag de slapende stad, vóór hen strekten zich de
welige landouwen van West-Vlaanderen uit, de vette weiden en golvende
korenvelden, sluimerende onder de lichte morgennevels van een beloken
Junimorgen. Rechts slingerde zich de Lys, aan haar steenen banden
ontkomen, langs haar met riet en lisch begroeide boorden, in breede
bochten door het groene landschap.

Jacob Martens en zijn gast verlieten den weg en sloegen een voetpad
in, dat hen door de akkers naar de rivier voerde.

--"Waar blijft de koddebeier nu, met het aas?" vroeg de Brusselaar.

Martens wees op een alleenstaanden boom, dicht aan den oever.

--"Daarginds, bij dien esch, zou hij ons wachten. Je zult hem wel
zoo dadelijk zien. De Welle is een man van zijn woord."

Weldra hadden ze den oever en den boom bereikt. Een man, die, tegen
den stam geleund, peinzend naar de kabbelende golfjes van de Lys had
staan kijken, trad hen tegemoet.

't Was een lange, magere gestalte, gehuld in een grijslinnen kiel, die
hem tot aan de knieën reikte. Op het rossig blonde haar droeg hij een
ruige muts, waarin een eikelkapje was gestoken. Het bruine, door wind
en zon getaande gelaat was vol rimpels, als een overjarige appel. Twee
felle, lichtblauwe oogen keken de beide jongelieden aan met den
scherpen blik, dien men zoo dikwijls bij jagers en boschbewoners vindt.

--"Goed op je tijd gepast, Pieter de Welle," riep Jacob Martens,
terwijl hij den langen man trouwhartig de hand reikte. "Wat dunkt je
van het weer?"

De koddebeier bracht even de hand aan zijn ruige muts.

--"Een kostelijke dag, jonker Jacob. De visch zal goed bijten."

De toon van den man was noch lomp noch overdreven onderdanig. Er
sprak een ruwe vriendelijkheid en zekere gemeenzaamheid uit. Zijn
felle blauwe oogen richtten zich nu onderzoekend op Thierry de St. Foy.

--"Een vriend van mij, Pieter," zeide Jacob, als antwoord op den
vragenden blik. "Onze gast uit Brussel."

De koddebeier knikte weer. Thierry ergerde zich blijkbaar aan den
gemeenzamen toon en den onderzoekenden blik van den langen man en
draaide hem den rug toe.

--"Hier is het aas, jonker," zei de Welle, terwijl hij op een
houten bak wees, die aan den voet van den boom stond. "Levende
voorntjes, dauwwormen en geronnen ossenbloed! Zal ik de hengels maar
klaarmaken? Hier heb ik het schepnet."

Hij nam de hengels en hield zich ijverig bezig met de snoeren en
simmen. De jonkers zouden eerst hun geluk beproeven op snoek, met
vischjes en stukken geronnen bloed.

Terwijl de koddebeier de vischsnoeren op de vereischte lengte bracht
en het aas aan de haken bevestigde, trad Thierry op zijn makker toe.

--"Die koddebeier van je vader is een Geus!" beet hij hem in het oor.

--"Och kom!" riep de ander ongeloovig.

--"'t Is een Geus, zeg ik je," hield Thierry vol. "Kijk maar naar
dat eikelkapje op zijn muts. Dat is het teeken. De edelen en burgers
dragen de houten napjes aan den hoed en de boeren de eikelkapjes. Ik
heb ze te Brussel gezien, uit de omstreken van Antwerpen. Dààr wemelt
het van Geuzen en Sacramentarissen!"

--"'t Mag zijn," zei Jacob Martens schouderophalend, "Geus of niet,
't is altijd een eerlijke kerel geweest en ik mag hem graag lijden."

--"Een mooie dienaar voor den president!" schimpte Thierry.

Weer kleurde Jacob en schitterden zijn oogen.

--"Wil dan toch begrijpen, Thierry," zei hij heftig, "dat wij,
Gentenaars anders denken dan jelui te Brussel. Wat raakt het mijn
vader, hoe het hof over zijn dienaars denkt?"

--"Je vader is een dienaar van den Koning!" hield Thierry vol.

--"Wij zijn dienaars van den Koning, als graaf van Vlaanderen!" riep
Jacob levendig. "Maar wij zijn vrije mannen van Gent en houden vast
aan onze rechten en privilegiën."

--"Voor zooveel de Keizer die den vromen Gentenaars gelaten heeft,"
tergde St. Foy.

--"'t Aas is klaar, jonkers!" riep de Welle.

Hij had ongemerkt meer van het gesprek verstaan, dan de beide
jongelieden dachten, en hij achtte het verstandig, het af te breken.

Jacob Martens vatte den langen hengel en liet het levend aas met
den vluggen zwaai van een geoefend visscher in de golfjes van de
Lys neerploffen. Thierry volgde zijn voorbeeld, maar hij bleek
onhandig. Zijn snoer verwarde in het riet en de Welle moest hem te
hulp komen.

Toch scheen de fortuin den onbekwamen visscher te
begunstigen. Nauwelijks dreef zijn dobber op het water, of hij verdween
met een korten ruk en de lijn van de klos, die aan zijn voeten lag,
liep snel af.

--"Een flinke snoek! Vieren, jonker!" riep de koddebeier.

Thierry liet de lijn uitloopen en palmde die toen, op de Welle's
aanwijzing, zachtjes en voorzichtig in. Toen de snoek weer aan de
oppervlakte was, schoot hij weer de diepte in en het snoer werd
weer gevierd.

St. Foy kreeg pleizier in het werk. Aanvankelijk had hij zijn gastheer
slechts met tegenzin vergezeld, maar het geluk lachte hem toe. Jacob,
de ervaren visscher, werkte tevergeefs met zijn lijn, en hij had
terstond beet. Het lag in zijn aard, gaarne de eerste te zijn.

Hij had er behoefte aan, op zijn succes te pochen en zijn makker
te plagen.

--"Ik heb hem vast!" riep hij zegevierend. "Ik heb hem, als de Koning
zijn erflanden. De edelen mogen spartelen aan de lijn, maar ze komen
niet los! Zoo min als de snoek!"

't Was of het beest hem verstond, of misschien verzuimde de koddebeier
opzettelijk, het sein te geven om de lijn op het juiste oogenblik te
laten schieten. De kop van den snoek, die nog lang niet vermoeid was,
verscheen boven de oppervlakte van het water. Te vroeg! Een forsche
slag met den staart en bevrijd van den hoek schoot de visch weg in
de diepte.

Jacob schoot in een luiden lach, toen, hij het beteuterd gezicht
van zijn makker zag, die met de losse lijn in de hand, vol
teleurstelling in het water staarde. Achter hen klonk een onderdrukt
gegrinnik. Thierry wendde zich boos om, maar het gerimpeld gezicht van
den koddebeier bewoog niet. Alleen de kleine blauwe oogen flikkerden
van inwendig genoegen.

Met een boozen blik en een gemompelde verwensching wendde de Brusselaar
zich af.

--"Neem mij niet kwalijk, Thierry," zei Jacob, die begreep, dat zijn
gast beleedigd kon zijn door zijn lachen, "'t spijt me heusch, dat
je zoo ongelukkig was. Maar 't was ook al te dwaas! Jij de Koning,
de snoek, de erflanden, die zoo vast aan de lijn zaten! En dan... paf,
weg was de snoek!"

--"Lach maar!" bromde de teleurgestelde visscher. "De Koning zal jou
en alle Geuzen het lachen wel verleeren."

Hij wierp een schamperen blik op Pieter de Welle, maar deze scheen
niet op hem te letten en hield zich ijverig bezig met den hengel,
dien hij opnieuw van levend aas voorzag.

De visschers volgden den linkeroever van de Lys. Ze zouden de rivier
afvisschen tot boven Gent; dan zouden zij den stroom oversteken en
de stad door de Walepoort weer binnenkomen.

De morgenschemering begon meer en meer te wijken. 't Liet zich echter
aanzien, dat de zon niet zou doorbreken. De hemel bleef egaal grijs,
met hier en daar een donkergrauw wolkje. Soms vielen er eenige
regendruppels, die kringetjes maakten in het loodkleurige water.

De zilveren pluimen der rietbossen wuifden zachtjes in het Zuidwesten
windje. Soms vloog een eend of een pluvier, luid krijschend, op. Anders
lag het schoone landschap in kalme, droomerige rust.

Ondertusschen werd de Lys ijverig afgevischt, maar het duurde eenigen
tijd voor zich weder een visch liet verschalken. Ditmaal was Jacob
de gelukkige. Zijn dobber dook met een korten slag onder en de lijn
liep met vaart uit.

--"Een mooie snoek, jonker! Minstens een achtponder!" riep de Welle.

Jacob vierde de lijn en begon toen voorzichtig in te palmen.

--"Willen we nu ook eens wedden, Thierry?" riep hij vroolijk. "De
snoek is 's lands vrijheid! We hebben ze en we houden ze!"

St. Foy haalde de schouders op, maar keek toch oplettend naar zijn
makker, die, als een geoefend hengelaar, met den snoek speelde, de
lijn behoedzaam inpalmde, maar die steeds op het juiste oogenblik
weer vierde.

Eindelijk begon de snoek moe te worden, de lijn liep met telkens
minder vaart uit en Jacob Martens begon zijn buit voorzichtig naar
den oever te halen. Pieter de Welle nam het schepnet en stapte tot de
knieën in het water, Jacob fleurde den snoek zachtjes en met beleid
al nader en nader en weldra spartelde de visch in het net.

--"We hebben hem! Leve onze vrijheden en privilegiën!" juichte Jacob
Martens en Pieter de Welle grimlachte.

--"Zonder het schepnet had je hem nooit gekregen," zei Thierry met
een jaloerschen blik.

--"Precies, jonker! We moeten passen op den rechten tijd, maar dan
krijgen wij den snoek ook!" zei de Welle, terwijl hij den visch met
een kennersblik beschouwde, voor hij dien in zijn tasch stak. "Een
mooie, jonker! Tien pond op zijn minst." En de koddebeier bracht den
hengel weder in orde, terwijl Thierry hem wantrouwend aankeek.

Het geluk was hem gunstig. Hij ving twee kleinere snoeken en door
ditmaal getrouw de aanwijzingen van Jacob Martens en de Welle te
volgen, kreeg hij ze gelukkig aan land. En toen men, verder op den
ochtend, met dauwwormen naar baars begon te visschen,--waarbij het
minder op de bekwaamheid van den hengelaar aankwam--kon hij vrijwel
meedoen en hij geraakte gaandeweg geheel in zijn humeur.

Zoo werd de Lys afgevischt, tot waar de rivier zich, ten Noorden
van de stad, met een andere vereenigt; hier was een veerpont, een
eenvoudige houten bak, waarmede de hengelaars naar den anderen oever
werden overgezet.

Onderweg hadden zij een eenvoudig ontbijt van brood en kaas gebruikt,
maar thans was hun voorraad op, de veldflesschen waren ledig en zij
waren moe en hadden honger. Zij besloten dus, de visscherij er voor
heden aan te geven, en door de weilanden heen den weg naar Lokeren
te bereiken en zoo door de Walepoort naar de stad terug te keeren.

De wind begon op te steken. Grauwe luchten kwamen aandrijven uit het
Zuidwesten en van tijd tot tijd viel er een warme regenbui. De zware
laarzen der hengelaars zoenden en smakten in de klei der vochtige
voetpaden en gleden uit langs de glibberige wallen der slooten. Doornat
en moe bereikten zij eindelijk de heirbaan en weldra naderden zij de
vestingwerken der stad.

Het liep tegen acht uur. De poorten waren reeds lang open en de
hengelaars vonden op den weg verscheidene landlieden uit den omtrek,
die zich steewaarts begaven, en met wie Jacob Martens en Pieter de
Welle van tijd tot tijd een morgengroet wisselden.

Plotseling rees in de stille zomerochtendlucht het gelui van een
klokje, schrille, scherpe klanken, die met naar geluid opjammerden uit
de slapende stad en klagend heenzweefden over het rustige landschap.

Jacob Martens zag den koddebeier veelbeteekenend aan.

--"'t Klokje van het Minorietenklooster," zei hij, "'t
armezondaarsklokje! Zou er halsrecht worden gedaan? Zoo vroeg?"

Zij naderden de brug over de Nieuwe vaart, die naar de Walepoort
leidde. Even voor de poort verbreedde de voor de binnenlandsche
scheepvaart zoo belangrijke vaart zich tot een wijde haven. Aan de
kaden waren tal van vaartuigen vastgemeerd, en groote stapels van
balen en vaten getuigden van den bloeienden handel der Vlaamsche
hoofdstad. Gewoonlijk was de drukte des morgens reeds in vollen
gang. Thans echter stond het werk stil: schippers, waagdragers en
sjouwerlieden stonden in groepjes bijeen en tuurden naar de poort.

Bij de brug stond een troepje mannen en vrouwen in de dracht der
West-Vlaamsche landlieden. Ook zij tuurden in dezelfde richting. Hunne
gezichten stonden ernstig en bedrukt; verscheidene der vrouwen
schreiden. Een kleine kreupele man bewoog zich onder deze groep en
sprak nu eens den een, dan weder den ander aan. Men luisterde naar hem,
maar de starende oogen bleven op de poort gericht.

Boven de stad klepte en jammerde het armezondaarsklokje.

In de grauwsteenen lijst der Walepoort verscheen een droevige stoet,
waarvan alle toeschouwers maar al te goed de beteekenis begrepen.

Eerst kwam een ruiter, op een zwaar bont paard gezeten en gekleed
in een korten, zwarten tabbaard, met een tweekleurige baret op het
hoofd. In de hand droeg hij een rood geschilderden staf.

Het was de "Roode Roede", de gerechtsbode van de Schepenbank.

Achter den ruiter kwam een lage kar, getrokken door een mager paard
en begeleid door eenige gewapende dienaars. Voor de kar uit liep
een man, gekleed in een nauwsluitend gewaad van grove, roode serge,
met een muts van dezelfde stof op het hoofd. Hij werd op den voet
gevolgd door twee mannen in de gewone volksdracht, maar eveneens met
roode mutsen. Eén leidde het karrepaard bij den teugel, terwijl de
andere een rol touw droeg.

Het waren de beul van Gent en zijne knechten.

Op de kar, op een paar bossen stroo, zat de veroordeelde. Het
was een nog jonge vrouw: ze mocht ongeveer dertig jaar zijn. Ze
was blootshoofds en bij het dichte zwarte haar stak het strakke,
doodsbleeke gelaat scherp af. De donkere oogen blikten van tijd tot
tijd schuw rond; dan weder, als met eene uiterste inspanning van
den wil, wendde zij zich af van haar omgeving en zag zij op naar den
hemel. Een wijd kleed van bruine stof, dat aan een monnikspij deed
denken, bedekte hare gestalte tot den hals en een overslag hing als
een breede kraag van hare schouders af in breede plooien.

Een oude monnik in bruine pij, een Minoriet, zat naast haar. Hij
hield een crucifix in de hand en van tijd tot tijd zag men zijne
lippen bewegen.

De kar rolde de poort uit; een oogenblik klotsten de paardenhoeven
over de houten brug; toen boog de stoet links af, naar de haven.

Boven de stad jammerde, pijnlijk schril en schel, steeds het
armezondaarsklokje.

Zoodra de kar buiten de poort en over de brug was, sloten de mannen
en vrouwen, die haar blijkbaar hadden opgewacht, zich bij den stoet
aan en volgden dien naar de haven. Ook de beide jongelieden en hun
metgezel verhaastten hun stap en liepen mede, gedreven door de wreede
nieuwsgierigheid, die den mensch onwillekeurig drijft tot het huiverend
aanschouwen van wat hij verafschuwt. Weldra stonden zij tusschen de
boeren en schippers. Pieter de Welle had ruim baan voor hen gemaakt,
en velen kenden Jacob Martens, den zoon van den president, en gingen
voor hem op zijde.

Zóó stonden zij in de eerste rijen, bij de stadskraan Daar hield de
kar stil. De knecht, die het paard voortleidde, had het dier doen
keeren, zoodat het krat van het voertuig naar het water was gericht.

De schoutendienaars hielden het opdringende volk tegen, terwijl de
beul op een wenk van de "Roode Roe" op de kar klom en de veroordeelde
naderde.

De oude monnik boog zich voorover; hij sprak luid en dringend en
hield de vrouw het kruisbeeld voor het gelaat.

Zij wendde het hoofd af en keek met angstoogen naar het donkere water,
naar het volk om haar heen...

Daar klonk een stem uit de menigte, een krachtige mannenstem.

--"Sijt getrouwe tot in den doet, ende ick zal u geven die crone
des levens!"

Een der vrouwen had de lange, zwarte huif afgeworpen en hield een
kind op hare armen omhoog, het hoog optillende boven de hoofden
der omstanders.

De veroordeelde had omgezien, toen zij het Bijbelwoord hoorde. De
strakke angstblik verdween uit de starende oogen. Zij richtten zich
op het kind en vulden zich met tranen, de lippen beefden...

De "Roode Roe", die kalm en onverschillig op zijn paard zat, had,
bij het hooren van den roep, vertoornd omgekeken en daarop een snellen
blik met de dienaars gewisseld. Hij knikte den beul toe.

Deze greep de afhangende plooien van het bruine kleed, wenkte den
monnik terug en sloeg ze over het hoofd der veroordeelde. Het bleek
gelaat der vrouw verdween; hare blikken waren tot het laatste oogenblik
op het kind gericht.

Het bruine kleed, blijkbaar een wijde zak, werd stevig boven het hoofd
van de veroordeelde toegesnoerd met het dunne, maar sterke touw,
dat de tweede knecht had gedragen. En nu reikte de beul voorover
en greep den ketting van de kraan, waarvan hij den haak in een lus
bevestigde. Daarop liet hij het krat vallen en terwijl de beide
knechts zich bij het windas plaatsten, vatte hij post bij den kop
van het paard en keek naar de "Roode Roe".

De gerechtsbode was blijkbaar uit zijne onverschilligheid
opgeschrikt. Hij wierp onrustige blikken om zich heen; nu eens keek
hij naar het volk, dat met bleeke, strakke gezichten het tooneel
aanschouwde, dan weer als verlangend naar de stad.

Daar dreunde het dof door de stilte; de Zuid-Wester deed de slagen
duidelijk hooren: acht uren! Het schelle klokje zweeg.

De "Roode Roe" trok zijn gezicht in den ambtsplooi. Hij prevelde snel
eenige woorden en brak zijn staf. De beul gaf zijn helpers een wenk;
het windas piepte, de ketting spande zich en de zak rees omhoog aan den
arm van de kraan, terwijl de beul het paard een paar stappen vooruit
deed gaan. Een oogenblik zweefde de zak boven het donkere water van de
haven, toen lieten de knechts de spaken los, de ketting ratelde over
de katrollen, en met een doffen plomp verdween de last in het water.

Een gesmoord snikken klonk uit het volk, dat, nu niet meer door
de dienaars weerhouden, naar den kant drong en zwijgend, met
angstige blikken, naar de breede waterrimpels staarde. De beul,
wiens aanraking allen angstig vermeden, stond op de steenen rollaag
en keek met kennersblik naar de opstijgende luchtbellen, daar, waar
de zak was gezonken. De knechten hielden zich bezig met de kar; een
van hen, een kerel met een dom, rood drankgezicht, haalde van onder
de voorbank een bierkruik te voorschijn en nam een flinken slok,
waarna hij de kruik aan zijn makker toereikte.

Met een bleek gelaat had Jacob Martens het sombere tooneel
aanschouwd. Hij was een kind van zijn tijd; halsrecht en lijfstraf
waren een gewoon schouwspel in Gent en hij had reeds herhaaldelijk
een terechtstelling gezien. Zoo hij al medelijden had gevoeld voor
een gestraften misdadiger, 't was van voorbijgaanden aard geweest
en hij had altijd berust in 't noodzakelijke van de dikwijls wreede
straffen en volkomen vertrouwen gesteld in 't beleid der justitie
van Mijn Heere den Hoog-baljuw en Schepenen van Gent. Maar deze
vrouw was geen misdadige; hij had het maar al te goed begrepen aan
de houding van de omstanders, de zenuwachtige onrust der met de
terechtstelling belasten en de wijze, waarop de veroordeelde den
biechtvader had afgeweerd. Hij had een slachtoffer zien sterven van
de wreede plakkaten tegen de ketterijen, door Karel V uitgevaardigd,
door Filips herhaald en verscherpt, van die plakkaten, die een bloedige
geloofsvervolging bevalen, waaronder het land ging gebukt en die door
Roomsch en Onroomsch werden bestreden.

Dat was geen justitie! dat was een moord!

Jacob Martens wierp een blik naar zijne beide metgezellen. Thierry de
St. Foy was ook bleek geworden, toen de noodlottige zak neerplompte in
het water, maar hij dwong zijn gelaat tot een koelen, minachtenden
grimlach. Maar Pieter de Welle stond daar met gebalde vuisten
en saamgeklemde lippen, en zijne kleine, felblauwe oogen schoten
vonken. De kleine kreupele--'t was dezelfde, die de veroordeelde het
Bijbelwoord had toegeroepen--stond naast hem en die twee spraken tot
elkander met gesmoorde stem.

Plotseling deed Jacob eenige schreden voorwaarts en drong door tot den
"Roode Roe". Hij trok den beambte aan den tabbaard.

Wrevelig wendde de man het hoofd om en een lompe terechtwijzing lag
hem blijkbaar op de lippen. Toen hij echter den zoon van den president
van den Raad herkende, veranderde hij terstond van houding en nam
onderdanig zijn baret af.

--"Wie was die vrouw, Rogiersz?" vraagde Jacob. "Wat had zij gedaan?"

--"Een kettersche, jonker Jacob," antwoordde de beambte. "Agneta
Jansdochter, uit de Cellebroerstraat."

--"Een kettersche? Maar ik dacht, dat Heeren Schepenen in den laatsten
tijd over Lutherye niet wilden vonnissen, zoomin als de heeren van
Antwerpen?" vraagde Martens. "De deken Titelman heeft er bij mijn
vader over geklaagd."

--"Lutherije niet, jonker," zei de "Roode Roe" gewichtig. "Maar Agneta
Jansd. was eene Doopersche. Dat is "zware ketterije" en die wordt
nergens geduld. Ook voor de Sacramentarissen, die van de Geneefsche
ketterije, zijn Mijne Heeren van den Gerechte veel strenger dan voor
de Lutheranen. Maar vergeef mij, jonker, de executie is afgeloopen. Ik
moet naar de stad."

De jonge man merkte, dat veler oogen nieuwsgierig of uitvorschend op
hem waren gericht. Het hinderde hem en hij wenkte zijn vriend en den
koddebeier, om te vertrekken.

De meeste omstanders bleven staan wachten, om te zien, hoe het lijk
van de veroordeelde uit het water zou worden opgehaald.

Zwijgend gingen de twee jongelieden, door de Welle gevolgd, over de
brug en door de Walepoort.

Jacob Martens was ontroerd. Wat hij zooeven gezien had, had zijn
licht bewogen gemoed geschokt. Steeds zag hij den droevigen blik der
bleeke vrouw, tot het laatste oogenblik, eer de noodlottige zak,
die haar doodskleed zijn zou, haar gelaat bedekte, op haar kind
gericht. Weer een slachtoffer van dien heilloozen geloofsdwang,
den vrijen Nederlanden opgedrongen door den vreemden Heerscher, voor
wiens gezag zij zoo ongaarne bogen. Wat wisten de vrije steden van
Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Brabant in hun eigen, eeuwenoude
rechtspleging van kettervervolging? Zou de Gentsche regeering zich
hebben geleend tot het vellen van een doodvonnis over een vrouw uit
het Vrije der Stede, om zulk een oorzaak, als Keizer Karel haar niet
machteloos had gemaakt, de oude Gentsche democratie had ontwricht
en haar zijn eigen creaturen in een nieuwbakken regeeringsvorm had
opgedrongen?

In tal van gemoederen in Holland, Brabant en Vlaanderen hadden de
woorden van 't verzoekschrift der edelen weerklank gevonden, "dat de
Inquisitie en de plakkaeten voortaen niet geschaepen zijn, dan afkeer,
onrust, oproer met allerley jammer en 's lands ondergang te baeren."

't Was een feit, wat de Edelen des lands daar hadden uitgesproken. Wat
had de Koning van Spanje zijne erflanden dien last der Inquisitie op
te dringen, wat, de aloude wetten en costuymen in een land van goede
justicie te verderven door zijn plakkaten?

Hoe moedig was die vrouw in den dood gegaan--voor eene dwaling? Ja,
was het een dwaling?

Jacob Martens was, als de meeste ontwikkelden van zijne tijdgenooten,
wel op de hoogte van den strijd, die in en om de Kerk werd gevoerd. Zoo
hij de geschriften van Erasmus niet had gelezen, hij had er toch over
hooren spreken. Het had hem tot nog toe weinig gedeerd. De ketters,
"die van de nye leere", waren het uitschot van de maatschappij,
lieden, die, om hun slordigen levenswandel ongestoord te kunnen
voortzetten, de banden van het geestelijk gezag hadden verbroken;
dit was de gewone opvatting, die algemeen geldig was in den kring,
waarin hij verkeerde. Wat hemzelf betrof, zijn godsdienst bestond
tot dusverre in een gedachteloos nakomen van zijn kerkelijke plichten.

Maar nu hij in den laatsten tijd belang had leeren stellen in
den strijd van Oranje, Culemborg, Brederode en de hunnen tegen de
Inquisitie en de aanmatigingen van het gezag, was hij er vanzelf toe
gekomen om zich ook met de godsdienstige quaestie bezig te houden.

En toen had hij gezien, dat het begrip "godsdienst" voor vele van
die ketters heel iets anders was, dan voor hem. Dat het voor hen
een geduchte realiteit was, een hoogste goed, waarvoor alles werd
prijsgegeven, als het zijn moest. Wat was dat dan toch voor een wondere
macht, welke die vrouw uit het volk den moed gaf, zwijgend neer te
zinken in het donkere water? Wat was die godsdienst, die de moeder
afscheid deed nemen van haar kind, en den bitteren dood deed kiezen
boven het leven, het kalme, rustige leven in den schoot der Kerk?

De stem van Thierry wekte hem uit zijne overpeinzingen.

--"Wat loop je te droomen, Jacob? Je bent zoo stom, als de visschen
in de ben! Heeft die kettersche het je aangedaan?"

--"Een gruwelijk stuk! Dat die van Gent het lijdelijk aanzien!" riep
Jacob Martens, meer als uiting van zijn verontwaardiging, dan als
antwoord op de vraag van zijn metgezel.

--"Een akelig gezicht, dat erken ik," zei Thierry, die het noodig vond
een zekere onverschilligheid te veinzen, hoewel het sombere tooneel
ook op hem indruk had gemaakt. "Maar wat wilt ge? Het Heilige Officie
en Mijne Heeren van den Gerechte kunnen wel niet anders doen! Waarom
blijven die ketters zoo hardnekkig aan hunne dolingen hangen? De
plakkaten.."

--"Vermaledijd mogen de plakkaten en de Inquisitie zijn," riep Jacob
opgewonden. "Dolen de ketters, laat de Kerk ze dan onderwijzen. Dwaling
is geen misdaad!"

--"Dat klinkt Erasmiaansch, om niet te zeggen rebelsch," zei Thierry
spottend. "Goed dat de deken het niet hoort."

De ander haalde de schouders op en zwijgend vervolgde het gezelschap
zijn weg door de nu reeds drukker wordende straten. Weldra was het
huis van den president bereikt. Nauwelijks was de klopper gevallen
en de voordeur geopend, of Thierry snelde naar binnen, en naar zijn
kamer, bevreesd als hij was, dat joffer Madeleine hem in zijn nat,
bemodderd visscherspak zou zien.

Pieter de Welle had zwijgend maar met zichtbaar welgevallen naar de
hartstochtelijke woorden van zijn jonker Jacob geluisterd. Toen deze
met een vriendelijk woord afscheid nam, zei hij eensklaps:

--"Wanneer vertrekt die Brusselaar weer, jonker?"

--"Overmorgen, Pieter!"

--"Vraag dan aan den president of je met mij mede moogt gaan naar
Gentbrugge. Ik moet er een dasvarken uitgraven."

--"Een dasvarken? Ik ben van de partij!" riep Jacob.

--"Ja, een raar dasvarken!" zei de koddebeier geheimzinnig. "Ga met
mij mede, jonker! Zoo'n jacht heb je in je leven niet bijgewoond."



II.


Voor een der hooge, smalle vensters van de ruime "sale" der deftige
heerenhuizinge zijner ouders stond Jacob Martens, tegen het uur van
het noen-maal en staarde peinzend naar buiten.

Men zou in den keurig gekleeden jonker den natten, bemodderden visscher
van dien morgen niet hebben herkend. Een nauwsluitend donkerblauw
fluweelen wambuis, met nauwe, aan de schouders opgedofte mouwen, deed
zijn flinke gestalte goed uitkomen. De insnijdingen in de doffen der
mouwen lieten de witsatijnen voering zien, terwijl de korte broek,
van dezelfde stof als het wambuis, eveneens met witsatijnen linten aan
de knie was opgebonden. Verder droeg hij witzijden hozen en schoenen
van fijn Spaansch leder.

Jacob Martens staarde naar buiten, voor zoover de gekleurde ruitjes,
die de roode rozen op gouden grond uit het wapen der Vlaamsche
Martensen in allerlei schakeering vertoonden, dit toelieten. Hij keek
naar het drukke tooneel, dat de Vrijdaegsmarkt aanbood, en zeker
moesten er allerlei gedachten opkomen in het brein van den jongen
Gentenaar, als hij staarde naar dat breede, met boomen beplante plein,
waaraan zulke machtige herinneringen verbonden waren aan een groot
verleden.

Hier werden, sinds eeuwen, de "blijde inkomsten" der graven van
Vlaanderen gevierd, wanneer zij, na de privilegiën en rechten der stad
te hebben bezworen, door de trotsche mannen van Gent als heer werden
erkend. Hier hadden op den noodlottigen "kwaden Maandag" van het
jaar 1345 de machtige gilden van wevers en vollers in noodlottigen
kamp tegenover elkander gestaan en vijfhonderd slachtoffers
van dien treurigen burgertwist waren gevallen onder de geduchte
"goedendachs". Hier had, 40 jaren later, Philip van Artevelde den eed
der burgers ontvangen, toen hij ze aanvoerde tegen graaf Lodewijk,
den gehaten gunsteling van den Franschen koning. Hier was bij menig
oproer, bij menigen opstand de verzamelplaats geweest der Gentsche
burgers en er was een tijd geweest, dat de Dulle Griet van Gent, het
reusachtig kanon, dat daarginds op zijn steenen voetstuk sluimerde,
aan de vijanden van de oude stad haar donderend "halt" had toegeroepen.

Waar waren de oude dagen van vrijheid en glorie gebleven. De Gentsche
vrijheden waren verbroken door de ijzeren vuist van keizer Karel;
Vlaanderen, met de andere Nederlandsche gewesten, boog zich noode
onder vreemden dwang, en voelde de vreemde, drukkende en dwingende
hand steeds zwaarder...

Wat zou het worden? Wat zou er komen van den strijd tusschen den
koning en de edelen? Zag de jonge droomer misschien reeds het bloed
der edelste burgers van Gent, dat daar weldra zou rooken op diezelfde
Vrijdaegsmarkt?

De breede deur der sale ging open en er vertoonde zich een groepje,
dat Jacob zeker haastig zou hebben doen omzien, wanneer hij niet
zoo in zijn gedachten verdiept was geweest. 't Waren twee meisjes,
die binnen traden, van negentien à twintig jaren:


    "Sonne end mane, so vol van clementie,
    "Vol suuvere claerheit end' soet indulgentie,
    "Venus ende Juno, twee godinnen soet,
    "Vol wonderbaer gratie ende fierheyt groet!"


had een rijmelaar, een kamerbroeder van de "Fonteyne" van de beide
"volscone maechdekens" gezongen, bij gelegenheid van het zilveren
bruiloftsfeest van Mr. Willem Martens, president van den Raad van
Vlaanderen, en zulks tot groote stichting van al de gasten en van de
"volscone maechdekens" in 't bijzonder. Maar zoo 's mans gerijmel
de beide meiskens zeker geen recht deed wedervaren, het contrast
tusschen beider schoonheid had hij zeer wel opgemerkt. Clara Martens,
de dochter des huizes, een blonde Vlaamsche, was het evenbeeld van
haar broeder, die slechts een jaar ouder was dan zij. Dezelfde blauwe
oogen tintelden met zachten gloed in het goelijke, frissche gelaat
der Gentsche schoone, en het scheen of broeder en zuster elkaar
volgden tot in de keuze van de kleur hunner kleeding. Clara toch
droeg een nauwsluitend jakje of kassekijntje van blauwe zijde, met
een rok van dezelfde stof; het zieltje of "hongerlyn", dat den boezem
bedekte, was blauw satijnbrocaat van een lichter tint, met zilveren
bloempjes geborduurd, terwijl de ingesneden doffen aan de mouwen
en de ter zijde opgenomen rok een ondergewaad toonden van dezelfde
kleur als het hongerlyn. De gevulde, poezele hals werd omsloten door
een eenvoudigen, platten Duitschen kraag, terwijl de blonde haren in
twee zware vlechten om het hoofd waren gewonden.

Maar naast deze blonde schoonheid was de fiere gestalte van Madeleine
de Bette, de pupil en huisgenoot van den president, als de "sonne"
bij de "maen", zooals de kamerbroeder had gezegd. Zoo men op den
duur de frissche en goelijke Clara mocht hebben gekozen boven haar
schitterende vriendin, wie de beide meisjes bij elkaar zag, moest
geboeid worden door Madeleine's sprekende bruine oogen, door het
fijn besneden, ietwat bleeke gelaat, met dien trotschen mond, met de
volle rijpe lippen. Zij was grooter dan Clara en hare indrukwekkende
gestalte was haast te gevuld voor een meisje van haar leeftijd, maar
zeker was zij, zooals zij daar de sale binnentrad, in haar gewaad
van purperkleurige brocaatzijde een imposante verschijning. Het
ondergewaad, alsook het "hongerlyn" waren van licht geel "armosijn",
maar de stof van het laatste ging geheel schuil onder het rijke
borduursel van gouddraad. Een donkerrood fluweelen kapje, met een
juweelen bagge versierd, hield het ietwat kroezende zwarte haar in
bedwang en het schoone hoofd scheen te rusten op de plooien van een
statigen, Spaanschen kraag.

Achter de beide meisjes kwam Thierry de St. Foy, en ook hij scheen bij
deze gelegenheid een bijzondere zorg aan zijn toilet te hebben besteed
en zag er uit, zooals men van een page van den hertog van Aerschot
mocht verwachten. Thierry droeg een zwart fluweelen wambuis, met tal
van kleine gouden knoopjes op de borst gesloten en van insnijdingen
voorzien, zoo aan de mouwen als op de borst, waardoor de geelzijden
voering zichtbaar werd. De zeer korte, opgedofte broek was met
geelzijden linten bevestigd aan de lange hozen van fijn zeemleder en
de hooggehakte schoenen waren versierd met groote rosetten van geel
satijn lint. Hij droeg een fluweelen hoed, tamelijk hoog van bol
en met smallen rand, en daarin schitterde de zilveren medaille met
de afbeelding van Onze Lieve Vrouw van Halle, door zijn pompeusen,
maar dommen meester, den hertog van Aerschot, aan de aanhangers van
de koningsgezinde partij opgedrongen als partijteeken en tegenhanger
van den Geuzenpenning.

Toen het drietal den mijmerenden jonkman bespeurde, bleven zij staan,
terwijl zij een blik van verstandhouding met Thierry wisselden. Een
oogenblik hielden zij zich goed; toen barstten zij in een vroolijk
lachen uit, dat den armen Jacob verward en verschrikt deed omzien.

--"Jacques, droomer die je bent! Op wie van de schoone meiskes van Gent
dicht je wel een zoet refereynke?" riep het blonde Klaartje vroolijk.

--"Jacob is een tweede de Coninck. Hij peist op een conspiratie tegen
de Walschen. De Hoog-baljuw mag wel oppassen," grinnikte Thierry.

--"Wel neen, hij was verdiept in de beschouwing van de roode rozen
van zijn wapen, daar op 't raam," spotte Madeleine. "Hij mijmert
over de groote en glorieuse daden, die hij eens zal verrichten,
als een tweede Heer Amadis van Gaulen."

Maar Jacob had zich intusschen hersteld en was gereed den driedubbelen
aanval af te slaan.

--"'t Is oirbaar te peizen over soete jofferen en over 's lands
vrijheden," zei hij, "maar als ik schoone rozen wil zien, zoek ik ze
elders, Madeleine, en ik vind ze ook!"

Zijn bewonderende blik op de schoone jonkvrouw tegenover hem deden
een blosje rijzen op de bleeke wangen, terwijl Klaartje lachend riep:

--"Ei, wat hoffelijke jonker! Wat kan hij schoon kallen! Maar zeg,
Jacob, wanneer je zoo graag de rozen bewondert op de wangen der
joffers, waarom heb je ons, arme meiskes, dan zoo den heelen morgen
alleen in den hof gelaten? Dat is te zeggen, alleen met mijnheere de
St. Foy, die ons aangenaam heeft bezig gehouden met een beschrijving
van het toilet van de hertogin van Aerschot, op het laatste festijn
bij Mevrouwe van Parma," voegde zij er spottend bij.

Thierry beet zich op de lippen.

--"En ik had een dankbaar gehoor, want de joffers luisterden zeer
aandachtig," kaatste hij terug. "Maar ge moet den armen Jacques
vergeven, joffer Madeleine, zijn gevoelig herte is te zeer aangedaan
om te ontluiken, zelfs in den gloed van uwe schoone oogen. Hij denkt
aan de kettersche, waarvan wij dezen morgen toevallig de executie
hebben bijgewoond."

--"Een kettersche?" vraagde Klaartje.

--"Ja, een van de Doopersche secte! 't Was een pijnlijk tooneel, waarop
Mijne Heeren van den Gerechte ons zoo ongezocht vergastten. Maar 's
Konings plakkaten moeten worden uitgevoerd en het baat zeker niemand,
als wij ons zoo zoet gezelschap ontzeggen uit teerhartigheid voor
een gestrafte sectarisse."

Klaartje wierp een snellen, medelijdenden blik op haar broeder,
wiens sympathieën zij kende en waardeerde. Madeleine trok het fraai
gevormde neusje op.

--"Hoe is het, kinderen? Al bij den noen en het ammelaken nog niet
gespreid?" zeide een strenge stem.

In de deur stond de deftige gestalte van Vrouwe Martens, de moeder
van Jacob en Klaartje. De raadsheersvrouwe, in haar kleed van
fijn zwart laken, den kanten kraag om den nog gevulden hals en de
witte huive, die het gladgestreken grijze haar van voren slechts
gedeeltelijk bedekte, was een statige verschijning. Aan haar gordel
hingen sleutelring en stokbeurs, de teekenen harer waardigheid als
vrouw des huizes, benevens een rozenkrans met groot zilveren kruis,
want Vrouwe Martens was een geloovige katholieke. Haar streng gelaat,
met den vastgesloten mond en koele, grijze oogen, was meer geschikt
om eerbied en ontzag, dan om liefde in te boezemen. Toch werd haar
blik zachter, nu hij op de groep der schertsende jongelieden rustte,
en op vriendelijker toon herhaalde zij haar vraag.

--"Fy, meiskens, hoe zijt ge zoo laat? 't Is al bij den noen en het
ammelaken is nog niet eens gespreid. De president kan elk oogenblik
komen."

--"De jonkers hebben ons meiskens weer van onze taak afgehouden,
als gewoonlijk, moeder," zeide Klaartje, met een oolijken blik op de
beide beschuldigden. "Tot hun straf zullen zij helpen, de tafel aan
te rechten. Komt, heeren, maakt u nuttig en helpt ons."

En onder het besturend oog van Vrouwe Martens begonnen de beide meisjes
de lange tafel--een eenvoudig blad op stevige houten schragen--te
dekken en aan te rechten, terwijl zij Jacob en Thierry lieten draven,
aanbrengen en wegdragen wat zij noodig of niet noodig hadden, alles
onder luide verwijten over hunne onhandigheid en onbeholpenheid.

De jonker de St. Foy nam blijkbaar met hart en ziel deel aan dit
spel, veel meer dan zijn vriend, die, hoewel hij zich met zekere
goedhartigheid leende tot de plagerijen der vroolijke meisjes,
toch moeite had om niet te zeer te toonen, dat zijne gedachten
eigenlijk elders waren. Hij kon den hevigen indruk, dien hij van het
tooneel van dien morgen had ontvangen, niet van zich zetten en hij
merkte nauwelijks op, dat Thierry bijzonder veel werk maakte van de
mooie Madeleine. Hij vloog op haar wenken, nam haar spotternijen en
berispingen ootmoedig aan en antwoordde met vleiende complimentjes. De
schoone liet hem begaan en scheen niet ongevoelig voor de haar zoo
openlijk gebrachte hulde. Toch wierp zij van tijd tot tijd een snellen,
ongeduldigen blik op Jacob; het hinderde haar blijkbaar, dat deze,
anders haar gehoorzame slaaf en vurige bewonderaar, haar coquetteeren
met Thierry ditmaal niet eens scheen te merken.

Ondertusschen hadden de beide meisjes het "ammelaken" over den disch
gespreid, terwijl aan het hooge einde daarvan nog een tweede tafellaken
van fijn linnen werd gelegd: het doblet. Uit de daarvoor bestemde
"nappe" werden de servetten of "dwalen" aan het hooger einde gelegd,
naast de tinnen teljoren, terwijl de messen met hoornen heften en de
ronde zilveren lepels mede niet werden vergeten. Het zout werd aan het
boveneinde, het brood aan het benedeneinde geplaatst en daarmede was
de tafel aangerecht. Thans was de beurt aan het fraai geschilderde
buffet van "wagenschot", en het was of de raadsheersvrouwe al de
heerlijkheden van haar "dressoir" voor hare gasten wilde ten toon
spreiden, want weldra prijkte het met een fijn ammelaken bedekte
bovenblad met zilveren en tinnen bekers, kroezen en "coppetassen",
pimpels, pyntgens en cannen, terwijl twee fraaie "barils", vaatjes van
buitenlandsch hout met zilver beslag, den wijn bevatten, die straks
den dischgenooten zou worden voorgezet. Tinnen en zilveren schotelen
en plateelen stonden in rekken naast andere van fijn aardewerk.

--"Hebt ge ons niet voor een gast te veel laten dekken, lieve
moeder?" vraagde Klaartje, terwijl zij op de gedekte tafel wees.

--"Neen, kindlief," antwoordde Vrouwe Martens; "uw vader heeft juist
heden morgen bericht ontvangen, dat de raadsheer Hopperus den coadjutor
zal vergezellen."

--"O wee! Komt Ja-Mevrouw?" riep Jacob met komischen schrik.

--"Jacob!" riep Vrouwe Martens bestraffend.

De jonge man kreeg een kleur en zweeg. Hij wist, dat zijne
streng-katholieke, koningsgezinde moeder niet kon dulden, dat men
met minachting van de regeering en hare dienaren sprak. De spottende
bijnamen, door de oppositie aan verscheidene staatsdienaren gegeven,
waren haar een ergernis, en zoo de raadsheer Joachim Hopperus,
de vriend van president Viglius, zich door zijn meegaandheid en
eerbied voor de Landvoogdesse in den Raad van State den bijnaam van
"Ja, Mevrouw!" had verworven, zij duldde niet, dat die in haar huis
werd gebruikt.

Aan het oogenblik van pijnlijke stilte, dat volgde op Jacobs
onvoorzichtigen uitval, werd een einde gemaakt door het binnentreden
van den heer des huizes, Mr. Willem Martens, president van den
Raad van Vlaanderen. Wie den kloeken man, met het open, schrandere
gelaat, aanzag, behoefde niet te vragen, of hij de vader van Jacob
en Clara was. Zij hadden dezelfde helderblauwe oogen, het volle
blonde haar. Alleen de mond en de volle kin hadden iets zwaks,
iets weifelends; dat bij zijn kinderen ontbrak. Vooral Jacob had den
vastberaden mond en de vierkante, van geestkracht sprekende kin van
zijn moeder.

De president wierp een onderzoekenden blik door de "sale" en zei toen,
op den ontevreden toon van een man, die niet gaarne wacht, dat de
gasten laat waren. Hij trad naar het raam om naar buiten te zien.

Zooals president Martens daar stond, in zijn deftigen zwarten
tabberd, volgens de mode dier tijden ook in dit seizoen met een
smallen rand bont omzoomd, was hij de type van den magistraat der
16e eeuw. Minzaam en populair en toch zich zijner waardigheid ten
volle bewust, levenslustig en zelfs, als 't er op aankwam, niet
afkeerig van een "goeden, Duytschen dronk", en tegelijk een bekwaam
en schrander jurist, wiens woorden met eerbied werden aangehoord,
stond hij bij beide partijen in hooge achting.

Nog in het vorige jaar was hij met den Heer van Persijn, president
van het Hof van Utrecht en de bisschoppen Rithovius, Havet en
Homricourt--"tous gens doctes et excellens et fort suffisans," zooals
Hopperus verzekert--door de Landvoogdes naar Brussel geroepen, om te
beraadslagen over mogelijke hervormingen in leer en kerktucht en de
herziening der plakkaten. Hij had er geadviseerd tegen den zin der
invloedrijke oppositie, tegen het gevoelen der "drie heeren",--Oranje,
Egmond en Hoorne--maar hij had de achting der tegenpartij niet
verloren.

Ondertusschen scheen de president, die door de kleine, in lood gevatte
ruitjes zijn blik over de drukke Vrijdaegsmarkt liet weiden, zijne
vrienden in het oog gekregen te hebben, want met een luiden uitroep
trad hij van het venster en naar de deur der sale. Weldra meldde de
slag van den zwaren klopper de komst der lang verwachte gasten en
Mr. Martens ging zelf naar beneden, om ze in het voorhuis te ontvangen.

Een oogenblik later leidde hij ze binnen: eerst Viglius van Aytta
van Zuychim, een klein, schraal man, met lang geelgrauw haar en dito
baard en een paar slimme, diepliggende groene oogen boven bolle, roode
gerimpelde wangen. Hij was, zeker ter eere van het geestelijk ambt,
waartoe hij pas onlangs was benoemd--coadjutor van St. Bavo--in een
half wereldlijk, half geestelijk gewaad gekleed, stemmig in 't zwart
zonder eenig versiersel. Hem volgde de raadsheer Joachim Hopperus, zijn
vriend en geestverwant, die hem tijdelijk had vervangen als voorzitter
van den Geheimen Raad. 't Was een lang man, met een ernstig gelaat,
een hoog, gerimpeld voorhoofd, donkere, droefgeestige oogen en een
korten, zwarten puntbaard. Een geleerd, vroom en welmeenend man, maar
vreesachtig en beschroomd. Een trouw dienaar van het gezag, evenals
Viglius, maar eerlijker en onbaatzuchtiger dan deze; een geloovig
katholiek, doch wars van alle geweldige maatregelen en een vijand
van geloofsvervolging. Een man, die oneindig hooger stond en zijn
land en volk meer liefhad, dan de roerige, luidruchtige adel van zijn
tijd, die met groot vertoon van patriottisme een hoog woord voerde,
toen het gevaar verre was, en weldra, voor het grootste deel althans,
sidderend voor den overweldiger boog,--toch een man, wien het aan moed
en geestkracht ontbrak om veel voor zijn volk te zijn, en die bestemd
was om slechts de historieschrijver te zijn van den woeligen tijd, dien
hij beleefde, en om, na als een plooibaar, vreesachtig karakter het
gewillige werktuig te zijn geweest van een gouvernement, welks daden
hij moest veroordeelen, zijn leven te eindigen aan het hof te Madrid,
als Raad en Zegelbewaarder voor de zaken der Nederlanden,--wiens
gevoelen alleen dan werd gevraagd, als de achterdochtige Philips het
noodig oordeelde den eerlijken, maar al te plooibaren ambtenaar te
gebruiken, om zijn ware bedoelingen te verbergen.

Vrouwe Martens ontving hare gasten met statige hoffelijkheid, getemperd
door Vlaamsche gulheid.

Madeleine, Clara en Jacob, die zich bescheiden op den achtergrond
hadden gehouden, begroetten vol eerbied de beide staatslieden, waarvan
hun vader en voogd steeds met waardeering en hoogachting sprak, en
Thierry de St. Foy maakte zijn buiging met al den hoofschen zwier,
dien hij van de Spaansche en Waalsche edellieden in de omgeving van
de Landvoogdes had afgezien.

Na eenige onbeduidende opmerkingen over het weder en de reis, zette
men zich aan tafel. De oudere leden van het gezelschap namen plaats
aan het hooger eind op lage met leder bekleede stoelen met hooge
ruggen, de jongelieden zetten zich aan het lager einde op met tapijt
bekleede banken.

Nadat de "nappe" met frisch water was rondgegaan en allen de vingers
aan het fijne "dwale" hadden afgewischt, werd het eerste gerecht,
bestaande uit een salade van latuwe, zwijgend genuttigd, daar de
dienstboden nog af en aan liepen. Alleen deelde Hopperus op een
vraag van de gastvrouw mede, dat zijn bezoek een afscheidsbezoek
mocht heeten. Alle aanwezigen wisten, dat de raadsheer binnenkort
naar Spanje zou vertrekken, als opvolger van de Tisnacq, om aan het
Hof te Madrid den post van Groot-Zegelbewaarder en Raad voor de zaken
der Nederlanden te gaan bekleeden.

Het tweede gerecht, bestaande uit een gebraden osserib, met een
potagie van bereide varkenspooten, schotels warmoes en grauwe erwten,
werd opgedragen. De tinnen kroezen, waarin anders het bier, dubbel
Leuvensch of Utrechtsch bruin, werd geschonken, bleven thans ongebruikt
op het dressoir staan. Vrouwe Martens schonk haar aanzienlijke gasten
edeler drank: uit de beide fraaie "barils" vloeide de wijn, Fransche
"claret" of "malveseye" in de zilveren of fijn houten met zilver
beslagen bekers.

Zoodra het hoofdgerecht was opgedragen en de dienstboden zich hadden
verwijderd, opende president Martens het gesprek over het onderwerp,
dat aller harten en hoofden bezighield: het compromis der edelen, hun
smeekschrift en de houding der regeering tegen dit stoute optreden van
den adel. Het was algemeen bekend, dat de "Moderatie" der plakkaten,
door Viglius en Barlaimont ontworpen in afwachting van de koninklijke
goedkeuring, aan de Gewestelijke staten waren toegezonden, maar dat
men zich met het voorstel weinig ingenomen had getoond.

Het gesprek werd beurtelings in de landstaal en in het Fransch gevoerd.

--"Het is voorwaar voor allen, die het wèl meenen met den lande
en onze Heilige Religie, te hopen, dat Madame zich geen vreeze
late aanjagen door de Heeren--"gueux" noemen ze zich immers? wel
terecht!"--zeide Vrouwe Martens met een strengen trek om den harden
mond. "Deze ketterijen--sectes dampnables et réprouvées--zijn de
oorzaak van alle troebelen in den lande."

Hopperus bewoog zich zenuwachtig in zijn ruimen zetel heen en weer. Hij
was een geloovig katholiek en een gehoorzaam zoon der kerk, maar
ketterjacht en Inquisitie stuitten hem tegen de borst. Hij droomde
van een hervorming in den boezem der kerk, van een vernieuwing van
haar geestelijk leven, waardoor zij de afvalligen en ongehoorzamen
weer in haar schoot zou verzamelen.

Viglius nam op zich de strenge vrouw te beantwoorden.

--"In trouwe, Vrouwe Martens," zei hij, met de sluwe, doordringende
oogjes knippend, "als Madame slechts doen kon, wat zij wilde! Maar
voor 't oogenblik zijn de Heeren haar te machtig en is de gemeente
te woelig. Het ware thans niet geraden, met geweld te weerstreven. En
zoo het slechts de heeren alleen waren! Zoo er geen ander zich achter
hen verschool!"

--"Gij meent, dat de prince van Oranje?".... vraagde de oude Martens.

Viglius knikte veelbeteekenend.

--"Hij beweert, niets van het Compromis te weten, en het af te keuren,"
vervolgde hij. "Alsof zijn broeder, Louis van Nassau, iets zou doen
zonder hem! Alsof Brederode, Culemborg en van den Bergh alleen dit
spel zouden durven spelen."

--"Maar het zijn niet de edelen, die te vreezen zijn," ging hij na
eenige oogenblikken voort. "Wat de vijand is, dat is de ongehoorzame
en rebelsche geest dezer landen, die geen meester wil erkennen. Ieder
is zijn eigen meester! Ieder gewest, elke stad, heeft zijne vrijheden
en rechten en denkt slechts aan zijne belangen en niet aan die des
konings en van den lande. Als de koning herwaarts komt, dan zal het
slechts zijn om zijn erflanden te brengen tot één bestuur, onder
eenzelfde wet. Eén koning, één religie, één wet! En daartoe moeten
alle trouwe dienaren en onderdanen krachtig medewerken."

En wat Viglius zeide, meende hij. Hij was de man der monarchie. Hij
verdedigde de belangen van zijn meester, den koning van Spanje--al
vergat hij daarbij zijn eigen belangen niet!--maar hij meende toch
in oprechtheid zóó ook zijn vaderland te dienen. De toestand der
Nederlandsche gewesten leek dezen strengen jurist een toestand van
anarchie en willekeur en hij wenschte een vast bestuur en eerbied voor
de wet. Hij vond een bonte verscheidenheid van zeden en gewoonten,
van rechten en belangen, soms van de meest tegenstrijdige, en hij
wilde éénheid, eenheid en eendracht. Jammer maar, dat hij zich geen
anderen weg kon denken om zijn schoone gedachte te verwezenlijken, dan
de weg van het absolutisme, van het van boven opgelegde. Een eenheid,
die opgroeien, die zich ontwikkelen zou uit die bonte verscheidenheid,
de gedachte was hem te hoog; hij wilde zijn ideaal bereiken, door die
woelende, bonte massa--een volk in wording--te wringen in den vorm,
zooals hij en zijn meester dien hadden uitgedacht.

Viglius' uitval had op de aanwezigen een zeer verschillenden indruk
gemaakt. Vrouwe Martens knikte goedkeurend, met gefronst voorhoofd en
streng toegeknepen lippen. De president bewoog zich onrustig op zijn
stoel heen en weer: hoe koningsgezind hij ook heette, hij kon soms niet
vergeten, dat hij een vrije Vlaming en een Gentenaar was. Hopperus
keek zijn kloekeren vriend vol bewondering aan. Thierry de St. Foy
luisterde met een voornaam glimlachje en stiet Madeleine eens aan,
terwijl hij met een knipoogje naar Jacob wees, die den spreker met
fonkelende oogen en een blos van ergernis op de wangen, zat aan te
staren. Zijn eerbied voor zijne ouders en de beide deftige staatslieden
weerhield hem nauwelijks, zich in het gesprek te mengen. Clara keek
met eenige onrust naar haar broeder, terwijl de fiere Madeleine zich
blijkbaar ergerde.

--"Wat zou de adel toch ten slotte bedoelen, met dat ijveren
tegen de plakkaten en de Inquisitie en dat tegenwerken der nieuwe
bisschoppen?" vraagde president Martens. "Wat willen de Heeren toch
bereiken?"

Viglius lachte schamper.

--"Dat zouden de Heeren misschien zelve niet weten te zeggen," zeide
hij. "Er zijn zeer verscheiden stroomingen onder, voorwaar! Daar
zijn de oudsten en machtigsten, wien het leed is, dat de Koning
zijne raadslieden kiest, en de hooge ambten niet wegschenkt aan de
Nederlandsche Heeren, omdat ze een wijd-klinkenden naam dragen. Daar
zijn de loshoofden en roekeloozen, die vreezen voor de tucht der
geestelijkheid, als er goede en heilige mannen op den bisschoppelijken
stoel zitten. Daar zijn de loozen en eerzuchtigen, die in troebel
water denken te visschen en dan ten slotte de groote hoop, de jonge
Heeren, die allen bezield zijn door een geest van pestilente rebellie
en oppositie tegen het gouvernement. Zij spelen met vuur, die dwazen,
en zij verleiden het volk, dat op hen steunt en rekent en waarover
zij nog een zee van jammer en ellende zullen brengen."

En weer zag Jacob Martens den spreker aan met een blik van weerzin
en ongeloof. Het kon niet waar zijn! Die mannen, die daar te Brussel
pal hadden gestaan voor de vrijheden des lands, zouden slechts een
bende eerzuchtigen, intriganten en oproermakers zijn! Onmogelijk!

Hij hoorde, hoe de grijze staatsman, terwijl de jongere leden van
het gezelschap een eerbiedig stilzwijgen bewaarden, de voornaamste
leden van het Verbond der Edelen besprak en daarbij vooral hun
"chronique scandaleuse" niet vergat, want de oude Viglius was geen edel
tegenstander, aanvallen van persoonlijken aard waren in die dagen aan
de orde van den dag en de zeden van den adel gaven maar al te veel stof
aan een booze en scherpe tong,--ook al waren die van de partijgenooten
van den spreker niet beter, al waren de Croys om hun zedeloosheid
berucht en al was Granvelle's leven lang niet onberispelijk geweest.

--"En de gemeente? Vreest ge geen woelingen onder het volk?" vraagde
de oude Martens. "Men zegt, dat het weder te Antwerpen zeer roerig
toegaat, en dat het Consistorie van die van de Geneefsche ketterije
zich krachtig weert."

--"De gemeente vermag niets, zonder den adel, waarop zij steunt en
die haar beheerscht," zeide Viglius, een der gezegden bezigend uit
zijn befaamde toespraak tot het kapittel der Vliesridders. "En als
wij de edelen onderwerpen, volgen de "cleyne luyden" vanzelf."

En de Geschiedenis heeft den kortzichtigen staatsman in het ongelijk
gesteld. Zijne partij heeft den adel onderworpen. Binnen weinige jaren
zouden de Heeren, die thans zoo fier en stout zich kantten tegen het
gezag, en vrijheid eischten, vrijheid des gewetens bovenal, voor
een deel vreesachtig het hoofd hebben gebogen, en voor een ander
deel als verraders en afvalligen in Spaanschen dienst diezelfde
vrijheid bestrijden, terwijl slechts enkelen trouw bleven aan de
goede zaak. Maar de "cleyne luyden", de burgers en boeren, bogen niet
en werden niet afvallig! Thans gloeide en smeulde het vuur onder de
asch: als de vlam zou uitslaan, dan zouden absolutisme en Inquisitie
in dien gloed verteren!

--"De Martinisten, die van de Augsburgsche confessie," doceerde Viglius
weder, op een vraag van Vrouwe Martens, "zijn minder te vreezen in
zaken van politiek. Zij mogen een gereprouveerde secte zijn, sinds zij
zich met de Duitsche vorsten verdroegen, zijn zij minder geneigd tot
rebellie. Er zijn er zelfs onder ons, die zich met hen zouden willen
verdragen, al zal de Koning hierin nimmer toestemmen. Maar die van
de Geneefsche ketterije, die men Sacramentarissen of Gereformeerden
noemt, en die het Heilig Sacrament der Misse ten eenenmale verwerpen,
zijn gevaarlijke sectarissen, die groeien in de perturbatie van den
lande. Zij worden steeds stouter en driester, en naar ik heb hooren
verluiden, vervorderen zij zich geheime conventikelen te houden,
waar hunne predikanten leeren en zelfs doopen. Deze secte neemt,
zoo hier als in Brabant en Holland, onrustbarend toe, ondanks de
plakkaten en de bemoeiïngen der Eerwaarde Heeren Inquisiteuren."

--"Zou het niet beter zijn," waagde Hopperus schuchter, "dat men niet
zoozeer onderscheid maakte tusschen Christenen en Christenen, en dat
men die van de nieuwe religie van dolinge zocht te overtuigen! En
zouden geestelijken en klerken niet beter door een heiligen en
godzaligen wandel dan door vier en zwaard de dolenden in den schoot
der Kerke terugbrengen?"

--"In trouwe, neen!" barstte Vrouwe Martens heftig uit, terwijl een
blos van ergernis hare bleeke wangen kleurde. "Wat zou men zachtheid
met de ketters gebruiken, die moedwillig aan hunne dolingen blijven
hangen? Zij verwerpen boosaardiglijk de leer der Heilige Kerke en
hare geestelijke banden om te kunnen leven in vuige bandeloosheid.


    "Der heyligher Kercken goedertieren lasten
    "Versmaet Luther met sijnen ondieren gasten!"


zooals het vrome maagdeken, Anna Byns, tot Antwerpen, in haar suverlyck
boeksken zegt. En wat de weinigen aangaat, die in onwetendheid dolen,
het is voor hunner ziele zaligheid, zoo zij hier smarte lijden en
zoo hunne zielen van de helsche straffen bevrijden."

Een oogenblik van pijnlijke stilte volgde op dezen uitval. Hopperus
zweeg verlegen, want Viglius wierp hem een bestraffenden blik
toe. Jacob staarde peinzend voor zich uit. Weer zag hij voor zich het
bleeke, berustende gelaat der veroordeelde ketterinne, de ernstige
strakke gezichten der omstanders, blijkbaar hare geloofsgenooten:
dat waren voorzeker geen "ondiere gasten", die de geestelijke tucht
verwierpen om ongestraft te kunnen zondigen. Hij wist ook wel, hoe de
"nieuwe leer", vooral die, welke zijne moeder de Geneefsche ketterije
noemde, uit Noord-Frankrijk over de grenzen gedrongen, overal ingang
vond; hoe de ketters in de Vlaamsche steden en op het platteland
bij duizenden gevonden werden. Wat was dan toch die vreemde macht,
welke die eenvoudige menschen noopte een godsdienst te belijden,
die hun slechts ellende en dood kon brengen. En of zij dwaalden
of niet--waarom mochten de vrije mannen en vrouwen van Vlaanderen
niet denken en gelooven, wat zij wilden? En wanneer hij dacht aan de
woorden van president Viglius, den trouwen steunpilaar der regeering,
dan begreep hij, dat men te Brussel slechts tijd wilde winnen, en dat
de Koning aan de wenschen van zijn Nederlandsche onderdanen nimmer
zou toegeven.

Maar het "tweede gerecht" was geëindigd; de "nappe" met de "dwale"
ging weder rond om de gasten in de gelegenheid te stellen, de vingers
te reinigen, de "natuurlijke vorken", waarmede zij gegeten hadden,
en de "naedisch" werd opgedragen, bestaande uit "frituyren ende
gebacken", "een gedopte taert" en eenige schotels met kleiner gebak,
"roffiaelen, St. Jacobsschelpen en wafelen", de triomf van Vrouwe
Martens. Vruchten, kaas en suikerconfijt, "om de maag te sluiten",
vormden het slot van het nagerecht, waarbij "Rhijnsche wijn" werd
gedronken uit groene glazen fluiten.

Thierry de St. Foy kon, ondanks zijn gewijde medaille, niet nalaten bij
deze gelegenheid een zijner booze pagestreken uit te halen. Met een
uitgestreken gezicht en hoofschen zwier bood hij den ouden Viglius
een schaal met oranjeappelen aan, en merkte schijnbaar niet op,
dat de grijsaard, bij zijn stugge weigering, rood werd van ergernis.

President Martens wierp een ontevreden blik op zijn onbescheiden gast:
hij en alle aanwezigen begrepen de booze bedoeling zeer wel, want het
was algemeen bekend, hoe gespannen de verhouding was tusschen Viglius
en den prins van Oranje sedert de stoute redevoering van den laatste
in den Raad van State, in het late najaar van 1564. De anders zoo
voorzichtige Oranje had bij die gelegenheid stoutelijk uitgesproken,
dat hij, "hoewel hij had voorgenomen de katholieke religie aan te
hangen, nochtans niet goed kon vinden, dat de Prinsen gebied willen
voeren over de gemoederen der menschen en hun de vrijheid des geloofs
en der Religie willen benemen." En Viglius had zich dien stouten aanval
tegen het gezag zoo aangetrokken, dat hij na een slapeloozen nacht des
anderen daags door een beroerte was overvallen. Geruimen tijd had hij
zijn ambt niet kunnen waarnemen en Hopperus had hem moeten vervangen.

Het "noenmaal" was nu afgeloopen, en, op verzoek van den gastheer,
had Viglius, in zijn nieuwe geestelijke waardigheid, de "benedijst"
uitgesproken.

Terwijl de oudere leden van het gezelschap nog bijeenbleven, om het
gesprek over het onderwerp van den dag voort te zetten, gingen de
jongelui naar een ander vertrek, om er te spelen met de "plombeelen",
looden schijven, die met een soort kolven over een daartoe ingerichte
tafel werden voortgeschoven. Na een poosje scheen het spel de schoone
Madeleine te verdrieten; zij wierp haar kolf weg en liep den hof in en
Jacob volgde haar, onder voorwendsel, dat zijne weêrpartij hem in den
steek liet en dat hij haar moest gaan halen. Ook Thierry zou gaarne
het spel hebben gestaakt, maar Klaartje, die de bedoeling van haar
broeder uitstekend begreep en hem als een trouwe zuster wilde helpen,
liet er hem geen gelegenheid toe, terwijl zij er lachend op aandrong,
dat hij de partij met haar zou uitspelen. Uit beleefdheid tegenover
de dochter des huizes dorst hij niet weigeren.

Het duurde een poos, voor Jacob in den vrij uitgestrekten hof zijne
schoone gevonden had. Eindelijk zag hij het purperen kleed tusschen
het groen doorschemeren. Madeleine de Bette stond bij een rozenperk
en ontbladerde achteloos een vroege Juniroos. Toen de jonge man haar
naderde, wendde zij zich als ongeduldig af.

--"Dat is niet mooi van je, Madeleine, dat je ons zoo in den steek
laat," zeide Jacob schuchter.

--"Als de jonkers het gezelschap van ons meiskes niet op prijs stellen,
doen wij beter hen aan hun lot over te laten en zelve troost te zoeken
in de eenzaamheid," zeide de schoone spijtig.

--"Ge hebt u anders over de jonkers niet te beklagen, joffer
Madeleine," antwoordde Jacob, thans op zijn beurt geprikkeld. "Thierry
de St. Foy heeft u den ganschen dag het hof gemaakt en het scheen u
wèl te bevallen!"

--"Hij heeft althans aan het Hof te Brussel hoofsche manieren
geleerd en weet, hoe met de joffers te kouten," zei Madeleine met
een zijdelingschen blik, "'t ware te wenschen, dat onze Vlaamsche
jonkers wat bij die van Brabant ter schole gingen."

--"Ze behoeven er althans geen trouwe te leeren, zooals voor Vlaamsche
meiskes wel noodig schijnt," riep Jacob, nu ernstig boos. "Ik laat
u dan maar aan uwe gepeizen over de galante Brabantsche jonkers,
joffer Madeleine."

Het meisje zag hem even lachend na, terwijl hij met groote stappen
het tuinpad opliep.

--"Jacques!" riep zij toen.

De jonge man keerde zich om. Er lag een uitdrukking van zachtheid
en teerheid op het gelaat der fiere jonkvrouw. Hare donkere oogen
lachten hem toe. Hij vloog op haar toe en vatte hare beide handen.

--"Niet boos zijn, Jacques!" vleide zij. "Je moogt niet jaloersch
zijn! Maar waarom ben je ook zoo stil en ingetrokken vandaag? Is dat
nu al om die gevonniste ketterin?"

--"Dat kun je niet begrijpen, Madeleine!" zei Jacob ernstig. "Ik wou,
dat ik 't je zeggen kon, wat mij beweegt, maar...."

--"Nu, en dat wil ik ook niet begrijpen," zei het meisje
ongeduldig. "Al dat praten over zaken van politiek en religie vind
ik vervelend. Dat is goed voor je vader en den ouden president. Maar
zeg mij eens, Jacques, hoe lang zul je nog te Leuven studeeren?"

--"Nog twee jaren, vóór ik magister ben," zei Jacob. "Een eeuwigheid,
Madeleine!"

--"En dan vraag je je vader om je een post te bezorgen te Brussel,
Jacques! Ik hunker naar Brussel, als Thierry van die feesten
vertelt. En men zal je gaarne zien aan het hof van Madame!"

Een wolk trok over het voorhoofd van den jongen man.

--"Een post bij de regeering!" zeide hij. "Vóór dien tijd kan er veel
gebeuren, Madeleine, en..."

--"Maar niets tusschen ons toch, Jacques," fluisterde het meisje,
en zag hem diep in de oogen.

Jacob sloeg in vervoering zijn arm om haar slanke leest. Zij weerde
hem niet af.

Toen de twee jongelieden na een poos weder aan de "plombeeltafel"
verschenen, droeg Jacob een roode, half ontloken Juniroos in zijn
wambuis. Hij was het verdere gedeelte van dien dag bijzonder opgewekt,
terwijl Thierry nu op zijn beurt verdrietig en gemelijk was.



III.


Eenige dagen later, op een schoonen Junimorgen, bevond Jacob Martens
zich met Pieter de Welle even buiten het Vrije van Gent, op den
weg naar Oudenaerde. Thierry de St. Foy was weder naar Brussel
vertrokken en had zijn best gedaan, om in de laatste dagen van zijn
verblijf te Gent bij het gezin Martens en inzonderheid bij de beide
meisjes, een aangenamen indruk achter te laten van zijne hoffelijke
persoonlijkheid. Jacob wilde het zich niet bekennen, maar hij was in
zijn hart blijde, dat de page van den hertog van Aerschot vertrokken
was. Het welgevallen, waarmede de meisjes, en vooral Madeleine,
luisterden naar de verhalen en complimenten van den hoofschen jonker,
was aan die stemming niet vreemd, maar toch was er ook een edeler
oorzaak voor de verkoeling van zijn vriendschap. Thierry was de
dienaar van het huis Croy, de page van Aerschot, het hoofd der
regeeringspartij. Hij was een ijverig aanhanger der regeering, en
daar hij wel wist, dat ook de president en vooral Vrouwe Martens door
en door koningsgezind waren, en het streven der edelen, der Geuzen,
zooals het toen reeds heette, verfoeiden, verzuimde hij niet, steeds
zijn gehechtheid aan koning en kerk duidelijk te doen uitkomen. Hij
had er een boosaardig vermaak in gevonden, den armen Jacob, wiens
nationale en vrijheidlievende sympathieën voor zijne huisgenooten
geen geheim waren, in tegenwoordigheid zijner ouders te prikkelen
tot tegenspraak, tot verdediging van hen, die de maatregelen der
regeering, vooral de vervolging om des geloofs wil, bestreden, en de
toornige uitvallen van den president, de harde en strenge woorden
der moeder tegen den zoon, die zijn medegevoel voor de rebellen en
ketters niet verborg, het minachtend glimlachje van Madeleine de Bette,
wanneer zij sprak over Jacques' liefde voor 't vileijn gepeupel, waren
naar het hart van den Brabantschen jonker. Zoo ontstond tusschen de
vroegere vrienden eene verwijdering, dezelfde verwijdering, die in
die droeve dagen bestond tusschen betrekkingen en vrienden, tusschen
landgenooten en bloedverwanten, en die weldra zou aangroeien tot een
onoverkomelijke klove.

En ondertusschen hadden Jacobs denkbeelden en sympathieën zijn
bezorgden vader aanleiding gegeven, om zijn zoon, bij het toenemen
van den oproerigen geest in Vlaanderen en Brabant, nog niet naar de
universiteit te Leuven te doen vertrekken, maar hem terug te houden
te Gent.

En zoo was Jacob Martens thans, in plaats van zich bezig te houden
met het Romeinsche recht, met Pieter de Welle, den koddebeier, op het
pad naar Gentbrugge, waar president Martens inderdaad bouwlanden en
bosschen bezat, om, zooals de Welle hem had beloofd, een "dasvarken"
uit te graven.

Jacob had de uitnoodiging van den beier in vollen ernst aangenomen. De
jacht op den das was in heel Duitschland en ook in de Nederlanden een
geliefkoosd vermaak bij de gezellen van St. Huibert, wanneer de jacht
op hazen en hoenders gesloten was,--want verordeningen en plakkaten
om het wild te beschermen bestonden er toen als nu. Meester Grimbaert
was echter, evenals zijn neef, de vos, buiten de wet gesteld. Hem
mocht men te allen tijde vervolgen. Wanneer zijn hol was ontdekt,
werd hij met dashonden door de gangen zijner woning naar den "ketel"
gedreven, het ruime, ronde hol, dat zijn eigenlijk verblijf was. Dààr
hield hij stand, om zich met zijn geduchte klauwen tegen zijn keffende
belagers te verdedigen. Hoorde de jager, aan het aanslaan der honden,
diep onder den grond, dat de das tot staan was gebracht, dan werd
het hol met spaden opgegraven en het arme dier met de dasvork,
een lansijzer in den vorm van een kurketrekker aan een langen stok,
gespiest en uit zijn hol getrokken.

--"Waar is het hol, Pieter?" vraagde Jacob.

--"In het Oudegeester bosch, achter Gentbrugge," antwoordde de Welle,
geheimzinnig lachend. "Je zult vandaag een jacht hebben, jonker, zooals
je nog nooit hebt gehad. Maar we gaan eerst naar mijn huis. Mieke
zal wel een bol brood met kaas en een nap wei voor ons hebben."

--"Durf je je mooie dochtertje zoo maar alleen thuis laten,
Pieter?" vraagde Jacob. "Je bent zoo dag en macht op het pad. En
zeker zijn er wel vrijers, die op het mooie meiske loeren."

--"Mieke is een goed en vroom kind," zeide de koddebeier. "Sinds hare
moeder--God hebbe haar ziel--van mij werd weggenomen, heeft zij mij
geen uur van zorg gegeven. En zoo daar al rauwe kornuiten mochten
zijn, die het haar lastig zouden willen maken, dan weten zij wel,
dat Pieter de Welle een stevige kodde voert."

Een poosje gingen beiden zwijgend verder. Jacob had opgemerkt, dat
de Welle, toen hij zijn gestorven vrouw herdacht, geen kruis had
geslagen. Zijn oog viel verder op het eikelkapje in de kaproen van
zijn metgezel en hij dacht aan diens houding bij de terechtstelling
der ketterinne buiten de poort en de bewering van Thierry de St. Foy,
dat de koddebeier het herkenningsteeken der Geuzen droeg. Hij had
er den man gaarne naar gevraagd, maar hij durfde niet. Hoe kon men
iemand vragen, of hij behoorde tot die van de "nye leere", in die
dagen, toen ketterij een halsmisdaad was?

Met eenige verwondering merkte Jacob Martens op, dat het op de
landwegen niet zoo stil en eenzaam was als hij gedacht had. Er waren
veel voetgangers en ongewoon veel huifkarren. En door de stille
morgenlucht kon men in de verte, op de breede kleiwegen, het geroep
der voerlieden en het kletsen en knallen der zweepen vernemen.

--"'t Is druk van morgen," merkte hij op, "is er ergens in de buurt
een kermis of doelfeest?"

Pieter de Welle schudde geheimzinnig het hoofd. Zijn gerimpeld gezicht
stond strakker dan ooit.

Men bereikte de woning van den koddebeier; een kleine boerderij, ter
zijde van den weg. Op het oogenblik, dat zij het erf betraden, kwam er
een jonge man uit het huisje, in de gewone kleeding van een Vlaamschen
boer, maar met een zwaren kruisboog onder den arm. Zoodra hij de Welle
en diens metgezel zag, bleef hij een oogenblik als verlegen staan. De
boschwachter van zijn kant uitte een half gesmoorde verwensching, en
zijn kodde steviger vattende, trad hij dreigend op den jongeling toe.

--"Wat moet jij hier?" vraagde hij barsch.

De jonge boer had de dreigende beweging van den boschwachter gezien
en juist dat gebaar scheen hem moed te geven. Flink keek hij den
toornige aan met een paar levendige blauwe oogen, die flikkerden van
stoutmoedigen levenslust.

--"Maak je maar niet boos, de Welle," zei hij luchtig. "Ik heb Mieke
maar om een dronk water gevraagd. Dat zul je toch een vermoeiden
wandelaar, die heel van Poperingen komt loopen, niet weigeren."

--"Ik wacht geen stroopers als gasten in mijn huis!" was het norsche
antwoord.

--"Is het dat?" En de jonge man keek lachend naar zijn armborst. "Om
een paar hazen en hoenders, die aan niemand toebehooren, zou je
een flinken borst je huis ontzeggen! Maar wees content, man! Ik kom
niet om je hoenders. Als ik heden schieten moet, wat God verhoede,
dan zal het zijn op ander wild!"

--"Jij, Daniël, je zoudt hier zijn om...?"

--"Om dezelfde reden als jij, de Welle. Ik weet, hoe het met je
gesteld is, man!"

Hij wees op het eikelkapje in de muts van den boschwachter. Toen
haalde hij van onder zijn kiel een houten napje te voorschijn, dat
hij aan een koord om den hals droeg.

--"Zie hier!" zei hij; "dat heb ik van een nobelen heer tot Poperingen
gekregen. Vive le Geus is nu de leus, de Welle, en je moet een vriend
er niet zuur om aanzien, al heeft hij je vroeger wel eens bij den
neus gehad en soms een haas geschoten op het goed van den president."

De koddebeier wierp een schuwen blik op Jacob Martens, die zwijgend
en aandachtig luisterde naar het gesprek.

--"Jij een Geus, Daniël? Jij van de nieuwe religie?" zei hij eindelijk
ongeloovig.

--"Van de nieuwe religie?" zei de ander luchtig, "wel, Pieter, ik
vreeze, dat het met mijn religie nog een schrale bestelling is. Maar
toch zeg ik," ging hij ernstiger voort, "al ben ik maar een losse
en ruwe kwant, die geuzenpredikanten hebben meer te zeggen dan onze
pastoor en de dikke monniken van de abdij te zamen, en als ik nog
eens als een goed Christen mocht sterven, dan zal het in hunne leer
en religie zijn."

--"'k Mag het lijden," zeide de Welle droog, "maar Daniël Tistz., houd
het je voor gezegd: zoolang je niet als een goed Christen wilt leven,
duld ik je niet op mijn erf en bij mijn dochter, Geus of geen Geus!"

En hij maakte een veelbeteekenend gebaar.

--"Nu, ik ga al," zei de strooper schouderophalend. "Straks zullen we
elkander wel zien! En pas maar op, de Welle. Je zoudt nog wel eens
om Daniël kunnen roepen, als de bloedhonden van den deken Titelman
het in den neus kregen, dat jij noch Mieke de misse meer bezoekt!"

En zijn armborst met lossen zwier over den schouder werpende,
verwijderde hij zich, na een lichten, doch niet onbeleefden groet,
terwijl hij uit volle borst een verboden liedje aanhief:


    De Monniken in 't Monniken Convent
    Die waren tot sterken drank gewent,
    Sy hadden drie groote kannen,
    Die hadden namen als mannen.
    De eene hiete Huigemond,
    De tweede hiete Maekeblij,
    De derde hiete Drinkom!


De koddebeier zag hem hoofdschuddend na.

--"Een losse kwant, jonker," zei hij. "Hij is meer in de taveerne en
bij het verkeerbord dan op het land en aan zijn werk. Jammer van den
jongen, want hij is een wakkere gast, en, dat moet men hem laten,
een goed schutter. Hij heeft al driemaal op 't Doelfeest van het
gilde te Poperingen de duif van den paal geschoten."

--"En hij heeft een goed oog op je Mieke?" vroeg Jacob.

--"Daar kan niets van komen," zei de Welle beslist. "Een strooper,
een drinker en een tuischer! En een eerlijk mans kind! Die passen
niet bij elkander."

Ze traden de woning binnen, waar zij door Mieke, een mooi, blozend
Vlaamsch boerinnetje, werden ontvangen. Het meisje groette Jacob met
zekere gemeenzaamheid: ze kenden elkander van hun vroegste jeugd en
hadden als kinderen samen gespeeld. Met een schuchteren blik en een
hooge kleur zag ze echter op tot haar vader: blijkbaar vreesde ze,
dat deze boos zou zijn om het bezoek van den jongen Daniël.

--"Wat deed die kwant weer hier, Mieke?" vroeg de Welle, inderdaad
barsch genoeg.

--"Hij was in de keuken, voor ik er op verdacht was, vader," antwoordde
het meisje met neergeslagen oogen. "Hij was moe en warm, en vroeg om
een dronk water."

--"En die kon je hem niet weigeren? 't Is wel! Alevel, denk er om,
dochter, dat er niets mag zijn tusschen u en dien loshoofd en dat ik
zulke rauwe kornuiten niet op mijn erf wil zien."

Het meisje boog het hoofd en deed moeite om haar tranen te
verbergen. Blijkbaar dacht zij gunstiger over den koenen boogschutter
dan haar strenge vader.

De Welle keek zijn dochter een oogenblik ontevreden aan, maar hij wilde
in de tegenwoordigheid van den zoon van zijn meester niet verder op
de zaak ingaan.

--"Kom, Mieke," zei hij, niet onvriendelijk, "wij zijn óók warm en
moe. Geef den jonker een nap melk, of wei, zoo 't hem lust en breng
ons brood en zuivel, want 't kan heden lang duren, voor wij weer
iets over de lippen krijgen. En maak je dan klaar, om mede te gaan,
kind. Je weet, waarheen."

--"Ja, jonker," ging de koddebeier voort, toen Jacob hem met een
verwonderden blik aanzag, "'k zal 't je maar zeggen. Met dat dasvarken
is het niets. 't Was louter een list, om je mee te krijgen. Maar nu
zul je toch weten, wat hier staat te gebeuren en dan kun je zelf
toezien, of je wilt gaan of blijven. Want zie, ik zou niet gaarne
willen, dat je door mijn toedoen in moeilijkheid kwaamt en 't is ook
niet goed iets tegen het geweten te doen. In hoeverre je hierin je
ouders moet gehoorzamen, jonker Jacob, moet je met God den Heere en
je geweten uitmaken."

--"Toen ik je zag, laatst bij de haven, toen die arme Doopersche
werd verdronken en toen ik je hoorde spreken tegen dien Brusselschen
jonker," vervolgde de Welle, "dacht ik bij mijzelf: Onze jonker heeft
ook al lang genoeg van de papistische bijgeloovigheden, en als hij
maar de Evangelische waarheid mocht vernemen, zou zijn hart er dra
voor geopend zijn. En nu, jonker Jacob, kort en goed: we gaan hier
straks ter preeke! Een dienaar des Woords zal hier de verstrooide
leden der ware kerke Gods komen stichten. Indien je wilt, kun je
komen en hooren."

--"Ik ga mede!" riep Jacob driftig. "Reeds lang wilde ik gaarne hooren,
wat die van de nieuwe religie leeren."

--"Nu dan, maak haast met je maal, want het wordt tijd," zei de
Welle. "En de Heere God opene je ooren, om de waarheid te verstaan."

Mieke trad binnen, gereed om te vertrekken. Trots het zachte
weder en hoewel er geen regen dreigde, had het meiske haar huik
omgehangen. Jacob begreep den voorzichtigheidsmaatregel. Het
lange, vormlooze regenkleed kon, als 't noodig was, voor vermomming
dienen. Hij huiverde even, toen hij dacht aan den stervensblik der
Doopersche; wat waagden deze eenvoudigen voor hun godsdienst!

Ze traden naar buiten en sloegen den weg naar Gentbrugge in. De
levendigheid en de drukte op de wegen was nog toegenomen, 't
Was inderdaad, of er in het dorp een kermis of een doelfeest zou
worden gehouden, zoo groot was de toeloop uit de naburige steden en
dorpen. Maar de drukte was van een geheel anderen aard. Geen gelach,
gezang of gejoel werd gehoord. Zwijgend en ernstig gingen ze voort,
die Vlaamsche boeren en burgers, die, spijt plakkaten en Inquisitie,
daar heen trokken, om Gods Woord te gaan hooren, en die om dat Woord
te hooren wellicht vrijheid en leven gingen wagen.

Een dof gerucht, een verward gegons van stemmen, toonde aan, dat men
de vergaderplaats naderde, en bij een bocht van den weg zag Jacob
Martens die plotseling voor zich. 't Was een groote weide, door den
eigenaar zeker voor dit doel afgestaan. Van voren was zij door een
vrij breede sloot van den weg gescheiden, terwijl ze aan drie zijden
omringd was door bosschen van hoog opgaand eikenhakhout.

Een bonte menigte bedekte het weiland en krioelde er dooreen. Men
beweerde later, dat er zeven duizend menschen bijeen waren geweest,
en al is dit getal waarschijnlijk overdreven, het bewijst toch,
hoe groot de belangstelling was in deze eerste openbare prediking in
Vlaanderen. Landlieden en de kleine burgerij uit de Vlaamsche steden
vormden het grootste deel van het gehoor; mannen en vrouwen uit
aanzienlijken stand zag men er slechts weinigen. De burgers toonden
zich over het algemeen vreesachtiger dan de Vlaamsche boeren. De
laatsten liepen overal rond, zonder eenige vrees te toonen, terwijl
de stedelingen, de mannen in hunne mantels gehuld en den hoed diep
in de oogen getrokken, de vrouwen, weggedoken in hare wijde huiken,
in groepen bijeen stonden en iedereen met argwaan aanzagen, die in
hunne nabijheid kwam. Er was wellicht eenige reden voor, want zij
waren meer in het bereik hunner plaatselijke overheden, dan de meer
verspreid wonende plattelandsbevolking.

Bij het hek, dat toegang gaf tot het weiland, stonden eenige mannen,
met stevige stokken gewapend, die de aankomenden zorgvuldig opnamen
en soms dezen en genen aanhielden en eerst na een kort onderhoud
doorlieten. Bij zulk een groote volksverzameling mocht het wel
onmogelijk heeten, alle spionnen en verklikkers te weren, maar men
kon er althans voor zorgen, dat de erkende handlangers der Inquisitie
de samenkomst niet bezochten.

Even binnen het hek stonden een paar kraampjes, waar eenige
boekverkoopers goede zaken maakten, naar het scheen, want een groot
aantal menschen verdrong er zich, om de "verboden boeken", hier
zoo stoutmoedig in 't openbaar aangeboden, te zien en te koopen, en
menigeen droeg de in bruin leder of wit perkament gebonden schatten
mede, hetzij in triomf ze toonend, hetzij zorgvuldig verborgen onder
mantel of huik. Men vond er den "Bijbel van Liesveld" in twee deelen,
het Nieuwe Testament, naar Luthers vertaling verduitscht en in 1523 te
Antwerpen verschenen, maar ook reeds den "Embdenschen Gereformeerden
Bijbel", die door eenige Nederlanders bewerkt was naar de uitgave
van Zwingli en, in 1560 door Nicolaas Biestkens verbeterd uitgegeven,
door de Gereformeerden vooral gretig was ontvangen.

Ook werd er een kleiner boekje druk verkocht. Het was iets nieuws,
want het was eerst in Mei van dat jaar verschenen. Het was een
Nederduitsche berijming der Psalmen, naar de Fransche dichtmaat en
zangwijze van Clement Marot en Beza vervaardigd door Petrus Dathenus:
de strijdliederen der Nederlandsche Hervorming!

Jacob Martens keek vol nieuwsgierigheid het gewoel om zich heen aan,
terwijl hij de Welle volgde, die voortdrong naar een der zijden van
het weiland, waar, vlak tegen het hakhout aan, een boerenwagen was
geplaatst: de geïmproviseerde kansel bij deze godsdienstoefening in
de open lucht.

"De groene preek!" Geen wonder, dat de duizenden belijders der
"nieuwe religie" in Vlaanderen van alle kanten waren toegestroomd,
nu hun voor 't eerst de gelegenheid werd geboden in 't openbaar de
verkondiging des Woords te hooren. Voor 't eerst! Wel had reeds in
1528 de bittere Anna Bijns van de Lutheranen gezongen:


    Selden oft nemmermeer gaen zij te sermoene,
    Maer preect er ergens een ketter in 't groene,
    Dan loopen zij om elc d' eerste te sijne!


Maar dit waren, bij de strenge toepassing der plakkaten, slechts
kleine conventikelen geweest. Thans, aangemoedigd door het stoute
optreden der edelen en de kennelijke verlegenheid der regeering,
waagden de Gereformeerden het openlijk de plakkaten te trotseeren in
"de openbare preek".

Pieter de Welle drong met zijne breede schouders door de dichte menigte
heen tot dicht bij den boerenwagen en Jacob en Mieke volgden lijdzaam
hun stevigen gids, die hier blijkbaar een goede bekende was, voor wien
men gewillig plaats maakte. Al voortgaande, ving Jacob een en ander op
van de gesprekken, die om hem heen werden gevoerd. Men sprak over den
predikant, die weldra zou optreden, en 't was merkwaardig, dat de titel
der Roomsche geestelijken steeds bij dien naam werd gevoegd. "Pater
Herman", "pastoor de Strijker",--zoo klonk het onder het volk.

--"Wie zal er seffens preeken?" vroeg hij de Welle.

--"De predikant van die van de Gereformeerde religie te Oudenaerde,"
antwoordde deze. "Hij was vroeger monnik bij de Preekheeren. Herman
de Strijker heet hij; hij wordt ook wel Modet genoemd."

Er was plotseling een hevige beweging onder het volk rondom den
wagen. Allen drongen naar den geïmproviseerden kansel heen, en een
oogenblik later verscheen een man op de kar, die met een breed en
gebiedend gebaar de menigte wenkte te zwijgen.

Jacob zag een man van betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd, een flinke
gestalte, met onregelmatige, maar niet onaangename trekken. Zijn
donkere oogen hadden een gebiedenden blik, de koene rechte neus, de
vastgesloten mond en de vierkante, massieve kin spraken van kloekheid
en vastberadenheid. Het was het gelaat van een dweper en drijver, een
man met één idee, die voor de verwezenlijking van dat ééne denkbeeld
alles zou over hebben en zich door niets zou laten weerhouden,--niet
door de vreeze, maar evenmin door de liefde.

Zóó was Herman Modet, een man van zijn tijd en geschikt voor zijn tijd,
die sinds deze eerste openbare predikatie op de weide bij Gentbrugge
nog een belangrijke rol zou spelen in de geschiedenis van zijn land
en zijn Kerk.

Het duurde eenigen tijd, eer de opdringende menschenmassa rustig
genoeg was, om met de godsdienstoefening aan te vangen. Toen klonk
de zware stem van den priester-predikant: men zou een psalm zingen,
een psalm Davids!

Het boekje van Dathenus, zoo juist van pas verschenen om der strijdende
en lijdende gemeente haar lied te schenken, deed aanstonds goede
diensten. Waren ook de woorden voor de meesten nog nieuw, de melodieën
waren het niet! De psalmen van Marot, door de Fransche Hugenoten
gezongen, waren aan hunne broederen in de aan Frankrijk grenzende
gewesten niet vreemd. Eerst weifelend, maar weldra luid en krachtig,
klonk het uit duizenden kelen:


    Wilt Godt lof en eer geven,
      Groot is sijn vriendlickheyt,
    En sijn goetheyt verheven
      Blijft in der eeuwigheyt:
    Sy die vry zijn gekocht,
      Sullen sijn Naem verclaeren,
    En die Godt heeft gekocht
      Uyt angst en groot beswaren.

    So sy bidden den Heere
      In al haer lyden swaer,
    Haer cruys om sijns Naems eere
      Weert Hy hen haest daarnaar.
    Als Hy spreect een woort goet,
      Gesondheyt sij verwerven;
    Daerdoor sijn sy behoet
      Van den doodt en 't verderven.


Het psalmgezang zweeg en Herman Modet hief zijn stem op in het
gebed. Een lang, vurig gebed was het, uitgestort uit een onstuimige
ziel, die de schreiende nooden van een onstuimigen tijd, de kreet
van een worstelende gemeente opvoerde tot voor den troon Gods.

Zoo de vorm, de drukke, overladen stijl, de vaak platte beeldspraak
van den prediker in andere tijden en voor ooren, aan gekuischten smaak
gewoon, hinderlijk mocht geweest zijn, de toehoorders stootten zich
daaraan niet, want het waren de vormen, die zij kenden en vereerden,
en bovenal, door alles heen, sprak het vurig geloof, het vaste
Godsvertrouwen van den bidder.

Jacob Martens staarde getroffen en verbaasd naar den prediker en naar
de hoorders. Hoe anders trad hem hier de godsdienst tegen dan in de
gewelven van de St. Jacobskerk, waar in het schemerlicht, dat door
de geschilderde glazen nog binnendrong, de priester aan het altaar
de mis bediende in het blauwe waas der wierookwolkjes, terwijl het
gezang van het koor zoet en week boven zijn hoofd psalmodieerde en de
gele vlammetjes der waskaarsen trilden voor de heiligenbeelden. Hoe
dikwijls had hij daar neergezeten, half gedachteloos, half in een
droomerige godsdienstige stemming, hoorende, zonder te verstaan,
knielende zonder veneratie, prevelende zonder te bidden, omdat dàt
nu eenmaal, naar hij meende, godsdienst was. Hoe anders was het
hier! Hoe ernstig, hoe op den man af! Hier in het volle zonlicht,
onder Gods blauwen hemel!

Maar het gebed was afgeloopen, de aangezichten waren in gespannen
verwachting naar den prediker gekeerd, en deze had zijn bijbel geopend
en las zijn tekst. Het was 1 Timotheüs 4 : 7: "Maer wechwerpet
die godtloose ende oudwijfsche fabelen; ende oefen uselven tot
godtsaligheyt."

Het was geen woord van opbeuring en vertroosting, dat de strijdende
en lijdende gemeente van Vlaanderen van dezen forschen voorvechter
der Reformatie ontving. In Modet--een onzer groote auteurs heeft
het terecht gezegd--was vooral het revolutionaire karakter van de
Hervorming dier dagen belichaamd. Zijne predikatie was in de eerste
plaats een geweldige aanval op wat hij de "paepsche afgoderije" en de
"verdoemelijke oudwijfsche fabelen van het pausdom" schold. Het klonk
Jacob vreemd in de ooren, toen hij daar alle ceremoniën en kerkelijke
gebruiken, die hij van zijn vroegste jeugd af had leeren eerbiedigen,
als onafscheidelijk verbonden met godsdienst en vroomheid, met ruwe
welsprekendheid hoorde verguizen en bespotten, toen hij het Sacrament
der Mis, het middelpunt van den Roomschen eeredienst, met felheid
hoorde aanvallen en ontwijden. Hij voelde zich angstig en beklemd,
en als hij om zich heen zag, las hij op de gezichten der ademloos
luisterende toeschouwers hun volle instemming met die vreeselijke
woorden, zag hij de harde trekken op die verweerde gezichten en de
vlammende oogen, die gloeiden van fellen haat en verterenden ijver.

Maar de geweldige prediker, de stoute bestrijder van Rome, had toch
meer te geven, was toch dienaar des Evangelies! Toen hij sprak over de
"oefeningen der godtsaligheyt", werd zijn toon anders. Wat waarachtige
godzaligheid was, hoe men die zou oefenen in deze zware tijden, hoe
men ze zou ontvangen, door de genade van Christus alleen,--het werd de
ademloos luisterende toehoorders in forsche taal uiteengezet. Het werd
Jacob wonderlijk te moede. Hij werd medegesleept door den geweldigen
ernst, de machtige overtuiging van den spreker; hier was een man,
die wist en innig gevoelde, dat hij stond tegenover zijn God, dat er
niemand was tusschen zijn God en hem en die zijne hoorders ook van
die overtuiging zocht te doordringen. Geen middelaar tusschen den
zondaar en zijn God, dan de eenige Middelaar, Christus Jezus!

Zonder dat hij het wist, had Jacob Martens in die gewichtige stonde
zijns levens de groote leidende gedachte der Reformatie gevoeld
en verstaan.

Maar waarom haperde Herman Modet? Waarom zweeg hij, na nog eenige
volzinnen te hebben uitgesproken? Wat beteekende dat rumoer bij het
hek, dat toornig gemompel onder de luisterende menigte en het angstig
opdringen der vrouwen?

Jacob zag om en ontdekte weldra de oorzaak der opschudding. Een
ruiter trachtte, met den blooten degen in de vuist, door het volk
heen te dringen, terwijl hij zijn paard liet trappelen en steigeren,
om ruim baan te maken. Achter hem zag men de speren flikkeren van
eenige gewapenden.

Het was Cornelis Croese, de schout van Gentbrugge, een ijverig
aanhanger der regeering en een brutaal, ondernemend man. Zoodra hij
vernomen had, dat de Sacramentarissen zich onderstonden, om binnen zijn
rechtsgebied, met volslagen verachting der plakkaten, een openbare
preek te houden, had hij, zijne beide dienaars en een paar pachters
der kerk opgeroepen en gewapend en was moedig naar de plaats getogen,
waar, naar men hem had bericht, de predikatie zou plaats hebben, om de
vergadering uiteen te drijven en zoo mogelijk den geuzenprediker te
vatten. De menigte was veel talrijker, dan hij zich had voorgesteld,
maar aan moed ontbrak het den Schout niet. Hij spoorde zijn paard
aan, terwijl hij zijne dienaars beval hem te volgen, en met een:
"Staat ons bij, luijden, zoo gij den Koning trouw zijt!" trachtte
hij heen te dringen naar den wagen, die Modet tot kansel diende.

Er volgde een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring. De schare
stond een oogenblik als besluiteloos. De vrouwen gilden en kreten, de
mannen mompelden dreigementen en verwenschingen, maar bleven werkeloos,
terwijl zij onrustig rondzagen,--naar een uitweg of een leider. Modet
was van den wagen afgeklommen en de groep getrouwen, die er om heen
stonden geschaard, namen den prediker in hun midden en drongen langzaam
naar het bosch eikenhakhout, waaraan het weiland grensde.

Schout Croese zag het en hij begreep, dat zijn prooi hem ging
ontsnappen. Hij dreef zijn paard aan en sloeg met de platte kling
naar de opeengedrongen menschenmassa, die hem den weg versperde.

Zijn drift werd zijn ongeluk. Het wapen trof een jonge vrouw aan het
hoofd en bracht haar een bloedende wonde toe: de vrouw zonk neer,
meer door schrik dan door den slag.

En nu won de toorn en de verontwaardiging het van de vreeze!

--"Slaat dood den beul! Slaat dood den papenknecht!" klonk het van
alle kanten.

Het volk was ongewapend, maar de puinweg werd een arsenaal: een steen
gonsde door de lucht en rukte den Schout den hoed van het hoofd. Het
voorbeeld vond navolging. Een hagelbui van groote en kleine steenen
troffen paard en ruiter, terwijl de schoutendienaars, opgedrongen door
eene woedende menigte, geen gebruik konden maken van hunne wapenen,
ook al hadden zij gedurfd.

--"Slaat dood!" de oude aanvalskreet der strijdbare Vlamingen, klonk
aan alle kanten. Schout Croese zag, dat het bloedige ernst werd en
dat hij te veel had gerekend op het ontzag voor de justitie. Bebloed
en gekneusd door de steenworpen, wierp hij zijn rapier weg en wendde
den teugel.

Een luide juichkreet, een stormachtig: Slaat dood! Men had zijne
beweging, gezien en begrepen! De Schout gaf het op! De Schout vluchtte!

Een aantal jonge boeren drongen op, het mes in de vuist, om hem tegen
te houden.

Maar oudere, bezadigde mannen kwamen tusschenbeide. Met geweld en
doodslag, met den moord van een grafelijk ambtenaar, werd de zaak der
jeugdige Kerk niet gediend. Half met geweld, half door overreding,
maakten zij ruim baan voor den Schout, en Cornelis Croese reed
spoorslags weg, onder het uitjouwend gejubel der menigte.

Van een hervatten der godsdienstoefening was geen sprake meer. De
schare verspreidde zich, sommigen opgewonden en vol hoop, anderen
vreesachtig en terneergeslagen. Ook Jacob Martens ging met de Welle
naar diens woning, om tegen het vallen van den avond naar Gent terug
te keeren.

Allerlei aandoeningen vervulden hem en voerden strijd in zijne
ziel. Hij gevoelde, hoe de kloof, die hem van de zijnen scheidde,
steeds breeder en dieper werd. Modet's prediking had hem machtig
aangegrepen en de strijd van zijn volk tegen vreemde dwingelandij en
geloofsdwang, dien hij reeds sinds lang met belangstelling en sympathie
had aanschouwd, scheen hem meer en meer een heilige strijd, en mede
te kampen een heilige plicht. Maar--hij moest zich losscheuren van
zooveel, waarmee hij was opgegroeid: meeningen, gewoonten, sympathieën,
ook een zeker onbestemd geloof in dingen, die hem, naar hij dacht,
altijd onverschillig waren geweest en waarvan hij zich nu toch zoo
moeilijk kon losmaken, nu het er op aan kwam, om er afscheid van te
nemen, voorgoed.

En zijne ouders! En Madeleine!

Met een bedrukt hart betrad Jacob Martens in den avond van dien dag
het ouderlijk huis.



IV.


Ongeveer vier weken na de onstuimige "groene preek" te Gentbrugge
zat Jacob Martens op een schoonen Julimorgen in den "hof" van het
ouderlijk huis, bijna aan de voeten van Madeleine de Bette, die hem
haar sierlijk eikenhouten spinnewiel in de schaduw van een bloeiende
linde had doen dragen en hem met behaagzieke speelschheid een laag
bankje had aangewezen, waarop hij zijne schoone gebiedster mocht
voorlezen uit de Historie van Amadis van Gaulen, of van Palmeryn
van Olyven, de Hollandsche vertalingen van Spaansche ridderromans,
waarmee joffer Madeleine dweepte.

Jacob was niet naar Leuven teruggekeerd. De politieke toestand in
den lande werd steeds moeilijker, de oppositie tegen de invoering
van de Inquisitie steeds heviger en de partij der Gereformeerden
trad overal, maar vooral in Vlaanderen en Brabant, steeds stouter
op. President Martens, die zeer wel bemerkte, dat de sympathieën
van zijn zoon meer en meer uitgingen naar den kant der "sectarissen
ende rebellen", zooals hij ze noemde, had het voorzichtiger geacht,
den jongen enthusiast onder zijn persoonlijk toezicht te houden. Hij
wist door den Hoog-baljuw, dat Jacob in de laatste weken herhaaldelijk
was gezien in gezelschap van verdachte personen, van dezulken, die
onder zware suspicie stonden van te zijn besmet met de kettersche
gevoelens der Sacramentarissen en tegen wie men wel gaarne krachtig
zou zijn opgetreden,--als men maar gedurfd had!

Ook Vrouwe Martens, de strenge moeder, die onder haar hard
uiterlijk toch een schat van liefde verborg voor hare kinderen,
had met blijdschap vernomen, dat haar zoon niet naar de universiteit
zou terugkeeren, voor de algemeene opgewondenheid in den lande was
bedaard. Met klimmende onrust had zij gezien, hoe Jacob meer en meer
overhelde tot de kettersche gevoelens, hoe hij--naar de overtuiging der
geloovige, ijverende Roomsche--zijn eeuwig heil dreigde te verbeuren
door te luisteren naar die gevaarlijke geuzenpredikers, die wervers
voor het rijk van den Satan! Nog ging hij met haar ter Misse, als zij
hem verzocht haar te begeleiden, maar zij zag het maar al te wel,
zijn hart was niet bij de heilige plechtigheid, hij was verstrooid
en onrustig.

Scherpe en harde woorden had zij reeds gesproken; zij zelve leed er
onder, maar zij was geen teedere moeder, die het vertrouwen harer
kinderen wist te winnen. En toch voelde zij thans dubbel die leemte
en de fiere vrouw ging gebukt onder het leed, dat zij niemand toonde.

O, die Geuzen! die verwaten edelen vooral, rebellen tegen hun Kerk
en hun Landsheer! Waren zij niet weder samengekomen te St. Truyen,
in 't Luiksche, om ongehinderd te kunnen samenspannen tegen het
wettig gezag? Gingen er geen geruchten over de ongehoorde eischen,
die zij de regeering zouden stellen? Men zou voorwaar het volk geen
enkele religie voorschrijven, maar een iegelijk vrij laten in zijne
keuze! Een snood bestaan, om den ketterschen leeraars vrijheid te
geven, het onwetende volk ter helle te voeren! Er waren er, naar
men zeide, die tegen den Koning wilden opstaan, om met geweld te
verkrijgen, wat men in het Smeekschrift had gevraagd. En haar eenige
zoon zou de zaak dier ketters en rebellen voorstaan!

IJveriger en trouwer dan ooit nam de arme Vrouwe Martens hare
godsdienstplichten waar, en zoo was zij ook dezen morgen naar de
St. Jacobskerk gegaan, om er den schutsheilige van haar zoon aan te
roepen, om er te bidden voor het zieleheil van haar kind.

En Madeleine, blijde, dat het strenge oog der ijverige huismoeder
haar niet gadesloeg, had zich gehaast, om het huiswerk, dat op haar
rustte, over te dragen aan de goedhartige Klaartje en had Jacob naar
den hof geroepen, om er zich te vermaken met de avonturen der dolende
ridders en met het kwellen van haar trouwen bewonderaar, dien haar
behaagzieke plaagzucht geen oogenblik met rust liet.

Het scheen, dat de merkwaardige lotgevallen van den dapperen
Palmeryn Jacob ditmaal niet konden boeien. Hij was verstrooid en
afgetrokken. Hij haperde nu en dan en versprak zich. De schoone
Madeleine bemerkte het.

--"Als je soms genoeg van mijn gezelschap hebt," zei ze spijtig,
"laat ik je dan toch vooral niet ophouden!"

Jacob keek verschrikt op.

--"Ja, zeker!" vervolgde de vertoornde schoone schamper. "Als je soms
verlangt naar het gezelschap van je geuzenpredikanten, ik weerhoud
je niet, hoor!"

--"Madeleine!" zei Jacob, en hij wilde haar hand vatten, maar zij
stiet hem terug.

--"Je meent er niets van!" pruilde zij. "Je zit hier voor mij te
lezen, maar je hart is er niet bij. Wie weet, waar? Misschien bij
een of andere ketterinne! Je bent er tòch zoo vol van!"

Jacob deed het eenige, wat hij in deze omstandigheden kon doen: hij
wierp zijn boek weg, vatte het weerstrevende handje en sloeg zijn
arm om de leest der spijtige joffer. Het draadje brak...

De verzoening was spoedig genoeg tot stand gekomen, maar Jacob begreep,
dat hij zich toch moest verdedigen.

--"Ik kan het niet helpen, Madeleine, dat ik thans geen vermaak heb
in deze Walsche poëterijen, die u zooveel vreugde en jolijt geven,"
zei hij ernstig. "Mijn hart is vol van andere dingen!"

--"Zie je nu wel!" pruilde het meisje.

--"Van u, allerliefste! Ge hebt er de eerste plaats in!" verzekerde
Jacob haastig. "Maar zeg, begrijp je er niets van, dat men bezig kan
zijn met ernstiger gedachten in deze dagen, nu het gaat om de vrijheid
des lands en om wat dienen kan tot onzer zielen zaligheid!"

Een minachtende trek plooide het mondje van Madeleine.

--"Ga je mij een sermoen houden, Jacques?" klonk het spottend. "Voor
onzer zielen zaligheid zorgt de Kerk met hare genademiddelen, zegt
mijn biechtvader, en zoo bekreune ik mij daar niet om. En 's lands
vrijheden? De Koning is onze Heer en hij doet, wat den lande oirbaar
is,--zoo zegt je vader en ik houd dit met hem. 't Is een schoone weg,
om een ambt te verkrijgen van de regeering, als je eenmaal magister
zult zijn, wanneer je nu gaat heulen met hen, die snoode rebellie
drijven tegen hun wettigen Overheer en de Heilige Kerke! En onze
schoone plannen, Jacques? Gelden die je niets?"

Jacob zag de driftige spreekster aan met teer verwijt.

--"Zonder jou is de toekomst, is het heele leven mij niets,
Madeleine," fluisterde hij, "maar wat, als ik eens niet kon doen,
wat je wenschte? Als ik geen post van deze regeering mocht aannemen?"

--"Geen ambt van de regeering? Maar ik wil in Brussel wonen, heb ik
je altijd gezegd!" pruilde het bedorven kind.

--"Als we elkander liefhebben, Madeleine..."

--"Och, wat liefhebben! Je hebt mij niet lief, anders zou je niet zoo
naar zijn! Alles opgeven ter wille van dat minne volk, van de Geuzen
en de ketters! Een fraaie zaak!"

--"De Pallandts, en de Nassau's, en Brederode zijn toch geen min
Geuzenvolk, Madeleine!"

--"Oproerkraaiers zijn het, die spelen met vuur! Ik heb het den
president hooren zeggen! Ze verleiden het domme volk, dat wordt
aangehitst door de kettersche predikanten, en ze storten het volk en
zichzelf in 't verderf! Als de Koning komt..."

--"De Koning is onze rechte Heer, dien God behoede, maar onze rechten
en vrijheden moet hij ons laten! En--die van St. Truyen hebben
gelijk--ieder diene God naar de inspraak zijns harten, zonder geweld
of molest."

--"Je hadt geuzenpredikant moeten worden, Jacques!"

Jacob wendde zich driftig om en liep zenuwachtig het tuinpad op en
af. Toen wendde hij zich weder tot het meisje.

--"Je oordeelt over wat je niet kent, Madeleine!" zeide hij met
kwalijk bedwongen aandoening. "Ik wilde zoo gaarne, dat je met mij
waart in deze zake! Ga na den noen met mij mede."

--"Waarheen? ter preeke?" vraagde zij spottend.

--"Wist je dat dan?" vraagde Jacob verrast.

Madeleine barstte uit in een schaterend gelach.

--"Zoo heb ik dan waarlijk goed geraden? Domme jongen, dacht je,
dat ik naar de "groene preek" zou gaan? Wat zou ik mijn biechtvader
zeggen? En wat aan je moeder?"

--"Je zegt, dat ik je heb meegetroond, en dat zal de waarheid zijn. Al
heeten we niet verloofd, we behooren elkander toch toe en zou ik mijn
bruid niet mogen heenleiden, waar zij de waarheid kan leeren verstaan,
zonder een priester te vragen?" riep Jacob heftig.

--"Je bruid? Zoover is het lang niet. Ik heb het jawoord niet gegeven,
dat ik wete! En als je je zoo aanstelt als een rustre en een vileijn,
zal 't er nimmer van komen ook!"

't Was koel en bits gezegd en Madeleine nam haar spinrokken weer ter
hand en begon met veel ijver haar draadje te hechten.

--"Madeleine!" riep Jacob.

--"Och, ga toch heen! Ga heusch maar naar je kettersche preek! 't
Spijt me, dat ik je vroeg in den hof te komen!"

Jacob stond een oogenblik besluiteloos. Toen boog hij stijf en
verwijderde zich langzaam.

Madeleine keek hem met een spottend glimlachje na.

--"Hij ziet er goed uit, als hij boos wordt!" prevelde zij. "Hij is
knapper dan Thierry! Als hij die grillen uit het hoofd wilde zetten,
dan... Of het waar zou zijn, wat Thierry beweert, dat hij goede
vooruitzichten heeft op faveur en avancement in den dienst van den
hertog van Aerschot...?"

Het spinnewiel snorde niet meer. De jonkvrouw keek peinzend voor zich
uit, en zij glimlachte, want zij zag zich op de feesten aan het hof
te Brussel--de gevierde koninginne van den dag!

't Was in minder vroolijke stemming, dat Jacob Martens zich naar
zijne kamer begaf. Hij had van dat onderhoud zoo veel gehoopt! Hij
zou Madeleine overtuigen, dat de zaak der vrijheid een heilige zaak
was, dat de godsdienst iets meer, veel meer was, dan zij tot nu toe
had gemeend; niet een gedachtelooze sleur van vormendienst, maar een
aangrijpende werkelijkheid, waarvan hij de macht in zijn eigen hart
en leven begon te ervaren. En ze zou naar hem luisteren, want zij
had hem immers lief! En nu,--hij had niet eenmaal durven aandringen:
haar spottende glimlach, haar koele toon hadden hem de woorden van de
lippen genomen. Hij had gevoeld, dat alles, wat hij zou kunnen zeggen,
vergeefsch zou zijn.

Was Madeleine dan voor hem verloren?

Want dat hij niet kon terugkeeren op den weg, dien hij zich gekozen
had, stond bij hem vast. Hij overschatte de beweging der edelen, als
duizenden met hem deden. Hij zag in hen de voorvechters der vrijheid,
van het recht der vrije Nederlanden tegenover de aanmatigingen van
het gezag. En in zijn geestdrift voor het edele doel zag hij niet de
lichtzinnigheid en wereldzin, de onedele bijbedoelingen van velen onder
hen, die zich hadden geschaard aan de zijde van de bestrijders der
regeering. Maar hijzelf meende het eerlijk. Met al den gloed zijner
jeugd, met den ingeboren vrijheidszin van den Vlaming had hij het
schoone ideaal der vrijheid omhelsd; en hij wilde er voor strijden
en lijden, als het zijn moest.

Daarbij, was het eerst slechts zijn weerzin geweest tegen Inquisitie en
geloofsdwang, die hem had heengedreven naar de zijde der Hervormden,
de geloofsmoed der martelaren, de gloed der onstuimige prediking,
hadden hem verder gebracht dan hijzelf had vermoed. De indruk, dien
hij te Gentbrugge had ontvangen, dat deze menschen iets hadden, dat
hij miste, dat zij een overtuiging bezaten, die hun het hoogste was,
was hem bijgebleven. Hij had hun godsdienst vergeleken bij zijn eigen
kalm indifferentisme, en hij had zich geschaamd. Als wat de Kerk
leerde waarheid was, als Jezus Christus was gestorven voor de zonden
der wereld, als de zonde zulk een verschrikkelijke macht was, dat de
Zone Gods, om haar te overwinnen, in den dood had moeten gaan,--dan
hadden de ketters gelijk, die den zondaar rechtstreeks leidden aan
den voet van het kruis, hem stelden tegenover een barmhartigen,
machtigen Verlosser, dan had de Kerk ongelijk, die de Moedermaagd en
de heiligen en den schutspatroon en ten slotte nog den priester had
geschoven tusschen den zondaar en den Christus.

Zóó had Jacob gepeinsd en gevraagd en gezucht. Het was hem niet
moeilijk gevallen in deze dagen, nu de regeering bevreesd was voor
uiterste maatregelen, en hare tegenpartij steeds stouter optrad,
zich een Liesveldschen bijbel te verschaffen. Hij had dien veilig
geborgen op zijn kamer en hij las er vlijtig in, des morgens vroeg
en des avonds, als hij zeker was, niet gestoord te zullen worden. En
meer en meer begon hij de "nye leere" te verstaan, meer en meer werd
het licht in zijn ziel, en al stond hij nog van verre, hij begon de
waarde te beseffen van het heil, dat in Christus is.

Kon hij ook de zijnen, die hem lief waren, leiden op den weg, dien hij
had gevonden? De president, op het punt van den godsdienst tamelijk
onverschillig, beschouwde toch elke afwijking van de leer der Kerk als
eene aanranding van het gezag, dat hij diende; zijne moeder was een
strenge Roomsche, en de goedaardige Klaartje zou bij het eerste woord,
dat haar aan "ketterije" deed denken, van schrik en ontsteltenis zijn
verstijfd. Maar Madeleine? Hij zag het wufte kind in den schoonen
glans, waarin zijne jonge liefde haar hulde. Haar vurige geest,
haar kloek verstand zouden het schoone van het ideaal der vrijheid,
de waarachtigheid van een godsdienst, die zijn macht bewees in het
leven en sterven zijner belijders, moeten begrijpen en waardeeren,
meende hij. Hij zou trachten haar belang in te boezemen voor de dingen,
die hem zoo na aan het hart lagen en zij zou luisteren en volgen,
eerst uit liefde voor hem, dan uit heilige overtuiging!

Hoe jammerlijk was zijn eerste poging mislukt!

Maar hij zou het er niet bij laten. 't Was natuurlijk, dat een
jonkvrouw in al de vroolijke rust van haar onbezorgde jeugd, niet
aanstonds wilde luisteren naar ernstige woorden, naar de groote vragen
des tijds, die zoo dringend een antwoord eischten. Hij zou wachten,
hij zou bidden... ja bidden voor Madeleine, want ook dat had hij
geleerd, sinds weinige weken.

Maar als zijn gebed niet werd verhoord? Als Madeleine hem niet wilde
volgen; als zij zich hardnekkig afkeerde van de waarheid. Wat dan?

Jacob had het Liesveldsche Nieuwe Testament uit zijn verborgen
schuilhoek te voorschijn gehaald; eerst bladerde hij er gedachteloos
in, want zijn hart was vol van bittere teleurstelling. Maar
weldra boeiden hem de heilige verhalen van het leven des Heeren,
dubbel aantrekkelijk, omdat ze zoo nieuw voor hem waren. Hij las de
aangrijpende geschiedenis in het tiende hoofdstuk van Markus, van
één, die veel goederen had, maar wien het hoogste goed ontbrak. Hij
begreep den ontzettenden eisch, alles op te geven, om dat hoogste goed
te gewinnen,--voorwaar, een eisch, die in zijne dagen tot menigeen
kwam in al zijn vreeselijken ernst. En met diepe ontroering las
hij: "Voorwaer segge ik ulieden: Daer en is niemant, die verlaten
heeft huys, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of wijf,
of kinderen, of ackers, om mijnent wille ende des Evangeliums, of
hij ontfangt honderdvoud nu in desen tijd huyzen ende broeders ende
susters ende moeders, ende kinders ende ackers, met de vervolgingen,
ende in de toekomende eeuwe het eeuwige leven."

Dat waren wèl de woorden, die hij thans noodig had! Met een diepen
zucht, maar toch met een biddenden blik naar boven en een vastberaden
trek om den jeugdigen mond stond hij op, legde het boek op zijn plaats,
en staarde door het kleine venster naar buiten.

--"God helpe mij!" fluisterde hij.

Er zijn soms oogenblikken in het leven, zoo gewichtig, "inhaltschwer",
als de dichter zegt, dat het een geluk voor ons is, dat wij er het
volle gewicht niet van beseffen, wanneer wij ze doorleven. Jacob
Martens wist het niet, maar hij nam in deze ure afscheid van zijn
onbezorgde jeugd, hij stond af zijn liefde, zijn familie, zijn
toekomst, en hij koos de ballingschap en den schier hopeloozen strijd.

Hij greep zijn baret en maakte zich gereed het huis te verlaten. Het
was niet voor niet, dat hij juist dezen dag had gekozen om met
Madeleine te spreken. In den nanoen zou er iets gewichtigs gebeuren. De
Gereformeerden te Gent waren stoutmoedig geworden, nu de regeering
weifelde en scheen te willen toegeven aan de eischen der verbonden
edelen. Predikten de Gereformeerde predikanten buiten Antwerpen niet
openlijk voor vergaderingen van vijftien en zestien duizend man,
zonder dat de overheid er iets tegen vermocht? Welnu, te Gent zou
men dit voorbeeld volgen! Weldra zou men de kerken opeischen voor de
ware religie, maar ondertusschen zou men onder de muren der stad een
"groene preek" houden en men tartte den Hoog-baljuw om het hun te
beletten. In den nanoen van dezen drie-en-twintigsten Juli zou men
op een groot terrein buiten de Brugsche poort vergaderen en Modet
zou van Oudenaerde komen, om er te prediken.

Toen Jacob het ouderlijk huis had verlaten en den weg naar de
Brugsche poort had ingeslagen, bleek het hem weldra, dat de groote
gebeurtenissen van den dag zich in de bijzondere belangstelling van
de Gentenaren mocht verheugen. Het was bijzonder druk en levendig
op straat. Groote troepen nieuwsgierigen trokken in de richting van
de Brugsche poort en vele eerzame burgers en winkeliers, bevreesd
voor oproer of openlijke rebellie, hadden voorzichtig hunne luiken
gesloten. De dienaren van den Hoog-baljuw hielden zich schuil of traden
zoo bescheiden mogelijk op, blijkbaar niet op hun gemak. Van tijd
tot tijd trokken kleine troepjes burgers, met ernstig en vastberaden
gelaat, gewapend met pieken en "goedendags", ja sommigen zelfs met
vuurroeren, door de woelende menigte heen en het volk maakte ruim baan
en men wees ze elkander aan en fluisterde, dat dàt nu de ketters,
de Sacramentarissen waren. Van een poging der overheid, om de preek
te beletten, bleek niets. Alles ging rustig zijn gang.

Toch bespeurde Jacob, toen hij het terrein naderde, voor de
godsdienstoefening bestemd, dat de leiders van de beweging hunne
voorzorgen goed hadden genomen, en dat men, als het noodig mocht zijn,
geweld met geweld zou keeren. Van de talrijke wagens en karren had men
op de wijze der ouden een wagenburg gemaakt en bij de toegangen tot
de zoo omheinde ruimte stonden gewapende wachten. Een groot aantal
der mannen, die de afgezette ruimte vulden, waren mede gewapend:
speren, bijlen en vuurroeren flikkerden overal in de stralen der
Julizon en overal zag men ernstige, vastberaden gezichten. Indien
de Hoog-baljuw het mocht wagen, de vergadering te storen, waren de
gevolgen niet te voorzien.

Maar Adolf van Bourgondië, Heer van Wokkene en Hoog-baljuw van Gent,
was allerminst de man, om op eigen verantwoording tot zoo forsche
maatregelen over te gaan. Hij wist te wel, hoe gespannen de toestand
was: een enkele onvoorzichtigheid en geheel West-Vlaanderen kwam in
opstand! En zoo liet men de Gereformeerden rustig hun gang gaan.

Toen Jacob Martens het afgesloten terrein betrad, wisselde hij een
groet met Daniël, den boogschutter van Poperingen, die, op zijn
armborst geleund, mede de wacht hield bij den ingang. De forsche,
jonge Vlaming wierp hem, grinnekend van pleizier, een blik van
verstandhouding toe; een vergadering als deze, met de wapens in de
vuist, waarbij men het gezag openlijk tartte en nog kans had op een
gevecht bovendien, was juist een kolfje naar zijn hand.

Voor het overige geleek het tooneel, dat de jonge man thans
aanschouwde, veel op dat van Gentbrugge. Ook hier waren kramers en
boekverkoopers, thans in grooten getale uit Antwerpen overgekomen,
druk bezig met het venten van bijbels en andere verboden boeken,
die gretig werden gekocht en openlijk meegedragen. Er was meer moed
en zelfvertrouwen onder het volk. Men voelde zich sterk genoeg, om
de plakkaten des konings openlijk te trotseeren. De Reformatie was
in Vlaanderen een geduchte macht geworden, waarmee de regeering zou
hebben te rekenen.

Terwijl hij zich langzaam een weg baande naar de houten stellage,--ook
ditmaal weder een boerenwagen, met eenige planken gedekt,--die tot
kansel zou dienen, bemerkte Jacob Pieter de Welle, die in ernstig
gesprek was gewikkeld met twee mannen, die blijkbaar tot de hoogere
standen behoorden. De een droeg het gewaad van een edelman, in de
stemmige kleuren, die nog altijd de Geuzen-edelen van de voorstanders
der regeering onderscheidden; de baret, met een veder getooid, en
de lange degen bewezen echter zijn rang. Om den hals droeg hij aan
een rooden sluier een vreemdsoortig sieraad, dat Jacob niet kende:
't was een zilveren medaille, waaraan drie kleine napjes bengelden,
van 'tzelfde metaal.

De ander was een nog jong man, met een bleek, fijn besneden gelaat
en donkere oogen, eenvoudig in 't zwart gekleed.

De Welle had blijkbaar zijne beide metgezellen op den jongen Martens
opmerkzaam gemaakt, want de drie mannen traden op hem toe.

--"De jonker van Treslong en de Eerwaarde Junius wenschen kennis met
u te maken, jonker Jacob," zei de koddebeier op dien eigenaardigen
toon van eerbiedige gemeenzaamheid, waarmede hij tot den zoon van
zijn meester sprak.

Jacob zag op met blijde verrassing, want het waren twee beroemde
namen, die hij hoorde: twee namen van goeden klank onder allen,
die God wilden dienen naar de inspraak huns harten en die het wèl
meenden met de vrijheid des lands.

Jan Blois van Treslong, de broeder van den lateren admiraal van
Zeeland, met de beide Marnixen misschien de eenige "ridders zonder
vrees of blaam" in die woelige dagen, waarin zooveel zelfzucht,
zooveel eerzucht, zooveel lichtzinnigheid en wereldzin schuilden onder
den mantel van vrijheidszin en patriottisme. De edele kampioen der
ontwakende vrijheid, die welhaast de martelaar zou worden voor zijn
schoone zaak. En Franciscus Junius, de jonge Fransche edelman, uit
Genève naar de bedrukte Fransche gemeente te Antwerpen als predikant
gezonden, die weldra zulk een groot aandeel zou nemen in den heiligen
strijd tegen geloofsdwang en Inquisitie, de mede-arbeider der edelen
en de getuige van hun verbond, maar die ook de eenvoudigen dorst
stichten door Christelijke vertroosting en gebed, terwijl door de
vensters van de geheime vergaderplaats de vlammen van den mutsaard
flikkerden, waarop daar beneden op het plein de bloedgetuigen den
marteldood stierven voor dezelfde goede belijdenis, die hij daar
verkondigde. De getrouwe herder, die, overal vervolgd en belaagd,
toch van de kudde niet wijken wilde, en daarbij de ontwikkelde man,
met den ruimen blik, die verder zag dan de welmeenende, maar vaak
bekrompen ijveraars, naast wie hij streed, en die zoo vaak door hun
onberaden ijver zooveel bedierven, maar die zich toch niet afwendde
van den heiligen strijd, trots verdachtmaking en verkeerd begrijpen;
de theoloog, die voor de eenvoudige Limburgsche boeren predikte,
en de aan hare zaligheid wanhopende krankzinnige wist te brengen tot
Christus, en die eenmaal een sieraad zou zijn der Leidsche hoogeschool.

Jacob Martens wist natuurlijk niets van de beide mannen, dan dat hij
ze in den laatsten tijd, dikwijls had hooren noemen, door de eene
partij als steunpilaren der "gesuyverde Gereformeerde religie", door
de andere als twee sectehoofden der kettersche Sacramentarissen en
rebellen tegen 's konings gezag. Hij wist echter, dat het mannen van
beteekenis waren en beantwoordde beleefd hun hoffelijken groet. De
Welle verwijderde zich op een wenk van Treslong en voegde zich bij
de gewapende bewakers van het terrein.

--"Het verheugt mij te zien, jonker Martens," zeide Treslong, "dat uw
goede stad Gent voor Antwerpen niet onder wil doen. Wij dachten niet,
dat de onzen het wagen zouden, ter preek te gaan onder de wallen der
stad. Vreest gij, dat de overheid wat tegen ons in 't schild voert
en dat zij trachten zal de vergadering te verstoren?"

--"Mij dunkt van niet," zeide Jacob, "de Hoog-baljuw is geen man van
geweld. Hij zal niets doen, dan op bevel der hooge Regeering. Trouwens,
hier te Gent was de vervolging in zaken van religie nooit hevig."

Het gesprek werd in het Fransch gevoerd ter wille van Junius, die de
landstaal nog niet volkomen machtig was.

--"Een goede tijding, dat laatste, voor onzen broeder Junius," zeide
Treslong. "Hij denkt een poos te Gent te vertoeven, om de broeders
te bemoedigen, vooral hen, die uit Frankrijk zijn overgekomen, en om
er te werken voor de zaak van ons verbond."

--"Ik ben hier in Gent niet meer in gevaar dan elders," zeide
Junius met een fijnen glimlach. "Ge weet, ze hebben ons predikanten
uitgesloten van wat ze de "moderatie" noemen, maar men vaart toch
flauwelijk voort met de vervolging, en ik meen, dat wij eenige rust
zullen hebben, tot de Heeren Bergen en Montigny, die eerlang met
een zending naar den Koning zullen vertrekken, teruggekeerd zullen
zijn van hunne reize. Toch past het den Christen, te waken voor zijne
veiligheid en God niet te verzoeken en ik zal mij verblijden, als ik
hier eenigen tijd in rust en veiligheid kan doorbrengen. Ik heb reeds
met verscheidene broeders kennis gemaakt. Zijn er ook onder de edele
geslachten van Gent aanhangers der Reformatie, jonker Martens?"

--"Onder de gezeten burgers en onder het volk zijn vele
Gereformeerden," antwoordde Jacob, "maar onder den ouden Gentschen
adel zijn er slechts weinig. De Imbyze's misschien. Jonker Jan van
Imbyze..."

--"Een vurig ijveraar!" riep Treslong.

Op het bleeke gelaat van Junius speelde een glimlach.

--"Er zijn veel zulke ijveraars onder onze edelen!" zei hij droog.

--"En gelukkig!" riep Treslong met een vroolijken lach. "Ja, Junius,
schud het hoofd maar! Als de Koning aan onze beden geen gehoor wil
geven, als het zwaard moet spreken, dan zult ge zien, wat onze jonge
adel vermag!"

--"Ik hoop het!" zei Junius, maar zijn gezicht betrok.

--"En ook in u groeten wij blij een nieuwen bondgenoot, jonker
Martens," ging de geestdriftige jonge edelman voort. "Maar zeg mij,
waarom draagt ge ons bondsteeken niet. Laat mij u er mee mogen
versieren."

Hij nam den rooden sluier met den zilveren penning van den hals
en hing hem Jacob om. Deze dankte hoffelijk voor het geschenk en
bekeek den penning nieuwsgierig. Aan de eene zijde vertoonde die
het borstbeeld van den koning, aan de andere een gesloten pelgrims-
of bedelaarstasch. Ook de zilveren bekertjes hadden den vorm der
zoogenaamde bedelaarsnapjes.

--"Fidèles au roi jusq'à la besace!" lachte Treslong, terwijl hij naar
het randschrift wees. "Wij zijn de bedelaars, de Geuzen! Ge weet,
zoo noemde ons Barlaimont, de oude vrek. We zijn nòg bedelaars! We
smeeken bij den Koning om ons goed recht, om vrijheid van geloofsdwang,
om handhaving van de vrijdommen van den adel en de steden. Wij smeeken
nog, maar als wij vorderen gaan..."

--"Komt," zeide Junius, "onze wellieve broeder Modet zal zoo aanstonds
optreden. Laat ons dichterbij gaan, anders kunnen wij niets verstaan."

Inderdaad verscheen weldra de forsche gestalte van Modet op den kansel
en zijn zware stem klonk over de opeengepakte volksmenigte. De schare
der toehoorders was hier veel grooter dan te Gentbrugge. Het terrein
lag zoo dicht bij de stad, en de overtuiging, dat de overheid toch
niets tegen de wèlgewapende ketters zou durven ondernemen, had vele
nieuwsgierigen naar de "groene preek" gelokt, terwijl bovendien op alle
wegen en paden in den omtrek posten waren geplaatst, die de voetgangers
uitnoodigden om aan de godsdienstoefening deel te komen nemen.

Voor het overige werd die gehouden op dezelfde wijze als te
Gentbrugge. Het scheen echter, dat de algemeene opgewondenheid zich van
den prediker had meester gemaakt. Hij had tot tekst gekozen Exodus 20:
4 en 5 en heftig viel hij in zijne uiteenzetting van het tweede gebod
den beeldendienst der Roomsche Kerk aan, "de verdoemelijke afgoderij
der Papisten ende Baälsdienaren", zooals hij dien noemde. En toen hij,
medegesleept door zijn eigen woorden, met wilden ijver betoogde, dat
men ze "zoowel uit het oogh, als uit het hert behoorde te werpen,"
zag Jacob Martens hoe Treslong met fonkelende oogen als aan de lippen
van den spreker hing, terwijl Junius verdrietig het hoofd schudde.

Het doopen van een kind, volgens de wijze der Gereformeerden,--'t
was de eerste maal, dat dit in het openbaar geschiedde--waarmede de
godsdienstoefening werd besloten, wekte algemeene belangstelling,
niet het minst onder de aanwezige Roomschen, waaronder er velen waren,
die meenden, dat de "Sacramentarissen" evenals de Wederdoopers den
kinderdoop verwierpen.

Daarop werd de wagenburg afgebroken en onder het zingen van de thans
reeds populair geworden psalmen van Dathenus trokken de Gereformeerden
in kleine groepjes huiswaarts.

--"Ge waart niet voldaan, Eerwaarde Heer?" vraagde Jacob aan Junius,
die peinzend de zingende groepen nakeek.

--"Ik vreeze zeer, dat onze wellieve broeder Modet, door zijn ijver
voor de zuivere leer vervoerd, de aandacht der schare al te zeer
vestigt op die uiterlijke vormen, die, zoo ze verkeerd zijn, toch
het wezen der religie niet raken," zei de Fransche predikant. "'t Is
gevaarlijk, in deze dagen de hartstochten van het volk te prikkelen!"

--"Ei wat!" zei Treslong luchthartig. "Een klein oproer zou niet
ondienstig zijn voor onze plannen! 't Zou Madame doen inzien, dat
wij het meenen en dat er niet met ons valt te gekken!"

Een lang man, in het zwart gewaad van den gegoeden burgerstand,
trad haastig op hen toe.

--"Wat zegt ge er van, Eerwaarde?" vraagde hij in gebrekkig Fransch,
terwijl zijn onrustig flikkerende grijze oogen zich beurtelings op
Junius en diens metgezellen vestigden. "Een man Gods, nietwaar? Een
tweede Elia! Daar moet het heen! Of wij al klagen en bidden, het
helpt niet. Wij moeten de handen aan het werk slaan en den gruwel der
afgoderij uit ons midden wegdoen! Is het geen schande, dat de ware
Kerk moet vergaderen onder den blooten hemel, terwijl onze kerken
tot Baälstempels zijn gemaakt. Wat zegt ge, Eerwaarde? Er zijn genoeg
rappe gasten onder de gilden, die op een woord van u..."

--"Ik heb van niemand den last of de roeping ontvangen om dat woord
te spreken, Lieven Ongena," antwoordde Junius rustig. "Zie toe,
dat de vijanden der gezuiverde religie geen oorzake vinden om ons
van oproer en van verstoring van 's Konings vrede te betichten."

--"Maar de afgoderij der Paapschen...." begon Lieven Ongena.

--"Ons is het niet gegeven, in zoodanige zaken iets te doen, hetzij
dan dat wij een wettige roeping hebben, broeder," zeide Junius. "Het is
de wil des Heeren, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Wij
spreken hierover nader."

Met een verlegen groet droop de drukke man af, blijkbaar ontevreden,
maar toch zonder verdere tegenspraak.

--"Zoo ziet ge, dat de woorden van onzen broeder Modet in vruchtbare
aarde vallen," zeide Junius, die hem hoofdschuddend nazag. "Ik vrees,
jonker Martens, dat ons bange en droeve tijden te wachten staan."

Hij nam afscheid van Jacob, terwijl hij diens aanbod om hem te
begeleiden heuschelijk afwees, hetzij omdat hij den jongen man
te weinig kende, hetzij omdat hij den zoon van den president van
Vlaanderen in geen moeilijke positie wilde brengen, door hem in kennis
te stellen van de woning, waar hij zich schuil hield.

Treslong, die het gesprek van zijn vriend met Lieven Ongena met
blijkbaar ongeduld had aangehoord, fluisterde Jacob bij het scheiden
in:

--"Mocht het aan den dans gaan, jonker, en mocht ge lust hebben
een slag te wagen voor de gezuiverde leer en tegen de Inquisitie,
kom dan te Antwerpen en vraag er in de taveerne "de Fonteyne" naar
hopman van der Aa. Die zal u meer zeggen!"

Toen Jacob dien avond thuis kwam, ontvluchtte hij de donkere blikken
van zijn vader en moeder en het minachtend glimlachje van Madeleine
op zijn kamer. Hij haalde den Geuzenpenning te voorschijn, het
heilig verbondsteeken, gekozen door hen, die de verre strekking van
hun daad niet begrepen, een scherts, die eerlang zulk een vreeselijk
angstige beteekenis zou krijgen. Voor Jacob was het aanvaarden van den
bondspenning heilige ernst. Hij was thans voorgoed aan de heilige zaak
der vrijheid verbonden,--en hij had afstand gedaan van wat hij zich
gedroomd had als het hoogste geluk, het offer aan zijn hoog Ideaal.



V.


Hoe was het begonnen? Wie waren de aanstichters geweest? Wie had het
bevel gegeven tot de noodlottige daad?

Als een dreigend onweer was het komen opzetten over Vlaanderen en
Brabant. De spanning was al grooter geworden; een uitbarsting was
onvermijdelijk en de Regeering stond machteloos om het naderend onheil
te keeren. De landvoogdes drong bij den Koning aan op een antwoord op
hare voorstellen, op toegeven aan de dringende eischen der tegenpartij,
om een burgeroorlog te voorkomen, en Philips draalde.... draalde... en
draaide en zocht uitvluchten, wel vast besloten om nimmer toe te staan,
wat hij vooralsnog niet openlijk durfde weigeren.

Nog den 7den Augustus had Margaretha den Koning geschreven en
aangedrongen op een spoedig antwoord op hare voorstellen omtrent
de bijeenroeping der Staten. De rust des lands, zoo schreef zij,
hing van dat antwoord af, ja, voor dat het kon zijn aangekomen,
zou misschien reeds de burgeroorlog zijn ontbrand.

En de landvoogdes had juist gezien. Den 14den Augustus, den dag vóór
Maria Hemelvaart, brak het onweer los.

Tusschen de Schelde en de Leye, in de nabijheid van St. Omer, verscheen
plotseling een hoop volk, voorzien van bijlen, ladders en touwen,
die het werk begonnen. Het eerst moesten de kapellen en kruisbeelden
langs de wegen het ontgelden, maar weldra vielen de beeldstormers
de kerken en kloosters in en om St. Omer aan. Den 13den hadden 500
Geuzen het klooster en de kerk van den Heiligen Antonius bij Belle
aangevallen en alles wat er aan den Roomschen eeredienst herinnerde,
vernield. Als een lawine nam de beweging toe, honderden sloten zich
bij de beeldstormers aan, zoowel de vurige ijveraars als de boeven
en landloopers, die te dien dage het platteland onveilig maakten. Op
Maria Hemelvaart werden de kerken en kloosters te Richebourg, Estères,
Laventhie, Meenen, Meter, Vrulle, Capelle, Gevinchy, Lorgies en
die rondom Yperen bestormd en de beelden en de altaren verbrijzeld,
terwijl die van de stad Yperen zelve den volgenden dag aan de beurt
waren. In drie dagen tijds waren meer dan vierhonderd kerken en
kapellen verwoest.

Den 20sten Augustus begon de beeldstorming te Antwerpen, 't Was er
juist kermis en de stad was vol vreemd volk, terwijl de aanvoerders der
beweging tevens een schoone gelegenheid hadden, om hunne aanhangers
ongemerkt binnen de stad te brengen. Het eerst was de schoone
hoofdkerk aan de beurt: de beelden, de schilderijen, het orgel, alles
werd er vernield, terwijl de andere kerken en kapellen hetzelfde lot
ondergingen. De magistraat was machteloos tegen de volkswoede en liet,
na een vruchtelooze poging om de kathedraal te redden, de beeldstormers
begaan. Van vijf uur in den avond tot 's morgens waren de verwoesters
aan het werk en toen waren ongeveer dertig kerken en kapellen vernield.

Van Antwerpen sloeg de beweging over naar Gent.

Nauwelijks waren daar de geruchten van wat er in de groote Scheldestad
was voorgevallen bekend geworden, of er ontstond een hevige
beweging onder het volk. Men wist wel, wat er in de laatste dagen
op het platteland was voorgevallen, maar dat telde niet. Doch nu te
Antwerpen! Men had dan gedurfd! De ure der bevrijding was gekomen! De
macht der geestelijkheid, waarvoor men zoolang had gesidderd, was
nietig gebleken, en de regeering zelve had niets durven ondernemen,
toen het Gereformeerde volk optrad en de teekenen der paapsche
afgoderij neerwierp en verbrijzelde en de kerken zuiverde. Waarom
niet te Gent zoo goed als te Antwerpen?

Zoo had men geredeneerd en gevraagd en het gerucht liep door de stad,
dat er des anderen daags--het was de 24ste Augustus--op de Vischmarkt
een groote volksbijeenkomst zou plaats hebben, waar men de zuivering
der kerken te Gent zou bespreken. Het "Vive le Geus" had den geheelen
avond luide door de stad geklonken. Groote troepen volks liepen
zingend rond. Soms klonken op de slepende wijzen van Clement Marot, de
Datheensche psalmen door de straten, dan waren het weer Geuzenliederen,
plotseling ontstaan, vervaardigd door onbekende dichters, maar die
in enkele dagen door het heele land werden verspreid en gezongen.


    "Alle de Santen sijn gaen duyken,
    "Sy en doen geen miraaklen meer!"


Zoo zongen de Gentsche Geuzen en de magistraat, de geestelijkheid en
dat gedeelte der burgerij, dat de regeering en de oude religie trouw
was gebleven, ze wachtten vol onrust en bekommering op de dingen,
die komen zouden.

Jacob Martens was dien avond vroeg naar zijn kamer gegaan. In het
anders zoo vroolijke huisvertrek was het de laatste dagen weinig
opwekkend. De president correspondeerde druk met de regeering te
Brussel, en wanneer hij in den huiselijken kring verscheen, was zijn
voorhoofd bewolkt en zijn toon kort en barsch. Het gelaat van Vrouwe
Martens stond strenger dan ooit en hare woorden vielen koud als ijs
en scherp als staal op haar zoon, den afvallige van zijn Koning en
zijn Kerk. Madeleine bejegende hem koel en bits; met een smadelijk
glimlachje zag zij neer op den dommen dweper, die zijn overtuiging
dorst stellen boven haar, en Klaartje keek hem verschrikt met haar
groote blauwe oogen aan, als kon zij het vreeselijk feit maar niet
begrijpen, dat haar broeder een Geus, een ketter was geworden.

De gebeurtenissen der laatste dagen hadden Jacob verontrust en
ontsteld. Hij kon wat hij zag en hoorde niet overeen brengen met de
eischen van Gods Woord en van zijn geweten. De ruwe baldadigheid der
beeldstormers stuitte hem tegen de borst. De domme vernielzucht, die
alles verwoestte en vertrapte wat schoon en liefelijk was, wat door de
vrome vereering van vele eeuwen was gewijd, deed hem pijnlijk aan. Hij
had den geloofsmoed der Hervormden bewonderd, hij had de macht hunner
overtuiging erkend, hij had de kracht van hun geloof aan zijn eigen
ziel ervaren,--maar was het noodig, om de zuivere Kerk van Christus
te stichten, dat men zoo rauwelijk brak met het verleden? Eerde men
den Christus, als men het kruisbeeld smadelijk vertrapte?

De meesten zijner geloofsgenooten meenden het. Zij juichten de beweging
met geestdrift toe en zij verwachtten blijkbaar, dat hij doen zou
als zij. Was het dan misschien tòch een Gode welgevallig werk, dat
zoo vele ernstige, vrome mannen het verdedigden en prezen? Was het
laakbare zwakheid, gehechtheid aan de Paapsche afgoderij, zooals
zijne geestverwanten het noemden, dat hij deze dingen niet zien kon
zooals zij?

Franciscus Junius alleen scheen er over te denken als hij. In de
laatste dagen had hij den Franschen predikant, die zich nog altijd te
Gent ophield, herhaaldelijk ontmoet, en hij had het bleeke, verstandige
gelaat meer dan eens peinzend en bedrukt gezien. Junius zeide niet
veel van de beeldstormerij. Hij was blijkbaar van oordeel, dat bij de
algemeene opgewondenheid een afkeurend of waarschuwend woord niet zou
worden aangehoord en dat hij, die het te kwader uur sprak, den invloed
kon verliezen, dien hij in de moeilijke dagen, die aanstaande waren,
maar àl te zeer zou behoeven. En hetzij terecht of ten onrechte,
Junius verzette zich niet openlijk tegen den beeldenstorm, althans
niet, toen die wellicht nog ware te keeren geweest.

Toch keurde hij de beweging niet goed, Jacob wist het zeker. Hij had
met den predikant over het Couter gewandeld, toen de drukke ijveraar,
Lieven Ongena, beweeglijk als altijd, op hen was toegeschoten, en hen
met luidruchtige betuigingen van blijdschap en instemming had verhaald,
wat er te Antwerpen was voorgevallen. "Weldra," zoo verzekerde de
man, "zou het volk te Gent het voorbeeld der Antwerpsche broeders
volgen. Zou het dan, naar het oordeel van den Eerwaarden Junius,
geraden zijn, zelf mee de hand aan het werk te slaan en als leider
dier beweging op te treden?"

Junius had den opgewonden man kalm en met een fijnen glimlach
aangezien.

--"Wellieve broeder," had hij gezegd, "wij moeten alleen datgene
doen, waartoe wij van God geroepen zijn. Gij hebt hiertoe geen
gewone roeping, want ge zijt geen Magistraat en ge hebt geenerlei
wettige bevoegdheid of autoriteit. En ge hebt ook tot dit werk geen
buitengewone roeping, want ge vraagt mij om raad, en dat zoudt ge
niet doen, als ge wist, dat ge tot dit werk van God geroepen waart."

Lieven Ongena had op zijn neus gekeken, en had zich hoofdschuddend
verwijderd, blijkbaar uit zijn humeur, omdat zijn ijver zoo weinig
werd gewaardeerd.

Maar anderen hadden gesproken, zooals hij. De beeldenstorm van
Antwerpen had onder het volk luide toejuiching gevonden; er was
gisting en woeling in de stad.

Jacob had het venster van zijn kamer geopend, en, op het kozijn
geleund, staarde hij naar buiten, in den schoonen zomernacht. Vóór
hem lag de donkere stad, maar 't was er niet, zooals anders op
dit uur, rustig en stil. Verwarde geluiden stegen op uit den nacht;
gejoel en psalmgezang, geschreeuw en getier, dan weer de galm van een
Geuzenlied. Van tijd tot tijd werden de donkere straten even verlicht
door een rossen gloed, als er een troep, met harstoorts of pekkrans
zwaaiend, daarheen trok.

En plotseling stegen er uit die duisternis vreemde geluiden op,
nu schril en schetterend en schel, als het hoongelach van duivelen,
dan brommend en loeiend, als een monster in doodsangst. Het galmde en
schaterde door de nauwe straten, en de Gentsche burgers, die deuren
en luiken eerst angstig gesloten hielden, vertoonden zich nu met
ontstelde gezichten aan hunne vensters, om te weten welke helsche
macht er over hunne stad was losgelaten.

Ook Jacob boog zich, verwonderd en ontsteld, voorover. Het gebriesch,
het gillend gegalm kwam nader en nader, een tierende hoop kwam
langs de "dulle Griete" de Vrijdaegsmarkt op, verlicht door
hunne pekfakkels,--wrongen van zeildoek of werk, in teer gedoopt
en aangestoken. Het rosse licht viel op de mannen en opgeschoten
jongens, die voor aan den stoet liepen. Zij waren voorzien van lange,
blinkende instrumenten, waarin zij bliezen met de volle kracht hunner
longen, onder het geschater der omstanders. Eén oogenblik stond Jacob
verbaasd; toen begreep hij wat er gaande was, en hij schaamde zich
voor zijn angst. Die instrumenten waren de orgelpijpen der Antwerpsche
kerkorgels, door de beeldstormers naar Gent gebracht, en uitgedeeld
onder het grauw.

En al gillend en huilend voorspelden ze den ondergang van de
heiligenbeelden te Gent.

Den volgenden morgen was Jacob al vroeg op straat. Hij vreesde,
dat zijn vader hem zou verbieden, het ouderlijk huis te verlaten en
een koortsachtige nieuwsgierigheid dreef hem naar buiten, om te zien
wat er zou gebeuren. Want dat de beeldenstorm dien dag naar Gent zou
overslaan, stond vast.

Het was druk op straat. De meeste gildebroeders hadden zich uit eigen
beweging naar hunne loopplaatsen begeven, en wachtten op de bevelen
hunner overlieden. Evenals den vorigen avond trokken er troepen volk
door de stad, soms benden opgeschoten knapen, tierend en schreeuwend,
blijkbaar in hun element, maar ook wel andere groepen, mannen met
stroeve gezichten en saamgeknepen lippen, of anderen, met wilde,
dwepende oogen, die in woeste geestvervoering de Datheensche psalmen
zongen. Het volk stroomde naar het Raadhuis, waar de overheid, de zes
en twintig "mannen oprechte", en de overlieden der twee en vijftig
ambachten en der wevers, waren vergaderd, onder voorzitterschap
van den Hoog-baljuw. Jacob volgde den stroom en bevond zich weldra
voor het eerwaardige gebouw. Juist kwam hij er aan, toen hij een
groep burgers zag, die de trappen van de hooge stoep opklommen. Hij
herkende terstond eenige der voornaamste Gereformeerden en aan hun
hoofd, met een grooten, gezegelden brief in de hand, bevond zich de
roerige Lieven Ongena,--die weinig vermoedde, dat die gang hem binnen
weinige maanden het hoofd zou kosten.

Na eenigen tijd kwam de deputatie terug, ditmaal vergezeld door een
wacht van hellebaardiers. Het gezicht van Lieven Ongena glom van
genoegen, zijne onrustige oogen flikkerden zenuwachtig en met luider
stem riep hij het volk toe:

--"De beelden worden weggenomen op last van Mijnheer den
Hoog-Baljuw! Naar St. Baef!"

--"Naar St. Baef! Naar de kerk!" jubelde het volk. "Weg met de
Santen! Weg met de afgodsbeelden!"

En juichend, onder het zingen van psalmen en Geuzenliederen, trok
men naar de hoofdkerk.

Vol verbazing over de zonderlinge toegeeflijkheid van den Hoog-baljuw
sprak Jacob Martens een van de leden der deputatie aan, dien hij kende.

--"Zeg mij toch eens, Meester Geleynsz, hoe heeft Lieven Ongena dàt
er door gekregen?" vraagde hij nieuwsgierig.

De Gentenaar lachte spottend.

--"Ze zijn daarginds met blindheid geslagen of zot!" zei hij. "Lieven
Ongena trad stout voor den Hoog-baljuw en zeide, dat er last was, om
de beelden uit de kerken weg te doen. "Van wien is die last?" vraagde
men. "Van de hoogste Majesteit!" zei Lieven en hij wees op zijn
verzegeld perkament. En zoudt ge 't gelooven? de ezel liep in den
strik en zei, dat hij 's Konings bevel moest gehoorzamen. Lieven
Ongena bedoelde natuurlijk, dat men de beelden moest afwerpen volgens
den last des Heeren, in het tweede gebod."

Zóó was het. Het ongelooflijke was geschied. Al is 't niet aan te
nemen, dat de weifelende Adolf van Bourgondië inderdaad meende, dat
er een bevelschrift der hooge Regeering was, om een daad te plegen,
die zij moest verfoeien, hij verschool zich achter die bewering, om
oproer te voorkomen. "De beelden zouden ordelijk worden weggenomen
en geborgen, en niemand zou eenig geweld plegen."

Maar zoo hij gemeend had, op deze wijze den storm te bezweren, het
mislukte hem deerlijk. Wat Lieven Ongena wellicht had beloofd, hij
was er de man niet naar, om een volksbeweging te leiden. Nauwelijks
waren de kerkdeuren van St. Bavo geopend, of het volk, door eenige
Antwerpsche beeldstormers geleid, drong de kerk binnen en begon het
werk der verwoesting.

Waar men zoo spoedig de ladders, de touwen en het overige gereedschap
vandaan haalde, begreep Jacob niet, maar in een oogenblik stonden de
hooge leeren tegen de zuilen der kerk en jonge gasten klommen als
katten naar boven. Om het hoofd der heiligenbeelden werd een strop
geslagen. "Berg je beneden!" klonk het en een schaar van mannen
en vrouwen spanden zich juichend aan het afhangend touw. Nog een
oogenblik en het zware beeld stortte van zijn voetstuk en viel op de
zerken te pletter.

Van een geregeld wegnemen en opbergen der beelden en schilderijen,
zooals de leiders misschien hadden bedoeld, kwam niets. Het volk was
niet te houden. Jacob Martens, die niet ver van het altaar het werk der
verwoesting aanschouwde, zag met ontzetting de uitbarsting van den wrok
van het lang geplaagde volk. Het aantal van hen, die eigenlijk het werk
deden, was niet zoo groot, maar de schare stond er bij, en zag het aan,
met kennelijk welgevallen, soms met luide toejuiching. Hij zag, hoe
eenige jonge knapen zich van een langen sliet hadden meester gemaakt
en er onder luid gelach de schoone schilderijen, de meesterwerken der
oude Vlaamsche school, die de wanden der kerk versierden, mee stuk
stieten. Geschilderde glazen en fraai houtsnijwerk, gouden en zilveren
kelken en gedreven koperwerk, alles werd vernield en vertrapt door
de fanatieke menigte, die van kunst geen begrip had en in dit alles
slechts de symbolen zag van een eeredienst, dien zij verfoeide.

Het altaar was tot nog toe gespaard. Het was, alsof een zekere schroom
de beeldstormers had weerhouden zich te vergrijpen aan wat velen hunner
in hun jeugd heilig was geweest. Nu vloog echter een schippersknecht
de trappen op, stiet de gewijde kaarsen omver en rukte het ciborium
open. Hij nam den monstrans en hield dien een oogenblik in de hoogte,
terwijl hij spottend den priester nabootste. Toen opende hij de vaas
en nam er de gewijde ouwels uit.

--"Melis! Melis! Jan de Witte!" [1] juichte het volk.

--"Wie wil een God?" schreeuwde de schipper. "Wie er aan een niet
genoeg heeft, kan er twee krijgen."

--"Ik! Geef hier!" klonk het van alle kanten.

--"Pak aan!" En in een oogenblik waren de ouwels verdeeld onder
het tierende volk, dat er met baldadigen spot allerlei ruwe grappen
mede uithaalde.

In minder dan een uur was de trotsche hoofdkerk een ontredderde romp
en de beeldstormers, die zagen, dat de overheid hen hun gang liet gaan
en zelfs geen poging waagde om het oproer te onderdrukken, togen naar
de andere kerken en de kapellen der kloosters, om daar het werk der
verwoesting voort te zetten.

Jacob raakte met het volk op straat en zag de joelende menigte
aftrekken. Juist stond hij besluiteloos, of hij de beeldstormers
zou volgen, of naar huis terugkeeren, toen hij een man den hoek der
straat zag omslaan, in wien hij tot zijne blijdschap Franciscus Junius
herkende. Hij snelde den predikant tegemoet.

--"Wat een dag, Eerwaarde! Hebt gij 't gezien? Wat zal daarvan worden?"

--"Wat daarvan worden zal, is den Heere God bekend!" zeide hij. "Maar
ik vreeze zeer, dat die van onze religie door deze onberaden daad
zelf de koorden hebben gedraaid, waarmede men ze ter slachtbank
zal sleepen!"

--"Maar de beelden in de kerken..."

--"Zijn stomme afgoden! Hun tijd zou vanzelf wel gekomen zijn! Niet met
hen behoorde men te beginnen, waar het geldt, de zuivere Kerke Christi
te stichten. Maar het dwaze volk ziet slechts aan wat voor oogen is!"

--"Maar als toch uw vriend Treslong gelijk heeft? Als dit het begin
van den opstand was...?"

Een pijnlijke glimlach speelde om de lippen van den Franschman.

--"Wellieve broeder," zei hij vriendelijk, "ge zijt nog jong en
moet de menschen nog leeren kennen. Jan Blois van Treslong heeft een
hart van goud en is dapper als een leeuw, maar hij is allerminst een
staatsman. In den strijd kunt ge op hem rekenen, maar niet in de ure
der beproeving!"

--"Neen," ging hij voort, terwijl hij peinzend voor zich uit
staarde. "Deze beweging komt te vroeg, en zij had ook zóó niet moeten
komen. Dit volk heeft geen leiders. Er moeten nog andere tijden komen,
eer de mannen zullen opstaan, die het groote werk zullen volbrengen. Op
Gods tijd zal Hij den Mozes zenden, die Zijn volk verlossen zal uit
het diensthuis van Egypte!"

--"Maar als nu toch de edelen zich eens aan het hoofd zetten der
beweging?"

--"De edelen? Reken niet op hen! O, ik heb ze wel doorzien, daarginds
te St. Truyen. Wat al lichtzinnigheid, en eerzucht en valsche ijver! Ge
zult het zien: de Roomsche edelen zullen zich thans terugtrekken
en de Gereformeerde zullen bevreesd zijn voor de gevolgen van hun
optreden. Neen, jonker Martens, onder hen schuilt de Mozes niet!"

Al sprekende waren zij op de Vischmarkt aangekomen, waar Junius
eenige leiders der Gereformeerden hoopte te ontmoeten. Hun aandacht
werd weldra getrokken door een oploop. Een hoop volk, grootendeels
bestaande uit vischwijven en straatjongens, had zich verzameld bij
den ingang der overdekte halle, op de plaats, waar nog dien morgen
het groote kruisbeeld had gestaan. Toornige kreten en nu en dan een
daverend gelach stegen uit den hoop op.

Naderbij gekomen, zagen Junius en Jacob Martens, dat een aantal
opgeschoten kwajongens een ouden monnik plaagden en sarden. Zij hadden
een kring om den ouden man gevormd en wilden hem niet doorlaten, voor
hij hun de absolutie had gegeven, die zij met luid misbaar van hem
eischten. De monnik van zijn kant verkeerde blijkbaar in een toestand
van dolle opgewondenheid. Het oude gezicht was hoogrood gekleurd,
hij dreigde de spottende knapen met de gebalde vuist en schold en
vervloekte hen, beurtelings in het Vlaamsch en in slecht Latijn.

--"Apage te, Satanas! Voort, kettersch gespuis, uitbroedsel der
hel! Maledicat vos Deus omnipotens! Blijf af van den gezalfde des
Heeren met je vuile drakenpooten!"

--"Absolutie, pater, geef ons de absolutie!" schreeuwden de bengels,
terwijl zij den ouden man aan zijn pij heen en weer trokken. "De
absolutie! Dan laten we je gaan!"

--"Dat moet niet voortgaan!" zei Junius verontwaardigd. "Kom, jonker!"

En door Jacob geholpen, stiet hij de grinnekende vischwijven op zijde
en bevrijdde den ouden man uit de handen zijner plaaggeesten.

--"Meent gij de zaak des Heeren en die der Kerk te dienen door het
mishandelen van een grijsaard?" voegde hij de verblufte knapen in
gebroken Vlaamsch toe.

De toon van gezag, waarmede hij hen toesprak, en zijn deftige
kleeding boezemden den ruwen klanten ontzag in. Toch zouden ze zich
waarschijnlijk niet lang hebben laten terughouden, zoo een paar hunner
den predikant niet hadden herkend.

--"Ds. Junius! De Waalsche predikant!" werd er gemompeld, en de
aanvallers traden bedremmeld terug.

Maar de oude monnik, wel verre van den man dankbaar te zijn, die hem
van zijn kwelgeesten had bevrijd, trad bij het hooren van dien naam
met een van woede vertrokken gezicht op den predikant toe.

--"Zijt gij Junius?" krijschte hij. "De sectaris, de aartsketter,
de verloopen Hugenoot? Gij zijt de aanstoker van deze plonderfielen,
de deken van deze rabauwige tempelschenners! Geef mij het zilveren
zegel terug, dat die dieven uit St. Jan hebben gestolen! Ze hebben
het u gebracht..."

--"Man, wat raaskalt gij? Wat weet ik van uw zegel?" riep Junius.

--"Gij zijt de dief, ja, de dief!" gilde de oude. "Geef het terug,
Judas!"

Met uitgestrekte grijpvingers drong hij op den predikant aan, maar
de omstanders hielden hem tegen.

--"Ziet gij wel, Eerwaarde," riepen zij, "dat de paap bezeten is? Laten
wij hem in 't kanaal gooien, om te zien, of hij drijft."

--"Laat den man gaan!" zei Junius met gezag en in het Fransch vervolgde
hij tot Jacob: "De schrik heeft den oude zinneloos gemaakt!"

Tierend en scheldend verwijderde zich de oude monnik.

Junius wendde zich tot zijn metgezel.

--"Zoo zal het gaan!" zeide hij. "Wij zullen worden beschuldigd,
dat wij deze zaak hebben gewild. Wat eenige baldadigen en onbedachte
ijveraars hebben bedreven, zal op allen worden verhaald. En dat
juist thans! Weinig dingen, die Mevrouw van Parma en haar raadgevers
zóó van pas konden komen, tot schade van de goede zaak en de Kerke
Christi. Doch, de Heere God regeert!"



VI.


Bij het uitbreken van het oproer, bij het vernemen van het stoutmoedig
optreden der beeldstormers was de Landvoogdes eerst radeloos
geweest. Zij vreesde het ergste; zij had zelfs uit Brussel willen
vluchten en slechts met moeite, bijna met geweld, hadden Oranje,
Egmond, Hoorne en Viglius haar kunnen bewegen, van dien stap af te
zien. Toen had zij, bevreesd voor den omvang der oproerige beweging,
bewilligd in een verdrag, waarbij de plakkaten werden geschorst en de
openbare prediking aan die van de Nieuwe Religie werd toegestaan. En
inderdaad, wat de Regeering op dat oogenblik door geen geweld van
wapenen had kunnen verkrijgen, het werd door dit besluit als met een
tooverslag bereikt. De oproerige bewegingen hielden op. De Geuzen
legden de wapenen neder en de mannen van Vlaanderen en Brabant keerden
tot hun dagelijkschen arbeid terug. Zij wilden niet opstaan tegen hun
Landsheer. Zij verlangden slechts vrijheid, om hun God te dienen naar
de inspraak van hun geweten, zonder voor zichzelf en voor hun dierbaren
te moeten vreezen voor de gehate Inquisitie, voor kerker en schavot.

Wat ook misschien in die dagen van woeling de politieke bijoogmerken
mochten zijn van de leiders der beweging, het volk deed niet aan
politiek. Het vroeg slechts naar datgene, wat het het naast aan
het hart lag,--waarop het een heilig recht had. En in een lange en
bange worsteling heeft dat volk bewezen, dat het voor dat recht alles
veil had!

Maar toen Margaretha van Parma zag, dat de storm voor het oogenblik
was bezworen, herademde zij, en weldra bleek het, dat zij zou doen,
wat zij kon, om aan de bepalingen van het haar afgedwongen verdrag te
ontkomen. De beeldstormers werden overal met de grootste gestrengheid
vervolgd,--dit was te begrijpen--maar ook de bepalingen omtrent de
vrije prediking des Woords werden niet nagekomen. Overal, waar men
er kans toe zag, werd den Hervormden de voet dwars gezet.

En ondertusschen wapende zich de Landvoogdes om een tweeden opstand met
geweld te kunnen onderdrukken. Zij nam troepen in dienst, die onder
aanvoering stonden van hare getrouwe aanhangers, en zij schreef aan
den Koning, dat hij toch spoedig zou komen om den oproerigen geest
der landzaten voorgoed te fnuiken...



Met een bedrukt hart zat Vrouwe Martens in haar bidvertrek.

Zij was in zware zorg. Het was haar spoedig genoeg ter oore gekomen,
dat haar zoon zich had bevonden onder de beeldstormers van St. Bavo. De
Hoog-baljuw had het den president zelf meegedeeld: zijn spionnen hadden
Jacob Martens gezien; zij hadden ook gezien, hoe hij, in gezelschap
van den beruchten ketterschen predikant Junius, de hoofdkerk had
verlaten. Op de hevige verwijten, die men hem had gedaan, had Jacob
geantwoord, dat slechts een begrijpelijke nieuwsgierigheid hem naar
buiten had gedreven, dat hij aan de beeldstormerij geen deel had
genomen en dat hij die woeste uitspattingen der vernielzucht zeer
zeker niet goedkeurde. Zijn ouders hadden hem nauwelijks geloofd in
hun angst en hun opgewondenheid,--en voor dien angst was er reden
genoeg. Vrouwe Martens wist van haar man, dat de Regeering, een
oogenblik onthutst, weldra weer moed had gevat, toen zij zag, dat de
beweging geen verdere gevolgen had, en dat zij zich gereed maakte voor
een vreeselijke wraakoefening. Zij kon het doen, want het aantal der
ontevreden edelen, ontnuchterd en verschrikt door de gevolgen van hun
verzet, hadden de zaak der vrijheid verlaten en zich aan hare zijde
geschaard. Zelfs Egmond, de stadhouder van Vlaanderen,--een der "drie
Heeren", die het de Landvoogdes soms zoo bang maakten,--stemde in met
de plannen voor een geduchte strafoefening en zou eerlang persoonlijk
zijn gewest bezoeken, om er de vervolging der schuldigen te leiden.

Hoe gemakkelijk kon Jacob in die vervolging worden betrokken! Ja,
wat meer was, hij was schuldig volgens de plakkaten, door zijn
omgang met Junius, die zelfs bij de Moderatie buiten de wet was
gesteld. Welke gevolgen zou dit alles hebben voor Jacob zelf? En ook
voor zijne ouders?

En meer dan dit alles kwelde de vrome Katholieke de angst om het
zieleheil van haar kind, haar bittere smart, dat hààr kind, hààr zoon
was afgedoold van de immers toch alléén zaligmakende Moederkerk,
dat het besmettelijk euvel der ketterij ook hem had aangetast en
dat hij voor eeuwig verloren was. Zij had hem lief, op hare wijze,
een liefde, die zich nimmer toonde in eenig zacht of liefkoozend
woord, die zij immer zorgvuldig verborg, als een zwakheid, die
zij zich schaamde, maar toch een echte, sterke liefde, die er niet
voor zou hebben geschroomd, om haar eigen zaligheid te verbeuren,
als zij er die van haar zoon mee had kunnen koopen. Vele uren had
zij doorgebracht op haar bidstoel; tallooze malen gleden de kralen
van haar rozenkrans door hare vingeren, als zij de Moedermaagd, haar
bijzondere patronesse, smeekte, om haar zoon terug te voeren van zijn
doolweg, om hem te redden van de eeuwige pijnen der hel, om hem te
behoeden ook voor de gevolgen zijner dwaasheid in de naaste toekomst,
voor het zwaard van den beul misschien!

Ook ditmaal was zij weder verzonken geweest in het gebed, maar het had
haar geen troost gebracht. Droevig staarde zij naar het Mariabeeld:
de Moeder Gods moest toch weten, wat in haar omging, zij, die zelve
van zoovele smarten was doorstoken, aan den voet van het Heilige Kruis.

Zij had haar nood geklaagd aan haar biechtvader, den goeden,
ouden pastoor der St. Jacobskerk, maar de grijsaard had haar niet
veel troost kunnen geven, en haar slechts opgewekt tot vurig gebed
en--berusting. En berusting was wel het moeilijkst voor een natuur
als die van Vrouwe Martens.

Plotseling staarde zij strak voor zich uit. Een licht rood kleurde
haar bleeke wangen. Een gedachte was in haar opgerezen, die redding
kon brengen: dat was eene verhooring van haar gebed, eene ingeving
van de Heilige Maagd!

Zij zou zich wenden tot den geleerden en vromen prior van het
Dominicaner klooster. Vader Anselmus, een man, die gezien was bij
hoog en laag, om zijn edel hart en zijn kloek verstand, en van wien
slechts de inquisiteur Titelman en zijn aanhangers beweerden dat hij
te laks was in zijn ijveren tegen de ketters.

Vrouwe Martens kende den prior. De eerwaardige man, die anders zijn
studeercel zelden verliet, had haar en haar echtgenoot enkele malen
bezocht, om te spreken over zekere landerijen van het klooster,
welke grensden aan een stuk land van den president. Zij had toen een
goeden indruk ontvangen van de kalmte en het beleid, waarmede Vader
Anselmus de zaken behandelde. Later had hij zijn bezoek herhaald;
er was toen ook gesproken--kon het wel anders?--over den toestand
des lands, en hoewel de vurige ziel van Vrouwe Martens geen vrede
kon hebben met de rustige beschouwingen van den ouden priester, die
haar halfheid en lafheid toeschenen, een weifelaar slechts waardig als
Hopperus, toch had zij als goede Roomsche een diepen eerbied voor zijn
priesterlijk ambt en geestelijke waardigheid. Wellicht gevoelde zij,
dat hij de afdwalingen van haar zoon zachter zou beoordeelen dan zij
zelve het vermocht.

Snel stond zij op. Na zich als een goede huisvrouw overtuigd te hebben,
dat Klaartje en Madeleine, zoowel als hare dienstboden, het haar
opgedragen huiswerk inderdaad behoorlijk volbrachten, hing zij haar
huik om en verliet het huis. 't Was stil op straat, een doodsche,
leege stilte, na de opgewondenheid van weinige dagen geleden. Het
was of Gent, na de woeste oproerkreten en de uitspattingen van den
beeldenstorm, verschrikt over eigen roekeloosheid, thans sidderend
den slag afwachtte, die dreigde, dreigde--en maar al te spoedig en
te onbarmhartig zou treffen.

Vrouwe Martens had weldra het klooster der Dominicanen of Predikheeren
bereikt: een statig gebouw, aan den waterkant van de gekanaliseerde
Leye, die hier langs steenen kaden door de stad stroomde. Zij
noemde haar naam aan den broeder-portier, en weldra stond zij in de
kloosterbibliotheek tegenover den prior.

Zij begon haar verhaal, eerst stroef en kort,--maar de meewarige
blik van den grijsaard, die haar lijden begreep, boezemde haar
vertrouwen in en maakte haar tong los. Tranen, heete tranen van smart
en teleurstelling, vloten de fiere vrouw langs de wangen; zij sidderde
voor het eeuwig heil van haar zoon, maar niet minder haast leed zij,
onder de krenking van haar trots, wanneer zij dacht aan al wat haar
eerzucht van Jacobs toekomst had gedroomd,--droomen, die wel nimmer
verwezenlijkt zouden worden. Wat zou het lot zijn van den ketter,
den rebel?

De grijze priester had haar zwijgend aangehoord.

Toen zij uitgesproken had, schudde hij droevig het grijze hoofd.

--"Het zijn booze tijden, Vrouwe Martens!" zeide hij, "en ik vreeze
zeer, dat nog boozere in aantocht zijn. De afval is groot--en men
zal dien nog grooter maken door onverstandige strengheid. Wat men
had moeten trekken met koorden der liefde, heeft men willen drijven
met den staf van het geweld,--en nu moet men wel voortgaan op dien
weg. Wel moeten onze zonden groot zijn voor Gods aangezicht, dat Hij
zijne Kerke aldus bezoekt."

--"Maar de ketters en sectarissen zijn toch vijanden van God en zijn
Kerk, Vader," zei Vrouwe Martens heftig.

--"De ketters zijn de dwalende schapen der Kerk," zeide de prior
kalm. "De goede herder moet ze terugbrengen tot de kudde, en ze niet
heendrijven naar de grijpende wolven."

--"Maar de Inquisitie, Vader..."

--"De Inquisitie is goed bedoeld, maar verkeerd begrepen. Zij moest
ten zegen en ter redding zijn, en zij is een vloek geworden voor deze
landen. De Inquisitie moest zijn de arts, die de krankheid naspeurt,
de wonde peilt om haar te genezen, niet de rechter, die de misdaad
zoekt om haar te straffen. Ook gij, dochter, met uw echtgenoot,
hebt dwaas en zondig gehandeld tegenover uw zoon."

Trotsch hief Vrouwe Martens het hoofd op; een scherp antwoord rees
haar op de lippen, en al de eerbied, dien het ambt en de leeftijd
van den prior haar inboezemden, was noodig om haar te beletten het
te uiten. Toch kleurde zij van ergernis.

--"Wat natuurlijker," ging Vader Anselmus voort, "voor een
jong en edelmoedig herte, dan dat het medevoelt met ellendigen en
verdrukten. En hoe snel komt de onbedachte jeugd er niet toe, om partij
te trekken voor wat haar verdrukt schijnt, zonder te vragen naar de
oorzaak van het leed, dat zij wil verzachten. Uw zoon heeft gedwaald,
maar 't is de dwaling van een edel gemoed. En in plaats van hem met
liefde te leiden hebt ge hem met harde, bittere woorden bejegend,
en hem zóó voortgedreven op zijn weg, voort naar de sectarissen,
tot gij zelve vreest, dat hij betrokken zal worden als medeschuldige
aan hun heiligschennend werk."

Jacobs moeder boog bedroefd het hoofd.

--"Maar wij willen hem redden," ging de prior voort. "Ik geloof
met u, dat de regeering de rebellen zwaar zal straffen, en dat wie
in de eerste hitte des toorns worden getroffen, voor velen zullen
boeten. Maar de "vrijheid" van ons klooster, ons recht van vrijplaats,
is nog nimmer aangetast. Spreek met den president, en breng ons uw
zoon, voor eenige weken, voor eenige maanden misschien. Men zal den
zoon van den president van Vlaanderen, wiens ijver voor de zaak des
Konings bekend is, niet al te zeer zoeken, meene ik. Men zal ook
deernis hebben met zijne jonge jaren. Hij zal hier veilig zijn,
en als hij wil, kan hij de studie der oude Heidensche schrijvers
weder opvatten, waarbij ik hem gaarne naar mijne zwakke krachten
zal bijstaan."

Vrouwe Martens slaakte een zucht van verlichting. Dit voorstel
bracht inderdaad redding. Zelfs al wilde men Jacob vervolgen om zijn
omgang met Junius, en het deel, dat hij, zij het dan als lijdelijk
toeschouwer, had genomen aan de beeldstormerij, onder de hoede der
Dominicanen zou hij veilig zijn. En wie kon er beter geschikt zijn,
om hem van zijne kettersche afdwalingen te genezen, dan een heilig man,
als de prior?

Maar haar gelaat betrok weder.

--"Ik vreeze, Eerwaarde Vader," zeide zij onrustig, "dat mijn zoon
zóó is aangetast door het gif der ketterije, dat hij mogelijk niet
zal inzien, wat tot zijn heil dient en zal weigeren, zich onder uw
hoede te stellen. Dat ik het van mijn kind getuigen moet! Hij is
onze gehoorzame zoon in alle dingen, maar in zake van deze rebellie
en ketterije hebben wij geen invloed meer op hem, zijn vader, noch
ik. Zouden wij dan... met geweld..."

Vader Anselmus schudde afkeurend het hoofd.

--"Geen geweld en geen dwang, dochter, het zou den knaap slechts
verbitteren, en daarbij,--nog is alles in gisting, nog hebben die van
de Calvinische secte grooten aanhang in de stad,--het ware wellicht
niet geraden. Er zijn andere wegen om een jeugdigen dwaas te redden,
al is het tegen zijn wil. Luister! Kom morgen met uw zoon naar den
vesperdienst in onze kapel. Na den dienst zal een der broeders u
tot mij leiden. Ge verlaat het klooster,--en ge laat het mij over
met den jonker Martens te spreken. Zoo ge hem misleidt, het is voor
zijn welzijn. Een tijd van stille afzondering zal hem heilzaam zijn
en met de hulpe van onzen heiligen Patroon geef ik hem u terug als
een gehoorzamen zoon en een goed Christen."

Blijde stemde Vrouwe Martens in met het voorstel van den prior. Met
een verlicht hart verliet zij het klooster en zocht, thuisgekomen,
aanstonds den president op, met wien zij een langdurig onderhoud had.

Op bevel van zijn vader had Jacob sinds den beeldenstorm de ouderlijke
woning niet verlaten. Hij wilde zich in alles, waar hij het kon en
mocht, een goeden en gehoorzamen zoon toonen. Het smartte hem, dat hij
zijne ouders een groot verdriet moest aandoen, maar mocht hij, ja kòn
hij anders? Hij kon haar niet dooden, die diepgevoelde overtuiging,
die er leefde in zijn ziel en die het beste was, wat hij bezat. Hij
kon evenmin huichelen. Wat kon hij dan anders, dan zwijgen, dulden,
en afwachten?

Inmiddels kropen de dagen traag voorbij. Zijn boeken en zijn
Liesveldsche Bijbel, dien hij met zijn geuzenpenning zorgvuldig
verborgen had gehouden, waren zijn eenige troost. Berichten van zijne
vrienden konden hem niet bereiken, want president Martens had strenge
bevelen gegeven, dat niemand bij zijn zoon mocht worden toegelaten. Wat
hij nog vernam, hetzij door de fluisterende gesprekken der dienstboden,
die hij opving, of uit de weinige woorden, die zijne ouders aan tafel
wisselden, waren geruchten over de dreigende houding der Regeering,
over den toorn des Konings en over de ellende, die de oproerige edelen
en hun aanhang over het land brachten. Zijn vader was kortaf en stroef,
zijne moeder, als altijd, hard en koud, Madeleine behandelde hem met
smalende minachting en wees elke poging tot verzoening af. Alleen
zijn zuster trachtte hem te troosten, maar haar troost baatte
hem niet veel. De goede Klaartje kon maar niet begrijpen, waarom
Jacques opeens zoo koppig en dwars was geworden. Wat konden hem toch
die Geuzen schelen, die oproermakers, waarvoor zij bang was en die
kettersche predikanten, wier eenige toeleg immers was, de menschen
in 't verderf te storten. Haar biechtvader had het haar verzekerd
en haar moeder geloofde het ook. Waarom kon Jacques weer niet zijn
als vroeger en ter misse en te biecht gaan? Dan zou alles weer goed
zijn en met Madeleine zou het dan ook wel weer in orde komen, want
die hield zich maar boos.... En haar mooie, blauwe oogen keken den
armen Jacques verwijtend aan.

Niet weinig was Jacob verwonderd, toen zijne moeder hem, op zachter
toon dan gewoonlijk, verzocht haar te vergezellen naar den vesperdienst
in de kapel van het klooster der Predikheeren. Die kapel was nog
ongeschonden. Was het toeval? Hadden de hooge kloostermuren haar
beschermd, of was de gunst, waarin de Predikheeren zich bij het volk
mochten verheugen, hun in deze woelige dagen te stade gekomen? Hoe het
zij, de kapel was niet door de beeldstormers bezocht en het klooster
had geen last geleden. Het kon niemand verwonderen, dat Vrouwe Martens,
nu haar parochiekerk, de oude St. Jacobus, was vernield en ontwijd,
den dienst ging bijwonen in de stille kapel.

Jacob was terstond bereid; hij was verheugd over dit bewijs van
toenadering. Zelfs al meende zijne moeder, dat hij, door haar te
vergezellen, tegen zijn overtuiging handelde en dat hij reeds begon
te wankelen, dan mocht hij toch haar wensch niet weerstreven. Hij
nam zijn bonnet en den korten Spaanschen mantel, die toen reeds door
aanzienlijke jongelieden werden gedragen, en hij maakte zich gereed
zijne moeder naar het Dominicanerklooster te vergezellen.

Toen hij zijn kamer verliet, en de breede trap afdaalde naar het
voorhuis, ontmoette hij de beide meisjes. Madeleine wierp hem een
vreemden, spottenden blik toe, terwijl zij coquet met een medaille van
Onze Lieve Vrouwe van Halle speelde, die aan een snoer van gouddraad
om haar hals hing. Klaartje echter viel haar broeder onstuimig om
den hals, en kuste hem, met tranen in de oogen.

Juist wilde hij haar vragen, wat toch haar tranen en haar
hartstochtelijke teederheid beteekenden, toen de gebiedende stem
zijner moeder in het voorhuis klonk. Met een kus en een schertsend
woord maakte hij zich los uit de armen zijner zuster, en na een
hoffelijken groet aan joffer de Bette, snelde hij ijlings naar beneden.

De avond was reeds gevallen, toen moeder en zoon het klooster
bereikten. De groote poort, die anders des morgens en des avonds open
stond, om de geloovigen, die dat mochten verlangen, de gelegenheid te
geven de mis of de vesper in de kloosterkapel bij te wonen, was thans,
met het oog op de onrustige tijden, gesloten. Ook het kloosterklokje
klepte niet: de klokken der kerken en kapellen van Gent, die anders
zoo vroolijk jubelend konden beieren bij mis of vesperdienst, zwegen nu
over de ontwijde bedehuizen en de kapel der Dominicanen stemde in met
den algemeenen rouw der Kerk. Mogelijk wenschte men ook wel de aandacht
van het nog altijd oproerige gemeen niet op het klooster te vestigen.

De ijzeren klopper dreunde op de eikenhouten deuren; het gebaarde
gelaat van den broeder portier verscheen een oogenblik voor het
getraliede luikje; toen ging de poort open en Vrouwe Martens trad
met haar zoon binnen.

Een tweede binnenpoort, eveneens van zwaar eikenhout, met ijzeren
bouten en klinknagels beslagen, gaf toegang tot het "claustrum",
het eigenlijk gezegde klooster, afgesloten van de woelige wereld
daarbuiten. Zij bevonden zich nu in de groote kruisgang, die heenleidde
naar de verschillende gedeelten van het reusachtig gebouw. De dienst
zou spoedig beginnen. Van alle kanten verschenen de spookachtige
gedaanten der monniken, in hunne witte pijen, met de kappen diep over
de oogen getrokken en de handen gevouwen onder het zwarte scapulier,
om zich op te stellen in het claustrum voor den gang ter kapel.

Vrouwe Martens en Jacob gingen den zwijgenden stoet voorbij en
betraden de kloosterkerk. Een jonge monnik, geknield bij de deur,
bood hun het wijwater aan en met een donkeren blik zag de moeder,
dat haar zoon de heilige gave met een lichte handbeweging afwees.

In het middenschip der kapel gekomen, in de ruimte, voor de geloovigen
buiten het klooster bestemd, knielde Vrouwe Martens neder, terwijl
Jacob bleef staan in de schaduw van een der zware pilaren, waar
hij den dienst onopgemerkt kon bijwonen. Een oogenblik nog, en de
witte stoet der monniken, door hun prior voorafgegaan, schuifelde
de kapel binnen. De monniken en conversen namen hun plaatsen in,
het hamertje van den prior gaf het teeken, allen stonden op en de
krachtige mannenstemmen hieven een "Gloria in excelsis!" aan.

Met ongeduld wachtte Jacob in de schaduw van zijn pilaar op het
einde van den dienst. Als meer jonge menschen, die zich pas een eigen
overtuiging verworven hebben, was hij geneigd tot eenzijdigheid en
overdrijving. Hij vergeleek den vormendienst der zingende monniken met
de eenvoudige verkondiging van het Woord Gods onder den blauwen hemel,
het Latijnsche kerklied met het goed-ronde Vlaamsch der Datheensche
psalmen, het versierde altaar met de flikkerende kaarsen bij het
zonlicht, dartelend door het jonge gebladerte ter "groene preek",--en
met minachting wendde hij zich af van de oude religie en hare vormen,
die zijne Gereformeerde vrienden hem hadden leeren minachten als
"Paepsche mommerijen". Hij had op dat oogenblik geen oog voor de
schoone mystiek van den Roomschen eeredienst; hij vergat, dat ook die
vormen eens nieuw waren geweest, dat ook zij eens uitdrukking waren
geweest van het geloof eener strijdende gemeente en dat die vormen
op zichzelf niet verwerpelijk waren, als de inhoud maar aanwezig was:
waarachtig geloof en verootmoediging des harten;--hij zag er slechts
de symbolen in van een godsdienst, die niet troostte, maar vervolgde,
die wilde heerschen in stede van te dienen, en dien hij, en duizenden
met hem, hadden leeren haten en verachten.

De dienst was geëindigd. De witte gedaanten der monniken verdwenen
door de deur der kapel, maar nog altijd lag Vrouwe Martens, in gebed
verzonken, naar het scheen, op haar knielbank. Jacob wachtte, tegen
zijn pilaar geleund, geduldig, tot zijne moeder gereed zou zijn met
hare devotie. Op dat oogenblik trad een monnik de kapel binnen; hij
ging op de geknielde vrouw toe en scheen haar iets in te fluisteren.

Vrouwe Martens stond op.

--"De Eerwaarde prior wenscht mij te spreken, Jacob," zeide zij,
weer op zachter toon dan gewoonlijk. "Wacht hier op mij. Uw verblijf
in het huis Gods zij gezegend!"

Verbeeldde hij het zich, of was het een vreemde, schuwe blik, waarmede
zijne anders zoo fiere en strenge moeder hem aanzag?

Jacob zette zich neer en wachtte. Droomerig staarde hij naar de gele
vlammetjes der waskaarsen, naar het matte schijnsel van de eeuwige lamp
voor het altaar. Het was doodstil in de kapel. De dikke kloostermuren
lieten geen geluid van buiten doordringen en het klooster zelf scheen
uitgestorven. Zonder dat hij het wist of wilde, vielen zijn oogen toe.

Hij ontwaakte met een lichten schrik en een gevoel, alsof hij niet
langer alleen was. Een oogenblik moest hij zich bezinnen, waar hij
zich bevond. Hij zag om zich heen. De broeder-sacristijn was bezig,
om, geholpen door twee convers-broeders, de kaarsen te dooven en de
kapel weder in orde te brengen.

Naast hem stond een lange gestalte, in de witte pij der orde. Het
gelaat was verborgen in de wijde kap, maar aan het gouden kruis op
de borst herkende Jacob den prior.

--"Is mijne moeder gereed?" vroeg hij verward.

--"Uwe vrouw moeder is reeds lang vertrokken," zeide de prior bedaard
en ernstig. "Wees gerust, een vertrouwd man heeft haar begeleid."

--"En ik, die haar moest vergezellen? Zij zal meenen, dat ik zonder
haar ben heengegaan!" zeide Jacob. "Vergeef mij, Vader," vervolgde
hij haastig. "Mijne moeder heeft u misschien verzocht met mij te
spreken. Een andermaal gaarne, maar thans moet ik terstond naar
huis. Mijne moeder mag niet denken.."

--"Uw moeder weet, dat ge hier zijt, jonker," viel hem de prior in
de rede. "Het is op haar verlangen, dat ik u heb opgezocht. Het is
haar wensch en ook die van uw vader, dat ge eenigen tijd hier bij
ons zoudt vertoeven, als onze gast."

Verschrikt staarde Jacob den monnik aan. Hij begon te begrijpen. Het
was hem een oogenblik of de steenen vloer der kapel onder hem
wegzonk. Men wilde hem in het klooster gevangen houden.

Hij herstelde zich en wierp een snellen blik naar de deur der kapel.

--"Ik kan uw gastvrijheid niet aannemen, Eerwaarde Vader," zei hij
met een stem, waaraan hij tevergeefs trachtte de noodige vastheid te
geven. "Ik moet gaan."

Hij deed een stap naar de deur. Was het toeval, dat de beide gespierde
leekebroeders zich daar thans bevonden? Ze waren ijverig bezig met
hun arbeid en schenen niet op hem te letten, maar hij kon de deur
niet bereiken, zonder hen voorbij te gaan.

Vader Anselmus leide hem de hand op den schouder.

--"Als onze geëerde gast," herhaalde hij, langzaam en met nadruk. "Ik
vertrouw, dat het zóó zal zijn, jonker, en niet als een ongehoorzame
zoon, die zich de tucht ontwassen waant."

--"Als een ongehoorzame zoon," mompelde Jacob, terwijl hij den prior
met een bleek en ontsteld gelaat aanstaarde.

--"Uw ouders wenschen u te behoeden voor de gevolgen van uw dwaas en
onvoorzichtig gedrag in de laatste maanden," zeide Vader Anselmus met
gedempte stem, terwijl hij den jongen man doordringend aanzag. "Het
was hun uitdrukkelijke wensch, dat wij u onder onze hoede zouden
nemen. "Eert uw vader en uwe moeder" is een gebod, dat, naar ik meen,
ook nog onder de nieuwe religie in eere wordt gehouden."

Jacob boog het hoofd. Een stroom van aandoeningen en verwarde gedachten
overstelpte hem.

--"Onze broeder-gastmeester zal u uw kamer wijzen," zei de prior kalm
en beslist. Toen ging hij voort, met meer hartelijkheid, dan Jacob
van den strengen man had verwacht:

--"Wees niet zoo bedroefd en ontsteld, mijn zoon. Wij meenen het
wel met u. Gij kunt bij ons uwe studiën voortzetten. Ik zelf zal
uw leermeester zijn, en ge kunt hier rustig toeven, tot het onweer,
dat dit ongelukkige land bedreigt, zal zijn afgedreven."

De prior gaf den broeder-sacristijn een wenk. Deze verwijderde zich
en kwam weldra terug met een anderen monnik, den broeder-gastmeester,
wien Vader Anselmus met een kort woord de zorg voor zijn gast opdroeg.

Met een stommen groet volgde Jacob zijn gids, die hem voorging naar
een der cellen, die voor logeerkamers waren ingericht. Hoffelijk
doch kloek wees hij het aanbod van den monnik af, die hem aanbood
zijn avondeten voor ditmaal naar zijne cel te doen brengen.

Zijn gemoed was vol. Hij, Jacob Martens, de zoon van den president
van Vlaanderen, in een kloostergevangenis! En daar listig heen gelokt
door zijne moeder! O, nu begreep hij haar afscheidswoord!

Zijne verbittering belette hem, over de handelwijze zijner ouders
billijk te oordeelen. Hij kon er op dat oogenblik niet aan denken,
dat er liefde kon schuilen in hunne zorg, om de gevaren, die hij niet
kende of niet telde, af te wenden van zijn hoofd. Al wat een jong en
vurig gemoed moet voelen, als het zich ziet gedwongen te buigen voor
harden dwang, als het zich moet schikken in het onvermijdelijke,
kookte en bruiste in zijn binnenste en deed zijn hart kloppen en
zijn oogen branden. Hij trachtte te bidden, maar het was te onstuimig
daarbinnen. Hij kon zijne gedachten niet verzamelen, zijne ziel niet
verheffen tot den Heer.

Eindelijk wierp hij zich, bedroefd en afgemat, op het eenvoudige bed,
maar het duurde lang, eer hij den slaap kon vatten. Eerst tegen den
morgen viel hij in een onrustige sluimering. Toen hij wakker werd,
waren zijn bovenkleederen, die hij had afgelegd, verdwenen. In hunne
plaats vond hij een witte pij van de Dominicaner-orde met het korte
scapulier der novicen.



VII.


Vader Anselmus was een te verstandig man en een te goed menschenkenner,
om zijn "gast" aanstonds over zijne "kettersche gevoelens" te
onderhouden.

Nauwelijks had Jacob zich dien eersten morgen niet zonder weerzin in
het kloostergewaad gekleed, of een leekebroeder verscheen in zijn cel,
om hem te zeggen, dat de prior hem wenschte te spreken.

Jacob moest wel gehoorzamen: hij zag zeer tegen dat onderhoud op,
want hij vreesde, zijn godsdienstige gevoelens te moeten verdedigen
tegen den statigen kloostergeleerde, voor wien hij, als een natuurlijk
gevolg van zijp opvoeding en de gewoonte van jaren, een heimelijk
ontzag had. Doch het onderhoud viel hem bijzonder mede. De prior
sprak met geen enkel woord over het gevreesde onderwerp, doch deelde
hem eenvoudig mede, dat hij op zich genomen had de studiën van zijn
gast te leiden, tot deze weer naar de Leuvensche School zou kunnen
terugkeeren. Hij wees Jacob de Grieksche en Romeinsche schrijvers aan,
die hij had te bestudeeren en spoorde hem aan tot vlijtigen arbeid;
de tijd moest in het klooster niet in ledigheid worden gesleten. De
vroegdiensten behoefde hij niet bij te wonen, maar de prior rekende
er op, dat Jacob bij de mis en den vesperdienst niet zou ontbreken.

Het werd gezegd op een kalmen toon van gezag, die geen tegenspraak
toeliet. Toen Jacob een enkele toespeling waagde op het hem opgedrongen
kloosterkleed, antwoordde de prior, dat het een eere was, het kleed
van den Heiligen Dominicus te mogen dragen, en dat het zeker niet te
veel verlangd was, dat jonker Martens, in ruil voor de gastvrijheid,
die hij genoot, zich schikte naar de regelen van het huis, dat hem
een schuilplaats bood. Met een enkele handbeweging werd hij daarop
ontslagen.

Met zeer gemengde aandoeningen keerde Jacob naar zijn eigen cel terug,
die uitzag op den ruimen kloosterhof. Hij had zich dat onderhoud
heel anders gedacht. Hij had gemeend, zich te moeten verdedigen, zijn
geloof te moeten handhaven tegen den fellen aanval van een geleerden
priester der Roomsche Kerk, even bekwaam in de godgeleerdheid als in
de dialectiek, hij had er op gerekend, dat hij zou moeten protesteeren
tegen gewetensdwang, hij had zich bijna een aanstaanden martelaar
gewaand,--en niets van dat alles was geschied. Hij had eenvoudig
een taak gekregen, als een gewoon scholier. Hij had zich in den
geest gewapend tot een hevigen strijd,--en hij had geen tegenstander
gevonden. Op zijn overspanning volgde natuurlijk een toestand van
matheid en moedeloosheid,--en dat was het juist, wat Vader Anselmus
had verwacht en gewenscht.

Jacob zette zich aan zijn taak en trachtte in de verzen van Virgilius
de gedachten, die hem kwelden, te vergeten. Hij had er aan gedacht, te
weigeren om de viering der mis bij te wonen, maar na zijn nederlaag
zonder strijd--de zwaarste beproeving voor een karakter als het
zijne--ontbrak hem daar thans de veerkracht toe. Toen de kloosterklok
het teeken gaf, nam hij zijn plaats in, achter in de rij, die zich
opstelde in de breede kruisgang en ging hij mee ter kapel. Wel knielde
hij niet neder, toen de officieerende broeder den monstrans ophief,
om de hostie ter vereering aan de geloovigen te toonen, maar het
scheen, dat niemand daar op lette.

De dag kroop voorbij. De prior had zijn maatregelen goed genomen en
zijne bevelen werden stipt uitgevoerd. Noch in den refter, de eetzaal
van het klooster, waar de monniken zwijgend aten, terwijl één hunner
voorlas uit een kerkvader, noch in het recreatie-uur, dat in den
kloosterhof werd doorgebracht, wijdde iemand eenige bijzondere aandacht
aan den jongen gast. Men behandelde hem beleefd en vriendelijk,
maar juist, alsof hij al jaren in het klooster had doorgebracht.

Eindelijk sloeg het uur van den vesper. Moe van den ingespannen
arbeid, was Jacob thans blijde, dat hij naar de schoone kloosterkapel
kon gaan. Hij troostte zich met de gedachte, dat de psalmen Davids,
die straks door de monniken zouden worden aangeheven, toch dezelfde
liederen waren, als de kloeke psalmen van Datheen, die hij ter "groene
preek" uit den mond der Vlaamsche landlieden had gehoord. En toen
de broeders psalm 138 aanhieven, luisterde hij aandachtig en weldra
stemde hij mede in:

"Si sumpsero pinnas meas diluculo et habitavero in extremis maris,"

"Etenim illuc manus tua deducet me, et tenebit me dextera tua."

"Et dixi: forsitan tenebrae conculbalunt me, et nox illuminatio mea
in deliciis meis."

"Quia tenebrae non obscurabuntur a te"... [2]

"De duisternis is voor U niet donker," klonk het na in Jacobs ziel. God
sprak tot hem door Zijn Woord, want het wàs toch Zijn Woord, dat
hem daar uit het Latijnsch kerkgezang tegenklonk. Hij gevoelde zich
getroost en bemoedigd: God was ook in het klooster, Zijn rechterhand
zou hem houden, op Zijn tijd zou het alles goed worden.

De dagen verliepen en werden tot weken en nog altijd was Jacob in
het Dominicaner klooster.

Hij studeerde er vlijtig onder de leiding van den prior, die zich
een streng, maar uitstekend leermeester toonde. Bezoeken ontving hij
niet. Wel kreeg hij brieven: soms een enkel stroef woord van zijn
moeder, maar daarentegen lange en hartelijke brieven van Klaartje,
soms in deftig Fransch, soms in wat onbeholpen Vlaamsch. Clara
schreef hem over zijn vader, die thans dikwijls door de Regeering
werd geraadpleegd over de zaken des lands, over Madeleine, die een
uitnoodiging had aangenomen van hare bloedverwanten te Brussel,
omdat zij zich in Gent niet veilig achtte voor de vileynighe Geuzen,
zooals zij zeide. Madeleine had met veel opgewondenheid geschreven over
de feesten, die zij had bijgewoond,--want ook de treurige toestand
des lands kon den Brusselschen adel niet tot ernst stemmen--en,
zoo liet het zusje er niet zonder onrust op volgen, zij schreef zoo
herhaaldelijk over Thierry de St. Foy, die bij meer dan een gelegenheid
haar cavalier was geweest.

En als Jacob zulk een brief had ontvangen, dan liep hij met een bleek
gezicht en saamgeknepen lippen zijn cel op en neer en dan kwam er van
het werken weinig. Hij had Madeleine afgestaan, hij had zichzelf en
zijn jonge liefde verloochend, zeker, zeker!--en toch was er op den
bodem van zijn hart nog een heimelijke hoop, dat hij het offer niet
zou behoeven te brengen, dat ook voor Madeleine nog eens het licht
der waarheid zou opgaan en dan...

Dan was het weer over de onrust der tijden, dat Klaartje schreef:
wel wat verward, want het goede kind kon de verschillende partijen
niet wel uit elkander houden. Zij klaagde maar over de "quellagiën
ende de errueren", de troebelen en de twisten, die den vrede van haar
jong leven waren komen verstoren en die haar haar broeder en haar
vriendin hadden ontroofd. Toch vernam Jacob van haar, dat op last
van Egmond een aantal van de hoofden der beeldstormers waren gevat,
en dat zij weldra zouden worden terechtgesteld.

Maar ook op andere wijze drongen de geruchten over den toestand
des lands binnen de gewijde kloostermuren, want de broeders, de
Predikheeren of Witheeren, zooals zij onder het volk werden genoemd,
leidden geen afgetrokken en beschouwend kloosterleven, maar bewogen
zich, volgens den eisch van den stichter hunner orde, in de wereld
"tot verdediging des geloofs en ter bestrijding der ketterij". Uit hun
midden werden zelfs veelal de inquisiteurs gekozen en zoo de Gentsche
Dominicanen niet als zoodanig optraden, dan was dit slechts, omdat hun
prior van alle bloedige geloofsvervolging afkeerig was. Maar in het
"recreatie-uur" werd de geschiedenis van den dag besproken, soms juist,
soms overdreven voorgesteld, en dikwijls gaven de loopende geruchten
aanleiding tot een levendigen woordentwist, want onder de monniken
waren er zonen des lands, die, al waren ze de Kerk getrouw, toch het
vertrappen van de vrijheden van hun vaderland met leede oogen zagen.

Onder de monniken was er één, die reeds dikwijls Jacobs aandacht had
getrokken. Broeder Bernardus, zoo heette hij, was een lang en mager
man, van ongeveer veertig jaren. Hij had een geel-bleek gezicht, met
scherpe trekken en groote, donkere oogen, die soms dof en peinzend
voor zich uit staarden en dan weer konden flikkeren van een vreemd
vuur, wanneer de monnik in het recreatie-uur met groote stappen den
kloostertuin doorkruiste.

--"Broeder Bernardus is weer bezeten!" fluisterden dan de novicen
en de jongere convers-broeders spottend, en Jacob had opgemerkt, dat
de oudere monniken den bleeken man dikwijls met onrust of wantrouwen
nastaarden.

't Had zijn aandacht getrokken, dat de donkere oogen van broeder
Bernardus dikwijls lang en strak op hem gericht waren. In den refter of
de kapittelzaal was die vreemde, starende blik soms hinderlijk. Slechts
wanneer een der andere broeders dit opmerkte, wendde de monnik de
oogen schielijk af en keek weder ootmoedig voor zich.

Op zekeren dag, toen zij toevallig in een der lanen van den
kloostertuin alleen waren, trad broeder Bernardus haastig op
Jacob toe, en vroeg hem snel en gejaagd, of hij het groote nieuws
reeds had vernomen. De "Martinisten" waren met de "Calvinischen"
overeengekomen, den Koning drie millioen gulden te bieden als hij
vrijheid van godsdienst wilde verleenen. Men geloofde echter niet,
dat het ernst was met dat aanbod en te Brussel hield men het er voor,
dat de ingezamelde gelden moesten dienen om krijgsvolk tegen den Koning
te werven. De Landvoogdes had soldaten in Duitschland geworven, om
de oproerige beweging te beteugelen. Brederode versterkte Vianen en
dreigde met openlijk verzet. Elk oogenblik kon de algemeene opstand
uitbarsten.

Toen de zonderlinge man dit in korte, afgebroken zinnen gezegd had,
legde hij met een veelbeteekenend gebaar de vingers op de lippen en
verwijderde zich haastig.

Jacob zag hem verwonderd na. Wat beteekende die mededeeling? Was deze
broeder Bernardus een vriend of een vijand? Kon het zijn, dat hij,
de Dominicaner monnik, de zaak der Geuzen was toegedaan? Of wilde men
hem in een val lokken, door zijn vertrouwen te winnen? Hij besloot
op zijn hoede te zijn, en, zoo mogelijk, den monnik tot verdere
mededeelingen uit te lokken, zonder zich bloot te geven.

Het was op zekeren Decembermorgen, een mooien, stillen winterdag. De
monniken kwamen uit de kapel, in hun gewonen statigen optocht, om in
de kruisgang te scheiden en aan hun gewonen arbeid te gaan. Ook Jacob
maakte zich gereed, zijn studeercel en zijn Virgilius weder op te
zoeken, toen een conversbroeder op hem toetrad, en hem zeide, dat de
prior hem op den belfroot wenschte te spreken. Verwonderd volgde Jacob,
den man naar den klokketoren, den "belfroot", zooals de kloosterlingen
hem noemden. Wat kon Vader Anselmus hem juist daar te zeggen hebben?

De prior leunde tegen de lage borstwering van den omgang van den
belfroot. Schijnbaar merkte hij de komst van Jacob niet op en staarde,
in zijn witte pij gewikkeld, over de stad, die met haar grillig
gevormde daken en gevels zich aan zijne voeten uitbreidde.

Het was prachtig, stil weder. Zelfs op den toren voelde men nauwelijks
een zuchtje. De hemel was diep blauw en de bleeke Decemberzon scheen
vroolijk over de oude Vlaamsche hoofdstad.

Als in gedachten verzonken staarde de oude monnik over de huizenzee
aan zijn voet, en verder, over de wijde velden van Vlaanderen. Zooals
de regel het voorschreef, wachtte Jacob eerbiedig, tot de prior hem
zou toespreken.

Plotseling klonk, boven het gegons, dat uit de stad tot hen opsteeg,
het schel geklep van een klokje, een schril, jammerend geluid,
dat als een wanklank opsteeg in de fijne, zuivere winterlucht. Jacob
kende dien klank maar al te wel. Het was hetzelfde klokje, dat hij had
gehoord op dien lentemorgen, toen hij de arme Doopersche in de gracht
had zien wegzinken, dat hij, zoo jong als hij was, reeds zoo dikwijls
had vernomen in die dagen van straffe justitie: het armezondaarsklokje
van het Minorietenklooster klepte bij den laatsten gang van een ter
dood veroordeelde.

Nu wendde Vader Anselmus zich om en zag den jongen man doordringend
aan.

--"Hoor, Jacob Martens," zei hij ernstig, "ik heb u hier doen komen om
te hooren. Daar gaan de onzaligen ter dood, die zich hebben vergrepen
aan de heiligheid van Gods huis in deze stad. Twaalf beeldbrekers
zullen heden op de Vrijdaegsmarkt worden onthalsd. Dank het Gods genade
en de tusschenkomst der Heilige Moedermaagd, dat ook gij, dwaze knaap,
daar thans niet moet knielen op het zwarte kleed... Laat ons bidden
voor de ziel van die ongelukkigen, of God hun nog in de ure des doods
de genade der boetvaardigheid mocht schenken."

De kralen van den rozenkrans gleden door de vingers van den
monnik. Ook Jacob bad, al liet hij het paternoster rusten, dat aan zijn
zijde hing. Wie het waren, die daar ter dood gingen,--hij wist het
niet. Hadden zij de beelden neergeworpen uit verdoolden geloofsijver
of uit baldadige vernielzucht? Hij wist, dat er onder de leiders der
beeldbrekers mannen waren van allerlei slag. Waren het martelaars
of misdadigers, die daarginds zouden sterven? Hij wist het niet,
neen,--maar het waren zondaren, zondaren als hij zelf, die de genade
van den Heiland behoefden, ook in deze bittere ure. Jacob bad.

Een dof tromgeroffel klonk uit de verte. De Magistraat had blijkbaar
voorzorgen genomen en het schavot door gewapenden doen omringen. Het
roeren van de trom was het teeken, dat de veroordeelden de plaats
der terechtstelling hadden bereikt. Het klokje zweeg.

Toen klonk er van de Vrijdaegsmarkt een dof rumoer, dat aangroeide
als het rollen van een verre branding en dat plotseling ophield,
als met een kermenden zucht.

De executie was afgeloopen.

De prior wenkte den bleeken Jacob hem te volgen. Zij daalden de trappen
van den belfroot af en bereikten weldra de cel van Vader Anselmus. De
oude man wenkte zijn jongen metgezel zich neer te zetten op een der
houten schabellen, terwijl hijzelf plaats nam op den eenvoudigen stoel,
met hoogen, rechten rug, waarop zijn kloosterrang hem recht gaf. Toen
zeide hij met goedheid:

--"En nu, mijn zoon, wensch ik eindelijk van u te vernemen, wat er
u toe gebracht heeft, zoo jammerlijk af te dolen van de Kerk, onze
Heilige Moeder. Wat heeft er u toch toe bewogen, u, den zoon van vrome
ouders, het gezelschap te zoeken dier jammerlijke dwaalgeesten, die
zich de luyden van de nieuwe religie noemen, om zóó dwaas uwe hope
prijs te geven voor dit leven en voor de eeuwigheid?"

Jacob sidderde van inwendige ontroering. Hij had tegen dit onderhoud
opgezien. Hoe zou hij, de onwetende, onervaren jongeling, den strijd
aanbinden met den grijzen priester, den godgeleerde, voor wiens
uitspraken zelfs eerwaardige geestelijken zich bogen? Daarbij, bij een
karakter als het zijne, was zijne pas verworven geloofsovertuiging
meer een zaak des harten dan het gevolg van diep nadenken en van
ernstige studie. Jacob voelde dat onwillekeurig, al had hij het niet
onder woorden kunnen brengen--maar hij kon den kamp niet ontwijken,
en met een stil gebed om kracht aanvaardde hij dien.

--"Als de Kerk onze moeder is, Eerwaarde Vader," zeide hij vast maar
bescheiden, "dan is zij toch voor deze arme landen een stiefmoeder. Als
zij oordeelt, dat die van de nieuwe religie dolen, dan dolen zij
toch te goeder trouwe, uit liefde tot Gods waarheid en om hunner
zielen zaligheid. Laat de kerk dezulken van dwaling overtuigen,
als zij daartoe bij machte is, maar hen niet straffen als misdadigers."

De prior schudde nadenkend het grijze hoofd.

--"Ik zou kunnen antwoorden, mijn zoon," zeide hij zachtmoedig,
"dat de ketters vervolgd en gestraft worden volgens de plakkaten van
Zijne Keizerlijke Majesteit, vernieuwd en verscherpt door onzen Heere,
den Koning van Spanje, maar het zou een ijdele uitvlucht zijn. Het is
waar, er zijn er onder de dienaars der Kerk velen, die meenen, dat
men het euvel der ketterije moet uitbranden door strenge justitie,
in plaats van het te heelen met zachtmoedigheid, en gij weet, dat
ik het niet met hen houde... Maar gij, wellieve zoon, die zegt, dat
die van de nieuwe leer te goeder trouw dolen, waarom strekt gij uwe
Christelijke liefde niet uit tot die priesters, die als herders der
kudde den wolf zien komen, den wolf der ketterije, door Satan gezonden
om de schapen der kudde te verderven, en die nu, ook ter goeder trouw,
de met ketterije besmetten overgeven tot verderving des vleesches,
opdat de geheele kudde niet verloren ga?"

--"De priesters onze herders, die met liefde waken voor de kudde!"

Het was er uit, voor Jacob er om dacht. Hij vergat, dat hij sprak
tot een man, die den eernaam van priester waardig was. Maar hij
dacht aan de bekende zedeloosheid, aan de onverschilligheid van
zoovele geestelijken en de woorden van Vader Anselmus schenen hem
een bespotting.

De grijze monnik fronste het voorhoofd.

--"Arglistig is het hart van den mensch en zwak is zijn kracht,"
antwoordde hij ernstig; "ook priesters zijn zondige menschen en dit
is een zondige tijd. Maar wie zijt gij, jonge man, die den strijd
des levens nog moet beginnen, dat gij anderen oordeelt, die dien
strijd hebben gestreden en gevallen zijn? Hun val, hun zonde neemt
de wijding niet weg, die zij met het priesterambt ontvingen; God zal
hen oordeelen, maar dat ontslaat hen niet van hun plicht om te waken
voor de Kerk, die zij dienen. En kunt gij het niet begrijpen, dat
de arts naar het mes grijpt of naar het vuur, om het kankergezwel
weg te snijden of uit te branden, eer het den kranke bezwijken
doet? Zóó dreigt dit rampzalige land te gronde te gaan, door het gif
der ketterije en door den oproerigen geest, die rebelleert tegen het
wettig gezag. Nog eens, ik houde het niet met diegenen mijner broeders,
die door vervolging en straf het kwaad zoeken te keeren,--maar hen
begrijpen kan ik wel."

--"Het gif der ketterije, waarvan Uw Eerwaarde spreekt," zeide Jacob,
die nu ook in vuur begon te raken, "het is toch slechts, dat de
armen God wenschen te dienen naar hun geweten en de uitspraken van
Zijn Woord; die geest van oproer is slechts de verdediging van hun
plechtig bezworen rechten. Als de Koning de plakkaten herroept en de
Inquisitie doet ophouden, zal hij geen gehoorzamer onderdanen hebben
dan de inwoners van deze landen."

--"En de "drie heeren" tot zijne meesters," viel de prior uit,
"en een hoop losbandige edelen tot zijn wetgevers. En wat kalt gij,
knaap, dat de ketters God zouden dienen naar Zijn Woord? Heeft Hij
Zijn Woord niet toebetrouwd aan Zijne Kerk? Is het geen dwaasheid? De
ongeleerde, de ambachtsman, van weefstoel of schaafbank weggeloopen,
de eerste de beste spinster en naaister, ze zouden zich met hunne
uitlegging der Schrift stellen tegenover het gezag der Kerk, tegenover
haar eeuwenoude tradities, tegen het gezag der vrome kerkvaders? Gij
zelf, dwaze knaap, wat geldt uw kennis, uw inzicht, uw verklaring
en uitlegging--zoo noemt ge het immers--van Gods Woord, tegen de
leer der Kerk, op dat Woord gegrond, tegen de uitspraken van haar,
die Christus' belofte heeft, onze Moeder en Middelares?"

--"Er is slechts één Middelaar tusschen God en den mensch,--de Mensch
Christus Jezus!"

Vast klonk het Schriftwoord uit den mond van den jongen belijder. Hij
wist, wat hij waagde. Hij wist, dat hij zich geheel in de macht bevond
van dien ouden man, en hij wist ook, hoever die macht reikte, maar de
woorden van den prior hadden weer in hem doen ontwaken de overtuiging,
die in die dagen krachtig opleefde in de harten van duizenden, die bij
hem haast in slaap was gewiegd door den sleur van het kloosterleven,
dat de zondaar moet staan tegenover zijn God, alléén met zijn Verlosser
en Middelaar, den Heere Jezus Christus, en dat geen mensch, ook niet
de vroomste en heiligste, het recht heeft zich te dringen tusschen den
mensch en zijn Schepper. Zooals die beiden, de man en de jongeling,
daar tegenover elkander stonden, waren ze het beeld van de idee,
die zij verdedigden. De oude monnik, steunende op zijn geleerdheid,
op de eeuwenoude tradities zijner Kerk, op al den invloed, die eeuwen
van onaangevochten heerschappij haar gaven over de geesten, was een
waardig vertegenwoordiger van het Catholicisme tegenover dien jongen
man, in alle opzichten zijn mindere, maar die deze ééne gedachte had
vastgegrepen: geen andere Middelaar, dan Christus alléén. Zoo stond
Jacob Martens daar, het beeld van de jonge worstelende kerken der
Reformatie: de dwerg, die den strijd had aangebonden tegen den reus,
en die onoverwinnelijk was door die ééne Godsgedachte.

De prior begreep, dat hij zich te vroeg met een gemakkelijke
overwinning had gevleid, en dat hij had misgetast, toen hij meende,
dat hij slechts te doen had met de grillen van een overspannen knaap,
die de stilte en de eenzaamheid zouden genezen, terwijl de schok,
dien hij meende dat de terechtstelling der beeldstormers den jongen
man noodzakelijk moest geven, de zegepraal zou voltooien. Hij zag
dat hij zich vergist had, en onwillekeurig liet hij zich vervoeren
tot een woordenstrijd.

--"Christus onze Middelaar!" zeide hij langzaam. "Alsof ook de Kerk een
anderen kende! Maar wat moet ik denken van uw Christelijken ootmoed,
wanneer gij meent tot Hem te kunnen gaan, zonder de genademiddelen,
die Hij u aanbiedt in Zijne Kerk? Gij wilt tot Hem gaan? Maken
uwe zonden geen scheiding tusschen Hem, den Heilige Gods, en u,
den schuldigen zondaar? Durft gij Hem naderen, zooals gij zijt,
zonder het sacrament der biecht, zonder ootmoedig de voorbede in te
roepen van de Heilige Maagd, de barmhartige Moeder, van de Heiligen,
die juichen met de Overwinnende Kerk daarboven, maar nog bidden voor
ons, de Strijdende Kerk daar beneden? Maar gij hebt hunne voorbede niet
noodig, voorwaar! Gij, jonge dwaas, die u vermeet te oordeelen over de
hooge dingen des geloofs, waarover de vrome vaderen der Kerk hebben
gepeinsd en geworsteld in den gebede, Hoogmoed, zondige hoogmoed,
is uw ketterije, die zich durft beroepen op het Woord van God."

Een hoog rood bedekte Jacobs bleeke wangen.

--"Spreek zoo niet, Eerwaarde Vader!" riep hij bijna smeekend. "Tracht
niet, mij mijn Heiland te ontnemen, dien ik zoo pas heb gevonden. O,
een zondaar ben ik,--maar Hij heeft gezegd: "Wie tot Mij komt, zal
Ik geenszins uitwerpen,"--en ik ben tot Hem gegaan en Hij heeft mij
niet verworpen. Ik voel het, ik weet het. O, de Kerk heeft de Heilige
Maagd, en de Heiligen, en den priester geschoven tusschen den zondaar
en zijn Verlosser, en nu was Hij zoo ver, zóó ver, dat wij Hem hadden
vergeten. Maar Hij is barmhartig geweest, en Hij heeft zich opnieuw
aan Zijn volk gegeven, in de gesuyverde religie, ons gepredikt door
de mannen Gods uit Genève."

De prior stond op van zijn zetel. Met gefronste wenkbrauwen wees hij
gebiedend naar de deur.

--"Ga naar uwe cel, verstokte en hoogmoedige knaap," zei hij
met van bedwongen toorn trillende stem. "Lang hebben wij u met
zachtmoedigheid gedragen, maar onze goedheid is aan u verspild. Gij
zijt geen verdoolde, maar een, die moedwillig het harte verhardt. Zoo
mogen dan de geloofsrechters uitmaken, hoe men met een als gij zijt
te handelen heeft..."

Het was Vader Anselmus geen ernst met zijne bedreiging en
in een oogenblik van kalm nadenken zou hij die niet hebben
uitgesproken. Maar--hij was vertoornd en teleurgesteld. Hij moest
zichzelven bekennen, dat hij had gedwaald. Dat was niet de taal
van een, die in jeugdigen overmoed, in opgewondenheid of uit zucht
tot avonturen zich had aangesloten bij de vijanden der Kerk. Jacob
had gesproken met al het vuur zijner overtuiging--en de prior had
hem begrepen. Dàt was de taal der "ketterij", die niet wilde buigen
voor eenig gezag, ook niet voor dat der Kerke, dat den ouden man het
hoogste was.

Ondertusschen had hij een groote fout gemaakt. Hij had in Jacob
gewekt, wat dreigde in te sluimeren,--en juist op dat oogenblik had
hij dien jongen, vurigen geest tot verzet geprikkeld door zijne
bedreiging. De jonge man had zich zonder morren geschikt in zijn
gedwongen verblijf in het klooster: het was de wil en de wensch
zijner ouders en hij was hun, volgens Gods Woord en volgens de stem
van zijn geweten, gehoorzaamheid verschuldigd. Maar nu, nu dreigde
hem zelf de Inquisitie, de gehate geloofsdwang. Nu zou men hem met
geweld willen dwingen, zijn overtuiging prijs te geven. Nu zou hem de
keuze worden gelaten, zijn Heer en Heiland te verloochenen, of het
overige van zijn leven door te brengen in een kloostergevangenis,
als althans ook hem het zwaard van den beul van Gent niet wachtte,
daarginds op de Vrijdaegsmarkt. En hij was in het net. Hoe zou hij
aan de macht van den prior kunnen ontsnappen?

Hij bracht den geheelen dag in de eenzaamheid door. De prior deed hem
niet ontbieden voor de gewone lessen en toen het klokje luidde voor den
maaltijd in den refter, verscheen de sub-prior met een conversbroeder,
die in een houten nap het eenvoudig kloostermaal droeg. De monnik
deelde hem mede, dat hij, volgens den wensch van den eerwaarden prior,
den tijd zijner "poenitentie" in de eenzaamheid zou doorbrengen. Alleen
de gewone diensten in de kapel zou hij bijwonen.

Jacob ging dien avond naar den vesper,--maar hij zat er niet neder als
gedurende de laatste weken, half gedachteloos, half meegedragen door
den statigen eeredienst. De zoon der Reformatie was in hem voorgoed
ontwaakt. O, de vormen waren schoon, zinrijk zelfs in vele opzichten,
maar het was er mee gegaan als met alle vormen, die niet langer de
noodzakelijke uitdrukking zijn van een krachtig geestelijk leven:
ze waren dood en ze gaven den dood. Neen, nimmer zou zijn ziel weer
in slaap worden gesust door de uiterlijke plechtigheden van Rome!

Na afloop van den dienst keerde hij terug naar zijn cel. Licht
mochten de kloosterbroeders niet hebben en hij kon dus niet lezen of
studeeren. Hij was dan ook trouwens den geheelen dag met zijne boeken
bezig geweest, om zoo mogelijk de pijnigende gedachten te verdrijven,
die hem geen rust lieten. Thans was hij moede naar lichaam en ziel. Na
een kort gebed, wierp hij zich op zijn harde matras en trachtte
te slapen.

Maar hoe moe hij ook was, hij kon den slaap niet vatten. Een vreemde
onrust maakte zich van hem meester. Hij wentelde zich om en om, maar
de slaap wilde niet komen. Zijn hoofd gloeide koortsachtig. Alles,
wat hij in dat voor hem zoo gewichtige jaar had gezien en ondervonden,
drong zich als een bonte, driftig voortjagende stoet van beelden aan
zijne verbeelding op.

Het was doodstil in het klooster. Alles was in diepe rust. Buiten
gierde de Noordwesten wind, want het was ruw en onstuimig weder. In
de paneelen der zware deur tikte een houtwormpje. Jacob dwong zich, te
luisteren naar het eentonig geluid, om zoo afleiding te zoeken van de
gedachten en herinneringen, die hem kwelden, maar het baatte hem niet.

Plotseling schrikte hij op. Hij had duidelijk het slot van de deur
zijner cel hooren knarsen. Langzaam en voorzichtig werd die geopend.

Jacob vloog overeind. Verwarde gedachten van een nachtelijke
oplichting, van vreemde kloostergeschiedenissen, die hij vroeger wel
eens had gehoord, schoten bliksemsnel door zijn brein. Maar slechts
één enkele witte gedaante sloop de cel binnen.

--"Schrik niet!" fluisterde een heesche stem. "Ik ben het: broeder
Bernardus."

De monnik haalde van onder zijn pij een hoornen lantaarn, waarin een
smeerkaarsje een dof licht verspreidde, en zette die op een stapel
boeken. Jacob zag zijn bezoeker ontsteld aan; het was den monniken
en conversen streng verboden na het luiden van den Angelus elkanders
cel te betreden. Wat kwam de vreemde man bij hem zoeken?

--"Er is geen tijd te verliezen, jonker Martens," zeide de monnik
haastig. "Ik kom van Pieter de Welle."

--"Van Pieter de Welle?" herhaalde Jacob ongeloovig.

--"Ja! Ge gelooft mij niet? Goed; hij gaf mij een waarspreuk:
"Denk aan het dasvarken van Gentbrugge." Ge zoudt het begrijpen,
zeide hij. En, hier is zijn kruismes."

Jacob nam het mes aan en bekeek het bij het flauwe licht van de
lantaarn. Hij herkende het wapen. Dikwijls had hij er als jongen mee
gespeeld en gewenscht het te bezitten. Zou deze monnik inderdaad door
de Welle zijn gezonden? De koddebeier kon in de handen der justitie
zijn gevallen en dit kon een strik zijn, dien men hem spande. Maar
de waarspreuk dan, die niemand dan hij kon begrijpen, juist om zijn
zonderlingen inhoud.

--"En wat zoudt ge mij van Pieter de Welle te zeggen hebben?" vraagde
hij.

Zijn toon klonk nog steeds ongeloovig. De monnik bemerkte het. De
man was blijkbaar zenuwachtig en opgewonden, maar hij had een doel,
dat hij wilde bereiken.

--"Zie hier, jonker," zei hij en hield den verbaasden Jacob een paar
dunne boekjes voor, die hij onder zijn pij te voorschijn haalde. Het
waren een paar van die streng verboden pamfletten, die in die dagen
ook te Gent, maar vooral te Antwerpen in menigte werden gedrukt. Het
bezit van die boekjes was op zich zelf reeds een misdrijf, waarop
volgens de plakkaten de doodstraf stond. Voor een Dominicaner monnik
was het zeker een ongehoord waagstuk, zulke verboden boeken in het
klooster te brengen.

--"Hoor, jonker Martens," ging broeder Bernardus voort, gejaagd,
maar toch met iets vastberadens in stem en houding, "ik waag mijn
vrijheid en mijn leven, om u te dienen, maar ik heb het de Welle
beloofd en mijn woord wil ik houden. Geloof mij of geloof mij niet,
zooals ge wilt. Maar ik zeg u, dat men u nimmer zal laten gaan, om vrij
en ongehinderd God te dienen volgens uw geweten en te strijden voor
de vrijheid van dit arme land. Als gij standvastig blijft, zal men u
in het klooster houden,--en de Welle meent, dat gij liever een slag
zoudt slaan voor de vrijheid. Er worden groote dingen voorbereid..."

--"Maar wat wilt ge dan?" vraagde Jacob verbijsterd.

--"Vluchten! Ik vlucht mede. Ik heb genoeg van de pij! Ik had
het eer moeten doen, maar ik durfde niet. Nu wantrouwen ze mij en
laten mij niet meer buiten de clausuur. Maar ge moet een besluit
nemen--terstond! De Welle wacht met een roeiboot aan de waterpoort
in den hof."

Onthutst zag Jacob zijn vreemden bezoeker aan.

Vluchten uit het klooster? Met dezen man? En waarheen? En dan terstond
te moeten besluiten? Jacob was geen lafaard, maar toch ging er een
koude rilling door zijn leden, nu hij zich zag gesteld voor een
besluit, waarvan zóóveel afhing. Zenuwachtig stond hij op.

--"Dat kan immers niet," zei hij gejaagd. "De hofpoort en de waterpoort
zijn beide gesloten."

--"Het kan wel! Zie daar,"--en de monnik haalde een paar zonderling
gevormde haken van onder zijn pij te voorschijn. "Met deze haken kan ik
de sloten openmaken. 't Heeft heel wat moeite gekost! Eerst was stelen
van de kaarsen in de kapel. Toen een afdruk maken van de sleutels,
die altijd in de cel van den sub-prior hangen. Toen naar dien afdruk
deze haken smeden in de keuken; ik moest den broeder-keukenmeester
wijsmaken, dat het kraphaken waren voor het groote crucifix in
het claustrum, dat dreigde te vallen, en hij geloofde mij, de oude
suffer. Maar thans is alles gereed!"

--"Maar hoe hebt ge de Welle kunnen spreken, als ge het klooster niet
hebt kunnen verlaten?" vroeg Jacob, nog altijd wantrouwend.

--"Hij gaf mij het mes reeds weken geleden. Maar ik durfde u niet
vertrouwen. Ge hadt mij kunnen verraden, als het den prior gelukt was
u terug te winnen voor de Kerk. O, het heeft weinig gescheeld! Ik heb
u gadegeslagen! Maar thans zijt ge gered. Anselmus heeft gespeeld en
verloren. Kom mede,--het is haast tijd! Anders ga ik alleen en gij
blijft gevangen, misschien voorgoed."

--"Maar hoe weet ge, dat de Welle op ons wacht?"

--"Hij gaf mij een teeken. Aan de overzijde van de Leye woont een
vrouw, die tot de Calvinischen behoort, en uit haar zoldervenster
waaide heden een witte doek. Dat is het afgesproken sein. Hij zal
van middernacht tot één uur op ons wachten. Maar nu genoeg van uw
wantrouwen. Ga of blijf."

--"Ik ga met u! Ik wil het wagen!" zei Jacob met gesmoorde stem.

--"Goed! Snel dan; er is geen tijd te verliezen! Hier, neem het
kruismes, als wij ons moeten verdedigen. Want wij moeten slagen,
voor u en voor mij!"

En zijn lantaarn opnemende, die hij weder onder zijn pij verborg,
wenkte Bernardus Jacob hem te volgen.

--"Doe uw schoenen uit!" fluisterde de monnik.

Jacob gehoorzaamde en zonder gedruisch gleden de twee witte gedaanten
door de donkere kloostergangen en daalden de steenen trappen
af. Jacob zou in het duister nimmer den weg gevonden hebben, maar
broeder Bernardus, die vele jaren in het klooster had doorgebracht,
aarzelde geen oogenblik.

Thans waren zij beneden, in het achterhuis, waar zich de keuken, de
bakkerij en de toegangen tot de ruime kelders bevonden. Plotseling
bleef Bernardus staan: hij had een deur hooren kraken. Haastig duwde
hij Jacob in den donkeren hoek van een uitbouwsel der verwulfde gang.

Een donkere gedaante schreed langzaam op hen toe. Wie kon het
zijn? Waren zij niet de eenige vluchtelingen? Of was het een spion? Had
men iets van Bernardus' plannen vermoed? Jacobs hart bonsde.

De gestalte kwam nader en nader. Hij moest hen zien in hunne witte
pijen, als hij voorbijsloop.

Broeder Bernardus aarzelde niet. Haastig ontdeed hij zich van het lange
kloostergewaad, en toen de gedaante vlak bij hen was, wierp hij haar
met een snelle beweging zijner lange armen de pij over het hoofd. Men
hoorde een gesmoorden uitroep, het rinkelen van brekend aardewerk,
maar voor de man zich te weer kon stellen, had de monnik met een
kracht en behendigheid, die men niet bij hem zou hebben vermoed,
den nachtelijken zwerver achterover op den grond geworpen. Haastig
wond hij den gordel van sterk touw, dien hij had gereed gehouden,
om de pij, die hoofd en hals van zijn slachtoffer bedekte, en knoopte
het koord stevig vast.

--"Uw gordel los! Bind hem de voeten!" beet hij Jacob toe.

Deze gehoorzaamde werktuiglijk. Hij greep de beenen van den
spartelenden man en bond die aan de enkels stevig vast. De gevangene
kreunde dof, maar lag nu onbeweeglijk stil.

Bernardus greep zijn lantaarn en lichtte bij. Een gebroken kruik lag
op den grond en de sterke reuk van bier drong in hun neus.

--"Een leekebroeder, die uit zijn cel is geslopen, om bier uit den
kelder te stelen," mompelde de monnik. "Spoedig vooruit! Als iemand
het breken van de kruik heeft gehoord, zijn wij verloren!"

Zij snelden naar de achterpoort. Jacob wierp nog een blik achteruit,
naar den betrapten kloosterdief.

--"Zou hij niet stikken, onder die pij?" vroeg hij.

--"Geen nood! Hij heeft zijn handen vrij! Als niemand het breken van
die verwenschte kruik heeft gehoord, kan hij zich wel loswringen. Maar
voor 't oogenblik is hij onschadelijk. Voort, hij moet ons zien
noch hooren!"

Zij waren bij de gesloten tuindeur. De grendels en bouten waren spoedig
weggeschoven. Bernardus haalde een zijner haken voor den dag en het
bleek, dat hij een handige smid was. Het slot ging zonder moeite open.

--"Ik had het goed gesmeerd--met olie uit de heilige lamp van het
altaar," fluisterde hij. "Naar de waterpoort!"

Zij snelden den kloosterhof door. Het weder, dien morgen zoo schoon
en stil, was tegen den avond omgeslagen. Er woei een gure wind en
zwart-grijze wolkgevaarten dreven in ijlende vaart langs den hemel,
waar van tijd tot tijd de maan even doorbrak. Men kon het klotsen
van de golven van de Leye duidelijk hooren.

Achter hen bleef alles stil. De gebonden conversbroeder had zich nog
niet bevrijd, of wellicht dreef de angst voor eigen veiligheid hem,
om zich stil te houden.

Nu waren zij aan de waterpoort. Broeder Bernardus had zijn lantaarn
uitgeblazen en weggeworpen, opdat het licht hen niet zou verraden. Hij
klappertandde van de koude, want de nacht was guur en hij miste zijn
warme pij. Zenuwachtig haalde hij zijn tweeden haak te voorschijn
en boog zich over het slot, maar zijn handen beefden en hij kon het
sleutelgat niet vinden.

--"Beproef gij het!" fluisterde hij met heesche stem.

Jacob nam den haak. Juist brak de maan voor een oogenblik door de
wolken en zonder moeite stak hij het ijzer in de kleine, donkere
opening. Hij drukte en wrong, maar het slot week niet.

--"Het gaat niet!" fluisterde hij. Hij was niet minder zenuwachtig dan
zijn metgezel. Wat, als zij de poort niet open konden krijgen? Wat,
als de monnik zich vergist had? Als de boot met de Welle er niet was,
en zij, al was de deur open, radeloos zouden staan voor de donkere
golven van de Leye?

Broeder Bernardus veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.

--"Het moet gaan!" hijgde hij. "Op zijde! Laat mij bij de deur!"

Hij greep den haak met zijn lenige, gespierde vingers en drukte
voorzichtig. De veer van het slot gaf niet mede. Buiten schuurde
iets tegen het paalwerk van de breede stoep, die uitgebouwd was in
de rivier.

--"De boot!" steunde Bernardus, angstig omziende. "Het moet! Hier,
uw scapulier!"

Hij rukte Jacob het korte scapulier van de schouders en wikkelde het
om het einde van den haak. Voorzichtig stak hij dien nogmaals in het
sleutelgat en drukte met kracht. Het slot gaf mede.

Met een zucht van verlichting opende de monnik de deur en keek naar
buiten. Aan de stoep lag een roeiboot. Een man stond er in en hield
haar met een bootshaak tegen het paalwerk.

--"Is de jonker bij u?" vraagde een gesmoorde stem. Jacob herademde:
het was de stem van Pieter de Welle.

--"Ja!" juichte broeder Bernardus, terwijl hij Jacob meetrok.

--"Schreeuw zoo niet, gek! Goddank, jonker, dat ik je weerzie!" zei
de Welle heftig. "Doe die vervloekte witte pij uit! Hier zijn kleeren."

Hij wierp een bundel op de stoep. Jacob ontdeed zich haastig van
zijn kloostergewaad en broeder Bernardus, opgewonden van blijdschap
over het aanvankelijk slagen van het plan, wierp het kleed met een
forschen zwaai over den hoogen kloostermuur, waar het aan een der
ijzeren punten bleef hangen.

--"'t Wordt waar, wat de devote Anna Byns, de Antwerpsche bagijn,
in haar refereyn heeft gezegd," zei hij uitgelaten:


    "De monnicken hangen hun cappen opten tune
    "En gaen als ruters den cost bejaghen."


--"Vooruit, en dan--vive le Geus!"

--"Houd u stil en kom in de boot!" zei de Welle, "ge zijt de poort
nog niet uit."

Jacob had zich intusschen in een grove greinen pij gestoken, zooals de
boeren en visschers die des winters droegen. De Welle reikte hem een
wollen muts toe. De beide mannen stapten in de boot en de koddebeier
begon voorzichtig te roeien, terwijl hij zooveel mogelijk in de
schaduw van den walkant bleef. Maar zijn voorzichtigheid was noodeloos:
straatverlichting was er in die dagen nog niet en de nachtwachts van
den Hoog-baljuw vonden het weder veel te guur, om langs de kade van
de Leye te dwalen en zaten zeker warm en wel in het wachthuis.

Zij roeiden een eind voort, tot zij bij een kleine scheepstimmerwerf
kwamen. Hier legde de Welle de boot vast. De drie mannen stapten aan
wal en klommen zonder moeite het lage houten hek over, dat de werf
van den openbaren weg scheidde.

--"Waarheen nu?" vroeg Bernardus.

--"Wij moeten voor poortopenen de stad uit," zei de Welle. "De rakkers
van den Baljuw zullen morgen met den vroegste de geheele stad afzoeken
naar den jonker. Wij moeten de poort uit!"

--"Kan dat?" vroeg Bernardus.

--"We gaan naar 't Pieterseliepoortje," zei de Welle. "Aegt Jansdochter
wacht ons, jonker. Ze zal ons 't poortje uitlaten, en dan over de
velden naar Antwerpen."

--"Naar Antwerpen?" vraagde Jacob.

--"Ja! Dat is nu de stad voor die van de ware religie!" zei de
Welle. "De Papisten noemen ze 't Vlaamsche Genève. Daar zal de dans
beginnen, jonker, en we zullen de papisten met de Inquisitie het land
uitdansen. Maar nu vooruit, we hebben geen tijd te verliezen."

--"Laat ons over de Markt gaan," verzocht Jacob.

Pieter de Welle knikte en de mannen liepen vlug door de nauwe, donkere
straten, tot zij de Vrijdaegsmarkt bereikten. Daar stonden zij even
stil. Jacob Martens staarde naar zijn ouderlijk huis, waarvan hij
den gevel flauw kon onderscheiden. Dààr sliepen zijne ouders, zijn
lieve Klaartje; daar had hij een blijde jeugd doorgebracht; daar was
hij gelukkig geweest in de liefde van Madeleine--en nu, hij ging dat
alles achterlaten. Hij nam afscheid--voorgoed. Eén oogenblik kwam
de gedachte bij hem op, of hij niet te hoog een prijs betaalde voor
zijne overtuiging. Bliksemsnel trok de verzoeking door zijn geest:
hij behoefde zijn makkers slechts vaarwel te zeggen en den klopper te
laten vallen. De zijnen zouden verwonderd en vertoornd zijn, als zij
hem zoo onverwachts terugzagen, maar als hij zich onderwierp aan den
wil zijner ouders, ja, al was het maar in schijn, als hij voor het
uiterlijk maar een goede Roomsche was, dan zou alles wèl zijn. Zijn
vader had invloed genoeg om het verleden te doen vergeten. En hij
zou alles terug ontvangen: de liefde der zijnen, zijn eervolle plaats
in zijn omgeving, als jonker Martens, den zoon van den president van
Vlaanderen, de minne van de fiere Madeleine de Bette...

De strijd was kort en hevig. Toen, na een laatsten blik, wendde Jacob
zich af.

--"Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig,"
klonk het in zijn ziel, "ja, Heere God,--maar o het is zoo hard!"

Zwijgend ging het drietal verder, tot zij het Petercelle-poortje
bereikten. Het portiershuis stond daar, met gesloten luiken. Alles
scheen in diepe rust, doch toen Pieter de Welle zachtjes driemaal tegen
het vensterluik tikte, stond Aegt Jansdochter geheel gekleed voor hen.

--"Is de jonker er bij?" vraagde zij. "Ja? St. Aegte zij geprezen,
jonker, dat je uit dat klooster zijt geraakt. Mijn jonker een
Witheer? Dat nooit, al breek ik mijn eed als portierster en waag ik
er mijn post en mogelijk mijn hals bij!"

--"Maar dat mag ik niet toelaten!" riep Jacob Martens
ontsteld. "Pieter, we kunnen misschien elders..."

--"Ze heeft gezworen op Paapsche reliquieën," zei de Welle norsch,
"en dien eed kan zij breken. Voort, jonker, onze hals is in gevaar,
meer dan die van Aegte. Wie zal haar verraden?"

De portierster trok Jacob naar zich toe en drukte hem een moederlijken
kus op het voorhoofd.

--"Dan moeten de president en de Hoog-baljuw maar niet aan mijn
voedsterkind raken," zei het kloeke wijf hartelijk. "Wees gerust,
jonker, pater Adriaan, mijn biechtvader, is de kwaadste niet. Voor
een pond waskaarsen krijg ik absolutie."

Jacob wilde nog iets zeggen, maar Aegte opende snel en voorzichtig
de poortdeur en Pieter de Welle vatte hem bij den arm en drong hem
naar buiten. Achter hen werd het poortje voorzichtig gesloten.

Toen de grauwe, kille Decembermorgen aanbrak, waren de drie
vluchtelingen reeds ver van Gent, op hun weg naar Antwerpen. De grijze
toren van St. Bavo scheen hen over de velden na te staren.



VIII.


Antwerpen, "dat broeinest van ketters", zooals de Landvoogdes aan
Philips II schreef, "het Noordsche Genève", zooals de Gereformeerden
het noemden, verdiende die namen in den winter van 1566-67. Bestuurd
door zijn burgemeester Anthonie van Stralen, onder zijn markgraaf,
den Prins van Oranje, had het een gewetensvrijheid weten te veroveren,
die men elders in den lande vergeefs zou zoeken. Openlijk hadden
de Gereformeerden na den beeldenstorm in de ontwijde Roomsche
kerken gepredikt, ja doop en avondmaal bediend en zij hadden ze
eerst teruggegeven, toen men hun op drie plaatsen in de stad vaste
kerken aanwees, waar elken Zondag door Gereformeerde leeraars,
zoo Vlamingen als Huguenoten, het Woord Gods werd verkondigd en de
doop werd bediend. En de Lutherschen, de "Martinisten", zooals ze
werden genoemd, hadden dat voorbeeld gevolgd en ook zij hadden drie
bedehuizen weten te veroveren.

Wel had Margaretha van Parma toornig geëischt, dat men die bepalingen
zou intrekken, dat de openbare prediking niet langer zou worden geduld,
maar het volk van Antwerpen had dien eisch afgewezen: de kerken der
Hervorming bleven openstaan en Antwerpens grootsche kathedraal stond
daar nog altijd, ledig en ontwijd. De woelige Brederode had er een
poos vertoefd en werd door het volk op de handen gedragen, en wel
zond de Landvoogdes den Prins van Oranje er heen, om het gezag der
regeering te doen eerbiedigen, wel scheen de Zwijger geneigd, haar
te gehoorzamen, wel onderhandelde hij met de mannen van den Breeden
Raad, met de besturen der gilden en der cameren van Rhetorica--maar de
toestand bleef, zooals hij was. En de Landvoogdes, die Doornik weldra
voor haar wil zou doen bukken, die het kleine, oproerige Valenciennes
deed belegeren door de troepen van Noircarmes, zij durfde de machtige
handelsstad niet dwingen tot gehoorzaamheid,--nòg niet althans.

En ondertusschen werden dààr groote plannen gesmeed voor de
toekomst. De koning zou komen, ja, maar hij zou komen met een
groot leger, en allen, zoo de edelen als het volk, wisten, wat dat
beteekende. Zou men buigen? Zou men de pas verworven vrijheid des
gewetens weer prijs geven? Zou men toestaan, dat de Inquisitie, dàn
gehandhaafd door den sterken arm van het koninklijk gezag, weer de
verkondiging van het Woord Gods zou trachten te smoren?

Het was woelig in Antwerpen, in de laatste dagen van 1566. Het
consistorie der Gereformeerde Kerk zat niet ledig en onderhandelde
steeds met de andere kerken, zoo in de Nederlanden, als in
Frankrijk. Taffin, Petrus Dathenus en Herman Modet, meer volksmannen
dan Junius, hielden door hun heftige predikatiën een oproerigen geest
onder het volk levendig en verkondigden openlijk den aanstaanden val
van den Antichrist en de verlossing van het volk des Heeren. Jan van
Thoulouse, de broeder van Philips van Marnix en Jan van Treslong
wierven er, naar men openlijk vertelde, manschappen aan, om dan
te zamen met den graaf van Culemborch zich te verzetten tegen het
gezag des Konings en de Inquisitie uit het land te verdrijven. In
Duitschland, heette het, werden hulpbenden aangenomen, die, als het
tijd was, de beweging zouden steunen. De Prins van Condé zou hulp
hebben beloofd; een leger der Huguenoten stond gereed, de grenzen over
te trekken, om de broeders in Vlaanderen ter hulp te snellen. Zoo
sprak men en men verwachtte groote gebeurtenissen en men sprak het
benarde Valenciennes moed in. Het moest volhouden, het moest niet
bukken voor de macht der Landvoogdes. Er zou ontzet komen, zeker!

En Oranje? Hij moet geweten hebben wat er broeide; zijn broeder
Lodewijk en zijn beste vrienden waren in de beweging betrokken. Voor
het oog was hij de regeering getrouw, maar heeft hij niet gedacht, dat
de ure der bevrijding toen reeds zou slaan? Heeft hij niet gemeend,
dat het gewapend verzet van de mannen van Antwerpen de vonk in het
buskruit zou zijn, die den opstand door het geheele land zou doen
ontbranden? Wie zal het zeggen? Hij heeft al wat daar geschied is
in het voorjaar zien aankomen; hij schijnt de beweging te hebben
begunstigd, hij heeft haar althans niet verhinderd. Maar toen deze
stoute zet op het politieke schaakbord te vroeg bleek gedaan, heeft hij
met gevaar van zijn leven Antwerpen behoed voor de wraak der regeering
en niemand kon hem beschuldigen, dat hij deel had aan de onderneming,
die zulk een rampzalig einde moest nemen.

De ure der vrijheid had nog niet geslagen!



De grauwe Decembermorgen brak over Jacob Martens en zijn beide
metgezellen aan, toen zij door de vlakke velden van het rijke "Land
van Waes" heentogen naar de groote Scheldestad. Zij hadden onderweg
niet veel gesproken. Pieter de Welle, die het landschap door en
door kende, had zorgvuldig de groote wegen vermeden, en hen langs
binnenpaden en door weilanden voortgeleid. Soms had hij hen met
een kort woord gewaarschuwd, hem op den voet te volgen, omdat de
streek moerassig was. Nu hadden zij eindelijk een breede heerbaan
bereikt. De Welle wierp een onderzoekenden blik naar alle kanten,
maar hij zag niets, wat hen kon verontrusten. Het winterlandschap lag
doodsch en eenzaam; slechts de rook, die opsteeg uit de schouwen der
boerenwoningen, die hier en daar tusschen hoog geboomte verscholen
lagen, toonde aan, dat hier menschen woonden. De koddebeier knikte
tevreden. Hij haalde brood en spek uit de linnen tasch, die hij om de
schouders droeg, en gaf het zijn beide reisgenooten, die gretig hun
eenvoudig ontbijt nuttigden. Opeens begon broeder Bernardus, die met
zijn magere gestalte in het huismanspak, dat hem veel te wijd was,
een zonderlinge vertooning maakte, luide te lachen. Pieter de Welle
fronste het voorhoofd en zag hem uitvorschend aan.

--"Wat lacht ge, Gheleijn de Keijzer?" zei hij stroef. "Wacht liever
met uw vroolijkheid, tot wij, door Gods goedheid, veilig binnen
Antwerpen zijn."

--"Ik lach om dien dommen convers," zei de beweeglijke man, dien
Jacob Martens slechts had gekend onder den naam van broeder Bernardus,
maar die nu weder Gheleijn de Keijzer heette, als vroeger. "'t Was de
"botte Peer-Tist", zooals wij hem in het klooster noemden. Of hij heeft
durven schreeuwen? En hoe hij het bij den sub-prior zal goedmaken,
dat hij des nachts met een gevulde bierkruik uit den kelder kwam? Ik
wou ondertusschen, dat ik een teuge biers hier had, want mijn keel
is zoo droog, als een preek van vader Anselmus in de vasten."

--"Was dan bij de vleeschpotten van Egypte en uwe Paepsche afgoderijen
gebleven!" bromde de Welle norsch. "Wat deedt ge het klooster te
verlaten, man, wanneer ge nog hunkert naar het patersbier, als God
u pas heeft bevrijd."

--"Is dat mijn dank, omdat ik u geholpen heb den jonker uit het
klooster te krijgen?" zei de zonderlinge man lachend. "Houd het mij
ten beste, jonker Martens," vervolgde hij tegen Jacob, "zoo ik een
loshoofd schijn. Ik ben zoo dartel als een jong veulen in de wei,
nu ik die verwenschte witte pij heb uitgetrokken."

--"Waart ge het kloosterleven zoo moede, broeder Bernardus?" vraagde
Jacob, verwonderd over de verandering van den vroeger zoo schuwen,
stillen man.

--"Noem mij niet meer met dien verbruiden kloosternaam! Ik ben weer
Gheleijn de Keijzer, meester in de conste van het snijden en drijven
van koper, die ik vroeger was, vroeger, eer ik mij, gefoold door booze
gedachten, omdat een deerne mij had bedrogen, in de pij liet steken."

--"Of er nog een vroom predikant uit u groeien mocht, als de godzalige
Dathenus en Modet, of Octiviaan van Bacourt, die dienaar des Woords
is te Laventhie, en die ook een witheer was," meende Pieter de Welle.

--"Een predikant? Zeg liever een goed landsknecht of een ruiter! Ge
zegt immers, dat het aan den dans gaat met de knechten der
Landvoogdes?" lachte de andere.

--"Maar ge behoort toch tot de onzen? Ge zijt toch mede van de
gesuyverde religie?" vraagde Jacob bevreemd.

--"Van de gesuyverde religie? Zeker wel! Leert gijlieden niet, dat
men de kloosters moet sluiten, en dat monniken en nonnen moeten
hijlikken? En dat vasten en penitentie Paapsche bijgeloovigheden
zijn? Ik behoor tot u, met lichaam en ziel! Reken op Gheleijn de
Keijzer."

Jacob zweeg. Zijn eenvoudig, vroom gemoed kon de lichtzinnigheid van
den ander niet begrijpen. Hij had met hart en ziel de zaak des geloofs
en der vrijheid omhelsd, hij had voor zijn overtuiging alles veilgehad:
zijn toekomst, zijn liefde, zijn levensgeluk. Hij begreep niet, dat er
onder de strijders voor de vrijheid óók konden zijn, wier geestdrift
welde uit troebele bron en die de heilige zaak dienden om vaak zeer
onedele beweegredenen.

Na een korte rust brak het gezelschap weder op. Het duurde nu niet
lang meer, of de statige toren van den Dom van Antwerpen trad uit de
morgennevelen te voorschijn. Het werd drukker op den weg, want tal
van landlieden gingen stadwaarts, zoo te voet, als met de Vlaamsche
huifkarren. Nog altijd keek Pieter de Welle met scherpe blikken rond,
maar er was niets verdachts te bespeuren, en zonder bemoeilijkt te
worden bereikten de drie mannen de breede Schelde. De winter was tot
nog toe zacht geweest en er was geen ijs op de rivier. Zonder moeite
vonden zij plaats op een der veerponten, die het verkeer der machtige
handelsstad met Vlaanderen onderhielden, en weldra betraden zij de
drukke straten van het "Vlaamsche Genève". Zij waren er in veiligheid:
het trotsche Antwerpen had het juk der geloofsvervolging afgeworpen
en zelfs de invloed van den president van den Raad van Vlaanderen zou
niet groot genoeg zijn, om de Magistraat te bewegen, zijn zoon uit
te leveren, wanneer die er eenmaal in geslaagd was zich te stellen
onder de bescherming van de hoofden der Geuzen, die er een tijd lang
feitelijk de macht in handen hadden.

Pieter de Welle, die ook in de stad welbekend was, leidde zijne
beide metgezellen langs den kortsten weg naar de "Meere", het groote
marktplein der stad, waar zich de taveerne de "Fonteyne" bevond,
dezelfde herberg, die Jan van Treslong in het voorjaar aan Jacob
Martens genoemd had, als het hoofdkwartier der Geuzen.

Hoewel het nog vroeg in den morgen was, was het reeds druk in de
taveerne, en de waard, een stevige kaerel, die brutaalweg op zijn
muts van otterbont een Geuzenpenning droeg, had het met zijn knecht
druk om de ongeduldige gasten te bedienen en hun de kroezen heet bier
te reiken, die zij telkens verlangden. Die gasten vormden een vreemd
mengelmoes: men zag er den fluweelen of fijn laken mantel, met bont
omzoomd, van den edelman, zoowel als de grofgreinen pij van den huisman
en het zwart lakensche wambuis van den deftigen poorter. Er werd
heftig en druk gesproken, en de gezichten stonden ernstig en strak.

Het binnenkomen van de Welle en zijne beide metgezellen veroorzaakte
eenige opschudding. Sommigen staakten hun gesprek, anderen keken
den waard vragend aan, maar deze, die met den koddebeier een
vriendschappelijken groet had gewisseld, knikte even geruststellend,
en dat scheen voldoende, want de gesprekken werden weder voortgezet.

De Welle eischte een kroes heet bier voor zich en zijne beide
makkers. Toen zette hij zich neer op een der lage houten banken en
monsterde het gezelschap met een opmerkzamen blik. Op de bank in
de breede schouw--de eereplaats--zaten een paar edellieden en voor
hen stond een forsch, breed geschouderd man, die sprak met heftige
gebaren en een toornigen gloed in de oogen. Hij was gekleed als een
Vlaamsche boer en hield de wollen muts in de hand, maar iets in zijn
houding en gebaar toonde, dat hij niet de eenvoudige huisman was,
die hij schijnen wilde.

Pieter de Welle boog zich voorover naar Jacob.

--"Ziet ge dien grooten kerel daar, jonker, die met die edellui
aan het redekavelen is? Dat is Jean Denijs, de vroegere baljuw van
Roosbrugge. Hij is door den gouverneur afgezet om zijne geuzerije en nu
is hij een van de felste aanhangers van den Heer van Brederode. Zie,
hoe driftig hij zich maakt! Zeker willen die twee niet naar hem
luisteren."

Jacob keek naar den haard en met blijdschap herkende hij in een der
edellieden jonker Jan Blois van Treslong. Ook de Welle herkende den
jongen edelman.

--"Daar zit zoo waarlijk de jonker van Treslong!" riep hij
luidruchtig. "Die zal ons voorthelpen," en zonder er zich om te
bekommeren, dat hij de drie mannen in hun gesprek stoorde, trok hij
Jacob mede naar de schouw.

Treslong herkende hen terstond en ontving hen hartelijk.

--"Zoo, jonker Martens," zei hij vroolijk, "ge hebt dan toch mijn
uitnoodiging niet vergeten? Zijt ge er in geslaagd, den gestrengen
President om den tuin te leiden?"

--"Maar dat vertelt gij mij later wel eens," ging hij voort, toen
hij zag, dat zijn vraag Jacob pijnlijk aandeed. "Laat ik u eerst
voorstellen aan mijn vriend en krijgsmakker, den Heer van Thoulouse."

De andere edelman, een tengere jonge man, met een ernstig, schrander
gelaat, boog en schudde Jacob vriendelijk de hand. Eerst later dacht
de jonge man er aan, dat niemand eenige bevreemding had laten blijken,
dat zij hem zagen in huismanskleeren, maar het duurde niet lang of
hij bemerkte, dat de gasten in de taveerne de Fonteyne lang niet
altijd waren, wat ze schenen.

Hij was de Welle zijns ondanks gevolgd en wilde zich nu bescheiden
terugtrekken, maar Blois van Treslong hield hem tegen.

--"Gij zijt van de onzen, jonker Martens," zei hij gul, "en voor de
Welle hebben wij geen geheimen. Wees gerust, allen, die hier zijn,
weten, dat er groote dingen op handen zijn, en de spionnen van de
regeering zullen zich hier niet zoo licht wagen. Wij zijn gereed te
strijden voor de gezuiverde religie en de vrijheden des lands, maar
onze vriend Denijs hier wil ons overhalen tot een dwaze onderneming,
die tot niets goeds kan leiden."

--"Ik zeg nog eens," zei de forsche man, met een stem, die trilde van
bedwongen toorn, "dat wij verraders zijn van de goede zaak, als wij
de broeders te Valencijn zonder hulp laten. Is het niet onze zaak,
die zij daarginds verdedigen? Hebben niet de vrome predikanten de Bray
en Herlin gehandeld in 't geloove en vertrouwende op de hulpe Gods? En
zou hun geloof door onze flauwhartigheid beschaamd worden? Valencijn
mag niet verloren gaan! Het is de poort, waardoor onze broeders,
de Huguenoten, het land zullen binnenrukken..."

Treslong haalde ongeduldig de schouders op. De Heer van Thoulouse
nam het woord.

--"Geloof mij, vriend Denijs," zeide hij ernstig en met waardigheid,
"het lot van onze broeders gaat ons niet minder ter harte dan u. Maar
wij mogen niet alles wagen aan een zoo onzekere kans. Ge weet, dat er
groote dingen te wachten zijn. Ge weet, waartoe wij hier zijn. De heer
van Brederode versterkte Vianen, in Duitschland zijn vendels geworven,
hier... maar ge weet dit alles zoo goed als wij. We moeten wachten,
omdat overijling alles zou doen mislukken."

--"En ondertusschen moet Valencijn worden uitgemoord door Noircarmes
en zijn benden?" zeide Denijs bitter.

--"Laat ons hopen, dat het niet zoover komen zal, en het zàl
zoover niet komen, zoo God wil," zeide Thoulouse. "De broeders te
Valenciennes zijn vrome mannen, maar geen krijgslieden. Ze hebben
onberaden gehandeld, zonder eerst te vragen naar den raad van hen,
van wie zij nu hulp verlangen. Maar de stad is sterk; ze kan het
weken tegen Noircarmes uithouden. Nog een paar weken,--en alles zal
gereed zijn tot den grooten slag, dien wij willen slaan. Ge weet,
wat ik bedoel, Denijs! En gelukt onze onderneming, dan sluiten de
edelen zich bij ons aan, tal van steden in het Zuiden kiezen onze
partij. Brederode rukt op uit Vianen, Condé en zijn Huguenots zullen
ons helpen, de Duitsche vendels rukken aan ter versterking en wij
zullen Mevrouwe van Parma en den Koning dwingen, ons toe te staan,
waarom wij tevergeefs hebben gesmeekt: de vrijheid van religie en de
afschaffing der Inquisitie. Dan wordt Noircarmes vanzelf genoodzaakt
het beleg van Valenciennes op te breken. Deden wij uw zin, kwamen
wij thans openlijk in verzet, vóór alles gereed is, dan zouden
wij de stad misschien kunnen ontzetten voor korten tijd, maar wij
zouden op den duur stellig de nederlaag lijden tegen de troepen der
Landvoogdes. Valenciennes moet geduld hebben."

--"En terwijl gij plannen beraamt en uw luchtkasteelen bouwt, neemt
Noircarmes ondertusschen de stad misschien met storm en worden onze
broeders vermoord," zeide Jean Denijs bitter. "Neen, jonker van Marnix,
wij kunnen niet wachten. Met u, of zonder u,--wij zullen Valencijn
verlossen. Wèl zegt de vrome Cornelis, dat het den Heere hetzelfde is,
verlossing te geven door velen of door weinigen!"

--"Cornelis? Is dat niet de wezen hoefsmid, die te Laventhie heeft
gepredikt?" vraagde Treslong. "Neem u in acht, Denijs, de Eerwaarde
Junius noemt den man een gevaarlijk geestdrijver."

--"Omdat hij spreekt, wat de Geest hem geeft te spreken!" riep de
vroegere baljuw bijna toornig. "Ik zeg u nog eens: God zal met ons
strijden, Heeren! Wacht niet tot het uw tijd is! Sla toe op Gods tijd!"

--"Wat wilt gij met uw gewapend landvolk tegen de vendels van
Noircarmes?" zeide Treslong schouderophalend.

--"Wij hebben meer! De broeders Wattepatte te Laventhie, die getrouwe
dienaren van God en zijn kerk, zijn de laatste weken ijverig bezig
geweest. Zij hebben geld verzameld en soldaten geworven: acht vendels
Franschen en Walen. Ze zijn in 't geheim gelegerd in de trouwe dorpen
van den Westhoek,--maar dat kan niet lang duren. De huislieden lijden
last: 't zijn rauwe gasten, al strijden zij voor een goede zaak. Ook
daarom moeten wij toeslaan, voor de vendels verloopen. Nog eenmaal,
trekt gij met ons op?"

Thoulouse en Treslong wisselden een blik van verstandhouding.

--"Wij kunnen niet en wij mogen niet!" zeide de eerste, zacht,
maar beslist. "En wij bidden u, Jean Denijs, zie af van die dwaze
onderneming."

--"Welnu, dan zonder u! Gods vloek over u, gij edellieden zonder hart,
die het arme volk laat vermoorden!" riep de forsche man toornig,
en hij wendde zich driftig af, terwijl hij naar hoed en mantel
greep. Eensklaps echter keerde hij terug.

--"Neen, zoo wil ik toch geen afscheid van u nemen, heeren!" zei hij
hartstochtelijk. "Gij meent het wèl met de kerke Gods, ook al zijt
ge gevangen in het net der wereldsche politieke redenen. Vaartwel,
we zullen elkander misschien hier op aarde niet wederzien!"

Hij reikte hun de hand ten afscheid, en wilde heengaan.

--"Halt! neem mij mede, als het er op los zal gaan," riep plotseling
een zenuwachtige stem, en Gheleijn de Keijzer, de gewezen broeder
Bernardus, die ongemerkt genaderd was en het gesprek had aangehoord,
versperde den baljuw stoutmoedig den weg.

--"Neem mij mede," herhaalde hij, "en geef mij een armborst en
degen. Ik kon den vogel raken in mijn jeugd; en ik verlang er naar,
weer eens een bout te doen vliegen!"

--"Wie is dat? Wat wil die man?" vroeg Jean Denijs verwonderd.

Pieter de Welle trad op hem toe en fluisterde hem iets in. De baljuw
keek den gewezen monnik scherp aan.

--"Ge hebt geluisterd?" vraagde hij kortaf.

--"Met uw verlof, heer hopman of wat ge wezen moogt," zei de
zonderlinge man, "ik zou wel eens willen weten, hoe ik het had moeten
aanleggen om niet te luisteren. Ge hebt waarlijk luid genoeg gesproken,
om op de Meer te worden verstaan. Ik zeg nog eens: Neem mij mede. 't
Zal niet voor de eerste maal zijn, dat ik een kruisboog of een degen
heb gehanteerd."

--"En wie zegt mij, dat gij geen spion van Noircarmes zijt?" vraagde
Denijs.

--"Deze jonker, dien ik uit het klooster heb helpen ontvluchten, op
gevaar van mijn hals," antwoordde Gheleijn de Keijzer vrijmoedig. "Als
die van Gent of mijn vrienden, de Witheeren, mij in hunne handen
mochten krijgen, dan wacht mij de strop."

--"En toch wilt ge uw hals wagen in een onderneming, waar het heet zal
toegaan en die deze heeren te gewaagd achten?" zeide Denijs spottend.

--"Dat is wat anders!" meende Gheleijn; "zoo ik slagen krijg, ik
zal er ook kunnen uitdeelen, en als ik mijn hals waag, dan doe ik
het tenminste voor een goede zaak. Dat is heel wat anders, dan op de
Vrijdaegsmarkt te Gent te staan bibberen, tot de Roode Roê het stokje
breekt en dan te worden opgehangen, als een varken aan de leer."

--"Waarom wacht ge niet liever met den jonker en de Welle op de
groote onderneming, waarvan de heeren spreken?" vraagde Denijs niet
zonder bitterheid.

--"Ik heb lang genoeg gewacht! Zie, heer, ik ben kunstenaar geweest en
in een onzalig oogenblik heb ik mij in de pij laten steken. Zes jaren
van mijn leven heb ik in 't klooster doorgebracht. Ik ben ziek van het
knielen en gebeden prevelen, ik walg van meditaties en penitenties. Ik
wil leven, leven zooals vroeger,--al was het dan maar een korte poos."

--"Dat laatste kunt ge gedaan krijgen!" zeide Denijs grimmig. "Kom
mede, man! Vaartwel, heeren!"

Na een haastig afscheid volgde Gheleijn de Keijzer zijn nieuwen
aanvoerder. Een paar mannen in schippersdracht, die in een hoek van
het vertrek het gesprek zwijgend hadden aangehoord, ledigden hunne
"pottekens" en sloten zich bij de twee mannen aan.

--"Dat is een dapper man!" zeide Jacob, terwijl hij Jean Denijs
peinzend nakeek. Het liefst had hij zich bij de moedige strijders
aangesloten, die in ongelijken kamp hun leven gingen wagen voor
hunne broeders, maar hij gevoelde zich nog te vreemd in deze nieuwe
omgeving, en te jong en te onervaren om te durven handelen tegen het
gevoelen van Treslong en Thoulouse, die zich zoo ernstig tegen het
plan hadden verzet.

--"Een dapper man, maar een dweper!" zei Treslong. "Die van Laventhie
loopen blindelings in hun verderf. Die predikant Cornelis, en ook Modet
en Dathenus hebben het volk in het Zuiden letterlijk dol gemaakt. Men
hoort er van niets dan van St. Gideon, meen ik, die de Sarracenen
versloeg ..."

--"Hei wat, Jan," viel Thoulouse hem in de rede, "de Eerwaarde
Junius moet u beter uw bijbel leeren. Als mijn broeder Philips
u hoorde! Gideon was een richter in Israël, die zijn volk van de
Midianieten verloste,"

--"Dat waren Sarracenen!" hield Treslong vol.

--"Vraag het aan Junius!" zei de ander glimlachend. "En laat ons niet
spotten met het geloof van die eenvoudigen."

--"Geloof? Geestdrijverij! Wat kunnen zij met hun bijeengeraapte
vendels uitrichten tegen de veteranen van Noircarmes?" vraagde Treslong
driftig. "Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken," dat staat óók
in den bijbel, "Jan van Marnix."

--"Het is waar! En ik vrees, dat zij het zullen ervaren, dat daarop
geen zegen rust!" zei Thoulouse treurig. "Om te doen, wat Gideon
deed, moet men zich als Gideon geroepen weten. Maar daar is hopman
van der Aa..."

Een kort, gezet man, met een rood, verhit gezicht, was de taveerne
binnengetreden. Hij was gekleed in zwart fluweel, met roode sjerp en
bandelier, waarin een degen hing, die veel te groot scheen voor zijn
korte gestalte. Hij wierp een onderzoekenden blik door het vertrek
en trad, zoodra hij de edellieden bemerkte, driftig op hen toe.

--"Hebt ge 't gehoord, heeren," riep hij, zonder zijn rood gepluimden
hoed af te nemen, "Denijs trekt met zijn mannen weg en er hebben zich
nog meer bij hem aangesloten. Wat moet dat geven, als die domkoppen
reeds nu zóó beginnen?"

--"Wij weten het, helaas, hopman," zei Thoulouse, "en wij betreuren
het niet minder dan gij. Maar ga zitten; ondertusschen hebben wij
hier twee nieuwe recruten, die wij aan u willen voorstellen."

Simon van der Aa, de dappere hopman van Brederode en tevens een handig
werfofficier, zette zich bij het gezelschap aan de tafel, want ook
de Welle, die, zooals Jacob weldra bleek, hoog bij de aanvoerders
der Geuzen stond aangeschreven, werd door de beide edellieden
uitgenoodigd; de bierkroezen werden door den waard gevuld met goed
Utrechtsch bier, "heet ende gecruyt", en weldra sprak men druk over
het groote onderwerp: de aanstaande onderneming tegen de Regeering, en
de plannen des Konings, die, naar men zeker wist, met een groot leger
naar zijne erflanden zou komen, om aan elk verzet een einde te maken.

Het moge vreemd klinken, dat men in een stad als Antwerpen, op
klaarlichten dag, in een taveerne, waar ieder toegang had, openlijk een
samenzwering smeedde en plannen beraamde tegen de bestaande regeering,
toch was dat werkelijk de toestand. Antwerpen was in den winter van
1566-1567 feitelijk in de handen der Geuzen. Niet alleen werd er elken
Zondag in de kerken openlijk gepredikt, maar er werd evenzeer openlijk
volk geworven voor Brederode en zijne medestanders, en hopman van
der Aa stak zijn plannen niet onder stoelen en banken. Nog weinige
weken en het Geuzenlegertje zou met vliegende vaandels en slaande
trom Antwerpens straten doortrekken en de poort uitrukken, zonder
dat de Magistraat dit kon of wilde beletten.

Nog dienzelfden dag nam Jacob dienst bij hopman van der Aa, als
"cadet". Treslong bezorgde hem een kwartier in zijn eigen woning en
bediende zich van hem als geheimschrijver. Zoo kwam hij op de hoogte
van den toestand. Hij begon meer en meer te begrijpen wat Oranje,
Brederode en Nieuwenaar beoogden. Hij wist ook, dat Egmond, op wien
het volk nog steeds hoopte, ondanks zijn streng optreden tegen de
beeldstormers, zijn vroegere medestanders den rug had toegekeerd en
zich schaarde aan de zijde der Regeering. Maar in hoeverre Oranje
Brederode's plannen goedkeurde, wist hij niet en meer en meer scheen
het hem toe, dat de bondgenooten het zelf niet wisten.

Voor het overige scheen hij veilig onder de bescherming der
Geuzenaanvoerders. Wel was het te Gent bekend geworden, waar hij zich
bevond en had de Hoog-baljuw hem, op verzoek van zijn vader, doen
opeischen, maar hoezeer de Antwerpsche Magistraat een invloedrijk
persoon als de president van den Raad van Vlaanderen misschien
gaarne ter wille was geweest, zij durfde geen geweld gebruiken tegen
de hoofden der Geuzen. Zij wist te wel, hoe gespannen de toestand
was. Eén enkele onvoorzichtigheid was genoeg, om een oproer te doen
uitbarsten, waarbij de beeldenstorm kinderspel zou zijn geweest. Zoo
zocht de Magistraat uitvluchten en liet Jacob Martens uitnoodigen,
de stad en haar vrijdom te verlaten, eene uitnoodiging, waaraan deze
zich niet stoorde.

Op zekeren dag, kort na zijn komst te Antwerpen, begaf hij zich
met Thoulouse en Treslong naar de Fonteyne, toen hun aandacht werd
getrokken door een gejuich, dat achter hen opging. Drie edellieden
kwamen langzaam door de nauwe straat aanrijden onder een luid "Vive
le Geus!" van het gemeen, waarmee sommige burgers hartelijk instemden,
terwijl anderen zich haastig verwijderden.

--"Let op den middelste!" zeide Treslong haastig. "Dat is Oranje! De
anderen zijn van Hoogstraten en burgemeester van Stralen."

Jacob zag een edelman met een fijn, bleek gezicht en een paar diepe,
donkere oogen, gedost in een met bont omzoomden mantel en met een
hoogen fluweelen hoed op het hoofd, die met zijn beide metgezellen
een ongedwongen gesprek scheen te onderhouden, terwijl hij van tijd
tot tijd het hem toejuichende volk minzaam groette. Prins Willem van
Oranje was toen drie en dertig jaar, maar hij scheen ouder dan hij
was. Het hoofd zijner politieke partij, zoo in den Raad van State als
daarbuiten, de man, op wien Roomsch en Onroomsch de oogen gevestigd
hield, had hij de laatste jaren doorgebracht in het gewoel van den
strijd der staatkundige partijen en de sporen van dien kamp waren
te zien in de diepe gedachtenrimpels op het hooge voorhoofd. Oranje
was in die dagen de sfinx, de ondoorgrondelijke, wiens gedachten de
Spaansche partij tevergeefs trachtte te peilen, wiens verreikende
plannen zij niet kon omvademen, maar die tegelijk een raadsel was
voor zijn eigen partij. Men doet der historie geweld aan, als men in
Willem van Oranje, in de dagen, die den grooten strijd voorafgingen,
reeds den geloofsheld wil zien van later tijd. Veel moest er ook over
dat hoofd heengaan, eer hij het leerde buigen voor den "Potentaat
aller potentaten", met Wien hij eens een vast verbond zou maken. Ook
hij moest gelouterd worden in de harde school van den tegenspoed,
ook hij moest zijn Jacobsworsteling nog doormaken, en op het stille
Dillenburg,--de brieven zijner vrome moeder getuigen het--zou de
schrandere politicus, het geniale partijhoofd, eerst als een arm,
verlaten zondaar moeten staan voor zijn Heiland en Verlosser, voor
hij den Geest zou ontvangen, die zijn streven zou heiligen, die hem
den moed zou geven tot een schier hopeloozen strijd voor de zaak der
verdrukten, die hem in waarheid zou maken tot Vader des vaderlands.

Thans reed hij daarheen, te midden der Antwerpsche burgerij, en
schoon hij den jubelenden groet der menigte vriendelijk beantwoordde,
fronsten zich zijn wenkbrauwen soms ongeduldig bij het luid schaterend
"Vive le Geus!", dat hem overal tegenklonk. Hij wenschte te Brussel
niet te worden aangezien als het hoofd van een opgewonden menigte, en
hij wist daarbij te goed, hoe wispelturig de volksgunst is. Datzelfde
volk, dat hem thans huldigde en toejuichte, zou hem over weinige
weken uitjouwen, en zelfs zijn leven bedreigen, wanneer hij hen en
hun stad door zijn wijs beleid behoedde voor plundering en moord.

Jacob zag den man na, van wien hij zooveel had gehoord, onder wiens
vanen hij weldra zou strijden, en dien hij eerst na verscheidene
jaren en onder geheel andere omstandigheden zou weerzien.

De beide edellieden gingen met hun jongen geheimschrijver naar de
Fonteyne en hoorden er van Hopman van der Aa, hoe het ging met de
werving. Toen bezochten ze verschillende hoofden hunner partij, om
berichten te ontvangen, bevelen of wenken uit te deelen of plannen
te smeden voor de toekomst. Tegen den avond, na een werkzamen dag,
begaven zij zich naar de woning van Thoulouse, waar de jonge, bevallige
Vrouwe hare gasten, de voornaamsten der Geuzenpartij, met vriendelijke
bevalligheid ontving. Jacob Martens ontmoette er tal van mannen,
die weldra in de geschiedenis van den opstand een blijde of droevige
vermaardheid zouden krijgen. Hij zag er den vurigen Joris Sylvanus,
den moedigen predikant, die weldra als balling de stad en zijn gemeente
zou verlaten, den dichter van het aandoenlijke afscheidslied, waarin
de verdrukte Kerke Christi klaagt tot haren God; den verstandigen
Marco Perea, den rijken koopman, die zijn persoon en zijn fortuin ten
dienste had gesteld der goede zaak; Mr. Gillis de Clercq, en nog vele
anderen. Men was er vol hoop op de toekomst. Had men eenmaal maar een
voldoende krijgsmacht te velde, en een paar sterke steden bezet, dan
kon men de macht der Landvoogdes trotseeren, dan zouden de steden den
moed hebben om zich openlijk voor de partij der vrijheid te verklaren,
dan zouden de edelen zich stellen aan het hoofd des volks, en dan,--ja
dan zou men den Koning weten te dwingen, de vrijheden des volks te
eerbiedigen, dan zou de Inquisitie verdwijnen en er zou vrijheid
zijn van geweten en vrijheid van eeredienst,--want verder dacht men
niet. Niemand wilde den Koning van Spanje de gehoorzaamheid opzeggen:
de Heer der Nederlanden zou slechts den gehaten geloofsdwang in zijne
erflanden opheffen,--en men zou de wapens neerleggen en allen zouden
weder zijne getrouwe onderdanen zijn.

Met zorg volgden intusschen de leiders de beweging in het Zuiden des
lands. Zij wisten, dat Jean Denijs zijn plan had volvoerd en met een
gewapenden hoop volk een paar dorpen had bezet; en zij wisten ook, dat
de moedige, maar onbezonnen Wattepatte's hunne vendels samentrokken,
om zoo mogelijk Valenciennes te ontzetten en zij vreesden, dat de
sluwe Noircarmes, die zijn tegenstanders rustig hun gang liet gaan,
het gunstig oogenblik afwachtte, om de overmoedige en onervaren
strijders met één slag te vernietigen.

Op Vrijdag den 26sten December verspreidde zich te Antwerpen het
gerucht, dat er bij Watrelos gevochten was en dat de Geuzen het hadden
verloren. Nadere berichten kwamen er niet, maar Zondag, den 28sten
December, kwam de bevestiging van het treurige bericht.

Men was dien avond naar de "Ronde Kerk" ter preek geweest, en, naar
de gewoonte dier dagen, had Meester Joris Sylvanus zijne gemeente
niet alleen getroost en bemoedigd, maar hij had ook niet geschroomd,
de politiek van den dag op den kansel te brengen, en in vurige taal
zijne toehoorders opgewekt, nu met hun lijf of hun goed de mannen te
steunen, die als in de dagen van Josia de Baälpriesters en hun aanhang
zouden verdelgen van voor het aangezicht des Heeren. En zinspelende
op het pas gevierde Kerstfeest, had hij gezegd, dat Christus voor
de Nederlanden eerst recht zou zijn geboren, als zijn Evangelie er
onbedekt en openlijk voor allen kon worden gepredikt.

Thans waren de hoofden der beweging bijeen ten huize van Thoulouse
en men besprak er de geruchten der laatste dagen, de berichten, die
men van Brederode had ontvangen, en de "groote onderneming", waarvan
men zoo was vervuld, en die toch niet in bijzonderheden werd aangeduid.

Het was reeds vrij laat, althans voor die dagen, toen de klopper
aan de voordeur met een zacht, voorzichtig tikje neerviel op den
metalen knop. Na een oogenblik verscheen er een bediende, die met
een ontsteld gelaat den gastheer iets influisterde. Thoulouse stond
haastig op, men hoorde in het voorhuis zware schreden, een levendige
woordenwisseling, en weldra verscheen hij weder, met een man, in een
langen mantel gewikkeld en den slappen hoed diep in de oogen gedrukt.

Met een wenk liet de Vrouwe van Thoulouse de bedienden vertrekken. De
man wierp met een zucht van verlichting hoed en mantel ter zijde
en viel neer op den zetel, dien Blois van Treslong haastig had
aangeschoven. Het was Jean Denijs. Zijne kleeding was beslijkt en
bebloed, en een breede hoofdwonde, slechts ruw met eenige lappen
verbonden, misvormde zijn bleek gelaat.

Met een kreet van ontsteltenis sprongen de aanwezigen op.

--"Dus geslagen?" riep Treslong, terwijl Mevrouw van Thoulouse haastig
de kamer verliet, ten einde het noodige te halen, om den gewonde te
verbinden, een kunst, waarin zij, als vele vrouwen van dien tijd,
bedreven was.

--"Alles verloren!" kermde Jean Denijs.

Hij ledigde den beker wijn, dien Thoulouse hem aanbood. Een licht
rood kleurde zijn door vermoeienis en bloedverlies bleek gelaat,
en hij vervolgde met van aandoening trillende stem:

--"Gij hebt gelijk gehad, heeren! Ik was een ezel, te denken, dat wij
met een ordeloozen hoop iets konden uitrichten tegen Noircarmes. Maar
het is er mij naar gegaan!"

Hij zweeg een oogenblik en dronk een teug wijn. Toen ging hij voort:

--"Wij trokken op met een sterken troep en goed gewapend ook. Wij
zouden ons bij Watrelos met die van Armentières en Doornik vereenigen,
om dan samen Valenciennes te ontzetten. Wèl wisten wij, dat de Heer van
Rottinghem, de stadhouder van Donai en Rijsel, ons wilde tegenhouden,
maar hij had maar tweehonderd man, en die telden wij niet. Domkop,
die ik was! Bij, Watrelos viel hij ons aan en hij joeg ons uiteen,
als een kudde schapen. Waren de Wattepatte's met hunne vendels er
maar geweest! Maar zij kwamen te laat; die Cornelis, hun predikant,
had hen opgezet, om vast onderweg de kloosters in brand te steken;
zij hadden het krijgsvolk niet onder tucht weten te houden en zoo
waren zij opgehouden. Ik was te paard en ik vluchtte naar het leger,
en wij rukten voort naar Watrelos om wraak te nemen, en Noircarmes
te verrassen, maar hij verraste ons vandaag. Wij waren van morgen in
het bosch van Lannoy, toen hij ons plotseling overviel. Hij had tien
vendels en zeshonderd ruiters en hij viel ons aan, voor wij wisten, dat
hij in de nabijheid was. Alles is verloren! De onzen waren dadelijk in
verwarring en ze werden ingesloten en in de pan gehakt. Onze vaandels
en de veldstukken, die de Wattepatte's in Frankrijk hadden gekocht,
alles is weg! Een paar van ons zijn het naar Antwerpen ontkomen, maar
Pieter en Philip Wattepatte zijn door Noircarmes' ruiters ingehaald
en gevangen genomen."

Thoulouse en Blois van Treslong wisselden bezorgde blikken.

--"Hadden wij uwe vendels en uwe kanonnen gehad, als de tijd daar is,
dat wij ze zullen kunnen gebruiken," zuchtte Thoulouse. "Wat al geld
en kostbaar bloed verspild in een nuttelooze onderneming!"

Jean Denijs boog beschaamd het hoofd.

--"Ik meende den Heere en Zijne verdrukte Kerk te dienen," zei hij
ootmoedig. "En wat zal er nu met onze arme broeders te Valencijn
gebeuren?"

--"Houd moed, broeder," zei Treslong trouwhartig. "Ge hebt gehandeld
naar uw geweten. En zoo ons plan gelukt, wat God geve, dan zal de
Landvoogdes zoo de handen vol hebben, dat Noircarmes Valencijn wel
met rust zal moeten laten. Maar zeg mij, heeft men u de poort zien
binnenkomen?"

--"Wij waren met ons vijven. De portier van "de Roode Poort" is
ons genegen, al durft hij niet ter preeke komen. Hij liet ons tegen
't gewone poortgeld binnen en vroeg niets."

Jean Denijs zeide het met een pijnlijk vertrokken gezicht. Zijne
wonde begon hem hier in het warme vertrek te hinderen.

--"Zoo zijt gij hier veilig," zeide Thoulouse. "Mijne vrouw zal u
verbinden, en dan--gij hebt rust noodig. De wond is niet ernstig en
gij zult ons nog helpen, uw nederlaag op Noircarmes te wreken. Morgen
verhaalt ge ons meer!"

Mevrouw van Thoulouse verscheen met linnen en pluksel, met water en
azijn, en met alle verdere hulpmiddelen, die haar eenvoudige heelkunst
haar leerde en haar goed hart haar ingaf. De wonde werd gereinigd en
opnieuw verbonden.

Toen bracht Thoulouse zijn gast naar zijn kamer, maar de forsche
man was door bloedverlies en afmatting zoo uitgeput, dat Treslong en
Jacob Martens hem beiden moesten ondersteunen.



IX.


Ja, de moedige, maar onberaden poging om Doornik te helpen
en Valenciennes te ontzetten, was jammerlijk mislukt. Tal van
vluchtelingen, die aan de ruiters van Noircarmes ontkomen waren,
en die den guren winternacht in allerlei schuilhoeken hadden
doorgebracht, kwamen de volgende dagen ongehinderd Antwerpen binnen,
en ze bevestigden de tijding, die Jean Denijs had gebracht. 't Was
een verpletterende nederlaag geweest, dat gevecht bij Lannoy. Een
verrassing, even sluw beraamd als stout uitgevoerd door den dapperen
en bekwamen Noircarmes, die van zijn krijgsmanskunst zoo wèl gebruik
had weten te maken tegen zijn ongeoefende tegenstanders. De overval
was volkomen geweest: het geheele Geuzenlegertje was vernietigd en
de troepen der Landvoogdes hadden nagenoeg geen verliezen geleden.

Van Jean Denijs, die zich in het huis van Thoulouse schuil hield,
om er van zijn hoofdwonde te genezen, vernamen de bondgenooten
nog nadere bijzonderheden. Zij vernamen van hem ook den dood van
Gheleijn de Keijzer, die in het gevecht bij Watrelos was gebleven. De
gewezen monnik had niet lang genoegen gehad van zijn pas verworven
vrijheid. Jean Denijs verhaalde, hoe hij het vuurroer, waarmee men hem
had willen uitrusten, minachtend had afgewezen; hoe hij, met een langen
handboog gewapend, als een echte Vlaamsche schutter met zijne pijlen
verscheidene van van Rossinghem's volk had neergelegd, en hoe hij
eindelijk met een "goedendag" als wapen, tegen de opdringende knechten
had standgehouden, en, vechtende tot het laatste, was gevallen.

Zou de dood dier martelaren worden gewroken? Jacob Martens vroeg het
met koortsig ongeduld. Hij brandde van verlangen om ten strijde te
trekken tegen de troepen der Regeering, die het land verdrukte. "Nu
of nooit!" dacht hij en dat dachten duizenden met hem. Brederode, de
kloeke, voortvarende Brederode, scheen het hoofd der beweging. Hij
was de man van het oogenblik, op wien aller oogen waren gevestigd,
het hoofd der partij van actie, die dreef tot onmiddellijk handelen,
tot krachtig doortasten.

En Oranje, de zwijgende, bedachtzame schaakspeler, die nimmer een
haastigen, onberaden zet op het politieke schaakbord deed, wachtte af!

Nu of nooit! Handelen moest men, of alles was verloren! Namen de
geruchten, dat de Koning met een geducht leger herwaarts zou komen,
niet steeds vaster vorm aan? Wist men niet met zekerheid, dat die
troepen zouden worden aangevoerd door Philips' besten veldheer,
den geweldigen hertog van Alva? Mocht men wachten, tot de Kerk van
Christus, tot de Nederlandsche vrijheid zou worden vertrapt onder de
ijzeren zool der Spaansche huurbenden?

Nu of nooit! En het Consistorie der Gereformeerde kerken,
te Antwerpen vergaderd, benoemde hun held en hun voorvechter
tot opperbevelhebber. Brederode benoemde Philips van Marnix
van St. Aldegonde tot penningmeester der beweging. Het geld
der Gereformeerden vloeide toe, want men verwachtte veel van
de onderneming. Openlijk werden in Antwerpen troepen geworven op
Brederode's last. Antony van Bombergen, de vermetele aanvoerder, die
onder Condé had gediend, maakte zich meester van 's Hertogenbosch en
trotseerde er de Regeering. Maastricht dreigde afvallig te worden:
het was reeds wederspannig.

En het was nu geen geheim meer, dat de Geuzen het oog hadden geslagen
op Zeeland. Dààr wilden zij zich nestelen, om de Spaansche vloot,--want
men verwachtte de troepen des Konings over zee--den doortocht te
betwisten. Als Alva kwam, dan zou hij, naar men meende, het geheele
land onder de wapenen vinden.

Zoo dacht men, en steeds zag men op Oranje. Maar ondanks het
aandringen der bondgenooten, ondanks het morren van het volk, bleef
Oranje wachten. Ja, het scheen zelfs, dat hij zich tegen Brederode
keerde. Hadden de aangeworven troepen, die zich in de dorpen bij
Antwerpen hadden gelegerd, niet den last gekregen van den Prins,
als Markgraaf van Antwerpen, om zich aanstonds te verwijderen, onder
bedreiging van geweld, indien zij niet gehoorzaamden? Aarzelend
waren zij afgetrokken, de Geuzenbenden, om zich bij Brederode te
voegen, sommigen te scheep, anderen over Gorcum, en wrokkend zagen de
Antwerpsche Gereformeerden naar den zwijgenden staatsman, die hunne
verwachtingen zoo teleurstelde.

Toch,--men wist het wel, er was toch nog krijgsvolk te Antwerpen
gebleven en er werden er nog steeds geworven. Zou er dan toch nog
hoop zijn?

Met een gelaat, gloeiend van geestdrift, trad Jan Blois van Treslong
op een middag in het laatst van Februari de "sale" binnen in het huis
van Thoulouse, waar de hoofden der Antwerpsche beweging vergaderd
waren. De heer des huizes, met Jacob Martens als zijn secretaris,
leidde de bijeenkomst. Men zag er eenige der Antwerpsche predikanten,
den Heer van Walencourt, een uitgeweken Huguenoot, Mr. Gillis le
Clercq, Jean Denijs en de Heeren van der Aa, Waroux, Escaubecque en
Villers, de laatsten allen hoplieden onder Brederode.

--"Eindelijk, Thoulouse! eindelijk, heeren!" riep de vurige jonge
edelman, terwijl hij zijn vriend een gezegeld stuk overreikte. "De bode
van Mr. Pieter Haeck is zooeven aangekomen. De baljuw wil ons helpen
en hij heeft veel invloed op Walcheren. Zijn wij eerst meester van het
eiland, dan lachen wij met Mevrouw van Parma en hare tachtig vendels!"

Thoulouse opende den brief van den gewezen Middelburgschen baljuw
en las dien voor. Inderdaad bevatte het schrijven het bericht, dat
Meester Pieter Haeck hun voorstel aannam: De bondgenooten zouden met de
troepen, die zij nog te hunner beschikking hadden, de Schelde afvaren
en een aanslag op Walcheren wagen, Haeck, die zich in Zeeland ophield,
om daar de bevolking te bewerken, zou zich op de rivier bij hen voegen,
en door zijn invloed en dien zijner familie zou hij de voornaamste
steden weten te bewegen, zich voor de Geuzen te verklaren. "En"--zoo
werd er geheimzinnig gefluisterd--"de Prins van Oranje keurde de
onderneming goed. Was niet een zijner officieren, de Heer van Boxtel,
naar Zeeland geweest, om te verhinderen, dat de steden eene bezetting
der regeering zouden innemen? En had de gouverneur van Zeeburg, de
wakkere Roeland van Ghistelle, niet geweigerd, een vendel voetknechten
in de sterkte toe te laten, zonder bijzonderen last van Oranje,
in wiens handen hij den eed had afgelegd?"

Men was vol geestdrift, vol hoop. Met gejuich werd het schrijven
van Pieter Haeck ontvangen. Nu zou men dan toch eindelijk kunnen
overgaan tot de groote onderneming, waarvan zoo lang was gesproken,
die zoo zorgvuldig was voorbereid. Met kracht, zoo besloot men, zou
men de werving voortzetten. Men had geld, men had geschut en wapens;
men wist over welke schepen men kon beschikken. Drie groote vaartuigen
lagen aan het Vlaamsche hoofd gereed.

Den 2den Maart 1567, tegen den noen, stond het Antwerpsche volk
met nieuwsgierigheid een bende krijgsvolk aan te staren, die op de
Meere werden gemonsterd. 't Waren drie vendels voetknechten, goed
gewapend met speren en haakbussen, maar 't waren geen stadssoldaten,
dat was duidelijk. Van uniformen wist men in die dagen nog niet veel;
de lederen kolders, de stalen borstharnassen en stormkappen werden
door de soldaten van alle partijen gedragen, maar de officieren en
manschappen hadden groene en witte sjerpen en veldteekens, en de
hoplieden met hunne luitenants, die daar het bevel voerden, waren
voor de Antwerpenaars goede bekenden: dat waren de Geuzenvendels!

Een oogenblik, en daar roffelden de trommen, daar werden de vaandels
ontplooid, witte banen met een bloedrood St. Andrieskruis, daar
klonken de commando's en in goede orde marcheerden de drie vendels
door de stad en naar het Vlaamsche hoofd, onder het luid gejuich der
Calvinistische burgerij.

En de Antwerpsche magistraat liet het geschieden, en de stadhouder
verzette zich niet. Wat zouden zij doen? De toekomst was donker,--en
twaalf à veertien duizend Calvinisten, door de gebeurtenissen der
laatste dagen geprikkeld, waren dààr, gereed tot den opstand, zoo
men de Geuzentroepen bemoeilijkte.

Met de witzijden sjerp--een geschenk der Vrouwe van Thoulouse--over
het gepolijst stalen borstharnas, den breedgeranden hoed met witte
pluimen op het hoofd en den degen op zijde, trad Jacob Martens, die
als cadet in het onmiddellijk gevolg van Thoulouse den tocht zou
meemaken, met een aantal der jonge Geuzenedelen aan het hoofd van
den stoet. De borst sloeg hem hoog en fier, bij de gedachte, dat hij
thans een krijgsman was, dat hij ging strijden voor de schoone zaak
der vrijheid, die hij diende; dat hij zijn volk en de verdrukte Kerke
Christi ging bevrijden van het zware juk der Inquisitie. Want dat de
goede zaak zou zegepralen, nu, oogenblikkelijk,--daaraan twijfelde
hij geen oogenblik. Hij bewonderde Brederode, maar voor Thoulouse
had hij een blinde vereering; hij was zeker van den goeden uitslag,
omdat Jan van Marnix aan het hoofd stond der stoute onderneming. De
geestdrift der aanvoerders had allen aangestoken: daar gingen zij heen,
de redders en bevrijders des volks.

En onwillekeurig bekroop hem de gedachte: als Madeleine hem nu eens
kon zien, niet meer den jongen, baardeloozen scholier van Leuven,
maar den krijgsman, den vertrouwde van Thoulouse en Treslong! O,
als de overwinning was behaald, en het dankbare volk ook hem dankte
als een van zijn bevrijders, dan zou hij zijn jonge lauweren aan haar
voeten leggen,--en dan zouden ook hààr immers de oogen open gaan, en
zij zou zien hoe schoon en edel de zaak was, die hij diende; moest
toch de fiere Vlaamsche jonkvrouw niet meer sympathie hebben voor
geloofsvrijheid en volksvrijheid, dan voor priesterdwang en tirannie?

En, zijn schoonen droom voortspinnende, stapte Jacob voort onder de
witte banier met het roode kruis, door de straten van Antwerpen en
naar het Vlaamsche hoofd, waar de drie kagen lagen, die de kleine
strijdmacht zouden opnemen en die hen met vroolijk wapperende wimpels
schenen te begroeten. Nauwelijks was men de poort uit, nauwelijks waren
de schepen in het gezicht, of een daverend hoezee klonk over de breede
kade, en het Geuzen-marschlied werd aangeheven, door pastoor Arent
Dircksz Vos te de Lier met omwerking van een oud drinklied vervaardigd:


    Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,
    Slaet opten trommele, van dirredomdoes!
    Slaet opten trommele van dirredomdeyne:
        "Vive le Geus!" is nu de loes!

    De Spaensche inquisitie, voor God malitie,
    De Spaensche inquisitie, als draeckbloet fel,
    De Spaensche inquisitie gevoelt punitie,
    De Spaensche inquisitie ontvalt haar spel!


Het kreupelrijm, in weinige weken zoo populair geworden, en dat
zijn vervaardiger weldra op het schavot zou brengen, werd juichend
meegezongen door het volk, dat met de marcheerende vendels medeliep.


    Vive le Geus! wilt Christelijck leven,
    Vive le Geus, houdt fraeyen moed,
    Vive le Geus, God hoede u voor sneven,
    Vive le Geus, edel Christenbloed!


De kagen, die aan de kade lagen vastgemeerd, waren bereikt. Juichend
wees het volk naar de metalen stukken, die aan de voor- en achtersteven
waren vastgesjord.

De inscheping had in goede orde plaats. Het eerste schip stond
onder bevel van Thoulouse zelf. Treslong, Gillis de Clercq en Jacob
Martens waren bij hem aan boord. Jean Denijs en de Heer de Walencourt
commandeerden de beide andere vaartuigen.

De touwen werden losgemaakt; het eene schip na het andere stak van
wal, de zeilen werden geheschen en onder een luid "Vive le Geus!",
dat aan den wal even geestdriftig werd herhaald, zakten de vaartuigen
de Schelde af.

Het was een schoon gezicht, de breede rivier voor Antwerpen, met de
tallooze vaartuigen, groot en klein, die er door elkander kruisten,
van de kolossale, buikige kraken en galjooten, die uit Spaansche en
Portugeesche havens de kostbare waren uit het Oosten aanbrachten,
tot de armelijke pramen van de visschers en strandjutters. Men zag er
de vlaggen en wimpels van alle natiën, want Antwerpen was de groote
stapelplaats van den goederenhandel, het hart der rijke Nederlanden.

Tegen den mast geleund, genoot Jacob Martens van het mooie
riviergezicht, dat door een bleek Maartsch zonnetje werd beschenen. De
vlakke, lage oevers gleden aan zijn blik voorbij, soms lange streken
van moeras- en veengrond, waar duizenden watervogels krijschend
en fladderend rondzwierven, soms de wijde velden van Vlaanderen en
Brabant, die zich uitstrekten in eindelooze verte. Vroolijk klonken
de liederen van het bootsvolk en de soldaten, terwijl de laatsten
op het dek en in het ruim ijverig bezig waren met het nazien en in
orde brengen hunner wapenen. De jonge edelen liepen op het dek heen
en weder; voor de meesten was het hun eerste krijgstocht, en zij
stapten vol gewicht rond in hun blinkende wapenrusting en lieten hun
degens kletteren, trotsch als zij waren, dat zij deel mochten nemen
aan een zoo belangrijke onderneming. Treslong was onder hen een van
de vroolijksten en luidruchtigsten.

Alleen Jan van Thoulouse stond alleen bij den roerganger. Hij tuurde
naar een grooten, zwarten boeier, met een donkerbruin zeil, die op
eenigen afstand de kleine vloot volgde. Jacob voegde zich bij hem.

--"Ziet gij dien boeier daar?" vraagde de jonge aanvoerder.

Jacob wierp een blik op het zwarte vaartuig en keek zijn ouderen
vriend aan.

--"Dat is een spion van de Brusselaars," zei Thoulouse. "Van Antwerpen
af heeft hij al in ons zog gevaren. 't Is een snelle zeiler, dat
kunt ge aan zijn bouw wel zien, en toch komt hij deze logge kagen
niet vóór. Ge kunt er op aan: Mevrouw van Parma laat ons in het oog
houden en die boeier zal haar spoedig bericht brengen van het al of
niet slagen van onze onderneming."

--"Waarom boort gij hem niet in den grond?" vraagde Jacob, vol
strijdlust.

--"Hij zou het gemakkelijk ontzeilen. Daarenboven, waartoe zouden wij
ons ophouden, om jacht te maken op zoo'n ellendige schuit. Die van
Brussel mogen weten, wat wij in het schild voeren. Want wij kunnen
niet meer terug, Martens. Het is voor ons overwinnen of sterven. Als
onze onderneming mislukt, zijn wij verloren, want men zal ons te
Brussel nooit vergeven."

--"O, maar als wij de Zeeuwsche steden bezet hebben, dan beheerschen
wij den mond van de Schelde," meende Jacob, in de kracht van zijn
jeugdig zelfvertrouwen, "en als Brederode ons dan van de landzijde
steunt, zullen wij met Mevrouwe van Parma een gunstig verding kunnen
maken."

--"Zeker, als wij slagen. Als die Meester Pieter Haeck niet te veel
heeft beloofd. Treslong rekent op hem en vertrouwt hem blindelings
en--anderen doen dit ook. Hij is zeker een trouw aanhanger der goede
zaak, en is zijn invloed te Middelburg en te Vlissingen zoo groot,
dat hij er een ommekeer in den stand van zaken kan teweeg brengen,
dan heeft onze onderneming een schoone kans, zooals ge zegt. Indien
niet..."

Hij zweeg een oogenblik en keek peinzend naar de grauw-blauwe golven
van de Schelde.

--"Ik vreeze geen eerlijken krijgsmansdood," zei hij zacht, "maar
mijn arme vrouw!"

--"Kom, Thoulouse," zei Jacob trouwhartig, "wat stemt u zoo somber
vandaag? Gij, onze aanvoerder en de ziel van onze onderneming! Ge
hebt alle plannen zoo wèl ontworpen, zoo nauwkeurig overwogen en zoo
stout uitgevoerd. Laat ge nu den moed zinken, nu we op het punt zijn
te slagen?"

--"Ik zou het niet wagen, het aan iemand anders te bekennen, maar ik
weet, dat ik u vertrouwen kan. Begrijpt ge niet, dat juist nu, nu de
teerling is geworpen, nu alles is voorbereid en de strijd zal beginnen,
dat ik juist nu soms een bange vrees in mij voel opkomen? Wat, als
ik eens gedwaald had? Als ik al die jonge edelen, mijne vrienden, al
die dappere mannen in den dood leidde? De Heere God weet, dat ik niet
mijne eere zoek, dat ik Zijn wil heb trachten te verstaan,--maar wat,
als ik mij eens bedrogen had?"

--"Onmogelijk! Onze zaak is Gods zaak!" riep Jacob vol geestdrift.

--"Dat is zij! En ook te vallen voor Gods zaak is eene
eere!" antwoordde Thoulouse. "Vrees niet, Jacob Martens! Als ik nu
kleinmoedig ben,--in 't gevecht zult ge mij geen lafaard noemen! Laat
ons Treslong opzoeken."

Jacob volgde den jongen aanvoerder naar de voorplecht. De ernstige
woorden van Thoulouse hadden indruk op hem gemaakt. Met al den
geestdrift en den moed der jeugd had hij zich bij de onderneming
aangesloten.

"O, de uitslag was zeker! Mr. Pieter Haeck zou wonderen doen in
Zeeland! En dan Brederode met zijne hulptroepen en de Duitsche benden,
die door Lodewijk van Nassau heetten geworven! En de steun van Condé
en zijne Huguenoten!"

Zoo spraken de dappere jonge edelen onder elkander, zoo had ook
Jacob Martens gesproken. Thans bedacht hij voor het eerst, dat de
krijg twee kansen heeft. Een somber voorgevoel maakte zich van
hem meester, als hij luisterde naar de schertsende groep op den
voorsteven. Hij keek onwillekeurig naar den zwarten boeier, die nog
steeds op eerbiedigen afstand de kleine vloot volgde: 't was hem,
of daar een zwarte doodsschaduw aan kwam zweven, die weldra al dien
zonnigen jeugdigen overmoed zou komen overdekken.

Tegen den avond veranderde de wind. De lucht begon te betrekken en
het werd guur en koud. De schepen moesten laveeren en men vorderde
slechts langzaam. De vroolijke luim van het krijgsvolk was reeds
lang voorbij. Zij, die een plaatsje konden krijgen in het vooronder,
zochten er een schuilplaats voor den guren Noord-Wester. De anderen
schoolden op het dek samen en trachtten zich zoo goed mogelijk voor
den wind te beschutten. De jonge edelen hadden zich naar de kajuit
begeven en vermaakten er zich met drinkkroes en verkeerbord. Thoulouse
verliet echter het dek niet en Jacob bleef bij hem; ook Mr. Gillis le
Clercq, een man met een verstandig uiterlijk, bleef bij den aanvoerder
en onderhield zich met hem op zacht fluisterenden toon.

Het duister was reeds gevallen. Men was nu dicht onder den Zeeuwschen
oever en rechts vooruit ontwaarde men een rood licht; waarschijnlijk
een vuurbaak.

De schipper naderde Thoulouse en deelde hem met zachte stem iets mede,
terwijl hij op het licht wees. Haastig begaf de aanvoerder zich naar
de voorplecht, door zijne beide metgezellen gevolgd. De schipper
gaf zijn bevelen en weldra heerschte er een zekere bedrijvigheid aan
boord. Een lantaarn werd in den mast geheschen, als sein voor de andere
schepen en een paar knechten kwamen met een teerton en een vuurpot
aansjouwen. Weldra vlamde een warm rood licht op de voorplecht op,
en weerspiegelde in het donkere water der Schelde. Het dek was thans
vol; allen, officieren en manschappen, drongen naar het rechterboord
en keken uit naar den donkeren oever.

Een oogenblik nog--en een donkerroode gloed werd zichtbaar boven de
waterlijn. Het vuursein werd van daarginds beantwoord.

--"Ze schijnen daar op ons gewacht te hebben," merkte een
forschgebouwde rotmeester op, die, op zijn hellebaard geleund, naast
Jacob Martens stond en opmerkzaam naar het vuursein scheen te turen.

--"De Welle!" riep Jacob verrast.

Na zijne kennismaking met Thoulouse en zijne opneming in den
kring der Geuzenedelen had hij den boschwachter een weinig uit het
oog verloren. Pieter de Welle had zich van zijn kant bescheiden
teruggetrokken, toen hij bemerkte, dat zijn "jonker" de omgeving
had gevonden, waarin hij eigenlijk behoorde. Hij had vrienden onder
zijne geloofsgenooten te Antwerpen en hij had er rustig den loop der
gebeurtenissen afgewacht. Zijne dochter had hij reeds lang te voren
in veiligheid gebracht bij hare moei te Poperingen.

Toen de werving van krijgsvolk voor Brederode begon, had hij gaarne
het handgeld van hopman van der Aa aangenomen, op voorwaarde,
dat hij dienst zou doen bij het vendel, waartoe ook jonker Martens
behoorde. De hopman had den kloeken, vastberaden man aanstonds tot
rotmeester bevorderd.

Thans keek hij zijn jonker eens van ter zijde aan en maakte een
beweging als voor een militair saluut, maar Jacob vatte zijn hand en
drukte die hartelijk.

--"Gij ook hier aan boord, de Welle?" zeide hij. "Daar ben ik hartelijk
blij om!"

--"Alsof ik je alleen ten oorlog zou laten trekken, jonker," zei
de gewezen boschwachter met ruwe hartelijkheid. "Soms bezwaart
het mij, als ik denk, dat je zonder mij nog veilig en rustig op
de Vrijdaegsmarkt of op de school te Leuven zoudt zitten. Maar dan
denk ik weer: 't Is zóó Gods bestel geweest, dat ik den jonker moest
helpen om de Paepsche dolingen te verlaten en vrede voor zijn ziel
te vinden. Dat was zóó door den Heere God verordineerd, jonker! En
nu zullen wij gaan vechten voor de verdrukte ware Kerk van Christus,
en als wij vallen, zal het in een goede zaak zijn."

--"Dat zal het, Pieter!" zeide Jacob. "Maar wij zullen nog niet vallen,
man! Wij zullen den Koning en de Gouvernante dwingen, om ons vrij
exercitie van religie toe te staan--en als het eenmaal zoover is,
dan worden wij weer hunne goede en trouwe onderdanen. En mijn vader
zal ons vergeven en jij wordt weer boschwachter en ik ga weer naar
Leuven--als ik tenminste niet vaandrig word bij een van de benden van
ordonnancie, waartoe ik zonderlinge lust gevoel. Maar, over een week
of acht zijn wij misschien weer te Gent."

--"God geve het!" mompelde de Welle, terwijl hij met een vreemden
trek op zijn gerimpeld gezicht zijn jeugdigen metgezel aanzag.

--"God geve het!" zeide Jacob ernstig.

Ondertusschen was het roode licht op den oever gedoofd en ook de
brandende teerton plofte sissend in de golven der Schelde. Van den
Zeeuwschen kant hoorde men het geluid van naderende riemslagen.

--"Zou dat die Zeeuwsche boerenverklikker zijn, dien we aan boord
moeten nemen?" vroeg de Welle, die, als de meeste Vlamingen, niet
van de Zeeuwen hield.

--"Zeker wel! Hij zou voor Zeeburg aan boord komen," meende
Jacob. "Daar is hij al!"

Een roeiboot schoot uit de duisternis naar voren en werd door den
schipper aangeroepen.

Na een korte woordenwisseling kwam de boot langszij; de valreep werd
neergelaten, en een kort, dik mannetje stapte op het dek, gewikkeld
in een met bont gevoerden en omzoomden mantel. Het ventje beantwoordde
met een zekere nederbuigende welwillendheid den groet der omstanders en
vroeg toen met veel deftigheid onmiddellijk naar den Heer van Thoulouse
te worden geleid. Daar deze hem beleefd aan de valreep had ontvangen,
was dit niet meer noodig. Met een genadig knikje wendde de ex-baljuw
zich nu tot Marnix en begon op een beschermenden toon te vragen naar
zijn plannen, het aantal van zijn manschappen en zijn geschut. De jonge
edelen, om hun vriend en aanvoerder geschaard, verbeten hun lachen,
toen zij bemerkten, dat Mr. Pieter Haeck zichzelf blijkbaar beschouwde
als het hoofd en den leider der gansche onderneming. Het verwaande
manneke sprak met gewicht over de aanstaande gebeurtenissen, alsof
die alleen afhingen van zijn beleid; hij keurde goed en af, berispte
en prees, en maakte het eindelijk zoo bont, dat er onder de groep,
die hem omringde, reeds hier en daar een lach of een kwinkslag werd
gehoord, zoodat Thoulouse, die den Middelburger niet wilde ontstemmen,
hem haastig medenam naar de kajuit.

--"Als die Zeeuwsche haan even goed kan vechten als kraaien, dan
belooft dat wat goeds!" bromde de Welle, "maar ik houd niet van
dat soort!"

De komst van den baljuw had echter weer wat levendigheid aan boord
gebracht. Er werd luid gesproken en gelachen en de soldaten hieven,
na een donderend "Vive le Geus!", dat van de andere schepen luide
beantwoord werd, een Geuzenlied aan, dat heenschaterde over de donkere
golven der Schelde en de dorpelingen van Zuid-Beveland angstig deed
vragen, wat dat ongewoon rumoer te beduiden had.

Tegen middernacht ankerde de kleine vloot niet ver van den oever en
de aanvoerders maanden de soldaten aan, de noodige rust te nemen. Te
vijf uur werden de ankers gelicht en toen de grauwe Maartsche morgen
aanbrak, zag Jacob rechts het breede vaarwater van het Sloe, en recht
voor zich uit een zwart gevaarte, dat uitstak boven de modderbanken
van den oever. Het was het sterke fort Zeeburg, bij Rammekens, de
sleutel van de Schelde.

En nu was het oogenblik gekomen, dat Mr. Pieter Haeck zou toonen,
wat zijn invloed vermocht. Woei eenmaal de witte banier met het roode
St. Andrieskruis van het sterke Zeeburg, dan was de zaak der vrijheid
haast gewonnen.

Hij zelf twijfelde geen oogenblik aan den goeden uitslag van zijne
tusschenkomst. Toen de kleine vloot de sterkte zoo dicht mogelijk
genaderd was, stapte hij deftig in de boot, die hem met Mr. Gillis le
Clercq naar wal zou roeien. Met gespannen aandacht keken de Geuzen,
zoo officieren als soldaten, naar de hooge wallen. Elk oogenblik
verwachtten zij het afgesproken sein te zien,--het neerhalen van de
Koningsvlag--dat hen zou waarschuwen, dat zij konden landen en de
sterkte binnenrukken, maar het eerste uur verliep--en er was niets te
zien. Vroolijk wapperde het Bourgondische knoestkruis in den straffen
Noordwester. Eindelijk, na twee uren, verschenen de beide afgezanten op
de houten werf, door een wacht van krijgslieden begeleid. Traag roeide
de boot naar het schip terug. Toen zij naderbij kwam, stond het gelaat
van Gillis le Clercq ernstig en strak, dat van Mr. Pieter Haeck was
rood van gramschap en verlegenheid. Blijkbaar was hun zending mislukt.

Het ging niet aan, de zaak voor het krijgsvolk geheim te houden en
het werd dan ook niet beproefd. In korte woorden gaf Mr. Gillis le
Clercq aan Thoulouse verslag van den uitslag zijner zending. Kapitein
Roeland van Ghistelle zou niemand binnen de veste laten, die hem geen
lastbrief kon toonen van den Prins van Oranje.

Pieter Haeck liep stampvoetend van drift het dek op en neder.

--"Hij is omgekocht! De verrader is omgekocht!" schreeuwde hij. "Hij
had beloofd, ons het kasteel te leveren! Waarom brengt ge uw geschut
niet aan land? Neem de plaats met geweld!"

Thoulouse en de andere edelen haalden de schouders op. Al waren
de meesten hunner nog nimmer in werkelijken krijgsdienst geweest,
zij leefden in een tijd, toen ieder edelman een krijgsman was en zij
wisten te wel, dat met een zoo kleine macht als de hunne een sterkte
als Zeeburg aan te vallen een roekelooze dwaasheid zou zijn.

Thoulouse liet de bevelhebbers der beide andere schepen seinen, bij
hem aan boord te komen, om met hem, le Clercq, Haeck en de voornaamste
edelen krijgsraad te beleggen in de kajuit.

De zwarte boeier, die hen den ganschen nacht gevolgd was, kruiste in
het gezicht der vloot op de breede Schelde.

De krijgsraad duurde niet lang. Was de aanslag op Zeeburg mislukt,
daarom behoefde toch--zoo meende men--het geheele plan niet te worden
opgegeven. Mr. Pieter Haeck drong er op aan, dat men terstond naar
Vlissingen zou stevenen. Dààr was hij zeker van zijn zaak. Zijn
schoonzoon en zijne vrienden uit Middelburg hadden er voor de
Geuzenpartij gewerkt. De regeering der stad was hem genegen, en zijn
aanhangers en vrienden zouden hem met open armen ontvangen. En wie
Vlissingen en zijn haven in handen had, was meester van Walcheren.

Hoewel de tegenslag, dien men bij Rammekens had ondervonden, hun
vertrouwen in den drukken, verwaanden Middelburger niet weinig
had geschokt, besloten de aanvoerders der Geuzen toch zijn raad te
volgen. Wat zou men al anders doen? De geheele tocht was ondernomen om
Walcheren te bezetten, om dààr een vast steunpunt te krijgen. Mislukte
dit,--waar moest men dan heen?

Jean Denijs en de Heer van Walencourt keerden naar hunne schepen
terug, en een luid "Hoezee!" en "Vive le Geus!" begroette het bevel
om het anker te lichten en koers te zetten naar Vlissingen, waarvan
men den statigen toren boven de troebele wateren der Westerschelde
zag uitsteken.

De schepen liepen de haven binnen met de witte kruisvlag hoog in
top. Men had afgesproken, thans stoutmoedig op te treden en geen tijd
te verspillen met nuttelooze onderhandeling. De komst van drie groote
vaartuigen met gewapenden veroorzaakte geen geringe opschudding onder
de koopvaarders, de krapschuiten en de vliebooten, die in de haven
lagen. Sommige vaartuigen borgen zich onder de beschutting van de
kanonnen der stad; een paar van de vreesachtigste schippers kapten de
ankers en liepen de haven uit, terwijl een aantal visschers van hun
bommen en buizen nieuwsgierig de beweging der vreemde gasten volgden.

Thoulouse zeilde de haven binnen tot onder de wallen der vesting. Men
zou er de manschappen en het geschut ontschepen en moedig toegang
eischen. Het was duidelijk, dat men in de stad hunne nadering had
bemerkt. De hooge wallen aan de havenzijde waren zwart van de menschen,
die uitzagen naar de kleine vloot. "'t Waren zijn vrienden!" beweerde
baljuw Haeck; "ze wisten, dat hij in aantocht was en ze waren daar om
hem, den teruggekeerden balling, te begroeten." Hij zwaaide met zijn
hoed en deed alles, om de aandacht der starende burgers te trekken.

Ondertusschen stond Pieter de Welle naast Thoulouse en Jacob Martens
het gewoel op de wallen gade te slaan. Zijn scherpe jagersoogen
merkten alles op; het was duidelijk aan hem te zien, dat hij de
algemeene vreugde en opgewondenheid niet deelde. Plotseling keerde
hij zich om en keek den druk gesticuleerenden Pieter Haeck aan.

--"Met verlof, Heer baljuw," zeide hij, "uw vrienden schijnen ons
daar warm te willen ontvangen. Ik zie duidelijk, dat ze daar op de
wallen met het geschut bezig zijn."

--"Onmogelijk, man!" zei Mr. Pieter Haeck haastig. "Mijn schoonzoon
zou nimmer dulden... Of misschien zijn 't saluutschoten, die ze willen
lossen!" voegde hij er vol hoop bij.

De woorden van den rotmeester waren door Thoulouse, Treslong en
eenige der andere edelen verstaan. Allen keken met inspanning naar
het bastion, waar een groep mannen ijverig aan den arbeid scheen. Men
naderde meer en meer, de omtrekken werden duidelijker--daar flikkerde
een dofroode vlam in een wolk van witten rook op het bastion, de
doffe donder van den slag dreunde over de haven en een kanonskogel
vloog gierend over den kaag heen.

--"Wat is dat?" riep Mr. Pieter Haeck verbijsterd.

--"Een saluutschot van uw schoonzoon denkelijk," zeide de Welle
droogjes.

Nog een oogenblik--en een tweede schot daverde over het water. De
kogel sloeg krakend in den romp van het schip en wondde een paar
soldaten. Blijkbaar wilde Vlissingen zich verdedigen: de vrienden
van den ex-baljuw waren op zijn bezoek niet gesteld, of zij hadden
de burgers niet kunnen belezen, hem en zijne medestanders te ontvangen.

Een oogenblik stond Thoulouse besluiteloos. Met strakken blik
staarde hij naar de wallen der stad, waarvan hij zoo veel had
gehoopt. Terugtrekken? Het plan opgeven? Maar dan--dan was alles
vergeefsch geweest; dan was het gedaan met de zaak der vrijheid. En
dan was er voor hem en allen die met hem waren geen andere uitkomst
dan de ballingschap of het schavot.

--"Wij moeten wenden, Thoulouse," riep Treslong, toen een derde schot
het grootzeil doorboorde, "als zij den mast treffen, is het met ons
gedaan. Zie, de Walencourt vlucht!"

Het was zoo! De kaag, door den Huguenoot gecommandeerd, had den steven
gewend en de zeilen omgebrast. Alleen het vaartuig van Jean Denijs
volgde hen onder klein zeil. Op het bastion was men ijverig bezig
met de kartouwen, blijkbaar om, als het noodig was, de stad bij te
staan. De schipper trad met een angstig gezicht op den aanvoerder
toe en het scheepsvolk stond daar met donkere, dreigende blikken al
mompelend bijeen.

Toen gaf Thoulouse met een zucht bevel het roer te wenden. Met gebogen
hoofd verliet hij het dek en begaf zich naar de kajuit, terwijl de
schipper haastig zijn bevelen gaf.

Van de schepen, die in de haven voor anker lagen, ging een luid en
spottend gejuich op, toen men de Geuzen zag aftrekken en de slangen
van het bastion bulderden nog eens en zonden hun kogels na, die echter,
zonder schade aan te richten, over de schepen heen vlogen.

Juist toen de kaag van Thoulouse de Schelde weer opstevende, schoot een
zwarte boeier haar op een paar scheepslengten voorbij. Jacob Martens,
die met Treslong bij het roer stond, zag plotseling een jonkman in
schippersdracht op de verschansing springen en met zijn muts wuiven.

--"Adieu, Jacques," klonk het spottend; "hebt ge soms een boodschap
voor joffer Madeleine?"

--"Thierry!" riep Jacob, die de spottende, scherpe, stem herkende.

--"'t Is die satansche spion van die van Brussel!" riep Treslong
geërgerd. "Hei daar! arquebusiers daar voor op den boeg, aan de
lont! Zend dien schreeuwer daar eens een paar kogels toe!"

Een paar soldaten grepen naar hunne haakbussen en bliezen op de
lont. Inderdaad werden er een paar schoten op den wegzeilenden boeier
gelost, maar ze schenen er niemand te treffen. De bemanning schreeuwde
en jouwde en zwaaide uitdagend met de mutsen, en het vlugge vaartuig
danste voort over de golven, om aan de regeering te Brussel het welkome
nieuws te gaan brengen, dat de aanslag der Geuzen was mislukt en dat
Vlissingen den Koning was trouw gebleven.

Het had niet veel gescheeld, of Mr. Pieter Haeck, wiens verwaandheid
al zoo'n gevoeligen schok had gekregen, was door de verbitterde
soldaten eenvoudig buiten boord gezet, om, zooals zij zeiden, naar
Walcheren te zwemmen, en er, met behulp van zijn schoonzoon, het
eiland te veroveren. Treslong en een paar der andere edelen wisten
hen echter tot rede te brengen. Nog heette alles niet verloren. Met
het opkomen van den vloed zou men het Sloe instevenen en een poging
wagen, om zich in Arnemuiden te nestelen. Wel was die stad van veel
minder belang dan Vlissingen, maar als men ten minste maar ergens
vasten voet had gekregen, dan kon men den loop der gebeurtenissen
afwachten. Men seinde de beide andere schepen, maar deze zagen de
seinen niet, of wilden ze niet zien. Men zag ze, langs den oever
van Zuid-Beveland koersend, de Schelde weder opvaren. De kaag van
Thoulouse slechts zeilde het Sloe op.

Den volgenden dag liet een groot, sterk bemand kaagschip het anker
vallen voor het dorpje Austruweel, ongeveer een uur van Antwerpen
verwijderd. Het was het vaartuig van Thoulouse. Ook voor Arnemuiden
had men het hoofd gestooten en diep ontmoedigd keerde men terug. Nu de
onderneming was mislukt, wist men niet waarheen zich te wenden. Waar
zou men vluchten voor de wraak der Regeering? De edelen zouden wellicht
een wijkplaats hebben kunnen vinden,--voor een tijd althans--op hunne
landgoederen, of bij Brederode te Vianen, maar Thoulouse, Treslong
en al hun metgezellen wilden hunne krijgsmakkers niet in den steek
laten. Zoo werd dan koers gezet naar Antwerpen. Dààr was nog redding
mogelijk. Als Antwerpen met zijn acht duizend Calvinisten hun partij
koos, als Vlaanderen en Brabant te wapen vlogen, dan kon nog alles
zich ten goede wenden. Een visscher beloofde voor een ruime belooning
de andere schepen op te zoeken, en hun het bevel van Thoulouse mede
te deelen, hem zoo spoedig mogelijk te volgen.

De boeren van Austruweel zagen met schrik, hoe de krijgslieden zich
ontscheepten en het zich in hunne hoeven gemakkelijk maakten. De
meesten schikten zich zorgeloos in de omstandigheden: wat er van
dit alles worden moest, wisten zij niet. Daar moesten de heeren voor
zorgen. En Thoulouse met zijn kleinen staf wachtte angstig op tijding
uit Antwerpen, waarheen men terstond vertrouwde personen op kondschap
had uitgezonden.

In den ochtend van den volgenden dag zag Jacob Martens, wiens plicht
het was, de wachten te inspecteeren, van de zijde van Antwerpen een der
stadsschepen naderen. De vlag met het wapen der stad wapperde aan den
mast en bewees, dat er aanzienlijke personen aan boord waren. Het schip
legde aan, een paar personen gingen in de boot en weldra stapten een
viertal heeren aan land, vergezeld van een der stadsboden. Het waren
een edelman uit het huis van Oranje, de Heer van Austruweel, benevens
twee leden van de vroedschap in hunne met bont gevoerde tabberds,
die zich aanstonds aan Jacob bekend maakten, als een gezantschap
van de Antwerpsche Magistraat, en verzochten voor de aanvoerders
van het hier gelegerde krijgsvolk te worden geleid. Toen zij bij
Thoulouse waren gebracht, nam de zendbode van Oranje een grooten,
verzegelden brief van den stadsbode over en overhandigde dien aan den
aanvoerder, die hem, door zijn vrienden omringd, ontving. Thoulouse
las het schrijven en verbleekte.

--"Zeg aan den Markgraaf en de Magistraat," zeide hij, "dat wij hunne
bevelen zullen gehoorzamen."

Toen de afgezanten vertrokken waren en allen hem vragend aankeken,
reikte hij den brief aan Treslong over.

--"Oranje laat ons los!" zeide hij met doffe stem. "God helpe ons
en onze mannen, die wij in den dood hebben gevoerd. Lees den brief
voor, Jan!"

--"Wij Willem, door de genade Gods Prins van Oranje, Graaf van Nassau,
enz.," zoo las Treslong voor in het Fransch, "en wij Anthonie van
Lalaing, Graaf van Hoogstraten, en wij, Burgemeesters, Schepenen en
Raad der Stad Antwerpen, geven te kennen, dat, dewijl ons ter oore
gekomen is, hoe verscheidene soldaten en oorlogslieden in den omtrek
dezer stad, in het dorp Austruweel, zijn vergaderd, in strijd met
de bevelen van wege Zijne Majesteit in deze stad uitgevaardigd, wij
hebben bevolen en bevelen bij dezen uitdrukkelijk, hun van onzentwege
te verklaren en te gelasten, dat zij binnen twee of drie uren,
na kennisgeving dezes, van de plaats moeten vertrekken, waar zij
zich thans ophouden en zich te wachten van in de omliggende dorpen
te vergaderen of volk te werven op straffe van 's Konings ongenade;
en in geval van weigering of tegenkanting, hun te verklaren, dat wij,
in het belang des Konings en van deze stad, genoodzaakt zullen zijn,
geweld tegen hen te gebruiken."

Men zag elkander aan. Na dezen brief was er van Antwerpen niets meer
te hopen.

Er werd haastig krijgsraad belegd en men besloot in schijn aan het
bevel te gehoorzamen, maar posten achter te laten, om de bemanning
der beide andere schepen te waarschuwen, die elk oogenblik konden
verschijnen. Was men weer bijeen, dan zou men nader beraadslagen.

De trommels roffelden en weldra was het kleine legertje
marschvaardig. Het verliet Austruweel en rukte westwaarts op. Voor de
nacht echter was gevallen, had men reeds bericht, dat de twee andere
schepen in 't zicht waren, en men keerde terug naar Austruweel om hen
af te wachten. De bemanning kwam aan land, en Thoulouse vernam van
Denijs en de Walencourt, dat men tevergeefs had beproefd bij Baarslag
op Zuid-Beveland te landen. De bewoners der omliggende dorpen hadden
zich met de wapens verzet.

Den volgenden dag kwam er weder een boodschapper van den Antwerpschen
Magistraat, met den last, onmiddellijk te vertrekken, en de Geuzen,
thans vereenigd, en een klein, maar welgewapend legertje vormende,
rukten op in de richting van Merxem en Deurne.

Het scheen werkelijk een oogenblik, of de kansen keerden. Het volk
van Vlaanderen en Brabant, dat met verontwaardiging de slachting bij
Watrelos en Lannoy had vernomen, dat met spanning den strijd gadesloeg
van hunne broederen te Valenciennes, werd met blijde hoop vervuld, toen
een leger in hun midden verscheen, onder aanvoering van edellieden, die
zij kenden en vereerden. Van alle kanten kwamen recruten aanstroomen,
die door Thoulouse en Treslong gretig werden ontvangen. Weldra was het
legertje vijftien- à zestienhonderd man sterk. Velen kwamen gewapend en
voor de anderen vond men wapenen in de landhuizen en de kasteelen, die
men plunderde. Op dezelfde wijze voorzag men zich van mondbehoeften.

Zoo het aantal der Geuzen nu was toegenomen, het gehalte was er niet op
verbeterd. Allen, die zich wilden laten aanwerven, werden aangenomen,
en daaronder waren er, die zich blijmoedig wilden offeren voor de zaak
der vrijheid en de Kerke van Christus, maar er waren ook vele boeven en
avonturiers, die zich bij de legerbenden aansloten, met de bedoeling
om te rooven en te plunderen en te leven op den boer. Weldra konden
de aanvoerders de krijgstucht niet meer handhaven onder de woeste
bende. Overal waar zij doortrokken, werden de kerken geplunderd en de
beelden verbrijzeld; de geestelijken werden mishandeld. De soldaten
plunderden hunne huizen en persten hun geld af. De krijgstocht,
zoo moedig begonnen, leek een rooftocht. Toch hield Thoulouse
vol. Er kwamen geruchten van hulpbenden uit Duitschland, door graaf
Lodewijk van Nassau geworven. De Duitsche vorsten, heette het, wilden
helpen. Weer sloeg men het oog op Antwerpen en op Oranje. En toen
de aanvoerders hoorden, dat de Landvoogdes troepen tegen hen zou
zenden, besloten zij terug te keeren naar Austruweel. Dààr konden
zij een sterke positie vinden. De rivier zou hun den rug dekken, een
groot moeras beveiligde hun rechtervleugel en men zou ijlings aarden
versterkingen opwerpen. Zoo zou men den vijand in ontzag houden,
tot de beloofde Duitsche vendels er waren,--en, als het er op aan
kwam,--zoo hoopte men heimelijk--zouden de Antwerpsche Gereformeerden
toch zeker hunne broeders bijspringen.

En zoo was het Geuzenlegertje den 11den Maart weder te Austruweel
gelegerd, en weldra werkte men ijverig aan de aarden wallen, die
het kamp tegen een overval van de Regeeringstroepen zouden moeten
beschermen.

Het was de avond van den 12den Maart, en Jacob Martens, thans tot
vaandrig bevorderd, en getooid met sluiersjerp en degen, de teekens
van zijn rang, vergezelde Thoulouse naar de versterkingen. Het kamp
der Geuzen leverde een eigenaardig schouwspel op: een gedeelte der
troepen was in het dorp en de nabijgelegen hoeven ingekwartierd,
maar het grootste gedeelte was gekampeerd om groote vuren, die
men in de dorpsstraat had aangestoken, en die gevoed werden met
het hout van afgebroken schuttingen, schuren en stallen. Allerlei
eigenaardige tooneelen zag men bij den rossen gloed der vlammen. De
soldaten, in allerlei wapenrusting, zonder uniform, maar allen met het
wit-en-roode veldteeken der Geuzen om den arm, brachten hunne wapenen
in orde of zaten in schilderachtige groepen bij elkander. Men kon hier
goed waarnemen, uit welke verschillende elementen het legertje was
samengesteld. Hier zag men eenige Gereformeerden uit Antwerpen, echte
"precisen", zooals men ze in het Noorden noemde, die zich stichtten
met een psalm van Dathenus; daar waren het een paar avonturiers uit
het Luiksche, die zich vermaakten met bierkroes en verkeerbord,
terwijl zij met onverschillige of spottende blikken de zingende
ketters gadesloegen; wat verder waren een paar verdachte gestalten in
de donkere schaduw van een muur bezig met het verdeelen van kleederen
en huisraad, een buit, dien zij waarschijnlijk den een of anderen
armen boer hadden afhandig gemaakt; elders zag men de strenge, donkere
koppen van eenige Huguenoten, met aandacht luisterend naar het Woord
Gods, dat een hunner bij het licht van het vuur hun voorlas. Voor de
dorpssmidse verdrong zich een bonte menigte: daar smeedde en hardde
men speerpunten en klonk ze aan lange stokken, om er de pas geworven
manschappen mede te wapenen. Men zag er tierende en scheldende vrouwen,
die er twistten met de lachende soldaten, om kippen of spek, die men
haar ontstolen had. Het was een tooneel vol leven en bedrijvigheid,
schilderachtig verlicht door de hoog opvlammende houtvuren.

Buiten het dorp gekomen, richtten de beide jonge mannen zich naar de
aarden verschansingen, waaraan nog ijverig werd gewerkt bij het licht
van een paar teertonnen en toortsen van oud geteerd touw. Thoulouse
inspecteerde het werk, terwijl hij hier en daar een bevel of een
terechtwijzing gaf. Hij keek naar de stelling van de vier ijzeren
veldstukjes, welke de geheele artillerie van het Geuzenlegertje
uitmaakten, en hij wees Jacob aan, hoe zij den breeden landweg
bestreken.

--"Gij zult met de helft van uw vendel hier na middernacht de
wacht betrekken, Jacques," zeide hij; "ik weet, dat ik mij op u kan
verlaten. Zorg er voor, dat uwe schildwachten waakzaam zijn."

--"Ik zal mijn best doen, Thoulouse," antwoordde Jacob, verheugd over
het bewijs van vertrouwen, hem geschonken; "de dagen beginnen al mooi
te lengen en het is helder weer. Het zal spoedig dag worden."

--"Ja, het zal spoedig dag worden!" zei Thoulouse peinzend. Jacob
zag hem vragend aan.

--"Het zal nu spoedig blijken, wat wij zijn, Jacques," ging de
jonge aanvoerder voort; "men zal ons redders des volks noemen, of
oproermakers en rebellen tegen den Koning, al naar dat de uitslag
is van onzen strijd. Gods wegen zijn niet onze wegen. De aanslag op
Zeeland mislukte, maar als de vendels uit Duitschland ons intijds
bereiken,--als wij, vereenigd met die van binnen, Antwerpen kunnen
bezetten, dan zou het een zegen zijn, dat ons eerste plan mislukte. Dan
zal heel Vlaanderen en Brabant en het Markgraafschap opstaan en de
Regeering zal moeten bukken. Maar zal dat het einde zijn?"

--"Zie, Jacques," zoo ging hij voort; "het zal nu in elk geval tot een
treffen komen. Onze vrienden te Brussel melden ons, dat er troepen
tegen ons worden gezonden en wij zullen hier stand houden. Mocht ik
vallen in den strijd en mocht gij ontkomen, breng dan, zoo gij kunt,
dit medaillon aan mijne vrouw te Antwerpen, en zeg haar, dat ik ben
gestorven als een goed Christen, mijn hope alleen stellende in de
verdienste van mijn Heer en Heiland, en met mijn liefde voor haar in
het harte."

--"Waarom toch die sombere gedachten, Thoulouse?" vraagde
Jacob. "Waarom zoudt gij juist vallen? Denk er liever aan, hoe trotsch
en blijde de Vrouwe van Thoulouse u zal ontvangen, als gij terugkomt
als de redder des lands en der verdrukte Kerke."

--"Zoo God wil, vriend!" zei de aanvoerder. "Ge weet, reeds bij het
begin van onzen tocht had ik een somber voorgevoel. Misschien hebt
gij gelijk,--maar neem het medaillon en beloof mij, dat gij doen zult,
wat ik van u vraag, indien het in uw macht staat."

Jacob nam het medaillon met een stillen handdruk en de beide jonge
mannen keerden naar het dorp terug. Jacob zocht zijn kwartier op,
om nog eenige uren te slapen, voor hij de wacht moest betrekken.

Te middernacht werd hij gewekt door Pieter de Welle, die het halve
vendel piekeniers reeds had doen aantreden, en door de nu stille
dorpsstraat, langs de smeulende vuren, waarom de soldaten in allerlei
houdingen lagen te ronken, marcheerde men naar de halfvoltooide
aardwerken. Na van zijn luitenant, die de wacht had, vernomen
te hebben, dat er zich niets verdachts had voorgedaan, maakte
de jonge vaandrig zich tot zijn wacht gereed. Het halve vendel,
dat hij had afgelost, was spoedig in de duisternis verdwenen. De
soldaten, grootendeels recruten, waren blijde, dat zij hunne warme
kwartieren konden opzoeken. Jacob luisterde een oogenblik naar de
zich verwijderende voetstappen en begon toen zijne schildwachten uit
te zetten, terwijl zijne andere manschappen zich legerden achter den
half voltooiden aarden wal. De jonge vaandrig beklom met de Welle het
ravelijn, waar de vier veldslangen in batterij stonden, en staarde
naar het stille landschap, dat zich daar zoo vredig uitstrekte in
het maanlicht. Achter hem lag het dorp en het kamp, hier en daar
grillig verlicht door den rossen gloed der houtvuren, terwijl de
duizenderlei geluiden, die er uit opstegen, zich met het bruisen van
de Schelde vereenigden tot een dof gerucht. Vóór hem was alles schaduw
en stilte. Slechts het dof gehuil van een werfhond klonk uit de verte
over de eenzame vlakte, en--van tijd tot tijd--het eentonig geroep
der schildwachten, die, volgens het consigne, elkander aanspoorden
tot waakzaamheid. De woorden van Thoulouse hadden een diepen indruk
op hem gemaakt. Wat zouden de eerste dagen hem brengen? Zou hij
hier sneuvelen in een onbeduidende schermutseling, een rebel tegen
het gezag van zijn wettigen landsheer, of zou zijn naam weldra met
eere genoemd worden onder de bevrijders zijns volks? Hij dacht aan
de tooneelen van ruw geweld, van brooddronken vernielzucht, die hij
in de laatste dagen had bijgewoond, en die de Geuzenaanvoerders niet
hadden kunnen, en soms ook niet hadden willen verhinderen. O, de zaak,
die hij diende, was de zaak des Heeren, de zaak der vervolgden en
verdrukten daarginds; onder die ruwe soldaten waren zeker ook mannen
Gods, eenvoudige burgers en landlieden, die alles hadden verlaten,
om die heilige zaak te dienen en er voor te sterven, als het zijn
moest. Maar dat waren zij niet allen. Waarom werd die schoone,
heilige zaak al aanstonds bevlekt door zooveel, dat onrein en onheilig
was? Waarom duldden Thoulouse en Treslong die woeste plunderaars,
dien lichtzinnigen hoop avonturiers, in hunne gelederen? Was het
niet beter, te strijden met een Gideonsbende van vrome, ernstige
mannen,--om te overwinnen of onder te gaan, als het Gods wil was,
dan zóó het schoone, reine ideaal der vrijheid te bezoedelen?

De stem van Pieter de Welle wekte hem uit zijne mijmering.

--"Zou het nu eindelijk waar zijn, jonker, dat de Duitsche vendels
in aantocht zijn?" vraagde de rotmeester. "Ze spreken er over in het
kamp en ze zeggen, dat het zeker is. De jonker woont als officier den
krijgsraad bij en heeft allicht meer gehoord, dan wij, arme drommels."

Jacob kon hem niets stelligs mededeelen. Er liepen geruchten, dat
Lodewijk van Nassau en Nicolaas de Hames met troepen in aantocht waren,
maar zelfs de officieren wisten niets met zekerheid. De Welle trok
een bedenkelijk gezicht.

--"Ik zou met mijn domme verstand zeggen, dat de adellijke heeren,
die ons aanvoeren, wel beter hunne plannen hadden mogen maken, vóór
zij begonnen!" mompelde hij.

Jacob kon hem geen ongelijk geven. Inderdaad getuigde de geheele
onderneming meer van moed en geestdrift, dan van krijgsbeleid, meer
van een rekenen op mogelijke kansen, dan van een weloverlegd plan.

--"Ik mag lijden, dat de vendels bijtijds komen," ging de Welle voort,
"want zie, jonker, die kerels daarginds zijn tegen geregelde troepen
niet veel waard. Als die van Brussel verstandig zijn, en goede
soldaten tegen ons uitzenden, vóór wij versterking hebben gekregen,
dan loopt het mis."

--"Wij vechten voor Gods zaak en voor Zijn Woord, de Welle!" zeide
Jacob.

--"Voorzeker, jonker! Maar de Heere God beproeft ook Zijn volk,
als het zijn moet. Hij overwint soms met zwakke middelen,--maar
dan waren het Zijn middelen. En als er nu niet een Simson opstaat,
om ons te verlossen van de Filistijnen... Zie, jonker, ik heb bij
St. Quentin gevochten en ik weet, wat de oorlog is en ik zeg u, dat
de kerels daarginds bij den eersten aanstorm van een paar vendels
landsknechten als een kudde schapen uiteen zouden stuiven. En nu,
jonker, nog een woordje. Ik voel mij soms bezwaard, dat ik u hielp
vluchten uit het klooster. Ge zoudt er veilig zijn geweest. Ik dacht
toen, dat onze heeren beter wisten, wat ze eigenlijk wilden, en het
is mij soms, als zou ik uw dood op mijn geweten hebben, als ge kwaamt
te vallen. Vergeef mij dat, jonker!"

Er kwam een vreemde trek op het gerimpelde gezicht van den ouden
boschwachter. Zijne lippen trilden. Jacob vatte zijn hand.

--"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij trouwhartig. "Ik
dank je, voor wat je gedaan hebt. Liever val ik in een eerlijken
strijd, dan dat ik zien moet, hoe dit arme volk wordt gemarteld en
verdrukt, terwijl ik een leven van gemak en genot zou leiden. Waarom
is mijn leven meer waard dan het jouwe, en dat van zoovelen onzer
makkers, die óók alles verlaten hebben voor de goede zaak? Nog eens,
ik dank je voor wat je voor mij gedaan hebt, de Welle, en, moet ik
vallen, breng dan mijne groeten aan mijne ouders, aan mijne lieve
zuster, en--en aan joffer de Bette, en zeg hun, dat ik gedaan heb
wat ik moest, maar dat ik ze allen heb liefgehad tot mijn laatste
oogenblik. En voor het overige,--wij zijn in Gods hand!"

--"Amen, jonker," zeide de Welle ernstig, "zóó is het goed. En nu,
de nacht is nog lang en 't zal morgen een vermoeiende dag zijn. Ik
ben aan het waken gewoon. Als de jonker nu eens een paar uur ging
rusten? Als er iets voorvalt, zal ik u terstond roepen."

Jacob liet zich overhalen. Hij vond een beschut plekje achter een
paar schanskorven, wikkelde zich in zijn mantel en sliep weldra
rustig in. Hij droomde, dat hij in den hof van het ouderlijk huis
was. Hij zocht er Madeleine en Klaartje, die zich verstopt hadden;
hij hoorde het zacht gelach der meisjes, die zich achter de hooge
palmstruiken verscholen hadden. Hij wilde er heen snellen, maar
een hand greep hem bij den schouder. Hij zag om, het was Thierry de
St. Foy, die hem grijnzend vastgreep. Hij worstelde om los te komen,
maar de ander hield hem vast en schudde hem,--en hij werd wakker.

--"Jonker! jonker!" riep de stem van de Welle, die hem wakker
schudde. "Kom, er is onraad!"

Jacob vloog overeind en volgde den rotmeester op het ravelijn. De
dag begon aan te breken, maar de dichte morgennevels bedekten het
lage land. De Welle snoof de frissche lucht krachtig op, terwijl
zijn scherpe oogen naar het Noord-Oosten tuurden, als wilden zij den
mist doordringen.

--"Ruikt ge niets, jonker?" vraagde hij.

Een vreemde, flauwe lucht, als van geschroeid vet, kwam op het
scherpe Noordenwindje tot hen. Jacob kende dien reuk. 't Was die van
smeulende lonten. Het kon niet uit het kamp komen, dat beneden den
wind lag. Daarginds naderden soldaten. Maar waren het vrienden of
vijanden? Zie, nu werd ook een der schildwachten, een oud-gediende,
die bij St. Quentin en Grevelingen had gevochten, opmerkzaam en keek
vragend naar den vaandrig en den rotmeester op.

--"Als ge 't goedvindt, jonker," zeide de Welle, "zal ik een paar
man nemen, en op verkenning uitgaan."

Jacob stemde toe; de Welle koos een paar mannen uit en verdween met
hen in den nevel, terwijl een korporaal naar het dorp werd gezonden,
om Thoulouse te waarschuwen. De jonge vaandrig bleef op de verschansing
en trachtte den nevel met zijne blikken te doorboren. Weldra vernam
hij het onbestemd gerucht van de nadering van een groote menschenmassa,
maar hij kon nog niets onderscheiden.

Na een groot half uur kwamen de verkenners terug. Er naderde inderdaad
een groote troepenafdeeling, zoo berichtten zij; 't waren verscheidene
vendels, zoowel landsknechten als arquebusiers en ze hadden ook
geschut bij zich, maar of het vrienden of vijanden waren konden ze
niet zeggen. De vendels marcheerden met opgerolde vaandels. Alleen
een der soldaten, een burger van Antwerpen, die zich het verst vooruit
had gewaagd, wist te vertellen, dat het Duitsche voetknechten waren,
en dat hij Heer Nicolaas de Hames, dien hij dikwijls te Antwerpen
had gezien, duidelijk had herkend.

Er waren inmiddels soldaten uit het dorp komen toeloopen en terstond
verspreidde zich de tijding door het kamp: "Het waren de Duitsche
hulptroepen, die daar naderden; men had ze herkend."

En nu bleek het duidelijk, hoe weinig krijgstucht er heerschte
onder dien bijeengeraapten troep krijgsvolk. Tevergeefs roffelden
de trommen en gaven de hoplieden hunne bevelen. Slechts de vendels,
die te Antwerpen waren geworven, schaarden zich om hunne vanen; de
overigen snelden naar de borstwering, en onder luid gejoel en met een
luidruchtig "Vive le Geus!" werden de vermeende bondgenooten afgewacht.

Jacob stond naast Thoulouse op het ravelijn. Het aangezicht van den
aanvoerder gloeide van spanning en blijde hoop. Toch gaf hij bevel aan
zijne officieren, om hunne soldaten tot hun plicht te roepen. Maar
het was hem aan te zien, dat hij overtuigd was, dat de Antwerpenaar
goed had gezien. Dààr kwamen de Duitschers: alles zou nog goed komen!

En nu trokken de morgennevels op en men kon de naderende vendels
onderscheiden, die daar zwijgend aanrukten met opgerolde vanen. De
punten der pieken flikkerden in de Maartsche morgenzon. Zij kwamen
nader en nader, onder het luid gejubel der Geuzen. Ze waren al op
een musketschots afstand. Voorop marcheerde een vendel piekeniers,
met stalen stormhoeden en blinkende borstkurassen. "Ha! vive le
Geus! dàt waren de dappere Duitsche landsknechten!"

Een luid commando klonk, het vendel verdeelde zich, zwenkte links en
rechts en door de opening in de gelederen kwamen in den looppas andere
soldaten, met roode wapenrokken en roode pluimen op de breedgerande
hoeden. Ze waren gewapend met haakbussen, zware lontgeweren, die
bij het schot op een vork of haak werden gelegd. Op het gezicht van
die mannen veranderde het gelaat van Thoulouse. Dat was verraad! Dat
waren de arquebusiers van de lijfwacht der Landvoogdes. Hij wilde een
bevel geven,--maar reeds hadden de schutters zich in twee gelederen
geschaard, reeds vielen de lompe vuurwapenen op de ijzeren haken,--één
oogenblik nog en een daverend salvo klonk en een hagelbui van kogels
sloeg onder de verschrikte Geuzen.

En tegelijk ontplooiden zich de vaandels en ze vertoonden het Spaansche
knoestkruis; de arquebusiers weken en in gesloten gelederen rukten de
piekeniers voorwaarts, onder het veldgeschrei der Regeeringstroepen:
"Vive le Roy! Slaet dood! Slaet dood!"

Het was Heer Philip de Lannoy, Heer van Beavoir, met zijne troepen,
door de Landvoogdes gezonden, om den opstand te dempen.

Er heerschte een onbeschrijfelijke verwarring onder de Geuzen. De
meesten vluchten naar het dorp terug en slechts weinigen schaarden
zich om Thoulouse, om de verschansingen, zoo mogelijk, nog te
verdedigen. Dit bleek echter alras ondoenlijk. De vijand had
thans zijn volle macht kunnen ontwikkelen en tastte nu van drie
zijden het kamp aan. Het dappere, maar kleine troepje dreigde te
worden afgesneden. Pieter de Welle, die zijn vaandrig niet had
willen verlaten, zag het gevaar, waarin de Geuzenaanvoerder met
zijn getrouwen verkeerde. Weinige schreden van hem af stonden de
veldstukken, die door de kanonniers verlaten waren, zonder dat er
een schot was gelost. Een nog smeulende lontstok lag naast de geladen
kanonnen. De Welle greep de lont op en een oogenblik later donderden
de vier schoten over de vlakte. De stukken waren niet gericht en
de losbranding deed den vijand weinig schade, maar de aanvallers
werden een oogenblik in hun vaart gestuit en Thoulouse slaagde er in,
met de zijnen het dorp te bereiken. Hij vond er zijn eigen vendel,
dat zich op een boerenerf zoo goed mogelijk had verschanst, en hij,
Jacob Martens en een edelman uit het geslacht der van Boetzelaers
stelden zich aan het hoofd van deze dappere mannen, om zich tot het
uiterste te verdedigen.

Van een geregelden tegenstand was trouwens geen sprake meer. De
Geuzen waren wel sterker in getal, dan hun aanvallers, maar zij waren
overvallen en terstond in verwarring gebracht. Hier en daar hadden zij
zich verschanst in de woningen en schuren van het dorp en zij boden
een verwoeden tegenstand, want zij wisten, dat zij vochten voor hun
leven! De soldaten van Lannoy hadden in last, geen kwartier te geven,
en zij gehoorzaamden trouw aan dat bevel. De vluchtende Geuzen werden
zonder genade neergehouwen of doorstoken.

Thoulouse had een aantal busschieters post doen vatten voor de
vensters der boerenwoning en door hun vuur wisten zij een poos lang
de piekeniers op een afstand te houden, die dekking moesten zoeken in
de naburige huizen, maar nu verschenen de Brusselsche arquebusiers, en
de zware kogels hunner haakbussen sloegen door deuren en vensterluiken
en doodden of verwondden de schutters der Geuzen. De piekeniers rukten
voorwaarts met gevelde speren, het vendel van Marnix deed een uitval
en op het erf voor de hoeve ontstond een moorddadig gevecht.

Van uit het dakvenster der hoeve wierp Thoulouse een wanhopigen blik
naar Antwerpen, waarvan de torens, ja zelfs de hooge muren nog door
den rook waren te onderscheiden. Zou er geen ontzet komen opdagen? Men
moest er het schieten gehoord hebben; men moest er weten, dat hij en
de zijnen werden vermoord. Zouden de Gereformeerden van Antwerpen
hunne broeders laten slachten? Hoorde hij niet het roffelen der
trommen van de dappere Antwerpsche schutterij?

Helaas, de hooge muren daarginds bleven doodsch en stom.

Weinig wist Thoulouse, dat op datzelfde oogenblik een groote menigte
zich verdrong voor de Roode poort, luide eischende, dat men die
zou openen, opdat zij hunne strijdende broeders te hulp mochten
snellen. Dat zijn jonge vrouw, met bleeke wangen en roodbekreten oogen
de burgers smeekte, om toch haar man niet te laten vermoorden door de
bloeddorstige soldaten der Regeering, maar dat Oranje en Hoogstraten,
gehoorzamende aan een harde en pijnlijke noodzakelijkheid, met gevaar
van hun eigen leven het woedende volk in bedwang hielden, en zóó
Antwerpen bewaarden voor het lot, dat weldra Valenciennes zou treffen.

Nog had de ure der bevrijding niet geslagen. Hij en de zijnen moesten
worden opgeofferd: het kon niet anders.

Een verdacht geknetter deed zich hooren en een scherpe rook vulde
het vertrek. Een musketier had een brandende lont op het droge rieten
dak geslingerd. Het huis stond in brand.

In het voorhuis vond Thoulouse Jacob Martens, den Heer van Boetzelaer
en de soldaten, die de hoeve bezet hielden. Zelfs de gewonden hadden
zich hierheen weten te sleepen.

--"Wij moeten er ons doorheen slaan, kameraden!" zei de
Geuzenaanvoerder met vaste stem. "God zij onze zielen genadig! Vaarwel,
van Boetzelaer! vaarwel, Jacques! Als gij 't ontkomt, denk aan uw
belofte!"

Een krachtige handdruk tot afscheid en de versperringen werden
weggenomen, de deur ging open en met den degen in de vuist wierpen
zich de Geuzen op de tierende soldaten.

Het was een kort, wanhopig gevecht tegen een verpletterende overmacht,
maar toch hielden de Geuzen zich dapper tot het laatste. De Heer
van Boetzelaer viel aanstonds, een speer had hem onder den stalen
ringkraag in de keel getroffen. Ook Jacob was gewond, maar hij
voelde het niet. Hij wist niet, wat hij deed, of waar hij zich
bevond. Werktuiglijk verdedigde hij zich tegen de opdringende
soldeniers en weerde stooten af en hieuw en stiet naar de vertrokken
gezichten, die hij voor zich zag,--terwijl er in zijn bewustzijn
een vreemd gevoel van verwondering was, dat hij het was, hij, Jacob
Martens, die daar vocht voor zijn leven. Als in een benauwden droom
zag hij voor een oogenblik het bleeke gelaat van Thoulouse, die,
zonder helm en met gebroken zwaard tegen een schuur stond geleund. Hij
hoorde hem roepen, dat hij Jan van Marnix was, dat hij rantsoen bood,
toen hoonend gelach, woedend geschreeuw,--en hij zag het bleeke gelaat
niet meer.

De val van Thoulouse had voor een oogenblik de aandacht der soldeniers
afgeleid, en allen waren naar de schuur gesneld, waar,--zooals een
tijdgenoot vermeldt--het lichaam van den edelman letterlijk in stukken
gehouwen werd. Jacob Martens stond een oogenblik, duizelig van het
bloedverlies, tegen den boom van een kar geleund. Een der aanvallers,
een luitenant van het voetvolk van Egmond, dien hij in het gevecht
een lichte wonde had toegebracht, had hem niet uit het oog verloren,
en drong met zijn "halven piek" op hem in. Jacob weerde den stoot af en
deed half werktuiglijk een uitval met zijn degen, maar hij gleed uit
op den van bloed doorweekten grond en viel. In een oogenblik was zijn
tegenstander op hem toegesprongen. Hij drukte hem neer met zijn plompen
voet en zette zijn slachtoffer de punt van de korte speer op de keel.

--"Bid een Vader ons, jonge Geus!" riep de kerel zegevierend.

Een donkere gedaante drong door den rook van de brandende hoeve. Het
was Pieter de Welle. Zijn hellebaard had hij bij het begin van het
gevecht gebroken, maar hij had een ander wapen opgeraapt, een "gepinde
kodde", een knots, van stalen punten voorzien, een vreeselijk wapen
in een krachtige hand. Eer de landsknecht den doodelijken stoot kon
toebrengen, suisde de kodde door de lucht en kwam pletterend neer op
den ijzeren stormhoed en de man zakte levenloos ineen.

--"Kom gauw, jonker," riep de Welle, terwijl hij den half bewusteloozen
vaandrig op de been hielp; "alles is uit! wij moeten zien, dat wij
wegkomen!"

--"Thoulouse! En onze mannen! Ik kan niet..." stamelde Jacob.

--"De Heer van Marnix is dood en onze mannen ook! Wij moeten aan ons
zelf denken!" drong de Welle. "Kom, jonker!"

Half werktuiglijk volgde Jacob den gewezen boschwachter, die ook nu
weer toonde, dat hij een uitstekende gids was. Hij had het terrein
blijkbaar nauwkeurig opgenomen en kende den weg. Tusschen brandende
huizen en schuren door, over den grond kruipend, waar de dichte
rook het soms onmogelijk maakte om rechtop te gaan, bracht hij Jacob
buiten het dorp. Voortsluipend achter een dichte beukenhaag, waarvan
het verdorde loof hen ook nu in dit seizoen voor de blikken van den
vijand verborg, bereikten zij den oever van de Schelde en gleden in het
hooge riet. Daar lag een oude roeiboot, behendig in het riet verborgen.

--"Die heb ik gisterenavond een eind stroomopwaarts gevonden," zeide de
Welle. "Ik heb ze hier in veiligheid gebracht, want de zaken stonden
mij niet aan en ik wist niet, of zoo'n boot mij niet eens te pas kon
komen. Ga in de schuit liggen, jonker, en houd u stil! Vooreerst zijn
wij hier veilig!"

Achter hen ging Austruweel in vlammen op. Daar klonk het gejuich en
getier der soldaten en het noodgeschrei der Geuzen, die door hunne
vijanden op de punten der speren in de brandende huizen en schuren
werden gedreven. Een aantal vluchtelingen bereikten hoogerop de
rivier en sprongen in het water, om naar de overzijde te zwemmen,
maar de arquebusiers, die hen vervolgden, laadden hunne haakbussen,
en, luid schreeuwende dat zij op de eendenjacht gingen, schoten zij
op de zwemmers. Verscheidenen hunner werden getroffen, anderen werden
door den sterken stroom meegesleept en verdronken. Slechts een enkele
bereikte den anderen oever.

De Welle begreep, dat de soldaten, zoodra zij hun bloedig werk in het
dorp hadden verricht, het riet zouden doorzoeken. Hij had echter een
wel overlegd plan. De rivier maakte even vóór Austruweel een bocht en
hij had opgemerkt, dat de stroom met kracht tegen den rechter oever
liep, waar hij zich thans bevond. Voorzichtig trad hij uit het riet
te voorschijn en wierp een stuk hout in het water. Het gebeurde,
zooals hij het had verwacht: het hout werd door den stroom gegrepen
en meegevoerd naar het midden der rivier.

Hij maakte nu snel de boot los, strekte zich naast Jacob op den bodem
uit en liet het vaartuig met den stroom afdrijven. De boot volgde
denzelfden weg als het stuk hout. Wel losten eenige soldaten hunne
haakbussen en liepen al schreeuwend en dreigend een eind den oever
langs, maar de Welle wachtte zich wel, overeind te komen, vóór hij
wist, dat de trefkans van de schoten der lompe vuurwapenen op een
bewegend doel al zeer gering was. Toen nam hij de riemen op, en, met
een bezorgden blik op zijn jonker, die, uitgeput door bloedverlies,
bewusteloos in de boot lag, roeide hij naar den Vlaamschen oever,
zonder zich te storen aan de matte kogels, die naast en achter de
boot het water hoog deden opspatten.



X.


Vier weken na dien noodlottigen dag naderden twee mannen, als Vlaamsche
boeren gekleed, en waarvan de eene veel jonger was dan de andere,
het dorp Gentbrugge. Behalve hun stevige stokken, aan de punten met
ijzer beslagen, droegen zij geen zichtbare wapenen.

Het waren Jacob Martens en Pieter de Welle. Na hunne ontsnapping had
de Welle doorgeroeid tot Callo, nadat hij inderhaast Jacobs wonde
zoo goed mogelijk had verbonden, om het bloeden te stelpen. Te Callo
hadden zij onderkomen gevonden bij een visscher, die een geloofsgenoot
bleek, en die hen gaarne een schuilplaats gaf, toen hij vernam, dat zij
vluchtelingen van het leger der Geuzen waren. Zij bleven er tot Jacob,
die door bloedverlies zeer was verzwakt, geheel was hersteld, en in
dien tijd werkte de Welle voor hen beiden, doordat hij den visscher,
hun gastheer, hielp bij zijn bedrijf. Van de marktschippers, die
op Antwerpen voeren, vernamen zij, hoe het met hunne kameraden was
afgeloopen. Het geheele Geuzenleger was vernield; vele vluchtelingen
waren in de Schelde of in de moerassen gesmoord en de Heer de Lannoy
had driehonderd gevangenen aan de boomen in den omtrek laten ophangen.

Ze hoorden er ook het rampzalig lot van Valenciennes. Ze vernamen, hoe
de ongelukkige stad, na een dapperen tegenweer, zich aan Noircarmes had
moeten overgeven en hoe deze, ondanks zijn belofte van vergiffenis,
den bevelhebber Michel Herlin en zijn zoon had laten onthoofden,
en de predikanten la Grange en Guido de Bray, met nog tweehonderd
Gereformeerden, had laten ophangen.

Eindelijk hoorden zij, dat de Landvoogdes, moedig geworden door de
overwinning harer troepen, aan de Regeering van Antwerpen den eisch had
gezonden, dat de Hervormde predikanten de stad binnen vier en twintig
uren en het gebied der Nederlanden binnen de drie dagen zouden hebben
te verlaten op straffe van de galg,--en dat de Regeering het hoofd
had gebogen, dat de predikanten hadden gehoorzaamd, en dat met hen
een groot aantal Gereformeerden, bevreesd voor de wraak der Roomsche
partij, de stad hadden verlaten, om naar Engeland of Duitschland uit
te wijken. Het scheen gedaan met de zaak der Reformatie.

Nu achtte de Welle het ook niet veilig meer, nog langer in de buurt
van Antwerpen te vertoeven. Hij sprak met Jacob af, dat zij eerst,
zoo goed mogelijk vermomd, naar Gentbrugge zouden gaan, waar de
boschwachter in zijn huisje een kleine som geld veilig verborgen had;
vervolgens zouden zij te Poperingen naar Mieke gaan zien, om dan over
Duinkerken met een of ander visschersvaartuig naar Engeland uit te
wijken en dààr betere tijden af te wachten,--zoo die ooit nog voor
de rampzalige Nederlanden mochten aanbreken.

Vóór het begin der onderneming was hun hunne soldij uitbetaald,--want
het ontbrak de aanvoerders niet aan geld. Ze waren dus in staat
eenvoudige boerenkleeren te koopen, en zoo hadden zij zich op weg
begeven, de groote wegen vermijdend, waar zij de meeste kans liepen,
krijgsvolk der Regeering te ontmoeten. Nu hadden zij het doel van hun
tocht bereikt. Het liep tegen den avond en dat achtte de Welle, die
zorgvuldig de minst bezochte voetpaden had uitgekozen, den geschikten
tijd om zijn plan te volvoeren. Dienzelfden nacht zouden zij verder
gaan, want de buurt was voor hen beiden te gevaarlijk.

Het huisje van den boschwachter lag daar, eenzaam en verlaten. Daar
stond de oude, holle boom, waarin de Welle vóór zijn vertrek den
sleutel had verborgen. Toch moesten zij zeker weten, dat er geen
verraad was, voor zij de woning binnentraden. Voorzichtig en naar
alle zijden rondziende, traden zij nader. Plotseling greep de Welle
Jacob bij den arm en deed hem stilstaan. Er was een man van achter
het huisje te voorschijn gekomen; thans stond hij voor de gesloten
vensterluiken en trachtte door de reten naar binnen te zien.

--"'t Is Daniël Tistz," bromde de Welle. "Wat zoekt de strooper hier?"

--"Hij zal ons niet verraden," meende Jacob, die zich den jongen man
herinnerde; "hij draagt immers ook het Geuzennapje."

--"Men kan anders zoo'n lossen kwant niet vertrouwen," bromde de
Welle. "Maar voor een verrader zie ik hem toch niet aan. In elk geval,
we kunnen hier niet blijven staan, jonker. Vooruit dan maar!"

Op dit oogenblik keerde de strooper zich om en zag hen. Met een luiden
uitroep snelde hij op beide mannen toe. Jacob zag, dat de jonge man
er bleek en ontdaan uitzag.

--"Goddank, dat ik je zie, de Welle!" riep hij heesch. "Daar heb ik
God om gebeden, zooals ik nog nooit gebeden heb. Man, houd je goed,
want je dochter... je Mieke..."

--"Mieke!"

De Welle werd wit als een doek. Hij greep Daniël in de borst en
schudde den sterken jongen boer woest heen en weder.

--"Mieke?" siste hij. "Wat is er gebeurd? Heb jij, roffiaan, haar..."

Maar Daniël rukte zich los.

--"Laat los, de Welle!" riep hij met een wilden lach. "Denk je, dat
ik hier zou zijn, als ik je dochter een haar had gekrenkt? Weet je
niet, dat ik wel voor haar had willen sterven, als 'k haar zóó had
kunnen redden? Mieke zit gevangen op 't slot te Poperingen! Ze is in
de handen van Titelman!"

--"Van Titelman?"

Naar adem hijgend, met strakke, starende oogen, zag de Welle den
boogschutter aan, en ook Jacob stond verslagen. De arme Mieke in de
handen van de Inquisitie, van Titelman! Heel Vlaanderen kende hem, den
verschrikkelijken deken van Rousselaere, den fanatieken priester, voor
wien zelfs de Landvoogdes bevreesd was. In handen van Titelman,--dat
was erger dan de dood!

De Welle vermande zich.

--"Zeg op!" zei hij met schorre stem. "Wat is er gebeurd? Ze was
veilig bij haar moei te Poperingen."

--"Een stadsklerk heeft haar verraden!" zei Daniël, sidderend van
ingehouden drift. "Als ik den laffen Judas in handen krijg, breek ik
hem den nek. Hij wou naar Mieke vrijen, maar zij wou niets van hem
weten. Toen is hij uit wraak naar den geloofsrechter geloopen. Hij had
haar eens met haar bijbel en haar psalmboek verrast, het arme kind."

--"En toen...?"

--"Toen zijn de dienaars van den baljuw gekomen, en hebben haar uit
het huis gehaald. Ik was er niet. Ik zou de kerels met mijn handen
hebben geworgd, eer ze haar lief lijf aanraakten. Ze hebben haar op den
toren van 't slot gebracht, en ze zou, naar ze te Poperingen kallen,
met nog vier, die gevangen zijn om de religie, naar Rousselaere
worden gebracht."

Pieter de Welle stond daar met gebogen hoofd. Bij de laatste woorden
van den boogschutter schrikte hij op en wrong de handen met een
kermenden zucht. De beide jonge mannen zagen hem medelijdend aan. Zij
wisten, welke geruchten, ze mochten dan gegrond zijn of niet, omtrent
den pastoor van Rousselaere in omloop waren.

--"En geen redding! Och, Heere God! geen redding!" steunde de arme
vader.

Daniël Tistz keek hem met flikkerende oogen aan.

--"Misschien! Als je durft, de Welle!" zei hij driftig.

--"Durven? Denk je dan, dat mijn leven nog iets waard zou zijn,
als dàt met Mieke gebeuren moest? Zeg op, man, wat bedoel je?"

--"Kom mee naar Poperingen! Ik zal je bij wakkere kerels brengen. 't
Zijn Geuzen, die 't bij Waterloo ontkomen zijn en die zich nu
schuilhouden. Ze durven, als 't er op aan komt. Als Mieke naar
Rousselaere wordt gebracht, zullen wij 't weten, en dan, als wij
't goed aanleggen, is er kans, dat wij ze verlossen."

Gretig luisterde de Welle naar het plan, dat de wildstrooper nu nader
uiteenzette. De weg van Poperingen naar Rousselaere liep, zooals de
boschwachter ook zeer wel wist, gedeeltelijk door een bosch. Daar
zouden, op een geschikt punt, de Geuzen zich in hinderlaag leggen,
de dienaars van den inquisiteur dooden of onschadelijk maken en
de gevangenen bevrijden. De zaak was uitvoerbaar en de Welle en
Jacob waren bereid, haar te beproeven. Men zou zich terstond op
weg begeven. De aangeboren voorzichtigheid van den Vlaamschen
boer zegevierde nu echter over de smart en de angst van den ouden
boschwachter. Hij trad zijn woning binnen, terwijl hij zijn beide
metgezellen wenkte, hem te wachten. Toen hij, na een poos, weer buiten
kwam, hing er een zware lederen tasch aan zijn riem: de Welle had
zijn spaarpenningen opgegraven en nam ze mede.

Zij liepen verscheidene uren, ook nu weer de hoofdwegen vermijdende,
langs landwegen en boschpaden, die de Welle en Daniël beiden kenden.

't Was een schoon land, West-Vlaanderen in zijn frisschen lentetooi,
maar ze hadden geen oog voor het schoone, dat hen omringde. Met
krampachtig gesloten vuisten, soms onverstaanbare woorden mompelend,
dan weer den blik ten hemel slaande, als in stil gebed, schreed
de Welle voort, terwijl zijn beide metgezellen hem van tijd tot
tijd medelijdend aanzagen. Onder het gaan vertelde de strooper
aan Jacob, dat de vervolgingen wegens ketterij in de laatste weken
weder begonnen waren. Sinds den beeldenstorm hadden de inquisiteurs
zich rustig gehouden, maar de overwinningen, door de troepen der
Regeering behaald, hadden hun nieuwen moed gegeven en na den val van
Valenciennes was Titelman aanstonds begonnen, zijn bloedhonden uit
te zenden. Verscheidene personen waren, als verdacht van ketterij,
gevangen genomen en voor de geestelijke rechters gebracht. De
doodvonnissen zouden niet lang op zich laten wachten.

Men bereikte een groot bosch van eiken en beuken. De laatsten prijkten
reeds met frisch, jong groen, de eersten hadden nog hun winterloof. Het
terrein begon heuvelachtig te worden en de weg, die door het bosch
heenslingerde, was hier en daar door hooge, met zware stammen bezette
wallen omzoomd.

--"Hier zou het moeten zijn!" zeide de strooper eensklaps, terwijl
hij staan bleef.

De weg maakte hier een scherpe bocht en liep dan naar beneden. De
bodem was doorweekt door het regenwater, dat er zich had verzameld,
en de diepe karresporen, die in en uit den modderpoel leidden,
stonden vol water. Er groeide dicht struikgewas in de laagte en het
geboomte was zwaar genoeg om een geheele bende te verbergen. 't Was
een uitgezochte plaats voor een hinderlaag.

De Welle bleef even staan, nam het terrein met een vorschenden blik
op en knikte even goedkeurend. Toen vervolgde hij echter weer zijn
weg, zwijgend en haastig, en de beide jonge mannen, die begrepen,
wat er in hem omging, stoorden hem niet.

Zij kwamen door het dorp Langem en hier wist Daniël den bedroefden
vader te bewegen, in de taveerne wat uit te rusten en er een potteke
bier te drinken. De Welle had liever den tocht voortgezet, maar de
strooper beet hem toe, dat de jonker niet verder kon. Inderdaad was
Jacob, die niet zooals de beide anderen aan lange dagmarschen gewoon
was en die daarbij pas van zijn wonde was hersteld, doodmoede.

Zij traden de dorpstaveerne binnen en vonden er niemand, dan een
Dominicaner monnik, die in een hoek van de gelagkamer rustig zijn
potteke dronk, terwijl hij ijverig in zijn brevier las. Daniël nam
den Witheer met booze blikken op, maar deze lette niet op hem. Na een
poos dronk hij zijn potteke leeg en borg het gebedenboek in de tasch
of beurs, die aan zijn gordel hing; tegelijk haalde hij daaruit een
papier te voorschijn, waaraan een groot, rood zegel hing. Hij bezag
het eenige oogenblikken opmerkzaam en stak het toen weder weg. De
strooper zag het en zijne oogen fonkelden.

Toen de monnik vertrokken was, niet zonder een scherpen blik te hebben
geworpen op de drie mannen, wenkte Daniël zijne beide metgezellen.

--"Dat is een van de bloedhonden van Titelman," fluisterde hij. "Ik
ken hem wel. Als hij naar Poperingen gaat, dan kunt ge er op aan,
dat hij tijding brengt van den deken. Wij moeten hem in 't oog houden."

Zij betaalden hunne vertering en volgden den monnik van verre. De
Dominicaner slofte langzaam voort, tot hij de laatste huizen van
het dorp achter den rug had. Toen sloeg hij den breeden karreweg in,
die naar het Zuiden leidde.

--"Dat gaat naar Poperingen," zei Daniël. "Die brief is van Titelman."

--"Wij moeten hem hebben," zei de Welle gejaagd.

--"Juist, kom gauw!"

Wegduikend achter een hoogen wal van eikenhakhout, kwamen zij
ongemerkt den monnik vooruit. De Welle zoowel als Daniël Tistz
kenden het landschap nauwkeurig. Zij wisten de veldwegen en bijpaden
en zoo, snel en zwijgend voortstappend, bereikten zij den grooten
karreweg weder op een uur afstands van Langem, voor nog de langzaam
voortstappende monnik in het gezicht was.

Het was een eenzame plaats. De weg liep hier door een stuk broekheide,
die zich aan weerszijden mijlen ver uitstrekte. Naar het Westen zag
men de donkere massa van een bosch.

--"Wat nu?" vraagde de strooper.

--"Wij moeten dien brief hebben!" zei de Welle, met de tanden op
elkaar geklemd.

--"Wil je dan, dat ik...?" Met een veelbeteekenend gebaar trok Daniël
zijn kruismes.

--"Je wil toch geen moord, de Welle?" vraagde Jacob.

--"Alsof er aan 't leven van zoo'n paap iets gelegen was," zei de
strooper ruw. "Zullen ze Mieke niet vermoorden en haar martelen
bovendien, als zij kunnen? Je moet niet zoo weekhartig zijn, jonker."

--"De Heere heeft gezegd: Mij is de wrake! Ik zal het vergelden!" zeide
Jacob ernstig.

--"Zóó heb ik den bijbel niet gelezen!" lachte de ander grimmig. "Wat
zeg jij, de Welle!"

--"Laat hem leven, als 't kan," gebood de koddebeier.

--"Mij is 't wel!" zei Daniël schouderophalend. "Hoewel je er hem
misschien geen dienst mee doet, jonker. Want we kunnen hem niet laten
loopen, en als hij in de handen valt van onze gezellen daarginds..."

Hij wees met een veelbeteekenden blik naar de bosschen in de verte.

--"Wat wil je dan doen?" vraagde de Welle.

--"Laat mij maar begaan," lachte Daniël. "Ik heb wel eens meer een
boschwachter onschadelijk gemaakt. En was 't niet om Mieke geweest,
de Welle... Nu, kijk maar zoo leelijk niet: ik zal niets meer
zeggen. Maar, jonker, heb je wel eens van den Duinkerkschen kneep
gehoord? Niet? Let dan eens op, dan zul je wat wonders zien. Maar
jelui beiden moet je verschuilen, want onze vriend zal nu wel zoo
dadelijk komen."

--"Achter den wal dan!" gebood de Welle, en de drie mannen verscholen
zich achter het nog dorre eikenhakhout en wachtten.

De weg was eenzaam en verlaten. Bouwlanden, waar anders nu de boeren
werkten, waren er niet in de nabijheid en de broekheide, waar 's
nachts de grauwe nevel uit opdampte en de dwaallichten flikkerden,
werd door niemand bezocht, die er niet noodig had. Heel uit de verte
klonk van tijd tot tijd het "Alahoe!" van een koewachter, die zijn
beesten langs de wegen liet grazen.

Weldra zagen zij den Witheer aankomen. De monnik stapte bedaard en
rustig voort, onbewust van het gevaar, dat hem dreigde.

--"Let op!" mompelde de strooper.

Snel sloop hij langs den houtwal, om een eind verder weer te voorschijn
te komen. Rustig, met de handen in de zakken en al fluitende, liep hij
den monnik tegemoet. In zijn onmiddellijke nabijheid gekomen, week hij
ter zijde, zoodat de Dominicaan hem rakelings voorbij moest, terwijl
hij, schijnbaar groetend, de hand aan zijn kaproen bracht. Werktuiglijk
hief de monnik de hand zegenend op, om den groet te beantwoorden.

Plotseling, met een bliksemsnelle beweging, schoot de arm van den
jongen Vlaming uit en omknelde den hals van zijn slachtoffer. Tegelijk
zette hij den rechtervoet vooruit, achter de beenen van den monnik,
en met een forschen ruk wierp hij den man achterover op den grond,
waar hij met een geweldigen smak neerkwam en verdoofd bleef liggen. De
Welle en Jacob, die alles gezien hadden, braken door het kreupelhout
en met hun drieën sleepten zij het bewustelooze lichaam achter den
houtwal. Driftig viel Daniël op de tasch aan en haalde er het papier
uit, dat zij den monnik hadden zien lezen. Hij reikte het de Welle
over. Deze bezag het, doch gaf het hoofdschuddend over aan Jacob.

--"Ik kan er niets van maken!" zeide hij. "Wat is het, jonker?"

Jacob doorliep het papier vluchtig.

De monnik, die als een zoutzak aan hun voeten lag, opende de oogen. Hij
keek verschrikt rond en scheen te willen opstaan.

--"Houd je gemak, pater!" zei Daniël, terwijl hij zijn gevangene
den voet op de borst zette en zijn kodde dreigend ophief. "Als je
een vin verroert of een kik geeft, zal ik je met dezen wijkwast
zegenen--voorgoed, hoor je? Lees op, jonker!"

--"Petrus Titelman," vertaalde Jacob, "onwaardig dienaar Gods, priester
en deken te Rousselaere, inquisiteur van Vlaanderen, Douai en Rijssel,
aan Mr. Willem van Bodeghem, schout van Poperingen, groetenis.

"Krachtens de macht, ons verleend, door den Eerwaarden Ruardus
Tapper, groot-inquisiteur der Nederlanden, en bij decreet van Zijne
Koninklijke Majesteit, Philips II, Koning van Spanje, van den 28sten
November 1555, zenden wij u door de hand van onzen beminden broeder
Clemens, van de orde van den H. Dominicus, last en bevel, om de door
u gevangen gehouden ketters, zoo mannen als vrouwen, den 16den April
naar Rousselaere te zenden onder veilige bewaring van uwe gewapende
dienaars, en dat tegen het vallen van den avond en zonder aan de
zaak ruchtbaarheid te geven, ten einde opschudding onder de bevolking
te voorkomen.

"Gegeven onder ons zegel, te Rousselaere, den 14den April, Anno
Domini 1566."

De drie mannen keken elkander ontsteld aan.

--"Den 16den April,--dat is morgen!" zei Pieter de Welle met gesmoorde
stem.

--"Maar de baljuw zal niets kunnen doen, nu wij Titelman's postduif
hebben opgevangen," meende Daniël.

--"Dat baat niet," zeide de Welle. "Als de gevangenen niet aankomen,
en als zijn bode niet terugkeert, dan zendt Titelman een ander,
en dan is hij meteen gewaarschuwd. Als wij alles hadden geweten,
dan hadden wij dien monnik stil moeten laten gaan. Als Daniël ten
minste zijn woord kan houden..."

--"Dat kan ik!" zei de strooper. "Maar hoe krijgen wij dien brief
naar Poperingen? Wij kunnen er dien eerwaarden pater moeilijk mede
belasten."

De drie mannen zagen elkander verslagen aan. De monnik loerde naar
hen met schichtige blikken, als een wild dier, dat in de val zit. Hij
had nog geen woord gesproken.

Plotseling spanden zich zijn trekken. Hij had in de verte een zacht
getingel gehoord, zoo zacht, dat het de drie mannen, die van geheel
andere gedachten waren vervuld, was ontgaan. Het herhaalde zich: dat
waren de bellen aan het haam van een huifkar, die daar naderde. Dààr
was redding!

Loerend tusschen zijn wimpers door keek de gevangene, zonder een lid
te verroeren, naar zijne vijanden, die fluisterend en met bezorgde
gezichten met elkander spraken. De bellen kwamen al nader en nader,
weldra zou de voerman een hulpschreeuw kunnen hooren. De monnik
steunde reeds de ellebogen tegen den grond, gereed om met een schok
zich op te richten en zijn noodgeschrei aan te heffen.

Daar klonken op eens de bellen luider en sneller: het voortsjokkende
paard had blijkbaar hevig den kop bewogen. Verrast keken de Welle en
zijne metgezellen op: met een enkelen blik had Daniël den toestand
overzien en het gevaar begrepen.

Met een sprong was hij bij den monnik.

--"Ha, wou je dat, schobbejak!" siste hij, terwijl hij den man bij
de keel greep en zijn hoofd neerdrukte in de vochtige heide.

--"Houd op! Je worgt hem!" fluisterde Jacob.

--"Laat mij maar begaan!" zei de strooper norsch.

Hij rukte zich den halsdoek af, draaide dien tot een bal ineen en
wrong hem als een prop in den mond van den gevangene, die tevergeefs
tegenspartelde. Toen, terwijl hij met de eene hand den monnik in
bedwang hield, haalde hij een dun, maar sterk touw uit den zak en
met behulp van de Welle bond hij hem de handen op den rug.

"Ziezoo, pater!" zei hij grijnzend. "Nu kunt ge ons de misse lezen! Het
belleken klinkt reeds."

De kar was nu nabijgekomen. Neergehurkt achter het hakhout bij hun
gevangene, zagen de drie Geuzen haar voorbijgaan. Een paar boeren
liepen er naast, pratend en lachend, weinig vermoedend, wat daar
achter den houtwal voorviel.

--"Wij kunnen hier niet blijven," zei de Welle, toen het gerinkel der
bellen in de verte was weggestorven. "Wij moeten dien pater eerst in
veiligheid brengen."

--"Hij zou het veiligst zijn op den bodem van een veenplas," gromde
Daniël, terwijl hij met een schuinschen blik naar Jacob zag.

--"Laat hem!" gebood de Welle. "De jonker heeft gelijk. 't Is een
bloedhond, maar een moord in koelen bloede wil ik niet. We kunnen
hem meenemen naar dien schuilhoek, waarvan je hebt gesproken."

Nu kwam Jacob met een plan voor den dag. Hij zou de pij van den
Dominicaner monnik aandoen, en in die vermomming naar Poperingen gaan,
om het bevelschrift aan den baljuw te overhandigen, en, zoo mogelijk,
de inlichtingen in te winnen, die zij noodig hadden voor het slagen
van hun plan. Zijn langdurig verblijf in het Dominicaner klooster
maakte, dat hij zonder moeite zijn rol zou kunnen spelen.

Daniël nam gretig den voorslag aan en maakte zich gereed, den Witheer
van zijn scapulier en opperkleed te ontdoen. De Welle bleef met
gefronst voorhoofd naar den grond staren.

--"'t Is een gewaagd stuk, jonker!" zei hij eindelijk met gesmoorde
stem. "Als 't niet om Mieke was, dan zou ik... Maar er is toch één
bezwaar."

Hij wenkte de beide anderen ter zijde en ging fluisterend voort.

--"Hoe weet ge, of die broeder Clemens niet bij den schout bekend
is? In dat geval zou de jonker terstond gevangen genomen worden en
de schout zou dadelijk begrijpen, dat er onraad was."

--"We zullen het hem seffens vragen!" zei Daniël. "Hé, paap, zeg op:
hoe ziet de schout van Poperingen er uit?"

Hij knielde bij den monnik neder en nam de prop uit zijn mond. De
Witheer haalde diep adem, maar gaf geen antwoord. Hij sloot de lippen
vast op elkander en zag den strooper aan met een blik, waaruit haat
en verachting sprak.

--"Je zult spreken, vermaledijde paap!" siste Daniël woedend. "Jonker,
ga op den weg en houd er de wacht, dat wij niet overvallen worden."

Jacob bleef een oogenblik weifelend staan. Hij begreep, dat de beide
mannen den monnik tot spreken wilden dwingen. Het stuitte hem tegen
de borst een weerlooze te martelen,--maar Mieke, het onschuldige kind
dan? En hij zag aan de woeste blikken van Daniël, aan de vastberaden
houding van de Welle, dat de beide mannen zich door zijn tegenwerpingen
niet zouden laten weerhouden.

--"Spreek dan toch, man!" zei hij, dreigend, bijna smeekend.

De monnik vestigde zijn gloeiende blikken op den jongen man, maar
hij bleef zwijgen.

--"Ga nu toch, jonker!" riep Daniël Tistz ongeduldig.

Jacob brak door den houtwal heen en ging een eind den weg op,
tot hij een punt had bereikt, waar hij dien in beide richtingen kon
overzien. Het was een mooie, stille lentemorgen, zacht, met een beloken
lucht. Vredig en kalm strekte zich het landschap rondom hem uit; ook
de landweg was weder eenzaam en verlaten. Slechts een paar kieviten,
wier nest vermoedelijk in de nabijheid was, vlogen, luid krijschend,
in breede kringen rondom den indringer. De bremstruiken aan de zijden
van den weg maakten frissche groene scheuten, en over de heide brak
door het bruine winterkleed de zachtgroene tint van de duizenden
uitbottende heideplantjes.

Jacob liet zijne oogen over het vreedzame landschap dwalen. Wat
was Gods schepping schoon, en ach, hoe bedierven de menschen al het
schoone en goede, hun door Gods liefde geschonken, door hunne zonden
en hartstochten! Wie, die het vredige landschap, ontluikend in de
jonge lente, aanschouwde, zou hebben vermoed, dat thans in dat schoone
Vlaanderen duizenden harten klopten van bange vreeze of gloeiden van
woeste wraakzucht!

Onwillekeurig herdacht Jacob de gebeurtenissen der laatste weken. Wat
al blijde hope was daar in weinige dagen vernietigd--voorgoed naar
het scheen. Wat waren zij moedig uitgetrokken, de jonge Geuzenedelen,
om hun land te ontrukken aan het geweld van een Regeering, die een
vrij volk in boeien wilde slaan, het wilde dwingen naar den wil van
een Spaanschen koning, die niet over dat vrije volk wilde regeeren,
maar slechts wilde heerschen over een troep slaven, die nederig voor
hem kropen, die zelfs hun God slechts zóó wilden dienen en belijden,
als hij, de vorst, het hun voorschreef.

Helaas, wat was er geworden van al die schoone verwachtingen? Thoulouse
was dood! Het Geuzenleger was vernietigd! De edelen waren in
ballingschap, de strijders voor de vrijheid, die niet waren gevallen,
hielden zich schuil in bosschen en moerassen, uit vrees voor de
galg. De Inquisitie loerde overal naar haar prooi. En uit de verte,
uit Spanje, dreigde het onweer: de Koning zou komen, hij zou komen
met een groot leger, om de oproerigen te straffen en de vrijheden
des lands voorgoed te vernietigen.

Een schorre schreeuw, die van achter het hakhout kwam,
deed hem opschrikken uit zijn gepeins. Dat was blijkbaar de
monnik! Onwillekeurig deed Jacob een paar stappen in de richting
van het geluid. Weder klonk de schreeuw, feller en pijnlijker
dan zooeven. Toen volgde er een dof gemompel van stemmen. Jacob
huiverde. Men martelde den man, dat was duidelijk, en het stuitte
hem tegen de borst, daarvan getuige te moeten zijn. Een oogenblik
stond hij besluiteloos: zou hij tusschenbeide komen? En zou zijn
tusschenkomst iets baten?

Daar dook de lange gestalte van de Welle uit het hakhout op. De kleine,
helblauwe oogen van den koddebeier fonkelden.

--"Kom, jonker!" riep hij, "'t is er uit! De paap heeft gebiecht! Wij
weten, wat we noodig hebben!"

Jacob volgde hem naar de plaats, waar de monnik lag. Daniël Tistz
lag bij den gevangene geknield. Een dun koord met knoopen was om de
slapen en het voorhoofd van den Dominicaan gebonden en daartusschen
had hij het heft van zijn kruismes gewrongen, zóó, dat hij het touw kon
toesnoeren, dat bij elken slag dichter om het hoofd van den gepijnigde
knelde, terwijl de harde knoopen door de huid drongen. Daniël maakte nu
het foltertuig los; een roode striem liep over het bleeke, bebloede
gelaat van den monnik en zijn donkere oogen puilden uit van pijn
en doodsangst.

--"Ik heb den paap eens laten proeven, hoe de stroppelkoord smaakt,
waar zijn patroon Titelman zoo gul mee is!" zei de strooper woest. "Hij
heeft alles bekend, jonker. Men kent hem niet te Poperingen. Hij is
hier pas aangekomen uit het Maastrichtsche, om den deken te helpen. Nu
de Geuzen verslagen zijn, kreeg de Inquisitie dubbel werk, zoo zei hij,
de bloedhond."

Hij gaf den monnik een verachtelijken schop. Jacob zag de donkere
oogen in het bebloede gezicht zich op hem vestigen met een blik van
angst en haat. Huiverend wendde hij zich af.

--"Kom, jonker," zei de Welle, "'t is nu geen tijd om weekhartig te
zijn. Denk aan Mieke en wat er met haar gebeuren zal, als zij eens
te Rousselaere, in de klauwen van Titelman is. Blijft ge bij uw plan,
om naar Poperingen te gaan?"

Jacob knikte toestemmend. De beide mannen maakten de touwen los,
waarmede de Dominicaan gebonden was en ontdeden hem van zijn pij,
zijn gordel en zijn tasch. Jacob verwisselde zijne boerenkleeren met
het kloostergewaad. Hij droeg in den laatsten tijd het haar kort,
als een krijgsman paste en Daniël, die in de tasch van den monnik
een schaar had gevonden, maakte hem met groote handigheid een tonsuur.

--"Ziezoo, jonker," zei hij, "nu zie je er uit als een echte paap. Je
bent in 't klooster geweest, zegt de Welle. Dat treft goed. Breng
dien brief aan den schout en zie te weten te komen, hoeveel knechten
hij zal meegeven, en laat dan de rest maar aan ons over."

--"Ge waagt uw hals, om ons te helpen, jonker," zei de Welle, "en nog
eens, als 't niet om Mieke was... Dien monnik nemen we als gijzelaar
mede, en mocht u iets overkomen, wat God verhoede, zeg dan aan zijne
gezellen, dat wij met hem zullen doen, zooals zij met u doen."

Nadat men nog had afgesproken, dat de Welle en Daniël Tistz in den
laten namiddag Jacob wachten zouden bij een gebroken steenen kruis,
dat aan den weg stond en gedurende den beeldenstorm was vernield,
namen de beide mannen afscheid van hun bode. Zij zouden met hun
gevangene dwars over de broekheide naar de bosschen trekken, waar
zich de schuilhoek der gevluchte Geuzen bevond, waarvan de strooper
had gesproken. Eerst als zij uit het gezicht waren, zou hij zijn
tocht aanvaarden. Daniël maakte het touw los, waarmede de enkels
van den monnik waren gebonden en hielp hem overeind. Eerst wilde de
Dominicaan niet loopen, maar toen de strooper hem de punt van zijn
kruismes liet voelen, schikte hij zich in zijn lot en volgde gedwee
zijne beide bewakers, die dwars door de drassige heide aanhielden op
den donkeren boschrand aan den horizon.

Toen zij ver genoeg verwijderd waren, en er geen gevaar meer was,
dat een onverwachte voorbijganger of een dwalend eierenzoeker zou
bemerken, dat zij in elkanders gezelschap waren geweest, sloeg Jacob
den weg in naar Poperingen. Hij was in een alles behalve aangename
stemming. Het tooneel, dat hij zooeven had bijgewoond, had hem pijnlijk
aangedaan. Hij was een kind van zijn tijd en die tijd was ruw en
wreed. Dat men een misdadiger door pijn tot bekentenis dwong, scheen
Jacob Martens volkomen geoorloofd. En in zijn oogen en in die van
zijne medestanders was deze monnik, het werktuig van den inquisiteur,
niets anders dan een boosdoener. Toch scheen het martelen van een
weerlooze hem een laagheid. Ook de taak, die hij op zich had genomen,
was hem weinig naar den zin. Dat 't een gewaagde onderneming was, dat
een enkele onhandigheid of onvoorzichtigheid hem in den kerker en op
't schavot zou brengen, was nog zoo erg niet. Maar in een vermomming
spionnenwerk te moeten verrichten, te moeten veinzen en bedriegen,
het strookte weinig met zijn aard. Maar hij dacht aan de arme Mieke
en aan het lot, dat haar te wachten stond, hij dacht aan de Welle,
die hem het leven had gered, en hij nam zich voor, de zaak, die hij
op zich genomen had, ten einde toe te volbrengen.

Het stuk broekland hield weldra op, om plaats te maken voor weiden,
toen voor bouwlanden, braakliggend of met winterkoren bezaaid,
en eindelijk begonnen de hoptuinen, waarom Poperingen zoo beroemd
was. Reeds lang had Jacob de torens der drie kerken, de Sint Bertinus,
de Mariakerk, en die van den Heiligen Johannes den Dooper, over het
lage land in het oog gekregen. Thans kon hij ook de trotsche gebouwen
van de beroemde abdij van Sint Bertinus in de verte zien oprijzen,
waaraan Poperingen zijn ontstaan te danken had. Want de stad was
een leen der abdij, en nog altijd werd het stadsbestuur, bestaande
uit den schout, den "amman", twee burgemeesters en twaalf schepenen,
door den abt van St. Bertinus gekozen en aangesteld.

Hij bereikte de poort, waar hij door den portier eerbiedig werd
gegroet. Het geestelijk gewaad was in eere te Poperingen. Op zijne
vragen wees men hem het huis van den schout, Mr. Willem van Bodeghem.

Deze, een stoere Vlaming, met een steenrood, breed en goedmoedig
gezicht, ontving den gewaanden bode van den deken van Rousselaere
met een zekere stugge beleefdheid. Het hinderde den eerzamen schout,
dat hij van een andere geestelijke overheid, dan van zijn Heer, den
abt van St. Bertinus, bevelen moest afwachten, en daarbij, ook de
Roomsche magistraatspersonen waren over het algemeen--tot hun eere
zij het gezegd--afkeerig van de bloedige kettervervolging en vijanden
der Inquisitie en Philips II klaagde bitter over hunne lauwheid in
een zaak, die hem zoo zeer ter harte ging.

Zoo had Mr. Willem van Bodeghem niet kunnen nalaten, om op aanwijzing
van den inquisiteur de ketters in hechtenis te nemen, die deze hem
aanwees. De plakkaten verplichtten hem er toe. Maar hij had het
ongaarne gedaan en met kwalijk verholen tegenzin ontving hij den
gewaanden monnik.

--"Veel te jong voor een speurhond van de Inquisitie!" bromde de
eerlijke Vlaming in zijn baard.

Inderdaad was Jacobs leeftijd bij deze onderneming een gevaar op
zichzelf; de gebeurtenissen der laatste maanden echter en de gevolgen
van zijn wonde deden hem ouder schijnen dan hij was.

--"Gij zijt dus broeder Clemens, van wien hier gesproken wordt," zeide
de schout, die, als leerling der kloosterschool van Sint Bertinus,
genoeg Latijn verstond, om het geschrift te lezen. "En gij zult zelf
het antwoord aan den Eerwaarden Deken overbrengen. Als ge te avond
mijn gast wilt zijn, zal mijn schrijver morgen het antwoord voor u
gereed hebben. Of misschien vernacht gij liever in de abdij?"

--"Ik zou gaarne vandaag nog terugkeeren," zeide Jacob. "Mijn boodschap
heeft haast!"

--"Ja, maar mijn schrijver is er nu niet!" zei de schout verdrietig,
terwijl hij zijn korte, stompe vingers bekeek, die er niet uitzagen,
of zij gewoon waren, de pen te voeren.

--"Het bevelschrift was niet verzegeld en de inhoud is mij bekend,"
zeide Jacob, blij, dat tot nog toe alles zoo voorspoedig ging. "Ik
kan ook een mondeling antwoord medebrengen."

--"'t Is waar," zei Mr. Willem van Bodeghem, zichtbaar verlicht,
"welnu, broeder, zeg den Eerwaarden deken, dat men er scherp op zal
letten. De gevangen ketters zullen ter bestemder tijd naar Rousselaere
worden gezonden en voor zoover het burgers van onze stad zijn, verzoek
ik den deken, hen met zachtmoedigheid te behandelen. Ik zal mijn
substituut, die hen begeleiden zal, een geschrift over hen medegeven."

--"Het gerucht wil, dat er kwaad volk in de bosschen omtrent Poperingen
huist," zeide Jacob, terwijl hij zijn best deed, een onverschillig
gezicht te zetten, "de deken wist niet, of de bedekking van uw dienaars
voldoende zou zijn, om..."

Het gezicht van den Schout werd nog rooder; de blauwe toornaderen
zwollen op zijn voorhoofd en dreunend kwam zijn vuist neer op de
massieve eikenhouten tafel.

--"Ik ken mijn plicht!" bulderde hij, "en ik behoef dien van geen
inquisiteur ter wereld te leeren! Laat de deken zich met zijn
eigen zaken bemoeien! Ik zal doen, wat 's konings plakkaten mij
voorschrijven, maar verder ben ik niemand rekenschap verschuldigd
dan mijnen heere den Eerwaarden abt van St. Bertinus!"

Jacob nam haastig afscheid. Eigenlijk had hij den wakkeren schout het
liefst de hand willen drukken. Hij had zijn rol tamelijk onhandig
gespeeld en een magistraat met scherper blik dan de eerzame Willem
van Bodeghem had al licht argwaan kunnen opvatten. Toch was zijn doel
aanvankelijk bereikt. Het bevelschrift van Titelman was in handen van
den schout en hij was er zeker van, dat het ten uitvoer zou worden
gelegd. Ook verder zou het geluk hem dienen.

Hij was moe van zijn langen tocht en hongerig en dorstig daarbij. Hij
had het gebroken kruis aan den weg gezien, waar de Welle en Daniël
Tistz hem zouden wachten, en hij berekende, dat hij nog tijd genoeg
had, om uit te rusten en wat te eten en te drinken. Het gevaar voor
ontdekking was nu zeer gering; ja, het zou zelfs argwaan kunnen wekken,
wanneer hij het stadje te haastig verliet. Hij trad dus de stadsherberg
binnen en eischte brood en bier.

Terwijl hij in een hoek van de lage, donkere gelagkamer zijn eenvoudig
maal gebruikte, trad er een man de taveerne binnen, die naar zijn
kleeding te oordeelen tot de beambten der stad moest behooren. Hij
droeg een wambuis, half geel, half blauw, op de borst waarvan het
stadswapen was gewerkt en een kaproen van dezelfde kleuren. Aan zijn
breeden riem hing een kort rapier.

De schoutendienaar--want het was inderdaad een van de dienaars der
Poperingsche justitie--verlangde van den waard een potteke biers en
begaf zich met hem in ijverig gesprek. Weldra begonnen de beide mannen
veelbeteekenende blikken te werpen op den gewaanden Dominicaner. Jacob
Martens voelde, dat hij bleek werd. Zou de schout toch verdenking
tegen hem hebben opgevat? Als men hem herkende, als het bleek dat hij
een van de vluchtelingen van Austruweel was, dan wachtte hem de galg!

Het baatte hem echter niet, of hij zich thans verwijderde. Het beste
was, rustig te blijven zitten en schijnbaar geen notitie van de beide
mannen te nemen.

Nadat het fluisterend gesprek der beide mannen eenige oogenblikken
had geduurd, trad de schoutendienaar op Jacob Martens toe. Deze voelde
een oogenblik zijn hart stilstaan: hij meende, dat hij verloren was.

De man nam echter beleefd zijn kaproen af, en verzocht verlof zich
bij den eerwaarden broeder neder te zetten en aan zijn tafel zijn
potteke te drinken en weldra bleek het Jacob, dat de eerzame dienaar
allerminst argwaan tegen hem koesterde, maar een gezellige praatvaer
was, die alleen door nieuwsgierigheid gedrongen zich bij hem had
gevoegd. De komst van den "inquisiteur" had opschudding verwekt in
het stille stadje. Ieder wist natuurlijk van de gevangenneming der
ketters en men sprak over hun lot met medelijden, met leedvermaak of
met een stille verwensching, al naar de partij, waartoe men behoorde.

--"De Schout ziet niet gaarne, dat de ketters worden vervolgd of aan
den lijve gestraft," zeide de schoutendienaar fluisterend en met
een gewichtig gezicht; "maar ik zeg: de plakkaten van den Koning
moeten worden gehandhaafd, anders is er geen denken aan een goede
justitie. Waarom onderwerpen de Sacramentarissen zich niet en gaan
als goede christenen naar de Mis? Dan zou niemand hen deren."

--"Ge zijt een trouw zoon der Kerk!" zeide Jacob, terwijl hij den
ander niet zonder minachting in het dikke, onbeduidende gezicht keek.

--"Dat ben ik! Zeg dat aan den deken, eerwaarde broeder. Jurriaan
Jaspersz, de eerste schoutendienaar van Poperingen, heeft een afkeer
van alle kettersche dolingen en hij haat alle ketters, beeldbrekers
en Geuzen. En wanneer, zooals de luiden kallen, de Koning komt met
een leger, om aan alle oproer en de vileynige boosheid der Geuzen een
einde te maken, dan zal de heilige Inquisitie eerst recht de handen vol
krijgen. Zeg aan den vromen pastoor Titelman, eerwaarde broeder, als
hij als hoofd van zijn dienaars een kloeken, frisschen kerel verlangt,
die niet weekhartig en laf is, dan is Jurriaan Jaspersz zijn man."

--"Ik zal u niet vergeten, Jurriaan Jaspersz," zeide Jacob, die
hartelijk meende wat hij zeide. Toch wilde hij het gesprek niet
afbreken. Hij begreep, dat hij van den praatzieken dienaar wel zou
kunnen vernemen, wat hij verlangde te weten.

--"Er zijn zes gevangenen, nietwaar?" zeide hij.

--"Ja, zes, vier mannen en twee vrouwen," zeide Jurriaan Jaspersz. "De
een is een oude klappei, maar de andere... een malsch boutje! Een
paterstuk voor den deken!"

Jurriaan Jaspersz had de laatste woorden gezegd met een
veelbeteekenenden blik en een grijnslach om den breeden mond, maar hij
schrikte terug bij den vlammenden blik, vol toorn en verontwaardiging,
waarmee de gewaande monnik hem aankeek.

--"Zeker een jonge heilige kluizenaar, pas uit het klooster," dacht
de man. "De paters zullen hem wel gauw anders leeren. Maar ik heb
mij daar leelijk versproken."

Jacob bedwong den weerzin, dien hij voor den ruwen kerel gevoelde.

--"Gij zult zeker de gevangenen begeleiden?" zeide hij. "Is er wel
voldoende bewaking? Men zegt, dat er kwaad volk in de nabijheid is."

--"O, dat heeft geen nood," zei de praatgrage schoutendienaar. "Wij
gaan met zes dienaars mede, en dan heeft de schout nog om de
zes hellebaardiers van den abt van Sint Bertinus verzocht. Dat is
bedekking genoeg! En daarbij, niemand dan wij en die van het heilig
Officie weten, dat de ketters zullen worden overgebracht."

--"En gij zult het zeker niet verklappen, nietwaar?" zeide Jacob,
die nu wist, wat hij weten wilde en opstond. Hij betaalde zijn bier
en zijn brood en maakte zich gereed te vertrekken.

--"Pas goed op uwe gevangenen, Jurriaan Jaspersz," zeide hij, met
lichte spotternij den schoutendienaar groetend.

--"Uw zegen, eerwaarde pater!" vroeg de man.

--"Als gij mededoogen hebt met ongelukkigen en uw ziel rein houdt
van onreine gedachten, zal Gods zegen op u rusten,--eer niet!" was
het koele antwoord.

De schoutendienaar staarde den vermeenden Dominicaan verbluft na.

--"Dat is een strenge pater, die Witheer," mompelde hij. "Dien zou
ik niet graag voor biechtvader hebben. Dan is onze pastoor een heel
ander man."

Intusschen haastte Jacob zich, om Poperingen te verlaten. Hij had
er nog een oogenblik aan gedacht, om te trachten, toegang tot de
gevangenen te verkrijgen, en dit zou hem waarschijnlijk zonder moeite
zijn gelukt. Hij vreesde echter, dat de arme Mieke hem zou herkennen,
en, eer hij haar kon waarschuwen, door een onvoorzichtigen uitroep
alles zou verraden. Hij zag dus liever van zijn voornemen af en haastte
zich, de afgesproken plaats te bereiken, waar de Welle en Daniël hem
zouden wachten.



XI.


Toen Jacob het gebroken steenen kruis bereikte, was het reeds laat in
den middag. Het was den geheelen dag een egaal beloken lucht geweest,
een zacht grijze lentedag, en de schemering viel spoedig in. Jacob
had zich gehaast en hij maakte zich reeds ongerust, toen hij niemand
zag. Plotseling echter rezen uit een droge sloot twee donkere gedaanten
op, in wie hij de Welle en Daniël Tistz herkende.

--"Goed, dat ge er zijt, jonker," zei de laatste, terwijl hij hem
met ruwe hartelijkheid op den schouder klopte. "De Welle begon reeds
ongerust te worden en wilde u met alle geweld gaan zoeken. Ik zei
hem, dat hij zijn hoofd in den strop stak, want hij is te Poperingen
bekend als de bonte hond, maar als het lang had geduurd, was hij niet
te houden geweest."

--"Zijt ge geslaagd, jonker? Vertel op!" zei de Welle, wiens gezicht
bleek en vertrokken was van angst.

Jacob gaf haastig maar nauwkeurig verslag van zijn ervaringen.

--"Dus de schout heeft den brief van Titelman," zei de strooper
zegevierend, "en niemand weet, dat wij zijn bode hebben geknipt! En
er gaan maar twaalf dienaars mede! Dat is kinderspel! Moed, de Welle,
wij zullen Mieke verlossen!"

--"Maar die mannen zijn welgewapend!" meende Jacob.

--"Ik geef niet om hun hellebaarden en houwers," spotte Daniël. "Die
Jurriaan Jaspersz! Ik zie zijn domme tronie al voor mij, als wij
den wagen aanhouden. Met hem heb ik ook nog een oude rekening te
vereffenen. Wacht maar!"

En Daniël liet zijn zwaren eiken stok door de lucht suizen en neerkomen
op een denkbeeldigen rug en dat was de rug van Jurriaan Jaspersz,
den eersten schoutendienaar van Poperingen.

--"Daar in dien greppel hebben wij uw kleederen, jonker," zeide de
Welle; "trek nu spoedig die verwenschte pij uit. Wij houden de wacht."

Jacob verwisselde van kleederen en Daniël nam de pij en den gordel
van den monnik over den arm. Bij een diepe kolk gekomen, een weinig
ter zijde van den weg, nam de strooper een paar zware keien op, die
hij blijkbaar met opzet klaar had gelegd, wikkelde die in de pij met
het brevier en den rozenkrans van den Dominicaan, maakte alles stevig
met den gordel vast, en liet toen, na zorgvuldig naar alle kanten om
zich heen te hebben gezien, het pak in het donkere water zinken.

--"Wat doet ge?" vraagde Jacob verwonderd. "De kleederen zijn immers
het eigendom van den monnik?"

--"Hij zal ze wel niet meer van noode hebben," zeide de strooper met
een woesten lach, terwijl hij naar de grooter wordende waterkringen
keek.

Jacob hoorde het, maar hij durfde thans niet vragen naar het lot van
den Dominicaan.

Zij verlieten nu den weg en liepen langs smalle landwegen, eerst
door de hoptuinen, toen door de bouwlanden, en bereikten eindelijk de
strook broekheide, die zich langs den boschrand uitstrekte. De Welle
en Daniël, die beiden het landschap kenden, aarzelden geen oogenblik,
welk pad zij hadden te kiezen.

Bij het drassige broekveld gekomen, dat hier en daar door breede
slooten en geulen werd doorsneden, haalde Daniël uit het hooge
heidekruid drie lange polsstokken te voorschijn, die daar zorgvuldig
waren verborgen. De stokken waren aan het boveneind van een stalen
punt voorzien, en vormden zoo een halve piek, een geducht wapen,
dat later in den vrijheidsoorlog beroemd zou worden.

--"Vooruit nu!" gebood de Welle. "Jonker, loop achter mij en pas
op! 't Is hier gevaarlijke grond. Daniël, gij sluit de rij en kijk
goed uit uw oogen."

Snel ging het over den drassigen grond voorwaarts. Het water borrelde
soms op uit den veenachtigen bodem, en er waren plekken, waar men,
blijkbaar met opzet, van graszoden en takkenbossen "stappen" had
gemaakt, die een rustpunt boden aan den voet. Een vreemdeling, die
het oord niet kende, zou nimmer door het verraderlijke moeras den weg
hebben gevonden. Breede en diepe slooten moesten worden overgesprongen,
maar de donkere boschrand kwam al nader.

Eindelijk was het bosch bereikt. Langs slingerpaden en door
kreupelhout leidde Daniël Tistz, die hier in zijn element was,
zijn beide metgezellen tot diep in het hout. Eensklaps hoorde Jacob
verwonderd op. Een gedempt gezang trof zijn oor, psalmgezang.

--"Ja, jonker," zeide Daniël, die zijne verwondering bemerkte. "We
zijn hier bij een van onze schuilhoeken, waar ik een troepje Geuskens
verborgen houd, die 't te Waterloo en te Oosterweel zijn ontkomen. 't
Is een veilig plekje, en als de Welle nog boschwachter was, zou ik
't hem nooit hebben verklapt."

Nog een wending van het pad en men stond voor een breed water. Slechts
een geoefend springer kon er met een pols over komen. Het psalmgezang
klonk duidelijker en ros licht schemerde hier en daar tusschen het
jonge lentegroen door.

Daniël liet een zacht en eigenaardig gefluit hooren.

--"Zijt gij daar, Daniël?" vroeg een schorre stem.

--"Ja," zei de strooper. "Ik breng goed volk! Laat den boom zakken."

Het ritselde in de blaren en een lange boomstam, die aan een touw
kon worden op en neer gehaald, viel over de sloot heen. Daniël liep
behendig en snel over de smalle brug, die van boven slechts een weinig
was afgeplat. Jacob volgde hem en hoewel de boom zwiepte onder zijn
voet, bereikte hij toch veilig den overkant, waar ook de Welle zich
weldra bij hem voegde.

--"Zijt gij dat, Peerke?" zei Daniël.

--"Ja," klonk de schorre stem uit het duister. "Maar wie is de
derde man?"

--"Goed volk, als ik u zei, een officier uit het leger van Oosterweel,"
antwoordde de strooper ongeduldig. "Kom voor den dag en licht ons bij,
want 't is hier zoo donker als de hel."

Een rosse lichtgloed viel op het pad en een donkere gedaante, die
een stallantaarn met een smeerkaars droeg, kwam nader.

--"Hier is de ingang van het pad," zei de schorre stem. "Ik zal
jelui voorgaan."

Ze gingen een smal pad in, dat als een tunnel in het hooge struikgewas
scheen uitgehouwen. Spookachtig viel het roode licht van de lantaarn
op het jonge lentegroen, dat hen aan alle kanten omringde. Het gedempte
psalmgezang klonk duidelijker.

--"Is er van avond preeke?" vraagde Daniël.

--"Ja, Jan Machielsz, de manke predikant, heeft de broeders en zusters
voor van avond samengeroepen. Wat je hoort, is het voorgezang. De
preeke zal wel zoo aanstonds beginnen."

Een donker gevaarte doemde voor hen op uit de duisternis. Een schuur,
naar het scheen. Een mat licht drong door een paar kleine ramen,
met verweerde ruitjes.

Ze traden zachtjes de schuur binnen.

't Was een eigenaardig tafereel, dat ze daar aanschouwden, bij het
licht van een paar lantaarns en baklampen, die hier en daar waren
opgehangen.

Een dertigtal mannen en vrouwen zaten of stonden in dat gedeelte van
de wijde ruimte, dat het best was verlicht. Voor hen, in een soort
spreekgestoelte, niet zonder vernuft getimmerd van een groote ton,
stond een kleine, in het zwart gekleede man. Hij hield een opgeslagen
bijbel in de hand, en las den tekst voor, op het oogenblik, dat de
drie mannen binnentraden. Het was Deuteronomium 7 : 5.

--"Maar also sult ghi hun doen:"--zoo klonk het somber door de half
verlichte ruimte--"hare altaers sult ghi afwerpen ende hare opgerichte
beelden verbreecken ende hare bosschen sult ghi afhouwen ende hare
gesnedene beelden met vyer verbranden."

Toen volde de preek: een wilde, hartstochtelijke toespraak. 't Was
geen verkondiging van het Evangelie, ook geen woord van vertroosting
tot deze ballingen, vermoeiden en bitter bedroefden van ziele. 't
Was een woord van toorn en van wrake. De verstrooide Geuzen werden
vergeleken bij Israël, het volk Gods, dolende in de woestijn, de
Roomschen bij de Kanaänieten, vijanden van God en zijn volk, die het
plicht was te bestrijden, te verdelgen als het kon.

En Jacob zag, hoe de forsche gezichten van de ademloos luisterende
mannen zich vertrokken tot een wreeden grijns, hoe zij de vuisten
balden of krampachtig den greep van hun lang kruismes omklemden,
als zij den spreker in zijn schilderingen van hun nood en hun lijden
volgden of luisterden naar zijn aanhitsend, wraakademend woord.

't Was een vreemde, wilde groep, die daar stond geschaard om den ruwen
kansel, in het spookachtige, rosse licht der walmende olielampen. Zoo
moest eens, in den tijd der Richteren, het volk van Israël zich bij
het roode licht der toortsen hebben verdrongen om een of anderen wilden
woestijnprofeet, die hen aanporde tot opstand tegen hunne verdrukkers.

De stem van den prediker zweeg. Hij had een psalm opgegeven, den
79sten psalm, het 2de vers. Sommige der aanwezigen drongen naar de
lampen met hunne boeken, maar de meesten kenden het lied van buiten:
een der klaagliederen der verstrooide Gereformeerden dier dagen:


    Ach, hoe lang sult Gij noch, o Heer geprezen,
    Op ons also vergramt en verstoort wezen?
    Hoe lang zal noch Uwen toorn sijn ontsteecken
    Als een vyer, 't welck men met kracht siet uitbreecken?
              Stort Uwen toorne swaer
              Over 't volck, dat voorwaer
              U niet wil kennen, Heere!
              De koninckrijcken 't saem,
              Sla Heer, die uwen Naem
              Niet aenroepen met eere.


Onder het psalmgezang bemerkte Jacob, dat, niet ver van den prediker,
aan een van de ruw behouwen stijlen, die het dak schraagden, een
menschelijke gestalte was vastgebonden. Naderbij gekomen, zag hij, dat
het de monnik was, dien de Welle en Daniël dien morgen hadden gevangen
genomen. Hij stond daar, met gesloten oogen, het hoofd leunend tegen
den paal. Blijkbaar was hij daar vastgebonden, om hem te dwingen,
in dien toestand de godsdienstoefening bij te wonen.

Het psalmgezang hield op en de prediker nam weer het woord. Thans
was het een bittere aanklacht van de Inquisitie en haar aanhangers,
wien hij een bloedig einde en een vreeselijk oordeel voorspelde. Soms
scheen het, of hij zich opzettelijk tot de gebonden gestalte van den
monnik richtte, en dan volgden aller oogen zijn blik en richtten zich
vol haat en bloeddorst op het bleeke gezicht van den gevangene. Het
was Jacob, of er een spottende glimlach zweefde op de dunne lippen
van den Dominicaan, maar bij het onzekere, flikkerende licht kon hij
zich gemakkelijk vergissen.

De godsdienstoefening was eindelijk afgeloopen. Zoo hunne binnenkomst
die niet had doen staken, zij waren toch niet onopgemerkt gebleven. De
oudsten der aanwezigen traden met den predikant op hen toe, en
vraagden naar hun wedervaren. Weldra was het gesprek levendig en
algemeen. Dat men zou trachten de gevangenen te bevrijden stond vast;
't was maar de vraag, hoe dit zou geschieden. Er waren er, die aan
Jacob het bevel over de onderneming wilden opdragen, omdat hij een
officiersrang had bekleed in het leger van Thoulouse, maar deze was
zoo wijs, voor de eer te bedanken. Een onderneming als deze moest aan
een man van meer ervaring worden opgedragen. Eindelijk werd besloten,
dat Pieter de Welle de aanvoerder zou zijn.

Terwijl eenige vrouwen werden uitgezonden om voor de nieuwaangekomenen
brood, spek en bier te halen, trad de predikant op Jacob Martens toe.

--"Ik geloof, dat ik u nog eenmaal heb ontmoet, jonker," zeide hij,
Jacob scherp aanziende.

Inderdaad had Jacob reeds geruimen tijd den indruk, dat hij het bleeke
gelaat van den kreupele en zijn donkere dweperoogen meer had gezien.

--"Ik weet het!" riep hij plotseling. "Gij, waart er bij, toen verleden
jaar de Doopersche werd verdronken."

Jan Machielsz knikte.

--"'t Is nu een jaar geleden, dat de arme Aegte Jansdochter den
martelaarsdood stierf om hare goede belijdenis. Wèl was zij, evenals
ik in die dagen, bevangen in Doopersche dolingen, doch ik geloove
vastelijk, dat de Heer hare ziele in genade zal hebben aangenomen."

--"Ja," ging de kreupele voort op Jacobs vragenden blik, "ik was
toen nog onkundig van de waarachtige, gezuiverde religie, van de
zuivere leer, zooals die ons uit Genève is verkondigd door den
godzaligen Calvinus en zijn leerling Beza. Ik was als een Apollos,
de Schrift kennende, maar die niet verstaande, maar de Eerwaarde
Dathenus was voor mij als Aquila en Priscilla en hij leide mij den
weg Gods bescheidenlijker uit. Sinds werd ik door het Consistorie
toegelaten als leeraar der Kerke in de verstrooiing en ik trek rond
van schuilhoek tot schuilhoek, om de schaapkens Christi het Woord Gods
te brengen en ook, als het zijn moet, met hen het zwaard te trekken
en hen te leiden in den strijd tegen de onbesnedenen van harte,
de Papisten en hun aanhang."

Jacob keek naar het bleeke, strakke gelaat en de donkere oogen, die
gloeiden van somber vuur, en hij begreep, hoe deze prediker in de
woestijn, door het lijden en de vervolging verbitterd, er toe kwam om,
liever dan de troost des Evangelies, de wrake Gods te prediken.

Ondertusschen hadden de vrouwen op een paar op vaatjes gelegde planken
een eenvoudig avondmaal gereed gezet. Jacob maakte zich gereed om
met den predikant, de Welle en de oudsten der kleine kolonie aan te
zitten, toen zijn oog op den monnik viel, die met zijn blikken de
spijzen verslond.

--"De man heeft honger! Heeft hij niets te eten gehad sinds van
morgen?" vraagde hij.

--"Wij hebben 't hier zelf niet te breed! Wij hebben geen brood en
bier voor zulk ongedierte!" zei een der Geuzen norsch.

--"De Papist is het vasten gewoon!" spotte een ander.

--"Hij zal gauw geen honger of dorst meer hebben. Ik denk, dat Daniël
hem heeft bewaard voor het nagerecht!" meende een ander.

--"Daniël zal geen weerlooze moorden!" zeide Jacob. "Geef den monnik
te eten, mannen! Uit barmhartigheid!"

--"Een weerlooze moorden? Barmhartigheid met dien Philistijn?"

Het was de kreupele predikant, die gesproken had. Zijn kleine, tengere
gestalte scheen te groeien, nu hij opstond en met fonkelende oogen
de hand uitstrekte naar den Dominicaan.

--"Barmhartigheid met een bloedhond van de Inquisitie? Met een dienaar
van Titelman?" ging hij voort met snijdende stem. "Weet gij, wat gij
zegt, jonker?"

"Is niet de schoolmeester Geleijn de Muler, van Oudenaarde, geworgd
en verbrand, omdat hij den bijbel las?"

"Is niet Thomas Calberg, van Doornik, levend verbrand, omdat hij uit
een verboden boek een paar godvruchtige liedekens had overgeschreven?"

"Is niet Wouter Kapel, van Dixmuyden, een godvreezend man en weldoener
der armen, wegens ketterije verbrand?"

"En is niet Robert Ogier met zijn vrouw en zijne twee zonen te Rijssel
verbrand, omdat zij niet ter misse gingen, maar in hun huis den Heere
God baden en zijn Woord lazen?"

"Dat hebben de bloedige Titelman en de zijnen gedaan! En gij spreekt
van mededoogen en barmhartigheid met dezen vijand van Gods volk? Zie
toe, dat het u niet ga als Saul, den zoon van Kis, die Agag,
den Amalekiet, spaarde, toen hij hem moest verbannen van voor het
aangezicht des Heeren!"

--"Ook onze Heere Christus bad voor zijn moordenaren!" zeide Jacob
onverschrokken.

Hij begreep den haat en de verbittering dier mannen; soms voelde hij
die zelf smeulen in zijn borst. Hij wist, dat Jan Machielsz de waarheid
had gesproken. Maar hij wilde strijden tegen die onheilige wraakzucht
en doen als zijn bijbel hem leerde. Zonder verlof te vragen nam hij
een kroes bier en bracht dien aan de lippen van den monnik. De man
dronk gretig.

Er ging een gemompel van afkeuring op onder de Geuzen en men hoorde
hier en daar de opmerking maken, "dat Daniël er nu maar een eind aan
moest maken."

--"Daniël!" riep Jacob, "wat wilt gij met hem doen?"

--"Hem houden, jonker, tot wij weten, hoe 't met Mieke gaat. Kunnen
wij haar verlossen, dan--zullen wij zien. Maar valt zij in Titelman's
klauwen,--wat zij haar doen, dat zal ik met dezen paap doen, zoo
waarachtig helpe mij God!"

--"En zoo doe mij God en zoo doe Hij daartoe, als wij allen u niet
daarin bijstaan!" zei Jan Machielsz.

--"Goed! Het mag zijn!" zei Jacob, "maar maak den monnik nu los
en geef hem eten en drinken. Wij behoeven van de Inquisitie geen
wreedheid te leeren."

Een oogenblik aarzelde de strooper.

--"Je zult je zin hebben, jonker," zei hij eindelijk. "Je hebt vandaag
veel voor Mieke gewaagd en dat vergeet ik niet. Maar wat je om dien
vermaledijden paap geeft, begrijp ik niet."

Door Daniël geholpen, maakte Jacob thans den monnik los van den paal
en liet hem op een der ruwe banken nederzitten. Het duurde eenigen
tijd, voor de gevangene het gebruik van zijn armen terugkreeg. Toen
viel hij aan op het brood en het bier, dat men hem voorzette en at en
dronk gulzig, maar zonder een woord van dank. Zoodra hij verzadigd
was, leunde hij het hoofd in de handen, en scheen in te slapen. Op
de enkele vragen, die men hem deed, gaf hij geen antwoord.

Daniël haalde gemelijk de schouders op. Zijne makkers hadden onder
een afkeurend gemompel aangezien, dat de gevangene werd losgemaakt en
klaarblijkelijk gaf hij hun in zijn hart gelijk. Om er zich althans van
te verzekeren, dat zijn prooi hem niet zou ontsnappen, bond hij hem de
voeten weder en bevestigde het touw aan een ijzeren ring in den wand.

Toen alles voor den volgenden dag was bepaald, scheidde men. Het bleek
Jacob, dat er, behalve de schuur, waarin zij zich bevonden, nog eenige
hutten op het eiland waren, dat de vluchtelingen tot schuilplaats
diende. Voor hem en zijne metgezellen werden bossen stroo gebracht,
waarvan spoedig een goed nachtleger werd gespreid. Voor men zich
ter ruste legde, zag Jacob hoe de Dominicaan weder stevig werd
gebonden. Men gaf ook hem echter wat stroo, om op te slapen.

Den volgenden morgen was alles in de kolonie der vluchtelingen druk
in de weer.

Na een korte morgengodsdienstoefening gingen allen aan den
arbeid. Eenige mannen en vrouwen verlieten het eiland en gingen in
verschillende richtingen het bosch in of langs de smalle paden, die
door het veen liepen. Zij moesten de vluchtelingen van levensmiddelen
voorzien. Jan Machielsz verklaarde Jacob, dat dit op verschillende
wijzen geschiedde. Sommigen gingen wild stroopen in het bosch, anderen
kregen bij geloofsgenooten giften van veldvruchten, eieren en vleesch,
terwijl er ook waren, die zich niet ontzagen, de hoeven der kloosters
te plunderen en het vee te rooven.

Een ander deel der mannen hield zich bezig met het in orde brengen
van hunne wapenen, die nog dienzelfden avond dienst zouden moeten
doen. Sommigen, die vluchtelingen waren van Watrelos en Austruweel,
hadden de hunne medegebracht. Men zag tenminste in het kamp
eenige korte handbussen en een paar pieken. Er waren leden van de
schuttersgilden, die hunne handbogen en armborsten nazagen of pijlen
en bouten maakten. De meeste Geuzen waren echter gewapend met recht
op den stok gesmede zeisen, een verschrikkelijk wapen in krachtige
handen, dat zij thans ijverig slepen en wetten.

Er was zelfs blijkbaar een klein arsenaal aanwezig, want men bood
terstond aan, Jacob van wapenen te voorzien. Hij kreeg een zeer goeden
degen en een paar pistolen: zware, lompe vuurwapenen met lontsloten,
die, als zij eenmaal waren afgeschoten, niet zoo spoedig weer te laden
waren, maar die toch in een gevecht van man tegen man nuttig konden
zijn. De Welle weigerde elk ander wapen, dan een zware "gepinde kodde",
de met stalen punten bezette knots, waaraan hij gewoon was.

Tegen den middag werd er een korte krijgsraad belegd, waaraan alle
weerbare mannen deelnamen. De holle weg in het bosch bij Langem,
dezelfde plaats, die door Daniël was aangewezen als geschikt voor een
hinderlaag, werd gekozen om het plan ten uitvoer te brengen. Men kon
die plek, dwars door de bosschen heen, onopgemerkt bereiken, en als
men de gevangenen eenmaal bevrijd had, kon men met alle pogingen tot
vervolging spotten, want op de donkere boschpaden, die de Geuzen zoo
uitstekend kenden, zou men hen nimmer durven volgen.

Het zou donker zijn, als de huifkar op de bepaalde plaats aankwam
en men moest zeker zijn van zijn slag. Daarom zond de Welle een paar
jonge lieden met eenige bossen stroo vooruit. Zij moesten droge takken
sprokkelen en daarvan, tegen het vallen van den avond aan den kant
van den weg een mutsaard maken om en over het stroo. Zóó zou men, op
het gewenschte oogenblik, een helder brandend vuur kunnen ontsteken,
dat voldoende licht zou verspreiden.

Te vijf uren begaf men zich op weg. Jan Machielsz had allen, die aan
den tocht deelnamen, in de schuur, die het middelpunt was der kleine
kolonie, verzameld en Gods zegen op de onderneming afgesmeekt. Een
traan biggelde langs de gerimpelde wangen van Pieter de Welle, toen
de predikant zijn Mieke aan God opdroeg, bij Wien veel verlossing
was, en Hem smeekte, de onschuldigen te rukken uit de klauwen van
den wreeden Titelman. Ook Daniël had ontroerd het hoofd gebogen.

Niemand lette op den monnik, die nog altijd gebonden in de schuur
lag en wiens armen slechts werden losgemaakt, als men hem eten en
drinken bracht. Niemand zag, hoe hij met half gesloten oogen loerde
naar den biddenden predikant en de forsche, gewapende mannen, die
ontroerd naar zijne woorden luisterden.

Na het gebed begaven zich allen op weg, ook Jan Machielsz, die niet in
het kamp had willen blijven. De plaats, waar men zich in hinderlaag zou
leggen, was ongeveer twee uren van de kolonie verwijderd. Alle weerbare
mannen gingen mede, want voor een aanval op het kamp behoefde men niet
te vreezen: er waren geen soldaten in de buurt gelegerd en de afgelegen
plek was slechts aan weinigen bekend, en die weinigen--eenvoudige
lieden, die in het bosch of het veen woonden--waren vrienden van de
vluchtelingen, en zouden hen niet verraden.

De bewaking van het kamp was opgedragen aan Peerke, een stevigen
kerel uit Diest, die te Watrelos een kogelwond in het been had
gekregen, welke nog niet geheel genezen was. Voor lange tochten was
hij ongeschikt en hij moest zich dus met den post van portier tevreden
stellen, dien hij al grommende waarnam.

Nu was Peerke een trouw makker, op wien men in alle opzichten kon
rekenen, zoolang hij niet in de buurt van een kanne biers was. Jan
Machielsz en Daniël wisten dat zeer goed; maar daar er op dat oogenblik
op het eiland niets was dan een ton dun bier, die men van een brouwer
te Diest had gekregen, meenden zij van dien kant veilig te zijn: aan
dat dunne, scherpe vocht zou Peerke zich zeker niet bedrinken. Wat de
aanvoerders echter niet wisten, was, dat Peerke van een van de Geuzen,
die geholpen had bij de plundering van een klooster, een vaatje zoete
malvesye had gekocht, dat hij zorgvuldig in den grond had begraven, met
de bedoeling er zich te gelegener tijd eens rustig aan te goed te doen.

Die gelegen tijd scheen Peerke thans gekomen. Het zou uren duren,
eer de bende haar schuilhoek weder kon bereiken, en hij had dus den
tijd aan zich. De vrouwen waren met haar kinderen in de hutten en
hij was met den gevangen monnik alleen in de schuur.

Nu was Peerke op zijn manier een man van geweten en hij wou zich
niet bedrinken, vóór hij wist, dat alles veilig was. Toen het geluid
van de voetstappen zijner makkers was weggestorven, begon hij den
monnik stevig de handen op den rug te binden. Daarop nam hij zijn
hellebaard en strompelde het eiland om, om zich te overtuigen, dat
er inderdaad geen gevaar dreigde. Toen had hij, naar hij meende,
zijn plicht volbracht; hij groef het kostbaar vaatje op en torste
het naar de schuur, sloeg de stop uit het spongat en terwijl hij met
welgevallen den geur van den wijn opsnoof, verzekerde hij den monnik,
dat dit nu een patersvaatje was, dat hij, Peerke, op de gezondheid
van den paus en van alle papen zou gaan leegdrinken.

Toen nam hij zijn tinnen kroes, zette zich in een gemakkelijke houding
bij de ruw opgemetselde schouw en begon met lange teugen te drinken,
terwijl hij van tijd tot tijd ophield, om zijn gevangene mede te
deelen, dat het kostelijk smaakte en dat de paters wel wisten, wat
goed was.

De monnik zat roerloos, met gesloten oogen, tegen den paal geleund,
waar Peerke hem had neergekwakt. Hij gaf geen enkel teeken, dat hij
de spotternijen van den Geus verstond.

Maar de krachtige wijn bleek te sterk voor het hoofd van Peerke,
die slechts aan het zware, Vlaamsche bier gewend was. Weldra werd hij
bijzonder vroolijk; hij begon te zingen: een zonderling mengelmoes van
psalmen en luchtige liedjes en hij werd eindelijk zoo welgemutst, dat
hij een kroes van den wijn nam en daarmee op den monnik toewaggelde.

--"Ik breng 't je, paap," zei hij met dubbelslaande tong. "Jij kunt
het ook niet helpen, dat je een papist bent."

De monnik had even het hoofd omgewend, maar hij bedacht zich en dronk
met gretige teugen.

--"Dat smaakt anders dan slootwater, hè?" zei Peerke. "Weet je
wat?" ging hij voort, op goedigen dronkemanstoon, "je moet niet
teruggaan naar dat vermaledijde klooster. Als je tegen de jongens
zegt, dat je geen papist meer wilt zijn, dan zullen ze je losmaken
en dan kon je bij ons een goed leven hebben. Dan zal ik een sneege
deern voor je opschommelen, en Jan Machielsz zal jelui trouwen. Dat
is beter voor een flinken borst."

De Dominicaan antwoordde niet.

--"Je bent een stuursche compaan," zei Peerke boos, "en je laat mij
maar alleen kallen. Ik krijg weer dorst, maar jij krijgt niets meer,
als je niet praten wilt."

Hij waggelde weer naar zijn vaatje en vulde zijn kroes. Hij werd
steeds luidruchtiger en zijn goede luim van zooeven was weldra geheel
voorbij. Hij werd twistziek en eischte, dat de monnik met hem mee
zou zingen.

--"Komaan, paap," schreeuwde hij; "dat 's je voor en als ze je niet
meezingt, sla ik je de ribben kapot. Komaan!"


    "Wie wil hooren een nieu liet!
    "Luystert toe, ik salt u singen,
    "Wat daer t' Antwerpen is gesciet."


--"Je, je z... zingt niet mee, verdoemde paap? Wacht, ik z... zal je
l... leeren!"

Hij stond op, maar struikelde over het vaatje en viel met een slag op
den grond. Een paar malen beproefde hij op te staan, maar tevergeefs;
zijn schelden werd een onverstaanbaar gemompel en weldra bewees een
zwaar gesnork, dat de dronkaard zijn roes uitsliep.

Nu kwam er beweging in de roerlooze gestalte van den monnik. Zijn
felle zwarte oogen keken schichtig rond en vlogen toen van den slaper
naar het vuur.

Loopen kon hij niet, want zijne voeten waren stijf bijeengebonden,
maar hij liet zich op zijne zijde vallen, wentelde zich om en om en
rolde zoo naar het vuur. Hij koos een plek uit, waar een groote turf
geheel was doorgebrand, toen draaide hij zich nogmaals om, met den
rug naar den vuurhaard, en, achteruitschuivende, hield hij zonder
aarzelen zijn gebonden handen tegen het brandende stuk veen. De reuk
van het brandende touw, gepaard met een afschuwelijken stank van het
geschroeide vel en vleesch vervulde de schuur. De monnik was vaalbleek;
het angstzweet parelde op zijn voorhoofd en hij liet een dof gekreun
hooren, maar hij liet niet af, al klemde hij de dunne lippen tusschen
de tanden, om het niet uit te brullen van de pijn.

Nog een oogenblik en met inspanning van alle krachten rukte de monnik
het half doorgebrande touw los en wikkelde haastig de smeulende einden
van zijn polsen. Kreunend bleef hij liggen, terwijl hij de armen
langzaam heen en weer bewoog, om den bloedsomloop te herstellen. De
rest was gemakkelijk. Het zakmes van Peerke stak in de lederen scheede
uit den zak van den wijden broek en was binnen het bereik van de
hand van den monnik. In een oogenblik had hij het touw doorgesneden,
waarmede zijne voeten waren geboeid. Zijn eerste werk was nu naar de
deur der schuur te strompelen, en die te sluiten met den zwaren boom,
zoodat hij niet kon worden overvallen. Toen liep hij langzaam heen
en weder, tot ook zijn beenen weer hun vroegere kracht en lenigheid
hadden terug gekregen en ondertusschen verslond hij gretig het brood
en het spek, dat voor het avondeten van zijn bewaker was bestemd,
en dronk nog eenige teugen van den krachtigen wijn. Hij doopte een
paar lappen in een pot met melk, dien hij vond, en wikkelde die om
zijn verschroeide polsen. Toen was hij gereed om te vluchten.

Hij ging naar Peerke en nam het mes, dat hij had laten liggen. Een
oogenblik stond hij besluiteloos bij den snorkenden dronkaard. Het
mes trilde in zijne hand en een wreede, woeste trek kwam op het
bleeke gezicht. Daar viel zijn oog op den kroes, dien de slaper hem
goedhartig had toegereikt en het strakke gezicht werd zachter.

--"Libera nos a malo!" [3] prevelde de monnik, terwijl hij het mes
wegstak.

Hij ging naar de deur, nam den boom weg en tuurde even voorzichtig
naar buiten. Toen liep hij vastbesloten het smalle pad af, dat van de
schuur naar de gracht voerde. Een paar kinderen, die hij tegenkwam,
gingen schreeuwend op de vlucht.

De monnik snelde voort. Achter zich hoorde hij de schelle stemmen der
vrouwen en hij begreep, dat hij zich moest haasten. De knuisten dier
kloeke Vlaamsche wijven waren niet te verachten en zij waren zeer wel
in staat, hem tegen te houden. Hij kwam aan de breede gracht. Zonder
te aarzelen sprong hij in het water en met een paar slagen had hij
den overkant bereikt. Toen, zonder zich om de scheldwoorden der
hem vervolgende vrouwen te bekommeren, sloeg hij den weg in, die de
uitgetrokken bende had genomen, wier breed spoor gemakkelijk te volgen
was. Zoo kwam hij veilig door het moeras. Hij was doornat en rilde van
de koude in de vochtige voorjaarslucht, doch hij draafde verder, steeds
het spoor der Geuzen volgende, tot hij in de verte de hooge boomen
zag, die langs den karreweg naar Poperingen stonden. Toen sloeg hij
rechtsaf en springend en soms wadend door de plassen van den broekigen
grond bereikte hij den weg. Eenige oogenblikken rustte hij uit, om
op adem te komen en zijn doornatte kleederen zoo goed mogelijk uit
te wringen. Toen stapte hij ijlings voort in de richting van de stad.

Intusschen was de bende, onder aanvoering van de Welle en Daniël Tistz
op de plaats aangekomen, waar men, volgens afspraak, de gevangenen
met hun geleide zou opwachten. De jongens, die vooruitgezonden waren,
hadden niets verdachts bespeurd. Zij hadden zich ijverig geweerd:
aan beide kanten van den hollen weg hadden zij een mutsaard gemaakt
van stroo en droge takken, die in een oogenblik kon worden aangestoken.

De Welle en Daniël begonnen nu hunne mannen hun posten aan te
wijzen. Twee handbusschutters werden met smeulende lonten bij de mijten
geplaatst, met den last om die, op een bepaald sein, aan te steken. De
andere Geuzen, die met bussen, handbogen en armborsten gewapend waren,
werden op de hellingen ter weerszijden van den hollen weg verdekt
opgesteld, om de hellebaardiers van het escorte in bedwang te houden,
terwijl de met pieken en zeisen gewapenden zich in twee partijen
verdeelden, en post vatten in de laagte, waar zij zich in greppels en
achter boomen verscholen. De bedoeling was om den wagen aan te houden
in het laagste gedeelte van den hollen weg, waar de paarden moeite
zouden hebben, de zware huifkar door de modder te trekken. Bij het
licht der ontstoken houtvuren zou men de bewakers achteruitdringen en
ontwapenen. Wie zich verzette, zou worden neergestooten. Dan zou men
de gevangenen bevrijden en met hen, langs de welbekende sluipwegen,
vluchten naar den schuilhoek der Geuzen, aan den boschrand, waar men
voorloopig in veiligheid zou zijn. Dan wilde de Welle met zijn dochter
uitwijken naar Engeland en Jacob had besloten, hem te vergezellen.

Een oogenblik was het rumoerig geweest in het bosch, toen de Geuzen
hunne posten bezetten, maar weldra was alles stil, want de leiders
hadden hun mannen de grootste omzichtigheid aanbevolen. Schildwachten
waren uitgezet aan beide zijden van het pad, hoewel men geen verraad
te duchten had, en een paar kloeke jongens waren een eind den weg op
gezonden, om de nadering van den wagen te berichten.

Jacob stond met de Welle en Daniël Tistz dicht bij een der
mutsaarden. Het was reeds zeer donker, want de lucht was nog steeds
betrokken. Men zag maan noch sterren heenschemeren door het jonge
lentegroen der boomen. 't Was stil in het bosch. Men hoorde niets dan
dat eigenaardig murmelen van den wind in de boomtoppen, de eigen stem
der wouden, die de stilte nog schijnt te vermeerderen. Het naargeestig
krassen van een boschuil klonk uit de takken boven hun hoofd.

Daniël huiverde.

--"Een kwaad voorteeken," mompelde hij; "als ik nog een papist was,
zou ik een kruis slaan."

--"Wees stil, ongeluksprofeet!" beet hem de Welle toe, die
zenuwachtiger werd, naarmate het oogenblik naderde, waarop men den
wagen kon verwachten, en die ongeduldig heen en weer liep. Ook Jacob
had moeite rustig te blijven; telkens meende hij eenig gerucht te
hooren op den weg, het kraken der raderen of het klappen van de zweep
en dan betastte hij zenuwachtig de kolf van zijn pistolen. De angst
van de Welle en de gedachte aan het lot, dat de arme Mieke te wachten
stond, als het opzet mislukte, misten ook op hem hunne uitwerking niet.

Het was nu zeer donker. Hier en daar zag men een vurig punt: de
smeulende lont van een busschieter. Jacob kon de gestalte van Daniël,
die toch vlak naast hem stond, nauwelijks onderscheiden.

Plotseling boog de strooper zich voorover en luisterde aandachtig. Zijn
geoefend oor had iets vernomen, dat Jacob was ontgaan. Een oogenblik
later hoorde men haastige voetstappen.

--"Hier!" riep de Welle.

Een gedaante dook uit de duisternis op; 't was een van de jongens,
die als spionnen waren uitgezonden. Hijgend vertelde de knaap, dat
de wagen er aankwam.

--"Zijn er soldaten bij, jongen?" vraagde de Welle.

--"Veel!" verzekerde de knaap, "wel vijftig!"

--"Onmogelijk!" zei Daniël ongeloovig. "Je hebt ze niet kunnen tellen,
Tist. 't Is te donker!"

Neen, geteld had de knaap ze niet. Maar hij was den wagen tegemoet
geloopen tot buiten het dorp, waar geen boomen stonden en daar was
het zoo donker niet. Hij was zeker, dat er een groot aantal soldaten,
vijftig of zestig wel, bij de kar waren.

--"De jongen is gek," meende de strooper. "Waar zou de schout van
Poperingen opeens zooveel soldaten vandaan halen?"

--"Je hebt je toch niet vergist, jonker?" vraagde de Welle met een
licht trillende stem.

--"Zeker niet," antwoordde Jacob. "Die schoutendienaar sprak van een
twaalftal hellebaardiers. Meer waren er niet!"

--"Ik begrijp het niet," zei de oude boschwachter heesch. "Als die
jongen gelijk heeft..."

Hij voltooide zijn zin niet en ook de beide anderen zeiden niets. Zij
wisten, wat hij bedoelde: hun geheele bende was slechts een twintigtal
mannen sterk.

Maar nu hoorde men flauw in de verte de klets van de zweep van den
voerman. Een zacht fluiten, dat hier en daar herhaald werd, gaf aan
de in hinderlaag liggende Geuzen het teeken, om zich gereed te houden.

Het kraken van de wielen van de huifkar, het klotsen van zware
voetstappen, het kletteren van wapenen, eerst flauw, dan duidelijker
en duidelijker aankomend door het donkere bosch. Op den weg een
flikkerend licht, op en neer dansend, zwaaiend en schokkend: de
lantaarn van de kar, die aan den disselboom opgehangen, den weg voor
het tweespan verlichtte.

Het beslissend oogenblik was daar.

In ademlooze spanning zag Jacob het zwaaiende licht nader en nader
komen, en, terwijl hij staarde, meende hij op de hellingen boven zich
een onverklaarbaar gedruisch te hooren, het kraken van takken, het
ritselen van dorre blaren. Een paar nachtvogels vlogen krijschend op.

Hij had geen tijd, om zich rekenschap te geven van die geheimzinnige
geluiden, want de wagen had nu het laagste punt van den weg bereikt en
de pooten der paarden klotsten in het modderige water. De Welle bracht
den koehoorn, die aan een koord om zijn hals hing, aan den mond en het
holle geluid klonk door het bosch. Een rood vlammetje verscheen aan
den kant, waar de mutsaard stond. Het droge stroo vatte vuur; roode
en gele vlammen lekten naar boven en een rossige gloed verlichtte de
donkere stammen en wierp zijn schijnsel op den wagen en de mannen,
die hem begeleidden.

--"Vive le Geus!" klonk het uit twintig schorre kelen en een troep
mannen, met pieken en omgesmede zeisen gewapend, sprong van achter
de boomen te voorschijn en versperde den weg.

Maar wat was dat?

Een zware losbranding op de helling boven hen, donderend voortrollend
door de boschlanen, nog een--en nog een! Roode vuurtongen,
uitschietende uit de duisternis--en een paar van de schutters der
Geuzen, die, door den gloed der opvlammende houtmijten beschenen,
een voortreffelijk mikpunt aanboden, zonken ineen. Op den weg klonk
een luid commando en de verbijsterde aanvoerders zagen een half
vendel soldaten, die zich in goede orde met gevelde pieken om den
wagen schaarden.

--"Vive le Roy! Slaet dood de Geuzen!" klonk het uitdagend.

Het toeval was den monnik gunstig geweest. Hij had niet alleen den
wagen met zijn escorte kunnen ophouden, maar hij had ook een half
vendel van het voetvolk van Egmond ontmoet, dat zich van Rijssel naar
zijne kwartieren in Zeeuwsch-Vlaanderen begaf. Toen de jonge luitenant,
die den troep commandeerde, hoorde wat er gaande was, had hij niet
alleen terstond aangeboden, den wagen met de gevangenen veilig naar
Rousselaere te geleiden, maar hij had zelfs een plan gemaakt, om de
Geuzen in hun eigen strik te vangen, en hun een geduchten slag toe
te brengen.

De monnik had goed geluisterd. Hij kende het plan, want men had het
in zijn bijzijn besproken, en niemand had er aan gedacht, zich in
acht te nemen voor den hulpeloozen gevangene. De schoutendienaars
uit Poperingen kenden de plek, door den Dominicaner beschreven, en de
luitenant had de zes arquebusiers, die zich bij zijn troep bevonden,
de helling doen beklimmen, zoodat zij op het beslissende oogenblik
met hun vuurroeren de aanvallers in den rug konden bestoken.

Eén oogenblik stond de Welle het tooneel beneden hem met verwilderden
blik aan te staren. Hij werd door het volle licht van een der
mutsaards beschenen en een kogel snorde hem langs het hoofd, uit een
der Spaansche vuurroeren. Maar de gevangenen in den wagen konden hem
daar ook zien en herkennen. Een schreeuw klonk van de kar, de huik
van een der ineengedoken gestalten viel af en Mieke stond rechtop,
met uitgestrekte armen, naast den voerman.

--"Vader!" gilde zij; "vader! hulp!"...

Het meisje maakte een beweging, als wilde zij van de kar springen,
maar een donkere gedaante kwam achter uit den wagen te voorschijn,
een lange, magere arm werd om haar heen geslagen, en dwong haar terug
op haar bank. Een bleek, vertrokken gezicht keek hoonlachend op naar
de Geuzen.

--"Hel en verdoemenis! De monnik!" siste Daniël. "Wacht, Judas!"

Met een ruk had hij den armborst aan den schouder, de pees klonk, en
met een bout in de keel tuimelde de monnik achterover. Niemand dan de
schutterkoning van Poperingen had, bij dit onzekere licht, het schot
kunnen wagen, zonder gevaar te loopen het jonge meisje te treffen.

Maar de hulpschreeuw van zijn dochter had de Welle gewekt uit zijn
verbijstering, die hem een oogenblik had doen weifelen, toen hij zich
zoo onverwachts geplaatst zag tegenover een zoo geduchte overmacht.

--"Vive le Geus! Slaet dood!" schreeuwde hij, en door Jacob en Daniël
gevolgd, sprong hij in den hollen weg, om zich aan het hoofd der
zijnen te stellen.

En nu volgde er een verwoed gevecht. De soldaten namen den wagen in
hun midden en maakten met gevelde speren front tegen de aanvallers,
terwijl de Geuzen hen van twee kanten bestookten, en door verwoede
aanvallen trachtten door hunne gelederen heen te breken.

Het woeste geschreeuw der vechtende mannen, het wapengekletter,
soms overstemd door den doffen knal van een pistool of een bus, het
gegil en geschrei der gevangen vrouwen en het kermen der gekwetsten,
vervulden het bosch met een woest rumoer.

Zonder orde, maar met woeste dapperheid, drongen de Geuzen telkens
weder op en trachtten den wagen te bereiken, maar telkens werden zij
teruggeslagen, terwijl de musketiers, op de hellingen geposteerd,
hunne vuurwapenen weder hadden geladen en door eene onverwachte
losbranding een paar der aanvallers buiten gevecht stelden.

De strijd in den hollen weg was kort maar hevig, en de uitslag kon
niet twijfelachtig zijn. De Geuzen werden teruggedrongen; een achttal
hunner was dood of gewond.

Daar zonk de Welle, die in de voorste rij met den moed der wanhoop had
gevochten en met zijn gepinde kodde reeds drie soldaten had neergeveld,
door een kogel getroffen, neer. Op het gezicht van den val van hun
aanvoerder, ontzonk den Geuzen de moed. Zij deinsden achteruit.

--"De gewonden, mannen! Neemt de gewonden mee!" riep Jacob Martens,
die begreep, dat de aanslag mislukt was.

Een paar zeisdragers volgden hem, en, met hunne wapens zwaaiende,
maakten zij een oogenblik ruim baan. De Welle en nog twee anderen
werden haastig opgenomen en weggedragen. Toen vluchtten de Geuzen en
waren weldra buiten het schijnsel der vlammen en in het donkere bosch,
waar zij alle paden kenden en waar de soldaten hen niet durfden volgen.

Allen waren gevlucht, behalve Daniël. Even buiten den lichtkring, half
verborgen achter een beukenstam, stond de strooper en staarde naar de
huifkar, waar een paar der stadshellebaardiers zich thans bezig hielden
met het lijk van den monnik, die tusschen de verschrikte gevangenen was
neergezegen. Op de voorste bank zat Mieke. Toen zij de Welle had zien
vallen, had zij een gil gegeven. Thans keek zij met strakke, wanhopige
blikken naar het donkere geboomte, waarin zij hem had zien wegdragen.

Een siddering ging door het lichaam van den strooper.

Wild keek hij om zich heen. Achter zich hoorde hij de stemmen der
aftrekkende Geuzen, die hem toeriepen te vluchten. Vóór zich zag hij
de huifkar, waar thans de soldaten zich om verdrongen, die zoo goed
mogelijk hun gewonde makkers verzorgden, en het doodsbleeke meisje,
dat hij en zijn makkers aan haar lot moesten overlaten--Mieke in de
handen van Titelman!

Vaster omklemde Daniël zijn gespannen armborst, er kwam een woeste
blik in zijn starende oogen en hij klemde de lippen op elkander.

--"Nooit!" steunde hij. "Dan liever..."

Hij bracht den kruisboog aan den schouder.

--"Mieke!" schreeuwde hij. Het meisje zag om.

Het staal van den armborst klonk. Met een flauwen kreet, dwars door
het hoofd geschoten, zonk Mieke achterover.

Een paar soldaten, die den schreeuw hadden gehoord, drongen het
bosch in, maar zij hoorden slechts een akeligen lach uit het donkere
geboomte opklinken.

De wildstrooper was verdwenen.



XII.


West-Vlaanderen sluimert rustig in den stillen zomernacht.

De eindelooze korenvelden golven en ruischen zacht in den nachtwind,
de boomgaarden van Dixmuiden wiegen hunne met jong fruit beladen
takken, de hopvelden van Poperingen geuren en zwaaien als groetend
met hunne lange slingers. De dorpen slapen in het starrelicht, een
donkere boomgroep, midden tusschen de velden, wijst de ligging aan van
een eenzame hofstede en ver in het Westen, breed langs den duinrand,
liggen de zwarte schaduwen der bosschen.

Een kalm, welvarend landschap in ruste! Alleen het geblaf van een
werfhond verstoort nu en dan de groote stilte.

Dan wordt de donkere nachthemel in het Westen eensklaps verlicht door
een vreemden rossen gloed, dat rosse wordt vlammend rood en vuurtongen
lekken door de duisternis. Tegelijk klinkt een schel, dun klokgelui
met kort, haastig geklep over de velden, nog eenige oogenblikken
en twee, drie kerktorens antwoorden met jammerend noodgelui en van
Hondecoeter naar Killem en Oostcappel, van Winnezeele en Oudezeele naar
Reynighelst, Lokeren en Kemmele, tot Dracoultre in het Fransche toe
kleppen en beieren de klokken en waarschuwen de Roomsche landlieden,
maar vooral de geestelijken en kloosterlingen, die niet geborgen
zijn binnen de veilige wallen der steden, lijf en goed te bergen in
haastige vlucht.

De Wilde Geuzen komen!

In de bosschen en moerassen van West-Vlaanderen hebben zij een veilige
schuilplaats gevonden, de vluchtelingen van Austruweel en Watrelos,
de Gereformeerden uit Valenciennes en Doornik, die de beulen van
Noircarmes ontkomen zijn, allen, die vreezen voor hun vrijheid of hun
leven, nu de Regeering heeft gezegevierd en bittere wraak neemt op
de overwonnen Geuzen voor de doorgestane angsten. Ze leven er in de
open lucht of in inderhaast opgeslagen schuren en loodsen van hetgeen
hunne geestverwanten in geheel Vlaanderen en Brabant hun heimelijk
doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking afpersen door vrees
of door geweld. Zij hebben hun predikanten en onderhouden zoo goed
mogelijk het godsdienstig leven, waaraan zij gehecht zijn. Maar door
het ongeregelde, avontuurlijke leven, dat zij leiden, verwilderen
zij maar al te ras. Van vervolgden worden zij bloedige vervolgers,
de schrik en de vloek van de streek, waar zij huizen.

En het zijn niet alleen vluchtelingen en vervolgden, die zich ophouden
in hunne geheime en moeilijk toegankelijke schuilhoeken. Zooals elke
groote beweging, heeft ook deze haar zelfkant. Tal van landloopers
en vaganten, waaraan de 16e eeuw zoo rijk is, hebben zich onder
allerlei voorwendsels bij hen aangesloten en men heeft de vreemde
elementen niet altijd kunnen weren. En al spoedig wilde men het niet
meer. Naarmate de strooptochten stouter werden, de daden bloediger,
werd ook de tegenstand heviger. Er werden door Egmond en Bakkerzeele
soldaten gezonden, om de woeste benden, als 't mogelijk was, uit te
roeien en weldra was elk stoutmoedig man, die de wapenen kon voeren,
hun welkom, zonder dat men naar zijn verleden of belijdenis vraagde.

De Wilde Geuzen komen!

't Is een stroop- en plundertocht, zooals ze dien telkens ondernemen,
want hun aantal groeit steeds aan, geregelden arbeid hebben zij niet
en hetgeen hunne vrienden hun doen toekomen, of wat zij de Roomsche
bevolking in de nabijheid hunner schuilplaatsen weten af te dwingen,
is dikwijls ontoereikend. Dan moeten de verder gelegen dorpen, vooral
de kloosters en geestelijke gestichten, het ontgelden. Ze worden
zonder genade geplunderd en in brand gestoken en dikwijls worden de
kloosterlingen mishandeld en vermoord. Want een woeste haat tegen de
Roomsche geestelijkheid vooral bezielt hen en menig onschuldige moet
boeten voor Noircarmes' wreedheid te Valenciennes.

En daarom klinkt het noodgeklep der dorpsklokken over de velden,
waarschuwend al wie hun wrake te vreezen heeft.

De Wilde Geuzen komen!

Ze zijn hun tocht begonnen met het overvallen van de hoeve van een
rijken, Roomschen boer, die meende hen te kunnen trotseeren. Ze hebben
het huis geplunderd en in brand gestoken, het vee door de vrouwen
en jongens laten wegdrijven naar hunne schuilhoeken en den huisman
en zijn van angst sidderend gezin, onder woeste spotternij het veld
in gejaagd, "om hulp te gaan zoeken bij zijne Santen", zooals zij hem
najouwen. Thans gaat het verder, dieper landwaarts in. Reeds hebben ze,
weinige weken te voren, de dorpen Herzeele en Houtkerke overvallen en
er de kerken verwoest en in brand gestoken. Thans geldt het Oostcappel.

De Wilde Geuzen komen!

Snel rukken zij voort bij het licht van enkele toortsen en pekkransen,
want in hun onverwachten overval, hun snelle bewegingen schuilt hun
kracht. Een gedeelte, de kern van den troep, bewaart een soort ruwe,
militaire marschorde. Zij hebben aanvoerders, die zij erkennen en
gehoorzamen en zijn onderworpen aan een zekere krijgstucht. Dat
zijn de vluchtelingen uit het Geuzenleger en de Gereformeerden,
uitgewekenen uit de door de troepen der Regeering verwoeste steden.

Maar met hen mede, in den tros van den troep, trekken een aantal
havelooze en verwilderde gestalten, die doen wat goed is in hun
oogen en wier bandeloosheid de beter gezinden niet kunnen bedwingen
of misschien maar al te gemakkelijk verontschuldigen. Allen zijn
gewapend, maar ieder heeft zich van een wapen voorzien, zoo goed
hij kon. De vluchtelingen uit het Geuzenleger hebben hunne hand-
en haakbussen, hunne pieken en rapieren, de jagers en boschwachters
hunne armborsten en kodden, maar anderen dragen rechtgesmede zeisen,
hooi- en mestvorken, zware knuppels met ijzeren pinnen, bijlen en
messen, dorschvlegels--het vreedzaam gerei van den landbouw wordt
tot moordwapen in de handen der wanhopende, verwilderde benden.

Achter hen volgt een wagen, met een paar kloeke Vlaamsche paarden
bespannen. Die zal straks dienen om den buit mee te voeren, den
mondvoorraad, waaraan de ballingen behoefte hebben, ook de gewonden,
indien er tegenstand mocht worden geboden. Thans dient hij tot vervoer
van een, dien niets kon weerhouden om aan den strooptocht deel te
nemen, maar wiens zwak lichaam den snellen marsch der Geuzen niet
kon volgen.

't Is Jan Machielsz, de kreupele predikant.

Sinds hij predikte in 't Spaansche Dal bij Poperingen is er veel met
hem gebeurd. Van Bakkerzeele, Egmont's stadhouder, had gedaan wat
hij kon, om de deelnemers aan den stouten aanslag in den hollen weg
naar Poperingen in handen te krijgen, en de Geuzen, die zich in hun
schuilhoek niet veilig achtten, hadden zich naar alle richtingen
verstrooid. Verscheidenen waren uitgeweken naar Engeland en hun
broeders in de visschersdorpen langs de kust hadden hen gaarne
de behulpzame hand geboden om te vluchten. Ook Jan Machielsz was
door een Duinkerker visscher in Engeland aan wal gezet. Hij had er
kennis gemaakt met andere ballingen, die veilig waren in het vreemde
land en er hun God konden dienen naar hun geweten, maar die toch
terug hunkerden naar het schoone, bloeiende Vlaanderen, naar hunne
vrienden en magen, die zij er hadden moeten achterlaten. En er waren
geestdrijvers onder, die gaarne luisterden naar de gloeiende woorden
van den kreupelen prediker, voor hen de taal van een vast en krachtig
geloof. "Zou de arm des Heeren verkort zijn?" "Was het niet in de
hand van den Heer der heirscharen, verlossing te geven door de hand
van velen of weinigen?" "Had niet Gideon met een handvol volks het
leger der Midianieten verslagen?" Zoo sprak Jan Machielsz, en zijne
hoorders, mannen met bleeke, vastberaden gezichten, stemden er mee
in. Zoo God vóór hen was, wie zou tegen hen zijn? En zij hadden zich
heimelijk gewapend, een vijftigtal slechts en in twee visschersbooten
waren zij de zee overgestoken en, in West-Vlaanderen geland, waren
zij moedig voortgetrokken, zonder bepaald plan, met de vage bedoeling,
Gods volk te verlossen uit de hand der Philistijnen en de ware Kerke
te stichten op de puinhoopen der valsche, in de stellige verwachting,
dat de Heere met hen zou strijden en hen door een wonder van Zijn
machtige hand de zege zou doen behalen.

Zij hadden een paar kerken en kloosters verwoest en in de asch gelegd,
toen zij door een vendel van Egmont's krijgsvolk werden overvallen
en verstrooid. Zij, die den dood door het staal of den strop waren
ontkomen, waren Jan Machielsz gevolgd naar de ontoegankelijke
schuilhoeken in het Zuid-Westen, waar de Wilde Geuzen huisden. De
kreupele prediker was er met blijdschap ontvangen, want zijne prediking
was naar het hart der wilde gezellen en de man, die eens de martelares
een woord van troost en bemoediging had toegeroepen, werd meer en meer
de starre dweper, die niet meer wist van het Evangelie der liefde,
maar wiens hartstochtelijke predikaties, meestal aan woorden uit
het Oude Testament ontleend, aanhitsten tot wraak en verdelging, tot
wreede vervolging van priesters en kloosterlingen en tot verwoesting
van alle kerken en kloosters in den omtrek.

De besten onder de Boschgeuzen beschouwden hun strijd als de laatste,
wanhopige worsteling tegen de zegevierende Regeering, van wie zij geen
genade hadden te hopen. Maar de groote meerderheid, weldra aan het
avontuurlijke leven gewend, had smaak gekregen in den guerilla-oorlog,
dien zij tot nog toe vrijwel straffeloos hadden kunnen voeren en
dachten niet aan de toekomst.

Aan het hoofd van de geregeld voortmarcheerende kern van den troep
schreed Pieter de Welle met Jacob Martens. Zij waren gedwongen
geweest een toevlucht bij de Wilde Geuzen te zoeken, wachtende op
den volksopstand, waarop sommigen in die dagen nog hoopten. Spoedig
waren zij als aanvoerders bekend, voor zoover de tuchtelooze bende
geneigd was, aan eenig gezag te gehoorzamen. De oude boschwachter
trok gaarne op aan het hoofd van zijn woeste gezellen. Sinds den
dood van zijn dochter behoorde hij tot de ijverige aanhangers van Jan
Machielsz. Hij haatte de "papen", en het "verbannen der Amalekieten",
waartoe de kreupele predikant aanspoorde, scheen den verbitterden man
een godgevallig werk. En zoo de door de ballingen gepleegde wreedheden
Jacob al tegen de borst stuitten, het ruwe krijgsleven der laatste
maanden, de doorgestane ellende en de geheele toon en denkwijze van
de omgeving, waarin hij leefde, maakten, dat hij zich spoedig aan de
onvermijdelijke gruwelen van den guerilla-krijg begon te gewennen. Dat
hij streed voor en met de Geuzen, bij wie hij een schuilplaats had
gezocht en gevonden, sprak, naar hij meende, vanzelf. En dikwijls
genoeg hadden de ballingen zich te verweren tegen de troepen van den
stadhouder, die hun den terugtocht naar hunne schuilplaatsen zochten
af te snijden en hun den behaalden buit afhandig wilden maken.

Aan de spits van den troep, dicht achter de Welle en Jacob Martens,
liep een der Geuzen, met een stalen armborst en een lang kruismes
gewapend, zacht in zichzelf mompelend, alleen. Zijne metgezellen
weken bijna allen schuw ter zijde, wanneer zij in zijne nabijheid
kwamen. Niemand zou in de magere, gebogen gestalte, met het bleek
gelaat, de ingevallen wangen en de groote, strak voor zich uit starende
oogen, den vroolijken, luchthartigen Daniël, den koenen wildstrooper,
hebben herkend. Na den noodlottigen nacht, toen hij Mieke de Welle
had doorschoten, om haar niet levend in de macht van den inquisiteur
te laten vallen, was de jonge man geheel veranderd. Uren lang zat hij
voor zich uit te staren, steeds voor zich heen woorden prevelend, die
niemand verstond. Hij bemoeide zich met niemand en gaf geen antwoord,
als men hem iets vroeg. Het eenige, wat hij deed, was het maken van
bouten voor zijn kruisboog en het slijpen van zijn lang mes. De overige
ballingen hielden hem voor krankzinnig of bezeten door een boozen geest
en ontweken hem schuw. Slechts als een strooptocht werd ondernomen,
ontwaakte Daniël uit zijn droomtoestand. Dan was hij in de voorste
gelederen te vinden en hij vocht met woede en verbittering. Aan de
plundering van de hoeven der Roomschgezinden of der geestelijke
gestichten nam hij nimmer deel, al had men hem dikwijls met een
woesten trek op het gelaat zien staren in de vlammen der brandende
gebouwen. Maar wee den priester, wee den monnik vooral, die zich bij
het naderen der Geuzen niet had weten te bergen, wanneer hij onder
schot van Daniëls kruisboog kwam. Dan werd de stalen kruisboog naar
den schouder gebracht, het strakke oog zocht het doel en de nimmer
falende bout doorboorde het hoofd van het slachtoffer, altijd op
dezelfde plaats, daar, waar hij Mieke had getroffen.

De bende marcheerde snel voorwaarts. De hoeve, die zij in brand hadden
gestoken, behoorde aan dien Roomschen boer, die, omdat er geruchten
liepen, dat de Regeering aan de buitensporigheden der Boschgeuzen
voorgoed een einde zou maken, het had durven wagen, de hem opgelegde
schatting van levensmiddelen niet te betalen. Maar het doel van den
tocht ligt verder.

En van alle zijden klinkt over de slapende velden het angstig jagend
kleppen van de stormklok, waarmede de dorpen elkander waarschuwen.

De Wilde Geuzen komen!

De bewoners der verspreide hoeven en der dorpen, in de nabijheid van
de schuilplaatsen der vermetele gasten, zien hen voorbij trekken
met verbeten woede of met een glimlach van geheime voldoening, al
naar dat ze goed Roomsch zijn, of, zij 't ook in 't geheim, tot de
vele Gereformeerden behooren. Zij hebben niets te vreezen. Hetzij
vrijwillig, hetzij gedwongen, allen betalen op de een of andere wijze
schatting aan hunne gevaarlijke buren, en zoo "zitten zij op veylighe
waernis" en ze behoeven niet bevreesd te zijn voor plundering of
overlast, want de Geuzen weten, dat zij van die schatting moeten leven
en komen de gesloten overeenkomst getrouw na. En de West-Vlaamsche
boeren koopen zich veiligheid voor leven, hof en have door dien
onderstand, in 't geheim gegeven, uit vrees voor de Regeering.

Daar klinkt van den wagen een schelle stem. 't Is die van Jan
Machielsz. De predikant-aanvoerder wekt zijne mannen op, een lied
te zingen, een der psalmen Davids. En allen kennen ze de psalmen van
Petrus Dathenus, misschien de vloekpsalmen nog het best, maar ook de
strijdzangen, ook de smeekbeden, de liederen van hope en vertrouwen.

Maar thans is 't een der lievelingspsalmen van den kreupelen prediker
in de woestijn, die worden aangeheven. 't Zijn verzen van psalm
109: Gods toorn wordt afgebeden over den vijand, den verdrukker van
Gods volk.


    "Hij heeft den vloeck gewenscht alommen,"


klinkt het rauw over de velden,


    "Laet dien nu, Heer, over hem kommen;
    "Hij begeerde nooit gheenen zegen,
    "Dies geef hem dien in gheenen wegen.
    "Laet hem met ongeluck en leet
    "Als met eenen rock sijn gekleet.

    "Gelijck men 't water pleegt te drincken,
    "Wil hem also den vloeck toeschinken;
    "So d' olie de beenen doordringet,
    "Laet hem oock so wezen omringet,
    "En als met een rieme seer snel,
    "Omgegort zijn met vloecken fel.

    "Dit sij 't loon in allen landen
    "Mijner moedwillige vijanden;
    "Laet sulcks de kwade tong beërven,
    "Die met list soecken mijn verderven.
    "Maar Gij, o Heer, in desen noot,
    "Help mij om Uws Naams wille groot."


Het psalmgezang der Geuzen klinkt als dreigend antwoord op het
waarschuwend geroep der kerkklokken. Dan verstomt het, want in de
schemering van den zomernacht doemen de eerste hoeven van Oostcappel
op: het doel van den tocht. De oude toren steekt als een donkere
massa af tegen de starre lucht. 't Is of de kerkklok haastiger,
dringender roept en jammert, naarmate de bende het dorp nadert. Maar
als de Geuzen de eerste huizen hebben bereikt, zwijgt het noodgelui:
de koster, die het touw trok, is met de andere dorpelingen gevlucht.

Naarmate de bende Oostcappel naderde en de bewoners begrepen, dat het
onwelkome bezoek hen gold, was het levendig geworden in het stille
dorp. Rondom de donkere hoeven bewogen zich dwalende lichten; bij het
schijnsel der stallantaarns werd het vee uit de weiden gedreven, om het
zoo gauw mogelijk in veiligheid te brengen, en het geloei der runderen
vermengde zich met het woedend geblaf der werfhonden, het geroep der
drijvers en het angstgeschreeuw van vrouwen en kinderen. De meesten,
die wat te verliezen hadden, verlieten huis en have en vluchtten
langs de donkere landwegen, noordwaarts op.

Heer Henricus Turck, de oude pastoor van Oostcappel, was uit zijn
slaap opgeschrikt door zijn koster, die hem verlof kwam vragen, de
noodklok te luiden. De man zelf was door de ontstelde boeren gewekt;
hij had in de verte het stormgelui gehoord en begrepen, dat het zaak
was, het waarschuwingssein verder door te geven.

Pastoor Turck had de gewenschte vergunning verleend. Toen had hij zich
haastig aangekleed en was naar buiten gegaan, om zijn verschrikte
parochianen gerust te stellen, terwijl boven hunne hoofden de klok
in den ouden, verweerden toren haastig en zenuwachtig klepte. Men
moest zich niet noodeloos ongerust maken, men wist niet welk gevaar er
dreigde, noch wien het gold. Men moest liever vlijtig zijn rozenkrans
bidden en den bijstand inroepen van Sint Servaes, den patroon van
het dorp, den heiligen martelaar, wiens beeltenis op het altaarstuk
prijkte.

En inmiddels zond hij een rappen boerenknaap naar den torentrans,
om te zien, van waar het onheil dreigde.

De verkenner kwam weldra terug met verontrustende berichten. Hij
had den brand in de verte gezien en ook de toortsen der benden,
die voortrukten in de richting van het dorp. Weldra, eerst flauw
nog, maar allengs duidelijker, hoorde men het psalmgezang van den
naderenden troep. Nu was er geen twijfel meer mogelijk! Zij waren
het, de vermaledijde ketters, de Wilde Geuzen,--en het gold hun dorp,
het gold Oostcappel.

En onder luide verwenschingen, gejammer en geweeklaag werd het
kostbaarste inderhaast bijeengepakt en op de haastig ingespannen kar
geladen, de knapen dreven het vee uit de naastbij liggende weiden den
weg op en de verschrikte bevolking vluchtte, om veiligheid te zoeken
binnen de sterke wallen van Yperen.

Toen de Geuzen de eerste boerenerven van het dorp bereikten, vonden
zij die ledig en verlaten. Zulk eene Vlaamsche hoeve, alleen staande
in het wijde land te midden van haar hoog geboomte, was anders een
niet te minachten versterking en zeer wel in staat, den aanval
van een stroopende bende landloopers te weerstaan. Het steenen
woonhuis vormde met de schuren en stallen één geheel, dat de ruime
binnenplaats omgaf en dikwijls nog door een gracht of breede sloot
was omgeven. Was de brug over die sloot opgehaald, dan was het niet
gemakkelijk zich toegang tot de boerderij te verschaffen, vooral als
die toegang betwist werd door den boer en zijn stevige knechts. Maar
thans dacht niemand aan verzet. In korten tijd hadden de Boschgeuzen
zich een geduchten naam weten te verwerven. Het landvolk sidderde
voor de woeste, vermetele avonturiers en alleen de geregelde troepen
der Regeering, die soms tegen hen werden uitgezonden, waren in staat,
hen naar hunne ontoegankelijke schuilhoeken terug te jagen.

Tot eere der Boschgeuzen zij het gezegd, dat zij zich nergens
als gewone roovers gedroegen. Zij waren geen brandstichters en
plunderaars, en de buitensporigheden, waaraan de mindere elementen
onder hen zich vaak schuldig maakten, werden door de betergezinden
zooveel mogelijk belet.

Maar zij waren wanhopigen, vogelvrij verklaarden in hun eigen
vaderland. De laatste strijders voor een verloren zaak. Sedert de
zegepraal der Regeering durfden hun eigen geestverwanten hen slechts
tersluiks eenige hulp verschaffen. En zij moesten leven, de ballingen,
die door hun eigen land waren uitgeworpen. En daarom drongen zij de
grootste hoeven binnen, om zich meester te maken van de levensmiddelen,
die zij er vonden. De ovens werden geplunderd en de zware brooden
werden, met zakken meel, kazen, hammen en zijden spek en wat er verder
eetbaars gevonden werd, op de kar geladen. De kippen, eenden en ganzen,
die men in hunne hokken aantrof, moesten het mede ontgelden. En toen
de wagen volgeladen was, zetten de paarden aan, sterke vuisten hielpen
de raderen in beweging brengen, en door het grootste gedeelte der bende
begeleid, verdween de kar in het halfduister van den zomernacht, onder
het gejoel der Geuzen, die juichten om den goed gelukten strooptocht.

Maar een ander deel was achtergebleven. Dat waren de dwepers, wien
het niet te doen was om den buit, de verbitterden, die eigen leed
en dat van de vermoorde broederen te Valenciennes en elders, wilden
wreken op de Roomsche geestelijkheid, op de kerken en kloosters. En
zij gaven er weinig om, of hun wraak ook de onschuldigen trof.

Nu drongen zij, weer luide hun vloekpsalmen aanheffend, door de
verlaten dorpsstraat, naar de oude dorpskerk. Daar moesten de beelden
neergerukt en vertrapt, daar moest de "broodgod", zooals zij schimpend
de hostie noemden, bevuild en besmeurd gestrooid op de trappen van
het gehavende altaar. En de roode haan moest kraaien op het dak!

Wat heeft Heer Henricus Turck, die met zijn parochianen was gevlucht,
bewogen om terug te keeren? Voelde de oude man zich een onwaardig
herder, een onwaardig priester, omdat hij het heiligdom, dat aan
zijne zorgen was toevertrouwd, zonder weerstand aan de ruwe gasten
overliet? Wilde hij het Allerheiligste, de hostie, voor hem het lichaam
zijns Heeren, redden en bewaren voor ontwijding? Dit laatste is wel
het waarschijnlijkste. Pastoor Turck was althans teruggekeerd, door de
groote deur onder den toren, die de koster bij zijn vlucht verzuimd
had te sluiten, was hij de kerk binnengetreden, en toen de Geuzen er
binnen drongen, zagen zij bij het flauwe licht der altaarkaarsen den
grijsaard, die juist den monstrans uit den tabernakel had genomen.

Een wild geroep van "slaat dood den paap! slaat dood den
baälspriester!" ging uit de bende op.

Bij het roode licht der fakkels ziet pastoor Turck wilde gestalten
naar het altaar dringen, hij hoort bedreigingen en scheldwoorden,
wapens flikkeren in het licht der gewijde kaarsen.

Begreep de oude man, dat hij in doodsgevaar verkeerde? Meende hij
de woeste bende te kunnen bedwingen, door hen voor te houden wat
voor hem het Allerheiligste was? Hoe het zij, hij bleef staan op de
bovenste trap van het altaar en hield de aanstormende Geuzen den met
beide handen hoog opgeheven monstrans voor.

Dat was zijn doodvonnis. Een gehuil van woede ging op uit de dweepzieke
bende. "Slaat dood den paap!" klonk het opnieuw. Een der Geuzen,
die met een vuurroer gewapend was, vloog de trappen van het altaar
op en sloeg met de kolf van het zware wapen den grijsaard neder,
zoodat hij naar beneden tuimelde. Hij slaakte een kreet van pijn
en ontzetting. Hij had de patena laten vallen, en de hostiën rolden
over den grond en werden met voeten getreden, terwijl de grijsaard
jammerend ineenkromp, onder de slagen en stooten, die hem meedoogenloos
werden toegebracht.

Jacob Martens was met de Geuzen mede geloopen naar de kerk, omdat hij
zich niet van de Welle wilde scheiden. Hij was er echter niet binnen
gegaan. Hij wist, wat de mannen er gingen doen, en hij wist ook,
dat hij het niet verhinderen kon, al zeide zijn beter gevoel hem, dat
die daden van geweld, die brandstichting en vernieling van beelden,
af te keuren waren en de goede zaak niet dienden.

Daar hoorde hij den noodkreet van den ouden priester. Wat was dat? Weer
mishandeling? Weer moorden misschien. Jacob Martens snelde de kerk
binnen, den degen in de vuist. De mishandeling van weerloozen zou
hij beletten!

Aan den voet van het altaar zag hij bij het onzekere licht der
walmende toortsen een verwarde menschenmassa. Hij zag wapens blinken
in opgeheven vuisten. Door het woest gelach en geschreeuw der Geuzen
klonk een oogenblik nog een luid gejammer, dat weldra overging in
een kermend steunen.

Hij wilde op de groep toeijlen, maar een ijzeren hand greep hem bij
den arm en hield hem tegen.

--"Halt, jonker! Ge kunt dat niet keeren!" gromde de Welle, die,
op zijn kodde geleund, het tooneel had gadegeslagen en die nu uit de
schaduw van het kerkportaal naar voren trad.

--"Wat moet dat, de Welle?" hijgde Jacob.

--"Ze geven den paap de rest. Wat deed hij ook in de kerk?" antwoordde
de ander onverschillig.

--"Weer een moord op een onnoozele! Laat mij los, de Welle!" En Jacob
wilde zich losrukken, maar de oude boschwachter hield hem stevig vast.

--"'t Is te laat, jonker! De paap is al stil! Mieke was ook onnoozel
en de godzalige Guido de Bray en zoovele broeders in Valencijn waren
ook geen roffianen of kwaaddoeners. Kom mede, naar buiten, jonker. Ze
steken de kerk aan."

Zoo was het. Het altaardoek brandde reeds, en aan den voet der
altaartrappen lag, wonderlijk klein in het roode licht, het lijk
van Heer Henricus Turck, in zijn zwarten toog. Eenige van de Geuzen
stapelden de houten banken op tot een reuzenmutsaard, terwijl anderen
met bossen stroo en rijshout kwamen aanzeulen, die zij in de naburige
boerderijen hadden gevonden. De toortsen van oud geteerd touw werden
in het stroo geworpen en weldra sloegen de vlammen uit de ramen. [4]

En terwijl de verschrikte dorpelingen uit de verte den brand hunner
kerk stonden aan te zien, klonk over de stille velden het psalmgezang
der aftrekkende Geuzen:


    Dit sij de loon in allen landen
    Mijner moedwillige vianden;
    Laet sulcks de kwade tong beërven,
    Die met list soecken mijn verderven.
    Maar Gij, o Heer, in desen noot,
    Help mij om Uws naems wille groot.



XIII.


Op een van de hoogste toppen aan de landzijde van het breede en
woeste duin tusschen Nieuwpoort en Duinkerken stond op een fraaien
Septembermorgen Jacob Martens, op zijn vuurroer geleund, en liet
zijn oogen weiden over het schoone landschap van West-Vlaanderen,
dat hij van zijn hooge standplaats uren in de rondte kon overzien.

Hij stond daar als schildwacht. In een duinpan, aan den voet van
den top, waar hij post had gevat, zat een kleine troep gewapenden
om de glimmende kolen van het houtvuur, waarbij zij den nacht
hadden doorgebracht. 't Was een wachtpost der Wilde Geuzen,
die hier was geplaatst om de wegen in 't oog te houden, die van
Yperen en Rousselaere naar het duin en dan langs de zandsporen naar
Nieuwpoort en Duinkerken voerden. Sinds eenigen tijd hield de groote
bende der Boschgeuzen zich op in de woeste duinstreek, waar zij een
toevluchtsoord hadden moeten zoeken, toen zij door de troepen der
Regeering uit hunne schuilhoeken in de bosschen en moerassen bij Yperen
verdreven waren. De naderende komst van Alva had de bevelhebbers van
de vendels der Landvoogdes tot nieuwe werkzaamheid geprikkeld. De
geduchte en gestrenge aanvoerder zou zeker rekenschap vorderen van
hen, die niet hadden gedaan wat zij konden, om het land van de pest
der plunderende Geuzenbenden te verlossen. Troepen waren aangerukt
uit Yperen en Gent en hadden de vluchtelingen in hunne schuilhoeken
opgezocht. Verbitterd hadden de ballingen gevochten, maar de overmacht
was te groot. Zij hadden moeten wijken. Sommigen waren naar Frankrijk
gevlucht, maar de meesten hadden zich verborgen in het woeste duin,
waar zij veilig waren. Velen van hen waren uit die streken; zij kenden
de verborgen paden, de diepe valleien, de verborgen duinpannen. Er zou
een betrekkelijk groote macht noodig zijn geweest, om hen daar op te
zoeken en uiteen te jagen, en werd die op hen afgezonden, dan konden
zij gemakkelijk vluchten voor een vijand, die het terrein niet kende.

Ondertusschen wisten de hoofden der Boschgeuzen maar al te wel, dat
zij streden voor een verloren zaak, en dat zij zich niet lang meer
in hun laatste schuilhoeken veilig konden achten.

Zij ontvingen geregeld berichten door hunne broeders en
geloofsgenooten, van wat er omging in den lande. Zij wisten, dat de
meeste edelen, die nog voor korten tijd zoo stout tegen Granvelle en de
Regeering waren opgetreden, de zaak der vrijheid ontrouw waren geworden
en zich met den Koning hadden trachten te verzoenen. Zij wisten, dat
de Prins van Oranje naar Duitschland was uitgeweken en dat vele mannen
van naam dat voorbeeld hadden gevolgd. Zij hadden vernomen, dat Alva
aan het hoofd van zijn klein, maar uitstekend leger de Nederlanden
was binnen gerukt, dat hij te Brussel was aangekomen--en nu, weinige
dagen geleden, was heel Vlaanderen opgeschrikt door de tijding, dat de
graven van Egmond en Hoorne te Brussel waren gevangen genomen. Vooral
dat dit lot Egmond had getroffen, wekte overal ontsteltenis, ook
bij de Hervormden. Wel was Egmond na den beeldenstorm meedoogenloos
opgetreden tegen hen, die in zijn stadhouderschap aan die beweging
hadden deelgenomen, maar hij was en bleef voor den kleinen man de
held van St. Quentin en Grevelingen, de dappere krijgsman, tot wien
men opzag, van wien men hulp verwachtte.

En nu had de nieuwe landvoogd het gewaagd, de hand te slaan aan de
grooten des lands, aan de Vliesridders, die men onschendbaar had
gewaand! Wel moest de man, die dat dorst bestaan, zeker zijn van
zijn overmacht!

En de denkende hoofden onder de Geuzen lieten zich niet door de
hartstochtelijke predikaties van Jan Machielsz en andere predikers
in de woestijn misleiden. Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau,
de Hames, Culemborg, ze waren allen gevloden. Zij, die de wapens tegen
de Regeering hadden opgevat, hadden geen genade te hopen. Weldra zou
Alva zijn vendels zenden, om hen op te zoeken en te verdelgen. Zij
moesten vechten tot het bittere einde of trachten te ontkomen naar
Engeland. En de weg over zee was niet gemakkelijk. Men moest in een der
kustplaatsen een visscher vinden, die het wagen dorst, de ballingen
te helpen, die hen over zou willen zetten naar een der Engelsche
havens. Wie dat deed, waagde zijn leven, want als hij ontdekt werd,
wachtte hem de strop. Dat deed niemand, zonder de hoop op een goede
belooning en de ballingen waren arm.

Zoo hadden zij zich verscholen in de duinen en hunne wachtposten
uitgezet, om het ten minste bijtijds te vernemen, als de vijand
naderde.

Van den top van den berg, waar hij post had gevat, kon Jacob
Martens over den boschrand heenzien, die zich langs het breede duin
voortkronkelde. De herfstnevels trokken langzamerhand op voor de
stralen der morgenzon en de statige torens van Poperingen en van Yperen
kwamen te voorschijn met de vele torentjes der oude dorpskerken, die
boven het geboomte uitstaken. 't Werd een mooie, heldere Septemberdag
en het schoone land lag daar vredig onder den fijn blauwen herfstnevel,
alsof het nooit in zijn rust gestoord was door de zonde en het leed
der menschen.

Vele gedachten rezen op in den jongen man, terwijl hij droomerig voor
zich uit staarde. Wat was er in die weinige maanden, die daar sinds
zijn vlucht uit het Dominicaner-klooster verloopen waren, veel met hem
gebeurd. Was hij het wel, hij, Jacob Martens, de zoon van den president
van den Raad van Vlaanderen, nog voor korten tijd een vroolijke,
onbezorgde jonge man, geëerd en ontzien door de bevolking van de goede
stad Gent, de verloofde van Madeleine de Bette,--was hij het wel, de
arme balling, de Geus, op wiens hoofd een prijs was gesteld, die geen
andere toekomst had, dan te sneuvelen in een roemlooze schermutseling
of den dood op het schavot, door het zwaard van den beul.

Hoe zou het thans met Madeleine gaan? En met zijn ouders en met
Klaartje? Zou Madeleine hem trouw blijven? Zeker zou men haar tegen
hem hebben opgezet. Men zou hem een ketter hebben gescholden en een
rebel en misschien zou zij thans met afschuw aan hem denken. Waarom
had hij niet meer, niet ernstiger met haar gesproken over de nieuwe
dingen, die zijn hart vervulden, over zijn Verlosser en Zaligmaker,
tot wien hij kon gaan, zonder een priester van noode te hebben,
over zijn Bijbel, die hem zoo lief was geworden? En dan, over den
nood van zijn land, over het lijden van zijn geloofsgenooten? Maar
Madeleine was nog zoo jong en zoo onbezorgd en vroolijk en naar een
ernstig woord had zij nimmer willen luisteren. Hoe zou zij nu over
hem denken? En zijn strenge moeder? Zij zou hem voor een afvallige,
een verlorene houden. Hoe zou zij haar verdriet onder een nog strenger
en harder uiterlijk verbergen!

Dat het hun allen wel ging, wist hij door de ballingen uit Gent, die
zich bij de Boschgeuzen hadden gevoegd, maar hij had hun geen tijding
durven zenden. Hij kon vermoeden, hoe de zijnen over hem denken zouden,
en daarbij--het was gevaarlijk om in eenige betrekking te staan tot
een vluchteling van Austruweel. De Gentsche Magistraat en de Baljuw
waren strenger dan ooit. Hij wist hoe het te Gent was toegegaan. Was
de eenvoudige kerk der Hervormden, toch met verlof van den Graaf van
Egmond buiten de stadsmuren gebouwd, niet den 29sten Maart op bevel
der overheid gesloten? En was dat gebouw niet kort daarop afgebroken
en vernield?

Neen, er was een kloof tusschen hem en allen, die hij liefhad. Hij kon
niet tot hen terug keeren, en nu de zaak der vrijheid hopeloos stond,
nu de Spanjool weldra heer en meester zou zijn in de vrije Nederlanden
en de Inquisitie de gezuiverde leer overal zou komen vervolgen en
verstikken, nu was er wel geen kans, dat hij hen ooit zou weerzien.

En onwillekeurig rees in het hart van den jongen man de pijnlijke
vraag, de vraag, die zoo dikwijls heeft gezweefd op de lippen van hen,
die streefden naar een ideaal, maar die dat ideaal zagen ontwijd door
de zonden en zwakheden van hunne medestanders, van wie zij zich toch
niet los konden maken: was dat, waarvoor hij gestreden had, den prijs
wel waard? Den hoogen prijs, dien hij betaald had?

Wat gingen hem ten slotte de vrijheden des lands aan? Had hij God niet
kunnen liefhebben en dienen, al bleef hij voor de wereld de Roomsche
kerk getrouw? Hij kon zijn Bijbel lezen in 't geheim en Titelman
zou zich wel hebben gewacht, zich te vergrijpen aan den zoon van den
President van het Hof van Vlaanderen.

En wat waren ten slotte die mannen, in wier gelederen hij streed, die
Boschgeuzen, waartoe hij gerekend werd? Waren zij, de kerkschenners
en plunderaars, de roffianen, die weerlooze priesters mishandelden,
de strijders voor de gezuiverde religie? Dat waren geen mannen als
Jan van Thoulouse en jonker Blois van Treslong...

Zóó mijmerde Jacob Martens. En er waren oogenblikken, dat hij had
kunnen wenschen, dat alles, wat hij in de laatste maanden doorleefd
had, een booze droom zou blijken, een droom, waaruit hij straks
zou ontwaken in de deftige heerenhuizinge te Gent, in zijn rustige,
veilige kamer...

In de verte klepte het klokje van een dorpskerk. Het was acht uren
zeker. Het dunne, schrille geluid kwam met den morgenwind over de
velden aangezweefd, nu eens duidelijk, dan weer nauwelijks hoorbaar.

Jacob Martens schrikte op uit zijn mijmering. Zijn gezicht
veranderde. Het schrille klokje riep iets wakker in zijn geest, het
tooneel, dat hij had gezien op een morgen, nu bijna twee jaren geleden,
daarginds bij de stadskraan te Gent. Hij zag weer het bleeke gelaat
der veroordeelde Doopersche, hij zag den blik, waarmede zij haar kind
aanzag; hij hoorde weer de plechtige woorden: "Sijt getrouwe tot in
den doet, ende ick zal u geven die crone des levens."

Getrouw tot in den dood,--zoo was die arme, eenvoudige vrouw gestorven
voor het geloof, dat zij niet wilde verzaken.

Krachtig richtte de jonge man zich op. Ja, het was het waard! Het
onvervalschte Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid, de vrije
verkondiging van dat Evangelie, zonder geloofsdwang, ze waren de offers
waard, die hij en zoo velen met hem hadden gebracht. En de vrijheid
des lands was het waard! Moest hij zijn makkers, de onwetenden, de
wanhopigen, zoo hard vallen om hun wilde wraakzucht, die woedde tegen
hen, die, naar hun meening, heulden met hunne onderdrukkers? Als
men die woestelingen in de gelegenheid stelde, in een eerlijken
strijd te kampen voor de goede zaak, dan zou het blijken, dat het
geen wraakzucht alleen was, die hen bezielde, dan zouden zij moedig
strijden en sterven als het wezen moest, voor vrijheid van geweten,
voor de vrijheid van hun volk.

De goede zaak? Was het dan geen verloren zaak? Zou Jan Machielsz
gelijk hebben, als hij in zijn wilde, vurige predikaties sprak van
den God der wrake, die zou opstaan tegen de Heidenen, die Zijn volk
verdrukten, die uitkomst zou geven, als de nood 't hoogst was?

En zeker, Hij, de Almachtige, kòn uitkomst geven!

Vaster omklemde Jacob den loop van zijn handbus, terwijl hij, uit
zijne mijmering ontwaakt, den omtrek afspiedde, dien hij, als een
goed schildwacht, in het oog moest houden.

Hij had reeds eenige oogenblikken op het smalle zandspoor, dat uit de
richting van Poperingen duinwaarts leidde, iets ongewoons bespeurd,
maar hij was zoo in zijne gedachten verdiept geweest, dat hij er geen
aandacht aan had geschonken.

Boos op zichzelf, om zijn gebrek aan waakzaamheid, keek hij thans
scherper. Weldra onderscheidde hij de witte huif van een kar, zooals
die overal in Vlaanderen werden gebruikt. Het voertuig kwam nader. 't
Was een gewone boerenkar op twee wielen, door een enkel paard langzaam
en met moeite door het mulle zand getrokken. De voerman liep er naast.

Er was geen gevaar! Maar wat voerde die kar hierheen, naar de woeste
duinen, die zoo zorgvuldig gemeden werden door de Roomsche bewoners
der streek, sinds men wist, dat de Geuzen er huisden?

Jacob blies op het metalen fluitje, dat naast zijn Geuzenpenning
aan een koord om zijn hals hing, en maakte met den linkerarm een
afgesproken teeken. 't Was geen alarmsein, maar het moest de mannen
in de duinpan waarschuwen, dat hun schildwacht iets bijzonders had
opgemerkt. Weldra stond de Welle naast Jacob. Een paar der Geuzen lagen
voorover op den grond en allen tuurden met aandacht naar de naderende
kar. Het forsche paard stapte rustig, met zwaren, zekeren tred
voorwaarts. Reeds hoorde men het rinkelen der bellen aan de haam en
de kreten van den voerman, die het dier tot meerderen spoed aanzette.

Op de voorbank van de kar zat een man, schijnbaar verdiept in een
boek, dat op zijne knieën lag. Voor zoover de Geuzen zien konden,
was hij alleen.

De Welle wisselde een paar woorden met de andere mannen.

Dat men de kar zou aanhouden, stond vast, al was het alleen maar
om berichten in te winnen, om, als 't kon, nieuws te hooren uit
Brussel. Maar wie kon de man zijn, die zich daar zoo rustig in
hunne handen kwam leveren? Een spion van de Spanjolen en de
Inquisitie? Maar wie zou zóó met zijn leven spelen? Toch was
voorzichtigheid noodzakelijk.

De mannen verdwenen van den heuveltop. Daar, waar het spoor het duin
bereikte, waren de hellingen begroeid met laag hout. Daar kon men
zich in hinderlaag leggen.

Toen de kar zich in den hollen weg tusschen de eerste duinen bevond,
zag de voerman tot zijn schrik wilde gedaanten uit het kreupelhout
oprijzen. Een barsche stem beval hem, stil te houden. Forsche handen
grepen het paard bij den teugel en de kar was in een oogenblik door
gewapende mannen omringd.

De man in de kar was opgesprongen. Hij was nog jong, slechts een
vijftal jaren ouder, naar 't scheen, dan Jacob Martens, en hij droeg
de kleeding van een deftig burger. Zijn bleek gelaat teekende schrik
en verwarring. Toen viel zijn oog op de Geuzenpenningen en de napjes,
die zijn aanranders om den hals droegen. Hij slaakte een zucht van
verlichting.

--"Geuzen?" zei hij, terwijl hij zich het zweet van het voorhoofd
wischte. "Goddank! Ik dacht, dat jelui soldaten van Noircarmes
waart. Vivent les Gueux!"

Haastig greep hij naar zijn fluweelen bonnet, die naast hem op de
bank lag, en haalde uit de voering een fraaien zilveren geuzenpenning
aan een smal zwart lint te voorschijn, dien hij triomfantelijk aan
de om hem heen staande mannen toonde. Dezen wisselden blikken van
verstandhouding.

--"Dat is nu alles mooi en wel," zei Pieter de Welle wantrouwend, "maar
een Geuzenpenning kan ieder dragen, en dat bewijst nog niets. Jonker,
spreek eens met dien gast! 't Is er een van je eigen stiek. Vraag
hem eens, wie hij is en wat hij hier in het duin te zoeken heeft."

Jacob Martens kwam naderbij en keek den vreemdeling onderzoekend
aan. 't Was hem, of hij dat fijn besneden gezicht met de van vernuft
tintelende donkere oogen en den ietwat zwakken, zinnelijken mond meer
gezien had. Het was... ja, het was te Antwerpen geweest. Nu herkende
hij den man!

--"Jonker Jan van der Noot!" zei hij, beleefd groetend. "Wat voert
u hier? Ik dacht u veilig en wel te Antwerpen."

De Antwerpenaar keek verrast op.

--"Ge kent mij?" zei hij verbaasd. "Maar--ik heb u ook meer gezien. Ik
heb u gezien bij een vendel van Thoulouse."

Jacob noemde zijn naam. De Brabander knikte levendig.

--"Ik ben er trotsch op, een van de helden van Austruweel de hand
te mogen drukken," zei hij een weinig theatraal. "Die arme Jan van
Thoulouse!"

--"Als die van Antwerpen mee hadden gevochten voor de goede zaak,
zou de Heer van Thoulouse misschien nog leven!" riep Pieter de Welle
grimmig.

--"Wij hebben het gewild!" verzekerde de Antwerpenaar gejaagd. "Wij
hebben de Roode Poort open willen breken. Wij, Gereformeerden, waren op
de Meere en wij hebben de Vroedschap willen dwingen. Maar de Prince van
Orange heeft het ons belet. Hij was bang voor de troepen van Lannoy..."

--"Al genoeg!" zei de Welle wrevelig. "Wat gebeurd is, is gebeurd en
misschien had de Prins geen ongelijk. Je kent hem dus, jonker. Maar
wat doet hij hier?"

--"Jonker van der Noot was in de Vroedschap van Antwerpen," zei Jacob,
"en hij is van de Gereformeerde religie, maar hoe komt ge nu eigenlijk
hier, Mijnheer van der Noot?"

De Antwerpenaar wierp een schuwen blik om zich heen.

--"Ik ben gevlucht!" zei hij met gesmoorde stem. "Hebt ge gehoord,
hoe de Duc d'Albe gedaan heeft met de graven van Egmond en Hoorne?"

Jacob Martens knikte toestemmend.

--"Als Judas Iskarioth. Hij heeft ze bij zich genoodigd en na het maal
heeft hij zijne gasten laten vangen. En van Stralen, en Bakkerzeele--en
nog zooveel anderen. Allen van de religie, en allen, die 't Compromis
hebben geteekend of ter preeke zijn geweest--wij zullen allen als
hoogverraders worden vervolgd. Ik ben 't nog ontkomen. Ik wil naar
Engeland oversteken..."

Hij wierp een onrustigen blik op den weg, dien hij zooeven had
afgelegd, als vreesde hij, de vervolgers te zien opdagen.

--"Naar Engeland? Dat is niet zoo gemakkelijk in deze dagen,"
zei Jacob.

--"'t Doet er niet toe! Ik wil 't beproeven. Een visscher zal wel te
vinden zijn, die 't voor goed loon wagen wil. Ik heb geld..."

Hij keek schuw om zich heen. Blijkbaar had hij zich versproken. De
wilde gestalten, die hem omringden, boezemden hem weinig vertrouwen in.

--"Je kunt gerust rammelen met je Filipsdaalders," zei de Welle, die
zijn aarzeling opmerkte, norsch. "Wij zijn geen boeven of roovers en
wij zullen een van de religie niet bestelen. De jonker staat voor
je in, dat is ons genoeg! Maar wat moet er nu met die kar en den
voerman gebeuren?"

De laatste stond bij zijn groot paard en staarde met open mond en
oogen het tooneel aan. Blijkbaar was hij weinig op zijn gemak. Hij
keek met verschrikte blikken naar de gewapende mannen, de Wilde Geuzen,
van wie men in den lande zooveel vreeselijks vertelde.

--"Kan hij mij niet naar de kust brengen?" vraagde de Antwerpenaar.

De Geuzen morden en mompelden onder elkander.

--"Wij willen geen spionnen in 't duin!" zei er één barsch.

--"Wat weten wij van den kerel?" vraagde een ander. "Hij kan ons best
aan de soldaten verraden. 't Veiligst zou zijn..."

Hij maakte een veelbeteekenende beweging en keek tegelijk naar den
laagsten tak van een naburigen eik.

Eén oogenblik zag het er voor den armen voerman hachelijk uit, maar
Jonker van der Noot kwam tusschenbeide. Hij verzekerde de Geuzen,
dat de man goed Gereformeerd was, al was 't in het verborgen. Het
Consistorie te Antwerpen had hem brieven medegegeven voor de broeders
in Poperingen, die hem hadden voortgeholpen. Deze man had zijn eigen
hals in gevaar gebracht, om hem, een balling, te helpen vluchten. Hij
had dan ook te voet de stad verlaten en had op een eenzame plaats de
huifkar gevonden, die hem volgens afspraak daar wachtte.

Nog waren sommige Geuzen niet gerust gesteld. Een verward gemompel
ging er op uit den hoop.

--"We zullen het spoedig weten," zei Pieter de Welle opeens. "Waar
is Gheleijn de Rosse?"

Een reusachtige West-Vlaming, met ros haar en een sproeterig gezicht,
trad uit den hoop naar voren.

--"Jij bent uit Poperingen," zei de Welle. "Als die kerel tot de
religie behoort, moet hij de broeders kennen. Vraag hem, wie in het
Consistorie zitten."

De Geuzen begonnen te grinniken.

--"Juist iets voor den Rosse!" spotte één van de mannen.

--"Vraag hem liever, hoeveel taveernen er in Poperingen zijn! Dat
weet hij beter!" beweerde een ander.

Maar Gheleijn liet zich niet in de war brengen. Hij was een trouw
bezoeker van de taveernen geweest, maar in den tijd, nog zoo kort
geleden, dat hij een rustig burger van Poperingen was, was hij mee
ter preek gegaan in den nu afgebroken "tempel" der Gereformeerden
en er had een straal van licht geschenen in zijn donker gemoed. En
wat hij daar ontvangen had, was genoeg geweest om hem de zijde der
vervolgden te doen kiezen, zoodat hij thans een balling was.

Hij stoorde zich niet aan het lachen zijner makkers, maar hij stelde
den voerman eenige vragen, die deze, hoewel sidderend van angst,
toch vrij nauwkeurig beantwoordde. Gheleijn de Rosse verklaarde zich
voldaan en de man kreeg verlof, om terug te keeren, want men wilde
hem niet toestaan, zijn reis voort te zetten. De Geuzen zouden zelf
den Antwerpschen jonker langs de hun bekende duinpaden naar de kust
geleiden.

Nadat de voerman van jonker van der Noot een ruime belooning had
ontvangen, liet hij het groote paard keeren en de huifkar keerde
langzaam terug langs den zandweg.

Gheleijn de Rosse liep een eindweegs mede. Hij was blij, weer iets
van Poperingen te hooren.

De Boschgeuzen namen hun gast mede naar de duinpan, waar zich hun
kamp bevond, en gaven hem het voedsel, dat zij hem konden voorzetten:
grof tarwebrood, spek en bier. Toen hij zijn maaltijd geëindigd had,
verzocht Jacob Martens den Antwerpenaar, hun iets mede te deelen over
den toestand te Brussel. De anderen schikten zich haastig om hem heen,
om te luisteren.

't Was een eigenaardig gezicht, de Brabantsche edelman te midden
der woeste gezellen, die, op hun wapens om hem en hun aanvoerders
heen stonden, om te luisteren naar wat hij zou mededeelen over den
Spaanschen hertog, den vijand van Gods volk, die daarginds te Brussel
zich opmaakte om de vrijheid en de religie te onderdrukken, voorgoed.

Op den top van 't hooge duin waakte alleen de schildwacht, die Jacob
Martens had afgelost.

En de Brabantsche edelman begon te vertellen, eerst stootend en
zenuwachtig, blijkbaar onder den indruk van zijn omgeving en nog
altijd min of meer bevreesd voor zijn ruwe gastheeren, maar weldra,
toen hij hunne belangstelling bemerkte, druk, levendig en boeiend. Hij
verhaalde van Alva's intocht in Brussel, van de uitrusting en de
krijgstucht zijner Spaansche en Italiaansche vendels, van de lange,
Spaansche musketten, wijder geboord en verder dragend dan de handbussen
en haaksen der Walen en Duitschers, geduchte wapens, die men in deze
landen nog nimmer had gezien.

Hij sprak over het verraad te Brussel, over de gevangenneming van
Egmond en Hoorne, van Bakkerzeele en van Stralen en van zooveel
Nederlandsche edelen, die zich door den sluwen hertog in de val hadden
laten lokken. Hij vertelde van de nieuwe rechtbank, die Alva had
ingesteld, en die, met verkrachting van alle rechten en privilegiën, de
zaken zou berechten van hen, die in de laatste jaren hadden gehandeld
tegen de plakkaten of deelgenomen hadden aan het verzet tegen Granvelle
en de Regeering, en dat met voorbijgaan van de Hoven der Gewesten en
de schepenbanken der steden. De hertog zelf zou voorzitter zijn van
die rechtbank, die nu weldra met haar bloedig werk zou beginnen. Twee
Spanjaarden, Vargas en del Rio, zouden de voornaamste bijzitters zijn,
en verscheidene Nederlandsche rechtsgeleerden, leden van de Hoven der
verschillende gewesten, waren geroepen, om mede zitting te nemen in
dien Raad van Beroerten, zooals Alva zijn nieuwe schepping had gedoopt.

Het trof Jacob Martens, dat de Antwerpenaar, terwijl hij dit alles
verhaalde, hem meer dan eens aanzag met een vreemden, onderzoekenden
blik. Eens viel hij zich zelf in de rede met de vraag, of dit alles
jonker Martens inderdaad onbekend was.

Dichter drongen de Geuzen om den spreker, met ernstige, sombere
gezichten. Zij gevoelden allen wel, wat dat beteekende. 't Scheen
gedaan met hunne zaak en met die der vrijheid.

En van der Noot verhaalde, hoe ieder, die te Antwerpen ter preek was
geweest, of een Geuzenpenning had gedragen of deel had genomen aan
de oproerige beweging tegen de Magistraat, onder allerlei vermomming
de stad trachtte te verlaten, om te vluchten naar Duitschland of
Engeland. Er liepen allerlei geruchten. Men zei, dat de Prins van
Oranje en zijne broeders troepen aanwierven om de Spanjolen te
verdrijven.

En dan koesterde men groote verwachtingen van de hulp der Huguenoten
in Frankrijk. Wat de ballingen reeds bij geruchte hadden vernomen,
kon hun gast thans bevestigen. Condé en de Coligny, de trouweloosheid
van de Koningin-Moeder, Catharina de Medicis, moede, zonnen op een
stouten aanslag. Zij verzamelden hunne aanhangers. Weldra zou men van
hen hooren! Maar,--hun, die thans in Alva's handen vielen, zou dit
alles niet veel baten. Wie kon, moest vluchten, om in den vreemde te
werken voor de vrijheid en de gezuiverde religie.

Zoo sprak jonker van der Noot, en het scheen wel, alsof hij zijn
vlucht bij de Geuzen wilde verontschuldigen.

Zwijgend hadden de mannen zijn verhaal aangehoord. Toen hij zweeg,
voegden de meesten zich bij elkander en begonnen op gedempten toon
een gesprek. De Antwerpenaar maakte van de gelegenheid gebruik en
wenkte Jacob ter zijde.

--"Hebt ge in den laatsten tijd niets van uwe familie vernomen,
jonker Martens?" vraagde hij, op schijnbaar onverschilligen toon,
maar met denzelfden onderzoekenden blik van straks.

--"Al sinds maanden niet!" antwoordde Jacob. "Gent is ver en maar
zelden waagt het iemand, op kondschap uit te gaan."

--"Naar Gent? Maar weet ge dan niet, dat ze te Brussel zijn?" vraagde
de ander verrast. "En dat uw vader..."

--"Mijn vader, zegt ge? Wat is er met hem?"

--"Lid is van die rechtbank van Alva? Van zijn Raad van Beroerten?"

--"Trek het u zoo niet aan, man!" vervolgde de Antwerpenaar, toen
hij zag, dat Jacob ontstelde en onwillekeurig verbleekte. "'t Is
alles het werk van Viglius. Hij zelf is buiten schot gebleven, de
sluwe vos! Hij verontschuldigde zich op grond van zijn leeftijd en
zijn nieuwbakken geestelijke waardigheid. Maar hij heeft aangeraden,
Nederlandsche rechters in den Raad te nemen, om de inbreuk op de
rechten en privilegiën zooveel mogelijk te verbergen. Ook de president
van Artois heeft zitting moeten nemen..."

Somber staarde Jacob voor zich uit. Zijn vader lid van Alva's raad,
in dienst van den Spaanschen dwingeland; hij, de zoon, een Geus, een
balling, wiens hoofd op 't schavot zou vallen, indien 't den Spanjaard
of de knechten van Noircarmes immer mocht gelukken hem te grijpen..."

--"'t Spijt me verbazend, jonker Martens, dat ge dit booze nieuws
juist uit mijn mond moest hooren," zei van der Noot hartelijk. "Maar,
nietwaar, lang was 't u niet verborgen gebleven. En hoe kon ik ook
weten, dat ge zóó weinig van uwe familie hadt vernomen? Ge weet dan
ook niet, dat uw zuster en de vorstelijk schoone joffer Madeleine
twee nieuwe starren zijn aan den hemel van 't Hof te Brussel? O de
zoete maagdekens! Ik ben goed Geus, jonker Martens, maar bijlo,
om die fiere godinnen zou het mij kunnen smarten, dat ik balling
's lands moet worden, zij het dan om den wille van de religie. Vóór
ik heenging, schreef ik voor de goddelijke Madeleine een liedeke,
naar den nieuwen trant, dien wij geleerd hebben van de excellente
Latijnsche poëten en van "le divin Ronsard." Ha, ge kent haar, jonker;
ge moet het hooren, vóór ik u verlaat."

En de beweeglijke Brabander haalde uit de leeren tasch, die aan zijn
gordel hing, een schrijfboekje in perkamenten omslag te voorschijn,
opende het haastig en begon te declameeren:


    Ghelijck den dagheraet
    Hem lustich openbaert
    Des morgens in den oosten,
    En compt vrij onvervaert
    Die 't snachts waren beswaert,
    Deur sijn clarighheyt troosten.

    Alsoo word mijnen geest
    Oock verfraijt aldermeest
    Deur u reijn minlijck wezen:
    En u bruijn oochskens claer
    En u schoon gitswart haer
    Cunnen mijn pijn ghenesen.

    Ghelijck den suijden wint
    Die Flora seer bemint
    Int suetste van den Meye,
    De bloemkens groeyen doet,
    Die men siet overvloet,
    In bosch, berch en valleye.

    Alsoo can uwen sanck
    En u schoon aanschijn blanck
    Mijn swarichheyt verdrijven,
    En doen mij met ioleyt
    In desen sueten tijt
    U gratien beschrijven.


De dichter zag zijn metgezel vragend aan, als verwachtte hij de
toejuiching, waarop hij recht meende te hebben. Jacob boog hoffelijk en
sprak een paar woorden van beleefde waardeering, al kon hij een gevoel
van jaloezie niet onderdrukken. Maar 't was immers zijne Madeleine,
die hier werd gehuldigd, zijne Madeleine, die hem zeker trouw zou
blijven, ook in dezen boozen tijd, die om hem treurde misschien...

En mijmerend over zijn jonge liefde, dacht hij er niet aan, hoe weinig
het liedeke eigenlijk paste in deze omgeving en op dit oogenblik. Een
"zoete tijd": 't Was een tijd vol jammer, die ging aanbreken, die
reeds aangebroken was...

De stem van jonker van der Noot schrikte hem op uit zijn gepeins.

--"Als 't geen indiscretie was, jonker Martens," snapte hij voort,
"zou ik durven zeggen, dat 't mij verwondert, dat la divine Madeleine u
niet heeft kunnen boeien. Daarbij--une riche héritière,--nietwaar? Al
de Spaansche officieren maken haar het hof. Maar men zegt, dat zij
verloofd is aan een Waalsch edelman, den jonker de St. Foy..."

--"Thierry de St. Foy?" vraagde Jacob. Zijn stem beefde en slechts
met moeite bedwong hij zijn aandoening, maar de ander bemerkte het
niet. Hij was te zeer verdiept in de herinnering aan die hofkringen,
waarvan hij zoo noode had moeten scheiden.

--"Kent gij hem?" vraagde hij eenigszins verrast. "'t Is een arme
bloedverwant van de Croys. Hij was page van den hertog van Aerschot,
maar is nu vaandrig bij de troepen van Noircarmes. Hij zal wel spoedig
een luitenantsplaats krijgen, en dan een compagnie, want hij heeft
machtige beschermers. En, zooals ik zeide, hij is onafscheidelijk van
de schoone Madeleine. Men meent, dat de president en uwe moeder hem
wèl genegen zijn en zijne werving begunstigen. 't Is inderdaad jammer,
dat... Maar ik wil niet indiscreet zijn," voegde hij er eenigszins
verlegen bij, toen hij het strakke gezicht van zijn metgezel eindelijk
opmerkte en begon te begrijpen, dat zijn gesnap weinig op zijn
plaats was.

--"Weet ge wat ge doen moest, jonker?" ging hij met ongeveinsde
hartelijkheid voort. "Ga met mij naar Engeland. De Koningin is die
van de religie genegen. Ge vindt licht een plaats bij de lijfwacht
als cadet. Ik help u met uw uitrusting, als ge mij de eere wilt doen
het noodige van mij te leenen. Of als 't waar is, dat de Prins van
Oranje en zijne broeders een aanslag willen wagen,--te Londen vindt
ge licht gelegenheid om naar Embden te komen, en ge kunt u bij hen
aansluiten. Een officier, die bij Austruweel gevochten heeft, zal hun
welkom zijn. Hier--en hij keek voorzichtig rond, of geen der Geuzen
hem beluisterde--hier bij deze boeven en briganten is uw plaats toch
niet. En als de vendels van den hertog hen komen opzoeken, zal het
spoedig met hen gedaan zijn."

Jacob betuigde hoffelijk zijn dank voor het heusche aanbod, maar
hij weigerde vastberaden, zijn makkers, met wie hij lief en leed
gedeeld had en die op hem vertrouwden als een van hunne aanvoerders,
te verlaten. Alleen verzocht hij jonker van der Noot, hem te zeggen,
waar zijn ouders te Brussel woonden, als hij dat wist.

Daartoe was de Antwerpenaar gaarne bereid. De President had met
zijne familie de huizinge betrokken van een der gevluchte edelen,
niet ver van het paleis van den hertog van Aremberg. De goederen van
de ballingen waren verbeurd verklaard en de hertog gebruikte hunne
huizen voor den dienst des Konings. Maar jonker Martens zou toch zoo
dwaas niet zijn, zelf zijn hoofd aan den beul te gaan leveren? En
nogmaals drong hij er op aan, dat Jacob hem zou vergezellen, indien
hij er in slaagde te vluchten en hij zweeg eerst, toen zijn aanbod
kort en beslist werd geweigerd.

Tegen den middag kwamen twee Geuzen terug, die op kondschap waren
uitgezonden. Zij brachten goede tijding. Ze hadden een visscher
gevonden, die voor een groote belooning het wilde wagen, den
vluchteling naar Engeland te brengen. Tegen den avond zou hij op een
eenzaam gedeelte van de kust den Antwerpenaar in zijn boot opnemen. Een
paar van de Boschgeuzen, die het zwervend leven moede waren, wilden
van de gelegenheid, hun thans geboden, gebruik maken. Zij wisten,
dat zij daarginds werk en brood zouden vinden.

In den laten namiddag nam jonker Jan van der Noot afscheid van
zijne ruwe gastheeren en van Jacob, wien hij als een gedachtenis
het in perkament gebonden schrijfboekje met het kostbare minnedicht
vereerde. Hij begon zijn avontuurlijke zwerftochten, die zouden
eindigen met zijn terugkeer tot de Moederkerk en zijn aannemen van de
amnestie der Regeering. Voor een martelaar was de dichter-magistraat
niet in de wieg gelegd!



XIV.


--"En ge zijt dus vast besloten, jonker, uw hoofd in den strik te
steken? Want dat is het en anders niet! Als iemand u herkent, dan
ligt het zwaard van Meester Harmen, den beul van Brussel, voor u
klaar! En er zijn valsche vrienden en verraders genoeg, die gaarne
bij den Spanjool een plasdank zouden verdienen, al was 't maar om
hun eigen lei schoon te vegen."

--"Ik weet het wel, de Welle. Ik weet, dat ik mijn leven waag. Maar
dat is de eerste keer niet! En ik moèt naar Brussel!"

--"En de jonker wil mij niet zeggen, waaròm? Zeker heeft die Brabander
het een of ander verteld, dat den jonker drijft. Ik wilde, dat de
wereldsche sadduceeër met zijn fijnen tabbaard in de Schelde was
gebleven! Nu naar Brussel, nu die Ducdalf, als ze hem noemen, zijn
handen slaat aan Gods volk en alles vlucht, wat vluchten mag! Beraad
u er op, jonker, en toef nog een poos!"

't Gesprek werd gevoerd in een woeste duinvallei, ver van de
legerplaats der Boschgeuzen. Den dag na het vertrek van jonker van
der Noot had Jacob Martens zijn ouden makker verbaasd en ontsteld
door de mededeeling, dat hij belangrijke tijding had ontvangen, dat
zijne ouders te Brussel waren en dat hij hen zien moest. Te vergeefs
had Pieter de Welle op een nadere verklaring aangedrongen. Het strakke
gelaat van zijn welbeminden jonker zeide hem niets: alleen was er een
harde trek om den mond, die getuigde van een koppige vastberadenheid
en stroever dan anders had Jacob Martens zijn vroegeren onderhoorige
te verstaan gegeven, dat hij zich door niemand zou laten weerhouden,
zijn plan ten uitvoer te brengen.

Dat plan in de legerplaats te bespreken, in de tegenwoordigheid hunner
makkers, zou dwaasheid geweest zijn. Als het uitvoerbaar was, dan
moest het in het diepste geheim geschieden. De Wilde Geuzen stonden
nog in betrekking met hunne geloofsgenooten in West-Vlaanderen, en een
gerucht, dat een van de aanvoerders der bende een gevaarvollen tocht
ging ondernemen, zou snel genoeg verspreid zijn, om in die dagen van
angst en vreeze zulk een tocht tot een roekeloos waagstuk te maken. Het
was, zooals de Welle had gezegd: vele valsche broeders, velen zelfs,
die aan den beeldenstorm hadden deelgenomen, poogden in die dagen hun
verleden te doen vergeten en zich met de Regeering te verzoenen door
het verraad van hunne vroegere geloofsgenooten en medestanders.

En daarom had de Welle Jacob Martens bezworen, zijn besluit nog eens
te overwegen, en hem medegenomen naar de eenzame duinpan, om de zaak
nog eens ernstig met hem te bespreken.

Het bleek den ouden koddebeier echter weldra, dat hij die moeite had
kunnen sparen. Jacob Martens was vast besloten, het kostte wat het
wilde, de reis naar Brussel te ondernemen. Dat dit plan in verband
stond met het bezoek van jonker Jan van der Noot, begreep de Welle
zeer goed, al wist hij het rechte niet. Hij verwenschte den luchtigen
Brabander in den grond van zijn hart en in termen, die zijne meer
"precise" geloofsgenooten zeker niet weinig zouden hebben geërgerd.

--"Wanneer het den jonker alleen te doen is om betrouwbare kondschap
van zijn familie of om een boodschap van belang, kon hij mij
zenden!" vischte hij.

--"Alsof het voor jou niet even gevaarlijk was als voor mij!" zeide
Jacob. "Men kent je te goed, de Welle, en er zijn er genoeg, die je
gaarne in pijn en banden zagen. Men zou je de tortuur niet sparen,
om je van onze schuilplaatsen te laten klappen."

--"O ho, wat dat betreft, mij vangen ze zoo spoedig niet!" zei de
Welle. "En 't is den Spanjool ook niet om klein wild te doen. Hij
wil de groote heeren treffen en niet de kleine luyden. Laat mij gaan,
jonker; binnen een week breng ik u bescheid."

Jacob schudde het hoofd.

--"Ik moet er zelf heen, de Welle," zei hij kort. "Houd mij niet op."

--"Dan ga ik met u, jonker. Alleen laat ik u niet in den strik
loopen. Ik zie, dat ge er uw hart op gesteld hebt. Welnu, twee zien
meer dan één en men kan geen oud hoofd op jonge schouders verwachten."

--"Ik moet gaan, de Welle. Maar jij, waarom zou je je in gevaar
begeven? Je waagt je leven en de tortuur..."

--"Mijn leven is in Gods hand en voor de tortuur ben ik niet
bang. Meent ge dan, jonker, dat het leven voor den ouden man nog
zooveel waarde heeft, sinds dien avond, toen Mieke..."

De Welle wendde zich af en staarde voor zich uit.

--"Kijk, jonker," ging hij na eenige oogenblikken met heesche stem
voort, "de jonker is 't eenige, wat mij nog aan het leven hecht. Als
ik den jonker nog eens als hopman of luitenant aan het hoofd van
zijn vendel tegen de Spanjolen mag zien vechten,--hoe eer dan een
Spaansche piek... En God zij mijn ziel dan genadig!"

Jacob keek den ouden man in het gerimpelde gelaat.

--"Laat het dan zoo zijn, de Welle," zei hij aangedaan. "Wij zullen
't samen bestaan, en als 't moet zullen wij samen vallen. Vivent
les Gueux!"

--"Maar," ging hij bedaarder voort, "wanneer je met mij naar Brussel
wilt, dan heb je ook het recht te weten, wat mij er heen voert. Zie, de
Welle, toen ik vluchtte uit Gent, liet ik er veel achter, mijn ouders,
mijn zuster, en dan.... je hebt bij ons de joffer de Bette gezien?"

De Welle knikte toestemmend. Zijn staalblauwe oogen keken den jongen
man onderzoekend aan. Jacob Martens' door weer en wind gebruind
gelaat kleurde.

--"Ik had de joffer de Bette lief, de Welle," zei hij eenvoudig,
"en--ik rekende op haar trouw. Ik hoopte,--ik wist zelf niet, wat
ik hoopte. Maar als de onzen overwonnen hadden, als ons goede land
van Vlaanderen vrij was, dan kon ik toch hopen... Maar dat is alles
nu voorbij!"

--"Ik had met dien Antwerpenaar naar Engeland kunnen vluchten," ging
hij voort. "Hij bood het mij aan. En als 't waar is, dat de Prins van
Oranje en zijn broeders troepen werven, om den Spanjool uit 't land
te jagen, dan had ik wel een kans gevonden om naar Duitschland over
te steken en ik had wel een brevet als luitenant gekregen en ook een
plaats voor jou, als je mij hadt willen vergezellen. Maar de jonker
van der Noot vertelde mij nog meer. Hij zei mij, dat Madeleine,--dat
de joffer de Bette verloofd was met Thierry de St. Foy..."

--"Met dien Paapschen Waal, die ons volgde naar Middelburg? Dien
vroegeren vriend van den jonker?" vraagde de Welle.

--"Ja, en als dat waar is, dan heeft men haar gedwongen!" riep Jacob
onstuimig. "En daarom kon ik niet naar Engeland! Daarom moet ik naar
Brussel, om haar te spreken en uit haar eigen mond te hooren, of zij
mij vergeten heeft. Want zij is te Brussel, omdat--je moet nu alles
weten, de Welle--omdat mijn vader een rechter is in die rechtbank
van Alva, waar de lieden met zooveel angst van spreken!"

De oude koddebeier schudde meewarig het hoofd.

--"God beproeft Zijn volk, jonker, en geeft het over in de hand zijner
vijanden. Zie toe, dat ge uzelf en uw vrienden niet in 't verderf
stort, omdat uw hart hangt aan die Paapsche joffer. Maar ik zie wel,
dat woorden niet baten! Jong bloed is heet! We zullen 't dan wagen,
maar ik wacht van dien tocht weinig goeds."

Nu moest aanstonds het plan voor de gevaarlijke reis beraamd. De naaste
weg leidde over Poperingen en Rousse, maar de naaste weg was in dit
geval tevens de onveiligste. In Yperen en Oudenaarden lag bezetting
en Noircarmes' soldaten patrouilleerden het land af, om allen, die
verdacht konden worden in verstandhouding te staan met de Boschgeuzen,
aan te houden. Te Rousse woedde de inquisiteur Titelman feller dan ooit
tegen de Gereformeerden, nu de vroedschappen en de baljuws, bevreesd
voor de Regeering te Brussel, zijne eischen niet durfden weerstaan,
terwijl hij, als 't noodig was, ook over de soldaten der bezetting
kon beschikken. 't Was zoo goed als onmogelijk, door Oost-Vlaanderen
of Henegouwen heen Brussel te bereiken.

De Welle sloeg een anderen weg voor. Zij zouden den duinkant houden,
door Veurner Ambacht en over het smalle riviertje de Yser,--toen nog
niet gekanaliseerd--tot in de buurt van Nieuwpoort en van daar langs
Gent naar Aalst. In de eerstgenoemde stad durfden geen van beiden
zich vertoonen, doch de Welle kende de streek nauwkeurig. Hij wist
alle wegen en zijpaden en hij nam aan, Jacob veilig tot Brussel te
brengen. Dan zou het gevaarlijkste deel van den tocht komen.

Hoe zij de stad zouden binnenkomen en haar vrij en ongehinderd weder
zouden verlaten, wisten zij zelf nog niet. Maar dat was van later zorg.

Dan was er een tweede punt, dat overweging vereischte. Er was weinig
discipline onder de ballingen. Ieder deed wat goed was in zijn
oogen en er hadden zich te veel vreemde elementen bij hen gevoegd,
om een strenge krijgstucht te kunnen handhaven. Maar er was toch een
zekere band, die hen verbond, en de besten onder hen, de strijders
bij Austruweel en de vluchtelingen uit Valenciennes en Doornik,
erkenden Jacob Martens en de Welle als aanvoerders van hunne bende,
een van de vele, die zich in de bosschen van West-Vlaanderen en
Henegouwen hadden genesteld. Zij konden hunne makkers niet aan hun
lot overlaten. Openlijk voor hun plan uitkomen, konden zij evenmin:
het moest geheim blijven ter wille van hunne veiligheid.

Zoo besloten zij dan den predikant, Jan Machielsz, in het geheim te
nemen en hem, gedurende hunne afwezigheid, de zorg voor het kamp op
te dragen. De man was een dweper en in zijn wilde buien van haat en
wraakzucht was hij in staat tot onmenschelijke daden, maar hij was
volkomen betrouwbaar. Hij zou hen niet verraden. Zij moesten hem
slechts doen beloven, niets te ondernemen in hunne afwezigheid, en
indien zij binnen een bepaalden tijd niet terugkeerden, dan moest de
bende zich verstrooien. De gewapende mannen konden zich gemakkelijk
aansluiten bij een anderen troep Boschgeuzen, want de ballingen waren
talrijk genoeg.

Zij vonden den predikant in de eenvoudige duinhut, die de Geuzen
uit eerbied voor zijn ambt en met het oog op zijn tenger lichaam en
zijn zwakke gezondheid, voor hem hadden gebouwd. Toen de beide mannen
binnentraden, keek hij op van den bijbel, die voor hem lag op een ton,
die hem tot tafel diende.

--"Wat brengt gij, mannen broeders?" vraagde hij. "Zullen wij weder
optrekken tegen Amalek? Alzoo zegt de Heere: Gaat nu henen ende slaat
Amalek, ende verbant alles, wat hij heeft ende verschoont hem niet..."

--"Neen, Jan Machielsz, neen," zeide de Welle. "'t Geldt ditmaal geen
strooptocht. Wij hebben u wat te zeggen."

--"Wee u, zoo gij als Saul Agag wilt sparen, dien de Heere, de God
Israëls, heeft gevloekt!"--De zwarte oogen in het magere, bleeke
gelaat begonnen te fonkelen en de kreupele prediker hief de hand
dreigend op. Toen wees hij op zijn bijbel.

--"Ik heb een openbaring ontvangen," fluisterde hij heesch. "Ik was
biddende voor het aangezicht des Heeren en zeer weeklagende over
de breuke van Gods volk. En ik hoorde een stem, die tot mij zeide:
Neem het Boek en lees het woord, dat ik u zeggen zal! En ik nam het
Boek en ik las..."

Hij wees naar zijn bijbel en legde den vinger op de bladzijde.

--"Hoort het gezicht van Obadja," ging hij voort, "waarin de Heere
Heere tot mij gesproken heeft: Alzoo zegt de Heere Heere van Edom:
Wij hebben een gerucht gehoord van den Heere en hun is een gezant
gezonden onder de Heidenen. Staat op en laat ons opstaan tegen hen
ten strijde..."

--"Zoo las ik en mijn oogen werden verlicht," ging de dweper voort. "Is
niet de gezant, die gezonden is tot Edom, onder de Heidenen, deze
trotsche Spaansche hertog, dien zij Duc d'Alve noemen? Is deze
profetie niet in onze ooren vervuld? En zullen wij niet opstaan,
tegen hen ten strijde? Al zegt Edom in zijn harte: Wie zou mij ter
aarde nederstooten?--alzoo spreekt de Heere: Al verhieft gij u gelijk
de arend ende al steldet gij uw nest tusschen de sterren--zoo zal ik
u van daar nederstooten..."

--"Er zal nog genoeg te strijden vallen tegen Edom, Jan Machielsz,"
zeide Jacob somber. "Maar nu niet! Ge moet wachten tot wij
terugkomen. Wij moeten een reize ondernemen, en..."

Met fonkelende oogen staarde de predikant hem aan.

--"Gij wilt een reize ondernemen?" riep hij wild. "Gij wilt Gods volk
verlaten, als zij omkomen in de woestijn? Israël zal optrekken ten
strijde en gij zult rusten aan de beken van Ruben? Maar de Heere zal
bezoeking doen over hen, die vlieden ten dage des strijds en over hen,
die daar roepen: Vrede, vrede! en ziet, daar is geen vrede!"

--"Wij willen u en onze mannen niet in den steek laten," zei Jacob
wrevelig. "Ik zeg u, dat wij een reis moeten ondernemen, om redenen,
die ons alleen aangaan, en wij willen u verzoeken, om, zoolang als
wij weg zijn, het bevel op u te nemen en den vrede onder de mannen
te bewaren."

Jan Machielsz zag hem aan met een vreemden blik.

--"Gij wilt van hier gaan--om redenen, die u alleen raken," zeide hij
langzaam. "Hoor toe, jonker, want mijn hart kleeft u aan, omdat gij
alles verlaten hebt om smaadheid te lijden met Gods volk. Hoor toe,
en ik zal u te kennen geven, wat de Heere dezen nacht tot mij heeft
gesproken."

--"Uw hart hangt nog aan de Midianietische, aan de Paapsche jonkvrouw,
die u te Gent heeft omstrikt. Ik zegge u, laat af van haar, want
zij zal u worden ten verderve.--Gij kleurt en gij ziet mij toornig
aan? Toch zal ik u Gods woord doen hooren."

--"Ik was dezen nacht biddende en ik dacht aan de breuke des volks,
want de slaap was van mij geweken. Toen zag ik een gezicht, en ik zag
u, jonker Martens, en gij stondt op een tweesprong. En ge waart niet
alleen, maar naast u stond een vrouw, en zij droeg de versierselen
van de dochteren der Filistijnen. En ik zag u op den tweesprong,
waar de weg zich splitste en de eene weg voerde naar het Oosten,
waar de zon doorbrak en de andere leidde in nacht en nevelen. En uw
aangezicht was gekeerd naar het Oosten, maar de vreemde legde haar
hand op uw hand, en zij legde haar arm om uw schouders en strengelde
hare lokken om uw hals en ik wist, dat zij u wilde medelokken op
den weg, die voerde in de duisternis. En ik hoorde eene stem, die
sprak: Zeg tot den jongeling, die uw ziel liefheeft: Waak en bid,
opdat gij niet in verzoeking komt! Want daar is een zware beproeving
voor hem aanstaande, en de Heere God zal zijne ziele ziften, als
de dorscher de tarwe zift!--En de stem zweeg en het gezicht werd
van mij weggenomen. En ik zeg u, jonker, hoed u, want op den weg,
dien gij gaan wilt, wacht u zware beproeving en zondige bekoring,
en zoo uw ziel bezwijkt, uw deel zal zijn met de afvalligen en gij
zult een verworpene zijn voor het aangezicht des Heeren!"

Niet zonder ontroering hadden Jacob en de Welle naar de woorden van
den bleeken man geluisterd. Jan Machielsz was, terwijl hij sprak,
opgestaan van zijn zitbank; zijn onaanzienlijke gestalte scheen te
wassen en met opgeheven hand en vlammende oogen slingerde hij als
't ware Jacob zijne bedreiging in 't aangezicht. Daar kwam nog bij,
dat de Geuzen, mannen van een licht bewogen ras, veel waarde hechtten
aan de visioenen en de profetische woorden van hun prediker in de
woestijn, van wien allen wisten, dat hij veel had geleden om des
Evangelies wil, en zij beiden maakten daarop geen uitzondering. De
drie mannen zwegen eenige oogenblikken.

--"Als het gezicht, dat gij gezien hebt, van God is, Jan Machielsz,"
zeide Jacob eindelijk, "dan mag het mij een waarschuwing zijn op
mijn weg! Maar gij hebt niet gezien, dat ik mij liet afleiden en
verlokken, en gij moogt mij niet van ontrouw en verraad beschuldigen
zonder reden. Ik moet thans gaan, waar mijn hart mij roept, en de
Welle wil meegaan, omdat hij mijn vriend is. Als wij kunnen, zullen
wij binnen tien dagen tot u en onze mannen terugkeeren, ofschoon God
weet, wat het einde van dit alles moet zijn. Misschien keeren wij
niet terug. Dan zijn wij gevangen genomen of gevallen. Maar ontrouw
worden aan de goede zaak zullen wij niet."

De predikant staarde hem strak aan. Toen ontspanden zijn harde trekken
zich, en zijn stem klonk zachter.

--"Ik geloof u, jonker Martens," zei hij langzaam. "Ge zijt als
Nathanaël, een Israëliet zonder bedrog. Zoo ga dan, als gij meent,
dat de Heere u den weg zal banen. Gij zult komen in groot gevaar naar
het vleesch en in groote bekoring,--maar ik zal voor u bidden, dat
de Heere met u zij en uwe ziel beware! En nu, spreekt, gij beiden,
mannen broeders, wat wilt gij van mij?"

Het onderhoud duurde thans maar kort. Wanneer Jan Machielsz niet
door een van zijn vlagen van sombere dweperij was aangetast, dan
toonde hij zich een man van een helder verstand en een kloek leider
en aanvoerder. Hij zou gedurende de afwezigheid van Jacob en de Welle
de leiding van de ballingen op zich nemen en hen, zoo mogelijk, terug
houden van gewaagde strooptochten. Hij zou goed wacht laten houden en,
werden de Geuzen door de troepen van Noircarmes aangevallen, dan zouden
zij terugtrekken en zich verspreiden in het woeste en uitgestrekte
duin. En van hun plannen zou hij tegen niemand een woord reppen.

Toen deed hij een kort gebed en met een handdruk namen de mannen
afscheid van elkander.

Voor het aanbreken van den dag begaven Jacob Martens en de Welle zich
op weg. Zij waren gekleed als gewone Vlaamsche boeren, in wijde linnen
kielen, met kappen, die bij ongunstig weer tot hoofddeksel dienen
moesten. Om geen argwaan te wekken, droegen zij geen zichtbare wapenen,
dan stevige stokken, met ijzeren punten, zooals de veedrijvers ze
wel gebruikten. Onder hun kiel droegen beiden echter een lang, scherp
mes in lederen scheede, een zoogenaamden "opsteker": een gevaarlijk
wapen in de hand van een krachtig en moedig man, en daarbij nog een
geladen pistool.

Zij verlieten het kamp, zonder door iemand te worden opgemerkt,
langs de hun welbekende duinpaden, en richtten zich dadelijk
noordwaarts. Zoolang zij in de streek bleven, die door de Boschgeuzen
onveilig werd gemaakt, hadden zij geen gevaar te vreezen. Kwamen zij
echter noordelijker, dan konden zij, licht op een patrouille krijgsvolk
stuiten, want zij wisten, dat de stadhouders der verschillende gewesten
begonnen waren kleine afdeelingen soldaten uit te zenden, om jacht
te maken op de rondzwervende Geuzen, vluchtelingen van Austruweel
en Watrelos. Zij zouden zich in een dergelijk geval uitgeven voor
veekoopers, die op weg waren naar de veemarkt te Antwerpen. Maar
als men hen niet geloofde, als men hen aanhield en hen naar Gent of
Antwerpen voerde, dan zouden zij spoedig herkend worden en hun lot
zou weldra beslist zijn: voor Jacob Martens het zwaard; voor zijn
metgezel de strop.

Zij hielden daarom zooveel mogelijk den boschrijken duinrand, waar
zoo vroeg in den ochtend slechts een enkele strooper rondzwierf en
waar men, in geval van nood, spoedig een schuilplaats kon zoeken. 't
Was een mooie herfstmorgen; de grijsblauwe nevels hingen over de
bosschen en duinweiden en over de akkers in de verte. Merels en
lijsters scharrelden in het kreupelhout en soms vloog een Vlaamsche
gaai krijschend op, even met azuurblauwen wiekslag heenwippend over
de donkere eikestruiken. Maar de koning van het landschap was de
vink. Van alle kanten klonk de forsche slag van den vroolijken vogel,
en toen de zon opging, zag men overal zijn fraai rood borstschild als
warme tint tusschen het gelend beukeblad. Groote zwermen trekvinken
trokken luid roepend over hen heen. Vlugge konijntjes wipten over
het pad. De geheele duinstreek was vol leven en beweging.

Ondanks de omstandigheden, waarin hij verkeerde, en de gevaren, die
hem bedreigden, genoot Jacob Martens van den schoonen morgen en hij
kon zelfs soms voor een oogenblik alle bezwaren vergeten. Anders was
het met de Welle. Zijne kleine, blauwe oogen spiedden overal rond,
en peilden elk boschje, dat zij langs trokken. Van tijd tot tijd
beklom hij een duintop en spiedde naar alle kanten. Nadat hij dit
een paar malen herhaald had, keerde hij met een verdrietig gezicht
naar Jacob terug.

--"Wij worden gevolgd, jonker!" zei hij. "Wij zijn niet alleen in
't duin!"

--"Gevolgd? Wie zou ons volgen?" vraagde Jacob. "Niemand wist immers
van onze plannen dan Jan Machielsz. En die is trouw!"

--"Ik hoop het. Maar wij worden gevolgd, door vriend of vijand. Ik
heb het al lang gedacht. En zoo meteen zal ik het u bewijzen."

Het pad slingerde langs een begroeide duinhelling naar boven en leidde
over een heuvelkling, van waar men een gedeelte van den afgelegden
weg kon overzien. De Welle liep rustig door, tot hij en zijn metgezel
achter het duin verdwenen waren. Toen bleef hij staan.

--"Kruip nu naar dien berkestruik, jonker," zei hij, "en kijk langs
den stronk. Hij moet niet vermoeden, dat wij hem in de gaten hebben,
anders blijft hij staan."

Jacob deed, wat hem gezegd werd, maar hij zag niets. Rustig en kalm
lag het duinlandschap in de stralen der morgenzon.

--"Kijk nu naar dat boschje eikenhakhout," zei de Welle. "Ziet ge wel,
hoe die vogels telkens opvliegen en weer neerstrijken?"

--"De trekvinken vliegen overal!" zei Jacob ongeloovig.

--"Ja, maar deze vluchten vliegen naar 't noorden, evenals de vogels,
die wij zelf opschrikken, kijk hier!"

Een groote vogel was opgevlogen, en streek laag bij den grond, met
een glijdende, geruischlooze vlucht over hen heen.

--"Een uil!" zei de Welle. "Als hij niet was opgejaagd, zou hij in
zijn boomtronk zijn blijven zitten. Ik zeg u, wij worden gevolgd,
jonker, en 't is de vraag door wien. Is 't een vriend, dan moeten
wij hem duidelijk maken, dat wij zijn gezelschap ditmaal niet van
doen hebben. Is 't een vijand,--dan kunnen wij de kans niet loopen,
ons leven op 't schavot te verliezen voor een papistischen spion."

En met een harden trek om den mond tastte de koddebeier naar het heft
van zijn opsteker onder zijn kiel.

Met vorschende blikken nam hij het landschap op.

--"Een kwartier verder komen wij aan een breede duinpan," zei
hij. "Ik had er eerst om heen willen trekken, want wij behoeven niet
meer gezien te worden dan noodig is. Maar wij moeten weten, wie die
compaan is. Niet omzien, jonker! Wij moeten den indruk maken van twee
onbezorgde reizigers. Dan volgt hij ons misschien en dan kunnen wij
hem zien."

De witte zandvlakte was weldra bereikt en overgestoken. Rustig
beklommen zij de tegenover liggende duinhelling en verdwenen achter
den rand. Toen wierpen de beide mannen zich voorover en, loerend door
de dichte helm, wachtten zij op de dingen, die komen zouden.

Zij behoefden niet lang te wachten. Op den duinrand tegenover hen
verscheen een donker voorwerp, een hoofd, dat rondspiedde en de geheele
omgeving nauwkeurig opnam. Na eenige oogenblikken verdween het weder
en een man verscheen op het duin. Hij keek nog even onderzoekend rond
en daalde toen langzaam de helling af. De stalen boog van een armborst,
dien hij op den schouder droeg, flikkerde in de morgenzon.

--"'t Is Daniël!" riep Jacob verrast. "Wat wil hij van ons?"

Hij sprong op en wenkte den man vriendschappelijk toe, want hij
dacht niet anders, of Jan Machielsz had hem om dringende redenen hun
achterna gezonden. Maar de strooper beantwoordde zijn groet niet. Hij
bleef staan, aarzelde nog een oogenblik, keerde zich toen haastig om
en verdween achter het duin.

--"Dat hadt ge niet moeten doen, jonker," zei de Welle. "De jongen
is in den laatsten tijd al schuwer en vreemder geworden. Wie weet,
wat er in zijn kranke hersens omgaat en waarom hij ons volgt. Als wij
hem hier hadden afgewacht, hadden wij met hem kunnen spreken en hem
misschien kunnen bewegen, rustig naar 't kamp terug te keeren. Nu
is hij gewaarschuwd en wij zullen hem niet terugvinden. En wie zal
zeggen, wat hij in 't schild voert?"

En inderdaad had de oude boschwachter goed gezien. Hoewel zij terstond
op hunne schreden terugkeerden en zelfs een hoogen duintop beklommen,
was er van den strooper niets meer te ontdekken.

--"We kunnen ons niet langer ophouden," zeide de Welle. "Misschien
keert hij uit zichzelf wel terug. Wij zijn nog lang niet aan Sint
Marie ter Duin, en dan duurt 't nog wel een paar uur, voor wij
aan dien landweg naar Gentbrugge zijn, waarover ik met den jonker
gesproken heb."

Sint Marie ter Duin was de naam van een duindorp, dat in de geheele
streek een zekere vermaardheid genoot. Te midden der waterlooze
zandwoestijn van de Nieuwpoortsche duinen, was daar een zeer diepe,
gemetselde put, die ook in de heetste zomers niet opdroogde, maar
altijd in zijn donkere diepte heerlijk koel water bevatte. De put
lag in een eikenboschje, aan den voet van 't hooge duin. Vlak er bij
bevond zich, geklemd tusschen twee oude boomen, een steenen nis, en
daarin stond een oud verweerd beeld, dat volgens de bewoners van de
duinstreek, de maagd Maria voorstelde. Wel had eens,--naar 't gerucht
vermeldde--een verwaand retrosijn, die de streek bezocht, beweerd, dat
het beeld uit overoude tijden dagteekende, toen niemand in Vlaanderen
nog van de maagd Maria en Jezus Christus, haren Zoon, had gehoord,
dat daar aan den duinvoet een Romeinsche villa had gelegen, en dat
het verweerde beeld het afbeeldsel was van een heidensche duivelinne,
een bronnimf of najade, maar aan zulke kettersche beweringen stoorde
zich niemand. Was men niet, sinds menschenheugenis, tweemaal 's jaars,
in de lente en in den herfst, in plechtige processie naar 't oude
kapelleke getogen, om de Heilige Maagd te bidden, het schoone, koele
water, een zegen voor de streek, niet weg te nemen, maar altijd even
rijkelijk te laten vloeien? Wat ongodisterij en verwaande betweterij
was het dan, om te beweren, dat het oude beeld in het verweerde,
steenen kapelleke van heidenschen oorsprong zou zijn.

Toch, een duister besef, dat 't oude beeld in het boschje bij
den welput een andere Moeder Gods was, dan de talrijke beelden,
die men in de kerken en kapellen in den omtrek vereerde, leefde
er wel in het volk. Terwijl men over 't algemeen vertrouwelijk
omging met het heilige en zich in de bont versierde dorpskerken
en kapellen thuis gevoelde, had men voor de eenzame duinkapel een
zekere bijgeloovige vrees. Niemand, die des avonds laat gaarne het
eikenboschje zou bezoeken. Onze Lieve Vrouw in 't duin hield van de
eenzaamheid. En zonderling, de beeldstorm had het oude beeld gespaard
en de Boschgeuzen, die geen Roomsch heiligdom ontzagen, hadden het
tot nog toe evenzeer met rust gelaten.

Het duinpad, dat Jacob Martens en de Welle volgden, voerde langs het
eikenboschje bij den welput. Zij wilden er rusten en zich verfrisschen
met het koele water, voor zij hun tocht voortzetten. De putboom met
den ijzeren ketting en den emmer hing er, voor ieder, die putten wilde.

Reeds zagen zij bij een wending van het pad het donkere loof van de
lage knoestige eiken vlak voor zich, toen hun oor werd getroffen door
het geluid van schrille, zingende kinderstemmen. Van den kant van het
duindorp, waarvan men den toren in de verte boven het geboomte uit
zag steken, naderde een bonte stoet. Voorop ging een vaandeldrager,
die een hoog gekleurde banier statig voor zich uit droeg, zeker
het vendel van het schuttersgild, waarvan de leden, met handboog en
pijlkoker, hem op den voet volgden. Dan kwam een priester in misgewaad,
vergezeld van twee koorknapen met rookende wierookvaten. Vier andere
koorknapen droegen onder een baldakijn een houten beeld, een Moeder
Gods met het kind Jezus in de armen. Daarachter volgden een aantal
zingende kinderen en jonge meisjes, die met schelle, hooge stemmen
een loflied aanhieven ter eere van de Heilige Maagd, en de stoet
werd besloten door vier ruiters, krijgslieden in volle wapenrusting,
wier stormkappen en kurassen flikkerden in de stralen der ochtendzon.

't Was de jaarlijksche processie. Het Mariabeeld uit de dorpskerk
bracht Sinte Marie ter Duin een bezoek. Zoo beschouwde het 't naïeve
volksgeloof en men hield het eeuwenoude gebruik in eere.

Met grimmige blikken zagen de beide Geuzen den stoet naderen. Voor
hen was wat zij daar zagen, verfoeilijke afgoderij!

--"Die ruiters zijn knechten van Noircarmes, die meerijden om de
processie te beschermen," zeide Jacob.

--"Of 't is hun om een potteke Leuvensch bier te doen, dat de paap
na afloop wel ten beste zal geven," bromde de Welle. "Maar wat is dat?"

Op 't gele zandpad, dat naar den put leidde, een vijftigtal passen vóór
den stoet, was plotseling een man verschenen, die de processie den weg
scheen te willen versperren. Hij had een stalen kruisboog in de hand.

--"Daniël!" riep Jacob met gesmoorde stem. "Wat wil hij hier?"

't Zou spoedig blijken. Met een ruk bracht de waanzinnige den
armborst aan den schouder. De stalen boog klonk en dwars door het
voorhoofd geschoten, zonk de priester in het duinzand neer. Met een
woesten schreeuw zijn wapen zwaaiend, rende de Geus het pad op naar
de kapel. Er volgde een tooneel van wilde verwarring. De verschrikte
kinderen vluchtten gillend naar het dorp. De ruiters zetten hun paarden
aan en reden, door de dapperste schutters gevolgd en voorafgegaan,
den moordenaar achterna, terwijl anderen, met de koorknapen, zich
met den stervenden priester bezig hielden.

--"'t Duin in, jonker!" siste de Welle. "Zij komen dezen kant niet uit
en zij zoeken Daniël. Wij kunnen hem niet helpen. Maar die knechten
zullen den geheelen omtrek afzoeken, 't zij ze hem vangen of niet."

Zij verlieten het pad en trokken snel het duin dieper in, terwijl
zij zorgvuldig vermeden zich op een top of kam te vertoonen. Achter
hen klonk het geschreeuw van de vervolgers van Daniël, dat echter
flauwer en flauwer werd en zich weldra in het duin verloor.

--"Zou hij 't ontkomen?" vroeg Jacob.

--"Als hij goed bij zijn verstand was, misschien! Maar hij is gek
en hij zal willen vechten! Dan hebben zij hem gauw omsingeld. Hoe
't zij, helpen kunnen wij hem niet."

Ruim een uur trokken zij door 't woeste duin, voor zij zich in
veiligheid achtten. Toen beklommen zij een hoogen top en tuurden en
luisterden naar alle kanten. 't Was toch mogelijk, dat de soldaten
en gewapende boeren het duin zouden doorzoeken. Over den moord
op den priester spraken zij niet. Jacob Martens had, sinds hij
zich bij de Boschgeuzen bevond, veel moeten aanzien, wat hij niet
kon verhinderen, al verfoeide hij het als laffe wreedheid. Den
moord en de mishandeling van weerlooze geestelijken had hij nimmer
goedgekeurd. Maar hij wist, dat 't vruchteloos was, daar met de Welle
over te praten. Deze beschouwde, met Jan Machielsz en al hun makkers,
de Roomsche geestelijken als Baälpriesters, die uitgeroeid moesten
worden, waar men ze vond en zij waren onverzettelijk in hun starren
geloofsijver. Hij wist zeer wel, dat de Welle Daniëls daad niet
afkeurde en alleen de roekeloosheid betreurde, die hem waarschijnlijk
in de handen van zijn vijanden had doen vallen.



Tegen het vallen van den nacht slopen de beide Geuzen naar het boschje,
waarin de oude put en het kapelletje van St. Marie ter Duin verborgen
lagen. Ze hadden den geheelen dag in de duinen doorgebracht. Zonder
moeite zouden zij hun tocht met een omweg hebben kunnen voortzetten,
maar zij wilden de plaats niet verlaten, zonder te onderzoeken,
wat er van hun krijgsmakker geworden was. De vervolging was ras
geëindigd en dat deed hun vermoeden, dat Daniël al spoedig in de
handen zijner vijanden was gevallen. Was hij ontkomen, dan zouden
zeker gewapende benden het duin hebben doorkruist, om den vermetelen
heiligschenner en moordenaar te zoeken, maar zij hadden niets verdachts
bespeurd. Waarschijnlijk was Daniël dus dood of gevangen.

Zij hadden den top van den hoogen zandheuvel bereikt, aan den voet
waarvan het eikenboschje lag en luisterden in de vallende duisternis,
of eenig gerucht de aanwezigheid van hun vijanden verried. Het weer
was tegen den avond veranderd. De lucht was betrokken en er woei een
gure Noordwestenwind. Van tijd tot tijd brak de maan door de zware
regenwolken, maar in de zwarte massa aan den voet van 't duin was
niets te onderscheiden.

De uren kropen om. Niet voor de nacht geheel was gevallen, dorsten
de Welle en Jacob Martens het duin afdalen. Zij wilden eerst het
boschje onderzoeken en dan naar het dorp sluipen. Natuurlijk wist
ieder der bewoners, wat er dien dag gebeurd en wat er van Daniël
geworden was. Zij zouden desnoods onder een of ander voorwendsel aan
een der meer afgelegen woningen aankloppen en de bewoners uithooren.

Het was rustig en stil in het dorp en in de omgeving. Van tijd tot
tijd hoorde men het blaffen van een werfhond in de verte, in de
struiken op de duinhelling ratelde een "geitenmelker", maar verder
hoorden zij niets dan het gieren van den wind over het eenzame duin.

Eindelijk was het donker genoeg. Als de maan schuil ging, kon men
de eiken daar beneden niet onderscheiden. De twee mannen daalden
voorzichtig het duin af. Bij het boschje gekomen, luisterden zij
nogmaals, maar zij hoorden niets, dan de wind in het eikenloof en
het knarsend piepen van den putboom.

Zij overtuigden zich, dat hunne kruismessen los en gemakkelijk in de
scheede staken en drongen toen voorzichtig het boschje binnen. 't
Was er stikdonker, maar als straks de maan even doorbrak, zou men
op de open plek bij den put en het kapelletje althans iets kunnen
onderscheiden en als het boschje, zooals zij hoopten, niet bewaakt
werd, zouden zij althans hun brandenden dorst kunnen lesschen.

Voorzichtig slopen zij door het hout, zich telkens bukkende, om de
laag neerhangende takken te ontwijken, met de handen tastende in de
dichte duisternis. Plotseling uitte Jacob een gesmoorden kreet. Hij
had de open plek bereikt en tastte naar den putrand, want hij hoorde
het knarsen van den putboom in zijn onmiddellijke nabijheid, maar zijn
uitgestoken handen ontmoetten iets zachts, iets, dat voor hem week,
dat meegaf...

--"De Welle, wat is dat?" fluisterde hij heesch.

In een oogenblik was de oude boschwachter bij hem.

--"Wat, wat is er, jonker?" zei hij haastig.

Op dit oogenblik verscheen de maan even tusschen de jagende wolken
en de Geuzen zagen nu spoedig genoeg, wat het geheimzinnige voorwerp
was. Aan den putboom bengelde het lijk van den ongelukkigen Daniël. De
knechten van Noircarmes hadden kort recht gedaan en de putboom,
door een houten wig in het spil omhoog gehouden, had als galg gediend.

Bij het knarsend piepen van het hout zwaaide het lichaam in den
nachtwind heen en weer.

--"Uit den weg, jonker!" zei de Welle kortaf. Hij rukte de wig uit
de opening van het spil en het lijk plofte op den grond.

Zij sneden den gehangene af. Toen, nadat zij haastig gedronken hadden
van het koele putwater, keerden zij terug. Jacob nam zijn halsdoek
en bedekte het blauwe, vertrokken gezicht van het slachtoffer.

Eenige oogenblikken stonden de beide mannen besluiteloos. Toen,
alsof zij elkander zonder woorden begrepen, namen zij het lijk op
en droegen het een eind verder, naar den voet van het duin, waar zij
het met het mulle zand bedekten. Zij hadden noch den tijd, noch het
noodige gereedschap om hun krijgsmakker te begraven.

--"Hij heeft Mieke op de papen gewroken," mompelde de Welle. "Hij
was een losbol en na Mieke's dood was zijn verstand gekrenkt. Toch,
wie weet... misschien zal God zijn ziel genadig zijn!"

--"Amen!" zei Jacob. Hij dacht aan dien nacht op den weg naar
Poperingen; hij zag het bleeke, angstige gezicht van Mieke, in
het roode schijnsel van den brandenden houtstapel en de verwrongen
trekken van Daniël, toen hij den armborst aanlegde--en hij vergaf den
armen verdwaasde zijn woeste wreedheid, zijn woede tegen onschuldige
geestelijken, bij de gedachte aan dat vreeselijke oogenblik.

Toen trokken de beide mannen Noordwaarts, want de streek was voor hen
onveilig en de morgen moest hen ver vinden van die noodlottige plek,
het kapelleke van Sinte Marie ter Duin.



XV.


Op een neveligen herfstmorgen, acht dagen later, gingen de deuren
van de oude Halpoort te Brussel knarsend open.

Een aantal karren had al op het openen der poort staan wachten,
met talrijke voetgangers, boeren en boerinnen uit den omtrek, met
pakken en manden beladen, want het was Dinsdagmarkt heden en zoo de
komst van Alva en zijne troepen ook schrik en ontzetting bracht in
de erflanden van Philips, te Brussel bracht zij nering en vertier,
want er was veel noodig voor den hertog en zijn gevolg, voor het
sterke garnizoen van Brussel en voor de edelen, die de partij van den
Koning waren trouw gebleven of die, na de zegepraal der Regeering,
nog bijtijds hunne onderwerping hadden aangeboden en die nu naar de
hofstad waren getogen, om er de feesten bij te wonen, die Alva gaf
om den adel om zich te vereenigen en nauwer aan zich te binden.

En de boeren uit den omtrek voeren er wel bij, want de waren, die
zij ter markt brachten, werden gretig gekocht en goed betaald en de
marktdagen te Brussel waren levendig en druk.

Toen nu, in de grauwe ochtendschemering, de zware poortdeuren langzaam
opengingen, klonken de luide stemmen der voerlieden, die hunne zware,
sterke paarden aanzetten, met het geklets hunner lange zweepen, en de
rij witgehuifde karren verdween langzaam in de donkere poortopening,
met de voetgangers, die naast en tusschen de wagens doordrongen, om
het eerst ter markt te zijn en een goede plaats te verkrijgen. Achter
de karren kwamen kudden runderen en schapen, die door hun geleiders
langzaam werden voortgedreven. Met onverschillige blikken stonden
de beide Spaansche soldaten, die de wacht hadden aan de poort, het
schouwspel aan te zien, dat zich elke week herhaalde, en niemand
lette op twee mannen, een ouderen en een jonkman, die, onder de
andere veedrijvers gemengd, ijverig hun zweepsnoer lieten knallen om
de loome koebeesten door de poortengte te drijven.

Na weinige minuten hadden Jacob en de Welle het doel van hun tocht
bereikt. Zij waren in Brussel!

Na het noodlottig avontuur te St. Marie ter Duin was hun tocht tot
nog toe zonder bijzondere lotgevallen verloopen. Ze hadden Gentbrugge
bereikt en hadden een veilig verblijf gevonden bij een van de vele
Gereformeerden, die zich, vooral op het platteland, schuil hielden en
minder de aandacht trokken, dan hunne geloofsbroeders in de Vlaamsche
en Brabantsche steden. Ze hadden er de bijzonderheden gehoord van de
verwoesting der pas gestichte kerk te Gent, die den 9en April van dat
benauwde jaar 1567 door een compagnie Roomsche burgers, onder bevel van
kapitein Bousse, was vernield en afgebroken, van Artus Bousse, die zelf
aan den beeldenstorm had deelgenomen, en die nu tegen zijn vroegere
geloofsgenooten woedde, om zijn euveldaden te doen vergeten. [5]

Zij hadden gehoord, hoe geheel Vlaanderen verslagen was over de
gevangenneming van Egmond en Bakkerzeele, op wie men, niettegenstaande
hunne gestrengheid tegen de beeldstormers, toch nog min of meer had
gerekend; hoe alle verzet tegen de Regeering voorgoed gebroken scheen
door den ijzeren Spaanschen hertog, en hoe men slechts fluisterend
elkander moed insprak, als men elkander de geruchten vertelde, dat de
Prins van Oranje troepen wierf om de verdrukte landen te verlossen,
dat de predikanten in 't geheim gelden inzamelden, om hem te steunen,
en dat men hoopte op hulp van de Huguenoten, de broeders in Frankrijk.

Zoo hoopte men op hulp van buiten. Maar binnen de grenzen waren 't
alleen de gewapende benden in 't Zuiden, de Boschgeuzen, die zich
nog tegen den overweldiger verzetten.

Zij waren niet lang te Gentbrugge gebleven. Zij mochten hunne
geloofsgenooten niet blootstellen aan het gevaar, dat hun boven het
hoofd hing, als men ontdekte, dat zij twee ballingen herbergden.

Zij waren de stad omgetrokken, want te Gent durfden zij zich niet
vertoonen. Toen begaven zij zich, langs weinig bezochte landwegen,
die de Welle koos, langs Aalst naar Brussel. In de bosschen aan de
Zuidzijde der stad hadden zij zich eenige dagen schuil gehouden in een
verlaten en vervallen hut in het hout, om het terrein te verkennen
en een plan te maken. 't Was Jacob, die den voorslag deed, zich op
een marktdag als veedrijvers aan een boer te verhuren en met het
andere marktvolk de stad binnen te trekken. Eene vermomming hadden
zij niet noodig. Hunne kleeding was die der Vlaamsche en Brabantsche
boeren. Waren zij eenmaal binnen de stad, dan moesten zij op hun
geluk vertrouwen en hopen, dat zij niet herkend werden door een der
spionnen der Regeering. En de kans daarop was niet gering. Zij hadden
beiden een rol gespeeld in de gebeurtenissen van 1566 en duizenden
hadden hen bij het Geuzenleger gezien. Werden zij ontdekt, dan zou
niets hen kunnen redden. Tevergeefs trachtte Jacob Martens de Welle
te bewegen, hem thans te verlaten en naar de legerplaats der Geuzen
terug te keeren. De oude boschwachter weigerde halsstarrig, zich van
zijn jonker te scheiden.

Te Brussel hoopten zij hulp te vinden bij een der geloofsgenooten,
wier namen en woonplaatsen hun door de broeders te Gentbrugge waren
toevertrouwd. Want ook te Brussel, Alva's hoofdkwartier, hielden zich
nog Geuzen verborgen. Ging niet onder de Gereformeerden in Vlaanderen
en Brabant het verhaal, dat de eerwaarde Franciscus Junius het Woord
Gods had gepredikt op de markt, terwijl door de vensters der kamer,
waar de geloovigen bijeen waren, de vlammen van den mutsaard te zien
waren, waarop een hunner broeders den marteldood stierf?

Toen het plan eenmaal was ontworpen, was het zaak, het zoo spoedig
mogelijk ten uitvoer te brengen. Elken Dinsdag werden kudden runderen
en schapen naar de stad gedreven en het kostte de beide mannen niet
veel moeite, een veekooper te bewegen, hen voor een paar stuivers
als drijvers aan te nemen. Ze kozen een handelaar uit Artois, die
er licht niet zoo spoedig toe komen zou, onbescheiden vragen te doen
als een Vlaming of een Brabander.

Nu waren ze in de nauwe straten en, om argwaan te voorkomen, moesten ze
het vee van den man, die hen gehuurd had, naar de markt helpen drijven
en met hem afrekenen. Toen zij hun loon ontvangen hadden, slenterden
zij schijnbaar onverschillig door het drukke marktgewoel, terwijl
zij zich, waar over een koop werd onderhandeld, als belangstellende
toeschouwers onder de menigte mengden. Koop en verkoop, en al het
gewone marktgedoe gingen hun gang. Toch was er op de groote Markt
een gedrukte stemming onder het volk. De gebeurtenissen der laatste
weken hadden een diepen indruk gemaakt en men vraagde zich angstig
af wat er verder gebeuren zou.

Men had de beide Geuzen gewaarschuwd voor de spionnen der Regeering,
de "sevenstuyverlieden" of verklikkers, die zich overal bevonden,
waar veel menschen bijeen waren, en de gesprekken afluisterden, om
hen, die uiting gaven aan oproerige gevoelens of hun ontevredenheid
te kennen gaven over het Spaansche bewind, aan te klagen. Maar zij
bespeurden niets verdachts. Niemand lette op hen en langzamerhand
onttrokken zij zich aan de marktdrukte, om in een kleine herberg een
kroes Leuvensch bier te drinken en het brood en het spek te eten,
dat de kloeke bazinne hun voorzette. Zij moesten wachten tot den noen,
vóór zij met de uitvoering van hun plannen konden beginnen.

Tegen het middaguur daalden zij de steile straten af, die naar de
bovenstad voerden, om zich naar de benedenstad te begeven, waar de man
woonde, dien zij zochten, en voor wien de Eerwaarde Carpentier, een
der predikanten van de Gereformeerden te Gent, die zich te Gentbrugge
schuil hield, hun een brief had meegegeven.

Vreemd zag de eerzame brouwersknecht Tiest Stoffelsz op, toen hij
bij zijn noenmaal van krachtige biersoep, plotseling werd gestoord
door twee mannen, die zijn woning binnentraden en hem verlangden te
spreken. Niet weinig verschrikt was hij, toen de vreemde bezoekers
hem hun geuzenpenningen toonden, hem aanspraken als een broeder in
den geloove en zeer wel bleken te weten, dat hij meer dan eens "ter
groene preeke" geweest was.

Nu was Tiest Stoffelsz in zijn hart de "nye leere" oprecht toegedaan en
hij had ter preeke woorden gehoord, die hij nimmer zou vergeten, maar
hij had weinig aanleg voor het martelaarschap. Hij en zijn huisvrouw
hadden het beeldeke der Heilige Maagd met het kindeke Jezus niet uit
hun huisje verwijderd. 't Was immers zoo'n schoon beeldeke en het deed
niemand kwaad! En sinds men zeide, dat de Geuzen moesten onderleggen,
waren zij al eens ter misse gegaan, om hunnen pastoor almee te vriend
te houden.

En nu--dit bezoek! De goede Baptist en zijne Katelijne keken elkaar met
bleeke gezichten en verschrikte oogen aan. Ze kenden de plakkaten. Was
het niet op lijfstraf verboden, de ballingen te huisvesten en te
herbergen? Tiest zag in zijn verbeelding al den nieuwen galgeput buiten
de poort en zichzelf als hoofdpersoon, in een sombere processie, met
Meester Jacob Spelle, de Roode roe, voorop, en met Meester Harmen, den
beul van Brussel, en zijn knechts als geleide, op zijn laatsten tocht.

Maar die mannen brachten een brief van den Eerwaarden Carpentier
en Tiest Stoffelsz dacht terug aan wat er gebeurd was, nu twee
jaren geleden. Toen was hij zwaar ziek geweest, zoo ziek, dat de
barbier-heelmeester hem al had opgegeven en de buurwijven er bij
Katelijne op aandrongen om toch den pastoor te laten halen en haar man
niet zonder biecht en heilig sacrament de eeuwigheid in te laten gaan.

Maar wat Tiest daarbuiten in "de groene preek" had gehoord, werkte
na in zijn ziel, en al was het nog heel duister en verward, hij wist
toch wel, dat hij wat anders noodig had, dan biecht en sacrament, en
hij was onrustig en gejaagd. Toen was, in de stilte van den nacht, de
jonge leeraar tot hem gekomen, die zich te Brussel verborgen hield,
en hij had met Tiest gebeden en met hem gesproken en het was den
zieke toen, voor het eerst, heel duidelijk geworden: "Het bloed van
Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden!"

Tiest Stoffelsz was weer beter geworden, en--ach, er was sinds zooveel
gebeurd, dat hem het hoofd deed duizelen. Wat hij dien nacht vernomen,
en ja, ook geloofd had, klonk nog na in zijn ziel, soms wel heel
flauw, maar hij had het toch niet vergeten. Maar hij had al meer dan
een van zijn stoutmoedige geloofsgenooten de noodlottige ladder zien
beklimmen, hij had, na de komst van den hertog, op de Paardenmarkt
twee Geuzenpredikanten zien sterven, "geëxecuteerd metten viere",
één met "de groote vlam", één, die tot den beeldenstorm had aangezet,
"met klein vuur"--en dat was een vreeselijk schouwspel geweest!

"So wie volherden sal totten eynde, die sal salig worden!" had een
eenvoudig werkman, een wever, de omstanders toegeroepen, toen hij
ter strafplaats ging. Maar het geloof en de moed van Tiest waren niet
groot genoeg, om hem te doen "volherden totten eynde", en hij wilde
zich liever stil houden en zich doen vergeten.

Toch, al had de voorzichtige Katelijne de beide Geuzen gaarne terstond
de deur gewezen, Tiest kon niet weigeren te luisteren naar den brief
van den predikant, die hem in zijne doodsbenauwdheid had bijgestaan,
en welken de jongste der beide mannen hem voorlas,--want hij kon
niet lezen.

En toen herademde Tiest. Wat die twee mannen van hem verlangden, was
zoo gevaarlijk niet. Hij behoefde geen ballingen te herbergen. De
Gentsche predikant, die Brussel goed kende, had gelijk. De kelders
van de brouwerij, waar hij werkte, kwamen uit in de Wolkammerstraat,
een stille achterstraat. Jawel, daar was een luikdeur, die toegang gaf
tot de kelders, waar de groote vaten bier lagen opgestapeld. Zeker,
die kelderdeur werd weinig gebruikt. Al wat van hem verlangd werd,
was, dien avond den boom weg te nemen, waarmee de luiken aan den
binnenkant werden gesloten. De beide Geuzen hadden geen kwaad in
den zin, dat verzekerden zij plechtig. Noch zijn meester, noch
het gilde zou schade lijden. Zij moesten slechts iemand spreken,
in het belang der goede zaak en hadden een schuilplaats noodig in
de Wolkammerstraat. En al werden zij ontdekt, wie kon aantoonen, dat
Baptist Stoffelsz er de hand in had gehad, om hen daar te verbergen?

--"En als zij eens werden gevat en ter paleie geleid?" vraagde de
bezorgde Katelijne. De tortuur zou hen wel doen klappen en dan zouden
zij en haar man voor hunne hulp duur moeten boeten.

Toen was er een harde trek gekomen op het gezicht van den jongsten
Geus.

--"Levend zullen zij ons niet vatten!" had hij gezegd en de oudere
had goedkeurend geknikt.

En met angst in het hart had de arme Tiest beloofd, dat dien avond
de boom van het kelderluik zou zijn. Waren zij eenmaal binnen, dan
moesten zij het luik sluiten en vooral geen gerucht maken. Vóór de
volgende week zou er geen bier worden vervoerd. En met die belofte
nam hij afscheid van zijn ongenoode gasten, die daarop bedaard en
zonder iemands aandacht te trekken, zijn huisje verlieten, nadat zij
hem beloofd hadden, den Eerwaarden Carpentier van hem te groeten en
den predikant te zeggen, dat Tiest Stoffelsz, al was dan misschien
de schijn tegen hem, een trouw en goed man was.

En den volgenden morgen, nog voor het aanbreken van den dag, liepen
twee mannen rustig door de eenzame Wolkammerstraat. Ze droegen
de kleeding van den kleinen burgerstand dier dagen. Het konden
werkgasten zijn, die zich reeds vroeg aan den arbeid begaven. Den
vorigen avond hadden Jacob Martens en Pieter de Welle het terrein
verkend. De Wolkammerstraat was een stille en weinig bezochte
weg. Aan de eene zijde vond men de hooge achtergevels van pakhuizen,
brouwerijen en wolkammerijen, langs den anderen kant liep de hooge
muur, die den prachtigen en uitgestrekten tuin naast het paleis
van den graaf van Aremberg van den verkeersweg afsloot. In dien
muur was een achterpoortje, dat blijkbaar weinig gebruikt werd en
slechts met een grendel was gesloten. Dat was de Welle gebleken,
toen hij er als bij toeval een oogenblik tegen had geleund. Niet ver
van die achterdeur was de kelder met het groote luik, die de beide
avonturiers tot schuilplaats zou moeten dienen. Het kwam er nu maar
op aan, of Tiest Stoffelsz woord had gehouden. De mogelijkheid bleef,
dat de man het stuk niet had durven bestaan, of, erger nog, hen aan
de Roode Roe en zijne rakkers had verraden.

Bij het achterpoortje gekomen, haalde de Welle een korte ijzeren staaf
voor den dag, waarvan hij zich den vorigen avond in een smidswinkel
had voorzien. Voorzichtig zagen de beide Geuzen om zich heen. De
straat was eenzaam en verlaten. De vensterluiken der omliggende
gebouwen waren gesloten.

Toen zette de Welle den als een breekijzer afgeslepen staaf tusschen
de reet van de deur en den muur, op de plaats waar de grendel in de in
den steen uitgeholde opening schoof en duwde met kracht. De grendel
boog en bezweek bij een tweeden duw. De deur kon gemakkelijk worden
geopend. Zij stond nu alleen op de klink.

Toen traden beide mannen naar het kelderluik en beproefden het op
te lichten. Het was los. Tiest had woord gehouden! Een steenen trap
voerde naar beneden. Zij doken in de donkere opening en schoven den
gereed staanden boom voor het luik. Zij waren voor het oogenblik in
veiligheid. Door de met ijzeren tralies voorziene gaten, die in het
hout waren aangebracht, viel een flauw licht. Zij konden hier rustig
wachten, tot het oogenblik was gekomen, waarop Jacob Martens het
gevaarlijk avontuur, waarop hij zijne zinnen had gezet, zou ondernemen.

't Werd een mooie Septembermorgen en 't beloofde een zomersche dag te
worden. Madeleine de Bette was na het ontbijt den hof in gewandeld om
van den schoonen nazomer te genieten en te werken aan hare tapisserie,
een prachtig altaarkleed, bestemd voor Sinte Gudula, de patronesse van
Brussel, want sedert Alva's komst wedijverden de vrouwen en dochters
der adellijke geslachten, die den Koning trouw waren gebleven, in het
maken van wijgeschenken voor de kerken der hofstad. En daarbij kwam,
dat Madeleine wel gaarne alleen wilde zijn, want zij had veel om
over te denken. In die paar jaren was zij nog mooier geworden. Het
tengere meisje, dat Jacob Martens had liefgehad, was een fiere,
statige schoonheid geworden en sedert president Martens door zijn
waardigheid als lid van den Raad van Beroerten verplicht was, te
Brussel te vertoeven, behoorde Madeleine de Bette, de rijke erfdochter
uit een der edele Vlaamsche geslachten, tot de meest gevierden van
het hof van den landvoogd. Op elk feest was zij omgeven door een
zwerm van jonge Spaansche en Nederlandsche edellieden, die haar om
strijd het hof maakten en heel Brussel wachtte in spanning op het
oogenblik, dat het zou blijken, wie de gelukkige was, die den door
allen begeerden prijs zou veroveren.

Madeleine begaf zich naar een bank onder de neerhangende takken van
een oude linde, waar zij van uit het huis niet kon worden gezien. Zij
begon aan haar naaldwerk en werkte een poos vlijtig door. Weldra echter
liet zij de naald rusten en staarde droomerig naar de zonnevlekjes
op het groen bemoste tuinpad.

Waar zij aan dacht? 't Waren blijkbaar geen ernstige of droevige
overpeinzingen, waar zij zich mede bezig hield, want soms speelde een
vroolijke glimlach om haar mond. Wat ging het ijdele en behaagzieke
meisje de ellende van haar land aan? De komst der Spaansche troepen en
van den ijzeren hertog hadden haar slechts voordeel aangebracht. Uit de
deftige, maar eenvoudige huizing van haar pleegouders was zij immers
overgeplaatst naar het vroolijke Brussel, waar zij kon genieten van
de bewondering en de hulde, die zij zoozeer waardeerde. En al die
troebelen in den lande, zij brak er zich het hoofd niet mede. Was
niet haar geheele omgeving er ten volle van overtuigd, dat de
oproerige Geuzen, die zich tegen den Koning hadden durven verzetten,
spoedig genoeg zouden worden onderworpen? Daarvoor was immers de
hertog overgekomen met zijne beproefde troepen, die nog nimmer waren
geslagen. Strengheid tegen de ketters, de beeldstormers, de Geuzen
was noodig, natuurlijk, maar spoedig zou de rust zijn hersteld en
dan zou het alles weer worden zooals vroeger.

--Alles? Toch wel niet!--En Madeleine dacht aan velen, die haar het
hof maakten en haar tot hun vrouw wenschten te maken. Het vroolijke,
onbezorgde leven kon niet altijd duren. Ze zou wel een keuze moeten
doen, en dan een goede keuze, die haar een schitterende positie
waarborgde, want zij wilde blijven schitteren in die vroolijke kringen,
die haar zoo aantrokken. Aan geen onbeduidend man zou zij haar hand
schenken. 't Moest iemand zijn, die een toekomst had, een groote
toekomst, die zij met hem kon deelen.

Thierry de St. Foy maakte haar ijverig het hof. Hij was nu luitenant
bij de Walen van Noircarmes. Hij was niet rijk, maar hij werd
beschermd door de Croy's en de hertog van Aerschot was thans een man
van beteekenis, die veel invloed had. Ieder meende, dat Thierry het
vèr zou brengen en hij was een schoon en bevallig cavalier, met wien
men voor den dag kon komen.

--Jacob Martens? Ach, dat was kinderspel geweest. Jacques was immers
nu een balling, een verworpene, een oproerling tegen zijn wettigen
landsheer, en daarbij een snoode ketter, wiens naam, volgens den
wil zijner moeder, de strenge Vrouwe Martens, in haar huis niet meer
mocht worden genoemd.

En toch was 't jammer! Jacques was toch wel een goede, edele jongen
en hij had haar wel innig liefgehad! Het waren toch wel goede en
mooie uren geweest, daarginds, in den hof van het oude huis te Gent.

--Maar als hij haar werkelijk lief had gehad, dan zou hij haar niet
hebben opgegeven voor zijn kettersche dolingen en zijn oproerige
vrienden. Waarom had hij zich zelf door zijn dwaasheid in het
ongeluk gestort voor tijd en eeuwigheid? Haar biechtvader had het
haar verzekerd. Hem wachtte het schavot, als hij ooit gegrepen
werd, en dan de pijnen der hel, en wanneer zij nog met liefde en
gehechtheid aan den ellendigen ketter dacht, dan verkeerde zij in
staat van doodzonde. En zij kon dan toch niet de verloofde zijn van
een zwervenden balling. Misschien leefde hij niet eens meer....

Het ritselde in de heesters achter de oude linde. Madeleine merkte
het niet op.

--Zou zij een van de Spaansche officieren nemen? Don Juan di Garcia
was zeker een bevallig caballero, veel aardiger in den omgang dan de
statige don Rodrigo d'Avila, die zeker al veertig jaar was. Maar don
Rodrigo bekleedde reeds een hoogen post en hij was van ouden adel
en verwant aan de beste Spaansche geslachten. Als zijn vrouw zou
zij dadelijk de positie innemen, waarnaar haar hart verlangde. En
de eerbiedige hoffelijkheid, waarmede haar Spaansche vereerders haar
naderden, streelde haar. Maar dan later naar Spanje te moeten gaan? Er
werd onder den Nederlandschen adel aan het Brusselsche hof zooveel
gesproken over de stijve, Spaansche zeden, over den dwang, waaronder
de Spaansche vrouwen leefden. Neen, dat was geen toekomst voor haar...

--En lief had zij hen niet! Geen van allen! Thierry beviel haar nog
het best, maar toch--wat zij voor Jacques gevoeld had, was toch heel
wat anders! Maar ach, dat was misschien maar kinderachtige dwaasheid,
een droom van haar meisjesjaren...

--Als iemand haar toch een raad kon geven! Zij wist zelve niet,
wat zij wilde!

Weer ritselde het in de heesters. Er viel een schaduw op het
pad. Verrast, half verschrikt, keek Madeleine om. Een man stond achter
haar en twee fonkelende oogen staarden haar aan.

't Ontbrak Madeleine de Bette niet aan moed. Zij wierp een snellen blik
in de richting van het huis. Te ver! De indringer zou haar terstond
inhalen, als zij vluchtte. Als hij kwade bedoelingen had, moest zij hem
in bedwang houden, tot er mogelijk hulp kwam. Zij stond op van de bank.

--"Wie zijt ge en wat doet ge hier?" vroeg zij hoog.

--"Madeleine!" fluisterde de man, met heesche stem.

Met een flauwen gil trad het meisje een pas terug. Wat was dat?

--"Madeleine, kent ge mij niet meer?"

De stem trilde van ontroering, maar Madeleine herkende ze. Zij zag
den vrager met verbaasde, verschrikte oogen aan.

--"Jacques? Hier?" fluisterde zij. "Hoe komt ge..."

Zij wist zelve niet of zij meer verheugd was dan ontsteld. Met wijd
geopende oogen staarde zij den onverwachten bezoeker aan. Ja, 't was
Jacob wel. Maar hoe veranderd! Wat leek de flinke, krachtige man, die
daar voor haar stond, weinig op den jongen Jacob Martens, dien zij voor
't laatst te Gent had gezien. Wat stonden hem de knevel en de korte
baard goed, bij het door wind en weer gebruinde gelaat. En het breede
litteeken op het voorhoofd ontsierde hem niet. Onwillekeurig legde zij
haar beide handen in die van Jacob, toen hij ze naar haar uitstrekte.

--"Ik moest u zien, u spreken, Madeleine!"--Jacobs stem trilde van
ingehouden hartstocht. "Ik heb er mijn leven voor gewaagd. Er werd
gezegd, dat ge verloofd waart,--met een ander, met Thierry! Zeg,
dat het niet waar is, Madeleine!"

Hij wilde haar naar zich toe trekken, zijn arm om haar leest slaan,
maar Madeleine had zich hersteld van haar eersten schrik. Zij maakte
hare handen uit die van Jacob los.

--"Dat is niet waar," zei ze koel, "maar als het eens waar was? Een
fraai bewijs van uw liefde, dat ge mij gegeven hebt! Weggevlucht zijt
ge van mij, van uw ouders en van uw vrienden, om u aan te sluiten
bij de ketters, bij de rebellen! Denkt ge, dat ik de verloofde zijn
wil van een ketter, een Geus?"

Ze deed een stap achteruit en een smadelijk lachje speelde om haar
lippen. Ze was thans niet bang meer.

--"Madeleine, het is niet waar! Die ketters willen alleen God dienen
naar de inspraak van hun hart en geweten en de rebellen zouden trouwe
onderdanen zijn van den Koning, als hij hen wilde laten leven als vrije
mannen. O, dat ik u de oogen kon openen! Ik moest, Madeleine! Ik zou
een lafaard zijn, als ik het arme, onderdrukte volk niet hielp! Maar
ik heb u nog altijd lief..."

Maar Madeleine de Bette luisterde niet. Ze was zichzelf thans volkomen
meester. Het streelde haar ijdelheid, dat die forsche, sterke man,
een van de gevreesde Geuzen nog wel, daar als smeekeling voor haar
stond. En hij had zijn leven gewaagd, om tot haar door te dringen. Als
hij gevat werd, wachtte hem de dood op het schavot...

Allerlei gedachten vlogen door haar koel, berekenend brein. Zij de
bruid van een balling, van een Geus,--onmogelijk!

Maar--als 't haar gelukte, hem terug te winnen voor de partij van
den Koning? Als hij zich onderwierp en zijn ketterij afzwoer? 't Was
waar, de Raad van Beroerte was streng voor de ballingen, die aan
den opstand hadden deelgenomen, maar Jacques was nog jong en zijn
vader had veel invloed en machtige vrienden. Er waren er meer, die
't eerst met Oranje en Brederode hadden gehouden, maar die de partij
van de Geuzen hadden verlaten en nu trouwe dienaars waren van de
Regeering. Welk een triomf, als 't haar gelukte!

Met afgewend gelaat had zij naar de hartstochtelijke woorden van
den jongen man geluisterd. Thans zag ze hem weer aan en er lag een
verleidelijke, lokkende uitdrukking in haar donkere oogen.

--"Is dat waar?" fluisterde zij.

--"Madeleine!"

Maar ze hield hem terug.

--"Toon het dan! Keer terug tot mij, tot uw ouders, tot de Heilige
Kerk. Wat bindt u aan de Geuzen, die boeven en rabauwen? Uw vader heeft
invloed bij den hertog. Hij zal een pardon voor u verkrijgen. Alles
kan nog goed worden."

Zij trad op Jacob toe, legde hem de handen op de schouders en zag
hem vleiend aan.

--"Wij kunnen nog zoo gelukkig zijn, Jacques," fluisterde zij.

Bleek en sidderend van inwendige ontroering staarde Jacob het schoone
meisje aan. 't Was waar, wat zij zeide: hij, de balling, de vogelvrij
verklaarde, hij kòn terug, als hij wilde. Een leven van eer en aanzien,
van geluk en liefde kon hem nog wachten,--als hij de zaak van zijn
volk, van zijn land verried, als hij zijn Heer ontrouw werd. Het waren
immers zijn eigen gedachten, die Madeleine daar uitsprak, gedachten,
die in hem waren opgerezen daar ginds in het woeste duin, die hem
gekweld hadden in menigen slapeloozen nacht, als de bloedige daden van
zijn woeste makkers hem er aan deden twijfelen, of hij streed voor
een rechtvaardige zaak. Hij kon nòg terug,--en dan, Jacob Martens,
de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, de echtgenoot
van Madeleine de Bette, zou hij nog niet veel voor zijn volk kunnen
doen? Meer dan de arme balling, die meevocht in den hopeloozen strijd
tegen de overmacht, wachtende op de hulp, die maar niet kwam opdagen...

Wat was die stem in zijn binnenste, die daar sprak van "getrouw te
zijn tot den dood"?

Madeleine zag zijn ontroering. Nu was het oogenblik daar, waarin zij
alles op het spel moest zetten, om over de laatste aarzeling van den
jongen man te triomfeeren, om hem terug te winnen voor zichzelve,
Jacques, van wien zij toch wel hield, voor zoover haar ijdel en
lichtvaardig gemoed daartoe in staat was.

Zij sloeg een arm om zijn hals en boog het hoofd aan zijn borst.

--"Om mijnentwil, Jacques," fluisterde zij week. "Laat mij spreken met
uw vader... Laten wij u redden! De Geuzen zullen worden uitgeroeid. De
hertog zendt troepen, om ze te verslaan. Ik weet het zeker! Thierry
sprak er van!"

--"Ik kan niet, ik mag niet, Madeleine!"

Het oogenblik van zwakheid was voorbij. Madeleine had, zonder dat
zij het wist of wilde, een beroep gedaan op het eergevoel van den
krijgsman. Hoe? Zijne makkers zouden worden aangevallen door de
troepen der Regeering en hij zou ze als een lafaard in den steek
laten in den hoogsten nood? Eerloos!...

En nu de verzoeking was weerstaan, vlogen hem bliksemsnel de gedachten
weder door het hoofd, die hem gesterkt hadden in donkere uren, om
te volharden tot het einde. Zoovelen, die gevallen waren voor de
goede zaak, de zaak der vrijheid, die eenvoudigen, de martelaars,
die geleden hadden aan de galg en op den mutsaard voor het gezuiverde
Evangelie! En weer zag hij het bleeke gelaat der martelaresse te Gent
en hoorde hij het "Wees getrouw tot in den dood". Dat was het! Trouw
zijn, trouw tot in den dood!

--"Ik mag niet!" herhaalde hij dof. "Maar o, ik heb u lief,
Madeleine! Blijf mij trouw! Er zullen betere dagen komen! Oranje en
de Coligny zullen ons helpen..."

Maar bij zijne eerste woorden had Madeleine hem losgelaten.

--"Een bewijs van uw liefde, zeker!" Met een smadelijk lachje wendde
zij zich af.

--"Ge kiest dan uw Geuzen en rebellen boven mij! Ga heen, Jacques
Martens, ik heb u niets meer te zeggen. Ga terug naar uw Geuzen,
vóór de Roode Roe en zijn rakkers u ontdekken en grijpen!"

Een lichte kreet achter hen deed beiden omzien. Het bemoste voetpad
van den ouden tuin had de voetstappen gedoofd van de twee, die
plotseling verschenen waren aan de kromming bij de oude linde en
thans verrast bleven staan: de statige Vrouwe Martens in haar zwart,
bijna kloosterachtig gewaad en witte huive, en Thierry de St. Foy, in
zwart fluweelen hofkleeding, aan de mouwen met geel satijn doorbroken,
den hoogen fluweelen hoed met een koord van gouddraad versierd en
opgetoomd. Vrouwe Martens was zeer bleek geworden, toen zij haar
zoon herkende; Thierry stond besluiteloos en draaide verlegen aan
zijn fijn zwart kneveltje.

--"Moeder!" Jacob wilde op haar toeijlen. De mondhoeken der trotsche
vrouw hadden even zenuwachtig getrild; toen werd haar blik koud en
hard. Met een gebiedend gebaar wees zij hem terug.

--"Een oproerling en een ketter is mijn zoon niet!" klonk het
hoog. "Wat doet gij hier!"

--"Een Geus en een vijand van den Koning!" Thierry had zijn
tegenwoordigheid van geest teruggekregen.

--"Geef u over, Jacob Martens!"--Hij trok den fijnen staatsiedegen
en trad op Jacob toe.

Een oogenblik had Jacob Martens roerloos zijn moeder aangestaard. Het
flikkerende staal in de hand van zijn mededinger en het besef van het
dreigend gevaar, waarin hij verkeerde, bracht hem tot zichzelf. Snel
trok hij den langen opsteker, dien hij onder zijn wambuis droeg, en
pareerde den stoot, dien Thierry hem wilde toebrengen. Met forsche
hand greep hij den pols van zijn tegenstander en ontwrong hem het
wapen, dat hij wegslingerde tusschen de heesters. Toen haalde hij
uit met het breede kruismes.

Madeleine gaf een gil en klemde zich aan Vrouwe Martens vast.

Een oogenblik aarzelde Jacob. Als daar zijn moeder niet stond...

Hij liet Thierry los en stiet hem van zich af.

--"Ga heen!" zei hij met heesche, trillende stem.

Thierry de St. Foy liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij snelde het
pad op, dat naar de huizinge voerde, terwijl hij op een fluitje blies,
dat aan zijn halsketen hing.

Jacob stond een oogenblik besluiteloos.

--"Jonker! jonker!" klonk het dringend achter hem. Een donkere gedaante
stond tusschen de heesters, hem wenkend, zich te haasten.

Jacob wierp een blik op de beide vrouwen, die elkander nog altijd
vol ontzetting hielden omklemd, een laatsten blik. Toen snelde hij
met de Welle naar het achterpoortje in den hoogen tuinmuur. Achter
hen klonken stemmen in den tuin.

Thierry de St. Foy kwam terug met versterking. Een snellen blik
wierpen zij in de eenzame straat. Er was niemand te zien! De Welle
greep Jacob de muts van het hoofd en wierp die de straat in. Toen
doken beiden door het luik in den donkeren kelder en met een zucht
van verlichting schoven zij den zwaren boom er voor.

Voor het oogenblik waren zij in veiligheid, maar toch bonsde hun
hart, terwijl zij luisterden naar de voetstappen en de stemmen in
de straat. Als iemand hen had zien wegduiken in hun schuilplaats,
waren zij verloren. Hun vervolgers konden spoedig genoeg den ingang
van de groote brouwerij bereiken, waarbij de kelder behoorde, die
hun schuilplaats was, en werden zij ontdekt en gegrepen, dan was hun
lot beslist.

--"Ha, zie die muts! Dezen kant op, mannen!"

't Was de stem van Thierry. De krijgslist van de Welle was gelukt. De
stemmen en de haastige voetstappen verwijderden zich in de richting
van de stad. De vervolgers vermoedden niet, dat de Geuzen, die zij
zochten, zich in hun onmiddellijke nabijheid hadden bevonden.

En nu begon het wachten, het lange, pijnlijke wachten, dat tot den
avond moest duren, want eerst met het vallen van den nacht zouden de
beide Geuzen het durven wagen, hun schuilplaats te verlaten.

Zij zaten op de steenen trap van den donkeren kelder, slechts flauw
verlicht door de kleine openingen in het luik en luisterden naar
de geluiden, die van buiten tot hen doordrongen. Zij hoorden de
voetstappen der terugkeerende vervolgers, hun verwoede en opgewonden
uitroepen, terwijl ieder zijn meening wilde uiten, en raad wilde
geven. Toen werd het voor een poos stil in de straat, maar weldra
klonken er weer voetstappen en stemmen. Blijkbaar had het gerucht
van het gebeurde zich in de stad verspreid en er vormde zich een
kleine oploop van nieuwsgierigen voor de achterpoort in den muur. Zij
konden zelfs van tijd tot tijd de gesprekken der verschrikte burgers
verstaan, althans enkele woorden opvangen. Blijkbaar was de levendige
volksverbeelding reeds aan het werk: de Geuzen hadden een aanslag op
Brussel in den zin. Wilde Geuzen hadden een aanval gedaan op het paleis
van den graaf van Aremberg. Ze hadden de vrouwen willen ontvoeren. Hoe
sterk waren de aanvallers geweest? Tien! Neen, zeker twintig! Een
officier van Noircarmes had ze aan het hoofd van de wacht verdreven...

Maar na een poos werd het stil in de straat. De nieuwsgierigen
trokken af.

Tegen den vochtigen muur geleund, zaten de beide mannen zwijgend
tegenover elkander. Jacob Martens staarde somber voor zich uit,
vol van het gebeurde van dien morgen. Thans eerst was hij voorgoed,
was hij onherroepelijk van de zijnen gescheiden! Zijn moeder had
hem verstooten, Madeleine was voor hem verloren, zijn vader had
zitting in Alva's bloedigen raad. Hij zelf, hij was een balling, een
uitgestootene! Er waren oogenblikken, dat hij haast wenschte, dat men
hun schuilplaats ontdekte. Dan zou 't spoedig voorbij zijn! Een kort,
heet gevecht, een stoot met een piek of een dagge--en zijn strijd
was volstreden, voorgoed.

Maar zulk een oogenblik ging spoedig voorbij. Hij mocht niet in
moedeloosheid het hoofd verliezen. Hij moest leven, als 't zijn kon,
en strijden voor de goede zaak. En thans moest hij waken en zoeken
naar redding, ook ter wille van de Welle, die zich om zijnentwil en
met gevaar van zijn leven in Brussel had gewaagd.

Straks, als de avond was gevallen, zouden zij trachten te
ontsnappen. Natuurlijk zou de wacht aan de poorten der stad zijn
gewaarschuwd en er zou scherp worden gelet op allen, die Brussel
verlieten. En naar hun herberg terug keeren konden zij niet. Maar
zij hadden op de mogelijkheid van ontdekking gerekend, en hun plan
was gemaakt. Zij hadden den vorigen dag voorzichtig de omgeving
verkend. Zij moesten over den stadsmuur pogen te ontkomen.

Pieter de Welle stoorde zijne overpeinzingen niet. Hij begreep wel,
wat er in het hart van den jonker omging. Het gevaar, waarin hij
verkeerde, deerde hem niet en hij dacht er niet aan, Jacob Martens
iets te verwijten. De onderneming was dwaas en roekeloos geweest. Dat
had hij steeds geweten en toch was hij zijn jongen aanvoerder gevolgd,
den eenige, om wien hij nog aan het leven hechtte. Als hij straks aan
zijne zijde moest vallen, dan zou het goed zijn. God mocht zijn ziel
genadig wezen, en--eerst zou hij toch nog wel een paar Spanjolen of
Spanjolenvrienden neerleggen.

Van onder zijn kiel haalde hij een paar lange pistolen te voorschijn,
met een kruithoorn. Bij het flauwe licht, dat door de getraliede
openingen in het luik viel, schudde hij droog kruit op de pan en
liet het lontslot spelen. Straks, als zij den kelder verlieten,
zou hij de lonten aansteken.

En ondertusschen luisterde hij scherp naar wat er buiten voorviel.

Zoo verliepen de trage uren, terwijl de beide mannen nauwelijks een
woord wisselden. Eindelijk begon de avond te vallen. De Angelus-klok
van de Sinte Gudula werd geluid, weldra gevolgd door de klokken van
alle kerken en kloosters der stad. Weldra zou 't donker genoeg zijn,
om hun plan te volvoeren.

Plotseling schrikten de beide Geuzen op. Er klonken zware voetstappen
door de straat, marcheerende op de maat. Daar was wapengekletter en
een kort commando. Daar naderden soldaten! Zou men door eenig toeval
hun schuilplaats hebben ontdekt?

De voetstappen hielden stil. Weer een kort bevel en de troep
verwijderde zich, maar er klonken nog altijd zware schreden, langzaam
op en neer, blijkbaar van twee soldaten, die heen en weer liepen en
van tijd tot tijd hoorde men hen hun pieken neerzetten op de keien.

--"Een wacht!" fluisterde Jacob en de Welle knikte toestemmend.

Blijkbaar werd de achterpoort door gewapenden bewaakt.

De twee mannen verkeerden in een hachelijken toestand. Zij konden
den kelder niet verlaten, zonder door de schildwachten te worden
bemerkt. Toch restte hun nog één kans. Zij hadden met Tiest Stoffelsz
afgesproken, dat deze in den laten avond onder eenig voorwendsel naar
de brouwerij zou terug keeren, en, ter wille van zijn eigen veiligheid,
den boom weer voor het luik zou leggen, wanneer zij den kelder hadden
verlaten. Nu moesten zij op hem wachten. Hij moest hen door de donkere
kelders leiden en hen op straat brengen.

Het werd nacht. De soldaten daar buiten waren reeds eenmaal
afgelost. Eindelijk hoorde men zachte, schuifelende voetstappen en
in de verte blonk het flauwe schijnsel van een lantaarn.

Jacob begreep, dat een lichtstraal door de luchtgaten van het luik
hen zou kunnen verraden. Haastig tornde hij met zijn mes de voering
van zijn wambuis los en scheurde er een paar lappen af, waarmede de
openingen werden dicht gestopt.

Tiest Stoffelsz was niet weinig verrast en ontsteld, toen hij de
beide Geuzen nog in den kelder vond. De arme man beefde over al
zijn leden, wanneer hij weer dacht aan het gevaar, dat hem dreigde,
als zijn gevaarlijke gasten zouden worden ontdekt en het zou blijken,
dat hij hen geholpen had. Sidderend luisterde hij naar de voetstappen
der soldaten, die daar buiten de wacht hielden.

Jacob Martens slaagde er echter in, hem den toestand te doen begrijpen,
en hem duidelijk te maken, wat men van hem wenschte. Ja, zeker, hij
kon hen door de kelders leiden naar de brouwerij en hen zoo op straat
brengen. En de stadsmuren--ja, die waren dan wel spoedig te bereiken.

Een schichtige blik naar het gesloten luik en Tiest ging hen voor,
door den doolhof der diepe bierkelders, terwijl het flauwe licht
van zijn lantaarn de groote okshoofden verlichtte, waarin het bier
werd geklaard, voor het werd afgeleverd. Zij bereikten de brouwerij
en de open binnenplaats, waar groote stapels tonnen lagen en ledige
wagens op hun vracht stonden te wachten. Van een dier wagens nam de
Welle een lang, niet dik, maar sterk touw mede, dat gebruikt werd om
de tonnen vast te sjorren. Toen opende Tiest voorzichtig een kleine
deur in de poort en de vluchtelingen bevonden zich op straat.

Tiest Stoffelsz wees hun de richting, die zij te volgen hadden, en toen
namen zij met een woord van hartelijken dank afscheid van den braven
brouwersknecht, terwijl zij hem nogmaals verzekerden, hem nimmer te
zullen verraden. Tiest zag hen in de duisternis verdwijnen. 't Was
hem, of hij gedroomd had. Die beiden, met hun zinkroeren en lange
opstekers, dat waren nu twee van die Wilde Geuzen, waarvan men zooveel
schrikkelijks vertelde; dat waren de mannen, die men in de gansche
stad zocht en op wie men lette aan alle poorten.

En hij, hij had hen geholpen en verborgen! Daar stond de paleie op,
en de galg! Huiverend spoedde hij zich huiswaarts.

Ondertusschen slopen Jacob Martens en de Welle vlug en geruischloos
voort door de eenzame, donkere straat in de schaduw der hooge huizen,
brouwerijen, pakhuizen en dergelijke, die zich in dit deel der stad
bevonden. Tiest Stoffelsz had hen nauwkeurig den weg gewezen, dien
zij moesten volgen om den stadsmuur te bereiken. 't Was een donkere,
buiïge herfstnacht, juist een nacht, die hun vlucht mogelijk moest
maken. Zij zaten in Brussel opgesloten als in een val. Er zou naar
de stoutmoedige ballingen, die zich gewaagd hadden tot in de stad,
waar de hertog en zijne regeering verblijf hielden, overal gezocht
worden. Men kende hen thans bij name: vogelvrij verklaarde Geuzen, die
meegevochten hadden tegen de troepen van den Koning bij Austruweel,
hoofden van de benden, die het Zuid-Westen des lands onveilig
maakten. De poorten zouden worden bewaakt en zonder twijfel zou de
bevelhebber van het garnizoen patrouilles zenden, om de stad mede te
bewaken, met de gewone nachtwachten. Als zij gewapenden ontmoetten
en zij werden ontdekt, dan zou geen van beiden den ander in den steek
laten, maar zij zouden vechten tot zij vielen en werd een van beiden
gewond, dan zou de ander hem den laatsten dienst bewijzen door het
toebrengen van een genadestoot. Want zij wisten maar al te wel, wat het
voor hen zou beteekenen, levend in de handen der Spanjaarden te vallen.

Bij het omslaan van den hoek eener zijstraat, die naar hun doel moest
leiden, hoorden zij inderdaad zware voetstappen en het gerammel van
wapenen. Een lantaarn aan een stok wierp een rood, onzeker licht in de
straat. Het oogenblik was daar. Zij konden wel is waar teruggaan in de
richting, van welke zij waren gekomen, maar dat zou hun weinig baten,
want die weg voerde naar de aanzienlijke wijken der stad, waar in
deze dagen zelfs in den laten avond nog menschen op de been waren. De
Welle drukte Jacob een zijner beide zinkroeren in de hand. Hij had de
lonten aangestoken aan de lantaarn van Tiest Stoffelsz, maar droeg
de wapens onder zijn langen kiel, zoodat de glimmende vonken hen
niet konden verraden. Toen liepen zij de straat weder in tot aan een
groote inrijpoort, waar zij in de donkerte van het poortgewelf post
vatten. De twee mannen drukten elkander zwijgend de hand. Sloeg de
patrouille den weg rechts in, dan moesten zij worden ontdekt. Dan zou
het een kort gevecht worden tegen de overmacht en zij zouden vallen
in een ongelijken strijd, want zij zouden zich niet overgeven.

De spanning duurde eenige minuten. Toen sloeg de patrouille links
den hoek der straat om. Het gevaar was voor het oogenblik voorbij.

Met een zucht van verlichting luisterden de Geuzen naar de zich
verwijderende voetstappen. Als zij nu spoedig den muur konden bereiken,
hadden zij een goede kans, want het zou nu zeker eenigen tijd duren
voor er een volgende patrouille voorbij kwam.

Snel en geruischloos liepen zij voort en zie, daar teekende de hooge
stadsmuur zich donker af tegen de lucht. Zij hadden opgemerkt, dat
er hier en daar smalle steenen trappen voerden naar het banket, dat
langs de borstwering op de kruin van den muur liep. Een dier trappen
moesten zij vinden en dit gelukte hun vrij spoedig.

Nu stonden zij op den muur. De Welle ontrolde het touw, dat hij uit
de brouwerij had meegenomen en om zijn middel had gewikkeld. Het zou
zeker lang genoeg zijn.

De vluchtelingen begonnen zoo snel mogelijk knoopen in het dunne
touw te leggen, ongeveer vier voet van elkander. Zoo kregen zij een
stevige touwladder. De Welle haalde de aangescherpte ijzeren staaf
voor den dag, die hem als breekijzer had gediend bij het openen der
tuinpoort. Een groote veldkei had hij in de straat opgeraapt. Nu zocht
hij met tastende vingers naar een voeg tusschen de zware baksteenen,
waarvan de muur was opgemetseld en dreef met een paar forsche slagen
het ijzer er in. Luid klonken de slagen door den nacht. Angstig tuurden
de vluchtelingen naar den kant der stad. Neen, er was geen onraad; nog
niet! Nu werd het touw aan de staaf bevestigd en er ontstond een korte
strijd over de vraag, wie er het eerst gebruik van zou maken. Jacob
weigerde aanvankelijk zich vóór de Welle te redden, omdat deze zich om
zijnentwil in dit gevaar had begeven, maar de Welle beduidde hem, dat
het beter was voor hen beiden. Jacob was jong en slank en veel lichter
dan zijn metgezel. Hij zou gemakkelijk langs het loshangende touw
kunnen afdalen en het dan beneden vasthouden, om zijn makker te helpen.

't Was ondertusschen wat helderder geworden. Hier en daar flonkerden
de sterren aan den bewolkten hemel. De nachtwind floot over de kruin
van den muur.

--"Haast u, jonker!" fluisterde de Welle.

Jacob greep het touw en liet zich zakken. 't Was een moeilijke en
gevaarvolle afdaling, maar hij bereikte gelukkig den grond.

Hij stond nu aan den rand van de gracht.

Het geluk diende hem. Vlak bij hem was een paal, die zeker moest
dienen om er een boot aan vast te leggen. Hij sloeg er het touw om
en gaf het afgesproken teeken. De Welle daalde langs het nu strak
gespannen touw vrij gemakkelijk naar beneden.

Nu moest de gracht nog worden overgezwommen. Gelukkig stond het
water hoog en de beide Geuzen waren sterk en vlug. Zij konden zich
tegen den hoogen kant optrekken en waren nu voor het oogenblik in
veiligheid. Wel bevonden zij zich nog tusschen de buitenste bolwerken,
maar die waren thans niet bezet.

En nu moesten zij trachten zoo spoedig mogelijk het bosch van Soigny
te bereiken, dat ten Zuiden van de stad moest liggen. De sterren
wezen hun den weg, terwijl zij langs veldwegen en door weiden en
akkerlanden hun vlucht voortzetten, steeds zooveel mogelijk de hoeven
rondom de stad vermijdende, om niet door het aanslaan der werfhonden
te worden verraden.

Na een vermoeienden tocht van ruim een uur zagen zij eindelijk de
omtrekken van het zwaar geboomte tegen den bestarnden hemel afsteken
en weldra hadden zij het bosch bereikt. Zij drongen door den breeden
opslag van bleeke berken aan den boschrand, die spookachtig wuifden in
den nachtwind, tot zij het hooge geboomte hadden bereikt. Daar lieten
zij zich nedervallen op den dik bemosten grond. Beide mannen waren
uitgeput en zij hadden eenige uren rust noodig, voor zij hun tocht
konden voortzetten. Voor vervolging behoefden zij niet te vreezen,
althans niet voor het aanbreken van den dag. Dan was het mogelijk,
dat er patrouilles zouden worden uitgezonden, om den omtrek af te
zoeken naar de ontsnapte Geuzen, maar dan zouden zij reeds ver van
Brussel zijn.

Weldra hoorde Jacob Martens de diepe ademhaling van de Welle,
die rustig sliep op het zachte mosbed. Hijzelf kon eerst den slaap
niet vatten. Nog eenmaal doorleefde hij in gedachten den dag van
gisteren. Zoo lag dan nu zijn verleden onherroepelijk achter hem. Hij
had tot nu toe altijd nog gehoopt op een verre toekomst, wanneer--hoe,
wist hij niet en hij kon het zich ook niet indenken--alle ellende, alle
strijd tot het verledene zou behooren, en hij weer met de zijnen, met
Madeleine zou zijn vereenigd. Ja, hij was blijven hopen op Madeleine's
liefde, op haar trouw--door alles heen. En nu was de droom voorbij,
voor altijd! Hij was een balling, een vogelvrij verklaarde. Zijn vader
was lid van den Bloedraad, zijn moeder had hem verstooten, Madeleine
was de zijne niet meer, zijn vroegere vriend had hem willen overleveren
aan den beul. Hij was hun vijand,--hij, de verachte, de gehate Geus!

En bij dat alles klonk daar toch in zijn binnenste het woord,
leefde daar toch de gedachte, die hem staande hield: Getrouw zijn,
getrouw tot in den dood! Want zijn zaak was de zaak van zijn volk,
was de zaak Gods...

't Was al diep in den nacht, toen hij insluimerde, maar trots
zijn vermoeienis was zijn slaap onrustig. Telkens schrikte hij
wakker. Zoodra de morgen begon aan te breken, wekte hij zijn metgezel,
en de beide mannen zetten hun vlucht voort door het uitgestrekte
bosch van Soigny, naar Vlaanderen, om dan langs de hun welbekende
wegen hunne wilde makkers, de Boschgeuzen, weer te bereiken.

Nieuwsgierig keken de woeste gezellen naar hun twee aanvoerders,
die, dat wisten zij wel, zich diep in het door de Spanjolen bezette
land hadden gewaagd. De stoutmoedigsten trachtten de Welle uit te
hooren. Deze vertelde hun bereidwillig genoeg al het nieuws, dat
hij vernomen had over den toestand des lands, de vervolgingen en
de terechtstelling van allen, die op eenige wijze aan den opstand
hadden deelgenomen.

Maar over het doel van zijn tocht met den jonker liet hij zich niet
uit. De mannen zagen, dat jonker Martens ernstiger en stiller was
dan ooit. De jonge aanvoerder trachtte zijn ruwe, ongeregelde bende
aan een zekere krijgstucht te wennen. Hij wilde, dat de mannen zich
oefenen zouden in het gebruik van hunne wapens, maar hij vond niet
veel medewerking bij de ballingen, nu reeds te lang aan een ongeregeld
leven, aan roof en plundering gewoon. Allen wisten het nu wel: Alva
maakte troepen gereed, om de Boschgeuzen, de laatste opstandelingen
immers, aan te grijpen en uit te roeien. Maar tot nog toe waren zij
veilig geweest in hun natuurlijke vestingen. En waren er onder hunne
predikanten geen mannen, die alle voorzorgsmaatregelen van jonker
Martens en andere leiders voor ongeloof uitkreten, en die spraken
van een Gideonsbende, waaraan de Heer der heirscharen de overwinning
kon schenken op de overmacht der Midianieten, de vijanden van God en
Zijn volk?

En zoo wachtten de ongeregelde benden der Wilde Geuzen, de laatst
overgeblevenen van den met zooveel hoop en stouten moed begonnen
veldtocht der Gereformeerden in het Zuiden, de wèlgeoefende en
strijdbare vendels van Alva af.



XVI.


Op een vroegen Octobermorgen lag een roeiboot aan het eenzame strand
tusschen Nieuwpoort en Duinkerken, niet ver van een "slag" in het
duin, een laag punt tusschen de zandheuvels, waar een karrespoor het
pad aanwees, dat de bevolking van het schamele duindorp, dat achter
de hooge toppen verscholen lag, volgde, om de kust te bereiken. Het
was vloed en het vaartuig lag in de eerste strandgolven. Blijkbaar
behoorde het bij een krapschuit, die aan gene zijde van de witte
lijn der branding voor anker lag. In de verte kon men de masten en
de witte zeilen van een grooter schip onderscheiden.

Op het strand stonden twee mannen, gekleed in het grove grein der
Hollandsche schippers. Dat zij echter geen vreedzame visschers waren,
die daar de wacht hielden bij hun boot, bewees hunne uitrusting. Beiden
waren zij voorzien van korte vuurroeren en aan hun gordel hing
een houwer naast het matrozenmes in lederen scheede. Zij staarden
met onrustige blikken naar den duinkant, naar de plaats, waar het
zandspoor zich tusschen de zandheuvels verloor en wisselden van tijd
tot tijd een ongeduldig woord.

Uit de verte, meer naar het Zuiden, klonk nu en dan boven het geluid
van de branding een doffe knal. Er werd naar het scheen gevochten in
het duin. De schoten kwamen nader. De beide mannen wisselden een blik
en er kwam een onrustige trek op hunne verweerde gezichten.

--"Zou dat tegen de onzen zijn?" zeide de jongste.

--"'t Is te ver!" meende de ander. "Er wordt daarginds gevochten. Wat
't zijn kan, weet ik niet. Wie is er zeker van zijn leven in 't land,
nu de vermaledijde Spanjool er huist? Maar ik wou met dat al, dat
ze terugkwamen. Tamme Abels weet toch wel, dat wij den vloed niet
mogen verspelen!"

--"Misschien heeft hij onverwachts buit gevonden!"

--"Buit? In dat visschersnest in de duinen? 't Zal mooi zijn, als
hij wat victualie meebrengt. En dat moet toch, want aan boord is
't geen vetpot. En de François geeft niets af."

--"Die zal 't zelf ook niet breed hebben. Heb maar geduld, oude
brompot. Als we weer een Antwerpschen koopvaarder aanhouden, dan..."

--"Als! als!" viel de oudere zeeman in. "Als Tamme niet gauw komt, zal
hij geen koopvaarders meer aanhouden, maar door een hennepen venster
moeten kijken in plaats van naar schepen in den mastkorf. Die schoten
komen al dichter. Straks zullen we nog moeten vechten om de boot."

--"Maar de "Vrouw Geertruyd"?"

--"De "Vrouw Geertruyd" moet afhouden als de eb begint. Maar hoor,
ze komen er aan."

Er klonk een verward geschreeuw van den kant van den slag, en een
oogenblik later verscheen een troep gewapende mannen in de opening
tusschen de duinen. Een paar van hen droegen een vat aan een draagboom,
anderen waren beladen met bossen gedroogde visch en ronde brooden. Een
jonge kerel, die de aanvoerder scheen te zijn, gaf een kort bevel en
liep toen vooruit naar de boot.

--"Een goede vangst, Tamme?" vroeg de oudste van de beide wachters.

De aangesprokene haalde de schouders op. 't Was een nog jonge man,
met een echten Frieschen kop. Een lang, bleek gezicht, met forsche,
vierkante onderkaak, een harden mond met dunne lippen, waarboven de
knevel nauwelijks te voorschijn kwam. De helle blauwe oogen hadden
een koude, dreigende uitdrukking. Op het stugge, blonde haar droeg
hij een muts van robbevel.

--"Niets dan drinkwater en brood en visch!" zei hij stug. "'t Is een
arm, Paapsch nest!"

--"De mannen zijn op zee!"

--"Ja, de booten zijn uit. Als ze morgen terug komen, zullen ze
't nest leeg vinden."

--"Den brand er in gestoken?"

Tamme Abels haalde onverschillig de schouders op en wees naar het
duin. Een rookwolk verhief zich boven de gele toppen en men rook de
scherpe lucht van brandend stroo.

--"Werd er op jelui geschoten?" vroeg de ander.

--"Neen, er wordt gevochten in 't duin. Spanjolen denkelijk met een
troep Geuzen. Dat zei ten minste een oud wijf in 't dorp. 't Komt
dichterbij!"

--"Kunnen we niet een handje helpen?"

--"Wat gaat 't ons aan? Er is niets bij te verdienen."

Ondertusschen waren de levensmiddelen en het watervat in de boot
geborgen. Een paar rolhouten werden onder de sloep gelegd en de mannen
begonnen haar vlot te maken.

Over het water klonk een doffe dreun en een witte rookwolk hing een
oogenblik over het groote razeil in de verte.

--"De François wordt ongeduldig," zei Tamme Abels. "Vooruit, mannen!"

Dichtbij, in het duin achter hen, klonken de doffe slagen van
busschoten, wegrommelend tusschen de hooge zandheuvels.

Een paar Geuzen grepen naar hunne vuurroeren.

--"Laat staan!" gebood de jonge schipper barsch. "Maakt de boot
vlot. Wij moeten op de "Vrouw Geertruyd" zijn, voor die kerels aan
't strand komen."

De mannen schoven de boot vooruit, tot in de eerste strandgolven,
en sprongen binnen boord, zoodra zij vlot was.

--"Aan de riemen!" zei Tamme Abels, terwijl hij onrustig naar het
strand keek.

In de opening tusschen het duin verschenen twee gestalten. Ze liepen
ijlings in de richting van de boot en wenkten. Een flauw geroep drong
tot de bemanning door.

--"Wacht een oogenblik, Tamme," zei de oudere man, die de wacht had
gehouden bij de boot en die de eenige scheen te zijn, die den jongen
schipper durfde tegenspreken, "'t zijn misschien Geuzen; er moeten
er veel huizen, hier aan de kust."

De bleek-blauwe oogen van den aanvoerder flikkerden onheilspellend,
maar de mannen in de boot schenen hun makker gelijk te geven. Zij
hingen op de riemen en het vaartuig danste op en neer in de eerste
strandgolven.

De beide vluchtelingen hadden het strand bereikt. Ze liepen het
water in en waadden naar de boot. Tegelijk verschenen op de duinen
hier en daar gedaanten en men zag de ijzeren stormhoeden en kurassen
flikkeren in het zonlicht. Een troep gewapenden drong door den slag
en marcheerde snel naar het strand.

--"'t Zijn Spanjolen!" riep de stuurman.

Een paar der Geuzen namen hunne handbussen op en bliezen op de lont.

--"Laat dat!" gromde Tamme. "We kunnen de boot niet laten
afsnijden. Aan de riemen, mannen!"

Maar de vluchtelingen hadden de boot bereikt en werden haastig binnen
boord geholpen. De Geuzen vielen aan de riemen en het vaartuig stoof
door het water. Achter hen klonk luid geschreeuw en een bevelende
stem riep hun iets toe, maar de woorden waren door het geraas der
branding onverstaanbaar.

Een doffe knal dreunde achter hen. Een paar musketkogels snorden over
hunne hoofden. Een paar van de jongeren bukten het hoofd, maar de
twee vluchtelingen, die amechtig op een roerbank waren neergezonken,
keken op en tuurden scherp naar de kust.

--"Jelui hebt kruit geroken!" zei Tamme Abels goedkeurend.

De Fries sprak het Strand-Hollandsch, de gewone taal der zeevarenden,
met een eigenaardig accent. Toch konden de twee geredden hem verstaan.

--"Wij zijn Geuzen van 't leger van Brederode," zei de jongste van
de beiden. "De troepen van Alva hebben onze laatste benden in 't duin
overvallen. Zonder jelui waren we in hun handen gevallen."

Weer klonken geweerschoten van het strand, maar de boot, die thans
danste in de branding, bood een te onzeker mikpunt voor de lompe
vuurwapens. Toch sloeg een kogel in den achtersteven.

--"Dat moeten die nieuwe musketten zijn, die Ducdalf uit Italië hier
heeft ingevoerd," zei de oude stuurman. "Onze handbussen dragen zoo
ver niet."

Een aantal Spaansche soldaten stond thans aan 't strand en keek naar
de boot en de beide schepen. Een paar van hen waren met hunne wapenen
bezig en Tamme Abels, die hen met zijn scherpe zeemansoogen monsterde,
zeide dat het busschieters waren, die hunne musketten laadden.

--"Ze houden ons voor koopvaarders," zei hij grimmig. "Wacht, tot we
op de "Vrouw Geertruyd" zijn!"

De boot schoot door de geul en roeide op de krapschuit toe. Weldra
was de lading binnen boord en de boot op het dek vastgesjord. De
krapschuit was een van die handelsvaartuigen, die gebruikt werden
voor de kustvaart en op de Hollandsche en Zeeuwsche stroomen. Zij
voerde twee masten, een grooten en een kleinen, en had een hoogen
achtersteven, hoewel zij verder tamelijk laag op het water lag.

Thans was het vreedzame koopvaardijscheepje echter voor den oorlog
uitgerust en het zag er grimmig genoeg uit. Op de voorplecht
stond een lang stuk geschut, een culverijn, op een affuit van zware
balken. Een kist, gevuld met kogels, ijzeren maar ook steenen, stond
er naast, en de achterzijde bood ruimte voor een zestal baskamers,
want het stuk werd van achteren geladen, door de baskamer, die de
lading bevatte, in de daartoe bestemde opening te laten zakken en
die dan met ijzeren wiggen en zware beugels te bevestigen. Langs
de verschansing waren rekken aangebracht, waarin korte pieken,
enterbijlen en houwers hingen. In een rek bij den mast stonden een
twaalftal knevelspeten--knotsen of lange knuppels, voorzien van een
vinnige stalen punt [6]--en in een tweede een rij handbussen. Door
middel van boevennetten,--sterke netten van taai touw--die thans langs
de verschansing lagen geschoren, maar in tijd van nood daarboven konden
worden uitgespannen, kon men in het gevecht eene entering voorkomen,
maar de grimmige bemanning, bestaande uit een dertigtal gewapende
zeelieden, was zeker meer den aanval dan de verdediging gewoon! 't Was
wonder, dat het kleine schip zooveel mannen kon bergen. Verscheidenen
waren verminkt of hadden litteekens, enkelen droegen reeds de zilveren
halve maan op de muts, met het veelzeggende opschrift: "Liever Turksch
dan Paapsch!"

Zoodra de boot was vastgesjord, keek Tamme Abels naar het strand, waar
de Spaansche soldaten nog steeds joelend en dreigend bijeenstonden.

--"Klaar bij het stuk!" commandeerde hij.

Een paar zijner makkers plaatsten zich met handspaken bij het stuk,
en richtten het volgens de aanwijzingen van den schipper, die zelf
van den stuurman een brandende lont aan den korten ijzeren lontstok
had overgenomen.

--"Lager! nog lager!" beval hij. "Zóó is het goed!"

Een witte rookwolk, een daverende knal, een schok, die het scheepje
deed steigeren, en de zware kogel snorde over de hoofden der
Spanjaarden, die naar alle kanten uiteen stoven en haastig naar de
duinen weken.

Een luid "hoezee" klonk op het Geuzenschip.

--"Toch nog te hoog!" gromde Tamme Abels spijtig. "Aan het spil,
mannen!"

Het anker werd gelicht en het roer gewend. De Geuzen hielden zich
bezig met het zetten van de zeilen en de "Vrouw Geertruyd" voer
lustig over de schuimende golven van de Noordzee, in de richting,
aangegeven door het groote razeil, dat mede zeil had gemaakt.

--"Wat is dat voor een schip?" vraagde Jacob den stuurman.

--"Onze maat, de "bonne Fortune", een Fransche kaper uit Rotseel,"
zeide de oude man. "Wij hebben "admiraliteit gemaakt", om langs de
Zeeuwsche kust op koopvaarders jacht te maken."

--"En jelui?"

--"Wij zijn Friesche kapers en Geuzen. Ook ballingen, als de jonker
en zijn vriend. We haten Ducdalf, zijn Spanjolen en de Inquisitie. We
zijn uit ons land verdreven en nu leven we van den roof. Er zijn meer
schepen van ons slag in de vaart."

--"En die Franschman? Frankrijk is toch niet in oorlog met Spanje."

De stuurman lachte grimmig.

--"Alsof de Fransche Huguenoten zich daarom bekommerden!" zei hij. "Die
van Rotseel rusten schepen uit en randen den Spanjaard aan, waar zij
kunnen. De Spanjolen en de papen zijn vijanden van allen, die van de
religie zijn."

--"En jelui zijn van de Gereformeerde religie?"

--"Laat de jonker maar eens naar den mastkorf kijken!" lachte Tamme
Abels, die naderbij was gekomen.

Jacob keek naar boven en zag, hoog aan den grooten mast, een
vreemdsoortig voorwerp bevestigd, dat hij met eenige moeite als een
hostiekast herkende, blijkbaar van het altaar van een geplunderde
Roomsche kerk afkomstig.

--"Als wij papen vangen," zei de schipper, "laten we hen hier op
het dek de mis lezen, vóór we ze de voeten spoelen. Ik zeg maar:
als zij hun god Melis hoog vereeren, Tamme Abels vereert hem nog veel
hooger! Hij hangt hem in den mast!"

De Geuzen, die in de nabijheid waren, lachten luide en ook de Welle
knikte goedkeurend. Ruwe bespotting van wat den tegenstander heilig
was, was voor hen allen een zeer gewone zaak. Wanneer een edelman en
een geleerde als Marnix in zijn "Bieenkorf" de Roomsche leeringen en
ceremoniën door het slijk sleurde, wat kon men dan van het onbeschaafde
volk verwachten?

't Was een avontuurlijk leven, dat de stoute gasten, de bemanning
van de kleine krapschuit, voerden. 't Waren eigenlijk niet anders
dan zeeroovers, die rondzwervende Geuzen, en dat wisten zij zelve
zeer goed. Maar zij schaamden er zich volstrekt niet voor. 't Was
een beroep als een ander. Van den ouden stuurman, die gaarne praatte,
als hij er tijd en gelegenheid voor had, vernam Jacob, dat langs de
kusten van de Noordzee, zoowel in Engeland en Schotland als in de
Duitsche landen, Denemarken en Noorwegen, zee- en strandroof bij de
kustbewoners als volkomen geoorloofd gold, en, tusschen het visschers-
en zeevaardersbedrijf door, algemeen werd uitgeoefend. De denkbeelden
uit den ouden Heidentijd waren nog lang niet uitgeroeid. De bewoners
van de kust en van de eilanden leefden van de zee. Wat die hun bracht,
was hun buit. Op zee gold geen wet en geen recht, dan het recht van den
sterkste. Een Terschellinger vertelde, hoe hij en zijne dorpsgenooten
de koopvaarders in donkere, stormachtige nachten deden stranden,
doordat ze een koe, met den kop aan de voorpooten gebonden en een
lantaarn tusschen de hoorns, over het duin joegen, zoodat de zeelieden,
die het dansende schijnsel zagen, meenden, dat het het toplicht
van een schip was, dat daar een veilige ligplaats, had gevonden. 't
Verhaal werd luid toegejuicht. Strooptochten te land, tegen kerken
en kloosters, als er gelegenheid toe was, maar ook tegen weerlooze
visschersdorpen langs de Hollandsche kusten, die werden geplunderd en
gebrandschat, waren voor deze zeewolven een gewoon bedrijf. Hun hand
was tegen allen en de hand van allen was tegen hen, en hun aanvoerder,
de jonge Tamme Abels, met zijn hoekigen Frieschen kop en zijn koude,
staalblauwe oogen, ging hun in woestheid en wreedheid voor.

't Scheen, dat de schipper begreep, dat zijne gasten van een ander
slag waren, dan hij en zijne makkers. De vreemdelingen waren
gastvrij ontvangen en hadden hun deel gekregen van den soberen
scheepskost,--hard brood, gedroogde visch en bier, maar in den loop
van den dag trad Tamme Abels Jacob op zij en stelde hem voor, hem naar
den Franschen kaper te laten brengen, waar hij zeker goed ontvangen zou
worden. De krapschuit was toch al overbemand; plaats in de slaapkribben
was er niet. Op het groote razeil zou dat alles beter gaan.

Jacob en de Welle stemden toe en de krapschuit hield op den Franschman
en heesch een sein, dat van het razeil beantwoord werd. Het groote
schip loefde op, tot de beide vaartuigen elkander tot op betrekkelijk
korten afstand genaderd waren. De boot werd gestreken en bemand,
en weldra stonden de beide Vlamingen met Tamme Abels, die hen had
willen vergezellen, op het achterdek van den Franschen kaper.

Ze werden er ontvangen door den kapitein, die zich een oogenblik
verwonderd toonde, toen Jacob Martens hem in beschaafd Fransch
aansprak, maar zich onmiddellijk herstelde en zich hoffelijk bekend
maakte als de sieur d'Esprenay, commandant van het goede schip "la
bonne Fortune" van La Rochelle, en verklaarde, dat zijne beide gasten
hem welkom waren. Toen verontschuldigde hij zich, omdat hij nog iets
met Abels te bespreken had. De beide bevelhebbers bedienden zich
van het Strand-Friesch, hetzelfde dialect, dat de Friesche Geuzen
met de Vlamingen spraken en dat veel overeenkomst vertoonde met het
Strand-Engelsch, en, als de algemeene zeemanstaal op de Noordzee en
hare kusten, door alle zeelieden verstaan werd. Weldra was het gesprek
geëindigd en keerden de Friesche Geuzen naar de krapschuit terug.

De sieur d'Esprenay verzocht zijne beide gasten hem naar zijne kajuit
te volgen. Hij bleek een Huguenoot, die, zooals velen van zijn tijd- en
geloofsgenooten, aan een oprechte liefde voor de Gereformeerde religie,
een bitteren haat tegen de Roomschen en vooral tegen de Spanjaarden
paarde. Hij was de jongere zoon van een verarmd, adellijk geslacht
en had een kaper uitgerust, om zijn fortuin op zee te beproeven. Een
zeeroover was hij niet: de Engelsche koopvaarders, de schepen der
oude Duitsche Hanzesteden liet hij ongemoeid. Maar Spanje was in
die dagen de eerste zeemogendheid en de Nederlandsche erflanden van
Koning Philips waren rijk. De Spaansche en Nederlandsche koopvaarders
werden door de kapers van la Rochelle genomen en gerantsoeneerd, al
was Spanje niet met Frankrijk in oorlog. De Huguenoten hielden Philips
met zijne Spaansche Inquisitie voor hun doodsvijand en lachten om de
protesten en bedreigingen van de Regeering te Parijs.

Dit alles vertelde de sieur d'Esprenay aan zijn beide gasten, nadat hij
met hoffelijke belangstelling naar het verhaal hunner lotgevallen had
geluisterd. Hij was een vurig bewonderaar van den admiraal de Coligny
en hij troostte Jacob Martens met de hoop op een bondgenootschap
van den Prins van Oranje en de hoofden der Huguenoten, dat in die
dagen algemeen werd verwacht. Hij beschouwde den zee-oorlog, dien
hij voerde, als een eerlijken krijg tegen den gemeenschappelijken
vijand der religie. Tamme Abels en zijne Friesche Geuzen waren in
zijne oogen vilains en zeeroovers, maar hij had "admiraliteit met hen
gemaakt", omdat zij de Zeeuwsche en Vlaamsche wateren en kusten goed
kenden en hij verwachtte Spaansche en Nederlandsche koopvaarders, die,
vóór de winterstormen begonnen, de haven van Antwerpen zouden willen
bereiken. Nadat hij vernomen had, dat Jacob Martens bij Austruweel
als officier in het leger van Brederode had meegevochten, bood hij
hem terstond een plaats als cadet op de "bonne Fortune" aan. De Welle
zou als contre-maître deel uitmaken van de bemanning. De zeevaart en
den oorlog ter zee zouden mannen van ervaring als zij spoedig leeren,
verzekerde de hoffelijke Franschman met een glimlach.

De beide mannen sloegen toe. Waarheen zouden zij anders gaan,
ballingen als zij waren? En het zou immers gaan tegen den Spanjool,
den onderdrukker van hun land en den vijand der religie?

En nu verontschuldigde zich de sieur d'Esprenay. Hij had zijn plichten
als bevelhebber en schipper. Hij noodigde Jacob Martens voor het
avondmaal aan zijn tafel. Tot zoolang konden zijne gasten het schip
bezichtigen. Den volgenden dag zouden zij hun dienst aanvangen. Met
een beleefde buiging nam hij afscheid van hen.

Van de ontvangen vergunning maakten de beide mannen gaarne gebruik. Ze
hadden in de haven van Antwerpen de groote handelsschepen zien liggen:
Spaansche en Portugeesche kraken en galjassen; Duitsche hulken en
korveelen, maar zij hadden zich nimmer op zulk een groot vaartuig
bevonden.

De "bonne Fortune" was, als de meeste oorlogsschepen van die dagen,
een koopvaarder, uitgerust tot den krijg ter zee. 't Schip had
een grooten mast, met machtige raas en stengen en een veel lageren
bezaans- en fokkemast. De achtersteven was zeer hoog uitgebouwd. In
het achterschip bevonden zich de versterkte kajuit van den kapitein,
de kruitkamer, het wapenmagazijn en het logies voor de officieren.

Midscheeps lag de "bonne Fortune" vrij laag op het water. De voorplecht
was weer iets hooger en op het voordek bevond zich eveneens een stevig
getimmerte van eiken balken en planken, van schietgaten voorzien en
bestemd voor het logies van de onderofficieren en voor de verdediging
van het schip.

De "bonne Fortune" voerde achttien stukken, volgens de gewoonte van den
tijd van uiteenloopend kaliber. 't Waren grootendeels korte ijzeren
kartouwen en halve kartouwen. Op den voor- en achtersteven bevonden
zich een paar koperen draaibassen van kleiner kaliber, Spaansche
pattararo's, vermoedelijk afkomstig van een buitgemaakten, gewapenden
koopvaarder. De marsen van den grooten mast waren versterkt en voorzien
van zware bussen. Van hieruit kon men, bij een scheepsgevecht, het
dek van den vijand met musketvuur en handgranaten bestoken. Langs
de verschansing lagen, opgerold en weggestouwd, "de boevenetten",
die werden opgehaald en gespannen, om een entering te voorkomen of
af te slaan. In rekken, bij den grooten mast, stonden bussen, van
verschillend kaliber en van allerlei soort: van de eenvoudige arquebuse
of handbus tot de lange, zware Spaansche haakbus, die toen in gebruik
begon te komen, en in het wapenmagazijn bevonden zich korte pieken,
enterbijlen en houwers, voor de enteraars.

Uit alles bleek, dat de sieur d'Esprenay een commandant was, die
orde en tucht op zijn schip wist te handhaven. De wapenen waren goed
onderhouden en blank gepoetst.

De bemanning maakte een flinken indruk, al was zij uit zeer
verschillende bestanddeelen samengesteld. Bedaarde, ernstige
Normandiërs werkten er naast forsche Bretons en kleine, levendige
Picardiërs. 't Waren weer heel andere mannen, dan de Hollanders en
Friezen, die hij voor korten tijd verlaten had, en zij waren beter
aan krijgstucht gewend, dan de woeste zeeroovers van Tamme Abels.

Toen de avond begon te vallen, en de lantaarns werden uitgehangen,
kwam een hofmeester jonker Martens waarschuwen, dat de kapitein
hem wachtte. Een matroos bracht de Welle naar het verblijf der
onderofficieren.

De sieur d'Esprenay stelde Jacob aan zijn luitenant voor, die de
maaltijden in de kajuit gebruikte. 't Was een lange, zwijgende
Huguenoot, uit La Rochelle, een man met een barsch uiterlijk,
maar, zooals de kapitein hem later verzekerde, een dapper man en
een uitstekend zeeman. Aan het benedeneind der tafel stond een nog
jong man, in 't zwart, met een platte, vierkant gesneden kraag van
wit linnen, dien de commandant met een handbeweging voorstelde als
M. le ministre. 't Was de predikant van het schip, want, evenals de
latere Watergeuzen, hadden deze Fransche kapers steeds een geestelijke
aan boord.

Men ging aan tafel, nadat de predikant een kort gebed had
uitgesproken. De sieur d'Esprenay wilde blijkbaar gaarne meer van
zijn gast weten en hij lokte door handige vragen Jacob uit, hem zijne
geschiedenis te verhalen. De Franschman was goed op de hoogte omtrent
wat er in de laatste jaren in de Nederlanden was voorgevallen. De
aanslag op de Zeeuwsche steden zou volgens hem een goed plan zijn
geweest, als er een algemeene opstand op had kunnen volgen. Maar de
onderneming was niet goed voorbereid. De slag bij Austruweel,--bah! une
bêtise! Jammer, bloed te vergieten en de beste krachten op te offeren
voor een onderneming, die geen kans had van slagen. Brederode? Een
dapper man, maar geen veldheer en nog minder staatsman. De opstand van
Valenciennes? Al even ondoordacht en onvoorbereid! Werk van dwepende
predikanten en hun aanhang. Toch achtte hij de zaak der Vlaamsche,
Brabantsche en Hollandsche Gereformeerden nog niet verloren, zelfs
niet sinds de komst van Alva, maar zij moesten zich aansluiten bij de
Coligny, bij de Fransche Huguenots, tot een machtige protestantsche
partij, die zoowel de Guises als Philips ontzag zou inboezemen en
die steun zou ontvangen van Engeland.

Dat was blijkbaar ook de meening van Oranje, want hij onderhandelde
met de hoofden der Huguenots.

En Jacob luisterde, en stemde toe en verwachtte, als al zijn
tijdgenooten, véél van zulk een verbond. En geen van de beide mannen
kon toen gissen, welk lot binnen weinige jaren de Coligny en de
zijnen zou wachten, en dat de zaak der vrijheid en der Reformatie ten
slotte geen andere voorvechters zou hebben dan de zonen der zwakke
Nederlandsche gewesten zelve, en dat die gewesten geen anderen
bondgenoot zouden hebben, dan dien van Willem van Oranje,--den
Potentaat der Potentaten.

Den volgenden dag aanvaardde Jacob Martens zijn dienst als officier
op de "bonne Fortune" en hij zou weldra gelegenheid hebben, kennis
te maken met den bloedigen zeeoorlog der Fransche en Nederlandsche
kapers tegen Spanje.

Het weder bleef fraai en de zee was kalm en vlak. Met een lichten bries
uit het Noorden stevende het groote razeil, statig voortglijdende
over het water, langzaam in de richting van het Kanaal. Men kon den
geheelen nacht het toplicht van de krapschuit duidelijk waarnemen, die
dichter onder de kust kruiste. Jacob Martens deelde de wacht van den
kapitein: hij moest nog aan den dienst op een schip van oorlog wennen.

Toen de dag aanbrak werd een uitkijk geplaatst in het "kraaiennest",
een ton in den top van den grooten mast, om uit te zien naar de
koopvaarders, die de kapers verwachtten. Tegen tien uur in den morgen
klonk de lang verbeide waarschuwingskreet: een zeil vooruit!

De lange luitenant--de man heette Thierry, maar de matrozen noemden
hem "le Goëland", de Meeuw, om zijn scherp gezicht,--enterde langzaam
naar boven, en bleef een poos bij den matroos in den mastkorf. Toen
klom hij even bedaard naar beneden, begaf zich naar de campagne
en rapporteerde den sieur d'Esprenay, dat vooruit een groot schip
tegen den wind laveerde, een kraak, naar haar tuigage te oordeelen,
waarschijnlijk een Spanjool.

Met een tevreden grimlach beval de kapitein de krapschuit te seinen en
alles klaar te maken voor het gevecht; want de Spaansche koopvaarders
waren gewoonlijk gewapend en aan moed ontbrak het hun bemanning niet.

Een luid gejuich ging op onder de matrozen, die bij het achterdek
opeengedrongen stonden, om op de bevelen van den commandant te wachten
en allen togen aan het werk. Onder toezicht van den luitenant en Jacob
Martens werden de stukken losgesjord en geladen, de baskamers werden
evenzeer geladen en bij de kanonnen geplaatst, een aantal schutters
met handbussen en armborsten begaven zich naar het voorkasteel,
anderen bemanden de marsen, terwijl de korte pieken, enterbijlen en
houwers werden rondgedeeld. En inmiddels doorkliefde de "bonne Fortune"
statig de golven en naderde meer en meer haar prooi.

Langzaam dook de romp van het schip uit de golven op. Er was geen
twijfel aan: een Spaansche kraak!

Een kort bevel klonk van de campagne van de "bonne Fortune". Een
kanonschot donderde over de golven. Tegelijk liet de sieur d'Esprenay
de koningsvlag met de lelies van Frankrijk waaien, terwijl aan den
fokkemast de vlag van den kapitein werd geheschen: drie gulden baren
op lazuren veld.

Een oogenblik van spanning: toen een schorre juichkreet van de
bemanning van de "bonne Fortune". Aan den grooten mast van de kraak
woei het St. Andrieskruis van Spanje. Maar inmiddels had de Spanjool
begrepen, welke gevaarlijke vijand daar naderde. Er was leven en
beweging op het dek en in de tuigage.

--"Hij wendt! Hij wil ons ontloopen!" zei de sieur d'Esprenay tot
Jacob Martens.

En inderdaad scheen de kraak een poging tot ontvluchting te willen
wagen. Hij had den steven gewend en zeil bij zeil bedekte de breede
raas. Ook de "bonne Fortune" zette alle zeilen bij, die de masten
dragen konden.

--"Hij wil trachten de haven van Duinkerken binnen te loopen," meende
de kaperkapitein. "Maar 't zal hem niet gelukken!"

Ondertusschen scheen het, alsof de omstandigheden het Spaansche
schip gunstig waren. De bries, die de "bonne Fortune" zoo statig over
het water deed glijden, verflauwde meer en meer. Er was bijna geen
wind. De zeilen hingen slap tegen de masten.

De beweeglijke Franschman liep driftig op zijn campagne heen en
weer. De Spanjool was nog niet onder het bereik zijner kanonnen.

De mannen stonden met de brandende lont in de hand bij de stukken en
keken vragend naar den luitenant. Deze schudde het hoofd.

--"Te ver!" zei hij kortaf. "Wij moeten fluiten om den wind!"

Eensklaps hield hij de hand boven de oogen.

--"Bravo, les Frisons!" riep hij uit.

De kapitein van de kraak had, in zijn ijver, om den kaper te
ontkomen, niet gelet op de kleine krapschuit, die schijnbaar argeloos
voortzeilde, dicht onder de kust, zooals een visscher zou doen, die,
met zijn vangst aan boord, huiswaarts keerde. Tamme Abels had zijn
culverijn met een zeil bedekt en de grootste helft zijner Geuzen last
gegeven, zich in het vooronder schuil te houden. Het lichte en vlugge
vaartuig was de kraak ongemerkt al meer en meer genaderd. Nu de wind
ging liggen, zag men, dat de zeilen werden ingenomen; over het lage
gangboord plonsten twee korte riemen aan de loefzijde in het water. De
krapschuit veranderde van koers en hield op den Spanjool aan. Tamme
Abels wierp het masker af. Zijn mannen waren op de voorplecht bezig
met het lange kanon, en de schuit, nu in een galei veranderd, naderde,
trots de windstilte, de kraak al meer en meer.

Dit had "le Goëland" gezien en vandaar zijn uitroep.

De geheele bemanning van de "bonne Fortune" was aan de lijzijde van
het schip samen gedrongen om naar de bewegingen van het stoutmoedige,
kleine vaartuig te zien. Weldra was de kraak binnen het bereik van
het lange stuk. Een witte rookwolk--en eenige oogenblikken daarna
dreunde een doffe knal over de golven.

--"Te laag!" mompelde de luitenant, die alles scheen te zien.

Men zag een rookwolk aan de lijzij van de kraak opgaan en weer klonken
er een paar flauwe slagen.

--"De Don wil vechten, mon capitaine!" zei luitenant Thierry. "Hij
voert lichte caronnades. Maar ze worden slecht bediend!"

--"'t Zal hem niet veel baten!" meende de sieur d'Esprenay. "Ha,
een goed schot!"

Weer schoot een witte rookwolk van de voorplecht der krapschuit omhoog
en nog vóór men den knal van het zware stuk hoorde, zag men den grooten
mast van de kraak waggelen, nog een oogenblik en het gevaarte sloeg met
zijn wolk van witte zeilen over boord. Het groote schip lag reddeloos.

Een luide juichkreet ging op aan boord van den kaper. De buit kon
hun niet meer ontgaan.

--"Wind! Geef wind, Seigneur Dieu!" riep de sieur d'Esprenay
stampvoetend. "De Friezen gaan anders met de eer en den buit strijken."

En inderdaad scheen zijne vrees niet ongegrond. Nog éénmaal klonk
de doffe donder van den culverijn over de zee en toen schoot de
krapschuit weg in de schaduw van het groote schip, en men hoorde
flauw in de verte de slagen der handbussen en het gejoel van den
strijd. Tamme Abels en de zijnen hadden de kraak geënterd.

--"Heeft hij gestreken?" vraagde de kapitein.

Luitenant Thierry schudde ontkennend het hoofd en wees naar de
kraak. Aan den bezaansmast woei weer de Spaansche koningsvlag. De
Spanjaarden wisten, wat hun wachtte en zij zouden zich tot het
uiterste verdedigen.

--"Ha, eindelijk wind!" riep de sieur d'Esprenay.

De hemel was niet zoo strak blauw meer. Er vertoonden zich witte koppen
aan den horizon. Een donkere streep kroop uit het Noord-Westen over het
water en daarachter vertoonden zich witte koppen. De "bonne Fortune"
helde licht over onder den druk van de bries.

Het fluitje van den bootsman gilde. De matrozen klommen in het want,
om de raas naar den wind te brassen en de "bonne Fortune" schoot als
een roofvogel op haar prooi af.

Van de stukken kon geen gebruik worden gemaakt, want op het dek woedde
een hevig gevecht en men kon geen vrienden van vijanden onderscheiden,
maar de marsen waren bemand en de matrozen van den kaper stonden
gereed, om den vijand te enteren.

Toen men naderde, kon men den stand van het gevecht
onderscheiden. Hoewel zij verre in de minderheid waren, drongen
de Geuzen onversaagd, met bijlen, knevelspeten en messen op de
Spanjaarden in, die zich op de achterplecht om hun kapitein hadden
geschaard en zich dapper verdedigden. Weldra begonnen nu echter de
busschieters uit de marsen van de "bonne Fortune" aan den strijd deel
te nemen. "Le Goëland" had een van de patteraro's op den achtersteven
met schroot en gekapt lood doen laden. Hij zelf bediende het stuk en
toen de kaper de kraak langs zij schoot, richtte hij het lichte kanon
op de donkere groep der Spaansche zeelieden en brandde los. Op zoo
korten afstand deed het schroot een verschrikkelijke uitwerking. Vele
Spanjaarden vielen en de overigen geraakten in verwarring en zochten
hun heil in de achterkajuit. Luid juichend drongen de Friezen vooruit
en toen een oogenblik daarna de enterdreggen van de "bonne Fortune"
vasthaakten in het want van de kraak en de Fransche kapers als katten
over de verschansing klauterden, was de strijd spoedig beslist. De
meeste Spanjaarden waren gevallen, de overigen werden ontwapend
en gaven zich over. Onder een luid gejuich werd de Spaansche vlag
gestreken en de overwinnaars drongen in de kajuiten en in het ruim,
om den buit op te nemen.

Na eenigen tijd voegden zich luitenant Thierry, Tamme Abels en Jacob
Martens bij den sieur d'Esprenay op het achterdek van de "bonne
Fortune" en er werd een soort van officierenraad belegd. De buit
was aanzienlijk, want de kraak was geladen met huiden en Spaanschen
wijn en men had daarenboven een groote som baar geld gevonden,
die bestemd was voor een der handelshuizen te Antwerpen. Indien men
het schip naar een Engelsche haven had kunnen opbrengen, zou men de
lading tot hoogen prijs hebben kunnen verkoopen. De kaperkapitein
en Tamme Abels achtten het avontuur echter te gevaarlijk. Men was te
dicht bij Duinkerken en uit die haven konden elk oogenblik gewapende
schepen komen opdagen, om de stoute zeeschuimers hun prooi afhandig
te maken. Er werd dus besloten, het geld en de gevonden kostbaarheden
terstond te verdeelen, de lading zooveel mogelijk te bergen en dan
de kraak in brand te steken.

Over de verdeeling van den buit was men het spoedig eens.

Aan de Geuzen van Tamme Abels kwam de eer toe, het vijandelijke
schip het eerst te hebben geënterd en de Fransche kapitein was te
edelmoedig hun die te betwisten. De zaak was spoedig tot algemeen
goedvinden geregeld.

En ondertusschen had er op het dek van de kraak een droevig tooneel
plaats. De gevangen genomen Spaansche matrozen stonden bleek en
zwijgend op het achterdek bijeen, bewaakt door gewapende kapers
en Geuzen, die de overwonnen vijanden met ruwen spot hoonden. De
gevangenen wisten trouwens wat hun te wachten stond. 't Was een ruwe
tijd en volgens het oorlogsrecht op zee was er geen genade voor den
overwonnen vijand, wanneer hij niet door een rantsoen zijn leven
kon koopen. Eerst werden de gewonde Spanjaarden onder luid gelach en
verwenschingen over boord geworpen en toen begon het laatste bedrijf
van het bloedig drama. Een lange plank werd aangesleept en over de
verschansing gestoken, zoodat het langste eind buiten boord stak,
en de gevangenen werden één voor één genoodzaakt die noodlottige
brug te betreden. Nog voor het einde was bereikt, wipte de plank
en het slachtoffer stortte in het water, onder luid gejuich van
zijn beulen. Sommige Spanjaarden gingen kalm en moedig den dood
tegemoet, anderen smeekten om genade en moesten met de punt van de
enterpieken en bootshaken de plank opgedreven worden. Sommigen hadden
hun rozenkrans voor den dag gehaald en wachtten biddend tot de beurt
aan hen zou komen, en dezen werden door de Geuzen hoonend naar de
hostiekast in den mast van de krapschuit gewezen, waar immers hun
God woonde. Weldra waren de Spanjaarden in de golven verdwenen. Men
had hun "de voeten gespoeld".

Een paar ongelukkigen, die zwemmen konden, hielden zich boven water
en trachtten zelfs tegen het lage boord van de "bonne Fortune"
op te klauteren, maar met pieken en handspaken werden zij terug
gestooten en zonder medelijden zag men hen worstelen met den dood,
tot zij uitgeput wegzonken in het woelige water.

Een jong Spaansch matroos, bijna nog een knaap, rukte zich los, toen
de beurt aan hem kwam. Met een sprong was hij op de verschansing van
de kraak en van daar in het want van de "bonne Fortune". Vóór de hem
vervolgende kapers hem konden grijpen, had hij het achterdek bereikt
en liet zich neervallen voor de voeten van den Franschen edelman,
wiens voeten hij omklemde.

--"Misericordia! Per l'amor de Dios!" gilde hij in doodsangst.

Maar een paar der Fransche matrozen, met Pieter de Welle aan het hoofd,
waren hem nagerend en sleurden hem overeind.

De kaperkapitein haalde de schouders op. Jacob Martens deed een stap
vooruit en sloeg onwillekeurig de hand aan den degen.

--"De Welle!" riep hij dreigend. "Laat den jongen, of..."

--"Mieke was ook nog jong!" beet de oude Geus hem onbarmhartig
toe. "Voort met den Spanjool!"

De luitenant greep Jacob bij den arm.

--"Laat dat, jonker!" zei hij met gedempte stem. "De mannen zijn in
hun recht en zouden u niet gehoorzamen."

En onder luid gejuich werd het gillende en worstelende slachtoffer
voortgesleurd naar de noodlottige plank.

Bleek en vol afschuw wendde Jacob zich af. Hij had mede de kraak
geënterd en in het gevecht had hij zich dapper geweerd, maar deze
koelbloedige moord, gepleegd op weerlooze gevangenen en gewonden,
deed hem huiveren. De sieur d'Esprenay merkte het op.

--"Geen prettig gezicht, jonker Martens," zei hij luchtig. "Maar
wat wilt gij? 't Is zóó het gebruik en het recht van de zee! En
dan,--heden zij, morgen wij! Als wij in de handen van de Spanjolen
waren gevallen, zouden ze ons ook niet hebben gespaard! Den strop of
het water! Of in het gunstigste geval, roeien op de Spaansche galeien,
met de zweep van den opzichter op onze bloote ruggen! Dat is erger
dan de dood! Maar dat is het leven van den zeeman! Wij en zij, wij
weten wat ons te wachten staat, als wij de zwaksten zijn. 't Is een
ruw leven,--maar ge zult er wel aan wennen."

Luitenant Thierry en Tamme Abels kwamen rapporteeren, dat het schip
was geplunderd en de buit verdeeld en zoo goed mogelijk geborgen. De
kaperkapitein knikte goedkeurend. De Friezen en een paar matrozen van
de "bonne Fortune" gingen met brandende lonten en oud geteerd touwwerk
aan boord van de kraak. Weldra steeg uit het ruim een dunne rookzuil
op. Ondertusschen had de bemanning van den kaper de enterdreggen
losgemaakt. Toen allen weer aan boord waren, werd terstond afgehouden
en zeil gemaakt. De beide schepen zetten koers naar het Zuid-Westen,
om een der naastbij liggende Engelsche havens te bereiken, waar zij
hun buit van de hand konden doen. Weldra sloegen de vlammen uit het
ontredderde Spaansche schip. Als een reusachtige vuurbaak dreef het,
bij het vallen van den vroegen herfstavond, op de woelige zee en
de koningsschepen uit Duinkerken konden, als zij lust hadden, komen
zien naar het werk der koene kapers, die bij tientallen de Noordzee
en hare kusten onveilig maakten en die weldra den gevreesden naam
van de Watergeuzen zouden dragen.



XVII.


De Zeeuwsche of Vlaamsche visschers of kustvaarders, die in den
morgen van den 30sten Maart 1572--Palmzondag--op de Noordzee,
ter hoogte van Duinkerken, rondzwalkten, zouden in 't Zuiden zeil
op zeil aan den horizon hebben zien opdoemen, een talrijke vloot,
die door den krachtigen Zuid-Westenwind voortgedreven, met volle
zeilen uit het Kanaal kwam stevenen. En wanneer hij aan masten en
stengen de kleuren had kunnen onderscheiden, het Oranje-blanje-bleu in
drie, zes of zelfs negen banen, dan zou hij haastig het roer hebben
gewend, om de beschermende nabijheid der zandbanken aan de kust op
te zoeken. Want die kleuren--weldra het symbool der vrijheid en der
verlossing uit vreemde dwingelandij--waren thans voor hem nog een
bedreiging; immers zij, die ze voerden, ontzagen ook de schepen en de
have van den landgenoot niet, dien zij als bewoner van de erflanden
van den Spaanschen koning als vijand beschouwden. En terwijl hij alle
zeilen bijzette, om uit het vaarwater der snel naderende schepen te
komen, zou hij wellicht met een verwensching de vuist hebben gebald
en een naam hebben gemompeld, die de zeevarenden en de bewoners der
Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche kusten sedert eenige jaren met
vreeze vervulde: de Watergeuzen!

De Watergeuzen! De ballingen, die, uit het land hunner geboorte
verdreven, op zee een toevluchtsoord hadden gezocht en in den
zeeroof een middel van bestaan, waren verbazend snel in aantal
toegenomen. Eerst eenzame zwervers, hadden zij zich weldra tot
kleine eskaders vereenigd, sterk genoeg om de vloten van gewapende
koopvaarders aan te vallen, om roof- en plundertochten te land te
ondernemen. Zoo waren zij de schrik der zeeën geworden, een gevaar
voor den handel en de scheepvaart, en de weinige Placaetschepen,
waarover Boschhuyzen, Alva's admiraal, kon beschikken, waren niet
voldoende om de vlugge, stoutmoedige kapers te bedwingen, die
in Embden en La Rochelle, in Duins en in Dover vrijhavens vonden,
waar zij hun buit te gelde konden maken, en zich van mondvoorraad en
munitie konden voorzien.

Toen was de Prins op het denkbeeld gekomen, om deze woeste, maar
dappere mannen te organiseeren en hun roofzucht dienstbaar te maken
aan de zaak der vrijheid. In 1568 had Lodewijk van Nassau de eerste
"bestellingen ter zee" uitgereikt aan Diederik van Sonoy, kaperbrieven,
die de tuchtelooze piraten tot oorlogvoerenden maakten, in den dienst
van den Prins van Oranje, een onafhankelijk Vorst des Rijks, tegen
Alva en diens aanhangers, ook tegen de Spanjaarden, al werd koning
Philips II in naam nog erkend als de wettige vorst dezer landen. De
Watergeuzen zouden zich aan een zekere tucht onderwerpen. Adriaan van
Bergues, Heer van Dolhain, werd door den Prins benoemd tot admiraal
der nieuw geschapen zeemacht en er werd een buitregeling ingevoerd:
één derde zou bestemd worden voor de krijgskas van den Prins, één
derde voor de bevelhebbers, één derde voor de bemanning der schepen.

De aanvoerders der Watergeuzen waren spoedig gewonnen voor het
plan, waardoor hun oorlogsdaden werden gewettigd en hun aantal werd
versterkt, en de besten hunner zagen zeker ook in hoe belangrijk de
genomen maatregel kon zijn voor de zaak der vrijheid. De kaperbrieven
werden uitgereikt en gretig ontvangen, maar toch werd het plan nimmer
geheel uitgevoerd, ook niet toen de onbekwame Dolhain in Augustus 1570
door Guislain de Fiennes, Heer van Lumbres, werd vervangen. Aan de
schatmeesters van den Prins werd nimmer een penning van de opbrengst
van den buit afgedragen en de Watergeuzen onderwierpen zich evenmin
aan het gezag van den hun onbekenden admiraal. Toen de stoute kapers
in Maart 1571 kun kans schoon zagen, om 31 koopvaarders, terugkeerende
uit de Oostzee, te nemen, lieten zij die niet glippen, al waren er ook
acht schepen bij, die zich veilig waanden in het bezit van brieven
van vrijgeleide, hun door Lodewijk van Nassau gegeven. Groot zijn
de verdiensten der Watergeuzen geweest voor de zaak der vrijheid,
maar door hun optreden werd de handel der Hollandsche steden, werd
de algemeene welvaart zoo benadeeld, dat een van de eerste verzoeken
der Staten-Generaal, door den Prins op 15 Juli 1572 te Dordrecht
bijeengeroepen, was, de kaperbrieven, de "bestellingen ter zee",
in te trekken, een verzoek, waaraan door Willem van Oranje wijselijk
werd voldaan.

Toch had de poging tot organisatie der ongeregelde scheepsmacht
belangrijke gevolgen. Een aantal mannen van onbesproken naam kwamen
de vloot der Watergeuzen met hunne gewapende schepen versterken. Er
werd een algemeen reglement van krijgstucht ingevoerd, en zoo goed
mogelijk werd de hand gehouden aan de bepaling, dat zich op elk schip
een predikant moest bevinden, die de godsdienstoefeningen moest leiden
en moest voorgaan in het gebed,--al is het waarschijnlijk, dat er
onder die "bedienaren des Woords" wonderlijke figuren zijn geweest.

In Maart 1572 lagen er op de reede van Duins en Dover een
vierentwintigtal Geuzenschepen voor anker, om zich uit te rusten
voor nieuwe rooftochten, toen zij van de Engelsche Regeering, die
hun tot nog toe wèlgezind was geweest, plotseling bevel kregen,
onverwijld de Engelsche havens te verlaten. Koningin Elisabeth, die
niet ongaarne zag, dat hare ruwe en rumoerige gasten den Spaanschen
handel afbreuk deden, durfde toch niet openlijk met Spanje breken. En
zoo had zij ditmaal toegegeven aan Alva's dringende vertoogen, en den
Watergeuzen het verblijf in hare havens verboden. Zóó onverwacht was
het bevel om te vertrekken gekomen, dat de meeste schepen zelfs den
tijd niet hadden, proviand in te nemen. En nu deden de kapers, wat
zij dikwijls deden, wanneer zij zich vereenigden om een of andere
onderneming te wagen. Zij besloten "admiraliteyt te maken". Een
der stoutste aanvoerders werd dan tijdelijk tot admiraal verheven
en gehoorzaamd door de andere kapiteins, tot de krijgstocht was
afgeloopen en de behaalde buit verdeeld, om dan weer uiteen te gaan
en op eigen gelegenheid hun zwervend leven voort te zetten. Ditmaal
was de keus gevallen op Graaf Willem van der Marck, Heer van Lumey,
den dapperen, maar woesten vijand der Spanjaarden en priesters, den
man, die de Nazireeërsgelofte had afgelegd, dat hem haren noch baard
zouden worden geschoren, vóór hij den dood van de graven van Egmond
en Hoorne gewroken had. Zijn hooge rang, zijn woeste dapperheid en
zijn krijgsmansgeluk maakten hem voor 't oogenblik den aangewezen
aanvoerder, al waren er onder de Geuzenkapiteins nobele en meer
bezadigde naturen, die den Luikschen edelman, wiens wilde wreedheid
zij afkeurden, ongaarne volgden.

Maar thans, van hunne vrijhavens in Engeland verstoken, wisten allen
wel, dat zij een stouten slag moesten wagen of anders van honger en
ellende omkomen. Er was thans een sterke vloot bijeen, men zou 's
konings "placaetschepen" in het Vlie gaan opzoeken en zoo mogelijk
nemen of vernielen, om dan de koopvaarders, uit de Oostzee komende,
buit te maken. Ja, er waren zelfs vage plannen, om een aanslag te
wagen op Enkhuizen, om zoo een steunpunt voor de vloot te verwerven
in het Vaderland, en kapitein Ellert Vliechop, de Enkhuizer burger,
had daarop in den scheepsraad krachtig aangedrongen, al commandeerde
hij maar een gewapende visschersschuit. Hij wilde van zijn vaderstad
"een jong Rotseel", een nieuw la Rochelle maken. "Wij zullen Enkhuizen
hebben," had hij verklaard, "al zou ik er voor op een rad moeten
zitten. Zij zullen daar niet veel weers doen: wij weten, dat er
veel volks daarbinnen is, ons gunstig gezind." Nu, de onderneming
was misschien niet onmogelijk,--maar eerst moest gedacht worden aan
den buit. Er moest krijgsvoorraad, er moest leeftocht zijn--en de
Oostvaarders zouden het gelag betalen.

't Was een wonderlijk mengelmoes, die vloot van vier en twintig zeilen,
die daar noordwaarts het Kanaal uitstevende, alle koopvaarders of
visschersvaartuigen, ten oorlog toegerust. Groote razeilen van tachtig
last, met zestien stukken gewapend, wisselden af met lage boeiers
of kromstevens, zonder voor- en achterkasteel, met ranke buizen met
gaffelzeilen, met gewapende visschersbooten en krapschuiten en de
vlugge vliebooten van twintig tot zestig last.

En behalve de Prinsevlag, die op alle bodems wapperde, voerde elk
vaartuig een scheepsvlag, die, indien de kapitein een edelman was, de
kleuren van zijn geslacht vertoonde. Was 't een burger, die den bodem
commandeerde, dan liet hij zijn stadsvlag waaien. En de blazoenen
der edelen en de stemmiger kleuren van de wapens der Hollandsche
steden wapperden door elkander; een symbool van de éénheid van het
Nederlandsche volk, dat weldra schouder aan schouder zou optrekken
tegen vreemde tirannie en misbruikt vorstelijk gezag.

Van den mast van een vlieboot van twintig last, zeilende in den
voortocht, wapperden de roode rozen van het geslacht Martens en
op het achterdek stond Jacob, thans "schipper naast God van zijn
schip" en commandant van zijn eigen oorlogsbodem. Hij had eenige
jaren op de "bonne Fortune" gevaren; hij had den zeeoorlog leeren
kennen, den kaperoorlog op de Noordzee, "sans trêve ni merci", waar
het de bemanning der Spaansche koopvaarders betrof. Hij had er de
eenvoudige stuurmanskunst dier dagen beoefend, en toen een gewapende
vlieboot uit Vlissingen werd buitgemaakt en naar Dover opgebracht,
had de Chevalier d'Esprenay zijn gast edelmoedig het veroverde
vaartuig aangeboden als zijn aandeel in den buit. Er waren in de
Engelsche havens Hollandsche ballingen genoeg, die zich gaarne lieten
aanmonsteren voor een kruistocht, en de naam van den jongen kapitein,
die immers bij Austruweel had gevochten en die een van de aanvoerders
was geweest der Geuzen in West-Vlaanderen, was goed bekend onder zijne
landgenooten. En sedert voer hij ter kaapvaart voor eigen rekening,
met den lastbrief van den Prins, veelal in eskader varend met zijn
vriend, jonker Frederik van Dorp, den vromen Christen-krijgsman en
met Blois van Treslong en Nicolaes Ruyckhaver. Hij behoorde met hen
tot die aanvoerders der Watergeuzen, die vermaard en bij den vijand
gevreesd waren om hun vermetelen moed, die krijg voerden volgens
de zeden van hun tijd, doch die hun naam nimmer bevlekt hebben door
daden van woeste wreedheid, als zoovelen hunner makkers.

Van de campagne van zijn goede schip "de Blauvoet" liet kapitein Jacob
Martens den blik wijden over de grauwe golven der Noordzee, thans aan
alle kanten verlevendigd door de bruine en witte zeilen en de kleurige
vlaggen der Geuzenvloot. Vóór hem stevende een groot razeil, getooid
met de kleuren van Barthold Entesz van Mentheda, den stoutmoedigen
Frieschen Geus, die den voortocht commandeerde. De schepen van jonker
Frederik van Dorp en van Nicolaes Ruyckhaver waren met een aantal
kleine vaartuigen in zijn onmiddellijke nabijheid. Overal zag men de
masten en de tuigage van de andere schepen aan den horizon opduiken,
in het midden het zware razeil met het admiraalsvaantje aan de steng,
het schip van Lumey.

De wind was gunstig, de zeilen stonden strak en de roerganger kende
zijn taak. Achter hem knarste de zware roerpen met den "luiwagen"
over het dek en de "Blauvoet" luisterde prachtig naar den druk van
het roer en stoof voort over de witgetopte golven. De bemanning, voor
't grootste gedeelte forsche, stoere kerels, waren onder het bevel
van den stuurman bezig met de zeilen en het want of maakten hunne
wapenen schoon. Pieter de Welle, die op de "Blauvoet" als constabel
diende, zag de "bassen" na, de twaalf "gotelingen" of scheepskanonnen,
waarmee het schip was gewapend.

't Ging ditmaal "vóór den wind" inderdaad! Jacob Martens leunde tegen
den mast en de gebeurtenissen van de laatste paar jaren, sinds hij de
"bonne Fortune" betrad, gingen voor zijn geestesoog voorbij. De poging
tot bevrijding van de verdrukte landen, die zoo moedig was ondernomen
en die zoo jammerlijk had gefaald: Heiligerlee en Jemmingen en toen
de inval van Oranje, door het veldheerstalent van Alva zonder strijd
tot mislukking gedoemd. De dood van Egmond en Hoorne, van Anthonie
van Stralen en van Bakkerzeele, en van zoovelen, edelen en eenvoudige
burgers, de slachtoffers, door wier dood de ijzeren hertog den geest
des opstands in de erflanden van zijn meester wilde breken. Toen
de invoering der nieuwe belastingen, van dien beruchten "tienden
penning", zoo kwellend voor een handeldrijvend volk, nog ongewoon,
om zich door zijn landsheer drukkende lasten te zien opgelegd. En
dan altijd weer de ijdele hoop op hulp uit Frankrijk, telkens weder
teleurgesteld. Wèl lag land en volk gekluisterd aan de voeten van
den geduchten landvoogd. Alleen op zee waren de Nederlanders vrij,
op hun Geuzenvloot! Maar wat zou 't worden, als het tot dusverre
bevriende Engeland zijne havens voor de schepen der Geuzen sloot?

En wat hemzelf betrof, hij was thans geheel aan de zaak der vrijheid
verknocht. Zijn vader was niet lang lid geweest van den Raad van
Beroerten. Alva had daar andere mannen noodig, als Vargas en Hessels,
willige werktuigen in zijn hand. En President Martens was zijn
Kerk en zijn landsheer trouw, maar hij was er de man niet naar,
om het recht te buigen, teneinde de staatkundige plannen van den
hertog te dienen. Sedert lang bekleedde hij weder zijn ouden post als
voorzitter van het Hof van Vlaanderen. Jacobs moeder was gestorven;
onverzoend met haar zoon, in haar oogen een ketter en oproermaker,
was zij heengegaan. Madeleine was gehuwd met Thierry de St. Foy, die
thans hopman was van een Waalsch vendel van Noircarmes en wien zeker
een schitterende toekomst wachtte, als beschermeling van de Croys en
echtgenoot van de rijke erfdochter der de Bettes. Ook zijn zuster was
getrouwd met een Vlaamsch edelman en woonde op diens landgoed bij
Gent. Jacob wist dit alles, want trots Alva en zijn schrikbewind,
waren er nog Hervormden genoeg in Vlaanderen en Brabant, die zich
schuil hielden, maar die toch wel in 't geheim berichten durfden zenden
aan de ballingen, die steeds waren gericht aan vaste en betrouwbare
adressen in de Engelsche havens of te la Rochelle of Emden. Allen
leefden, naar 't scheen, tevreden en gelukkig in hun vaderland,
waar 't gezag des konings was hersteld. Hij was de uitgedrevene,
de verachte Geus, de strijder voor een verloren zaak.

Er kwam plotseling beweging onder de mannen op het dek. Van het schip
van Entesz dreunde een kanonschot. Er werden vlaggen geheschen en de
groote vlieboot veranderde van koers. Zonder een bevel af te wachten,
sprongen de matrozen van de "Blauvoet" in het want en haalde de
roerganger de roerpen over naar bakboord. Ook de andere schepen
wendden den steven en zetten koers naar het Noord-Oosten.

Kapitein Martens tuurde in de richting, die de vlaggeseinen
aanduidden. Aan den grauwen horizon doken de topzeilen van twee groote
schepen uit de golven op. Koopvaarders!

Rustig gaf hij zijne bevelen. De masten van de "Blauvoet" bogen onder
den druk der zeilen, de stukken werden geladen en men maakte zich
gereed voor het gevecht, want het was mogelijk, dat de nagejaagde
schepen tegenstand zouden bieden.

Inmiddels hadden de bedreigde koopvaarders de gevreesde Watergeuzen
herkend en ze zetten alle zeilen bij, om hun vervolgers te
ontkomen. Maar de zwaar geladen vaartuigen konden de vlugge vliebooten
niet ontwijken. Ze waren thans duidelijk zichtbaar: "een Biscayer
en een Nederlandsch schip," beweerden de bevaren zeelieden onder
de Geuzen.

Van het schip van Entesz viel weer een kanonschot: een teeken voor
de vervolgden om bij te draaien. Het scheen, dat de Biscayer zich
te weer wilde stellen. De Spaansche zeelieden wisten wel, welk lot
hun wachtte, wanneer hun schip genomen werd. Toen het bleek, dat zij
hun vervolgers niet konden ontzeilen, minderden zij zeil en maakten
zich klaar voor het gevecht. De Geuzen zagen, dat de boevenetten
waren opgehaald en toen het schip bij den wind oploefde, zag men de
dreigende monden der kanonnen.

Maar 't was een ijdel vertoon; de overmacht was te sterk. Eéns brandden
de Spaansche stukken los; toen gaf Barthold Entesz het Spaansche schip
de volle laag, en de "Blauvoet" en het "Zeepaard", de vlieboot van
van Dorp, waren nu ook dicht genoeg genaderd, om hunne kanonnen te
kunnen gebruiken. Reeds maakten de Geuzen zich gereed, den Biscayer
te enteren, toen deze de vlag streek. Het Hollandsche schip, dat aan
den strijd geen deel had genomen, volgde dat voorbeeld.

Juichend sprongen de Geuzen aan boord van de beide prijsgemaakte
schepen. 't Waren inderdaad koopvaarders, die van Cadiz kwamen en
koers zetten naar Antwerpen, met een rijke lading aan boord. Het lot
van de gevangen Spanjaarden was spoedig beslist. Voor hen hadden de
Geuzen maar één wet en recht: "de voeten spoelen"! De bemanning van
't Antwerpsche schip en de schipper, Claes Vaer van Brouwershaven,
werden gerantsoeneerd, hoewel er onder de Vlaamsche en Zeeuwsche
varensgasten waren, die zich liever bij de Watergeuzen aansloten en
dienst bij hen namen, dan dat ze gevangen bleven, tot er een losprijs
voor hen was betaald.

De prijsgemaakte vaartuigen waren goed gewapend en de Geuzenschepen
telden alle een sterke bemanning. Er werd besloten, ze niet te
verbranden of te doen zinken. Ze zouden een aanwinst zijn voor
de vloot. Het Spaansche schip kreeg tot kapitein Martinus Brand,
den onderbevelhebber van Entesz, een gewezen poldergast, doch die
zich door zijn ruwe dapperheid tot zijn tegenwoordige positie had
opgewerkt. Een luitenant van Blois van Treslong kreeg het bevel
over het andere vaartuig, en, welvoldaan over den behaalden buit,
zette de vloot der Watergeuzen, thans 26 schepen sterk, weer koers
naar het Noorden.

Op Maandag den 31sten Maart bevond zich de Geuzenvloot op de hoogte
van Egmond, maar zij voer niet meer met volle zeilen, voor den wind
de koningsschepen en den begeerden buit tegemoet. Dien nacht was de
wind meer en meer gaan krimpen. 't Was buiïg, heiïg weer geworden. Een
felle Noordwester blies door het want, en moeizaam oploevend, kampend
tegen wind en stroom, kwamen de schepen maar traag vooruit. En die
tegenspoed kwam de Geuzen zeer ongelegen. De schepen waren onvoldoende
geproviandeerd voor een langen kruistocht. Er diende een besluit te
worden genomen.

Een kanonschot van het admiraalsschip dreunde over de golven, en
de seinvlaggen aan den mast riepen de kapiteins tot den scheepsraad
bijeen.

't Was een wonderlijke vergadering, die daar in de kajuit van Lumey's
schip bijeen was. Naast Blois van Treslong, Frederik van Dorp,
Adam van Haren, Frederik van Inthiema, en andere vertegenwoordigers
van den Noord-en Zuid-Nederlandschen adel, zag men er Jan Abels,
den Frieschen zeerob, den vader van Tamme Abels, die nog altijd in
zijn krapschuit de zee onveilig maakte, en mannen uit het volk, als
Ellert Vliechop en Marinus Brand. Er waren fiere krijgsmansfiguren,
als Nicolaes Ruychaver en jonker Jacob Cabelliau, maar ook zag men
er het afzichtelijk gelaat van Gautier Herlijn, den zoon van den
vermoorden predikant van Valenciennes, wien de Walen van Noircarmes
neus en ooren hadden afgesneden en die den dood zou hebben gevonden op
den brandstapel, wanneer hij niet als door een wonder aan zijn vijanden
was ontkomen. Alle standen waren in dien scheepsraad vertegenwoordigd
en bijna alle Nederlandsche gewesten hadden die stoute en kloeke mannen
geleverd, die de ellende der ballingschap hadden gekozen, liever dan
het hoofd te buigen voor geloofsdwang en vorstelijke willekeur.

Het ging er rumoerig toe in dien scheepsraad, want er was aanvankelijk
maar weinig eenstemmigheid en er was, als 't er op aankwam, niemand,
die hier zijn gezag kon laten gelden. Al de Geuzenkapiteins waren
heer en meester op hun eigen schip. Vrijwillig erkenden zij Lumey als
admiraal, als aanvoerder bij de thans op touw gezette onderneming, maar
alleen zoo lang het hun goed docht. Er waren er, die wind en stroom
wilden trotseeren en al laveerend koers wilden zetten naar het Vlie;
er waren er, die naar de Engelsche havens terug wilden keeren. Weer
anderen stelden voor, een landing te beproeven op de Hollandsche kust.

En toen nam kapitein Blois van Treslong het woord, en hij wist de
woelige schaar te doen luisteren. Wind en stroom waren hen tegen,
zoo sprak hij, en vroede mannen trachtten niet het onmogelijke te
doen. Wat kon een landing baten in het woeste en eenzame duin van
Egmond en Schoorl? Waarom het dan niet liever beproefd met een der
zeegaten, meer in het Zuiden des lands? Met de monding van de Maas bij
voorbeeld? Daar waren ook koopvaarders uit Dordrecht en Rotterdam te
kapen, die door het Brielsche diep naar zee stevenden. En daar lag aan
den breeden Maasmond den Briel, thans van Spaansche bezetting ontbloot,
nu alle troepen te Utrecht waren saamgetrokken, den Briel, de vrije
koopstad, die hij zoo goed kende. Was zijn vader niet tot vóór twee
jaren baljuw van de stad en van den lande van Voorne geweest? Waarom
zou den Briel niet het la Rochelle der Geuzen kunnen worden? Als
havenstad lag het gunstig genoeg!

Zoo sprak Blois van Treslong en zijn woorden maakten indruk,
want de rustige en ervaren krijgsman had door zijn naam en zijn
krijgsbedrijven een invloed op de vloot, die door Lumey eigenlijk met
leede oogen werd gezien. Er werd besloten, dat men den gegeven raad
zou volgen. De sloepen en jollen brachten de Geuzenkapiteins weder
naar hunne schepen en weldra klonken de luide bevelen der schippers
en stuurlieden en het gejoel der matrozen, terwijl zij in het want
klommen, om de zeilen om te brassen. De vloot wendde den steven en
gedreven door den krachtigen Noordwester, die hen zooeven nog had
tegengehouden, zetten de Geuzenschepen koers naar den mond van de Maas.

En zoo geschiedde het, dat op Dinsdag den 1sten April de schippers
van eenige koopvaarders, die, geankerd in het Brielsche Diep, op eene
gunstige gelegenheid wachtten om uit te loopen, twee vreemde razeilen
ontwaarden, die onder klein zeil langzaam den Maasmond instevenden. 't
Waren de schepen van Brandt en van Haren. En achter hen doken nog meer
masten en topzeilen uit de golven op. En het Oranje-blanje-bleu, dat
wapperde aan masten en stengen, was voor deze Nederlanders nog niet
het symbool van bevrijding, maar een dreigend teeken van naderend
onheil. De Watergeuzen! De vermetele kapers! En de verschrikte
schippers kapten de ankers en wendden den boeg, en onder zooveel
zeil als zij durfden bijzetten, voeren zij de Maas weder op, naar
Rotterdam en naar Dordrecht, om daar de tijding te brengen van de
komst der gevreesde Piraten.

Van de campagne van het goede schip "de Blauvoet" zag kapitein
Martens de grauw-gele rietbosschen langs de beide Maasoevers en den
breeden Heyndijk voorbij glijden, terwijl de zware toren van de Sint
Catharijne, Brielle's hoofdkerk, en de kleinere van Sint Pieter in
Maarland, reeds boven de dijkkruin uitstaken. Zijn hart klopte hoog
bij de gedachte aan wat de eerstvolgende uren konden brengen. Dit
was een krijgsdaad, wat men nu ging ondernemen! Dit was wat anders,
dan het nemen van koopvaarders, dan het brandschatten van kloosters
en rantsoeneeren van gevangenen! Zou het nu waarheid worden, wat de
besten onder zijn makkers, wat Lancelot van Brederode, Frederik van
Dorp en Blois van Treslong reeds lang hadden gewild? Zou men zich
meester maken van een vast punt, van een Hollandsche haven, die voor
de verstrooide ballingen het middelpunt zou worden, van waaruit zij
den strijd konden voortzetten tegen Alva's tirannie?

Terwijl hij de oogen over het dek liet gaan, waar de bemanning vroolijk
en opgewonden zich gereed maakte voor het gevecht, dat mogelijk
aanstaande was, viel zijn oog op zijn onderstuurman, door zijn makkers
"Jan Smeert de Borst" genoemd, die, tegen de verschansing geleund,
met strakke blikken staarde naar de opdoemende torens van den Briel.

Jacob Martens kende den man als een ruwen zeebonk, onversaagd in
't gevecht en altijd gereed zijn leven te wagen, wanneer het een
gevaarlijke onderneming gold. Zooals zijn bijnaam aanduidde, was
hij een liefhebber van den bierkroes en onder zijn makkers bekend om
zijn ruwe scherts en snaaksche grappen. Toch had hij soms vlagen van
somberheid en zwaarmoedigheid en op zulke tijden was het beter, hem
aan zijn lot over te laten, want dan was hij lichtgeraakt en twistziek.

Plotseling herinnerde kapitein Martens zich, dat Jan Smeert de Borst
een balling uit Brielle was. Dat verklaarde dan ook, dat de man
geen deel nam aan de bezige drukte aan boord, maar staarde naar zijn
vroegere woonplaats, die hij thans na jaren zwervens zou terugzien.

Misschien zou hij kostbare inlichtingen kunnen geven omtrent de
stad en haar vestingwerken. Hij kon ook als loods dienen, wanneer
't noodig was. Jacob Martens besloot, den man te raadplegen.

--"Stuurman Smeert de Borst!" riep hij.

De zeeman schrikte op; hij zag, dat zijn kapitein hem wenkte en met
zware schreden begaf hij zich naar het achterdek.

--"Je bent uit den Briel, stuurman," begon Jacob Martens. "Maar wat
deert je, man?" vervolgde hij; want Jan Smeert de Borst was blijkbaar
hevig aangedaan. Zijn verweerd gelaat was bleek, zijn lippen trilden
en hij wrong de vuisten krampachtig samen. Hij staarde Jacob Martens
eenige oogenblikken strak aan. Hij trachtte te spreken, maar de
woorden stokten hem in de keel.

--"Wat is er, stuurman?" herhaalde kapitein Martens deelnemend.

--"Ze hebben haar gedolven, kapitein, levend gedolven in de modder,
dààr, buiten de Noordpoort!" barstte hij eindelijk los, terwijl hij
de vuist dreigend opstak naar de stad.

--"Gedolven? Wie dan toch?" vraagde Jacob.

--"Mijn vrouw, mijn Agniete!" hijgde Jan Smeert de Borst. "O, dat ik
ze hier had, de vileinige rabauwen!"

Kapitein Martens wierp een snellen blik op masten en tuigage. Langzaam
en statig, gedreven door een sterken bries, maar tegen den stroom in,
naderde "de Blauvoet", onder klein zeil, met de andere schepen de
bedreigde stad. Hij kon den man eenige oogenblikken geven.

--"Zeg op, stuurman, en stort je hart uit! 't Zal je goed doen, man,"
zei hij hartelijk.

--"'t Was in het jaar van de beeldbrekerije, kapitein," zeide Jan
Smeert de Borst met schorre stem. "Er waren al lang veel van de nye
leere in den Briel. Dat kwam door kapelaan Andries Cornelisz. Hij
preekte in het huis van de oude joffer Rentmeesters, bij 't kerkhof, en
niemand durfde hem moeien, want er waren er van de Wet, die goed Geus
waren. De Burgemeester Cornelis Hendriksz had zelf een geuzenpredikant,
die rondreisde door het land en geld inzamelde voor den Prins, in
zijn huis gehad, dagen lang. En ik kwam er ook graag, kapitein. Ik was
maar een onverschillige kerel, kapitein, maar wat kapelaan Cornelisz
preekte, zeide mij veel en ik hoorde hem graag. En daar zag ik ook
Agniete, kapitein. Ze was non in 't klooster van Sinte Catrijne,
maar ze kwam toch ter preeke bij joffer Rentmeesters. En eens, toen
een paar rauwe gasten 't haar op straat lastig maakten, omdat zij,
een geprofeste zuster, ter preek liep, heb ik haar ontzet. En omdat de
priores haar wilde opsluiten, is zij uit het klooster weggeloopen en
woonde toen in bij joffer Rentmeesters. En ik sprak haar dikwijls, en
zoo kwam het, kapitein, dat ik haar ten hijlik vroeg. En eerst durfde
zij niet, omdat zij toch een gewijde nonne geweest was, maar kapelaan
Cornelisz zeide, dat dat Paapsche bijgeloovigheden waren en dat Sint
Paulus gezegd had, dat het hijlik eerbaar was onder allen. En zoo
trouwde hij ons in 't geheim, kapitein. En toen kwam de beeldbrekerije
ook in den Briel en ik hielp wakker mee en Schout Ewout Cornelisz en de
apotheker Willem Thomasz waren de aanvoerders. En kapelaan Cornelisz
preekte in de Sinte Catrijnekerk en het heette toen een poos, dat de
Geuzen baas zouden worden over 't heele land. Maar toen kwam Ducdalf,
en de Baljuw en de Schout en de schoolmeester Dirck Cock en koster
Jacob Jacobsz en allen, die ter preeke waren gegaan en mede hadden
gedaan aan de beeldbrekerije, vluchtten uit de stad, want de Baljuw
had laten weten, dat er bezetting zou komen, met de inquisiteurs uit
Dordt om de beeldbrekers en die van de nieuwe religie te vervolgen. En
ik vluchtte ook, en Agniete liet ik achter ..."

En de ruwe zeeman rukte wambuis en hemd open en hijgde naar lucht.

--"En waarom moest je haar achterlaten?" vraagde Jacob.

--"Ze was ziek," zei Jan Smeert de Borst met doffe stem. "Ze was ziek
en 't was een koud najaar. En wij moesten vluchten in open schuiten
en des nachts. De meester zei, dat het haar dood zou zijn. Ik wilde
blijven, maar Agniete bezwoer mij te vluchten. Ik was wel bekend in
den Briel en was al onder de voorsten geweest bij de beeldbrekerij en
het was bekend in de stad, dat ik een geprofeste nonne tot huisvrouw
had genomen. Ik zou zeker worden gevat en gehangen, misschien nog
erger,--want ik had immers een nonne gehijlikt, die het klooster was
ontloopen. Zij zou zich schuil houden en zich niet op straat laten
zien. De Heeren van den Gerechte zouden denken, dat zij met mij
was gevlucht en later zou ik haar komen afhalen. En de meester zei,
dat ik haar wille zou doen en kapelaan Cornelisz en de oude joffer
Rentmeesters zeiden hetzelfde. En ik liet mij bepraten, kapitein, en
wij ontkwamen het, des nachts, met pramen en roeibooten over de Maas.

"En toen zijn de soldaten gekomen, kapitein, en ze brachten twee
inquisiteurs mee, twee Predikheeren uit Dordt, en Baljuw van Sandwyck
was gevlucht en er kwam een ander, Heer Johan van Duvenvoirde. En die
van de nieuwe religie en allen, die ter preek waren geloopen en mee
hadden gedaan aan de beeldbrekerije, werd scherp vervolgd. En een
Judas heeft den inquisiteurs van Agniete verteld en toen hebben de
rakkers van den nieuwen Schout haar gevat en toen..."

Hij kon niet voortgaan. Twee groote tranen biggelden over zijn
verweerde wangen.

--"Gedolven! Levend begraven, daar buiten de Noordpoort!" barstte
hij eindelijk los, terwijl hij stampvoette van woede en smart.

--"De Schepenen wilden eerst niet," ging hij na eenige oogenblikken
kalmer voort. "En ook de overste van het Sinte Catrijneklooster bad
voor haar. Zij wilde haar voor haar leven in een klooster opsluiten
om boete te doen. Maar de inquisiteurs dreigden die van de Wet met
Ducdalf, als zij de plakkaten niet wilden toepassen en ze kregen hun
zin. Een Briellenaar, een man, die met mij gevaren had, en die 't ook
gewaagd had te blijven, heeft 't mij verteld. Een van de schepenen had
Agniete in stilte aangeraden te zeggen, dat zij zwanger was. Dan zou
haar leven voor 't oogenblik gespaard worden, en als de inquisiteurs
weg waren, zou 't misschien mogelijk zijn haar te redden. Maar Agniete
was goed en vroom en zij wou haar leven niet koopen met een leugen. En
toen zij de poort werd uitgeleid, zag zij er uit als een heilige en
zij bad luid, dat God haar ziel in genade mocht aannemen en voor mij,
och arme, haar man, die haar nooit terug zou zien..."

En de ruwe zeebonk wendde zich af en staarde weer strak in de richting
van de stad, welker muren nu duidelijk zichtbaar waren, met de zware
steenklomp van de Noordpoort, waar, dicht bij het havenhoofd, het
gruwzaam vonnis aan Agniete was voltrokken.

Jacob Martens had het droevig verhaal meewarig aangehoord. 't Was
maar één van de vele lijdensgeschiedenissen dier droeve dagen. Niet
tevergeefs had Arent Dircksz, de kettersche pastoor van de Lier,
gezongen:


    't Onschuldig bloed, dat gij hebt vergoten,
    't Onschuldig bloed roept over u wraak!


--"Wees een man, stuurman!" zei hij hartelijk. "Je huisvrouw heeft
geleden en is gestorven als martelaresse voor de waarheid,--en straks,
in Brielle, vindt je wellicht haar moordenaars."

Jan Smeert de Borst knikte zwijgend. Er lichtte een wilde gloed in
zijn kleine, donkere oogen, terwijl hij het achterschip verliet, om
zich naar het tusschendek te begeven, waar hij met Pieter de Welle
zich bezig hield met het laden van de losse kamers der bassen.

"Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vervloeken en bidt voor
degenen, die u geweld doen en die u vervolgen."

Maar het Evangelie der liefde vond geen weerklank in het verbitterde
hart der Watergeuzen, ook niet in dat van de besten onder hen.

En middelerwijl waren op de voorste Geuzenschepen aller oogen gericht
op een roeiboot, met één enkelen roeier, die met rustige riemslagen de
"schepen van oorlogh" der gevreesde Piraten tegemoet voer.

Jan Pietersz Koppelstok, schipper en haringkooper, "een stout
en kregel kerel", als de tijdgenoot hem noemt, die ook het veer
op Maaslandsluis [7] bediende, en die reeds lang in 't geheim "de
Geuzerije" was toegedaan, had kort na zijn noenmaal de veerbel aan de
overzijde hooren luiden en was naar dien anderen oever overgestoken,
om een paar kooplieden af te halen, die zich naar den Briel wenschten
te begeven. Hij had al lang de vreemde schepen in 't oog, die daar
naderden van uit het Westen en er speelde een glimlach om zijn anders
zoo stroeven mond, toen hij die vlaggen en wimpels zag.

Maar ook zijn passagiers kregen die vaartuigen in 't oog, terwijl
de veerboot worstelde met den stroom, om straks aan 't havenhoofd
te kunnen aanleggen,--een zoo talrijke vloot koopvaarders, en dat in
dezen tijd? En natuurlijk was de vraag:

--"Wat zijn dat voor schepen?"

--"'t Zijn Watergeuzen!" antwoordde Jan Pietersz.

Watergeuzen? En dat voor den Briel, waar zij handel
hoopten te drijven? De veerman moest hen aan wal zetten, te
Maaslandsluis. Oogenblikkelijk!

En Jan Pietersz Koppelstok voldeed aan hun verlangen en roeide toen
bedaard de Geuzenschepen te gemoet.

Nog altijd waren de schepen van Martinus Brandt en Adam van Haren in
den voortocht, maar Koppelstok vraagde naar 't schip van Jonker Blois
van Treslong, die zich immers, als elk Brielenaar, die zijn brood
verdiende aan den havenkant, wel wist, op de Geuzenvloot bevond en die
zeker bij eene onderneming als deze niet zou ontbreken. En zijn gissing
bleek juist! Dat groote razeil daarginds, waarvan de zestien gotelingen
dreigend uit de geschutpoorten keken. En Koppelstok roeide er heen.

De neef van den uitgeweken Heer van Sandijck, de zoon van Baljuw Jasper
Blois van Treslong, kende zijn bezoeker wel: een stouten, ondernemenden
kerel, voor geen klein gerucht vervaard. En hij bracht hem naar
het admiraalsschip, om hem aan den graaf van Lumey voor te stellen,
als een man, "bequaem om hem te employeeren tot haer voornemen".

En zoo geschiedde het, dat, terwijl de Geuzenschepen voor Brielle
ankerden, Jan Pietersz Koppelstok als bode van Lumey de havenvliet
binnenroeide en zich langs den Hoofddijk naar de Noordpoort
begaf. Treslong's zegelring, met het in Brielle zoo welbekende wapen,
had hij mede gekregen als geloofsbrief.

In de stad had men ook reeds vernomen, wie de onverwachte bezoekers
waren en de ontsteltenis was er algemeen. De poorten werden gesloten,
de stormklok luidde van den hoogen toren van Sinte Catarijne, de
trommels roffelden in de straten en de schutters begaven zich met hunne
pieken en vuurroeren eerst naar hunne loopplaats en toen naar de muren,
en Baljuw Johan van Duvenvoirde was met de geheele Vroedschap van den
Ouden en Nieuwen Gerechte, de twee Burgemeesters, de negen Schepenen en
de twee Raden van het loopende en van het vorige jaar op het Raadhuis
bijeen, om te overleggen wat er kon worden gedaan tot afwending van
het groote gevaar, dat den Briel bedreigde. En de gedrukte stemming
werd er niet beter op, toen Koppelstok in de Raadzaal verscheen en de
Vroedschap den eisch van Lumey mededeelde: overgave der stad, om die
te bewaren voor den Prince van Orangiën, als stadhouder des Konings,
en te beschermen tegen den hertog van Alva en den tienden penning. Er
werden aan den Magistraat twee uren van beraad toegestaan.

De achtbare Vroedschap zat deerlijk in de klem. Wat moest zij doen? De
stad verdedigen? Hoe zou zij het kunnen, met de schutters en de
gewapende burgers alleen tegen een bestorming door de krijgshaftige
Geuzen. De poorten openen? Maar hoe zou men zich verantwoorden
tegenover den stadhouder des Konings, den gevreesden hertog van Alva,
die pas in November van het vorige jaar op uitdrukkelijk verzoek
van den Magistraat, de Spaansche bezetting uit de stad had doen
wegtrekken? Zou hij de leden van de Vroedschap niet verdenken van
boos opzet, van te heulen met de Geuzen?

Hoe sterk was de vijand? De oudste Burgemeester, Jan Pietersz Nicker,
vraagde het, en Koppelstock, die het ook niet wist, antwoordde losweg:
"Wel vijf duizend!"

Vijf duizend Geuzen! Dan is tegenstand onmogelijk! En niemand valt
het in, aan de mogelijkheid van overdrijving te denken of zich af
te vragen, hoe de veerman dat zoo nauwkeurig weet. De vrees is een
slechte raadgeefster. [8]

Er diende echter wat te worden gedaan. En de twee oudste burgemeesters,
de tinnegieter Jan Pietersz Nicker en de koekebakker Claes Jansz,
besloten, als goede magistraten, naar den admiraal der Geuzenvloot
te gaan, om zoo mogelijk met hem te onderhandelen.

Onder geleide van veerman Koppelstock gingen zij de Noordpoort uit
en langs den Hoofddijk naar het havenhoofd, waar zij Lumey vonden
ingekwartierd in een van de aan het hoofd gebouwde huizen.

Indien de Brielsche burgers nog gehoopt hadden eenige gunstige
voorwaarden te kunnen bedingen, zagen zij zich weldra bedrogen. Lumey
eischte de stad op, "uiten naem van den Prince van Orangiën, als
Stadhouder des Conincks over Holland." En weer was het: twee uren
beraad!

Maar al was de Magistraat nog steeds ten Raadhuize vergaderd,
tot eene beslissing kwam het niet zoo spoedig. De stad overgeven
durfde men niet, haar verdedigen kon men niet. Eindelijk, na lang
dralen, werd besloten tot de overgave. Maar er was niemand, die het
besluit van den Magistraat aan den admiraal der Watergeuzen ging
overbrengen. De verwarring in de stad was groot. Zoo de burgers
vreesden voor hunne bezittingen, voor plundering en brandschatting,
de bewoners der talrijke conventen en kloosters, de Clarissen, de
Birgittijnen en Birgittijnessen, de Cellebroers en Cellezusters,
vreesden het ergste. Wat hadden zij van den beruchten Lumey, van de
woeste Geuzen te wachten, dan mishandeling en marteling en dood?

En zoo stroomden de kloosters ledig en de burgers zochten hunne
kostbaarste bezittingen bij elkaar en iedereen vluchtte voor het
dreigend gevaar. Waren de Piraten aan het havenhoofd ontscheept en
bedreigden zij de Noordpoort, de weg door de Zuidpoort was nog vrij
en wie het niet in zijn hart met de Geuzen hield, haastte zich een
goed heenkomen te zoeken naar Geervliet of Hellevoetsluis.

En op de schepen was het bevel gegeven, een deel der bemanning
aan land te zetten en met roeren en halve pieken, met houwers en
knijven gewapend, vielen de Geuzen in de sloepen en roeiden naar
den oever. Ook de kapiteins gingen aan wal en de eerste boot, die
"de Blauvoet" verliet, werd gestuurd door Jan Smeert de Borst.

Met een paar andere Brielsche ballingen spoedde hij zich naar de
huizen op het havenhoofd en hij vond er nog den vischafslager,
Pieter Jansz Stemboort, die niet had kunnen of willen vluchten. Zij
eischten van den man, dat hij hun de plek zou wijzen, waar Agniete
haar vonnis had ondergaan en bevend gehoorzaamde de afslager, die de
gruwelijke daad als medelijdend toeschouwer had bijgewoond. Toen zij
de plaats bereikt hadden, wenkte Jan Smeert de Borst zijn makkers te
blijven staan en alleen begaf hij zich naar het verlaten graf aan den
dijkrand, de sombere plek, die door allen werd gemeden, sedert de
weggeloopen non, die haar gelofte had verbroken om de huisvrouw te
worden van een ketter, daar den dood had gevonden. Wat hij er deed,
zagen zijn makkers niet. De ruwe gasten eerbiedigden zijn smart. Zij
lieten hem alleen en zorgden er voor, dat hij niet gestoord werd. Maar
toen hij zich weder bij hen voegde en zij zijn verwrongen trekken
zagen, omklemden zij vaster hunne wapenen en zij spraken geen woord,
maar zij keken met een woeste en dreigende uitdrukking in hun oogen
naar de veste van den Briel.

Wee den Roomschen geestelijke, hij mocht schuldig zijn aan de
vervolging der ketters of niet, die thans den Brielschen Geuzen in
handen viel!

Ondertusschen ging de middag voorbij. De twee uren van beraad,
die den Magistraat waren toegestaan, waren reeds lang verstreken
en nog altijd kwam het verwachte antwoord niet, al werden er op de
stadsmuren geen toebereidselen tot verdediging gemaakt. De booten
van de ten anker liggende schepen zetten steeds meer krijgsvolk aan
wal, en eindelijk stonden er een driehonderd gewapende Geuzen op den
Hoofddijk en op het Havenhoofd geschaard, gereed om, hetzij goedschiks,
hetzij met geweld, de stad binnen te rukken, en er waren er zelfs, die
zich waagden tot voor de poort, en de enkele burgers, die ondernamen,
zich op den muur te vertoonen, toeriepen: "of men ze zoude inlaten,
dan of zij haer zelven in helpen zouden moeten."

't Scheen wel het laatste te zullen zijn, want de avond begon reeds
te vallen en nog altijd was het antwoord er niet.

Toen was het geduld van Lumey en zijn kapiteins uitgeput. De gelande
Geuzen werden in twee afdeelingen gesplitst. De een, onder aanvoering
van Cornelis Geerlofsz Roobol, een Delftschen balling, rukte aan op
de Noordpoort, terwijl de ander, onder Blois van Treslong, de stad
omtrok, om de Zuidpoort te bereiken. Wellicht giste deze, dat er
groote kans was, dat men die niet gesloten zou vinden.

Maar de zware deuren van de Noorderpoort gingen niet open en
Pietertje Baefsdochter, de portierster, was reeds lang gevlucht. Dan,
de Geuzen wisten daar raad op. Van het beddestroo en het houtwerk
der huizen buiten de poort, van oude, geteerde zeilen en touwwerk,
ijlings van de schepen aangevoerd, was er spoedig een hooge mutsaard
opgestapeld tegen de poortdeuren, de brand werd er in gestoken en
spoedig kronkelden zware rookwolken van onder het poortgewelf naar
boven en knaagden de rosse vlammen aan de oude, met ijzeren nagels
en bouten beslagen deuren.

Maar, was het plan ook goed, het ging de ongeduldige Geuzen niet
spoedig genoeg. Een aantal varensgasten kwam van de haven aangezeuld
met een ontscheepten mast, een geïmproviseerden stormram. Forsche
vuisten hielpen den zwaren balk tillen, een korte aanloop en de poort
daverde van den schok. Nog eens,--en nog eens: een der zware deuren
barstte open en met een luid "Vive le Geus!" drongen de corsaren de
stad binnen.

Treslong had ondertusschen met zijn afdeeling de Zuidpoort
bereikt, en die inderdaad open gevonden, want nog altijd waren er
vluchtelingen, die de stad, met wat zij van het hunne konden meevoeren,
ontvluchtten. Onder hen behoorde de Baljuw, Johan van Duvenvoirde,
die zes duizend gulden baar geld, de kas van het Land van Voorne,
wilde trachten te redden. Maar hij werd herkend en aangehouden en terug
moest hij, mede naar den Briel als gevangene, en het geld, dat hij
had willen redden, werd door de overwinnaars als goede prijs beschouwd.

Tot in den nacht duurde het gejoel en rumoer der triomfeerende
Geuzen. Er werd hier en daar geplunderd, maar zoo Jan Smeert de Borst
en zijne gezellen gemeend hadden, het geleden leed te wreken op de
bewoners en bewoonsters der Brielsche kloosters, dan zagen zij zich
teleurgesteld. De monniken en nonnen waren bijtijds gevlucht. Alleen
de pastoor van Sinte Catarijne was op zijn post gebleven, maar,
hetzij uit vreeze voor zijn leven, hetzij omdat hij inderdaad in het
geheim reeds een aanhanger was der "nieuwe religie", hij toonde zich
aanstonds bereid, de "papistische dolingen" af te zweren en hij werd
de eerste predikant van den Briel. Eenige heethoofden hadden in de
verwarring brand gesticht in een paar houten huizen, maar het vuur
werd door de Geuzen zelve spoedig gebluscht: men begreep, dat men de
huizen der stad beter kon gebruiken. Velen der ballingen sliepen dien
nacht weder voor het eerst sedert jaren op den vaderlandschen grond.

Maar den volgenden dag begon het verwoestingswerk in de kerken en
kloosters. De beeldenstorm van vóór zes jaren werd herhaald, maar
nu werd er voorgoed opruiming gehouden van alles wat naar "paepsche
superstitie" zweemde. En weldra stonden daar de beide kerken en
de kloosterkapellen van alles, wat aan den Roomschen eeredienst
herinnerde, beroofd, terwijl de Geuzen hun buit, "kerkelijke en
Geestelijke goeden, Cappen, Coorkleederen, Cassuiffelen ende misgewaet"
in veiligheid brachten, naar de schepen.

En nu scheen het voor een poos, alsof men het behaalde voordeel
terstond weder prijs zou gaan geven, alsof de kloeke daad, die het
begin zou blijken van de bevrijding des lands, zou uitloopen op een
gewoon kapersavontuur. Lumey wilde zich weer inschepen; hij wilde "de
Stadt en 't Land daaromtrent plonderen ende beroven, ende daermede
wederom vertrecken, want hij en achtte de plaetse niet houbaer te
zijn tegen de Spangiaerden."

Op zichzelf was er wel iets voor deze meening van den admiraal
te zeggen. De inneming van den Briel was niet het gevolg van een
goed overlegden krijgstocht, ondernomen door een wèl uitgeruste
vloot, en als een onderdeel van een zorgvuldig beraamd plan. 't
Was een coup-de-main, een verrassing, een gevolg van onvoorziene
omstandigheden, door een aantal kapers, die uit hunne vluchthavens
waren verjaagd en die feitelijk aan alles gebrek hadden en op geen
steun van buiten konden rekenen. 't Was daarenboven feitelijk een inval
in vijandelijk land, waar niemand de gehate en gevreesde zeeroovers
gunstig gezind was.

Hadden de gebeurtenissen in Holland en Zeeland zich niet zoo verbazend
snel ontwikkeld in dat merkwaardige jaar 1572, dan hadden de Geuzen,
door Bossu bedreigd in het Noorden, door Alva's troepen uit het Zuiden,
zich onmogelijk kunnen staande houden.

Maar het warme hart krijgt soms gelijk tegenover het koel redeneerend
verstand, wanneer het gehoorzaamt aan een machtiger aandrang en
als bij intuïtie den rechten weg vindt. En het was Gods wil, dat
de onoverlegde, bijna toevallige inneming van de kleine stad aan
den Maasmond, het begin zou zijn van de zegevierende worsteling ter
bevrijding van de Nederlanden.

Het plan van Lumey vond aanstonds hevigen tegenstand bij zijne
kapiteins en hij was genoodzaakt krijgsraad te beleggen. In dien
krijgsraad werd het voornemen, om den Briel op te geven, krachtig
bestreden, niet alleen door Blois van Treslong, Jacob Martens, Frederik
van Dorp en Ruychaver, de warme vaderlanders, wien het kaperbedrijf
eigenlijk tegen de borst stuitte en die er vurig naar verlangden, in
eerlijken strijd de zaak der vrijheid te dienen, maar ook mannen als
Barthold Entesz van Mentheda en Dirk Duyvel sloten zich bij hen aan.

"Wat moed konden de verlangende landzaaten, welker hoop op de beloofde
en telkens gemiste verlossing ten eynde was, overhouden,"--zoo pleitte
de laatste--"indien men dus een sleutel des lands willends uyt de
hand worp?"

"Ick voor mij,"--zoo verklaarde kapitein Jacob Simonsz de Rijck,--"heb
Godt menigmael om een graf op het strandt mijns vaderlandts
gebeden. Thands zal er mij wel een binnen de wallen gebeuren!"

En zoo werd besloten, den Briel te versterken en de stad tegen de
Spanjaarden te verdedigen. Terstond begonnen de Geuzen de wallen
te versterken en er geschut op te planten, dat ijlings ontscheept
werd. Een bode werd naar den Prins gezonden, om dien van het gebeurde
te verwittigen en de Rijck vertrok naar Engeland, om dààr de tijding
te brengen en de ballingen, die er vertoefden, op te wekken, om de
zee over te steken, en deel te nemen aan het bevrijdingswerk.

Want de kamp om de Nederlandsche vrijheid was thans in waarheid
begonnen!



XVIII.


't Was inderdaad een merkwaardig jaar, dat jaar 1572!

Na den mislukten aanval van Bossu op den Briel, mislukt door
den dapperen tegenstand der Geuzen en de kloeke daad van den
stadstimmerman, Rochus Bartelmeeuwsen Conincx, die de schutsluis van
het Brielsche Nieuwland openhakte en zoo het Maaswater de Voornsche
polders in deed stroomen, tot verderf der Spaansche soldaten, wier
dapperheid tegen dien vijand niets vermocht, hadden de gebeurtenissen
elkander verbazend snel opgevolgd. Op den eersten Paaschdag was
Vlissingen voor de zaak der vrijheid gewonnen en Vere had dat voorbeeld
gevolgd, terwijl Arnemuiden gemakkelijk door de Geuzen veroverd
werd. Wel had Treslong, die met krachtige versterkingen de Vlissingers
te hulp was gesneld, een vergeefschen aanval op Middelburg gedaan en
werd zelfs Arnemuiden door de Spanjaarden heroverd, maar Vlissingen en
Vere bleven behouden en daarmede het grootste gedeelte van Walcheren.

Van uit Vlissingen verbreidde zich de opstand over het geheele
land. Enkhuizen koos de zijde van den Prins en drie dagen later werd
het sterke Bergen, in Henegouwen, door Lodewijk van Nassau, aan het
hoofd van een afdeeling Huguenoten, bij verrassing genomen. En nu
stelde de Prins van Oranje zich aan het hoofd van den opstand en zond
jonkheer Dirk van Sonoy als zijn luitenant naar Enkhuizen.

Oranje was eerst maar weinig ingenomen geweest met de inneming van den
Briel. Een dergelijk krijgshaftig avontuur strookte weinig met zijn
voorzichtigen, bedachtzamen aard. Meer staatsman dan legeraanvoerder,
handelde hij ook in zaken van oorlog gaarne naar een wel beraamd plan
en hij was ook met zijn plannen nog niet gereed. Die waren dezelfde
als in 1568. Hij wilde òf Frankrijk òf Engeland voor de zaak der
Nederlanden winnen, ook al zouden deze landen voor de buitenlandsche
hulp, waarop hij rekende, zich zware offers moeten getroosten. Dan
wilde hij met het leger, dat hij bezig was bijeen te brengen, een
inval doen in de Zuidelijke Nederlanden. Een Fransch leger zou van het
Zuiden oprukken en een algemeene opstand zou het werk bekronen. Zóó
zou een einde worden gemaakt aan Alva's tirannie.

De onverwachte en onvoorbereide opstand kwam den Prins dus weinig
gelegen, en hoewel hij een te ervaren staatsman was om zich niet aan te
passen aan de omstandigheden en de leiding der beweging te aanvaarden,
nu hij die niet meer kon verhinderen, deed hij dat toch aanvankelijk
met groote vreeze voor den goeden uitslag. Maar Gods wegen zijn de onze
niet! Oranje's plannen zouden falen en de bondgenooten, op wier hulp
hij had gehoopt, zouden hem ontvallen. God wilde Nederland verlossen,
maar het zou geschieden door een Gideonsbende.

De bewoners van een paar geringe gewesten aan de kust der Noordzee:
visschers, matrozen, kooplieden en handwerkers,--zij zouden het
zijn, die het machtige Spanje zouden vernederen en de vrijheid,
bovenal de vrijheid om God te dienen naar de inspraak hunner harten,
zouden bevechten.

Thans, nu de Prins de beweging had erkend, nu de West-Friesche steden
zijne partij hadden gekozen, volgde heel Holland dat voorbeeld. Het
eerst ging Oudewater over. Den 19en Juni verscheen de Heer van Swieten,
aan het hoofd van een gewapende bende, voor de poorten der stad en
eischte haar op in den naam van den Prins. Hij werd zonder verzet
binnen gelaten. Twee dagen later werd Gouda zonder strijd bezet en het
kasteel, waarin zich de charterkamer van Holland bevond, gaf zich na
korten tegenstand over. Den 23sten Juni opende Leiden de poorten voor
een afdeeling ballingen en geuzen uit Gouda. De positie der Spaansche
troepen in Holland werd hachelijk. Hunne verbinding met Utrecht was
bijna afgesneden. Nog was de weg over Schoonhoven en Gorcum open, maar
in die steden lag geen Spaansche bezetting en de burgerij was zeker
niet te vertrouwen. De stedelijke regeering mocht uit voorzichtigheid
de Regeering getrouw blijven, het volk wachtte slechts op eene gunstige
gelegenheid, om zich voor de zaak der vrijheid te verklaren.

Ondertusschen bleef Lumey in den Briel vrijwel werkeloos. Aan den
strijd in Zeeland nam hij persoonlijk geen deel, en de Hollandsche
steden wilden niets van den woesten en wreeden Luikerwaal weten.

Kort na de inneming van den Briel had Marinus Brand Schiedam en
Delftshaven bezet, maar hij werd door Bossu van uit Rotterdam spoedig
verdreven. Lumey hield zich ondertusschen bezig met een onbarmhartige
priestervervolging. Inderdaad had hij aan zijne kapiteins last gegeven
"om alle papen met hunne complicen te vanghen ende deselve alhier
in den Briel te brenghen". En velen hunner kwamen dien last maar al
te goed na, Treslong zelfs niet uitgezonderd. In een brief aan de
regeering van Brouwershaven verklaarde deze, dat de Geuzen niemand
aan lijf en goed schade wilden doen, met uitzondering "van de papen,
monnijcken ende andere papistische schelmen".

Lumey's eerste slachtoffer was Hendrik Boogaard, pastoor van Helvort,
die eerst was gevlucht, maar later teruggekeerd. Op den eersten
Paaschdag werd hij door de Geuzen gevangen genomen en naar den Briel
gevoerd. Toen Lumey hem niet door bedreigingen tot afval kon bewegen,
liet hij hem hangen.

Zóó was de geest onder de Watergeuzen: een geest van wraakzucht en
vervolgingslust. En de weinige edele figuren onder de aanvoerders
waren niet in staat dien geest der overgroote meerderheid te
bedwingen. Geloofsvervolging en verdrukking, jaren lang mokkend
verdragen en eindelijk openlijk weerstaan, droegen wrange vruchten,
en de bloedige wraak, die de Geuzen namen, trof veelal onschuldigen.

Nu ten gevolge van de gebeurtenissen in Holland de Maas geheel open
lag, werden de Watergeuzen in den Briel weer roeriger. Men wist,
dat er te Dordrecht veel aanhangers van den Prins waren en dat een
aanslag op die belangrijke stad veel kans van slagen zou hebben. Een
kleine vloot werd uitgerust en zeilde den 23sten Juni, onder bevel
van Barthold Entesz van Mentheda de Maas op, om, zoo 't kon, Dordt
voor den Prins te winnen.

De "Blauvoet" nam geen deel aan deze expeditie, maar kapitein Martens,
wien, als zoovelen zijner krijgsmakkers, het doelloos toeven in den
Briel verdroot en die geen deel wenschte te nemen aan de strooptochten
in den omtrek, waar vele Geuzenbenden zich nog aan schuldig maakten,
had zich als vrijwilliger bij de onderneming aangesloten. Dit was
althans een eerlijke krijgstocht in het belang der goede zaak, en
te dienen onder Barthold Entesz, den woesten maar dapperen Frieschen
edelman en ervaren aanvoerder, was zeker geen schande.

Zoo bevond Jacob Martens zich op het schip van Entesz, met Pieter
de Welle, die verzocht had, hem te mogen vergezellen. De verhouding
tusschen beiden was in den loop der jaren wel eenigszins veranderd. De
omstandigheid, dat Jacob Martens thans zijn eigen schip commandeerde,
had daarop weinig invloed, maar naarmate de Welle ouder werd, werd
hij somberder en meer in zich zelf gekeerd. Hij haatte de Roomsche
priesters, "de afgodische papen," zooals hij en zijne geestverwanten
ze noemden, met een bitteren en doodelijken haat. Aan roof- en
plundertochten nam de vroegere boschwachter van president Martens
geen deel, maar als er kans was, een klooster te bestormen en te
verbranden of een priester op te lichten, dan behoorde de Welle
tot de eersten. Hij las zijn bijbel, maar sinds lang waren het de
verhalen van strijd en wrake van het Oude Testament, de donkere
vloekpsalmen en de toornende profetieën tegen de Heidenen, waar hij
zich het liefst in verdiepte en hij beschuldigde in zijn hart zijn
jonker van lauwheid in het werk des Heeren, wanneer Jacob Martens,
waar hij kon, de uitspattingen van baldadigheid en wreedheid tegen
weerlooze geestelijken trachtte te verhinderen.

Gedreven door een frisschen Westenwind zeilde de flottille statig
de breede rivier op, angstig nageoogd door de Hollandsche boeren,
die de Geuzenschepen thans kenden en vreesden,--om maar al te
goede redenen. De tijd, dat het Oranje-blanje-bleu vendel door alle
landzaten als het symbool der bevrijding zou worden beschouwd, was
aanstaande,--maar hij was er nog niet!

Men voer thans Rotterdam voorbij en men behoefde niet te vreezen,
dat de schepen van Bossu de haven zouden uitloopen, om den Geuzen den
doortocht te betwisten. Alva's stadhouder had thans de handen vol en
hij kon geen manschappen missen.

Barthold Entesz staarde naar de stad, wier statige St. Laurenskerk
zich boven de lage huizen verhief.

--"Die van Rotterdam hebben ook ondervonden, wat de Spaansche trouw
beteekent," zei hij bitter tegen Jacob Martens, die naast hem stond.

--"Bossu heeft schandelijk zijn woord gebroken en de arme burgers
hebben het moeten ontgelden," stemde Jacob toe. "'t Is bitter, dat er
zooveel onschuldigen het slachtoffer worden van den oorlog. Als men
maar vocht op goede krijgsmansmanier! Die twee Spaansche hoplieden
en de zestien musketiers, die op bevel van den admiraal aan den molen
van Brielle werden gehangen, waren ook krijgsgevangen gemaakt in een
eerlijk gevecht en hun eenige misdaad was, dat zij trouw bleven aan
hun vaandel."

--"Op een harden knoest past een scherpe bijl," zei de Fries
onverschillig. "Waren de onzen in hunne handen gevallen, het was hun
niet beter gegaan. Maar ge zijt te weekhartig, jonker Martens. Dapper
genoeg in 't gevecht, kameraad," voegde hij er met ruwe hartelijkheid
bij, "maar gij zijt te week voor die vervloekte papisten! Hebt gij
en van Dorp u er ook niet tegen willen verzetten, toen Lumey dien
paap van Helvort liet hangen? Opruiming moeten wij houden onder het
goddeloos afgodisch gespuis!"

--"Soude ik niet haten, Heere, wie u haten? Ik haet ze met eenen
volkomen haet! Tot vijanden zijn ze mij, zegt de Schrift," zeide de
Welle, die achter hen stond en het gesprek had aangehoord.

Barthold Entesz knikte den ouden Geus goedkeurend toe. 't Kwam niet in
hem op, den man te berispen, omdat hij zich ongeroepen in het gesprek
van zijn meerderen mengde. De geheele organisatie der Watergeuzen,
met hun eigenaardige vermenging van alle rangen en standen, onder wie
een gewezen dijkwerker als Marinus Brand een gewichtig commandement
was toevertrouwd, terwijl jonge mannen van goeden huize dienst deden
als gewone matrozen, maakte een strenge toepassing van de krijgstucht
onmogelijk. In het gevecht gehoorzaamden allen hun aanvoerders--en
dat was de hoofdzaak.

--"Laten wij de Spanjolen bevechten als vijanden van God en van
Zijn Kerk," antwoordde Jacob. "Wij willen God den Heere tot onzen
opperkapitein nemen, dien wij hopen en niet en twijfelen, dat Zijn
volk niet verlaten zal, maar verlossen uit de tirannie en groote
benauwingen van den Duc d'Alve. Maar wij moeten geen weerlooze
priesters, geen monniken en nonnen vangen en martelen, die ons geen
leed gedaan hebben."

--"Geen leed gedaan? Zij heulen met den Spanjool! 't Zijn de bloedige
adhaerenten van Alva en zijn bloedraad," viel Entesz heftig uit. "Zij
hebben mede Gods kinderen vervolgd en getempteerd en zij bedriegen het
volk met hunne paapsche supersticiën. Laat ze hunne dolingen afzweren,
dan worden zij gespaard!"

--"Jonker, jonker," waarschuwde de Welle, "laat uw deel niet zijn met
Saul, die verworpen werd, omdat hij Agag spaarde, toen de Heere hem
had geboden Amalek te verbannen. Lezen wij niet van David, den man
naar Gods hart, dat hij de vijanden Israëls sloeg met de scherpte
des zwaards en niemand verschoonde, want het waren de vijanden van
God en van Zijn volk."

--"David was een man Gods!" riep Jacob ijverig, "maar hij leefde onder
't Oude Verbond en wij hebben het gezuiverde Evangelie. Als wij de
paapsche Inquisitie bestrijden, die eenvoudige en simpele menschen
worgt en brandt om de goede belijdenis, moeten wij niet doen als
zij. Als Christen, kapitein Entesz..."

--"Ik noeme mij geen Christen," viel Entesz norsch in, terwijl zijn
voorhoofd in dreigende rimpels trok. De beide anderen keken hem
zwijgend aan. Op de Geuzenvloot kenden allen de woeste uitbarstingen
van drift van den Frieschen edelman. Maar Entesz bedwong zich.

--"Ben ik geen Christen," zoo ging hij bedaarder voort, "of houde ik
mij niet gelijk een Christen betaamt, zoo wil ik nochtans Christus'
zaak voorstaan en mijn vaderland dienen met mijn lijf en bloed. En ik
wil naarstig het mijne doen, tot afbreck, vernielinghe ende anulacie
van den Ducq de Alba met zijne bloedige adhaerenten, om weder in
te voeren het waarachtige Woord Gods, ende dat voor allen te doen
prediken, ende alzoo te mogen genieten onzer vaderen landen ende
vrijheden, daar wij thans ballingen af zijn!"

--"Zoo dient ge dan toch de zaak der vrijheid dezer landen als de
zaak Gods?" riep Jacob levendig.

Entesz haalde de schouders op.

--"Daar zijn in een kruidtuin," zei hij rustig, "verschillende
kruiden en planten, doch niet alle zijn even gunstig en dienstig tot
medicijnen. Ben ik geen dier kruiden, dan echter ben ik de haagdoorn
en maak de hegge mede uit, die zoodanigen kruidtuin bewaart; alzoo
behoor ik derhalve noodwendig tot den kruidtuin."

--"God geve, dat gij nog eens, anders dan als de doornheg, tot den
kruidtuin moogt behooren," zeide Jacob trouwhartig.

--"Daar zeg ik Amen toe," zeide de ander ernstig. "Maar wij zullen
ondertusschen niet twisten, kapitein Martens. Tegenover den Spanjool
staan wij schouder aan schouder en dan wensch ik mij geen beter
krijgsmakker. Maar wanneer 't aankomt op het uithalen van een
papennest, zal ik dat u niet opdragen. In trouwe, daar heb ik wel
andere hulp voor;"--en hij wees op het schip, dat achter hen aan
voer. "Marinus Brand zal dat werk gaarne van u overnemen en nog meenen,
Gode een dienst te doen!"

En nu begonnen de torens van Dordrecht op te duiken boven den dijk. Het
vaarwater werd breeder en na een paar uren lag de oude koopstad, met
haar haven, die van masten wemelde, voor de Watergeuzen open. Een paar
schepen, die op stroom hadden gelegen, slipten de ankers, heschen de
bruine zeilen en trokken zich haastig terug.

--"De Dordtsche wachtschepen," zeide Barthold tot Jacob Martens. "Die
van de stad zullen nu wel weten, wie zij voor hebben."

Vóór de haven lieten de schepen der Watergeuzen het anker vallen. De
geschutpoorten waren geopend en de monden der bassen waren dreigend op
de stad en de koopvaarders aan de kaden gericht. Handbussen en pieken,
enterbijlen en houwers werden aan de bemanning uitgedeeld, voor het
geval, dat het noodig mocht blijken, geweld te gebruiken, maar eerst
moest de stad worden opgeëischt, en die eervolle, maar gevaarlijke
taak werd door Entesz van Mentheda aan Jacob Martens opgedragen.

Met de jol van het admiraalsschip liet deze zich naar den wal roeien,
en er waren er onder de op de kade saamgestroomde menigte genoeg, die
den Geus als gids wilden dienen naar het Raadhuis, waar de Vroedschap
vergaderd was.

De Magistraat zat deerlijk in verlegenheid. 't Was geen groote macht,
die de goede stad Dordt bedreigde, maar de aanvallers telden vele
geestverwanten onder het volk, ja onder de gezeten burgerij. Op
den steun der gilden noch der schutters kon men rekenen, en de
stadhouder Bossu was te Utrecht, te ver om tijdig hulp te kunnen
bieden. Kapitein Martens toonde zich een geschikt en edelmoedig
onderhandelaar en hij boezemde de erentfeste leden van de Vroedschap
vertrouwen in. Met twee hunner keerde hij terug naar het admiraalsschip
en het bleek, dat Entesz van Mentheda, trots zijn dweepzieken haat
tegen de Roomsche geestelijkheid, een te ervaren aanvoerder was,
om niet zijn driften en zijn wraakzucht te kunnen bedwingen, nu het
gold, de machtigste koopstad van Holland zonder slag of stoot te
winnen voor zijn partij. Dordrecht gaf zich over, maar het verkreeg
gunstige voorwaarden: alle regenten, beambten en geestelijken zouden
ongestoord hunne bediening blijven waarnemen, een van de kerken zou
worden afgestaan aan de Gereformeerden, maar verder zouden alle kerken,
kloosters en geestelijke gestichten gespaard blijven, de privilegiën
der stad bleven gehandhaafd, en over het algemeen zou de bestaande
orde van zaken worden bestendigd. Barthold Entesz van Mentheda deed
zijn volk landen en bleef de stad met driehonderd man bezetten en het
schijnt, dat de Friesche edelman de voorwaarden, door hem bewilligd,
getrouw is nagekomen. Hij zond kapitein Martens met een der kleinere
schepen naar den Briel, om aan Lumey de blijde tijding van den overgang
van Dordt te brengen.

Maar ondertusschen zon hij op nieuwe plannen. Gorcum lag niet ver
van Dordrecht, en het was zaak zich van die stad meester te maken,
vóór Bossu er bezetting in legde. Niet zonder bedoeling had hij
onder de mannen, met wie hij zijn krijgstocht ondernam, een aantal
Gorcumsche ballingen opgenomen, die, omdat zij in 1566 de hagepreeken
hadden bijgewoond, oproerige requesten geteekend en "vive le Geus"
geroepen, op lijfstraf uit de stad waren gebannen en wier bezittingen
waren verbeurd verklaard.

Onder hen was een kleine, donkere kerel, Wenzel Borchmans, onder
de Geuzen bekend als "'t Swartje van Gorcum", een der roerigsten en
meest ondernemenden. Deze man had bekenden onder de bevolking van zijn
geboortestad en hij was er zeker van, dat de burgerij geen tegenstand
zou bieden. En wanneer hij zijn woeste krijgsmakkers het droevig lot
van de martelaars Barend de Naeyre en Hans van Maeseyck vertelde,
die vier jaren geleden op het schavot te Gorcum waren geworgd en
daarna verbrand, omdat zij kettersche predikaties hadden aangehoord
en kettersche predikanten hadden geherbergd, dan brandden de wilde
gezellen van begeerte, om met hen, die die daad hadden gepleegd,
af te rekenen. En zoo kon Barthold Entesz op vrijwilligers genoeg
rekenen. Den 24sten Juni was Dordrecht overgegaan en reeds den 26sten
verscheen Marinus Brand met 14 kleine vaartuigen en 150 man voor
Gorcum. Meer had Entesz er niet te missen!

Maar het was genoeg! Wel had de drost, Caspar Turc, zijn zoon naar
Utrecht gezonden, om Bossu om hulp te vragen, maar de Geuzen waren
hem te vlug. Te halfacht was Brand met zijn flottille voor de stad
gekomen en te drie uren opende de burgerij de poort voor de Geuzen. De
drost had geweigerd, zich over te geven. Met veertig gewapenden--de
geheele bezetting--trok hij zich terug in het sterke kasteel en de
aanzienlijkste Roomschen met de beide pastoors en de monniken uit
het klooster der Franciscanen vonden daar een schuilplaats.

't Was een waagstuk, die verdediging van het kasteel. Kon de drost
zich staande houden, tot de vendels van Bossu tot ontzet kwamen
opdagen, dan zouden de Geuzen moeten aftrekken. Maar de wallen en de
buitenwerken waren te uitgestrekt, om ze met een zoo kleine bezetting
te verdedigen. Toen de aanval begon, moest men zich terugtrekken in
het hoofdgebouw, een sterken toren. Maar ook daar bleek de tegenstand
vruchteloos. Waarschijnlijk vreesden de verdedigers voor hun leven,
wanneer de sterkte stormenderhand zou worden veroverd en vóór de
troepen, door Bossu gezonden, de stad hadden bereikt, gaf het kasteel
zich over.

Had men voorwaarden kunnen stellen? De Roomsche schrijver, die de
inneming van stad en kasteel uitvoerig heeft beschreven, verzekert,
dat Marinus Brand allen, die zich in de sterkte bevonden, lijfsbehoud
en vrijen aftocht had toegezegd, doch met achterlating van al hunne
bezittingen, en het is zeer waarschijnlijk, dat deze voorstelling
de ware is. De Geuzen wisten zeer goed, dat de Spaansche vendels
met geforceerde marschen naderden en er moest hun alles aan gelegen
zijn, om zich van het sterke kasteel meester te maken en zich daar te
verschansen, vóór hunne komst. En dat bleek zeker juist gezien, want
de Spanjaarden moesten onverrichter zake aftrekken. Maar wanneer een
dergelijke overeenkomst is gesloten, dan is zij zeker niet nagekomen.

Kapitein Brand was eigenlijk geen slecht mensch. Van geringe
afkomst, had hij zijn positie te danken aan zijn onverschrokken
dapperheid. Maar hij was een man van een zwak karakter, zooals uit zijn
latere geschiedenis blijkt. De wilde Watergeus, de onderbevelhebber
van Entesz van Mentheda, zou weinige jaren later terugkeeren tot de
Roomsche kerk en de wapenen voeren tegen zijn vaderland, om in het
duin bij Schagen een roemloozen dood te vinden. Thans schijnt hij niet
bij machte te zijn geweest zich door zijne woeste ondergeschikten
te doen gehoorzamen. Toen de Geuzen meester waren van het kasteel,
werden de mondeling toegestane voorwaarden niet nagekomen. De bezetting
kon ongedeerd vertrekken, evenals de meeste leeken, nadat zij alles
van waarde hadden moeten afgeven, terwijl sommigen nog een losgeld
moesten betalen. Maar de drost en drie aanzienlijke burgers, Bommer
en zijn zoon en De Koninck, die de burgerij hadden aangezet, om hunne
stad tegen de Geuzen te verdedigen, werden gevangen gehouden, evenals
de beide pastoors, de rector van het nonnenklooster en de twintig
Franciscaner monniken met hun gardiaan, den eerwaarden Leonard Pieck.

En nu hadden godsdiensthaat en wraakzucht vrij spel. "'t Swartje van
Gorcum", met zijn vrienden en geestverwanten, dreven hun baldadigen
moedwil met de gevangen geestelijken. Dien geheelen dag,--'t was
een Vrijdag--hadden de gevangenen geen eten of drinken gehad. Thans,
tegen den avond, zette men hun vleesch voor, om hen te dwingen, den
vastendag te schenden. De uitgeputte mannen bleven het gebod hunner
kerk getrouw en weigerden het hun aangeboden voedsel. Slechts één
hunner, Pontus Heuterus, een geleerd man, die later als Latijnsch
dichter en historieschrijver naam zou maken, maar die blijkbaar weinig
voelde voor het martelaarschap, at hetgeen hem werd voorgezet, terwijl
hij beweerde, dat in zulke buitengewone omstandigheden de kerkelijke
voorschriften niet golden.

't Zou dien nacht nog erger worden. Waarschijnlijk opgewonden door
het zware Gorcumer bier, drongen een aantal Geuzen andermaal de
gevangenis der geestelijken binnen en eischten geld. De oudste pastoor
en de rector van het vrouwenklooster, die terstond alles afgaven,
wat zij bij zich hadden, kwamen er genadig af. Maar de jongste
pastoor, Nicolaas van Poppel, die bij de Gorcumsche ballingen, te
recht of ten onrechte, als een ijverig ketterjager bekend stond,
en die niets bezat om de hebzucht zijner belagers te bevredigen,
werd wreed mishandeld. Men sloeg hem een strop om den hals, die over
de openstaande deur werd geslagen; zoo trok men hem telkens omhoog
en liet hem weer neerploffen, tot hij halfdood bleef liggen.

Ook de gardiaan der Franciscanen werd op dezelfde wijze gemarteld. De
Geuzen eischten, dat hij hun den verborgen kloosterschat zou wijzen,
en zij wilden hem door hun folteringen daartoe dwingen, zonder op
zijn verzekeringen, dat die schat niet bestond, acht te slaan. Ook
hem heschen zij herhaalde malen tegen de deur op en lieten hem ten
laatste zoo lang hangen tot het koord brak en het lichaam van den
gemartelde op den steenen vloer viel. Zij lieten hem voor dood liggen,
maar toen zijn beulen vertrokken waren, kwam hij weder bij.

En Marinus Brand deed niets om den moedwil van zijn manschappen te
beteugelen. Hij zond bericht naar Dordt en naar den Briel en vraagde om
nadere orders. Toch verhinderde hij niet, dat de Gorcumsche Magistraat
een bode naar den Prins van Oranje zond, die te Aldenkerken, in 't
land van Gelder, vertoefde, om aan te dringen op de nakoming van het
verdrag en de loslating der gevangenen. Zijn geheele houding teekende
besluiteloosheid.

Zijne onderhoorigen bleven de gevangen geestelijken kwellen en
zelfs mishandelen, al kwam het niet zoo ver als op dien beruchten
Vrijdagavond. Des Maandags daarop werden de Koninck en de oude Bommer
op de markt terecht gesteld en de zoon van den laatste zou het lot
van zijn vader hebben gedeeld, wanneer niet een jong meisje hem aan
den voet van het schavot had "verbeden", d. i. hem openlijk tot haar
man had begeerd. Dit was een oud recht, en hetzij omdat de Geuzen
de aloude privilegiën wilden handhaven, hetzij omdat een opgewonden
menigte gemakkelijk van het eene uiterste in het andere vervalt,
het werd door de overwinnaars geëerbiedigd en de jonge man werd in
vrijheid gesteld. Brand stond zelfs toe--iets wat Lumey nimmer zou
hebben veroorloofd--dat de oudste pastoor zijn gevangenis verliet, om
zijn veroordeelde geloofsgenooten in hun uiterste bij te staan. Toen
het vonnis was voltrokken liet men hem vrij.

De terechtstelling van deze beide mannen, wier eenige misdaad was, dat
zij zich tegen de Geuzen hadden willen verzetten, was zeker tegen de
bedongen voorwaarden en een daad van volkomen noodelooze wreedheid,
die kapitein Brand had behooren te verhinderen. Met de gevangen
geestelijken zou het echter wellicht nog goed zijn afgeloopen, zonder
de onvoorzichtigheid van Leonard Vechel en de tusschenkomst van Lumey.

Twee dagen na den dood van de Koninck en Bommer was het feest
der Annunciatie en het is weer teekenend voor Brand's houding,
dat hij pastoor Vechel toestond, in de groote kerk van Gorcum,
op dien Katholieken feestdag voor zijne gemeente te prediken. Nu
meende deze, dat alle gevaar voor hem voorbij was. Zijne zuster was
uit den Bosch te Gorcum aangekomen, om de tijding te brengen, dat
hun oude moeder ernstig ziek was en zij had van den Geuzenkapitein
een paspoort gekregen of wellicht gekocht. Nog dienzelfden middag
zou pastoor Vechel met zijn zuster de stad verlaten en in veiligheid
zijn. De boot, die hem naar Woudrichem zou overzetten, lag gereed en
daar stond het tweespan klaar, dat hem verder zou brengen.

En nu is 't zeker verklaarbaar, maar het was toch eene
onvoorzichtigheid, dat pastoor Vechel er zich niet toe bepaalde, zijn
parochianen te troosten en te bemoedigen, maar dat hij ook scherpe
woorden richtte aan het adres zijner tegenpartij,--al had die dit
dan ook ruimschoots verdiend.

Dit had reeds bij de Geuzen en bij hunne aanhangers onder de burgerij
verbittering gewekt. En toen het nu in den namiddag in de stad
ruchtbaar werd, dat de pastoor naar Woudrichem was overgestoken,
werd die verbittering woede. Pastoor Vechel was in vrijheid gesteld,
op zijne belofte, dat hij de stad niet zou verlaten. De schutters waren
borg voor hem gebleven. Dat hij van Brand een paspoort had gekregen,
wist men niet. Waarschijnlijk had deze daar geen ruchtbaarheid aan
durven geven. Men verdacht den pastoor van woordbreuk en verraad. De
verbitterde Geuzen vielen in de booten, staken de rivier over en
maakten zich van den geestelijke meester, vóór hij Woudrichem had
kunnen verlaten. Het paspoort, waarop hij zich wilde beroepen, werd
ongelezen in stukken gescheurd en hij werd als gevangene naar zijn
lotgenooten op het kasteel gebracht.

De verbittering der Geuzen had nieuw voedsel gekregen en Brand, wiens
verklaring hem nog had kunnen redden, miste den moed, om tusschenbeide
te komen.

En inmiddels was er den vorigen dag een sinistere persoonlijkheid
komen opdagen: Jan van Omal, een Luikerwaal, evenals Lumey, en diens
handlanger, een gewezen kanunnik, maar die de tucht der Roomsche
kerk slechts had verlaten, om zich over te geven aan de gemeenste
uitspattingen, waaraan hij zich ook in den Briel schuldig maakte,
een van die lage naturen, die een schande en een vloek zijn voor elke
partij, bij wie zij zich aansluiten.

En deze man was door Lumey naar Gorcum gezonden, met den last, de
gevangen geestelijken terstond naar den Briel te brengen. Zonder het
onvoorzichtig gedrag van Leonard Vechel was het waarschijnlijk wel
mogelijk geweest, dat vertrek uit te stellen, om te wachten op het
antwoord van den Prins, dat elken dag kon komen, en dat de gevangenen
zou hebben gered.

Ondertusschen ging Omal niet terstond over tot het uitvoeren van
den last, die hem was opgedragen. Het gemakkelijk succes van Brand
prikkelde hem tot jaloerschheid. Had deze met een geringe macht Gorcum
veroverd, hij, Omal, wilde op zijne beurt beproeven Zalt-Bommel in
te nemen, waar de Geuzen ook aanhangers hadden onder de burgerij. Met
een kleine vloot waagde hij de onderneming, maar de aanslag mislukte:
de Geuzen werden teruggeslagen en Omal keerde te Gorcum terug, op den
dag, dat pastoor Vechel weer bij zijne lotgenooten was gevangen gezet.

En nu was het lot der gevangenen beslist. Omal wilde hen volgens het
bevel van Lumey naar den Briel vervoeren en de Gorcumsche vroedschap
durfde zich niet verzetten. In den nacht van Zaterdag op Zondag
werden de geestelijken in een open schuit ingescheept, nadat zij
door de hebzucht en de baldadigheid hunner bewakers voor een groot
deel van hunne bovenkleederen waren beroofd. 't Was zomer, ja, maar
't was kil op de rivier en verscheidene van de slachtoffers waren
hoogbejaard. Te Dordt, waar hun vaartuig een paar uren stil lag,
liet men de gevangen priesters als wilde dieren aan de nieuwsgierigen
voor geld zien. Eindelijk, des Maandagsmorgens, nog voor het openen
der poorten, kwam de schuit aan het havenhoofd van den Briel aan.

Jacob Martens lag nog te bed, in een van de door de bewoners
verlaten huizen der stad, waarin hij zijn kwartier had gevestigd,
toen Frederik van Dorp zich bij hem liet aandienen. Hij werd terstond
toegelaten. Het open en edel gelaat van den jongen krijgsman toonde
onrust en bezorgdheid.

--"Een kwade tijding, vriend Martens," zei hij somber. "Jan van Omal
is met een geheele schuit papen zooeven aangekomen, en de admiraal is
hun dadelijk tegemoet gereden, met allen, die hem wilden volgen. Ik
vreeze zeer, dat dit weer een droevige zaak van mishandeling en moord
zal worden, van menschen, die dolen en gevangen zijn in hun paapsche
supersticie, maar die men toch niet als wilde dieren mag uitroeien."

--"Als die Luikerwaal, die Omal, de hand in de zaak heeft, zal 't
wel zoo zijn," antwoordde Jacob driftig. "Die terechtstelling van den
kanunnik Berwout Jansz was een gruwel. De man werd vermoord op last
van Omal, omdat de herbergierster Marijke Fasols zijn huis begeerde
en haar dochter Omal's lief was. Het was een schande, dat de admiraal
het toestond."

--"Als Treslong, de Rijk en Ruychaver dachten als wij, konden zij
misschien iets doen," zeide van Dorp, "maar zij achten het leven
van een priester weinig, al minachten zij Omal. Ik sprak er over met
Ruychaver. Hij zei, dat de dronken verloopen kanunnik hem niet raakte,
maar dat Lumey hem steunde en dat wij in dezen tijd geen twist konden
zoeken met hem en met zijn Luikerwalen. De eendracht onder de mannen
was meer waard dan het leven van tien papen. En 't is misschien te
begrijpen, dat de oudere kapiteins er zoo over denken, nu alles op
't spel staat. Maar ga mee naar de haven! Wij dienen toch te weten,
wat er met de gevangenen gedaan wordt."

Jacob Martens had zich ondertusschen haastig gekleed. Hij gespte
den degen om en de beide jonge mannen stapten de poort uit en naar
het havenhoofd, waar de gevangen geestelijken werden ontscheept. 't
Was een droevig tooneel! Op bevel van Lumey, die te paard gezeten
de ontscheping bijwoonde, werden de gevangenen twee aan twee in een
rij geschaard en onder het gegrinnik en de schimpscheuten van de
toegestroomde Geuzen en van het Brielsche grauw zette de treurige
stoet zich in beweging. Lumey eischte, dat zij een kerklied zouden
zingen, en de moedige mannen, die den dood voor oogen hadden, hieven,
zij het dan ook met van koude en uitputting sidderende stemmen, een
"Te Deum Laudamus" aan.

Zoo ging het voort over de hobbelige keien van de havenkade, eerst naar
een galg, die buiten de poort was opgericht. De gevangenen openden
den stoet, bewaakt door Omal en hun gewapend geleide, Lumey en zijn
staf volgden te paard, en om hem verdrong zich de joelende menigte,
zich vermeiend in het lijden en de vernedering der gehate papen.

Voorzeker, het zaad van tirannie en geloofshaat, jaren lang met zoo
kwistige hand gezaaid, droeg in die dagen wrange vruchten!

Toen de gevangenen de galg zagen, die het eerste doel was van den
bangen tocht, meenden zij reeds, dat hun laatste uur was geslagen, maar
dat lag niet in de bedoeling van Lumey: hij wilde zijn slachtoffers
voor het oogenblik slechts vernederen en schrik aanjagen. Toen men
de galg was voorbij getrokken, ging het weder naar de stad, door de
Noordpoort naar de markt, waar een tweede galg was opgericht. Ook
daarlangs moesten de geestelijken zingend defileeren. Toen werden zij
allen te zamen opgesloten in een van de kelders der gevangenis. Zij
vonden er de pastoors van Heinenoord en Maasdam, die reeds vroeger
door de Geuzen waren gevangen genomen en eenige uren later kwamen
daar nog twee praemonstratenser monniken uit Middelburg bij, die den
dienst in de kerk van het dorp Monster hadden waargenomen, maar door
een stroopende bende waren opgelicht.

Met verontwaardiging en ingehouden toorn hadden Jacob Martens
en Frederik van Dorp het droevig tooneel aanschouwd. Zij konden,
de mishandeling der weerlooze geestelijken niet verhinderen. De
overgroote meerderheid der Geuzen was op de hand van Lumey en Omal,
velen, zooals Pieter de Welle en Jan Smeert de Borst uit verbittering
en wilden haat, anderen uit baldadige wreedheid. Zelfs onder de besten
van dien tijd waren er maar weinigen, die Oranje's verdraagzaamheid
konden begrijpen en waardeeren. Hadden zij zich tegen de wreede
behandeling der afgetobde monniken met geweld willen verzetten,
dan zouden hun eigen mannen hen niet hebben gevolgd.

Toch had hun houding op het havenhoofd en wellicht ook de uitdrukking
van hun gelaat, de aandacht getrokken van twee mannen, in de dracht
van gegoede burgers, die op eenigen afstand de ontscheping der
gevangenen hadden gadegeslagen. Het waren de beide broeders van den
gardiaan Leonard Pieck. Zoodra het in Gorcum bekend was geworden, dat
de gevangenen naar den Briel waren gevoerd, hadden zij begrepen, dat
zij alleen daar iets tot redding van hun broeder konden beproeven. Zij
hadden een snel zeiljacht gehuurd, en goed van geld voorzien waren zij
eenige uren vóór de schuit van Omal aan het havenhoofd aangekomen. Zij
waagden veel, maar Gorcum had nu immers de zijde van den Prins gekozen
en als Gorcumsche burgers achtten zij zich veilig.

Zij hadden zeer wel opgemerkt, dat de beide jonge officieren geen
teekenen van voldoening en instemming hadden gegeven bij de ontscheping
van den gardiaan en zijn lotgenooten en bij de door Lumey bevolen
beschimping der gevangenen, die door de andere Geuzen met luid gejuich
en gelach was begroet. Dit gaf hun moed, hen aan te spreken en hen
voorzichtig te vragen wat wel het lot der priesters zou zijn en of
men ook toegang zou kunnen krijgen tot den graaf van der Mark.

Natuurlijk werden zij met eenig wantrouwen aangehoord. Toen zegevierde
echter hun liefde voor hun broeder over hunne voorzichtigheid. Zij
maakten zich bekend als de broeders van den gardiaan. Hun broeder,
de Eerwaarde Leonard Pieck, had er geen schuld aan, dat de baljuw
Caspar Turc het kasteel tegen de Geuzen had verdedigd,--en misschien
zou de graaf van der Mark een rantsoen van hem willen aannemen,
een groot rantsoen! Ook voor de andere gevangenen wilden zij wel een
losprijs betalen of waarborgen, als de graaf zijne eischen niet te
hoog stelde...

Inderdaad was er bij Lumey met geld veel te bereiken, en de beide
Gorcumers schenen vermogende lieden, die er veel voor over hadden
om hun bloedverwant te redden. Zoo kon wellicht worden verhoed, dat
de zaak een treurig einde nam. De beide Geuzenkapiteins beloofden
de broeders, dat zij hun zoo mogelijk een gehoor bij den graaf van
der Mark zouden verschaffen. Wanneer zij vrijgevig waren in hun
aanbiedingen en er voor zorgden, de ijdelheid van den admiraal niet
te kwetsen, was er kans op een goeden uitslag.

Dienzelfden middag werden de gevangen geestelijken--het waren er nu
meer dan twintig--naar het raadhuis gebracht, waar Lumey, omringd
door zijne officieren, hun een verhoor afnam. Hun eenige misdaad was
hun godsdienst en hun geestelijke stand. Alleen den beiden pastoors
kon wellicht nog ten laste gelegd worden, dat zij de burgers hunner
stad hadden aangezet om aan de Geuzen weerstand te bieden.

In de groote zaal, waar anders de schepenen en de baljuw vergaderden,
om recht te spreken, zat de admiraal en monsterde met zijn stekende
zwarte oogen de ongelukkige priesters, wier lot hij in handen had,
en die nu bleek en bevend, na een bangen, slapeloozen nacht in hun
vunzigen kerker, voor hem stonden. Zijn vertrouweling, Jan van Omal,
die het best van alle aanwezigen met de gevangenen bekend was, stond
naast hem. Het zware, zwarte haar golfde neer op zijn schouders en
hij woelde met de hand in den langen baard; deze vreemde Nazireër had
immers gezworen, dat hij haren noch baard zou scheren, vóór hij den
dood van Egmond en Hoorne had gewroken. Toen hij zich een poos had
vermeid in de ontsteltenis, die zijn aanblik de weerloozen blijkbaar
inboezemde, begon hij hen met barsche stem te beschuldigen van snoode
afgoderij en het aanhangen van verdoemelijke paapsche supersticiën,
waarmee zij het volk op een doolweg brachten. Wilden zij zich bekeeren
tot de gezuiverde Gereformeerde religie en hunne paapsche dolingen
op staanden voet afzweren, dan konden zij op genade hopen.

--"Hij is zeker een fraai voorbeeld van een aanhanger der gezuiverde
Christelijke religie," fluisterde van Dorp Jacob Martens in. De
losbandigheid van hun Waalschen aanvoerder was reeds lang velen der
Hollandsche Geuzenkapiteins een ergernis.

Man voor man werd nu den gevangenen afgevraagd, of zij bereid
waren, aan den eisch van hun rechter te voldoen. Bijna allen bleven
standvastig. Een eenvoudige leekebroeder wekte de lachlust der
Geuzenkapiteins, toen hij bij wijze van geloofsbelijdenis verklaarde,
dat hij "alles geloofde, wat zijn gardiaan geloofde". Alleen Pontus
Heuterus, de geleerde monnik, die reeds vroeger had getoond, dat hij
weinig lust had in het martelaarschap, de pastoor van Maasdam en een
leekebroeder, gaven een dubbelzinnig antwoord. Zij werden van hun
lotgenooten gescheiden.

Met de anderen zou het misschien toen reeds slecht zijn afgeloopen,
wanneer Jacob Martens en Frederik van Dorp niet tusschenbeide gekomen
waren. Zij drongen naar voren en verlangden den admiraal te spreken
over een zaak van gewicht. Wrevelig stemde Lumey toe, maar zijn gezicht
helderde op, toen de beide kapiteins hem de aankomst van de broeders
Pieck mededeelden, die den gardiaan wilden redden en die blijkbaar wel
genegen waren, een goed rantsoen te betalen. Het verzoek streelde zijn
ijdelheid en wekte tevens zijn hebzucht. Twee aanzienlijke Gorcumsche
burgers, die genade kwamen vragen voor hun broeder, en die voor die
gunst grof wilden betalen! Hij liet voor 't oogenblik de gevangenen
terug brengen naar hun kerker en hij deed de Gorcumers ontbieden,
die in de Stadsherberg den uitslag hunner pogingen afwachtten.

Het scheen een oogenblik, of zij zouden slagen. Lumey scheen op hunne
voorstellen in te gaan. Toch lieten zijn trots en zijn fanatieke
haat tegen de Roomsche geestelijkheid niet toe, dat een paap aan
zijne handen zou ontkomen, zonder voor hem te bukken. Hij zon op
een uitweg. Den volgenden dag zou de gardiaan en zes der voornaamste
geestelijken opnieuw worden verhoord. Twee Gereformeerde predikanten
zouden met hen redetwisten,--vooral over de oppermacht van den
paus. Wanneer de gevangenen zich op dat punt rekkelijk toonden, dan...

De broeders van Leonard Pieck waren vol hoop. Zij zouden tot den
gardiaan worden toegelaten en zij zouden trachten hem te overreden,
in schijn op sommige minder belangrijke punten toe te geven. Wat
deerde het, of hij den onwetenden Geus misleidde?

Het twistgesprek had plaats, maar de gardiaan bleek
onverzettelijk. Zijne tegenstanders waren trouwens weinig geschikt, om
hem en de zijnen van dwaling te overtuigen. 't Waren de gewezen pastoor
van den Briel, thans predikant der stad, en een zijner ambtsbroeders,
een gewezen schipper uit Gorcum, misschien een vroom, ijverig man,
maar zeker geen godgeleerde.

Nog gaven de broeders Pieck het niet op en het blijkt wel, dat Lumey op
dat oogenblik bereid was, hen zoo ver mogelijk tegemoet te komen. Hij
stond hun toe, den gardiaan mede te nemen naar de Stadsherberg, om
hem daar te verplegen en hem de gelegenheid te geven, zich van de
geleden ontberingen te herstellen. Daar zouden zij nogmaals trachten,
hem te bewegen, zich in schijn te onderwerpen.

De beter gezinden onder de Geuzen konden dus hopen op een goeden
afloop. 't Is waar, dat er maar weinigen onder hen waren, die zich
het lot der gevangen priesters bijzonder aantrokken. 't Was een harde
tijd en de bloedige handhaving der plakkaten tegen de ketterij,
door een groot deel der Roomsche geestelijkheid toegejuicht, lag
allen nog te versch in het geheugen. Maar zij achtten de vervolging
en mishandeling der priesters een nuttelooze en noodelooze wreedheid,
krijgslieden onwaardig. De admiraal kon zich met betere dingen bezig
houden, dan met plundering en priestermoord. Dat Dordrecht en Gorcum
genomen waren was goed, maar er was meer te doen tot bevrijding des
lands en de vloot lag werkeloos voor den Briel voor anker.

De pogingen om de gevangenen te redden zouden echter falen. Wat hun
redding had moeten brengen, werd hun verderf.

Den 7den Juli, denzelfden dag, waarop de geestelijken te Brielle
waren aangekomen, had de Gorcumsche Magistraat het antwoord van den
Prins ontvangen. Het luidde zooals men hoopte en kon verwachten, want
nimmer heeft Oranje geloofsvervolging goedgekeurd, al heeft hij die
niet altijd kunnen beletten. De Prins gelastte in zijn brief alle
overheden en krijgsbevelhebbers, dat zij geen geestelijke om zijn
stand of om zijn geloof zouden lastig vallen, maar dat allen, die
tot den geestelijken stand behoorden, evenals de overige ingezetenen,
behoorden te worden beschermd en volle vrijheid zouden genieten.

De brief werd aan kapitein Brand ter hand gesteld, die er niet
weinig verlegen mee was. Zijn gedrag en dat van zijn onderhoorigen
was zeker niet geweest volgens die voorschriften. Hij liet van den
brief een afschrift maken en zond een Gorcumsch advocaat, die zeer
voor de belangen der gevangenen had geijverd, met dat afschrift en
een vrijgeleide naar den Briel. De Gorcumsche vroedschap voegde er
brieven van aanbeveling bij.

Alles scheen dus in orde,--maar men had buiten Lumey gerekend.

In den namiddag van den 8sten Juli, kort na het tweede verhoor, kwam
de bode te Brielle aan en werd terstond tot den admiraal der Geuzen
toegelaten. Lumey verkeerde in een zeer slechte stemming. Hij voegde
den bode op barschen toon toe, dat hij sedert lang allen papen, die
hem in handen vielen, den dood had gezworen, om wraak te nemen wegens
den moord op Egmond en Hoorne en tal van edelen, door de papisten
gepleegd. De Prins van Oranje had zich met de handelingen van den
Graaf van der Mark niet te bemoeien. Om zijne bevelen bekommerde hij
zich niet.

Dien avond wond hij zich meer en meer op. Hij dronk veel en dat maakte
zijne stemming niet beter. Door den brief van den Prins was zijne
ijdelheid gekwetst en zijn toorn werd nog heviger, toen hij bemerkte,
dat men hem niet den origineelen brief, maar slechts een afschrift
had gezonden. Nu Oranje zich met de zaak had bemoeid, zouden die
Gorcumers ook wel niet meer bereid zijn, een hoog rantsoen voor de
papen te betalen. Maar hier in den Briel was hij heer en meester en
hij behoefde van niemand bevelen af te wachten.

Laat in den avond liet hij nog den provoost-geweldige ontbieden, den
voltrekker van de crimineele vonnissen in het leger en op de vloot,
en gaf hem bevel, de gevangen priesters terstond uit de gevangenis
te halen en ze buiten de stad op te hangen. Jan van Omal, met een
wacht gewapende Geuzen, zou toezien, dat alles volgens zijn bevelen
geschiedde.

Het bevel werd opgevolgd. De gevangenen werden uit den kerker gehaald,
Leonard Pieck werd, tot ontzetting zijner broeders, die hem reeds gered
waanden, van zijn bed in de stadsherberg gelicht, en bij het licht van
een paar toortsen en handlantaarns trok de stoet der veroordeelden,
een en twintig in getal, door de straten van den Briel, tot buiten
de poort.

En daar werd de laffe, zwakke daad volbracht.

Er was geen galg, groot genoeg voor de een en twintig veroordeelden,
maar Omal wist raad. Buiten de poort lagen de bouwvallen van het
klooster Rugge, dat door de Geuzen was verwoest. Daar stond een
groote turfloods ledig. Daarheen werden de ongelukkigen gevoerd,
en de balken van de schuur dienden tot galg. Twee van hen redden
hun leven, door hun geloof te verloochenen; één van hen was Pontus
Heuterus. De anderen werden in koelen bloede opgehangen. Volgens den
tijdgenoot, die deze dingen beschreven heeft, stierven zij moedig, met
een gebed op de lippen,--martelaars, stervende voor hunne overtuiging,
als zoovele ketters vóór hen in den dood waren gegaan.

Maar hun dood zou een vlek werpen op den strijd der Nederlanders vóór
de vrijheid en tegen vorstelijke tirannie en geloofsdwang.

En Lumey's daad draagt bittere vruchten,--tot op dezen dag!



XIX.


Eerwaarde Vader in Gode, lieve ende veelbeminde.

Wij hebben jegenwoordelijcken ontvangen sekere brieffen van onzen
Hre den Coninck, bij dewelke Z. Mt ons overscrijft, dat, gemerckt die
alteratien daer-jnne zijne landen van herwaerts over gevallen zijn,
die redene wel vereyscht, dat boven alle mogelijcke remedie ende order,
die Z Mt in meyningen is daerinne te stellen zonder yet te sparen,
men toevlucht neme aen onzen lieven Heere God ende sijne hulpe ende
assistentie aenroepe. Lastende daeromme, dat wij secretelijcken souden
doen bidden in alle kercken, cloisters ende anderssins, ten einde
dat ons Heere God door Sijne goedertierenheyt ende bermhertichheyt
die sake zulcx dirigeeren ende voirderen wille, dat die rebelle,
ketters ende heretijcke gestrafft, ende die goetwillige in peyse ende
ruste gestelt mogen worden, ende het heylich catholycsche geloove
der Roemscher kerken geconserveert, zoe 't zelve tot nu toe is
geweest ende Z Mt sulcx boven alle zaken ter werelt begerende is,
daervan wij u wel hebben verwittigen bij desen, u versueckende,
in naem ende van wegen sijner Vorst. Mt wel ernstlycken, dat ghy,
volgende sijne goede begeerte ende intentie, alle behoorlijcke
order stellen willet, dat jn alle cloisteren, godtshuyzen, conventen
ende kercken van uwen bisdomme secretelijcken oft openbaerlijcken,
zoe ghij voor 't beste aenzien zult, alomme demoedige bedingen,
abstinencie, aelmoezenen, suffragien ende andere duechdelijcke ende
verdienstelijcke werken, onzen Heere God aengenaem wesende, gedaen
worden, ende oick processiën doen gaen mitten heyl. hooghweerdigen
sacramenten, tzij in den bijvanck van huere cloisteren, godshuysen,
conventen ende kercken, secretelijcken of oepenbaerlijcken alsvoiren,
mit alle behoorlijcke innicheit, devotie ende solempniteit, opdat
Sijne Godlicheit gelieve ons te bewaren tegens die macht, aenslagen
ende invasien van de voirs. rebelle, ketters ende heretijcke, ende
door sijne godlijcke gratie der Co. Mt ende sijn crijchsvolck goede
prosperiteit, voirspoet ende victorie tegens deselve te verleenen,
alles tot Sijner godlijcker eeren ende tot conservatie van onzen
heyl. cath. geloeve der Roemscher kercken ende gantze confusie van
de voors. rebelle ketters ende heretijcke.

Zoo schreef Alva den 11den Augustus 1572, namens zijn koninklijken
meester, aan den aartsbisschop van Utrecht en de bisschoppen van
Middelburg, Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en Roermond
en het moet den ijzeren hertog, den geduchten legeraanvoerder wel
hard gevallen zijn, te erkennen, dat de "rebellen, ketters ende
herelycken" in die weinige maanden zulk een macht ontwikkeld hadden,
dat het gezag van den Koning van Spanje in zijne erflanden wankelde,
dat de opstand op het punt was te slagen.

Het scheen, dat de plannen van Oranje ditmaal zouden gelukken. Met
een leger van 13000 voetknechten en 3000 ruiters was hij bij Duisburg
in de eerste dagen van Juli den Rijn overgetrokken en had hij zich
gelegerd in de oude voogdij van Gelder. Venlo en Roermond werden na
korten tegenstand genomen en ondanks een dreigbrief van den Keizer,
die hem en de zijnen beval, de wapens neer te leggen, rukte hij
voort naar Bergen, waar zijn broeder Lodewijk door de troepen van
Alva belegerd werd. Zonder ergens tegenstand te ontmoeten, drong hij
in Brabant door. Herenthals, Tienen en Diest openden onmiddellijk
vrijwillig hunne poorten en Mechelen werd bezet. In het Noorden hadden
de Spanjaarden geheel Holland moeten ontruimen en alleen Amsterdam
was den Koning getrouw gebleven en uit de Vlaamsche steden, zelfs uit
Brussel, bereikten Alva verontrustende berichten. En nu zou ook de
zoo lang verwachte hulp uit Frankrijk komen, waar de Huguenoten aan
invloed schenen te winnen. De admiraal de Coligny zou aan het hoofd
van tien à twaalf duizend haakschutters zijne geloofsgenooten te hulp
komen en Bergen helpen ontzetten. Het Noorden in volslagen opstand,
het Zuiden bedreigd door de troepen van Oranje en Coligny,--de zaak
der Spaansche tirannie stond hachelijk.

Sedert de laatste dagen van Juli diende Jacob Martens in het leger
van den Prins, dat hij door Brabant heen gemakkelijk had kunnen
bereiken. Den 19en Juli waren de Staten van Holland te Dordrecht
bijeengekomen, Marnix van St. Aldegonde was er verschenen als
vertegenwoordiger van Oranje en de Staten hadden den Prins als
stadhouder des Konings erkend en beloofd, hem tegen Alva en de
Spaansche troepen te ondersteunen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt,
hadden zij echter aangedrongen op het intrekken van de commissiën ter
zee, omdat de handel des lands te veel schade leed door de rooverijen
der Watergeuzen. Marnix voldeed, namens den Prins, aan dit verzoek,
en sedert hielden de kapers op, een wettige krijgsmacht te zijn. Vele
ballingen keerden naar hunne haardsteden terug, anderen gingen met
hunne schepen naar Zeeland, om de Zeeuwen bij te staan in hun strijd
tegen de Spanjaarden en zij hielpen mede die eerste Nederlandsche
marine vormen, die zich tot het jaar 1576 zoo duchtig in de Zeeuwsche
wateren heeft geweerd. Weer anderen namen dienst bij de vendels die
hunne aanvoerders, thans als hoplieden van den Prins, aanwierven om
den strijd te land voort te zetten. De Watergeuzen verdwenen van de
wateren der Noordzee. Zij zouden eerlang hunne opvolgers vinden in
de Duinkerker kapers.

Den 22sten Juli was Lumey in de vergadering verschenen en had een
commissie overgelegd van den Prins, waarbij hij werd aangesteld
als gouverneur van Holland. Hij verklaarde zich bereid die post te
aanvaarden en zich naar de daarbij gevoegde instructies te zullen
gedragen. Waarschijnlijk was Marnix van beide stukken de overbrenger
geweest. Lumey werd daarop door de Staten als de vertegenwoordiger
van den Prins, als 's Konings stadhouder erkend en voerde een korte
poos het bewind in het Zuiden van Holland, ook als bevelhebber der
aanwezige troepen, gelijk Sonoy in het Noorden. [9]

Jacob Martens wenschte echter niet onder Lumey te dienen. Met een
aanbevelingsbrief van Aldegonde vertrok hij naar het leger van den
Prins en werd aangesteld als cadet bij diens lijfwacht. Hij deelde
in de algemeene verwachting, dat de bevrijding van de Nederlanden
aanstaande was en hij hoopte Vlaanderen en zijn geboortestad Gent, die
hij als vluchteling en balling had moeten verlaten, met het zegevierend
leger van Oranje en Coligny binnen te trekken, om ze van het juk
der Spanjaarden te verlossen. Mochten de heftigste Gereformeerden,
mocht zelfs Aldegonde Oranje lauwheid verwijten op het stuk van den
godsdienst, hij begreep, wat de Prins bedoelde. Vrijheid van geweten,
het recht, om God te dienen naar de inspraak van zijn hart, die zouden
ieder gewaarborgd zijn, als Oranje triomfeerde. Dan zou de Kerk van
Christus in Vlaanderen, waar de geloovigen zich nu in vreeze voor
hun leven schuilhielden, krachtig opbloeien en het Woord Gods zou
vrij uit mogen worden verkondigd.

Maar, om met het Wilhelmus te spreken,


    Maar de Heer van hierboven,
      Die alle ding regeert,
    Die men altijd moet loven,
      En heeft het niet begeerd!


Het was in Gods ondoorgrondelijken raad besloten, dat het Zuiden voor
de Reformatie verloren zou gaan en dat het Noorden niet door vreemde
hulp en niet nu, maar eerst na bange worsteling vrij zou worden van
tirannie en geloofsdwang.

Reeds was Mechelen door het leger van den Prins bezet, toen hem de
tijding bereikte van wat er in den nacht van den 24sten Augustus,
den beruchten Bartholomeusnacht, te Parijs was voorgevallen: de
moord, gepleegd op Coligny en de argelooze Huguenoten, gevolgd door de
bloedige vervolging der Protestanten in alle Fransche steden. Catharina
de Medici en de Guises hadden gezegevierd, de Fransche politiek was
plotseling veranderd van koers en hulp van die zijde was niet meer
te verwachten.

En op die hulp van Coligny en zijne vendels, op de medewerking der
Fransche Regeering in den strijd tegen Spanje, was het plan van
den Prins gebouwd. De veldtocht van 1572 kan als mislukt worden
beschouwd, evenals die van 1568. De verrassing van Oudenaerden,
den 7den September, was het laatste succes. De Duitsche hulptroepen
eischten hunne soldij en de hulpmiddelen van Oranje waren bijna
uitgeput. Hij waagde nog een laatste poging om Bergen te ontzetten,
maar in het gevecht bij Jemappes werden zijne troepen door de beroemde
Spaansche musketiers verslagen en twee dagen later ontkwam hijzelf
ternauwernood aan een koenen nachtelijken overval door Romero, aan
het hoofd van 600 Spanjaarden.

Geld en levensmiddelen ontbraken, het leger was gedemoraliseerd, de
onderneming moest worden opgegeven. De Prins trok af naar Mechelen en
van daar naar den Rijn, dien hij bij Orsoy overstak. Hij dankte er
de Duitsche huurtroepen af en behield voorloopig slechts 6 Waalsche
vendels en 1200 ruiters in zijn dienst. Met die kleine legermacht trok
hij door de Graafschap naar Zutfen, waar hij de Walen in bezetting
liet en toen naar Kampen, om van daar naar Enkhuizen over te steken. In
Holland en Zeeland, zoo schreef hij aan zijn broeder, Jan van Nassau,
wilde hij den verderen kans en Gods beschikking met hem verbeiden,
en zich tot het laatste handhaven, vast besloten er anders zijn graf
te vinden.

Een week na den aftocht van den Prins gaf Lodewijk van Nassau Bergen
aan de Spanjaarden over. Alva, die zijne troepen noodig had om zijn
veldtocht tegen het Noorden te ondernemen en de oproerige gewesten
tot onderwerping te dwingen, stond Lodewijk eervolle en voordeelige
voorwaarden toe, die inderdaad, wat Lodewijk en zijne troepen betreft,
stipt werden nagekomen. Aan de bezetting werd vrije aftocht met
krijgseer toegestaan en den jongen graaf van Nassau, die ziek was en
in een draagstoel de stad verliet, werd door den hertog en zijn zoon
met Spaansche hoffelijkheid uitgeleide gedaan.

En thans had Alva de handen ruim. Hij beschikte over een krachtig en
wel geoefend leger, waarvan de kern werd gevormd door de Spaansche
vendels, die hij had medegebracht, maar dat versterkt was door Waalsche
en Duitsche huurtroepen. Van Frankrijk was niets meer te vreezen. De
Prins kon geen legermacht van eenige beteekenis meer tegen hem in 't
veld brengen. 't Gold nu enkel, de afvallige steden, met hun geringe
bezetting tot onderwerping te brengen en dan zou de opstand bedwongen
zijn. Alva kende den invloed maar al te wel, van wat men in later tijd,
ook in onze dagen de "terreur" zou noemen. Door schrik en ontzetting,
door enkele steden zwaar te straffen, rekende hij er op, het verzet
der andere zonder strijd te breken.

Mechelen was het eerst aan de beurt. Het zou tot een voorbeeld
worden gesteld. Drie dagen lang werd de stad door de Spanjaarden
uitgemoord en geplunderd, ondanks de tusschenkomst van den bisschop
van Atrecht. "Oorlogsnoodzakelijkheid" zou Alva in onze dagen hebben
gezegd. Het middel was afdoende, want alle steden in de Zuidelijke
Nederlanden haastten zich hunne onderwerping aan te bieden en ze
werden in genade aangenomen.

Toen rukte het leger, onder aanvoering van Alva en den hertog
van Medina Coeli--die eigenlijk als zijn opvolger was gezonden,
maar die nimmer eenig gezag heeft uitgeoefend--over Maastricht en
Emmerik op naar Nijmegen, waar voorloopig het hoofdkwartier werd
gevestigd. Aan Alva's zoon, Don Fadrique de Toledo, werd nu het
opperbevel toevertrouwd, om het Noorden te bedwingen.

Hij begon met Zutfen, waar de door den Prins achtergelaten bezetting
een korten tijd tegenstand bood en dat daardoor het lot van Mechelen
deelde. Ook ditmaal werd het doel aanvankelijk bereikt. De steden in
Gelderland, Overijsel en Utrecht onderwierpen zich en werden gespaard.

En nu rukte de voorhoede van het Spaansche leger onder Romero Holland
binnen. Naarden, de kleine, zwakke vesting, had zijne poorten geopend
voor de gevluchte bezettingen van Kampen en Amersfoort.

Nog den 22sten November was Bossu met honderd man voor het
stadje verschenen, maar de burgerij had geweigerd hem binnen te
laten. Misschien rekende men er op hulp van Sonoy.

Thans, bij de nadering der Spanjaarden, zag men te laat in, aan welk
gevaar men zich had blootgesteld en men trachtte den storm nog te
bezweren. Twee afgevaardigden uit de vroedschap begaven zich naar het
hoofdkwartier van don Fadrique te Amersfoort, om er de onderwerping
der stad aan te bieden, maar ze werden niet tot den bevelhebber
toegelaten. Den volgenden morgen zouden ze te Bussum het antwoord
vernemen. Dit bericht bracht schepen Gerrit Pieter Aertz de bedrukte
burgerij. Burgemeester Marten Laurensz, zijn metgezel, die maar al te
goed begreep, wat die ontvangst beteekende, keerde niet naar Naarden
terug, maar redde zich door de vlucht.

Den volgenden dag verschenen zeven afgevaardigden der stad voor Romero,
die tot Bussum was voortgerukt. Zij moesten den Spaanschen aanvoerder
tot voor de poort volgen, om er diens antwoord te vernemen. Men bood er
hem de sleutels van de stad aan en hij beloofde op handslag den rector
Lambertus Hortensius en een van diens mede-afgezanten een genadige
behandeling en behoud van lijf en goed. De onnoozele burgerij meende,
dat die belofte ook haar gold en zag zich jammerlijk bedrogen. 't
Is onnoodig, hier nogmaals te verhalen, wat er dien dag gebeurde. De
moord te Naarden is een maar al te bekend feit in onze geschiedenis.

Weer hadden de Spanjaarden een schrikkelijk voorbeeld gesteld, om de
andere Hollandsche steden te toonen, wat hun wachtte, indien zij het
waagden zich te verzetten.

Van Naarden rukte don Fadrique op naar Amsterdam, de eenige stad in
Holland, die Spaanschgezind was gebleven, en van daar naar Haarlem. De
Geuzen trachtten op den smallen dijk naar Sparendam, waar zij een
schans hadden opgeworpen, de voorhoede van het Spaansche leger tegen
te houden, maar na een gevecht van drie dagen werd die schans veroverd
en nu lag de weg naar Haarlem open.

Haarlem werd als de zwakste der Hollandsche steden beschouwd en don
Fadrique had er op gerekend, dat hij zich gemakkelijk van de vesting
zou meester maken. Het beleg, dat in het begin van December begon, zou
echter acht maanden duren en Haarlems verdediging zou een roemrijke
bladzijde vullen in de geschiedenis van den vrijheidsoorlog. Zelfs
de ridderlijke Spanjaard de Mendoça, die zoowel krijgsman als
geschiedschrijver was, brengt hulde aan den moed der burgerij. "Die
moed," zoo zegt hij, "kwam niet slechts bij de verdediging hunner
wallen uit; hij toonde zich evenzeer met de grootste kracht en
stoutheid bij al de uitvallen, die zij gedurende heel den tijd van
't beleg deden. Hij openbaarde zich ook onder alle inwoners, die met
hardnekkigen trots de wapens voerden; terwijl Haarlems broederschappen
of zoogenaamde gilden, van de muren der stad de grootste schade aan ons
volk toebrachten. Het moge als een les strekken voor ieder veldoverste
en krijgsman, zijn vijand om welke reden dan ook niet te minachten,
voor men hem bestreden heeft."

Jacob Martens had den Prins op zijn tocht van Gelderland naar Holland
vergezeld. Van Enkhuizen was de Prins naar Haarlem getrokken, waar hij
de Staten van Holland bijeenriep. Er waren daar veel bedrukte harten,
want,--het was half November--men had reeds de tijding vernomen van de
nadering der Spanjaarden en men wist niet, welke maatregelen Oranje
dacht te nemen voor de beveiliging en verdediging des lands. De
Prins trachtte de bedrukten moed in te spreken en hij wees hun op
zijn onderhandelingen met Koningin Elisabeth van Engeland. Verder
wekte hij de Staten op, gelden te verzamelen voor het aanwerven van
troepen, terwijl hij hun beloofde, het zijne te doen om het bedreigde
Noorden te helpen. En dit was geen ijdele belofte. Over een veldleger
van voldoende sterkte om de Spanjaarden te bestrijden, kon hij niet
meer beschikken, maar nog had hij in Holland troepen, die in zijne
soldij stonden. De overste Lazarus Muller lag te Leiden met zes vendels
Duitsche knechten en ook Lumey beschikte over een kleine macht Walen en
Duitschers, terwijl Sonoy de steden aan de Zuiderzee en Waterland bezet
hield. Kon men de bedreigde Hollandsche steden van sterke garnizoenen
en een voldoenden voorraad levensmiddelen voorzien, dan konden zij
het nog lang tegen den vijand uithouden, en als de onderhandelingen
slaagden, kon er binnen weinig weken hulp uit Engeland komen.

Van Haarlem begaf zich de Prins over Leiden naar Delft, waar hij zich
voorloopig zou vestigen. Hij nam er onmiddellijk maatregelen om het
bedreigde Haarlem te helpen, terwijl ondertusschen hopman Wigbolt
Ripperda met zijne Duitschers de stad bezette. Hij vond er de vier
vendels, die Lazarus Muller er als bezetting had gelaten.

Jacob Martens ontving een commissie als vaandrig bij een van de
vier cornetten Waalsche ruiters, die tot de troepenmacht behoorden,
waarover Lumey beschikte en hij vertrok naar Gouda, waar die mannen
in bezetting lagen. Hij vond er Pieter de Welle terug als sergeant
bij de batterij van zes veldstukken, waaruit Lumey's artillerie
bestond. Hij bracht zijn vroegeren admiraal de orders van den Prins
over voor den voorgenomen veldtocht. De voorbereidselen moesten spoedig
en doortastend worden gemaakt, want men moest Haarlem trachten te
bereiken, voor de vijand de stad geheel insloot. Toch moest alles
zooveel mogelijk in het geheim geschieden, opdat het plan door de
"glippers" niet aan de Spanjaarden zou worden verraden.

En zoo rukte in den namiddag van den 12den December 1572 een kleine
legermacht van 15 vendels Duitsche landsknechten met zes stukken
veldgeschut en 100 wagens proviand en munitie van Delft op naar
het Noorden om het bedreigde Haarlem te helpen. Te Leiden zou de
overste Lazarus Muller zich met zes vendels Duitschers bij den troep
aansluiten: Lumey zelf zou het kleine leger aanvoeren. Hij bleef
echter met de vier kornetten ruiters, die deel zouden nemen aan den
tocht, nog te Delft. Hij kon met zijn cavallerie het voetvolk, dat
met den langen wagentrein slechts langzaam vooruit kwam, gemakkelijk
inhalen. Te Leiden zou hij zich aan het hoofd stellen van de vereenigde
krijgsmacht.

Lumey verkeerde in een slechte luim. Zijn wreveligheid,
lichtgeraaktheid en koppige eigenzinnigheid waren in de laatste maanden
nog toegenomen, sedert hij meer en meer gevoelde, dat zijn aanzien
bij den Prins, de Staten en het volk was gedaald. De inneming van den
Briel en de gebeurtenissen, die daar onmiddellijk op waren gevolgd,
hadden den Luikschen avonturier een kortstondige glorie geschonken en
hem een plaats doen innemen, die hem eigenlijk niet toekwam. Hij had in
den nazomer van datzelfde jaar een mislukte poging gedaan om Amsterdam
te nemen, en die mislukking zijner plannen werd aan zijn gebrek aan
krijgsbeleid geweten. Wegens zijn woeste wreedheid, ook wegens den
moord op de Gorcumsche geestelijken, was er een aanklacht tegen hem
ingediend bij het Hof van Holland en hij was genoodzaakt geweest zich
zoo goed mogelijk te verdedigen, terwijl ook zijn losbandig gedrag
te Brielle een smet op zijn karakter had geworpen. Thans liet hij de
regeling van den langen trein over aan de officieren van zijn staf,
waaronder zich ook Jacob Martens bevond, en dezen sloofden zich af,
om zooveel mogelijk orde te scheppen in den chaos.

De troepen vorderden langzaam, want de wegen waren slecht. De koude
was dat jaar vroeg ingevallen en een felle vorst had de Zuiderzee
en de Haarlemmermeer binnen weinige dagen in groote ijsvlakten
herschapen,--gelijk de Geuzenschepen, aan de monding van het Y in
het ijs beklemd, bijna tot hun schade hadden ondervonden. Daarop
was een sterke dooi gevolgd, die de Hollandsche kleiwegen bijna
onbegaanbaar had gemaakt, terwijl men voor de expeditie op harde
wegen had gerekend. De wielen der kanonnen en die der wagens zonken
weg in het slijk en met moeite trokken de sterke paarden, door de
zweepslagen hunner scheldende en vloekende voerlieden aangedreven,
den zwaren last voort.

Het was guur en nevelig winterweder. Een ijskoude wind gierde over de
Hollandsche weiden en de donkere wolken met vuilgele randen dreigden
met sneeuw.

In zijn mantel gewikkeld reed Jacob Martens langs de veldstukken, die
de rij der proviandkarren vooraf gingen. Hij herkende de Welle, die
de teugels van het vierspan van het voorste stuk van den onbekwamen
voerman had overgenomen en zijn best deed, het kanon vooruit te
krijgen, en hij reed stapvoets naast hem voort.

--"'t Doet mijn hart goed, dat wij eindelijk weer eens samen tegen
de Spanjolen oprukken, jonker," zeide de oude boschwachter, toen
hij de rukkende, steigerende dieren tot kalmte had gebracht en zij
weder geregeld voortstapten. "Maar,"--liet hij er op gedempten toon
op volgen,--"ik verwacht niet veel goeds van dezen tocht. Ik vrees,
dat wij met bebloede koppen thuiskomen, jonker!"

--"Houd op met je voorspellingen, man," zei Jacob knorrig. "'t Weer
en die vermaledijde papperige wegen zijn al genoeg, om iemand somber
te stemmen. Wij hebben een flinke legermacht: een en twintig vendels,
met die van overste Muller er bij. En de Spanjolen verwachten ons
niet. Wij moeten Haarlem bereiken en binnen trekken, vóór zij 't ons
kunnen verhinderen."

--"Dat is het juist, jonker," vervolgde de Welle hoofdschuddend, "de
"Bremers"--zoo noemden de Hollanders de Duitsche landsknechten--de
Bremers zijn niet te vertrouwen."

--"Hopman van Trier en hopman Kellenaar zijn geen lafaards of
verraders," viel Jacob driftig uit.

--"Battist van Trier en Hans Kellenaar zijn brave en dappere
officieren," antwoordde de Welle schouderophalend, "maar zij kunnen
niet instaan voor hun volk. De Bremers zijn slecht betaald in den
laatsten tijd, jonker, en zij morren en monkelen onder elkander, dat
het slecht vechten is voor een verloren zaak, als 't hun soldheeren
nog aan geld ontbreekt bovendien. En dan dit ellendige weer! Een
Duitscher, jonker, vecht het best, wanneer hij vol is en hoopt op een
goede plundering na het gevecht. En zij weten, dat er vóór Haarlem
geen andere buit te behalen is, dan harde klappen! Wij hooren soms
meer in onze kwartieren, jonker, dan de officieren. Hoe het mogelijk
is, weet ik niet, maar de Bremers hebben kondschap uit het leger van
Ducdalf en zij weten, dat de Spanjolen al voor de stad liggen. Ze
volgen nog hun hoplieden en hun vendel uit gewoonte, maar bij den
eersten tegenslag gaan zij aan 't muiten."

De Welle zweeg een oogenblik en wijdde schijnbaar al zijn aandacht
aan zijn vierspan. Toen vervolgde hij op zachter toon:

--"Dit is mijn laatste tocht, jonker!"

--"Kom, de Welle, wat een sombere gedachten!"

--"Ik weet het, jonker Jacob, en het is goed zoo! Ik weet het, alsof
ik het in de Schrift had gelezen. Ik zal vallen op dezen tocht. Mieke
en hare moeder roepen mij..."

De oude boschwachter zweeg een oogenblik. Toen ging hij voort:

--"Ik ben een groot zondaar! God Almachtig moge zich erbarmen over
mijn arme ziel. Zoo ik niet voor eeuwig van Zijn aangezicht verstooten
word, dan zal het door Zijne genade zijn en om Christus' wille! Dat ik
tegen de Spanjolen en de glippers gevochten heb, bezwaart mijn geweten
niet. Maar ik heb bloedschuld op mijn ziel tegenover de papen. Ik
weet, dat de Prins het heeft verboden, hun molest aan te doen en dat
gij, jonker en Mijn Heer van Dorp het altijd hebt afgekeurd, als wij
hen vingen en naar den Briel brachten, zooals de admiraal bevolen
had. Maar wie weet, wat ge zoudt gedaan hebben, als het uw dochter,
uw Mieke was geweest, die daar was gevallen in den hollen weg bij
Poperingen. En ik geloofde Jan Machielsz als hij leerde, dat de papen
als Amalek waren en dat men ze moest slaan met de scherpte des zwaards,
en dat hij die ze spaarde een lauwe was en ongehoorzaam als Saul. En
dat staat toch in de Schrift en de papen zijn zeker de vijanden der
religie en van het ware Israël Gods. Maar er staat óók in de Schrift:
"Mij is de wrake! Ik zal het vergelden, zegt de Heere." Ik ben maar
een arm, onwetend man. God moge mij al mijn zonden vergeven!"

"Vaarwel, jonker Jacob, want ik weet, dat dit de laatste keer is,
dat ik zóó met u spreken zal. De jonker weet het, ik heb het mij wel
eens verweten, dat ik u toen heb meegenomen ter groene preeke. Dat was
't begin van alles, wat de jonker geleden heeft en hij heeft er door
verloren wat hem lief was. Maar de jonker heeft er de waarheid in
Christus door gevonden. Dat weet ik! En als ik buiten mijn wil tegen
den jonker iets heb misdreven, laat hij het mij dan vergeven! En als
hij ongedeerd uit dezen strijd komt, laat hij dan nog eens denken aan
den ouden de Welle, die hem heeft leeren visschen en met den armborst
schieten en paardrijden en die hem nooit heeft verlaten in 't gevecht."

Jacob boog zich over den hals van zijn paard en reikte den ouden Geus
de hand.

--"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij geroerd. "Het is
zooals je zegt: Door jou toedoen heb ik de waarheid in Christus leeren
kennen en daar dank ik je voor. Ik zou niets ongedaan willen maken,
al kon ik het. 't Zal zeker een heet gevecht worden voor Haarlem
en wij zijn beiden in Gods hand. Wij zullen elkander terug vinden,
oude vriend, in de stad--of als het zijn mag in den hemel."

De Welle vatte teugels en zweep in zijn linker en drukte krachtig de
hem geboden hand van zijn jonker.

't Was een vrij goed gedeelte van den weg geweest, een met puin
hard gemaakt pad, dat langs een heerenhuizinge liep, en zoo hadden
zij hun gesprek zonder stoornis ten einde kunnen brengen. Thans
hield de harde weg op en een lage kleiweg lag vóór hen, zoodat de
Welle alle aandacht noodig had voor zijn paarden. Ook Jacob Martens
reed weder terug langs de lange colonne marcheerende voetknechten
en de zwaar beladen karren. Hij moest zorgen, dat de juiste afstand
tusschen de verschillende afdeelingen bewaard bleef op den moeilijken
tocht. Hij dacht na over hetgeen de Welle hem had gezegd omtrent de
slechte stemming der Duitsche vendels en hij besloot er met de oudere
officieren van Lumey over te spreken. Wellicht waren de vendels van
Lazarus Muller beter te vertrouwen, want de krijgstucht werd onder
diens mannen streng gehandhaafd.

In den avond bereikte men Leiden. De troepen en het convooi trokken
de stad niet binnen, maar vonden hun kwartieren in de omliggende
dorpen. Lumey had met zijne Walen de stad bereikt en er zijn intrek
genomen bij een der regenten. Men had na een korte rust voort moeten
marcheeren, om Haarlem tegen den vroegen morgen te bereiken en de
Spanjaarden te verrassen, maar Lumey wilde zijn goed kwartier in
Leiden niet prijs geven en hij had er daarenboven iets te verrichten,
dat geheel strookte met zijn aard.

Om te verhinderen, dat het plan aan den vijand verraden werd, liet
hij alle wegen en paden, die van Leiden naar het Noorden voerden,
bezetten door piketten van zijne Waalsche ruiters, die hij indertijd
zelf had aangeworven en die hem trouw waren. Het Haarlemmermeer was
een wijde ijsvlakte, vol wakken en gaten, waar geen glipper zich op
zou durven wagen.

In den vroegen morgen voegde hij zich te Lisse bij het leger, tegelijk
met de vendels van Muller, en al spoedig verspreidde zich onder de
officieren en de troepen het gerucht, dat er te Leiden weder een
priester was geëxecuteerd. Lumey had den eerwaarden Cornelis Musius,
den biechtvader van het St. Aagtenklooster te Delft, een zeventigjarig
grijsaard, doen oplichten en naar Leiden brengen, onder de valsche
beschuldiging, dat hij heulde met den vijand. Na een schijnverhoor
was de vrome en geleerde priester er gemarteld en opgehangen [10],
vóór het bevel van Oranje, om hem onmiddellijk in vrijheid te stellen,
was aangekomen.

Terwijl Lumey op het kerkhof te Lisse, bij het licht van eenige
pekkransen en lantaarns zijn officieren raadpleegde, ontstond er
plotseling eenig rumoer. Een jonge boer drong door de soldaten,
die hem wilden tegenhouden en wierp zich voor den bevelhebber op de
knieën, terwijl hij luidkeels zich beklaagde en om recht schreeuwde.

Driftig over de onverwachte stoornis wendde Lumey zich om en vestigde
zijn felle zwarte oogen op den jammerenden dorpeling, in de hoop,
dat deze hem de een of andere tijding bracht, die hem van nut kon
zijn. Hij kon echter den tongval van den boer niet verstaan en wenkte
een van de Hollandsche officieren, om diens woorden te vertolken.

En nu kwam Harm Harmsen, visscher en landbouwer, en stoutmoediger dan
zijn dorpsgenooten, die den moedwil van het krijgsvolk stilzwijgend
en onderworpen hadden verdragen, met een stroom van klachten. De
soldeniers hadden zijn huisgerijf stuk geslagen, de twee koeien en
zijn hoenders geroofd en geslacht en hem en zijne vrouw mishandeld. Hij
wilde recht, schadeloosstelling en bestraffing der roovers.

Zoodra Lumey begrepen had, wat de boer wilde, keerde hij zich met
een ongeduldig schouderophalen af. Voor zulke klachten was hij
doof! Toen de boer aanhield, fronste hij de wenkbrauwen en greep
in zijn langen baard en de officieren stieten den man ruw terug en
wenkten de soldaten, dat zij hem van het kerkhof moesten drijven. Er
lag een zeker medelijden en ruwe goedhartigheid aan deze schijnbare
hardheid ten grondslag, want zij kenden Lumey: was de boer nog een
oogenblik langer gebleven, dan had hij hem zeker laten ophangen.

Buiten den kring van het rosse toortslicht stond Harm Harmsen en kookte
van machtelooze woede. Daar stonden zij, de vreemde soldeniers, die
hem hadden beroofd en mishandeld en die harige, zwarte duivel, die hem
geen recht had willen verschaffen, was hun opperhoofd. Wat raakte hem,
Harm Harmsen, de strijd om de vrijheid, de zaak van den Koning en van
den Prins. Hij wilde rustig leven op zijn kleine boerderij en visschen
in zijn schuit op de Meer en hij wilde niet bestolen worden. Hij had
om recht gevraagd en zij hadden hem weggestooten en hem met slagen
en schoppen weggedreven. Hij had de oranje-sjerpen en de veldteekens
om de armen der soldeniers wel herkend. Het waren de knechten van
de Geuzen. En zij waren sterk en zij hadden hunne wapens en hij was
alleen, zonder ander wapen dan zijn visschersmes. Hij was er vlug
genoeg mee, als 't op bekkesnijen met zijns gelijken aankwam,--maar op
hen kon hij zich niet wreken. En toen flitste hem een gedachte door
het brein. Kòn hij zich niet wreken? Die daar gingen naar Haarlem,
dat door den Spanjool werd belegerd, om de stad te ontzetten. Zooveel
had hij wel uit de woorden der soldeniers begrepen. Harm Harmsen hield
niet van den Spanjool. Hij haatte de soldaten van beide partijen. Maar
deze hier hadden hem bestolen en geslagen en die daarginds zouden
hem misschien met goede Philipsdaalders zijn verlies vergoeden,
als hij hen waarschuwde, dat de Geuzen hen op 't lijf kwamen vallen...

Harm Harmsen verliet het kerkplein en begaf zich naar zijn huis,
dat niet ver van den oever lag. Hij kwam er uit met zijn schaatsen
en een langen polsstok. Alle wegen, die van Lisse naar Sassenheim en
verder leidden, waren door de ruiters bezet, dat wist hij wel.

Maar de Meer...?

Hij wist, dat het ijs door den sterken dooi hoogst gevaarlijk was,
vol wakken en zwakke plaatsen. 't Was levensgevaarlijk er zich op te
wagen en hij zou den grooten plas ook nooit durven oversteken naar
Haarlem. Maar hij kon dicht langs den oever rijden, waar hij het
ijs kende en hij nam zijn polsstok mede. Zakte hij door het ijs of
reed hij in een wak, dan zou die zijn redding zijn. En hij behoefde
slechts door te rijden naar Bennebroek. Dan kon hij over de slooten
en de weilanden het Spaansche kamp bereiken, dat onder Overveen lag.

Het pad door de dichte rietbosschen, dat hij blindelings kon vinden,
was spoedig bereikt. Daar lag de Meer voor hem, althans hij wist,
dat die daar moest zijn, want hij had zijn schuit gevonden, die hij
voor weinige dagen op den oever had getrokken. Vlak voor hem zag hij
even het natte ijs, grauw wit in het flauwe schemerlicht. Er begonnen
enkele sneeuwvlokken te vallen. De tocht over het wrakke ijs was
gevaarlijk, levensgevaarlijk! Harm Harmsen wierp een blik achter
zich. Hij zag het licht der pektoortsen in het dorp over het riet
heen, hij hoorde het gerucht van stemmen, het knarsen van de wielen,
het kletteren van wapenen. Wraakzucht en begeerigheid wonnen het:
hij bond zich de schaatsen aan.

En Lumey en de zijnen vermoedden niet, dat daarginds door de dichte
morgennevels de verachte boer zich heenspoedde naar het Spaansche kamp,
om hunne plannen aan den vijand te verraden.

De troepen trokken van Lisse op Sassenheim en van daar op Hillegom
aan, thans in marschorde en gereed voor den strijd. Eerst kwamen
de vier kornetten Waalsche ruiters, gewapend met speer en langen
houwdegen. In hun midden reed Jacob Martens, op zijn post als vaandrig,
het Oranje-blanje-bleu vaandel, met de wapenspreuk "Pro Rege, Lege
et Grege", in de rechterhand. De stok van den standaard rustte in een
lederen koker, die aan de rechterzijde van den zadel was bevestigd en
het dragen vergemakkelijkte. Hij droeg de breede sluiersjerp als teeken
van zijn rang over den rechterschouder. Achter de ruiters kwamen de zes
veldstukken met hun twee ammunitiewagens en de bedienende manschappen
op de wagens en de affuiten of te voet. Daarop volgden twintig vendels
Duitsche knechten, onder hunne hoplieden, gewapend met hun lange
pieken en met rapieren, met twaalf busschieters met hunne vuurroeren
op elk vendel. Dan kwam de eindelooze rij der honderd karren, beladen
met mond- en krijgsbehoeften, en een laatste vendel sloot den trein.

Het was guur en mistig weder. De sneeuw, die den vorigen dag had
gedreigd, begon in groote vlokken te vallen en maakte het voortgaan
op den drassigen weg nog moeilijker.

De trage wintermorgen begon aan te breken, maar de mist bleef hangen,
een koude, verkleumende mist, die door de mantels en de gevoerde
wambuizen drong en de krijgslieden deed huiveren. Stom en zonder
geestdrift, hier en daar vloekend en grommend, trokken de vendels
voort.

Voorbij Hillegom boog de weg zich links en het landschap werd
houtrijker. De weg liep langs den duinrand. De binnenduinen waren
met dicht houtgewas, eiken en beuken, begroeid, en ook langs de
rechterzijde van den weg strekte zich een bosch uit van beuken en
lage berken.

Een hooge en steile duinwand,--de Welige Berg heette hij in den
volksmond, om zijn dicht houtgewas--strekte zich nu uit links van den
weg. De boomen waren natuurlijk bladerloos en slechts met eenig dor
loof bedekt, maar ze stonden zoo dicht op elkander, dat ze, vooral
op een neveligen winterdag, een goede dekking aanboden, aan wie er
zich zou willen verschuilen.

Een kleine afdeeling ruiters, die als verkenners een paar honderd ellen
vooruit reden, had niets verdachts bemerkt. Het eenzame winterlandschap
scheen uitgestorven. De nevel en de sneeuw maakten, dat men alleen
de naastbij zijnde voorwerpen kon onderscheiden.

En plotseling, toen de ruiterij en het geschut langs den hoogen
duinwand trokken, flikkerde het rood door den mist tusschen het
geboomte van het duin en den boschrand. Zware schoten dreunden door
de stille winterlucht en een hagelbui van kogels viel neer op de
voorhoede van het kleine leger. Paarden en ruiters stortten neder en
de spits van den troep was in een oogenblik in verwarring.

Want Harm Harmsen had zijn doel maar al te goed bereikt. Het broze ijs
had hem gedragen en hij was met een zucht van verlichting te Bennebroek
aan wal gestapt en had zich de schaatsen afgebonden. Hij had nu een
grooten voorsprong op het Geuzenlegertje gekregen, maar hij gunde
zich geen rust en trok, met zijn polsstok gewapend, over half bevroren
slooten en weilanden tot hij het Spaansche kamp bereikte. Ten Zuiden
van Haarlem lag Noircarmes met zijne Walen. Toen men hem berichtte, dat
er een boer gevangen was genomen, die tijding scheen te willen brengen,
liet hij Harm voor zich komen en door een tolk ondervragen. Daarop
reed hij spoorslags naar don Fadrique, om hem het bericht te brengen
van den voorgenomen aanval, dien men inderdaad niet vermoedde.

Maar don Fadrique de Toledo en Noircarmes waren beter krijgsoversten
dan Lumey, die zoo vast op het gelukken zijner verrassing had gerekend,
dat hij geen veldontdekkers vooruit had gezonden om het terrein en
den weg te verkennen.

Don Fadrique had terstond zevenhonderd van de beroemde Spaansche
haakschutters met hunne nieuwerwetsche, zware musketten gezonden,
om zich op een geschikte plaats in hinderlaag te leggen en de Geuzen
op te houden. Noircarmes rukte hen terstond achterna met een sterke
afdeeling voetvolk en eenige ruiters.

De Spaansche officier, die de haakschutters aanvoerde, had zijne
maatregelen goed genomen. Hij had zijne manschappen zoo opgesteld, dat
zij den weg bestreken, die Lumey's vendels moesten volgen, terwijl zij,
verscholen tusschen het hout, voor de Geuzen onzichtbaar waren. 't
Laden van een musket was niet het werk van een oogenblik, maar de
Spaansche veteranen wisten toch een geregeld vuur te onderhouden,
dat de aangevallenen in verwarring bracht.

Lumey bevond zich te Hillegom in een boerenhoeve, waar hij zich warmde
bij een groot vuur op de haardplaat, toen hij het vuren aan de spits
hoorde. Hij liet zich dadelijk het harnas aangespen, dat hij had
afgelegd, en rende met de ruiters, die tot zijn lijfwacht behoorden,
naar het tooneel van den strijd, terwijl hij de hoplieden der Duitsche
vendels, die hij voorbij snelde, toeschreeuwde, met hun mannen de
Spaansche scherpschutters uit hunne schuilhoeken te verjagen. Maar
zijne bevelen kwamen te laat. De verraste ruiters, waarvan er reeds
een aantal gevallen waren, weken terug voor het Spaansche musketvuur,
reden de artilleristen overhoop, die vergeefs hunne stukken in
batterij trachtten te brengen en brachten verwarring in het eerste
vendel der Duitsche voetknechten. En toen gebeurde wat de Welle had
voorzien. De "Bremers" wierpen de pieken weg en sloegen op de vlucht,
zonder op de bevelen hunner officieren te letten. De voerlieden, die
de wagens begeleidden, sneden de strengen der paarden door, sprongen
er op en vluchtten er mede, voor zoover hun die niet door de soldaten
afhandig werden gemaakt. Weldra ontstond er een wilde paniek en het
was de officieren onmogelijk, de vluchtenden te doen stand houden.

Aan het hoofd van zijn lijfwacht en van de weinige ruiters, die hem
volgden, vocht Lumey als een razende tegen de Spanjaarden, die nu
uit hun dekking te voorschijn kwamen. Twee paarden waren reeds onder
hem doodgeschoten. Een zijner lijfwachts gaf hem het zijne. Toen,
vreezende, dat hij van de zijnen zou worden gescheiden en gevangen
genomen, wendde hij den teugel en vluchtte met de ruiters, die waren
overgebleven.

En in de verwarring merkten de vluchtenden niet op, dat de vaandrig,
die dapper had stand gehouden, niet bij hen was.

De plaats van den vaandrig was bij de lijfwacht van den bevelhebber,
en die stond bij de boerderij geschaard, waar de staf te kwader uur
zich had opgehouden. Met het Oranje-blanje-bleu-vendel in de vuist
had Jacob Martens zich met Lumey aan het hoofd van den troep gesteld
en was met hem naar de spits der colonne gerend, om de aanvallende
Spanjaarden het hoofd te bieden. Hij vond er een onbeschrijflijke
wanorde. De mannen, die het geschut bedienden en die hadden getracht
de veldstukken op het terrein naast den weg in batterij te brengen,
werden door de terugwijkende ruiters vertrapt of door de kogels der
Spanjaarden gedood. Jacob zag het lijk van de Welle, hangend over
een der kanonnen, dat in een greppel was gestort. Het voorgevoel van
den ouden Geus had hem niet bedrogen. Hij was door een Spaanschen
kogel getroffen, toen hij trachtte het stuk te redden, waarvan de
bespanning schichtig was geworden. De paarden lagen thans dood voor
het onbruikbaar kanon.

Jacob wierp een blik van deernis op zijn trouwen metgezel, maar het
was thans de tijd niet om aan de gevallenen te denken. Naast Lumey,
die zijn ruiters toeschreeuwde, stand te houden, hield hij het vaandel
hoog, onder het moordend vuur der Spaansche haakschutters. En even
vóór dat de aanvoerder der Geuzen vluchtte, was zijn paard door een
kogel getroffen en was het doodelijk gewonde dier neergestort.

Dit gebeurde op een open plek tusschen het hout, ter zijde van den
weg, want daar had Lumey getracht het bosch binnen te dringen, om de
haakschutters uit hun verdekte stelling te verjagen. Zoo kwam het,
dat geen der vijanden hem had zien vallen. Zij hadden zich anders
gehaast, zich meester te maken van het vaandel.

Hij was met het hoofd op een boomwortel terecht gekomen en een poos
lang lag hij bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, was het gevecht
bij den Weligen Berg geëindigd. De Spaansche haakschutters waren uit
het bosch en van het hooge duin te voorschijn gekomen en vervolgden
de vluchtende Duitschers, die hier en daar nog tegenstand boden. In
de verte vernam hij het gejoel van den strijd en van tijd tot tijd
klonk nog een enkel schot. Op den weg hoorde hij den galop van een
afdeeling ruiterij. De ruiters kwamen van den kant van Bennebroek en
Jacob begreep, dat het vijanden waren, die zich haastten om aan de
vervolging deel te nemen en het convooi te plunderen.

Zijn linkerbeen lag beklemd onder het doode paard. Met moeite
slaagde hij er in zich te bevrijden. Toen hij wilde opstaan, voelde
hij, dat zijn been gekneusd was en dat hij slechts met moeite kon
voortstrompelen.

Hij wist, dat het einde nabij was. Nog weinige oogenblikken en de
Spanjolen zouden het bosch doorzoeken om de gevallenen te plunderen en
de gewonden af te maken. Hij zou zich niet overgeven. De krijgsmanseer
verbood het. Het was de plicht van den vaandrig vóór alle dingen het
vaandel te redden. Kon hij het niet, dan gaf hij het niet over dan
met zijn leven.

Hij keek rond naar een plaats, die hem eenige beschutting kon bieden,
want zijn been deed hem pijn. De sneeuw viel nu minder dicht, en
tegen den middag was de mist opgetrokken. Dicht bij den weg zag hij
den bouwval van een kleine kapel, waarschijnlijk in den tijd van
den beeldenstorm verwoest, want door de sneeuw glansden de bladeren
van donkergroene klimop, waarmee de half ingestorte muren waren
begroeid. Eén stuk muur stond nog overeind. Een goede plaats voor
den laatsten strijd.

Jacob Martens raapte het vaandel op en op de schacht geleund,
strompelde hij naar den bouwval. Hij leunde tegen den muur en liet
het gekwetste been op een stuk hardsteen rusten, een brok van den
vroegeren drempel van het gebouwtje. Toen sneed hij met zijn ponjaard
het vaandel van de schacht en sloeg zich het doek om de schouders. Wie
het wilde veroveren, kon het komen nemen, met zijn leven: zoo gebood
het de eer van den vaandrig.

't Zou niet lang meer duren. Er klonken ruwe stemmen in het bosch. De
voorhoede van het voetvolk van den Spanjool was nu ook aangekomen en
drong langs den weg en door het hout vooruit.

't Was een vreemd gevoel, daar alleen te wachten op den dood, die
komen ging. Jacob voelde geen vrees, alleen een zeker vreemd gevoel
van nieuwsgierigheid, hoe het laatste oogenblik zou zijn. Men zegt,
dat een drenkeling, in de laatste oogenblikken vóór den dood, zijn
geheele leven aan zijn herinnering voorbij ziet gaan. Zoo ging het ook
hem in die weinige minuten. Een reeks bonte tooneelen ging aan zijn
geestesoog voorbij. Hij zag zich weer bij de Geuzen, op het Fransche
kaperschip, bij de Boschgeuzen. Hij doorleefde weer het afscheid van
Madeleine en de lange uren in den donkeren kelder. Hij was weer in
het ouderlijk huis en hij zag zijn vader en moeder, zijn zuster en
Madeleine, die hij allen liefhad en nu... Waar was dat alles heen? En
wat scheen het lang geleden! Toen, plotseling, zag hij zich weer aan
de havenkade te Gent, en hij zag er de roode kar van den beul en het
bleek gelaat der martelaresse met haar stille, lijdende oogen en hij
hoorde weer de zware, vermanende stem opklinken uit de omstanders: Syt
getrouwe tot in den doet, ende ick sal u geven die crone des levens!

Zoo was het, ja! Getrouw tot in den dood!

Getrouw aan de zaak der vrijheid des lands, getrouw aan de zaak van
het Evangelie, gezuiverd van menschenvonden, getrouw aan de goede
zaak, door de edelsten en besten gediend, door onverstand geschaad,
door dweepzucht en wreedheid bezoedeld,--maar toch de zaak Gods. Die
zaak had hij gediend en daarvoor stierf hij. Getrouw tot in den dood!

Nu zou het oogenblik spoedig daar zijn. Bidden? Ja, nog bidden voor
hen, die hij liefhad en die wel niet eens zouden weten, hoe en waar
hij gevallen was. Een kort gebed: God kende toch zijn hart! En dan
een laatste bede voor zich zelf. Jacob Martens beval zijn ziel aan God.

En nu was het gekomen. Ruwe stemmen, luide vloeken in het Spaansch
en het Fransch. Twee mannen, met den rooden veldstrik van Spanje om
den arm, kwamen op den bouwval toeloopen: een reeds bejaard sergeant
van de Spaansche musketiers en een Waalsche voetknecht, gewapend met
zijn pertuisane.

Jacob trok den degen en wachtte den aanval af.

De beide mannen bleven een oogenblik als verbijsterd staan. Die
bleeke jonge man, met het vaandel over de schouders en de breede
oranje sluiersjerp over de borst--wat deed hij in dien ouden bouwval?

Toen slaakten zij een kreet van blijdschap en triomf. Het
Geuzenvaandel! Zij zouden het buit maken. En de eer en de belooning
zouden voor hen zijn.

De sergeant was de voorste. Hij zwaaide zijn korten hellebaard, het
teeken van zijn rang als onderofficier, en riep den Geuzenvaandrig
in goed Spaansch toe, dat hij zich zou overgeven. Jacob verstond
hem. Hij schudde het hoofd en met den degen in de rechter- en den
ponjaard in de linkervuist, wachtte hij den vijand af.

De Spanjool drong op hem in, maar het was of hij geen gebruik wilde
maken van het voordeel, dat zijn wapen hem schonk. Hij zag wel, dat
zijn tegenstander gewond was en zich moeilijk bewoog en hij spaarde
hem. Misschien voelde de veteraan eenig medelijden met zijn jeugdigen
tegenstander, misschien wilde hij de eer hebben, een officier der
Geuzen levend gevangen te nemen. Hoe dit zij, hij vergenoegde zich met
de stooten van Jacob te pareeren, en wachtte op een goede gelegenheid
om hem te ontwapenen.

De Waalsche soldenier begreep niets van die edelmoedigheid. Waarom
sloeg de Spanjool niet toe? De buit was immers voor het grijpen? Daar
naderden reeds andere knechten en ten slotte zou men nog de belooning
moeten deelen. Als de Spanjool aarzelde, dan...

Hij velde de lange pertuisane en op het oogenblik, dat Jacob een stoot
van den hellebaard met zijn ponjaard pareerde, stiet hij hem de lange,
stalen punt onder den linkerarm in het lijf.

Jacob Martens zonk achterover tegen den muur; de degen ontviel aan
zijn hand. Het lange ijzer van de piek had hem het hart doorboord. Hij
was onmiddellijk dood.

Met een vloek wierp zich de sergeant op den gevallene om zich van
het vaandel meester te maken, maar de piekenier trachtte het hem te
ontrukken. Andere Waalsche knechten waren naderbij gekomen, en kozen
de partij van hun landgenoot tegen den Spaanschen onderofficier en
de twist dreigde in een bloedige vechtpartij over te slaan.

Er klonken hoefslagen op den weg. Een officier van Noircarmes, met
de roode sjerp over het blinkend kuras, reed nader met een afdeeling
ruiterij. Zij waren gekomen, om de veroverde veldstukken in veiligheid
te brengen.

De luide stemmen der twistenden trokken de aandacht van den officier
en hij reed nader. Het was Thierry de St. Foy.

Met een paar woorden besliste hij het geschil. De twee mannen, die
het vaandel hadden veroverd, zouden het samen aan den Spaanschen
bevelhebber brengen en de belooning deelen. Toen wierp hij een
onverschilligen blik op den doode en een oogenblik was er een spoor van
ontroering op zijn bleek, koud gelaat. Hij had Jacob Martens herkend.

Thierry hield nog een oogenblik zijn paard in en staarde op den
vriend van zijn jeugd, den dwazen, edelmoedigen Jacob, die alles had
opgegeven, om de zaak der verdrukten te dienen, en die nu gevallen
was, zonder roem, in een onbeteekenende schermutseling, strijdende
voor een verloren zaak. Terwijl hij, Thierry de St. Foy...

--"Hij moet begraven worden!" beval hij kortaf zijn soldeniers.

Toen reed hij langzaam heen.

De Walen hadden er niet veel lust in, een graf te delven in den harden
grond, waarvan alleen de bovenste laag ontdooid was. Toch durfden
zij het bevel niet ongehoorzaam zijn. Zij maakten zich meester van
de wapenrusting van den doode en van alles, wat eenige waarde voor
hen had. Toen stieten zij met hunne pieken het wrakke muurwerk omver
en bedolven het lijk onder het puin.

't Was al mooi genoeg voor den Geus, vonden zij.

En Jacob Martens bleef achter in zijn naamloos graf, de Nederlander,
die alles had prijsgegeven voor de vrijheid van zijn land en voor
de goede zaak: zijn ouders, zijn toekomst, zijn bruid en nu ook
zijn leven.

En Thierry de St. Foy reed met de veroverde kanonnen naar het Spaansche
kamp en hij kwam er terug als overwinnaar, hij, de Nederlander,
die zich aan den vreemdeling had verkocht voor eer en goud, hij,
de benijde echtgenoot van de schoone en rijke Madeleine de Bette,
van wier schoonheid en... coquetterie heel Brussel sprak, hij, die
de wapenen voerde tegen zijn verdrukte landgenooten.

Wie van beiden was de gelukkigste?

De vroege winteravond begon te vallen en de Spanjolen en Walen keerden
juichend met hun buit en hun gevangenen naar het kamp terug.

Toen zij weggetrokken waren, slopen de arme boeren uit de omliggende
dorpen naderbij, om zich meester te maken van wat er nog van het
vernielde convooi was overgebleven. Er waren er, die het hooge duin
beklommen, om de aftrekkende troepen na te oogen. Zij konden in de
verte de donkere massa onderscheiden van het ten ondergang gedoemde
Haarlem, waarop de oude St. Bavo somber en ernstig neerzag, en de
vuren der belegeraars te Overveen.

Tegen den avond was het weder helder geworden en het laatste licht
van den zonsondergang verlichtte nog even de hooge toppen,--als een
belofte van een betere toekomst aan de arme, door den vreemdeling
vertreden Nederlanden.



AANTEEKENINGEN


[1] De spotnamen, die het Gereformeerde volk aan de hostie gaf.

[2] In onze Bijbelvertaling psalm 139: 9-13.

"Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der
zee, ook dáár zou Uwe hand mij geleiden en Uwe rechterhand zou mij
houden. Indien ik zeide: de duisternis zal mij immers bedekken, dan
is de nacht een licht om mij. (Roomsche vertaling: zoo zal toch ook
de nacht mij tot een licht zijn in mijne geneugten). Ook verduistert
de duisternis voor u niet.... (Roomsche vertaling). "Want voor u is
de duisternis niet donker."

[3] "Verlos ons van den booze!"

[4] In de jaren 1567 en 1568 werden door de Boschgeuzen in
West-Vlaanderen de kerken verwoest te Herzeele, Houtkerken,
Hondschoten, Killem, Oost-cappel, Winnezeele, Oudezeelen, Reynighelst,
Lokeren, Kemmele en Dracoultre.

De namen der door hen in die jaren vermoorde dorpsgeestelijken zijn:
Henricus Turck, pastoor van Oostcappel, Martinus Necrosius, pastoor
van Hondschoten, Franciscus de la Fosse, pastoor van Rexspoede,
Antonius van den Clyte, pastoor van Ruebrouck, Petrus Famelast,
pastoor van Richebourg (Wynckius, Histoire des Gueux-des-Bois).

[5] 't Heeft den man weinig gebaat. Hij is in 1569 te Gent onthoofd.

[6] En geen tweehands zwaarden, zooals Hofdijk ten onrechte schrijft.

[7] Thans Maassluis.

[8] "Wij en warren geen drij honderd," zegt Jonkheer Frederik van Dorp
in zijn dagboek. Vermoedelijk ziet dat op de bemanning der schepen,
die op dat oogenblik voor Brielle waren geankerd. Voor de bemanning
der geheele Geuzenvloot--immers 26 schepen--is dat getal te gering.

[9] Men heeft er den Prins een verwijt van gemaakt, dat hij Lumey,
den moordenaar der Gorcumsche priesters, tot zijn vertegenwoordiger
benoemde. Evenwel ten onrechte. De aanstelling is niet gedateerd,
maar de daarbij gevoegde instructie is van 20 Juni. Toen was Gorcum
zelfs nog niet in de handen der Geuzen. 't Is niet waarschijnlijk,
dat Oranje reeds den 22sten Juli bericht had ontvangen, van hetgeen
er in den Briel was gebeurd, maar al ware dit wel het geval geweest,
dan zou het zeer moeilijk zijn geweest, de aanstelling ongedaan te
maken. Lumey stond aan 't hoofd van een aanzienlijke krijgsmacht;
de steden aan de Maas waren in de handen van zijn Watergeuzen. Bij
het heftigste en roerigste deel van zijn volgelingen stond hij in
hoog aanzien en zeker zou hij zich niet zonder meer van zijn post
hebben laten ontzetten. Ernstige verdeeldheid onder de aanhangers
van Oranje zou op dat oogenblik noodlottig zijn geweest voor de
zaak der vrijheid. In Januari 1573 werd Lumey, na nieuwe daden van
wreedheid en verzet, gevangen genomen en van zijne waardigheden
vervallen verklaard. Hij bleef in hechtenis, eerst op 't kasteel
van Gouda, toen op het slot Honingen bij Rotterdam, eindelijk op
het fort Rammekens in Zeeland. Toen vertrok hij naar Aken. Zijne
houding was na 1573 zeer dubbelzinnig. Waarschijnlijk heulde hij met
de Spanjaarden. Hij stierf aan de gevolgen van een slecht verzorgde
wond, volgens sommigen aan den beet van een dollen hond.

[10] Cornelis Musius is eigenlijk den 10den December te Leiden ter
dood gebracht, doch zeer zeker op bevel van Lumey.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Jacob Martens - Een verhaal uit de zestiende eeuw" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home