Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII | PDF ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Maerten Harpertsz. Tromp
 - Een zeemanszoon uit de 17de eeuw
Author: Been, Johannes Hendrik
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Maerten Harpertsz. Tromp
 - Een zeemanszoon uit de 17de eeuw" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                        MAERTEN HARPERTSZ. TROMP
                    EEN ZEEMANSZOON UIT DE 17DE EEUW


                                  DOOR
                              JOH. H. BEEN



VOORBERICHT.


Dit is eigenlijk een geheel nieuw boek. De oorspronkelijke uitgave
verscheen in 't jaar 1895 eerst in Elsev. Geïll. Maandschrift,
daarna, in 't laatst van 1896, als zelfstandige uitgave bij de
Uitgevers-Maatschappij "Elsevier", werd eenige jaren later door den
uitgever Van Looy voor zijn fonds, en in 't jaar 1905 weer door den
tegenwoordigen uitgever aangekocht. Zwerftochten, die wèl bij het
lot van een Zeemanszoon schenen te behooren.

De oorspronkelijke uitgave was een zoeken geweest naar minder
algemeen bekende bijzonderheden over 't leven van den zeeheld. Ik
wilde die verzameling eerst betitelen "Bouwsteenen voor een leven van
M. H. Tromp", maar vond dien titel te pedant, en schreef het boekje
toen zooals het geworden is.

Maar heel dat boekje door kwam ik toch eigenlijk niet goed op slag. Als
je, zonder het eigenlijk nog zelf te weten, verteller bent, en je
gaat tafereelen uit de geschiedenis schrijven, dan hangen nog al de
dikke registers en folianten, die je doorbladerd hebt, aan je manier
van vertellen vast. Tersluiks kijk je naar een paar deskundigen, of
die je al op een fout betrapt hebben, en je doet erg gewichtig met je
vondsten en je aanteekeningen. Daar ben-je nog zoo echt kinderlijk
grootsch op! Dat zou niets zijn, als je er maar gezellig van ging
ophalen.... maar, eerlijk gezegd, je durft niet.

Eerst heb ik m'n behoorlijk in 't pracht geschreven manuscript naar
Prof. Fruin gezonden, en toen die een woordje van sympathie en hoop
voor mijn streven over had--dat ik altijd in dankbare herinnering
zal houden--ging het verhaaltje zijn verderen weg op, en wel naar
Mr. L. J. Plemp van Duiveland, den toenmaligen secretaris der
Elsevier-redactie (waarin nog Dr. Jan ten Brink en H. J. Schimmel
zaten) en zoo kwam het, waar ik het hebben wilde.

Zeker, daar zat wel geestdrift in die schets; maar zij moest ten slotte
opwekken tot het oprichten van een standbeeld voor Tromp en wel te
Rotterdam. Daar zijn er toen geweest, die met mij veel hoop hadden,
dat 't er komen zou. Die tijd is echter voorbij, en we moeten dat nu
maar vergeten.

Nu, na jaren, beweeg ik me als 't ware vrijer tegenover het leven van
Tromp. Ik behoef hem niet meer voor te stellen aan zijn landgenooten,
in de hoop dat ze elkaar eens goedkeurend toeknikken en zeggen:
"jongen, jongen, we moeten er toch eens over gaan redeneeren,
of we voor dien ouden zeeheld temet een monument kunnen opgericht
krijgen". Nu--zit ik op m'n gemak te vertellen van een onzer grootste
zeehelden. Daarom is 't een heel ander boek geworden. Niet meer maak ik
toespelingen op allerlei gebeurtenissen, die ik bekend veronderstelde;
nu houd ik maar, of men alles half of heelemaal vergeten is, en
vertel voor m'n plezier uit het verleden. Soms neem ik iets op, van
wat ik in 't oorspronkelijke verhaal of elders meegedeeld heb, maar
toch niet dikwijls. En ik heb maar gedacht, dat ik voor het jongere
geslacht zat te schrijven. Dat verkeert zelf nog in het heerlijke
heldentijdperk van het leven, en dan wil er nog wel eens aandacht
zijn voor een figuur uit het heldentijdperk van ons volk.

In zoo'n vertelling konden geen verklarende aanteekeningen een plaats
vinden. Toch is deze of gene er mogelijk op gesteld verschillende
bijzonderheden over Tromp, welke anders over vele boeken verspreid
liggen, bij elkaar te hebben. Ik zelf heb daar 't gemak van
ondervonden, en 't heeft me soms heel wat zoeken uitgehaald. Daarom
heb ik de aanteekeningen tot iets geheel zelfstandigs bewerkt. Jeugdige
lezers slaan ze toch over.

De uitgever van dezen tweeden druk, de heer L. J. Veen, wilde voor
dit eigenlijk nieuwe boek ook een nieuwen titel hebben. Ik kon
daartoe niet besluiten. Aan dien titel was ik gehecht geworden. Wat
een echt menschelijke geschiedenis van vertrouwen en tegenslag,
hoop en ontgoocheling is aan het boek verbonden onder dien naam
verschenen! Neen, ik blijf bij de eerste naamgeving, waardoor ik eens
een bescheiden hulde wilde brengen uit zijn geboorteplaats aan een
der nobelste menschen uit onze geschiedenis.

Of "Zeemanszoon" nog meer zwerven zal? Ik weet het niet. Maar,
waar dit verhaal ook heen zwalke, daar--ach, dàt mag ik toch nog wel
hopen!--daar voere het iets met zich mede van de prikkelende geuren der
vrije zee, die, in stillen nacht na zwaren storm, om de geboorteplaats
van den zeeheld bruist van het groote verleden van ons volk.


Brielle, 2 Maart 1908.                                  Joh. H. B.



INHOUD.


     Hoofdst.                                               Bladz.

           I. De kleine Delftsche vluchteling                   1
          II. De jeugd van Maerten Harpertsz. Tromp            15
         III. Onder de zeeroovers                              25
          IV. Allerlei plannen                                 38
           V. Een Christenhond                                 49
          VI. De kapitein van het admiraalsschip               62
         VII. Een jonkheer of een pekbroek?                    72
        VIII. Ketenen van goud en een metalen berg             90
          IX. De dagen van Duins                              103
           X. Lastertongen en Kleinzieligheid                 114
          XI. Is de zee vrij of niet?                         128
         XII. Tromp moet voorzichtig zijn                     137
        XIII. Tegenspoed en ongenade                          145
         XIV. Drie maanden op zee                             153
          XV. Over het doode punt heen                        167
         XVI. Het einde van een heldenleven                   176
        XVII. Ter uitvaart                                    185

              Aanteekeningen                                  193



EERSTE HOOFDSTUK.

DE KLEINE DELFTSCHE VLUCHTELING.


De zee!.... Daar droomden onze zeventiend'eeuwsche bengels 's nachts
van, omdat zij er schier heel den lieven dag over hadden hooren
praten. Gelukkig de jongen, wiens vader een zeeman was. Als hij
uit de kleine-kinderkleeren was gegroeid en door het klauteren in
allerlei boomen voldoende bewezen had, dat hij zich met handen en
voeten overal aan vast wist te klemmen--dan voer hij met vader het
zeegat uit, zooals Piet Hein en achtereenvolgens al de gebroeders
Evertsen. Vond de vader of de moeder dat de wereld toch werkelijk
niet zonder landkrabben kon bestaan, dan kreeg men het lieve leven
gaande. Dan liet Michiel de Ruijter heel de Lijnbaan in den steek en
de norsche Witte Cornelisz. de With, die eenmaal als admiraal Dubbel
Wit de schrik van Spanjolen, Britten en Zweden zou zijn, werd voor
en na van verschillende ambachten weggejaagd om eindelijk als een
door iedereen opgegeven sujet de wijde wereld in te gaan.

Zoo ging het in de 17e eeuw, toen ons land wel één groote koopstad
leek en één groote visschersplaats tegelijk. Toen er telkens weer
nieuwe landen opdoken en eilanden, die als geluksoorden werden
afgeschilderd. Die leerde men minder op school van de kaart; die ging
men zelf opzoeken of ontdekken, wat vrij wat gezelliger was. Toen was
er een opgeruimdheid onder de menschen, omdat het hun goed ging. Wat
men ondernam, gelukte, en daarom ondernam men al meer en meer. En al
liep het al eens een enkel keertje mis, of waren er bloedverwanten
of vrienden uitgevaren die men nooit meer terug zag komen, dan was
het aldus beschikt. Men boog zich gehoorzaam en eerbiedig voor de
eenige Macht, waarvoor een vrij Nederlander den stuggen nek boog,
en, verre van ontmoedigd te zijn, ging men, in vol vertrouwen op Gods
leidingen, denzelfden weg op, welken men die verloren bloedverwanten
of vrienden had zien inslaan. En zij, die gespaard waren gebleven en
niet neergezonken waren in het groote matrozengraf, noch een laatste
rustplaats gevonden hadden in een groeve, die in de ijzerhard bevroren
sneeuw moest uitgehakt of onder de brandende zon der keerkringen in
het zand der woestijn, dan wel in den overvruchtbaren Indischen bodem
moest gegraven worden; zij, die ontkomen waren aan de zeeroovers of
het harde lot van een Christenslaaf, en die nu oud waren geworden en
eens een wijle gingen uitrusten van al die avonturen--hadden altijd
den mond vol van die wijde zee en die wonderbare, groote wereld. 's
Avonds schoven zij een bank op hun stoep, en de buren vroegen een
plaatsje en de kinders, jongens zoowel als meisjes, zaten met open
mond te luisteren. Dan werden al die oude dingen opgehaald, die
weer nieuw zouden worden voor menigen toeluisterenden kleuter. En de
moeders hadden het over hun zoons, die nu verre waren van het kleine
vaderland, die, rappe gasten als zij waren, er op uit waren gegaan,
naar de Oostzee om koren te halen, of naar de Levant om wijnen of
vijgen, of die heel en al gezworven waren naar die wonderlijke landen,
waar de peper groeide, en de kruidnagelen en de notemuskaat.

Zoo ging het in de 17e eeuw. Maar reeds in de 16e was het al
begonnen. Toen was er een Delftsche jongen, die zoo'n verlangen had
naar de oneindige zee, naar al dat wonderbare en avontuurlijke, dat
zijn heele ziel er van vervuld raakte. Vader had er geen ooren naar,
en moeder nog minder. Toen--liep hij weg, en zocht ergens in een
zeeplaats een schip op, en 't kon hem niet schelen welke bodem hem
weg zou voeren van het land, waar hij niet meer blijven wilde.

Tegenwoordig zou niet één kapitein zoo'n snuiter zonder toestemming van
diens ouders mee willen nemen, en als hij het deed, zou hij hard kans
loopen met de politie in aanraking te komen. Politie was er toen ook,
maar ... er waren zooveel schepen, er was zulk een uitgebreide vaart,
dat men zeevolk te kort kwam en een schipper al blij was als hij
een jongen aan boord kreeg, al moest die nog alles leeren. Was het
schip eenmaal de haven uit, dan kwam het soms in geen jaren terug,
en, als het terug kwam, stapte een gebruinde, breedgeschouderde boy
er af, zoo gauw de werkzaamheden dat maar toelieten, en zocht vader
en moeder op. En plan had hij een buidel rinkelende geldstukken op de
tafel te werpen om hun toorn te bezweren. Maar .... dat geld en dien
toorn, wie dacht eraan, als hij z'n moedertje om den hals vloog, en
vader, vol trots op zoo'n vierkanten, uit de kluiten gewassen zeerob,
zijn jongen vol warmte de vereelte knuist drukte? De telegraaf, om
gauw de politie van een zeeplaats te waarschuwen op een uitvarend
schip te letten, ja--die bestond niet. En "de rakkers"--zooals men
ook wel eens de gerechtsdienaars noemde,--kwamen niet graag op een
schip. Dat gaf maar haken en oogen. Want de schipper zei, dat hij onder
de rechtspraak van zijn Admiraliteit of de lieve hemel weet welke
andere macht stond, en als de gerechtsdienaar veel praatjes maakte,
kon hij met een handspaak krijgen. Meestal lieten ze hem zelf maar
tobben om in het bootje te komen, dat hem van het ongastvrije schip
naar wal terugvoerde. Dan ging hij klagen bij den Baljuw, en die liet
den Secretaris groote vellen vol schrijven aan een anderen Baljuw
of aan een College van Admiraliteit of nog andere lichamen van macht
en aanzien. Dan vond-je alweer een Secretaris, die ook al vellen vol
schreef en antwoord terug moest hebben. En terwijl de veeren pennen
bleven krassen over het ruige papier van die dagen--was het schip
met het jongmaatje al op weg naar de linie, waar hij gedoopt moest
worden in het groote zeil vol zeewater, of geschoren met het blikken
mes van den zeegod Neptunus.

Bovendien .... onze kleine Delftsche vluchteling had den naam
van zijn vader verzwegen. Dat kon toentertijd gemakkelijker gaan
dan nu. De meeste menschen toch hadden geen familienaam. Als je
vader Jan heette en je zelf óók al als Jan gedoopt was, werd-je bij
verschillende gelegenheden in de registers van de Kerk of het Stadhuis
ingeschreven als Jan Jansz., dat Jan Janszoon beteekende, en zelf
had-je je dan opgegeven als Jan Jansen--zoo sprak-je 't uit. Omdat er
wel honderdduizend Jannen in de Nederlanden waren, bestonden er een
ontzaglijke massa Jan Jansens'. Daar was geen uitzoeken aan. Daarom
begonnen de menschen te spreken van Jan Langejan of Kortejan of
Jongejan, of Jan Jansen van Neeltje Pieters, of Jan Jansen Kortneus of
Houtebeen of van 't Hoekje .... altemaal onderscheidingen om een beetje
den weg in die Jannenwereld te vinden. Zoo had men ook de wereld der
Pietersen, der Leunissen enzoovoort. Als de Justitie een Jan Pietersen
of een Pieter Jansen moest hebben, en er verder geen onderscheiding
bijzette, kon ze gerust de moeite sparen om den naam van dien persoon
op groote biljetten overal aan te plakken. Waarbij nog kwam, dat een
heeleboel menschen niet goed of in 't geheel niet lezen konden. De
meester, die door de weeks de kinderen op school leerde en nu en dan
afranselde met de plak, las die en andere biljetten 's Zondags, vóór
of na den dienst, aan de menschen voor, waaronder zich genoeg Jannen
en Pieten bevonden, maar de gezochte Jan of Piet gewoonlijk niet.

Men gevoelt nu, hoe men zich in die dagen beter kon verbergen dan
nu, zonder zijn naam te verdraaien. En dat had nu juist voor onzen
Delftschen vluchteling moeite kunnen opleveren omdat zijn vader wèl
een familienaam droeg. Naar alle waarschijnlijkheid heette die Van
der Wel. Juist omdat er zoo weinig familienamen bestonden, zou het
jonge kereltje dadelijk naar huis zijn gezonden, als hij verteld had,
dat hij Harpert van der Wel heette. De schipper zou gedacht hebben:
"Sakkerlijsjes, laat ik m'n handen niet branden! De meeste menschen,
die er een familienaam op na houden, zijn heeren, en voor die heeren
moet-je oppassen, want die kunnen bijten en leelijk ook!" Maar toen
de dreumes eenvoudig zei, dat hij Harpert en zijn vader Maerten
heette, zoodat de schipper hem als Harpert Maertensen kon aanspreken
of uitschelden ook, al naar het zoo uitviel,--toen dacht alweer die
schipper: "Nu ja--zoek maar uit! Er zijn meer Maertensen in ons land
dan ik gouden rijders aan mijn zeetochtje zal verdienen!"

De jongen werd aangenomen als koksmaat, kreeg een vaatdoek in z'n
handen om de pannen uit te vegen, een lap om het koper te poetsen,
een bezem om den boel wat te schrobben, en, als hij het niet goed
deed, dadelijk een lik om zijn ooren, want daar waren ze niet zuinig
mee aan boord. Was hij zoo dom om zeeziek te worden, dan werd hij in
den mast gestuurd met een bakje vet voor zijn borst gebonden om het
ijzerwerk wat in te smeren. Die ransige lucht van het vet, en vooral
harde arbeid, waren de twee beste middelen, die de schipper tegen de
zeeziekte in zijn medicijnkast had.

't Ging alles ruw en ongenadig toe aan boord van een schip. Wie er niet
tegen kon, ging dood, of liep weg in de eerste de beste haven. Wie er
doorrolde, en dat gebeurde met de meesten, werd een van die kloeke,
kantige zeerobben, waarvan men zei, dat ons land de beste onder alle
zeevarende volken opleverde.

Jongmaatje bleef altijd niet bij den pot zitten. Bij lange na niet,
hoor! 't Was niet heel den tijd eten en drinken aan boord! Dat ging
zoo tusschen de werkzaamheden door, en die werkzaamheden waren
vele. Jongmaatje moest ook geen kok worden, maar een zeeman. 't
Eene oogenblik zat hij zich in het zweet te poetsen op het koperen
beslag van een trapleuning. Het volgende zat hij in het topje van den
mast. Van duizeligheid mocht hij niet weten. Dan had hij maar bij
moeders pappot moeten blijven, of op zijn jongste zusje in de wieg
passen. Haast zei ik: met zijn zusjes naar de naaivrouw moeten gaan
om te leeren verstellen en breien er bij. Maar.... een zeemansjongen
moest ook zijn eigen spulletjes oplappen: knoopen aanzetten, gaten
in zijn kousen stoppen en den boel wasschen en drogen ook al. Kon
hij dat niet, dan moest hij het maar leeren. En zijn meester daarin
was een matroos met grove werkhanden, die er maar dadelijk meppen
mee uitdeelde, als de les niet gauw begrepen werd. En sapperloot, op
die manier leerde-je 't zoo gauw. Bij die manier van opvoeden kan het
ons heusch niet verwonderen, dat Harpert, die niet doodging en niet
wegliep, maar integendeel veel schik in zijn leven had, binnen korten
tijd opwies tot een flinken, gezonden zeemansjongen, die nog maar één
gebrek had, namelijk dat hij in 't bezit was van zoo'n lastigen naam.

Zeelui houden van kortheid. Een vrind die Cornelis heet en door
zijn moeder suikerzoet als Cor of Corretje wordt aangesproken,
heet aan boord in een ommezientje Kees; maar Harpert kun-je niet
verkorten. Daarom moest hij noodzakelijk een bijnaam hebben, en van
bijnamen houden de zeelui dolveel. Je moet bij hen erg oppassen,
of je krijgt er een, dien je voor heel je leven met je mee door de
wereld draagt. En in dit geval zorgde Harpert er zelf voor, natuurlijk
zonder dat hij er erg in had.

De jongen hield dolveel van muziek. Nu, daar heeft men aan boord
geen hekel aan. Tegenwoordig kan men nog dikwijls hooren, hoe een
schippertje op z'n schuit gezeten de tonen van een harmonica in een
wondermooi gedragen geluid over het water uitzendt. Harpert nu had een
ander muziekinstrument, een trompetje, of, zooals men toen zei, een
trompje. Niet een prachtstuk, maar ik denk zoo'n soort eigengemaakt
dingetje als je nog wel eens hoort bespelen door den maat van een
kermisman, die met den doedelzak rondloopt. 't Is een scherp, mager,
ietwat neusachtig geluid, dat het voortbrengt, goed passend bij het
gezoem van den doedelzak.

Harpert zat er op te blazen, zoo dikwijls hij er even de kans
schoon toe zag. Dit kwam niet dikwijls voor, zoolang het water van
de Noordsche zeeën om zijn schuit spoelde. Maar toen men gekomen was
in de streken van den passaatwind, die altijd éénen kant uitwaait en
het scheepje als slapende voortdrijft, ja, toen kwamen er langere
poozen van rust, vooral 's nachts op de hondenwacht als er niets
viel te doen, en boven het schip zich een sterrenhemel uitspreidde,
gelijk Harpert nog nooit had aanschouwd. Dan knerpte z'n trompje van
allerlei deuntjes, dikwijls door de hersens der matrozen heen. En de
een of ander, die de wacht te kooi had, was er wakker van geworden,
en had gebromd wat hij nu toch voor een gejank hoorde. Een maat,
die door zijn gebrom uit den dut was geschrokken, luisterde even,
en, zich op de andere zij wentelend om weer heerlijk te slapen, zei
hij onverschillig weg: "O, dat's die trompert weer!" en snorkte in
't volgende oogenblik wederom zijn eigen liedje.

Zoo kreeg Harpert den bijnaam van Trompert, of, omdat dit nòg te lang
was, van Tromp--een naam die beroemd zou worden over de zee en over
de landen van Europa. Maar dat kon het jonge matroosje niet weten,
die daar, half liggend en leunend tegen 't een of ander wat hem
steunen kon, z'n oogen naar den hemel vol Oosterschen gloed en rond
hem het stille geruisch der slapende zee, met de vingers beurtelings de
gaatjes van zijn trompje dekkend en ontdekkend, door die wonderwereld
de liedjes deed klagen van het verre vaderland....

Hoe gaarne zouden wij u van de avonturen, welke Harpert Tromp in zijn
jeugd ondervonden heeft, een omstandig verhaal willen doen. Doch er
is ons niets van bekend. We moeten hem voor vele jaren uit het oog
verliezen, tot we hem terugvinden in Den Briel en wel als kapitein
van een klein oorlogsschip, dat met de haringbuizen mee moest zeilen
om die zooveel mogelijk tegen den overval van vijandelijke schepen te
beschermen. Daarom werd zijn vaartuig, dat dus de buizen begeleidde, of
gelijk men toen zei "convoyeerde", zeer eigenaardig een buis-convoyer
genoemd. Den Briel had toen tal van die buizen in zee. De visschers
moesten heel en al naar de kusten van Schotland zeilen. Maar hoe ver
zij ook gingen, onze venijnigste en meest geduchte vijanden wisten hen
wel op te zoeken. Dat waren de onbarmhartige en gevreesde Duinkerker
kapers. Daarover moeten we het nog zoo dikwijls hebben, dat we er
nu het zwijgen maar toe doen. Het zij genoeg hier als onze meening
mede te deelen, dat het een gevaarlijk baantje was kapitein op zoo'n
buis-convoyer te zijn. En nu moet ge door dat woord kapitein geen te
hoog idee van dat baantje krijgen. Ten minste Harperts vrouw zocht
er in die dagen nog wat bij te verdienen, en wel door het wasschen
en stijven van het goed der zeelui, nu eens op een betere wijze dan
de mannen dat op een lange vaart aan boord van het schip zelf konden
doen. Aan land waren zij ook wat meer branie. Ten minste er wordt
medegedeeld, dat de vrouw van den kapitein de kragen steef, welke
de maats wel aan wal, maar zeker niet op zee droegen. Daar ging het
maar met een boezeroen of een rood baaitje, dat los om het lichaam
hing en gewoonlijk de bruin gebrande borst bloot liet.

Uit het voorgaande vernemen we meteen, dat Harpert in Den Briel
getrouwd was. Den 29sten Juni van het jaar 1597 was hij met zijn
aanstaande naar een der Brielsche predikanten gegaan en had dien
medegedeeld, dat hij voornemens was een wettig huwelijk aan te
gaan. De dominee had de veeren pen in den ronden, tinnen inktkoker
gedoopt en gezegd: "Dat 's goed, dat 's best--En nu moet je me eens
precies zeggen, hoe jelui heeten." Toen had de zeeman niet gezegd
dat hij Harpert Tromp heette, want aan een bijnaam of scheldnaam
heeft men toch eigenlijk een hekel. Neen, hij zei dat z'n naam was
Harpert Maertenszoon. Misschien heeft hij er wel bijgevoegd: Van der
Wel, maar dan heeft de dominee het toch niet opgeteekend, gelijk dat
weglaten van een familienaam meer geschiedde. Verder verklaarde hij,
dat hij nog niet getrouwd was geweest, dus een "jonckgeselle" was en
van Delft afkomstig. Zijn aanstaande vrouw heette Jannetje Barents
(de dominee schreef Jannetgen Barens), was al getrouwd geweest en
dus een weduwe en wel van Cornelis Eeuwoutszoon, en beiden waren nu
wonende in Den Briel. Hoe die dominee dat alles opschreef, ziet ge
in den hierbij gevoegden afdruk uit het toenmalige Trouwboek van Den
Briel, terwijl ge op zij leest wanneer de geboden gehouden werden,
en dat het jonge paar den 13den Juli 1597 trouwde.

En nu moet gij met de meeste aandacht den volgenden afdruk eens
aankijken. Er moest bijna een jaar verloopen, eer het ook door
denzelfden dominee neergeschreven werd, want gelijk gij ziet, is het
sprekend hetzelfde schrift. Maar niet in hetzelfde register werd dit
neergesteld. Het was in het Doopregister, dat, evenals het Trouwboek,
niet op 't Stadhuis, zooals tegenwoordig, maar door den dominee
bijgehouden werd. Het vertelt, dat den 3den Mei van 't jaar 1598 een
"knechtgen"--zei men toenmaals--gedoopt werd, het eerste kind--en
wel een zoon--van den kapitein van den Brielschen buis-convoyer. Er
staat letterlijk: "het kindt van Herpert Maertenszoon, ende Jannetgen
Barents", daarna worden genoemd de personen, die als doopgetuigen de
plechtigheid bijwoonden: "Getuijghen Lambrecht Maertenszoon, Jochum
Corneliszoon ende Machtelt Maertens." En dan volgt er, even eenvoudig
als dat van alle kinderen gemeld werd: "Het kint heet Maerten."

Er staat in onzen afdruk een streepje onder dien naam. Dat stond er
oorspronkelijk niet. Met potlood is er dat pas in onzen tijd onder
gezet. De dominee, die plechtig de woorden van het doopformulier
uitsprak, kon toch niet vermoeden, dat de naam Maerten, die thans
door de gewelven der wijde Sint-Catharinakerk in lang uitgehaalden
weergalm herhaald werd, eenmaal in glorie langs de zeeën zou gaan,
en door onze geschiedenis zou blijven weerklinken als die van den
Schepper van het over de gansche aarde befaamde Nederlandsche zeewezen
der groote 17de eeuw.

Ach, het moet maar een eenvoudig huisje zijn geweest, waar onze
onsterfelijke zeeheld geboren is. Het bestaat niet meer. Schande
voor Den Briel, dat men dit gebouwtje niet tot voor de verste tijden
gehandhaafd heeft, zooals men dit in Zaandam deed met het Czaar-Peter
huisje. Het heeft gestaan dicht bij het onaanzienlijk gebouwtje,
waarvan wij hierbij een afbeelding geven, en wel een eindje rechts
daarvan. Door den ouderdom vervallen, en niet beschermd door den
eerbied, dien de Brielsche regeering aan den grootsten Briellenaar
verschuldigd was, is het niet bestand gebleven tegen de stormen. Nog
tegen het einde der 18e eeuw bestond het. Toen werd het door een hoos
omvergeworpen, en de plaats ervan is niet meer kenbaar. Nu verheft
zich daar de achtermuur van het logement "De Nymph". Dit logement
zelf is in de jaren, toen het den grooten zeeheld voor den wind ging,
zijn eigendom geworden. Men beweert dit althans, en in het plafond
vindt men nog overal de lelie, die hij van den Koning van Frankrijk
in zijn wapen gekregen had. Maar treffender zouden wij het vinden,
indien wij een klein, onaanzienlijk huisje den vreemdeling konden
wijzen, den Engelschman die van zijn Nelson, den Franschman die van
zijn Duquesne of d'Estrée spreekt, om dan te zeggen:

"Hier werd een van Neerlands grootste zonen geboren, en zijn naam
was Maerten Harpertszoon Tromp."



TWEEDE HOOFDSTUK.

DE JEUGD VAN MAERTEN HARPERTSZ. TROMP.


"In den jare 1598"--aldus sprak ruim een halve eeuw later een
Leidsch Hoogleeraar--"heeft den Briel, de uyterste Stadt van Hollandt
(alwaer de Mase door den Rhijn vergroot zijnde, met een wijde mondt
in de Noordt-zee vloeyt) Marten Harpersz. Tromp, voester-Kindt van de
Zee-Mars voortgebracht; onsen Bevelhebber heeft sijn gheboorteplaets
soo na bij de Zee moeten hebben, omdat hij door sijn gebiet dat
woeste Element ter bequamer tijt soude temmen. In die plaets heeft
de Beschermer van de vrijheyt der Zee moeten gebooren werden, daer
de eerste fundamenten van onse vrijheydt geleyt zijn."

Zoo kon deze geleerde, die professor Thysius heette, gemakkelijk
spreken, toen hem het geheele leven van den zeeheld bekend was. De
menschen evenwel, die in de laatste jaren der 16e en de eerste
jaren der 17e eeuw in Den Briel leefden, konden natuurlijk niet
weten wat een merkwaardig kindje in een der achterbuurten van hun
stad geboren was en opgroeide. Wat zouden wij anders, tot in de
kleinste bijzonderheden toe, van zijn jeugd en van het leven zijner
ouders afweten! En bovendien, wat zouden zij hun best gedaan hebben,
om zijn leven gelukkig en het pad, dat hij door het leven gaan zou,
effen te maken.

En juist dat laatste zou glad verkeerd zijn geweest.

Maerten is een groot man geworden, juist omdat hij zoo'n geweldig
harde jeugd gehad heeft, juist omdat hij, door schier onoverkomelijke
moeilijkheden heen, zich met een al kloeker wordend hart een weg
heeft moeten breken en banen.

Dat kunnen wij op onze beurt ook gemakkelijk zeggen, omdat insgelijks
voor ons het leven van den zeeheld geheel voor de oogen ligt. Maar dat
neemt niet weg, dat het de waarheid is, en er daarom een groote troost
in ligt voor ieder jong menschenkind, dat tobben moet om er te komen.

"Houdt goeden moed!" dat is het levens- maar ook het stervenswoord
van den grooten zeeheld geweest, een woord nòg van kracht voor
ieder jong menschenkind dat de taal van Maerten Harpertsz. Tromp
spreekt. Maar dan mag geen Nederlandsche jongen en geen Nederlandsch
meisje ooit vergeten, dat deze zeemanszoon, in leed en voorspoed,
onder omstandigheden zoo ellendig, dat de meesten er onder bezwijken
zouden, en evenzoo onder het vreugde-gelui der torenklokken en het
branden van pektonnen te zijner eere--een vroom en nederig gemoed
bezat, den zegen van zijn stervenden vader meevoerde door de harde
slavernij zijner jongensjaren, en grenzenloos een moeder liefhad,
die hem eenmaal noemde de eenige troost van haar oude jaren.

Wij hebben verteld van de jeugd zijns vaders; dat kunnen wij niet doen
van die zijner moeder. Maar die schade halen wij wel in, omdat wij in
het leven van den zeeheld nog telkens en telkens weer op dat goede,
eenvoudige vrouwtje moeten terugkomen. Door zijn heldenleven, vol
gebruis van de zee en gegrom van kanonnen, komt soms geheel onverwacht
het vriendelijke gelaat van dat moedertje opglanzen. Voor haar is hij,
hoe hoog hij ook opklom, niets anders gebleven dan haar jongen, om
wiens tegenspoeden zij veel geweend had... maar om hem zèlf geweend,
neen, dat had zij nooit.

Het is een hard lot de vrouw van een zeeman te zijn. Dat was het in
die dagen dubbel. Oorlog was het, wáár zich een Nederlandsch schip ook
heenwendde, oorlog met de Spanjaarden, oorlog met de vele zeeroovers,
die zelfs den wijden plas onveilig maakten. En als men dan een zoontje
had, was het lot nog harder. Toen het knaapje grooter werd, wat deed
het anders dan naar het Maarland afdwalen, de plaats waar de meeste der
Brielsche zeeleepers woonden, en waar, binnen de havens, de schepen
aankwamen of wegvoeren, waar altijd een trek was naar de zee. Daar
was hij al spoedig op vaders schip, en de matrozen hadden schik in
den kleinen kleuter, die amper op zijn beenen kon staan en reeds naar
boven keek, alsof hij nu al vond niet hoog genoeg boven de breede
kaaien te zijn. En als 's avonds zijn vader, die zwaar gebouwde man,
bij den haard zat--wat een vreemd, wonderlijk gezicht: of er opeens
een heel stuk van de wijde wereld in moeders vreedzaam huisje was
neergetuimeld!--dan hoorde de kleine Maerten met wijdgeopende oogen
naar al die wonderlijke verhalen van de groote zee. Vader had moeten
zien, hoe hij al scheepjes kon teekenen, en die zei, dat hier een zeil
niet goed zat, en dat de wimpel van den grooten mast een heel andere
richting uitwoei dan het geusje op den boegspriet, en dat was toch wat
al te erg voor een zeemanszoon. Zeemanszoon.... dàt was het, wat vader
zoo met trots kon uitspreken, wat moeder zoo aarzelend kon nazeggen als
het hoofd van haar jongen heel en al vervuld was van booten en zeilen;
dat was het, wat de jeugd van Maerten Harpertsz. Tromp kenmerkte. En
daarin lag ook de oorzaak, dat slechts een klein gedeelte van zijn
jeugd aan wal werd doorgebracht, en voor verreweg het grootste deel
op de zee, ja, op alle zeeën der toenmalige wereld.

Het was den kapitein van den buis-convoyer ten slotte toch niet slecht
gegaan in Den Briel, toenmaals een bloeiende zeeplaats. Want toen
hij in 't jaar 1606 naar Rotterdam vertrok, had hij aldaar een huis
kunnen koopen, dat gelegen was nabij de Gapers-, later de Beursbrug
geheeten. Den 15den Februari van dat jaar was de koop er doorgegaan,
en 't is zeker, dat hij in April al met zijn huisgezin in Rotterdam
woonde. Maerten was toen acht jaar geworden. Reeds op dien leeftijd
ging het kind naar zee.

Het was toch kort voor zijn negenden verjaardag, tegen April van het
jaar 1607, dat zijn vader hem meenam op zijn schip. En niet op een
uitstapje om eens met de zeelucht en het groene water kennis te maken,
maar op een tocht, welke een der grootste ondernemingen van dien tijd
zou zijn: den tocht naar Gibraltar. Daar zou het niet zijn om vijgen
of wijn te koopen, maar daar zouden de kogels fluiten, daar zouden de
zeelieden die opgerezen waren uit onze haringvisschers, daar zouden de
jongens van Willem Beukelszoon bewijzen, dat ze Janmaat gingen worden.

Het schijnt ons haast barbaarsch toe, om een kind van dien leeftijd
op zulk een tocht mee te nemen. De kloeke Harpert, die zielsveel
van zijn kind hield, oordeelde daar anders over, het jongetje zelf
zag zijn verlangen vervuld, en de moeder...? Als een dochter uit ons
Heldentijdperk mocht zij met vochtige oogen afscheid nemen van haar
kind, zij geloofde vastelijk, dat God het aldus voorbeschikt had en
dat noch haar man noch haar kind sterven zou, vóór het vastgestelde
oogenblik daartoe aangebroken was.

Wij spraken daar van den "Tocht naar Gibraltar." Zoo kunnen wij
dien noemen, die met den afloop bekend zijn. Het plan was, om naar
de kust van Portugal te varen, en daar het uitzeilen van een vloot
te verhinderen. Het was daartoe, dat Harpert met eenige andere
Rotterdamsche schepen onder den commandeur Moy Lambert de Maas
uitzeilde, om zich te voegen bij de vloot, die reeds van Texel naar
het eiland Wight gevaren was. Het laatst wat van het vaderland voor
den jeugdigen Maerten hoog boven de geel-grauwe duinen oprees, was
de toren van zijn geboorteplaats, de machtige Heerscher aan den Mond
der Maas. Geen jongen die voor het eerst naar zee gaat, wiens blikken
niet even en als tersluiks afdwalen naar het deinzende strand. Wat
er dan, zelfs in het hoofd van den onverschilligsten boy, gedacht
wordt, wie zal het zeggen? Maar zeker is het, dat zelfs de grijze
Sint-Catharinatoren, die zooveel gezien heeft op de verraderlijke
groene golven der Noordzee, bij het afscheid aan dezen kajuitsjongen
niet voorspeld zou kunnen hebben, dat een dertigtal jaren later al
zijn klokken zouden trillen in welkomstgroet voor den grooten admiraal,
die voor het kleine Nederland de heerschappij ter zee bevochten had.

Uit de geschiedenis kent men wel den zeeslag bij Gibraltar, waar Jacob
van Heemskerck, dezelfde, die een tiental jaren vroeger met Willem
Barendtsz de vreeselijke Overwintering op Nova-Zembla had doorgemaakt,
het leven liet, maar waar de onzen een zege bevochten, waarvan de
tijding zich langs de kusten der Middellandsche zee verspreidde. Bij de
volkeren toch, die aan deze zee woonden, stond de Spaansche zeemacht
als de geduchtste der aarde bekend. En als men nu weet, dat onder die
volkeren zoowel de toenmaals zoo gevreesde Turken, als de zeeroovers
der Noordelijke staten van Afrika, de dusgenaamde Rifpiraten behoorden,
zal men kunnen nagaan van welk een beteekenis het verspreiden dezer
mare was. Vóór dien tijd duldde bijvoorbeeld de Sultan van Turkije onze
vlag niet in zijn wateren, en om er toch te komen--want nergens bleven
onze jongens vandaan!--hadden we van den Franschen Koning Hendrik IV
het recht verkregen zijn vlag te voeren. Nu echter zou onze driekleur
zich vrij ontplooien bij die volkeren, die met heimelijke vreugde
vernamen, hoe de Spaansche zeemacht een leelijken knak gekregen had
door die duivelsche Jantjes uit het Noorden.

Bij dezen zeeslag, waar door de Jantjes met een onbegrijpelijke
stoutmoedigheid en door de Spanjaarden met een groote verbittering
gevochten werd, zoodat men soms bij het omslaan der booten nog in het
water den vijand te lijf ging, was onze kleine Maerten tegenwoordig. Op
zulk een wijze leerde hij voor het eerst onzen aartsvijand kennen. Na
zulk een victorie zag hij de driekleur omhoog gaan, al moest zij
weer dalen als teeken van rouw voor den admiraal, die zijn leven
geofferd had voor het kleine vaderland. Zoo, met de overwinnaars,
kwam de kleuter in dat vaderland terug, en bij zijn moeder.

Het was er verre van, dat zulk een ruwe ervaring haar kind zou
afgeschrikt hebben van de zee. Het tegengestelde was het geval. En het
was met welgevallen, dat Harpert zijn jongen weer mede nam en telkens
weer mede nam. Dat varen bracht ook welvaart mee. Wat alweer goed van
pas kwam, omdat het huisgezin grooter werd. Maerten was het eenige kind
niet meer, al bleef hij de eenige jongen. En voor zijn zusjes werd hij
"de groote broer", tegen wien zij al op begonnen te zien. Maar hij
zelf zag op tegen zijn vader, die een zeeman uit duizenden van zijn
jongen maken wilde, en hem daartoe niet spaarde, maar hem, volgens
getuigenis uit die dagen, in alles onderwees wat tot zijn geliefd
vak behoorde. Niet alleen was hem bij Gibraltar de "Scheepsoorlogh"
geleerd, maar hij heeft, volgens een tijdgenoot, "de raddigheyd van
sijn Lichaem ende leden gheoeffent" en "na dat sijn kindtsheydt konde
begrijpen, bij de Scheepstouwen tot in de opperste marsch te klimmen,
ende vandaer als van een toorn over de onmeetbare zee uyt te sien,
de vlaggen met een uytnemende gauwigheydt af te halen was hem sijn
eerste kinderwerck: dan heeft hij eerst de deelen ende het gebruyk
van allerley Scheepen ende Scheepsgereetschap van buyten geleert,
ende met een driftigen ganck (op sijn Schippers) yders dienst waer
genomen. Hij heeft hem (zich) dan soo aan de Zee gewent, datter hem
verdrietigh was aan Landt te sijn. Hij heeft grouwelycke stormen ofte
Schip-breucken niet gevreest, maer het soute water, daer hij dickwils
van nat is geweest, heeft hem versterckt."

Twee jaren na den geduchten zeeslag bij Gibraltar werd er met Spanje
een wapenstilstand gesloten voor den tijd van twaalf jaar. En
uit was het voordeelig leventje van de oorlogs-kapiteins en hun
bootsgezellen. Zooveel als men maar eenigszins missen kon, werden
ontslagen. Van die bootsgezellen hadden er velen geen lust in, om weer
visscher te worden. Ze gingen over bij de koopvaardij, en de ruwsten en
ongebondensten zochten het avontuurlijke leven van de vrije vaart op,
dat ze ruimschoots vonden bij de beruchte zeeroovers van dien tijd,
van wie de naam van Simon den Danser ons als goed Nederlandsch in
de ooren klinkt. Harpert werd ook uit 's lands dienst ontslagen,
en voer weldra met een "eigen geladen" koopvaardijschip het zeegat
uit, waaruit blijkt, dat 's lands dienst voor den dapperen man zeer
voordeelig was geweest.

Het spreekt vanzelf, dat de nu elfjarige kajuitsjongen van dien
koopvaarder niemand anders dan Maerten was. Dat nieuwe leven zou
vader hem ook weer inleiden. Wat kon die vader al niet in het oog
van zijn kind! En nu zou het gaan naar de negertjes, heel en al
naar de kust van Guinea. Daar was het wel heel gevaarlijk, omdat de
blanken er als ratten aan de moeraskoorts stierven, en de zee was
daar bovendien onveilig ook door zeeroovers, maar... daarom juist was
er een bijzonder voordeelige handel te drijven voor de lui, die moed
en durf hadden. En och ja, wat bekommerde Maerten zich om koortsen
of zeeroovers! Wat al moois zou hij voor zijn moeder en voor zijn
zusjes meebrengen van zulk een verren tocht, en wat zou hij van zulk
een tocht kunnen opsnijden tegen zijn maats aan wal!

Toen werd er van moeder en zusjes afscheid genomen. Vaarwel! klonk
het, en met dat oude, echt Nederlandsche afscheidswoord, ging het
wederom de wijde wereld in.



DERDE HOOFDSTUK.

ONDER DE ZEEROOVERS.


Dat er in de dagen, toen Harpert Tromp met zijn "eigen geladen
Koopschip" naar de kust van Guinea onder zeil ging, meer zeeroovers
in den Atlantischen Oceaan rondzwierven dan gewoonlijk, was voor een
niet gering deel veroorzaakt door de groote afrekening welke omstreeks
dezen tijd de Franschen met de al lastiger wordende zeeschuimers in de
Middellandsche zee gehouden hadden. Niet alleen had Frankrijk groote
schade geleden door hun overmoed, maar ook door de nieuwe manier van
zeilen, welke de Rifpiraten van de zeelieden uit het Noorden begonnen
te leeren. "Het was zorgelijk," zegt een geschiedschrijver dier dagen,
"dat de Christenen aan de Turken de manier leerden van schepen te
regeeren met kruis-zeilen," terwijl het even zorgelijk werd geacht,
dat zij hun het gebruik leerden kennen der vliebooten, terwijl men in
de Middellandsche zee slechts gewoon was met galeiën en brigantijnen
ten oorlog te varen.

Het gevolg van deze afstraffing was geweest, dat een deel der
zeerooversschepen verbrand, maar daarentegen een ander deel her-
en derwaarts verspreid was.

Toch waren deze zeeroovers niet het meest te vreezen voor een Noordsch
koopvaarder. Er voer nog een heel wat gevaarlijker soort Vrijbuiters
langs de zee.

In dien tijd toch, lag er niet zulk een groote afstand tusschen
kaper en zeeroover. Wanneer men met een ander volk op voet van oorlog
leefde, rustte men kapers uit, die niet alleen de vijandelijke kusten
verontrustten, maar ook de visscherij trachtten te verhinderen, en
zooveel als mogelijk was de schepen opvingen, die van en naar het land
des vijands onder zeil waren. Maar een zeeroover verklaarde àlles wat
hem tegenkwam voor vrij buit en gehoorzaamde alleen aan een opperhoofd,
die daartoe gekozen was of zich zelven opgeworpen had. Het bootsvolk,
in het ruwe en vrije leven van de kaapvaart opgegroeid, zag uit den
aard der zaak dit eenigszins fijne onderscheid tusschen kaper en
zeeroover niet zoo helder in. 't Had óók wel eens genomen, wat het
eigenlijk niet mocht aanraken. Werd een kaper gesnapt, dan werd hij
over boord gegooid, en een zeeroover werd aan de ra opgeknoopt; maar
het omgekeerde had ook wel plaats. Nu, verdrinken of opknoopen... dat
was toch eigenlijk zusje en broertje, en voor sterven waren geen van
die ruwe klanten erg benauwd. Het kan ons daarom niet verwonderen,
dat, toen de wapenstilstand met Spanje gesloten was, vele zeerobben,
zoowel Nederlandsche als Spaansche, en niet minder van andere natiën,
liever als zeeroover een wel gevaarlijk maar voordeelig en ongebonden
leventje gingen leiden, dan op een andere meer moeilijke en verbonden
manier aan den kost te moeten komen. Ook moet men niet denken, dat het
alleen kleine luiden waren, die onder de zwarte vlag gingen varen. De
geschiedenis verhaalt onder meer van eenen Sir Francis Verney, "die in
korten tijd in Engeland wel driemaal honderdduizend gulden doorgebracht
had van zijn ouderlijk erfgoed," en toen niet als de Verloren Zoon
tot berouw en inkeering kwam, maar zich bij de zeeroovers voegde. Het
zal nu ook duidelijk zijn, dat dit soort zeeroovers, die in de kunst
van de zeevaart en het oorlog-voeren door en door thuis waren, veel
gevaarlijker was dan het ander soortje, hetwelk in Algiers, Tunis of
Marokko thuishoorde. Het meeste van dit goedje nu, blank of bruin,
schuimde gewoonlijk de Middellandsche zee af, waar het wemelde van
rijkgeladen koopvaardijschepen.

Harpert had daarom wel mogen wenschen, dat de Franschen hun afstraffing
nog een poosje uitgesteld hadden, dan zou hij vermoedelijk niet op de
hoogte van Cabo Verde een Engelsch zeeroover ontmoet hebben. Nu was
zijn bodem, hoewel een koopvaardijschip, welbewapend; dat kon in die
dagen niet anders. Vandaar dat men dikwijls hoort van de versterking
eener oorlogsvloot door koopvaardijschepen. Ook waren hij en zijn
mannen met de wapenen volkomen vertrouwd. Maar hoe dapper hij ook
mocht zijn, welk een ervaring hij van een scheepsstrijd mocht hebben,
tegen de overmacht van dezen zeeroover was hij niet opgewassen. Wie
gevoelde dat spoediger dan hij, die door vele jaren van ervaring de
kansen van den oorlog ter zee had leeren overzien?

Doch zich op genade of ongenade overgeven.... dàt had De Lange niet
gedaan op de Zeeuwsche stroomen en evenmin had dat Reinier Claeszen
gedaan in de Spaansche zee; dat dééd geen kind van het volk, dat nog
zoolang niet geleden geworsteld had met den man zonder genade, den
hertog van Alva. Tartend en uitdagend, als in de dagen der Geuzen, als
in de dagen van Alkmaar en Leiden, ging aan boord van schipper Harpert
de driekleur omhoog. En, zijn kind naast zich, stond daar kalm en kloek
de man, tot wien thans allen opzagen, omdat hij voor al die rappe maats
"den ouwe" was, die geen angst mocht hebben; kalm en kloek stond daar,
in volle levenskracht, de Nederlander, wiens stervensure gekomen was.

Maar vader, die alles kon en vermocht, vader, die zoo zelfbewust
overal den blik liet gaan en allen door woord en daad bezielde,
zou het er thans ook wel doorhalen. Zoo dacht de kajuitsjongen,
die streed bij en onder het oog van den afgod zijner jongensjaren.

"Blijf hier bij me, m'n jongen!" had vader gezegd, en hij had hem
aangekeken, even maar, met een blik, waarin zijn ziel lag.

Vreeselijke, bange oogenblikken waren gekomen. De roovers hadden
vaders schip geënterd en het was hun gelukt over te springen. Kreten,
aanmoedigingen en vervloekingen, vroolijke kwinkslagen van den altijd
opgeruimden zeeman en gekerm van gewonden--dat alles werd nog steeds
beheerscht door die eene kalme stem. En zoolang die stem nog weerklonk
en bemoedigde en bezielde,.... zoolang de schipper nog stond op zijn
post, kon niemand den moed verloren geven.

En strijdend al zijn best, worstelt de kajuitsjongen met de roovers,
die het vooral begrepen hebben op die ééne plaats, waar de schipper
zich bevindt. Met hooggekleurde wangen doet hij zijn plicht, dien
hij geleerd heeft van Gibraltar af door zooveel gevechten heen,
telkens even opziende tot dien grooten, zwaren man, hem telkens even
toesprekende of aanrakende, als om kracht en moed en vooral hoop te
behouden, hoop op een zegepraal....

Daar zinkt een zwaar lichaam neer op de met bloed bevlekte planken. Een
kreet van "Vader, Vader!" een druk van de hand als ten afscheid voor
altoos, een laatsten blik op zijn kind, dat hij niet meer beschermen
kan; een schor geluid, misschien een vaarwel, of een aanbeveling van
zijn kind aan Gods eeuwige barmhartigheid.... dan verslapt de hand
en de trouwhartige oogen breken. En nu.... niet in klagen breekt de
arme jongen uit. Maar zijn oogen flikkeren; en het zwaard oprapend,
dat den gestorven held ontvallen is, roept hij zijn maats toe, die
bij het sneuvelen van den schipper terugdeinsden:

"Lafaards!.... zul-je m'n vader niet wreken?"

Al verstikken nu tranen zijn stem en ziet hij alles als door een nevel
heen, hij werpt zich op de roovers, één ding biddende en hopende:
te sterven voor zijn armen vermoorden vader.

Arm kind, wat vermocht hij tegen zulk een overmacht! Op zijn
wanhoopskreet waren de enkelen, die overgebleven waren van de
dappere bemanning, toegesneld, om weldra bloedend neer te zinken op
het dek, of, ontwapend, zich overgegeven te zien aan de genade van
den overwinnaar.

En de arme Maerten?

Als spelenderwijze had men hem zijn wapen ontrukt en hem, gebonden of
op een andere wijze onschadelijk gemaakt, hier of daar heengeschopt,
om over het welp van den leeuw het oordeel van den hoofdman te
hooren. Met het bloed van een kind bevlekte zelfs de ruwste dier
mannen zich niet graag. In verordeningen uit deze dagen, en wel
voor onze matrozen in den worstelstrijd op leven en dood met de
Duinkerker kapers, vindt men wel degelijk een dergelijke bepaling,
b.v., dat men allen de voeten moest spoelen, behalve dezen en genen,
en daaronder de scheepsjongens. Is het daarom, dat de hoofdman het
ook na de victorie niet over zich verkrijgen kon den elfjarigen knaap
over boord te werpen? Of was het in driesten overmoed, dat hij zich
tot voetveeg uitkoos het kind, wiens vader hij vermoord had, het welp
van den leeuw? Wie zal het zeggen! Maar zeker is het, dat het kind
niets vuriger verlangde dan te sterven, dan naast zijn vader neer te
zinken in het groote matrozengraf.

Zoo werd Maerten Harpertsz. Tromp de slaaf van den zeeroover.

En bij dien zeeroover schijnt hij een alles behalve aangenaam leven
gehad te hebben. "Ende desen onsen Heldt, elf jaren oudt zijnde"--aldus
zegt een tijdgenoot--"(werd) in nauwe ende geweldighe gevanckenisse
overgelevert."

Die arme Maerten! Hoe zou hij ook een oogenblik van den dag hebben
kunnen vergeten, dat hij den man dienen moest, die de moordenaar van
zijn vader was?....

In latere jaren schijnt hij nooit gaarne over dezen tijd gesproken te
hebben. Professor Thysius toch, die niets vergat wat den held beter
deed uitkomen of meer het medegevoel kon opwekken, en daartoe een
grondig onderzoek zal ingesteld hebben, wist niets anders te vertellen,
dan van "de nauwe ende geweldighe gevanckenis," "Maar,"--voegt hij er
bij--"veel sijnder in de vrijheyt dienstbaer; sommige, welckers gemoet
vierigh is, sijn selfs in hechtenisse vrij; Edele verstanden sijn
de fortuyn ontwassen ende werden door hare deughden opgerecht. Sijn
gemoet was selfs in 't begin van sijne kindtsheydt standvastigh en
achte de saeken, die hem tegen gingen, weynig."

Nu kan men dit alles gemakkelijk zeggen, wanneer men spreekt over de
jeugd van een man, die een wereldberoemden naam verworven heeft. Men
heeft dan reeds op de aarde de oplossing van het sprookje gezien, en
men beschouwt zulk een treurigen tijd in het leven als een oefenschool,
als een tijdperk van beproeving, waaruit de sterkere als overwinnaar
te voorschijn komt, doch waarin de zwakke ondergaat. Van dien zwakke
hoort men dan ook gewoonlijk niet.

Maar--een kind van elf jaar te zijn, en zelf zulk een harden tijd te
doorleven, zonder hoop dat het ooit anders zal worden!....

Maerten Harpertszoon Tromp is een van de beminnelijkste menschen
geweest, van wie de geschiedenis gewag maakt. Altijd vriendelijk,
hulpvaardig, voorkomend, en dat vooral voor zijn minderen. "Bestevaer",
hebben later zijn matrozen hem genoemd, en hij noemde hen zijn
"kinderen". Van niet tot iet gekomen, vergat hij zijn vroegere
standgenooten niet, en, waar hij kon, maakte hij hun lot beter of
ten minste draaglijk. Moeten we juist niet in de harde slavernij,
waarin hij als kind geleefd heeft, de oorzaak hiervan zoeken?

Maar dan blijft het toch een raadsel, waarom hij onder dat harde lot,
hoe jong hij ook was, standvastig is gebleven, waarom zijn hart niet
verbitterd is, zijn arm kinderhart, zoo ruw verscheurd door zulk een
moord, als onder zijn oogen geschied was. Bedenken we wel, hoe er voor
hem aan geen uitkomst te denken viel. Want met den roover zwierf hij
langs alle zeeën der toenmalig bekende wereld. Hoor, hoe een tijdgenoot
dat mededeelt: "Met dese Engelse Rovers heeft hij twee Jaeren lanck de
zee aan allen oorden doorwandelt, ende is gelijck als een vreemt Gesel
van de gheheele Wereldt jae een inboorlingh geweest. Hij heeft hem
(= zich) nergens ter neder ghestelt maer dwalende altijdt, ende met
sijne Zee geweest driftigh, als nu aen 't Oosten, dan aen 't Westen,
des Sons opganck ende onderganck volghende, dan heeft hij onder de
linie de groote hitte, dan de afgrijselycke ende felle koude om den
noordt geleden, dan met de tempeesten van de woedende zee gestreden,
ende uyt een kleyn wolckjen vreeslycke stormen weten te voorsegghen;
nochtans is hij in een tegenstrevende fortuyn altijt manhaftigh en
gerust geweest."

Manhaftig en gerust... de kleine scheepsjongen onder die ruwe en woeste
gezellen; het vaderlooze jongske onder die mannen van bloed en geweld,
wier ruw-ronde hartelijkheid, indien zij hem die mochten betoonen,
hem een gruwel moest zijn, omdat hij zijn vader niet vergeten kon
en mocht; de kleine Nederlandsche knaap onder de Engelschen, die hem
plaagden met het kikkerland van Jantje Kaas, waaruit misschien goede
boeren, maar toch eigenlijk geen able seamen voor den dag konden komen?

Wordt u het raadsel, waarom Maerten onder al die kwellingen manhaftig
en bovenal rustig kon blijven, nog niet duisterder?

Toch--zoek de oplossing niet verre. Noemde ook niet deze Nederlander
de taal, welke hij niet meer hoorde spreken.... zijn moedertaal?

Het is bij de groote liefde, die Maerten Harpertsz. Tromp altijd
zijn moeder toegedragen heeft, buiten eenigen twijfel, dat de hoop om
nog eenmaal zijn lieve moeder weder te zien, den armen jongen heeft
staande gehouden.

Hoe dikwijls zal hij aan haar gedacht hebben in de bange jaren der
slavernij! Ginder in het nevelige Noorden lag het kleine vaderland,
en dáár, dat wist hij, werd ten minste door één wezen zijn naam nooit
vergeten. Wat zou zij angstig zijn om het lot van man en kind. O,
als hij maar even in haar oor had kunnen fluisteren, dat haar jongen
nog leefde en dat hij haar eenmaal terug hoopte te zien.... later,
als hij groot was en middelen vond om te ontkomen. Wat viel hem bij
die gedachte het ruwe leven, dat hij leiden moest, minder hard! Het zou
immers tijdelijk wezen? En wanneer zijn hart vol werd van angst dat ze
sterven mocht, wanneer het heimwee hem al te sterk werd,.... dan wist
hij een talisman te bezitten, zonder welken niet eene Nederlandsche
moeder uit die groote dagen haar kind de wijde wereld in zond; het
geloof in den almachtigen God, voor wien geen zee te wijd en geen
ellende te diep was. Rustig was de knaap, omdat hij geleerd had,
dat wel de beproevingen, maar niet de verzoekingen van den Heer kwamen.

En met zulk een groote kracht, volbracht in zijn zwakheid, heeft hij,
die eenmaal strijden zou om zijn volk voor het juk der dienstbaarheid
te behoeden, de slavernij leeren kennen. Hij, die bevelen zou over
velen, die het lot van duizenden in zijn hand zou hebben, heeft hier
geleerd wat het is, een rechtelooze ondergeschikte te zijn. Hij,
die er in latere jaren op gesteld was, om te midden van zijn matrozen
zoo eenvoudig mogelijk te leven, deelende in hun moeiten en bezwaren
en zijn zorgen uitstrekkende tot den minsten schepeling,--heeft in
die harde slavernij geleerd wat nood en ellende is. En hij, die vol
vriendelijkheid was voor ieder, die zijn ondergeschikten noch afsnauwde
noch vernederde, maar hen vriendelijk toesprak en niet schroomde tot
Janmaat in diens eigen taal een woord te spreken, dat regelrecht tot
het hart ging,--heeft in zijn kinderjaren dikwijls in de stilte van
den nacht geschreid, omdat hij behoefte had aan één goed woord....

Maar--aan den anderen kant--geen ziekelijke droomer is er uit dien
scheepsjongen gegroeid. Te drommel, wie aan boord van den zeeschuimer
geen aanpakken leerde, geen handige, pootige kerel werd, was kort en
bondig voor de haaien. Want als men hem niet over boord geworpen had,
zou men hem het leven zoo zuur gemaakt hebben, dat hij er zelf op de
een of andere wijze tusschenuit was gegaan. Ruwe bonken waren ze, die
Vrijbuiters, maar zeelui van top tot teen, lui, met wie om te springen
was, als men zelf merg in de knoken had, als men zelf iets in zich
voelde leven van een Jan Couragie. En welk een echte zeeman Bestevaer
Tromp was--wel het is nog eens hartig gezegd, toen de Staten na zijn
dood een landofficier tot vlootvoogd benoemden. "Die vorige admiraal,"
zeide men, en bedoelde er Tromp mee, "dat was een echte pekbroek!"

Welke plannen Maerten moge gekoesterd hebben om te ontkomen, weten we
niet. Tot een uitvoering ervan is het nooit gekomen. Want de roover
zelf werd dit zwervend en ongedurig leven zat, toen hij genoeg meende
te hebben geroofd, om er nu verder aan wal een rustig leventje
van te kunnen nemen. Zoo iets had meermalen plaats bij befaamde
zeeroovers. Zij onderhandelden dan in een of ander land, om daar weder
in genade aangenomen of bij het zeewezen, liefst bij de kaapvaart,
geplaatst te worden. Zij kochten hun pardon, noemde men dat destijds,
en daar boden zij, niet altijd te vergeefs, ontzaglijke sommen voor.

Iets dergelijks had ook met deze zeeroovers plaats. "Naedat sij",
zegt de meer aangehaalde tijdgenoot, "conditiën met den Hertogh van
Savoyen ghemaeckt hadden, (werd hun) een vrye plaets om te herbergen
toegestaen." Maarten werd daar in vrijheid gesteld en heeft zich,
"in sijn gemoet doen alreede groote saken overleggende, wederom naer
zijn Vaderlandt begeven."



VIERDE HOOFDSTUK.

ALLERLEI PLANNEN.


"Vaarwel!" was de afscheidsgroet geweest, welke de vrouw van Harpert
Tromp het wegzeilende schip had nagewuifd, dat haar man en haar zoon
aan boord had. Toen had zij zich naar haar woning terug begeven, om
zich weder geheel te wijden aan haar huiselijke bezigheden en aan de
opvoeding harer kinderen, voor wie zij nu vader en moeder tegelijk
moest zijn.

Nooit waren haar man en haar zoon uit haar gedachten. Zij sprak over
hen met haar kinderen; glimlachend, als die de mondjes er niet over
stil konden houden waar nu toch het schip van vader al kon wezen
en wat hun groote broer nu weer voor aardigs van de verre reis zou
medebrengen; ernstig, als zij de drie zusjes naar bed bracht en dan met
ze bad voor vader en broer, die zoo verre, verre weg waren en omringd
konden zijn door gevaren. Dan nog enkele avond-uren van alleen zijn,
bezig met allerlei huishoudelijke zorgen, tot zij die, moede van den
drukken dag, op zij schoof, om het einde van haar dagtaak te wijden
aan het groote, dikke boek, waar, voor in, de namen van haar en haar
man en van Maerten en de drie zusjes stonden, en achter nog niet
één was Godlof de datum en 't jaar van het overlijden ingevuld. De
jaren eens menschenlevens zijn zeventig, of, als wij zeer sterk
zijn, tachtig, en haar Harpert was nog jong en krachtig. Dan kwam er
plots een angstig gevoel over haar. Stond in dat dikke boek ook niet
geschreven van de stormwinden die waaien en die een bloem in vollen
bloei knakken? O, het leven des menschen is zoo broos! Wie wist dat
beter dan een zeemansvrouw der 17e eeuw? Maar sprak dat dikke boek van
het brooze eens menschen--het gaf tegelijk een troost, een opbeuring,
ja een vastheid en een macht, omdat het van het eeuwige, omdat het
van God sprak. Dan werd het heel stil in de kamer, alleen nu en dan
ritselde een blad van den Bijbel.... En toch dóór die bladen heen zag
moeder de wijde zee, en, als een notendop in die oneindigheid, het
schip waarop zich de twee wezens bevonden, wier lot zij nu biddende
toevertrouwde aan Hem, wiens geest eenmaal zweefde op de wateren....

Maanden gingen voorbij, véle maanden. En er kwam maar geen tijding
van man of zoon.

Och, zoo troostte zij zich, Harpert zal alweer verder gevaren zijn
dan eerst in het plan lag. Hij is ook zoo'n durver, zoo'n ondernemer,
neemaar zijns gelijke moet nog op zee gaan varen! Of wel.... hij zal
weer vracht ingenomen hebben naar andere havens, en aan de vaart zal
hij blijven, tot hem op een goeden dag een gunstige wind naar het
vaderland zal waaien....

Doch de maanden volgden elkaar op, ze werden jaren,.... en geen
tijding van man of zoon.

Ja, nu moest hij toch spoedig komen. Want.... er begon zoetjesaan
gebrek aan verschillende dingen te komen. Kinderen zijn zoo
slijterig.... en de buren behoeven niet te weten, dat er geen geld meer
in kas is! 't Werd hóóg tijd, dat haar man terugkwam. Met de naald had
zij al wonderen gedaan, om de kleertjes van de zusjes fatsoenlijk te
houden; maar nu die dun en versleten raakten, vreesde ze, dat de buren,
die ook al meer en al dringender begonnen te vragen waar Harpert toch
heen voer dat hij zoo lang uitbleef, iets gingen vermoeden.... van wat
niet waar kon zijn. Want, al begon nu het worstelen met den nood en
de ellende.... gelooven dat haar man en haar lieve jongen dood waren,
verdronken of vermoord ginder in verre en vreemde gewesten--dat kòn
ze niet gelooven.

En weer ging ze als tersluiks langs de kaden, turende of nòg al
niet het zoo bekende schip als vol verlangen aanjoeg langs de rivier
de Maas.

"Arme vrouw!" zeiden de menschen; "ze hoopt altijd nog."

En eerbiedig verzweeg men voor haar, dat niemand meer hoop koesterde
op een wederzien van vader of zoon, niemand.... dan zij alleen.

Daar.... op een avond, plotseling, een veertienjarige jonge maat,
maar die veel ouder leek, vóór haar. Bruin verweerde wangen,
vereelte werkhanden, maar.... de heldere, trouwhartige kijkers
van haar zoon. Twee stevige armen, die haar vast omklemmen. Een
vreugdekreet.... een snik.... God had haar het kind teruggegeven
uit harde, lange slavernij, teruggegeven óók om haar troostend
en liefkoozend te vertellen, dat die kloeke vader gestorven was,
gestorven.... en er kwam iets mannelijks over het gelaat van den
knaap--gestorven, ja, maar als een held!...

Nu was er geen denken meer aan, dat Maerten naar die booze zee
terugging. Hij zou nu bij moeder blijven, haar troost en.... haar steun
zijn. Het zou voor hem geen behaaglijk passagieren aan wal wezen, om
eens gezellig uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen. En zoo
is het gekomen, dat hij, de toekomstige admiraal, zich het schootsvel
om de lenden bond en in Rotterdam als een timmermansjongen rondliep.

Dat zal toch wel een wonderlijke ambachtsjongen geweest zijn,
die Maerten Harpertsz., een gezel, die den geur van de zee in de
timmermanswerkplaats bracht. Derdehalf jaar had hij geleefd buiten de
geordende maatschappij, de wereld was hem niet wijd genoeg geweest,--en
nu zat hij opgesloten tusschen de wallen van een stad en de muren van
een werkplaats. Een stormvogel in een kooi. Maar déze vogel werd niet
door de wreedheid der menschen in een te eng en benauwend gedeelte
van zijn gebied, dat de wijde wereld was, opgehouden. Hier heeft deze
jonge maat den lust van zijn leven uit eigen hart willen wegrukken,
omdat zijn plicht om voor moeder en de zusjes te zorgen, omdat de
liefde tot zijn moeder, die beefde bij de gedachte ook hèm te zullen
verliezen, hem dit gebood. Wij zouden hier niets van weten, als later
niet zijn benijders het hem als een schande hadden willen toerekenen,
dat hij met het schootsvel voor geloopen heeft en het daarom smalend
overal vertelden en zelfs in boekjes lieten drukken. Een mooie
admiraal--bedoelden zij hier mee--die timmermansjongen in Rotterdam
is geweest. Wij.... dànken die benijders voor hun mededeeling. Zonder
die mededeeling toch zouden wij met een der grootste victories van den
nobelen zeeheld onbekend zijn gebleven, de overwinning toch van zijn
geestkracht op het verlangen naar de zee, dat hem dag noch nacht rust
liet, dat áángroeide met de dagen en weken en maanden en jaren.... en
al dat stille leed heeft hij geleden uit liefde tot zijn moeder.

Het heeft zeker wel een geruime poos geduurd dat Maerten aan wal
doorbracht. Eindelijk schijnt hij van de schaafbank weggehaald te zijn
door een schipper, die het zonde vond, dat zoo'n echte stormvogel zou
vergaan in een kooi. En toen ook moeder had ingezien welk een groot
offer haar jongen uit liefde voor haar bracht, was zij wel de eerste
om zich in waarheid een moeder te toonen, de vrouw, die zichzelf
desnoods zou opofferen voor het geluk van haar kind. En zoo--luchtig
en opgeruimd, happend naar den vrijen wind van den zouten plas, voer
Maerten met dien schipper mee, die Cornelis de Haes heette. Het ging
niet ver. Naar Rouaan. Maar op dat eerste reisje volgde een tweede. En
verder ging het als van een leien dakje.

Een geest van geluk was er over den flinken maat gekomen, die er, met
zijn achttien jaren, wel mocht zijn, en als hij in Rotterdam was, wel
eens een avondje bij zijn moeder verzuimde. Die glimlachte daarover,
stilletjes en in herinnering aan haar eigen jonge jaren. Want ze
wist het heel goed, waarom Maerten zoo dikwijls bij schipper De Haes
aanliep, zelfs toen hij niet meer bij hem voer. Als ze er Maerten
naar vroeg, zei hij, dat hij met den schipper over allerlei zaken
van de zeevaart had te spreken. Maar als moeder dan, zoo of ze het
zonder erg deed, vroeg, of de mooie Dignum er altijd bij zat wanneer
de schipper het over die zeezaken had, kreeg Maerten een kleur tot
achter zijn ooren en wist niet, hoe hij er zich uit zou praten.

Maar toen Maerten het uitgevonden had, dat het op die manier het
gezelligst was om met vader De Haes over de zeezaken te praten,
en op zijn dikwijls lange zeereizen er zich wel eens op betrapte,
dat hij toch eigenlijk meer aan Dignum dacht dan aan vader De Haes
met diens zeezaken erbij--ja, toen was hij al een jaartje ouder, en
de zorgen van moeder waren ook al voorbij. Sapperloot--daar rolden
in die dagen zooveel blanke schijven langs de zee, dat een jonge,
gezonde maat met een paar handen aan zijn lijf er aardig wat van op
kon garen en in den buidel stoppen, welke met vroolijk geklinkklank
op de tafel geworpen werd vlak voor moeder, die de handen ophief
alsof ze er van schrikte, maar die lachte, làchte met heel haar
wezen, en dankbaar de hand streelde van den jongen, die zoo voor
haar zorgde. En vader De Haes gaf zijn dochter ook maar niet aan den
eersten den besten! Maerten moest eerst ruimschoots een vrouw kunnen
onderhouden. En toen hij dat kon.... wel, toen was het bruiloft in
Den Briel. Want daar had de ondertrouw plaats op den 14 April van
't jaar 1624, terwijl het huwelijk bevestigd werd den 7den Mei in de
statige Sint Catharina, dezelfde kerk, waarin eenmaal het "knechtje"
gedoopt was en aangesproken met den naam van Maerten. We hebben ook
een afdruk gegeven, van wat men daaromtrent in het nog bestaande
Trouwboek van Den Briel vindt. We lezen daarin van dien ondertrouw:

"Marten Herpertsz Jonges(el): Luijtenant van Capn Mees den Boer ende
Dignum Cornelis Jonge dr wonen(de) int Noordt-eynde." En terzijde:
"dese sijn bevestigt op den 7n mey".

Men ziet hier uit, dat de jeugdige luitenant ter zee in het register
nog niet als Tromp werd ingeschreven. Dat geschiedde in datzelfde
Trouwboek eerst twaalf jaar later, gelijk men uit den vierden afdruk
lezen kan.

Want Maerten heeft Dignum niet mogen behouden, al is hij toch negen
jaar met haar gelukkig geweest. Hij kocht toen voor haar een graf in
de St. Laurenskerk te Rotterdam, van welks sluitsteen een afbeelding
hierbij gevoegd is, en dacht en hoopte niet anders, of hij zou ook
eenmaal in datzelfde graf rusten. Dat duiden wel de twee wapenschilden
aan, welke gij op dien steen ziet en waaronder nu de naam uitgehouwen
is van M. H. van Tromp. Op het eene ziet men de figuur van een aapje,
dat op een trompje blaast, als zinnebeeld van den bijnaam, dien de zoon
van Harpert als vaderlijk erfdeel door het leven voerde; terwijl als
zinnebeeld van den familienaam van Dignum drie haasjes zijn afgebeeld.

In plaats van hij zelf, werd er zes jaar later zijn tweede vrouw
begraven, ook een Brielsche, met wie hij den 27 Augustus 1634 in
ondertrouw verbonden werd, terwijl de huwelijksbevestiging den 12
September van dat jaar plaats had, mede in dezelfde kerk. Toen was
Tromp kapitein ter zee en woonde te Rotterdam. Die tweede vrouw heette
Alijt Jacobs Arckenbout en bewoonde in de Nobelstraat te Brielle een
deftig huis. Zij was een vrouw van welgestelde familie, met wie de
kapitein een goed huwelijk deed.

Maar uit het huwelijk met Dignum de Haes was hem een zoon overgebleven,
die zich, evenals zijn vader een naam in de rijke zeegeschiedenis
van ons volk verworven heeft. Die zoon heette naar Dignum's vader
Cornelis, en is later geworden de dolle driftkop Cornelis Tromp,
de Kees Tromp der matrozen, de schrik van de Engelschen, en ook
een tijdlang de mededinger en tegenstander van Michiel de Ruijter,
welke beide vlootvoogden eerst in het verschrikkelijke jaar 1672,
het Rampjaar, toen ons land door vier staten tegelijk, waaronder de
twee machtigste van Europa, werd aangevallen, door Prins Willem den
Derden tot heil van het vaderland verzoend werden....

Maar nu zijn we door het vermelden dezer huwelijken zoover van onzen
Maerten afgedwaald, dat wij ons haasten moeten den jongen zeeman, die
zich nog een toekomst heeft te veroveren, op te zoeken. We hebben hem
een reisje naar Rouaan zien ondernemen. We vinden hem terug in het jaar
1617, toen hij in 's Lands dienst trad en wel als kwartiermeester,
waardoor hij een maandelijksch inkomen kreeg van 8 gulden. En het
was bij Moy Lambert, onder wien zijn vader den slag bij Gibraltar
had bijgewoond, dat hij zich aan 's Lands dienst verbond. Het ging
hem onder de bescherming van dezen commandeur al dadelijk heel goed,
want was hij den 25sten Juni 1617 als kwartiermeester aangenomen,
reeds den 18en Augustus 1618 werd hij tot stuurman bevorderd op een
maandgeld van 20 gld.

Het is waar--het was nog altijd wapenstilstand en dus eigenlijk geen
gunstige tijd om op een oorlogsschip te dienen. Maar er waren toch
altijd nog de Algerijnsche zeeroovers, om er een expeditie tegen te
ondernemen, en bij Tunis waren dergelijke aartsvijanden van onzen
handel wel aan te treffen. Op de hoogte van Tunis werd in die dagen
een zeeslag geleverd met de zeeroovers, en van Maerten kon vermeld
worden, dat hij zich daar "manhaftig heeft gekweten".

Doch--ik herhaal het--het was tijdens het Bestand geen goede tijd voor
den oorlogsmatroos. Daarom nam Maerten den 15den Mei 1619 ontslag
uit 's Lands dienst, en probeerde geplaatst te worden op een van
de vele koopvaardijschepen, die naar de landen om de Middellandsche
zee gelegen voeren. Wijl zij daartoe steeds de Straat van Gibraltar
moesten passeeren, werden zij in dien tijd Straatvaarders genoemd. De
jonge man keek eens rond en vond weldra een plaats als stuurman op een
dergelijk vaartuig, "het Tuch-huys" geheeten, waarvan Hendrik Thijsze
van Schiedam de schipper was. Met dat schip deed hij verscheidene
reizen naar de Middellandsche zee, twee jaar lang. Toen begon het
Bestand op een einde te loopen. Nu zou dat vervelende tijdperk, hetwelk
ons land en ons volk weinig plezier had aangebracht, haast om zijn,
en de oorlog, die de Spaansche Oorlog genoemd werd, weer beginnen. En
de jonge man, die als kind van acht jaar den zeeslag bij Gibraltar
had bijgewoond, en honderdmaal had hooren vertellen van dien ouden,
roemrijken tijd, droomde voor zijn toekomst de schoonste droomen.

Het zou zijn laatste reisje zijn als koopvaardijman, zeide hij
tot zijn schipper, toen men den steven wederom naar het vaderland
wendde. Met een vroolijk hart zag hij, hoe het vaartuig de blauwe
golven der Middellandsche zee doorkliefde. Nog enkele dagen en de
Straat van Gibraltar zou bereikt zijn, en dan zouden de golven van
den Oceaan het scheepje dragen naar het Noorden.

Doch eer het zoover was, werd dat scheepje aangevallen en genomen
door de Rifpiraten--en de arme jonge man, met zijn hoofd vol stoute
plannen, was opnieuw een rechtelooze slaaf geworden, maar nu van de
Ongeloovigen, die hem inlijfden bij het zeevolk van hun vloot. En
levenslang zou hij hen moeten dienen in hun rooftochten tegen zijn
geloofsgenooten, ja, tegen zijn eigen volk.



VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN CHRISTENHOND.


Het was ongeveer een jaar later, dat de Bassa van Tunis, gelijk de
Vorst van dat land door de onzen betiteld werd, zijn voornaamsten
raadsman bij zich ontbood, en tot hem zeide:

"Vizier! Ik dacht, dat ik in mijn dienaren oogen en ooren en
handen had, die overal door heel mijn gebied heen voor mij zagen en
hoorden.... en wisten toe te grijpen ook, indien het noodig was."

De Vizier, die met over de borst gekruiste armen en gebogen hoofd
voor zijn machtigen meester stond, voelde zich een rilling van angst
door de leden gaan. Wat kon er verzuimd zijn, dat zijn meester zulk
een zonderlinge vraag tot hem richtte?

Hij wist niet dadelijk een antwoord te vinden, maar toen de Bassa
op ernstigen toon er bij voegde: "Heb ik goed gedacht, Vizier?" boog
hij nog dieper het hoofd en sprak in deemoed:

"Ja, Heer, dat is zoo!"

"Hoe komt het dan," ging de Vorst met nadruk voort, "dat ik eerst
zeer onlangs van lieden buiten mijn paleis moest hooren gewagen van
dien blanken slaaf op onze vloot, die in zulk een roep van groote
ervarenheid staat?"

Schuchter hief de Vizier de oogen op.

"Zou een dienaar van Allah zich vermeten in tegenwoordigheid van Uwe
Majesteit den naam uit te spreken van een Christenhond?"

Een wolk trok over het gelaat van den Heerscher.

"Heb ik niet telkens en telkens weer door mijne raadslieden hooren
spreken van Simon den Danser, die nu juist tien jaar geleden door
de onzen gevangen genomen en in een Tuneezischen kerker gestorven
is? Zwegen zij van Jan Janszoon van Haarlem, en was mijn rijk niet
vol gerucht van Claes Compaen, den beruchtsten Vrijbuiter van die
allen? Sloten wij geen verbonden met hen als dit noodig was en hebben
onze zeelieden niet voor grof geld van hen het geheim trachtten te
weten te komen van het over-het-kruis-zeilen?"

De Vizier neeg bevestigend.

"Welnu?" ging de Vorst voort, "zijn hunne namen dan die van de
volgelingen van onzen Profeet."

"Zij waren vrijen, Heer!.... En voor den glans Uwer Majesteit kan
immers geen slaaf bestaan?"

Toen klonk het hoog.

"Heb ik niet het wel en wee van iederen onderdaan in mijn hand? De
vrije, die hier binnentreedt, kan mijn paleis als slaaf verlaten. Zou
dan ook niet een slaaf kunnen nederknielen voor mijn troon, om als
een vrije op te staan?"

Ontsteld zonk de Vizier op de knieën.

"Vergeving, Heer! Wie zou met u in het gericht durven treden, wie
kan bestaan voor uw aangezicht?"

Doch de Bassa wenkte hem op te staan.

"Vrees niet, Vizier! Ik ken u als een trouw en mij volkomen toegewijd
dienaar. Maar deel mij nu alles mede van dien blanken slaaf, die
geketend heeft gezeten aan mijn galeien, en nu als een heerscher is
op mijn vloot."

Toen vertelde de Vizier hem een wonderlijke geschiedenis.

Op de slavenmarkt van Tunis was, nu een jaar geleden, een gevangen
genomen Hollander gebracht, een zeeman, die nog jong was. Daarom
had men hem voor den staat gehouden en den aanbrenger een groote
som uitbetaald. Men wist bij ondervinding van welk een ervarenheid
die Nederlandsche waterrotten konden zijn, hoe zij van kind af aan
ingewijd waren in al de geheimen van de zeevaart. Die Nederlanders
waren de beste zeelui ter wereld. Ze waren overal in trek. Toen zij
nog niet eens den zeeweg naar Indië hadden gevonden, voeren zij reeds
op Spaansche en Portugeesche schepen als matroos daarheen. Ook deze
gevangen genomen Nederlander zou allicht meer op de hoogte van het
zeevak zijn dan een gewoon matroos van de vloot van Tunis.

En het was gebleken, dat men hier een zeldzame vangst gedaan had. De
als gewoon matroos ingelijfde Christenslaaf bleek weldra in kennis van
zeezaken de meesters van zijn boot verre te overtreffen. Eerst had hij
schier lusteloos en onverschillig het gewone matrozenwerk gedaan. Daar
was hij immers van kind af aan geheel en al mee vertrouwd. Maar bij
het opkomen van een storm, in oogenblikken van groot gevaar voor
allen, was toch de bekwame zeeman in dien lusteloozen matroos wakker
geworden. Hij zag glad verkeerde maatregelen nemen. Eerst mompelde hij
wat, toen riep hij het uit, en, als hij niet verstaan werd, greep hij
maar dadelijk aan. En, wonder boven wonder, door zijn beleid bleef
het vaartuig behoed voor vergaan. En al meer en meer kwam het uit,
welk een bijzonder ervaren zeeman hij was, die reeds op zijn achtste
jaar het Brielsche zeegat was uitgevaren en er nu drie-en-twintig was,
en van de jaren daartusschen slechts een klein gedeelte aan wal had
doorgebracht. "Hij verstond hem (zich)," zegt een tijdgenoot, "op de
Bochten der oevers, de Capen, de boesemen, de droochten, de diepten
der wateren, de gelegentheyt van de beweegingen der Zee en Landen
in alle wijcken en streecken; het ghebruyck ende den treck van de
zeyl-naelde (dat wil zeggen: het kompas), de kennisse van de linie,
door de welcke een Schip uyt d'een plaets in d'ander gebracht kan
worden, de lengte ende breedte van plaetsen, en eyndelick was hij in
de konst van stueren bovens andere wel ervarene seer wel geoefent". In
't kort: Tromp was "in de zeevaert zoo ervaren gheworden, dat hij
niemant in wetenschap en behoefde te wijcken".

Kan het dan verwondering baren, dat zulk een kranig zeeman langzaam
maar zeker in een goed blaadje kwam te staan bij de Piraten, die,
wat zij ook anders mochten zijn, door en door flinke zeerobben waren?

Nu was ook zijn kunde den Bassa ter oore gekomen, die daarop beval
den jongen Nederlander goed in het oog te houden en voortdurend
berichten van hem te geven. En nadat nu wèl alle oogen en ooren des
Vorsten hem voortdurend omringd hadden, gebeurde het weldra, dat diens
handen hem aanraakten. Dat wil zeggen: hij werd aan wal geroepen,
waar hij nu aan alle kanten vriendelijke gezichten om zich heen zag,
en hem werd te kennen gegeven, dat hij zich voor te bereiden had,
om te verschijnen voor den Bassa.

Die groote dag kwam, en de Frank--, gelijk de Mohammedanen een
Westerling gewoon waren te noemen--, werd voor den machtigen Heerscher
des lands gebracht, die het leven en den dood zijner onderdanen in
den zachten glimlach om de oogen of in den dreigenden rimpel op het
voorhoofd had.

Oostersche pracht en praal omgaven den Vorst, de grooten des lands
omringden hem, gewapende wachters stonden gereed zijn bevelen op te
volgen, en, volgens de gewoonte aan het Hof van een despoot, school
op den achtergrond de scherprechter.

Doch thans trok niet het zonnelicht van 's Vorsten majesteit aller
oogen tot zich. Aller blikken wendden zich tot den Nederlandschen
zeeman, die, de grooten wisten het al, de man der toekomst zou
wezen voor Tunis, en er waren er, aan wier hart reeds de nijd ging
knagen, dat zij weldra achter zouden staan bij den jongen man, die
de gunsteling ging worden van hun Vorst.

Kalm was de jonge zeeman binnengekomen, eerbiedig had hij het
hoofd gebogen voor den Heerscher, toen hief hij dat hoofd weer op,
en stond daar rustig voor den man, die niet zijn leven in de hand
had. Want over dat leven, zoo geloofden vastelijk de Nederlanders
der 17de eeuw, besliste alleen God en die alleen, en alle menschen,
zelfs de Vorsten, hoe hoog ook hun achting en eere mocht toekomen,
waren slechts werktuigen in de hand des Almachtigen.

De edelen keken elkaar even aan. Zij begrepen die kalmte niet. Was
deze Frank dan al zoo zeker van zijn zaak? Doch de scherprechter
stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.

Even heerschte er een stilzwijgen vol ontzag in de ruime zaal. Toen
sprak de Vorst in de landstaal, welke Tromp had leeren verstaan,
van het welbehagen, dat hij in den jongen zeeman had, en deze sloeg
nu de blikken ter aarde. Immers waarom zou men roemen op gaven,
die alleen van God komen, en niet anders dan te zijner eere gebruikt
mogen worden? Maar toen de Bassa sprak van dat kleine, nu zoo verre
land aan de Noordzee, overtoog een gloed het gelaat van den zeeman.

De Bassa vatte dit verkeerd op. Want hij had er van gesproken, dat
de jonge Nederlander nu een jaar geleden de thuisreis had ondernomen
voornamelijk om in den weder uitbrekenden Spaanschen oorlog roem en
eer te verwerven. En werkelijk--daarvoor behoefde hij zoo verre niet
te gaan, heel en al naar het nevelige Noorden. Hier in het zonnige
Zuiden lagen al dadelijk "eere ende groote vereeringhen" als voor
hem weggelegd. Zou de hand, die zoo krachtig het roer kon vatten,
thans niet toegrijpen?

Maerten Harpertsz. Tromp zag den Bassa aan. Hij begreep niet goed,
wat deze meende. Wat bedoelde de Vorst met dat aanbod, waarna een
onwillekeurige beweging van ontzag door al de aanwezenden was gegaan,
dat aanbod van het Stuurmanschap van zijn schepen?

Hij, Tromp, was een eenvoudig stuurman, en verlangde niets liever
dan weer als zoodanig aan boord te zijn van een Nederlandsch
vaartuig. En Stuurman over al de bodems der Piraten, leider van heel
de vloot.... Mijn hemel, zou de Bassa bedoelen hem admiraal te maken,
hem, den op zijn best vier-en-twintigjarigen zeerob? Dat leek toch
wel onmogelijk? Hij had het zeker verkeerd verstaan. Menig woord van
den in bloemrijke taal sprekenden Vorst was reeds onbegrepen voorbij
hem gegaan, die van de zeelui wel de landstaal, maar van wat nederiger
gehalte geleerd had.

Als in een droom hoorde bij den Bassa voortgaan en zeggen, dat
een Nederlander niet tegen zijn geweten en eigenbelang handelde,
door dienst te nemen bij die van Tunis. Want de oorlog tusschen
de Spanjaarden en Nederlanders was weer uitgebroken, en geen
geduchter vijanden bezat Spanje in de Middellandsche zee dan juist
de Piraten. Immers had het vooruitzicht van het afloopen van het
Bestand de Nederlanders en de Piraten eenigszins nader bij elkaar
gebracht. Wel een samenbrengen als van hond en kat, maar dan toch
tegenover een gemeenschappelijken vijand.

En voelbaar ging als 't ware een onzichtbare vloeistof van genade
en welwillendheid uit tot den Nederlandschen zeeman. Glimlachjes
zonneglansden over de gelaatstrekken der grooten.

Alleen de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam
in zijn handen.

Toen.... toen begreep en doorvoelde Tromp alles. Een angst, een groote
angst kwam over hem. Voor zijn verbeelding ging de eindelooze zee
in al haar heerlijkheid en begeerlijkheid voorbij, en daarop deinde
een vloot, die de schepping zou zijn van één man, een Emir al Omra,
een heerscher der zee. En--hij zou die man zijn!

Een oogenblik duizelde het hem. Het stormde in zijn binnenste. Het was,
of hij ver kanongebulder hoorde, een saluut voor den man, die zijn
macht gevoelde, diep gevoelde, omdat hij een geboren heerscher was....

Maar eensklaps rijst, als uit dezelfde zee, een beeld zijner weinige
kinderjaren voor hem op, zijn moeder die naast hem knielt voor het
avondgebed, zijn vader die in stervenskramp hem de hand drukt en
wiens brekend oog gevestigd blijft hoog op de Prince-vlag die door
den zeeroover omlaag gesleurd zal worden. "Heere mijn God," bidt
hij zachtkens, "leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den
booze". En als vanzelf volgt nu het jubileerende slot: "Want Uwer is
het Koninkrijk, de kracht, en de heerlijkheid"....

Daar heft de Nederlandsche zeeman het hoofd op. Er is een kracht over
hem gekomen, die, hij gevoelt het, niet meer wijken kàn. De Bassa heeft
zijn rede geëindigd, zijn heerlijk aanbod gedaan. En nu, in mildheid en
genade, eindelijk de vraag wordt uitgesproken, waarop ieder het reeds
te voren verwachte antwoord wel weet, klinkt daar opeens, eenvoudig
maar op vasten toon door de stilte dier welwillende verwachting heen:

"Neen, Heer, nooit doe ik dat!"

Een rilling vaart den aanwezigen door de leden,... en nu komt er
leven in dat bronzen beeld, gelijk de scherprechter tot nu toe leek,
en het zwaard is niet meer rustig in zijn handen.

In de hoogste verwondering staart de Bassa den Nederlander aan. Hij
begrijpt niet,... hij meent niet goed verstaan te hebben. Zijn oogen
vragen een verklaring, hoe ook zijn gedachten zich schuil trachten
te houden in de onbeweeglijkheid zijner gelaatstrekken.

Als smeekend heft nu Maerten Tromp de handen op. Doch niet om te
smeeken, maar om te getuigen.

"Heer," spreekt hij als klagend zoo zacht; "ik heb een land, en dat
land heb ik lief. Ik kàn geen ander volk dienen of liefhebben."

En nu plotseling komt het er forsch en rond en eerlijk bij hem uit:

"Heer.... m'n lichaam behoort aan u; ik ben uw slaaf. Ge kunt er mee
doen, wat u goeddunkt; ge kunt het dooden. Maar wat niet aan u behoort,
is mijn trouw, en die is verpand aan het volk, waartoe ik behoor. Ik
heb maar één trouw, gelijk ik maar één woord heb. Ik kàn niet anders
handelen,... en ge zoudt me toch in uw hart moeten verachten, wanneer
ik anders deed."

Zelden of nooit was zulk een manlijk woord uitgesproken voor
het aangezicht van dezen Vorst, gewoon aan slaafsche kruiperij en
oogendienst. In diep nadenken liet hij het hoofd op de borst rusten
en de blik zijner oogen ging schuil onder zijn zware wenkbrauwen.

De aanwezige waardigheidsbekleeders sidderden voor het leven van den
Nederlandschen zeeman, naar wien ook vol verbazing de krijgsknechten
het oog gewend hadden, vergetende, dat hun blikken gewend moesten
zijn naar hun Heer. Niet alzoo de scherp rechter, die vragend opzag
naar zijn Meester.

Daar hief deze het hoofd op.

"Begrijpt gij wel goed, wàt ge weigert, jongeman?"

"Ja, Heer.... en ik dank u voor uw groote welwillendheid."

"En weet-je wel, wat je in je vaderland zijn zult, als ik je in
vrijheid heen liet gaan?"

Tromp knikte bevestigend.

"Ik zal weer stuurman worden op een koopvaarder, of, als ik in 's
lands dienst ga, misschien spoedig wel luitenant."

"Is uw volk zeer talrijk?"

"Neen, Heer.... mijn vaderland is niet groot en mijn landgenooten
zijn niet talrijk."

Toen rees de Vorst van zijn zetel.

"Dat volk zal nog de wereld beheerschen, als al zijn zonen zijn
als gij!"

Verbaasd zagen allen den Bassa aan.

"Jongeman," sprak de machtige Heerscher, die zeer getroffen scheen,
"keer terug tot uw volk, dat ik benijd en gelukkig prijs, nu ik u
heb leeren kennen.... Ge zijt vrij."

"Vrij?!"

Het was een schreeuw van geluk, die over de lippen van Maerten
vlood. Hij strekte de handen uit, maar hij wist niet, hoe hij zich
houden moest aan het hof van een Oosterling. Vrij? Hij zou weer zijn
moeder terugzien, en zijn meisje, de mooie Dignum, die nooit uit zijn
gedachten was geweest; terugzien heel dat kleine, lieve vaderland met
zijn durf, zijn ópkomst, zijn voorspoed; terugzien de groene golven
der Noordzee en de prachtige wolkenluchten boven de eindelooze groene
weilanden!...

In Koninklijke hoogheid en genade strekte de Bassa de blanke, met
kostelijke ringen versierde hand naar hem uit. Toen boog de jonge
zeeman heel diep en raakte in eerbied even de vingertoppen aan. Maar
op de knieën neervallen, gelijk toch van hem verwacht werd, neen,
dat kòn hij niet. De knieval van den Nederlander was alleen een
nederzinken in diepe afhankelijkheid voor God.

En zoo kreeg Tromp van dezen edelmoedigen en hoogdenkenden Vorst de
heerlijke vrijheid terug.

Maar hierbij bleef het niet.

Op Oostersche wijze overlaadde hij hem met geschenken en liet hem
gaan naar het vaderland, waar nog een toekomst gemaakt moest worden,
die hier aan de schoone stranden der Middellandsche Zee versmaad was.

Met een hart, zoo licht als een vogeltje dat uit de kooi ontsnapt is,
zocht Maerten een scheepsgelegenheid op, om naar Nederland terug te
keeren. Daar kwam hij echter niet dadelijk. Eerst geraakte hij in
Londen, en daar vond hij het schip, dat hem regelrecht overbracht
naar Rotterdam, waar hij den 23sten Juli 1622 zich weder in 's Lands
dienst begaf en wel als luitenant onder kapitein Cornelis de Bageijn.



ZESDE HOOFDSTUK.

DE KAPITEIN VAN HET ADMIRAALSSCHIP.


Het zou, vreezen wij, weinig belang inboezemen, indien we Maerten
Harpertsz. Tromp stap voor stap volgden in de verschillende graden,
welke hij bij ons zeewezen heeft doorloopen, voor en aleer hij
door Piet Hein geroepen werd, om kapitein te worden op diens
admiraalsschip. We zien hem den 1sten (?) Januari 1624 als luitenant
overgaan bij kapitein Bartholomeus Reijmersz. Jonge Boer, in het
Brielsche Trouwboek eenvoudig als kapitein Mees den Boer vermeld,
en die aangewezen was om de Vlaamsche kust te bewaken. In Juni van
dat jaar vroeg zijn oude kapitein Moy Lambert hem zelf, of hij bij
hem terug wou komen, wat wel voor Tromp getuigt. Den 16den Juni
echter werd hij reeds door Prins Maurits aangesteld tot kapitein
over een oorlogsschip van 40 man. Uitblinkend door dappere daden,
verkreeg hij allengs het commando over grootere bodems, en zooveel
prijzen wist hij aan te brengen, dat hij daardoor den aardigen bijnaam
van Maerten Prijs verwierf. Vooral streed hij tegen onze lastigste
en gevaarlijkste vijanden, gelijk de meeste onzer oorlogskapiteins
toen wel moesten doen, en die vijanden waren de Duinkerker kapers,
die onzen handel en zeevaart ontzaglijk veel schade toebrachten. Wil
men daarvan een voorbeeld, dat niet zoo algemeen bekend is?

Omstreeks het jaar, dat Maerten Harpertsz. Tromp als achtjarige
kajuitsjongen het Brielsche zeegat uitzeilde, dus om en bij het
jaar 1607, voeren gewoonlijk uit Den Briel jaarlijks een 40 à 50
tal schepen om labberdaan en kabeljauw, die binnen deze stad gevent,
verkocht en vandaar naar vreemde landen verzonden werden. Bovendien
gingen een goed getal kleinere schepen op de vangst van schelvisch en
andere vischsoorten uit, terwijl 16 à 17 haringbuizen door burgers
der stad werden uitgerust. Omdat die haring in Den Briel afgeslagen
en naar Frankrijk en de landen om de Oostzee gelegen verzonden werd,
waren er verscheidene koopvaarders en schippers gevestigd, zoodat Den
Briel langen tijd "een goede seestadt es geweest." Maar in 't jaar
1637 moest getuigd worden, dat de stad zeer achteruit was gegaan, ja,
nog dagelijks achteruit ging. Er waren niet meer dan 18 of 19 schepen,
die ter visscherij voeren, en maar 3 haringbuizen, waarvan het gevolg
was, dat de bovengenoemde kooplieden er niet meer kwamen wonen, en
dáárvan was alweer het gevolg, dat deze en andere visch weinig meer
in Den Briel verpakt of bereid werd. Van al deze rampen en van dezen
achteruitgang waren de Duinkerker kapers de oorzaak, die namen en
stalen wat ze maar grijpen konden. Zij hadden vele visschers dezer
Stede "geruïneert ende bedorven, mitsgaders de schepen in de gront
gehakt, soo dat de voorzeide Stede 't sedert weijnich jaeren wel de
tweederde parten gedecadeert ende verarmt es".

Zoo als het in Den Briel ging, zag men het ook in andere visschers-
en zeeplaatsen gebeuren. Vlaardingen en vooral Maassluis konden ervan
getuigen. Nu was bovenstaande getuigenis wel van 1637, dus een jaar of
acht later dan waartoe we in ons verhaal pas gevorderd zijn, maar het
gaf toch te juist ook den toestand in de dagen van Piet Hein terug,
dan dat we het niet als een sprekend voorbeeld konden bijbrengen. 't
Was verbazend welk een durf die Duinkerkers hadden. Ze voeren tot op
de kusten van Schotland, om onze haringvisschers aan te vallen, ja,
brutaalweg voeren zij onze rivieren op en namen de koopvaarders, die
uit zouden gaan en natuurlijk op zulk een onbeschaamde en ongehoorde
stoutmoedigheid niet verdacht konden wezen.

We zouden er niet spoedig over uitgepraat komen, indien we in den
breede de schade en de schande wilden nagaan, door de Duinkerker kapers
aan ons volk berokkend. O ja, het is iedereen bekend, dat ze ons den
slaap uit de oogen hielden, dat in den strijd met hen--een strijd op
leven en dood!--onze zeelieden gehard werden, en dat er zonder de
Duinkerkers, eigenlijk geen Janmaat was gekomen. Maar dat eeuwige
gemartel en die beestachtige wreedheid bevielen onzen voorouders
alles behalve. En ik geloof, dat, als men hen op een heldentoekomst
gewezen had, welke zij voor geen gering deel aan die worsteling met
de Duinkerkers verschuldigd zouden zijn, zij zich op zulk een profeet
zeer boos gemaakt zouden hebben.

't Was dan ook om dol te worden, dat altijd op zijn qui vive zijn
tegen die Duinkerker rakkers. En men moest toch dat roofnest passeeren,
wilde men den Oceaan in. De Noordzee werd voor een groot gedeelte ook
al onveilig door hen gemaakt. Gelukkig mochten zij voor den Koning
van Denemarken niet de Sont passeeren, zoodat onze bijzonder talrijke
koopvaardijschepen in de Oostzee althans niet met hen te maken hadden.

Nu zouden misschien onze voorouders het nog aan de Duinkerkers hebben
vergeven, indien zij het alleen op onze koopvaarders gemunt hadden. Die
voeren nu eenmaal uit in de volle zekerheid, dat zij het wel hier of
daar op de wereld met een vijand te kwaad zouden krijgen. Maar dat
men onzen visscherman op zoo'n ten hemel schreiende manier afmaakte,
dàt deed de gal overloopen.

Niet dat voeten-spoelen was het. Daar waren reeds de Watergeuzen eerste
bazen in geweest. En nu ja, op verdrinken rekende iedere zeeman zoo'n
beetje; het hoorde bij het vak. Maar om daar zoo gemoedereerd een
mensch onder in het schip met spijkers door handen en voeten vast te
nagelen of wel door het oor, en dan het schip te doen zinken... het
was een kannibaal te knap af. En dan zoo'n verhaal van twee visschers,
jongens van onze kust, die den vijand het als een genade afvroegen,
om niet zoo beneden in het schip te versmoren, maar van dek af in zee
geworpen te worden, om te sterven met den hemel boven en de zee rond
zich, en die men in antwoord op hun bede kruiselings over elkaar lei,
hun met een hamer groote spijkers door handen en voeten dreef en zoo
gekruisigd met hun schip liet verzinken!....

Wel--dat kon toch zoo niet langer! Hadden we daarvoor een Piet Hein,
die in de West iedereen met ontzag voor onze vlag vervulde, ja, die uit
dezelfde streken een vloot vol zilver en kostbaarheden had gehaald,
wat onzen voorouders eigenlijk nog het best aanstond? Als Piet Hein
zoover van huis er den wind onder hield, leek het niet meer dan een
staaltje van zijn plicht, dat hij eens hier vlak bij een opruiming
hield onder de moordenaars onzer visschertjes.

"Komaan," zei Piet Hein, "dat zullen we er van hebben." En met
een Vivat voor het land en voor den Prins ging het naar het Nauw
van Calais.

Maar dat het geen tochtje was om een Spaansche Zilvervloot door een
beetje bangmakerij en veel brutaliteit te veroveren, niemand die dit
beter wist dan Piet Hein en zijn jongens. Zouden de Nederlanders niet
gaarne toegegeven hebben, dat de Duinkerkers beter zeelui waren dan
zij zelve,--gulweg wilden zij erkennen, dat er zoo niet veel waren in
de wijde wereld. En wat hen wel ernstig moest stemmen op dezen tocht,
het was niet zoozeer de gedachte, dat er geen kwartier gegeven of
gevraagd zou worden, dan wel dat zij een vader of een broer of een
zoon gingen wreken.

Op het schip van Piet Hein was Tromp de kapitein. Dat was meer om de
eer. Want Maerten had meer dan één schip zelf gecommandeerd, en bij
het onafhankelijke, dat al dien zeekapiteins in het bloed zat, kon het
voor hem ook niet geheel onverschillig zijn, of hij alleen baas was op
een bodem dan wel daarop een tweede rol moest vervullen. Toch--Piet
Hein had hem er toe verkozen en Tromp had niet geweigerd. Hij vond
het een eer onmiddellijk onder een man te strijden, die, evenals hij,
van "minne" komaf was, de zoon van een varensman. Beiden hadden harde
slavernij gekend, beiden hadden zichzelven door het leven moeten
worstelen. En Piet Hein, een dier beroemde self-made vlootvoogden van
ons zeewezen, had in Maerten den toekomstigen held ontdekt, die zou
volvoeren hetgeen hij begonnen had doch uit den aard der zaak nooit
kon bereiken, omdat hij de eerste was, die de hoognoodige eenheid
moest brengen in ons zeewezen, wat bij al die kapiteins, die zoo
ongaarne een teugel gevoelden, heel wat voeten in de aarde had. Die
lieden, echte nakomelingen der Watergeuzen, volgden nog zoo graag
hun eigen willetje, en, in plaats van Nederlanders, gevoelden zij
zich Hollanders en Zeeuwen en Friezen en Vlissingers en Enkhuizers,
en noem zelf nog maar een paar dozijn andere namen op....

Als men uitgaat op een expeditie is er geen grooter teleurstelling
dan wanneer men den vijand, dien men wil afstraffen, niet ontmoet. Nu
mochten de Duinkerkers, als zij door een oorlogsschip achterna gezeten
werden, wel eens een toevlucht zoeken achter de banken voor hun haven
en in alleen bij hen grondig bekende wateren,--ze waren nochtans over
het algemeen geen jongens, om spoedig weg te kruipen. Ook ditmaal
gingen zij niet voor ons op zij en de zeestrijd nam een aanvang. Daar
bulderden de kanonnen, daar werd gecommandeerd en gehoorzaamd, met
seinvlaggen gewuifd.... en daar werd geënterd en gehakt en geslagen
en gestooten--al de gruwelen van een zeegevecht. En al onze jongens
vochten voor en met Piet Hein. Althans dat meenden ze. Want rustig en
wel kwamen van het admiraalsschip de bevelen. En toch was het weldra
Piet Hein niet meer, die de bevelen gaf. Stil en roerloos lag hij neer,
de groote man met zijn kleinen, burgerlijken naam.

Het was Maerten geweest, die hem had zien wankelen, die toegesneld was,
om helaas een stervende in den arm te klemmen. O, het was geen tijd tot
klagen of treuren. De jonge man,--die zijn vader stervend naast zich
had zien neerzinken, die zooveel maats, jonge, vroolijke gezellen,
met wie hij moeite en gevaren, maar vooral het lustige leven van den
zeeman gedeeld had, soms nog met een vroolijken uitroep of een kreet
van aanmoediging of een kort vaarwel aan moeder of bruid op de lippen,
had zien omkomen, de jonge kapitein van het admiraalsschip moest
hier wel dadelijk weten, wat hij te doen had. Voor zijn verbeelding
rees misschien het tooneel van den zeeslag bij Gibraltar, toen hem,
achtjarig kind, verteld werd, dat de admiraal gesneuveld was, maar dat
men deze ramp verzwegen had voor het scheepsvolk, om er toch den moed
niet uit te halen. Maar wat de kapitein ook denken of zich herinneren
mocht, het mocht slechts in enkele seconden geschieden. Een blik ten
afscheid, eerbiedig den zwaarsten dienst volbracht, dien een levende
aan een dierbaren doode moet bewijzen: het toedrukken der oogen,
waaraan men niet anders wil terugdenken dan vol ziel, en toen....

Het was de trouwe scheepsmakker geweest, die de driekleur over het
lijk van den vereerden meester en vriend had uitgespreid, maar het
was een held, die zich ophief en zijn sabel deed flikkeren in het
weerlicht der kanonnen. Geen lafheid mocht thans, thans vooral,
den moed der manschappen neerslaan. En voelden onze Jantjes zich
bezield door de onmiddellijke tegenwoordigheid van den held van San
Salvador, den admiraal, die uit hun midden opgerezen was--het was het
vuur van een gewoon scheepskapitein, dat hen bezielde. En de andere
scheepsbevelhebbers, die dachten te strijden onder een beproefd
vlootvoogd, volbrachten de bevelen van een, wien zij weldra zouden
toonen, dat zij hem volstrekt niet hun meerdere achtten.

De slag was geëindigd; de groote moord van Christenen op Christenen
had weer plaats gehad. Vallen wij hen niet hard, waar de Europeesche
Regeeringen onzer dagen meer millioenen uitgeven voor een te wachten
oorlog, dan zij ooit aan een beschaafder en verlichter nageslacht
zullen kunnen verantwoorden. Maar tòch met onze matrozen een zekere
voldoening gevoelende, dat de wreedaardige moordenaar onzer visscherlui
voor ditmaal gevoelig is afgerost,--staren we naar de driekleur van
het admiraalsschip.

Daar, opeens, een rilling van ontsteltenis, een dof gemompel.... Wat
mag er gebeurd zijn, dat de victorieuze driekleur langzaam en als
onwillig daalt? Moest ze niet, nu vooral, hoog wapperen boven de zee?

Dat rood-wit-blauw halfstok nu waaiend--het was als een slag in het
gezicht, iets als een beleediging, een terging. Dat wàs geen victorie!

Maar--niemand wist, en de kapitein van het admiraalsschip wel het
allerminst, dat onder al die mannen er één was, die een tiental
jaren later de driekleur zou opheffen, hoog boven alle zeevarende
natiën, één van wien de gesneuvelde vlootvoogd eenmaal had verklaard,
"dat hij vele kloekmoedige Kapiteins gekend, doch in dezelve altijd
eenigen misslag hadt gevonden, doch nimmer in Tromp, in wien hij alle
de deugden, die in eenen zee-overste vereischt worden, erkende."



ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN JONKHEER OF EEN PEKBROEK.


Dat hij nog eens tot zulke groote daden geroepen zou worden, kon wel
het allerminst door Maerten Harpertsz. Tromp vermoed worden, toen hij
het lijk van den gesneuvelden admiraal, dat in de Oude Kerk te Delft
begraven zou worden, naar het vaderland had teruggebracht. Kort daarop
toch nam hij zijn ontslag uit den zeedienst, en nu scheen hij zijn
verdere leven wel aan wal te zullen slijten. Dat hij zijn ontslag uit
's lands dienst nam, lag ten deele hier aan, dat de Groene Draak,
gelijk het admiraalsschip heette, "uit gunst aan een ander gegeven
(werd): 't welk Tromp zoodanig verdroot, dat hij de zee verliet en
daarna zeker ambt omtrent zeezaken aan wal bediende."

Wat dat "zeker ambt omtrent zeezaken" was, vernemen wij van twee
zijden. In de eerste plaats zegt de meermalen door ons aangehaalde
prof. Thysius: "Maer hij is, terwijlen hij uytter Zee was, niet alleen
een bloote aanschouwer van 't lant geweest, maer heeft ook de Zee
altijdt voor oogen gehadt ende de Directie van des Scheeps-timmeragie
omtrent de Mase met groote eer ende neerstigheydt byghewoont."

Dit is nog niet heel duidelijk. Gelukkig is er een tweede getuigenis
tot ons gekomen, en wel van iemand over wien we eerst iets zeggen
moeten, omdat hij ons in dit hoofdstuk een enkele maal wat uit dien
tijd mede te deelen zal hebben.

Men weet, hoe de geleerde Huig de Groot door middel van een
boekenkist uit het kasteel Loevestein ontsnapt is, en hoe in deze
aardige gebeurtenis zijn vrouw Maria van Reigersbergen de hand
heeft gehad. De Groot was in Parijs gaan wonen, maar omdat zijn
gedachten altijd door naar het vaderland teruggingen, bleef hij veel
belangstellen in hetgeen daar gebeurde. Daarvan nu werd hij getrouw op
de hoogte gehouden door zijn vrouws broeder, wiens naam gewoonlijk als
Nicolaes van Reigersberch gespeld wordt. Hij bekleedde in Holland een
zeer aanzienlijk ambt en stond voortdurend in briefwisseling met zijn
beroemden zwager, een briefwisseling echter die zeer geheim gehouden
werd en in geheimschrift plaats had. Eens is er iets van uitgelekt,
en dat verwekte al een storm van verontwaardiging. Maar voor ons is
het heerlijk om na zooveel jaren een blik in die correspondentie te
kunnen slaan, omdat we daarin weer eens op een andere wijze dan dat
gewoonlijk in de geschiedboeken voorkomt, over personen en toestanden
uit dien tijd hooren spreken en wel door een man, die schier overal
van op de hoogte kon zijn. Wat hij nu over het ambt, dat Tromp te
land bekleedde te zeggen heeft, is wel niet veel bijzonders, maar
we leeren er toch uit, dat de gewezen zeekapitein te Rotterdam bleef
wonen, en dat hij aangesteld was "als directeur over de schepen ten
oorloge van Helvoet varende."

Maar over iets anders geeft diezelfde Nicolaes van Reigersberch
belangrijker bijzonderheden, en wel over de wijze, waarop zich de
nieuwe admiraal, jonkheer Van Dorp, tegenover de Duinkerker kapers
verhield. Terwijl deze vlootvoogd zich aldoor maar ophield met zijn
scheepsmacht, uit vijftien bodems bestaande, op de Fransche kust, waren
de Duinkerker kapers in de maand Augustus van 't jaar 1635 uit hun
havens geloopen en hadden zich naar de Noordzee begeven, waar zij, tot
groote ontsteltenis van de bewoners der visschersplaatsen, die vaders,
broeders en zonen bij onze haringvloot hadden, een groote schade onder
de buizen hadden aangericht. Ja, men vreesde voor erger. Nog meer
haringbuizen dreven in het Noorden rond, en de Duinkerkers wachtten
eveneens onze walvischvaarders en onze koopvaarders op Moscovië
(gelijk men toen Rusland noemde) met des te grooter stoutmoedigheid op,
naarmate "de zee zeer ontbloot (was) van haer behoorlijcke defentie".

In zijn brief van 1 September 1635 komt Reigersberch nader op deze
gebeurtenis terug. Hij had hooren zeggen, dat de Duinkerkers niet
minder dan zestig haringbuizen vernield en zeshonderd Nederlandsche
varenslui gevangen genomen hadden. En wat eigenlijk het sterkste bewijs
was voor de inderdaad schandelijke manier, waarop onze visschers
en koopvaarders, ja zelfs onze kusten, door onze eigen zeemacht
onbeschermd werden gelaten, was het feit dat op den 31 Augustus van dat
jaar op nog geen mijl afstands zeewaarts in van Westkapelle negentien
Duinkerker kaperschepen gelegen hadden. Want--nu eens niet gedacht
aan de ontsteltenis, welke door deze ontdekking bij de kustbewoners
van het eiland Walcheren werd opgewekt--dat rustig daar liggen van
die negentien schepen was wel een bewijs, dat zij van hun strooptocht
in het Noorden hadden kunnen terugkeeren, zonder door onze zeemacht
in dien terugtocht opgehouden of verhinderd te zijn. De admiraal Van
Dorp was eindelijk wel uit het Kanaal de Noordzee ingeloopen; eveneens
waren nog wel vijftien à zestien onzer oorlogsschepen uit Texel en ook
uit de Maas zee in gestevend; doch de aanwezigheid der Duinkerkers in
het Zuidelijk gedeelte der Noordzee op hun terugtocht van het Noorden,
bewees helaas ten duidelijkste, dat wij alweer te laat waren gekomen.

Hoe kwam toch de toestand van ons zee wezen zoo ellendig? Onze
zeelieden waren de beste van de wereld, onze Jantjes streden in Oost en
West en volbrachten wonderen van dapperheid--en vlak bij het vaderland
zelf kon de marine niet eens de visschers en de koopvaarders tegen
de Duinkerker kapers beveiligen! En dat was dezelfde Nederlandsche
marine, die over eenige jaren de groote zegepraal bij Duins zou
bevechten en een twintigtal jaren later onder Michiel de Ruijter aan
de Engelschen de zeeslagen zou leveren, welke schier eenig gebleven
zijn in de geschiedenis! De goede elementen waren er dus, maar het
ontbrak voornamelijk aan eenheid en aan goede leiding.

De zinspreuk der Zeven Vereenigde Nederlanden was, dat Eendracht Macht
maakte. Toch bleef een Zeeuw zich Zeeuw gevoelen, terwijl een Hollander
weer vond, dat hij een heel ander persoon was dan een Groninger, en een
Fries, trotsch op zijn eigenaardigheden, zijn kop niet graag gebroken
zou hebben, waar ook hij zich weer iets heel aparts gevoelde. Als
de nood aan den man kwam, slingerde zich gelukkig nog al tamelijk
spoedig het verbindende koord om de zeven pijlen heen. Maar als het
ergste gevaar voorbij was, begonnen de zeven pijlen, de een voor en de
andere na, zich te roeren, en wrongen net zoolang, tot het knellende
koord een weinig losser begon te zitten.

Denk-je, dat een Hollandsch zeekapitein blindelings de bevelen
van een Zeeuwsch admiraal geliefde op te volgen? Hij dacht er niet
aan! En de Zeeuwsche zeekapiteins, die, omdat Holland nu eenmaal
machtiger was en het meest in de melk had te brokken, meestal onder
een Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland moesten staan,
deden dat ook al niet met een geheele overgave van ziel. De gelukkigste
oplossing daarvoor is de benoeming van Michiel Adriaansz. de Ruijter
geweest, den Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland voor wien
zich de Zeeuwen man voor man hadden willen doodvechten, den eenige
ter zelfder tijd, tot wien iedere Hollandsche zeeman met eerbied en
vereering opzag.

Zoo stond het ten tijde van jonkheer Van Dorp geschapen met den
naijver tusschen de verschillende zeelieden van de verschillende
provinciën. Doch er kwam nog iets anders bij. De zeekapiteins
waren voor het grootste gedeelte opgekomen uit het dappere zeevolk
dier tijden, zeerobben, die overal heen gezwalkt waren en de
zeevaart werkelijk niet uit een boekje hadden geleerd. Het waren
onversaagde lieden, dappere degens, door tallooze gevaren, avonturen
en scheepsgevechten mannen geworden, die in een oogenblik van groot
gevaar precies wisten hoe ze handelen moesten. Hun lust in hun leven
was áánvallen, áánpakken. Dat ging langs de baren als de Noordwester
zelf: wie weerstaat hem, wie houdt hem tegen? En lieten zij zich dat
niet doen door een vijand, ze lieten zich evenmin de wet voorschrijven
door een admiraal.

Nu ja, er moest nu eenmaal een hoofd zijn. Maar daarom behoefde hij
geen leider te wezen! Waren ze kinderen, zij, die groote, breede,
zware zeekapiteins, waaromheen iets wijds en geweldigs heenging,
alsof ze veel meer plaats innamen dan een landrot! Bevelen? Welke
vrije Fries en Hollander en Zeeuw liet zich dat eigenlijk doen? Als
je kajuitsjongen was, werd-je afgeranseld, maar je spartelde terug
indien er ten minste een vent in je stak. En als je zoo'n zware,
kantige, bruingebrande matroos geworden was, werd-je neergeslagen
door d'n ouwe, indien je z'n zin niet deed, en daarmee was het uit,
of.... je voelde je één met hem, vloog op z'n commando's vlug als een
aap overal heen in het tuig dier reusachtige masten, omdat het losging
tegen den storm of tegen den vijand en d'n ouwe òveral voor stond,
en je door het noodweer zou heenhalen of je dwars door den vijand
heen zou doen slaan. Die ouwe--hij was de ziel van heel het schip,
een kwaaie rakker, zeker, maar die zèlf aan kon pakken; met de eene
hand een onbekwamen matroos een veeg om de ooren, maar met de andere
hand het voorbeeld kon geven hoe men werken moest.

Maar.... denk-je dat d'n ouwe nu op zijn beurt onder één macht ter
wereld wilde staan! Hij zwol er van op, als hij aan zoo iets dacht,
en dan was het een heelen dag onweer aan boord van 't schip. De
jongens zagen wel aan zijn gezicht, hoe d'n ouwe het opnam, als
van het admiraalsschip geseind werd, dat deze kapitein hier en die
kapitein elders heen moest, den vijand aangrijpend op een wijze
gelijk de admiraal dat wilde. D'n ouwe hàd geen bevel noodig. Hij
wist het zelf wel.... en hij bruiste er op los. Maar omdat ieder
het liefst op eigen gelegenheid wilde strijden, en, kon het, straks
enteren, en vechten man tegen man,... waren de pijlen er wel, maar de
samensnoerende band ontbrak. Het tegengestelde gebeurde dan, van wat de
vereenigde pijlbundel tot onderschrift had: de tweedracht verstrooide.

We hebben nu alleen oog gehad voor die dappere en onversaagde
zeekapiteins, gelijk er in onze zeegeschiedenis nog meer vergeten
zijn dan er in opgenoemd worden. Er waren evenwel ook andere,
wien het minder om de eer dan wel om den buit te doen was--al liet
de buit niemand onverschillig--en het liefst van al ter kaapvaart
uitgezeild waren. Viel er meer te verliezen dan te winnen, dan zagen
zij niet in, waarom zij niet heel verstandig een scheepsstrijd zouden
ontwijken. En ook zij bekommerden zich niet bijzonder om de bevelen
van den admiraal. Bleek de vijand hun te sterk, dan zagen zij er geen
schande in terug te wijken en soms een geheelen zeeslag in verwarring
te brengen, gelijk helaas meer dan eens in onze zeegeschiedenis,
zelfs in latere jaren, voorgevallen is. Ook waren er kapiteins, die
voor hun plezier leefden, zich het liefst bij de kust ophielden en
graag een haven opzochten, om daar eens pret te maken; de beruchte
landgangers. Het was voor zulk soort kapiteins, en voor de lafaards,
die er óók onder hen, gelijk onder elke verzameling menschen, gevonden
werden, dat er, volgens de driftige admiraal Witte Corneliszoon de
With, geen hout genoeg in Holland groeide om er voor hen galgen
van te maken. Maar die onstuimige admiraal Dubbel Wit zat op dit
oogenblik nog in Den Briel, waar hij reeder van een haringschuit
was geworden, eens naar zijn boomgaard liep om te kijken of soms
die satansche kwâjongens alweer appelen en peren gestolen hadden,
en tusschen zijn buien van drift en opwinding door, zijn best deed om
diaken van de Groote Kerk te worden, wat maar niet lukken wilde. Hij
had het, evenmin als Tromp, onder zulke omstandigheden op zee uit
kunnen houden. Hij was een van die eerstgemelde zeekapiteins geweest,
maar dan een bijzonder ongemakkelijke. En dacht-je, dat hij nu staan
wilde onder een man als admiraal Van Dorp?

Was hij dan een lafaard, die jonkheer Van Dorp, wien het verbitterd
gepeupel van Veere met steenen wierp, aan wien de visscherbevolking
van Maassluis en Vlaardingen en Den Briel al de schuld gaf van den
ellendigen toestand ter zee?

Ik zou dat niet graag willen beweren. Men kan een man van moed en
kennis en doorzicht zijn, en toch ongeschikt voor zekeren post. Het
ambt van admiraal--Emir al Omra, dat is Heer der Zee--scheen door
zijn eigen aanzien en gewicht mede te brengen, dat het ook zeer
eigenaardig door een man van aanzien en gewicht bekleed werd. Het
lag als 't ware voor de hand, dat de ruwe zeelui den stuggen kop
zeker niet buigen zouden voor een van hun gelijken. De achting en
het ontzag voor een aanzienlijk persoon maken aan den eenen kant het
bevelen gemakkelijker en aan den anderen kant het gehoorzamen niet
zoo moeilijk. Ware jonkheer Van Dorp van kind af aan op zee geweest,
niet voor zijn plezier maar om te leeren door de ervaring, hetzij
als scheepsjongen van zijn vader, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp,
hetzij, zooals later mogelijk was, als adelborst, gelijk de Brielsche
burgemeesterszoon Philippus van Almonde bij Michiel de Ruijter--het
zou waarschijnlijk niet zoo ellendig gestaan hebben tegenover de
Duinkerker kapers. Zijn aanzienlijke afkomst had hem bovendien over
die bergen van bezwaren kunnen heentillen, waar Tromp doorheen heeft
moeten boren en wroeten. Maar bij die naar pek en teer en zeezout
riekende kapiteins stak hij te veel af. Zij wisten meer van den
huidigen toestand van het zeemansvak af. Hij maakte fouten, die door
de visschers op de haringbuizen, door de halfwassen brasems op het
oorlogsschip besproken en belachen werden. En er ging een kreet door
de visschersplaatsen en langs de schepen van oorlog, koopvaardij en
vischvangst, weldra een kreet door heel het land: een pekbroek hebben
we noodig en geen jonkheer!

En al luider en dringender werd die kreet. De Duinkerkers toch werden
hoe langer hoe driester en brutaler. In de maand Mei van 't jaar 1637
schreef Nicolaes van Reijgersberch aan den geleerden Grotius, dat
de gevreesde kapers zich op onze kusten en voor onze zeegaten hadden
vertoond. En dat niet met bescheiden scheepjes, maar zooals op den 19en
Mei met zeven koningsschepen en 7 fregatten. Die veertien bodems lagen
voor Texel voor anker, en.... jonkheer Van Dorp was met twintig schepen
in zee om de Duinkerkers op te zoeken, en nergens had hij ze kunnen
vinden! Dat zal weer heel wat ontevredenheid baren onder het zeevarende
volk, meent Reijgersberch, waarbij nog komt dat de vijand van dag tot
dag de gevangen Nederlanders harder begint te behandelen. Vroeger
zonden de Duinkerkers een gevangen genomen scheepsjongen om niet
naar huis; nu vragen zij maar eventjes honderd gulden voor zoo'n
snuiter. Als losgeld voor een bootsman eischen ze tweehonderd en voor
een schipper van een vischschuit zeshonderd gulden. De zeemacht der
Duinkerkers is al tot ongeveer achttien koningsschepen en tusschen
de dertig en veertig fregatten geklommen, en, als het zoo voortgaat,
zal dat aantal nog wel vermeerderen. Want--en hier voert de raadsheer
iets heel eigenaardigs uit die dagen aan--het bootsvolk gaat dáár
heen, waar buit en voordeelen te behalen zijn. Met andere woorden:
er gingen een partij Nederlandsche zeelui met pak en zak tot de
Duinkerkers over en werden zelf kaper, om het zeevolk van het eigen
land aan te vallen, de schepen van het vaderland aan te randen en
als het kon uit te plunderen.

Welk een toestand!

Dat kon toch heusch zoo niet blijven. En eigenlijk was het ergst nog,
dat we al een tiental jaren geleden dit óók gezegd hadden. Toen was
Van Dorp op zij geschoven en had men "een pekbroek" aan het hoofd
onzer vloot geplaatst, Piet Hein, die het van scheepsjongen af tot
zulk een hoogte gebracht had. Die had de hooge waardigheid aanvaard
op voorwaarde, dat hem een grootere macht dan gewoonlijk zou worden
toegekend, aan de kapiteins had hij instructies gegeven waaraan zij
zich te houden hadden hoe wonderlijk zij er ook van mochten opkijken,
maatregelen had hij genomen om de matrozen beter eten te verschaffen
en in 't algemeen het lot zoowel van hen als van hun meerderen te
verbeteren. Doch.... reeds na twee maanden was Piet Hein gesneuveld,
Van Dorp was weer teruggekeerd, en wel zocht men nu de verbetering
hierin door aan den Stadhouder een zeer groote macht in de zeezaken te
geven, maar in de eerste plaats werd hierdoor alweer de jaloerschheid
van andere machten in den staat opgewekt, en in de tweede plaats
kon men met den besten wil ter wereld de geldmiddelen, noodig voor
het uitrusten van schepen en het beter en regelmatiger betalen van
kapiteins en zeevolk en leveranciers van de scheepsbenoodigdheden,
niet ruimer doen vloeien.

Voor die uitrusting en het betalen der zeelieden moesten de colleges
van admiraliteit zorgen. Daarvan waren er maar eventjes vijf in ons
land, wat niet erg tot de éénheid van uitrusting medewerkte. Het
geld werd gevonden uit de rechten, die geheven werden van de
binnenvallende en uitzeilende schepen. Hoe meer koopvaarders nu
door de Duinkerkers genomen werden, hoe minder de binnenvallende
schepen opbrachten, en, omdat men al meer en meer bevreesd begon te
worden om koopvaardijschepen te doen uitzeilen, nam ook de opbrengst
met het aantal dier schepen af. Hoe langer hoe meer geld had men
noodig, en hoe langer hoe minder werd er opgebracht. Zoo kon men de
kapiteins der oorlogsbodems niet regelmatig betalen, en deze kregen
niet veel vergoeding door de buitgelden. Want buit was er bij de
Duinkerkers niet te halen. Zij hadden geen rijkgeladen koopvaarders,
en als men het geluk had van hen een paar schepen te veroveren,
waren dat bodems, die voor den oorlog waren uitgerust, dus niet veel
opbrachten. Nu zullen we er maar van zwijgen, dat door sommige leden
van een admiraliteits-college nog aanzienlijke sommen verdonkeremaand
waren geworden. Die lieden werden zwaar gestraft; dus zij, die dat
schandelijk voorbeeld wilden volgen, konden er zeker van zijn dat
men op hen ongenadig de algemeene ellende verhalen zou.

Neen, er moest op andere wijze geld voor de vloot worden
verschaft. Konden de admiraliteits-colleges niet meer genoeg opdiepen
uit de convoyen en licenten--gelijk men toen de rechten van inkomende
en uitgaande schepen geheven gewoon was te noemen--dan moesten de
provinciën maar bijspringen.

Goed! zeiden die provinciën, beloofden veel, maar.... betaalden voor
het meerendeel niet. De provinciën, die niet aan zee gelegen waren
en dus dachten in 't geheel geen belang bij de zeevaart te hebben,
bleven het geld, dat zij betalen moesten, doodkalm schuldig. Evenwel,
eenige verschooning hadden zij voor deze zonderlinge handelwijze
zeker wel bij te brengen. Juist in die jaren was de oorlog te land
weder begonnen. Steden werden belegerd en legerscharen werden bij
elkaar getrokken, om den Spanjaard in de Zuidelijke Nederlanden te
bestoken, waartoe we verplicht waren door een verbond, dat we in
't jaar 1635 met Frankrijk gesloten hadden. Van dien oorlog te land
leden de landprovinciën het meest, en die dachten nu: "wel kom: laten
de zeeprovinciën nu maar flink voor de vloot zorgen. Hebben die last
van de Duinkerkers, wij hebben last van allerlei soldaten." Wat bleef
den zeeprovinciën anders over, dan aan eigen verplichtingen te voldoen
en te trachten het aandeel der landprovinciën geheel of gedeeltelijk
voor te schieten, wat meestal ook maar "betalen" beteekende! Hoe meer
nu de zeevaart leed, hoe minder welvarend die zeeprovinciën werden
en des te trager vloeiden de bronnen, waaruit men putten kon voor de
uitrusting en het onderhoud van de vloot. Zoo kwam men, als bij een
cirkel, altijd weer bij het uitgangspunt terecht: de zaken ter zee
moesten beter gaan.

Als het niet goed gaat in een leger, op een vloot, ja, bij een geheel
volk, dan hangt voorzeker wel de verbetering af van de goede gezindheid
der soldaten, der zeelieden, der burgers; doch meestal--de geschiedenis
toont het herhaaldelijk aan--moeten eerst al die goede gezindheden,
die voornemens en plannen als in één brandpunt samen worden gebracht,
om plotseling, en tot verrassing van tijdgenoot en nakomeling, als een
wijdstralend licht over de wereld heen te schitteren. Tot het licht
wendt zich al wat leven heeft, het nietige mugje zoowel als de zichzelf
bewuste mensch. Tot den man of de vrouw, die in zich den wil en de
kracht van een volk samen voelt komen om ze in daden om te zetten,
voelt zich dat volk aangetrokken. De eenvoudige visschersbevolking
onzer kustplaatsen en ook de lieden die tot de Heeren behoorden, welke
"te wijzen" hadden wat de mindere man zou "prijzen"--drukten het door
den kreet: "Een pekbroek aanvoerder van het zeewezen" als bij ingeving
uit, dat de uitkomst in al die ellende verwacht werd van één man.

Wie zou die man zijn?

Tot nu toe had prins Frederik Hendrik jonkheer Van Dorp
gehandhaafd. Dat lijkt op het eerste gezicht heel wonderlijk. In zeker
opzicht zou men dit gevoelen van den Prins hierdoor kunnen verklaren
en zelfs tot op zekere hoogte verontschuldigen door er op te wijzen,
dat Frederik Hendrik in de eerste plaats soldaat was, dat het leger
bovenal zijn hart bezat en dat zijn hoofd vol was van allerlei plannen
met dat leger te volvoeren of door dat leger te bereiken. Maar aan
den anderen kant lag er toch iets flinks in, om niet dadelijk een
bevelhebber te laten vallen, die niet gelukkig was. Wat jonkheer Van
Dorp was, had hij in 't jaar 1625 bewezen, toen hij om zijn dapperheid
in den zeestrijd tegen die van Rochelle door den Franschen koning tot
ridder was verheven, en wanneer men er tegen Frederik Hendrik over
sprak, dat Van Dorp de zee niet van de Duinkerkers zuiveren kon,
had de Prins schouderophalend geantwoord, dat het al moeilijk ging
om een stad van dieven en roovers te zuiveren, hoeveel te meer dan de
onbesloten zee! Door de groote macht in zeezaken, welke men den Prins
had opgedragen, had men tegelijkertijd een groote verantwoordelijkheid
op zijn schouders geladen. Hij was er de man niet naar, om zich die
van den hals te schuiven door de schuld op een minder gelukkigen
bevelvoerder te werpen en dien op te offeren aan hetgeen de waan van
den dag kon zijn. Een Oranje stond daarvoor evenzeer te hoog als een
Jan de Wit, die.... later Maerten Harpertsz. Tromp gehandhaafd heeft
óók al tegen de ongenade van de meening des volks in. Eerst toen de
klachten een vasteren vorm aannamen en tot in de Staten van Holland
doordrongen, achtte de Prins het oogenblik gekomen den admiraal los te
laten, wiens zelfgevraagd ontslag, benevens dat van den vice-admiraal
Liefhebber, door hem werd aangenomen.

En.... nog eenmaal, wie zou thans de man zijn, de krachtvolle
persoonlijkheid, die niet alleen de bezieling zou weten aan te brengen
om de Duinkerkers te verslaan, maar vooral de groote gebreken op onze
vloot in het hart zou durven aantasten, de zeekapiteins onder zijn
een en eenig gezag, het bootsvolk tot een vooruit bedacht en alleen
onder zijn beleid uitgevoerd plan zou brengen? Wie zou het zijn,
die niet alleen als een Hercules een Angiasstal te reinigen had,
maar ook en vooral voor de toekomst de geniale schepper van het
Nederlandsche zeewezen zou worden?

In de vergadering der Staten van Holland, gehouden op Vrijdag den
16den October 1637, werd besloten, om aan Zijne Hoogheid, die zich
in het leger voor Breda bevond, eenige personen voor te dragen ter
vervulling van de twee opengevallen ambten, nl. luitenant-admiraal
en vice-admiraal van Holland en West-Friesland. Genoemd werden "de
Generaels Reael en Speek, Maerten Herpertsz. Tromp, Witte Wittensz.,
den Heer Nannainck ende Berkhout, midt-gaders den Major Padburgh".

Het stond den Prins vrij bij deze personen nog andere te
voegen. Maar, wat den Staten aanging, zij verzochten aan Z. H. "in
goede recommandatie te nemen den Persoon van Maerten Herpertsz. Tromp
tot Lieutenant-Admirael, en Witte Wittensz. tot Vice-Admirael", die
zij wenschten, dat spoedig tot deze ambten verheven werden. Maar
als mogelijk Z. H. zich daarmee niet kon vereenigen, zoo droegen
zij het aan hem voor, of hij niet goed zou vinden Jan Evertsz.,
die vice-admiraal van Zeeland was, of een ander bekwaam persoon de
directie van de weldra uit te rusten vloot op te dragen "om den Vyant
daermede te gaen bespringen in de Kanael".

Het antwoord van den Prins is bekend, ook omdat door zijn beslissing
een keerpunt ten goede is gekomen in de geschiedenis van ons
zeewezen. Nog diezelfde maand werd Maerten Harpertsz. Tromp benoemd tot
luitenant-admiraal en Witte Cornelisz. de With tot vice-admiraal. De
eenige, die voor Tromp een zeer ernstig tegen-candidaat had kunnen
zijn, Laurens Reaal, een man bekend om zijn groote daden ter zee vooral
in Oost-Indië, waarover hij zelfs gouverneur-generaal was geweest, een
man ook van gezag, omdat hij tot de regenten van Amsterdam behoorde,
was kort na de voordracht aan de pest gestorven, welke toen in die
stad heerschte, en in niet mindere mate te Leiden, gelijk Nicolaes
van Reigersberch uitvoerig in zijn brieven mededeelt.



ACHTSTE HOOFDSTUK.

KETENEN VAN GOUD EN EEN METALEN BERG.


Gold de benoeming, volgens den door den Prins op 27 October 1637
geteekenden lastbrief, slechts voor een jaar, het is later niet noodig
geweest om bij een nieuwe uitrusting ook wederom tot een nieuwe
benoeming van een opperbevelhebber over te gaan. Tromp toch bleek
de man te zijn, om wien men geroepen had. Gelukkiger keuze had men
waarlijk niet kunnen doen. Hij was "een der grootste zeelieden welke
tot op zijn tijd in de wereld verschenen waren." Wees niet bevreesd,
dat deze getuigenis uit Nederlandsche bron komt. Het is veel de
gewoonte in ons landje, dat we dàn eerst gelooven een jongen uit
onze polders opgerezen tot de groote mannen te mogen rekenen, als de
vreemdeling ons daartoe genadig verlof geeft. Bovenstaand getuigenis
is echter geen genadig verlof; het is een royale erkentenis van onzen
grootsten vijand en tegenstander ter zee: den Engelschman, tegen wien
Tromp gesneuveld is, en tegen wien zijn zoon Cornelis met de uiterste
verbittering gestreden heeft. En met dezelfde royaliteit erkennen
de Engelschen, dat Maerten Harpertsz. Tromp in menig opzicht de
leermeester en het voorbeeld der Britsche bevelhebbers is geweest. "Nog
heden ten dagen (worden zijn) bekwaamheden en heldendaden zoo hoog in
Groot-Brittanje geschat, dat men gemeend heeft, te midden der lofspraak
op de vroegere en latere Engelsche zeelieden, aan zijn verdiensten
een opzettelijke hulde te mogen bewijzen, en men hem waardig heeft
geacht zijn beeltenis nevens die der Britsche zeelieden in de galerij
te Greenwich op te hangen."

Dat Tromp een uitnemend zeeman was, weten wij nog uit de dagen van zijn
gevangenschap in Tunis. Werkelijk, de Bassa van Tunis heeft getoond een
scherpzinnig opmerker en een goed menschenkenner te zijn. Maar.... een
goed menschenkenner moest ook de nieuwe opperbevelhebber zijn. Niet
alleen moest hij bekend zijn met de listen en streken der kapers,
maar ook en vooral met de lastige karakters van zijn kapiteins en den
niet gemakkelijken aard van het Nederlandsche zeevolk. Witte de With,
óók een uitnemend zeeman en als krijgsman zeker onverschrokkener dan
Tromp, meende dat men het met bootsvolk zoowel als met gezagvoerder
best en al heel spoedig klaar kon spelen door een grooten mond
open te zetten, te grieven en te beleedigen en vooral de fouten en
gebreken te zien en daarover aan te gaan en op te spelen. Hij heeft
zijn doel gemist. Hoezeer hij in den zeeslag door zijn onstuimigheid
kon meeslepen en zijn jongens bezielen tot daden van voorbeeldeloozen
moed en stoutheid, altijd kwam dat al sterker wordende gevoel van
onwil tegenover hem weer boven, en het groeide aan tot haat. Nooit
is dat scherper uitgekomen dan in den Eersten Engelschen Zee-oorlog,
toen, nadat Tromp voor een wijle in ongenade gevallen was, Witte met
het opperbevelhebberschap werd belast. Toen weigerden de schepelingen
van Tromp's vaartuig Witte aan boord te nemen, en dreigden zelfs de
sloep waarin hij zich bevond in den grond te schieten. Ja, gedurende
het gevecht, dat toen met de Engelschen aan den gang was, weigerden
ook andere schepen hem als bevelhebber op te nemen.

Een geheel andere handelwijze volgde Tromp. Ook hij wist wat bevelen
was, en kon, waar het noodig bleek, ook zelf de handen uit de mouw
steken. Hij was het, die altijd ongedekt in het midden van den strijd
op de gevaarlijkste plaats van het geheele schip stond, maar toch geen
waaghals was. Hij was het, die volgens een bepaald plan handelde,
die alle kansen vooruit naging, alsof het leveren van een zeeslag
het oplossen van een moeilijke som was. Hij was het, die den oorlog
ter zee tot een wetenschap maakte, en daarom een reeks van leerlingen
heeft kunnen opkweeken, die zijn werk voortzetten en voltooiden, toen
hij reeds gestorven was. Hij was een bevelvoerder, die, getuigt een
tijdgenoot "zijn ontzag geheel wist te behouden". Maar met al zijn
groote gaven van verstand, was hij een mensch met een hart, die wist
wat een ander mensch toekwam. Hij zag het goede, en daarvoor verbleekte
het kwade. Hij zag den wil, en dan was de onwil onmacht geworden.

Wij hebben het reeds gezegd, toen wij vertelden van zijn verblijf
aan boord van den zeeroover die zijn vader had vermoord, hoe hij in
de ellende van zijn jonge jaren de waarde had leeren kennen van een
goed woord. Dat woord heeft Tromp nooit achter gehouden, en het bleek
een tooverwoord. Het bootsvolk heeft dat ontzag voor hem gekregen,
dat van oude tijden her voor de leden van een huisgezin bij den man
berustte, die de natuurlijke beschermer en de beste vriend zijner
huisgenooten is: de vader. En het bootsvolk is het ook geweest, dat
aan Maerten Harpertsz. Tromp op ongekunstelde en eerlijke wijze den
naam van Bestevaer gegeven heeft.

Het lastigst viel het de zeekapiteins onder de ééne leiding van
den opperbevelhebber te brengen. Gehéél is hem dat niet mogen
gelukken. Trouwens nog onder Michiel de Ruijter was het de eigen zoon
van Tromp die een enkele maal terugviel in de oude zonde van naar
eigen inzicht in den strijd te handelen. Doch Tromp hield onwrikbaar
vol. Hij had als opperbevelhebber het recht een scheepskapitein,
die zijn bevelen niet opvolgde, desnoods te straffen of tot ontslag
uit den dienst voor te dragen. Het openbaar verzet en de openbare
tegenwerking moesten dus wel verborgen worden gehouden of zelfs
verminderen. Maar.... de stille tegenstand wies daardoor in kracht. Wij
zullen er weldra een woord aan wijden, hoe Tromp beschimpt en gesmaad
werd, hoe men al z'n best deed, om zijn moed en geestkracht af te
tuigen, ja, niet schroomde hem te grieven in zijn oude moeder. Voor
dat opzetten van een plan, dat behandelen van den zee-oorlog als een
wetenschap, was wel het allerminst de man te vinden, die onmiddellijk
in rangorde op hem volgde, nl. de vice-admiraal Witte Cornelisz. de
With. Het is tusschen die twee een enkele maal hoog uitgeloopen. We
hebben dat elders breedvoeriger besproken en verwijzen daar naar. [1]

Hebben we in het voorgaande getracht ten minste iets te doen gevoelen
van de moeilijkheden, waarmede Tromp te maken kreeg en welke hij te
overwinnen had,--naar al die dingen vroegen de kustbewoners niet. Zij
hadden in zooverre hun zin, dat er een pekbroek aan het hoofd der
vloot stond. Nu moest die pekbroek er in de eerste plaats voor zorgen,
dat de Duinkerkers verslagen werden. Want het was volkomen waar,
wat een geschiedschrijver heel eigenaardig uitdrukte: "Hij quam in
een tijdt, in de welcke hij niet behoefde ledigh te staen, vindende
een zee vol Duynkerksche roverij en het dreygen van een oorloghsmacht
uyt Spangien".

Doch ook dat afstraffen der Duinkerkers had niet dadelijk plaats. Geen
wonder. Het instrument, waardoor deze afstraffing moest plaats hebben,
was onze zeemacht, die als het ware op nieuwe grondslagen opgebouwd,
tenminste door en door hervormd moest worden. Nu wij zoo eenigszins
op de hoogte zijn van de bezwaren, welke de nieuwe opperbevelhebber
moest te boven komen, kunnen wij werkelijk niet anders dan ons er
over verbazen, dat reeds den 18den Februari 1639, dat is dus slechts
vijftien maanden nadat hij voor het eerst als de opperbevelhebber was
uitgezeild, voor de haven van Duinkerken een schitterende overwinning
op die beruchte en zeer ervaren kapers behaalde. Hij had toen slechts
elf schepen onder zijn bevel, terwijl de macht der Duinkerkers uit
twintig schepen bestond. En.... het was de voorzichtige Tromp niet,
die zijn kleinere macht tegen een grootere waagde, maar het waren
de stoutmoedige kapers, die hem aanvielen, en dat wel met te meer
stoutheid en verbittering, omdat hij hun in den weg lag. Zij moesten
naar Spanje, waar groote dingen tegenover ons land werden voorbereid,
en nu moest door de Nederlandsche zeemacht heengeslagen worden. Acht
uren achtereen duurde deze bloedige en verschrikkelijke worsteling. En
voor het eerst na vele jaren behaalde de Nederlandsche zeemacht een
overwinning, waarvan de mare langs de zee ging en groote vreugde in
ons land verwekte. Teruggejaagd waren de kaperschepen in de haven van
het roofnest. Maar niet alle! Want het schip van hun vice-admiraal
was op het strand geworpen en in vlammen opgegaan, en, groote glorie,
met twee van de zwaarste schepen der Duinkerkers kwam men als een al
te lang gemist zegeteeken naar de vaderlandsche havens terug.

Dat gaf een gejuich! Tromp kreeg een gouden keten met medaille
en, zegt de kroniekschrijver, de waarde daarvan was tweeduizend
gulden. De Commandeur Banckert kreeg een dergelijk geschenk ter
waarde van achthonderd, en ieder Hopman een van vierhonderd gulden,
terwijl bovendien de twee schepen met geschut en al, en gelijk die
reilden en zeilden, aan bevelhebber en kapiteins "tot een premie en
vergeldingh gelaeten" werden, behoudens het deel dat van den buit
aan den Prins toekwam.

Nog in hetzelfde jaar zouden de geruchten van "het dreygen van
een groote oorloghsmacht uyt Spangien" tot een angstaanjagende
werkelijkheid worden. Een groote Spaansche vloot kwam aangezeild,
alsof het een herhaling gold van den aanslag op de Engelsche en
de Nederlandsche onafhankelijkheid door de Onoverwinlijke vloot,
nu een halve eeuw geleden. Maar de Engelschen behoefden zich nu niet
angstig te maken. Die waren goede maatjes met de Spanjaarden. Mochten,
gelijk voor een-en-vijftig jaar, wederom de stormen opsteken om
de trotsche schepen der aanvallers te verstrooien, dan zouden
er nu schuilplaatsen te over zijn. De Engelsche havens konden
veilige ankerplaatsen aanbieden, en dan was Duinkerken er nog. De
Duinkerkers zelve geleidden de vloot, en, omdat Tromp met dertien
schepen bij kaap Bevezier lag te wachten op wat er uit het Kanaal
zou komen opdagen, Witte de With met vijf schepen omtrent de Cingels
kruiste en Banckert met een dozijn bodems de haven van Duinkerken in
het oog hield, was de Noordzee eigenlijk geheel aan den durf en de
stoutmoedigheid der beruchte kapers overgeleverd, die wel een middel
zouden vinden uit te breken of al vooraf uitgezwermd waren. Zoodat
in die benauwde dagen de Nederlandsche koopvaarders en visschers
maar liever niet uitliepen. Bovendien hadden de Spanjaarden nu geen
admiraal van goud, die, als 't er op aankwam, in een bomvrij kamertje
zou wegkruipen. Het leek wel, alsof men in Spanje profijt getrokken
had van de gevoelige lessen, door den ondergang der Onoverwinlijke
vloot ontvangen. Zelfs--maar hiervan konden de Nederlanders niets
zekers afweten--was de Spaansche admiraal d'Oquendo niet van plan
de Nederlandsche schepen zonder noodzaak aan te vallen. Het doel van
den tocht was in hoofdzaak het transport van een aanzienlijken troep
landsoldaten naar Vlaanderen, opdat, van de Zuidelijke Nederlanden uit,
een krachtige oorlog te land zoowel tegen de Franschen als tegen de
Noord-Nederlanders gevoerd zou kunnen worden.

Het moet een ontzagwekkende aanblik voor de zeerobben van Tromp geweest
zijn, toen zij daar die wolk van zeilen zagen oprijzen uit de zee. Die
macht van zeven-en-zestig schepen, waarvan het admiraalsschip alleen
niet minder dan zes-en-zestig, terwijl de geheele vloot zeventien
honderd kanonnen voerde, met zijn dertien bodems aan te vallen,
leek Tromp een onzinnige waaghalzerij. Dreef de wind de ontzaglijke
Spaansche vloot het Kanaal in, met dienzelfden wind dreef Tromp
achterwaarts, maar dat leek wel op het angstwekkend terugtrekken
van een alles behalve gemakkelijken waakhond, die met omgekrulde
bovenlip zijn blikkerende tanden laat zien, en zijn oogen schijnen het
gunstige oogenblik van den aanval te bespieden. Het waren werkelijk
geen saluutschoten, waarmede de berekenende admiraal den Spanjaard
had ontvangen, en deze voelde zich al dadelijk genoopt de uiterste
omzichtigheid in acht te nemen, al kon men wel even glimlachen over het
kleine getal der schepen van den vijand. En nu de Spanjaard ze met de
oogen telde, kwam hij niet eens meer tot het getal dertien. Dadelijk
toch had Tromp een zijner kleinste en vlugst zeilende schepen met den
gunstigen wind Oostwaarts heengezonden om Dubbel Wit en vervolgens
Joost Banckert op te zoeken, en tot herkenning van de plaats waar
hij zich bevond, loste hij elk half uur een seinschot.

Het is overbekend, hoe de onstuimige Dubbel Wit dadelijk naar die
plaats heenprangde, nu reeds alle bezwaren van wind en wat er verder
nog ongunstig voor hem mocht zijn of mocht komen licht tellende;
hoe hij bij Tromp aan boord klauterde, en maar één raad zoowel als
één woord had: "aanvallen!" en eindelijk hoe hij zich als 't ware
dwars tusschen de Spaansche schepen inschoof, en zoo geweldig te
keer ging, dat zijn vaartuig als in vlammen en rook opging en zelfs
het achtergedeelte in de lucht vloog. De onzen hadden hem al verloren
gegeven, maar dat moest men bij Dubbel Wit niet spoedig doen. Zoo heet
kon het niet toegaan, of hij wist er wel uit te komen, welteverstaan,
als hij zijn vijanden zooveel gegeven en het hun zoodanig benauwd
gemaakt had, dat zij blij waren dezen woedenden zeeleeuw te ontkomen
en niet door of met hem in de lucht of naar den kelder gegaan te zijn.

Verbrand, besmeurd, hinkende en ontoonbaar--maar altijd nog met
die felle oogen stekende en priemende en verschrikkende, meldde
hij zich bij den admiraal aan. Het was in deze oogenblikken, toen
alles in Dubbel Wit nog woelde en bruiste en kookte, dat Tromp een
snauw kreeg van zijn vice-admiraal, dien hij--hoe zou Witte hem dit
ooit hebben kunnen vergeven!--ééne enkele maal van gebrek aan moed
verdacht had. Vóór den slag had Tromp, de hand uitstrekkende naar de
Spaansche vloot met haar honderden en honderden kanonnen zich rijende
naast en boven elkaar, gesproken van "een ijzeren berg", dien men
te bestormen zou hebben, en hij, die de verantwoordelijkheid droeg
voor al de menschenlevens op zijn vloot, en die verantwoordelijkheid
ook gevoelde, had het ernstige met vele diepe rimpels doorploegde
gelaat en de oogen, waaruit in zulke oogenblikken iets scheen te
spreken van het vele leed dat hij in de wereld aanschouwd had,
tot zijn kapiteins gericht. Mocht men met een geringe macht zulk
een overmacht aanvallen? Was het soms geen overmoed, in plaats van
een kalmen mannenmoed, een groot deel van de Nederlandsche zeemacht
te wagen aan een totale vernietiging? "Aanvallen! áánvallen!" had
eerst bits, toen haast sarrend het woord van Dubbel Wit geklonken. En
zweepgeknetter bitste in zijn kort uitgestooten klanken: dat hij in
't vaderland niet voor schelm wilde opgehangen worden, en.... wie
hier week, was immers een schelm, een landverrader, een onwaardige
op de vloot? Toen.... wàs het geschied. En nu.... zoo ontoonbaar als
hij er uitzag, bijna zich niet meer staande kunnende houden en tòch
den kop rechtop, de felle oogen àl maar brandende op den admiraal,
en op zijn beurt de hand, nog licht trillende van de overmatig zware
inspanning, uitstrekkende naar de Spaansche schepen, smeulende, en
in verwarring zich terugtrekkend--nu flitste het van zijn lippen:
"Heb ik den metalen berg gevreesd, admiraal?"

Wij weten het antwoord van Tromp op deze sarrende vraag niet. Wij
kunnen ons voorstellen, dat het rustige oog zich niet nedersloeg. Want
terwijl Dubbel Wit als een ontploffing te midden van de Spaansche
schepen--welke toch slechts een gedeelte der gansche schepenmacht
vormden--nederstortte, schrik en ontsteltenis rond zich verspreidende,
maar toch in een kring die beperkt moest blijven, had de admiraal,
die altijd rekende en berekende en zijn best deed de som zoo op te
lossen als hij zich dat vooruit had voorgesteld, het geheel in het oog
genomen. In die som was de onstuimigheid van Dubbel Wit een groote en
machtige factor geweest. Dankbaar had Tromp er van gebruik gemaakt,
en het opgenomen in en gesteund door zijn groot plan. En nu de som
opgelost was, en voor de twaalf plus vijf schepen der Nederlandsche
zeemacht de reusachtige Spaansche vloot wel niet vluchtte maar toch
terzijde poogde uit te wijken--nu hadden àl de factoren van dat groote
rekenvraagstuk, van den kleinen kajuitsjongen die precies gedaan had
wat hem was bevolen, tot admiraal Dubbel Wit die een schitterende
heldendaad verricht had waarvan men nog na eeuwen zou spreken, hun
werking verricht.

Maar al zei hij het niet, omdat hij stil van aard was en niet
uitbundig,--de man, die thans de hand toestak aan admiraal Dubbel Wit
en, omdat hij zelf een held was, een warm woord van bewondering voor
den driftkop moet hebben overgehad, hij, de aanvoerder, de leider, de
schepper van die eigenaardige manier van strijden, welke eerst bedenkt
en dan doet, hij, Maerten Harpertszoon Tromp was de overwinnaar.



NEGENDE HOOFDSTUK.

DE DAGEN VAN DUINS.


Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16den
September. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want
een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de
lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter
Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21sten September
van deze gebeurtenis "bericht aan de Staet gedaen heeft".

Intusschen had d'Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de
Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om
den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij
niet altijd konden slagen. Zoo was het den 17den September doodstil
weer en mistig; maar nauw klaarde het 's avonds om elf uur wat op
met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den
vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp
bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar
donkerroode vlammen over de zee zouden laten sidderen en trillen,
een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur 's nachts had
men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht
door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer
de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst "hands
off" houden.

Toen het in den morgen van den 18den September begon te dagen, werden
in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats
schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van
Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een
aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die,
onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij
te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.

Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot
10 uur, "wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende
een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden". Na een
krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen
de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek
aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de
veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, "en de gevangens met de
gequetsten mede te nemen". Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over,
om te wachten tot de Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.

Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend,
dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het
bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een
groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En
toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls
langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.

Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die
zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk
dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen
komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende
wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants
felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere
beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei,
waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring
mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den
vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd
waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg
bleef schuilen.

Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit
geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van
Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelsche
vlootvoogd Pennington "met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en
verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te
onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de
vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden."

Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet
gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de
onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet
treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er
zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder
bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen
moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het
zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen
grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier
het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel
van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins
rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer
en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de
Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in
't jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen
de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op
het eiland Ambon op onwettige wijze veroordeeld en ter dood gebracht
waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen
gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.

Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer
niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er
om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk
aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de
goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner
onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond
in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden
velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne
buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar
ware geweest.

Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die
maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had
een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de
eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis
zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche
Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer
zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der
Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken
prins Frederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze
den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.

Hoe invloedrijk ook--toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam
dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen
niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na
een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde
door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording
en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets
vergeet of vergeeft. Het is in die dagen--terwijl de wind al maar
Oostelijk bleef waaien--gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp
verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher,
met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende
dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast
bezwaarden brief in zee.

En weldra ging er een andere boodschap over de zee, het lievelingswoord
van admiraal Dubbel Wit. "Val maar aan, o, admiraal Tromp! En welke
mogendheid zich ook tegen dien aanval moge verzetten, toon aan de
geheele wereld, dat een Nederlander geen aardsche machten schroomt
of er voor behoeft te vreezen!"

Het werd tijd, dat dit kloeke mannenwoord over de Noordzee kwam
aangesneld. Tromp had alle mogelijke moeite gedaan, om de Spanjaarden
uit hun veilige haven te lokken. Uit angst voor de Nederlanders hadden
zij alle gevoel van eer vergeten en zochten naar uitvluchten. Algemeen
bekend is het, hoe zij eerst voorgaven hun stengen te Dover te hebben
gelaten en dus niet aan een zeeslag konden denken. Tromp liet die
masten en stengen halen, en aan boord bij den Spanjaard bezorgen. Toen
hadden zij alweer gebrek aan buskruit. Dat vernam Tromp niet van hen,
maar van den Engelschen admiraal, bij wien hij er telkens en telkens
weer op aandrong, dat er toch een samentreffen met de Spanjaarden
mocht plaats hebben. Nu riep Tromp den krijgsraad bij elkaar, en
daarin werd besloten den vijand van zooveel buskruit te voorzien
als men zelf bij mogelijkheid maar missen kon. Het baatte niet; de
Spanjaard bleef verscholen en waagde het niet zich in open zee te
meten met den diepverachten Nederlander.

Het was en bleef een moeilijk geval. Een Nederlandsch matroos was door
den vijand gedood, en zijn lijk werd nu als overtuigingsbewijs, dat
de Spanjaarden de onzijdigheid van het Engelsch grondgebied geschonden
hadden, aan den Engelschen admiraal gebracht. Die verzocht acht dagen
uitstel om er den Koning over te spreken.... maar intusschen begon
ook de weersgesteldheid eens een woordje mee te spreken.

In den nacht van den 20sten op den 21sten October 1639 kwam eindelijk
de wind, die zoolang uit den Oosten gewaaid had, door het Noorden in
't Noord-Westen terecht. Toen meende Tromp, die wat hem betrof den
vijand liever in open zee bevochten had, het oogenblik gekomen,
om de Spaansche vloot op Engelsch gebied aan te vallen. Eerlijk
werd er den Engelschen admiraal kennis van gegeven; hij kon nu
handelen naar eigen goeddunken, gelijk ook wij van dit oogenblik
af van plan waren te doen. Het staat vast, dat tijdens den zeeslag
die nu volgde, en waarin de Spaansche macht vernietigd werd, zoowel
van de drie Engelsche batterijen als van de Engelsche schepen op de
onzen geschoten is. Het eerste had plaats toen er reeds bij het begin
van den aanval 23 Spaansche schepen aan den wal vastliepen, waarom de
batterijen de bedreigde bodems wilden beschermen voor de Nederlanders,
die er zich evenwel weinig aan stoorden en maar hun gang gingen. Van
het eerste zoowel als van het tweede maakt Nicolaas van Reigersberch
melding, als hij Hugo de Groot over de groote zegepraal schrijft. Hij
deelt daarbij de bijzonderheid mede, dat de Engelsche schepen eerst
op de onzen schoten, toen zij ver genoeg verwijderd meenden te zijn,
om ons niet te kunnen beschadigen. Op die Engelsche vloot werd door
een afdeeling der onzen, onder bevel van Witte de With, een waakzaam
oog gehouden tijdens den zeeslag. Om het beleedigende dat hierin
gelegen kon zijn te voorkomen, hadden wij het voorgesteld alsof de
dertig schepen, welke onder Witte tegenover de Engelsche vloot lagen,
alleen aangewezen waren om er zorg voor te dragen, dat haar in de
hitte van den strijd geen schade zou worden toegebracht.

De uitslag van den strijd is bekend. Meer dan veertig Spaansche schepen
werden door de Nederlandsche matrozen veroverd, waarvan zij er veertien
in triomf naar de Nederlandsche havens konden meevoeren. Ons verlies
bedroeg slechts één schip en circa honderd man. De Spanjaarden
hadden het verlies van zevenduizend man te betreuren, waaronder
achttienhonderd gevangenen geteld werden. Misschien zijn er meer
gevangenen geweest; maar Janmaat liet die liefst ontvluchten. Zelfs
moest men er in ons land weldra maatregelen voor nemen, dat de
ontsnapping der gevangenen naar Vlaanderen door het bootsvolk niet werd
in de hand gewerkt. Schijnbaar was dat een zonderlinge handelwijze van
onze varensgasten. Toch lag de oorzaak voor de hand. Een zwerveling,
gelijk een zeeman is, kon vandaag in zijn eigen land vrij rondloopen
en misschien korten tijd later in een Vlaamschen of Spaanschen
kerker geworpen worden. Men behandelde dus een gevangene gelijk men
't liefst zelf behandeld wilde worden, en--de liefste behandeling
was de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten. Dat kon Janmaat aan
zijn voor ditmaal ongelukkiger collega wel verschaffen, zoolang men
zich niet ver van de zee bevond. Waren de gevangenen eenmaal over
't land verspreid en in de verschillende kerkers opgesloten--waar
zij een hard lot hadden, omdat er weinig voor hun onderhoud betaald
werd--dan kwam er zelden of nooit iets van een ontsnapping, en bleef
de eenige hoop van de in verveling en armoede wegkwijnende zeerobben
op een mogelijke uitwisseling van gevangenen bestaan.

De wijze, waarop admiraal Tromp en de zijnen in het vaderland werden
ingehaald, was warm en hartelijk. Een groote vreugde was er over het
geheele land. "Hij wierdt overal met groote tekenen van vreugde, en
toejuichingen ontvangen, en van veelen, ook onbekenden, begroet en
verwellekomd.... Daarbij wierden de klokken ten teken van vreugde,
door het gansche land geluid. Men brandde overal vreugdevuuren en
piktonnen. De Toorens wierden met Lantaarnen verligt, en, hier en daar,
kostbaare vuurwerken afgestooken".

Een van de meest indrukwekkende oogenblikken moet voor den admiraal
zijn verschijning in de Staten van Holland geweest zijn. Niet dat het
daar feestelijk of plechtig toeging. 't Was alles heel eenvoudig, en
in sobere woorden maken de resolutiën van de Staten er gewag van. Daar
stond hij voor zijn meesters, de machtige Heeren van Holland, die
twee jaar geleden hem aanbevolen hadden aan den Prins van Oranje,
hem, den eenvoudigen Maerten Harpertsz. Tromp, den pekbroek, die
redding zou brengen in den nood, die het bevel aanvaard had over
een vloot waarop een vloek scheen te rusten, over kapiteins die
zich geen haar minder rekenden dan hij, over een bemanning die aan
't verloopen was en liever bij de Duinkerkers ter kaapvaart dienst
nam dan te blijven op een vloot, welke de spot dierzelfde kapers en
de ergernis der landgenooten was.

En nu.... groote en gevoelige slagen waren aan de Duinkerkers
toegebracht. Uitgeroeid waren zij voorzeker nog niet, en nog jaren
zouden zij met minder of meerder stoutmoedigheid hun rooftochten
ondernemen. Maar het geloof aan hun onkwetsbaarheid was vernietigd. Zij
waren trefbaar, zij waren niet in alle opzichten de meesters der
Nederlandsche zeelieden. Zij hadden schier de opperheerschappij over
de Noordzee gevoerd. Dááraan was een einde gemaakt, en voor goed een
einde, omdat er een Nederlandsch zeewezen geboren was geworden en
aanwies en groeide in kracht, een zeewezen, dat de heerschersstaf ter
zee ontwrongen had aan de Spaansche monarchie. Dezelfde Nederlanders,
die twee jaar geleden schuw hadden opgekeken wanneer er over den
boozen man, over den Duinkerker kaper gesproken werd, hadden nu bij
Duins twee groote wereldmachten, Spanje en Engeland, tegelijkertijd
durven trotseeren. Wèl had Tromp zich het vertrouwen, dat de Heeren
van Holland in hem gesteld hadden, waardig getoond.

Over dit alles.... geen woord in de resolutie van Woensdag den 2den
November 1639.

"Is binnen gekomen den Heer Lieutenant Admirael Tromp, ende heeft hare
Edele Groot Mo met particulariteyten rapport gedaen van al het gunt by
hem ende syne byhebbende Vloote ter Zee was bejegent, zedert den acht
en twintigsten April sesthien hondert negen en dertigh, als wanneer
hij van hier t'zeyl is gegaen tot de Victorie die Godt Almachtigh
desen Staet heeft verleent tegen de Spaensche Vloote incluys".

Ziedaar alles. Hij dient een schriftelijke memorie in over den
staat der schepen. De zaken beginnen, en daar is hij met even kalme
hersenen bij als te midden van den strijd. En zich verheffen op een
der glorierijkste gebeurtenissen uit onze geschiedenis? 't Minst van
al denkt daar Bestevaer Tromp aan. De zegen is immers genadiglijk
door God aan dezen Staat verleend?

Was er ook een andere handelwijze van hem te verwachten, die eens als
jongeman voor den Bassa van Tunis stond en eigen eer en voordeel van
de hand wees, omdat hij maar één woord had en dat was verpand aan
zijn vaderland?

Die eenvoudige verschijning van Tromp in de Statenzitting van
den 2den November 1639, is een waardig tegenhanger van de even
eenvoudige verschijning van een jong Nederlandsen stuurman, voor
het in Oostersche weelde schitterende hof van den Bassa van Tunis,
omstreeks den jare 1621.



TIENDE HOOFDSTUK.

LASTERTONGEN EN KLEINZIELIGHEID.


De Spaansche macht mocht door den zeeslag van Duins een knak gekregen
hebben, waarvan zij zich niet meer herstellen zou, het eigenlijke
doel, de overbrenging van de troepen naar Vlaanderen, was voor het
grootste gedeelte bereikt. In September toch, terwijl de Spaansche
vloot op de reede van Duins vastgekluisterd lag, was het aan een
dertiental Spaansche schepen gelukt te ontsnappen. Dat was langs
een weg gegaan, welken de Engelschen ons als onbevaarbaar hadden
opgegeven, doch die dat niet was. De Engelschen hadden hun Spaansche
gasten als loods gediend, en zoo waren die Spaansche bodems, waarop
zich een groot aantal soldaten bevond, ver van de Nederlanders af
in het ruime sop gekomen, en hadden de Zuidelijke Nederlanden weten
te bereiken. Ook had, in den zeeslag bij Duins zelven, de Spaansche
admiraal d'Oquendo met een twaalftal schepen weten te ontkomen. Hij
was in zijn vlucht begunstigd door een beschermend gordijn van mist,
en toen deze uiteenwoei was het door een sterken, fortuinlijken wind,
die hem tot zijn overgroote vreugde de haven van Duinkerken deed
bereiken. Ten slotte kan ik niet vinden, dat de buitgelden bijzonder
groot waren. Zij bedroegen wel bijna 135 duizend gulden, maar ik denk,
dat het aan de Jantjes, die van de schatten der Onoverwinnelijke
Vloot gedroomd hadden, wel tegengevallen zal zijn. De belooningen,
die aan eereblijken en wat dies meer zij werden uitgereikt, bedroegen
zelfs veel meer, namelijk zes ton gouds.

Al deze beschouwingen konden voorzeker voldoende zijn om de spijtigheid
van degenen, die het niet goed velen konden, dat den admiraal en
den zijnen zooveel eer werd aangedaan, wat te verzoeten. Spijtige
menschen en jaloerschen zijn er altijd, en Tromp had vijanden te
over. 't Spreekt vanzelf, dat er personen waren, die liever gezien
hadden, dat het niet goed met een pekbroek was gegaan.

Doch het was er verre vandaan, dat zij door de aangevoerde overwegingen
hun jaloerschheid of hun bitterheid voldaan voelden. Het ging hun
in deze dagen te hoog met Tromp. Door "treffelijke geschenken",
zooals onze Wagenaar zich uitdrukt, trachtte men zijn dapperheid te
beloonen. In Januari 1640 werd hij Ridder in de Orde van Sint Michiel
en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk den Dertienden, met een
nieuw wapen begiftigd. Maar--wat zijn benijders wel het meest in de
oogen stak--hij trouwde "een rijcke Joffrou met veel gout".

Deze "rijcke Joffrou" heette Cornelia Berckhout, en het huwelijk werd
ten jare 1640 te 's-Gravenhage voltrokken. Zij was "een Raets-heere
dochter, haer vaertje was van Munnickedam, en placht inden Haegh op de
Vijverberghe te woonen, en haer moertje was van Delft van de beste van
't Stee".

Ongeveer dezen tijd moet de venijnige brochure verschenen zijn,
waaraan wij bovenstaande bijzonderheden ontleenden. Wat ook
zoo'n Maerten Harpertsz. Tromp zich verbeelden zou! Dat was me
een admiraal; jawel! door zijn mooi-praten en zijn flikflooien,
door zijn "Lammertongetje," en vooral omdat hij de dominees op
zijn hand had. Want die heeren predikers zouden het wel voor hem
"rondschieten". De veinsaard! die wist van handjes-geven en van
broeder en "vriendekens" zeggen! Het ging met hem als met Reintje de
Vos toen deze zich in een monnikskap gestoken had. Toen was de vos
een degelijk gezel en niemand durfde iets van hem zeggen, want 't
was een broeder van de Kap, en de andere dieren ontvingen dagelijks
zijn zegen. Gelukkig was hij, die zijn afteekening in zijn hol had,
anders was men een ketter en geen goed Patriot.

Men had hem eens moeten gezien hebben, "inde Coetswaghen" toen hij
trouwde! Hij leek wel een "Noortse-Beer!"

Nu--zei Griet Smeers,--'t zag er met Maerten vóór 20 jaar al heel
anders uit!

Of het--antwoordde Trijn Jans.--Ik heb Martens allang gekend, en zijn
vaar ook wel. Die was Trompetter in Den Briel, en daarna werd hij
kapitein op een buisconvoyer. En zijn moer waschte de maats d'r hemden,
en steef de kragen om geld. En toen Maerten nog jong was, liep hij
tot Rotterdam met een schootsvel voor en was een timmermansjongen:
en deze vent wil met geweld van adel wezen, daar hij altijd mede
placht te spotten!

Griet Smeers schudde medelijdend het hoofd. Die Maerten Tromp. Als zij
daarover wilde beginnen, was zij vooreerst niet uitgepraat. Want zij
wist nog wel wat anders van hem en zijn mooie familie. Zijn moer had
nog vóór twee jaar voor de menschen gesteven, en zijn zusters deden
het nog. En zijn jongens plachten zoo schâloos rond te loopen, of zij
bedelaarskinderen waren. Wat een mensch al niet beleven moest! Dat
rijdt me in wagens, dat is me gekleed in zijde en satijn.... en dat
wil niet eens de drieduizend gulden betalen, "die zijn moer van zijn
salighe vaers nog wel schuldigh" is!

Ja, Maerten was van "sulcken volckje". In zulk "een mooi geslacht"
kwam nu die Haagsche juffrouw. Hm.... begrijp-je niet, waarom dat
zieltje, dat zich dag en nacht de oogen rood weende, in zulk een rare
familie kwam? Och ja, je bent misschien als Marinus Crijnsz. uit deze
t'Samen-Spraeck nog wat "te jongh om alle dinck te weten". Maar als
je een "fris jongman" bent, en bijgeval ter zee vaart, heeft Trijn
Jans u nog wel een goeden raad te geven. Je moet maar mooitjes ter
kerk gaan en niet één preek verzuimen, en dan zult ge in de kennis
van de Heeren komen. Die zullen je wel recommandeeren om kapitein te
worden. En misschien kun-je dan wel een dochter van een dier Heeren
trouwen, of ook wel de meid, als niemand ze meer hebben wil....

Hoe menigeen uit de 20ste eeuw zal verbaasd zijn, als hij van zulk een
flauwen praat, vooral van dat laag neerzien op iemands afkomst hoort
gewagen, in een eeuw, die òns daarvoor te groot leek. Spreken wij niet
van mannen die zich vol geestkracht zèlf door de wereld geslagen hebben
en tot wie wij, juist daarom, hebben leeren opzien? Wonderlijk! De
eeuw, waarin zij leefden, sprak van hen met onverholen minachting
als van die kapiteins, "dat maer snyders, wevers en sulck volck zijn".

Ja, ziet u--zou een der personen uit onze t'Samen-Spraeck daarop
geantwoord hebben--iemand moet de gal wel overloopen, als hij 't
over Maerten Harpertsz. Tromp heeft. Want in zekeren zin is hij een
afvallige, een ontrouwe. Hij was immers juist zoo hoog geklommen, omdat
men het ter zee nu eens wilde probeeren met iemand, die géén jonker
of zoo iets was. Men wilde een "peckbrouck". En nu men er een had,
was hij "een gemaeckte joncker" geworden, die nu alle gelegenheden
opzocht, om maar stillekens aan wal te blijven.

En.... aan wal was het veiliger. Och, er had nooit veel moed in Maerten
gezeten! Toen hij nog maar kwartiermeester was onder Moy Lambert en
voor Algiers in Barbarije lag, was het eens geschied, dat men op het
schip schoot met den steenen kogel, die "noch voor d'Admiraliteytshof
tot Rotterdam hanght". Maerten stond juist aan 't roer en hij kreeg
een stuk van een plank tegen het achterlijf. Dadelijk liet hij het
roer los en liep tot voor in 't galjoen, en hoewel hem even weinig
deerde als u of mij, riep hij maar:

"Ik ben dood! ik ben dood!"

Wilt ge Jan Slomp, die u op minachtenden toon dit verhaal doet,
tegemoet voeren dat Maerten toen nog heel jong was, dan zal deze "oudt
varendt Man" u antwoorden, dat de "Courage" niet "metten ouderdom"
komt, en hij zal u gaan bewijzen, dat het in het leven van Tromp àl
geluk en geen de minste verdienste was.

En als hij, volgens zijn meening, u dit alles daghelder heeft
aangetoond, zal hij u het laatste greintje achting, dat ge nog in
uw borst voor Maerten koestert, wel ontnemen. Want, ziet ge, Tromp
was een geldduivel. Hij sliep met de Directeuren, die de leverantie
van de eetwaren hadden, onder één deken. Zelf was hij Directeur
geweest, en toen had hij brood van "verdroncken terwe" voor de
oorlogsschepen laten bakken. Als je er erg in hebt, dat zijn zwager
bakker in Den Briel is, dan behoeft bij deze mededeeling werkelijk
geen knipoogje gegeven te worden. Welnu, dien zwager liet hij van
dat bedorven goedje brood bakken, dat hij zelf voor een daalder op
't honderd meer in rekening bracht, dan het de bakkers te Rotterdam
aangeboden hadden te leveren. En als je soms wat nader wilt weten
van het ordonnantie-koopen.... daarvan zou-je wat kunnen hooren van
kapitein Juijnbol te Rotterdam....

Ha, daar hebben we eindelijk een naam, die ons op het spoor zal
brengen van de personen, die zulke verschrikkelijke beschuldigingen
naar het hoofd van Bestevaer Tromp slingerden, en die, voor het minst,
aan het slot van dit schotschrift hun naam wel hadden mogen plaatsen.

Ze mochten anders die namen wel doen hooren, want ze zijn met roem
bekend in onze Vaderlandsche Geschiedenis. En.... daarom is het toch
maar goed, dat ze niet onder een schotschrift aan het nageslacht
overgeleverd zijn, al zijn ze aan dergelijke schotschriften niet
vreemd. Neem het dan niet te hoog op, als ge verneemt hoe zij een
onzer nobelste figuren trachten zwart te maken. Bestevaêr Tromp nam
het ook zoo hoog niet op: "die lachte daer dan eens om en seyde, wat
mogen dese menschen al woelen, en was alsoo veel daer over onstelt
als Berg of Toren, daer een kint een steentje tegen aen gooid."

Geen heldentijdperk, in welke geschiedenis ook, of om de hoofdpersonen
bewegen zich tal van personen, die het eene oogenblik kunnen handelen
met zulk een schittering van daden dat zij ons meesleepen, en het
andere oogenblik zich als onbezonnen kinderen en groote kwâjongens
kunnen aanstellen. Duld dan ook in de helden uit ons helden tijdperk,
in die kloeke, alles wagende zeerobben, met hun hart, dat in goeden
en kwaden zin vol streken uit hun kwâjongenstijd is gebleven, veel
schaduw achter het nog wijd stralende licht.

Doch.... dat vraag ik u wel voor zijn benijders. Voor hemzelven behoef
ik dit minder te doen.

Een twaalftal jaren na het verschijnen van het schotschrift, toen al
die dingen "al oud" waren, en "die nijdige menschen meest dood"--mijn
hemel, in dien tijd gebeurde er in een tiental jaren te veel, dan dat
men zou blijven zaniken over een paar ellendige praatjes!--verscheen er
weer een samenspraak over de zaken van den dag, "Een Praatje over den
Ouden en Nieuwen Admiraal", waarin de twee personen, die de schrijver
sprekende invoert, door hem Joris en Govert worden genoemd.

Joris haalt "die oude dingen" nog eens op.

Het is u wel bekend, zegt hij, dat voor drie- of vier-en-twintig
jaar "Pier Heyn" doodgeschoten werd, en dat admiraal Jonkheer Van
Dorp in diens plaats benoemd werd. Doch die maakte het zoo bont met
zijn "Landgangers", dat er veel koopvaarders door den vijand genomen
werden. Tromp echter, die op Piet Hein's schip kapitein was geweest en
toen zelf een schip had, meende, dat hij als een goed vaderlander niet
alleen 's lands gage trekken, maar ook daarvoor wat doen moest. Hij
bracht van den wijden plas zooveel prijzen mee, dat Van Dorp, de
vice-admiraal Liefhebber, kapitein Juijnbol en nog anderen meer,
daarover jaloersch werden. Eens was het zelfs geschied, dat Tromp,
die twee Duinkerker kapers achterna zette, door den vice-admiraal
Liefhebber geseind werd terug te keeren. Tromp, die later in de
uitwerking van zijn doordachte plannen, rekenen moest op de stipte
nakoming zijner bevelen, gaf hier als ondergeschikte het voorbeeld,
dat hij, die wil leeren commandeeren, moet beginnen met zelf te
gehoorzamen. Hij liet de Duinkerkers los, maar kon onmogelijk zijn
onwil verbergen. Daarover bracht Liefhebber bij de autoriteiten zijn
beklag in, en toen Tromp door eenige Heeren over dit geval kwalijk
bejegend werd, legde hij uit spijt "van dat hij niet en mocht
doen als een eerlyck man toe staet", zijn degen neder en verliet
's Lands dienst.

Eenigen tijd daarna werd hij een der Directeuren "over vijf schepen
van de Maze, daer van den Admiraal Dorps Schip er een was". Toen
leefde de oude wrok weder op, want Van Dorp kon niet lijden, dat
Tromp hem zoo in de kaart keek. Want hij en zijn volk kregen toen de
betalingen door handen van Tromp. Toen dit nu een wijl geduurd had en
de admiraal Van Dorp ter zee niets uitrichtte en vervolgens, om niet
afgezet te worden, zijn ontslag nam, werd het luitenant-admiraalschap
ter zee "geofferreert ende gepresenteert aen onzen Tromp, ten tijde
als hij nergens minder na dacht, als na dat Officie". Dit baarde zulk
een spijt en nijd in velen, voornamelijk in Van Dorp, Liefhebber en
anderen, dat zij daarover, "alsof sy metten Duyvel compact hadden
gemaeckt, alle vileynieën en vuyligheyt die sy konden verzinnen,
tegen hem uytspoghen, om hem in den haat van Groot en Kleyn te
brengen". Al zijn daden wierden op het nauwst bespied. Was er iets,
zelfs in groote zeeslagen geschied, dat niet naar hun zin was, dan
werd dat met alle bitterheid en scherpheid gehekeld, overgehaald en
kwalijk geduid. Zij schreven en lieten drukken, verscheidene vileyne
boekjes en paskwillen, welke zij met zoo schendige leugens vulden,
dat ieder, die ze gelezen heeft, lichtelijk konde oordeelen, door
wat geest "deze guyten" gedreven werden.

En nu noemt Joris verschillende zeeslagen op, waarvan "al de wereld"
bekend is, hoe Tromp er zich in gedragen heeft, en haalt het oordeel
aan, eenmaal door den strengen Piet Hein over Tromp geveld. Verder
deelt hij mede, hoe er ook onder sommige edelen en krijgshoofden te
land een groote "belgzucht" tegen hem ontstond, omdat zij meenden,
dat men hen voor een ambt, zoo hoog als het admiraalschap, gepasseerd
had, en.... dat wel voor een man, van wien men kwalijk wist waar hij
vandaan kwam, een man van zulk een geringe afkomst als Tromp. En omdat
wij het met Joris volkomen eens zijn, dat de rechte adel, "te weten:
Manhaftigheyt, kloekmoedigheyt en Couragie" niet aan Tromp's geslacht
ontbrak, herhalen wij zijn woorden niet verder, maar vernemen alleen
nog met belangstelling, dat Tromp, in plaats van door het befaamde
huwelijk met die Haagsche juffrouw een onuitstaanbaar parvenu te
worden, altijd de zeeman is gebleven, hoe vaak hij ook in Haagsche
kringen moest verkeeren.

Kwam hij in Den Haag--zoo ongeveer vertelt ons Joris--waar hij iemand
van de Heeren moest spreken, dan zeilde hij recht door zee. "Hy en
wist geen Hooffsche Complimenten noch van geen Haegsche drayery;
dat hy seyde, dat meende hy, sonder iemand na de mond te praten".

Wel.... onze Griet Smeers uit de t'Samenspraeck heeft toch niet geheel
en al ongelijk gehad, toen zij Maerten Harpertsz. Tromp, den vader
van dien Cornelis (of den Kees Tromp der matrozen) die zelfs aan het
hof van den Franschen Zonnekoning Lodewijk XIV de Nederlandsche zeeman
bleef, voor "een Noortse Beer" schold!

Maar die "Noortse Beer" mocht tegenover al dat kinderachtige geklets
en gerel een dikke vacht kunnen stellen,--één fijne priemsteek moest
hem altijd diep wonden. En men zou ook wel geen mensch moeten zijn,
indien men een beleediging, zijn moeder aangedaan, niet voelde branden
tot diep in de ziel. Tromp hield veel van zijn moeder. Met innige
kinderliefde bleef hij haar aanhangen, hoe hoog hij mocht klimmen in
aanzien en in jaren. Hij was al een man van vijftig jaar geworden,
toen het bericht, dat zij op haar ziekbed zeer naar hem verlangde,
voldoende was om den admiraal, die met zijn schip in het Goereesche
zeegat lag, zich te doen wenden tot de Staten-Generaal met het verzoek
"een keer" te mogen maken naar Rotterdam. In de ongedrukte resolutiën
der Staten-Generaal vindt men dit vermeld in termen, die zeker wel
een terugslag zijn op den brief van Tromp zelven. Want het verzoek was
gegrond op de reden, dat zijn moeder "door indispositie soo verre is
geraect ende verswackt, dat sy naer 't oordeel der doctoren wel een
cort eynde mocht maken, ende alsoo sy seer verlangende is haer soon
noch eens te spreecken". Men vindt dit gemeld op den 2den December van
't jaar 1648. En gaarne voeg ik hier aan toe het oordeel van een onzer
grootste historieschrijvers der 19e eeuw, wijlen prof. R. Fruin, aan
wien ik deze mededeeling te danken heb, en die mij daarbij schreef:
"Dat geeft een goede gedachte van de verhouding tusschen den tot
hoogen rang opgeklommen zoon en zijn nederige moeder."

Zijn moeder is toen niet gestorven. Wij zullen haar in ons verhaal
nog eenmaal terugvinden, en dan zal het zijn met diepen eerbied voor
de grootste smart, welke haar op aarde treffen kon. Nu willen wij nog
even terugkeeren tot dat veelbesproken derde huwelijk van Tromp. We
hebben er van gehoord, hoe men de moeder van den admiraal uitlachte,
omdat zij bij al die groote dames en heeren van de partij was. En
werkelijk, die aanzienlijken hebben er óók even over gesproken. De
aanzienlijksten van het land zouden op die bruiloft tegenwoordig
zijn. Paste daar wel dat eenvoudige burgervrouwtje bij?

Vermoedelijk, of bij de liefde welke Tromp zijn moeder toedroeg
mag men wel zeggen zeer zeker, heeft de admiraal hiervan niets
geweten. Toch werd er tot zelfs in de Staten over gesproken, en men
wist tot geen besluit in deze zeer teedere kwestie te komen. Toen
besloot men eindelijk er den man over te raadplegen, die, in naam
een dienaar der Staten, inderdaad een souverein was, een Vorst
van hooge en edele geboorte, die, gelijk alle zijne voorzaten en
nakomelingen met wie het Nederlandsche volk zich één gevoelde,
in dit veelszins kleinsteedsche land de vertegenwoordiger was van
een ruimer, groot-steedsche wereldbeschouwing. Aan den heer Clant,
den President der vergadering, werd opgedragen zich tot den Prins
van Oranje te wenden.

Den volgenden morgen werd met spanning tegemoet gezien, wat de
Voorzitter zou mededeelen over dit onderhoud met Zijne Hoogheid,
prins Frederik Hendrik. Zou de Oranjevorst, die werkelijk wel wist
hoe het hoorde, het óók wel een beetje raar vinden, dat een eenvoudig
burgervrouwtje onder al die hooge gasten aanzat op de bruiloft van
haar zoon? En.... zou door deze beslissing wel eens heel het huwelijk
in duigen kunnen vallen? Want Tromp bleef toch altijd een zeeman,
en dat slag van lieden kan zoo ongezouten uit den hoek komen....

Wie de verhouding van de Vorsten en Vorstinnen uit het Huis van Oranje
tot onze "kleyne luyden" kent, die juist daarom met aandoenlijke,
de eeuwen en de tegenspoeden trotseerende vereering dat Huis bleven
aanhangen, weet al vooruit welk antwoord de President in de vergadering
bracht. De Staten hoorden zijn boodschap aan, en toen werd eenstemmig
besloten volgens het gevoelen van Zijne Hoogheid te handelen.

Want.... een Prins van Oranje had wel degelijk gewild, dat het
moedertje van den zeeheld op de bruiloft van haar zoon zou aanzitten
naast hem, om wien zij veel geleden had in de dagen toen hij als kind
voor haar verloren scheen, en in wiens geluk en glorie niemand ter
wereld inniger deelde dan zij?



ELFDE HOOFDSTUK.

IS DE ZEE VRIJ OF NIET?


De vrede van Munster had eindelijk een einde gemaakt aan den Spaanschen
oorlog, die niet minder dan tachtig jaar geduurd had, tenminste indien
men het tijdperk van het Twaalfjarig Bestand er toe bleef rekenen. Lang
hadden de onderhandelingen gesleept. Zelfs waren er, die niet hadden
gedacht, dat wij, tegen onze belofte in, zonder Frankrijk een aparten
vrede zouden durven sluiten. Over al die dingen was natuurlijk zoo druk
geredeneerd, ook in het roefje van de trekschuit, dat niet weinigen,
die tot het leger of de vloot behoorden, er eens aan gingen denken,
of het niet beter was naar een ander baantje om te kijken. Zoo deed
ook Maerten Harpertsz. Tromp. Uit zijn kinderjaren toch herinnerde hij
zich het sluiten van het Bestand, en hoe toen zijn vader en vele andere
kapiteins hun ontslag uit 's lands dienst hadden thuisgekregen. Daarom
deed hij in het najaar van 1647 een bod naar het Kommandeurschap van
zijn geboorteplaats Den Briel, waar toen juist deze betrekking vacant
was gekomen. Hij moest toen ondervinden, dat men hoog geklommen kan
zijn, een beroemden naam hebben, om toch nog in de stad, waarin
men gewonnen en geboren is, voor een ander gepasseerd te worden,
wiens naam na een paar eeuwen alleen aan hen bekend is gebleven,
die nu en dan den neus in oude boeken en papieren steken. Wie toch
kent tegenwoordig nog een zekeren meneer Frederik van Lijer? Toch
werd deze op den 9den December 1647 door Zijne Hoogheid aangesteld,
en Tromp moest het maar bij zijn luitenant-admiraalschap van Holland
en West-Friesland houden.

Wist toen ook iemand ter wereld, dat na den vrede van Munster de
groote en verschrikkelijke oorlogen ter zee een aanvang zouden nemen,
waardoor juist dat woord admiraal iets van geheel eenigen klank in
onze geschiedenis geworden is?

En, of het werk zoo spreken moest, de persoon, die in 1639 bij Duins
de scheede wegwierp toen het zwaard getrokken was, kreeg in 1652 de
schuld van de vredebreuk met Engeland. Maerten Harpertsz. Tromp, de
overwinnaar bij Duins, die in 1639 met eer en loftuitingen overladen
werd omdat hij had doorgetast, werd om dezelfde reden in het jaar
1652 door velen in den lande met niet al te vriendelijke blikken
begroet. Want hij werd gehouden voor den man, die, omdat hij op een
oogenblik van verontwaardiging zijn gewone kalmte en bezadigdheid
verloren zou hebben, aan de Engelsche regeering een der welkome
voorwendsels aan de hand deed, om den oorlog met ons te beginnen,
waarnaar van Engelschen kant sterk verlangd werd.

Zeer eigenaardig was dat, herhalen wij, omdat zoowel bij den zeeslag
op de reede van Duins, als in den oorlog met Engeland, een brandend
vraagstuk dier dagen aan de orde kwam, dat voor ons, Nederlanders,
een levensbeginsel inhield. Dat was het vraagstuk over de al of niet
vrije zee.

Het bestek en de strekking van ons verhaal laten niet toe, deze zaak
uitvoerig te bespreken. Alleen mag het in een geschiedenis van Maerten
Harpertsz. Tromp niet met stilzwijgen voorbij worden gegaan.

Kon een natie een deel van de zee ook als deel van "het Rijk"
beschouwen?

"Ja!" zeiden de Denen, en ze sloten de Sont voor alle natiën, die het
tolgeld niet wilden betalen, dat door de Denen van elk schip geëischt
werd, hetwelk door de Sont van of naar de Oostzee voer.

"Neen!" zeiden de andere staten om de Oostzee, namelijk de Zweden en de
Polen en de Vrije Steden aan die zee. En te vuur en te zwaard trokken
zij, telkens als de gelegenheid hun gunstig scheen, tegen dat recht
van Denemarken te velde. Vermoedelijk hadden zij dadelijk "ja" gezegd,
indien het hun gelukt ware den Sont-tol te veroveren, en zouden zij,
evenals Denemarken, en misschien nog wel een haartje erger, dit recht,
om tol van voorbijvarende schepen te heffen, gehandhaafd hebben.

De Nederlanders, van wie de meeste koopvaardijschepen naar de Oostzee
voeren, hadden er het grootste belang bij, dat de Sont-tol in eigendom
toebehoorde aan een staat, die niet al te machtig was. Een niet te
machtigen staat konden wij in geval van nood gemakkelijker dwingen,
om geen al te overdreven tol-rechten te heffen. Daarom zei men wel
eens, dat de sleutels van de Sont van hout waren en te Amsterdam lagen,
waarmede men onze oorlogsschepen bedoelde. Vandaar dat, als de Zweden
en alle andere vijanden van Denemarken aan de Nederlanders de vraag
deden, of een land recht had op een deel der zee, wij toestemmend
antwoordden, en deze leer met het zwaard in de vuist tegen de Zweden en
andere belagers van Denemarken krachtig en met schitterenden uitslag
gehandhaafd hebben.

En de Nederlanders zeiden ook "ja!" waar het hun dierbare Oost
gold. Het gebied van den Gouverneur-Generaal strekte zich óók uit
over de zeeën van die eilanden-wereld. En wee den vreemdeling, die
het wagen durfde Nederlandsch Oost-Indië te naderen, om er een bezoek
te brengen, dat altijd als onwelkom werd beschouwd. Bij den vrede van
Munster, waarbij door Spanje ons recht op onze koloniën erkend werd,
was daarom ook wel degelijk bepaald geworden, dat Spanjaarden noch
Nederlanders in elkaars bezittingen mochten komen "om hun handel uit
te breiden of land van elkander in bezit te krijgen."

Maar--wat nu al heel zonderling leek,--het is de advocaat der
O.-I. Compagnie, de schrandere Hugo de Groot, die aan den eenen kant
"met macht van redenen in Engeland gaat betoogen dat de Hollanders
bevoegd zijn in de Molukken juist datgene te verrichten wat zij
schennis der Vrije zee noemen, wanneer de Engelschen in Europa het
nadoen",--terwijl hij aan den anderen kant in zijn beroemd boek Mare
liberum (d. i. de Vrije Zee) een krachtig "neen!" doet hooren en zoo
duidelijk als het hem maar mogelijk is aantoont, dat een natie geen
recht heeft een deel van de zee als eigendom te beschouwen.

Nu, dat "neen!" van Hugo de Groot werd door de Hollandsche en Zeeuwsche
haringvisschers, die op de kusten van Schotland en Engeland gingen
visschen en daar niet graag belasting voor aan Engeland wilden betalen,
volmondig nagezegd.

Zoodat, zouden we zoo zeggen, we bij de Nederlanders er niet goed wijs
uit kunnen worden, of de zee, "vrij" dan wel "gesloten" moest zijn.

Laat ons eens even naar Engeland oversteken, en vragen, wat onze
goede buren over deze zaak in het midden te brengen hebben. En al
weder stellen we zoo duidelijk mogelijk de vraag: of een natie een
deel van de zee als een deel van "het Rijk" mag beschouwen?

En, haast nog voor we uitgesproken hebben, klinkt ons een krachtig
"ja!" tegemoet. En omdat de Engelschen meer van daden dan van woorden
houden, hebben ze al in het jaar 1637 van onze visschers door middel
van hun oorlogsschepen dertigduizend gulden geëischt als betaling
voor het recht om op de Engelsche kust te visschen. En als wij dit
toch wel wat bar vinden, duwen zij ons een boek onder den neus Mare
Clausum (d. i. de Gesloten Zee) getiteld, dat door hun landgenoot
Joannes Seldenus geschreven is en door ieder rechtgeaard Engelschman
met instemming gelezen wordt. Of al leest hij het niet, hij is toch
ten volle overtuigd van de waarheid, die er in aangetoond wordt.

Nu ja, als het op boeken aankomt, behoeven wij gelukkig niet verlegen
te staan. Wij komen er ook al met een aandragen, een weerlegging op
Mare Clausum en door een Nederlandsch advocaat met name Dirk Graswinkel
met veel talent geschreven. Onze goede buren, de Engelschen, halen
er de schouders over op. En als wij, om hen toch tot het lezen van
deze kranige wederlegging te bewegen, aanvoeren, dat onze Staten aan
meester Dirk Graswinkel voor het schrijven van dit kostelijke boek een
jaargeld van niet minder dan f 500.-- hebben toegelegd, krijgen wij
ten antwoord, dat die advocaat daar goed mee is, maar dat het anders
zonde genoemd kan worden van het weggesmeten geld. En als we zoo over
en weer met boeken en bewijsgronden elkaar probeeren te overtuigen,
zonder dat men daarmede bij een der twee partijen een steek opschiet,
hooren we zoo iets mompelen: of het, gelijk de schooljongens doen
die van opschieten en niet erg van praatjesmaken houden, niet beter
zou wezen er eens om te vechten. Wie het wint, heeft gelijk.

Maar wie er erg mee in zijn schik was, dat er een zee zou zijn, waaruit
geen ander volk de vischjes mocht opduikelen zonder er behoorlijk voor
te betalen, was in zijn tijd wel de Engelsche koning Karel I. Die had
veel geld noodig, en van jaar tot jaar viel hem dat al moeilijker van
zijn eigen volk te krijgen. Nu was er toch een heerlijk voorwendsel
voor een belasting gevonden, waaraan het voor ieder Engelschman
een geluk en een voorrecht moest zijn aan mede te betalen. Wat kon
billijker en vaderlandslievender schijnen dan een belasting, het
Engelsche volk opgelegd, om, zooals de Koning zeide, het recht van
Engeland over de zeeën met kracht van wapenen te handhaven?

Ja, maar zoo hadden zijn onderdanen dat althans nu nog niet
bedoeld! Zij wilden met plezier over de zeeën heerschen, en de haringen
en de schelvisschen voor geboren Engelsche visschen verklaren,
waarvoor de Nederlanders veel geld moesten opbrengen. Maar om nu
daarvoor aan hun koning, die liefst zonder parlement wilde regeeren
en zijn eigen zin doorzetten, een belasting te betalen, waardoor hij
zijn eigenwijzen gang kon gaan en met de vrijheden van het Engelsche
volk een loopje nemen--neen, daar waren zij niet bijster op gesteld.

En.... daar was me, te midden van het gezeur daarover, Maerten
Harpertsz. Tromp gekomen, en had in 't jaar 1639 niet alleen een
vloot aangetast in de Engelsche wateren, maar zelfs op de kust
van Engeland! Karel I rekende zich dan ook zeer gehoond, en juist
daarom hadden zijn onderdanen er inwendig schik in. "De gemeente in
Engeland," zegt Wagenaar zeer eigenaardig, "schijnt er niet rouwig om
geweest te zijn!" Zeker niet; maar wel te verstaan omdat hun koning,
die niet die Spaansche vloot op zijn reede had moeten toelaten,
er een gevoelig lesje door kreeg. Doch het feit zelf, dat namelijk
het brutale Nederlandsche zeevolk op Engelsen gebied zulk een stout
stukje had uitgehaald, was een venijnig wespensteekje geweest voor
het Engelsche zelfgevoel. De angel was blijven zitten. En toen er
een heele verandering in Engeland had plaats gehad, een groot deel
van het volk tegen zijn koning was opgestaan, hem gevangen genomen,
ja, op een schavot ter dood gebracht had, en er verder een geest van
groot zelfbewustzijn was wakker geworden, aangevuurd door Olivier
Cromwell, die het zich maar niet begrijpen kon, dat een rijk en
machtig volk als het Engelsche zich in de zeevaart liet overvleugelen
door de slechts een paar millioen tellende inwoners van een klein
en aan eigen hulpbronnen eigenlijk arm landje--toen werd ons wederom
behoorlijk rekenschap gevraagd van onze misdaad bij Duins. En als wij,
Nederlanders, toch nog altijd tegenover Engeland wilden staande houden,
dat de Noordzee vrij was en groot genoeg voor de uitoefening zoowel
van de Engelsche als van de Nederlandsche zeevaart en visscherij--wel,
herhaalden de Engelschen, en nu op stouten en dreigenden toon, dan
moesten we er maar om vechten.



TWAALFDE HOOFDSTUK.

TROMP MOET VOORZICHTIG ZIJN.


"Voorzichtig! Bestevaer Tromp!" zeiden de Staten. En zij drukten hem
op het hart, om door geen overijlde handelwijze aanleiding te geven
tot allerlei verwikkelingen, die bij de gespannen verhouding tusschen
de twee naburige volkeren, licht tot een oorlog konden leiden. Het
meest had ons zeevolk het land, om in de zoogenaamde Engelsche
wateren--een gebied waarvan de grenzen hoe langer hoe meer werden
uitgebreid--eerbied te bewijzen aan de Engelsche vlag. Het was wel
zoetjesaan een gewoonte geworden, om voor een Engelsch oorlogseskader
de vlag en de marszeilen te strijken, en zoolang dit nu als een
soort beleefdheid kon beschouwd worden, welke men uit vrijen wil
aan de marine van een machtig rijk, waarmede men bevriend heette te
zijn, bewees, had men zich bij die gewoonte met de gewone Hollandsche
leukheid neergelegd. Doch in den laatsten tijd was deze begroeting een
bepaalde eisch geworden, en als men met zoo iets bij ons volk aankomt,
loopt het mis. Ons zeevolk mocht over de Heeren, die de nieuwigheid
hadden ingevoerd dat de aloude Prince-vlag voortaan den naam van
Statenvlag zou dragen, oordeelen zooals het wilde, die Heeren hadden
óók het land aan dien eisch, welke een beleefdheid in een vernedering
veranderde. Zij raadden Tromp daarom wel voorzichtigheid aan, maar
in het vraagstuk van het strijken van de vlag bonden zij hem niet aan
een bepaald bevel. Ze lieten dat over aan zijn bekende bezadigdheid.

En toch waren er, die zich de vrees niet konden ontveinzen, dat de
Oranjegezinde Tromp in dit geval niet die bezadigdheid zou toonen,
welke men van hem meende te mogen verwachten. Er was toch iets uit
onze staatsinrichting gelicht, waarmede het volk, dat niet tot de
regentenfamiliën of haar aanhangers behoorde, waarmede de "kleyne
luyden" met hun dominees, en het zeevolk vooral, maar geen vrede
konden vinden. De zoon en opvolger van prins Frederik Hendrik, de
talentvolle maar onbesuisde prins Willem de Tweede, was heel jong
gestorven. Acht dagen na zijn dood was aan de eveneens zeer jeugdige
weduwe een kindje geboren. Dat zwakke, teere wezentje kon toch geen
Stadhouder zijn, vonden de Heeren. Natuurlijk moest dat toegestemd
worden, maar men wilde toch het beginsel redden en vroeg daarom, of
het Prinsje die waardigheid niet kon bekleeden onder voogdijschap van
een zijner familieleden. Ook dat was niet mogelijk, hadden de Heeren
bepaald, en zoo was het eerste Stadhouderlooze tijdperk begonnen en
een diep insnijdende grenslijn aangebracht tusschen Nederlanders èn
Nederlanders. Aan den kant nu der voorstanders van een Oranjekindje
als Stadhouder, men wist het vrij zeker, stond admiraal Tromp. Ook
werden er wonderlijke dingen gefluisterd, als zou de Oranjepartij van
een oorlog met Engeland niet alleen de verheffing van het Prinsje,
maar ook een tegenomwenteling in Engeland verwachten, waarvan het
verdreven Koningsgeslacht familie der Oranjes was.

Zoo waren er dus wel, die onze vloot met een bang hart de vaderlandsche
havens zagen uitzeilen. En toch moest die vloot naar zee. Want
nu Engeland in vijandige verhouding tot Frankrijk stond, matigden
zich de Engelsche oorlogsschepen het recht aan, om de schepen, die
haar verdacht voorkwamen, aan een onderzoek te onderwerpen, of zij
bijgeval niet aan boord hadden, wat men contrabande noemde. Dat zulk
een onderzoek het meest op de Nederlandsche schepen werd toegepast,
sprak van zelf, omdat de Nederlanders nog altijd de vrachtvaarders van
Europa waren. Maar eveneens sprak het vanzelf, dat wij dit zooveel
mogelijk trachtten tegen te gaan, en onzen koopvaardijschepen niet
het recht mochten onthouden van beschermd te worden door oorlogsbodems
van hun eigen natie.

Toch had men uit voorzorg in Tromp's instructie neergeschreven, dat
hij tusschen Duinkerken en Ostende zee houden en liefst maar niet
te dicht de Engelsche kust naderen moest. Trouw had hij zich aan dit
voorschrift gehouden, maar toen er een storm opstak kwam het er minder
op aan wat er in de instructie stond, dan wel wat "de Zeemanschap"
van Tromp noodig achtte. "Een reeder,"--aldus zegt zeer terecht
de ons nog wel bekende Joris--"zal zijn schipper niet belasten,
dat hij zijn schip zoude stranden, maar de nood doet het dikmaals
wel doen". Zich van de Vlaamsche kust met al haar zandbanken en
ondiepten afwendend, zette hij, ter herstel van de geleden schade,
koers naar de Engelsche kust. Daar nu woonde wel een bevolking,
die den Nederlandschen zeeman niet welgezind was, maar.... na
tijden van storm en doodsgevaar, als er hulp en bijstand gevraagd
wordt, bestaat er tusschen de zeevarende volkeren geen verschil van
nationaliteit. In 't jaar 1648 had men daarover met Spanje zelfs
een afspraak gemaakt. Welke beperkende bepalingen, aldus luidde zij,
men ook mocht blijven handhaven voor oorlogsschepen in wederzijdsche
havens, men zou een uitzondering maken voor die, welke "gedreven
(wierden) door tempeest, ofte gedrongen (wierden) hetselve te doen
door nood, om te schouwen de peryken van de Zee". Daarom kon Tromp
gerust zijn, toen hij den Engelschen Commandeur, die voor Dover lag,
had laten aanzeggen, "dat hij daar niet kwam, dan door den storm en
nood gedreven zijnde". Die Commandeur had nu de juiste verklaring van
dit onverwacht verschijnen eener Nederlandsche vloot op de Engelsche
kust, en alle mogelijke gevoeligheden waren daardoor ontzien.

Zoo had alles goed kunnen afloopen, en zou Tromp, na de geleden schade
hersteld te hebben, wederom naar zijn in de instructie aangewezen
streek zijn teruggezeild, als hij niet gewaarschuwd was geworden
dat er zeven straatvaarders groot gevaar liepen door de Engelschen
aangetast te worden. Dadelijk stevende de admiraal naar de aangeduide
plaats en toen hij wederom de Engelsche kust naderde, ontmoette hij den
Britschen admiraal Blake, die het bevel over vijftien oorlogsschepen
voerde. Tromp dacht nu niet anders, of hij was al te laat gekomen,
en Blake zal wel inwendig woedend geweest zijn, dat, door de nadering
van de Nederlandsche zeemacht, het kansje op de zeven straatvaarders
minder gunstig voor hem begon te staan. Doch wat beide vlootvoogden
bij deze ontmoeting daarover ook mogen gedacht hebben, zeker is het,
dat zij beiden al dadelijk voor het groote vraagstuk stonden van het
strijken der vlag.

Tromp zelf heeft verzekerd en verschillende ooggetuigen hebben het
bevestigd, dat hij al zijn zeilen ingenomen had, "uytgesondert beyde
myne marszeylen, en die gestreecken, tot respect van den Admirael". Ook
had hij een matroos naar boven gezonden, "die den heer Admirael Blake
selve heeft connen sien opclimmen", om de vlag te strijken en die
reeds den wimpel, welke eerst onder de vlag waaide, had ingenomen.

Maar de vlag zelf is niet neergegaan.

Of Tromp er begrijpelijkerwijze wat te lang mee getalmd heeft, dan
wel dat Blake te haastig gebakerd was, valt na zooveel jaren en bij
allerlei tegenstrijdige berichten over en weer niet meer uit te maken.

"Zoo haest wy binnen schoots quamen"--aldus verhaalt Maerten
Harpertsz. Tromp zelf hetgeen er nu verder gebeurde--"heeft hy datelick
een yser over ons heen geschooten; weynich daernae noch een schoot
geschooten. Doen liet ik myn chaloup (die achter aen 't schip sleepte)
aenhaelen en volk daer in gaen, om myn Capn (= kapitein) aen syn boort
te seynden, hem te begroeten en zyne meyninge te verstaen, doch eer het
halve volck in de chaloup waren, schiet den Admirael een schoot door
ons schip, een man den arm aff, en verscheyden met splinters gequetst,
daerop wy met een canon antwoorden, verre voor syn schip, hoopende,
dat hy soude onse chaloup aen boort wachten, maer in desselfs plaatse
draayt met ons voor de wint en presenteert ons zyne gansche zy, en
schiet deselve door ons schip en zeylen, met alle merckelicke mynen
(meening), om ons in de gront te schieten; daerover deur verbaestheyt
ons volck uit de chaloup over int (in het) schip en de man, die aen
onse vlagge stonde om te strycken, beneden is gecomen".

Als we nog wat meer uit dezen brief van Tromp aan de Staten
overgeschreven hadden, zouden we vernomen hebben, dat hij eindelijk,
als noodteeken voor zijn andere schepen, "de roode vlagge onder
de Prince" had laten waaien. In het vuur van zijn redeneering
snijdt hij zich hier leelijk in de vingers. Hij mocht toch niet
meer van de Prince-vlag spreken, en de Staten van Holland konden
hun oogen niet gelooven, toen zij dat maar zoo, alsof er nog een
Oranje Stadhouder was, in een brief van een ambtenaar neergeschreven
zagen. Ze beschouwden het dan ook als een soort ketterij, "noemden
het een abuis en drongen er op aan, dat zulks veranderd zou worden;
doch, zoo het schijnt, ontbrak hiertoe de gelegenheid, daar de meeste
scheepsbevelhebbers in zee waren, en bleef dit dus zonder gevolg".

De ontmoeting tusschen Tromp en Blake bij Dover leidde tot een
al heftiger wordende gedachtenwisseling tusschen de Engelsche en
de Nederlandsche staatslieden. "Het ware wel te wenschen", aldus
schreef Johan de Witt nog den 8sten Juni 1652, dus ruim een week
na de bovenvermelde ontmoeting tusschen Tromp en Blake, welke den
29sten Mei van dat jaar had plaats gehad, "het ware wel te wenschen
dat sulx door de voorsichticheyt van d'een of d'ander der Admiraels
(Godt weet wie de schult heeft) waere voorgecomen, alsoo daeruyt niet
sonder redenen verder verwyderinge staet te vreesen".

De aanstaande raadpensionaris van Holland had goed gezien. De kanonnade
op de reede van Dover is het sein geweest tot het uitbreken van den
voor ons zoo noodlottigen Eersten Engelschen zee-oorlog.



DERTIENDE HOOFDSTUK.

TEGENSPOED EN ONGENADE.


Wat heeft Maerten Harpertsz. Tromp een tegenslag gehad in het begin
van dien oorlog! En wat erger was, daardoor niet kunnen voldoen aan
de verwachtingen, welke men van onze toerustingen ter zee meende te
mogen koesteren.

Het plan van Tromp was geweest, om den Engelschen vice-admiraal Ascue,
die met dertig schepen voor Duins lag, met onze geheele macht aan
te vallen, zijn vloot te vernielen en daarna den Engelschen admiraal
Blake op te zoeken, die met zestig schepen uitgeloopen was en om de
Noord zeilde. Nu was het waar, dat, terwijl Tromp de reede van Duins
opzocht, onze haringbuizen in dien tijd gevaar liepen om door Blake
genomen te worden; maar in de eerste plaats wist Tromp niet beter, of
de haringbuizen hadden een wenk gekregen om naar Noorwegen te vluchten,
in de tweede plaats kon hij Blake toch niet meer inhalen, en, wat wel
het zwaarst woog, in de derde plaats zou hij door zijn tocht naar het
Noorden aan Ascue de vrije hand geven tegen onze koopvaardijschepen,
die in- of uitliepen. Ten slotte had onze admiraal het belangrijke
bericht ontvangen, dat er rijkgeladen Oostinjevaarders op den weg naar
het vaderland waren, die groot gevaar liepen in handen der Engelschen
te vallen.

Tromp zette dus koers naar Duins. Maar het ging al dadelijk niet vlot,
want wind en weer waren niet dienende; ja, eindelijk belette een
windstilte hem alle handelen. In plaats dat hij dadelijk de vloot
van Ascue kon aantasten, moest Tromp nu het ellendigste doen wat
er in deze omstandigheden wel ter wereld voor hem kon overschieten:
wachten en nog eens wachten.

Maar terwijl Tromp wachtte, begonnen de reeders van de haringbuizen
en de familieleden en betrekkingen der visschers datgene te doen,
waardoor de kinderen Israëls op hun tocht door de woestijn tegenover
hun leider Mozes zulk een vermaardheid verkregen hebben, namelijk
te murmureeren. Het was hun ter oore gekomen, dat Blake jacht ging
maken op de haringbuizen, en daarvoor waren zij begrijpelijkerwijze
zeer in angst. Mijn hemel, waarvoor had men een admiraal als Tromp,
indien de Engelschman nu maar de vrije hand had tegenover onze
visschers! Hadden die toch al niet genoeg te lijden van de plagerijen
der Roodrokken, of hoe men de Britten anders geliefde te schelden? Er
kwamen Oostinjevaarders naar het land en het verlies daarvan zou een
ontzaglijk groote schade zijn.... voor de groote mijnheeren! Snap-je
het nu, waarom Tromp in het Kanaal moest blijven? Of die arme
visschermannetjes al hun gansche bestaan verloren, dat gaf minder,
hè? Als de groote lui maar buiten schot bleven! Die groote rakkers
deden tegenwoordig alles maar wat er in d'r hoofd kwam. Daar hadden
ze zelfs na den dood van den jongen Prins Willem--als dat maar een
natuurlijke dood was geweest en er geen giftdrankje bij in het spel
was gekomen!--geen Stadhouder meer aangesteld. En toch was er een
Oranje. Een kind, ja! Maar... al is ons Prinsje nog zoo klein, alevel
zal hij Stadhouder zijn!...

Daar kwam men op de been in onze visschersplaatsen en als die luitjes
daar beginnen, zijn ze niet van de gemakkelijkste. De Heeren, die nog
niet heel vast op het kussen zaten, vonden het heel gevaarlijk, dat
zich die Oranjeleuze ging paren aan de luid uitgeschreeuwde uitingen
van ontevredenheid met het bestaande bestuur. En zoo kreeg Tromp,
zèlf een Oranjeman, het stellige bevel om Blake achterna te zetten,
en van de haringbuizen zooveel te redden als er nog te redden viel.

Nu twijfelen wij er niet aan, of Tromp, die als zeeman drommels goed
wist, dat de beste stuurlui aan wal staan, zou ze voor een korte wijle
hebben laten praten, indien er een fijn briesje was komen opzetten,
dat hem voor Duins had willen drijven. Het is slechts een vermoeden,
hetwelk wij hier uitspreken, want het fijne briesje liet zich wachten
en met een bloedend hart stevende Tromp noordwaarts.

"All right," zei Ascue, kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn,
en dat kwamen nu alle Engelsche koopvaarders, die als de drommel
van déze vrije zee profiteerden, om den Atlantischen Oceaan op te
zoeken en naar streken te varen, waar geen Statenvloot was. Maar ònze
koopvaarders konden nu thuis blijven. En voor Ascue kwàm het gunstige
briesje, waarvan hij gebruik maakte, om onze arme Oostinjevaarders
tegemoet te zeilen en ze vriendelijk te verzoeken een reisje mede te
maken naar Engeland.

Intusschen zeilde Tromp om de Noord. In welk een stemming kan men
zich voorstellen. Wat moest hij eigenlijk gaan doen? Wat Engelschen
doodschieten en wat arme jongens van zijn eigen vloot, die hij gewoon
was kinderen te noemen gelijk zij van hem als van hun bestevader
spraken, te laten doodschieten? Zoo iets noodeloos te doen, lag niet
in zijn aard. O, was men bij de uitrusting van zijn vloot maar wat
minder sammelig geweest, ja, dan had hij bij het begin der expeditie
Blake wel kunnen verhinderen uit de Engelsche havens te komen. Maar
men had getalmd en getalmd, en nu was dit mislukt, en het schoone
plan om eerst Ascue en daarna Blake aan te vallen was ook mislukt,
en... nu schoot er weinig anders over dan den Engelschman hier of daar
aan te grijpen, en den opvlammenden haat tusschen beide volkeren te
koelen in beider bloed.

En ook dit zou mislukken.

De Engelsche vloot was men op het spoor gekomen, alles werd voor den
bloedigen kamp in gereedheid gebracht;... daar slaat het weer om,
een geweldige storm steekt op en beroert de wateren der Noordzee. In
plaats van te strijden, was alle zeemanschap der ervaren zeelieden
noodig, om er zelf het leven af te brengen.

Iederen zeeman, die na zulk een storm en zulk een noodweer doorstaan
te hebben nog kans had gezien om zonder te groote verliezen de
veilige haven te bereiken, zou men geroemd hebben om zijn knapheid
en kordaatheid. Doch Maerten Harpertz. Tromp, was een admiraal,
uitgezonden om zegepralen te behalen en die er niet één behaald had,
uitgezonden om haringbuizen en Oostinjevaarders te redden, en die er
niet één gered had. Weg met zulk een man!

Ja, het schotschrift van 't jaar 1640 had gesproken van de Heeren,
bij wie Tromp geen kwaad kon doen. Maar men schreef thans het jaar
1653 en de toestanden waren sedert heel wat veranderd. De tijd,
waarop een Johan de Witt, die bij al het verschil van staatkundig
inzicht allergunstigst over een zeevoogd als Tromp oordeelde,
een over het algemeen eerlijke en bovenal verstandige handelwijze
zou volgen tegenover de vloot en wat daarmee samenviel, was nog niet
aangebroken. Daarom werden personen, die te nauw bij den gehaten Willem
II waren aangesloten geweest, met zekeren argwaan gadegeslagen. Al
de praatjes over Tromp's Oranjegezindheid kwamen weer los, en weer
liep het gerucht, dat hij het was geweest, die den Prins vóór den
aanslag op Amsterdam volledig had ingelicht, hoeveel krijgsvoorraad
er binnen die stad was.

Bij de dominee's had hij een wit voetje, zei het schotschrift.

Nu, daarmede mocht men vroeger in de gunst der Heeren zijn gekomen,
tegenwoordig zou dit een averechtsch middel zijn geweest. Want door
geen trouwer en waakzamer wachters is wel het vuur en de gloed van
de liefde tot het Huis van Oranje bij ons volk bewaard dan juist door
die dominee's.

Hoe het volk in de visschersplaatsen onzen held gezind was, hoe
de reeders van koopvaarders en Oostinjevaarders over hem dachten,
behoeft niet nader aangeduid te worden. Het was, of de dagen van
admiraal Van Dorp teruggekeerd waren. In 't kort: er was een algemeene
ontevredenheid over Tromp. "Natuurlijk," roept een Engelschman uit,
wanneer hij de ongenade van onzen held bespreekt. En hij heeft
gelijk. Want wee den gezagvoerder, die het geluk tegen zich heeft!

Er werd zelfs voorgesteld, om den admiraal, die zich genoodzaakt zag
het opperbevelhebberschap neer te leggen, voor een krijgsraad te
roepen. Maar zoover is het gelukkig niet gekomen, hoewel hij zich
verplicht zag zich te verdedigen "zoo in persoon als schriftelijk
voor gemachtigden van Hunne Hoog Mogenden."

Alleen Janmaat bleef hem trouw in zijn ongenade, en duldde niet,
gelijk wij reeds medegedeeld hebben, dat de nieuwe opperbevelhebber,
Witte Cornelisz. de With, op het admiraalsschip van Bestevaer zou
komen. Gelijk het meergemelde schotschrift ons geleerd heeft, hadden
enkele kapiteins in hun afgunst op Tromp, de minderen op hun hand
zien te krijgen door van het ellendige voedsel, dat het arme volk niet
het minst door toedoen van die kapiteins kreeg, de schuld op Tromp te
werpen. Welnu, Janmaat heeft partij gekozen. Dergelijke schotschriften
te schrijven, vermocht hij niet. Maar zijn trouw hart schonk hij weg
aan den man, die, als een hunner, onder zijn heldhaftige kinderen der
zee leefde; aan den man met zijn fortuin,--en toch met zijn ernstig,
diep gerimpeld gelaat; aan den man, die, hoe ook gegriefd en verdacht
gemaakt, gelijkmatig en rechtvaardig en toegeeflijk bleef tegenover
zijn minderen, en niet op hen verhaalde of wreekte, wat men aan
hem misdeed.

Gelukkig heeft ons volk dien toestand van ongenade niet lang doen
aanhouden. Ook zonder dat Tromp de opperbevelhebber was, bleek het,
dat de fortuin in dezen oorlog niet aan onzen kant geliefde te komen.

Of wij nu juist een aansporing (instignation) van den Deenschen
Koning noodig hadden om Tromp in zijn gezag te herstellen, zou ik
niet durven staande houden. Een Engelsch schrijver beweert het. Doch
ons eigen gezond verstand zal de Staten er wel toe gebracht hebben,
om hem opnieuw tot opperbevelhebber der vloot te benoemen.

Het was wel een groote eer voor Tromp, maar tegelijk een zware last,
dien men op hem lei. Gelijk wij nader zien zullen, deugden onze
uitrustingen niet. Men wilde zegepralen hebben van de aanvoerders,
en onthield ze de noodige middelen daartoe. Maar Tromp aarzelde niet,
waar het vaderland hem riep.

"Met den vijand te slaan en mijn leven te wagen," zoo ongeveer
schreef hij aan de Staten-Generaal, "verwekt bij mij geen de minste
bekommering. Maar dat ik, alles wat in mijn vermogen staat, doende
ten dienste van het vaderland, bij mijn thuiskomst blootgesteld ben
aan een verdenking en de afgunst van kwaadwilligen; en, na alles
wat soldaat- en zeemanschap te hebben aangewend naar het verstand
dat God mij gegeven heeft, genoodzaakt word rekenschap te geven van
mijn verrichtingen en mijn beste daden ten kwade geduid worden,--dàt
bekommert mij en beneemt mij den lust en den ijver."

En... de eenvoudige Tromp heeft in de dagen, die nu volgden, voor
heel de wereld bewezen, wat hij en zijn "kinderen" wel waard waren.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

DRIE MAANDEN OP ZEE.


Voor hen, die het op den 1en December 1652 van het Brielsche havenhoofd
aanschouwden, was het een gezicht om nooit te vergeten. Daar waren van
acht-en-zeventig oorlogsschepen de tallooze zeilen ontplooid en niet
minder dan tweehonderd koopvaardijschepen zeilden onder die hoede
den breeden mond der Maaze uit. In zee gekomen, voegden zich daar
nog meerdere oorlogsvaartuigen en koopvaardijschepen aan toe; op den
tocht Zuidwaarts kwamen er nog al meer koopvaarders bij, zoodat er
een vloot van ongeveer vijfhonderd zeilen het Kanaal invoer, waarvan
ongeveer negentig uit oorlogsschepen bestonden. En niet alleen dat
Tromp zijn plicht, om dat groote aantal koopvaarders veilig naar den
Oceaan te geleiden, goed volbracht, maar het is op dezen tocht ook,
dat hij op een inderdaad schitterende wijze den roem van ons volk
heeft gehandhaafd.

Het zijn de Engelschen zelve, die zijn beleid in deze worstelingen
in het Kanaal zóó hoog aanslaan, dat zij het vergeleken hebben met
het beleid van hun grootsten admiraal Nelson. De Engelschen trouwens
hebben altijd met veel eerbied tegen onzen Tromp opgezien. Vóór den
beroemden zeeslag bij Duins bestond in Engeland evenals elders,
"de geheele kunst van oorlogen ter zee enkel in het aan boord
leggen en enteren van den vijand, en was de zoogenaamde taktiek
aldaar ganschelijk onbekend." Als voor hun oogen hadden zij in
dien zeeslag bij Duins den Nederlandschen vlootvoogd op een geheel
àndere wijze zien handelen, den slag zien winnen, langzamerhand
komend tot een oplossing, welke vooraf was voorbereid en nu in
elkaar werd gezet. "Een nieuw licht," zegt een Engelsch schrijver,
"rees opeens voor de bevatting der Britsche zeelieden op." En nu zij
in den Eersten Engelschen zee-oorlog tegenover den man streden, dien
zij "hun grooten tegenstander en leermeester" noemen, waren zij het,
die, beter uitgerust, voordeel trokken van de manier van strijden,
welke zij van onzen Tromp hadden afgezien. Edelmoedig hebben zij
dit erkend, en het royaal beleden, dat het Britsche zeewezen,
"aan de Nederlanders, in den persoon van Maerten Harpertsz. Tromp
verschuldigd was de verbetering van de kunst des oorlogs ter zee,
ten opzichte van het bestuur der vloten in groote zeeslagen."

In de maand December van het jaar 1652 was men evenwel in Engeland zoo
dol niet op Tromp, want hij hield de Engelsche vloot en de Engelsche
koopvaardijschepen binnen, terwijl onze koopvaarders door het Kanaal
van en naar den Oceaan kwamen aanzeilen, alsof er geen vuiltje aan de
lucht was. Het is van dien tijd dat men spreekt, als men zegt dat Tromp
den bezem in den mast voerde, als teeken dat hij de zee van den vijand
had schoongeveegd. Niets is echter minder waar, dan dat de eenvoudige
en zich nooit op eigen daden verheffende Tromp zulk een pocherij
toegelaten zou hebben op onze vloot. Dat was in oude tijden wel eens
gebeurd, maar tot zulk een laffe snoeverij en kinderachtige uittarting
van den vijand zou zich geen Nederlandsch admiraal meer leenen.

Bovendien prikkelde de feitelijke toestand, dat de Nederlandsche vloot
voor het oogenblik de baas was op zee, meer dan genoeg de eigenliefde
van den Engelschman.

Er werd--geheel in tegenstelling met wat er bij ons gebeurde, waar men
Tromp met zijn vloot maar heen en weer liet zeilen om koopvaarders te
halen en uitgeleide te doen en hem niet eens den voorraad kruit en
lood aanvulde--in Engeland zooveel geld als noodig was beschikbaar
gesteld, om een flinke, van al het noodige ruim voorziene vloot van
zeventig schepen uit te rusten, en die zeilde in de maand Februari
1653 uit, om Tromp op te zoeken. Juist had onze admiraal een groot
getal koopvaarders naar den Oceaan gebracht, en zou nu honderd en
vijftig Nederlandsche koopvaardijschepen door het Kanaal heen naar
het vaderland terugleiden. Den 28 Februari zag hij aan den horizon
de zeilen van de Engelsche vloot uit de zee oprijzen. Er bleef geen
andere kans dan, met al dien ballast van koopvaarders bij zich, door
den vijand heen te slaan, en al dadelijk gaf Tromp, die volgens zijn
gewoonte de vloot in verschillende smaldeelen verdeeld had onder bevel
van mannen als Michiel de Ruijter, Jan Evertsen en Pieter Floriszoon,
bevel den vijand aan te vallen.

De strijd, die nu volgde, werd van beide kanten met de grootste
verbittering gevoerd. Weinig scheelde het, of Michiel de Ruijter had
reeds hier zijn loopbaan geëindigd gezien. Hij was op zeker oogenblik
zoodanig van vijandelijke schepen omringd, dat er geen ontkomen voor
hem meer mogelijk scheen. Gelukkig bemerkte Jan Evertsen hoe veeg het
met zijn stadgenoot gesteld stond. Met zijn dapperen sloeg hij zich
dwars door den kring heen, die Michiel omkneld hield, en nu wisten
onze Zeeuwen wel verder raad met den vijand.

Van den opperbevelhebber af tot aan den minsten schepeling werd in
dien slag, welke op de hoogte van Portland plaats had, met groote
volharding en hardnekkigheid gestreden. We nemen hier uit vele
voorbeelden dat eene van kapitein Jacob Cleijdijck, die door drie
groote Engelsche oorlogsbodems aangevallen werd en niet anders dacht,
of zijn laatste uur was geslagen. Hij en zijn jongens worstelen,
ten doode bereid, met den ouden heldenmoed, waardoor ons zeevolk
heinde en ver bekend was. Maar zijn netelige toestand blijft door de
onzen niet onopgemerkt. De Zeeuwsche kapitein Regenmorter was het,
die hem ter hulp snelde. Een hoezee van Cleijdijck en de zijnen,
die nu met vernieuwde woede den vijand aangrijpen, zoodat een der
drie Engelsche schepen naar den kelder gaat. Niet lang echter duurt
daarover de jubel van de jongens van Jacob Cleijdijck, want plotseling
begint hun eigen schip te trillen... en tot hun ontzetting ervaren zij,
dat het zich alreede in zinkenden toestand bevindt. Wat te doen? Met
de ratten naar den kelder? Daar kan-je op den laatsten dag van 't
jaar nog wel toe komen, spot de kapitein, en hij wijst zijn jongens
een uitweg. Een uitweg? Waarheen? Wel, waar anders dan dwars over
een der Engelsche schepen heen naar het schip van Regenmorter! De
stoute aanval wordt gewaagd. De Engelschen staan versteld over dien
woesten uitval, maar eer zij van hun ontsteltenis zijn bekomen,
zijn ze òf neergeslagen, òf zien de Nederlandsche matrozen dwars over
hun schip zich een weg banen naar dat van Regenmorter, waar kapitein
Cleijdijck goed van pas kwam. Want dáár was aan boord geen kapitein
meer. De dappere Regenmorter was juist gesneuveld. Nu bleef het voor
den nieuwen kapitein nog altijd één tegen twee, maar dat duurde
ook niet lang meer. Want door de bezieling, die van hem uitgaat,
weet hij zijn manschappen tot wonderen van dapperheid te brengen,
zoodat hij overwinnaar blijft en de aanvallers van hem wegdeinzen en
wel één er van om het nooit meer na te vertellen.

Wie, niet alleen eigen bodem verdedigen, maar ook over den geheelen
strijd het oog houden en zich telkens op de hoogte stellen moest van
alles wat er op het geheele tooneel van den strijd plaats had, was
natuurlijk Maerten Harpertsz. Tromp. Wèl was in die uren, zooals de
zeelui dat zoo eigenaardig uitdrukken, zijn ziel vol zorg. Geheel zijn
persoonlijkheid ging op, zoowel in den strijd van zijn bodem tegen de
vijandelijke schepen, als in de leiding van den ganschen zeeslag. En
toch... hij vergat ook de koopvaarders niet, die zich op zijn bevel
tijdens den zeeslag langs de Engelsche kust ophielden. Daar bemerkt
hij, tegen vier uur, dat er acht Engelsche fregatten jacht beginnen te
maken op onze koopvaarders. Dadelijk Tromp er op los. "Handen af van
die weerloozen!" rolt in donderslagen zijn waarschuwing over de golven,
een waarschuwing, waarbij dadelijk de daad op de bedreiging volgde,
zoodat de fregatten niet wisten hoe spoedig zij, die van vervolgers
vervolgden werden, hun prooi zouden loslaten.

Na dien gelukkig afgeslagen aanval op onze koopvaarders, begon
van beide zijden de neiging merkbaar te worden, om wat rust te
nemen. Heel den dag had het gevecht geduurd; de manschappen hadden
dringend behoefte aan rust. Zoo eindigde het eerste gedeelte van
den zeeslag, welke in de geschiedenis bekend zou blijven als de
Driedaagsche Zeeslag.

Want den volgenden dag, den 1sten Maart 1653, werd het gevecht
met hernieuwde woede door de Engelschen hervat en door de onzen
aangenomen. Men bevond zich evenwel niet meer op dezelfde plaats. De
koopvaarders moesten gered worden en daarom was Tromp, met heel
dien sleep bij zich, doorgezeild den kant van het vaderland op,
dat echter nog zoo ver verwijderd was. Om de koopvaardijschepen
beter, ook gedurende een zeeslag, te kunnen beschermen, had hij de
oorlogsbodems in den vorm van een halve maan laten voortzeilen--zooals
hij eenmaal de Spaansche vloot van d'Oquendo in het Kanaal had zien
opduiken--en in het midden, dus als het ware van alle kanten beschermd,
zijn kostbaren last opgenomen. Nu kon hij al zijn aandacht bij de
leiding van het zeegevecht houden en behoefde niet te vreezen, dat,
langs de strijdenden heen, een paar jagers stiekem op jacht gingen
naar den vetten buit.

Men bevond zich nu op de hoogte van Wight, en daar ontbrandde weldra
een hevige strijd, die eerst eindigde toen de zon onderging en men
wel moest uitscheiden met vechten, omdat men niet meer vriend van
vijand zou onderkennen. Hadden de Britten als leeuwen gevochten,
ze hadden ook als vossen geloerd op de koopvaarders, waartoe aan de
twee horens van de Nederlandsche schepen-maan snelzeilende fregatten
zich gereed hielden, om van die rijk geladen bodems te pakken zooveel
er maar te pakken viel. Toch werden er slechts enkele genomen, en
hoewel de Britten beslist in de meerderheid waren, vielen van onze
oorlogsschepen hun niet meer dan twee in de handen.

De strijd was wederom gestaakt, maar iedereen begreep, dat de
Engelschen den volgenden dag wederom zouden aanvallen. Voor ons
was het nu eigenlijk een terugtocht geworden, een trachten om de
vaderlandsche havens te bereiken, een hoop, dat bij het Nauw van
Calais eindelijk de enkele Nederlandsche schepen zouden opdagen,
van welke het heette, dat zij onder admiraal Dubbel Wit uitgerust en
de zee ingezonden zouden zijn. Om nog iets anders zou het inderdaad
een terugtocht moeten worden, en wel om iets vreeselijks.

Daar ontvangt toch, in den avond van dien 1sten Maart, de
opperbevelhebber, zoo moe naar lichaam en geest als hij na deze twee
dagen van voortdurende inspanning aller krachten moest zijn, het
ontzettende bericht... dat er op verschillende schepen geen genoegzame
voorraad van kruit en kogels meer is. Drie maanden lang was de vloot
aangewezen gebleven op den voorraad, die in December meegenomen
was. Nog één voorraadschip heeft Tromp bij zich. Hij deelt uit,
zooveel er nog is. En hij spreekt woorden van troost en bemoediging,
en aldoor zeilt men voort. En als de morgen daagt, rijst er voor
de oogen van Tromp een zeegezicht op, dat hem diep aangrijpt. Hij
bevindt zich precies op dezelfde plaats, waar hij in September 1639
voor 't eerst de Spaansche armada uit de zee zag opduiken. Toen,
met zijn dertien schepen, moest hij een macht weerstaan die vijfmaal
zoo groot was als de zijne. En die ontmoeting bij kaap Bevezier... ze
had den held geleid tot de onsterfelijke zege bij Duins.

O, het straalde van glans uit de oogen van Bestevaer, en een gebed
steeg uit zijn bekommerde ziel op, dat hier zijn einde in schande en
neerlaag niet gevonden mocht worden, nu straks wederom de overmachtige
vijand hem en de zijnen, die vermoeid en afgemat waren en gebrek
hadden aan verdedigingsmiddelen en altijd nog de beschermers moesten
zijn van die talrijke koopvaarders welke een groot deel der welvaart
van de geslagen Nederlanders bevatte, voor de derde maal zou aanvallen.

Het zou een der bangste dagen worden, welke Tromp doorleefd
heeft. Weer, als den vorigen dag, zeilde men in den vorm van een halve
maan verder, de koopvaardijschepen in het midden,--toen de Engelschen
omstreeks negen uur in den morgen den aanval begonnen. Twee uren lang
verdedigen zich de Nederlanders met kloekheid en slaan met heldenmoed
alle aanvallen af,--als er opeens bij de onzen een groote aarzeling
ontstaat.

Wat is er?... Is Bestevaer gesneuveld?...

Neen, Goddank, hij staat daar nog hoog op de gevaarlijkste plaats
van heel zijn schip, den dood niet vreezende, omdat hij gelooft,
dat het uur van zijn afsterven van eeuwigheden her door God vooruit
bepaald is en dat noch vrees, noch overmoed iets aan die onwrikbare
voorbeschikking kan veranderen.

Neen, er is iets gebeurd, dat Bestevaer Tromp erger vindt dan den
dood. Want wat kon hem erger lijken, dan dat een Nederlander lafhartig
op de vlucht gaat voor den Engelschman?

Hij kon haast zijn oogen niet gelooven. Doch ook thans mag er, bij hem
althans, geen seconde van aarzeling waargenomen worden. Hij wenkt,
en van zijn bodem vliegt een kogel waarschuwend over de vluchtende
schepen heen, die er door tot staan worden gebracht. Een gesein, dat
de bevelvoerders dadelijk bij hem aan boord moeten komen, wil hij ze
niet, om ze voor eigen schande te behoeden, door Nederlandsche kogels
in den grond doen boren.

En ze komen, de nog eergisteren en gisteren zoo moedige kapiteins.

Nu wringen ze de handen, want... "We zijn geen lafaards, admiraal,
maar... er is geen schot kruit meer aan boord, en als een man zich
niet meer verdedigen kan, geen middelen meer heeft om een aanval
af te slaan--o, admiraal, toen we dàt bemerkten, toen werden we
radeloos. Als Reinier Claeszens zouden we den brand in de kruitkamer
hebben willen steken... maar die is ledig. Toen is er een geest van
schrik en ontsteltenis over de matrozen en over ons gekomen... Straf
ons, maar... gevangenen van den Roodrok te worden, te sterven en te
verkwijnen in een Britschen kerker... we durfden dat niet aan... en
we sloegen op de vlucht, admiraal!"

Het was een wanhopend geval. Van alle kanten, onder het gebulder der
kanonnen en het omhoogwolken der kruitdampen, kwam het bericht in,
dat het buskruit en de kogels opraakten.

Ja, nu zou het wel een dier wanhopige terugtochten worden... waarin
juist de heldenmoed en de onvergelijkelijke bekwaamheden onzer
Nederlandsche Zee-oversten der 17de eeuw zoo schitterend konden
uitkomen. Zoo zou, dertien jaar later, een Michiel de Ruijter, door
den zoon van Bestevaer Tromp in den steek gelaten, zijn beroemden
terugtocht tegen de Engelschen volvoeren, waarom hij later door vriend
en vijand bewonderd werd. Op dien terugtocht heeft Michiel de Ruijter,
de vrome Michiel de Ruijter, een oogenblik van diepe moedeloosheid
gehad en in de bitterheid zijns harten gevraagd, of er onder al die
kogels niet één was, die hem treffen wilde. Zulk een moedeloosheid
was verre van den zoo dikwijls en zoo zwaar beproefden Tromp.

"Je moet niet vluchten, jongens!" luidde kalm en bedaard zijn raad,
en er trilde iets in zijn woorden van dat vaderlijke, waardoor
zijn minderen hem met geheel hun vertrouwen aanhingen. "Vluchten is
schande; maar zich te laten beschermen als men niet meer strijden kàn,
als men de middelen daartoe niet meer heeft, wel, dat is volstrekt
niet vernederend."

En glimlachend wees hij naar de koopvaarders, die ook verdedigd werden,
en hij zei, dat ze zich daar maar bij moesten voegen.

"En nu zul-je geen poging meer doen om te vluchten, nietwaar?" vroeg
hij. "Zie-je, zulke wonderlijke dingen moet een Engelschman nooit
van mijn kinderen zien."

Gewillig voegden zich nu de machteloos geworden oorlogsschepen bij de
koopvaarders. Doch... dat moesten er al meer en meer doen. Eindelijk
had Tromp niet meer dan een vijf-en-twintigtal schepen over, waarmede
hij geheel de koopvaardijvloot en het grootste gedeelte van zijn
eigen vloot tegen de in stoutheid toenemende dapperheid der Engelsche
aanvallers moest verdedigen. Toch verloren wij niet één oorlogsschip
en slechts een paar koopvaarders.

En aldoor zeilden wij, al strijdende, den kant van het vaderland op.

Toen kwam het bangste oogenblik.

Het liep tegen vier uur, toen de Engelsche admiraal Blake al zijn
schepen bijeen verzamelde, en het sein gaf tot een algemeenen aanval
op de terugtrekkende Nederlandsche vloot, die, gelijk we nu weten,
slechts uit een klein hoopje bestond, dat bovendien nog met een zware
bewaking was belast.

Dadelijk staakte Tromp den terugtocht en wachtte rustig den
vreeselijken aanval af, die als een razende stormvloed het eerst op
zijn schip en dat van Jan Evertsen losbrak.

Een uur is er toen gestreden, zooals er weinig tusschen Nederlanders
en Engelschen geworsteld is. En, wat het vreeselijkste was, elke
losbranding van onzen kant, bracht ons nader tot de algeheele
uitputting van onzen kruitvoorraad.

Dat duurde zoo een geheel uur. Toen week de Engelschman van onze
vloot. Had hij eens geweten, dat het met onzen kruitvoorraad zoo slecht
stond, hoe zou hij volgehouden hebben, en zeker ware hem een totale
vernietiging van onze zeemacht en het opbrengen der koopvaarders ten
deel gevallen.

"Als wij nog een half uur langer hadden moeten vechten," heeft Tromp
verklaard, "dan zouden wij al het scherp verschoten hebben dat nog
overig was, en naar alle waarschijnlijkheid in de handen van den
vijand hebben moeten vervallen, die onze vloot totaal verslagen had."

Doch de Engelschen waren door de inspanning van het driedaagsche
gevecht te vermoeid geworden, om den strijd voort te zetten. Wel
zonden zij ons, die dadelijk weer verder zeilden, eenige fregatten
achterna, welke ons den geheelen nacht al vurende bleven volgen,
maar wij vermorsten daarop ons kleine restje kruit niet.

Zoo ging het al verder en verder. Terugtrekkende, maar als een
kordate hond, die onophoudelijk de tanden laat zien en den aanvaller
op een afstand blijft houden. In het Nauw van Calais vonden we
admiraal Dubbel Wit niet. De vaderlandsche lamzaligheid was weer aan
het teuten geweest met het uitrusten van schepen. Doch eindelijk,
eindelijk bereikten wij de lang verbeide vaderlandsche havens, waar
wij den 6den Maart binnen vielen.

De Engelschen hebben den Driedaagschen Zeeslag een nederlaag voor
de Nederlanders genoemd. Want de onzen trokken terug, konden de zee
niet houden, en, wat wel het beste bewijs was, na dien slag was de
Engelschman weer meester van het Kanaal, gelijk Tromp kort te voren
geweest was.

Wij kunnen dat de Engelschen niet tegenspreken. Zij hebben in alles,
wat zij aanvoeren, gelijk. Maar met hun meermalen gemelde edelmoedige
denkwijze over Maerten Harpertsz. Tromp, zullen zij het zeker wel
zeer begrijpelijk in ons, Nederlanders, vinden, dat we op weinige
zeeslagen uit onze geschiedenis zoo fier zijn, als juist op dien
Driedaagschen Zeeslag.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET DOODE PUNT HEEN.


Waar dat men zich ook keerde of wendde, of waar men henen ging--zong
het liedje--daar ontmoette men den Hollander en den Zeeuw, die
op de wijde wateren thuis waren gelijk de koning der dieren in het
woud. Als Nederland maar altijd op God bleef bouwen en den pijlbundel
vastklemde... "duijvel, hel noch doot" zouden het kunnen krenken,
en het zou niet behoeven te vreezen, al waren 's werelds machten
één geworden!

Zoo manlijk en machtig was, van het kleine land aan de Noordzee, het
woord door de wereld gegaan en de roemrijke daden der Nederlanders
hadden het onder Gods zegen bevestigd tot een waarheid. Dat
was nog geschied onder Prince Mouringh, toen men zelfs niet had
durven droomen van een heerschappij over de wateren, gelijk Maerten
Harpertsz. Tromp die bij Duins voor het Nederlandsche volk bevochten
had. En nu... vlak bij het land, hier op de Noordzee, leek het wel,
of we moesten onderdoen voor den Engelschman. Een enkele maal mocht
men een overwinning behalen,--het was een feit dat wij, over 't
geheel genomen, zeer ongelukkig waren geweest in dezen oorlog met
Engeland. En toch kòn het niet waar wezen, dat wij de minderen waren
van de Engelschen. Men voelde, dat zich aan onzen kant de kloekste en
meest ervaren zeelui bevonden, en de beste admiralen. Men wist, dat men
verslagen was, niet omdat aan onzen kant het ras dier onverschrokken
zeerobben plotseling uitgestorven was, alsof Janmaat bij tooverslag in
Jan Salie was veranderd; maar wel omdat de vijand op betere uitrusting
kon roemen. Een gemor ging er door het land. Wat baatte het, of onze
jongens wonderen van moed en doodsverachting volvoerden, als men hier
te weinig en te onvoldoend uitgeruste schepen in zee zond; als het
haperde aan datgene, wat niet voor geestkracht, maar wel voor geld
te koop was? Er haperde iets, neen veel, aan onze uitrusting.

Als ge maar "'t saem eendrachtig zijt!" had het heldenliedje uit den
tijd van Prince Mouringh als derde voorwaarde gesteld. En eendrachtig
was men tijdens den Eersten Engelschen zee-oorlog zeker niet.

Welke praatjes gingen er rond! "Ze willen den oorlog met Engeland niet
doorzetten," werd er gesmaald in herbergen of dergelijke plaatsen, waar
de lieden samenkwamen, om aan elkaar hun hart te luchten, ontevreden
als zij waren, omdat alles stilstond: de handel, de visscherij en
al de daarmede samenhangende bedrijven. "Neen, de Heeren willen den
oorlog niet. Ze verlangen naar een vrede, die hen vaster op het kussen
brengt, een vrede, gekocht voor onze eer!"

Wat er dan toch gedaan moest worden, om den boel in 't reine te
brengen?...

O, dat wisten de mopperaars wel. Als de Heeren maar wilden, als
zij maar beter de vloot uitrustten en dan open en rond den oorlog
verklaarden aan de Engelsche koningsmoordenaars. Dan zouden de
koningsgezinden in Engeland van zelf op onze hand gebracht worden, want
die zouden weten, waartoe de zegepralen der Nederlanders hen leiden
konden. Maar... dat durfden die Heeren niet! Dan zou er kans zijn,
dat de oom van het vaderlooze Oranjekindje op den Engelsche troon
kwam.... en dat kon gevaarlijk worden voor de Hollandsche regenten!

Doch mocht men zich schouderophalend van deze verdachtmakingen en
ondoordachte plannen en veronderstellingen afwenden, dan hoorde
men toch van een kant, waarvan men het niet gewacht zou hebben, een
veroordeeling van de handelwijze der Heeren. Wie was deemoediger dan
Michiel de Ruijter, wie eerde meer het gezag, in welken vorm zich
dit ook openbaarde, dan juist hij? Toch verklaarde hij ronduit, "dat
hij niet van meening was weer in zee te gaan, tenzij dat de vloot
met meerdere en betere schepen dan tot dusverre gebruikt waren,
versterkt was." En veel luider en in veel sterkere bewoordingen
werd dit door Witte Cornelisz de With geuit, terwijl een man als
Van Beuningen de regenten aan de bekende wonderspreuk herinnerde:
dat wie zijn ziel behouden wil, haar zal verliezen. Van Beuningen
had volkomen gelijk. Als wij alles, wat wij bezitten en waaraan wij
waarde toekennen, willen behouden, dan moeten wij voor dat bezit ook
wat over hebben. Steunen wij het Gemeenebest niet, dat ons het behoud
van datgene wat ons lief is waarborgt, dan zal er een oogenblik komen
waarop dat Gemeenebest ons niet meer zal kunnen beschermen. En door
niet een deel van ons bezit over gehad te hebben voor de verdediging
van het vaderland, zullen wij kans loopen alles te verliezen.

Naar zulke verstandige woorden moest wel geluisterd worden. Bovendien,
al kon Jan de Wit nog niet de groote drijfkracht voor de betere
uitrusting van ons zeewezen zijn, welke hij tot zijn onsterfelijken
roem later geworden is--zijn geest begon toch al vaardig over de Heeren
te worden. En toen zag men het gewone verschijnsel in ons land, als
de Nederlanders eerst maar over het "doode punt" zijn gegaan,--dat
er namelijk een geestdrift wakker werd, die ons meer op warmbloedige
Zuiderlingen dan op koudbloedige wezens uit een kikkerland deed
gelijken.

De Heeren begonnen zich krachtig in te spannen en toonden, dat zij
alles in het werk wilden stellen, om den oorlog tot een goed einde
te brengen. Geld en goed werd opgebracht, van alle kanten rees het
zeevarende volk op, ja, mannen van geboorte en rang boden zich als
vrijwilligers aan, en betaalden de uitrusting en het kostgeld van de
matrozen, die zij zelf meebrachten.

Zoo kwam de Amsterdamsche Secretaris Gerardt Hulst als vrijwilliger op
het schip van een niet gemakkelijken baas, namelijk van Witte de With,
en met zich bracht hij vier-en-twintig zeelieden, voor wie hij alles
betaalde. Zoo deed ook Jan Oomes met acht, Jan van Uffelen met zes en
Jacobus van den Kerckhoven met vier matrozen. Ook de predikant Robert
Junius ging mede. "Ik zal u spreken van God, en, op de wijde zee, voor
of in of na de bloedige zeeslagen, de vertroosting van het Evangelie
tot u brengen," zoo ongeveer drukte hij zich uit. En of een Engelsche
boon hem zelf stervende op de met bloed doorweekte planken van het
dek zou kunnen neerwerpen, daaraan dacht deze moedige dominee niet.

Wat een mannentaal, wat een mannenmoed! Of neen, deze uitdrukkingen
zouden véél te eenzijdig zijn, wanneer zij het gevoelen van gehéél
een volk moesten kenschetsen. Die mannen, vol ijver toesnellende om
het vaderland uit de ellende te bevrijden, waren echtgenooten en
zoons van Nederlandsche vrouwen en moeders. Als een geheel volk
in geestdrift oprijst, is het altijd de vrouw, het middelpunt
vooral van ons vaderlandsch huisgezin, die de stille kracht dier
geweldige beweging is. De Nederlandsche vrouw, zelve een dochter
van dat zeevarende volk, bleef thuis, maar het waren háár welpen, die
"liepen door de woeste zee, als door het bosch de Leeuw." Meestal bleef
zij stil en verborgen in haar huisje, waarin het zoo kraakzindelijk
was, en waar die onbehouwen manskerels wèl leerden zich de voeten
te ontschoeien en te letten op stofjes en al wat niet behoorde in
het heiligdom van moeder de vrouw. Maar als het vaderland in nood
was, dan waren diezelfde vrouwen met Kenau Simons Hasselaer naar de
kampplaats gesneld, en haar oogen vlamden van de muren van Alkmaar
den Spaanschen vaandrig tegen, die, desnoods ten koste van zijn leven,
wilde weten, welke onversaagde en geharde krijgsknechten dan toch het
wonder volwrochten van een geheel Spaansch leger in woesten stormaanval
te weerstaan. En als nu de roep door den lande gaat, dat er maats,
vele maats noodig zijn, om de eer van het vernederde vaderland op
te nemen tegen de Roodrokken.... dan zijn er jonge meisjes, die zich
in mansgewaad steken en, aldus verkleed, zich aanmelden om dienst te
nemen voor de vloot.

Van drie is dat uitgekomen, en de jongste van haar was slechts
zestien jaar.

Het was heusch niet voor de aardigheid, dat zij medegingen. Het zou
vlammen en donderen langs de zee. Velen die uittogen, zouden nooit
meer het land der geboorte terugzien, en op de grillige zee was het
altijd werken hard en zwaar. Anna Jans van Texel, een der drie meisjes,
zou dat hebben kunnen getuigen. Want in haar vermomming had zij moeten
dienen als marsklimmer, terwijl van een ander, Adriana la Noy geheeten,
haar kapitein moest getuigen "dat zij op togten en wachten zich had
gedragen vroom en eerlijk, zulks als een matroos schuldig was te doen."

Ook lieten de Staten een lijst bekend maken, waarin opgesomd werd welke
schadeloosstellingen men toegedacht had aan de verminkten. Verloor
men beide oogen, of ook wel beide armen, dan kreeg men 1066 gld. 13
stuivers en 4 penningen. Het verlies van één oog werd gelijk gesteld
met het verlies van de linkerhand, en men ontving in dat geval de ronde
som van 240 gld. De rechterarm was evenveel waard als de twee voeten
samen, namelijk 333 gld. 6 st. en 8 penn. En zoo voort. Ook werd aan
hen, die zoodanig verminkt waren, dat zij daardoor voortaan onbekwaam
zouden zijn hun brood te verdienen, een rijksdaalder per week tot hun
onderhoud toegelegd. Op zulk een wijze "zocht men in die dagen, toen er
nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen te heelen,"
zeide prof. Jorissen zeer eigenaardig van dergelijke maatregelen.

Een echter was er, die bij de algemeene geestdrift een gevoel van
zwaarmoedigheid, van twijfel aan den goeden uitslag, niet geheel kon
verbergen. En die een was juist de man, om wiens persoonlijkheid zich
al die uitingen van geestdrift als om een middelpunt bewogen. Die
een was de man, tot wien allen hoopvol opzagen, hij, van wien na
enkele dagen Johan de Witt zou getuigen: "Hij was een zeeheld, wiens
gelijke de wereld zelden heeft aanschouwd, en de toekomst bezwaarlijk
zal voortbrengen."

Die een was Maerten Harpertsz. Tromp.

"Het is zonderling en verdient opmerking," zegt De Jonge, als deze
van de allerlaatste toerusting des admiraals spreekt, "hoe somber de
taal van Tromp was." Hij ziet daarin een zeker voorgevoel, hetwelk
de admiraal van zijn naderend einde had. Doch, niettegenstaande zijn
onwillekeurige uitingen van moedeloosheid, flikkerde aan het eind van
een zijner brieven het heldenvuur van Bestevaer Tromp, van het kind der
zee, dat haar beheerscher geworden was, weer in lichter laaie op. In
zijn plicht... neen, daarin zou hij nooit te kort schieten! Ook niet
in den plicht, "om als een eerlyck man voor myn lieve Vaderlant te
leven en sterven; daerop gelieft te verlaeten..."

En nu zou de groote kans gewaagd worden. In de eerste dagen van de
maand Augustus was de vloot gereed om zee te kiezen. Ze bestond uit
twee gedeelten, een dat op de hoogte van Goeree lag en waarbij Tromp
zich bevond, het andere onder Witte de With bij Texel. Deze twee
deelen moesten zich zien te vereenigen. Zeker, dat was noodig, wilde
men zich met de uit 120 zeilen bestaande Engelsche vloot, die zich
op onze kust bevond, kunnen meten. Doch die onderneming was ook zeer
gevaarlijk, want de Engelschen konden trachten elk deel afzonderlijk
aan te vallen en te vernietigen.

Den 6den Augustus zocht Maerten Harpertsz. Tromp het wijde water op,
nadat in den door hem bijeengeroepen krijgsraad het besluit genomen
was, "met de hulpe van God door de Engelsche vloot te slaan," zich
met admiraal Dubbel Wit te vereenigen en vervolgens den beslissenden
slag te aanvaarden. Zijn schepen bleven in 't gezicht der kust. En
toen Bestevaer nog eens landwaarts zag, werd zijn oog getrokken
tot een hoogen, ver boven de duinen uitstekenden toren, die als
't ware hem nazag op de groene met lichtplekken bezaaide Noordzee,
den Sint-Catharina-toren van Den Briel met al de herinneringen aan
den tijd, toen de admiraal nog "een knechtken" was. De ure naderde,
waarop, in het gezicht van den Brielschen toren, admiraal Tromp zou
sterven voor zijn vaderland....



ZESTIENDE HOOFDSTUK.

HET EINDE VAN EEN HELDENLEVEN.


Het was Zondag geworden, den 10en Augustus 1653. Het gelui der
kerkklokken trilde door de vochtige lucht over de lage landen bij
der zee. Dagen achter elkaar had het geregend en gestormd. Nu was het
beter weer geworden, en woei, met een Zuidwesten wind, het gebimbam der
klokken landwaarts in. Het was, of er in dat zwaarmoedige geluid iets
trilde van de aandoening en spanning, die aller harten vervulden. Thans
riepen de klokken niet op tot viering van den stillen, rustigen
Zondag, den dag aan Jehova gewijd. De morgenuren waren ten bedestond
geheiligd. Terwijl ginder op de zee,--nog niet tot rust gekomen van
den hevigen wind, die gisteren de beslissende ontmoeting tusschen Brit
en Nederlander verhinderd had--de zonen en de broeders en de bruigoms
en de vaders van de in deemoed opgaande kerkgangers worstelen zouden,
om het vaderland te verlossen uit de ellende, zouden onder de alsdan
zwijgende kerkklokken de hoofden zich buigen voor den Almachtige,
en de voorgangers Zijn "grooten en verschrikkelijken" naam aanroepen,
opdat Hij ons volk met de zege mocht begenadigen. Gelijk Aäron en Hur
de opgeheven handen van Mozes ondersteunden, toen die van moeheid
dreigden neer te zinken--en als hij ze ophief was Israël, maar als
hij die nederliet was Amalek de sterkste!--zoo ondersteunde men door
gebeden en aanroepingen het strijden onzer dappere mannen van de zee,
"alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des
zwaards."

Reeds om halfzeven in den morgen was de strijd begonnen, en wel onder
omstandigheden, die voor ons niet ongunstig konden genoemd worden. De
twee deelen onzer scheepsmacht toch hadden zich gelukkig weten te
vereenigen. Twee dagen geleden, den 8sten Augustus, had admiraal
Dubbel Wit op de reede van Texel, waar hij zich met zijn 26 schepen
bevond, het bericht ontvangen, dat de admiraal met 's lands vloot
uit de Zuidelijke zeegaten gezeild en met den vijand slaags was
geraakt. Dat was ook zoo, en Tromp had weer geheel volgens een van
zijn schrander in elkaar gezette plannen gehandeld. Naar het Noorden
was hij gezeild, om de Britsche vloot, die op de hoogte van Texel lag,
daar vandaan en meer Zuidwaarts te lokken, zoodat Witte de gelegenheid
zou krijgen uit te zeilen.

Inderdaad, nauw hadden de Engelschen van het Zuiden een Nederlandsche
vloot zien opdagen, of zij waren dadelijk daar op afgegaan, vooral
omdat de wind Noord-West was geloopen en zij dus al het voordeel van
de windzijde konden hebben in de ontmoeting met onze schepen.

Doch Tromp had nog geen plan op een zeegevecht. Zelfs na de vereeniging
met Witte zou onze vloot, wat getal en sterkte van schepen betreft, nog
beneden die van de Engelsche blijven. Zonder noodzaak wilde Tromp dus
zijn geringe macht niet in strijd brengen met een overmacht. Evenals
bij den meesterlijken terugtocht tijdens den Driedaagschen Zeeslag,
liet hij zijn vloot nu weder in den vorm van een halve maan zeilen,
en stevende met den wind Zuidwaarts.

Toch zou het tot een strijd komen. Doordat eenige zijner schepen,--niet
zulke goede zeilers als de overige--door de Engelschen ingehaald
waren, moest hun bezit wel aan den vijand betwist worden. Tromp had
toen niet geaarzeld, maar het ging verdedigender wijze, zooals bij het
aannaderen der Spaansche vloot in 1639, zooals tegen de overmacht van
Blake op den 2den Maart van ditzelfde jaar 1653, toen hij, met even
vijf-en-twintig schepen zichzelf en den onmogelijk grooten ballast van
weerlooze vaartuigen had te verdedigen. Inderdaad, de voorzichtige,
beleidvolle Tromp zou de vrucht van zooveel opoffering en geestdrift,
zou onze met groot nationaal gevoel uitgeruste vloot niet in een
oogenblik van dwaze opwinding aan onze machtiger en beter uitgeruste
vijanden ten geschenke geven. Men kon daarop gerust zijn in den lande.

Men kòn.... maar men wàs dat niet. Toen op dien Vrijdag, den
8sten Augustus, van den namiddag af tot na zonsondergang toe,
het onophoudelijk gerommeld had van uit de zee--en een donderbui
was het niet, daarvoor had men in dezen zee-oorlog te goed het
onderscheid tusschen ver kanongebrom en het rollen van den donder
leeren kennen!--was er een groote onrust gekomen over de bewoners
der kust. Had de vijand de onzen aangegrepen? Werd nu het eene deel
der met zulk een krachtsinspanning uitgeruste vloot vernield, terwijl
het andere nog werkeloos op de reede van Texel lag?

Hierover waren--aldus lezen we in een handschrift, dat eigenlijk
weergeeft wat Witte zelf van de zaken dacht--de gedeputeerden of
afgevaardigden van de Staten zeer ontsteld. Zij bevonden zich op de
reede van Texel en ontboden nu de loodslieden, om de zes-en-twintig
schepen dien nacht uit te brengen. Maar de loodsen "hadden daartoe
geen moed," omdat de wind West ten Noorden was, waardoor het uitloopen
bij al die droogten en ondiepten zoo gevaarlijk was voor uitzeilende
schepen.

Toen toonde Witte, dat hij evengoed een scheepsmacht naar buiten kon
loodsen, als er mee door den vijand heen slaan.

Een uur na zonsondergang had hij afscheid van de gedeputeerden genomen,
en beval nu dat zestien à achttien visschersbooten met lantaarns
zouden vooruit zeilen, om zich in dien nacht ter weerszijden van de
droogten in het vaarwater van Texel op te stellen. En nu, door dezen
loods uitgebracht, bereikten 's lands schepen, op slechts één na,
dat aan den grond geraakte, het ruime sop.

Den volgenden dag, den 9den Augustus, had Witte in den namiddag den
vijand in 't gezicht gekregen, en des avonds zich met den admiraal
vereenigd, waarop de Engelschen zich afwendden en door de onzen
gedurende dien nacht onder klein zeil vervolgd waren.

In den morgen van den meergemelden 10den Augustus was het goed
weer met Zuid-Westen wind. Witte liet zich aan boord roeien van het
admiraalsschip. Een kort gesprek volgde tusschen deze twee mannen,
die jaren lang samen gestreden hadden tegen de vijanden van het
land, al hadden zij bij wijlen zèlf als vijanden tegenover elkaar
gestaan. Toen namen zij afscheid.

Ieder van hen wist, dat dit voor de laatste maal kon zijn. Beiden
waren ze schier van den kinderlijken leeftijd er aan gewoon telkens en
telkens weer den dood onder de oogen te zien; beiden ieder oogenblik
bereid om te sterven. En het zou thans voor de laatste maal zijn,
dat zij van elkander gingen. Witte om, als altijd, "zijn plicht te
doen," áán te vallen en zich te werpen daar, waar het gevaar het
grootst was. En de andere... om te sterven voor zijn "lieve vaderlant."

Ze waren gewoon geraakt aan dit denkbeeld, de vlootvoogden uit onze
groote zee-oorlogen! Nog dezen zomer, toen Tromp voor een wijle het
Kanaal "schoon geveegd had" van den vijand, was, tijdens een heftigen
aanval, dien hij van twee zijden tegelijk had uit te staan, omdat
hij tusschen twee Engelsche bodems lag ingesloten, zijn secretaris
vlak naast hem doodgeschoten. En was niet, nu al zoo lang geleden,
zijn vader stervend neergezonken langs zijn zijde? Zooals altijd nam
hij rustig zijn plaats in op de hooge kampagne, waar hij, evenals
Maximiliaan van Buren en de ijzeren graaf van Mansfeld, staande
"gelijk in een Overste behoorde," zou sterven.

Met geheel zijn verstand bij den strijd, leidde Bestevaer Tromp ook
thàns den aanval en sloeg met onze schepen door de linie der Engelschen
heen. Toen werd de steven gewend, om dit nog eens te ondernemen. Op
dit oogenblik was het vaartuig van den admiraal, dat later in het
Noorden onder den nooit verwonnen admiraal Dubbel Wit verzinken
zou in de zee bij Elseneur, zoo dicht het schip van den Engelschen
vlootvoogd Monk genaderd, dat van daar musketvuur op de onzen geopend
kon worden. Rondom kraakten en donderden de kanonnen. Vervuld was
de zee van al het geweld dezer twee strijdende machten. Daarin ging
wel het nijdig geknetter van eenige musketten verloren. Toch.... één
dier kleine kogels zou het pleit van dezen dag beslissen. Plotseling
ziet men den admiraal wankelen en de handen uitstrekken als om steun
te zoeken. IJlings vangen zij, die zich in zijn nabijheid bevinden,
hem op. Maar reeds zakt hij stervend in elkaar. Een bewegen van de
lippen,... een omvatten van een lang heldenleven in drie woorden:
"Ik heb gedaan...." Dàn, nog eens, en nu voor de laatste maal,
een opwekking om nooit dàt te verliezen, wat hij nooit verloren
heeft, hetzij hij als kind over zijn vermoorden vader heenboog,
als voetveeg van zeeschuimers verre van zijn moedertje heen zwierf,
als Christenslaaf voor een despoot stond, als matroos en bevelhebber
den vijand het manlijk gelaat toekeerde: "Houdt goeden moed!" En
dan, zieltogende reeds, een opdragen van vaderland en ziel aan den
Eeuwige.... Toen was een onzer edelste mannen gestorven.

En,... als wij waardig werden geacht, om, niet op de hoogte des
heuvels, maar op den hoogen achtersteven van het ouderwetsche schip
te klimmen, en, als Hur en Aäron, bij die bede, om toch goeden moed
te houden, de armen van den stervenden admiraal te ondersteunen waar
hij ze ophief naar den hemel,--daar zou het zijn, opdat er macht
uitging van het stervenswoord van Bestevaer Tromp, macht.... voor het
jonge Nederland, ach! dat toch moet blijven gelooven en vertrouwen,
en niet het minst in zichzelf!...

Helaas, de krans der victorie kon niet aan de lijkbaar van Maerten
Harpertsz. Tromp gehecht worden. Wel trachtte men den dood van den
admiraal voor de onzen geheim te houden, maar de bevelvoerders,
die er mede bekend werden of moesten worden, waren niet in staat zoo
onverwacht de algemeene leiding op zich te nemen, gelijk Bestevaer
Tromp dat zelf vermoogd had te doen na den dood van Piet Hein.

Met veel heldenmoed werd er door velen der onzen, door Dubbel Wit,
Jan Evertsen en De Ruijter gestreden, doch vele kapiteins gingen op
de vlucht en trachtten onze havens binnen te vallen. Witte maakte
zich daarover in die mate boos, dat hij met scherp op deze lafaards
deed schieten. Het hielp altemaal niet. De slag bij Terheijden was
een nederlaag meer voor ons geworden. De dag was verloren, die met
klokkenklank was begonnen en met geweeklaag moest eindigen. Maar het
pleit voor het karakter van ons volk, dat de rouw over den dooden
admiraal inniger was, dan de rouw over den verloren slag. Het laatste
verlies kon hersteld worden.

Het zat er bij ons te diep ingeworteld, dat we wèl voor de
tegenspoeden, maar niet voor de Engelschen geweken waren. Daarom
konden we met eenige zekerheid een beteren tijd afwachten, die--we
geloofden het voor vast--komen zou. Maar de goede vader van onze
kinderen der zee.... dat hij gestorven was, het wekte een droefheid
op door geheel het land. "Ach!" riep Michiel de Ruijter, "dat ik
gestorven ware voor Bestevaer!"

Die bede, getuigend zoowel voor het goede hart van den meester als
van den leerling, was niet vervuld. Michiel Adriaensz. de Ruijter
zou blijven leven, om het werk van zijn meester te voleindigen, ja,
het schitterend van glans en glorie over te brengen tot het verre
nageslacht.



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

TER UITVAART.


En nu was er rouw in het vaderland. De Staten van Holland brachten
den 2den Augustus hun "compliment van condoleantie" aan "de naeste
Vrunden ofte Gallieerden van Tromp," en den 14den Augustus aan zijn
weduwe. Den 13den Augustus werd er besloten, dat aan Tromp "voor
ordre ende tot kosten van desen Staet" "een honorable Begrafenisse"
zou worden "aengedaen," en dat er, hem ter eere, een Tombe zou
worden opgericht "soodanig als de voorsegde Daden en Exploieten zijn
meriteerende." Ja, niet alleen zou de Compagnie Guarden van Hun Edel
Groot Mogenden te voet aan de begrafenis deelnemen, maar de "Heeren"
zouden ook "de laetste uytvaert assisteeren" van den man, die, zooals
het Schotschrift eenmaal zeide, maar van "sulcken volckje" was.

De bewoners van Rotterdam vierden op een zeer eigenaardige wijze zijn
uitvaart. Heerschte er ergens in de Republiek droefheid en ontsteltenis
over den dood van Bestevaer, dan was het wel in deze stad, welke van
zijn zesde jaar af zijn woonplaats geweest, en dus innig verbonden
was aan het rijke leven van den zeeheld.

Nu zijn de Rotterdammers nooit van de gemakkelijksten geweest, als
het er op aankomt. En toen, slechts eenige dagen na den dood van den
in Rotterdam zoo gevierden held, een Engelsche vrouw daar ter stede
"kwalijk" van hem sprak, ontstond er al heel gauw een oploop en werd
haar huis geplunderd.

Niet in Rotterdam, waar hij gewoond en waar hij oorspronkelijk zelf
in de St. Laurenskerk grafsteen no. 103 had aangewezen om zijn
laatste rustplaats aan te duiden, en ook niet in Den Briel, waar
hij geboren was en het grootste deel zijner weinige jeugd-jaren aan
wal had doorgebracht,--maar in de Oude Kerk van Delft werd Maerten
Harpertsz. Tromp begraven. Vermoedelijk, omdat daar zijn vrouws familie
woonde, en in elk geval heeft een vriendelijke beschikking den twee
vrienden van vroeger een graf niet ver van elkaar toe bedeeld. Met
warme hoogachting toch was Tromp altijd zijn vroegeren beschermer,
den admiraal Piet Hein, blijven herdenken, den eersten "peckbrouck"
die ons zeewezen had moeten hervormen, maar die, na slechts twee
maanden den admiraalstitel van Holland en West-Friesland gedragen te
hebben, voor Duinkerken was gesneuveld.

Een eigenaardig bewijs, hoe Tromp de nagedachtenis van Piet Hein bleef
vereeren, spreekt wel uit een testament van 1634 voor den Brielschen
notaris Johan de Bruijne door den toenmaligen zeekapitein verleden. In
zijn geslacht, zoo heette het aldaar, moest een medaille aan een
gouden ketting bewaard blijven, hem vereerd, "over sijne Dyensten
den lande gedaen als Capiteyn ten Tijde den Admirael Pyet Heyn op
sijn Schip geschoten is geworden." Op die medaille stond aan den
eenen kant "t' vidimus van Sijne Extie Fredrick Hendrik ende aend'
ander sijde secker gedicht, luijdende aldus: Geen Pronck van Goud,
maer clouckheijt stout, op Dolle baren, Beërft de Eer, van Hollandts
Heer, Door 't Oorlochsvaren."

De nabijheid dier twee graven liet ook niet na de aandacht te trekken
van prof. Anthonius Thysius, die op den 21sten September 1653 in "de
vermaerde Leydtsche Academie" de lijkrede over Tromp uitsprak. "Soo
eenighe gedachtenisse den overleden raeckt, soo en heeft hem ghelyck
ick geloof niet aengenaemer kunnen gebeuren, als nevens dat graf
te rusten, daer de beenderen van den manhaften Pieter Pieters. Heyn
liggen, opdat sy, die eertijds t' samen hadden gevochten, oock omtrent
de selve plaets souden liggen."

Maar hoe zouden wij ons na zooveel jaren kunnen verplaatsen in den
rouw eener natie? Zelfs niet eens immers in dien der weduwe of in
dien der kinderen van den admiraal! Neen, ik wil slechts nog even
uw aandacht vestigen op een oud vrouwtje, dat daar stillekens en als
vergeten neerzit, met de verschrompelde handen gevouwen in den schoot,
die arme, oude handen, waarmee ze gewerkt had voor haar kinderen,
jaren en nog eens jaren geleden, in de bange dagen, toen haar kloeke
Harpert het zeegat was uitgevaren met haar oudsten zoon aan boord, om
nooit, nooit weer terug te keeren. O, wat had ze toen in de stilte van
den nacht van den God haars bijbels afgesmeekt, dat zij nog eenmaal
ten minste haar kind, haar jongen, die al van zijn achtste jaar af
haar van het hart was gescheurd door dat booze verlangen naar de
blauw-groene wateren der zee,--dat zij nog eenmaal haar oudsten zoon,
den vroolijken, blozenden Maerten mocht terugzien.

Die bange, bange dagen.... God had ze weg doen stuiven als nevelen
voor het zonlicht. De Heere had haar den kloeken echtgenoot
ontnomen.... maar het was toch zoo moeilijk niet geweest als zij
gedacht had in den gruwelijken tijd van onzekerheid en al maar
hopen tegen beter weten in, om met den beproefden Job te zeggen:
"De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de name des
Heeren zij geloofd!" Want haar kind was gespaard gebleven en haar
teruggegeven. Wat een flinke jongen was hij geworden! Wat al plannen
maakte hij, om nu in vaders plaats voor haar te zorgen! Alsof zij
thans aan haar toekomst dacht, nu zij diep in zijn oogen keek,
als wilde ze in zijn ziel lezen, om te weten wat haar kind geleden,
en hoe hij aan haar gedacht had in de ellende.

En later?...

God had haar wel begenadigd. Haar jongen, eenmaal de voetveeg eens
zeeschuimers, was de roem geworden van zijn vaderland. Wat een trots,
wat een trots voor dat oude moedertje! Iedereen moest het weten, wat
haar jongen als kind gezegd en gedaan had. En wel zal den admiraal vaak
een glimlach over het gelaat gevlogen zijn, als hij, die zoo nederig
over zichzelf kon denken, moest aanhooren, wat zijn oude moeder van
hem dacht. En waar hij, de Nederlandsche zeeman, wel eens met andere
oogen al dat klatergoud aanzag, waarmede men zijn burgerlijken naam
dacht te vereeren, daar mocht hij toch wel eens voor zijn oud moedertje
er de stralen van Gods lieve zon in laten weerspiegelen...

Nu zat zij daar stil in haar hoekje, de oude, afgeleefde vrouw. En
haar lippen stamelden wel weer de woorden van Job na. Maar ze dacht aan
den ouden Simeon, die sterven mocht, toen zijne oogen de heerlijkheid
des Heeren hadden aanschouwd. Ze had het altijd wel jammer gevonden,
dat hij den Heiland niet zelven aanschouwd had, die opgegroeid was
uit dat kindeke. Ja, zij, die zooveel geluk gezien had, ze moest
dat wel jammer vinden, zij met haar zondig hart. Want was het geen
zonde, om aan de beschikkingen des Heeren iets, hoe gering ook, af
of toe te doen? Maar nu had ze het begrepen, en ze prees den grijzen
Simeon gelukkig, die de heerlijkheid aanschouwd had in dat zalige
kindeke, niet in den armen, jongen Heiland, die doodbloedde aan een
kruis. En ze dacht aan dat kruis, waaraan, zoovele eeuwen door, het
gebroken menschenhart gedacht heeft. Maar toen moest ze wel denken
aan Maria... Neen, zij, arm, nederig vrouwtje mocht toch niet meer
zijn dan de moeder van den Heiland, die geleden had naar de ziel meer
dan een menschenkind machtig is te vermelden. En ze heeft gelezen,
telkens en telkens weer gelezen in dat groote, dikke boek, waarnaar
men meer grijpt in de dagen der smarte, dan wanneer de Heer ons zegent.

Maar--al wilde ze pogen te berusten in den ondoorgrondelijken wil des
Heeren,... haar jongen vergeten, die door de Engelschen vermoord was,
dat kon ze niet, dat kòn ze niet!

Arm, oud moedertje van Maerten Harpertsz. Tromp!...

En dof luiden de klokken van Delft, waar de doode Vlootvoogd rusten
zal. En waar wij den langen lijkstoet zien opgaan naar de doodenstad
van Nederland--daar spellen wij nog eenmaal den naam van den held,
met wiens lotgevallen wij ons zoolang bezig gehouden hebben. Kind van
de fortuin als weinigen, hebben zijn oogen de breede schaduwen des
levens aanschouwd. Uit burgerlijke ouders geboren, hebben koningen hem
hulde gebracht. Was zijn hart vervuld van liefde voor het Huis van
Oranje, gelijk bij zoo menigen Nederlander die uit het volk geboren
is,--een Jan de Witt weeklaagde over zijn te vroegen dood. IJverig
Calvinist en vriend der streng Contra-remonstrantsche predikanten,
werd hij met een grafschrift vereerd door niemand minder dan Vondel,
den vijand dier ijverende geestelijken, den man, die niet huichelen
kon, al moest hij er vrienden en vereerders door verliezen. De afgod
zijner matrozen, wier Vader hij heette, was hij een lieveling der
burgerij. Den Engelschman hatende, zooals de zeeman dier tijden dat
deed, werd hij door hen met hun Nelson vergeleken en zijn afbeelding
een eereplaats waardig gekeurd in de Greenwich-galerij. Zwerver langs
alle wateren, had de liefde voor zijn geboortegrond hem altijd weer
getrokken naar het lieve vaderland, waar hij ruste heeft mogen vinden
voor den eeuwigen slaap.

Zijn eenig monument--niet door een nageslacht, dat al te ver, veel te
ver van die groote persoonlijkheid verwijderd schijnt te zijn, maar
door zijn dankbare tijdgenooten te zijner voortdurende herinnering
opgericht--bevindt zich in de Oude Kerk te Delft.

Men is gewoon bij een bezoek aan die stad ter bedevaart op te gaan
naar het Mausoleum der Oranjes in de Nieuwe Kerk. Weinige Nederlanders
zouden het vermogen dien gang te verzuimen!

Maar als men nog even tijd over heeft, of voor een tweeden keer die
stad bezoekt, richte men toch zijn schreden naar de indrukwekkende
Oude Kerk. Daar zult ge de graven vinden van twee zeemanszoons uit
de 17de eeuw, en een van hen was de schepper van het Nederlandsche
Zeewezen, waaraan wij, voor een groot deel, onze roemrijke plaats in
de wereldhistorie te danken hebben.



                                 EINDE.



AANTEEKENINGEN.


De geslachtsnaam van Tromp's vader. Hierover vindt men in
"Aanteekeningen en Mededeelingen betreffende het Geslacht Van der
Tromp of Tromp" in "Rotterd. Historiebladen," 3e Afd. Genealogische
Aant. en Levensbesch. Eerste deel p. 59 v.v. het volgende: Volgens
aanteekeningen van Mr. Reinier van Heemskerk heeft de vader van
den admiraal M. H. Tromp die oorspronkelijk Van der Wel heette,
zijn naam veranderd. Volgens diezelfde aant. was de oorzaak deze:
"dat de vader van den Admiraal Maerten Harpertsz. Tromp, zijnde
geweest Harpert Lamberts (lees: Maertensz) Van der Well, groote(n)
lust had tot den zeedienst, en zijne ouders hem dat willende beletten,
hij de vlugt nam en zich in den zeedienst begaf als jong matroos of,
zoo anderen zeggen, als koksmaat, onder den naam van Tromp om niet
bekend te zijn. Doch anderen zeggen, dat hij op zijn schip zijnde,
en niets te doen hebbende, hij altoos zich amuseerde met op een
trompje te spelen, waardoor hij den bijnaam van Tromp zou verkregen
hebben." Nav. II 1852, p. 140.

Hier vinde het tevens zijn plaats, dat in het Brielsche Archief
noch van Van der Tromp, Tromper of Trompert sprake is, als Harpert
Maertensz. genoemd wordt, maar steeds van Tromp. Zie H. de Jager:
Geslacht Tromp, p. 2.


Vrouwen en kinderen van Maerten Harpertsz. Tromp. Zijn eerste vrouw
was Dina of Dignom de Haes, dochter van Cornelis de Haes en N. van den
Heuvel. Zij stierf den 20en Nov. 1633, in den ouderdom van 34 jaren
te Rotterdam en werd aldaar in de Groote Kerk begraven (grafsteen
no. 103). Onder dien steen ligt ook zijn tweede vrouw begraven, en
dat graf, gelijk uit een zijner hierna te melden Testamenten blijkt,
was ook voor hem bestemd. Van de inschrijving van den trouw en
ondertrouw met Dignum gaven wij een fac-simile. Opgemerkt zij hier,
dat de ondertrouw niet den 24en April 1624 plaats had, gelijk in
"het Geslacht Tromp" van H. de Jager (natuurlijk door een druk-
of schrijffout) voorkomt, maar den 14en April van dat jaar.

Tromp's tweede "huisvrouw" was: Aeltgen Jacobs van
Arckenboudt. "Ondertrouwd te Rotterdam 27 Augustus 1634: Maerten
Herperts Tromp, wedr. Capiteyn, wonende op de Leuvehaven, met Alyth
Jacobsdr. Arckenboudt, j. d. wonende in den Briel. Attesten gegeven
op den Briel 10 Sept. 1634" (Rott. Hist. bladen t. a. p. p. 65 noot
1). Het huwelijk werd den 12en Sept. 1634 te Brielle voltrokken. Ook
deze vrouw van Tromp stierf jong. Volgens het opschrift van den
grafsteen stierf zij den 13en April 1639 in den ouderdom van 36 jaren.

In 1640 huwde hij ten derden male te 's-Gravenhage met Cornelia
Berckhout. Zij overleefde hem en bracht nog na zijn dood een kind ter
wereld. Zij ontving, om de groote verdiensten van haar echtgenoot,
van de Staten-Generaal een pensioen, waarover later.

Uit zijn eerste huwelijk had Tromp: Cornelis, geboren 1629, (den later
zoo beroemden driftkop Cornelis of Kees Tromp), Harper Maertensz. en
Johan Maertensz. Uit zijn tweede huwelijk: Alida, Margaretha en Maerten
(op anderhalfjarigen leeftijd gestorven). En uit zijn derde huwelijk:
Johanna Maria, Adriaen en Maerten Harpertsz., die na zijns vaders
dood geboren werd. (Zie Rott. Hist. bladen, p. 66, en ook p. 64 en 65).


Zusters van Tromp. Uit het Testament van Tromp, verleden voor Jan
de Bruijne, notaris te Brielle, in dato 26 Jan. 1634 blijkt (wat
vóór de ontdekking van dit testament reeds door H. de Jager vermoed
werd) dat Tromp drie zusters had, n.l. Aeltje, Leentje en Maritgen
Harpertsdr. Ze waren toen dus nog in leven.


Geboortejaar van Tromp. Meestal wordt als zijn geboortejaar 1597
opgegeven. Zelfs het grafschrift op zijn tombe in de Oude Kerk te Delft
geeft daar aanleiding toe. Daar leest men toch (volgens de vertaling
in: "Leeven en Bedrijf van den vermaarden zeeheld Cornelis Tromp"
p. 134) "... den 10den Augusti van het jaar onzes Zaligmakers 1653 ter
ouderdom van 56 jaren opgehouden te leven en te verwinnen." Tromp
nu verjaarde vóór Augustus (n.l. den 23sten April), derhalve:
1653-56=1597. Ook in de Rott. Hist. bladen vindt men het jaartal 1597
(in die opgave staat een drukfout, die later aangewezen wordt).

Toch is het geboortejaar niet 1597 maar 1598. Niet alleen geeft
prof. Thysius in zijn Oratio Funebris, maar ook een ander tijdgenoot
(schrijver van de ongepagineerde "Memorie Raeckende het begin,
vervolch, ende eynde, van de diensten van wijlen de Heere M. H. Tromp
enz.," Den Haag 1653) het jaartal 1598. Doch, wat alles beslist,
het Brielsche Doopregister geeft als doopdag 5 Mei 1598, gelijk het
hierbij gevoegde fac-simile ten duidelijkste aantoont. De zorg voor
deze en de andere fac-simile's had de heer J. de Jong Cz. voormaals
leeraar H. B. S. te Brielle, thans Directeur Burger-Avondschool en
leeraar H. B. S. te Utrecht, op zich genomen, waarvoor ik hem reeds
vroeger openbaar mijn dank betuigde.


Tromp's welstand en zijn huizen. In den tekst is sprake van een
omstreeks 1640 verschenen Schotschrift, waarin Tromp geducht afgetakeld
wordt. Dit pamflet is getiteld: "'t Samen-Spraeck, over de Loffelycke
daden, gelegentheden ende afkompste van den Recht wel Edelen Manhaften
Zee-Heldt Marten H. Tromp, thusschen..." en nu volgt de opgave
van eenige personen, waarvan wij slechts noemen: Marinus Crijnsz.,
een Jongh varent gesel van Zeelant; Jan Slomp, een oudt varent Man;
diens vrouw: Trijn Jans, zijnde een Uytdraeghster; Griet Smeers,
een Besteedster enz. Jaartal ontbreekt. Aan het einde: "Hier naer
Een beter. S. V. P." (Koninkl. Bibliotheek). Wil men dit schotschrift
gelooven, dan moet het, nog kort voor 1640, niet te schitterend met
den welstand van Tromp en diens familie gestaan hebben. Daarom is
het niet oneigenaardig eens na te gaan, wat daaromtrent het Brielsche
Archief te vertellen heeft. In betrekking tot het Schotschrift mogen
we ons hier alleen bemoeien met de getuigenissen vóór 1640.

We vernemen dan, dat de vader van zijn tweede vrouw, n.l. Jacob
Arenszoon Arckenboudt volstrekt niet onbemiddeld was. Hij werd den
27sten Juli 1613 door het Oud en Nieuw Gerecht der stede van den
Brielle tot ontvanger en collecteur van de Verpondingen benoemd,
werd van 1 Oct. 1605 af herhaaldelijk tot Schepen benoemd en was van 1
Oct. 1613 tot 30 Sept. 1614 Oud-Schepen. Hij stierf in 1625, en, daar
hij meer dan eens in het huwelijk trad, moest er boedelscheiding plaats
hebben. Tot de kinderen uit een vorig huwelijk behoorde Tromp's tweede
vrouw, Aeltghen. Later kon haar man, dus Maerten Harpertsz. Tromp, uit
haar erfenis èn een huis in de Nobelstraat (genaamd "het Hemelryck")
èn een huis in het Zuideinde (beide straten in Den Briel gelegen)
verkoopen. Ook was hij in 1633 "reeder en participant van seeckere
haringhbuysch." Een zuster van Tromp ondertrouwde den 8sten Juni 1625
met Egbert Ooms, volgens De Jager: Ooms, joncman van Nieuwegen. In
het Trouwregister staat achter haar naam; jonge dochter, wonende
in de Nobelstraat. Het is mogelijk, maar in die straat zou men geen
menschen gezocht hebben, die "voor de maets waschten". Zijn andere
zuster Maartje of Maritgen huwde met Bastiaen Bastiaensz. Molewater,
en die is dus de zwager van Tromp, de bakker, die hem brood van
"verdroncken terwe" verkocht zou hebben. Het huwelijk had den 8sten
Juli 1631 plaats. Ook zij woonde toen in de Nobelstraat. In 1647 werd
Bastiaen Molewater in de St. Catharinakerk te Brielle begraven. De
fraaie grafsteen, waaronder ook Tromp's zuster ligt, is alweer geen
bewijs voor den geringen staat van Tromp's familie. Men vindt dien
steen dicht bij het in 1711 opgerichte praalgraf van Philippus van
Almonde. Wel is Bastiaen Molewater geen Raad en ook geen Burgemeester
van Den Briel geweest, gelijk De Navorscher 1867 p. 291 ten onrechte
mededeelt. Dat was het geval met den zoon van Bastiaen Molewater
en Maritgen n.l. Harper Molewater. Deze Harper Molewater is raad,
schepen, oud-schepen en burgemeester-thesaurier van Den Briel geweest.

Dat Tromp's vader in 't jaar 1606 te Rotterdam een huis kon
koopen, en na het sluiten van het Bestand, met een "eigen geladen"
koopvaardijschip uit kon varen, getuigt ook niet van zulk een armoede
als het Schotschrift zou doen denken. Over het koopen van dat huis, zie
men Rott. Hist. bladen p. 61, aant. 3, en over Tromp's geboortehuis
en een ander huis door hem in Den Briel bezeten, Navorscher VII
(jaarg. 1857), p. 29 kol. 2 onderaan. Deze laatste berichten steunen
echter meest op overleveringen, zijn van een mij onbekend gebleven T,
en tenminste in één opzicht niet geheel juist. De quaestie is echter
te plaatselijk, om er hier op in te gaan.


Wanneer is Harpert Tromp gesneuveld? Volgens Potgieter reeds 40
dagen na den slag van Gibraltar, dus in 1607; (Verspr. en Nagel,
Werken, Schetsen en Verhalen, I p. 77, uitgave 1875) en G. van Loon
(Nederl. Historiepenningen, II p. 377) geeft het jaar 1608 op. Volgens
de Memorie bleef Harpert in 's lands dienst tot hij den 9den Juni
1610 door het sluiten van het Bestand buiten dienst werd gesteld. Ook
Prof. Thysius zegt, dat hij na het sluiten van het Bestand met een
"eigen geladen" koopvaardijschip uitzeilde, en wel, volgens de Memorie
"nae de Caep de Verde ofte Ginea."

Omtrent Cabo Verde had de noodlottige ontmoeting met de zeeroovers
plaats, bij welke gelegenheid Harpert sneuvelde, wat dus zeker niet
voor 1609 plaats had. Het zal derhalve in 1609, of in 't begin van
1610 geschied zijn.

En dat klopt geheel met een andere opgave. Uit een fragment-rekening
der Admiraliteit op de Maas (medegedeeld in Rott. Hist. bladen
p. 87) blijkt, dat den 26sten Januari 1613 "aen Janneken Barentsdr.,
weduwe van Capiteyn Herpert Maertensz" werd toegelegd de somma van
250 pond "eens voor alle haere pretensien geene uytgesondert welcke
zy ter saecken haeres voorsz. mans diensten den Lande ter zee tot
desselfs overlyden toe hadde uytstaende ende 98 pond over de leste
vier maenden solts daer inne hy slaechs zijnde tegens de zeeroovers
is dootgeschoten." De moeder van Maerten was door de terugkomst van
haar zoon te weten gekomen, dat zij weduwe was. Volgens de Memorie
heeft Maerten den zeeroover omtrent derdehalf jaar gediend. Wanneer
we nu, met den bovengemelden vasten datum van den 26sten Januari 1613,
mogen aannemen dat het verzoek der weduwe in 't laatst van 1612 tot het
College is gericht, zou daaruit volgen, dat Maerten in de tweede helft
van 't jaar 1612 uit zijn slavernij ontslagen is, en dan komt men,
daar 2-1/2 jaar aftrekkend, tot het voorjaar van 1610 als tijdstip,
waarop Harpert gesneuveld is.


De Zeeroover tegen wien Harpert sneuvelde. Potgieter noemt hem Sir
Francis Verney en spreekt van één schip. De Memorie van een "sekeren
welgemant ende gemonteert Engelschen Rover, ghenaemt Capiteyn Hessen,"
en nog van diens "bijhebbende Schepen", prof. Thysius veel stelliger
van een "Engels Rover, die met seven schepen de Zee onvrij maakte."


Hoe is Maerten dien roover ontkomen? In "Leeven en Bedrijf van Cornelis
Tromp" vindt men daarover: "waarna de jonge (Maerten Harpertsz.) Tromp,
dien Roover wel dardehalf jaar voor Kajuitwachter moest dienen; doch
vond eindelyk middelen om t' ontkomen." De Memorie, dat "hy dien Rover
noch eyndelyck ontspronghen, ofte ontdonckert" is. Toch, Maerten is
den roover noch ontsprongen of ontdonkerd, noch heeft hij middelen
gevonden om te ontkomen. Want Thysius zegt: "totdat de satheyt van de
Zee ende des roofs, de Roovers selfs bevingh, ende nae dat sy conditien
met den Hartogh van Savoyen ghemaeckt hadden, haer een vrye plaets
om te herbergen toegestaen is. Naerdat de Engelse roovende Vloot tot
niet was, heeft hy hem vrygesteld zijnde, in syn gemoet doen alreede
groote saken overleggende, wederom naer syn Vaderland terug begeven."


Hoe lang kan Maerten bij het timmervak gebleven zijn? Aannemende dat
het waar is, wat het Schotschrift hiervan mededeelt--en voor twijfel
daaromtrent zie ik hoegenaamd geen reden--dan rijst de vraag, hoe
lang kan dit leven aan wal geduurd hebben? De Memorie zegt hiervan:
"Ende t' Huys gekomen zijnde, ende als doen een Reys met Schipper
Cornelisz. de Haes ghedaen hebbende op Rowanen, heeft sich den 23sten
Juny Anno 1617 in dienst begheven onder den Capiteyn ende Commandeur
Moy Lambert zal(i)g(er) voor Quartiermeester." Maerten was in 't
laatst van 1612 in Rotterdam teruggekomen. Volgens de Memorie treedt
hij eerst in Juni 1617 in 's lands dienst. In dien tusschentijd wordt
door de Memorie, die zeer regelmatig alle zeetochten van Tromp optelt,
enkel het reisje naar Rouaan gemeld. We mogen dus zijn leven aan wal
zeker wel op drie à vier jaar stellen.


Het verblijf bij den "Bassa" van Tunis. Tegen het afloopen van
het Bestand wilde Tromp naar huis terugkeeren en werd toen, dus in
't laatst van 1620 of 't begin van 1621 door "de Turken" gevangen
genomen. Na zijn bevrijding, is hij "gheraekt nae Londen (zegt de
Memorie) van waer hy met Capitein Adriaen Emmekans zalig(er) ware
overgekomen tot Rotterdam, alwaer hy den 23 Julij 1622 is geworden
Luytenant onder Capiteyn Cornelis de Bagijn." Het verblijf bij die
van Tunis zal dus ruim een jaar geduurd hebben.


Het aanbod van den "Bassa." Thysius zegt hiervan (in de vertaling
van 1653, als "Lyck-Oratie" betiteld) "Den Bassa heeft lange met seer
grooten ernst van onsen Heldt begeert, dat hy doch het Stuyrmanschap
van sijn Schepen wilde aennemen, en heeft hem eere ende groote
vereeringhen belooft, door welcke de broose verstanden der menschen
dickwils wegh gheruckt werden." Het oorspronkelijke (Oratio Funebris
p. 8) heeft hier: "Diu ille summopere ad heröe nostro flagitavit,
ut gubernatorem suarum navium ageret, honores, luculenta praemia,
quibus abripi fragiles mortalium mentes solent, promisit."


Voeding der Schepelingen. De spijzen "bestonden uit hard brood of
beschuit, en zoolang dit verkrijgbaar was, uit gewoon of week brood,
uit vleesch of spek, kaas, stokvisch, haring, gort, witte, groene
of grauwe erwten en boonen. De drank was behalve het water, bier;
van jenever wordt in deze dagen nog geen melding gemaakt." Ook niet
van brandewijn en tabak, doch brandewijn werd spoedig na Tromp's tijd
gebruikt, en tijdens den 2en Engelschen Oorlog werd er zelfs misbruik
van gemaakt. Insgelijks van tabak, die reeds onder Piet Hein gebruikt
moet zijn geworden, want hij verbood het. Met de victualie waren de
scheepsbevelhebbers belast, en wel sedert Karel V. In 1636 besloten
de Staten van Holland een proef te nemen, om dit aan "aannemers of
beleiders" over te laten (in Zeeland bleef het gelijk het was); doch
deze aannemers werden in 1640 weer ter zijde gesteld. De kapiteins
kregen kostgeld, waarvoor zij de manschappen moesten onderhouden,
en wel voor iederen matroos 6 stuivers daags. Bij afwezigheid
hunner echtgenooten, zorgden, zoowel voor de victualie als voor
de koks- en kajuitsgereedschappen voor een zeetocht, de vrouwen
en ook wel de moeders der kapiteins. Dat deed ook de vrouw van
Michiel de Ruijter. Deze admiraal wilde den kapiteins 7 stuivers
daags per man toegelegd zien, doch het bleef nog lang 6 stuivers,
"en menig kapitein heeft er zich wel bij bevonden." Vergelijk De
Jong. Gesch. v. h. Ned. Zeewezen I p. 319 en 699 (noten).


De omgang van Tromp met zijn volk. "Gemeenzaam en vriendschappelijk
van omgang, werd hij door alle zeelieden aangebeden, bij wie hij onder
den naam van Bestevaêr bekend stond, en die hij gewoonlijk zijne
kinderen noemde" (De Jonge 1 p. 517).--"Wat sijn sachtmoedigheydt
en stillen ommeganck met sijn volck, als mede sijn andere deughden
aengaet, daer van weeten sijn bekende meer te spreecken, als wy te
schrijven." (Leeven en Daaden der Doorl. Zee-helden, anno 1683,
p. 547, kol. 2)--"Wonderlyk wist hy zig naar den aart van het
Scheepsvolck, dat hem steeds by den naam van besten Vader begroette,
te voegen. Hy was Bevelhebber en Matroos te gelyk; zonder zyne
agtbaarheid te verwaarloozen, en hier door kon hy alles van zyne
manschap verkrijgen." (Neerlands Heldendaaden ter zee, 1783,
I p. 330). Wanneer prof. Thysius ook mededeeling doet van deze
uitnemende verhouding tusschen Tromp en zijn volk, voegt hij er aan
toe, dat "hy sijn ontsach gheheel wist te behouden"--Ook leefde hij
aan boord eenvoudig: "die kroop slechts met zijn onderkleeren in de
koy, gelijk de Bootsgezellen gewoon sijn. Hy had maar een knecht die
op hem paste, en die hy dan noch tot andere dingen gebruyckte. Hy
had ook maar een kok, die voor hem zelden anders als Scheeps-kost
schafte" (Een praatje van den Ouden en Nieuwen Admiraal, anno 1653,
p. 5). Hiermede komt overeen wat Thysius zegt, waar hij mededeelt, dat
Tromp "dickwils nachten sonder slapen doorbracht, hy ruste nimmermeer
gansch uytgekleet zijnde, hy stondt somtyds in de ontydighe nacht op,
en hy die de opperste-wachter van allen was, sloegh met syn ooghen
het waecken van andere gade." (Oratio p. 19). De krijgstucht in die
tijden eischte, dat "niemand van 't gemeene volk zich des nachts
(vermocht) te ontkleeden, zelfs niet de schoenen uit te trekken. Deze
bepaling, hoe doelmatig ook, om op ieder uur van den nacht het volk
ineens gekleed boven te hebben, was toch, dunkt me, wel wat hard en
zal in rustige tijden of wanneer men in de ruimte was, wel niet met
groote gestrengheid zijn toegepast" (Weruméus Buning, in "de Gids"
van 1881 I p. 16).


De stengen aan de Spanjaarden gegeven. Als De Jonge mededeeling doet
van de stengen, welke Tromp voor de Spanjaarden te Dover liet halen,
en het kruit, dat hij, door bemiddeling van de Engelschen, den vijand
aanbood, zegt hij, op p. 362 noot 1, dat deze bijzonderheden, welke
hij aan het Journaal van Tromp ontleende, onbekend waren. Hierin
vergiste hij zich ten opzichte van de stengen. Reeds in 't jaar 1683
vond men deze bijzonderheid in een gedrukt boek. "Op den sevenden
(van Wijnmaand) quam Capiteyn Dorrevelt slepende een Engelsche Kitz
met Wangen, Rees, Schaelen, en andere behoeften voor de Spaenschen,
die Tromp naer den Spaenschen Admirael toe sond, alsoo die al geklaeght
had, dat men sijn noodige behoefte hem af sneed, waerom hy niet vechten
konde, voor welcke dienst, Dorrevelt van Oquendo met een Pijp Spaensche
Wijn vereert wierd."


De schending van de neutraliteit door de Spanjaarden. "A day or two
after; they fired some shot at Van Tromp's barge, he being him self
in it. What damage the barge suffered does not appear, but on board
one of the Dutch ships a man was killed by a cannon ball, and the
dead body was immediately sent to Sir John Pennington (dat was de
Engelsche vlootvoogd) as a proof that the Spaniards had been the first
violaters of the neutrality of the King's harbour." (Biographical
Memoir of Marten Happertsz. Tromp, enz. in The Naval Chronicle for
1817, Vol. XXXVI from January--June, p. 92. Het woord Happert is geen
drukfout, want het staat boven elke bladzijde van dit opstel. Het is
misschien een kenschetsend voorbeeld van den invloed der eigenaardige
uitspraak van de Engelsche a vóór de r).

Pennington was met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en
verkondigde "dat men sig, ter wederzyde, van vyandelykheden hadt
te onthouden--Dat hy, die zig er het eerst aan schuldig maakte,
de vyand van Grootbrittanje zou zijn, en als zodanig behandeld
worden." (Neerlands Heldendaaden, I p. 338).


Het wapen van Tromp. "Ende nu onlancx den gheluckigen Heldt Martin
H. Tromp van den Koninck van Vrankrijck, een schildt d'argent au
cheuron de gueulles, accompagnée d'un Galioen de sable en pointe,
au chef d'azur, chargé d'une fleur de Lys d'or, ter gedachtenisse
van den victorieusen Zeestrijdt, bij hem op zijne Majesteyts ende
dezer Landen vijanden, verkregen" (Rotterd. Historiebl. a. v. p. 63,
aant. 1). Tromp werd in Januari 1640 Ridder der Orde van St. Michiel,
en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk XIII met een nieuw wapen
begiftigd. Hij werd door Koning Karel I van Engeland den 20en Mei
1643 tot Ridder verheven (Navorscher 1867 p. 290).


Pekbroek. De bepaling, welke Van Dale's woordenboek dienaangaande
bevat, is historisch geheel onjuist. "Pekbroek" is geen scheld-,
maar een eerenaam, de naam van een kind der zee, van een persoon,
die door en door een zeeman is. Moge het, volgens de afleiding,
oorspronkelijk een scheldnaam zijn geweest, dan is het daarmede gegaan
als met de oorspronkelijk als zoodanig bedoelde benaming Geus.


Landgangers waren kapiteins, die er liever hun plezier van gingen
nemen te land, dan op zee hun plicht te doen. Ook bij de Engelsche
zeemacht waren zij niet vreemd, getuige de, in den negenjarigen
oorlog zoo beruchte Engelsche admiraal Torrington, wiens naam het
Engelsche zeevolk verdraaide tot Lord Tarry in town (Lord Blijf in de
stad). Vergelijk Macaulay's Gesch. van Engeland, (vert. van dr. Van
Deventer) 2e druk III p. 218.


Een Engelsche lezing van de ontmoeting tusschen Tromp en Blake. "On
their approach without paying the honour of the flag to the English
Admiral Blake ordered several cannon, without shot, to be fired;
but Van Tromp paid no regard to these warnings, and Admiral Blake
no sooner fired a ball at his main-top-mast head, than he returned
another, that went through the English admiral's flag and taking in
his own and hoisting the red flag for battle, he immediately gave
the first broad side." (Biographical Memoir a. v. p. 95).

Als een teekenend staaltje van de wijze, waarop de Engelsche jeugd
over het eergevoel der Nederlanders leert oordeelen, haal ik hier het
volgende aan uit Captain Marryat's: the Phantom Ship (editie London,
George Routledge and Sons, p. 59). In 1654, peace was signed; the
Dutchman promising "to take his hat off" whenever he should meet an
Englishman on the high seas--a mere act of politeness, which Mynheer
did not object to, as it cost nothing.


Roodrokken. "Er straalt in het Journal van Tromp op meer dan ééne
plaats de haat door, welke de Nederl. zeelieden reeds te dezen tijde
aan de Britsche toedroegen. Hij spreekt op ééne plaats van hen met
zekere verachting, onder den naam van Roôrokken. ""... Captein Fielding
en nog een andere Roôrok."" De Jonge I p. 361 noot.


Cromwell niet de drijver tot den Eersten Engelschen Zee-oorlog. Na de
ontmoeting tusschen Tromp en Blake was de stemming in Engeland zeer
oorlogszuchtig. Een Commissie van onderzoek, waarvan Cromwell lid was,
verklaarde Tromp schuldig. Toch werd de oorlog tegen de eigenlijke
bedoeling van Cromwell doorgedreven. "Want de machtige leider van
den Engelschen staat wenschte geen oorlog met de in godsdienst en
afkomst verwante zusterrepubliek, die hij hoopte te winnen voor zijn
plannen van religieus-politieken aard in Europa." Wel leidde hij met
kracht de oorlogstoerustingen, maar aan den eenen kant om de Engelsche
oorlogsmacht te versterken, en aan den anderen kant om juist daardoor
de Nederlanders van een oorlog af te schrikken. (Zie prof. Blok,
Gesch. v. h. Ned. volk, p. 65 en 66.)


De bezem in den mast. Het was een oude Hollandsche gewoonte om,
als teeken dat men de zee van vijanden schoon geveegd had, een bezem
in den mast te voeren. Dat geschiedde o. a. in de eerste helft der
15e eeuw in een oorlog tegen de Hanzesteden (vergelijk De Jonge I
p. 25). Dat ook Tromp aldus gehandeld zou hebben, wordt door niet één
onzer geschiedschrijvers bevestigd. Het zou ook moeilijk overeen te
brengen zijn "met de zedige en gematigde inborst van den Nederlandschen
opper-bevelhebber." (Zie De Jonge I p. 441). Toch wordt het door
de Engelschen staande gehouden, o. a. gelijk De Jonge mededeelt,
door Hume. Een ander Engelsch geschiedschrijver zegt hiervan het
volgende: "and such was the vanity of Adm. Van Tromp, that he sailed
through the Channel on his way to the Isle of Rhé, with a broom at his
main-top-mast head, intimating that he would sweep the Narrow Seas of
English ships." (Biographical Memoir a. v. p. 97). Daarover hem nog
eens doorvegende, heet het later: "It has been said, that in the midst
of his greatest glory, he constantly evinced a remarkable modesty; but
of this there is perhaps some reason to doubt, in the instance of his
carrying a broom at the mast head, indicative of the ease with which
he would sweep the seas, there surely was no remarkable modesty, but
perhaps we are to consider his modesty in reference only to his private
character, in which it is said he never assumed a higher distinction
than that of a burgher, and father of the sailors." (Idem p. 102).


Het gunstig oordeel der Engelsche geschiedschrijvers over Tromp. Zie
daarover De Jonge I p. 502, II p. 92 v. v. Het is in Biograph. Memoir,
dat men het oordeel vindt, dat "he had been esteemed one of the
greatest seamen that had till then appeared in this world."


Engelsch oordeel over Tromp's ongenade. "This miscarriage of the Dutch
grand fleet, spread a general discontent (too commonly by the case when
a valiant commander is in the least unsuccessful)." Biograph. Memoir
p. 95.


De overmacht van het Britsche zeewezen. "All the successes of the
English--zegt de geschiedschrijver Hume--were chiefly owing to the
superior size of their vessels; an advantage which all the skill and
bravery of the Dutch Admirals could not compensate" (Bij De Jonge I
p. 500, noot 2).


Gebeden. Reeds den 9en Aug. 1653 werd Ds. Lotius door de Staten van
Holland aangezegd, om in de Kloosterkerk "een yverigh Gebedt tot Godt
den Heere" te doen. (Zie Res. Holl. van 9 Aug. 1653).


Dood van Tromp. "De goede Lt. Admiraal Tromp wierd onder het afgaen
van de Hut geschooten; hy, nedervallende, wierdt weder opgenomen,
en op kussens in de Hut nedergelegd, stervende met dese woorden in de
mond: Ick heb gedaen, houd goeden moed. O Heer weest mij en dit arme
volck genadigh." (Leeven en Daaden p. 546).--"Eenigen meenden dat hij
zig, onvoorzigtiglyk, te veel bloot gegeven hadt; zo dat Monk hem,
bescheidelyk, hadt konnen kennen, en hierop zyne Muskettiers gelast,
gelykelyk, op hem los te branden." (Wagenaar XII p. 241)--"Hy is
dan met een kleyne kogel onder syn tepel aen de slincker zijde
tot in 't binnenste van zyn hert doorschooten, seer haestelyck ter
nederghevallen" (Thysius, p. 18).--"In 't Leeven van den Vice-Admiraal
De With leeze ik eenvoudig: Tromp, in het eerste aantreffen, met eenen
kogel, in syn lincker borst, 's morgens omtrend half seven, getroffen,
is, terstond, overleden." (Van Wijn, Naleezingen II, p. 142).


Twee Testamenten van Tromp. In de Navorscher van 1895 p. 29
v. v. werden deze door mij gepubliceerd. Het eerste was van 17
Sept. 1631, het tweede van 26 Jan. 1634, beide, in zijn hoedanigheid
van "Capiteijn ter See," verleden voor den notaris Jan de Bruijne
te Brielle. Uit beide blijkt de liefde tot zijn moeder. Bij het
eerste werd bepaald, dat, dadelijk na zijn overlijden, voor haar
belegd zou worden 1600 gld., waarvan zij gedurende haar leven den
interest (gerekend tegen de penning 16) zou genieten. In het tweede
testament bepaalt hij, dat zijn erfgenamen jaarlijks aan zijn moeder
200 gld. moeten uitkeeren. De keten en medaille, waarvan in den tekst
sprake was, moest altijd in zijn geslacht blijven en verviel telkens
aan den oudsten zoon.


Pensioen aan zijn weduwe. Den 20sten October 1663 werd door de Hoog
Mog. Heeren Staten-Generaal der Vereen. Ned. op het verzoek van Tromp's
weduwe goedgunstig beschikt, n.l. om een levenslang pensioen. "Waerop
gedelibereert ende geconsidireert zynde de sonderlinge goede
notable en getrouwe diensten die de voorn. Lt. Admirael sal(iger)
den Lande veele jaren aan den anderen heeft gedaen ende bewezen, dat
hy oock op den 10 Aug. 1653 in zee met slands vloote valeureuselyk
vechtende syn leven heeft verlooren; Is ten dien insigte goetgevonden
ende verstaen de voorn. weduwvrouwe nae proportie van de gemeene
Cap. weduwen haar leven gedurende, of zoolangh zy weduwe blijft,
mits desen toe te voegen een vijfde gedeelte van het tractement,
't welck de meergem. Lt. Admiraal van de charges bij hem mett'er
doot ontruymt, in syn leven placht te genieten, dogh dewijle die van
verscheijdene nature zijn geweest, soo wordt het gemelte collegie
ter Admt. tot Amsterdam geinjungeert te betalen het vijfde gedeelte
van het Lt. Admrs. Tractement en het collegie ter Admt. tot Rotterdam
gelijk gedeelte van het Tractement van Cap. op een schip van Oorlogh
ter zee, enz." (volgens Rotterd. Historiebl., p. 83, 84).

Daar ik het nog al vreemd vond, dat dit pensioen eerst 10 jaar na
den dood van Tromp aan zijn weduwe werd toegekend--en een drukfout in
Rott. Hist. bladen toch niet tot de onmogelijkheden behoort--wendde ik
mij om inlichting tot het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Met
de gewone welwillendheid ontving ik het antwoord, dat de gemelde
beslissing door de Staten-Generaal wel degelijk op den 20 October
1663 genomen werd, en wel naar aanleiding van een request der weduwe,
den 31 Maart 1661 ingediend. Kwam dus het verzoek niet vroeg, de
beslissing werd ook niet spoedig genomen.



AANTEEKENING


[1] Dagen en Daden van Admiraal Dubbel Wit.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Maerten Harpertsz. Tromp
 - Een zeemanszoon uit de 17de eeuw" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home