Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | HTML | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De afstamming van den mensch - Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt
Author: Boeke, J.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De afstamming van den mensch - Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                           PROF. DR. J. BOEKE

                      DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH

          MET 27 TEKSTFIGUREN, REGISTER EN EENIGE VERKLARINGEN

                           WERELDBIBLIOTHEEK



            DE AFSTAMMING VAN DEN MENSCH


            Aan de nagedachtenis van mijn vader zij dit
            boekje in eerbiedige herinnering opgedragen door

                                                    DEN SCHRIJVER.



               Dit werk maakt een onderdeel uit van onze
                  serie ENCYCLOPAEDIE in MONOGRAFIEËN



VOORWOORD


Dit boekje vindt zijn oorsprong in een reeks van voordrachten over het
afstammingsvraagstuk, in den winter 1912-13 in "Ons Huis" in Rotterdam
gehouden. Op verzoek van den uitgever heb ik ze iets omgewerkt
en er een aaneengesloten geheel van gemaakt. Men zoeke er geen
wetenschappelijk betoog in. De vakman zal er wellicht veel in missen,
wat hem belangrijk voorkwam. Mijn doel bij het schrijven van dit werkje
was slechts, een voor den ontwikkelden leek begrijpelijk overzicht
te geven van wat men tegenwoordig onder het afstammingsvraagstuk
verstaat, van de feiten, die men heeft kunnen verzamelen en de
theorieën, die men aan die feiten heeft vastgeknoopt. Mijn streven
was, niet, zooals zoo dikwijls in populaire geschriften juist over
dit vraagstuk geschiedt, een volledig geconstrueerd beeld te geven
van de afstamming van den mensch, zooals de schrijver van zulk een
boekje zich die toevallig denkt, maar te laten zien, hoe weinig men er
eigenlijk aan positieve feiten over weet, en welke beschouwingen zich
aan die weinige feiten laten vastknoopen. Het boekje moge daardoor
aan samenhang en duidelijkheid verloren hebben, aan eerlijkheid heeft
het er wellicht door gewonnen.


Leiden, Augustus 1913.                                      J. BOEKE.



I ONTWIKKELINGSGANG DER LEVENDE NATUUR


                "Jedes sein wird nur durch sein werden erkannt." [1]

                                                                Haeckel.


Wanneer wij de natuur om ons heen aandachtig beschouwen, en ons
rekenschap geven van hetgeen hare verschillende elementen, hare
bergreeksen, ravijnen en bergmeren, hare lage landen, hare wouden,
zandvlakten, zeeën, koraalriffen, ons te zeggen hebben, dan ontrolt
zich voor ons een beeld van immer wisselende verandering, van worden
en vergaan, van ontplooiing, van evolutie, een beeld dat ons met diep
ontzag vervult voor de geweldige natuurkrachten, die deze veranderingen
tot stand brengen en beheerschen. Wij zien, hoe bergreeksen zich
verheffen door rimpeling van het aardoppervlak om de door afkoeling
kleiner wordende kern, hoe tengevolge van plaatselijke langzame daling
van den bodem geheele landstreken weder door water worden bedekt,
hoe geheele bergtoppen door de zwaarte van daaroverheen schuivende
gletschers worden af geslepen, hoe diepe dalen door de waterstroomen
allengs worden uitgegraven en de afgeslepen slib elders als langzaam
verhardende klei- en steenlagen wordt afgezet.

Met die veranderingen van de aarde zelf, die zich over een
bijna oneindig schijnend geweldig lang tijdsverloop uitstrekken,
en die men naar aanleiding van bepaalde, sterk op den voorgrond
tredende veranderingen in bepaalde tijdperken, "perioden," pleegt
te verdeelen, gaan nu wisselingen van het klimaat en van de dieren-
en plantenwereld hand in hand. En zoo kan men ook in de wereld der
levende wezens bepaalde tijdperken of perioden onderscheiden, waarbij
in elk dergelijk tijdperk van ontwikkeling een eigenaardig karakter
van de flora en fauna op den voorgrond treedt, het bepaalt.

Zeer in het kort [2] kan men dezen geheelen ontwikkelingsgang als
volgt schetsen: nadat de aarde door langzame afkoeling een vaste
harde steenkorst aan hare oppervlakte had gevormd, nadat na verdere
geleidelijke afkoeling zich op die vaste korst water had gevormd en
dit eene temperatuur verkregen had, waarbij het leven mogelijk was,
ontstonden de eerste levende wezens, op de grens van planten- en
dierenrijk staande. Men moet ten minste wel aannemen, dat het leven
bij zijn ontstaan aan dergelijke vormen gebonden was, waar men ziet,
dat de eerste levende wezens, die uit die alleroudste perioden hunne
sporen in versteeningen hebben achtergelaten, uiterst kleine eencellige
organismen [3] zijn. Hoe deze eerste levende wezens zijn ontstaan,
is ons, dit zij hier terloops opgemerkt, nog volkomen een raadsel,
en het zal dit wel altijd voor ons blijven. Waar het levensbeginsel
zelf, de ondoorgrondelijke, eeuwige, goddelijke drang in de natuur,
die tot evolutie, tot ontplooien van alle krachten, tot aanpassen,
tot strijden, tot instandhouding en volmaken van de soort dwingt,
voor ons steeds ondoorgrondelijk zal blijven, waar dit buiten het
bereik der wetenschap ligt, daar zal de vraag, hoe, op welke wijze
dat leven ontstaan is, eveneens een niet op te lossen raadsel blijven,
waartegenover wij machteloos staan.

Maar wel zullen wij de overblijfselen van de eenmaal gevormde
organismen, zoo zij in de aardlagen zijn bewaard, kunnen herkennen,
en kunnen vaststellen, wanneer en in welken vorm die levende wezens
zich voor het eerst op aarde hebben vertoond, en hoe zij zich in
daaropvolgende perioden der aardontwikkeling hebben voorgedaan. En
zijn zij nu eenmaal opgetreden, dan zien wij hen wel al direct
in een aantal vormen van uiteenloopende gedaante en groepeering,
doch tevens, naar mate wij jongere formaties nagaan, in hoe langer
hoe volkomener vorm, in hoe langer hoe meer wisselende gedaante en
veelzijdige ontwikkeling, steeds meer doelmatig en beter toegerust
voor den strijd om het bestaan, zich vertoonen.

En wij zien dan tevens, hoe, al gaat bij de regelmatig voortgaande
afkoeling van onze planeet ook de ontwikkeling van de aarde steeds
haren geleidelijken, rustigen, geregelden gang, toch bepaalde
veranderingen van de aardkorst met zeer bepaalde en over de geheele
aarde optredende veranderingen van de planten- en dierenwereld
samengaan, zoodat de straks reeds genoemde tijdperken kunnen worden
onderscheiden, waarin het karakter van het aardoppervlak, de planten
die het bedekten, de dieren die er zich op bewogen, scherp omschreven
eigenaardige kenmerken vertoonden. Dit leeren ons de versteende en in
dien vorm bewaard gebleven overblijfselen van dieren en planten uit
die verschillende perioden, en zoo algemeen, zoo overal wederkeerend
is dit verschijnsel, zoo zeker vinden wij altijd de overblijfselen
van dezelfde vormen in aardlagen en gesteenten van een bepaalde,
zelfde periode ingesloten, dat wij aan den anderen kant juist de
aanwezigheid van bepaalde versteeningen, de zoogenaamde "gidsfossielen"
in de een of andere aardlaag of in een of ander gesteente gebruiken
om daaruit den vermoedelijken ouderdom van die aardlaag of gesteenten
te kunnen berekenen.

In die aardlagen, die tot harden steen saamgeperste massa's,
zien wij nu de overblijfselen van dieren en planten steeds hooger
georganiseerd, steeds meer samengesteld van bouw worden, naarmate
jongere formaties worden onderzocht. Op de oudste steenlagen der
azoïsche periode, waarin wij nog geen met zekerheid als zoodanig
herkenbare sporen van levende wezens kunnen aantoonen--al is het
ook zeker, dat er toen reeds leven op aarde, zoowel in het water als
in de toen bestaande, uit de sedimentaire afzettingen dier perioden
herkenbare landformaties bestond [4]--volgen in langzamen overgang de
oudste lagen der palaeozoïsche periode, zooals in de eerste plaats het
cambrium met zijne overblijfselen van laag georganiseerde ongewervelde
dieren, zijn zeewieren, zijn rijkdom aan in groote vormverscheidenheid
optredende maar over het algemeen nog slechts tot een geringen graad
van ontwikkeling gekomen waterbewoners en ongewervelde landdieren,
dan het silurium met de eerste sporen van visschen (van hooger
georganiseerde gewervelde waterdieren dus) en zijne reeds door tot
verschillende groepen behoorende ongewervelde landdieren gekenmerkte
uitgebreide vastelandformaties, en het steenkolentijdperk met zijn
verdere landvorming, zijn uiterst weelderigen plantengroei, uit welk
tijdperk de als steenkolen bekende afzettingen getuigenis afleggen
van de uiterst rijke verscheidenheid van vormen, zoo van dieren als
planten, die toen ter tijde de aarde bevolkten, en van het warme,
tropische klimaat, dat gedurende dat tijdperk van ontwikkeling over
de geheele aarde (ook in de poolstreken zijn steenkoolbeddingen met
overblijfselen van tropische planten gevonden) heerschte. Met het
steenkolentijdperk, waarin de varens, de wolfsklauwachtige planten, de
vaatkryptogamen, hun hoogste ontwikkeling bereikten, en in reusachtige
vormen en dichte wouden de aarde bedekten, eindigt het palaeozoïcum.

Terwijl de aarde geleidelijk afkoelt, de temperatuur lager, het
klimaat minder tropisch wordt, terwijl het water meer en meer voor
groote vastelanden plaats maakt, verandert in aansluiting hieraan ook
weer het karakter van dieren- en plantenwereld. Na het palaeozoïcum
onderscheiden wij de tweede periode, het mesozoicum, de "middeleeuwen"
van de ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur. In verband met
de vorming der groote vastelanden, zien we de landfauna vooral zich
sterk ontwikkelen. Landslakken, op het land levende gelede dieren,
laagstaande viervoetige gewervelde dieren worden in de steenlagen
dezer periode aangetroffen naast overblijfselen van naaldboomen,
sagopalmen enz.; in dit tijdperk bereiken de kruipende dieren, de
reptielen, de hagedisachtigen, hun hoogste ontwikkeling, en worden
in de reusachtige vormen (brontosaurus bijv.) aangetroffen, die ieder
wel uit afbeeldingen of uit hun kolossale geraamten in verschillende
musea kent. Naast deze reusachtige hagedisachtige dieren, die toen
de aarde bevolkten, zien wij in de tweede aardperiode de eerste
sporen van zoogdieren optreden en ook de eerste vogels zien wij,
in nog sterk aan de kruipende dieren herinnerende vormen, verschijnen.

Doch eerst in de afzettingen uit de derde periode, het tertiaire
tijdperk, het neozoicum, de periode, die het begin van den nieuwen
tijd in de geschiedenis der natuur inaugureert, zien wij de
overblijfselen van zoogdieren in een groote verscheidenheid van
groepen en soorten uit de hen omhullende steen- en zandlagen te
voorschijn treden, zien wij op de palmen, de varens, de naaldboomen
en de reusachtige sauriërs der tweede periode volgen de loofplanten
en de hoogere palmen, de groote zoogdieren in hun hoogste ontwikkeling
en verscheidenheid,--zien wij ook de vastelanden, de werelddeelen der
mesozoische periode, door toenemende schrompeling en rimpeling van
het langzaam afkoelende aardoppervlak gedeeltelijk weder onder den
zeespiegel verdwijnen, om plaats te maken voor nieuwe werelddeelen,
voor een nieuwe verdeeling van land en water, totdat langzamerhand de
aardoppervlakte het uiterlijk verkrijgt, zooals wij dat in den tijd,
waarin wij nu leven, kennen.

Aan het einde dier derde geologische periode, bij den overgang naar
de laatste periode, de vierde, die waarin wij nu nog leven, zien
wij nu een juist voor de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch
uiterst merkwaardig tijdperk komen, dat der postpliocaene ijstijden,
of in het kort samengevat, den ijstijd, de glaciale periode.

Over dezen term "postpliocaene ijstijden", even een enkel woord.

Zooals later nog wel ter sprake zal komen, heeft men in den laatsten
tijd duidelijke sporen kunnen vinden van sterke afkoelingsperioden
uit een veel vroeger geologisch tijdperk, na het steenkolentijdperk,
waarbij het in sommige streken ook reeds tot het vormen van ijs moet
gekomen zijn. Vandaar dat hier niet, zooals men placht te doen, van
"de ijstijd", maar van den postpliocaenen ijstijd gesproken wordt.

Over de geheele aarde wordt de gemiddelde temperatuur lager, worden
de winters langer en strenger, de zomers korter, tot zich, van de
poolstreken uit, de alle leven vernietigende ijskorst verder en
verder naar het Zuiden, dieper en dieper van de hooge bergen tot in
de minder koude dalen afdalende, uitbreidt. Zoo wordt het grootste
gedeelte van Noord- en West-Europa met dikke, soms kilometerdikke
ijsmassa's bedekt. Slechts de zuidelijke streken, vooral Zuid- en
West-Frankrijk en België blijven vrij (men vergelijke het kaartje
van Fig. 1); wij zullen later zien, van hoeveel belang dit voor de
ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch is geweest.

Men moet volstrekt niet denken, dat deze afkoeling zich tot Europa
alleen beperkte, evenmin als wij den gang van zaken ons zoo moeten
voorstellen, dat zich aan het einde der tertiaire periode voor
het eerst een dergelijke afkoeling van het oppervlak der aarde
vertoonde. Neen, waarschijnlijk keeren dergelijke afkoelingen van
de aarde (vermoedelijk tengevolge van astronomische oorzaken) na
geregelde tusschenpoozen van ongeveer 50.000 jaar weder terug, en
wij zien alleen den eersten meer algemeenen ijstijd aan het einde
der tertiaire periode optreden, omdat toen eerst de aarde voldoende
was afgekoeld, om het mogelijk te maken dat de geringe daling van de
gemiddelde jaartemperatuur tot het vormen van een ijskorst van groote
uitgebreidheid leiden kon. Zooals reeds werd opgemerkt, heeft men in
den laatsten tijd kunnen vaststellen, dat ook reeds bij een vorige
afkoelingsperiode in sommige streken van de aarde ijsvorming moet
hebben plaatsgevonden. Het is echter juist deze afkoelingsperiode
bij het begin van het vierde tijdperk, die voor Europa en hare
bewoners, voor de ontwikkeling van het menschelijk geslacht in
het algemeen, van zoo overwegend belang is geweest. Vandaar,
dat juist deze groote afkoelingsperiode hier ter sprake gebracht
wordt. Na dien eersten "ijstijd" volgen die afkoelingsperioden,
waarbij de temperatuur tot beneden het vriespunt daalt, dan ook
verder regelmatig elkander op. Vermoedelijk zijn reeds drie of
meer dergelijke "ijstijden" verloopen, en leven wij nu zoo ongeveer
tusschen twee afkoelingsperioden in. Tot eenheid over deze vraag is
men echter nog lang niet gekomen. Terwijl de meeste geologen op het
voetspoor van Penck minstens 3 ijstijden met daartusschen liggende
"interglaciale perioden" aannemen, en van een glaciaalphase van
Günz, Mindel, Riss, Würm, spreken, meenen andere geologen van naam,
dat de eigenaardigheden van den bouw, de ligging en de uitbreiding
der moraenen en zwerfblokken, waaruit deze gegevens worden geput,
wel op plaatselijke schommelingen van den sneeuwgrens wijzen, doch
niet op zulke uitgebreide, algemeene temperatuurschommelingen, die
zich over het geheele aardoppervlak uitstrekken, behoeven te wijzen,
dat men daaruit het bestaan van een aantal werkelijke "ijstijden" mag
afleiden. Hoe dit zij, meer locale (zich bijvoorbeeld slechts over een
gedeelte van Europa kenbaar makende) schommelingen in de gemiddelde
temperatuur, en daarmede van de sneeuwgrens, schommelingen zeer zeker
van zeer langen duur en geleidelijken overgang, kan men toch wel met
zekerheid aannemen. En dat is voor het ons hier bezighoudende probleem,
zooals wij later zullen zien, voldoende.

Wat de eerste vraag betreft, men heeft zoowel in Afrika, Amerika,
Australië en Azië, zoo goed als in Europa zelf, duidelijke sporen
van vroegere gletschervormingen gevonden, zelfs reeds uit zeer veel
vroegeren tijd, die er op wijzen dat ook daar de afkoelingsperiode
een "ijstijd," d. w. z. een sterke daling van de sneeuwgrens, deed
ontstaan, al bleef deze in de warme streken natuurlijk alleen tot de
hooger gelegen bergstreken beperkt.

In de tertiaire periode zagen wij reeds de zoogdieren in steeds hooger
georganiseerde vormen optreden, terwijl onder de planten eveneens de
hoogst ontwikkelde vormen, de loofboomen, de aarde bedekten. Naarmate
wij nu de steenlagen uit de latere gedeelten der tertiaire periode
onderzoeken, blijken de overblijfselen van de planten en dieren,
die daarin bewaard gebleven zijn, steeds meer te gaan gelijken op de
dieren en planten, die in den tegenwoordigen tijd leven.

Terwijl talrijke lagere planten en dieren in het laatste gedeelte der
tertiaire periode in dezelfde soortvormen voorkwamen als die, welke wij
nog thans op onze aarde levend aantreffen, zien wij, ook wat de hooger
georganiseerde planten en dieren betreft, een steeds grooter wordende
overeenkomst met de flora en de fauna van den tegenwoordigen tijd. Bij
den overgang van de tertiaire in de quartaire periode, het diluvium,
nemen de hoogst ontwikkelde vormen onder de planten en dieren in aantal
en in verbreiding over verschillende streken van de aarde toe, zien
wij steeds hooger gespecialiseerde vormen van zoogdieren optreden,
krijgt de levende natuur langzamerhand meer en meer het karakter,
dat zij in den tegenwoordigen tijd vertoont.

Zoo zien wij dus, hoe in het ontzaglijk lange tijdsverloop, dat achter
ons ligt, sinds het eerste leven zich op onze aarde openbaarde,
een tijdsverloop, niet met duizenden, doch met millioenen jaren te
berekenen, de dieren- en plantenwereld zich langzaam en geleidelijk
ontwikkelt. Hooger georganiseerde, meer samengesteld gebouwde vormen
treden op, worden eerst in enkele vormen op bepaalde plaatsen gevonden,
verkrijgen langzamerhand een grootere verspreiding, ontwikkelen
zich, treden op in talrijke, steeds meer gespecialiseerde soorten,
bereiken een hoogtepunt hunner ontwikkeling en specialisatie en sterven
langzamerhand uit. Andere dier- of plantvormen nemen hun plaats in, en
vertoonen dezelfde verschijnselen. Overal wisseling, sterke aanpassing
aan bepaalde levensverhoudingen, ook weder achteruitgang, doch alles
te zamen genomen een onbedwingbaar, rusteloos voortgaand streven naar
vooruitgang, naar hoogere organisatie, naar beter toegerust zijn voor
den strijd om het bestaan.

Niet door op elkaar volgende scheppingen van telkens andere dier-
en plantvormen, doch door geleidelijke ontwikkeling, door evolutie,
door een geregeld zich aanpassen aan de veranderlijke uitwendige
omstandigheden, zien wij de zoo groote verscheidenheid van levensvormen
gedurende den langen ontwikkelingsgang van onze aarde ontstaan.

Dat leert ons de palaeontologie, dat leert ons nu ook de
ontwikkelingsgeschiedenis der nu levende plant- en diervormen,
d. w. z. de leer van den gang van het proces van vorming van een of
ander dier of plant, beginnende bij de bevruchte eicel, en eindigende
op het tijdstip dat het dier geboren wordt, of de plant zijn vollen
wasdom heeft bereikt.

Elk dier moet, bij het zich vormen uit de zoo uiterst eenvoudig
gebouwde bevruchte eicel, een bepaalde ontwikkeling doormaken,
voor het den vorm van het volwassen dier, den vorm van zijne ouders
en soortgenooten, heeft bereikt. En het is uiterst merkwaardig,
dat wij bij dien ontwikkelingsgang van het individu, voortdurend
verschijnselen zien optreden, die ons herinneren aan bepaalde vormen,
door een der voorvaderen van dat bepaalde dier in de lange reeks der
in vroegere perioden door die bepaalde diersoort doorloopen vormen
gedragen. Elk embryo beklimt, zooals men het wel eens fantastisch
uitdrukt, bij zijn ontwikkeling zijn eigen stamboom, d. w. z. de
ontwikkeling van elk individu is een wedergave in gedrongen vorm
van de gradueele veranderingen, gedurende de ontwikkeling van die
bepaalde diersoort of dien bepaalden diertypus, waarvan het individu
de eindvorm is, in den loop der duizenden jaren doorgemaakt, slechts
min of meer "vervalscht" door directe aanpassing van het embryo aan
een nieuwe omgeving, zooals bijvoorbeeld van het zoogdier-embryo
aan het hem beschuttend en voedend orgaan van het moederlichaam,
in tegenstelling met het embryo van een eierleggend dier, dat bij
zijn ontwikkeling is aangewezen op het voedsel en de beschutting,
die bij het leggen aan het ei werden medegegeven.

Reeds hieruit zou men, afgezien van de door de vergelijkende anatomie
aan het licht gebrachte feiten, tot het begrip der evolutie moeten
besluiten. Hetzelfde leert ons, zooals ik reeds aangaf, het onderzoek
der overblijfselen van fossiele dieren en planten uit vroegere
tijdperken, de palæontologie. Het zou mij veel te ver voeren, hier
nader op in te gaan. Slechts wil ik bij één verschijnsel nog iets
langer stilstaan, daar dit van uiterst groot belang is voor het
probleem, dat ons in de volgende hoofdstukken zal bezighouden.

Dat is een verschijnsel, waarvan een Belgisch geleerde,
Prof. Dollo, het eerst de algemeenheid en het groote belang
aantoonde, en dat hem ter eere meestal als de "wet van Dollo" wordt
aangeduid. Hieronder verstaat men het volgende: heeft zich in den
loop van het evolutieproces een diergroep sterk in een bepaalde
richting gespecialiseerd, zooals bijvoorbeeld de groote groep van de
vleermuizen, bij wie de voorste ledematen zeer sterk zijn uitgegroeid
en veranderd, zoodat zij als vleugels konden worden gebruikt, dan kan
bij verandering van levenswijs of van de omstandigheden, waaronder
de nakomelingen zich bevinden, deze specialisatie niet weer verloren
gaan in dien zin, dat de oorspronkelijke vorm der voorste ledematen
weer opnieuw zou optreden. Evenmin keert een in den loop van de
ontwikkeling van een soort verloren gegaan of rudimentair geworden
orgaan ooit weer tot denzelfden oorspronkelijken vorm terug, als de
omstandigheden waaronder de nakomelingen van die bepaalde soort zich
bij hunne verdere evolutie bevinden, een sterkere ontwikkeling van
dat orgaan zouden wenschelijk maken. Er wordt dan óf een ander orgaan
tot ontwikkeling gebracht, dat 't eerste vervangt, óf wel de soort,
die zich niet kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, sterft
uit. Zooals het door Dollo werd uitgedrukt: "de ontwikkeling is een
niet omkeerbaar proces." Volgens deze wet kunnen dus diersoorten,
die zich in een bepaalde richting, in aanpassing aan een bepaalde
levenswijze, sterk hebben gespecialiseerd, nooit de voorvaderen zijn
van diersoorten, die in datzelfde opzicht minder sterk gespecialiseerd
zijn. Wel echter kan het omgekeerde het geval zijn.

Hetzelfde verschijnsel, waarvan de algemeenheid door Dollo aan
een reeks van zeer duidelijke en sprekende voorbeelden werd
bewezen, wijst ons nu den weg, wanneer wij met een zoogenaamde
"specialisatie-kruising" (chevauchement des spécialisations van Dollo)
te doen hebben. Als van twee diergroepen of diersoorten (A en B) de
eene soort in één opzicht, bijv. in den bouw der ledematen, sterker
gespecialiseerd is dan de andere, in een ander opzicht, bijv. in den
bouw van het gebit, evenwel meer primitieve verhoudingen vertoont,
terwijl verder in het algemeen de twee groepen of soorten zoo zeer
op elkaar gelijken, dat men geneigd zou zijn, de eene soort als de
stamvader van den andere te beschouwen, dan kan men op grond van
de wet van Dollo dit laatste met zekerheid uitsluiten en hoogstens
zeggen dat beide groepen of soorten een gemeenschappelijken voorvader
moeten hebben gehad, waaruit zij zich beide in verschillende richtingen
hebben ontwikkeld.

Wij zullen later zien, van hoe groot belang dit verschijnsel is voor
het probleem, waarmede wij ons in de volgende hoofdstukken zullen
bezighouden.


TABEL I. OVERZICHT DER GEOLOGISCHE PERIODEN.

I.  Archaeische (Azoïsche) periode, over het algemeen geen fossielen
    bekend, doch ongetwijfeld reeds leven op aarde aanwezig.

II. Palaeozoische (primaire) periode        { Silurische periode.
    (het zoogenaamde Eerste levenstijdperk) { Devonische periode.
                                            { Steenkolen periode.
                                            { Permische periode.

III. Mesozoische (secundaire) periode       { Trias periode.
     (Tweede levenstijdperk)                { Jura periode.
                                            { Krijt periode.

IV. Neozoische (tertiaire) periode          { Eocaene periode.
    (Derde levenstijdperk)                  { Oligocaene periode.
                                            { Miocaene periode.
                                            { Pliocaene periode.

V.  Quaternaire (quartaire) periode         { Pleistocaene periode.
    (Vierde levenstijdperk)                 {   (palaeolithicum)
                                            {   oud-steenen tijdperk.
                                            { Holocaene periode
                                            {   (neolithicum
                                            {   bronstijdperk
                                            {   ijzertijdperk
                                            {   geschiedkundig
                                            {   tijdperk.)



II DE PLAATS VAN DEN MENSCH IN DIT ONTWIKKELINGSPROCES


                  "Man still bears in his bodily frame the indelible
                   stamp of his lowly origin." [5]

                                                                 Darwin.


Staat de mensch nu buiten dit evolutieproces? Of moeten wij ook hem een
plaats in het geheel aanwijzen, waarvoor dezelfde wetten gelden die de
ontwikkeling van het dieren- en plantenrijk hebben beheerscht? En zoo
dit laatste als juist wordt aangenomen, welke zal dan die plaats zijn?

Wij naderen hier een gebied, dat tot de meest doorwerkte doch ook tot
de felst omstreden gebieden behoort, welke de denkende menschelijke
geest heeft trachten te ontginnen. Immers hier kwam de moderne
bioloog ten slotte in open conflict met de oude anthropocentrische
wereldbeschouwingen, met de mozaïsche scheppingsverhalen, met zoo veel
van wat door alle eeuwen heen voor waar en heilig werd gehouden. Nu
is langzamerhand in den loop der jaren de strijd wel minder heftig
geworden en heeft men leeren inzien, dat een vast geloof in de
geestelijke waarde van den mensch gepaard kan gaan met de overtuiging,
dat de mensch zich, als een integreerend deel van de dierenwereld,
uit die dierenwereld heeft ontwikkeld, heeft losgemaakt, en dat een
diep godsdienstig gevoel samen kan gaan met een geloof in de idee der
evolutie, ook wat den mensch betreft, doch men houdt toch nog maar
al te dikwijls aan een afzonderlijk staande plaats van den mensch in
de schepping vast, ook daar waar de evolutie voor het dierenrijk als
een juist beginsel wordt erkend.

Voor den denkenden bioloog, die steeds er naar streeft, te trachten de
dingen om hem heen objectief te beschouwen, ze op hun juiste waarde te
schatten, en zich streng aan datgene te houden wat binnen de grenzen
van zijn waarnemingsvermogen, van zijn wetenschap valt, die steeds
zooveel mogelijk zich rekenschap tracht te geven van den samenhang
van de verschillende feiten, die hij leert kennen, is mijns inziens
slechts één antwoord op de bovengestelde vraag mogelijk, n. l. dat
ook de mensch één is met de levende wereld om hem heen, daarvan een
integreerend deel uitmaakt, en dat ook aan den mensch een plaats in dit
voor de dieren- en plantenwereld geschetste evolutie-proces toekomt.

Deze overtuiging wordt ons onafwijsbaar opgedrongen door hetgeen
drie takken van de morphologische wetenschap ons leeren, de
palaeontologie, de leer der fossielen, de vergelijkende ontleedkunde
en de ontwikkelingsgeschiedenis.

Wat ons de palaeontologie omtrent het probleem van de afstamming
van den mensch leert, zullen wij in de volgende hoofdstukken nader
uiteenzetten. Wat de beide andere wetenschappen ons leeren, zij hier
kort vermeld.

Als wij de groote verschillen in aanmerking nemen, die bijv. tusschen
de verschillende zoogdiersoorten bestaan, dan kan het ons niet
verwonderen, dat zelfs tusschen de hoogst ontwikkelde zoogdieren en
den mensch nog een aantal verschillen in bouw bestaan, al zijn ook de
hoofdlijnen van den bouw bij beide dezelfde. Als wij van dit standpunt
uit den bouw van het menschelijk lichaam beschouwen, dan treft ons in
de eerste plaats telkens weer de wondervol harmonische ontwikkeling
van het menschelijk organisme. Bij geen diersoort vindt men (en
dit is vermoedelijk juist het geheim van zijn snelle ontwikkeling)
een anatomischen bouw, die zulke primitieve eigenschappen vertoont,
en waarvan alle deelen zich zoo in volkomen harmonie met elkaar,
zoo gelijkmatig hebben ontwikkeld, als juist bij den mensch. Hier
geen gebit, in een bepaalde richting sterk gedifferentieerd,
hier geen bovenmatig sterk ontwikkelde spiergroepen voor bepaalde
bewegingscombinaties, geen bovenmatig verlengde extremiteiten in
aanpassing aan een bepaalde levenswijze, hier geen darmkanaal ingericht
en uitsluitend geschikt voor het opnemen en verteren van een bepaald
soort voedsel; neen, een volkomen harmonische ontwikkeling van alle
organen, en daardoor een volledig aanpassingsvermogen aan de meest
verschillende omstandigheden, en, anatomisch gesproken, een vereeniging
van primitieve, niet sterk gedifferentieerde vormen en kenmerken,
zooals geen tweede diersoort ons kan aanwijzen.--Wij zullen later zien,
hoe dit juist het waarschijnlijk maakt, dat de lijn van ontwikkeling
van het latere menschelijke geslacht zich al zeer spoedig losgemaakt
moet hebben van de lijn van ontwikkeling der overige zoogdieren.

Maar tevens leert ons de vergelijkende anatomie, dat in de
hoofdlijnen van den bouw er een volkomen overeenstemming bestaat, een
overeenstemming, die te grooter blijkt te zijn, naarmate men door het
nauwkeurig leeren kennen van een steeds grooter aantal verschillende
diervormen meer en meer onder de voor bepaalde diersoorten kenmerkende
eigenaardigheden de groote hoofdlijnen, men zou kunnen zeggen de
compositie van den geheelen bouw, leert onderscheiden.

Het zou nu evenwel nog niet voldoende geacht kunnen worden om op
grond van deze overeenstemming van een werkelijke verwantschap te
spreken. Maar wij kunnen feiten, die voor dit laatste pleiten, wel
degelijk direct zien.

Evenals bij de verschillende diersoorten, komen ook bij den mensch
zoogenaamde individueele variaties voor, waarbij zich bij enkele
individuen bepaalde organen vertoonen, die bij normale menschen niet
voorkomen, of organen die steeds aanwezig zijn, bepaalde, niet bij
den gewonen mensch voorkomende veranderingen in bouw, grootte of
samenstelling vertoonen. En nu is het uiterst merkwaardig, dat bij
dergelijke variaties bijna steeds veranderingen optreden, die een
toestand verwezenlijken, zooals die bij de hoogere diersoorten als
regel, als norma, bestaat. Zoo hebben wij bijvoorbeeld een aantal
spieren aan hand en arm om de verschillende zoo samengestelde
en talrijke bewegingen van ons grijp- en tastorgaan te kunnen
uitvoeren. Bij dat samenstel van grootere en kleinere spieren treden
nu nog al eens variaties op, en als zich dan bij een bepaald individu
een spier vertoont, die bij normale menschen niet voorkomt, of een
wel steeds voorkomende spier een anderen vorm dan in normale gevallen
vertoont, dan is bij eene dergelijke variatie bijna altijd een geval
verwezenlijkt, dat bij de hoogste zoogdieren (bijv. bij de apen of
bepaalde aapsoorten) als normaal geval steeds aanwezig is.

Zoo bezit de mensch twee borstklieren, die bij het vrouwelijk
geslacht sterk ontwikkeld zijn en de voor de voeding van den
zuigeling noodzakelijke melk afscheiden. Terwijl de hoogstaande
zoogdieren ook twee dergelijke borstklieren bezitten, zijn bij de
meeste overige zoogdieren een reeks van dergelijke klieren aanwezig,
in een lijn (de zoogenaamde melklijn) aan weerszijden langs den buik
gegroepeerd. Indien nu, wat nog al eens voorkomt, bij den mensch
zoogenaamde overtollige borstklieren gevonden worden, dan liggen deze
altijd op die lijn, m. a. w. dan zijn dat altijd organen, die bij de
lagere zoogdieren als regel, als norma, optreden, die bij den mensch
echter als slechts zoo nu en dan voorkomende variatie nog weer eens
zich vertoonen.

Ook in veranderingen, variaties, die bij andere organen van het
menschelijk lichaam zoo nu en dan gevonden worden, vindt men steeds
weer hetzelfde verschijnsel terug, ziet men telkens en telkens
weer eigenaardigheden in bouw en vorm optreden, die herinneren aan
vormingen, die bij de hoogste zoogdieren als constante, altijd
voorhanden zijnde kenmerken gevonden worden. In den vorm der
oorschelpen zien wij zich somtijds de toegespitste oorschelp van
de hoogste zoogdieren afspiegelen, sterke beharing van het geheele
lichaam of het gelaat (men denke bijv. aan de eertijds zoo beroemde
danseres Juliana Pastrana) brengt ons in rangschikking en richting
van de haren dierlijke vormen in de herinnering, afwijkingen in de
rangschikking van verschillende deelen, van het bloedvaatstelsel,
in rangschikking, vorm en aantal van de neusschelpen, in de grootte
van het zoogenaamde orgaan van Jacobson in den neus, in den bouw van
het strottenhoofd, van de geslachtsklieren, van verschillende deelen
van het skelet, geven ons even zoovele aanknoopingspunten te zien
aan vormingen die in het dierenrijk als normale kenmerken optreden,
kortom, men kan, zooals o. a. Wiedersheim in zijn beroemd geworden boek
"der Bau des Menschen als Zeugnis für seine Vergangenheit" [6] deed,
alle organen van het menschelijk lichaam nagaan, en overal vindt men
verschijnselen, die ons onweerstaanbaar dwingen, een nauwe verwantschap
met, een afstamming uit het dierenrijk voor den mensch aan te nemen.

En nog sterker dringt deze overtuiging zich aan ons op, als wij de
ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch nagaan en haar vergelijken
met die van de zoogdieren.

Dank zij de groote verbeteringen van de microscopische techniek
is in de laatste 50 jaren een helder inzicht verkregen in de
ontwikkelingsgeschiedenis van tal van diervormen, zoodat wij
dikwijls tot in de fijnste bijzonderheden den verwonderlijk mooien
ontwikkelingsgang van de verschillende organen, die het dierlijk
lichaam opbouwen, hebben kunnen nagaan. Voor bepaalde diervormen
heeft men dien ontwikkelingsgang stap voor stap, bijna van uur tot
uur, kunnen bestudeeren. Het bleek nu hierbij hoe langer hoe meer,
dat voor de verschillende diervormen de ontwikkeling, uitgaande van
hetzelfde uitgangspunt, de ongedifferentieerde eicel, in groote trekken
geteekend, hetzelfde verloop had, en dat, hoe dichter de dieren,
wat hunne kenmerken betreft, bij elkander stonden, des te meer de
ontwikkelingsgang voor die vormen evenwijdig liep. En hierbij bleek
tevens, hoe juist in de ontwikkelingsgeschiedenis de duidelijkste
bewijzen opgesloten lagen voor den samenhang en de verwantschap
der dieren onderling, voor de idee der evolutie, voor het ontstaan
der soorten uit elkaar, door langzame verandering, aanpassing,
volmaking. Wij zien organen, lichaamsdeelen, die bij lagere dieren
gedurende het geheele leven in een primitieven vorm blijven bestaan,
zich bij de embryonen der hoogere dieren eerst in denzelfden vorm
aanleggen, waarin zij bij die lagere dieren zijn aangelegd. Doch dan
zien wij bij den voortgang van het ontwikkelingsproces in die organen
verdere veranderingen optreden, die langzamerhand den toestand
inleiden, waarin dat orgaan gedurende het leven van die hoogere
diersoort zal blijven verkeeren. Wij zien bij het embryo van alle
zoogdieren zich kieuwspleten aanleggen, al hebben de kieuwen hun reden
van bestaan eigenlijk verloren, sinds de voorvaderen der zoogdieren
uit het water op het land overgingen en tot landdieren werden. Wij
zien het bloedvaatstelsel in aanleg ook bij de zoogdieren bloedvaten
vormen, die bij hunne nog in het water levende voorvaderen langs de
kieuwspleten liepen om voor de opname van de zuurstof uit het water,
de ademhaling dus, te zorgen, al hebben om dezelfde reden ook deze
bloedvaten bij de zoogdieren hun reden van bestaan verloren. Wij
zien uit deze kieuwspleten en uit de stevige beschutsels daarvan, de
kieuwbogen, zich allerlei organen ontwikkelen, zooals de schildklier,
het strottenhoofd, de gehoorbeentjes etc., die eerst bij de zoogdieren
tot volle ontwikkeling komen en een belangrijke rol in het leven
van het dier krijgen te vervullen. Wij kunnen vaststellen, hoe
in het algemeen die kenmerken, die alleen eigen zijn aan de hoogst
ontwikkelde diervormen, en die dus bij de evolutie van de soort eerst
laat moeten zijn opgetreden, ook in de individueele ontwikkeling dier
hoogst ontwikkelde diersoorten, eerst laat, eerst in het laatste
tijdperk van het embryonale leven, zich kenbaar maken. Kortom,
wij zien bij het bestudeeren van de ontwikkelingsgeschiedenis van
een of ander zoogdier zich een beeld ontrollen van de duizenden en
duizenden jaren, gedurende welke die bepaalde soort zich bij den
ontwikkelingsgang van de aarde door langzame evolutie uit laagstaande
vormen in duizenden op elkaar volgende, uit elkaar voortgekomen,
individuen trapsgewijze heeft opgewerkt, ontplooid, ontwikkeld,
volmaakt, totdat de vorm bereikt was, waarvan wij nu aan het levende
dier de fijne, harmonische organisatie, de volkomen aanpassing aan de
omstandigheden, waaronder het verkeert, het samengestelde van de zoo
nauwkeurig aan elkaar aansluitende levensverrichtingen bewonderen. En
naarmate wij van meerdere diervormen een nauwkeurig beeld van de
ontwikkelingsgeschiedenis verkrijgen, naarmate wij dus beter en beter
de waarde van de verschillende détails, de plaatselijke aanpassingen
der verschillende vormen kunnen beoordeelen en de hoofdlijnen daarvan
kunnen losmaken, in die zelfde mate wint het beeld van het geheele
proces der evolutie van het dierenrijk, dat wij zich zien ontrollen uit
die individueele ontwikkelingsprocessen der verschillende diervormen,
aan duidelijkheid en volledigheid.

De ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch vertoont ons nu een
beeld, dat volkomen in dit kader past. In de groote lijnen is het de
zoogdierontwikkeling, die ons het wordingsproces van het menschelijk
embryo te zien geeft. Juist als bij het zoogdierembryo zien wij
zich bij de zich uit de eicel vormende menschenkiem kieuwspleten
vormen. Dezelfde organen, die bij de zoogdieren uit die kieuwspleten
en uit de zich tusschen de spleten bevindende kieuwbogen ontstaan,
zien wij ook bij het menschelijk embryo zich op dezelfde wijze, langs
denzelfden weg, volgens dezelfde methode, daaruit vormen. Dezelfde
samengestelde ontwikkelingsgang, die door het zoogdierembryo moet
worden gevolgd, zien wij ook het menschelijk embryo doormaken. Dat
er in bijzonderheden verschillen bestaan, spreekt natuurlijk
vanzelf. Evenals wij bijvoorbeeld reeds op een zeer jong stadium van
ontwikkeling een varkensembryo met zekerheid kunnen onderscheiden
van een embryo van een kat of een konijn, zoo kan de geschoolde
embryoloog op elk stadium van ontwikkeling met volkomen zekerheid
zeggen, of hij met een menschelijk embryo dan wel met het embryo van
een of ander zoogdier te doen heeft, maar de gang, het verloop van het
ontwikkelingsproces, het op elkaar volgen van de verschillende stadiën,
de wijze van aanleg van de verschillende organen en orgaanstelsels is
bij beiden zoo volkomen gelijk, dat de overtuiging, dat slechts een
gemeenzame afstamming, een door den mensch en door de zoogdieren
doorgemaakte evolutie, een dergelijke overeenstemming kan doen
ontstaan, zich met onweerstaanbare kracht aan ons opdringt. Het is
verwonderlijk om te zien, hoe bijvoorbeeld een bepaald gedeelte van
het nierapparaat, dat wij slechts bij de visschen en de tweeslachtige
dieren op een bepaalde wijze tijdens het leven zien functioneeren,
toch bij het menschelijk embryo evenals bij de zoogdieren duidelijk
wordt aangelegd, om echter bij de verdere ontwikkeling weer spoorloos
te verdwijnen, als een reminiscentie aan den grijzen voortijd, alleen
omdat de uitvoergang van dat apparaat nog in de verdere ontwikkeling
een bepaalde rol speelt, de aanleg van het apparaat zelf dus noodig
was. Het geslachtsapparaat zien wij in een uiterst samengestelden
ontwikkelingsgang de verschillende phasen doormaken, waarop wij het
bij de lagere dieren gedurende het geheele leven zien blijven staan;
de beharing van het lichaam, bij den volgroeiden mensch grootendeels
verloren gegaan, zien wij bij het menschelijk embryo op volkomen
dezelfde wijze tot ontwikkeling komen als bij de zoogdieren, ja men
heeft zelfs aan de rangschikking van de haren in het begin hunner
ontwikkeling bij het menschelijk embryo nog de duidelijke sporen
kunnen terugvinden van de huidbekleeding met schubben, die onze
voorouders in den grijzen oertijd eenmaal moeten hebben bezeten. De
mensch is staartloos; dat hij zich echter moet hebben ontwikkeld uit
voorouders, die wel een dergelijk aanhangsel bezaten, blijkt behalve
uit het feit, dat zoo nu en dan als variatie, als terugslag, nog een
staart bij een voldragen kind wordt gevonden, daaruit, dat in een
vroeg stadium van ontwikkeling bij het menschelijk embryo een zeer
duidelijke staart wordt aangelegd, die evenwel na eenigen tijd weer
verdwijnt. Bij de ontwikkeling van de menschelijke borstklier zien
wij de reeds op een vorige bladzijde genoemde "melklijn" zich als
een normaal verschijnsel vertoonen, de oorschelp zien wij zich ook
bij den mensch uit de huidplooien in de omgeving der kieuwspleten,
de gehoorbeentjes zich ook bij den mensch uit bepaalde gedeelten
der oorspronkelijke kieuwbogen vormen, kortom, er is geen detail van
den ontwikkelingsgang van het menschelijk embryo, of wij kunnen het
alleen dan begrijpen, als wij ons den mensch voorstellen in volkomen
samenhang met de dierenwereld voortgesproten uit dierlijke voorvaderen.

Staat de mensch, de "kroon der schepping," aan de spits van het
dierenrijk? Zeer zeker niet. In vele opzichten is in materieelen zin
de menschenvorm minder bevoorrecht dan vele zijner natuurgenooten. In
kracht van spieren zijn wij achteruitgegaan, in gezichtsvermogen,
gehoor en reuk doen wij ver onder bij de hoogere zoogdieren, het
aannemen der rechtopstaande houding heeft ons menig nadeel bezorgd,
van specialisatie in deze of gene richting is weinig te merken, en,
zooals boven reeds werd opgemerkt, juist daarin ligt de kracht van den
menschenvorm, juist daarin ligt het geheim zijner snelle ontwikkeling
en vooral van zijn vermogen zich harmonisch in alle richtingen tegelijk
te kunnen ontwikkelen.



III DE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPA


In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe
wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen
zoogenaamden "ijstijd" zien optreden, d. w. z. een periode in de
ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur
zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de
geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.

Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare
sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden
gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden,
die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen
ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste
menschen optreden, wat nader te beschouwen.

Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende
ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste
periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote
uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs
en sneeuw in kolossale massa's een groot deel van Europa gaan bedekken.

Geweldige ijsmassa's, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en
meer, bij de voortgaande daling van de temperatuur, van het noorden
van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa
uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de
gletschers in het alpengebied het zoogenaamde "stroomen" van het
ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa
zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den
ijstijd die geweldig dikke ijsmassa's zich eveneens voortschoven,
waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde
bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te
zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in
den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om,
als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd
en de ijsmassa's smolten, op het daaronder gelegen land te worden
gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals
bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden
liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan,
uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige
ijsmassa's ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren
zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal
langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende
gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald,
op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.

Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden
water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland
bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van
meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs
het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een
gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd
sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggen
zich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar
het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden
redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle
voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.

Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij
dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk
veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit
den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van
den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs-
en sneeuwmassa's naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het
teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede
noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de
door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige
plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan,
hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen
aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde,
en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige
dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth,
de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting
zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna,
de holenwolf.

Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de
bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid
van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in
alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij
als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.

Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en
ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers
van het menschelijk geslacht, bij dien steeds feller wordenden
strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid
ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en
niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo
den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door
geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?

Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot
de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht
gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds
schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met
beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken,
door zich als "sociale" wezens te vereenigen tot grootere groepen
met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van
handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is
het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.

Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner,
als troglodyte, wiens overblijfselen in holen, in "abris sous
roche," bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de
verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den
oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de
groote watermassa's, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden,
bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen
onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer
droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren
later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners,
zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar
weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen
met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen
dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden grond boven elkaar,
met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en
dieren uit verschillende perioden [7] (Fig. 24). Hierover later meer.

Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke
overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren
uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte
opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd
en de interglaciale perioden Europa bevolkten.

Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden
en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden
aangeven?

Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel
door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door
de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer
uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave
hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren
invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig
resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers
noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur
dezer perioden.

Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van
de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een
regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de
aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige
aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer
100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige
waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode
rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig
gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote
gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het
Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland,
Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de
rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, "stroomde,"
grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden
langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door
den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt,
bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke
uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van
Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen
de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent,
waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen
berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de
groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd,
tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af
te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo
kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000
jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval
met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de
bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de
morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren
verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode
(dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.

De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale
perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen
tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien,
voor een deel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten
vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:

1°. de mammoet, elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met
geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der
ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs
met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van
Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier
in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden,
door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb
juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst
bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken
werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den
mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste
teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van
den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam,
en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet,
toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië
bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog
voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een plaatvormige,
uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden
vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor
was dus met absolute zekerheid de "echtheid" van de teekeningen
bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf,
die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste
afbeelding kunnen maken.

2°. De oerolifant, de elephas antiquus, verreweg de grootste der
fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen
reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend
dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het
tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot
in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de
tegenwoordige olifantensoorten.

3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalis en el. trogontherii),
vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode,
doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het
noorden (tot in Engeland) doordringend.

4°. De Siberische neushoorn (rhinoceros tichorhinus), met twee
achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige
dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel
Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.

5°. De rhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier
der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden,
zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.

6°. Het groote nijlpaard, hippopotamus major, in reusachtige exemplaren
in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.

7°. Het elasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één
langen hoorn midden tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van
de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië
tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.

8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den
ijstijd zijn de herten, die in een aantal soorten van dikwijls
reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus
euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de
edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo
groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke
praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men
vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding
in fig. 3).

9°. De verschillende beersoorten, waarvan vooral de holenbeer (ursus
spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is,
en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met
menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.

10°. De tijdgenooten van den holenbeer, de holenkat (felis spelaea),
de holenhyaena, de holenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in
grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel
zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste
koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen
met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.

11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten
in de eerste plaats nog genoemd worden de wisent (bison priscus),
waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in 't eeuwige
ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen
gevonden zijn, verder de aueros (bos primigenius), die vooral in de
warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot in
het noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader
van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt
beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode
kunnen wij nog noemen het wilde zwijn, een soort van schaap, het over
geheel Europa toen ter tijde verspreide stekelvarken, en verwant
daarmede, het trogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst
sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven,
doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later
in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen
moeten worden ter sprake gebracht.



IV OUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.


                                 "l'Homme tertiaire n'est encore que
                                  sur le seuil de la science." [8]

                                                                  Broca.


Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de
mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan,
dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is
dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den
voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond
van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien,
en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van
welke diersoorten stamt de mensch af?

Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste
vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne
voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.

Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.

Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist
de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens,
die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast
zich door geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van
de tegelijkertijd met hen levende dieren.

Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen
uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei
hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk
herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het
bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die
kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En
men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson
Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn
oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den
afdruk van een blooten menschenvoet vond.

Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder
gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden
ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan
is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne
vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het
dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van
woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte
artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen
overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde
"menschelijke" manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er
uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het
bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen
toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne
praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique,
dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, "Assez
intelligents pour faire le feu," [9] maar dat "ces êtres n'étaient pas
et ne pouvaient pas être encore des hommes," [10] doch dit schijnt mij
een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in
tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven
voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt,
dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens
op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin,
dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen
(de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak
dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de
natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van
de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende
steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met
te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen
van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke
wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren
deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet
anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen,
watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepen en afgesplinterde
kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen
werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt
dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie
wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde
steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit
ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst
merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van
het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als
zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke "vervalschingen"
door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.

Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten
ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene
als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men
niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van
menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden,
ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor,
of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel
en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer "ontdekt" en
door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de
echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.

Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere
voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten,
diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst
langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren
het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk
op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder
de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden,
dan kan men zich eenigszins een denkbeeld maken van de vele eeuwen,
die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp
stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met
zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.

Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd
opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld
kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij
kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die
menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving
(sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.

Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang
in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet
te miskennen.

Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen
met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten
hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die
ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan
het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar
zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen
of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en
fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm
aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt
gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen,
messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als
zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom,
herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt
dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen
werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar
aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatste
gedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden,
dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden,
regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt
ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en
ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen
werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk)
uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als
de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude
perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit
de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners,
door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte
steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar
in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met
overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier
hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck,
van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de
menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop
zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen
leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren,
in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde
holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de
bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden,
op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen
grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een
dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een
steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen
werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst
in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan
ligt de slotsom voor de hand, dat op de minder koude periode, waarin
de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote
rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige
waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee
voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden
geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de
gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen,
de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den
mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen,
waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de
overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.

Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het
laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den
mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds
grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier
naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast
den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot
wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast
spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met
weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast
te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als
versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds
beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van
den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar
Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel
het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, het palaeolithicum, afgeloopen
en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, gekomen,
op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogte
van ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde
bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik
hier dus niet verder in.

Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene
bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van
den praehistorischen mensch zooveel leert.

Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen,
maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd,
dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen
zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook
daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten
slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader)
los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde
begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit
fig. 6 en 9, die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt,
in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond
ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig
blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men
vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de
vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte
steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op
een geloof aan een voortbestaan na den dood. In iets later perioden
vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar
derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan
hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is
eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd
vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom,
uit dergelijke gegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend
op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen
omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving
dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit
dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel
een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van
het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op
een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke
wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.--Maar
laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied
der speculatie verzeild raken.

"Revenons à nos moutons." [11]--Keeren wij terug tot onze bespreking
van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het
menschelijk geslacht in 't algemeen en van bepaalde vondsten in het
bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking:
1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen
worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden;
2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke
skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard
der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit
dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door
menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij
gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van
het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.

Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht
herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten
samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringeren ouderdom,
wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling
van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht
vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus,
aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door
middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar
wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken
telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave
dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in
't kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie
behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende
groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal
afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij
hier de gelegenheid ontbreekt.

Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort,
waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van
bewerking werden vervaardigd, de "vuursteen" geweest. Wel zijn zoo nu
en dan ook andere harde steensoorten daarvoor gebruikt, en vindt men
vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten,
maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men
weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van
grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde "knollen," bij
voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit
het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral
de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn
bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van
den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard
voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan,
(zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid
waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan
scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter en
voorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm,
des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men
vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met
de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante
werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig
ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst
langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den
vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu
juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens
vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door
ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of
krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt
vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden
verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden
zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden
dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken
en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten
(watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar
ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen,
die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu
van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van
andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een
gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt
geacht, [12] ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist
van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het
is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, en
oppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen
den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat
regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten
niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, door
Rutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van
tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg
identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal,
door Ribeiros beschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny van
de Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne
argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire
vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men
bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.

Rutot en zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen
dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun
toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten
afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een
beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte
typische "eolithen" zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo
geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere,
hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is
ook in de talrijke geschriften van Rutot zelf een afdoend antwoord
niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden,
als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit
de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke
vuursteenstukken worden gevonden.

Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen
heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord van Broca
gelden, dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet
heeft overschreden.

Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende
onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.

Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken
op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze
richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school
voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en
meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen
opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook
het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd,
en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de
plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn
opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de "acheulien"
periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen
het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij
St. Acheul. Evenzoo van de "moustérien" periode, naar de beroemde
vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode
typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit
die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo
spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d'Azil in 't
Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij
Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm
aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter
zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum,
het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en
overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.

Maar men hoede zich, een al te groote absolute waarde aan een
dergelijke onderverdeeling toe te kennen.

Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken,
oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der
boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met
groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal
ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen
van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden
dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van
een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste
langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormen
naast elkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier
in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk,
stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen
werden vervaardigd. [13] De verdeeling naar den aard der werktuigen
heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt
zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke
overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste,
mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar
bijvoorbeeld door Gorganovic-Kramberger op grond van het feit, dat
met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie
't volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden
opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend
wordt, Rutot daarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen
werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou
ik mij met volle overtuiging aan de zijde van Kramberger plaatsen.

In de volgende tabel zijn de verschillende perioden, onderafdeelingen
van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste
vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen
gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke
men met de tabel in hoofdstuk I.

De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste
onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de
tabel opgenomen.


TABEL VAN DE ONDERVERDEELINGEN VAN HET OUD-STEENEN TIJDPERK

====================+=======================+=========================================
        GEOL.       |                       |
      TIJDPERK      |         NAAM          |               BESCHRIJVING
====================+=======================+=========================================
         { Tertiair | 1. Thenay             | Eerste gebruik van vuursteenen als
         {    ,,    | 2. Cantalin           | werk-tuigen, nog geen op een bepaalde
         {          |    (Aurillac, Cantal, | wijze gefatsoeneerde werktuigen, doch
Eolithen {          |    Puy-Courny)        | reeds verschillende vormen (volgens
         {    ,,    | 3. Kentum (plateau    | Rutot "percuteurs, couteaux, racloirs,
         {          |    van Kent)          | grattoirs, perçoirs").
         {  Oudste  { 4. Reutélien          | Uitgezochte en reeds eenigermate
         { Quartair { 5. Mafflien           | doch zonder bepaalde methode
                    { 6. Mesvinien          | gefatsoeneerde werktuigen van
                    { 7. Strepyin           | verschillenden vorm. Voor het eerst
                    {                       | met een bepaald doel gefatsoeneerde
                    {                       | werktuigen van bepaalden vorm.
                    { 8. Chelléen           | Grof geslagen, aan beide zijden met
                    {                       | grove blussen uitgeslagen werktuigen.
                    { 9. Acheuléen          | Fijner geslagen werktuigen, aan beide
                    {                       | zijden met kleine blussen uitgeslagen,
                    {                       | verschillend van vorm.
                    {10. Moustiérien        | Steenen werktuigen van bepaalden
                    {    (grotte du         | vorm, doorgaans slechts aan ééne
       Palaeolithen {      Moustier)        | zijde toegeslagen, of puntvormig,
                    {                       | zoodat zij aan een lans konden
                    {                       | worden bevestigd, of meer rond, met
                    {                       | scherpe randen (zoogen. schrappers,
                    {                       | racloirs, volgens de Mortillet om
                    {                       | de huiden van gevangen dieren te
                    {                       | bewerken). Nog geen beenen of
                    {                       | ivoren werktuigen.
                    {11. Aurignacien of     | Naast fijn toegeslagen regelmatige
                    {      praesolutréen    | steenen werktuigen vindt men de
                    {                       | eerste sporen van bewerking van been
                    {                       | en ivoor, en de eerste kunstuitingen.
                    {                       | Begin van het rendiertijdperk.
                    {12. Solutréen          | Zuiver toegeslagen pijlpunten,
                    {                       | laurierbladvormig of gesteeld, steenen
                    {                       | messen en boren. Paard en rendier
                    {                       | in talrijke overblijfselen gevonden.
                    {13. Magdalénien        | Prachtig bewerkte steenen wapenen
                    {                       | en werktuigen, nog niet gepolijst.
                    {                       | Pijlpunten en harpoenen uit rendierhoorn
                    {                       | met weerhaken, ivoren naalden, stijlvol
                    {                       | geboetseerde voorwerpen uit rendierhoorn
                    {                       | of ivoor, steenen messen
                    {                       | en zagen, teekeningen op rendierhoorn
                    {                       | of op rotswanden (grotten).
                    {14. Azilien            | Vermoedelijke doch slechts zeer locaal
                    {                       | bekende overgangsperiode naar het
                    {                       | nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum,
                    {                       | naar het tijdperk van de gepolijste
                    {                       | steenen werktuigen, van het
                    {                       | aarden huisraad, de paalwoningen,
                    {                       | de dolmen en menhirs.
====================+=======================+=========================================



V DE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF


                                     "L'homme fossile n'existe pas."

                                                          Cuvier (1813).


Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van
den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk
geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die
ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen
mensch, den homo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van
den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis
hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van
ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn
als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk
krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit
gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.

Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft,
vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter
tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De
leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch
na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde
dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon
aantoonen, dat overblijfselen van een geraamte, als "homo diluvii
testis" aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een
reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk
van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe
vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die
in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen,
steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth
en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen
kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die
beddingen zelf te onderzoeken.

Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van
overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar,
juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en
onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe
er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan
te voeren.

In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende
zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten
ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd
bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum,
den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, door
Hauser in 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste
zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van
het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele
stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel
bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En
dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste
der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig
uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in
leemgroeven of grintbeddingen bij het graven worden gevonden. En
de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem,
van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet
niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a. Dr. Holwerda, die bij zijn
zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische
skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd),
dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in
onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts
een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats
aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.

In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens
hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner
geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het
begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale
perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet
begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten
prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen,
enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.

Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging
beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner,
en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in "abris
sous roche," enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren
blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van
de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar
eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging
begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven
grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden
opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd de kans,
dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist
door die grafheuvels en andere bedekkingen er op opmerkzaam werd
gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond,
en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl
het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de
meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet
niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al
zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op
werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde
Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij
het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een
leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd
door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn,
eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoorde Dr. Fuhlrott van de vondst,
doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave
skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde
brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel
beter gegaan.

Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde
van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en "abris
sous roche" voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer
ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking
doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen
slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.

Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van
gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het
menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan
behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker
beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenis van dat ras
zal kunnen construeeren. De door Boule zoo voortreffelijk bewerkte
vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt
zal kunnen worden.

Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het
onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft
slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms
zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach,
of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote
scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal
nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten,
die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar
het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het "hersendier" bij
uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk
is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige
bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende
maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken
met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en
apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk
zijn (Fig. 10).

Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt
de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd
aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van
den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel,
nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp
beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van
den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat
aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien
schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder-
en bovenkaak, van groot belang. Onder alle zoogdieren is de mensch
het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit,
met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden
neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere
volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die
laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch
van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk
steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch
het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit
verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de
onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor
met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband
staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere,
en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. En niet
alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch
ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos
werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch,
men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te
kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na
te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen,
dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog
niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch,
hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere
zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de
beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van
de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm
der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals
wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en
onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.

Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen
betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen
verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan
verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende
aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet,
dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een
reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht
worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en
lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek
heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte
heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op
een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde
streken in vroegere tijden in zwang geweest). Deze verandering blijft
dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou,
als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot
geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door
verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan
vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.

Kortom, men tast, om eene vergelijking van Schwalbe te gebruiken, bij
dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg
kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand
van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte
onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens
eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elke
nieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan
ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,--maar
ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg
aan zekerheid.



VI DE VOORNAAMSTE ANTHROPOLOGISCHE VONDSTEN


                     "We are far from knowing how long ago it was
                      when man first diverged from the Catarine
                      (Simian) Stock; but it may have occurred at an
                      epoch as remote as the eocene period."

                                                            Darwin. [14]


Welke zijn nu de wegwijzers in dien doolhof? Kennen wij tusschenvormen
tusschen dier en mensch, of bestaat nog steeds de "break in the chain,"
waarover Darwin klaagde? Wat leeren ons hieromtrent de fossiele
menschelijke overblijfselen?

Het zou de ruimte, mij door den uitgever voor dit boekje toegestaan,
verre overschrijden, zoo ik een volledige opsomming en beschrijving
wilde geven van al de vondsten van praehistorische menschelijke
overblijfselen, welke bekend geworden zijn. Die opsomming zou
daarbij bijzonder vervelend worden, nutteloos zijn en niet op haar
plaats in dit werkje. Ik wil dan ook slechts de voornaamste noemen,
en slechts van die vondsten een iets meer uitvoerige beschrijving
geven, die nieuwe gezichtspunten hebben geopend of bepaalde vragen
nader tot hunne oplossing hebben gebracht. Voor een overzichtelijke
rangschikking der gegevens is natuurlijk de chronologische volgorde
daarbij niet de meest gewenschte. Want dan weer wordt een zeer oude
vorm ergens gevonden, eenigen tijd later een overblijfsel van veel
geringeren ouderdom, dan weer een overblijfsel uit de vroegste perioden
der menschelijke historie opgedolven, enz. Wil men in staat zijn,
bij de beschrijving der verschillende vondsten tevens een beeld te
geven van de wordingsgeschiedenis van het menschenras, voor zoover men
die kent, dan is de eenige weg die, dat men eerst die overblijfselen
beschrijft, die zich het nauwste aan de dierenwereld aansluiten,
dan de overblijfselen met iets minder inferieure kenmerken, om te
eindigen met die vormen, die geheel en al de typische kenmerken van
den homo sapiens, den tegenwoordig levenden mensch vertoonen.

Beginnen wij dus met de meest dierlijke overblijfselen.


1. Pithecanthropus erectus Dubois.

Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel
gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen,
vreugde en opgewondenheid--al naarmate het standpunt, dat men tegenover
de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch
innam--veroorzaakt, als toen Eugene Dubois in 1893 van uit Batavia
het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den
mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus
erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele
overblijfselen--een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en
twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en
dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde
aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke
skelet, dat men hier den tusschenvorm, den "missing link" van Darwin,
meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak
en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd,
maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede
van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen,
dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet
tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een
mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel
ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend
veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkap meer op die van
een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten
meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen. Dubois gaf
daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde
steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong
zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader
van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van
latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover
ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in
1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologische gegevens
door Volz, Elbert en anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met
groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten,
waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van
veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen,
waartoe Dubois ze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe,
onafhankelijk van Volz, ook K. Martin op grond van het systematisch
onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te
wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te
zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een
menschenkies in dezelfde steenlaag.

De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van den
pithecanthropus bevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal
te zijn, en moet volgens Volz zelfs ongeveer in het midden van
de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I)
gesteld worden. [15] Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk
geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden
menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te
bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch
eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus
waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs
naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op
Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.

Van den "missing link" is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook
zelfs Schwalbe, die den pithecanthropus zoo uiterst nauwkeurig
en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de
pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch
volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het
menschengeslacht aan te nemen.

Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aan
Dubois de onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar,
deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct
van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus
volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan
toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot
welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen,
de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en
het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe,
niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde
afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die
zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het
menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit
fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die
van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit
(d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen
van de hersenen dus), volgens Dubois 870 c. M.3, tegen 550 c. M.3 bij
de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3 bij den
neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3 bij de blanke rassen,
verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou
volgens Dubois gelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den
schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien,
nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat
met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen
menschaap.


2. Eoanthropus Dawsoni. In het laatst van 't jaar 1912 werd in een
kiezelafzetting (een zoogenaamde "gravel pit") bij Piltdown in Sussex
een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk
wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens
de nog eenigszins onvolledige gegevens [16] het oudste menschelijke
overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van
den ontdekker werd het de eoanthropus Dawson gedoopt. Niettegenstaande
maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen
verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving,
van de overblijfselen door Mr. Smith Woodward gegeven, stammen de
overblijfselen uit de "Chelléen" periode. Steenen werktuigen van het
"Chelléen" type en overblijfselen van een hippopotamus werden in
dezelfde laag aangetroffen.

De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van
de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit
laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd
worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige
van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op
die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak
bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen,
alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later
wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek
is afgebroken en de verdere tanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige
tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden
tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den
tegenwoordigen mensch.

Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud
te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3
te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met
den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus
grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de
werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten
bracht dan ook Dr. Smith Woodward tot de slotsom, dat wij hier met
een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht
bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en
daarom door hem de eoanthropus, "het wezen staande aan den dageraad
der menschwording" gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en
vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu
zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen
als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere
in Europa zijn gevonden. [17]


3. De vondst van Taubach. In 1895 werden door Nehring twee menschelijke
kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren,
meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het
allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve
steenen werktuigen uit de "Chelléen" of "Acheuléen" periode en
met overblijfselen van den elephas antiquus en den rhinoceros van
Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was
de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke
oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide
kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende
kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt
vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft,
in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende
eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een
menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te
kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist
de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende
diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het
menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de
soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft
kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden
was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van
de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste
menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral
bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den
voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de
"tanden van Taubach" hier vermeld.


4. Homo heidelbergensis. De onderzoekingen van Dubois op Java werden
in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst
belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum,
die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap
verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele
onderkaak van den "heidelberger mensch" werd gevonden. En het is
merkwaardig, dat, evenals Dubois doelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil
was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten
overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak
door Schoetensack jaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het
dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven,
waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit
het laatste gedeelte der tertiaire periode. Dr. O. Schoetensack,
de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren
een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de
groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve
en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en
in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen
konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de
groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun
op 't hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te
graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten,
zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk
van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan
24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was
gevonden. Zoodoende kon Dr. Schoetensack direct na het vinden van de
kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een
notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats
had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er
bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats
een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig
vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze
kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door
geen enkelen geleerde ooit eenigen twijfel omtrent de echtheid en
den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is door Schoetensack de kaak
beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde
monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving door M. Boule
van den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch
van la Chapelle-aux-Saints het werk van Schoetensack als een voorbeeld
van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.

Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de
photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve
de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder
bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak
werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden
gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen
neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat
in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna,
derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de
steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in
dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgens Rutot eolithen uit de
"Mafflien"-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom,
de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen
nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór
het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire
periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al
het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden,
doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men
vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van
een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het
voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in
de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal
massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor
de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen
vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij
het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder
gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe
te schrijven. Het gebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke
kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk
vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen
menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak
als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde
bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de
vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van
de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het
menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.

Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien, is natuurlijk
niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel
afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke
kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een "missing link,"
van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen
overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons
nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen
lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij
in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij
de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de
door Schoetensack beschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.


5. De Neanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds
in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden
schedel, waarvan alleen 't bovenste gedeelte, het schedeldak, is
bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordig slechts één
van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856
door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden
in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen,
door Fuhlrott met nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste
helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere
fragmenten) van den ondergang gered, en door hem en Schaaffhausen
het eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak)
jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl
men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten
en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen,
dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag,
wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen,
zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder,
zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet
zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand
minder dan Virchow en Ranke de ban er over uitgesproken. De diluviale
ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige
eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de
schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers,
dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit
den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in
zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen ("neanderthaloiden") vorm
vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van
Blumenbach. Zoo werd aan den Neanderdal-schedel elke waarde ontzegd
voor het probleem van de afstamming van den mensch. Volgens Virchow,
die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den
Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd,
kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen
(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.

Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct
als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog
zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien,
was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was,
vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de
overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren
gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit
dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden
gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk
hadden gemaakt. Toen echter in 1886 door Fraipont en Lohest in
België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een
aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan
de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak van
Fuhlrott en Schaaffhausen vertoonden, werd dit anders, en toen in 1893
Dubois den hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten
van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef,
toen in de laatste jaren der 19e eeuw Schwalbe zijne klassieke
onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen,
was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres
te Metz moest Virchow het helaas nog beleven, dat hij ook door de
Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooals Klaatsch, zijn
heftigste bestrijder, het uitdrukte, "der so lange verkannte Homo
neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte." [18]


6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij de Grot van Spy in
België door de Puydt en Lohest in 1885 [19] was in twee opzichten
belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en
Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden
van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de
daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden
beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke
overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende
beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van
gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven
te zijn.

De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth en rhinoceros tichorinus,
en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een
hoogen ouderdom, ongeveer in de "moustérien"-periode. De beenstukken
zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats
vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig
bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken,
het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de
geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de
tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde
onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend
dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter
van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de
zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en
den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die
ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen
geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen
eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke
onderkaak, in 1866 in de grotte de la Naulette bij Dinant in België
gevonden, en die merkwaardig was om het nagenoeg geheel ontbreken
van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het
achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het
skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en
zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren,
groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel
en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen
hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch
zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats
kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen
en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven
bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te
zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee)
het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen
knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst
dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.



Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van
Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier
verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een
aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de
boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van
het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type
vormt, aantoonen. In de eerste plaats:


7. De vondst van Krapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een
Hongaarsch anthropoloog, Gorjanovic-Kramberger korte mededeelingen
gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke
overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapina aan den oever van
de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat
gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het
rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al
met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid
waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens
afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde
beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar
was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje
nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden,
nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol
terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal
van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer
dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten
van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen
wijzen, een zeer groot aantal menschelijke beenstukken gevonden, van
9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren,
bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17
zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog
met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere
studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken,
vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen
krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze
beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten,
waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor
de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die
oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de
schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in
sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijde geziene schedeldak
(boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk
ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote
holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar. Dat
wijst dus op een sterke verbreiding van 't Neanderdalras over een
groot deel van Europa. Maar daarnaast is 't voor het probleem, hetwelk
ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende
cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn,
twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen
als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen)
onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op
het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds
langhoofdige en rondhoofdige "neandertalers." Later zullen wij
hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen,
dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de
beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer
korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken
gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar
aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden,
heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet
wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten
door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen
uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.


8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype
gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa
werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele
schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als de
Gibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze
schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 door Sollas uitvoerig
en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het
Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van
den schedel, dat door de groote holle oogkassen, de zware massieve
wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen "bestialen"
indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige
tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit,
m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa,
1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels,
doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus
(1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen
schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke
formaties herinnert.


9. Homo Mousteriensis Hauseri. Dit skelet, in 1908 in Frankrijk
opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap
kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop
het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden
geworpen en de beteekenis er van verkleind. Een Zwitsersch handelaar
in oudheden, O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar
voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het
graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem
der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk
skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis
te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken
toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en
in Augustus van hetzelfde jaar werd door Hauser en Klaatsch in alle
stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist
gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen
was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven. Hauser verkocht toen het skelet
voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was
zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De
schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen
echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid
geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal
stukken uiteen, en de stukken zijn toen later door Klaatsch met behulp
van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar
gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking
was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor
verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is. [20] Daarbij
zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden
van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai
bewerkte steenen werktuigen uit de "moustiérien"-periode en eenige
overblijfselen van den aueros (bos primigenius) in de omgeving van het
skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare
gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen
onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst
veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren,
omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen
ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele
lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer
16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd,
groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak
(type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw
van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot
van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande
houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le
Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën
en voorovergebogen lichaam kon bewaren.


10. l'Homme de la Chapelle-aux-Saints. Daar deze vondst, naast die
van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte
anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik
de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de
voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid
en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel
betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische
gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze door M. Boule,
den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,
[21] kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den
eersten rang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later
praehistorisch-anthropologisch onderzoek.

In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger
dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie
Roomsch-Katholieke geestelijken--in Frankrijk telt de praehistorische
anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de
R. K. geestelijkheid--de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in
een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in het Corrèzedal,
die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder
deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet
uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde,
rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den
eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een
houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een
aantal steenen werktuigen, in de steenlagen gevonden, waren van het
Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort
van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere
dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof
deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere
doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel
te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat
het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte
lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne
natuurlijke ligging tegen elkaar aan. Behalve de regelmatig gevormde
uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag,
waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene
boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen
werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom
van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.

Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer
1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de
ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet
of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch,
daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral
de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine
beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde "pithecoïde"
(bij de apen terug te vinden) kenmerken.

Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel,
waarvan door Boule een voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van
het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in
de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover
elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar
natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan
moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke
trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer
lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen
verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote,
wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend,
de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de
oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae,
die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter
verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding,
het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft
een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij
geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den
menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook
van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat
de hersenen omsluit, het intellectueele element, boven de kaakstreek,
het onderste gedeelte van het gelaat, als 't ware het materieele
element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de
verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen
zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.

Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men
den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een
schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden
menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23
zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van
terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange
beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en
kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige
beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den
fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een
duidelijken indruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van
dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan
welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men
denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van
dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt,
waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.

Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel. Het is aan
de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt,
een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te
vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen
vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was,
dat Boule door vergelijking van dit afgietsel met een reeks van
dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid
kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van
dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is
nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is,
slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen
mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar
was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud
met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.

Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant
van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van
Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en
menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan
de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van
den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen,
of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat
als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou
aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een
andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of
zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de
representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied,
en door Schwalbe, Kramberger en een aantal andere anthropologen
wordt de neanderdal-mensch als homo primigenius tot een andere
soort gerekend dan de homo sapiens. Wij komen hierop later bij onze
algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als
behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la
Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen
vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode,
waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw
de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den
voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat
men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere
soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke
eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in
den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen
dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond
van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de
bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen
vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij
dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd,
zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij
lag het skelet in de voor de latere "Höckergräber" zoo typische houding
met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel
verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen
liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den
doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking,
dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele
duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden
begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige
vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een
soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het
graf in de richting oost-west, en een geloof in een voortbestaan
na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode
medegegeven wapenen.--Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit
de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar
het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat
men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver
morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil
toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene
slotbeschouwingen nog nader terug.


11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den
laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909-1910), la Pech de
l'Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met
stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota's die er van
gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het
neanderdal-ras opgedolven.


12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter
belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst van
Grimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van
Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone,
systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door
eenige Fransche archaeologen, met name Verneau, Boule, Villeneuve
en vroeger door Rivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die
allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de "aurignac"-periode
en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde
"Cro-magnon" type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van
den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abt Villeneuve
in de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de
bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het "Cro-magnon"
type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan
van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder
de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij
gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven
elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden
nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype,
zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd,
zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch
der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch
met vooruitstekende kaken, platten neus, bijna geen kin en een aan
het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat
dit type door Verneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven,
het "negroïde" type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide
skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de
beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7
meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger
in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het
karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens
de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke
overblijfselen tot het laatste gedeelte van de "aurignac"-periode
behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de
"moustier"-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn
als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel
door latere opgaven van M. Boule gebleken, dat de ouderdom van deze
"negroïde"-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maar er
blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode,
waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken
aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die
een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe
voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van
schedels. Had men van deze negroïde schedels van Verneau slechts het
schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende
wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier
schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de
kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers
bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen
schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in
zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te
zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.


13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen
tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen,
houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere
tijdperken, het Moustierium, de "acheuléen" en "chelléen" periode,
zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de
groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren
schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen,
hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde
oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op,
dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen,
aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen
wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste
perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkelde skeletvormen naast
meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen
de beide typen bestaan.

Vondst van Cro-magnon in Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent
het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn
naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in
een "abris sous roche" daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in
een steenlaag uit de aurignac-periode. Door Lartet, die de vondst
nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen
spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen,
versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar
oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen
bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk,
stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is
typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.

Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde
type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen
tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en
sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf
uit het neolithicum), zooals die van Laugerie-Basse in Dordogne, in
1872 door Massénat uitgegraven, van Chancelade, eveneens in Dordogne,
in 1888 gevonden, uit de grot van Hoteaux, bij Rossillon, allen uit
de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier
met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen
zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de
afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten,
dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus
nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een
schedelvorm bezat, die zich in de hoofdpunten volkomen aansloot aan
die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras
moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk,
in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan
er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen,
die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen
wij niet.


14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit
opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het
in 1910 door Hauser en Klaatsch gevonden skelet van Combe Capelle,
den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht
bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm
is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met
hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen
(langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou
evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men
nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen "homo
aurignaciensis Hauseri," zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt
de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk
ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke
gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal
volksstammen vinden, bij de eskimo's, om in Europa te blijven, en
wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden
bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet,
in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.



Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de
verschillende vondsten afsluiten. Slechts die vondsten hebben
wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden,
belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie
van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te
schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten
mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:

Met de rendier- en bisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het
oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der
eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving
ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en
wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been,
zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum,
het magdalenium.

Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze
cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij
het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het
rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen
het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich
langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven
met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende
vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar
overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote
verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag,
die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum,
de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen-
en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische
overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen,
zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.

Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij een andere geworden in
een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van
den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het
grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere
vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook
den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd
met de overblijvende menschen van het cro-magnon-ras ras. Zijne
raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij
komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen
uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van
een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en
meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo
volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor
het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.

Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en het cro-magnon-ras
vonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus
nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in
het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen
van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het
niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie
van buiten Europa te denken?



Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den
mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van
belang gevonden?

Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den
pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen
er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in
Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn,
maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid, die wat die
gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men
daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking
van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de
bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek
hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid
verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen,
die door Noethling in Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig
(1902) door Swinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond,
dat zij niet in het uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen,
zooals door Noethling was gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus
zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.

Zoo werden door Alsberg in 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool
in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde
voetsporen van menschelijke wezens gevonden. Klaatsch, die deze
voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van
menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen
den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. Door Branco
werd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en door
Noethling werden dan ook later in afgelegen streken van Australië
in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door
kangoeroe's waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten,
dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als door
Klaatsch in geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk
zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....

Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking
van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië
en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche
onderzoekers (met name Ameghino) voor tertiair worden gehouden, worden
door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor
quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan
zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer
gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure
kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden
dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij
uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de
geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die
mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens
omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen
hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter,
de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo
is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer
hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure
kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel
uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die
door Ameghino beschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van
den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende,
ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus)
te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het
schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den
homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd,
zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage
stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met
laag, wijkend voorhoofd, door Hrdlicka beschreven, zijn ongetwijfeld
van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken
in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.

Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van het menschelijk geslacht,
waarvan Ameghino in de oude geologische formaties van Argentinië de
fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo
en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen
houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde
geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten,
die door Ameghino in geologisch oude steenlagen zijn gevonden,
en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus,
anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel;
van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen door
Ameghino gegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.

Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten
bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat
van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf,
dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de
praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika
bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.

Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk,
in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige
werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden
geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het
bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg
zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen
inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen
denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben
daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke
voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie
en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid
hieromtrent heeft men evenwel geenszins.



VII GEVOLGTREKKINGEN EN ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.


                         "We must not fall into the error of supposing
                          that the early progenitor of man was identical
                          with, or even closely resembled, any existing
                          ape or monkey." [22]

                                                                 Darwin.


Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent
het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij
voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt
dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die
nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het
gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij
zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld
van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen
geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte,
aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap,
door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld
van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten
krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem
verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te
worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet
te brengen? Zeer zeker niet. Het gaat met elken tak van wetenschap
zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter
de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich
opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch
het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van
dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het
de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans
zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand
wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van
het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het
ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een
sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht
wordt voorgezet. En dat is 't, wat ten slotte het wetenschappelijk
onderzoek in discrediet zou brengen.

In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe
brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen
met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die
dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het
zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de
zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.

Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks,
d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger
werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de
gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde
dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder
de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de
spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op
den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de
gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst
waren, ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als "primaten," als
"eerste onder de levende wezens," in een zelfde orde vereenigd. In
den tijd van Linnaeus paste deze voorstelling geheel en al in den
kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd
van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch
viel op te merken. "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis"
schreef Ennius [23]. Galenus bestudeerde de anatomische verhoudingen
van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische
daad, toen Vesalius beweren dorst, dat Galenus gefeild had in
dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen
uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde
menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht,
staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand;
"ik moet bekennen," schreef Buffon, "dat als men slechts op den vorm
van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch
kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij
aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden." De la Mettrie
hoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen
het spreken en goede manieren te leeren, Lord Monboddo leerde reeds,
dat de mensch van de apen afstamt, Huxley stelde als resultaat van
een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek,
vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den
gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die,
welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds
in 1824, onder den invloed van de theorieën van De Lamarck, Vizey
de opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een
Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.

Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijn niet vrij te
maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen,
maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen,
de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het
meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.

Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo
ja, met welke, of wellicht met meerdere?

Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit
zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral
met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht,
die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen,
ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van
verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgens
Melchers (1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen
te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde
apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea,
de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke
rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband
staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in
Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden
afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea's, de rondhoofdige
alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs
met de gibbons verwantschap zouden bezitten.

Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden
eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en
dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder
slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette
ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.

Iets dergelijks zegt de door Klaatsch in de laatste jaren (na
1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche
herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen,
het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen
en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.

Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.

Door Darwin is, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het
reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften
doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de
dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch
identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben
geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig
levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen,
zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts
in een verwijderd genetisch verband mede.

Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende
aapsoorten,--en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het
meest op den mensch gelijkende menschapen--nauwkeurig bestudeeren en
ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch,
dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer
gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd
zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral
bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen
dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond
steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde
apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in
ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het
gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde
voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren), en vooral met zijn zoo
verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit,
speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat
men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie
hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch
en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch
verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband
staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3
schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat
men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig
levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit
een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.

Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde
wet van Dollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde
specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm
weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een
zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen)
als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van
de andere viervoetige dieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen,
dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen
weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als
wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal
gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van
alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders
gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande
houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen,
dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van
den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt,
waar het eerst slechts alleen het achterste gedeelte van den romp
droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke
verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden,
zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en
slanke dijbeenderen.

Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.

Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd
gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig
gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken
vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke
dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste
menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de
richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in
geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld
in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest
primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen,
een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de
kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden,
doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een
grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de
kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde
apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas
gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier
een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral
van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk
gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk
te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak
zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter
van de tanden en kiezen, sluit elke gedachte aan een afstamming van
den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.

Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der
oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een
gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het
vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire
aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen,
heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken
stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame
harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze
of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht
verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een
andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en
een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den
loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende
menschapen bracht.

Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even
doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere
evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde
soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de
ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den
loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties
opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het
individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale
leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds
vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al
vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo
is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en
het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen
een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroeg in de
ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt
de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en
men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste
teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De
specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de
overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst
in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij
de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs
na het einde van het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds
geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen,
die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere
geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan,
zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den
oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van
die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen
dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst
recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen
en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee,
gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de
oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de
schedels van een menschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje
van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van
den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich
bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter
dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch
met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde
blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de
middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van
een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen
orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd
en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in
vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.

Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus
als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der
tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde,
is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische
menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch
door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op,
dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten
hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de
dierenwereld aannemen,--en dat hebben wij juist als punt van uitgang
aangenomen--dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen,
der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen
wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen
zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij
onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen,
die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van
voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord
op deze vraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen,
noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen
wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch
kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting
van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft,
moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een "homo novus," een
"parvenu" (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft,
doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de
vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni
geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden
van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op
dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst
van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte
de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht,
wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van
zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de
stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk
geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog
steeds een homo novus.

Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van
fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten
betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is
uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele
tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van
andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige
tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom,
de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende
soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken,
dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraan dan een of
andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar
zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld
te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam
dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken,
in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht
in aanmerking kunnen komen.

In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat,
zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend
waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den
voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten
geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten
van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn
der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.

Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa
grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder,
dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft
losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet
worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke
overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol
begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in
Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden,
maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan
zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de
aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het
groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte,
is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het
grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van
de groote landverbinding, die in vroegere tijden tusschen Amerika en
Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen
ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch
klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het
eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan
niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist
die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het
wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder
ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage
ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus
in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in
Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig
Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het
Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de
bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid
heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo's,
ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat
de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen,
is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.

Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.

Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch
rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling
van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den
ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden
wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit
de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden
der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa
menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen in zeer sterke mate
dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die
kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit
vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten
van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren,
dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven,
en er den naam "eoanthropus," "het wezen, staande aan den dageraad
der menschwording," voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent
den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker
voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst
merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk
in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische
pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk,
Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het
neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints
het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk
van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den
tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor van
Wilser, Schwalbe en zijn volgers hem als een andere menschensoort,
den homo primigenius, den "eerstgeboren" mensch, opvatten. Daarna
de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras,
vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens,
zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm,
bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen,
niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den
weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten,
voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch,
zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele
ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen,
van oudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!

Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof
tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en
de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch,
het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen
van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende
rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte,
gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des
Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd
als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type,
met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel,
dat de pithecanthropus niet zoo oud is als Dubois meende, doch
in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke
vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java,
terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is
zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de
inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in
het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd
is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het
neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa,
palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die
welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?

Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen
stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen,
in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds
een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten,
die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons
zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstuk
van de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist
werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus--eoanthropus--homo
heidelbergensis--mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch)
kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in
genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan,
waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat
zij zoo geloopen heeft, wordt er niet door bewezen.

Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende,
den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende
wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen
ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met
het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het
laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam,
dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis
(en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo
ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden,
dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde
der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van
den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de
minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten,
zich niet in het einde, doch reeds in het begin der tertiaire periode
uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der
aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven
aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.

Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen
in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een
ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude
blootgestelde Eskimo's, Lappen, enz., zich duizenden en duizenden
jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk
ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste
teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij
steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der
hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er
wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in
een warm klimaat heeft plaats gevonden.

Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm,
die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus
moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van
elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook
zien gebeuren bij in een zoogenaamde "mutatie-periode" gerakende
plantensoorten. Met "vrij snel" bedoel ik dan hier in den loop van
weinige duizenden jaren, met "rassen" (of ondersoorten of hoe men
dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel
ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig
iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van
"hominiden," (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende,
doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In
den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode
ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en
verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als
wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier
als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van
uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen,
dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van
het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk,
dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt
(vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het
weerstand bieden aan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden
en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is
het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle
verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is
geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor
voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar
verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde
apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van
gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der
eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden
steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het
Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den
Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote
hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo
heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk,
ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten,
zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep
in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of
in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het
zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van
een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel
nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich
sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren
geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode
reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de
eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer
homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en
den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den
neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeelte van
den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies
van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het
Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven
niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen
tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer
werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een
op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het
"negroide" type van Verneau in de Grotte des Enfants bij Grimaldi,
uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs
zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika
langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen
Tunis--Sicilië--Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na
eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.

Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere
invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit
Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk
type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras
heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het
neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder
vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets
later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt;
het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode
maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac-
en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het
palaeolithicum, de "solutréen" periode en het magdalenium met zijn
prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde
voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger
beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.

Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het
cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwe cultuur, die van het
neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en
van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van
een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische
cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog
met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en
zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten
een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer
vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen
volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten,
van uit het Zuid-Oosten aan.

Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de
afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger
gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de
geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver
uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische
perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der
ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt
buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden
gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de
ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep,
door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke
tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus,
de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het
begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.

Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming
van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik
niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet
de oplossing van het probleem ons geeft, doch die door de eigenaardige
wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet
inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.

Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde "pygmeeën" een groote
waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch
toeschrijft.

Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing
het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee
feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in
de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote
diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als
voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten
optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van
het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden
opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich
uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgens Kollmann nu ook
voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen
moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig
levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen,
stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel
grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam
"pygmeeën," dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het
alleen maar uit het titelvignet van Stanley's in Darkest Africa) de
dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka's, de wedda's,
de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen
enz., vormen volgens Kollmann's opvatting een sterk verspreid,
op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid
moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins
geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in
oude tijden, zelfs in den voorhistorischen tijd, zijn pygmeeën bekend
geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild,
komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de
gebroeders Sarasin zijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische
pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in
verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast
skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgens
Kollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt,
vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair,
over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.

Dit brengt Kollmann nu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel,
dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben
ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de
mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer
dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst
zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras
der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine
anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende
menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan
langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den
oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid
in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere
rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in
Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook
de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden
gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam
bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces
zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soort van atavisme,
van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.

Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd
en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote
hersenmassa. Waar juist zij, volgens Kollmann, den oervorm voorstellen,
zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog
tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en
kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de
voorstelling van Kollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie
tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als
den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge
en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die
van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen
oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts
een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak
van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden
dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden
volgens Kollmann ook de verschillende vormen van het Neanderdalras
met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een
divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen,
en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.

In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware
zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van
waarheid, doch zij wordt door Kollmann tot het absurde doorgevoerd. Het
is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere
vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein,
de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan
de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaam ten
naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook
gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld
meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit
verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis
duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van
deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit,
dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat
ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken
dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen
oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit
een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit
zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even
hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten
als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden,
dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten
hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen
als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide
vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de
geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan
wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering van Kollmann,
dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen,
uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De
kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een
degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar
dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den
tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten
eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, "aapachtige"
kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch
samengaan en die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de
vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten
tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande
vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van
Piltdown, den eoanthropus.

Ook is de geheele voorstelling van Kollmann, volgens welke de pygmeeën
de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan,
niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op
geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen,
ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur
omgeven, brengt hun veeleer in verband met de "Kümmerrassen," die
wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren,
zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein,
scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort
zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies,
dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de
eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan
in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste
poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel
meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De
dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van
normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens
normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen
afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één
kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.

Zoo heeft dus de voorstelling van Kollmann weinig waarschijnlijkheid
op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor
op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.

Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De
taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is
afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de
vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht
geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de
laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld
heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren,
daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe
vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder
twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om
ons heen ons stelt, zullen verschaffen.

Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier
behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den
onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar
dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke
voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog
voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons
afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk
organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit
een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor
zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen,
die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben
moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een "voorpoot,"
langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren
eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand,
zooals wij die nu bezitten.

Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den
voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig
werd, zich ophief, verloor het hart in dezen nieuwen stand zijn
steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus
een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu
weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk
lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke
eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.

Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het
bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische
afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te
noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en
haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.

Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk
lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode
met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog
verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben
plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de "voormensch"
zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op
den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van
den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de
apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken
van een "paradijsachtigen oertoestand," waarin de voormenschen moeten
hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer
het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis
in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond
moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van
de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te
verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest
scherpte, zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken,
enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende
veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal
gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in
verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen
beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken
laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek
naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen
te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk
lichaam te onderzoeken.



VERKLARINGEN [25]


Pag. 36: Assez intelligents pour faire le feu = begaafd genoeg om
vuur te kunnen maken.

Pag. 37: Ces êtres n'étaient pas, etc. = (dat) deze geen menschen
waren en dit nog niet konden zijn.

Pag. 44: "Revenons à nos moutons" = om op ons onderwerp terug te komen.

Pag. 78: "Der so lange verkannte Homo neanderthalensis" etc. = (dat)
"de zoo lang miskende "neanderthaler mensch" zijn wetenschappelijke
opstanding vierde."

Pag. 106: Aanhaling van DARWIN: "Wij moeten niet in de dwaling
vervallen van te veronderstellen, dat de oorspronkelijke verwekker
van den mensch identiek was met, of zelfs maar van nabij geleek op
eenige bestaande apensoort."

Pag. 108: "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis" = Hoeveel
de aap ook op ons gelijken mag, blijft hij toch het leelijkste beest.



INHOUDSOPGAVE.


    Hoofdstuk                                           Pag

            Voorwoord                                     V
    I       Ontwikkelingsgang der levende natuur          1
    II      De plaats van den mensch in dit
            ontwikkelingsproces                          15
    III     De postpliocaene ijstijd in Europa           25
    IV      Ouderdom der menschelijke overblijfselen     35
            Tabel van de onderverdeelingen van het
            oud-steenen tijdperk                         52
    V       De overblijfselen van den voorhistorischen
            mensch zelf                                  54
    VI      De voornaamste anthropologische vondsten     63
    VII     Gevolgtrekkingen en algemeene beschouwingen  106

            Verklaringen                                 145



AANTEEKENINGEN


[1] Alles wat is, kan slechts juist beoordeeld worden, als men weet,
hoe het geworden is.

[2] In de eerlang in de W.B. verschijnende monographie van Prof. Jonker
over "het ontstaan der Aarde" zal de lezer meer uitvoerige en
gedetailleerde gegevens over dit onderwerp vinden. Hier kan ik slechts
eenige der hoofdpunten aanroeren.

[3] Zooals de door Cayeux beschreven praecambrische radiolariën.

[4] In den laatsten tijd zijn er ook reeds overblijfselen van
laagstaande dieren, die evenwel volgens de auteurs al tot verschillende
groepen zouden behooren, in enkele gesteenten van de azoïsche periode
door een aantal onderzoekers beschreven. Dat juist op dit gebied nog
veel onzekerheid heerscht, en het nieuwere onderzoek telkens andere
feiten aan het licht brengt, behoeft ons, de moeilijkheden van dit
gebied in aanmerking genomen, niet te verwonderen. Het is hier niet
de plaats, hierop verder in te gaan.

[5] De mensch draagt in zijne lichaamsvormen nog steeds den
onuitwischbaren stempel van zijn lagen afkomst.

[6] Vierde druk 1908. Tübingen. H. Laupp.

[7] Herkenbaar aan de geheel verschillend bewerkte steenen wapenen,
die bij de menschelijke overblijfselen in de verschillende lagen van
eenzelfde hol werden gevonden.

[8] De tertiaire mensch staat nog slechts op den drempel van het
gebouw der wetenschap.

[9] Zie achterin.

[10] Zie achterin.

[11] Zie achterin.

[12] Men vergelijke hetgeen hierover in hoofdstuk 7 wordt gezegd.

[13] Zelfs in den slag van Hastings werden, naar men zegt, nog wel
steenen pijlpunten gebruikt.

[14] Wij weten nog in het geheel niet, hoe lang het geleden is,
dat de mensch zich van het geslacht der apen losmaakte; maar het kan
zelfs zoo lang geleden zijn als de eocaene periode.

[15] Ook dit wordt echter weer tegengesproken, door Dubois zelf en
door een Engelsch anthropoloog van groote autoriteit, Arthur Keith,
die in 1912 in een reeks lezingen trachtte aan te toonen, dat de
pithecanthropus wel in het tertiaire tijdperk thuis behoort. Voorloopig
schijnt mij echter de opvatting van Volz en Martin op degelijker
gronden te berusten.

[16] De inmiddels door Dawson en Smith Woodward gepubliceerde
uitvoerige beschrijving is niet geschikt, om bestaanden twijfel
omtrent de juistheid der voorloopige opgaven weg te nemen. Zoowel wat
betreft den hoogen ouderdom van de overblijfselen als hunne zoo uiterst
primitieve kenmerken vraagt men zich af, of de beide onderzoekers wel
altijd hunne vondsten met de noodige nauwgezetheid hebben beoordeeld.

[17] Zooals echter boven reeds werd opgemerkt, laat de inmiddels
verschenen uitvoerige beschrijving van de vondst nog wel eenigen
twijfel bestaan aan de juistheid dezer voorloopige opgaven van
Dr. Smith Woodward.

[18] Zie achterin.

[19] Door Fraipont en Lohest in 1886 beschreven.

[20] Volgens de opgaven van de Firma Krantz is er nu in den laatsten
tijd een beter gipsafgietsel van vervaardigd.

[21] M. Boule. l'Homme fossile de la Chapelle-aux-Saints. Annales de
Palaeontologie 1913. blz. 1-278. 101 afbeeldingen.

[22] Zie hierachter.

[23] Zie hierachter.

[24] De verantwoordelijkheid voor de samenstelling van dit Register
berust bij de Redactie W. B.

De eigennamen staan cursief.

[25] Deze verklaringen zijn van de Redactie der W.B.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De afstamming van den mensch - Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home