Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Nederland en de Islâm
Author: Hurgronje, C. Snouck (Christiaan Snouck)
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Nederland en de Islâm" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                         NEDERLAND EN DE ISLÂM

                                  DOOR
                        DR. C. SNOUCK HURGRONJE

            Hoogleeraar a. d. Rijks-Universiteit te Leiden.


                          2e VERMEERDERDE DRUK

                     N. V. BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
                       VOORH. E. J. BRILL LEIDEN

                                  1915



VOORREDE.


Bijna vier jaren geleden leidde ik de eerste uitgave van dit thans
voor de tweede maal verschijnende werkje met de hieronder volgende
woorden bij den lezer in:


   "Op uitnoodiging mijner mede-curatoren der Nederlandsch-Indische
    Bestuursacademie sprak ik in Maart 1911 voor de aan die Academie
    studeerende ambtenaren de vier voordrachten uit, die hier in
    druk eenen grooteren kring van lezers aangeboden worden. Deze
    omstandigheid moge ter verklaring dienen van hetgeen sommigen hier
    te kort, anderen weder te wijdloopig behandeld mochten vinden".

   "Gerekend is immers op toehoorders, voor wie de Islâm èn door
    hunne vroegere opleiding, èn door hunne ambtelijke ervaring geen
    onbekende grootheid was, maar voor wie toch ook weer, daar de
    gelegenheid tot diepere studie van de Mohammedaansche cultuur hun
    had ontbroken, eene beknopte herinnering aan het vroeger geleerde
    of waargenomene niet onwelkom kon zijn. Verder mocht bij hen in
    den regel bekendheid door eigen aanschouwing met het leven van
    Indonesische Mohammedanen ondersteld worden. Toch heb ik gemeend
    voor mijn betoog de aandacht te mogen vragen ook van anderen, die
    hetzij voor de voornaamste vraagstukken der koloniale politiek,
    hetzij voor de problemen, die de Islâm aan de Westersche wereld
    ter oplossing voorlegt, eenige belangstelling over hebben".

   "De richting, waarin ik de oplossing van het Islâm-probleem
    voor Nederland vond, werd natuurlijk gewezen door het beginsel,
    dat naar mijne overtuiging in het algemeen de verhouding moet
    bepalen tusschen moederland en koloniën, tusschen de aan Westersch
    gezag onderworpen volken en degenen, aan wie de geschiedenis
    het gezag over hen in handen heeft gegeven. Daar tegenwoordig
    in ons vaderland alle politieke partijen te dezen aanzien
    in hoofdzaak ééne lijn trekken, heb ik het onnoodig geacht,
    daarover opzettelijk uit te weiden. Al mogen de opvattingen in
    het bijzondere nog verschillen, er is eenheid in het noodigste,
    namelijk in de erkenning van de ethische koloniale politiek als
    de eenig mogelijke".

   "Nu zijn mij echter van zeer geachte zijde naar aanleiding
    mijner voordrachten een paar vragen gesteld, die mij nopen,
    mijn algemeene uitgangspunt bij het onderzoek der hier door mij
    behandelde vraagstukken, gelijk bij alle andere, die de koloniale
    politiek betreffen, wat scherper te formuleeren".

   "De vragen kwamen in hoofdzaak hierop neer, of dan niet het
    verwerven en behouden van koloniën bovenal voordeelen voor het
    moederland ten doel moest hebben, en of niet de door mij en
    anderen bepleite krachtige bevordering van de associatie der
    Inlandsche maatschappij aan onze beschaving op den duur tot het
    verlies onzer koloniën zou leiden".

   "Het zij mij vergund, met allen eerbied ook voor opvattingen, die
    aan de tijden der Compagnie en van het cultuurstelsel doen denken,
    mijne zienswijze zonder verder betoog apodictisch uit te spreken".

   "De exploitatie-theorie behoort tot een verleden, dat wij niet
    terugwenschen en dat wij, al wenschten wij het, niet uit den dood
    kunnen doen verrijzen, zelfs niet in een nieuwen vorm. Zelfs al
    zou men eenzijdig voordeel voor het moederland als hoogste doelwit
    van het koloniale bestuur ook in onzen tijd willen laten gelden,
    dan toch zou een staatsman, die wat ver voor zich uit ziet, dat
    voordeel nergens anders kunnen ontdekken dan in eene toekomst,
    waarin de inboorlingen der koloniën door ons op de hoogste
    plaats gebracht zijn, die hun aanleg hen in staat stelt, in te
    nemen. Heeft die verheffing der inheemsche bevolking, die zijzelve
    zoekt en dus ook vinden zal, onder onze krachtige leiding plaats,
    dan hebben wij de grootst denkbare kans, dat het moederland er in
    uitbreiding evenveel bij winnen zal als de vroeger overheerschten,
    nu geassocieerden, in hoogte".

   "Wat de aardbol over een eeuw te zien zal geven, dat laat
    zich noch van het standpunt der ethische, noch van dat der
    exploitatie-politiek waarnemen. Vraagt men mij echter,
    onder welk der beide régimes het verlies van Oostersche
    wingewesten binnen de honderd jaren waarschijnlijker is, dan
    zeg ik zonder eenige aarzeling: niets kan zulk verlies zekerder
    verhaasten dan zelfzuchtige koloniale staatkunde van de soort,
    die ons uit de annalen der Oost-Indische Compagnie en van het
    cultuurstelsel van al te nabij bekend is, en welker doodvonnis
    door het hooggerechtshof der geschiedenis geruimen tijd geleden
    bekrachtigd werd".


De redactie van de "Revue du Monde Musulman" liet deze voordrachten
voor haar tijdschrift in het Fransch vertalen, en stelde die vertaling
ook afzonderlijk verkrijgbaar onder den titel "Politique Musulmane de
la Hollande". Maar ook in ons land hadden zij zich niet te beklagen
over gebrek aan belangstelling, en de hoofdgedachten, die eraan ten
grondslag lagen, vonden in wijden kring instemming.

Dit laatste was voor den schrijver bijzonder aangenaam, en het
alleraangenaamst trof het hem, dat die instemming kwam uit kringen
van zeer uiteenloopende staatkundige en godsdienstige richting. Het
is werkelijk dringend noodig, dat wij voor de vervulling onzer
nationale pedagogische taak jegens de Mohammedaansche onderdanen
van den Nederlandschen staat eene gedragslijn vinden, die voor de
beweging van die verschillende richtingen ruimte laat. Indien dit
onmogelijk bleek, dan waren de dagen van ons bestaan als koloniale
mogendheid geteld. Die gemeenschappelijke gedragslijn, de grootst
gemeene deeler van aller wenschen, die dan door ieder voor zich met
een eigen factor vermenigvuldigd mag worden, is te vinden, wanneer
men gezamenlijk ernstig er naar zoeken wil, niet, wanneer ieder,
star voor zich uit kijkend, zijn eigen stokpaardje blijft berijden,
onder voortdurend aanbotsen tegen de andere ruiters. De grootste
voldoening gaven mij de bewijzen van sympathie, die ik uit de kringen
van zendelingen en zendingsvrienden mocht ontvangen, omdat, zooals ik
in mijne vierde voordracht opmerkte, het besef van de taak, die ons
volk ten aanzien der Inlandsche maatschappij te vervullen heeft, dáár
het levendigst is. Het spreekt wel van zelf, dat diegenen onder hen,
die zelf practisch op dat gebied werkzaam zijn, en aldus ervaring
opdoen van allerlei bezwaren, waarover de zendingsvrienden in het
moederland vaak luchtig heen redeneeren, meer neiging vertoonen
dan deze laatsten om met vollen ernst te luisteren naar voorstellen
betreffende een compromis, waartoe het in de werkelijkheid, zooals
zij wél weten, toch altijd komen moet. Daarom had de waardeering,
die ik juist van hunne zijde ruimschoots mocht ondervinden, voor
mij dubbele waarde, en hielp zij mij om de ook niet ontbrekende
wanklanken zonder ontmoediging te vernemen. Dit werd mij trouwens
in het bijzonder gemakkelijk gemaakt door zulke besprekers, die
blijk gaven, dat hun godsdienstig denken door politieke partijschap
in bedenkelijke mate geinfecteerd was. Zoo bijv. een schrijver in
"Stemmen des Tijds", die niet alleen dikwijls eene geheel scheeve
voorstelling van mijn bedoeling gaf, maar naief genoeg was om te
verklaren, dat hij bij eerste lezing mijner voordrachten gemeend
had, dat "wij het werk met vereende krachten konden doen", maar dat
hij vervolgens door de debatten in de Tweede Kamer tot een juister
inzicht werd gebracht. Duidelijker kan men niet uitkomen voor de
verpolitieking zijner inzichten over de groote vraagstukken van
"Oost en West", die ons volk zich ter oplossing voorgelegd ziet.

Wie zich bij de behandeling dier problemen niet weet te verheffen
boven het kleinzielige partijleven van onze vaderlandsche politiek,
die blijve er af; zijn arbeid, hetzij voor de Christelijke, hetzij
voor de nationale zending in onze koloniën, is van tevoren met
onvruchtbaarheid geslagen.



Juist toen ik gereed was met het aanbrengen van enkele verbeteringen
en aanvullingen voor de tweede uitgave mijner voordrachten, gaven de
jongste gebeurtenissen op het groote wereldtooneel mij aanleiding tot
het schrijven van een Gidsartikel over de wijze, waarop Duitschland
onlangs begonnen is te trachten, het Mohammedaansche fanatisme aan
zijne belangen dienstbaar te maken. Het kwam mij voor, dat bedoeld
opstel, met een paar kleine toevoegingen, als vijfde hoofdstuk van dit
boekje niet misplaatst zou zijn. Mijn ondertitel "Vier Voordrachten,
gehouden in de Nederlandsch-Indische Bestuursacademie" moest dan
natuurlijk vervallen, maar "Nederland en de Islâm" mocht het geheel ook
nu blijven heeten, want ook voor de Nederlandsche Islâmpolitiek is het
van hoog belang, zich rekenschap te geven van de wegen, waarin groote
mogendheden van Europa het politieke leven van de Mohammedanen pogen
te leiden en van de houding, die ons ten aanzien dier pogingen past.



Eerst na het afdrukken van dit hoofdstuk is mijne aandacht gevestigd
op eene vergissing, die mij eene uitdrukking van Becker onjuist deed
interpreteeren. Bladz. 133, regel 12-14 moet als volgt gelezen worden:
Becker heeft tot voor korten tijd deze "Betonung des Kalifats als einen
Fehler aus Unkenntnis beurteilt", enz. Ik had ten onrechte de woorden
"aus Unkenntnis" als bepaling van beurteilt in plaats van bepaling
van Fehler opgevat.

Sommigen mijner Duitsche vrienden--ik teeken uitdrukkelijk aan,
dat anderen mij hunne geheele of gedeeltelijke instemming met
mijne uiteenzetting betuigden--hebben de bedoeling van dit artikel
misverstaan, en daarin een verholen partijkiezen tegen Duitschland
als oorlogvoerende partij willen zien. Dat zulk eene bedoeling
mij geheel ten onrechte toegedicht werd, behoef ik aan onbevangen
lezers niet uitdrukkelijk te verzekeren. De weinige regels, die
(op bladz. 102-3) in het algemeen over dezen ellendigen wereldstrijd
handelen, geven duidelijk genoeg te kennen, dat ik te dien aanzien
geheel neutraal denk, niet omdat ik burger ben van een neutralen staat,
maar omdat ik mij oprecht en van harte onbevoegd verklaar, de eene
partij voor meer of minder schuldig te houden aan de ontbranding dan
de andere. Overigens heb ik mij streng bepaald tot mijn onderwerp,
de bespreking van het gebruik, dat Duitschland in den laatsten tijd
tracht te maken van de voor den Islâm vroeger zoo gewichtige ideeën
van het chalifaat en van den heiligen oorlog.

De behandeling hiervan lag op mijnen weg, en ik mocht mij daaraan
niet onttrekken, zoowel omdat ik mijn leven goeddeels gewijd heb
aan de studie van den Islâm, vooral ook in zijne beteekenis voor
onze dagen, als ook, omdat elke poging om het bijna gebluschte vuur
der middeleeuwsche politieke idealen van den Islâm weer te doen
opflikkeren ook voor de Mohammedaansche bevolking der Nederlandsche
koloniën gevaarlijk kan worden. Zooals ik bij vele gelegenheden
betoogd heb, het panislamisme is niet in staat, aan den Islâm zijne
middeleeuwsche positie van eene door de overige wereld gevreesde
wereldmacht te hergeven. Maar wat het wel vermag, dat is tijdelijk en
plaatselijk beperkte stoornissen te weeg te brengen, ten nadeele van de
Mohammedanen zelve en van de Europeesche naties, die Mohammedaansche
onderdanen hebben. Zulke stoornissen uit te lokken, het allengs
uitstervende Mohammedaansche fanatisme tot ontwaking te prikkelen,
dat acht ik misdadig, en mijne Duitsche vakgenooten, die zich over
dit vraagstuk uitlieten, dachten er steeds evenzoo over. Dat sommigen
hunner in de laatste maanden opeens van meening veranderd zijn, kan
niemand meer betreuren dan ik, die aan de Duitsche wetenschap zooveel
te danken heb en die in geen vreemd land meer beproefde vrienden heb
dan in Duitschland. Ik ben er zeker van, dat wij hier te doen hebben
met een voorbijgaand ziekteproces, veroorzaakt door de ook in andere
oorlogvoerende landen waar te nemen verstoring van het moreele en
intellectueele evenwicht. Zoolang echter het herstel nog niet is
ingetreden, behooren wij dat proces nauwlettend gade te slaan, en
voor onszelve op voorzorg bedacht te zijn. Niets zou mij aangenamer
zijn, dan dat zich spoedig de behoefte aan eene derde uitgave van dit
boekje deed gevoelen, en dat dan inmiddels de orkaan, die thans ook
op geestelijk gebied aan het woeden is, gestild en zoo een herdruk
der bespreking dezer afdwaling overbodig geworden was.


                                                   Leiden, Januari 1915.



INHOUD.


                                                                  Bladz.

Voorrede                                                          V-XII


HOOFDSTUK I.

De verbreiding van den Islâm. Inzonderheid in den Oost-Indischen
Archipel.

    De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel
        in den Archipel                                               1
    Karakter van Mohammeds godsdienst                                 2
    Beteekenis der Hidjrah                                            3
    Gewelddadige islamiseering van Arabië                             4
    De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen               4
    Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten
        de macht van den Islâm                                        5
    De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het
        voorname middel                                               7
    Het systeem van den Islâm getuigt hiervan                         7
    Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog                     8
    Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm                           8
    De heilige oorlog                                                 9
    De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand        9
    De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens      11
    De andere opvatting is ver in de minderheid                      12
    Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in
        den Islâm                                                    12
    Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast             13
    De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt                         14
    Geene priesterschap noch geordende heidenmissie                  15
    Leekenpropaganda                                                 15
    Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke                16
    Aan de geestelijke opvoeding van de massa der Moslims is
        weinig gedaan                                                17
    Het oude heidendom blijft overal voor een goed deel de
        cultuur beheerschen                                          18
    In Oost-Indië drong de Islâm vreedzaam binnen                    19
    De verbreiders kan men niet met Christelijke zendelingen
        vergelijken                                                  19
    De Regeering bevordert de propaganda als Zij Mohammedaansche
        ambtenaren in heidensche streken invoert                     20
    Eenmaal gevestigd, breidde de Islâm zich ook in Oost-Indië
        gewelddadig uit                                              21
    De eerste invoerders waren Indiërs; Arabische invloed begon
        pas later te werken                                          21
    Samenvatting                                                     22
    Het leven overal in slechts geringe mate naar het stelsel
        hervormd                                                     23
    De graad van het in de autoriteiten van den Islâm gestelde
        vertrouwen beste maatstaf voor de Moslimsche belijdenis      23
    De graad van bekendheid met leer en wet vormt geenen maatstaf    24
    De Regeering kan Hare taak geheel vervullen zonder schending
        der godsdienstvrijheid                                       25


HOOFDSTUK II.

Kenschetsing van het stelsel van den Islâm.

    Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde
        volken                                                       26
    De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften
        van den Profeet ingelijfd                                    27
    De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente            28
    Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der
        Hidjrah zoo goed als uitgesloten                             28
    Het stelsel spitst zich in geloofsleer en wet                    30
    De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang
        voor de practijk                                             31
    Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms
        beroering                                                    31
    Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in
        ééne hand                                                    32
    De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde
        gesteld                                                      33
    Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen
        der wet                                                      33
    De zuiver godsdienstige bestanddeelen                            34
    Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen                 34
    Bepalingen, die als moreele voorschriften werken                 35
    Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht
        van wet hadden                                               36
    Werkelijk geldende hoofdstukken der wet                          37
    Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht                      37
    Vrome stichtingen                                                38
    Geloften                                                         39
    Voorschriften over de rechtspraak                                39
    Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen              40
    De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen
        codificatie                                                  40
    Qoerân en Soennah                                                41
    Losmaking der wet van hare bronnen                               42
    De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan                    42
    Poging tot codificatie in Algerië                                43
    De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen                 44
    Ten onrechte beroept men zich op voorgangers                     45
    Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien
        verdacht                                                     46
    De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche
        afwijken                                                     46
    Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven
        ongewenscht                                                  47
    Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie
        vernomen                                                     47
    Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren             48
    Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen           49
    Beteekenis der mystiek in den Islâm                              49
    Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te
        verwachten                                                   50
    De mystieke broederschappen                                      51


HOOFDSTUK III.

De Nederlandsche Koloniale Regeering en het stelsel van den Islâm.

    De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek         53
    Jegens het dogma en de zuivere godsdienstige voorschriften
        der wet moet zij neutraal zijn                               54
    Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen
        onverstandig zijn                                            56
    Politieke beteekenis van den hadj                                58
    Economische gevolgen van den hadj                                59
    Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm
        eischt eerbiediging                                          59
    De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open         61
    Codificatie derhalve ongewenscht                                 62
    De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene
        fout                                                         62
    Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel
        gewenscht                                                    63
    Moskeefondsen                                                    63
    Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs                  64
    Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren               65
    Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen        66
    Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen                67
    De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst           68
    Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche
        mogendheid met Mohammedaansche onderdanen                    69
    Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met
        afwijzing van elke vreemde inmenging                         70
    Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren    71
    Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische
        verwachtingen                                                72
    Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid
        zweemt                                                       72
    Ongunstige beoordeeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de
        panislamitische pers                                         73
    Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren                  74
    Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de
        Islâmpolitiek der Regeering                                  75
    Slotsom                                                          76


HOOFDSTUK IV.

Nederland en zijne Mohammedanen.

    De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten   78
    Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het
        Islâmstelsel te emancipeeren                                 79
    Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in
        Oost-Indië, vooral op Java                                   80
    Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom            80
    Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid                 81
    In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing
        der Islâmquastie                                             83
    De openbare meening in Nederland behoort in die richting
        krachtig te spreken                                          83
    De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de
        zendingsvrienden                                             84
    De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale,
        geen religieuze associatie                                   85
    Hoe ver kan de associatie gaan?                                  85
    Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen
        deelneming aan het godsdienstonderwijs                       87
    Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere
        klassen der Inlandsche maatschappij in het oog vatten        89
    De onlangs opgerichte desascholen                                90
    Studie van begaafde Inlanders in Nederland                       91
    Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven          91
    Opvoeding buiten de school                                       92
    De zending zou hiertoe kunnen medewerken                         92
    De Inlandsche vrouw en hare opvoeding                            93
    Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel
        in den staatsdienst verzekerd worden                         94
    Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie                        95
    Stuiting der beweging niet mogelijk                              96
    Samenvatting onzer beschouwingen                                 96
    De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur
        ontneemt aan het panislamisme alle kracht                    99
    Andere heilzame gevolgen der associatie                         100
    Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie             100


HOOFDSTUK V.

Duitschland en de heilige oorlog.

    De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen          102
    Contrast dier meening met de wet van den Islâm                  103
    De grondslagen van het program van den heiligen oorlog          104
    Middeleeuwsch karakter van dat program                          105
    Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed                106
    Chalifaat en Djihâd                                             108
    Het chalifaat der Turksche soeltans                             109
    Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen               110
    Panislamitisch streven van Abdoelhamied                         111
    Geene organisatie van het panislamisme                          112
    De chalief geen kerkvorst                                       113
    De Turksche omwenteling en het panislamisme                     113
    Djihâd en heilige oorlog                                        115
    Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije.
        Hugo Grothe                                                 116
    Misverstand bij Grothe                                          116
    Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije                    117
    Duitschland de redder van Turkije                               118
    De door Grothe gewenschte Djihâd                                119
    De fetwa over den heiligen oorlog                               120
    Het manifest van den Soeltan                                    122
    De groote demonstratie                                          122
    Becker's voorstelling der zaak                                  123
    De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije                   125
    Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika.                    126
    De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer
        op het protectoraat over Turkije                            127
    Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en
        thans: Marquart, Hartman, Becker                            128
    Becker's recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer
        Wilhelm aan Turkije                                         131
    De rede op het graf van Saladijn                                132
    Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van
        Moslimsch fanatisme                                         134
    Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog                         136



I.

DE VERBREIDING VAN DEN ISLÂM.

INZONDERHEID IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.


De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel in
de Archipel.

Omstreeks 1200 na Christus begon het Mohammedanisme in eenigszins
belangrijke mate zielen te winnen op Soematra, op Java en vervolgens
op de meer Oostelijk gelegen eilanden. De val van Madjapait in de
eerste helft 16de eeuw bezegelde de islamiseering van heel Java, en het
was eveneens in den loop der zestiende eeuw, dat voor de voornaamste
andere eilanden, waarin de Islâm doordrong, het pleit beslist werd.

Hieruit volgt, dat de Islâm zijn vollen wasdom reeds ver te boven
was, toen hij zich voor het eerst in dit Verre Oosten vertoonde. Om
het Mohammedanisme der Indonesiërs in zijne eigenaardigheden
te verstaan, hebben wij ons dus slechts weinig te verdiepen
in de wordingsgeschiedenis van den Islâm als godsdienst en als
beschavingsvorm, maar mogen wij ons voornamelijk bepalen tot de
beschouwing van het stelsel zooals dat ongeveer drie eeuwen na de
Hidjrah zijnen in de hoofdzaken definitieven vorm had verkregen, en
van het leven der Mohammedaansche volken zooals dat zich, mede maar
niet alleen onder den invloed van het stelsel, na dien tijd vertoonde.

Klaar dient ons daarbij voor oogen te staan, dat die Islâm tot
den godsdienst van Mohammed stond als de door een leven van druk
verkeer onder allerlei volken gerijpte wereldburger tot het stijve
boerenjongentje, dat hij was in zijne jeugd.



Karakter van Mohammeds godsdienst.

Mohammed heeft voor zijne prediking nooit aanspraak gemaakt op
oorspronkelijkheid. Integendeel: hij beroemde zich erop, dat hetgeen
hem, den ongeletterden profeet, door Allah geopenbaard werd, volkomen
overeenstemde met den inhoud der oudere openbaringen. Hij dacht zich de
menschenwereld verdeeld in groepen, die hij, zonder klare voorstelling
van den grondslag der verdeeling, oemmah's noemde, volken of gemeenten
zouden wij zeggen, die door woonplaats, taal en uiterlijke kenmerken
van elkaar verschilden. Aan sommige van die oemmah's, zooals bijv. die
der Joden en die der Christenen, had Allah uit hun eigen midden
profeten gezonden om hun Zijne leer en wet te openbaren. Andere,
zooals die der Arabieren, waartoe Mohammed zelf behoorde, wandelden
nog in de duisternis, zonder zich zelf daarvan bewust te zijn, daar
zij het licht niet kenden. Mohammed heeft zich ten slotte door Allah
geroepen gevoeld, dat licht in Arabië te doen schijnen.

Historisch beschouwd, doet zijne openbaring zich aan ons voor als
samengesteld uit de gegevens, die hij gaandeweg, toen hij eenmaal over
de waarde van het leven was gaan nadenken, uit vrij troebele, Joodsche
en Christelijke bronnen had bijeengegaard. Hij verwerkte die op zijne
wijze, zoodat zij pasten in het simpele geheel zijner voorstellingen,
en eindelijk projecteerde hij het resultaat van dat proces uit zijn
binnenste naar boven, zoodat het zich aan zijn zesde, profetische
zintuig vertoonde als iets objectiefs, als iets, dat uit den hemel tot
hem kwam, woorden Gods, die in gerijmd proza, in verhevener stijl dan
die van het dagelijksch gesprek, hem de hoogste waarheid openbaarden.

De leer der opstanding uit de dooden en het daarop volgende gericht,
dat Allah zou houden over heel de menschheid, met paradijs en hel op
den achtergrond, die leer vormde het middelpunt van zijn geloof. Tevens
lag daarin de scherpste tegenstelling met de wereldbeschouwing der
Arabieren, tot wie hij de boodschap van Allah moest brengen, want
deze hield zich alleen met het aardsche leven bezig, kende geen eeuwig
geluk noch eeuwige verdoemenis aan gene zijde van het graf.

Een groot aardsch potentaat duldt niet, dat een deel zijner onderdanen
zich als van hem onafhankelijk gedragen of andere heeren naast hem
erkennen; nog veel minder gedoogt Allah, de schepper, wetgever en
rechter der geheele menschheid, dat menschen leven zonder islâm,
d. i. onderwerping, aan Hem en Hem alléén uit te spreken en in daden
te betoonen.

Hij verlangt van hen eerbiedige huldiging in vastgestelde vormen van
eeredienst, de çalât, in naam en vorm gebootst naar het model, dat
Mohammed van Joden en Oostersche Christenen had waargenomen. Voorts wil
Hij, dat Zijne schepselen op bepaalde tijden zullen vasten, en dat zij
milddadigheid zullen beoefenen als eene hoofddeugd, zoowel om den nood
van anderen te lenigen als om hunne eigene losheid van het aardsche
te toonen. En in hunne verhoudingen tot elkander behooren zij wetten
en regelen te volgen, die Allah hun geeft en die met menig geliefkoosd
gebruik van Mohammeds rasgenooten in onverzoenlijken strijd waren.



Beteekenis der Hidjrah.

De twaalf jaren lang onverdroten voortgezette prediking van
openbaringen in dezen zin stuitte bij Mohammeds stamgenooten af op
hun even onverzettelijken, sceptischen spot; een paar familieleden,
eenige misdeelden, enkele voor hoogere indrukken vatbare mannen
van beteekenis vormden de geheele gemeente der geloovigen. Toen
keerde hij met zijne getrouwen toornig zijner vaderstad den rug toe,
haar overlatend aan Gods wrekende gerechtigheid. Hij deed hidjrah,
d. i.--niet vlucht, zooals vele Europeesche schrijvers het weergeven,
maar--afsnijding van alle banden, die hem met de ongeloovigen onder
zijne stamgenooten verbonden, en hij vestigde te Medina eene nieuwe
gemeenschap, die niet aan eenheid van bloed, maar aan eenheid des
geloofs hare kracht ontleende.

Die afsnijding was naar Arabische begrippen op zichzelve reeds eene
daad van vijandschap tegen Mohammeds stamgenooten. Toen nu zijn arbeid
te Medina in korten tijd geleid had tot de vorming van eene talrijke
gemeente, en deze door nieuwe, wetgevende openbaringen zoowel als
door Mohammeds persoonlijke leiding voorloopig voldoende vastheid van
organisatie had verkregen, ontwikkelde zich uit die vijandschap een
oorlogstoestand, waarin welhaast heel Arabië werd meegesleept. Op den
duur bleef het succes aan de zijde van Allahs Gezant; acht jaren na
de Hidjrah werd Mekka door hem veroverd, en in de twee levensjaren,
die Mohammed daarna nog restten, wist hij de onderwerping van het
Arabische schiereiland aan zijn gezag bijna te voltooien.



Gewelddadige islamiseering van Arabië.

Gedurende die jaren van strijd breidde zich met Mohammeds macht tevens
het programma uit van hetgeen hij door middel van geweld trachtte
te bereiken. Eerst was het louter de verdediging van de belangen der
gemeente, die weldra ook met offensief optreden gepaard mocht gaan;
ten slotte een aanvallende krijg tegen allen, die met meer of minder
recht tot de vijanden der gemeente, dus van het rijk Gods, werden
gerekend. Na 630, het jaar der verovering van Mekka, verschilde het
feitelijk niet meer van eenen strijd tot onderwerping van geheel Arabië
aan de tucht van Allah en Zijnen Gezant. Voor de heidensche Arabieren
kon die onderwerping alleen door volledigen islâm, erkenning van
Mohammed als bode Gods, plaats hebben. Voor de Joden en de Christenen,
op wier getuigenis van de waarheid Mohammed zich in den aanvang van
zijn optreden beroepen had, kon zulk een eisch niet gelden. Daar zij
Mohammed teleurgesteld hadden door tegen in plaats van vóór zijne
goddelijke zending te getuigen, maakte hij zich van hen onafhankelijk
door hun vervalsching van hunne eigene leer en schrift te verwijten
en eindigde met van hen te verlangen, dat zij zich aan zijn gezag
zouden onderwerpen, al wilden zij zijne openbaringen niet aanvaarden.



De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen.

Of nu Mohammed tegen zijn levenseinde zoover gegaan is, om de hem
opgedragen missie te beschouwen als gericht ook tot de niet-Arabische
wereld, of zelfs tot de menschheid in haar geheel, is moeielijk
met zekerheid uit te maken. Voor ons doel is dit betrekkelijk
onverschillig, daar het vaststaat, dat zijne gemeente na zijnen dood
spoedig en zonder veel aarzelen dien weg opgegaan is, en in latere
jaren geen geloovige eraan getwijfeld heeft, dat de wonderbaarlijke
verovering in ééne eeuw van de landen tusschen Gibraltar en de grenzen
van het Chineesche rijk geschied was op bevel van Allahs Gezant.

Lang heeft men zich in Europa van dien zegetocht van den Islâm door
een groot deel der wereld voorgesteld, dat hij was uitgevoerd door
benden van woedende fanatieken, die met den Qoerân in de eene, het
zwaard in de andere hand, slechts de keus lieten tusschen den dood en
de aanneming van het Mohammedaansche geloof. Van verschillende zijden
is die voorstelling van den gang der zaak bestreden; het krachtigst
en met bijzonder veel talent door T. W. Arnold, hoogleeraar eerst te
Aligarh in Britsch-Indië, thans te Londen, in zijn werk "The Preaching
of Islam, a history of the propagation of the Muslim faith".



Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten de macht
van den Islâm.

Met eene bij Engelsche geleerden niet alledaagsche belezenheid in
Oostersche zoowel als Westersche bronnen betoogt die geleerde, dat
de Islâm zijne belangrijkste triomfen als godsdienst te danken heeft,
niet aan de zegepraal zijner wapenen, maar aan de groote missionaire
kracht, die hem eigen is en die hem in staat stelt, in hoogere mate
dan andere wereldgodsdiensten, zonder eenig geweld in korten tijd
vele adepten te winnen.

Terwijl nu Professor Arnold bij de bekeering der volken tot den Islâm
aan den godsdienstigen factor toch altijd de eerste plaats blijft
toekennen, hebben zich in den laatsten tijd geleerden doen hooren,
die deze zoo niet wegcijferen, dan toch vrij gering aanslaan. Zij
willen de geweldige uitstrooming van menschen uit het Arabische
schiereiland in de zevende eeuw en de plotselinge verovering van
oude cultuurlanden door die halfbarbaren zoo goed als geheel uit
economische oorzaken verklaren, even natuurnoodwendig als de zwelling
der rivieren na de smelting der Alpensneeuw. Mohammeds godsdienst
zou daarbij niet veel meer dan een begeleidend verschijnsel geweest
zijn. De Italiaansche prins Caetani en de hoogleeraar Becker (vroeger
te Hamburg, thans te Bonn) zijn wel de talentvolste woordvoerders
dezer theorie. De gesteldheid van den Arabischen bodem dwingt telkens
opnieuw de bewoners van dat waterarme land eenen uitweg daarbuiten
te zoeken. Chronisch kookt de Arabische ketel over, en de omliggende
landen worden dan aan de overstrooming ten prooi, tenzij zij krachtig
genoeg zijn om met geweld het deksel gesloten te houden. Mohammeds
prediking was slechts eene aanleiding, en het politieke verval van de
twee toenmalige wereldrijken, het Perzische en het Oostromeinsche,
hadden de gunstige bedding voor den stroom bereid, die vervolgens
zonder moeite ook nog verder zijnen weg vond.

Beide beschouwingen, de missionaire en de economische, als ik ze
zoo eens mag noemen, hebben de verdienste van de aandacht te bepalen
bij feiten, die men vroeger dikwijls heeft voorbijgezien. Zoo is het
onweersprekelijk waar, dat de eerste Moslimsche veroveraars met veel
meer ijver streefden naar uitbreiding van het gebied van den Islâm
dan naar vermeerdering van het aantal der bekeerlingen tot hunnen
godsdienst, dat de belastingen, die de getolereerde schriftbezitters
opbrachten, hun vaak minstens even welkom waren als hunne erkenning
der goddelijke zending van Mohammed. Vele Mohammedaansche staatslieden
waren geneigd om de aan de schriftbezitters gewaarborgde tolerantie
uit te strekken, niet alleen tot de Perzische vuuraanbidders, maar
ook tot Hindoes en anderen, die men met de noodige welwillendheid
tot de openbaringsvolken kon rekenen. Men vindt in de middeleeuwen
in Mohammedaansche landen groote en welvarende gemeenten van
niet-Mohammedanen (vooral Joden en Christenen), die eene mate van
bescherming genieten, zooals men die destijds in Christelijke landen
aan andersdenkenden niet verleende. De bekeering tot den Islâm van de
massa der bevolking in Perzië of in Christelijke landen als Egypte en
Syrië vond langzamerhand, en geruimen tijd na de verovering plaats,
volgens de missionaire beschouwing door de innerlijke kracht der
Mohammedaansche zending, volgens de economische alweder door motieven
van economischen aard.



De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het voorname
middel.

Men kan echter vol recht laten wedervaren aan alle feiten, die door
de voorstanders der beide theorieën naar den voorgrond gebracht zijn,
zonder eene dier toch al te eenzijdige verklaringen te aanvaarden,
zonder de geheel eenige beteekenis der door Mohammed gewekte religieuze
beweging voorbij te zien, en ook zonder te ontkennen, dat geweld tot
de ongehoord snelle uitbreiding van den Islâm zeer belangrijk heeft
bijgedragen. Eene onbevangen beschouwing der historische feiten is
al voldoende om dit in te zien.

Zoo moge men de bekeering der massa van de Christenbevolkingen van
Syrië, Egypte en Noord-Afrika tot den Islâm eene vrijwillige noemen,
zij was dan toch door de verovering hunner landen voorafgegaan en
voorbereid. Na de annexatie bij het Moslimsch gebied genoten zij wel
eene met middeleeuwschen maatstaf gemeten vrij groote tolerantie,
maar de vrijheid hunner levensuitingen was dan toch zeer beperkt en in
alles moesten zij zich de minderen van de ingedrongen overheerschers
toonen. Al gingen sommige Mohammedaansche bestuurders zeer ver in de
begunstiging van Joodsche of Christelijke individuën, het meerendeel
der belijders van deze getolereerde godsdiensten had veel te lijden
van het misbruik, dat het Mohammedaansche plebs maakte van zijne
kunstmatige maatschappelijke meerderheid.

Zeker was het voor de Moslimsche propaganda eene begunstigende
omstandigheid, dat de Oostersche kerk in een allerjammerlijksten
toestand van geestelijk verval verkeerde, zoodat sommige Europeesche
geleerden in den Islâm met zijne eenvoudige leer zonder clerus of
dogmatische haarkloverij eene welkome geestelijke verlossing hebben
gezien voor de Monophysieten, Nestorianen of hoe verder de Christelijke
secten van het Oosten heeten. Maar het is dan toch duidelijk, dat zij
die verlossing nooit gezocht zouden hebben, wanneer niet directe en
indirecte dwang hen uit de kerk naar de moskee gedreven had.



Het systeem van den Islâm getuigt hiervan.

Het sterkst en ondubbelzinnigst uit zich die dwang in het stelsel
van den Islâm zooals dat ongeveer sinds de derde eeuw van de Hidjrah
bestaat en door de geheele Mohammedaansche wereld is erkend. Men vindt
het uiteengezet in de gezaghebbende leerboeken over de wet. De wijze,
waarop de Islâm zich behoort uit te breiden, wordt daar aangegeven
in de hoofdstukken over den heiligen oorlog en verwante onderwerpen.



Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.

De aarde heeft men volgens die leer te beschouwen als verdeeld in
gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.

Het gebied van den Islâm staat onder het gezag van het hoofd der
geheele Moslimsche gemeente, den imâm (leider) of chalief (opvolger),
namelijk van den Gezant van Allah in diens hoedanigheid van bestuurder
der geloovigen. De bewoners van dit gebied zijn òf Mohammedanen
òf getolereerde schriftbezitters, die onder allerlei beperkende en
vernederende voorwaarden de bescherming van leven en have door den
Moslimschen staat genieten.



Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm.

Theoretisch rekent men tot de "dâr al-Islâm" ook zulke landen,
van welke men aanneemt, dat zij vroeger onder Mohammedaansch
gezag gestaan hebben, al worden zij thans door niet-Mohammedanen
bestuurd. Zoo gelden dus Britsch- en Nederlandsch-Indië, voor zoover
zij door Mohammedanen bewoond worden, als gebied van den Islâm. Ten
onrechte hebben W. Hunter en andere Britsche staatslieden zich
hierover verheugd, daar zij meenden, dat deze leer opstanden van
Britsch-Indische Moslims tegen het Engelsche gezag tot onwettige
woelingen stempelde. IJdele illusie! Werden die Oostersche wingewesten,
evenals bijv. Engeland en Nederland zelf, door de Moslimsche wet bij
het gebied van den oorlog ingedeeld, dan zou als regel, zij het niet
geheel zonder uitzonderingen, gelden, dat vijandige handelingen van
Mohammedanen tegen zulke landen slechts mochten ondernomen worden
krachtens machtiging van het hoofd der Moslimsche gemeenschap. In
gebied van den Islâm daarentegen zijn niet-Moslimsche overheerschers
abnormale verschijnselen, die men slechts dulden mag zoolang men zich
buiten staat acht ertegen te reageeren.

Het gedeelte der aarde, dat buiten het gebied van den Islâm valt, is
in zijn geheel gebied van den oorlog, dat wil zeggen bestemd om met
den spoed, dien de omstandigheden toelaten, door middel van geweld
tot gebied van den Islâm gemaakt te worden. Voor volslagen heidenen
kan die onderwerping slechts geschieden in den vorm van bekeering
tot het geloof aan Allah en Zijnen Gezant; degenen, die eenen door
den Islâm erkenden godsdienst belijden, mogen volstaan met erkenning
van het Moslimsche staatsgezag als hunne overheid.



De heilige oorlog.

Dit zijn de hoofdlijnen van het systeem; men ziet, dat van de
legende van den Moslim met het zwaard in de eene, den Qoerân in
de andere hand toch dit overblijft, dat de Mohammedaansche wet de
alleenheerschappij van hetgeen zij voor de waarheid houdt door den
sterken arm verzekerd wil zien, dat de ware zending in den geest der
wet bestaat in de onderwerping van andersdenkenden door de Moslimsche
legermacht. Verdienstelijk maken zich ongetwijfeld Mohammedaansche
kooplieden of kolonisten in heidensche landen, waarin Moslimsche legers
nog niet konden doordringen, door als pioniers langs vreedzamen weg
aanhangers voor hun geloof te winnen, en even prijzenswaard wordt
het geacht, wanneer anderen onder de gedulde Joden, Christenen,
enz. bekeerlingen trachten te maken. Dit alles neemt niet weg, dat het
middel bij uitnemendheid tot verbreiding des geloofs naar de letter en
den geest van de heilige wet gezocht moet worden in maatregelen van
geweld. Die wet beschouwt alle niet-Moslims als vijanden der groote
monarchie van Allah, wier weerstand tegen Zijne alleenheerschappij
door de Mohammedanen gebroken moet worden.



De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand.

Het staat ons niet vrij, met Prof. Arnold in strijd met de uitspraken
der Moslimsche wetgeleerden van alle eeuwen, te beweren, dat dit
stelsel niet het ware is, dat het berust op onjuiste opvatting
van eenige Qoerânverzen, dat de ware Islâm uitbreiding van het
geloof alleen door overtuiging verlangt. Wel stemt eene kleine
groep van moderne Mohammedanen met die aanpassing van den Islâm aan
nieuwerwetsche begrippen in, maar zij vertegenwoordigen al evenmin de
leer van den godsdienst, waarin zij geboren werden, als de modernisten
die der Katholieke kerk.

Meer waarde zou men geneigd kunnen zijn toe te kennen aan het argument,
dat, zoo ergens, dan zeker in den Islâm, theorie en practijk,
stelsel en leven vaak wijd uiteenloopen. Inderdaad hebben menigmaal
Moslimsche bestuurders tegenover niet-Mohammedanen in en buiten
hun gebied eene veel transigentere houding aangenomen dan die het
systeem hun voorschreef. Aan den anderen kant ging het mindere volk
zich jegens de getolereerden vaak te buiten op eene wijze, die de
Mohammedaansche wet streng afkeurt. Maar van veel meer beteekenis dan
zulke afwijkingen ter rechter of ter linker zijde is het onbetwistbare
feit, dat de leer van den heiligen oorlog en hetgeen daarbij behoort
zich volkomen logisch ontwikkeld heeft uit beginselen, die wij van
de verovering van Mekka door Mohammed af tot in de derde eeuw der
Hidjrah toe zien voortwerken. Zonder sprongen of tegenstellingen,
zonder sporen van principieele ontleening van buiten sluit zich hier
het volgende steeds bij het voorgaande aan.

Mohammed is in de laatste jaren van zijn leven op niets meer bedacht
dan op middelen om het aantal der geloovigen uit te breiden, waarbij
natuurlijk steeds minder op bewijzen van innigheid des geloofs kan
worden gelet. De door hem onderworpen Arabieren vallen dan ook na
zijnen dood voor een groot deel weder af, maar Aboe Bakr, die hem als
hoofd der gemeente opvolgt, beschouwt, geheel in Mohammeds geest, de
wederonderwerping dier ontrouwen als eerste en voornaamste taak der
geloovigen, en onder zijne leiding wordt die taak op schitterende
wijze volbracht. En daarop volgt onmiddellijk de verovering van
een belangrijk deel der wereld door de nu definitief geïslamiseerde
Arabieren. Geheel evenwijdig met dezen loop der zaken beweegt zich de
theorie der wetgeleerden, die vooral in de eerste eeuw van den Islâm
het deelnemen aan den heiligen oorlog bijna tot een hoofdplicht voor
alle geloovigen willen maken en geen heerlijker einde van een vroom
leven kennen dan den dood op het slagveld als getuige des geloofs, als
martelaar (sjahîd). Drongen in de eerste eeuwen onzer jaartelling vele
Christenen naar eene gelegenheid om zich de kroon van het passieve
martelaarschap te verwerven, vele malen grooter was het aantal der
oudste Islâmbelijders, die als actieve geloofsgetuigen met ijver den
dood op het slagveld zochten in den strijd met hen, die het gezag
van Allah en Zijnen Gezant weerstonden.

Deze overdrijving der waarde van het oorlogsbedrijf kon evenmin
duurzaam zijn als de zegevierende tochten van den Islâm door de wereld;
toen die veroveringen hare voorloopige grenzen bereikt hadden, kwam
weldra in de school de kalmere beschouwing tot heerschappij, volgens
welke de vrome ook door levenslange uitoefening van een vreedzaam
bedrijf aanspraak op den eerenaam van geloofsgetuige kan verwerven. De
heilige oorlog bezonk in het stelsel als eene solidaire verplichting
der gemeente in haar geheel, waaraan slechts zoovele geloovigen
behoefden deel te nemen als de omstandigheden volgens het oordeel
van het staatsbestuur telkens vereischten. Maar de oorlogstoestand
mocht dan toch niet als geëindigd worden beschouwd voordat het door
Allah gewezen doel: onderwerping der gansche wereld aan den Islâm,
bereikt zou zijn.



De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens.

Over de hoofdzaken van deze leer bestaat tusschen de wetgeleerden der
verschillende scholen en perioden geen verschil van meening, en zij
is meer wellicht dan eenig ander deel der wet populair geworden ook
bij de leeken, bij de groote onwetende schare zelfs. Zij is het kort
begrip van de actie van den Islâm naar buiten in het glansrijkste
tijdperk, dat hij beleefd heeft, omgezet in een voor alle tijden
geldend voorschrift. Zij vleit in hooge mate de ijdelheid der menigte:
men behoeft slechts de dubbele geloofsbelijdenis te hebben uitgesproken
om zeker te zijn, dat men behoort tot de gemeenschap, aan welke Allah
de heerschappij over de wereld heeft beloofd. Zij werkt na, ook sedert
de wereldgeschiedenis den spot is gaan drijven met hare hoovaardige
pretentie: in de scholen der wetgeleerdheid blijft men haar voordragen
omdat zij, gelijk de geheele wet, als van onfeilbaar gezag geldt voor
alle tijden, en het gemeene volk blijft daaraan kracht ontleenen voor
zijne ijdele verwachtingen, gepaard met haat jegens "ongeloovigen".



De andere opvatting is ver in de minderheid.

De Jong-Turken en andere modern gevormde Mohammedanen hebben wel eens
gewenscht, dat zij die geheele leer van den djihâd konden opbergen
in het museum hunner staatkundige antiquiteiten, en vele niet modern
ontwikkelde wereldwijzen deelen om zuiver practische redenen dien
wensch. Toch kan niemand hunner de verhouding van den Islâm tot andere
godsdiensten principieel op nieuwe grondslagen trachten te vestigen
zonder het vertrouwen van de meerderheid te verbeuren en met veler
instemming beschuldigd te worden van ongeloof.

Toen in 1908 de aanvoerders der Jong-Turksche revolutie in hun
eerste élan de woorden: "vrijheid, gelijkheid en broederschap" in
hunne vanen schreven, werd hun weldra met instemming van de massa der
bevolking door de schriftgeleerden beduid, dat die gelijkheid alleen
mocht bestaan in gelijke aanspraken op bescherming van rechten, welke
rechten zelve echter voor de belijders der verschillende godsdiensten
niet gelijk waren; en de broederschap, die heeft men later, als al
te aanstootelijk, maar geschrapt.



Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in den Islâm.

De billijkheid gebiedt, dat wij ons hierbij herinneren, hoe ook in de
Christenwereld, met name in de middeleeuwen, staatsmacht en godsdienst
bedenkelijke bondgenootschappen gesloten hebben. Christenvorsten
en -volken hebben met geweld heidenen bekeerd, ongeloovigen en
ketters ter eere Gods gefolterd en gedood, Joden op onmenschelijke
wijze behandeld. Maar nooit heeft men uit de Christelijke heilige
schriften voor alle tijden geldende voorschriften afgeleid, die zulke
practijken sanctioneerden. Het is het ongeluk van den Islâm geweest,
dat hij gemeend heeft eens voor altijd met onfeilbaar gezag regelen te
moeten geven, die alle handelingen der geloovigen tot in de geringste
bijzonderheden bepaalden, en dat hij deze onmogelijke taak kwam te
vervullen juist in een tijdperk, waarin onverdraagzaamheid zoowel in
het Westen als in het Oosten heerschappij voerde. De leer, dat men
voor hetgeen men als de waarheid beschouwt met geweld aanhangers moet
winnen, bleef dus als eene erfelijke ziekte aan het eene geslacht na
het andere der belijders van den Islâm eigen.



Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast.

De geheele opvatting van godsdienstige zending wordt in den Islâm
door deze leer beheerscht. Zeker, men vindt onder Mohammedanen zeer
uiteenloopende geestelijke typen, en daaronder ook zulke, die zich
uit deernis met de toekomstige eeuwige ellende der heidenen geroepen
voelen, hun de waarheid te prediken; maar het type van den Moslimschen
propagandist vertoonen dezulken niet. De echte ijveraar voor de
uitbreiding van het Mohammedaansche geloof beschouwt het veeleer
als zijne taak, als een trouw soldaat van zijnen God, diens rijk
op aarde te helpen vergrooten door verdelging van Zijne vijanden en
vermeerdering van het aantal Zijner trouwe onderdanen. Dit laatste
kan, behalve door geweld, ook door overreding gebeuren. De wet
wijst ook daarin den weg. Zij wil in aansluiting weder aan hetgeen
Mohammed deed in zijne laatste levensjaren, dat men ongeloovigen door
wereldsch voordeel verlokke tot Islâm, tot onderwerping aan Allah
en Zijnen Gezant; zelfs is een deel van zekere staatsinkomsten (van
de zakât genoemde godsdienstige belasting) uitdrukkelijk voor dit
doel aangewezen. Met een niet ongerechtvaardigd beroep op Mohammeds
handelwijze ten aanzien van de voorname Qoeraisjieten na hunne
gedwongen bekeering tengevolge der verovering van Mekka, leert de wet,
dat men vooral bekeerlingen van hoogen rang en stand door wereldsch
voordeel blijvend aan den Islâm moet trachten te binden, ook om door
dit voorbeeld aantrekkend te werken op hunsgelijken en op degenen,
over wie zij gezag hadden. De geloovige, die door persoonlijke
bemoeienis menschen voor den Islâm weet te winnen met behulp van
prikkeling en bevrediging hunner begeerlijkheid naar rijkdom of eer,
maakt zich daardoor uitermate verdienstelijk, en niemand denkt eraan,
hem vermenging van materieele en geestelijke dingen te verwijten.

Soortgelijke middelen van propaganda zijn in vroeger en later tijd in
de Christelijke wereld niet zelden aangewend. Het verschil is echter
weer, dat die methode in den Islâm in de periode van haren bloei met
onfeilbaar geacht gezag voor altijd tot wet is verheven.



De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt.

Het spreekt wel van zelf, dat in den gedachtengang, die deze wijze
van uitbreiding van den Islâm beheerscht, het stellen van belangrijke
eischen van voorbereiding aan degenen, die tot de gemeente willen
toetreden, uitgesloten is. Men zou daardoor de bovenal gewenschte
vermeerdering van het aantal der Moslims in gevaar brengen.

In de eerste tijden is er wel eenige aarzeling geweest in de
beantwoording der vraag, met welk minimum van naleving der wet men
nog als Mohammedaan kon gelden. De wet stelt in hare positieve en
negatieve geboden lang niet lichte eischen aan het individu, maar
men was het er al vroeg over eens, dat de geloovige trots vele zonden
van nalatigheid en overtreding mocht hopen op Allahs genade, en dat
in ieder geval de straf, die hij in de hel zou hebben te boeten, eens
een einde zou nemen, waarna hij het paradijs zou beërven. Het kwam er
dus maar op aan, te weten, door welke daden men afvallig werd. Ten
slotte heeft deze opvatting gezegevierd, dat alwie de belijdenis,
dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Allahs gezant is,
heeft uitgesproken met volle bewustheid van hetgeen hij deed, als
Moslim beschouwd moet worden, en dat hij dit blijft, zoolang hij die
belijdenis niet heeft herroepen noch een van de geboden van Allahs wet
voor ongeldig heeft verklaard, ook al volbrengt hij geen van alle. De
bedenking, dat men aldus gevaar loopt, schijngeloovigen te kweeken,
wordt weerlegd met de herinnering, dat alleen aan Allah het oordeel
toekomt over de echtheid van iemands geloof, terwijl de menschen
elkander slechts naar uiterlijke kenmerken kunnen beoordeelen. Het
uiterlijke kenmerk nu van hen, die tot de gemeente van Mohammed
behooren, is het uitspreken der geloofsbelijdenis, niet gevolgd door
woorden of daden, die deze uitspraak van kracht berooven.

Heeft men dit geheele stelsel der Moslimsche propaganda wel begrepen,
dan heeft men tevens den sleutel tot het geheim der vaak bewonderde
missionaire kracht, die in den Islâm woont, en die hem tot een zoo
gevreesd mededinger maakt voor de Christelijke zending, vooral waar
beiden onder volken van lage beschaving werken. Den menschelijksten
aller openbaringsgodsdiensten heeft een Duitsch oriëntalist den Islâm
genoemd. Inderdaad tracht hij als zendingsgodsdienst een menschelijk
doel met geheel menschelijke middelen te bereiken.



Geen priesterschap noch geordende heidenmissie.

Ieder Moslim, hoe onwetend hij overigens zij, kan te allen
tijde iederen ongeloovige, die Mohammedaan wil worden, den weg
wijzen om onverwijld en zonder ceremoniën in den Islâm te worden
opgenomen. Sacramenten kent de Islâm niet, derhalve evenmin priesters
of andere gewijde of geordende personen, die deze hebben uit te
deelen. Zendelingen van beroep zijn er ook niet. De uitspraak, dat
ieder Mohammedaan op zijnen tijd een zendeling is, moge overdreven
zijn, als men daaronder wil verstaan, dat allen vervuld zijn van
fanatieken ijver tot verbreiding van hun geloof, zij is waar in
dezen zin, dat niemand door de gemeente of eenig ander lichaam voor
de missie wordt afgevaardigd, maar dat de meesten als de gelegenheid
zich biedt, gaarne medewerken om leden te winnen voor de gemeenschap,
waartoe zij behooren.



Leekenpropaganda.

Voor kolonisten of kooplieden, die zich duurzaam of tijdelijk
vestigen in een land met heidensche bevolking, is dit zelfs geboden
door eigenbelang. Zij willen daar een eigen milieu hebben, in de
eerste plaats een eigen gezin, maar dan verder een eigen wijderen
kring, hoe wijder hoe liever. Dit alles gaat niet zonder het maken
van bekeerlingen. Met eene heidensche vrouw mag de Mohammedaan niet
trouwen, in een anderen godsdienst dan de Islâm zijne kinderen niet
laten opvoeden. De vreemdeling maakt dus der vrouw zijner keuze den
overgang tot zijne gemeenschap zoo gemakkelijk mogelijk en tracht ook
de hem verzwagerden te winnen. Zoo gaat het verder, en er ontstaat
weldra een groep van geloovigen van eenigszins gemengd bloed, die zich
door wereldkennis, ontwikkeling van den geest en onderling verband
voordeelig onderscheidt van de overige bevolking. De niet bekeerde
bevolking ziet tegen de bekeerden op; door den Islâm aan te nemen
voelen die heidenen zich, ook maatschappelijk, omhoog gaan.



Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke.

Hier hebben wij weder eene omstandigheid, die gedeeltelijk verklaart,
waarom de Mohammedaansche propaganda sneller pleegt te slagen dan de
Christelijke. In den Islâm volgt de grootst mogelijke assimilatie
onmiddellijk op de bekeering; de Christelijke zendeling, hoe vol
toewijding ook, blijft met zijne rasgenooten voor de primitieve
bevolking, waaronder hij werkt, vreemdeling. Met recht vestigt
professor Arnold hierop bijzonder de aandacht, en dit doen de meesten,
die den voortgang van den Islâm bijv. in Midden-Afrika waargenomen
hebben. Een Engelsch zendeling aldaar, die dezen ban wilde breken
en met eene negerin trouwde, verwekte zulk eene ergernis met deze
toepassing der eenheid in het geloof, dat hij zich genoodzaakt zag,
de kolonie te verlaten.

Maar, wij zagen het al, er komt nog zooveel verlokkelijks bij. De
nieuwbekeerde, wiens overgang hem geen moeite kost, heeft aanspraak
op de gunsten zijner nieuwe broeders, en deze aanspraken worden in
de practijk gaarne erkend. Hoe weinig hij ook aanvankelijk van den
inhoud van het door hem aangenomen geloof moge leeren, hoe weinig
van de voorschriften der wet hij moge naleven, hij mag zich dadelijk
koesteren in het bewustzijn, te behooren tot degenen, die bestemd zijn
om over alle anderen te heerschen en die het recht hebben ten nadeele
van niet-Mohammedanen die heerschappij te helpen bespoedigen. Bij
zulk een sprong naar boven geldt het slechts als een gering bezwaar,
dat de gewoonte--niet de wet--in de meeste gevallen verlangt, dat de
bekeerling zich spoedig onderwerpe aan de besnijdenis.

De populariteit van de leer van den heiligen oorlog doet zich nu
bij zulke primitieve volken, wanneer zij gedeeltelijk door vreemde
kolonisten of kooplui geïslamiseerd zijn, vaak in dien zin gelden,
dat zij hunne nog niet bekeerde rasgenooten om hun ongeloof gaan
bestrijden. De neigingen van min beschaafde menschen worden daarbij
op voor hen aangename wijze geprikkeld en vinden eene welkome
speelruimte. Met anderen geweld aan te doen, te plunderen of tot
slaven te maken weten zij nu een Gode welgevallig werk te verrichten,
mits die anderen heidenen zijn. De menschelijke ijdelheid en hebzucht
worden gestreeld en gesteld in dienst van de propaganda. Het bezwaar,
dat men op die manier heiligen oorlog van offensieven aard voert zonder
de machtiging van den chalief, die hiervoor in den regel vereischt
is, wordt ondervangen door de leer, dat in streken, die wegens verren
afstand of om andere redenen buiten het bereik van het centrale gezag
liggen, invloedrijke hoofden mogen doen hetgeen des chaliefs is.



Aan de geestelijke opvoeding van de massa der Moslims is weinig gedaan.

Al heeft dus de Islâm, in de plaats van het evangelische "onderwijst
al de volken", het bevel "onderwerpt al de volken" als een hoofdgebod
voorop gesteld, hij is daarmee geenszins tevreden, maar wil, dat
op de onderwerping onderwijzing volge. Het bovenal streven naar
uitbreiding van gebied en vermeerdering van het aantal dergenen, die
de geloofsbelijdenis hebben uitgesproken, heeft echter vanzelf tot
eene minder krachtige werking in de diepte geleid. Nog tal van andere
omstandigheden komen daarbij, die maken dat de geestelijke opvoeding
der voor den Islâm gewonnenen in den regel veel te wenschen overlaat.

Reeds vroeg zijn de schriftgeleerden zich gaan verdiepen in dogmatische
en juridische spitsvondigheden, en in de drukte van hun onderlingen
strijd vonden zij niet veel tijd om zich met de geestelijke belangen
der ongeletterden bezig te houden. Voor hen scheen het nu eenmaal in
de natuur der dingen te liggen, dat eene kleine uitgelezen schare van
kenners der wet met zelfgenoegzame minachting neerzag op de menigte
der onwetenden. Van eenig gevoel van medeverantwoordelijkheid voor
dien toestand vindt men bij hen zelden eenig spoor.

De minderheid der bevolking, die eenig onderwijs genoot, ontving
dit in den meest onpractischen vorm. In de eerste eeuwen van den
Islâm kon men nog de illusie koesteren, dat in alle Mohammedaansche
landen de oude landtalen het veld zouden ruimen voor het Arabisch. Op
deze later onhoudbaar gebleken onderstelling is bijna geheel het
elementaire godsdienstonderwijs gebaseerd. Wie iets leeren wil,
wordt ondersteld, Arabisch, en wel liefst klassiek Arabisch te
verstaan. Eerst later werden schoorvoetend kleine concessies aan de
moedertalen der geloovigen gedaan. Toch bleef eene kennis der wet,
die iets beduidde, zonder bedrevenheid in het Arabisch zoo goed als
onmogelijk. De leeken moesten het doen met een werktuigelijk leeren
opdreunen van den Qoerân in het oorspronkelijk en met eenige even
werktuigelijke oefening in het ritueel. Het plebs bleef meerendeels
zelfs hiervan verstoken.



Het oude heidendom blijft overal voor een goed deel de cultuur
beheerschen.

Geen wonder dus, dat in nagenoeg alle Mohammedaansche landen de
geestelijke gedachtensfeer, waarin de eigenlijke bevolking leeft,
meer oorspronkelijk heidensche dan Mohammedaansche elementen in zich
bevat. Men neme kennis van de beschrijvingen van de populaire zeden
en gebruiken en van het volksbijgeloof, dat in het leven de hoofdrol
speelt, in Noordwest-Afrika, in Egypte, in Syrië, ja in het stamland
van den Islâm, in Arabië zelf, overal ziet men de eenheid van Allah
verscholen achter een onnoemelijk aantal levende en doode heilige
personen en voorwerpen, die de hoogste vereering genieten, overal de
middelen, die de wet aangeeft om Allahs gunst te verwerven, verdrongen
door magische practijken, die van vóór den Islâm dateeren. Het
Moslimsche bepaalt zich bij de menigte voor de vromeren tot eenige
ritueele uiterlijkheden, voor de meerderheid tot eenige leuzen en
phrasen, soms bovendien het daarstraks door mij beschreven gevoel
van deel uit te maken van de tot heerschappij geroepen gemeenschap.

Is dit alles zoo in het stamland van den Islâm en in de landen, die hij
het eerst aan zich onderwierp, het spreekt van zelf, dat de officieele
leer en het volksleven nog veel verder van elkander verwijderd moeten
zijn daar, waar de Islâm eerst later binnendrong, en zeer geleidelijk
veld won door de assimileerende kracht van vreemdelingen, die om
zich heen propaganda maakten, ten slotte gevolgd door vreedzame of
gewelddadige uitbreiding van het geloof door het bekeerde deel der
inheemsche bevolking zelve.



In Oost-Indië drong de Islâm vreedzaam binnen.

Het was op de laatst bedoelde wijze, dat het Mohammedanisme zijne
belijders in den Indischen Archipel verkreeg. Mohammedaansche
kooplieden uit Voor-Indië, het eeuwenoude spoor hunner Hindoesche
landgenooten volgend, vestigden zich tijdelijk of voor goed in eenige
kustplaatsen dezer eilanden. Deze kleine koloniën oefenden de gewone
aantrekkingskracht, zelfs op Java, ofschoon hier het Hindoeisme al
eeuwen lang de cultuur beheerschte. Men vergete hierbij niet, dat
het Hindoeisme hier niet zoo diepe wortels kon schieten als in zijn
vaderland, waarbuiten het zich in den regel niet verbreidt, en dat de
Hindoecultuur hare geestelijke verfijning niet mededeelt aan de tot
lagere kasten gerekende massa, zoodat voor eene groote meerderheid
juist onder het Hindoeistisch régime veel aanleiding kan bestaan om
in den Islâm verlossing te zoeken uit zijn staat van vernedering.



De verbreiders kan men niet met Christelijke zendelingen vergelijken.

De propaganda was voor die vreemdelingen stellig vaker middel
dan doel. Men kan er zeker van zijn, dat de meesten hunner meer
van avonturiers dan van missionarissen weg hadden, al heeft de
volkslegende hunne nagedachtenis met stralenkransen van heiligheid
omgeven. Ook in Mohammedaansche landen waren het destijds niet in de
eerste plaats de deugdzamen, die in het Verre Oosten hunne fortuin
gingen zoeken. Nog in onze dagen gaat de Moslimsche propaganda
onder de heidenen van Oost-Indië steeds in de eerste plaats van
zulke gelukzoekers uit. Daarom is het zoo dwaas, wanneer onhandige
zendingsvrienden deze soort van missie gaan vergelijken met die van
geordende zendelingen des Christendoms, en dan der Regeering verwijten,
dat Zij Mohammedaansche zendelingen niet aan een soortgelijk toezicht
onderwerpt als Christelijke. Ik laat de vraag geheel ter zijde,
of het noodig is, de werkzaamheid der Christelijke zendelingen
te binden aan de voorwaarde eener bijzondere toelating zooals het
vigeerende Regeeringsreglement die voorschrijft. Maar ten opzichte van
Mohammedanen zou iets dergelijks volstrekt onmogelijk zijn, daar ieder
Mohammedaansch handelaar, die met heidenen zaken doet, indien hem zulks
gelegen komt, aanhangers voor zijnen godsdienst wint. De Europeesche
koopman, gesteld dat hij er neiging toe had, zou dit niet kunnen
doen, daar hem èn de bekwaamheid tot het geven van het voorbereidend
onderricht, èn, wat meer is, de bevoegdheid tot het toedienen van
het onmisbare sacrament van den doop ontbreekt. Het eene zoowel als
het andere is voor eene bekeering tot den Islâm overbodig: tot dezen
godsdienst bekeert de heiden na bekomen inlichting zonder iemands
bijstand zichzelf. Aan Mohammedaansche kooplieden, die heidensche
streken bezoeken, te verbieden, die inlichting te verstrekken, dat
zou strijden met elk beginsel van godsdienstvrijheid en het verbod
zou bovendien practisch niet te handhaven zijn.



De Regeering bevordert de propaganda als Zij Mohammedaansche ambtenaren
in heidensche streken invoert.

Wel verdient het voor de Regeering aanbeveling, bij het onder
geregeld bestuur brengen van heidensch gebied zooveel doenlijk te
waken tegen onwillekeurige bevordering der uitbreiding van den Islâm,
die licht het gevolg is van den invoer van Inlandsch-Mohammedaansche
staatsdienaren. Ook het Duitsche koloniale bestuur in Oost-Afrika
heeft met deze moeielijkheid te kampen, en bij ons is de verleiding
bijzonder groot, daar de Inlandsche ambtenaren van Java in den regel de
best ontwikkelde, met onze bestuursbeginselen meest vertrouwde zijn,
terwijl overdreven godsdienstijver onder hen zelden voorkomt. Toch
strekt hunne plaatsing in heidensche landen op den duur, evenzeer als
de immigratie van Mohammedaansche avonturiers, tot verbreiding van
den door hen beleden godsdienst, en kan zij aldus ten gevolge hebben,
dat de bevolking, onder welke zij werken, gewonnen wordt voor een
stelsel, waaraan de Javanen zelve bezig zijn te ontgroeien. Moslimsche
kooplieden uit eenig deel van den Archipel te weren, omdat zij de
propaganda in de hand werken, dat zou zonder onverdedigbare willekeur
niet gaan; daarentegen is het met eenig beleid wel te voorkomen,
dat men zelfs indirect de islamiseering van niet-Mohammedanen zou
gaan bevorderen.



Eenmaal gevestigd, breidde de Islâm zich ook in Oost-Indië gewelddadig
uit.

Het door vreemde avonturiers begonnen werk der islamiseering van
de Oost-Indische eilanden werd door de bekeerde Inlanders zelve
voortgezet. In het midden der veertiende eeuw prijst de Arabische
reiziger Ibn Battoetah den Moslimschen vorst van Soematra-Pasè om de
heilige oorlogen, die hij voerde tegen de heidenen in het binnenland
van het eiland. De Mohammedaansche koloniën aan de Noordkust van Java
ontwikkelden zich tot rijkjes, die ten slotte deels door aantrekking,
deels door strijd Madjapait en Padjadjaran overweldigden. Van Java
uit verbreidde zich de Islâm over Zuid-Soematra, deelen van Borneo
en van Celebes en meer Oostelijk gelegen eilanden.



De eerste invoerders waren Indiërs; Arabische invloed begon pas later
te werken.

Onder de uit Indië afkomstige eerste invoerders van den Islâm in den
Archipel waren er met Arabische stamboomen van twijfelachtige echtheid,
en ook wel enkele van onverdacht Arabische afkomst. Dit neemt niet weg,
dat hun Islâm een ontwijfelbaar Indisch karakter vertoonde, en zich dus
met name op Java uitnemend aansloot bij de Hindoeistische elementen,
die zich daar lang te voren met het oorspronkelijke animisme vermengd
hadden. Eigenlijk Arabische invloed deed zich eerst later gelden. Het
waren Arabische gelukzoekers van voorname geboorte in Hadhramaut,
die de kustrijkjes van Siak op Soematra en van Pontianak op Borneo
stichtten. Emigranten uit dat Zuid-Arabische gebied vestigden zich
sinds anderhalve eeuw in Palembang en verschillende handelshavens van
Java en Madoera. De geletterden onder hen deden hun best om zoowel de
specifiek Voor-Indische elementen van den hier ingevoerden Islâm als
de voor hen meest aanstootelijke bestanddeelen van Hindoeistischen en
animistischen oorsprong uit geloof en zeden der inheemsche Mohammedanen
te verwijderen. Eene veel krachtiger werking in dergelijke richting
ging echter van Mekka uit, niet zoozeer omdat zich ook enkele Mekkanen
in Oost-Indië vestigden, als wel omdat in verband met de bedevaarten
naar het heilige land sinds ongeveer twee en eene halve eeuw vele
Inlanders te Mekka hunne studiën maakten of voltooiden. De vreedzame
verdringing van de aan de Indische Mohammedanen ontleende methoden
en denkwijzen door Arabische, die door de werkzaamheid der uit Mekka
volleerd teruggekeerden begon, is nog niet afgeloopen, maar wint
geleidelijk veld.



Samenvatting.

Wij hebben nu, denk ik, in hoofdtrekken het beeld voor ons van de
wijze, waarop de Islâm getracht heeft, zijn ideaal van heerschappij
over heel de menschheid te verwezenlijken en van de soort van zending,
die een groot deel van den Indischen Archipel voor dezen godsdienst
won. Van het jaar 630 af zocht hij de bereiking van zijn doel bovenal
in onderwerping van de grootst mogelijke menschengroepen in den
kortst mogelijken tijd; eene methode, die ook buiten den Islâm in
de middeleeuwen vele aanhangers had. In het stelsel, dat omstreeks
900 zijne definitieve afronding verkreeg, bleef deze toepassing
van materieele machtsmiddelen de eerste plaats innemen, ook nadat
de veranderde tijdsomstandigheden die in de practijk zoo goed als
onmogelijk gemaakt hadden. Feitelijk moest men zich in nieuwere
tijden steeds meer beperken tot eene andere soort van propaganda,
die van oudsher naast de gewelddadige aanbevolen en ook beoefend was:
vreedzame overreding, die gewoonlijk den vorm aannam van assimilatie,
vooral van primitieve volken, door kooplieden en avonturiers,
die in hun eigen belang met die volken verkeerden. De leer van den
heiligen oorlog, door de schriftgeleerden onveranderd overgeleverd
en bij het mindere volk altijd geliefd, bleef daarbij gereed om zich
onder gunstige omstandigheden te doen gelden. Zoo niet zelden bij pas
bekeerde volksstammen, die hunne heidensche rasgenooten met geweld
tot den Islâm brachten.

Altijd was het hoofdoogmerk snelle vermeerdering van het aantal
Moslims, terwijl de opvoeding der bekeerden naar de beginselen en
voorschriften van den Islâm aan de toekomst overgelaten bleef en
met weinig ijver en ondoelmatige middelen beproefd werd. Onder de
aangewende middelen van overreding speelden in systeem en practijk
die van stoffelijken aard steeds de hoofdrol. Van missie met zuiver
geestelijke middelen doen zich in ouderen tijd sporadisch gevallen
voor; het meerdere, dat in onze dagen daarvan voor den dag komt,
dankt zijn ontstaan meestal aan reactie tegen en concurrentie met
Christelijke zending, die onder Moslims werkt.



Het leven overal in slechts geringe mate naar het stelsel hervormd.

Bij het licht der geschiedenis van de Moslimsche propaganda en harer
resultaten begrijpt men zonder moeite den afstand, die overal, waar
de Islâm beleden wordt, te constateeren valt tusschen de leer en
de wet eenerzijds en anderzijds het leven, vooral het leven van
de massa des volks. Zonder dat licht begrijpt men er niets van
en komt men gemakkelijk tot valsche oordeelen. Zoo onlangs een
onzer volksvertegenwoordigers, die in dagbladartikelen en in eene
parlementaire redevoering de stoute bewering deed vernemen, dat van de
vijf en dertig millioen Nederlandsche onderdanen, die officieel als
Mohammedanen te boek staan, slechts ongeveer zes millioen werkelijk
belijders van den Islâm zijn.



De graad van het in de autoriteiten van den Islâm gestelde vertrouwen
beste maatstaf voor de Moslimsche belijdenis.

Het is altijd gevaarlijk voor een buitenstaander, met een zelfgemaakten
maatstaf te gaan bepalen, in hoeverre menschengroepen, die zich bij
eene godsdienstige belijdenis indeelen, terecht daartoe gerekend
worden. Hoevele millioenen Europeanen, wier namen in Christelijke
doopregisters voorkomen, zou men op die wijze niet de buiten de
gemeenschap der Christenen kunnen plaatsen omdat zij van den godsdienst
vervreemd zijn of omdat zij geene kennis hebben van hun geloof en
bevangen zijn in heidensche superstitie en practijken van animistischen
oorsprong? Wat zou er op die wijze overblijven van het Christen-zijn
van vele gedoopte Inlanders? Het eenig bruikbare criterium zal toch
wel zijn, hoe de menschen zichzelve genoemd willen hebben, vooral omdat
alleen daaruit blijken kan, waar zij hun vertrouwen hebben geplaatst.

Bepalen wij onze aandacht eens bij Java als uit het oogpunt van
bevolking verreweg het belangrijkste eiland van Nederlandsch-Indië. Met
uitzondering van de kleine groepen der Badoei's en der Tenggereezen
en van kleine Christengemeenten onder Europeesche leiding, noemt de
geheele bevolking zich Mohammedaansch. Vooral op Midden-Java is van
leer en wet van den Islâm in het leven van den kleinen man nog weinig
doorgedrongen, terwijl zeden en bijgeloof er algemeen getuigen van de
heerschappij van oud-animistische begrippen, min of meer gewijzigd
door den invloed van het vroeger ingedrongen Hindoeisme. Toch zou
een Hindoesch pandit thans evenveel moeite hebben om bij de bevolking
gehoor te vinden als een zendeling van het Christendom.



De graad van bekendheid met leer en wet vormt geenen maatstaf.

Zeker, van de millioenen zijn het slechts tienduizenden, die aan de
over geheel Java verspreide pesantrèns kennis van eenige beteekenis
opdoen van de dogmatiek en de wet van den Islâm. Evenals in andere
Mohammedaansche landen zien ook hier die schriftgeleerden minachtend
op de onwetende schare neer, en doen zij uiterst weinig om ze uit hare
onwetendheid op te heffen. Maar evenals elders ziet ook hier die schare
op naar die geleerden als naar degenen, die haar vertrouwen verdienen,
waar het gaat om hare hoogste belangen.

Goede of slechte geestelijke waar, die haar geboden wordt, beoordeelt
de bevolking in de eerste plaats naar het Mohammedaansche merk, waarmee
zij voorzien is. Mist zij dit, dan beschouwt zij haar zonder onderzoek
met achterdocht en wantrouwen. Laster is het, wanneer men zegt, dat
de Regeering door bestuursmaatregelen deze gezindheid heeft bevorderd
of in het leven geroepen. Zij bestaat van de dagen der Compagnie
af, Raffles constateerde haar in het begin der negentiende eeuw,
en de uiterst geringe verandering, die in den geestelijken staat
der Javaansche landbouwers is gekomen, heeft ook haar ongewijzigd
gelaten. De bevolking van Java evenzeer als de Atjèhers, de Maleiers,
Boegineezen, Makassaren en wie zich verder in Indonesië naar Mohammed
noemen, zijn Mohammedanen, of men moet dien naam tevens ontzeggen aan
de Berbers, de Egyptenaren, de Syriërs, ja zelfs aan de meerderheid
der Arabieren.



De Regeering kan Hare taak geheel vervullen zonder schending der
godsdienstvrijheid.

De Regeering kan dit erkennen zonder zich daardoor te laten weerhouden
van ook maar één enkelen bestuursmaatregel, die het belang van land
en volk gebiedt. Maar Zij kan niet--zoolang Zij aanspraak maakt op
den naam eener eerlijke regeering--medegaan met den wensch, dien
de afgevaardigde van daarstraks namens onverstandige vrienden der
Christelijke zending uitsprak, eenige millioenen Mohammedanen tot
heidenen of pantheïsten verklaren, en daaraan vrijheid ontleenen
om de zending meer direct te steunen door op die tot heidenen
gestempelde Inlanders maatregelen toe te passen, die men tegenover
Mohammedanen voor ongeoorloofd zou houden. Zulke steun zou ook beneden
de waardigheid der Christelijke zending zijn. Men zou er bovendien het
tegendeel van hetgeen men beoogde door bewerken: men zou aanleiding
geven tot fanatiek verzet.

Wel doet de Regeering wijs door hare volle aandacht te schenken
aan het veelszins gelukkige feit, dat onder een groot deel van de
Mohammedanen van Nederlandsch-Indië de beginselen van het stelsel
van den Islâm nog weinig diepe wortels hebben geschoten, waardoor zij
veel toegankelijker zijn voor andere cultuurinvloeden dan anders het
geval zou wezen. Hiervan behoort in het belang der bevolking zelve
partij getrokken te worden voordat het te laat is; voordat nog de
aan wezenlijke beschaving vijandige elementen, die den Islâm als
eene uit hare middeleeuwsche periode overgebleven kwaal aankleven,
gelegenheid vinden op die dusver gespaarde Inlanders in te werken,
moet men alle kracht inspannen om ze daartegen immuun te maken. Dat
dit geschieden kan in volkomen eerlijkheid en zonder valsche listen,
hoop ik in het vervolg aan te toonen.



II.

KENSCHETSING VAN HET STELSEL VAN DEN ISLÂM.


Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde volken.

In mijne vorige voordracht gewaagde ik meer dan eens van het stelsel
van den Islâm, dat ongeveer drie eeuwen na Mohammed zijn definitieven
vorm had verkregen, en wees ik erop, dat het heel andere dingen bevatte
dan waarvan men in Mohammeds dagen ook maar een flauw voorgevoel kon
hebben. Dit sprak in verband met de ontzagwekkende gebiedsuitbreiding
van het Mohammedanisme geheel van zelf.

Het schijnt ons reeds een wonder, dat die halfbarbaarsche Arabieren
als in een ommezien niet slechts de volken van Zuid-Spanje tot de
Westelijke grens van China wisten te onderwerpen, maar tevens aan de
meesten hunner, waaronder naties met eene oude, hooge cultuur, hunnen
nuchteren, nieuwen godsdienst wisten op te dringen, de Arabische taal
in de plaats wisten te stellen van de talen der veroverde landen of
althans haar den voorrang daarboven te verzekeren, de afstamming van de
zonen der woestijn te doen erkennen als de hoogste aristocratie. Maar
zonder eene groote mate van aanpassing zou dit alles toch geheel
onmogelijk zijn geweest.

Voor de regeling van het staatsbestuur in die oude cultuurlanden, van
grondbezit, handel en verkeer in zulk een wereldrijk, om niet meer te
noemen, waren de sobere, naieve wetgevende gedeelten der Qoerânische
openbaring volstrekt ontoereikend. Nu had echter in de oudste gemeente
deze overtuiging diep wortel geschoten, dat alle levensverhoudingen,
groot of klein, zonder uitzondering geregeld moesten worden door Allahs
woord, toegelicht door Allahs gezant. Zoo was het geweest te Medina
zoolang Mohammed als levend orgaan der openbaring in het midden der
zijnen had verkeerd, en zoo behoorde het te blijven na zijn dood in
het door hem gestichte rijk.



De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften van
den Profeet ingelijfd.

Hoe nu de geheel andere eischen der practijk in overeenstemming te
brengen met die als eene levensvoorwaarde van den Islâm beschouwde
beperking der bron van alle wijsheid tot eenige uitspraken, bestemd
om in de vrij primitieve maatschappij van Medina de gewenschte orde
te handhaven of te herstellen? Waar het voor heiligschennis gold,
te meenen, dat de woorden van Allah en Zijnen Gezant aanvulling
behoefden, schoot er niet veel anders over dan door vrome fictie aan
Mohammed in den mond te leggen, hetgeen hij vermoedelijk gezegd zou
hebben, indien hem een blik in de toekomst gegund ware geweest. Elke
vraag, die rees gedurende en na de groote verovering der landen,
gaf aanleiding tot het ontstaan van eene of meer overleveringen over
iets, dat de profeet had gezegd of gedaan, en waaraan men voor het
gegeven geval licht kon ontleenen. Later werd die steeds aangroeiende
massa van tradities door schifting in omvang beperkt, door ordelijke
rangschikking handelbaar gemaakt, en zoo verkreeg men de kanonieke
traditie-verzamelingen. Zij vormden niet een zoo streng afgesloten
geheel als de verzameling der woorden Gods in den Qoerân, zij lieten
veel meer plaats voor aanvulling en verschillende uitlegging, maar
eene verdere ontwikkeling der wetgeving, die naar ons spraakgebruik
dien naam zou verdienen, maakten zij dan toch zoo goed als onmogelijk.

Goed- of kwaadschiks moest de Islâm in de eerste twee eeuwen van zijn
bestaan de grootste plooibaarheid ontwikkelen, waartoe hij in staat
was: langs verschillende wegen nam hij instellingen en denkbeelden
in zich op, die ons op ondubbelzinnige wijze hunne herkomst uit
Griekenland, Rome, Perzië en Hindostan openbaren, al hebben zij zich
gehuld in het monotone, grauwe kleed van profetische traditie. Zonder
deze veelsoortige toespijzen en sterke kruiden zou de digestie van de
gulzig opgezwolgen landen en volken hem te machtig zijn geworden. Maar
toen was dan ook de grens zijner spankracht bereikt; ongeveer duizend
jaren geleden was dus de geschiktheid van den Islâm om zich aan te
passen aan andere tijden dan de dusver doorleefde, aan andere plaatsen
dan de dusver ingenomene zoo goed als geheel verbruikt.



De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente.

Het stelsel, zooals het toen reeds tot in kleine détails was
uitgewerkt, werd afgesloten door de leer van de onfeilbaarheid
der Moslimsche gemeente als geheel, vertegenwoordigd door hare
schriftgeleerden. Omtrent den Qoerân en zijne uitlegging, de kanonieke
overleving en hare verklaring, de uit die bronnen af te leiden
theologie en wet, was dus al hetgeen, waarover de schriftgeleerden tot
eenstemmigheid waren geraakt, boven verdere discussie verheven. Stevig
zaten die resultaten van drie eeuwen geestelijken arbeid vast in de
vesting der onfeilbaarheid. Die vastheid van het systeem was echter
tevens de oorzaak van zijn kwijning; hoe langer hoe meer verloor het
den samenhang met het leven.

Dit bezwaar zou belangrijk verminderen, wanneer gezaghebbende
schriftgeleerden die leer van den onfeilbaren consensus gebruikten
als middel juist om door hen wenschelijk geachte hervormingen in
te voeren. In de laatste jaren is dit, vooral in Egypte, en ook wel
in Turkije, door kundige oelamâ beproefd. Zij gelden echter bij de
groote meerderheid nog als gevaarlijke modernisten, en het is zeer
de vraag, of het hun gelukken zal, op den duur een zoo grooten kring
van moeqallids (erkenners van hun gezag) te vormen, dat hunne opinies
voor de vaststelling van den consensus gaan medetellen.



Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der Hidjrah
zeer moeielijk.

Immers hetgeen daar voor duizend jaren werd vastgelegd, dat was
niet een geheel van beginselen, maar een stel van op goddelijk en
profetisch gezag berustende voorschriften, die tot in het kleine en
bijzondere het staatkundige, maatschappelijke en individueele leven
der geloovigen bonden voor alle gevallen, waarop men bedacht was
geweest. Nu hebben sinds dien tijd de verschillende Mohammedaansche
landen in menig opzicht onafhankelijk van elkander ieder hun eigen
leven geleid, daar de politieke, economische en andere toestanden vaak
hemelsbreed verschilden; maar hetgeen hen onderling bleef verbinden,
dat was juist, behalve eenige geloofsformules, de gemeenschappelijke
erkenning van het goddelijk karakter dier wet, die in elk van hare
deelen hare Arabische geboorte en hare opvoeding in het Westen van
Azië gedurende de zevende, achtste en negende eeuw verried. Al mag
men gedurende de tien eeuwen, die daarna volgden, kunnen wijzen op
concessies der wet aan behoeften, die zich algemeen deden gelden,
de moeite, die het kostte, ze erkend te krijgen, bewijst beter dan
iets anders, hoe stroef het systeem van den Islâm geworden was.

Wie toch eene zekere mate van plooibaarheid aan dit stelsel wil
toekennen, wijst terecht op het gewicht, dat vele schriftgeleerde
autoriteiten toekennen aan het belang der geloovigen als motief
voor wettelijke bepalingen, of aan den drang der omstandigheden,
die volgens Moslimsche autoriteiten gedeelten der heilige wet buiten
werking kan stellen, maar zulk beroep komt bij de meest gezaghebbende
schriftgeleerden slechts voor om den loop van de ontwikkeling der
wet in het verleden of ook uitzonderingen van tijdelijken aard te
rechtvaardigen, daarentegen zelden om wegen te openen voor eene
toekomstige ontwikkeling, die het vroeger met onfeilbaar gezag
vastgestelde zou wijzigen. De door de schriftgeleerden der eerste
eeuwen na eenige aarzeling aanvaarde, maar binnen enge perken gehouden
redeneering bij analogie kan evenmin als hervormend beginsel werken:
zij mag alleen dienen om uit de bestaande bepalingen voor dusver
onbekende gevallen nieuwe deducties te maken.

Hoe men de zaak ook beschouwe, elke poging om de wet in het bijzondere
te verbeteren bedreigt het heele, eeuwenoude gebouw met ineenstorting,
en ieder streven naar fundamenteele herziening brengt hem, die ermee
voor den dag komt, in verdenking van ongeloof. Tegen het een zoowel
als tegen het ander kan men gewoonlijk rekenen op den fellen tegenstand
van de meerderheid der schriftgeleerden, gesteund door de instinctief
bij haar zich aansluitende massa des volks.



De stroefheid van den Islâm, die in zijne eerste periode eene
wijle voor den onweerstaanbaren drang der omstandigheden week,
werd dan van de derde eeuw der Hidjrah af een zijner sprekendste
karaktertrekken. Een "positieve" openbaringsgodsdienst, die uit den
Hemel voorschriften verlangt over alle détails van het leven, kan op
den duur dit lot niet ontgaan.



Het stelsel splitst zich in geloofsleer en wet.

Ik sprak meermalen van het stelsel van den Islâm, en inderdaad was
het in den beginne formeel één geheel, werden alle levensvragen door
ééne en dezelfde klasse van deskundigen behandeld en opgelost. Weldra
verdeelde zich de stof in twee hoofddeelen, de geloofsquaesties,
de dogmatische vragen, die door theologen in den engeren zin, en
de vragen betreffende de plichten, die door wetgeleerden behandeld
werden. Beide vakken bleven met elkaar in innig verband, maar zij
onderscheidden zich toch van elkaar in doel, in middelen, in methode.

Over de dogmatiek kunnen wij hier kort zijn. Eene geloofsleer
wordt uit strijd over de ontwikkeling van het dogma geboren, en
tracht in scherp belijnde formules de bovendrijvende stellingen
voor altijd te bevestigen. Voor zoover men haar onfeilbaar of toch
boven revisie verheven acht, komt zij in een volgend tijdperk der
ontwikkeling van het menschelijke denken noodwendig in strijd met de
begrippen van een deel dergenen, die zij onder hare vleugelen wil
houden. Deze verwijdering kan echter zonder belangrijke practische
gevolgen intreden, wanneer ten minste de geloofsleer zich binnen
hare eigene grenzen houdt en niet te zeer ingrijpt in het gebied
van het handelen. Zoo is het in den Islâm gegaan. Toen de hitte van
den strijd der eerste drie eeuwen over geloofsformules afgekoeld en
het resultaat in den vorm eener rechtzinnige dogmatiek bezonken was,
nam de belangstelling voor deze dingen buiten de enge vakkringen af.



De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang voor
de practijk.

De vragen, waarover men getwist en elkander verketterd had, vertoonden
veel overeenkomst met die, welke in de Christelijke kerk de gemoederen
hadden bewogen. De praedestinatie, tegenover de aanhangers der leer
van den vrijen wil tot een hoofddogma verheven, werd in den Islâm niet
fatalistischer opgevat dan elders. De streng gehandhaafde eenheid Gods
werd met de veelheid Zijner in den Qoerân genoemde eigenschappen in
een verband gebracht, dat het middelmatige verstand zoowel als het
populaire openbaringsgeloof bevredigde. De leer van de eeuwigheid
der hellestraf voor ongeloovigen in verband met die der eindelijke
zaligheid aller geloovigen verscherpte in den geest der middeleeuwen
de grenslijn tusschen Mohammedanen en niet-Mohammedanen. Het dogma
der zaligmaking door het geloof alleen--geloof opgevat in den zin van
eerbiedige erkenning der almacht van den door Mohammed gepredikten
Allah, ongeveer zoo als een willig onderdaan zijnen vorst erkent,
waarbij de werken dienen om dat geloof schooner en volkomener te maken
en den geloovige meer aanspraak te geven op spoedige toelating in het
Paradijs--, dit dogma was dienstig om de zwakken niet af te schrikken
en de propaganda te bevorderen. Er zou veel meer te noemen zijn, maar
voor de practijk van het leven, die ons hier bovenal belang inboezemt,
is het eene van niet veel meer gewicht dan het andere.

Al was het stelsel óók ten aanzien van dit schema der geloofsleer
in de laatste duizend jaren stroef en afkeerig van alle pogingen tot
herziening, het denken der Islâmbelijders werd daardoor niet ernstig
belemmerd. De in hooge sferen zich bewegende geesten gingen erboven uit
of begaven zich op zijwegen; het vulgus bleef met allen eerbied voor
de theologische leuzen aan zijn, slechts in vorm ietwat gewijzigde,
oude bijgeloof hangen. Wie bij al die afwijkingen geene uitdagende
houding aannam, had zelden veel te vreezen.



Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms beroering.

Eén hoofdstuk der dogmatiek vraagt soms de aandacht ook van hen, die
voor de bespiegeling over leerstukken zonder direct practisch gevolg
weinig belangstelling hebben: het is de eschatologie. De messiaansche
verwachtingen, die in de Moslimsche leer ingang gevonden hebben,
met name de verwachting, tegen het einde der dagen, van eenen mahdî
(eenen met Allahs bijzondere leiding begunstigden opperbestuurder),
die het stelsel van den Islâm opnieuw tot eere brengen en de
ongeloovigen verdelgen zal, verontrusten de gemoederen der minst
ontwikkelde Mohammedanen, zoo dikwijls als het aan opruiers gelukt,
eene bevolking te doen gelooven, dat de opstanding nabij is, of haar
in een bepaald persoon den mahdî of een van diens wegbereiders te
doen zien. De stemming jegens andersdenkenden wordt in zulke gevallen
hatelijk, en soms komt het tot fanatieke daden. Maar hiermede is dan
ook alles gezegd.

Al wordt dus de rechtzinnige geloofsleer op de pesantrèns van
Java en op dergelijke scholen (de soerau's van Soematra enz.) in de
buitenbezittingen veel, soms zelfs met overdreven voorliefde beoefend,
toch mogen wij bij de beschouwing van het stelsel in zijne werking
in het algemeen zoowel als op de Indonesiërs in het bijzonder, dit
gedeelte verder ter zijde laten. De wet verlangt in veel hooger mate
onze aandacht.



Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in ééne hand.

Wij leerden haar daarstraks kennen als, wel veel meer later ingedrongen
elementen van vreemden oorsprong bevattend dan zijzelve ons wil doen
gelooven, maar sedert hare volgroeidheid bijzonder stroef. De keerzijde
van die stroefheid was, dat het werkelijke leven in vele opzichten
buiten haar om zijn eigen weg ging. Deze voor de wet ongunstige
verhouding werd ook door andere oorzaken zeer in de hand gewerkt,
voornamelijk doordien reeds enkele tientallen jaren na Mohammeds
dood de machthebbers in den Islâm en de uitleggers der wet niet
meer samenwerkten, maar twee jegens elkander meestal wantrouwende en
naijverige groepen vormden. Dat is sedert aldus gebleven: de bezitters
van het gezag waren even ongeneigd om zich in alles onder de vaak
lastige controle van de wetgeleerden te stellen als dezen om zich door
de vorsten der wereld den critischen mond te laten snoeren. Des te
vrijer konden die juristen zich aan hunne casuïstische liefhebberijen
overgeven, en daar zij, gelijk wij vroeger zagen, op de onwetende
schare minachtend neerzagen, waren zij allerminst doordrongen van
het besef, dat hunne uitlegging der onfeilbare wet rekening diende
te houden met de practische eischen der maatschappij.



De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde gesteld.

De samenhang van theorie en practijk liet reeds zeer veel te wenschen
over in de eerste drie eeuwen van wording van het systeem, en in de
landen zelve, waar die groei tot stand kwam; hoeveel te meer in later
eeuwen en in landen, die van dat oorspronkelijke centraalgebied ver
af gelegen waren. Gewoonterecht en willekeur der bestuurders deden
alom ten aanzien van menig hoofdstuk der wet bijna vergeten, dat het
eene andere bestemming had dan die van bestudeerd te worden. Het
qâdhî-ambt, ingesteld ter beslechting van alle geschillen volgens
de wet Gods, ontaardde weldra, deels omdat het meegesleept werd
in de algemeene corruptie der staatsambten, deels omdat het in de
vrijheid zijner functie belemmerd werd door zijne afhankelijkheid
van het bestuur. Om hunne gemoedsrust te kunnen bewaren bij het
onloochenbare feit, dat Allahs geboden op elk gebied veronachtzaamd
werden, namen de schriftgeleerden aan, dat deze wereld te slecht
was voor eene zoo volmaakte wet, die hare volle kracht slechts kon
ontwikkelen in het gulden verleden van Mohammed en zijne eerste
opvolgers en in het toekomstige messiaansche tijdperk, wanneer de
mahdî, de door Allah geleide, aan het hoofd der gemeente zou staan en
de wereld zou vervullen met gerechtigheid gelijk zij thans vervuld
was met onrecht. Dat het zoo gaan zou, werd zelfs in den vorm eener
voorspelling aan Mohammed in den mond gelegd.



Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen der wet.

Theoretische erkenning hebben de wetgeleerden aan hun werk in
de geheele Mohammedaansche wereld weten te verzekeren; wie de
verbindbaarheid ook maar van een enkel door den onfeilbaren consensus
der gemeente gestempeld wettelijk voorschrift in twijfel trok, werd
daardoor een rebel tegen den Almachtige, wie haar loochende, een kâfir.

Juist hierom mogen wij dus toch weer van bijna geen deel der wet
zeggen, dat het ontbloot is van alle beteekenis voor het leven der
Mohammedanen; wel kan men naar het verschil in graad van de waarde
voor de practijk verschillende bestanddeelen dier wet onderscheiden.



De zuiver godsdienstige bestanddeelen.

De vijf hoofdplichten der geloovigen jegens Allah, de zoogenaamde
vijf zuilen van den Islâm, met welker behandeling ieder leerboek
der wet begint, hebben groote beteekenis voor het individueele
godsdienstige leven, in onzen tijd zelfs meer dan in de middeleeuwen,
toen nog vaak de vervulling dier voorschriften door bestuur en politie
bevorderd werd. Thans wordt die ook in landen onder Mohammedaansch
bestuur meestal aan den eigen aandrang der Moslims overgelaten,
zoodat men duidelijker dan voorheen kan onderscheiden, welke soort
van godsdienstige verrichtingen in eene bepaalde streek de hoogste
waardeering geniet. Voor de vraag, of men eene bevolking al of niet bij
de Mohammedanen zal indeelen, heeft, gelijk ons bleek, die relatieve
waardeering evenwel geen groot belang.

In den Indischen Archipel loopt die waardeering plaatselijk ver
uiteen. In Atjèh wordt de çalât lang niet met denzelfden ijver
waargenomen als in Banten; het vastengebod wordt op Midden-Java
door een groot deel der bevolking veronachtzaamd. Op West-Java
daarentegen overschat men dikwijls deze verplichting door haar
getrouwer na te komen dan die der ritueele godsdienstoefening. Aan
het zakâtvoorschrift houden zich de Soendaneezen veel strenger dan
de andere bewoners van Java, terwijl de ijver voor de bedevaart naar
Mekka in de meeste eilanden van den Archipel in vergelijking met
andere landen overdreven wordt.



Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen.

Onder de overige hoofdstukken der wet, die de verhouding der menschen
onderling als onderdanen van den staat, als leden van maatschappij en
gezin regelen, zijn er verscheidene, die onze belangstelling slechts
in zoover verdienen als zij kunnen bijdragen tot de kenschetsing van
den geest van het geheel of omdat zij den historicus van den Islâm
in staat stellen na te gaan, uit wat voor vreemde bronnen de oudste
bewerkers der Mohammedaansche wet de magere Arabische stof aangevuld
hebben. Overigens bezitten die hoofdstukken, daar zij zoo goed als
nergens op den duur kracht van wet hebben gehad, alleen paedagogische
waarde voor de betrekkelijk kleine kringen, die van de geheele wet
studie maken en wier ideaal van een vroom leven mede daardoor wordt
bepaald.

Dit geldt bijv., behoudens uitzonderingen, van de leer der contracten,
van het strafrecht en van zoo menig ander onderdeel, dat door de
casuïsten tot in de uiterste consequenties is uitgewerkt, als ware
het heil der menschheid ermee gemoeid.



Bepalingen die als moreele voorschriften werken.

Er zijn echter ook een aantal onderwerpen, waaromtrent bepalingen in de
goddelijke wet voorkomen, die in wijde kringen bekend zijn en welker
overtreding de geloovige zich als zonde aanrekent. Meestal zijn het
verbodsbepalingen, en wel liefst zulke, die op eene ondubbelzinnige
uitspraak van Allahs eigen woord berusten. Deze soort heeft dus voor
de Mohammedanen veel hoogere moreele waarde dan de laatst genoemde
categorie.

Geen Moslim heeft gemoedsbezwaar tegen het sluiten van koop- en
huurcontracten volgens andere regelen en in andere vormen dan die
de goddelijke wet daarvoor aangeeft; maar wanneer hij zich laat
vinden tot het aangaan eener overeenkomst, waarbij rentebeding
in een of anderen vorm te pas komt, dan voelt hij zich schuldig
tegenover Allah, en wanneer hij eene assurantie sluit, is zijn
geweten niet veel geruster. Dat komt omdat het leenen tegen rente in
den Qoerân streng verboden en met de zwaarste straffen in de andere
wereld bedreigd wordt, terwijl de Mohammedaansche schriftgeleerden
verzekeringsovereenkomsten als hasardcontracten beschouwen, en het
hasardspel in Allahs woord tot het werk van den Duivel gerekend wordt.

Van een koopcontract, waarbij de voorschriften der heilige wet niet
in acht genomen zijn, kan men uit het oogpunt van het kanonieke recht
de geldigheid betwisten; maar, indien beide partijen zich erdoor
gebonden achten, meer nog indien eene besturende macht die opvatting
deelt en waar noodig handhaaft, dan heeft die afwijking voor geen
der betrokkenen schadelijke gevolgen noch van materieelen, noch van
moreelen aard. Anders staat het met rechtshandelingen, die Allah
verboden en strafbaar gesteld heeft. Het sluiten van een contract
met rentebeding bijv. is uit een godsdienstig-zedelijk oogpunt te
vergelijken met het drinken van wijn of het plegen van ontucht.

Eene als onfeilbaar geldende wet, die zonder beperking van tijd of
plaats rechtshandelingen verbiedt welke, voor eene normale ontwikkeling
van menschelijken handel en verkeer op den duur onmisbaar zijn,
dwingt de menschen, zich op de eene of andere wijze van haar te
emancipeeren. Dit kan gebeuren door overtreding, die dan door hare
algemeenheid en frequentie ten slotte haar afschrikwekkend karakter
verliest, of door ontduiking, waarbij de schijn van gehoorzaamheid
aan het voorschrift wordt bewaard. Beide wijzen van doen ondermijnen
den waren eerbied voor de wet. Dat de Moslimsche wet dagelijks aldus
door de geloovige Mohammedanen behandeld wordt, moet geweten worden
aan het principieele euvel, waarmee die wet reeds behebt was, toen
zij van Arabië uit haren tocht door de wereld begon, het voor alle
tijden gelijkstellen van hetgeen de tijd noodwendig verandert.



Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht van wet
hadden.

Een natuurlijk gevolg van dezen loop der zaken is het weer, dat de
wetgeleerden zelve het niet slechts hunne taak achten, de bepalingen
uit te leggen en uit te werken, maar ook de wegen te wijzen, waarlangs
men de in den tijd niet passende voorschriften kan ontduiken.

Een Duitsch vergelijkend rechtsgeleerde heeft gemeend, uit die gewoonte
der Mohammedaansche wetgeleerden de gevolgtrekking te mogen maken, dat
het recht van den Islâm werkelijk het leven heeft beheerscht; volgens
hem moeten die wetten wel in volle kracht gewerkt hebben, wanneer
men het noodig achtte, ze op omslachtige wijze te ontduiken. Hij
vergat, dat die noodzakelijkheid zich evenzeer opdringt, waar men te
doen heeft met eene gedétailleerde kanonieke wet, die met de eischen
van het leven telkens in conflict komt, maar waaraan men goddelijken
oorsprong toeschrijft, ja dat die ontduikingsmiddelen evenzeer gezocht
worden ten aanzien eener onveranderlijke moraal, die uit voorschriften
in plaats van uit beginselen bestaat. Ook als de historie ons niet
op elke bladzijde getuigen maakte van de botsingen van het leven der
Mohammedanen met de door hen theoretisch als onfeilbaar erkende wet,
dan nog zou de vergelijkende rechtswetenschap hare bevoegdheid te
buiten gaan door uit de wijze, waarop die wet in de school behandeld
werd, conclusies te trekken ten aanzien harer verhouding tot de
practijk.



Werkelijk geldende hoofdstukken der wet.

De vierde categorie van onderdeelen der wet, die wij van ons
gezichtspunt te onderscheiden hebben, behandelt onderwerpen, waarvan
men om deze of gene reden altijd van oordeel is gebleven, dat zij
geheel door het goddelijke recht geregeld moesten zijn, ook in het
lange tijdperk na de gouden dertig jaren der rechtzinnige chaliefen
en vóór het aanbreken der messiaansche periode van den mahdî.



Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht.

Hiertoe behoort in de eerste plaats het personen-, huwelijks-, familie-
en erfrecht. Geen Mohammedaansch besturend hoofd heeft er ooit aan
gedacht, de beslissing van geschillen, die daarop betrekking hebben,
aan de jurisdictie van den qâdhî te onttrekken. De voorwaarden en
de grondslagen van een huwelijkscontract kunnen de twee betrokken
partijen reeds daarom niet naar eigen goedvinden regelen, omdat Allah
elke moedwillige afwijking van de door hem daarvoor gestelde regelen
tot ontucht gestempeld en met de zwaarste straffen in dit leven en in
het namaals bedreigd heeft. Maar ook afgezien hiervan, het huisgezin
is wel in elke op godsdienstige grondslagen berustende maatschappij
als een onaantastbaar heiligdom beschouwd, welks inrichting niet aan
den invloed van menschelijke willekeur onderworpen mocht zijn. In
den Islâm met zijne ons bekende neiging tot détailregeling, die zelfs
de bijzonderheden van kleeding en toilet, van beleefdheidsvormen en
uitingen van gemoedsaandoening wilde binden aan van tijd en plaats
onafhankelijke voorschriften, in den Islâm sprak het van zelf, dat
de familie over zijn geheele gebied hetzelfde type moest vertoonen
en dat hij ten aanzien hiervan voor transactie met de ethnische
eigenaardigheden zijner belijders ontoegankelijk was.

Naast deze, voor alle Mohammedanen verreweg belangrijkste kapittels
der heilige wet, hebben wij in dit verband nog te letten op een aantal
andere, waarmede uit den aard der zaak lang niet ieder practisch
te doen krijgt, maar die toch dit met de voorschriften betreffende
personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht gemeen hebben, dat zij
de daarin behandelde onderwerpen ook feitelijk beheerschen.



Vrome stichtingen.

Niet ieder verkeert in de gelukkige omstandigheden, vrome stichtingen
ten behoeve van eeredienst, onderwijs of andere zaken van algemeen
nut in het aanzijn te kunnen roepen; maar wie dat doen kan en wil,
denkt er natuurlijk niet aan, het op eene andere wijze te doen dan
die in Allahs wet daarvoor is aangegeven. Hij zou immers daardoor
het voornaamste resultaat, dat men zichzelf van zulke vrijgevigheid
belooft: de verwerving van Allahs genade in het namaals, in gevaar
brengen. Al is het dus mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk, dat de
wet betreffende de waqfgoederen in den tijd der aanpassing van den
Islâm onder sterken invloed van het recht der veroverde landen haar
beslag heeft gekregen, zóó als zij daar nu in het voltooide systeem
voor ons ligt, vertoont zij zich aan de geloovigen als afkomstig
uit dezelfde onfeilbare bronnen, waaruit de met historisch recht
aan Mohammed toegeschreven inzettingen gevloeid zijn, en geen Moslim
wijkt er willens en wetens van af, wanneer hij zijn credit in Allahs
grootboek wenscht te vermeerderen door een deel van zijn eigendom in
de doode hand te brengen.



Geloften.

Hetzelfde kan men tot op zekere hoogte zeggen van de geloften, waarbij
de geloovige, al of niet onder de voorwaarde van het plaatsgrijpen
eener door hem gewenschte gebeurtenis, aan Allah eene of andere
prestatie in den vorm van een Hem welgevallig werk belooft. Echter is
op dit gebied de heerschappij der geopenbaarde wet niet zoo onbeperkt
als ten aanzien der eerst genoemde onderwerpen. Terwijl men met de
stichting van een waqf in de eerste plaats eene verhooging van zijnen
rang in de andere wereld op het oog heeft, wil men door geloften
meestal aardsche doeleinden bereiken: de meest gewoone voorwaarden,
waaraan de vervulling eener gelofte gebonden wordt, zijn genezing
van zieken, erlanging van den huwelijkszegen, van geluk in den
handel of in de ambtelijke loopbaan, en wat dies meer zij. Daar nu
de geïslamiseerde volken ook vóór hunne bekeering allerlei magische
middelen tot verkrijging van zulke wenschen plachten aan te wenden en
de paedagogische werking van den Islâm nergens sterk genoeg geweest
is om zulk volksgeloof uit te roeien, dingen hier nog altijd de
oude beproefde recepten van heidenschen oorsprong met de in streng
monotheïstischen zin gereinigde der officieele leer om den voorrang,
en dan winnen de eerste het meestal bij de ongeletterde massa.



Voorschriften over de rechtspraak.

De bepalingen over de rechtspraak, die de Mohammedaansche wet bevat,
hebben werkelijk ingang gevonden en hare werking behouden, voor
zoover die rechtspraak zelve niet door eene andere, wereldlijke is
verdrongen. Dat wil dus zeggen, dat bij de beslechting van al zulke
geschillen, welker behandeling de besturende autoriteiten niet aan zich
getrokken hebben, dus alweer bovenal in zaken betreffende personen-,
huwelijks-, familie-, en erfrecht, de procedure volgens de regelen der
heilige wet geschiedt, de door haar aangegeven bewijsmiddelen alleen
in aanmerking komen, dat getuigen en partijen daarbij zonder eenigen
dwang het woord moeten voeren, dat het getuigenis van vrouwen weinig,
dat van niet-Mohammedanen volstrekt geene waarde heeft, dat de eed
alleen aan partijen en niet aan getuigen kan worden opgelegd, dat
aan het schriftelijk bewijs geene waarde toegekend mag worden. Alles
geheel anders dus dan bij de berechting der vele zaken, die in den
loop der tijden aan de qâdhîs onttrokken en naar gewoonterecht of
willekeur door de bestuurders behandeld werden.



Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen.

De wettelijke voorschriften, die bestemd zijn om de verhouding van
den Moslimschen staat tegenover het "gebied van den oorlog", van de
belijders van den Islâm tegenover ongeloovigen te bepalen, hebben
eeuwenlang de werkelijkheid beheerscht, zij het ook vaak met eene
zekere vrijheid in het bijzondere, die zich vanzelf verklaart wanneer
men bedenkt, dat de uitvoering lag in de handen der vorsten en hunner
dienaren, niet der schriftgeleerden. Ook toen de staatkundige roem
van den Islâm al geweldig getaand was, hield men nog lang vast aan
zulke middeleeuwsche beginselen als dat een Moslimsch staatshoofd
nooit duurzamen vrede met een niet-Moslimsch land mocht sluiten,
ja zelfs een wapenstilstand niet langer dan tien jaren mocht duren.

Nog in onze dagen, kan men, gelijk ons reeds bleek, de leer van
den heiligen oorlog en hetgeen daarmee verband houdt niet als voor
de practijk onverschillig beschouwen, al is hare werking van geheel
anderen aard dan die van in eigenlijken zin nageleefde wetten zooals
de huwelijkswet.



De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen codificatie.

Dit overzicht zal voldoende zijn ter bevordering eener klare
voorstelling der beteekenis, die het stelsel van den Islâm gehad heeft
en die het nog bezit voor het leven zijner belijders. Toch zou onze
schets aan duidelijkheid te wenschen overlaten, indien wij er niet
iets aan toevoegden over den aard der bronnen, waaruit dat systeem,
inzonderheid in zijne legislatieve bestanddeelen, gekend wordt. Het
kan daarbij niet de bedoeling zijn, de in den laatsten tijd meermalen
door mij gegeven uiteenzetting van de wordingsgeschiedenis der
Mohammedaansche wet nogmaals te herhalen, maar wel om scherp te doen
uitkomen, dat het bij deze wet nooit gekomen is tot eene eigenlijke
codificatie, en dat, naar het schijnt, ook in de toekomst elke poging
om daartoe te geraken van te voren als mislukt moet worden aangemerkt.



Qoerân en Soennah.

In den allereersten tijd hebben de leiders der Mohammedaansche
gemeente getracht, de geheele wet te beschouwen als berustend op
de eigen woorden van Allah, zich daarvoor o.a. beroepende op het
Qoerânvers (VI : 38): "Wij hebben in het Boek niets veronachtzaamd",
openbaringswoorden, die blijkens het verband iets geheel anders wilden
zeggen. Men was huiverig voor het stellen van menschelijk gezag als
ongeveer gelijkwaardig naast dat van God.

Niet lang kon men echter blind blijven voor de waarheid, dat de Qoerân
van het eerste begin af doorgaans de verklaring en aanvulling zijner
sobere wetgevende uitspraken door woord en voorbeeld van den Gezant
Gods onderstelt. De Soennah, de wijze van doen, van Mohammed, werd
derhalve als tweede bron van wetgeving naast den Qoerân erkend. Deze
Soennah had boven den weldra na Mohammeds dood voor altijd schriftelijk
vastgestelden Qoerân eene zekere rekbaarheid voor, waarvan bij de
vroeger genoemde aanpassing der wet aan de onafwijsbare behoeften
der veroverde landen een ruim gebruik gemaakt werd. De overlevering
(hadîth) omtrent den inhoud der Soennah bleef gedurende een paar eeuwen
vloeiend, en zoo vond men gelegenheid om de meeste vreemde elementen,
die de Moslimsche wet niet missen kon, door tradities over Mohammeds
woorden en daden te sanctionneeren.

De Overlevering, al hield ook hare rekbaarheid na ongeveer drie eeuwen
op, heeft nooit zoo vasten vorm verkregen als de Openbaring. Uit het
ontelbaar aantal tradities, die elk een of ander klein détail der wet
tot onderwerp hadden, kozen gezaghebbende geleerden, ieder volgens
zijne eigene critische beginselen, de "echte" uit, en zij rangschikten
die in hunne verzamelwerken min of meer naar den inhoud of naar de
herkomst. Ofschoon nu sommige van die verzamelingen eene soort van
kanonieke waarde hebben verkregen, bleef toch de weg altijd open voor
verschillende relatieve waardeering der enkele tradities, die daarin
eene plaats gevonden hadden, en tevens voor gelijke waardeering van
andere, die in die collecties niet waren opgenomen. De uitlegging van
al die overleveringen was natuurlijk voor latere geslachten vooral
niet minder aan discussie onderhevig dan die van Allahs eigen woord.



Losmaking der wet van hare bronnen.

De wettelijke bepalingen, die men uit deze bronnen kon afleiden,
werden vervolgens stelselmatig en met weglating van het betoog, door de
schriftgeleerden (faqîhs) geordend en aldus verwerkt tot hetgeen men
zou kunnen noemen handboeken der plichtenleer, leerboeken, waarin de
geheele wet voor de weetgierigen werd uiteengezet met zooveel gezag als
de naam van ieder auteur vertegenwoordigde. Het verschil in opvatting,
dat bij die behandeling der stof aan den dag kwam, betrof meestal
dingen, die wij bijzaken zouden noemen, en het verminderde bovendien
nog met den tijd. Toch werd volkomen eenstemmigheid ten aanzien van
geen enkel hoofdstuk der wet bereikt, zelfs niet binnen de grenzen
van eene der rechtsscholen, waarvan thans nog vier--de Hanafitische,
de Malikitische, de Sjafi'itische en de Hanbalitische--over zijn,
die dat meeningsverschil vertegenwoordigen. Dit doet geen afbreuk aan
de katholiciteit van het systeem van den Islâm, daar het totaal van
de resultaten der legislatieve werkzaamheid van de eerste eeuwen als
onaantastbaar gewaarborgd wordt door de onfeilbaarheid der gemeente,
die dat alles, de verschillen incluis, voor hare rekening heeft
genomen.



De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan.

Deze loop der zaken, men begrijpt het licht, verzet zich tegen het
denkbeeld eener algemeen aanvaarde codificatie, zelfs van hetgeen
in ééne en dezelfde school op dit gebied als waarheid geldt. Zij zou
niet kunnen geschieden zonder dat daarbij telkens van verschillende,
gelijkwaardige inzichten enkele voor goed ter zijde werden gesteld. Ook
heeft de onfeilbaarheid van den consensus van oudsher alleen zóó
gewerkt, dat eene volgende generatie op bepaalde resultaten der
werkzaamheid eener vorige het stempel harer goedkeuring drukte,
maar er is nooit een lichaam of eene vergadering geweest, die zich
bevoegd achtte, op een gegeven oogenblik over bepaalde quaesties in
naam der onfeilbare gemeente uitspraak te doen. Eene commissie van
geleerden eener rechtsschool (madhab) te belasten met de codificatie
van de Moslimsche wet, zou dus, afgezien van de moeilijkheid harer
samenstelling in verband met de verspreiding der aanhangers van
zulk eene school over den aardbodem, een absoluut novum zijn, en men
weet hoe vijandig bovenal de wetgeleerdheid tegen nieuwigheden is,
gedachtig aan de uitspraak, die op naam van den Profeet overgeleverd
wordt: "hoedt u voor nieuwe dingen: want elke nieuwe zaak is eene
ketterij, elke ketterij eene dwaling, en elke dwaling behoort in het
helsche vuur".

Gesteld eens, dat men de waarlijk niet geringe bezwaren, die ik al
noemde, ter zijde wist te stellen, dan nog zou de aanvaarding van de
meest zorgvuldige codificatie op haast onoverkomelijke gemoedsbezwaren
stuiten. Men zou in den codex niet veel anders mogen zien dan een nieuw
leerboek naast de vele bestaande, niet een wetboek. Al hebben feitelijk
de handboeken der verschillende scholen de bronnen der wet verdrongen,
zoodat het niemand meer vrijstaat, die bronnen onafhankelijk van de
rechtsscholen te gebruiken, terwijl ook het recht der geleerde critiek
op de uitspraken van gezaghebbende handboeken uiterst beperkt is,
toch ziet men in ieder dier met autoriteit bekleede auteurs slechts
iemand, die op gezag alweer van oudere voorgangers den inhoud van
Qoerân en Overlevering verklaart, zonder zijn werk voor die gewijde
bronnen in de plaats te stellen. Geen Mohammedaansch concilie--gesteld
eens dat het mogelijk ware, er een samen te stellen--zou het wagen,
voor zijn werk op zulk eene plaats aanspraak te maken.



Poging tot codificatie in Algerië.

In Algiers wil de Regeering het beproeven. De Délégation financière des
Colons sprak in hare zitting van 18 Maart 1904 de wenschelijkheid eener
codificatie van het in de kolonie geldende Mohammedaansche recht uit,
dewijl het ontbreken van eenen voor Europeesch gebruik geschikten
codex tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf, en vooral het
totstandkomen eener dergelijke regeling der grondrechten belemmerde. De
Gouverneur-Generaal gaf aan dien wensch gehoor door bij besluit van 22
Maart 1905 eene commissie in te stellen bestaande uit 11 leden, waarvan
5 Inlandsche en 6 Fransche ambtenaren, afgevaardigden en geleerden,
met het doel om te bestudeeren "eene codificatie der bepalingen
van het Mohammedaansch recht, die op de Moslimsche inboorlingen van
Algerië toepasselijk zijn". Daaronder vallen, zooals nader blijkt, het
personen- en familierecht, het erfrecht en de bepalingen betreffende
vrome stichtingen, het zakelijke recht betreffende onroerend goed,
de bewijsleer.

De koloniale regeering van Algerië zoowel als de commissie hebben op
voorbeeldige wijze zorg gedragen, dat de voorbereidende werkzaamheden
bij het volste daglicht door iedereen gezien en beoordeeld konden
worden. Onder den algemeenen titel "Projet de codification du droit
musulman" verschenen van 1906 tot 1909 vijf deeltjes, waarin een
getrouw verslag wordt gegeven van de ongunstige zoowel als van de
gunstige adviezen van tal van Fransche en Inlandsche deskundigen,
waarin verder de notulen van de vergaderingen der commissie en de door
een harer leden uitgewerkte wetsontwerpen met de door anderen daarop
voorgestelde verbeteringen worden medegedeeld. Hoogst belangrijk blijft
die verzameling documenten, zelfs al moest de poging tot codificatie
ten slotte op niets uitloopen. Dan toch zou, duidelijker dan een
betoog a priori dit vermag, bewezen zijn, dat ook de samenwerking
van hoogst bekwame mannen niet in staat is, de hinderpalen tegen de
uitvoering van zulk een plan weg te nemen.



De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen.

Voor mij, ik zeide het reeds, is de uitslag niet twijfelachtig. De
overtuiging, die ik altijd heb gekoesterd, dat het Moslimsche recht
geene codificeering toelaat, wordt zelfs versterkt door den inhoud
der zooeven genoemde publicaties der commissie van Algiers, ofschoon
de leden dier commissie zelve nog volharden bij hun optimisme.

De drang tot codificatie kwam geheel en uitsluitend van Europeesche
zijde. Fransche rechters, die zich soms belast zien met de
beslechting in eerste of tweede instantie van geschillen, waarbij
het Mohammedaansche recht geldt, weten in de Arabische handboeken
den sleutel tot de oplossing vaak niet te vinden en snakken naar eene
samenvatting der bepalingen naar de methode en in den vorm, waaraan
zij in hun eigen recht gewoon zijn. Europeesche kolonisten verlangen
eene vaststelling der rechten van Inlanders op onroerend goed, die hen
bij hun verkeer met Inlandsche grondbezitters voor onzekerheid behoedt.

De Europeesche adviseurs zijn over de mogelijkheid van het voldoen
aan deze wenschen zeer verdeeld. Onder de Inlandsche autoriteiten,
die adviezen gaven, zijn een belangrijk aantal besliste tegenstanders
van de codificatie, en dit aantal zou ongetwijfeld toenemen, als men
ook adviezen inwon van ambtelooze schriftgeleerden, die in zaken van
dezen aard in veel hooger mate de vox populi vertegenwoordigen dan
zij, die door ambtelijke banden aan de Regeering gebonden zijn. Van
de Inlandsche adviezen die door de commissie onder de gunstige
gerangschikt zijn, maken vele het voorbehoud, dat de codificatie
zich strikt beperken zal tot eene voor Europeanen meer bruikbare
rangschikking van den inhoud der algemeene gebruikelijke Arabische
handboeken, zonder aan geest of letter van dien inhoud te raken. De
onvoorwaardelijke voorstanders onder de Inlanders zijn blijkbaar alleen
zulken, die onder Europeeschen invloed van de tradities van hun volk
min of meer los geworden zijn, en wier advies derhalve in eene zoo
delikate quaestie als deze met groote behoedzaamheid gebruikt dient
te worden.



Ten onrechte beroept men zich op voorgangers.

De voorbeelden, waarop de commissie zich beroept om de rechtmatigheid
van haar plan te betoogen, namelijk hetgeen in deze richting in
Turkije, in Egypte en in Tunesië tot stand gebracht is, kunnen den
verlangden dienst niet bewijzen, zoolang niet is aangetoond--en die
aantooning zou niet licht gelukken--dat de officieele verzamelingen
van beginselen en bepalingen der Moslimsche wet, die op last van de
Turksche en Egyptische regeeringen uitgegeven zijn, in de practijk der
rechtspraak dier landen de handboeken en fetwa's, die van ouds door
de rechters als grondslag voor hunne beslissingen gebruikt werden,
verdrongen hebben, en wat Tunesië aangaat, dat men daar met het
codificatiewerk, wat de belangrijkste hoofdstukken van het Moslimsche
recht betreft, verder gekomen is dan tot projecten.



Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien verdacht.

En dan moet men nog twee zaken bedenken, die de uitvoering van
het plan voor eene niet-Mohammedaansche regeering als de Fransche
heel wat bezwaarlijker zouden maken dan voor Mohammedaansche als
de Turksche en Egyptische. In alle opzichten, maar vooral waar het
aankomt op de behandeling der heilige wet, heeft de minst aanzienlijke
Mohammedaansche bestuurder voor eene bevolking, die dien godsdienst
belijdt, een gezag, waarmee dat van den machtigsten niet-Moslimschen
staat nooit kan wedijveren. Ging de Gouverneur-Generaal van Algiers
er inderdaad toe over, bij decreet verbindende kracht toe te kennen
aan eenen codex van het Mohammedaansche recht, die door eene commissie
van eenige Fransche deskundigen en eenige Mohammedaansche ambtenaren
van de Fransche regeering was samengesteld, dan zou zulk eene wet
reeds om haren oorsprong in de oogen van alle vrome Moslims verdacht
zijn. Kwam daar nog bij, dat bij die codificatie gestreefd was,
uit de leerstellingen der verschillende rechtsscholen van den Islâm
datgene bijeen te lezen, wat zich het best leende voor aanpassing aan
moderne rechtsbegrippen--en hiernaar streeft inderdaad de commissie van
Algiers--dan zou de gehoorzame aanvaarding van zulk eenen codex door
eene Moslimsche bevolking eenvoudig bewijzen, dat de Fransche Regeering
over haar een zoo onbeperkt gezag had, dat zij bijna even gemakkelijk
het geheele Mohammedaansche recht door een ander had kunnen vervangen.



De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche afwijken.

Het tweede, niet minder ernstige bezwaar is hierin gelegen dat het
recht niet alleen zijn eigen inhoud heeft, dien men volgens de meening
der Mohammedanen alleen door steeds vernieuwde raadpleging der door
den consensus gewaarmerkte handboeken mag leeren kennen, kennen, maar
dat bovendien rechters en moefti's (gezaghebbende uitleggers der wet)
bij de toepassing en verklaring dier wet gebonden zijn aan methoden,
die ver afwijken van die der Europeesche juristen. Een door een
Europeesch rechter geveld vonnis kan door hem op volkomen logische
wijze zijn gebaseerd op een artikel van zijnen Mohammedaanschen codex
en toch rechtmatige ergernis geven aan Mohammedanen, die tegen den
inhoud van het artikel zelfs geen enkel bezwaar hebben.



Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven ongewenscht.

Eenige Fransche adviseurs der Regeering van Algiers, die evenals
ik eene bevredigende codificatie van het Moslimsche recht niet
mogelijk achten, spreken zich daarenboven tegen de wenschelijkheid
van zulk een vastleggen van bepalingen dier wet uit. Zij wijzen erop,
dat de Fransche Regeering zoo doende aan inzettingen, die zij niet
goedkeurt, maar alleen om historische redenen ter wille van eene groep
harer onderdanen tolereert, een langduriger bestaan verzekeren zou
dan deze, aan zichzelve overgelaten in den strijd tegen de moderne
levensopvatting, zouden bereiken. Wel verre van in het ontbreken van
eenen codex eene lastige leemte te zien, beschouwen zij dat veeleer
als een groot voordeel, daar Fransche rechters en bestuurders nu
bij allerlei gelegenheden hunnen invloed kunnen aanwenden om de
practijk der Mohammedanen geleidelijk met nieuwere beginselen in
overeenstemming te brengen, hetgeen zij zeer dikwijls met succes
gedaan hebben. De codex, dien men bezig is te ontwerpen, zou daarom
voor een deel reeds bij zijne geboorte verouderd zijn, en voor het
overige de zoo gewenschte ontwikkeling der Moslimsche maatschappij
uit hare middeleeuwsche windselen zeer bemoeilijken.



Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie vernomen.

In Nederlandsch-Indië zijn meer dan eens stemmen opgegaan voor
eene codificatie van die gedeelten der Mohammedaansche wet, die
voor de rechtspraak over Inlanders van practisch belang zijn. Onze
wetgeving heeft den omvang hiervan nergens zoo nauwkeurig bepaald
als dit in Algerië geschied is, maar de natuurlijke loop der zaken
heeft dien feitelijk hier tot dezelfde onderwerpen beperkt als daar;
het huwelijks-, familie-, personen- en het erfrecht staan bovenaan,
de waqf-instellingen worden uit den aard der zaak volgens de heilige
wet behandeld, en de Moslimsche leer van het bewijs, die in zoo
menig opzicht van moderne opvattingen afwijkt, is de eenige, welke
de handhaver der wet van den Islâm bij zijn onderzoek mag volgen.

Degenen, die ten onzent op codificatie aandrongen, behoorden
ongeveer tot dezelfde groepen, die in Algerië zulk eenen mijns
inziens onvervulbaren wensch uitten: vooral rechterlijke ambtenaren,
die inzagen, dat de Regeering zich op den duur niet mag onttrekken
aan alle toezicht op de Inlandsch-Mohammedaansche rechtspraak, en dat
zulk toezicht niet beperkt kan blijven tot de wettige samenstelling
der rechtbanken en tot de quaestie der competentie, maar zich ook
behoort uit te strekken tot den inhoud der vonnissen, daar anders de
justitiabelen overgeleverd worden aan de willekeur van niet of slecht
bezoldigde rechters, die toch door de Regeering worden aangesteld. Die
Europeesche juristen achtten evenwel de doelmatige uitoefening van
zulk toezicht niet mogelijk, wanneer zij daarvoor niet beschikten
over een codex, die voor hen, bruikbaar en tevens met onbetwist gezag
bekleed was.



Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren.

De principieele bezwaren tegen dit desideratum behoeven wij na al
hetgeen naar aanleiding der in Algiers op touw gezette codificatie
werd opgemerkt niet meer te herhalen. Kon men--wat ik ontken--die
algemeene hinderpalen overwinnen, dan nog zou, naar ik vermoed, onze
Regeering, die zich terecht verplicht acht, de volksinstellingen
der door Haar bestuurde Oosterlingen, vooral wanneer zij eenen
godsdienstigen grondslag hebben, te tolereeren, in hooger mate dan
die van Algiers door gemoedsbezwaren weerhouden worden van het door
officieele codificatie min of meer consacreeren van instellingen als
de polygamie met hetgeen daaruit voortvloeit, om niet meer te noemen.



Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen.

Ook zou eene codificatie van het Moslimsche recht, om te voldoen aan de
eischen der meest deskundige Mohammedaansche Inlanders, verschillende
instellingen, die in het inheemsche volksrecht gegrond zijn en waarmede
vele rechters naar den Islâm rekening plegen te houden, moeten negeeren
en zoo hare afschaffing voorbereiden, terwijl juist hare handhaving
aanbeveling verdient. Ik noem slechts het op nagenoeg geheel Java en
Madoera geldende instituut der voorwaardelijke verstooting na elk
huwelijk, waardoor de positie der gehuwde vrouw belangrijk sterker
wordt dan door eenvoudige toepassing der Mohammedaansche wet het geval
zou zijn; verder de in een groot deel dier eilanden gebruikelijke
verdeeling der staande het huwelijk verworven goederen tusschen de
echtgenooten bij ontbinding van den echt.

Een der meest gezaghebbende Mohammedaansche schriftgeleerden
in Nederlandsch-Indië, Sajjid Oethmân bin Jahja te Batavia,
heeft door de samenstelling van zijnen verdienstelijken gids
voor de priesterraden (onder den titel: al-Qawânîn as-Sjar'ijjah)
zijdelings de onmogelijkheid eener codificatie aangetoond. Hij wist
uit rijke ervaring van vele jaren, welke quaesties aan die geestelijke
rechtbanken op Java en Madoera plegen te worden voorgelegd; zijn
streven was, uit de beste werken der doctores van het Sjafi'itische
recht bijeen te lezen, hetgeen de leden van die rechtbanken anders in
eene bibliotheek van handboeken zouden moeten zoeken. Inderdaad gaf
hij al wat iemand, die met de materie vertrouwd is, billijkerwijze
verwachten kon: geene codificatie dus, maar een nieuw, voor bijzondere
behoeften berekend leerboek, dat evenwel telkens den gebruiker
noodzaakt, voor een te behandelen geval zijn licht te ontsteken bij
een anderen auteur. Van volksrecht, dat niet met de kanonieke wet
overeenstemde, nam hij natuurlijk alleen notitie om het met alle
kracht te bestrijden.



Beteekenis der mystiek in den Islâm.

Onze vluchtige karakterschets van het systeem van den Islâm
zou al te onvolledig zijn, als we de mystiek geheel stilzwijgend
voorbijgingen. Voor hem, die den Islâm van alle zijden wil bezien,
is dit zelfs juist een onderwerp, dat verleidt om er lang bij stil te
staan, want in de mystiek heeft het Mohammedanisme het middel gevonden
om zich te verheffen tot eene hoogte, van waar hij boven zijn eigen,
eng begrensden horizon uit kon zien.

Die geesten onder de Moslims, voor welke het keurslijf der wettelijke
voorschriften en der dogmata van den Islâm te eng was, hebben in de
periode, waarin hij zich aan de door hem veroverde wereld aanpaste,
aan denkbeelden van eene andere orde binnen zijne grenzen een zeker
burgerrecht weten te verzekeren. In hunnen kring werkten ascese en
wijsgeerige diepzinnigheid van Griekschen, Perzischen en Indischen
oorsprong samen om de wet en de dogmatiek te vervluchtigen tot de
eerste, meest elementaire middelen om te geraken tot vereeniging van
mensch en God. Soms ging die vervluchtiging zoo ver, dat er van de
specifieke voorschriften en leerstellingen van den Islâm niet veel meer
overbleef. Natuurlijk begon dan van de andere zijde de ketterjacht,
en daarom vermeden vele mystieken het dan ook, de ondergeschiktheid
van wet en geloofsleer aan hoogere doeleinden tot de consequentie van
opheffing dezer beide uit te werken. Dit alles behoort echter meer
tot het terrein van godsdienst en wijsbegeerte, dat ons hier slechts
in zooverre bezighoudt als het voor de practijk belangrijke directe
gevolgen heeft.



Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te verwachten.

In één opzicht raakt de mystiek toch onze tegenwoordige sfeer van
belangstelling. Overal, en ook in den Islâm, onderscheidt zij zich
door neiging om den godsdienst boven zijne vormen te verheffen,
dus ook door verdraagzaamheid; zij heeft, als ik het zoo eens
noemen mag, iets interreligionaals. Nu hebben sommigen daarom de
Mohammedaansche mystiek beschouwd als bestemd om den Islâm uit zijn
geestelijk isolement te verlossen en hem de gewenschte verzoening met
de moderne cultuur mogelijk te maken. Als deze verwachting gegrond
was, dan zou zij voor de Mohammedanen van den Indischen Archipel
bijzondere beteekenis hebben, want daar heeft vooral in den aanvang
der Islamiseering de mystieke opvatting diepe wortels geschoten. De
bodem was daartoe met name op Java, maar ook elders, door het vroeger
heerschende Hindoeïsme uitnemend voorbereid, en de eerste predikers
van den Islâm waren zelf weer geïslamiseerde Hindoes, die veel van
den ouden zuurdeesem behouden hadden.

Voor het proces der inlijving van Javanen en Maleiers bij de moderne
beschaving is deze omstandigheid zonder twijfel gunstig, althans
daar, waar niet in lateren tijd de invloed van West- en Zuid-Arabië,
van Mekka en Hadhramaut, met succes tegen te zwakke waardeering van
wet en leer gereageerd hebben. Maar dan toch alleen in dezen zin,
dat die Indonesiërs daardoor minder dan vele andere Islâmbelijders
zich tegen de inwerking van vreemden geestelijken invloed zullen
verzetten; niet zoo, dat zij kans hebben om meegesleept te worden in
eene algemeene hervorming van den Islâm in de richting der mystiek.

De verwachting van zulk eene beweging laat zich namelijk op redelijke
gronden niet rechtvaardigen. De mystiek van den Islâm heeft nooit
propaganda onder het volk gemaakt, zij bleef steeds beperkt tot
enkele kringen, die zich als geestelijk bevoorrechten beschouwden en
nog dieper haast dan de schriftgeleerden en de dogmatici op de schare
neerzagen. De mystieken werden door de massa beschouwd òf als ketters
òf als godsmannen, die wonderen deden, maar wier denken en doen gewone
menschen zich niet tot voorbeeld mochten nemen. Hunne beschouwing van
wereld en leven mist dus al hetgeen zou kunnen dienen om de menigte
te boeien of aan te trekken.



De mystieke broederschappen.

Wel is er ook eene populaire soort van mystiek ontstaan, die in de
zoogenaamde geestelijke broederschappen, de tarîqah's, haren vasten
vorm heeft gevonden, maar van deze verwacht wel niemand hervormende
kracht, want zij heeft zelve hare kracht gezocht in streeling van de
vulgaire behoefte aan menschenvereering en allerlei bijgeloof. Noch
de vaak verheven, maar meestal hoovaardige denkheiligheid der
mystieke leer van den Islâm, noch de op de lagere neigingen der
menschen speculeerende tarîqah's kunnen aan het Mohammedanisme de
geestelijke emancipatie brengen, die het geschikt moet maken voor
het internationale geestelijke verkeer.



III.

DE NEDERLANDSCHE KOLONIALE REGEERING EN HET STELSEL VAN DEN ISLÂM.


De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek.

Sinds ongeveer zeven eeuwen heeft op de bevolking van onzen Indischen
Archipel de in onze eerste voordracht geschetste propaganda ingewerkt;
sinds ongeveer vier eeuwen heeft hare overgroote meerderheid den Islâm
aangenomen, dat wil zeggen zich opengesteld voor den invloed van het
in onze tweede voordracht behandelde systeem en zich daarmee tevens
voor andere cultuurinvloeden minder toegankelijk gemaakt, zij het
ook dat de hervormende en opvoedende factoren van dat stelsel zich
in vele streken nog weinig deden gelden. Vijfendertig millioenen
Nederlandsche onderdanen belijden den Mohammedaanschen godsdienst,
dus ongeveer een zevende deel van het geschatte totaal aller Moslims;
daar gaat niet veel af, integendeel, er komt veel bij, zoowel omdat de
bevolking snel vermeerdert, als omdat het toegenomen internationale
verkeer, waaraan ook de Indonesiërs op hunne wijze deelnemen, hier
gelijk overal de strekking heeft om plaatselijke eigenaardigheden op
te ruimen, terwijl de Islâm de beste kansen heeft verworven om bij
die opruiming eene hoofdrol te spelen.

Sinds Nederland tot het bewustzijn is ontwaakt, dat het zijne taak
is, de volken van den Archipel naar hunnen aard voor deelname aan
het moderne cultuur- en verkeersleven geschikt te maken, heeft het
dus evenals elke niet-Mohammedaansche staat met Moslimsche onderdanen
zijne eigene Islâmquaestie, eene levensvraag, welker oplossing elken
Nederlander, die vooruitkijkt, ter harte moet gaan, waaraan bovenal
de Regeering en Hare ambtenaren hunne ernstige belangstelling niet
mogen onthouden.

Dat bij elke oplossing der vele vragen, die zich hier om een antwoord
aanmelden, de volkomen eerlijke eerbiediging van de vrijheid der
godsdienstige belijdenis van alle onderdanen ongerept moeten blijven,
behoeft gelukkig geen uitvoerig betoog meer. De kleine groep van
kortzichtigen, die den Islâm der Inlanders een deuk zouden willen
geven door hem voor vijf zesden weg te cijferen, verdient de eer
eener omstandige weerlegging niet.

Maar daar de Islâm nu eens een stelsel is geworden, dat zich niet
tevredenstelt met de regeling der verhouding zijner belijders tot het
Opperwezen, veeleer zijne bemoeienis opdringt met hunne betrekkingen
tot het staatsgezag en tot hunne medeonderdanen van denzelfden staat,
en tot in de geringste bijzonderheden al hunne levensuitingen wil
binden aan zijne voorschriften, daar kan noch mag de staat, die
millioenen Mohammedanen tot onderdanen heeft, hiervoor onverschillig
blijven. Al ware het tegen wil en dank, hij is verplicht een scheiding
te maken, die de Islâm zelf theoretisch niet maken kan, eene scheiding
tusschen een gebied, waarbinnen hij zulk een imperium in imperio ter
wille der gewetensvrijheid dulden kan, en een ander gebied, waarin de
onbelemmerde werking van zulk eene macht met hoogere en algemeenere
belangen niet te rijmen ware.



Jegens het dogma en de zuiver godsdienstige voorschriften der wet
moet zij neutraal zijn.

Aan de eigenlijke geloofsdogmata van den Islâm behoort de
Regeering in geen enkel opzicht te raken; zij zijn trouwens
voor den staat even ongevaarlijk als die van eenige andere der
gezindten, welker vrijheid van belijdenis door hem gewaarborgd
wordt. Zelfs van het eschatologische gedeelte moet dit gezegd worden,
want oproerige bewegingen, die soms daaraan--inzonderheid aan de
mahdî-verwachting--vastgeknoopt worden, sleepen alleen onontwikkelden
uit misverstand mede. Waar zij zich voordoen, zal men ze altijd met
geweld moeten onderdrukken; preventief werkt daartegen opvoeding der
bevolking tot een hooger intellectueel peil.

Niet minder zal de staat zich hebben te onthouden van alle belemmering
van verrichtingen, die de Moslim beschouwt als te behooren tot zijnen
godsdienst in den engeren zin van dat woord.

Overal, maar het meest daar, waar de Islâm niet meer den hoofdtoon
aangeeft, brengt rigoureuze trouw aan hetgeen hij zijnen belijders
als hoofdplichten voorschrijft--de zoogenaamde vijf zuilen van den
Islâm--de geloovigen dikwijls in moeilijkheid bij intensieve deelname
aan het tegenwoordige verkeer. De reinheidswetten, de vijfmaaldaagsche
godsdienstoefeningen, het strenge vasten gedurende eene geheele
maand van ieder jaar, dat alles maakt den ambtenaar, den koopman,
den industrieel, den werkman der twintigste eeuw, die zich eraan
gebonden acht, het leven vaak bedenkelijk zwaar. Dit blijkt wel het
best uit het feit, dat zelfs in landen onder Mohammedaansch bestuur
die verschillende klassen der maatschappij zich meer en meer van die
knellende banden emancipeeren.

Onze koloniale Regeering zal zich hierdoor evenmin als de Fransche in
Algerië of de Britsche in Indië gerechtigd achten op die natuurlijke
evolutie vooruit te loopen door gebrek aan consideratie jegens hen,
die zich nog tot inachtneming dier verouderende godsdienstige gebruiken
verplicht achten. Elke directe of verkapte drang tot slapheid in zulke
observanties is onverstandig, al ware het slechts omdat de evolutie
daardoor met vertraging wordt bedreigd; immers alwat aan aanval
blootstaat, stijgt in de waardeering van wie het bezit. Bovendien is
zulk optreden van de Regeering of Hare ambtenaren met het beginsel
der godsdienstvrijheid in stelligen strijd.

Minder groot is het gevaar van dit beginsel aan te randen ten
aanzien van de zakât genoemde godsdienstige belasting, welker
opbrengst mede als eene der vijf hoofdzuilen van het gebouw van
den Islâm geldt. De Moslimsche wet zelve, rekening houdende met
het feit, dat het staatsbestuur in Mohammedaansche landen al eeuwen
lang niet overeenkomstig hare voorschriften is ingericht, bevat de
noodige bepalingen voor het geval, waarin de vervulling van dezen
plicht, zonder bemoeienis van vertegenwoordigers van het gezag,
geheel aan het vrije initiatief der geloovigen is overgelaten. De
Nederlandsch-Indische Regeering heeft reeds vele jaren geleden ten
opzichte van deze instelling het eenig juiste standpunt ingenomen
door aan hare ambtenaren mede te deelen, dat zij de zakât beschouwd
wenschte te zien als eene vrijwillige liefdegave, tot welke niemand
onder haar bestuur mocht worden gedwongen, evenmin als aan de naleving
van dat godsdienstige voorschrift moeielijkheden in den weg gelegd
behoorden te worden.



Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen onverstandig
zijn.

Anders staat het met de vijfde zuil, de door iederen Moslim, die
physiek en finantieel daartoe in staat is, eenmaal in het leven
te verrichten bedevaart naar Mekka. Dit onderwerp is door mij bij
verschillende gelegenheden met zooveel uitvoerigheid behandeld,
dat ik mij hier wel tot resumtie der hoofdzaken mag bepalen. Zelfs
dit zou overbodig geacht kunnen worden, indien niet telkens weer met
dezelfde versleten argumenten, drang op de Regeering uitgeoefend werd
om toch eindelijk eens maatregelen te nemen tot tegengang van den hadj.

Het laatst trad als orgaan van dien aandrang op hetzelfde
parlementslid, dat de Islâmquaestie wilde vereenvoudigen door zijn
voorstel om vijf zesden der Nederlandsch-Indische Mohammedanen,
die door hem gewogen, maar voor den Islâm te licht bevonden waren,
eenvoudig uit de registers der Islâmbelijders te schrappen. Natuurlijk
bleef hij in gebreke aan te geven, hoe de Regeering, zonder de vrijheid
van godsdienst en van beweging Harer onderdanen aan te randen, aan
zijnen wensch gevolg zou kunnen geven. Hij vergenoegde zich ermede,
aan zijne met Indië minder bekende medeburgers voor het bedevaartspook
schrik aan te jagen met behulp van een paar beweringen, die van de
waarheid evenver verwijderd waren als van de welvoegelijkheid.

Of wat zegt gij, die bij ervaring weet, dat Mohammedaansch fanatisme
in Oost-Indië evenzeer onder ongetulbande Inlanders als onder hadji's
voorkomt, en dat tienduizenden hadji's in Nederlandsch-Indië als
rustige onderdanen van het Gouvernement leven, van deze uitspraak
van onzen volksvertegenwoordiger: "de bedevaartganger--ook als
Mohammedaan niet gevaarlijk vóór zijne reis--is beslist een opruier
tegen het Gouvernement, wanneer hij de bedevaart naar wensch heeft
volbracht?" En wat dunkt u, lettende op het feit, dat bijna alle
leden der Javaansche aristocratie naaste bloedverwanten hebben, die
de bedevaart naar Mekka hebben verricht, en dat onder hen steeds meer
kennis genomen wordt van hetgeen in onze pers en in ons parlement
betreffende de Inlandsche wereld gezegd wordt, wat dunkt u van
zijn ander orakel, dat die Inlanders na terugkeer van hunnen tocht
naar Arabië gelijk stelt met reizigers, die in hun land terugkomen
"gewapend met dynamiet en wapenen (sic) om de gebouwen in de lucht
te doen vliegen en onze medeburgers ad patres te helpen?"

De nuchtere werkelijkheid komt hierop neer, dat, al verzuimen vele
Nederlandsch-Indische Moslims, die volgens hunne wet in de termen
zouden vallen tot het verrichten der bedevaart, de vervulling van dien
godsdienstigen plicht toch, vergeleken met de vele andere landen van
den Islâm, hun ijver voor den hadj betrekkelijk groot is, grooter ook
dan hun ijver in de volbrenging van andere plichten, die de Moslimsche
wet hun minstens even na aan het hart legt.

De oorzaken van dit verschijnsel zijn velerlei. De verzoenende kracht
voor vroegere zonden, die aan de volbrenging der bedevaart toegekend
wordt, doet haar bijzonder waardeeren door hen, die in trouw aan de
dagelijks en jaarlijks terugkeerende ritueele verplichtingen van den
Moslim zoo veel tekortschieten. Zekere onderscheiding, die de hadji's
van hunne landgenooten genieten, draagt tot de voorliefde ook iets
bij, al werkt deze prikkel door de toeneming van hun aantal steeds
minder sterk. Voor de groote meerderheid der Inlanders is de reis
naar Arabië bijna het eenige, en wel een vrij gemakkelijk en niet te
kostbaar middel om hun isolement van de buitenwereld te verbreken en
ook eens iets van andere landen te zien. Bij deze en andere motieven
komt ongetwijfeld ook de aanmoediging vanwege de belanghebbenden te
Mekka, het hadjiwerven, zooals men het pleegt te noemen. Hiertegen
valt evenwel weinig te doen, want de eigenlijke wervers, die met
de desalieden in aanraking komen, zijn geene vreemdelingen, aan
wie men, met eenige willekeur om bestwil, den toegang zou kunnen
ontzeggen, neen het zijn in den regel Inlanders uit de streek zelve,
die door hadjisjeichs en dergelijken bij het aanbrengen van klanten
geïnteresseerd zijn.



Politieke beteekenis van den hadji.

De uit een politiek oogpunt te overwegen gevolgen van van het
verkeer met Mekka komen niet bij de groote massa der pelgrims aan
den dag. Dezen komen terug even wijs of onwetend, even fanatiek
of verdraagzaam als zij enkele maanden tevoren de reis aanvaard
hebben. Van belang is hoofdzakelijk het feit, dat sedert ongeveer
twee en eene halve eeuw een nog al aanzienlijk getal Inlanders te
Mekka jaren doorbrengt om er te studeeren. Deze omstandigheid heeft
ten gevolge gehad, dat de daar heerschende methoden van studie
en onderwijs gaandeweg de vroeger van Voor-Indië geimporteerde
hebben verdrongen, en wat nog meer zegt, dat de--gelukkig niet
de meerderheid vormende--hiervoor vatbare studeerenden in dat
internationaal-Mohammedaansche milieu met panislamitische denkbeelden
kennis maken, die op hunne gezindheid jegens het Europeesche bestuur
van hun vaderland ongunstig kunnen werken. Tot nog toe heeft niemand
het middel weten aan te wijzen om dien sedert eeuwen bestaanden, en
vooral sedert de stoomvaart toegenomen stroom direct te keeren. De
eenige middelen, die zich aanbevelen, zijn indirecte, langzaam maar
zeker werkende, die den zin der Inlanders in andere richting leiden. Al
wat de opvoeding van het volk bevordert, kan daartoe strekken. Elke
stap, dien men de inlanders verder brengt in de richting onzer cultuur,
leidt hen evenver af van de bedevaartzucht.



Economische gevolgen van den hadj.

Het economisch nadeel van den hadj voor de Inlandsche maatschappij
is niet denkbeeldig, al wordt het wel eens breeder uitgemeten dan het
verdient. Dat laat ons zeggen vijf millioen gulden [1], die jaarlijks
in den vorm van reis- en verblijfkosten en vrome gaven van pelgrims den
Archipel verlaten, mogen voor een deel aan de Nederlandsche scheepvaart
ten goede komen, in het ware belang der bevolking zagen wij die som
gaarne beter besteed. In verband met het bevolkingscijfer en met de
vele andere finantieele aftappingen, die Indië ondergaat zonder er
zelf profijt van te hebben, maakt dat bedrag echter niet meer zóó'n
enormen indruk als op het eerste gezicht.

In ieder geval staat het vast, dat elke regeeringsmaatregel, die
ten doel zou hebben, de bedevaart te verhinderen of te belemmeren,
dat doel zou missen, den ijver veeleer zou prikkelen en een storm
van verontwaardiging zou ontketenen in de geheele Moslimsche wereld,
waar de Nederlandsche Regeering nu reeds bekend staat als geneigd
tot onbillijkheid jegens Mohammedanen.

Tegenover de dogmatische overtuiging zoowel als tegenover de eigenlijk
godsdienstige wetten Harer Moslimsche onderdanen past der Regeering
en Haren ambtenaren onder alle omstandigheden geen ander richtsnoer
dan dat der onvoorwaardelijke en strikt eerlijke handhaving der
godsdienstvrijheid, zonder eenig voorbehoud betreffende den graad
hunner islamiseering, de beweegredenen, die hen ten opzichte van een
of ander voorschrift tot bijzondere trouw of zelfs tot overdrijving
brengen. Elke schending van dit beginsel brengt zijne straf mede,
en alleen onverantwoordelijke stuurlui aan den wal zullen eene andere
methode durven aanbevelen.



Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm eischt
eerbiediging.

Uit onze vroegere beschouwingen is gebleken, dat sommige gedeelten van
het stelsel van den Islâm, die bij ons krachtens haar onderwerp tot het
recht gerekend zouden worden, even stellig als de leer van het geloof
en die der godsdienstplichten aanspraak maken op eerbiediging. Zoo
in de eerste plaats het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht
en hetgeen daarmee het nauwst samenhangt.

Men ontwaart dit wel het duidelijkst uit de nagenoeg volstrekt
algemeene receptie dezer bestanddeelen van de wet door alle
Mohammedanen der wereld, en voorts uit de zeer bijzondere consideratie,
die alle staten met Mohammedaansche onderdanen juist daarvoor getoond
hebben. Noch Frankrijk noch Groot-Brittannië hebben er ooit aan
gedacht, aan eene dier zaken te tornen; bij alle hervormingsplannen
stond het boven bedenking, dat die wetten onaangetast zouden blijven.

In den allerlaatsten tijd worden enkele stemmen vernomen, die met
name voor een groot deel van Java willen betoogen, dat daar de in
hare practijk meer heidensch dan Moslimsch gezinde bevolking zeer
wel de invoering door de Regeering van een Westersch familierecht
zou toelaten, daar zij toch van de Moslimsche instellingen noch goed
op de hoogte, noch daaraan bijzonder gehecht was, en die alleen in
zoover betrachtte, als de hoofden en de zoogenaamde geestelijkheid
er de hand aan hielden.

Ik kan in die redeneering niet anders zien dan eene van perfidie niet
vrije drogreden, die een nog meer afstootenden indruk maakt, wanneer
het heet, dat zij moet dienen om de prediking van het Evangelie wat
gemakkelijker te maken. Non tali auxilio! zal ieder eerlijk Christen
met weerzin daarbij uitroepen.

De kleine man, de desabewoner in een groot deel van Java, bezit weinig
of geene kennis van het familie- en personenrecht van den Islâm, en hij
heeft dit nooit om zijne bij vergelijking met andere wetten gebleken
voortreffelijkheid aanvaard. Neen, de fellâh van Egypte evenmin,
en het gros der bevolking van Constantinopel en Mekka deelen met hen
die onkunde. Maar zij allen weten wel, wie onder hen de kenners van
die inzettingen zijn, en dezen staan onmiddellijk, wanneer daarop
een aanval beraamd wordt, gereed om die onwetenden te waarschuwen,
dat hunne religie in gevaar komt, dat het niet alleen gaat om een
door de vaderen aanvaard en van hen geerfd goed, maar om geboden van
den Allerhoogste, welker miskenning afval van het geloof in zich sluit.

Alleen de grofste onkunde kan zoo slechte raadgevingen eenigszins
verontschuldigen. Diezelfde onbekendheid met de meest elementaire
gegevens, die ons parlementslid (den man van de schrapping der vijf
zesden) deed beweren, dat de Nederlandsche Regeering hare Indonesische
onderdanen bestuurt naar Mohammedaansche rechtsbeginselen en zoo
bij hen de meening doet post vatten, dat Zij hunne bekeering tot den
Islâm gaarne ziet.

Dat eenig deel van onze voor Inlanders geldende wetgeving ook maar
een spoor van Mohammedaansche rechtsbeginselen vertoont, zal zelfs
die volksvertegenwoordiger niet durven zeggen. Zijne uitspraak kan dus
alleen betrekking hebben op dat personen- en familierecht met aankleve,
hetwelk, zoolang wij Oost-Indische eilanden bezitten, gegolden heeft
als door de inheemsche Moslimsche bevolking gerecipieerd, en ook
wegens zijn intiemen samenhang met hunne religie te eerbiedigen. Dit
nooit weersproken feit vertoont zich nu opeens aan ons Kamerlid als
eene dwaling, die haar ontstaan dankt aan angst voor of sympathie met
den Islâm, die de Regeering van de wijs gebracht zouden hebben. En
voor deze ongehoorde stelling voert hij niets anders aan dan de niet
verder gespecificeerde autoriteit van drie geleerden, van welke twee
zich nooit op dit terrein bewogen noch in dezen zin geuit hebben,
terwijl de derde zich bij meer dan eene gelegenheid in zeer beslist
positieven zin over de receptie van bedoelde hoofdstukken van het
Moslimsch recht door de Inlandsche Mohammedanen heeft uitgesproken. Wij
mogen bij deze dwaasheden niet langer stilstaan.



De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open.

Intusschen, de eerlijke erkenning van de aanspraken dezer
Mohammedaansch-Inlandsche inzettingen op volkomen eerbiediging sluit
geenszins ingenomenheid in zich met die inzettingen zelve. In menig
opzicht passen zij beter bij den beschavingstoestand van de oudheid
of van de middeleeuwen dan bij dien van onzen tijd. De polygamie,
de groote losheid van den huwelijksband, de hulpeloosheid der vrouw
tegenover willekeur en onrecht van haren man, om maar enkele hoofdzaken
te noemen, verhinderen de normale ontwikkeling van het gezin;
ook vele détailregelingen zou men thans geheel anders wenschen. De
Islâm heeft hier weer aan het tijdelijke blijvende kracht gegeven,
aan voorschriften, die in eene bepaalde periode voor bepaalde landen
wellicht geschikt waren, eeuwig onfeilbaar gezag toegekend. Zoolang
men eene bevolking van wingewesten exploiteert, kan men voor de
heerschappij van zulke instituten onverschillig blijven; eene
regeering, die al hare onderdanen naar ethische beginselen wil
besturen, mag dit niet zijn. Zonder ooit de bijzondere teerheid
voorbij te zien van door de religie gewijde regelen, die het leven
van het individu en van de familie betreffen, moet zij den weg
eener gewenschte evolutie open houden, banen als het noodig is,
en de menschen daarheen lokken als zij dat vermag.



Codificatie derhalve ongewenscht.

Codificatie van het gerecipieerde deel van het Moslimsche recht,
al ware zij niet op zichzelve onmogelijk, zou eene der grofste
fouten zijn, die de Regeering kon begaan. Men zou daardoor voor
onafzienbaren tijd vastleggen, hetgeen men juist hoopt, dat zich zal
wijzigen. Bovendien is de receptie van dat recht, die hier vrijwillig
tot stand kwam, niet volledig noch ongeschonden geweest, en menige
adat, die zich plaatselijk tusschen de regelen van het gewijde recht
wist in te dringen, heeft aanspraak op officieele bescherming. Het
is dus van het grootste belang, de beslissing omtrent hetgeen het
Inlandsch-Mohammedaansche recht in de te behandelen gevallen leert,
telkens over te laten aan de vrije, door geen officieel erkend
geschrift gebonden overweging van degenen, die met deze rechtspraak
belast zijn, en verder, deze functie op te dragen aan personen, die
bij de bevolking gezag hebben, en van wie de Regeering vertrouwen kan,
dat zij niet alleen de noodige kennis der Moslimsche wet bezitten,
maar vooral ook op de hoogte zijn van hunnen tijd, zoodat zij de
eischen eener gezonde evolutie verstaan.



De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene fout.

Daarom is de instelling der priesterraden, die in 1882 van
Regeeringswege geschiedde, eene betreurenswaardige fout geweest. De
Mohammedaansche rechtspraak op Java en Madoera was in handen van
de panghoeloes, bijgestaan door het hun ondergeschikte personeel
en somtijds ook door deskundigen daarbuiten, en onderworpen aan het
toezicht van de regenten. Ten onrechte heeft men toen gemeend, het
bestaande verbeterend te bevestigen door de ondergeschikte helpers van
den éénen rechter te maken tot een college van stemgerechtigde leden,
die door de Regeering benoemd en wat hunne rechtspraak betreft van
elk hooger toezicht ontslagen werden. De misbruiken zijn daardoor eer
toe- dan afgenomen, te meer, daar deze rechters door de Regeering wel
benoemd, maar niet bezoldigd worden. Betrouwbaarheid kan men toch
moeielijk verwachten van rechters, die over de intiemste belangen
der bevolking te beslissen hebben, en wier eenige belooning bestaat
in de nergens geregelde emolumenten van hun ambt. Voor de keuze der
leden was men aangewezen op personen, die aan Inlandsche pesantrèns
of in Arabië eene zekere kennis van den inhoud der handboeken over
de Mohammedaansche wet hadden opgedaan; gewoonlijk vrij bekrompen
menschen, die met de practijk des levens weinig aanraking hebben. De
stem van het Inlandsche gezonde verstand, die vroeger door de
bemoeienis van den regent dikwijls dan doorslag gaf, werd gesmoord,
zoodat rechtsverkrachting gemakkelijker, evolutie veel moeilijker
was geworden.



Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel gewenscht.

Op zichzelf was het feit, dat in 1882 eene regeling der
Inlandsch-Mohammedaansche rechtspraak door de Regeering ondernomen
werd, een verblijdende stap in eene richting, die men vroeger,
evenzeer uit angstvalligheid als uit onverschilligheid, placht
te schuwen. Uitgaande van het juiste beginsel, dat inmenging in
godsdienstige aangelegenheden verkeerd was, vergat men, dat in
het stelsel van den Islâm een aantal zaken met den godsdienst in
onverbrekelijk verband staan, aan welker regeling een behoorlijk
bestuur onmogelijk vreemd kan blijven.



Moskeefondsen.

Werden moskeefondsen, die aan het initiatief van regenten hun ontstaan
te danken hadden, met medewerking dikwijls van Inlandsche en ook van
Europeesche ambtenaren op ergerlijke wijze misbruikt, om het zacht
uit te drukken, dan vond de Regeering elk ingrijpen gevaarlijk, omdat
het hier den godsdienst der Inlanders betrof. Dezelfde bedenking deed
zich gelden, wanneer de panghoeloes en hunne consorten voor de hun
krachtens aloude herkomsten opgedragen bemoeienis met de sluiting en
ontbinding van huwelijken, met boedelscheidingen, met de rechtspraak,
voor de bevolking drukkende honoraria eischten. Bedenkelijk werd het
zelfs geacht, wanneer een bestuursambtenaar zich van de inrichting
van Inlandsche godsdienstscholen door eigen aanschouwing op de hoogte
wilde stellen.

Al deze beschouwingen waren erfgoed uit den tijd, toen de Inlandsche
bevolking voor het Gouvernement in de eerste plaats een instrument
was om verhandelbare producten te cultiveeren, en zij hebben nog lang
nagewerkt, nadat de exploitatieleer in beginsel opgegeven was. Dat is
nu anders geworden; men acht het nu niet meer de hoogste wijsheid,
de Inlandsche maatschappij zooveel doenlijk in haar eigen sop
te laten gaarkoken, en men begrijpt, dat ook op het gebied, waar
de volksinstellingen en gebruiken, van godsdienstigen of anderen
oorsprong, het leven dier maatschappij nog beheerschen, de Regeering
verplicht is te zorgen, dat niemand onherstelbaar onrecht worde
aangedaan, allerminst door beambten, die Zijzelve aanstelt of erkent.



Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs.

Zoo is dan de administratie der moskeefondsen van hooger hand
aan regelen onderworpen en onder toezicht gesteld, de van ouds
gebruikelijke deskundige hulp en toezicht bij de sluiting en
ontbinding van huwelijken der Inlandsche Mohammedanen ter vermijding
van onzekerheid en ter voorkoming van misbruiken op vastere grondslagen
gevestigd, het Mohammedaansche godsdienstonderwijs, zonder inmenging
in den godsdienst zelf, onder controle genomen op een wijze, die bij
goede uitvoering waarborgen bevat voor de handhaving der openbare orde,
terwijl de Regeering behoorlijk op de hoogte kan zijn van de invloeden,
waaraan vele harer Moslimsche onderdanen zich onderwerpen.

Ik sprak daar van eene goede uitvoering, en naar aanleiding
hiervan mag ik te dezer plaatse de opmerking niet terughouden, dat
daaraan vaak veel heeft ontbroken. Was het de ongewoonte om zich
aan deze soort van belangen der bevolking veel gelegen te laten
zijn of overlading met ander werk, of hield eene andere oorzaak de
Europeesche bestuursambtenaren van de behoorlijke toepassing van
eenvoudige, ondubbelzinnige, door de Regeering herhaaldelijk gegeven
en ingescherpte voorschriften af? Op deze vragen weet ik het juiste
antwoord niet, maar dit moet ik zeggen, dat ik u ware geschiedenissen
zou kunnen verhalen van gewesten, waar gedurende jaren zelfs met de
eerste voorbereiding der uitvoering van de stelligste bevelen geen
aanvang was gemaakt, waar de herhaaldelijk in herinnering gebrachte
voorschriften niet slechts papieren voorschriften bleven, maar zelfs
het papier na eenigen tijd niet meer te vinden was.

Het schijnt, dat deze onoverwinnelijke ambtelijke apathie tegenover
bevelen der Regeering in het bijzonder zaken betreft, die op den Islâm
betrekking hebben. Althans bleek het tot dusver eveneens niet mogelijk,
de zoogenaamde Mekkapassen, waarvan het bestuur de vertrekkende hadji's
moet voorzien, eenigszins behoorlijk ingevuld te krijgen, en verklaart
de Consul der Nederlanden te Djeddah, zelf Indisch bestuursambtenaar,
telkens met smart, dat onder de duizenden passen, die hij jaarlijks te
controleeren heeft, de enkele goed ingevulde hem bijna doen schrikken
van wege hunne zeldzaamheid.

Ten aanzien der priesterradenverordening van 1882, die in tijdsorde aan
al de andere daarstraks genoemde regelingen voorafging, kan men over
die gebrekkige uitvoering niet klagen. De instelling dier geestelijke
rechtbanken en de benoeming harer leden gingen van het centrale gezag
uit en kwamen tijdig en ordelijk tot stand. Ongelukkig was echter deze
in beginsel prijzenswaardige stap op het gebied der Mohammedaansche
volksinstellingen om de daarstraks genoemde redenen een misstap.



Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren.

Te verhelpen schijnt mij dit euvel op geene andere wijze dan door
die te onzaliger ure geschapen colleges geheel af te schaffen en de
beslissing der rechtsvragen, die hun thans worden voorgelegd, op te
dragen aan den gewonen Inlandschen rechter. De voorzorgsmaatregelen,
die bij die operatie in acht genomen moeten worden, zijn: voor zulke
quaesties aan het advies van den panghoeloe, die anders vaak slechts
schijn-adviseur en beëediger van getuigen is, zeer hooge waarde toe
te kennen, en aan de meestal uit haren aard urgente gedingen, die
het familierecht betreffen, die snelle behandeling te verzekeren,
waarop zij aanspraak hebben, en die vooralsnog bij de priesterraden
beter dan bij de landraden gewaarborgd is.

Draagt men dan meer, dan dusver vaak geschied is, zorg voor de
benoeming tot het panghoeloe-ambt van menschen, wier aanbeveling niet
alleen in hunne studie van eenige kitabs en in den door hen gedragen
tulband gelegen is, maar die ook over wat algemeene ontwikkeling
en levenservaring beschikken, dan is de voortwoekering der enorme
misbruiken, die de zoogenaamde geestelijke rechtspraak aankleven,
goeddeels bezworen en de weg tot geleidelijke evolutie der daarbij
betrokken soort van volksinstellingen wijd opengehouden.



Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen.

Waar ik de houding besprak, die mijns inziens de Regeering
moet aannemen tegenover de Moslimsche volksinstellingen van
Nederlandsch-Indië, bepaalde zich de gedachte meestal als vanzelf
bij den toestand op Java en Madoera. Men zal dit zonder veel uitleg
verstaan. Daar is de intensiteit van ons bestuur, ook te dezen aanzien,
veel verder gevorderd dan elders; daar is het bevolkingscijfer
der Mohammedaansche bevolking zoo belangrijk veel hooger dan op al
de andere eilanden saam; en hetgeen zich voor de eilanden op dit
gebied laat vaststellen, kan met geringe wijziging naar plaatselijke
omstandigheden op de Mohammedanen der Buitenbezittingen worden
toegepast, want hoe groot het ethnologisch en cultuurhistorisch
verschil overigens zij, in den Islâm hebben wij met eenen factor te
doen, die daar en hier op soortgelijke, alleen in graad verschillende
wijze inwerkt.

Ten opzichte van de vele hoofdstukken der wet, waarvan de eene
Inlandsche Moslim zich veel, de ander zich weinig of zelfs niets
aantrekt, en die buiten alle bemoeienis van geestelijke rechters of
andere godsdienstbeambten blijven, is het standpunt der Regeering
vanzelf volstrekt neutraal. Dat er zijn, die op religieuze gronden
zich onthouden van het sluiten van contracten met rentebeding of met
risico, assuranties enz., behoeft het bestuur evenmin bezig te houden
als de uiteenloopende waardeering van het verbod van geestrijke dranken
bij verschillende Mohammedanen. De voor den nieuweren tijd en zijn
verkeer al te knellende banden, die de Moslimsche wet om het leven der
Islâmbelijders slingert, raken vanzelf los, zoodra ons cultuurleven in
een of ander opzicht hen krachtiger tot zich trekt. De drang daartoe
moet echter van binnen naar buiten werken, niet omgekeerd.



Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen.

Er is een ander gebied, waarop de Regeering zich niet mag bepalen tot
belangstellend, maar lijdelijk toezien, wat de toekomstige evolutie
brengen zal. Het omvat al hetgeen een staatkundig karakter heeft of
dit licht kan aannemen. Chalifaat, panislamisme, heilige oorlog zijn
de woorden, die bij den hoorder de voorstelling der voornaamste zaken
wekken, waarom het hier gaat.

In den aanvang waren de chaliefen, zooals hun naam het zegt, de
"opvolgers" van Mohammed, namelijk in de leiding en het bestuur
der gemeente. Naarmate de verovering der landen door den Islâm
zich uitbreidde en bevestigde, ontwikkelde het chalifaat zich
tot eene vorstelijke dynastie, die een wereldrijk beheerschte
en die zich theoretisch de heerschappij over de heele wereld
aanmatigde. Wij herinnerden er vroeger reeds aan, hoe diep die
theorie wortel heeft geschoten èn in het systeem van den Islâm èn in
de populaire voorstellingen zijner belijders. Zelfs nadat de politieke
verbrokkeling, die al spoedig intrad, haar toppunt had bereikt, bleef
men aan de fictie der eenheid vasthouden, en de van alle werkelijke
macht verstoken chaliefen bleven van die eenheid het symbool, al
moesten zij zich ertoe bepalen, met hunne diploma's te bezegelen,
hetgeen buiten hunnen invloed tot stand gekomen was.



De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst.

In die fictie behielden echter de chaliefen den naam van hetgeen hunne
voorgangers werkelijk geweest waren: zij heetten bestuurders van het
gansche door den Islâm ingenomen gebied, geenszins geestelijke hoofden,
wier bemoeienis tot specifiek godsdienstige belangen beperkt was. Het
systeem was immers sedert ongeveer de tiende eeuw voltooid, en zijne
verdere toepassing vond, evenals tevoren zijne eerste ontwikkeling,
plaats onder de leiding der schriftgeleerden; niemand verwachtte
die van het werkelijke of fictieve centrale gezag. Noch Moslimsche
staatslieden, noch geleerden of leeken hebben ooit in den chalief
iets anders gezien dan den rechtmatigen aanvoerder en beheerscher
aller geloovigen.

Nadat gedurende eeuwen de feitelijke onmacht der latere Abbasidische
chaliefen de aanmatigende leer van het chalifaat te schande scheen
te hebben gemaakt, wisten de Turken in de zestiende eeuw de eenheid
van naam en werkelijkheid op dit gebied te herstellen. Sterk door de
kracht hunner wapenen, dwongen zij hunne erkenning als chaliefen van
de meerderheid der rechtzinnige Mohammedanen af, en verstonden zij het,
de hun niet passende eischen, die de wet en de publieke opinie voorheen
aan den chalief hadden gesteld, zooals de afstamming van Qoeraisj,
om niet meer te noemen, te doen vergeten. In zake staatsleer steeds
meer dan op eenig ander gebied gewoon, zich voor de macht der feiten
te buigen, aanvaardde de Moslimsche wereld de verandering zonder veel
protest, zelfs in die landen, die nooit met het Turksche staatsbestuur
in aanraking kwamen. Tot in het Verre Oosten, waartoe onze Indische
Archipel behoort, werd de Turksche Soeltan onder den naam van Radja
Roem of ook van Soeltan Istamboel, de vereerde held der populaire
chalifaatslegende, en verbreidde zich onder de Mohammedaansche
schriftgeleerden de meening dat de vorsten van Constantinopel de
wettige wereldbeheerschers waren, terwijl de overige koningen en
keizers der aarde òf hunne vasallen òf hunne vijanden moesten zijn.

Het is waar, de overgroote meerderheid der Inlandsche Mohammedanen
vindt geene aanleiding om zich met zulke vragen van hoogere politiek
het hoofd te breken; zij hebben al genoeg te stellen met hunne
eigene dorpsautoriteiten, districtshoofden, regenten of vorsten en
met hunne Europeesche bestuurders om voor de verdeeling der macht
in de grootere wereld onverschillig te blijven. Dit neemt niet weg,
dat bij intellectueel hooger ontwikkelde Indonesische Moslims,
die wél belang stellen in de bepaling der plaats van hun volk in
de internationale samenleving, somtijds eene bedenkelijke neiging
bestaat om hunne verhouding tot ons bestuur als een in wezen abnormaal,
tijdelijk overgangsstadium te beschouwen, in welke opvatting zij door
geloofsgenooten uit andere landen nu en dan worden versterkt.



Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche mogendheid
met Mohammedaansche onderdanen.

Gedachten zijn tolvrij. De Regeering zou echter roekeloos handelen
door tegenover uitingen van deze soort gedachten onverschillig te
zijn. Wie in Haren dienst zijn, behooren te weten, dat elke vorm
van panislamisme met eene eerlijke opvatting van hun ambt of hunne
bediening onvereenigbaar is. Van het klassieke panislamisme, dat
de onderwerping der geheele wereld aan het gezag van den Islâm als
een doel voorstelt, hetwelk de geloovigen nooit uit het oog mogen
verliezen, en in welks richting zij bij elke gunstige gelegenheid
stappen moeten doen, spreekt dit zoo geheel vanzelf, dat elk betoog
overbodig mag worden geacht. Maar ook in den vorm, waarin min of
meer gemoderniseerde Mohammedanen het omzetten, dien van onderlinge
aaneensluiting aller Moslims om onder leiding van het chalifaat,
dat wil zeggen van den invloedrijksten Mohammedaanschen vorst,
te bevorderen al hetgeen zij in hun gemeenschappelijk belang
achten, ook in dien vorm is het voor eene niet-Mohammedaansche
regeering volstrekt onaannemelijk, en verdient het onvoorwaardelijke
bestrijding. Iedere transactie met zulk een streven zou beteekenen
het dulden van vreemde inmenging in de verhouding van den staat tot
zijne onderdanen, en dat niet van eene vreemde geestelijke macht,
die opkwam voor de godsdienstige belangen der geloofsgenooten, maar
van een vreemden staat, die verouderde, met den Mohammedaanschen
godsdienst samenhangende aspiraties van politieken aard niet vermocht
los te laten.

De groote mogendheden, die Mohammedaansche onderdanen hebben,
spraken zich, zoover ik weet, nooit scherp en klaar over dit vraagstuk
uit. Wanneer men let op hare houding in bijzondere gevallen, dan zou
men zeggen, dat de Engelsche Regeering meestal geneigd is om tegen de
erkenning van het chalifaat door hare onderdanen niet veel bezwaar te
maken, ja, dat zij bij hare Moslimsche onderdanen gaarne den naam heeft
van met hunnen chalief bijzonder bevriend te zijn; natuurlijk stelt
zij zich daarbij dan op het historisch zoowel als systematisch onjuiste
standpunt, dat diens waardigheid slechts eene soort van oppertoezicht
over de Mohammedaansche kerk zou beteekenen. De Fransche regeering
schijnt te dezen opzichte beter ingelicht te zijn, en, waar het pas
geeft, elke inmenging van dien kant, ook al stelt zij zich, pour le
besoin de la cause, met den naam van geestelijk toezicht tevreden,
beslist af te wijzen. Hoe dit ook zij, de Nederlandsche regeering
mag in eene zaak als deze niet schromen, den weg te bewandelen,
dien haar belang en dat harer onderdanen haar wijzen.



Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met afwijzing
van elke vreemde inmenging.

De meest volledige vrijheid van uitoefening van hunnen godsdienst kan
zij aan hare Mohammedaansche onderdanen schenken en tevens aan Turksche
of andere bemoeiing met hetgeen die onderdanen betreft op besliste
wijze weerstand bieden. Wat de Islâm ooit aan centrale organisatie
bezeten heeft of nog bezit, dat is van staatkundigen aard; iets, dat
zich met het pausdom of algemeene kerkvergaderingen laat vergelijken,
heeft hij niet gekend. De zuiver geestelijke zaken van den Islâm
worden sinds dertien eeuwen behandeld door de schriftgeleerden van
de verschillende landen, die van het door hunne confraters in andere
landen ontstoken licht alle partij kunnen trekken, die zij wenschen,
maar door geene oecumenische vertegenwoordiging aller Moslims tot
iets verplicht kunnen worden.



Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren.

De keuze der landen, van waar onze Indische Moslims hunne wijsheid
ontvingen, werd vanzelf bepaald door de rechtsschool, waarbij zij
zich onder leiding der eerste Voor-Indische predikers van den Islâm
in den Archipel aansloten: de Sjafi'itische. Hunne handboeken der wet
zijn dus de meest bekende van dien ritus, geschreven meestal door
auteurs, die in West-Arabië, in Egypte, in Hadhramaut, eene enkele
maal door schrijvers, die in Voor-Indië gevestigd waren, of wel zij
zijn uit die hoofdwerken gecompileerd of samengetrokken. Voor hetgeen
buiten de studie der wet valt, voorzagen zij zich van leerboeken op
diezelfde markten, die hun hunne litteratuur over de wet leverden. Waar
het mondeling onderricht, dat het eigen land hun bood, naar hunne
schatting tekortschoot, vulden degenen, die zich die weelde konden
veroorloven, dit in den regel te Mekka, bij uitzondering ook wel te
Caïro, aan. De in Indië gevestigde Hadhramitische deskundigen hielpen
mede aan de vraag naar buitenlandsche voorlichting voldoen. Wij kunnen
het betreuren, dat tegenover al dien vreemden invloed geen krachtiger
nationaal geestelijk leven zich bij de Inlanders deed gelden of wist te
handhaven; veranderen of voor de toekomst verhinderen kunnen wij dat
niet. Maar tegen elken invloed met rechtstreeksche of zijdelingsche
politieke strekking behooren wij ons zoo schrap mogelijk te zetten.

Dus: uitsluiting van elke soort van meegaandheid tegenover het
optreden van Turksche consuls als agenten van het chalifaat en
beschermers der belangen van Mohammedaansche Inlanders; nalating aller
officieuze begunstiging van geldinzamelingen voor spoorwegaanleg
in den Hidjâz, voor door een of anderen Turkschen oorlog verarmde
soldaten of voor de weduwen en weezen van gesneuvelden; tegengang
van de gebeden voor de Turksche soeltans in de Vrijdagsdiensten,
althans zoodra die niet te beschouwen zijn als het gevolg der
gedachtelooze voorlezing van onbegrepen formulieren, maar als uiting
eener politieke geloofsbelijdenis. Verder bij het toezicht op het
Inlandsch-Mohammedaansche godsdienstonderwijs waakzaamheid tegen alle
propaganda voor panislamitische denkbeelden. De leer betreffende den
heiligen oorlog en hetgeen daarmede samenhangt, mag in pesantrèns en
soerau's evenmin behandeld worden als die betreffende het chalifaat;
trouwens de meeste goeroe's zijn uit eigen beweging zoo verstandig,
dit na te laten.



Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische
verwachtingen.

Het in abnormale beweging brengen van de gemoederen der lichtgeloovige
massa door verspreiding van verhalen of voorspellingen, die de
eschatologie betreffen, worde bijtijds voorkomen. Is de emotie eenmaal
gewekt en grijpt zij om zich heen, dan loopt het gewoonlijk uit op
woelingen, die met geweld onderdrukt moeten worden en waarbij misleide
onnoozelen het gelag met hun leven of hunne vrijheid betalen. Het
bestuur late zich dus niet bedriegen door de schijnbare onbeduidendheid
van den inhoud der chronisch onder de bevolking verspreide, in
een droomgezicht te Medina medegedeelde vermaningen van Mohammed,
of van vraagboekjes in verband met de verschijning van den Mahdî,
of van personen, die als wegbereiders van dezen Mohammedaanschen
messias willen gelden. Voor het naieve verstand der gewone Inlandsche
Moslims hebben al deze dingen en menschen groote beteekenis, en zij
richten onder hen dezelfde soort van onrust en verwarring aan als
die het gevolg is van propaganda voor een of anderen vorm van de
panislamitische gedachte.



Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid zweemt.

Met hoe meer klem nu echter de Regeering Hare autonomie in het bestuur
harer Inlandsche onderdanen handhaaft tegenover pogingen tot inmenging
van buitenaf, des te ernstiger behoort zij te waken tegen al wat zweemt
naar inbreuk op de godsdienstvrijheid ook van hare Mohammedaansche
onderdanen. Het kan vreemd schijnen, hierop aan te dringen, waar juist
dikwijls in meer of minder verwijtenden toon van Haar beweerd wordt,
dat Zij den Islâm veel meer dan noodig of wenschelijk was beschermd
en zelfs vertroeteld heeft, om nu maar niet meer te spreken van de
onzinnige beschuldiging, dat Zij eene bevolking van twijfelachtig
Mohammedaansche belijdenis naar Mohammedaansche rechtsbeginselen
zou hebben bestuurd. Toch is dat zoo vreemd niet, gelijk reeds
hieruit blijken kan, dat in Mohammedaansche landen buiten Oost-Indië
de Nederlandsch-Indische Regeering den naam heeft van op fanatieke
wijze den Islâm te vervolgen en te onderdrukken. Beide beschouwingen
berusten op onkundige overdrijving.



Ongunstige beoordeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de
panislamitische pers.

Hoe komt het, dat in de Mohammedaansche dagbladpers onze Regeering
vaak gehoond is als de vijandin der Moslims, en in geographische
leerboekjes, die op Turksch-Arabische scholen gebruikt worden,
Nederland kort aangeduid wordt, als eene met het beginsel der
verdraagzaamheid onbekende mogendheid, onder welks juk millioenen
van Mohammedanen zuchten? Voornamelijk uit tweeërlei oorzaak is dit
verschijnsel te verklaren.

Telkens wanneer in Nederlandsch-Indië woelingen plaats grepen,
die door opruiers met behulp van aan den Islâm ontleende motieven
waren gewekt, dan bleek achteraf, dat vele bestuursambtenaren door
onbekendheid met deze factoren van het volksleven tekortgeschoten
waren in waakzaamheid ten aanzien van verschijnselen, die toch
wel binnen den kring hunner waarneming gevallen waren. Dan werd
men onzacht wakker geschud, met het gevolg, dat door onkundige en
onbezadigde bestuurders plotseling allerlei overdreven maatregelen
werden genomen onder den invloed van eene zeer slechte raadgeefster,
domme vrees. De meest onschuldige Mohammedaansche godsdienstleeraars,
leerlingen aan pesantrèns, bedienaren van den eeredienst werden dan
na eene periode van verwaarloozing met een dwaselijk generaliseerend
wantrouwen bejegend, vaak gesteld onder een toezicht, dat zich het
best laat vergelijken met hetgeen men in Rusland zou doen ten opzichte
van iemand, dien men verdacht, een anarchist van de daad te zijn. In
zulke tijden huldigde menig bestuurder de onlangs door het meermalen
aangehaalde parlementslid verkondigde zotheid, dat de Mekkagangers
als het ware met dynamietbommen gewapend in hun land terugkeeren,
dat iedere hadji een opruier is.

Te Mekka, waar Mohammedanen uit verschillende deelen van den Archipel
elkaar ontmoeten, vernamen dezen van elkander het relaas van leed en
onrecht, dat men hier en daar in zulke schrikperioden geleden had,
en van daaruit werden die geruchten tevens over andere landen van den
Islâm verbreid. Dat men in die kringen de tijdelijke uitspattingen van
een aantal ambtenaren verwarde met beginselen van regeeringsbeleid,
is noch te verwonderen noch kwalijk te nemen.



Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren.

Een ander feit, waaraan de bijzonder ongunstige beoordeeling van ons
koloniaal bestuur in vele Mohammedaansche landen zich vastknoopte, was
de, om een zacht woord te gebruiken, beginsellooze politiek, die wij
gedurende tientallen van jaren volgden, en ook nu, na de zoogenaamde
hervorming, nog niet geheel hebben losgelaten tegenover de Vreemde
Oosterlingen, van welke natuurlijk voor ons geval hoofdzakelijk de
Arabieren in aanmerking komen. De in Nederlandsch-Indië verkeerende
of zich vestigende Arabieren zijn voor de overgroote meerderheid
afkomstig uit Hadhramaut, een doodarm land met onderling door
eindelooze bloedveeten verdeelde roofridders en in hunnen dienst
vechtende slaven, met meerendeels fanatieke afstammelingen van den
Profeet, met verdrukte burgers; een gebied zonder regelmatig bestuur,
zonder eenheid of orde, zonder welvaart. De menschen, die van daar naar
Oost-Indië emigreeren, brengen noch kapitaal noch bepaalde vaardigheden
of andere gewenschte eigenschappen mede, behalve deze ééne, dat zij
zich aan de hier heerschende ordelijke toestanden wonderwel weten
aan te passen en aan politie of justitie geene bijzondere moeite geven.

Indien onze Regeering overwoog, dat deze zonen van het dorre land
voor Indië op geene enkele wijze nuttig, in sommige opzichten
daarentegen schadelijk zijn, zou niemand Haar euvel kunnen duiden,
dat zij de verdere immigratie dezer Arabieren verbood, alleen
uitzonderingen toelatende, die billijkerwijze voortvloeiden uit
verkregen rechten en aanspraken. Allerminst zou Hadhramaut zelf zich
hierover kunnen beklagen, daar dit land zich hardnekkig sluit voor
alle niet-Mohammedanen, terwijl de politieke toestand er elke normale
betrekking met andere natiën uitsluit.

Dezen voor een oogenblik harden, maar verstandigen en rechtvaardigen
maatregel heeft de Regeering niet genomen; wat erger is, steeds heeft
Zij de Hadhramieten noch buitengesloten noch flinkweg toegelaten. In
naam hadden zij toegang, maar eenmaal binnengetreden, werden zij op
vaak ondragelijke wijze in de vrijheid hunner beweging belemmerd,
onderworpen aan allerlei bepalingen, die, al waren zij zoo kwaad niet
bedoeld, in de uitvoering werkelijk vexatoir werden, te meer, daar
veel overgelaten bleef aan het inzicht der verschillende plaatselijke
ambtenaren, die telkens wisselen. Zelfs op regelmatigheid in hetgeen
hij als plagerij ondervond, kon de Arabier in Indië niet rekenen.

De invloedrijke Arabieren hebben dientengevolge sinds vele
jaren achtereenvolgens alle wegen bewandeld, waarvan goede
vrienden hun verzekerden, dat zij konden leiden tot het doel:
hunne emancipatie van de bepalingen, die hunnen handel en verkeer
belemmerden in een land, waar zij toch theoretisch tot handel en
verkeer waren toegelaten. Ten slotte kwamen zij bij het chalifaat
en de Mohammedaansche dagbladpers terecht en vervulden de lucht met
hunne jammerklachten. Overdreven waren deze dikwijls, maar men zegt,
dat het niet alleen de Hadhramieten zijn, die, als zij eenmaal diep
gevoelde en lang verkropte grieven uiten, wel eens meer beweren dan
zij strikt genomen kunnen verantwoorden.



Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de Islâmpolitiek
der Regeering.

Ziedaar de twee hoofdoorzaken van het in zeer wijden kring verbreide
oordeel, dat onze Regeering de Mohammedanen onverdraagzaam en onbillijk
bejegent. Van waar nu echter die lijnrecht tegenovergestelde opinie,
die men alleen in Nederland nu en dan hoort uiten, volgens welke de
Regeering den Islâm op in het oog vallende wijze begunstigt, zooals
men het nu en dan uitdrukt, met hem coquetteert?

Het was, men weet het, steeds uit sommige kringen van zendingsvrienden,
dat deze klacht vernomen werd. Allen, die zich actief op het terrein
der zending bewogen, ondervonden het, dat het Christendom in zijn
pogen om zielen te winnen nergens op ernstiger bezwaren stuit dan
daar, waar het achter den Islâm aankomt. Verschillende oorzaken van
dit verschijnsel werden in onze eerste voordracht aangeduid. Niet
slechts in Nederlandsch-Indië, over de geheele wereld brengt de
Islâm de Christelijke missie bijna tot vertwijfeling. Nu ziet de
zendingsvriend in Indië bijv., dat de Islâm een deel zijner kracht
ontleent aan zijn internationaal karakter, aan de aanrakingen met
geloofsgenooten uit de overige wereld, waartoe in het bijzonder de
bedevaart naar Mekka aanleiding geeft, en zoo komt hij tot de vraag:
zou de Regeering tegen dat euvel niets kunnen doen door het deelnemen
aan die bedevaart te bemoeielijken? Hij ziet verder, dat de kleine man,
die overigens toch zoo gemakkelijk te leiden is, juist op het punt van
zijnen door hem toch zoo gebrekkig gekenden godsdienst onhandelbaar
blijft, omdat zoogenaamde geestelijken of godsdienstleeraars hem
drijven of intimideeren, en wederom vraagt hij zich af: ligt het niet
in de macht der Regeering, den invloed dier leiders en leeraars wat te
breidelen? Dit zijn slechts een paar gevallen van vele, waarin mannen
der missie, zoekende naar middelen om de Evangelieprediking ook in
den onvruchtbaarsten bodem te doen gedijen, in arren moede wel eens
aankloppen daar, waar die niet te vinden zijn, en de onmogelijkheid der
bevrediging hunner wenschen in hunnen vurigen ijver voorbijzien. Dat
onze Mohammedanen, ook zonder de willekeurige maatregelen, waartoe die
ijveraars de Regeering zouden willen verleiden, reeds grieven hebben,
die, al overdrijven zij ze soms, toch verre van denkbeeldig zijn,
ontsnapt aan hunne eenzijdige waarneming.

Verstandige zendingsvrienden zouden bovendien van ongeestelijken steun,
zooals de daareven bedoelde ijveraars dien wenschen, niet gediend zijn,
al ware het slechts omdat zij te goed weten, dat de antipathie tegen
het Evangelie erdoor versterkt zou worden.



Slotsom.

Van welken kant wij de zaak ook bezien, de slotsom blijft, dat de
eenige wijze en rechtvaardige houding, die aan de Regeering tegenover
den Islâm past, bestaat in de meest strikte en oprechte handhaving
der vrijheid van godsdienst, zij het dan met belangrijk voorbehoud
ten aanzien van de staatkundige zijde van het Moslimsche stelsel en
met openhouding van alle wegen, die de Mohammedanen kunnen leiden
tot maatschappelijke evolutie, ook boven het stelsel van hunnen
godsdienst uit.

De Mohammedanen zelve kunnen daarmede vrede hebben, want zóóveel
rekening houden hunne leer en wet wel met de werkelijkheid, dat zij
hun den weg wijzen om ook onder een vreemd régime hunnen godsdienst
te belijden en te beoefenen. De "noodzakelijkheid", mits van buiten
hun opgelegd, heft voor hen vele bezwaren op, zoolang zij maar hun
intiemste leven naar hunne godsdienstige wetten mogen inrichten,
en dan billijken zij het ook, dat de vreemde macht, die Allah over
hen gesteld heeft, de regelen stelt, die hare eigene natuur haar
voorschrijft. In de geheele Mohammedaansche wereld kent men gezag toe
aan de uitspraak: "Een koninkrijk kan wel van duur zijn bij ongeloof,
maar niet bij ongerechtigheid".



IV.

NEDERLAND EN ZIJNE MOHAMMEDANEN.


De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten.

De echte voorstanders eener ethische koloniale politiek, zullen,
naar ik mij vlei, geene ernstige bedenkingen hebben tegen de door
mij voorgedragen beschouwingen over onze Nederlandsche Islâmquaestie
en hare oplossing; toch zullen zij denkelijk met de slotsommen,
waartoe wij tot dusver kwamen, niet tevreden zijn. Ook mijzelf voldoen
zij volstrekt niet. Immers, in het leven der Nederlandsch-Indische
Mohammedanen, zoover dat aan den invloed van het stelsel van den
Islâm onderworpen of blootgesteld is, bakenden wij één gebied, het
zuiver godsdienstige, af, waarop de Regeering en Hare ambtenaren
volstrekte vrijheid moeten handhaven; een ander, het politieke,
waarop die vrijheid in aller belang zeer beperkt behoort te worden;
weder een ander, dat van het met de religie op het innigste verbonden
gedeelte van het Mohammedaansche recht, waarin allerminst willekeurig
mag worden ingegrepen, maar waarbij toch de weg der evolutie zoo
wijd opengehouden dient te blijven als de omstandigheden het maar
veroorlooven. De modus vivendi, die door dit alles bereikt wordt,
heeft evenwel voornamelijk negatieve verdiensten: het kwade wordt
vermeden, zonder dat men zeker is, het goede te naderen.

Wij kunnen het echter niet laten bij maatregelen, die dienen om
ontevredenheid en verzet bij de bevolking te voorkomen en zoo ons
gezag te bevestigen. Niet de voorheen zoo geprezen rust is ons doel,
maar beweging. Ons gezag zal zijne rechtvaardiging moeten vinden in
de opheffing der Inlanders tot een hooger peil; onder onze leiding
moeten zij onder de volken de plaats gaan innemen, waartoe hun aanleg
hen in staat stelt.



Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het Islâmstelsel
te emancipeeren.

Opvoeding en onderwijs zijn de middelen, waarmede dat doel kan
worden bereikt. Zelfs in landen van veel oudere Moslimsche cultuur
dan onze Archipel zien wij die met goeden uitslag aan het werk om
de Mohammedanen te verlossen van een deel van den middeleeuwschen
rommel, dien de Islâm reeds al te lang achter zich aan sleept. Wel
blijft dan het stelsel op de vroeger ontwikkelde historische gronden
onvatbaar voor eene afdoende hervorming, hetzij door moderniseering
der wet, hetzij door populariseering der mystiek; maar de Moslimsche
maatschappij schrijdt nochtans voort in de richting der moderne
cultuur, buiten het systeem om, doodzwijgend hetgeen zij niet durft
aantasten. Zoo gaat het in Turkije, in Egypte, in Syrië.

Als opvoeders en onderwijzers van de Oost-Indische Mohammedanen
vinden wij nu tal van factoren in ons voordeel, die men in die andere
landen niet of in mindere mate aantreft. De betrekkelijk korte tijd,
waarin het stelsel van den Islâm hier gewerkt heeft, waardoor het
vele bestanddeelen van het leven onaangetast heeft moeten laten,
vergemakkelijkt de opname van nieuwe cultuurelementen, wanneer
maar theoretische bestrijding van de godsdienstige basis achterwege
blijft. De eeuwenoude gewoonte der Inlanders, vooral op Java, om zich
met zeer uiteenloopende rassen en beschavingen te verstaan, heeft hen
bewaard voor de bekrompenheid, die het gevolg is van isolement. Men
zal moeilijk op aarde een volk vinden, dat in volgzaamheid jegens
zijne hoofden de Javanen overtreft, en even moeielijk inheemsche
bestuurders van een door vreemden overheerscht volk, williger dan de
Javaansche aristocratie om te gaan in de wegen, die de uitheemsche
regeeringsambtenaren hun wijzen.



Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in Oost-Indië,
vooral op Java.

Inzonderheid wat betreft de aan hunne kinderen te geven opleiding
winnen de Inlandsche ambtenaren gaarne den raad der Europeesche
in niet alleen, maar zij volgen dien ook met bijna aandoenlijk
vertrouwen op. Vroeger gaven dezen hun meestal het advies, aan
hunne zonen slechts eene vrij primitieve opleiding te laten geven,
daar het opdoen der kennis, die Europeanen noodig hadden om door de
wereld te komen, voor hen bij hunnen beperkten werkkring geen nut
zou opleveren. Zelfs zulke raad werd gehoorzaam ter harte genomen,
al dacht menigeen er meesmuilend het zijne van. Sedert de kentering
in de Europeesche opinie over de intellectueele, welhaast ook over de
moreele waarde van den Inlander, aan wiens vorming de noodige zorg
besteed wordt, bleek de lust der hoogere klassen op Java om zich
geheel in de richting der hedendaagsche beschaving te ontwikkelen
buitengewoon groot, veel te groot alras voor de gelegenheid, die hun
van regeeringswege daartoe geboden werd.

Nadat eenmaal een zeker aantal jonge Inlanders zich aan de vruchten
van den boom der kennis verzadigd hadden, volgden anderen in scharen,
die nog veel grooter zouden zijn, indien niet te diep ingewortelde
behoudzucht der Europeesche bureaucratie den stroom voorloopig weer
had gestuit.



Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom.

Men heeft hier een nieuw droevig voorbeeld van datzelfde gebrek aan
organiseerend talent, diezelfde halfheid en besluiteloosheid, die wij
bij de beschouwing der Vreemde-Oosterlingen-politiek ontmoetten, die
telkens in ons koloniaal bestuur aan den dag treedt, wanneer de bakens
verzet moeten worden, die de koloniale regeering daar, waar eene kloeke
beslissing dringend vereischt wordt, na vele adviezen en jaren durende
overwegingen doet komen tot een antwoord, dat noch ja noch neen zegt.

Toen de aandrang van Inlandsche kinderen naar de Europeesche lagere
scholen groot werd, weerde men hen op gronden, die, als zij ernstig
bedoeld waren, tevens tal van kinderen van Europeesche afstamming
van die scholen verwijderd zouden moeten houden, gronden dus, die den
indruk van voorwendsels maakten. Men troostte de teruggedrongenen door
voor hen scholen van eene nieuwe soort op te richten, die in geenen
deele aan de behoefte voldeden. Met betrekkelijk milde hand gaf men op
onderwijsgebied aan de Chineezen, die brutaal schreeuwend eischten,
terwijl hetgeen aan de bescheiden vragende Inlanders ten deel viel,
doet denken aan het stuk beschimmeld roggebrood uit Gellerts fabel,
dat door den rijkaard met verheven gebaar aan den hongerigen bedelaar
werd toegeworpen.

Zou men nu uit zulke feiten de gevolgtrekking willen maken, dat
de Regeering onverschillig was voor den snel toegenomen drang der
Inlandsche wereld naar hoogere geestesontwikkeling, dan stonden
daartegenover herhaalde officieele uitingen van ingenomenheid met en
aanmoediging van diezelfde intellectueele beweging. Zoo eerlijk gemeend
als die betuigingen van welwillendheid waren, zoo onoverwinnelijk was
de indolentie der regeeringsorganen, die de strooming hadden moeten
bevorderen en leiden. Het pijnlijkst kwam die tegenstelling uit in
de behandeling van verscheidene jongelieden, die den nieuwen koers
met succes, zoover het van hen afhing, gevolgd waren.



Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid.

Iemand van Inlandsche geboorte, maar zoo goed als geheel Europeesche
opvoeding, wordt na afgelegd examen voor ambtenaar bij het Europeesche
corps voor eene benoeming als zoodanig ter beschikking van den
Landvoogd gesteld. Hij treedt inderdaad als bestuursambtenaar
op, maar wordt na korten tijd bij den specialen diensttak van
het landbouwcrediet onder dak gebracht. Een ander, die na hem
denzelfden weg van opleiding was gevolgd, werd van den aanvang af
bij het credietwezen geplaatst, zoodat het niet verwonderen kan,
dat in de Inlandsche ambtenaarswereld de meening post vatte,
als wilde de Regeering alle Inlanders, die aan de eischen van
het grootambtenaarsexamen voldaan hadden, tot specialiteiten in
credietzaken maken. Die zich met die hoop vleiden, hadden evenwel
wederom buiten den waard gerekend, want nu volgde er een jeugdige
Inlander, die na een zeer goed grootambtenaarsexamen te hebben
afgelegd, al zijne Europeesche kameraden, die boven en beneden hem
op de ranglijst voorkwamen, met hunne plaatsing kon gelukwenschen,
zonder dat van zijn bestaan ook maar de geringste notitie werd
genomen. Ten slotte gelukte het hem, na veel getob, eene matige
plaatsing bij het Inlandsche bestuur te krijgen, die natuurlijk bij
vele zijner landgenooten de vraag deed rijzen, of het wel de moeite
loonde, hunne zoons op zoo kostbare wijze te laten opleiden, wanneer
toch de Regeering daaraan zoo weinig waarde scheen te hechten.

Men begrijpe mij niet verkeerd. De wenschelijkheid der plaatsing
van Inlanders bij het Europeesche bestuurscorps wil ik geenszins
betoogen. Maar wanneer de wettelijke bepalingen die plaatsing toelaten
en de gelegenheid om de daarvoor vereischte kennis op te doen en
daarvan bij examen te doen blijken aan Inlanders geschonken wordt,
dan is eene behandeling van drie geslaagde candidaten op de daareven
genoemde wijze niet te verantwoorden.

Een ander zeer begaafd jong Inlander wilde in de rechten gaan
studeeren, wanneer hij zekerheid had, dat hij na aan alle wettelijke
eischen te hebben voldaan, niet om zijnen landaard uitgesloten zou zijn
van eene plaatsing bij de rechterlijke macht in zijn vaderland. Een
jaar voordat hij over de keuze zijner studierichting moest beslissen,
vroeg men voor hem dienaangaande bij de Regeering om inlichting. Twee
jaren van overweging had de Regeering noodig om een antwoord te geven,
waarbij de hoofdquaestie eigenlijk nog onopgelost bleef.

Onvoldoende, immers voorloopig en voorwaardelijk was eveneens het
bescheid, dat ten deel viel aan eenen Inlander, die voor ingenieur
wilde studeeren en officieele zekerheid wenschte te hebben omtrent
zijne vooruitzichten bij den staatsdienst in dat vak.

Een enkele daad der Regeering, die scheen te wijzen op een ontwakend
besef van Hare plichten in verband met de intellectueele beweging
onder Hare Inlandsche onderdanen, was de oprichting der Rechtsschool
voor Inlanders. Kort na de geboorte gaf Zij echter dit jeugdige
wezen aan verkwijning prijs door trots allen aandrang na te laten, de
vooruitzichten der geslaagde kweekelingen dezer instelling behoorlijk
te regelen, zoodat vaders niet met gegronde gerustheid hunne zoons
van goeden aanleg aan haar konden toevertrouwen.

Hetgeen andere koloniale mogendheden met veel moeite aan hare
onderdanen trachten op te dringen: eene opvoeding, die hen geschikt
maakt om op hunne wijze het leven hunner overheerschers mee te leven,
dat wordt van ons op Java en in een deel der Buitenbezittingen door
de inheemsche bevolking afgesmeekt. Zou het niet eene onuitwischbare
schande zijn voor ons koloniaal bestuur, indien wij die geestelijke
goudmijn lieten liggen, zooals een concessionaris zonder kapitaal,
die zijn zaakje schijnbaar aan den gang houdt, totdat een energiek
syndicaat het van hem komt overnemen?



In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing der
Islâmquaestie.

Wat deze dingen nu eigenlijk met de Islâmquaestie van Nederland te
maken hebben? Niet minder dan alles. De eenige ware oplossing van dat
probleem ligt in de associatie der Mohammedaansche onderdanen van den
Nederlandschen staat aan de Nederlanders. Gelukt deze, dan bestaat er
geene Islâmquaestie meer; dan is er genoeg eenheid van cultuur tusschen
de onderdanen der Koningin van Nederland aan het Noordzeestrand en die
van Insulinde om aan het verschil in godsdienstige belijdenis zijne
politieke en sociale beteekenis te ontnemen. Moest zij mislukken,
dan zou de onvermijdelijk toenemende intellectueele ontwikkeling der
Indonesiërs hen noodwendig hoe langer hoe verder van ons af voeren,
want dan zouden anderen dan wij de leiding in handen krijgen.



De openbare meening in Nederland behoort in die richting krachtig
te spreken.

De opgedane ervaring verbiedt ons, het totstandbrengen dier oplossing
alleen of in de eerste plaats van de Regeering te verwachten; het
ontbreekt Haar daartoe niet aan de noodige sympathie voor de zaak,
maar wel aan de vereischte kracht. Hoe het komt, kunnen wij daarlaten,
maar Zij is nu eenmaal een log lichaam, waarin in den regel slechts
ruwe schokken wat beweging vermogen te brengen. Een krijgszang van
Max Havelaar, een alarmkreet van Wekker in de Avondpost lokken
maatregelen uit, die het daarvóór aan bezadigde vertoogen niet
gelukte te voorschijn te roepen; half-oproerige Chineezen zien
wenschen vervuld, die kalm berustende Inlanders vergeefs slaken. Er
is echter nog een andere weg, die met minder rumoer en misschien iets
minder snel tot het doel kan leiden, maar die toch op den duur niet
vruchteloos bewandeld wordt: de eindelijk onweerstaanbare druk, dien
eene krachtige openbare meening op de Regeering pleegt uit te oefenen.

Eerst moet dus in wijde kringen van het Nederlandsche volk de
overtuiging zijn doorgedrongen, dat associatie van het leven der
Inlandsche bevolking van den Indischen Archipel aan het onze in
beider belang tot stand gebracht behoort te worden, en dat de
tegenwoordige intellectueele beweging van de hoogere klassen der
Inlandsche maatschappij de krachtige bevordering dier associatie
onzerzijds urgent maakt, dat er periculum in mora is. En dan mag het
niet blijven bij uiting dier overtuiging in woorden, er moet ook in
die richting gewerkt worden, wij moeten er offers voor over hebben
in geld en in arbeid. Als de Regeering het alleen moest doen, dan zou
het gevaar te groot te worden, dat zij met het haar eigen gebrek aan
besluitvaardigheid ten slotte door de omstandigheden overrompeld werd,
nadat de goede tijd om de leiding der beweging in handen te nemen en
te houden voorbij was, om niet terug te keeren.



De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de zendingsvrienden.

Tot dusver is het inzicht, dat wij hier met een dringend volksbelang te
doen hebben, bij ons tot vrij enge kringen beperkt, en zijn eigenlijk
de eenigen, die blijk geven, het levendig te beseffen, de actieve
zendingsvrienden. Of liever: zij streven naar eene associatie van
veel hoogere orde dan de zooeven door ons bedoelde, eene eenheid, die,
als zij tot stand kwam, alle belemmeringen der eenheid van beschaving
en nationaal bewustzijn tusschen het Oosterlijk en het Westelijk deel
van het rijk der Nederlanden zou opheffen.

Als zij tot stand kwam! Maar de groote bewondering, waarmee wij den
zelfopofferenden arbeid der zendelingen gadeslaan, en onze groote
waardeering van de offervaardigheid, waarmede velen in het moederland
dien arbeid steunen, mag ons niet doen vergeten, hoe gering het
uitzicht op belangrijk succes voor de Christelijke zending is in
landen, waarop de adem van den Islâm neergestreken is. Zelfs de
verstandige mannen der zending maken zich daaromtrent geene illusie,
al geven zij daarom het werk niet op. In geen geval mag er voor ons
volk en onze regeering sprake van zijn, de taak der associatie aan
de Christelijke zending over te laten, met veronachtzaming der voor
hare vervulling zoo uiterst gunstige beweging in de Inlandsche wereld,
die thans in gang is.



De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale, geen
religieuze associatie.

Die beweging wijst ondubbelzinnig op de practische mogelijkheid
der verwezenlijking eener schoone politieke en nationale gedachte,
namelijk die der wording van een Nederlandschen staat, bestaande uit
twee geographisch ver uiteenliggende, maar geestelijk innig verbonden
deelen, het eene in Noordwest-Europa, het andere in Zuidoost-Azië. Dit
is geen utopistisch ideaal, maar een doel, waarvan Regeering en volk
van Nederland het zich duurzaam zouden verwijten, het niet bijtijds
in het oog gevat te hebben, wanneer zij de thans zich opdringende
gelegenheid om het na te streven ongebruikt lieten voorbijgaan. Hier
en nu geldt in volle kracht het woord van Goethe:


       "Was du ererbt von deinen Vatern hast,
        Erwirb es, um es zu besitzen".


Onze erfenis, die hier bedoeld wordt, dat waren schoone en rijke
wingewesten; de staatkundige band, die ze met ons verbonden hield, was
overheersching. Wil de eenheid tegen de stormen van den tijd bestand
blijken, dan moet nu de materieele inlijving door de geestelijke
gevolgd worden.



Hoe ver kan de associatie gaan?

Om teleurstelling en verwarring te voorkomen is het noodig, dat
wij ons onbevangen rekenschap geven van de grenzen, waarbinnen de
geestelijke annexatie uitvoerbaar is. De godsdienst, hoe gewichtig
ook voor ons volks- en staatsleven, is zelfs in het kleine Westelijke
Nederland de band niet, die ons samenhoudt. Onze eenheid wortelt
in algemeenere cultuurgedachten, tot welker vorming het Christendom
ongetwijfeld veel heeft bijgedragen, maar onder welker heerschappij
niet slechts Christenen van de meest uiteenloopende confessies, maar
ook Joden en vrijdenkers, met gelijke aanspraken op eerbiediging van
hetgeen aan elke dier categorieën in het bijzonder eigen is, zich thuis
gevoelen. Thuis gevoelen in die mate, dat zij zich verzetten met alle
kracht, zelfs met opoffering van goed en bloed, tegen iedere poging
om hen tot eene andere nationaliteit of tot een ander staatsverband
te doen overgaan.

Hieruit vloeit vanzelf voort, dat noch van onzen staat, noch
van ons volk eene propaganda kan uitgaan, die zich voorstelt, de
Mohammedaansche Inlanders over te halen tot eene religie, die onder
ons eenen, zij het nog zoo grooten, kring van belijders telt. Eene
poging om de grondslagen te ondermijnen van het Islâmstelsel, dat
het leven der Inlanders deels beheerscht, en gaarne geheel zou willen
beheerschen, kan alleen van eene religieuze gemeenschap, eene kerk of
eene vereeniging voor zending, uitgaan; de staat kan daarbij slechts
toezien, dat niemand in zijne vrijheid van beweging belemmerd worde.

Niet ongeoorloofd noch misplaatst is daarentegen in het gegeven geval
eene actie, die bedoelt, de Inlanders op veel steviger wijze dan tot
dusver het geval is, bij ons staatsverband en bij onze nationaliteit
in te lijven. Immers, een eigen zelfstandig politiek of nationaal
leven hebben zij al sinds eeuwen niet meer; en wij, die hun lang
geleden ontnamen, wat zij van die aard bezeten mogen hebben, hun
daarbij eerbiediging hunner godsdienstige instellingen belovende,
wij aanvaardden daarmede tevens de moreele verplichting om hen tot
deelname aan ons staats- en volksleven op te voeden. Hunnerzijds ruimen
zij elk voorwendsel voor uitstel van het vervullen dier verplichting
uit den weg, waar zij zelve op die geestelijke annexatie in toenemende
mate bij ons aandringen. Men geeft er zich onder ons lang niet genoeg
rekenschap van, hoe sterk die aandrang inderdaad wel is. Het zijn niet
alleen de Inlandsche ambtenaren en in het algemeen de aristocratie, die
hunne kinderen in de eerste plaats Nederlandsch willen laten leeren,
en vervolgens zooveel mogelijk van hetgeen, waartoe de kennis dier taal
hun den weg effent; zelfs onder de Mohammedaansche schriftgeleerden
neemt het aantal toe dergenen, die hunne zoons voor onderwijs en
opvoeding liever geheel aan Europeesche leiding toevertrouwen dan dat
zij hen laten opleiden in de wetenschappen van den Islâm. Telkens kan
men van Inlanders op Java vernemen, dat de toeloop naar de pesantrèns
sterk afneemt en dat alles tegenwoordig heendringt naar de school. De
vroeger in eenigszins vrome kringen vaak gekoesterde vrees, dat zulke
toenadering tot de Hollandsche cultuur het van de vaderen geërfde
geloof in gevaar zou brengen, maakt meer en meer plaats voor de
overtuiging, dat men aan de religieuze denkbeelden en gebruiken van
voorheen getrouw kan blijven zonder in de oude onwetendheid voort te
leven, en dat er geen beter middel is om van deze laatste verlost
te worden dan zich met vol vertrouwen over te geven aan opleiding
in de Europeesche school, ja, als de omstandigheden het toelaten,
tevens aan opvoeding in het Europeesche gezin.



Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen
deelneming aan het godsdienstonderwijs.

Niet onvoorwaardelijk is dit vertrouwen, wanneer de Inlander zich
wegens gebrek aan plaats op andere scholen of om finantieele redenen
genoopt ziet, zijne kinderen te zenden naar eene Christelijke school,
waar het deelnemen aan het godsdienstonderwijs voor alle leerlingen
verplichtend is. Dat velen over dit bezwaar heenstappen, is wel een
krachtig bewijs voor de diep gevoelde behoefte aan onderwijs. Het zou
gevaarlijk zijn, er andere conclusies aan vast te knoopen. Als een
bezwaar wordt het wel degelijk gevoeld, en de omstandigheid, dat velen
dit door den nood gedwongen terzijde stellen, mag niet verleiden tot
de verwachting, dat gesubsidieerde Christelijke scholen van de zooeven
bedoelde soort het geschikte middel zullen vormen om aan de enorme
vraag naar Europeesch onderwijs voor Inlanders op Java te voldoen.

Het is waar, de aan onverschilligheid grenzende religieuze tolerantie
van de groote meerderheid der Javaansche aristocratie, gepaard met
de eeuwenoude gewoonte der lagere klassen van de bevolking aan het
verkeer met menschen van allerlei ras en geloof, maakt, dat de zending
hier vele moeilijkheden, die zich in vele andere Moslimsche landen aan
haar in den weg plegen te stellen, niet of toch in mindere mate dan
elders ondervindt. De meerderheid der Mohammedaansche schriftgeleerden
daarentegen, hoewel gewend om zich in den regel binnen hare eigen
enge sfeer te houden, wordt door eene krachtige missionnaire actie
tot reactie geprikkeld. Zij ziet in dat pogen om Mohammedanen tot
Christenen te maken een streven der Europeesche wereld om, nadat zij
den Inlanders al zoovele aardsche bezittingen ontnomen heeft, hen nu
ook van datgene te berooven, dat Allah in de andere wereld voor hen
heeft weggelegd. Zou de Regeering nu hen, die onderwijs in Westerschen
zin zoeken, naar uit de staatskas ondersteunde scholen drijven, waar
aan de leerlingen Christelijk godsdienstonderwijs opgedrongen werd,
dan kan men zeker zijn, dat weldra een voor de zaak der associatie
hoogst bedenkelijke tegenstand zou ontstaan, die òf de beweging in de
richting onzer cultuur zou stuiten òf voor het minst zou uitloopen
op den nadrukkelijken eisch, dat indien aan gesubsidieerde scholen
met eene specifiek godsdienstige kleur ook voor Inlanders de voorkeur
werd geschonken, de kleur voor de Mohammedaansche Inlanders die van
den Islâm zou zijn.

Hoogstens zou men daardoor komen tot eene belangrijke tempering
van den drang naar intellectueele ontwikkeling, daar de Inlandsche
maatschappij vooralsnog niet over de middelen beschikt om op groote
schaal scholen te stichten, die zich om subsidie konden aanmelden. Van
deze omstandigheid misbruik te maken om aan de Inlandsche Mohammedanen
inrichtingen van onderwijs op te dringen, die voor een goed deel
uit door hen opgebrachte belastingpenningen bekostigd werden en die
mede dienstbaar waren aan directe propaganda voor het Christendom,
dat zou, dunkt mij, noch met het beginsel der vrije school, noch met
eene wijze staatkunde overeen te brengen zijn.

Nog eens: de sterke neiging om in ons cultuurleven te worden opgenomen,
die de Inlandsche maatschappij in de jongste kwarteeuw aan den dag
legt, werkt geheel buiten het gebied van den godsdienst. Wij hebben
ons erin te verheugen, dat de Inlanders zich door het stelsel van
den Islâm, dat eigenlijk tegen zulke associatie gericht is, niet
laten weerhouden van het zoeken dier ook voor ons zoo gewenschte
toenadering. Als volk en als staat moeten wij hun daartoe de hand
reiken op in godsdienstig opzicht neutraal terrein, het zoeken van
toenadering van veel hoogeren en intiemeren aard overlatende aan de
verschillende lichamen en instellingen, tot welker bijzondere roeping
dit behoort.



Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere klassen
der Inlandsche maatschappij in het oog vatten.

Onderwijs dus en opvoeding in Europeeschen zin, aangepast zooveel
noodig aan de bijzondere behoeften der Mohammedaansche Inlanders,
dat zijn de aangewezen en tevens de door henzelve gevraagde middelen,
niet om den Islâm te bestrijden, niet om zijne belijders tot eene
andere religie over te halen, maar om hen te steunen in hunne
zelfbevrijding van die gedeelten van zijn stelsel, die zonder tot
het specifiek-godsdienstige domein te behooren, het deelnemen aan
het tegenwoordige beschavingsleven der volken belemmeren, zoo niet
onmogelijk maken. Blijft de vraag, hoe en aan wie men die middelen
in de eerste plaats zal hebben toe te dienen.

Bij de beantwoording dezer vraag willen wij ons stellen op het nuchtere
standpunt der practijk, en ons niet begeven in casusposities, welker
oplossing voor het oogenblik niet als dringend te beschouwen is.

Men hoort tegen de meening, dat voldoening aan de steeds luidere
vraag van meer ontwikkelde Javanen en Maleiers naar beter onderwijs
een urgente plicht van ons volk is, wel eens de tegenwerping, dat men
daardoor alleen de hoogere klassen der bevolking bereikt, terwijl de
oneindig veel breedere schare der kleine luiden onaangeraakt blijft,
en men wijst er dan bovendien op, dat daardoor eene vroeger ongekende
kloof ontstaat tusschen de beschavingshoogte der aristocratie en die
der groote menigte, zoodat het onderling verband erbij verloren dreigt
te gaan.

Het zou ongetwijfeld gunstig zijn voor den goeden uitslag van het werk,
als men van alle zijden tegelijk kon beginnen; als men de wegen kende
en over de middelen beschikte om in denzelfden tijd door doelmatig
onderwijs de massa der kleine Javaansche landbouwers tot een hooger
intellectueel peil te verheffen en de aristocratie van Java zoo dicht
mogelijk naar onze eigen geestelijke atmosfeer heen te trekken. Dit
gaat echter boven onze kracht, al ware het alleen omdat de psychologie
van den kleinen man ons daartoe te vele, voor het oogenblik niet
oplosbare raadselen biedt; bij gebrek aan de noodige gegevens voor
eene betrouwbare diagnose kon het recept wel eens glad verkeerd
uitvallen. Bij iedere poging, die wij in de bestaande omstandigheden
kunnen doen om den desaman tot een hoogeren graad van beschaving te
brengen, loopen wij veel gevaar hem iets op te dringen, dat hij niet
wenscht, zonder dat wij de stellige overtuiging mogen koesteren,
dat het voor hem deugen zal.



De onlangs opgerichte desascholen.

Van inrichtingen als de onlangs opgerichte desascholen heb ik
geene hooge verwachting; kwaad zullen zij wel niet teweegbrengen,
maar als een reuzenschrede in de richting der associatie zal ook
de grootste optimist deze instelling niet beschouwen. Belangrijke
nieuwe proefnemingen op dit gebied zag ik liefst uitgesteld totdat wij
daarbij gebruik kunnen maken van de voorlichting eener talrijke groep
van hoog ontwikkelde Javanen, die aan Westersche wijsheid Oostersche
ervaring paren; dezen zullen met minder gevaar van dwaling dan wij
kunnen vaststellen, hoe de kleine landbouwers onder hunne rasgenooten
gebracht kunnen worden tot deelname aan het huidige verkeersleven
binnen de grenzen, die de natuur voor hen daaraan stelt.

Men begint een werk toch liefst van die zijde, die de grootste kans
van slagen biedt; bij de hoogere klassen der bevolking van Java heeft
men van den uitslag genoegzame zekerheid, mits men de middelen,
die de ervaring nu reeds als probaat deed kennen, op veel ruimere
schaal dan tot nog toe geschiedde aanwendt, en ze tevens meer aan de
bijzondere plaatselijke behoeften aanpast.



Studie van begaafde Inlanders in Nederland.

De meest belovenden onder het jongere geslacht moedige men aan en
steune men om die hoogere studiën, waartoe hun vaderland nog geene
gelegenheid biedt, in Nederland te maken; men bouwt dan voort op
reeds bestaande grondslagen, want hier te lande studeeren al eenige
tientallen Inlanders aan verschillende inrichtingen van hooger
onderwijs, zonder dat ooit aan een hunner van Regeeringswege tot
het inslaan van dien weg aanleiding gegeven werd. Vooral zorge men
ervoor, dat die studeerenden hier vertrouwde raadslieden vinden en
sympathieke, degelijke kringen om in te verkeeren en wake men tegen het
gevaar, waaraan zij allen hier blootstaan, dat er namelijk in allerlei
opzichten met hen gesold wordt, dat men ze als curiositeiten aangaapt
of aan het bewonderende publiek vertoont, dat men ze verlokt tot
optreden in kringen, waarin zij nog niet behooren, tot schrijven over
onderwerpen, die zij nog niet kunnen beheerschen, eene behandeling,
tengevolge waarvan begaafde Inlanders begrijpelijkerwijze wel eens
uit hun evenwicht geraakt en moreel te gronde gegaan zijn.



Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven.

In Indië opene men voor hen zoo wijd mogelijk alle, vooral de beste,
inrichtingen van Europeesch onderwijs; ook daardoor drukt men
slechts het stempel der goedkeuring op hetgeen de Inlanders zelve
tot stand brachten, want tot nu toe hebben zij de deuren van alle
scholen om zoo te zeggen geforceerd, en was het er zeer ver vandaan,
dat de autoriteiten hen dwongen om in te gaan. Soms had het er al
te veel van, alsof zij die pioniers op het pad der associatie als
rustverstoorders beschouwden. Men richte bovendien speciaal voor hunne
behoeften berekende scholen van middelbaar en technisch onderwijs op,
maar men berekene niet te angstvallig en vooral niet te lang, opdat
niet in afwachting van het resultaat generaties van de gewenschte
opleiding verstoken blijven. Beter eene school, die niet dadelijk aan
alle op den duur te stellen eischen voldoet, dan in het geheel geene.

Goede lagere Europeesche scholen stelle men in grooten getale tot
hunne beschikking, zoodat de velen, die dit wenschen, gelegenheid
vinden om Nederlandsch zóó te leeren, dat in die taal het werktuig
vinden om zich in verschillende richtingen verder te ontwikkelen.



Opvoeding buiten de school.

Dikwijls draagt het onderwijs, dat Inlandsche kinderen en jongelieden
genieten, niet de gewenschte vruchten omdat zij buiten de schooltijden
verkeeren in eene omgeving, die voor hunne opvoeding eer schadelijk
dan bevorderlijk is. Eene doelmatige huisvesting is, vooral uit dit
oogpunt bezien, voor hen van overwegend belang. Vooralsnog, in deze
eerste periode der associatiebeweging, zal men hun die niet licht
anders dan in een degelijk Europeesch gezin kunnen verschaffen. Dit
is eene der grootste moeilijkheden, die de bevorderaars der associatie
te overwinnen hebben, maar onoverkomelijk mag zij niet zijn.



De zending zou hiertoe kunnen medewerken.

Hier zou ik bijna geneigd zijn, al is het onbevoegd, een verzoek
te doen, ja tevens een raad te geven aan de mannen en de vrouwen,
die zich aan zendingswerk wijden. De zending werkt terecht
dikwijls langs philanthropische omwegen: onderwijs, geneeskunde,
landbouw worden door haar gebezigd als middelen om Inlanders met het
Christendom in aanraking te brengen. Onderwijs is als zendingsmiddel
in Mohammedaansche landen, naar ik meen, niet bijzonder effectief
bevonden, althans niet in dien zin, dat bekeeringen er het gevolg
van waren, ofschoon de Moslims, wier eigen onderwijs zeer achterlijk
is, er gaarne gebruik van maken, vooral wanneer de leerlingen niet
gehouden worden aan het Christelijke godsdienstonderwijs deel te
nemen. Toch gaat men in die richting voort, aanvankelijk tevreden met
verbreiding van den Christelijken geest onder hen, die van de leer des
Christendoms nog niet gediend zijn. Met de medische zending is het vaak
niet anders. Nu zijn op Java, en weldra ook elders in den Archipel
huisgezinnen en hospitia noodig om ernstige leiding te geven aan de
opvoeding der steeds talrijker jongelieden uit Inlandsche familiën,
die de verschillende inrichtingen van onderwijs bezoeken. Ligt het
niet op den weg der zending, in dien nood te helpen voorzien? Te
helpen zorgen, dat die jongelui tegen matige betaling opname kunnen
vinden in eenvoudig levende, Christelijke gezinnen, geschikt en
bereid om hen te gewennen aan het leven in eene atmosfeer, waar de
practische geest van het Christendom heerscht, zonder dat de leer aan
andersdenkende huisgenooten wordt opgedrongen? Mij wil het voorkomen,
dat de missie hier een veelbelovend arbeidsveld zou vinden.



De Inlandsche vrouw en hare opvoeding.

Aan dit ongevraagd advies voeg ik nog een ander toe. De hoofdreden,
waarom in dezen eersten tijd voor jonge Inlanders, die door onderwijs
op den weg der associatie gebracht worden, het verblijf in een
degelijk Europeesch gezin dringend gewenscht is, ligt hierin, dat
het Inlandsche gezin nog niet geschikt is om aan de naar Europeeschen
trant opgeleide jeugd den noodigen moreelen steun te verleenen. Dit
moet anders worden, maar daartoe is in de eerste plaats verhooging
noodig van het opvoedingspeil der vrouw.

De Inlandsche vrouw moet beter onderwezen, maar bovenal beter gevormd
en in moreelen zin ontwikkeld worden. Hiertoe kan de school iets
bijdragen, maar het meeste moet komen van de persoonlijke leiding
van degelijke Europeesche vrouwen. Tot dusver zijn er wel een zeker
aantal meisjes uit voorname Inlandsche familiën, die gedurende
eenige jaren Europeesche scholen bezoeken, maar de bekendheid met
het Nederlandsch en met Europeesche maatschappelijke vormen, die ze
mee naar huis nemen, is in den regel niet veel meer dan een vernis,
dat dient om haar niet al te misplaatst te doen zijn als echtgenooten
van Westersch opgevoede Inlanders. Zij verlaten de school veel te vroeg
en buiten de school wordt aan hare karaktervorming veel te weinig zorg
besteed om er waardige levensgezellinnen dier Inlanders van te maken,
die met hare mannen zullen samenwerken om het Inlandsche gezin te
brengen tot associatie aan ons familiewezen. Zonder geestelijk hoog
ontwikkelde Inlandsche vrouwen is deze associatie onuitvoerbaar;
met hare hulp mag men die verzekerd achten. Wie wil medewerken aan
de vorming van eenige honderden meisjes van Java in dezen geest, die
mag zich vleien met de gegronde hoop, later als vrucht van zijn werk
het monogame leven op Java als het normale in de Inlandsche wereld
erkend te zien, en Javaansche ouders ernstig te zien arbeiden aan
den opbouw van het leven hunner kinderen.

Is deze taak niet schoon genoeg om vrouwelijke zendingskrachten aan te
lokken tot zelfopofferende toewijding, zelfopofferend ook in dien zin,
dat zij bij dezen arbeid haar oogmerk willen bepalen tot de zeker
bereikbare staatkundig-nationale associatie, en die niet in gevaar
willen brengen door ontijdige pogingen tot bekeering?

Wie op de kerstening der Inlandsche Mohammedanen hoopt--ik zeide reeds,
waarom ik die verwachting niet kan deelen--moet de politiek-nationale
annexatie dier Nederlandsche onderdanen als een eersten stap in de
door hem gewilde richting toejuichen en de gelegenheid om zelf daaraan
mede te werken met beide handen aangrijpen. De zendeling zal, zoowel
als ieder ander Nederlander, onverschillig van welke levenssfeer,
zich aan geassocieerde Inlanders gemakkelijker verstaanbaar kunnen
maken dan aan de overheerschten van het oude régime, dat, naar wij
hopen, zijnen tijd gehad heeft.



Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel in den
Staatsdienst verzekerd worden.

Niet minder urgent dan de snelle vermenigvuldiging der gelegenheden
voor Inlanders om de door hen verlangde hoogere vorming te
verkrijgen, is het voor de Regeering, de verdeeling van den arbeid der
staatsdienaren zóó te herzien, dat al het werk, dat door die modern
ontwikkelde kinderen des lands verricht kan worden, ook inderdaad
aan hen worde toevertrouwd.

Het gaat niet aan, den bestaanden toestand te bestendigen, waarbij
de jonge Inlanders, die als de beste producten der nieuwe richting
voor den dag komen, door de bureauchefs in Indië als schrikbeelden
worden beschouwd, die men na lange aarzeling in een of anderen hoek
duwt om niet langer door hunnen aanblik verontrust te worden. Zij
vallen immers niet als meteoorsteenen uit de lucht, men ziet ze jaren
tevoren aankomen, en men heeft dus geene enkele verontschuldiging,
wanneer men zich onvoorbereid door hen laat verrassen. De Indische
Regeering mag aan de departementen van Binnenlandsch Bestuur en van
Onderwijs geene rust gunnen, voordat zij de hiermede samenhangende
vraagstukken tot eene bevredigende oplossing hebben gebracht. Bezwaren
opperen is gemakkelijk genoeg; ze uit den weg te ruimen, dat is de
taak der leidende ambtenaren in de kolonie.



Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie.

Kleinmoedigen hebben vaak getracht, den voorstanders van de associatie
schrik aan te jagen door de voorzegging, dat het voortgaan op den
door hen gewezen weg dit rampzalige gevolg zal hebben, dat er eene
klasse van Inlanders zal ontstaan, die hun evenwicht kwijt zijn, die
uit den band springen, die den samenhang met hunne eigen maatschappij
verloren hebben, zonder in een ander sociaal geheel te passen.

Zulke bedenkingen zijn van oudsher overal vernomen, waar eene
menschengroep zich uit eene levenssfeer, die haar te eng werd,
naar boven trachtte te werken, maar nooit hebben zij bewerkt, dat de
eenmaal ontwaakte drang naar licht bezworen werd. Ook onder ons hebben
wijzigingen in het politieke en sociale leven in de werkelijkheid
niet zoo kalm en geleidelijk plaats als zij op het papier ontworpen
waren. Bij die tochten naar de hoogte maken altijd sommige deelnemers
ongedachte, duizelingwekkende sprongen, die oogenblikken van algemeene
verwarring teweegbrengen. Wij zijn erop voorbereid, dat dit ook in
Oost-Indië zal gebeuren, en dat de waarzeggers van daareven dan gereed
zullen staan om triomfantelijk daarop te wijzen als op de vervulling
hunner sombere profetie. De zeldzaam vredelievende aard der Inlanders
doet ons alleen hopen, dat het geene al te groote vaart zal loopen,
en dat onder wijze leiding het evenwicht spoedig herwonnen zal zijn.



Stuiting der beweging niet mogelijk.

Men stelle echter de zaak niet voor, alsof wij ons nu nog bij een
kruispunt in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Indonesiërs bevonden,
en de beslissing, of het verder links of rechts zal gaan, van den
wil van onze Regeering afhankelijk ware. Het proces is begonnen
zonder dat de Regeering of het volk van Nederland het uitlokten,
ja deels in weerwil van officieuze tegenwerking. Het is niet langer
de vraag, of de voor hooger ontwikkeling meest toegankelijke deelen
der bevolking van den Archipel ons op intellectueel gebied al of niet
op zijde zullen streven, de vraag is alleen nog, of de voortzetting
der krachtig begonnen beweging zal geschieden met onze medewerking
en onder onze leiding, dan wel in weerwil van onzen tegenstand,
en dan onder leiding van anderen, die zich niet lang zullen laten
wachten. Mij dunkt, het antwoord op deze vraag kan geen onderwerp
eener langdurige discussie zijn.



Samenvatting onzer beschouwingen.

Wij naderen het einde van onzen gemeenschappelijken tocht, waarop
ik naar vermogen getracht heb, u achtereenvolgens de voornaamste
problemen te laten zien, die de Islâmbelijdenis van vijfendertig
millioen Nederlandsche onderdanen aan onze Regeering en aan ons volk
voorlegt, en tevens de richting aan te geven, waarin de oplossing dier
vragen te vinden zal zijn. Het zij mij vergund, in eenen terugblik
op den afgelegden weg onze uitkomsten nog eens samen te vatten.

Onze beschouwing van de wijze, waarop de Islâm zich over de aarde
verbreid heeft, maakte ons verschillende daarmee samenhangende of
daaruit voortgevloeide verschijnselen verklaarbaar: de scherpte zijner
positie tegenover al hetgeen aan zijnen invloed weerstand biedt;
zijn militant karakter; de gemakkelijkheid, waarmede hij het getal
zijner aanhangers weet te vergrooten, en daarentegen de traagheid,
waarmede hij aan hunne geestelijke opvoeding werkt; de gehechtheid
der Moslims aan hunne religie en hunne geslotenheid voor invloeden
van buiten, ook waar de kennis van de geloofsleer en de practische
beoefening der wet nog alles te wenschen overlaten.

Van het stelsel van den Islâm, zooals dat ongeveer drie eeuwen
na den dood van den Profeet zijnen in hoofdzaak definitieven vorm
verkregen heeft, ontvingen wij den indruk van groote stroefheid,
gebrek aan accommodatievermogen. In zijne eerste periode gedwongen,
vele vreemde cultuurelementen in zich op te nemen, deed het dit
met onverholen weerzin, en verloochende het die verrijking zooveel
mogelijk door vrome fictie; omstreeks duizend jaren geleden sloot
het zich naar alle zijden af, met de pretensie, dat het nu voor alle
volgende eeuwen het geheele gelooven, handelen en denken der menschen
aan voorschriften van onfeilbaar gezag gebonden had. Wij constateerden
de in verband hiermee onvermijdelijke botsing tusschen de theorie en
het werkelijke leven; zij gaf ons aanleiding, ten aanzien der alles
regelende wet te onderscheiden tusschen gedeelten, die de practijk
inderdaad zijn blijven beheerschen, en andere, die voor het leven
meer of minder of zelfs in het geheel geene beteekenis hebben behouden.

De geloofsleer der Mohammedanen kwam ons voor, op het doen en denken
slechts ondergeschikten invloed te oefenen. Ten aanzien der wet, die
den groei van het leven der Islâmbelijders steeds minder geregeld dan
belemmerd heeft, en waarvan de inhoud met de eischen van den tijd in
toenemend conflict geraakt, vonden wij noch in haar stelsel noch in
de geschiedenis der Mohammedaansche volken grond voor de hoop, dat
zij zich zou kunnen hervormen. Evenmin konden wij de illusie deelen
dergenen, die meenen, dat de voor de emancipatie en de evolutie van
den geest der Mohammedanen vereischte hervorming op het gebied der
mystiek haar beslag zou krijgen.

Wij hebben daarop gepoogd, den graad te bepalen der inwerking van
de verschillende bestanddeelen van het systeem van den Islâm op het
leven der Nederlandsch-Indische Mohammedanen, en in verband daarmee
de houding vast te stellen, die Nederland, in de eerste plaats de
Nederlandsche Regeering en Hare ambtenaren, tegenover elke der onder
den invloed van den Islâm gekomen levensuitingen der Oost-Indische
bevolking behooren aan te nemen. Onvoorwaardelijke eerbiediging van
al hetgeen ligt binnen het gebied der religie in den engeren zin des
woords; eerbiediging ook van de gerecipieerde hoofdstukken van het
recht, die de intiemste, meest met den godsdienst verknochte zijden van
het leven der familie en van het individu raken, evenwel met zorgvuldig
openhouden der wegen, die kunnen leiden tot evolutie of emancipatie,
en met niet minder zorgvuldige vermijding van wat tot vastlegging en
versteening dezer instellingen zou strekken; terzijdestelling van alle
deelen van het systeem, die buiten de hier aangeduide sfeer vallen,
met uitzondering van de politieke elementen van leer en wet, tegenover
welke de Regeering zich onverzoenlijk schrap behoort te zetten.

Ten slotte kwamen wij tot de overtuiging, dat aldus wel de
gedragslijn was aangegeven, die de Regeering met gerustheid jegens
den in Oost-Indië beleden Islâm kon volgen, maar dat Nederland
ten opzichte van zijne Mohammedanen nog eene veel verder reikende
taak te vervullen had, dat het hen te leiden had naar de voor hen
geschikte plaats onder de volken. Wij bevonden verder, dat de bij
Mohammedanen zoo licht post vattende panislamitische gedachte wel
als de grootste hinderpaal te beschouwen is tegen de aanpassing van
een Moslimsch volk aan het moderne cultuurleven, een struikelblok,
waartegen zelfs de Moslimsche hervormers in de oude landen van den
Islâm telkens aanstooten. Voor ons zagen wij die belemmeringen voor
een goed deel reeds door de Inlanders zelve uit den weg geruimd,
waar de hoogere klassen onder hen in de laatste tientallen jaren
geheel spontaan heensturen naar hunne geestelijke inlijving bij de
Westersche cultuur in haren Nederlandschen vorm. De eerste stappen op
den weg der associatie van hun geestelijke leven aan het onze hebben
zij reeds zoo goed als zonder onze hulp gedaan; het is dus hoog tijd,
dat wij de leiding in handen nemen en hen verder brengen.

De Regeering vonden wij ten opzichte van dit, voor ons nationale
leven zoowel als voor dat der Inlanders zoo uiterst gewichtige punt
zwak en onbeslist, in plaats van beheerscheres vaak speelbal der
omstandigheden, telkens verrast door dingen, die zich langzaam voor
ieders oogen ontwikkelden. De Christelijke zending ijverig werkzaam
naar een program, waarvan de uitvoering zeker de gewenschte emancipatie
en evolutie brengen zou, maar dat gericht is tegen de godsdienstige
hartader van het Islâmsysteem; een program dus, dat blijkens de
ervaring weinig uitzicht op succes biedt, maar, ook daarvan afgezien,
voor de Regeering en voor ons volk in zijn geheel als richtsnoer
onbruikbaar is.

Volk en Regeering kunnen alleen om het stelsel van den Islâm heen
de Islâmbelijdende Inlanders helpen om den door hen gezochten
weg ter geestelijke associatie te vinden; de door hen bevorderde
associatie moet buiten het gebied der religie blijven, mag alleen
eene politiek-nationale zijn. De zending, al stelt zij zich een
veel verder en hooger liggend doel, kan toch ook in deze richting
medewerken, hetgeen te meer te wenschen is, daar zij voor al haar werk
arbeiders heeft, wier toewijding van hoogere orde is dan de ijver,
dien politiek-nationale motieven in den regel vermogen te wekken.



De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur ontneemt
aan het panislamisme alle kracht.

De panislamitische gedachte, die thans op de aristocratie van Java
en op de met haar gelijk te stellen klassen der Mohammedanen op de
Buitenbezittingen nog weinig vat heeft, verliest alle kans daarop voor
de toekomst, zoodra hare leden vrije deelgenooten van onze cultuur
geworden zijn. Zou er dan, wat lang niet uitgesloten is, gevaar komen
te dreigen voor besmetting met die kwaal van een deel der millioenen,
wier dagelijksch werk als kleine landbouwers hun intellect weinig
gelegenheid biedt om zich boven de sfeer der rijstvelden te verheffen,
hunne aan de beschaving van onzen tijd geassocieerde landgenooten
zullen er het grootste belang bij hebben, ons te helpen om de dreigende
epidemie te bezweren. Ook de verdere emancipatie van het Islâmstelsel,
zoover die zonder verandering van belijdenis mogelijk is, wordt bij
eene verruiming van ons politiek-nationale leven, die aan Inlanders de
hun daarin toekomende plaats verzekert, alleen nog eene quaestie van
tijd, die zich zonder onwelkomen aandrang van buiten van zelve regelt.



Andere heilzame gevolgen der associatie.

Wij bezagen hier natuurlijk de gevolgen der begonnen associatie uit
het beperkte gezichtspunt der Islâmpolitiek. Maar wij mogen daar toch
wel even aan toevoegen, dat zij ook in zoovele andere opzichten de
oplossing vormt van het probleem der toekomstige verhouding van de
bevolking van den Indischen Archipel tot ons. Ook uit een algemeen
staatkundig oogpunt is het ons levensbelang, dat wij niet wachten
totdat verrassende omstandigheden ons ten behoeve der Inlanders komen
afdwingen, wat wij hun nu nog vrijwillig in den door ons meest geschikt
geachten vorm kunnen geven.

Dr. Van Hoëvell wenschte vele jaren geleden, dat Nederland het gevaar
van binnenlandsche woelingen op Java, liever dan door het aanleggen van
bentengs, zou bezweren door zich vestingen van dankbaarheid te bouwen
in de harten der Javanen. Zulk idealisme is te edel en te schoon voor
de werkelijkheid. Een volk is nooit dankbaar zelfs voor de grootste
weldaden, die het zich door vreemden opgedrongen zag. Is daarentegen
door van beide zijden gezochte associatie het gemeenschappelijk
geestesgebied der Javanen en der Nederlanders tot zijne grootst
bereikbare uitgebreidheid gekomen, dan behoeft van dankbaarheid aan
vreemden niet meer gesproken te worden, omdat hetgeen vreemd was,
eigen is geworden, omdat er nog slechts Oostelijke en Westelijke
Nederlanders zijn, in politieken en nationalen zin eene eenheid
vormend, waaraan het rasverschil niet te kort doet.



Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie.

Wat zou aan de verwezenlijking van dit denkbeeld in den weg
staan? Verschil in huidskleur en afkomst? Maar uit hoevele landen
van Europa en Azië zijn niet de voorouders van vele Nederlanders
samengekomen, en wat is er meer onwaar en verwaand dan het "van
vreemde smetten vrij" in ons volkslied? Met het Indonesische ras
is onze bloedsmenging al sinds eeuwen in zoo vollen gang, dat alle
nuances van huidskleur tusschen blank en bruin onder Nederlanders
vertegenwoordigd zijn.

Al te groote afstand in beschaving en levensbeschouwing dan? De
hoogere klassen der Inlanders willen immers juist niets liever dan dien
afstand tot de onmerkbaarste afmetingen terugbrengen. Hunne studenten,
die te Leiden, te Delft en te Amsterdam met ons verkeeren, staan u en
mij geestelijk oneindig veel nader dan gansche klassen van ons eigen
land- en zeevolk. Zóó groote geesteseenheid is echter nooit de band,
die een geheel volk omstrengelt. Een gemeenschappelijk verleden houdt
het veelzins ongelijksoortige bijeen; dit geldt voor de verschillende
klassen van ons volk, het geldt ook voor ons volk als geheel ten
opzichte van Indonesië, al is het bewustzijn dezer eenheid nog niet
in alle lagen onzer natie doorgedrongen.

Islâm en Christendom kunnen zich in de practijk van het nationale
leven zeer wel met elkander verdragen, als maar de panislamitische
idee terzijde wordt gesteld, en wij zagen, hoe gunstig hiervoor in
ons geval de voorwaarden zijn. In verdraagzaamheid kunnen velen onzer
bij de meerderheid der Inlanders een lesje nemen.

Als student hoorde ik eens eene voordracht van Ernest Renan over
de vraag: "wat maakt eigenlijk eene natie?" Het antwoord kwam in
hoofdzaak hierop neer: het waarlijk constitueerende element eener
natie, dat is noch ras noch huidskleur, noch taal noch godsdienst noch
natuurlijke grens, het is: "le désir d'être ensemble". Met deze phrase
moge lang niet alles gezegd zijn, een deel der waarheid bevat zij toch
ongetwijfeld. Ook wij kennen dat gevoel, trots verschil in afstamming,
in levenssfeer, in hoogte van beschaving, en in weerwil van alle
getwist op staatkundig en godsdienstig gebied, als het erop aankomt,
toch als Nederlanders bijeen te willen blijven. Welnu: de edelste
vertegenwoordigers van eene groote volkengroep, die sinds lang onder
ons staatsbestuur staat, vragen ons met aandrang, hen en de hunnen als
adoptieve kinderen in ons nationale gezin op te nemen. Reiken wij hun
de hand, en laat ons dan het wederzijdsche verlangen naar nationaal
samenleven, "le désir d'être ensemble", omzetten in flinke daden,
die toonen, dat ons kleine volk nog altijd tot iets groots in staat is.



V.

DUITSCHLAND EN DE HEILIGE OORLOG (1914).


De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen.

Ruim tien jaren geleden had ik met eenen Turk van hooge intellectueele
ontwikkeling een gesprek over godsdienstig fanatisme en den invloed
daarvan op politieke verhoudingen. Hij besloot zijne beschouwingen
over dit onderwerp ongeveer als volgt: "In vroegere eeuwen plachten de
menschen in de beschaafde wereld elkander het leven te benemen wegens
verschil van meening over de geheimen der andere wereld. Thans is de
menschheid, lof zij Allah, over die barbaarschheid heen en ieder mag
gelooven, wat hij wil. Maar wat helpt ons dit, zoolang over economische
en politieke belangen oorlogen gevoerd worden, die in fanatisme voor
de vinnigste godsdienstoorlogen niet onderdoen, terwijl de reusachtige
vorderingen der techniek de moorddadige uitwerking van den strijd
steeds verhoogen? Van een kalm genieten der met moeite verkregen
gewetensvrijheid kan daarbij geen sprake zijn."

Deze ontboezeming komt telkens weer in mijne herinnering naar voren in
verband met hetgeen wij nu beleven. Nadat de groote menschengroepen,
die door verschil van politieke en economische belangen uiteengehouden
worden, jarenlang een belangrijk deel van hun intellectueel en
materieel vermogen besteed hebben aan het uitdenken van middelen om
in de volheid des tijds elkander te vernietigen, is eindelijk de
lang verwachte vonk in de opeengehoopte brandstof gevallen. Al de
strijdenden gruwen van het denkbeeld der verantwoordelijkheid voor
de misdrijven tegen de menschelijke samenleving, die zij gezamenlijk
plegen, en het eenige, waarin zich de overigens non-actief gestelde
gemeenschappelijke cultuur nog uit, is eene vervelende reeks van
betoogen, waarin ieder den ander de schuld geeft van hetgeen allen
samen met zorg hebben voorbereid. De sceptische ironie van mijn
Turkschen vriend was niet ongegrond. Wij leeren er trouwens niets
nieuws uit. Alleen in zóóverre mag zijne uitspraak voor diegenen onder
ons, die de Mohammedaansche wereld weinig kennen, iets verrassends
hebben, als daarin door een Turk de algemeene godsdienstvrede en
gewetensvrijheid zoo zonder voorbehoud als een verworven zegen erkend
wordt. Uit dit oogpunt beschouwd hebben de aangehaalde woorden te
hooger waarde, omdat zij de meening van alle Turksche intellectueelen
over het vraagstuk van den godsdienst vrij nauwkeurig uitdrukken.



Contrast dier meening met de wet van den Islâm.

Deze verdraagzaamheid schijnt onvereenigbaar met hetgeen de
Mohammedaansche wet omtrent de verhouding tot aanhangers van
andere godsdiensten voorschrijft. Volgens die wet, die in haar
geheel aanspraak maakt op goddelijk gezag, moet immers de geheele
menschenwereld aan de Mohammedaansche gemeenschap onderworpen, zooveel
mogelijk ook in geestelijken zin bij haar ingelijfd worden. Ter
bereiking van dit doel behoort de gemeente der geloovigen djihâd
te doen, d. i. "heiligen oorlog" te voeren tegen allen, die nog
buiten de sfeer van haar gezag leven. De leiding van den djihâd, de
bepaling van tijd, plaats en middelen, is een der hoofdplichten van het
hoofd der gemeente, den chalief, den opvolger van Mohammed in diens
hoedanigheid van opperbestuurder, opperrechter en opperbevelhebber
der Moslims. Al naar mate de belangen van den Islâm het volgens zijn
inzicht medebrengen, voere hij dien krijg met meer of minder kracht
of late hij dien zelfs tijdelijk rusten. Tot eene staking van het
offensief tegen eene ongeloovige mogendheid voor meer dan tien jaren
mag hij zich onder geene omstandigheden verbinden. Aan belijders van
den Joodschen, Christelijken en daarmee gelijkgestelde godsdiensten
wordt, mits zij zich aan het Mohammedaansche staatsgezag onderwerpen
en met de positie van onderdanen zonder burgerrecht genoegen nemen, met
zekere beperkingen de uitoefening van hunnen godsdienst toegestaan; bij
eigenlijke heidenen moet de onderwerping met bekeering gepaard gaan.



De grondslagen van het program van den heiligen oorlog.

Het djihâd-program gaat uit van de onderstelling, dat de Mohammedanen
voortdurend, evenals bij hun eerste optreden in de wereld, een gesloten
geheel vormen onder éénhoofdige leiding. Deze toestand heeft evenwel
in de werkelijkheid zóó kort bestaan, het gebied van den Islâm is zóó
spoedig in een steeds grooter aantal vorstendommen uiteengevallen,
het oppergezag van den zoogenaamden chalief is na korten bloei zóózeer
tot een ijdelen naam geworden, dat ook de djihâd-voorschriften zich
aan de gezagsverbrokkeling hebben moeten aanpassen. Gelijk in de
meeste andere opzichten, zoo ook ten aanzien van het voeren van den
heiligen oorlog draagt dan de wet de bevoegdheden en plichten van den
éénen chalief aan de verschillende landshoofden op, ieder voor zijn
machtsgebied. Nu spreekt het vanzelf, dat deze overdracht van het
gezag van éénen op velen zeer vereenvoudigend werkt voor al hetgeen
het bestuur binnenslands betreft; maar even duidelijk is het, dat die
verbrokkeling de voortzetting van den wereldveroveringsoorlog, zooals
die in de eerste eeuw van den Islâm was ingezet, onmogelijk maakte.

Er waren trouwens nog tal van andere oorzaken, die de eerst toomlooze
vaart der Moslimsche legerscharen stuitten. Men kwam tot grenzen, waar
de geboden weerstand niet zoo dadelijk te breken viel, en het genot van
het verkregene verslapte de energie. De veroveringsdaden der eerste
geslachten werden toen in de verbeelding der lateren geïdealiseerd,
gereinigd van hetgeen ze ontsierde, en de theorie harer gewenschte
voortzetting werd uitgewerkt, in te meer casuïstische bijzonderheden,
naar mate de toepassing verder buiten de sfeer van het mogelijke
kwam te vallen. Het oorlogsrecht kenmerkte zich door een streng
in-het-oog-houden van het doel: uitbreiding van den waren godsdienst
of anders toch van het gezag zijner vertegenwoordigers, en verder
door het vermijden van alle wreedheid in de keuze der middelen. Alleen
waar een Mohammedaansch gebied wordt aangevallen door eene ongeloovige
macht, daar wordt aan de geheele bevolking de plicht der verdediging
opgelegd. Offensief optreden is slechts dan gerechtvaardigd,
wanneer het bevel ertoe en de regeling ervan uitgaan van een erkend
staatshoofd. Waar ongeloovigen erin slagen, eene Moslimsche bevolking
te onderwerpen, moet deze niet in een toestand van ondergeschiktheid
berusten, maar de eerste gelegenheid aangrijpen om òf het juk af te
schudden òf te emigreeren naar een zelfstandig Moslimsch land, zoowel
om het gevaar, waarmêe het eigen geloof bedreigd wordt, af te wenden,
als om de gelederen der geloovigen tot den strijd tegen den vijand,
d. i. de niet-onderworpen andersgeloovigen, te versterken. Al duurt de
onmogelijkheid van afdoend verzet en van emigratie ook eeuwen lang,
toch mag men de daardoor ontstane verhouding van afhankelijkheid van
een niet-Mohammedaansch staatsgezag niet anders dan als voorloopig
en abnormaal aanvaarden.



Middeleeuwsch karakter van dat program.

Het geheele samenstel van wetten, dat volgens den Islâm de verhouding
van geloovigen tot ongeloovigen zou moeten beheerschen, is de meest
consequente uitwerking, die men zich denken kan, van de vermenging
van godsdienst en politiek in haar middeleeuwschen vorm. Dat hij, die
de materieele macht heeft, ook over de geesten dwang uitoefent, geldt
daarbij als volkomen natuurlijk; de mogelijkheid van het samenleven
der belijders van verschillende godsdiensten als gelijkgerechtigde
burgers van éénen staat, acht men uitgesloten. Zoo was het in de
middeleeuwen niet alleen bij de Mohammedanen; vóór en zelfs nog
lang na de reformatie dachten onze voorouders er niet veel anders
over. Het verschil ligt voornamelijk hierin, dat de Islâm al die
middeleeuwsche gedragsregelen in den vorm van eeuwig geldende wetten
heeft vastgelegd, zoodat dus een later geslacht, ook al wijzigt
zich het inzicht, zich niet gemakkelijk ervan emancipeeren kan. Te
moeielijker werd die losmaking, omdat èn de groote menigte èn het gros
der schriftgeleerden zich te steviger aan dat bedenkelijke erfdeel
van het voorgeslacht vastklemden, hoe meer de omstandigheden met de
verwerkelijking van dit gewelddadige program schenen te spotten. Aan
de opvoeding der menigte is nu eenmaal in de landen van den Islâm alle
eeuwen door weinig zorg besteed, en het denkbeeld eener toekomstige
wereldbeheersching was te vleiend voor hare ijdelheid om dit zoo maar
prijs te geven. De wetgeleerden hadden in hunne bekrompenheid geen
deel aan de volheid van het werkelijke leven; angstvallig bewaarden
zij de vormen der oude idealen, zonder zelfs te bemerken, dat de
inhoud eraan ontvloden was. Voor hen gold en geldt de waardeering der
godsdienstvrijheid door intellectueele Turken gelijk mijn vriend van
daarstraks als eene lichtzinnige concessie aan den verdorven tijdgeest.



Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed.

Toch ging de beweging der geesten haren gang, in de laatste eeuw met
vaak verrassende snelheid. Juist door de stroefheid der Mohammedaansche
samenleving en de achterlijkheid en corruptheid der Mohammedaansche
staatsbesturen kwam gaandeweg het geheele gebied van den Islâm, in
tegenstelling met zijn zelfbewust program van wereldverovering, onder
den invloed van Europa. Het is al zoover gekomen, dat meer dan 90%
van alle Mohammedanen in wingewesten of protectoraten onder politieke
leiding van Europeesche mogendheden leven, terwijl de zelfstandigheid
van het overblijvende gebied, voornamelijk Turkije, alleen in schijn
gehandhaafd wordt door zekere handigheid in het balanceeren tusschen
de groote mogendheden, die elkander de voogdij betwisten.

Al die aanrakingen tusschen het gebied van den Islâm en
de buitenwereld, die op dit totale verlies zijner politieke
onafhankelijkheid zijn uitgeloopen, danken haar eerste ontstaan aan
de behoefte van Europa aan economische expansie, aan het eigenbelang
dus der volken, die het middeleeuwsche stof wisten af te schudden en de
Mohammedanen in geestelijken en materieelen zin voorbijstreefden. Eerst
later maakte het bekrompen denkbeeld der exploitatie plaats voor
dat der annexatie, straks dat der volle inlijving van de veroverde
landen in dezen zin, dat de bevolking moest worden opgevoed tot
de voor haar bereikbare en gewenschte deelname aan de cultuur der
overheerschers. Dit ging niet ineens; de strijd tusschen het egoïsme
der voogden en hun plichtbesef jegens hunne pupillen is nog in vollen
gang. Maar de Europeesche voogden, zelfs zulke, wien de consequente
toepassing der nieuwere beginselen nog vaak te zwaar valt, schamen
zich nu reeds voor het belijden van een ander bestuursbeginsel
dan dat der zuivere harmonie van alle belangen van twee volken,
waarvan de geschiedenis het eene heeft gesteld onder leiding van het
andere. De Mohammedanen onder direct of indirect Europeesch bestuur
hebben hiervan al veel voordeel gehad, en men mag zeggen, dat zij er
in het algemeen beter aan toe zijn dan hunne geloofsgenooten in de
quasi-zelfstandige staten, waar zij de nadeelen ondervinden zoowel
van een corrupt bestuur als van den wedijver om economische winste
tusschen de groote machthebbers van het Westen. De druk, waaronder
in een land als Turkije de bevolking zucht, heeft evenwel toch ook
de zucht naar geestelijke ontwikkeling geprikkeld; de Jong-Turksche
beweging der laatste jaren getuigt er luide van.

In de hooger ontwikkelde kringen van alle Mohammedaansche landen is
het besef algemeen geworden, dat de middeleeuwsche vermenging van
godsdienst en politiek, welke het stelsel van den Islâm voor altijd
wilde handhaven, niet van onzen tijd is. Zoozeer zijn de Mohammedanen
in de wereld de staatkundig en maatschappelijk minderen geworden, dat
het denkbeeld eener op hunnen godsdienst gegronde wereldheerschappij
alleen voor de onwetenden iets van zijne bekoring kon behouden. De
overigen schamen zich bijna voor de aanmatiging, die ons uit de leer
van den djihâd tegenklinkt, en geven zich alle moeite om te betoogen,
dat de wet zelve de toepassing ervan beperkt tot omstandigheden,
die zich nu niet meer voordoen.



Chalifaat en Djihâd.

De les der verdraagzaamheid prentte zich het moeielijkst in bij die
volken, die in het politieke glorietijdperk van den Islâm vooraan
gestaan hadden, het allermoeielijkst bij de Turken, die in het
laatste roemtooneel de hoofdrol speelden. Toen in 1258 Bagdad door
de Mongolen verwoest en het daar sedert ruim vijf eeuwen gevestigde
Abbasiedenchalifaat weggeveegd werd, geraakte de Mohammedaansche wereld
niet uit hare voegen, zooals geschied zou zijn, indien dat chalifaat
nog iets met de centrale leiding van de gemeenschap der Mohammedanen te
maken gehad had. Inderdaad had dit vorstenhuis al drie en een halve
eeuw op den flauwen naglans van zijn kortstondigen roem geleefd,
en dat het in dien tijd niet door een der vele machtige soeltans
verdrongen werd, dat dankte het voor een goed deel juist aan zijne
practische onbeduidendheid. Zóó onbeduidend waren de naamchaliefen
geworden, dat Europeesche schrijvers zich soms hebben laten verleiden,
hen als eene soort van kerkvorsten van den Islâm voor te stellen,
die willens of onwillens hun wereldlijk gezag aan de vele landvorsten
van het wijde gebied van den Islâm hadden overgedragen. De totale
afwezigheid van wereldlijk gezag scheen hun, in verband met den
toch vaak gebleken eerbied des Moslims voor het chalifaat, alleen
bij de onderstelling van een geestelijk gezag, van eene soort van
Mohammedaansch pausdom denkbaar. Toch heeft zoo iets nooit bestaan,
en de Islâm, die priesters noch sacramenten kent, zou er ook geen
plaats voor gehad hebben. De menigte had daar, gelijk elders,
de legende liever dan de werkelijkheid: zij dacht zich den over de
gansche Moslimsche gemeente wakenden opvolger van den Profeet, zooals
die in de eerste twee eeuwen na de Hidjrah volgens de historische
overlevering werkelijk had bestaan, als voortbestaande, lang nadat
het instituut van het chalifaat in de politieke ontaarding van den
Islâm was ondergegaan. Maar niet als paus stelde zij zich hem voor,
neen als opperregeerder, vooral als amier al-moe'minien, aanvoerder
van de legerscharen van den Islâm, die eenmaal de heele wereld voor
zijn gezag zouden doen buigen.

De chalief, de stedehouder van den Gezant van Allah, en de djihâd,
de heilige oorlog tegen de gansche wereld buiten den Islâm: aan deze
beide namen was onafscheidelijk de herinnering van die schitterende
tweehonderd jaren verbonden, waarin de loop der gebeurtenissen aan de
pretensie van wereldverovering door het Mohammedanisme gelijk scheen
te geven. Wat in de werkelijkheid onderging, bleef in de legende
voortleven; de vereering der schimchaliefen van Bagdad maakte het voor
vele Mohammedanen gemakkelijker, de verijdeling van hun staatkundig
ideaal te vergeten.



Het chalifaat der Turksche soeltans.

Toen Bagdad gevallen en een groot deel der Abbasiedenfamilie uitgemoord
was, bleef dat politieke fetisisme nog nawerken; de Soeltans van Egypte
trokken er partij van door een der aan den moord ontkomenen in hunne
hoofdplaats de traditie van het schijnchalifaat te doen voortzetten
en zoo den indruk te vestigen, dat hun gebied nu het middelpunt
van den Islâm geworden was. Maar deze schaduw van een schaduw
moest geheel verbleeken, toen de zon der Osmanen hare middaghoogte
bereikte. Onder hunne leiding deed de Islâm zijne laatste poging om,
wel niet de wereld te onderwerpen, maar toch eene wereldmacht van
den eersten rang te worden. Hun gelukte het, Constantinopel (1452) te
veroveren, waaraan de grootste Moslimsche vorsten van voorheen hunne
krachten vergeefs hadden beproefd. Toen zij nu in 1517 Egypte, en in
het gevolg daarvan ook de provincie der heilige steden van Arabië,
Mekka en Medina, onderworpen hadden, vonden zij zich sterk genoeg om
te pogen, de traditie van het werkelijke chalifaat te doen herleven
of althans de rol van feties zelf op zich te nemen. Hiervan weerhield
hen zelfs niet het uitdrukkelijke voorschrift der wet, dat afstamming
van den edelen Arabischen stam van Qoraisj als vereischte stelt aan
hem, die het chalifaat zal bekleeden. Drogredenen van gedienstige
wetgeleerden hielpen hun om dit bezwaar ter zijde te stellen, en de
menigte verzette zich tegen deze kunstgrepen niet, nu de droombeelden,
die zij met het chalifaat verbond, werkelijkheid schenen te worden. Wie
Klein-Azië, Syrië, Egypte, West-Arabië en Mesopotamië beheerschte, het
Byzantijnsche rijk veroverd had, en door een groot deel van Europa als
een geduchte vijand beschouwd werd, mocht gerust zijn zwaard als feties
in de plaats stellen van den krachteloozen stamboom der Abbasieden.

Het aldus herboren chalifaat miste derhalve traditioneele kenmerken
van beteekenis, en het kon ook in andere opzichten niet als de
regelmatige voortzetting van het oude beschouwd worden. Van de oudste
Mohammedaansche landen bleven verscheidene geheel buiten de Turksche
invloedssfeer; en dat niet alleen zulke, waar zooals in Perzië eene
aan de Turken vijandige dynastie de vaan der ketterij ontplooide,
maar bovendien volkomen orthodoxe rijken in Centraal-Azië, in Indië,
in Noordwest-Afrika, waar het Turksche zwaard geene gelegenheid vond
zich te doen gelden. In Marokko werd zelfs het Turksche chalifaat
rechtstreeks verloochend doordien de locale vorsten, afstammelingen van
den Profeet, zelf den hoogsten titel aannemen. Elders weer ontstonden
gelijktijdig met of na de opkomst der Osmanen nieuwe Mohammedaansche
rijken, die nooit met eenig werkelijk of vermeend politiek centrum
van den Islâm in contact gekomen zijn; zoo in het Verre Oosten van
Azië en in Centraal-Afrika.



Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen.

De aanmatiging van den chaliefentitel door de Osmanen-soeltans
had inderdaad slechts deze beteekenis, dat zij in hunne politieke
glansperiode zoo ondubbelzinnig mogelijk vastgesteld wilden zien, dat
geen ander Moslimsch vorst zich in beteekenis met hen kon meten. Dit
kon niet doelmatiger geschieden dan door de toevoeging aan al hunne
wijdsche Turksche en Perzische titels van den naam van het hoogste
ambt, dat ooit in den Islâm bestaan had. Aan hunne macht heeft die
eeretitel van chalief nooit iets toegedaan; zij beheerschten alleen
hetgeen hunne legers veroverd hadden en oefenden buiten dat gebied
niet den minsten invloed.

Het Turksche zwaard verloor weldra veel van zijne scherpte; lang
vóórdat de politiek der Europeesche groote mogendheden het eene
stuk na het andere van het Osmanenrijk afknabbelde, hadden zich
verscheidene provinciën tot zelfstandige leenrijken onder erfelijke
dynastiën ontwikkeld. Sedert Turkije, in zijn politiek gedrag geheel
van niet-Mohammedaansche mogendheden afhankelijk, nog slechts ongeveer
5% van de Mohammedanen der wereld zijne onderdanen noemt, zou het
hoogst belachelijk klinken, den soeltan van dat rijk "Stedehouder van
den Gezant Gods, Opperbevelhebber der Geloovigen" te hooren noemen,
indien men niet ook buiten Turkije aan veel traditioneele dwaasheid
in vorstelijke titels gewoon was.



Panislamitisch streven van Abdoelhamied.

Juist in de laatste eeuw is het aan de Turken door een samenloop van
omstandigheden soms gelukt, uit dien met twijfelachtig recht gevoerden,
zinledig geworden titel wat kleine munt te slaan.

De duizendvoudig vermeerderde verkeersmiddelen hebben ook
Mohammedaansche volken, die vroeger elkanders bestaan niet of
nauwelijks kenden, met elkaar in aanraking gebracht. De ongeveer
230 millioen Moslims, die onder niet-Moslimsch bestuur leven,
beschikken meerendeels niet over genoeg historisch geheugen om te
begrijpen, dat de bestuursverandering voor hen eene verbetering
geweest is. Het politieke verleden van den Islâm zien zij enkel door
den sluier der legende, en wanneer het heden hun tot grieven en
bezwaren stof biedt--en waar ontbreken die?--, dan zijn zij licht
geneigd te gelooven, dat al die klachten verholpen zouden zijn,
wanneer slechts de Heer der Geloovigen zich met hunne belangen kon
bemoeien. Van het wanbestuur, waaronder de werkelijke onderdanen des
Soeltans van Turkije zuchten, hooren zij weinig en ondervinden zij
niets. En de Soeltan, die het in dit opzicht het ergst gemaakt heeft,
totdat hij in 1909 door zijne onderdanen afgezet en verbannen werd,
heeft met meer ijver en met meer succes dan een zijner voorgangers aan
de verbreiding der valsche droombeelden omtrent het Chalifaat onder de
Mohammedanen gewerkt. Zijne listige, maar kortzichtige politiek, die
zijn eigen rijk steeds nader bij den ondergang bracht, zocht troost
voor menigen tegenslag in panislamitische intrigues, op touw gezet
door gewetenlooze, maar meestal onkundige en onhandige handlangers,
die aan de goedgeloovigen een ideaal chaliefenbeeld vertoonden en
beweerden, dat dit het welgelijkend portret van Abdoelhamied was.



Geene organisatie van het panislamisme.

Men heeft vaak gesproken van eene organisatie van het panislamisme
onder leiding van Abdoelhamied. Ten onrechte. In 1897 heb ik, naar
aanleiding van eenige vuile, in het geheim verspreide pamfletten,
die de intiemste raadgevers van den Soeltan in hun wedijver om diens
gunst tegen elkander losgelaten hadden, gepoogd een beeld te geven
van de geestelijke atmosfeer, waarin die despoot leefde [2], en toen
ik in 1908 de eerste twee maanden der revolutie te Constantinopel
bijwoonde, vond ik van de juistheid van dat beeld de volle bevestiging
[3]. Die bende van bekrompen kuipers was allerminst geschikt om eene
ernstige internationale beweging te leiden. Zij exploiteerden de met
enkele Mohammedanen van aanzien uit niet-Turksch gebied aangeknoopte
betrekkingen tot verhooging van eigen aanzien en voordeel, zonder
werkelijk nut voor de wederopwekking van het doode chalifaat. De
vestiging van eenige Turksche consulaten in Mohammedaansche landen
onder Europeesch bestuur trof evenmin doel. Men vergat gewoonlijk
den consuls hunne tractementen uit te betalen; de consuls kenden niet
eens de talen der bevolkingen, waaronder zij leefden, en deden geen
moeite om ze te leeren. Hunne meestal zeer "vrijzinnige" levenswijze
diende niet om het respect voor hunnen zender te verhoogen.

Het panislamisme kan nu eenmaal niet met een ander program werken
dan met het versletene, voor verwezenlijking onvatbaar geblekene
der wereldverovering door den Islâm en dit heeft op de verstandige
belijders van den Islâm geen vat meer, terwijl het onder de domme
menigte, die nog voor de bekoring van den strijd tegen alle kafirs
vatbaar is, alleen verwarring en onrust stichten kan. Het kan hoogstens
plaatselijke stoornis verwekken, nooit in eenigen zin opbouwend werken.



De chalief geen kerkvorst.

Denkelijk zonder het te bedoelen hebben sommige Europeesche
staatslieden en schrijvers aan de panislamitische gedachte zekeren
steun gegeven door hunne op volslagen misverstand berustende
beschouwing van het chalifaat als eene soort van Mohammedaansch
pausdom. Vooral in Engeland vond die voorstelling aanhangers in den
tijd, toen dit land nog gold als de beschermer van den Turk tegen van
Rusland dreigend gevaar. Men achtte het nuttig, de Britsch-Indische
Moslims te doen gelooven, dat de Britsche Regeering met hunnen
kerkvorst op voet van intieme vriendschap leefde. Turksche staatslieden
maakten van deze dwaling een handig gebruik. De ware leer van het
chalifaat met zijne taak van vereeniging aller geloovigen onder zijne
vaan om dan den strijd tegen alle kafirs aan te binden, konden zij
natuurlijk tegenover hunne Europeesche vrienden niet belijden. Des
te meer verheugde het hen, te zien, dat dezen zich van dat instituut
eene weliswaar valsche, maar juist daarom voor niet-Mohammedanen
aannemelijke voorstelling vormden. Zij wachtten zich er wel voor,
deze te verbeteren, want het was hun genoeg, zich tegenover hunne
geloofsgenooten erop te kunnen beroepen, dat de pretensie der Osmanen
op het chalifaat zelfs bij niet-Mohammedaansche groote mogendheden
wel erkenning vond.



De Turksche omwenteling en het panislamisme.

Al was het panislamisme niet georganiseerd, het stelde zich niettemin
dikwijls in Mohammedaansch gebied onder Europeesch bestuur aan de
normale ontwikkeling eener voor beide partijen gewenschte verhouding
tusschen bestuurders en bestuurden in den weg; speculeerend op alle
vormen van ontevredenheid, werkte het heimelijk als vredeverstoorder,
zonder dat de gewekte of geprikkelde tweedracht eenig uitzicht op
verbetering kon openen.

Bij alle Europeesche mogendheden moest het als een welkom gevolg van
de revolutie van 1908 begroet worden, dat de Jong-Turken, die het
herstel der constitutie afdwongen, met de middeleeuwsche vermenging
van godsdienst en politiek wilden breken. De handhaving van den
Islâm als staatsgodsdienst was hunnerzijds eene concessie aan de
oude overlevering, die aan de volkomen gelijkstelling der belijders
van alle godsdiensten als burgers van het Turksche rijk niet tekort
mocht doen. Het herboren Turkije moest een moderne rechtsstaat zijn
in den vollen zin des woords. Voor chalifaat en djihâd was in zulk
eenen staat geene plaats. Turken en Arabieren, Grieken, Armeniërs,
Joden, en wie nog verder onder de Halve Maan samenleefden, moesten in
vrijheid, gelijkheid en broederschap samenwerken om Jong-Turkije tot
eenen in het internationale leven geëerbiedigden staat te maken. Met de
onder niet-Mohammedaansch bestuur levende geloofsgenooten der Turken
zou het Osmanenrijk zich geene bemoeienis aanmatigen. Hoogstens
zou de regeering, ingeval dezulken over miskenning hunner rechten
te klagen hadden, wellicht vertoogen doen hooren van dezelfde soort
als die Christelijke mogendheden zoo vaak tot Turkije gericht hadden
naar aanleiding van vermeende verdrukking van Christenvolken onder
Turksch bestuur.

Weldra bleken deze idealen vooralsnog veel te hoog gegrepen. De
hebzucht der Europeesche mogendheden gunde aan Jong-Turkije niet
de voor inwendige hervorming noodige rust. Op de geestdriftvolle
harmonie van de eerste dagen der verlossing uit de klauwen van het
despotisme volgde spoedig de herleving van den ouden binnenlandschen
strijd, nu niet meer door gemeenschappelijke vrees voor den tyran
in toom gehouden. Het Comité van Eenheid en Vooruitgang, dat voor
of achter de schermen de zaken leidde, zag zich genoopt, eensdeels
de gehate bestuursmiddelen van het despotisme weer aan te wenden,
anderdeels ten koste van zijn eigen program vele concessies te doen,
ook aan de Moslimsche orthodoxie en aan het geloof en bijgeloof der
menigte. De feties van het chalifaat moest weer uit het museum van
oudheden, waarin men het voorloopig had opgeborgen, voor den dag
gehaald worden. Wat het daarmêe eng verbonden denkbeeld van djihâd
betreft, de Europeesche mogendheden zorgden ervoor, dat dit niet
vergeten werd. Turkije werd voortdurend tot djihâd gedwongen.



Djihâd en heilige oorlog.

Wanneer wij het woord djihâd door "heilige oorlog" weergeven,
dan geschiedt dit met recht, in zooverre zulk een strijd voor de
Mohammedanen, die hem voeren, een heilig, een godsdienstig karakter
heeft. Maar men vergist zich, als men zich voorstelt, dat daarnevens
iets als een onheilige of profane oorlog zou bestaan. De Islâm kent,
afgezien van de als een politiemaatregel te beschouwen aanwending van
het leger tot bedwinging van opstand tegen het wettig gezag, geen
anderen oorlog dan den djihâd, en geen ander doel van den djihâd
dan de verdediging der belangen van den Islâm tegen aanranding
door niet-Mohammedanen of de uitbreiding van het gebied van den
Islâm ten koste van de Dâr al-Harb, het gebied der ongeloovigen. De
oorlogen, die Turkije onder Abdoel-Hamied tegen Rusland en tegen
Griekenland te voeren had, zijn door Turken en Arabieren nooit
anders dan djihâd genoemd, al was men voorzichtig genoeg om het
gebruik dier middeleeuwsch-fanatieke benaming in het verkeer met
Europeanen te vermijden. Hetzelfde geldt van den oorlog met Italië
om Tripoli en van dien met de Balkanstaten. Voor de Mohammedanen,
die op de oude wijze voortgaan, godsdienst en politiek te vermengen,
bestaat geen andere oorlog dan godsdienstoorlog. Dat er een bijzonder
edict van den Soeltan-Chalief noodig zou zijn om eenen oorlog van
Turkije tot djihâd te stempelen, is alweer eene dier belachelijke
wanvoorstellingen omtrent Mohammedaansche zaken, zooals er zoovele
in Europa tot gangbare munt zijn geworden. De Turken plegen zulke
domheden niet te bestrijden, maar zich in den omgang met Europeanen
erbij aan te sluiten, als hun belang dit medebrengt. Voor geen Moslim
ter wereld heeft echter, wanneer Turkije in een oorlog gewikkeld
is, de vraag, of de Soeltan den heiligen oorlog heeft afgekondigd,
een redelijken zin. Dit alles behoort men wel te bedenken, wil men
de politieke gebeurtenissen der laatste dagen, voor zoover Turkije
daarbij betrokken is, recht verstaan.



Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije. Hugo Grothe.

Er zijn over die gebeurtenissen in Duitschland vlugschriften
verschenen, die in sommige opzichten ook buiten Duitschland wel
eenige aandacht verdienen. "Deutschland, die Türkei und der Islâm"
heet het geschrift van Hugo Grothe, die op economisch gebied als
competent geldt, en wiens vroegere werken de resultaten mededeelen
van zijne onderzoekingsreizen in Europeesch en Aziatisch Turkije, in
Perzië en Tripolitanië. Deze brochure maakt deel uit van eene reeks
"Zwischen Krieg und Frieden", onder redactie van Irmer, Lamprecht
en von Liszt, politieke opstellen voor het groote publiek; onder de
medewerkers komt Fürst von Bülow voor.



Misverstand bij Grothe.

Waar Grothe het gebied der economische politiek verlaat, toont
hij zich dadelijk vreemdeling. Het politieke Islâmvraagstuk staat
hem bijv. niet duidelijk voor den geest. Het chalifaat noemt hij
de wereldlijke vertegenwoordiging van de godsdienstige gemeenschap
der Mohammedanen, eene wel wat flauwe uitdrukking van het denkbeeld,
dat alle Mohammedanen in politieken zin rechtens onderdanen van den
chalief zijn, die evenwel in de uitoefening zijner bestuursrechten ten
aanzien van tegenwoordig 95% dier onderdanen verhinderd wordt door
ongeloovige vorsten, wier gezag uit zijnen aard onwettig is. Maar
nu citeert Grothe op eene andere bladzijde uit eene 8 Augustus door
den Keizerlijken Gouverneur van Kameroen aan de Inlandsche bevolking
gerichte proclamatie deze woorden: "Uns hilft ferner der Sultan in
Stambul, der in Glaubenssachen der Oberherr aller Mohammedaner ist",
en wel verre van de noodige correctie aan te brengen, noemt hij dezen
officieelen onzin "von Interesse". Grothe's voorstelling, dat in het
begin van den tegenwoordigen oorlog de "djihâd van Duitschland" het
onderwerp van besprekingen en gebeden in de moskeeën van Turkije was,
behoort wellicht tot de dichterlijke inkleeding, want wél vertalen wij
djihâd ongeveer juist door "heilige oorlog", maar óns "heilige oorlog",
zooals dat thans door iedere krijgvoerende partij op haar eigen strijd
wordt toegepast, wordt geenszins door het Arabisch-Mohammedaansche
djihâd weergegeven. Waar ouderwetsch vrome Mohammedanen dezen oorlog
in het gebed gedenken, daar zal het gebed ongeveer aldus luiden:
"Wij danken U, Allah, dat Gij de legerscharen des Duivels tegen
zichzelve verdeeld hebt en dat Uw almacht sommigen hunner dwingt,
de verdedigers van den Islâm met hunne wapenen en hunne mannen te
steunen. Schik dit alles, o Heer, tot eene nabijzijnde zegepraal der
geloovigen en tot ondergang van allen, die ongehoorzaam zijn aan U en
Uwen Gezant." Zóó en zoo alleen is de opvatting van zúlke Moslims,
die door de geschiedenis nog niet genoeg ontnuchterd zijn om het
inzicht te deelen van den Turk, wiens woorden ik in den aanhef van
dit opstel citeerde.



Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije.

Dichterlijke inkleeding van Grothe is het ook, wanneer hij een te
Konia, Bundur en Sparta waargenomen aardbeving laat medewerken om
de Turken te brengen tot het juiste inzicht in de beteekenis der
catastrophe, die wij beleven; inkleeding, wanneer hij op zijne reizen
Turken, Arabieren, Koerden en Anatoliërs steeds hoort getuigen van
hunne sympathie voor Duitschland en denkbeelden over de politiek
van den dag hoort uiten, die ook geen haarbreed van die van Grothe
afwijken. Hoort uiten in talen, waarvan hij niets verstaat, want de
twee Turksche uitdrukkingen, die Grothe te pas brengt, zijn in strijd
met het idioom [4].

Dichter blijven wij bij de aarde, wanneer wij Grothe volgen in
zijn overzicht van de economisch-politieke betrekkingen tusschen
Turkije en Duitschland, zooals die zich sedert 1880 ontwikkeld
hebben. Duitschland, zegt hij, is door een samenloop van ongunstige
omstandigheden erg achteraan gekomen in het deelnemen aan den
wedstrijd der Europeesche mogendheden om de economische en commercieele
voordelen, die in het gebied van Turkije te behalen zijn. Eigenlijk
zette de gunstige keer pas in met de concessie van den Anatolischen
spoorweg aan een Duitsch syndicaat (1888), waarop later die van den
Bagdadspoorweg volgde. Van de snelheid der beweging krijgt men eenige
voorstelling door de cijfers van in- en uitvoerhandel tezamen tusschen
Duitschland en Turkije voor 1888: 14 millioen, en voor 1913: 200-250
millioen mark. De concurrentie met Engeland, Frankrijk en Rusland
maakte ook hier eene afbakening der belangensferen voor alle partijen
gewenscht. Vóór den oorlog was het overleg zoo ver gevorderd, dat men
in dit jaar het totstandkomen eener overeenkomst verwachtte, waarbij
Engeland Zuid-Mesopotamië als economisch gebied zou krijgen, Frankrijk
Syrië, Duitschland het gedeelte van Mesopotamië en Klein-Azië, dat
ongeveer begrensd wordt ten Noorden door den 34sten en den 41sten
graad Oosterlengte, en ten Zuiden door den 36sten en den 39sten graad
Noorderbreedte, terwijl het Noorden van Klein-Azië voor spoorwegaanleg
aan eene Fransch-Russische combinatie overgegeven zou worden.



Duitschland de redder van Turkije.

Duitschland zou in die economische invloedssfeer wel een weinig
dankbaar, maar toch lang niet voldaan zijn geweest. Sedert Augustus is
het begonnen, zich heel andere grenzen af te bakenen, altijd voor het
geval, dat zijne gunstige verwachting van de krijgskans niet beschaamd
wordt. Het heeft daartoe, volgens Grothe, het volste recht. Want men
mag als zeker aannemen, dat in het voor Duitschland ongunstige geval
Rusland niet aarzelen zou, het Turksche rijk te vernietigen. Nu
Rusland den voor zijne ontwikkeling noodigen ijsvrijen zeeweg in
het Verre Oosten niet kan vinden zonder conflict met Japan, in de
Perzische Golf niet zonder strijd met Engelsche belangen, staat het
voor het Tsarenrijk meer dan ooit vast, dat het Constantinopel moet
bezitten. Engeland, dat zich vroeger steeds hiertegen verzet heeft,
zou thans daartoe medewerken; het zou daarvoor Mesopotamië en Arabië
als zijn gebied mogen beschouwen.

Alleen Duitschland kan Turkije redden, en het heeft daarbij
een reusachtig belang, want alleen het behoud van de volkomen
integriteit van het rijk der Osmanen maakt het voor Duitschland
mogelijk, zijne daar verkregen economische positie te beschermen en
te verhoogen. Bovendien is Duitschland onder de groote mogendheden,
waarmee Turkije te rekenen heeft, de eenige, die geen duimbreed van
dit land zou willen, of zelfs zou kunnen annexeeren. Duitschlands
geographische ligging zou het verhinderen, zulk bezit afdoende tegen
aanvallen te verdedigen en er profijt van te trekken. Daarom is
Duitschland gedurende de kwarteeuw van zijne intieme relaties met
Turkije altijd de eenige betrouwbare vriend van het rijk van den
Soeltan-Chalief geweest. Er bestaat tusschen beide landen, buiten
alle gevoelsquaesties, eene in den aard der zaken gegronde gemeenschap
van belangen, terwijl de belangen van alle andere groote mogendheden
slechts ten koste van Turkije's welzijn, ja eindelijk van zijn bestaan,
te bevorderen zijn.

Turkije heeft dit niet altijd ten volle zoo ingezien; er viel een zeker
wantrouwen te overwinnen, gekweekt door de oneerlijke concurrentie van
Duitschlands benijders en deels ook bevorderd door Duitschlands vaak
te zwakke politiek. Maar nu zijn den Jong-Turken, die het roer van
den staat in handen hebben, de schellen van de oogen gevallen. Men
schijnt te Constantinopel nog slechts op Duitsche overwinningen
in Noord-Frankrijk en Galicië te wachten--Grothe schreef vóór de
Turksche oorlogsverklaring--om zich met Duitschland en Oostenrijk
tegen de Verbonden Mogendheden te vereenigen. Het Turksche leger, dat
reeds zooveel voor zijne organisatie aan Duitsche leering en leiding
te danken heeft, zal, om zijne taak te volbrengen, groote behoefte
hebben aan Duitsche hulp en steun, maar dan zal het ook een niet te
versmaden medewerker zijn. Dit laatste vooral, indien de Chalief den
"grooten heiligen oorlog", den djihâd afkondigt.



De door Grothe gewenschte djihâd.

Hier raakt nu Grothe te eenen male de kluts kwijt, daar hij niet
weet, dat elke door Turkije gevoerde oorlog voor Mohammedanen van den
ouden stempel, die de intellectueele beweging van het Mohammedaansche
Oosten der laatste jaren niet medegemaakt hebben, een djihâd is. De
vraag is voor dezulken niet: "djihâd of profane oorlog?" maar: "aan
wien wordt door Turkije de djihâd verklaard?" En dan, gesteld, dat
het antwoord luidt, zooals Grothe zich dat voorstelt, namelijk djihâd
"tegen alle mogendheden, die Mohammedaansche landen hebben opgeslokt en
den Islâm aldus van zijnen glans hebben beroofd," dan blijft de vraag,
of inderdaad, zooals Grothe hoopt en verwacht, de Mohammedaansche
volken onder Europeesch bestuur zóózeer onder de betoovering van de
namens Soeltan Mehmed Resjâd gedane oproeping tot den krijg zullen
komen, dat zij hunne meesters "hier heimlich und verschlagen, dort mit
fanatischer Kühnheit" op het lijf zullen vallen. Grothe ziet in zijne
verbeelding reeds, hoe "der so aufgerollte Glaubenskrieg"--zoo noemt
hij het zonder omwegen--voor Engeland "den Niedergang seiner Grösse"
beteekenen zal.



De fetwa over den heiligen oorlog.

Wij weten, dat Turkije op dit oogenblik bezig is, de door Grothe
en zijne geestverwanten aanbevolen proef te nemen met zulk eenen
godsdienstoorlog. De hoogste wetgeleerde autoriteit te Constantinopel,
de Sjeich oel-Islâm, die sedert de revolutie van 1908 steeds een
creatuur en een werktuig is van het Jong-Turksche Comité, heeft
met "Ja" geantwoord op eene reeks van vragen, die hem voorgelegd
zijn door den onbeduidenden opvolger van Abdoel-Hamied, met wien de
leiders van het Jong-Turksche Comité alles doen, wat zij willen. In
werkelijkheid vormen die vragen en antwoorden [5] samen eenvoudig
eene proclamatie van Enver en Talaät, de leidende Comité-ministers,
en doen de vrager (de Soeltan) en degene, die het antwoord geeft
(de Sjeich oel-Islâm), daarbij den dienst van marionetten. Die
proclamatie van de mannen van het Comité van Eenheid en Vooruitgang
(waarmeê N.B. oorspronkelijk de eenheid der verschillende naties onder
de Halve Maan en haar vooruitgang als moderne staat bedoeld werden)
komt hierop neer, dat, wanneer de Vorst aller Mohammedanen den heiligen
oorlog verklaart aan den vijanden van den Islâm, die de landen van den
Islâm plunderen, en de bevolking dier landen slachten of tot slaven
maken, het de plicht van alle Mohammedanen in de wereld is, met goed
en bloed aan dien oorlog deel te nemen, dat dus inzonderheid ook de
Mohammedaansche onderdanen van Frankrijk, Rusland en Engeland tot
zulke deelname verplicht zijn, dat zij, die dezen plicht verzuimen
en den strijd vermijden, zich den toorn Gods op den hals halen, dat
echter Mohammedanen, die onder het bestuur der genoemde mogendheden
of hunner bondgenooten leven en met dezen samen oorlog voeren tegen
Duitschland en Oostenrijk, de helpers van Turkije, eene groote
zonde begaan, die zeker Gods toorn medebrengt. Deze kennisgeving
van hetgeen de Goddelijke wet volgens den rijksuitlegger derzelve in
hare toepassing op den politieken toestand van het oogenblik leert,
diende als grondslag voor een op 12 November uitgegeven manifest van
den Soeltan tot leger en vloot.



Het manifest van den Soeltan.

Dit manifest stelt voorop, dat Rusland, met Engeland en Frankrijk,
de vijandelijkheden begonnen is, dat Turkije dus tot het opvatten
der wapenen gedwongen werd, dat Rusland trouwens reeds drie eeuwen
lang geene gelegenheid ongebruikt liet om Turkije te benadeelen,
dat millioenen Mohammedanen onder het tyrannieke bestuur der genoemde
mogendheden zuchten, dat daarom de heilige oorlog verklaard is, van
welks uitslag niet alleen het welzijn van het Turksche rijk, maar
ook het leven en de toekomst van 300 millioenen Mohammedanen--deze
schatting is overgenomen uit de rede, die de Duitsche Keizer in 1898
bij het graf van Saladijn te Damascus hield; de bevolking schijnt dus
in de sedert verloopen 16 jaren niet toegenomen te zijn--afhangen. De
genade van Allah en de bijstand van den Profeet zullen de in de
samenwerking met Duitschland en Oostenrijk ondernomen bestrijding
van de vijanden van den Islâm tot overwinning voeren.



De groote demonstratie.

Constantinopel zou Constantinopel niet zijn, wanneer deze extravagante
uitingen van het Comité niet gevolgd waren door eene betooging, eene
numâjesj. Toen ik in 1908 de eerste twee maanden der door militairen
onder leiding van het Comité bewerkte revolutie bijwoonde, ging er
geen dag voorbij zonder een aantal van die numâjesj; menschenmassa's,
die achter een paar vlaggen met "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap"
aanholden, bij sommige publieke gebouwen of woningen van autoriteiten
halt hielden en daar redevoeringen toejuichten, waarvan niemand
iets verstaan kon. Vroeg men aan de toejuichers, waarom het ging,
dan kreeg men ten antwoord: "revolutie, vrijheid, de politie is
immers afgeschaft" en dergelijke. Zoo hebben ook nu de Comitémannen
de bevolking op 14 November gedurende acht volle uren op een numâjesj
onthaald.

In de moskee van Mehmed den Veroveraar, die herinnert aan de grootste
overwinning der Turken op het Christendom, de verovering van Byzantium
in 1452, werden de hierboven geresumeerde vragen en antwoorden
voorgelezen, de fetwa dus over den heiligen oorlog. Gebeden werden
uitgesproken, lange toespraken gehouden, aan het gejuich kwam geen
eind. De stoet trok door de voornaamste wijken der stad, maakte zijne
opwachting bij den Groot-Wezier en den Soeltan, en..... demonstreerde
voor de Duitsche en Oostenrijksche gezantschappen. Nazim-bey en
Moechtar-bey, trouwe Comité-mannen, complimenteerden respectievelijk
den Duitschen en den Oostenrijkschen Gezant, en hunne redevoeringen
werden door de ambassadeurs beantwoord. De in de Duitsche ambassade
gewisselde toespraken zouden door Dr. Grothe niet anders zijn
opgesteld. De Duitsche Gezant sprak namelijk niet alleen van
Duitschland en Turkije, maar van hun gemeenschappelijken strijd
voor het wezenlijk heil der Mohammedaansche wereld, van de Duitsche
vriendschap voor het Osmanenrijk, maar vooral voor de belijders van
den Islâm, welke allen na de overwinning der Duitsche en Turksche
wapenen eene schitterende toekomst tegemoet gaan. De Oostenrijksche
Gezant is iets voorzichtiger en minder Mohammedaansch geweest in zijn
antwoord en heeft alleen gesproken van den heiligen oorlog, dien het
Osmanenrijk gezamenlijk met Oostenrijk voerde, en van de sympathie,
die Oostenrijk met Turkije verbond. Maar de geheele vertooning heeft
toch op die Mohammedanen, die niet als wij daarbij bovenal aan eene
Offenbach-operette herinnerd werden, zoo eenigen, dan alleen dezen
indruk kunnen maken, dat Duitschland en Oostenrijk zich in dienst van
Turkije gesteld hadden voor het voeren van een djihâd, want uit eigen
hoofde kan van de drie alleen Turkije in djihâd gewikkeld zijn. Eenen
oorlog tusschen kafirs onderling met den naam djihâd te bestempelen,
is voor goede Mohammedanen godlasterlijk of bespottelijk.



Becker's voorstelling der zaak.

Grothe heeft dus niet alleen waar hij de economisch-politieke
betrekkingen van Duitschland in het naaste verleden en in de toekomst
besprak, maar ook waar hij over het opwekken van het sluimerende
Mohammedaansche fanatisme in het belang van Duitschland handelde, het
gevoelen van heerschende kringen in zijn vaderland weergegeven. Dit
maakt het mij iets minder onverklaarbaar, dat ook mijn waarde
vakgenoot, Prof. C. H. Becker te Bonn, die tot vóór korten tijd
de Islâmwetenschap aan het Kolonial Institut te Hamburg met eere
vertegenwoordigde, in den onwaarschijnlijken djihâd-roes, die thans
de Duitsche politici schijnt te bezielen, is medegesleept. Zijn
vlugschrift "Deutschland und der Islâm" [6] ademt denzelfden geest
als dat van Grothe, al onderscheidt het zich gunstig hiervan door meer
bezadigden toon en vooral, het spreekt wel vanzelf, door kennis van den
Islâm. Becker vult verder Grothe's toekomstbeeld van de betrekkingen
tusschen Duitschland en Turkije belangrijk aan door in zijn program van
de bescherming der integriteit van Turkije op te nemen de militaire
en politieke wedergeboorte van het rijk der Halve Maan, zóó dat het
herschapen worde in een modernen rechtsstaat met een eerbiedwekkend
leger. Niet alleen Duitsche fabrikaten en kapitaal, neen ook Duitsche
geest moet in Turkije gaan werken. Dit laatste volgens eene betere
methode dan de door Frankrijk of door Engeland in hunne koloniën
toegepaste: "eine gesunde Volksschulbildung nach modernen Methoden,
aber auf der Basis des überlieferten orientalischen Bildungsinhalts
und getragen von den besten Kräften der islâmischen Religion." Hierop
komen wij nog terug. Eerst nog een paar opmerkingen in verband met de
voorstelling, die men aan de geschriften van Grothe en Becker samen
ontleenen kan, van de ontwikkeling der politieke harmonie tusschen
Duitschland en Turkije, met terzijdestelling voorloopig van hetgeen
zich met het chalifaat en het Moslimsch fanatisme laat bewerken.



De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije.

Het laat zich best begrijpen, dat Duitschland bij de snel aangegroeide
belangen, die het in Turkije heeft verkregen, gaarne de gevaren en de
moeilijkheden, die uit de actie van mededingers kunnen voortspruiten,
tot de kleinste afmetingen teruggebracht zou zien. Even verklaarbaar
is het, dat Turkije op den duur van de concurreerende mogendheden nog
het liefst met Duitschland te doen had, daar bij deze aanraking niet
zoo licht verlies van gebied te vreezen viel. "Op den duur" zeg ik met
voordacht, want er zijn wel oogenblikken geweest, waarop de Soeltan
of het Comité moesten denken: Waar blijft nu de vriendschap? In den
tijd van Abdoel-Hamied uitte zich de Duitsche genegenheid alleen jegens
hem, die alle macht in zich bevatte, maar die thans algemeen beschouwd
wordt als de grootste vijand, dien zijn volk gekend heeft. Van 1888 tot
1908 negeerde Duitschland het Turksche volk, daar het Duitschland niet
van nut kon zijn. Wie den aard van Europeesche politieke vriendschap
een weinig kent, zal zich hierover evenmin verbazen als over Keizer
Wilhelm's geringe belangstelling in het lot van den vroeger zoo
geliefden Abdoel-Hamied, toen deze door het Comité eerst gedwongen
werd, voor vrijheidsvriend te spelen, daarna te verdwijnen.

Wie sedert 1908 gunst of voordeel zocht in Turkije, moest die afdwingen
of afbedelen van het Comité. Dit kon, zooals ook onze Duitsche
schrijvers opmerken, Duitschland niet dadelijk vertrouwen, daar de
vrijzinnige Turken, die vóór de revolutie hun land ontvloden, in
Duitschland geweerd werden ter wille van den bevrienden despoot. Toen
Oostenrijk van de algemeene verwarring na de revolutie gebruik maakte,
eerst om Bulgarije geheel van Turkije te helpen losmaken, daarna om
zelf een stuk Turksch gebied te annexeeren, stak Duitschland geen
vinger uit om zijn bondgenoot van die voor Turkije zoo pijnlijke
amputatie terug te houden. Later nam Italië Tripoli, en Turkije kon
Duitschlands verdienste, de eenige in den driebond te zijn, die niets
wegnam, maar half waardeeren, omdat het de natuurlijke beletselen
van zulk eene toeeigening even goed kende als ieder ander. Waar zulke
beletselen niet bestonden, nam Duitschland even gretig zijn deel als
de anderen, en in Afrika heeft het zelfs twee millioen Mohammedanen
aan zijn gezag onderworpen, een gezag, dat door de betrokkenen toch
niet minder tyranniek gevonden zal worden dan de Britsch-Indische
en Noord-Afrikaansche Mohammedanen volgens Soeltan Mehmed Resjâd en
volgens Becker het Britsche en het Fransche bestuur vinden.



Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika.

Nu moge Becker zeggen: die Mohammedanen hadden wij al toen onze groote
ingenomenheid met Turkije en den Islâm begon, en bovendien tellen
die pikzwarte Moslims zelfs in de oogen van Turken en Arabieren
maar voor half, maar dat is geen ernstig antwoord op de bedenking,
te minder daar de Islâm die geringschatting der negers niet alleen
theoretisch verwerpt, maar ook practisch voor begaafde negers in de
Moslimsche maatschappij alle wegen steeds veel wijder opengestaan
hebben dan in Christelijke landen. Wel heeft Becker de verdrukte
Mohammedanen, die nu door Duitschland geholpen moeten worden, slechts
op 150 millioen begroot, zoodat alleen Rusland, Engeland en Frankrijk
als de verdrukkers gelden, maar de Soeltan heeft in zijn manifest
de volle 300 millioen, waarop de Keizer de Islâmbelijders taxeerde,
als te bevrijden verdrukten aangeduid, en dus bij vergissing de twee
millioen Duitsche onderdanen, en de Moslims onder Oostenrijksch en
Italiaansch gezag, om niet meer te noemen, meegeteld.

In den Balkanoorlog stond Turkije's zelfstandigheid zeker niet minder
ernstig op het spel dan thans vóór de verklaring van den djihâd het
geval was; maar ook toen heeft het van zijn Duitschen vriend weinig
steun ondervonden. Grothe merkt op, dat het moeielijk geweest zou zijn,
in Duitschland voor de Turksche zaak alléén het voor een oorlog noodige
enthousiasme te wekken, terwijl dit nu, waar het tegen de concurrenten:
Engeland en Rusland gaat, zoo gemakkelijk valt. Men zal dan toch moeten
toegeven, dat het effect van de beide bezoeken van Keizer Wilhelm
aan den Soeltan, waarmee volgens Becker en Grothe de welbewuste
Islâmpolitiek van Duitschland werd ingeluid, zich niet geleidelijk
ontwikkeld heeft, dat het lang bijzonder latent is gebleven.



De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer op het
protectoraat over Turkije.

Al deze herinneringen mogen het ietwat eenzijdig karakter der Duitsche
belangenpolitiek nog duidelijker doen uitkomen dan dit in geschriften
als die van Becker en Grothe al geschiedt, zij nemen de mogelijkheid
niet weg, dat bij de tegenwoordige politieke constellatie Turkije
door het bondgenootschap met Duitschland ook zelf groot gewin kan
erlangen. Maar, stellen wij ons dan die toekomst voor, zooals de
Duitsche schrijvers haar wenschen, dan komt de zaak, naakt ontkleed,
toch hierop neer, dat Turkije, door Duitschland verlost van alle
lastige inmenging van Engeland, Frankrijk en Rusland, komt te
staan onder Duitsche voogdij, dat het met zorgvuldige vermijding
van den naam, zal worden een Duitsch protectoraat. Zijn leger, zijn
bestuur, zijne finantiën, alles zal door Duitschland grondig hervormd
moeten worden. De verhouding zal slechts in vorm verschillen van het
protectoraat van Frankrijk over Marokko of van dat van Britannië over
menig Mohammedaansch vorstendom in Indië. Het heeft in Duitschland,
in kalmere tijden, nooit ontbroken aan warme lofredenaars op de
wijze, waarop Engeland in Indië, Frankrijk in Noord-Afrika hunne
Mohammedanen bestuurden, al ontbrak het natuurlijk ook nooit aan
critiek en aan ergernis, wanneer Duitsche belangen in het gedrang
kwamen. Men sprak van de pax Britannica en van de pax Gallica, die in
de plaats gekomen waren van de vroegere onveiligheid, verwarring en
corruptheid. Zelfs Engelands werk in Egypte werd gewaardeerd, en men
vernam gunstige oordeelvellingen over de Islâmpolitiek van Rusland
in Centraal-Azië. Wij hebben geene reden om van een protectoraat der
Duitschers over Turkije minder gunstige resultaten te verwachten,
ja het zou zelfs kunnen zijn, dat zij vele fouten hunner voorgangers
wisten te vermijden, en dat de uitkomst den Turkschen landen ten zegen
werd. Maar zeer zeker zouden zij ondervinden, dat de dankbaarheid
der Turken ophield, wanneer het volstrekt onvermijdelijke ingrijpen
goed begon, ook al mocht men de voorgenomen geleidelijkheid daarbij
niet uit het oog verliezen.



Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en thans:
Marquart, Hartmann, Becker.

Overigens zijn, of waren althans vóór dezen oorlog, de meeningen
van Duitsche deskundigen over Turkije en over den Islâm, met
name over beider vatbaarheid voor hervorming, lang niet algemeen
dezelfde, die thans door Grothe en Becker warm verdedigd worden
[7]. Prof. Jos. Marquart, thans hoogleeraar te Berlijn, spot in
het Vorwort van zijn werk "die Beninsammlung des Reichsmuseums für
Völkerkunde in Leiden" (1913) met "die angebliche Rolle des Islâms als
Kulturträger", en met bijtende ironie spreekt hij van de "Segnungen des
Dschihâd, des zur religiösen Pflicht gemachten Raubmordes auf dem Pfade
Allahs", d. i. dus die plicht, die thans door Duitschland aan Turkije
weer is ingescherpt. Niet alleen in Duitsche zendingskringen werd
de Islâm als de vijand beschouwd, dien men bovenal bestrijden moest,
maar op een Duitsch Kolonialkongress werd de resolutie aangenomen: "Da
von der Ausbreitung des Islam der Entwicklung unserer Kolonien ernste
Gefahr droht, rät der Kolonialkongress zu sorgsamer Beachtung, etc."

Prof. Martin Hartmann, die de Islâm-wetenschap aan het Seminar für
Orientalische Sprachen te Berlijn doceert en wiens vruchtbare pen tal
van lezenswaarde geschriften over den Islâm en over Turkije leverde
[8], wordt niet moede erop te wijzen, dat de Moslims vooral door de
instellingen van den Islâm, die de vrouw veracht en andersdenkenden
verfoeit, van deelname aan de cultuur weerhouden worden. Hij
noemt het chalifaat der Osmanensoeltans eene aanmatiging, die zij
alleen met geringschatting der heilige traditie konden plegen, een
"Agitationsmittel" een "bequemes Mittel, in den Augen der Islamwelt
als eine Art Fetisch zu dienen", zegt, dat "diese Doppelstellung (van
den Soeltan-Chalief) von den Kulturstaaten nie anerkannt worden ist",
en dat het eerlijk opgeven van dien titel Turkije veeleer versterken
dan verzwakken zou. Natuurlijk is ook hij over den heiligen oorlog
niet goed te spreken. Hierover schreef hij opzettelijk, toen het woord
djihâd in den strijd met Italië over Tripoli te berde werd gebracht
door sommige Turken, en gebruikt daarbij deze thans weer actueele
uitdrukking: "...... die Androhung des Heiligen Krieges, d. h. des
Kampfes gegen alle Ungläubigen, ausgenommen die vom Leiter des Islam
der Gemeinde ausdrücklich als Freunde des Islam bezeichneten. Dieser
Gedanke ist Wahnwitz". Daar de zetel van de agitatie toen te Berlijn
was, voegt hij hieraan toe: "Es sei hiermit gewarnt, durch Erregung
des religiösen Fanatismus Unruhe herbeizuführen. Gegen jeden solchen
Versuch werden alle Kulturstaaten einmütig zusammenstehen". Vellen
druks van denzelfden inhoud zou ik kunnen aanhalen; tot slot nog dit
eene: "Der Islâm ist eine Religion Hasses und des Krieges. Es darf
unter keinen Umständen geduldet werden, dass er in einem Staate der
Kulturmenschheit das normgebende Prinzip ist".

Minstens even talrijke uitspraken van denzelfden schrijver zou ik
kunnen citeeren, die den indruk geven, dat de Turken de minst geschikte
natie van het Turkenrijk zijn om iets goeds voor de ontwikkeling van
hun land te doen. Overal, waar het Turkenelement zich aan andere
Mohammedanen met het zwaard opdrong, heeft het "den Kulturbesitz
vernichtet und an kulturellen Werten nichts, absolut nichts
geschaffen". Hun religieuze eigenwaan is nog onverdragelijker dan
hun nationale. De Turken van Constantinopel zijn "ein schauderhaftes
Gesindel", en de "biedere Anatolier" (die ook bij Grothe voorkomt)
een product der legende. En zulk eene minderwaardige natie "will
in dem grossen Reiche von Skutari und Prevesa bis Wan und Basra das
herrschende Element sein!"

Prof. Hartmann heeft een bijzonder levendig temperament, en ik denk
er niet aan, zijne meeningen te onderschrijven of zijne uitdrukkingen
van overdrijving vrij te pleiten. Maar in zaakkennis staat hij verre
boven Grothe, en wat Turkije betreft, ook boven Becker, naast wien hij
de hoofdvertegenwoordiger der Islâm-studie in Duitschland is. Trouwens
Becker zelf heeft zich vroeger, zij het in gematigder vorm en ietwat
anders genuanceerd, over de Islâm-quaestie ongeveer in denzelfden
zin uitgelaten. Becker heeft natuurlijk zelf het eerst den strijd
gevoeld tusschen zijn medeschermen, in zijne jongste geschriften, met
de begrippen chalief en djihâd en zijne in vroegere tijden van rustigen
wetenschappelijken arbeid uitgesproken meeningen. Zelf herhaalt hij de
slotphrase van eene in 1910 door hem te Parijs gehouden voordracht:
"Si la solidarité de l'Islam est un phantôme, la solidarité de la
race blanche est une réalité", maar thans om den indruk dier woorden
te verzwakken, en ze te beperken tot den Islâm der negers in Afrika,
die het hoofdonderwerp zijner rede vormden. Waarschijnlijk heeft
geen der hoorders die beperking begrepen, daar aan de geciteerde
woorden deze onmiddellijk voorafgingen: "de vrees, dat de eene
mogendheid zich met den Islâm zou verbinden om de plannen der andere
te dwarsboomen, schijnt mij niet zeer gegrond". Bovendien had Becker
vroeger, bijv. in 1904 in een artikel over het Panislamisme [9] de
panislamitische gedachte als in strijd met de wezenlijke belangen
van Turkije voorgesteld, "Die Jungtürken hatten gehofft (na den
Russisch-Turkschen oorlog van 1878) durch ihre Reformen gerade
jenes religiöse Moment auszutilgen, das den Sultan in erster Linie
zum Chalifen, zum Vorkämpfer des Islam machte und so eine gesunde
Entwicklung des doch zum grossen Teile aus Christen bestehenden
Otmanischen Reiches ausschloss". En in de Duitsche vertaling [10] der
zooeven genoemde in 1910 te Parijs gehouden voordracht komt nog het
volgende voor: "Das Kalifat des Sultans von Konstantinopel war bis zur
jungtürkischen Revolution der Ausgang der türkischen Islampolitik. Zwar
hat die junge Turkei die Kalifatansprüche nicht aufgegeben, aber wenn
sie sich überhaupt zu einem Verfassungsstaat entwickeln will, wird
sie möglichst wenig Gebrauch davon machen mussen..... Eine starke
Türkei wird selbstverstandlich nie die politische Oberhoheit über
die islamischen Untertanen anderer Mächte beanspruchen....."



Beckers recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer Wilhelm
aan Turkije.

In zijne recente brochure "Deutschland und der Islam" erkent trouwens
Becker zijne onlangs tot stand gekomen bekeering en de onjuistheid
van zijn vroeger jarenlang gekoesterd inzicht. Zoowel hij als Grothe
staan uitvoerig stil bij de twee bezoeken (1889 en 1898) van Keizer
Wilhelm aan den Soeltan Abdoel-Hamied, de tweede maal gecombineerd
met hetgeen Grothe noemt "eine politische Pilgerfahrt nach dem
Heiligen Lande". De wereld heeft die bezoeken, waarvan het eerste
een jaar na de verleening der Anatolische spoorwegconcessie, dus
in 1889, plaats greep, beschouwd als overluisterrijke demonstraties
van de industrieele en commercieele belangstelling van Duitschland
in Turkije. De wijze van uitvoering gaf velen, ook in Duitschland,
aanleiding tot schouderophalen. Vooreerst scheen Abdoel-Hamied,
de "bloeddrinkende" tyran, aan wiens misdaden toch reeds de groote
mogendheden min of meer medeplichtig werden door hetgeen Bérard, en
Martin Hartmann met hem, "la conspiration du silence" noemden, een
vreemd gekozen object voor de zóó hartelijke vriendschapsbetuiging,
die als herinnering te Constantinopel eene plompe, volgens deskundigen
met allen kunstsmaak spottende fontein achterliet. Verder was de indruk
van het bezoek op de Moslimsche wereld geenszins de bedoelde. Wel
vond men het merkwaardig, dat de monarch van een machtig Europeesch
rijk den Soeltan tweemaal zijne hulde kwam bewijzen, te meer, dat
men wist, dat geene tegenbezoeken van den Soeltan daarop volgden; de
bezoeker deed zich dus aan de Oostersche voorstelling als den mindere
kennen, en eenvoudige Mohammedaansche zielen, die hunne kennis van
de wereldkaart en van de wereldgeschiedenis meer uit de legende dan
uit de werkelijkheid putten, zagen daarin eene bevestiging hunner
opvatting, dat de heele aarde aan den machtigsten Moslimschen soeverein
onderworpen is en dat alle andere vorsten zijne, zij het dan deels zeer
ongehoorzame, vasallen zijn. Tot den roem van Duitschland in het Oosten
droegen die huldebewijzen allerminst bij, wat ook vleiers daarvan aan
Duitsche reizigers op den mouw mochten spelden. Den allerzonderlingsten
indruk echter maakte op alle kenners van den Islâm de toespraak,
die de Keizer op zijne tweede reis (1898) te Damascus bij het graf
van Saladijn hield, waar hij tevens eene krans deponeerde.



De rede op het graf van Saladijn.

Saladijn is in Europa door de geschiedenis der Kruistochten en vooral
door Lessing populair geworden; in het Mohammedaansche Oosten is zijn
naam lang vergeten, behalve bij de weinige beoefenaars van geschiedenis
en letterkunde. Dezen kennen hem als een gewetenloos politicus, die
door ontrouw en verraad tot hooge macht is opgeklommen, en wien men
veel vergeeft omdat hij een streng orthodox kafirhater geweest is;
niet als het toonbeeld van 18de-eeuwsche verdraagzaamheid, dat Lessing
in zijnen Nathan van hem maakte. Op het graf dan van dezen hater des
Christendoms sprak de Keizer van een wereldrijk, dat, zooals Becker
herinnert, het Christendom tot staatsgodsdienst heeft, deze woorden:
"Die dreihundert Millionen Mohammedaner, die in der Welt zerstreut
sind, mögen dessen versichert sein, dass ewig [11] der Deutsche
Kaiser ihr Freund sein wird". Dit gedeelte der vertooning heeft
in de Moslimsche wereld even weinig blijvenden indruk gemaakt als
Saladijn zelf, en Duitsche geleerden namen er destijds hoofdschuddend
kennis van. Nu doen zij echter plotseling opgeld: Grothe en Becker
geven er hunne exegese van, en men heeft er de Turken zoo krachtig
aan herinnerd, dat Nazim-bey ze in zijne toespraak aan den Duitschen
Gezant citeerde, en dat de Soeltan er bij vergissing de inmiddels reeds
vaak verbeterde, en in ieder geval sterk verouderde volkstelling der
Mohammedanen uit overnam in zijn manifest.

Becker heeft tot voor korten tijd, "aus Unkenntnis" zooals hij het
thans verklaart, deze "Betonung des Kalifentitels durch Deutschland
als einen Fehler beurteilt", maar nu, na hetgeen Fürst von Bülow in
"Deutschland unter Kaiser Wilhelm II" uiteengezet heeft, ziet hij
daarin met blijdschap de eerste krachtige uiting van eene "bewusste
deutsche Islampolitik" en het bewijs, "dass die deutsche Politik
von Anfang an mit dem Islam als internationalem Factor gerechnet
hat". Beckers wetenschappelijke geweten is bij deze bekeering en
bij zijne verdediging der opname van het chalifaat onder de factoren
der internationale politiek niet zoo gerust als dat van Grothe, die
van het groteske dezer Islâmpolitiek niets schijnt te voelen. Becker
zegt althans, dat hij over de verhouding van Turkije tot den Islâm
niet geacht wil worden eenig oordeel te hebben uitgesproken, dat
hij zich ertoe bepaalt, te constateeren, dat die verhouding bestaat,
dat nu eenmaal millioenen ontevreden Mohammedaansche onderdanen van
Europeesche staten hunne redding van Turkije verwachten, en dat het
uur voor Duitschland gekomen is om van die stemming partij te trekken.



Redding van Turkije! Het rijk, waarvan Martin Hartmann nog kort geleden
zeide, dat "die Ausschaltung der islamisch-türkischen Herrschaft
aus Europa bevorsteht"; of elders, dat "schon längst über sie (die
Türkei) hätte verhängt werden sollen: die Stellung unter Kuratel", of
nogmaals: "so tritt nur schneller das ein, was doch einmal kommen muss:
das Entfallen der politischen Macht aus den Händen des absterbenden
Türkentums"; van Turkije, dat volgens Becker herboren moet worden en
onder krachtige leiding van Duitschland omgeschapen tot een modernen
cultuurstaat, hetgeen hij eenige jaren geleden slechts dan uitvoerbaar
verklaarde, wanneer de chalifaatsidee of geheel werd opgegeven of
zoo weinig mogelijk naar voren gebracht werd!



Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van Moslimsch
fanatisme.

Hoe komt het, dat nu opeens voor Turkije mogelijk wordt geacht,
wat tot dus dusver als eene ongerijmdheid werd terzijde gesteld, dat
thans voor dat rijk als nuttig wordt aangeprezen datgene, waarin men
tot vóór korten tijd zijn zekeren ondergang gelegen achtte? Hartmann
heeft, toen hij in zijn "Ultimatum des Panislamismus" de agitatoren
geeselde, die aan het Turksch-Italiaansche conflict het karakter van
eenen godsdienstoorlog wilden geven, meteen de scherpste critiek,
die men zich denken kan, geleverd van de tegenwoordige poging van
Duitschland om het middeleeuwsche fanatisme der Mohammedaansche wereld,
dat aan het uitsterven was, nieuw leven in te blazen. "Die Türkei
kann nur ausrufen: "Himmel bewahre mich vor meinen Freunden!"" zeide
hij toen terecht. En wat moet Turkije nu uitroepen, nu zijn beste
vriend hem prikkelt tot eenen wereldgodsdienstoorlog, en hem alvast
de Mohammedaansche krijgsgevangenen, die tegen Duitschland vochten,
uitlevert om hen te onderwerpen aan eene godsdienstig-politieke
bekeeringskuur?

Wij kunnen dit alles slechts toeschrijven aan de jammerlijke verstoring
van het evenwicht, ook in de geestelijke atmosfeer van hetgeen wij
de beschaafde wereld plachten te noemen. Immers, in normale tijden
kennen wij de Duitschers als veel te bezonnen en te logisch om den
enormen onzin te verduwen, dat hetgeen in het algemeen als een schande
voor de menschheid en als eene ramp voor Turkije zou gelden, goed en
aanbevelenswaardig wordt, zoodra Duitschland zich achter of naast
de Halve Maan plaatst. Wij weten van niet vele der tegenwoordige
verschrikkelijke gebeurtenissen, waarop zij zullen uitloopen, maar
dit meen ik nu reeds met zekerheid te mogen voorspellen, dat binnen
niet langen tijd tal van Duitsche geschriften zullen getuigen van
de ook in Duitschland ontwaakte ergernis over het onwaardige spel,
dat thans met het chalifaat en den heiligen oorlog gespeeld wordt.

Gewaagd zou het zijn, nu de feiten zoo spoedig hunne onweerlegbare
taal zullen spreken, te willen voorzeggen, in hoeverre de poging
om een Mohammedaanschen godsdienstoorlog op groote schaal te doen
ontvlammen en daarmede onafzienbare verwarring der internationale
verhoudingen te doen ontstaan, slagen kan. Hartmann heeft die
mogenlijkheid indertijd met volle overtuiging betwist: ".... sobald
die Vertreter der verschiedenen islamischen Gruppen über gemeinsame
Schritte beraten, zeigt sich die ungeheure Verschiedenheit der
völkischen, wirtschaftlichen und geistigen Tendenzen, die sich
unter den zweihundert Millionen Muslimen finden" zeide hij. Becker,
die vroeger "die Solidarität des Islam ein Phantom" noemde, zegt nu:
"Der grosse Krieg, der so viel aufdeckt und entscheidet, wird auch den
Beweis erbringen, ob der so oft besprochene internationale Zusammenhang
des Islam ein realer Faktor ist oder ein Hirngespinst".

Zeker zal het, indien Duitschland bij zijne "Islampolitik" van dit
oogenblik volhardt, niet ontbreken aan allerlei maatregelen om in de
Mohammedaansche wereld bekendheid te geven aan de geschiedenis van het
ontstaan dier politiek en aan de nieuwe verhouding van vasal, waarin
de herboren Soeltan-Chalief zich tegenover Duitschland geplaatst zou
zien, wanneer de Duitsche idealen verwezenlijkt werden. Tegen eenen
Heer der Geloovigen onder eenen ongeloovigen voogd zullen echter
ook Mohammedanen van den ouden stempel, die anders mogelijk dupen
van de comedie zouden worden, hunne ernstige bedenkingen hebben. Het
hoofdargument voor de aanspraak der Osmanen-soeltans op den titel van
Chalief was hun zwaard, maar niet een zwaard, dat getrokken en in de
scheede gestoken werd op de bevelen van een ongeloovigen "bondgenoot".



Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog.

Uit vertrouwbare bron vernam ik onlangs, dat de drukkerij van het
Turksche dagblad Tanîn een pamflet over den heiligen oorlog heeft
uitgegeven en verspreid, waarin ook de Mohammedaansche onderdanen van
staten, die ten opzichte van den tegenwoordigen oorlog neutraal zijn,
tot verzet tegen hunne regeeringen opgehitst worden. O. a. moet daarin
sprake zijn van de veertig millioen Mohammedanen, die gebukt gaan onder
het juk der halfbeschaafde Hollanders. Hierdoor is zeker gehandeld
tegen de bedoeling van den Duitschen voogd; maar slechte hartstochten
laten zich gemakkelijker opwekken dan binnen perken houden.

Gelukkig behoeven wij ons over onze Nederlandsch-Indische
Mohammedanen niet bezorgd te maken. Zij namen den Islâm aan,
toen het Turksche rijk reeds bestond, maar zonder dat Turkije er
iets van bemerkte, en zij hebben met het rijk der Halve Maan nooit
eenige aanraking gehad. De Soeltan van Roem, zooals zij den Grooten
Heer van Constantinopel noemen, is voor hen een legendarisch wezen
gebleven. De panislamitische gedachte is wel naar den Oost-Indischen
Archipel overgewaaid, maar heeft er slechts weinig vatbaren bodem
gevonden. De groote massa der lagere klassen bleef onaangedaan, en de
meerderheid der hoogere standen is tegenover dit religieus-politieke
mengsel van bedrog en zotheid volslagen immuun. En wij mogen gegronde
hoop koesteren, dat die immuniteit zich steeds zal uitbreiden. Want,
heeft Duitschland pas onlangs met de door ons aangeduide vertooningen
zijne "bewusste Islampolitik" geinaugureerd, wij hebben al eenige
jaren langer tegenover de door de geschiedenis aan onze zorgen
toevertrouwde Inlandsche bevolking onze welbewuste opvoedingspolitiek,
en dáártegen zijn chalifaat en heilige oorlog en andere middeleeuwsche
ongerechtigheden gelukkig machteloos. Wanneer wij maar onwrikbaar
vasthouden aan de sedert eeuwen aan onze Mohammedanen gewaarborgde
volledige godsdienstvrijheid en tevens de ingeslagen richting van
educatie in steeds sneller tempo blijven volgen, dan behoeven wij de
eigenaardige soort van "geistige Waffen", die thans voor het eerst
met het merk "made in Germany" in omloop gebracht worden, nooit te
vreezen. Toch blijven wij in het belang der menschheid hopen, dat
Duitschland eerlang dit nieuwe product uit den handel terugneemt.



De heilige oorlog van den Islâm is, zooals wij meermalen herinnerden,
een door en door middeleeuwsch instituut, waaraan zelfs de
Mohammedaansche wereld bezig was te ontgroeien. Ééne eigenaardigheid
van dit instituut kunnen wij ongeveinsd bewonderen: heilige oorlog
tegen medeleden der Mohammedaansche gemeenschap is door de wet van
den Islâm absoluut uitgesloten. De beperking van de levensgemeenschap
tot Mohammedanen, tot hen, die hetzelfde dogma over het Hiernamaals
belijden, is middeleeuwsch, maar de beschouwing van strijd binnen de
sfeer der levensgemeenschap als goddeloos biedt een voortreffelijk
aanknoopingspunt voor de hoogste sociale beschaving en is voor de
moderne wereld ietwat beschamend. Hooren wij, wat Martin Hartmann in
zijn opgewonden toon daarover schreef: "Im Gegensatze zum Islam, wo
grundsätzlich der Krieg auf den Kampf gegen die Andersgläubigen als
"Ungläubige" beschränkt ist, wird in den christlichen Ländern an dem
Kriege gegen Glaubensgenossen von niemand Anstoss genommen, und hier
sind nicht selten die Diener der Kirche der Liebe die Eifrigsten im
Schüren, also in der Verleugnung des Evangeliums; sie prästieren auf
Kommando die patriotische Geberde, die in diesem Falle eine Verletzung
des fünften Gebotes darstellt, nicht zu sprechen von jenem andern:
Du sollst deinen Nächsten lieben als dich selbst".

Inderdaad, in den Islâm behoeft men slechts de middeleeuwsche beperking
van het volledige bestaansrecht tot de geloofsgenooten op te heffen,
en de levensgemeenschap tot de gansche menschheid uit te breiden,
om den algemeenen wereldvrede tot een absoluut voorschrift der
Moslimsche wet te stempelen. Voor moderne staten, die Mohammedanen
als onderdanen, beschermden of bondgenooten hebben, is de schoone
taak weggelegd om dezen, en zichzelve tevens, tot die hooge opvatting
der menschelijke samenleving op te leiden; liever dan hen in eigen
belang terug te voeren in de wegen van middeleeuwschen geloofshaat,
die zij juist bezig waren te verlaten.



AANTEEKENINGEN


[1] Dit bedrag moet thans 1914 aanzienlijk hooger gesteld worden,
daar in de allerlaatste jaren het aantal dergenen, die jaarlijks uit
Nederlandsch-Indië aan den hadj deelnemen, ongeveer verdubbeld is.

[2] "Eenige Arabische strijdschriften besproken" (Tijdschrift van
het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, Deel XXXIX,
blz. 379-427).

[3] In "De Gids" van Januari 1909 deed ik verslag van mijne daar
opgedane ervaringen.

[4] Grothe werd op zijne reizen door Turken telkens in zijne
hoedanigheid van Duitscher als "onze vriend" aangeduid, hetgeen hij
met bizim dost in plaats van dostumuz weergeeft, en als Turksch
voor Duitscher schrijft hij steeds Alemanly in plaats van Alman
of Almanjaly.

[5] Zij zijn, in het Turksch afgedrukt, te vinden in Beckers
tijdschrift "Der Islam", Bd. V, Heft 4, met vertaling, en in
M. Hartmanns "Islampolitik" in "Koloniale Rundschau", 1914, Heft 11-12,
met vertaling en uitvoerige toelichting. In dit laatste artikel, dat
mij eerst na het afdrukken der eerste uitgave van dit opstel onder
de oogen kwam, maakt ook Hartmann tabula rasa van veel van hetgeen
hij vroeger over den Islâm en de Turken geschreven heeft, en toont
zich, met een zeker voorbehoud, bekeerd tot den heiligen oorlog niet
alleen, maar verwijt aan anderen, dat zij vroeger zoo gedacht hebben
als hij zelf deed. Hij merkt op, dat de woorden van Keizer Wilhelm
bij het graf van Saladijn te meer indruk moesten maken, omdat de
Mohammedanen vroeger niet veel dergelijks te hooren kregen. "Die
anderen Grossmächte haben fast immer nur verächtliche Worte für
die Türken und den Islam gehabt, zum Teil haben verantwortliche
Staatsmänner sich mit einer Schärfe gegen den Islam ausgesprochen,
die aus dem beschränkten Gesichtskreis, in dem sie aufgewachsen sind,
und der ihren Lande mit seinem Dünkel der Gottesstaatsidee eigen
ist, zu erklären, aber nicht zu entschuldigen ist. Wir haben nicht
den geringsten Grund, von der bisher beobachteten Haltung abzugehen,
etc." Deze woorden, uit de pen van een geleerde, van wiens ontelbare
uitspraken tegen Turkije en den Islâm in de volgende bladzijden eene
kleine bloemlezing gegeven wordt, zouden ons tot stomme verbazing
brengen, als niet zoovele andere verschijnselen ons met de psychose
van den oorlog vertrouwd gemaakt hadden.

[6] Het behoort tot eene lange reeks van "Politische Flugschriften",
die door Ernst Jäckh worden uitgegeven, en waartoe alweder Fürst
von Bülow en andere beroemdheden bijdragen leveren. Becker gaf
verder in de verzameling "Bonner Vaterländische Reden und Vorträge
während des Krieges" eene voordracht over "Deutsch-Türkische
Interessengemeinschaft", in de Süddeutsche Monatshefte een opstel
"England und Egypten", en in "Das Grössere Deutschland" een artikel
"England und der Islâm".

[7] Wij citeeren hier slechts enkele uitlatingen van oriëntalisten,
en laten de vele gelijksoortige uitspraken van geleerden, wier
studievakken hen slechts van ter zijde met het Oosten in aanraking
brachten, zooals bijv. H. von Treitschke, ter zijde.

[8] Ik geef hier eene kleine bloemlezing van titels van M. Hartmann's
geschriften, uit de allerlaatste jaren: "Der Islam 1908" (in:
Mitteilungen des Seminars für Orient. Spr. in Berlin, Jahrg. XII,
Abt. II, 1909), "Die Arabische Frage", Leipzig 1909, "Der Islam",
Leipzig 1909, "Die neuere Literatur zum turkischen Problem"
in: Zeitschrift für Politik 1909, "Unpolitische Briefe aus der
Türkei", Leipzig 1910, "Islam, Mission und Politik", Leipzig 1912,
"Fünf Vorträge über den Islam", Leipzig 1912, "Das Ultimatum des
Panislamismus" (over den heiligen oorlog tegen Italië) in: Das Freie
Wort Jahrg. XI, No. 16, "Mission und Kolonialpolitik" in: Koloniale
Rundschau, Heft 3, März 1911.

[9] "Panislamismus" (in: Archiv für Religionswissenschaft, Bd. VII,
1904).

[10] "Der Islam und die Kolonisierung Afrika's" in: Internat.
Wochenschrift für Wissenschaft, Kunst und Technik, 19 Febr. 1910.

[11] Wel een passend attribuut voor politieke vriendschap!





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Nederland en de Islâm" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home