Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Albrecht Dürer - Een levensbeeld
Author: Stein, Armin
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Albrecht Dürer - Een levensbeeld" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                             ALBRECHT DÜRE.
                            EEN LEVENSBEELD


                                  DOOR

                              ARMIN STEIN
                           (H. NIETSCHMANN.)


                                NIJKERK
                           G. F. CALLENBACH.



VOORREDE.


Het is noodzakelijk de beide dwalingen, die aangaande Albrecht Dürer
in den loop der tijden in omloop zijn gekomen, uit den weg te ruimen,
voordat ik een trouw beeld van zijn leven schets. Ten eerste beweert
men, dat Dürer arm is geweest en ten tweede wordt zijn vrouw voor
een Xantippe uitgemaakt.

Het een noch het ander is waar. Het zijn verzinsels, waarvan men
tijdens Dürers leven nooit heeft gehoord, en die een eeuw na zijn
dood zijn bedacht.--Maar uit welke bron heeft men ze geput?

Wat Dürers gewaande armoede betreft, hebben enkele losse gezegden,
in scherts door hem bedoeld, doch door de menschen in ernst opgevat,
daartoe aanleiding gegeven en ofschoon hij wel eens in geldverlegenheid
is geweest--welke kunstenaar is dat nooit!--heeft hij toch geheel
onbezorgd kunnen leven en eindelijk zelfs een groot vermogen nagelaten.

Maar dit is de kleinste dwaling uit den weg geruimd. De tweede is
van ernstiger aard: men zegt, dat zijn vrouw door haar heerschzucht,
gierigheid en gebrek aan inzicht zijn huiselijk leven zeer heeft
verbitterd. Hoe is men daaraan gekomen? De oorsprong van dezen
schandelijken laster is uitsluitend een brief van Wilibald Pirkheimer,
dien men in de 17de eeuw heeft gevonden in het stadsarchief van
Neurenberg en dien hij twee jaar na Dürers dood aan Johan Tscharte
heeft geschreven. Pirkheimer was op zijn ouden dag met iedereen
in onmin geraakt, en leefde eenzaam en verlaten. Door podagra en
galsteen gekweld, was hij een eigenzinnig, lichtgeraakt, ontevreden
grijsaard geworden, die alleen leefde voor zijn eenigen hartstocht:
het verzamelen van kostbare zaken. Het was Pirkheimers vurige wensch,
de beide geweien uit Dürers nalatenschap, geschenken van den Keurvorst
Frederik van Saksen, in bezit te hebben en hij stortte al zijn toorn
over Dürers weduwe uit, toen zij over deze prachtexemplaren op andere
wijze beschikte. Dat was in Pirkheimers oogen zulk een misdaad,
dat hij, door schandelijke belastering in een brief aan zijn vriend,
lucht gaf aan zijn woede.

Trouwens 't is niet alleen Dürers vrouw, Agnes, die in dezen brief
wordt belasterd, ook Lazarus Spengler, die schitterende ster in
de Hervormingsgeschiedenis krijgt zijn deel, en wordt in zulk een
slecht licht geplaatst, dat ieder met verachting zich van hem zou
moeten afwenden. En waarom zou men, nu er toch wel niemand zal worden
gevonden, die ter wille van dien brief de geschiedenis der Hervorming
zou willen verbeteren en dezen edelen man naar die lasterende woorden
beoordeelen, op gezag van dienzelfden brief het beeld bezoedelen
eener vrouw, die gedurende haar leven om haar eerbiedwaardigheid en
huiselijke deugden aller achting heeft verworven?

Maar zoo is de laster; onverstoorbaar gaat hij voort, al verder en
verder, al wordt hij ook duizendmaal aan de kaak gesteld. Doch na al
hetgeen Thausing, die beter dan eenig ander Dürer heeft bestudeerd,
in zijn werk over den meester heeft gezegd, moet de waarheid duidelijk
zijn geworden en de smet, die het beeld dezer edele, achtenswaardige
vrouw aankleefde, zal daardoor moeten verdwijnen.


Armin Stein.

Halle a/z Dec. 1891.



INHOUD.


        Hoofdst.                                      Bladz.

        I.      In het schemeruur                         1
        II.     Castor en Pollux                          8
        III.    Op school                                16
        IV.     In vaders werkplaats                     27
        V.      Bij Meester Wolgemut                     38
        VI.     Het afscheid                             48
        VII.    In den vreemde                           53
        VIII.   Vervulde wenschen                        67
        IX.     Het huwelijks leven                      76
        X.      Hulp bij den arbeid                      83
        XI.     Voornaam bezoek                          89
        XII.    De prediker in de woestijn               98
        XIII.   Vriendentrouw                           110
        XIV.    Kinderlijke liefde                      123
        XV.     Tot grooter volkomenheid                130
        XVI.    Een dubbel afscheid                     138
        XVII.   Nogmaals te Venetië                     146
        XVIII.  Bedwelmende wierook                     160
        XIX.    Op het toppunt van roem                 166
        XX.     Schilder en dichter                     181
        XXI.    Kunstenaar en Keizer                    189
        XXII.   Smart en vreugde                        198
        XXIII.  Uit de duisternis tot het licht         206
        XXIV.   Te Augsburg                             219
        XXV.    Bevredigd verlangen                     229
        XXVI.   Een spotschrift                         236
        XXVII.  In de Nederlanden                       242
        XXVIII. Een lijkzang                            255
        XXIX.   Neurenberg boven alles                  261
        XXX.    Ook een hervormingspreek                255
        XXXI.   Kunstenaar en geleerde                  277
        XXXII.  Naar een beter vaderland                281



HOOFDSTUK I.

IN HET SCHEMERUUR.


De dag liep ten einde. Een flauw rosse gloed tintte nog slechts even
den hemel en grijzige nevels hulden de stad Neurenberg als in een
sluimerwade. Het was de 21e Mei van het jaar 1477 en een ijzig koude
dag. Men had dit jaar niets gemerkt van de heerlijkheid der Meimaand:
de vroege bloempjes hadden bitter geleden door de nachtvorst en de
menschen verzamelden zich om het haardvuur, dat weldadig aandeed.

De schemering was bijna duisternis geworden in het woonvertrek van
het huis, gelegen in de straat, die men "onder de veste" noemde en
die steil naar de burcht [1] der vrije Rijksstad liep. Er was bijna
niets meer te onderscheiden van de voorwerpen in de kamer: de stevige
pilaar in 't midden, die de bruin geverfde zoldering van planken en
balken schraagde, de ronde eikenhouten tafel om den voet der zuil
aangebracht, de hooge, houten banken, die langs twee der eveneens
met hout beschoten muren stonden, het rek met het aarden vaatwerk,
het groote fornuis van groene tegels, waarin afbeeldingen uit de
legenden der heiligen waren gebrand, daarnaast aan den muur het ivoren
kruisbeeld met het wijwatersbakje er onder, en op den achtergrond de
reusachtige, met ijzer beslagen, kist.

Er heerschte stilte in het vertrek; een plechtige stilte. Op een
der houten banken, die in de vensternis waren vastgemaakt, zat
de heer des huizes, Albrecht Dürer, de goudsmid, een man van even
vijftig jaar. Zijn gelaat, vol uitdrukking, teekende zielsrust en
waardigheid, zijn kleine, lichtbruine oogen hadden een verstandige
en denkende uitdrukking en zijn edel besneden mond verried mannelijke
vastberadenheid.

Tegenover hem zat een jonge vrouw van ongeveer vijfentwintig jaar,
met een gelaat stralend als vriendelijk zonnelicht, met ronde,
zacht blozende wangen, licht blonde, golvende lokken, en heerlijke
blauwe oogen, schitterend als sterren aan den hemel. Dat was meester
Dürers echtgenoot, Vrouwe Barbara. Op haar schoot sluimerde haar
jongstgeborene en aan haar rechterhand stond een knaapje van drie
of vier jaar, terwijl een zesjarige jongen naast zijn vader op de
bank zat.

Op 's meesters knieën lag een groot boek, in bruin leder gebonden
en met zilver beslag, waaruit hij had gelezen bij den huiselijken
avonddienst. Zoo juist waren de knechts en de meid weggegaan en het
gezin zat nog bijeen, in stil gebed verzonken. De meester had het
gebed kort moeten maken, omdat er door de snel invallende duisternis
te weinig licht door de vensters van geolied papier naar binnen viel,
om de woorden te kunnen lezen.

Na eenige oogenblikken zette hij het bruine kapje weer op het hoofd,
dat hij gedurende het gebed had ontbloot en legde de hand op het
krullekopje van zijn oudsten zoon, die naar hem was genoemd.

"Gij zijt heden zes jaar geworden, mijn lieve Albrecht. God behoede
en bescherme u ook op uw verderen levensweg en Zijn genade helpe u
in het vervolg voor ons te blijven, wat gij tot nu toe zijt geweest:
onze troost en vreugde."

De knaap vleide zich aan zijns vaders borst en kuste bewogen diens
hand. Toen trok zijn moeder hem tot zich om hem te liefkoozen en ook
haar zegen te geven. Zij kreeg de tranen in de oogen en haar stem
trilde, toen zij zeide:

"Gij zijt nu onze oudste geworden, Albrecht, nadat God uw ouderen
broeder Johannes en uw zuster Barbara heeft teruggeeischt. Op u rust
nu al onze hoop en ons vertrouwen."

De knaap viel zijn moeder om den hals en kuste haar herhaaldelijk,
terwijl hij de tranen in de oogen kreeg. Daarna wendde hij zich
weer tot zijn vader en keek hem met zijn lieven, onschuldigen blik
vragend aan.

"Wat wenscht gij mijn jongen?" vraagde zijn vader, die de taal zijner
oogen begreep. De kleine jongen drong zich tegen hem aan en sprak:
"Ik wou zoo graag, dat gij mij iets verteldet uit den tijd, toen gij
zelf zoo jong en klein waart, als ik nu ben, en hoe het u later in de
wereld is gegaan. Ik weet zoo weinig daarvan en zou graag alles weten."

"Wel, mijn jongen, dien wensch wil ik vervullen," antwoordde zijn
vader vriendelijk, doch ernstig. "Het is altijd goed het verleden
niet te vergeten en gij zijt nu ook oud genoeg om te begrijpen,
dat het de Heer is, die uws vaders weg heeft bestuurd."

De kleine Albrecht ging nu weer naast zijn vader op de bank zitten en
luisterde, met gevouwen handjes, naar hetgeen deze hem zou vertellen.

"Uit het oosten, uit een land hier ver van daan, ben ik gekomen. Mijn
wieg stond in Hongarije; daar ligt een stad Groszwardein geheeten,
in welker nabijheid het stadje Gyula is gelegen en dicht daarbij het
dorpje Eitas, waar ik geboren ben. Mijn zusje Catherina speelde met
mij toen ik nog in de wieg lag en later heb ik nog twee broertjes
gekregen, waarvan de een, Ladislas, zadelmaker is geworden en de
ander geestelijke. Doch ik kwam bij mijn vader in de leer, om door
hem tot goudsmid te worden opgeleid.

"Toen mijn leerjaren voorbij waren, heb ik den wandelstaf ter hand
genomen en ben volgens de gewoonte der handwerkslieden de wijde
wereld ingetrokken. Eerst bleef ik in mijn eigen land; toen ben ik
naar de Nederlanden gegaan, om eindelijk aan te landen in de goede
stad Neurenberg, waar ik sedert dien dag ben gebleven en hoop te
blijven tot mijn laatsten dag, zoo God het wil. Want slechts korten
tijd was ik in Neurenbergs poorten, of ik voelde mij zoo aangetrokken
tot deze schoone stad, dat ik niet meer van haar zou hebben kunnen
scheiden. Toen ik door de straten wandelde om de prachtige huizen, de
aangrijpend schoone kerken en de machtige vestingwerken te bewonderen,
zag ik veel menschen in feestgewaad naar de burcht snellen, het
prachtige slot, hoog gelegen en vanwaar men de stad kon overzien. Op
mijn vraag wat er te doen was, hoorde ik, dat een der edelen uit een
zeer aanzienlijk geslacht bruiloft vierde op de open plaats onder de
linde, waar iedereen, die het begeerde, vrij mocht toekijken. Ik volgde
de menigte en keek wat daar boven gebeurde, waardoor ik gelegenheid
had te zien hoe rijk, aanzienlijk en trotsch deze stad was.

"Hoe prachtig waren de kleederen en gewaden dezer mannen en vrouwen,
hoe schitterend de edelgesteenten op het kostbare fluweel en de
zware zijde, hoe mooi de veelkleurige vederen, die in de kapsels
zacht heen en weer wuifden; hoe heerlijk geurde de balsem, waarmee
zij zich hadden gezalfd! En hoe zedig en ordelijk ging alles toe! Op
eene verhevenheid hadden de ouders van het bruidspaar plaats genomen,
naast het gedeelte, dat voor de muzikanten was bestemd en vandaar keken
ze naar het dansen, dat nu begon. De bruidegom met zijn bruid aan de
hand trad nu vooruit; ik keek met welgevallen naar dezen trotschen,
statigen man, den Heer Philippus, uit het oud-adellijke geslacht der
Pirkheimers. Ook van al de anderen, die op de maat der fluiten, hoorns,
trompetten en trommels langzaam en statig om den lindenboom schreden,
kon ik de oogen niet afwenden. En terwijl ik daar peinzend stond,
sprak een stem in mijn hart: "Hier moet gij blijven, Albrecht,--gij
hebt nu lang genoeg gereisd en getrokken en zijt reeds bijna dertig
jaar oud; hier zal uw handwerk welig bloeien." En mijn verwachting
is niet beschaamd geworden. Ik kwam bij meester Hieronymus Holper in
de werkplaats, en het eene jaar na het andere verliep, zonder dat de
gedachte in mij opkwam, om verder te trekken. Ook Vrouwe Kunigonde,
des meesters echtgenoot, was een ware moeder voor mij, zoodat ik mij
volkomen thuis bij hen voelde. En dan die lieve, driejarige Barbara,
Holpers dochtertje! Wat had ik een pleizier in het lieve, vrome kind,
dat ik zag opgroeien tot een schoone, beminnelijke jonkvrouw. Ook zij
voelde een hartelijke genegenheid voor den gezel en beschouwde hem
als een vertrouwd huisvriend. En toen zij vijftien jaar was geworden,
ging ik naar haar vader om hem de hand zijner dochter te vragen. Nu,
die werd mij niet geweigerd; haar ouders vertrouwden mij hun kind toe,
en zonder aarzelen legde zij haar hand in de mijne en werd mijn lieve,
trouwe vrouw, uw goede moeder. Ik bleef werken bij mijn schoonvader,
doch het volgende jaar liet ik mij, tegen betaling van tien gulden,
[2] als meester in het gilde opnemen en kocht voor twee gulden het
burgerrecht. Daarna ben ik met mijn vrouw in het huis van den heer
Johan Pirkheimer gaan wonen op de Heeremarkt bij de "mooie bron"
en de Lievevrouwekerk, maar niet in het paleis zelf, doch in het
achterhuis, dat in de Winklerstraat uitziet. Dat is het huis, waar gij,
mijn kind, zijt geboren en uw eerste kinderjaren hebt doorgebracht,
waarvan gij u nog veel zult kunnen herinneren, vooral hoe gij met den
kleinen Wilibald Pirkheimer, die nu nog uw vriendje is, hebt gespeeld
en kattekwaad uitgehaald. Maar die woning werd ons al spoedig te
klein en daarom kocht ik voor drie honderd gulden een eigen huis,
waarin wij nu reeds drie jaren wonen en wij bidden God, dat Hij ons
genadig moge toestaan nog vele rustige, gezegende jaren onder dit dak
te beleven. Wij vragen het Hem, die ons tot nu toe zoo vriendelijk
heeft gesteund en geleid.

"En gij, mijn lieve zoon luister naar mijn raad: wandel voor Gods
aangezicht, zooals Abraham, de gezegende des Heeren, opdat het u
goed ga en gij lang moogt leven op de aarde; want de vaste grond
en hoeksteen van het geluk is de vreeze des Heeren en niemand zal
beschaamd uitkomen, die zijn hoop stelt op Hem, die den hemel en de
aarde gemaakt heeft."

Toen reikte de vader zijn zoon de hand, waarin de knaap de zijne
legde, zijn vader met warmen blik aanziende; hij zei niets, maar zijn
vader begreep hem en was voldaan. En nadat de vrome man zich in zijn
kamer had teruggetrokken en onder het crucifix zich met wijwater had
besprenkeld en het teeken des kruises gemaakt, beval hij zijn oudste
nogmaals dringend aan in Gods genade.



HOOFDSTUK II.

CASTOR EN POLLUX.


Onder de vele paleizen der adellijke geslachten uit de vrije Rijksstad
Neurenberg, was dat der Pirkheimers een der schoonste en meest
vorstelijke, een waardig verblijf voor een geslacht, dat sedert meer
dan een eeuw tot den hoogsten adel van Neurenberg had behoord en steeds
een gewichtige rol in de regeering der stad had gespeeld. Trotsch
verrees het gebouw op de Heeremarkt met uitzicht op de "mooie bron",
[3] het meesterstuk van Hendrik Behaim en op de Lievevrouwekerk, en
menigmaal had Keizer Sigismund het waardig gekeurd hem te herbergen,
als hij voor den Rijksdag te Neurenberg moest zijn. De hooge, spits
toeloopende gevels en de erkers, de steenen beelden en de figuren
uit hout gesneden, die in de vakken waren geplaatst, brachten niet
weinig bij tot de schoonheid van dit paleis, in welks glasruiten in
lood gevat--glazen ruiten waren in die dagen een groote bijzonderheid
en een bewijs van verbazenden rijkdom--de zon hel schitterde. Maar
nog meer getuigde het inwendige van het paleis van den rijkdom
der Pirkheimers, vooral de groote, voor feestelijke gelegenheden
bestemde zaal met de beide zuilen, de wanden bedekt door vlaamsche
gobelins met tafereelen uit de bijbelsche geschiedenis doorweven,
het kostbare vaatwerk, de alom bewonderde lichtkronen van geweien met
goud langs de muren, de hooge schouw met bronzen beelden versierd,
de fraai gesneden leunstoelen, met gouden leeuwekoppen gekroond en
met bruin leder overtrokken en de groote spiegel van Venetiaansch glas.

Op een zonnigen dag in de maand Mei van het jaar 1479 zaten in
de vensternis twee jonge meisjes in blauw fluweel gekleed en met
lange, blonde vlechten. Het waren de twee dochters des huizes,
de vijftienjarige Charitas en de twaalfjarige Sabine, die door het
venster naar een koets keken, die bespannen was met twee ongeduldig
trappelende schimmels.

De deur ging open en Vrouwe Barbara, de moeder der beide meisjes, trad
haastig binnen. Zij was een schoone, statige vrouw uit het aanzienlijke
geslacht der Löffelholzen. Haar welig, bruin haar werd door een klein
kapje, met goud gestikt, bij elkaar gehouden, om haar hals droeg
zij een fijn, wit doekje en haar slank figuur kwam goed uit in het
sleepend kleed van donkergroene, Vlaamsche, wollen stof, dat door een
gouden gesp werd vastgehouden; uit de mouwen kwamen donkerroode zijden
doffen te voorschijn en van de schouders golfden lange, wijde mouwen
naar beneden, die met witte kant waren gevoerd. Aan de gouden ketting
hing een kostbaar sieraad van echte paarlen en haar armen waren getooid
met breede, gouden armbanden, waarin robijnen schitterden. Over haar
arm had zij een zwart fluweel, met marderbont afgezet, manteltje,
om haar op den voorgenomen rijtoer voor kou te beschutten.

"Waar is toch, Wilibald, die kleine deugniet?" vraagde Vrouwe Barbara
aan haar dochters.

"Jutta heeft tevergeefs het heele huis doorzocht."

"Als hij niet thuis is," antwoordde Charitas, "dan kan hij nergens
anders dan bij Meester Dürer zijn. Ik heb hem een uurtje geleden met
Albrecht bij de mooie bron zien loopen."

"Dan moet Jutta den kleinen deserteur maar even gaan halen," beval
Vrouwe Barbara en zij gaf haar dochter een wenk om het aan de meid
te gaan zeggen.

Een half uur verliep; de koetsier had moeite om de ongeduldige paarden
in bedwang te houden en Vrouwe Barbara fronste de wenkbrauwen, want
ze wilde een rijtoer buiten de stad doen en wenschte dat haar kinderen
met haar zouden genieten van de heerlijke voorjaarslucht.

Daar kwam eindelijk de oude Jutta terug met den achteneenhalfjarigen
Wilibald aan de hand, een mooi kind met blonde haren en schrandere,
schitterende oogen.

"Gij hebt veel van mijn geduld gevergd, Wilibald," sprak zijn moeder
ontstemd, "wist gij niet, dat wij om twee uur uitrijden zouden gaan?"

"Ik heb onder het spelen niet op den tijd gelet," antwoordde hij
luchtig, terwijl hij zich de haren uit de oogen streek. "Ik vond het
ook veel prettiger om met Albrecht met den pijl en boog te schieten
dan uit rijden te gaan."

"Gij zijt een dwaze, ongehoorzame jongen," sprak zijn moeder. "Vraag
in het vervolg meer wat uw ouders genoegen doet. Trek nu gauw een
ander pak aan en ga dan met ons in het rijtuig."

Nog bleef de knaap aarzelen en keek zijn moeder een weinig verdrietig
en tegelijkertijd vragend aan: "Ik heb toch geen pleizier als Albrecht
niet mee mag," klonk het.

Zijn moeder had moeite niet boos te worden, doch zij bedwong zich
en vraagde:

"Waar is Albrecht?"

"Hij wacht beneden," antwoordde Wilibald.

Vrouwe Barbara moest nu toch lachen om de volharding van haar zoontje,
die een vastheid van wil toonde zoo groot als die van zijn vader,
Johannes Pirkheimer, die door zijn onvermoeide energie en geestkracht
het ver in de wereld en in de achting der menschen had gebracht.

Toen zij beneden kwam, vond zij Wilibald, die gauw andere kleeren
had aangetrokken bij zijn vriend Albrecht Dürer, die wel een beetje
verlegen keek en niet wist, of Vrouwe Barbara zijn indringerigheid
wel goed zou opnemen. Maar zijn vrees verdween, toen hij zag,
dat zij hem vriendelijk aankeek en zeide: "Stap maar in, Pollux,
en ga naast uw Castor zitten! Gij behoort nu eenmaal bij elkander,"
en zij zelf hielp hem instappen.

Nu ze had ook moeilijk boos kunnen zijn op dien aardigen jongen, van
wien iedereen veel hield. Zelfs haar aangeboren trots, die anders wel
in opstand zou zijn gekomen tegen zulk een vertrouwelijken omgang van
haar zoon met een knaap uit den ambachtsstand, verzette er zich niet
tegen en niet alleen, dat zij dezen omgang duldde, maar ze verheugde
er zich zelfs in, omdat zij bemerkte, welk een goeden invloed de
bedaarde, stille, zachtzinnige Albrecht op haar wilden, koppigen,
hartstochtelijken zoon uitoefende. Zij had dikwijls het spel der knapen
gade geslagen en zich dan in stilte verheugd, dat zij aan Albrecht
zulk een goede hulp had bij de opvoeding van haar wilden jongen. Het
was ook verwonderlijk, hoe die onstuimige Wilibald zich geheel door
zijn bedaarden vriend, die nog wel een half jaar jonger was, liet
leiden en hoe goed zij het met elkander konden vinden, terwijl zijn
zusters, die zooveel ouder waren, heel wat met hem hadden te stellen
en dikwijls hun beklag over den stijfkop bij haar ouders kwamen doen.

Eigenlijk was Wilibald, als eenige stamhouder, waarnaar zij vurig
hadden verlangd, ook wel een weinig door zijn ouders bedorven, en er
werd veel door de vingers gezien, dat flink gestraft had moeten worden.

De beide jongens zaten op Wilibalds verzoek bij den koetsier en
babbelden vroolijk, ook vrouwe Barbara was goed geluimd; zij genoot
van dezen heerlijken meidag en de verrukkelijke natuur, en haar
hart stemde mee in het lied ter eere der lente, dat de beide meisjes
aanhieven. Toch kon zij haar oogen niet van de knapen afhouden en zij
verbaasde zich in stilte over de opmerkingsgave van Albrecht, die
zooveel in de natuur zag, wat zij in het geheel niet had opgemerkt
of niet waard had geacht om te bekijken. En zij glimlachte bij de
gedachte, dat de jongste uit het gezelschap aller leermeester was,
zonder dat hij zich daarvan ook maar eenigszins was bewust!

De rit werd tot het dorpje Pillenreut uitgestrekt, waar de paarden
mochten uitrusten en allen zich een heerlijk glas bier goed lieten
smaken. De jongens hielden het in de kamer niet lang uit: zij
stormden naar buiten en men hoorde hen juichen en zingen. Toen ze
terugkwamen, had Albrecht een ruiker roode anemonen, gele ranonkels,
witte madeliefjes en blauwe grasbloempjes in de hand, die hij vrouwe
Barbara aanbood uit dankbaarheid voor den heerlijken dag, dien zij
hem bezorgde.

Met een glimlach bekeek zij den ruiker. Hoe mooi en artistiek had
hij die bloemen geschikt en dat voor een achtjarige knaap!

De terugreis zou evenwel niet zoo aangenaam zijn als de heenreis. De
paarden schrokken voor een troep zigeuners, die een beer met
zich rondleidden, en de koets kreeg zulk een schok, dat zij bijna
omviel. Gelukkig bekwamen Vrouwe Barbara en haar dochters geen letsel,
doch de beide knapen stortten van hun hooge zitplaats naar beneden. Met
een kreet van ontzetting liep Vrouwe Barbara op de kinderen toe en zij
zag met schrik hoe Wilibald een bloedende wonde aan het achterhoofd en
Albrecht, een blessuur aan zijn hand had gekregen. Doch voordat zij
hen kon helpen, was Wilibald al opgestaan, hij hielp Albrecht op en
trachtte hem te troosten, niet denkende aan zijn eigen pijn, voordat
zijn moeder hem opmerkzaam maakte, dat ook hij was gewond. Doch hij
schonk meer aandacht aan zijn vriendje en zijn moeder verblijdde zich
innig over het goede hart van haar zoon, dat hij zoo dikwijls achter
zijn ruwheid verborg, maar dat nu duidelijk sprak uit zijn groote
zorg en teederheid voor zijn vriend.

Castor en Pollux, de naam dien vrouwe Barbara in scherts op hen had
toegepast, bleef in het vervolg hun bijnaam en niet alleen bij de
familie Pirkheimer, maar ook bij de buren, die een levendig belang
in de beide onafscheidelijke vrienden stelden.

Zij speelden 't liefst in den tuin van het paleis: daar vermaakten zij
zich met hun ballen, hun stokpaard of den kruisboog, en ook wel met
eigen gemaakt speelgoed. Soms ook gingen ze naar het Lorenzerwoud
of het Sebalduskerkhof en stoeiden daar met andere jongens. Als
het dan ooit gebeurde, dat Pollux onrechtvaardig werd behandeld,
dan sprong Castor voor hem in de bres en toonde zich een trouwe,
ridderlijke vriend. Maar ook in de werkplaats van meester Dürer liepen
de knapen dikwijls binnen en hielpen hem soms door aan den blaasbalg
te trekken en het een of ander aan te geven. Albrechts ouders maakten
zich nooit ongerust, wanneer hun zoon op het etensuur niet verscheen,
want dan begrepen ze, dat er bij Wilibald thuis iets extra lekkers
werd gegeten en dat deze zijn vriendje mee wilde laten smullen. En
de eenvoudige handwerkslieden vonden het een eer, dat Albrecht daar
als kind des huizes werd behandeld.



HOOFDSTUK III.

OP SCHOOL.


Elken morgen te negen uur kwam er aan het paleis der Pirkheimers een
kleine man, die door de portierster met alle teekenen van eerbied
werd binnengelaten.

Om zijn kleine, magere gestalte fladderde een lange, wijde jas van
vuurrood laken, hij droeg een hooge, spits toeloopende muts van zwarte
wollen stof en om zijn scherp belijnd gelaat met lange, spitse neus,
fladderden dunne, grijze haren. Met de rechterhand leunde hij op een
stokje en in de linker droeg hij een rol perkament.

"God zegene u, mijnheer de Doctor!" zoo verwelkomde de meid geregeld
den binnentredende; dan liep zij eerbiedig vooruit de trap op om de
deur aan het eind der lange, donkere gang voor hem open te doen.

"God zegene u, Doctor!" klonk het daarop driestemmig in de kamer en
het kleine, roode mannetje drukte allen met vriendelijken lach de hand.

Het was Doctor Henricus Philander, die op deze wijze in het paleis
werd ontvangen. Eigenlijk heette hij Hendrik Liebmann, maar volgens
de gewoonte der geleerden in dien tijd, had hij zijn voornaam in een
Latijnsch en zijn familienaam in een Grieksch kleed gestoken.

Henricus Philander verdiende ten volle de algemeene achting om zijn
groote geleerdheid en om zijn bijzonder talent van onderwijzen,
dat hem alle kinderen der aanzienlijke families uit de stad als
leerlingen bezorgde.

Bij den keizerlijken raadsheer en medebestuurder der stadsregeering
van Neurenberg Johan Pirkheimer, kwam hij reeds zeven jaar aan huis,
eerst om de oudste dochter Charitas onderricht te geven en later ter
wille van Sabine, de jongste.

Met bijzondere voldoening en ijver kweet hij zich van zijn taak, want
de beide meisjes waren zoo leergierig en zoo verstandelijk ontwikkeld,
dat Doctor Philander dikwijls vergat, met meisjes te doen te hebben
en hen onderwees, alsof zij jongens waren. Zij leerden Grieksch en
Latijn zonder moeite en zij verdiepten zich gaarne en met vrucht in
de geheimen der mathematica en der astronomie.

Sedert eenigen tijd was het aantal leerlingen in het paleis tot drie
geklommen, want Wilibald was bij de lessen tegenwoordig, waardoor
Doctor Philanders ijver nog toe nam, want hij bemerkte spoedig, dat
de knaap het in verstand en geestesgaven nog van zijn zusters won. Het
was waarlijk ook geen onaangename taak den knaap te onderwijzen, maar
daarentegen een groot genot en naarmate Wilibald vorderingen maakte,
steeg ook de achting voor den leermeester bij de ouders, die hem
met weldaden overlaadden. Want het was het vurig verlangen van Johan
Pirkheimer, dat zijn zoon een groot geleerde, zooals hij zelf was, zou
worden, en zich op het gebied des geestes bijzonder zou onderscheiden.

Na een jaar was de knaap al aardig op de hoogte van de geschiedenis
van het herleefd klassieke tijdperk en kende hij voldoend Latijn.



Nu weerklonken in den tuin van het paleis slechts zelden de stemmen
der spelende knapen. 's Middags, als er geen les was, zaten ze
samen aan de groote, eikenhouten tafel, die in het midden van de
leerkamer stond en dan luisterde Albrecht met gespannen aandacht
naar hetgeen Wilibald vertelde. Wat hij des morgens had geleerd,
deelde hij 's middags aan zijn vriend mee, evenals de lekkernijen,
die zijn moeder hem gaf. Bijzondere belangstelling toonde Albrecht
voor de oude Grieksche godenverhalen en heldensagen en hij vergat
alles om zich heen, als Wilibald begon te vertellen van den held
Hercules, van Prometheus, die aan de rots was geketend en duldelooze
smarten leed door Jupiters adelaar, die dagelijks een stuk van zijn
altijd weer aangroeiende lever afbeet, van den tocht der Argonauten
om het guldenvlies, van den strijd der zeven helden tegen Thebe, van
de beide vrienden Orestes en Pylades, van den Trojaanschen oorlog,
van Odysseus en andere heerlijke verhalen.

Al spoedig bemerkte Wilibald, dat Albrecht steeds stiller en meer
in zich zelf gekeerd werd, als hij naar die verhalen luisterde en
toen hij hem eindelijk vraagde, wat er toch aan scheelde, antwoordde
Albrecht met een diepen zucht: "Ik benijd u."

Wilibald keek verbaasd: "Benijdt gij mij? En gij zijt zelf toch
ook op school?" Maar Albrecht schudde droevig het hoofd: "Och,
wat is nu de St. Sebaldusschool en onze meester in vergelijking
met doctor Philander! Het is als mijn grove kiel vergeleken bij uw
fluweelen buis. Gij kent toch meester Burgdörffer wel--wat gaat hem
alles langzaam en moeilijk af! Hij heeft er ook zoovelen tegelijk om
les te geven en dan het schoollokaal is zulk een naar, donker hok,
dat men er nauwelijks kan ademhalen en de banken staan zoo dicht bij
elkaar en zijn zoo ongemakkelijk, dat al mijn ledematen pijn doen,
als ik naar huis ga. Op een houten katheder zit onze schoolmeester,
een strenge, sombere man, die op het zwarte bord letters schrijft om
ons die te laten nazeggen en op de lei naschrijven. Daarbij maakt hij
flink gebruik van de roede van berketakjes gemaakt en tuchtigt daarmee
allen, die lui, lastig en ondeugend zijn. Nu deze laatste soort is
rijk vertegenwoordigd bij ons op school, vooral bij die zwervende
luitjes, die men niet weet vanwaar zij komen en die weer verdwijnen,
als zij er lust in hebben."

"Ja, ik kan me begrijpen, dat de meester met zulke lastposten heel
wat heeft te stellen," zei Wilibald. "Mijn vader zegt dat het sluwe
schepsels zijn, een echte plaag voor den onderwijzer. Is het waar
wat Renate, onze meid, vertelde, dat de beul vijf van die schelmen
gisteren heeft gegeeseld en uit de stad gejaagd?"

"Ja, dat is waar," bevestigde Albrecht.

"Wat hadden ze uitgevoerd?" vraagde Wilibald nieuwsgierig.

"Zij hadden het achtste gebod overtreden en het vijfde ook en zijn
in de omliggende dorpen gegaan om brood bedelende; doch terwijl twee
van hen aan de boeren kruiden, die genees- en tooverkrachten zouden
hebben, verkochten, pleegden de anderen een aanslag op den kelder
en namen alles mee, wat ze aan worsten, hammen enz. vonden. Daarna
hebben ze den schoolmeester, die hen met strenge straf bedreigde,
heel brutaal geantwoord en hem zelfs mishandeld."

"Nu dan hebben ze hun verdiende loon," vond Wilibald.

"Hm," bromde Albrecht, "het is waarlijk geen wonder, dat er van leeren
weinig komt, als er zulke snaken op school zijn; soms troost ik mij
wel, als ik denk aan zoovele arme jongens, die in het geheel niet op
school gaan en steeds op straat slenteren: maar als ik aan u denk,
Wilibald, dan word ik jaloersch. Hoe graag zou ik ook les nemen bij
doctor Philander, want ik wenschte veel, heel veel te leeren."

Wilibald zweeg en keek peinzend voor zich. "Ik zou het u zoo gaarne
gunnen," sprak hij na eenige oogenblikken, "maar hoe zou het mogelijk
zijn?... Wilt gij echter eens stilletjes toeluisteren, dan zou ik
er wel iets op weten. Kijk, daar in den hoek achter de kast moogt
gij u verstoppen, maar zoo dat niemand het ziet. Morgen zoudt gij
al kunnen komen, tenminste indien meester Burgdörffer niet boos is,
als hij u mist."

"O, dat komt er niet op aan," sprak Albrecht opgewonden. "Het heeft
bij ons wel iets van een duiventil: elken dag ontbreekt een groot getal
scholieren, en er heerscht tucht noch orde door die zwervende lui, die
doen juist zooals zij willen en verbeelden zich, dat zij de baas zijn."

"Nu, kom dan morgen ochtend vroeg, maar vooral voordat Dr. Philander
er is."

Op den bepaalden tijd sloop Albrecht den volgenden morgen in het
donkere hoekje en bleef daar onbewegelijk twee uren lang zitten
luisteren naar het onderwijs van den doctor, die dien dag Latijn en
sterrekunde op het programma had.

Albrecht genoot zoo lang hij luisterde; doch toen de les uit was,
voelde hij dubbel hoeveel hij op de Sebaldusschool miste en met
loome schreden ging hij er den volgenden morgen weer naar toe. Hij
voelde zich ongelukkig en zijn ellende bereikte het toppunt, toen
de meester hem een pak slaag gaf, omdat hij klaarblijkelijk in het
geheel niet luisterde.

Zijn ouders bemerkten al gauw, dat er iets aan haperde; hij was zoo
stil en in zich zelf gekeerd, dat zijn vader op zekeren dag naar de
reden hiervan vraagde.

Het duurde lang voordat men iets uit hem kon krijgen, totdat
hij eindelijk bekende, dat het slechte onderwijs en de groote
wanordelijkheid op school hem zoo onvoldaan stemden. Zijn vader
troostte hem met de woorden: "Wie langzaam gaat, gaat zeker. Werk
zoo hard als gij kunt, opdat de meester tevreden over u kan zijn,
dan leert gij langzamerhand alles, wat gij noodig hebt te weten. Pas
op voor hoogmoed en ijdele wenschen, mijn zoon! Zie niet naar hen,
die uw meerderen zijn in de maatschappij; benijd Wilibald niet omdat
hij beter onderwijs geniet. Bedenk liever dat gij de zoon van een
handwerksman zijt en eens evenals uw vader in de werkplaats zult
arbeiden. Een goudsmid kan waarlijk zooveel geleerdheid wel ontberen."

Deze verstandige taal en de woorden zijner moeder die zij dagelijks
herhaalde: "Ga in den naam des Heeren," misten hun uitwerking niet
en met vernieuwden ijver ging Albrecht weer naar school.

Het gevolg was dan ook dat de meester pleizier in hem had, waardoor
de knaap werd aangemoedigd om steeds meer zijn best te doen.

Zoo ging het langen tijd goed; maar later had de meester weer over
Albrechts onoplettendheid te klagen en hij ontstak in hevige woede,
toen hij op zekeren dag bemerkte, wat er de oorzaak van was.

Hij zag onder de rekenles, dat verscheiden leerlingen steelsgewijze
de oogen naar Albrecht wendden. Plotseling verliet hij den katheder,
greep den knaap bij den arm en ontrukte hem een klein stuk papier,
waarop iets was geteekend. Toen hij het goed bekeek, herkende hij
zijn eigen portret en hij was zoo verontwaardigd en woedend over deze
majesteitsschennis, dat hij de roede greep en den armen teekenaar
zulk een pak slaag toediende, dat hem hooren en zien verging.

Er liep een afkeurend gemompel door de rijen der leerlingen, die niet
konden begrijpen, dat zulk een onschuldige scherts zoo streng gestraft
moest worden en een der oudste jongens had den moed een kreet van
afschuw te uiten. Maar dat maakte den meester nog toorniger en hij
jaagde de heele bende uit de school.

Het teekenen stilletjes onder de les was den jongen kunstenaar al
heel slecht bekomen en het zou niet te verwonderen zijn geweest,
als hij 't in het vervolg geheel had gelaten. Trouwens, hij waagde
het ook niet meer dergelijke grappen op school uit te halen, maar
zijn medescholieren, één en al bewondering over zijn kunst, bedelden
altijd om de een of andere teekening. En Albrechts goed hart, dat
zoo moeilijk iets kon weigeren, bevredigde hun wenschen.

Als hij 's morgens op school kwam, verdrongen ze zich dadelijk om
hem heen en ze strekten begeerig de handen uit, zoodra hij met een
veelbeteekenend gezicht in zijn zak voelde. Dan werd er gevochten,
dat het een aard had, want iedereen meende recht te hebben op de
door Albrecht gemaakte teekening. Soms ook kroop hij met den een of
anderen kameraad in een afgelegen hoek en deze zag dan met verbazing
hoe vlug hem het teekenen afging.

Natuurlijk was Wilibald bij de uitdeeling de meest bevoorrechte. En
toen Albrecht hem eens een afbeelding van een lansknecht met een harnas
van staal, een hoed met pluimen en schitterende wapens ten geschenke
gaf, kon Wilibald zijn oogen niet gelooven; langen tijd bekeek hij
de teekening met alle aandacht, toen riep hij op eens uit: "Benijdt
gij mij omdat Doctor Philander mij les geeft? Zie, gij kunt, wat hij
mij nimmer leeren kan. En nu zijn de rollen omgekeerd, nu benijd ik u!"



Het was in April 1484. Des morgens was het geheele gezin van Meester
Dürer bijeen voor het gebed en alle waren in bijzonder goede stemming,
want Vrouwe Barbara vierde heden haar naamdag.

Vader Dürer had het gebedenboek opengeslagen en wilde met lezen
beginnen, doch Albrecht was er nog niet; juist wilde zijn vader Andreas
naar hem toe sturen, toen hij binnen kwam en met de beide handen achter
zijn rug iets voor aller blikken trachtte te verstoppen. Zijn vader
wenkte hem te gaan zitten en deed het gebed, waarna hij zijn vrouw de
hand drukte en vurig Gods besten zegen toewenschte op haar verderen
levensweg. Ook de kinderen, wier aantal nu tot vijf was geklommen,
verdrongen zich om hun moeder en kusten haar handen.

Het laatst van allen kwam Albrecht bij haar en hij keek wel een
beetje verlegen, toen hij een blad papier te voorschijn haalde en
dat zijn moeder aanbood met de woorden: "Dit heb ik voor u gemaakt,
lieve moeder, als een herinnering aan dezen dag."

Vrouwe Barbara trad een schrede achteruit en staarde vol verbazing
eerst naar het papier en toen naar haar zoon: op het blad zag zij
Albrecht voor zich, sprekend van gelijkenis en uitdrukking. "Mijn
zoon"--meer kon zij niet zeggen, toen keerde zij zich tot haar man
en liet hem het portret zien. Hij kon zijn oogen niet gelooven:

"Heilige Moeder Gods, leert gij dan tooveren op school? Hebt gij dat
waarlijk zelf geteekend? Maar hoe kan men zijn eigen portret maken?"

Nu moest Albrecht glimlachen: "Het is waarlijk geen tooveren; ik heb
geteekend wat de spiegel mij voorhield."

"Och kom, gij zoudt dat zelf hebben gemaakt?" zei zijn vader
ongeloovig. "Spreek nu de waarheid, kleine schelm; 't is Meester
Wolgemut, die het portret heeft gemaakt."

Albrecht antwoordde vroolijk: "Gij hebt in zoover gelijk, vader,
dat Meester Wolgemut wel de hand in het spel heeft. Heel dikwijls
ben ik bij hem in de werkplaats geweest en heb toegekeken, hoe hij
schilderde. Daardoor heb ik het geleerd. En ook bij den heer Koburger,
mijn peetvader, ben ik dikwijls in de drukkerij geweest om te zien,
hoe Meester Wolgemuts houtsneden werden afgedrukt, dat heeft mij ook
veel geholpen. En nu zult gij, lieve moeder, mij een groot genoegen
doen, als gij dit kleine geschenk van mij wilt aannemen."

Zijn moeder sloot hem in haar armen, terwijl zijn vader het portret
dicht bij het venster nog eens nauwkeurig bekeek. Ja, het was
sprekend Albrecht; alleen de oogen waren niet heel goed geteekend,
maar de rest... wel Meester Wolgemut zelf had het niet mooier en
beter kunnen doen.

Met potlood was het portret op gekleurd papier geteekend [4]: op zijn
hoofd had hij een kapje van laken, eigenlijk een lap, welks eind
met drie knoopen boven op het hoofd bij elkaar werd gehouden, aan
de linkerzijde afhing en voorzien was van lange franjes. Het haar,
recht afgesneden, hing laag op het voorhoofd en verder in lange,
golvende lokken aan weerszijden op zijn schouders. Hij droeg een buis
met wijde mouwen, dat door de linkerhand van voren werd vastgehouden,
terwijl hij de rechterhand vooruit strekte, alsof hij op iets wees.

Nadat Dürer het portret langen tijd had bekeken, trad hij vriendelijk
op zijn zoon toe en legde zijn hand op diens schouder, zeggende: "Als
gij met smeltkroes en graveerstift even handig zijt als met potlood
en penseel, dan zal ik mij verheugen in den dag, waarop ik u in mijn
werkplaats aan mijn zijde zal zien arbeiden. Mogen al de heiligen u
zegenen en u bijstaan, opdat er een wakkere man uit u groeie!"

"Amen!" zei Vrouwe Barbara en toen haar zoon naar school ging, sprak
zij zooals gewoonlijk: "Ga in den naam des Heeren!"



HOOFDSTUK IV.

IN VADERS WERKPLAATS.


Het was een koude dag in de maand Mei van het jaar 1486. De sneeuw
viel in groote vlokken neder en hulde de daken, die pas er van ontdaan
waren, opnieuw in een wit winterkleed.

Het was stil in meester Dürers werkplaats. Eenzaam zat Albrecht op
zijn laag bankje te werken aan een gouden ring, waarin een nieuwe
amethist moest worden gezet. Zijn vader was uit: hij moest voor zaken
naar Augsburg; van de gezellen lag de een ziek te bed en de andere
moest een boodschap in de stad bezorgen. Albrecht kon heden zijn
aandacht niet goed bij het werk bepalen. Op de tafel naast hem lag
een teekening, die nu en dan zijn blikken tot zich trok.

Er werd zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad een meisje binnen
van ongeveer dertien jaar, met een frisch, blozend gezichtje, een paar
oogen, blauw als vergeetmijnietjes en een figuurtje vlug als dat eener
hinde. Ze had een mutsje van zwart fluweel met een rand van marderbont
op het lange, blonde haar, en droeg een donkerblauw kleedje en een
manteltje ook van zwart fluweel met bont, dat tot aan de heupen reikte.

Het was het oudste dochtertje van den heer Hans Frey, een rijk, zeer
ontwikkeld en geacht ingezetene, die vele vaste goederen bezat zoowel
in de stad als daarbuiten en zelfs meermalen lid van den grooten Raad
was geweest.

Albrecht kende haar zeer goed, daar zij dikwijls bij haar oom kwam,
die dicht in de buurt woonde. Soms was hij met haar naar de mis gegaan
en in vroeger jaren had ze zich niet te voornaam gerekend om met hem
te spelen.

"God zegene u, Albrecht!" zeide zij een weinig verlegen en zij bleef
in de deur staan.

"Dank u zeer, Agnes!" antwoordde hij vroolijk, terwijl hij van het
bankje opstond.

"Waarmee kan ik u van dienst zijn?"

"Is uw vader niet thuis?"

"Neen, hij is naar Augsburg gegaan."

"O dan ga ik maar weer weg en zal wachten totdat hij thuis komt."

"Kan ik u niet helpen in zijn plaats?"

"Och, mijn ringetje is gebroken en ik wilde het zoo graag gesoldeerd
hebben."

"Geef maar hier, Agnes."

Het meisje aarzelde, maar haalde eindelijk op herhaald aandringen
van Albrecht den gebroken ring te voorschijn en overhandigde dien
den goudsmidsleerling. "Kunt gij het al goed?" vraagde zij met meer
vrijmoedigheid.

"Mijn vader heeft nog niet over mij te klagen gehad," sprak hij
openhartig.

Nu kreeg het meisje de teekening in het oog. "Wat is dat?" vraagde
zij nieuwsgierig. "Zoo, zoo, als nu uw vader was binnengekomen, dan
geloof ik, dat hij voor het eerst reden zou hebben gehad over zijn
leerjongen te klagen."

Maar Albrecht schudde glimlachend het hoofd. "Nu doet gij mij onrecht,
Agnes. Gij denkt, dat ik dit nu heb geteekend, in plaats van mijn
plicht te doen. Maar kijk eens hier: onder de teekening staat het
jaartal 1485, dat bewijst duidelijk, dat zij reeds het vorige jaar
is gemaakt. Ze is ook al vier maanden oud en dateert van Kerstmis;
nu heb ik haar hier gehaald, omdat er veel in is, dat mij niet bevalt
en ik wil die fouten verbeteren, als mijn werk klaar is." Agnes trad
dichter bij om beter te kunnen zien. Het was een madonna, op een troon
gezeten, met een gouden kroon op het hoofd, loshangende haren en een
lang kleed, dat in breede plooien haar omgaf. Met een gelaat, stralend
van moedervreugde zag zij neder op haar kind, dat op haar schoot stond
en haar hals met beide armpjes hield omvat. Aan weerszijden stond
een engel, waarvan de eene een harp en de andere een cither bespeelde.

Met gevouwen handen beschouwde Agnes geruimen tijd de teekening,
toen keek zij Albrecht vragend aan: "Hebt gij dat gemaakt? Gij, een
knaap van veertien jaar? Neen, maak dat aan anderen wijs! Wel weet
iedereen, dat gij goed kunt teekenen, maar zoo iets... neen, neen,
ik kan niet gelooven, dat gij dat hebt gemaakt."

"Dus, gij houdt mij voor zoo slecht, dat ik mijn naam onder het werk
van een ander zou zetten en het dan voor het mijne uitgeven?" vraagde
Albrecht en zijn stem klonk verwijtend. "Als gij hier nog een oogenblik
wildet blijven, dan zou ik u metterdaad kunnen toonen, dat uw twijfel
ongegrond is en mij verdriet doet."

Agnes kreeg een kleur en stak hem haar hand toe.

"Vergeef mij, Albrecht, het was waarlijk niet mijn bedoeling u verdriet
te doen. Maar ik kan mijn oogen niet gelooven; Meester Wolgemut zelf
zou trotsch kunnen zijn op zulk werk. Als gij het op een groot paneel
met heerlijke kleuren hadt geschilderd, zou het waard zijn een altaar
te versieren."

Albrecht drukte met een blos van genot over deze lof haar kleine
zachte hand en liet die niet los, toen zij die wilde terugtrekken. Het
meisje zag er bekoorlijker uit dan ooit en gaarne had hij haar willen
vragen. "Blijf een oogenblik hier en laat mij uw lief gelaat op het
papier brengen!" Doch zij vreesde reeds te lang te zijn gebleven,
nam haastig afscheid en ging heen.

Albrecht liep snel naar het raam om haar na te zien, toen zij
door de sneeuw naar huis stapte. Haar lof was hem liever dan al de
bewondering, die zijn kunst bij zijn speelkameraden had geoogst. En
met vernieuwden ijver legde hij zich in zijn vrijen tijd toe op
zijn lievelingsbezigheid, die hem verkwikte na den moeilijken,
dagelijkschen arbeid, en hem meer bevrediging schonk dan hij ooit
van het best gelukte werk in de goudsmidswerkplaats gevoelde.

Voor zijn vader, die er anders over dacht dan hij, moest hij zijn
liefhebberij verbergen en daarom deed hij het meest buitenshuis
en verstopte zich met zijn vrienden, die hem steeds om teekeningen
plaagden, in afgelegen plaatsen. Toch had hij niet te veel gezegd,
toen hij tegen Agnes beweerde, dat zijn vader niet over hem te klagen
had. De oude meester had pleizier in den ijver van zijn zoon en zag
met vertrouwen de toekomst tegemoet in de overtuiging, dat Albrecht
eenmaal een waardig opvolger in zijn werkplaats zou zijn. Nog geen
jaar was verstreken, of de leerjongen was reeds goed vertrouwd met
het gieten, soldeeren en polijsten. En nu, nadat hij nog niet ten
volle twee jaar in de leer was geweest, had hij een veel grooter en
moeilijker werk onder handen, waarvan reeds meer dan de helft klaar
was: hij moest in gedreven zilver in zeven tafereelen weergeven,
hoe de Heer Jezus herhaaldelijk nederstortte onder de vuisten der
krijgsknechten op den lijdensweg van Gethsemane naar Golgotha. En
met stille verbazing en innige verrukking zag zijn vader, dat hij
zich niet tevreden stelde met het navolgen van anderer ontwerpen,
doch zelf nieuwe wist te scheppen.

Met ongeduld wachtte hij op de voltooiing van het werk en toen het
oogenblik was gekomen, riep de meester, innig gelukkig, zijn vrouw
er bij en toonde haar wat zijn leerling had gemaakt.

Op denzelfden avond vond men in de woonkamer de vrienden en buren
verzameld om de tafel, waarop een tinnen kruik met Bourgonje wijn
stond, ter eere van den jongen kunstenaar.

Meester Wolgemut, de schilder, was ook tegenwoordig en vol lof over
Albrecht. Hij sprak ook over het andere talent van den knaap en vond,
dat het pond, door God aan hem toevertrouwd, niet in een zweetdoek
mocht worden weggelegd, doch dat er mede moest worden gewoekerd ter
eere van God en ook ter wille van den naaste.

Doch meester Dürer was het hiermee niet eens. Hij vond, dat hier
een ander schriftwoord van toepassing was: niemand kan twee heeren
dienen. Indien Albrecht zich met evenveel ijver op de schilder- als
op de goudsmeedkunst toelegde, dan zou hij het in de eene noch in
de andere tot volmaaktheid brengen. Daarom moest hij zich tevreden
stellen met schilderen na volbrachten arbeid in zijn vak.

Meester Wolgemut sprak zijn vriend niet tegen, doch in stilte betreurde
hij, dat Dürer dit vak voor zijn zoon had gekozen. Albrecht had
ook hem eens in vertrouwen de afbeelding der Madonna laten zien en
zijn verbazing over het werk van den veertienjarigen knaap had hij
duidelijk uitgesproken in de woorden: "Als ik alleen zulke leerlingen
in mijn werkplaats had, dan zou het er beter bij mij uitzien."

Albrecht kon deze woorden niet vergeten en bewaarde ze als een dierbaar
geheim in zijn hart, terwijl hij, gehoorzaam aan zijns vaders wenschen,
in de goudsmidswerkplaats arbeidde.



Zoo gingen lente en zomer voorbij, de herfst streek met zijn
verwoestenden adem over veld en weide en hulde de aarde in een grijs,
somber nevelkleed. Het werd koud; in de schouw vlamde weer het vuur
en lokte het gezin in haar verwarmende nabijheid.

In Albrechts hart had een verandering plaats gegrepen. De woorden van
meester Wolgemut aangaande het toevertrouwde pond, waarmee men moest
woekeren, en het antwoord van zijn vader: "niemand kan twee heeren
dienen," lieten hem niet met rust. Telkens overdacht hij die beide
schriftplaatsen en trachtte die met elkaar te doen samenstemmen. Doch
hoe meer hij begreep, dat dit onmogelijk was, des te grooter werd zijn
onvrede, want het werd hem steeds duidelijker, dat de goudsmederij
niet de plaats was, waarvoor God hem had bestemd. Het bevredigde hem
hoe langer hoe minder anderer modellen in goud en zilver na te maken,
want de begeerte om zelf te scheppen werd steeds grooter. En tegelijk
met die begeerte voelde hij ook de kracht er toe. Hoe weinig moeite
kostte het hem immers de beelden, die zijn fantasie hem voortooverde,
op het papier te brengen en hoeveel innig genot had hij daarvan. Hij
voelde dagelijks meer dat de goudsmidswerkplaats niet zijn bestemming
was en dat hij het niet zou kunnen uithouden zijn gansche leven lang
smeltkroes, vijl en graveerstift te hanteeren.

Hoe onrustig klopte zijn hart bij deze overdenkingen en welk een
zwaren strijd had hij te voeren, den strijd tusschen het volgen van
zijns vaders wensch en het toegeven aan zijn eigen begeerte. Het was
niet mogelijk de meening van meester Wolgemut en die van zijn vader
te vereenigen en daarom koos hij, overtuigd dat slechts één dezer
beiden gelijk kon hebben, de zijde van den eerstgenoemde en zoo werd
zijn tweestrijd beslist.

Den 30en November des avonds, nadat hij in de eenzaamheid God om
raad en hulp had gevraagd, zocht hij zijn vader op om hem zijn
hartewensch mee te deelen: "Lieve vader," sprak hij, "ik wil u niet
langer verbergen, wat er in mijn hart omgaat en 's nachts den slaap
uit mijn oogen houdt. Ik heb nu twee jaren lang bij u in de werkplaats
op uw verlangen gewerkt en zonder mij zelf te overschatten, geloof
ik te mogen zeggen, dat het mij niet aan ijver heeft ontbroken en
ik steeds mijn best heb gedaan om het u naar den zin te maken. Maar
ofschoon mijn handen zich met goud, zilver en edelgesteenten hebben
bezig gehouden, was mijn hart bij iets anders. Slechts wanneer ik
potlood of penseel mocht hanteeren, voelde ik in mijn hart zulk een
ongekende blijdschap en zulk een wonderlijk genot, dat ik begreep,
dat het dit was, waartoe God mij heeft geschapen. Ach, vader, het doet
mij leed u te moeten vragen om mij uit uw werkplaats te ontslaan, maar
ik geloof, dat het Gods wil aldus is en dat ik mij aan Hem bezondig,
als ik het pond mij toevertrouwd, in de aarde ga begraven."

Met klimmende verbazing luisterde zijn vader naar die woorden. Toen
schoof hij zijn kapje in den nek, stond op met een somber gelaat en
onder de gefronste wenkbrauwen uit wierp hij op zijn zoon een blik,
waarin verwijt en smart om den voorrang streden. "Hoe had ik heden
morgen kunnen denken, dat de dag zoo droevig zou eindigen! Mijn
zoon, uw woorden snijden mij door de ziel. Daar gaan nu al mijn
schoone droomen in rook op! Albrecht, nooit had ik gedacht, dat gij
zoo lichtzinnig zoudt kunnen zijn, twee volle jaren van uw leven op
deze wijze weg te werpen. Verlaat gij mij nu, nadat ik u alles heb
geleerd en op het punt was u als gezel in het gild te doen opnemen? Gij
hebt mij laten zaaien, doch de oogst onthoudt gij mij. O mijn zoon,
waaraan heb ik dat verdiend? Tot nu toe waart gij mijn vreugde,
nu bereidt gij mij een bittere smart."

Er was nu geen toorn meer in zijn stem, slechts innige weemoed en er
blonk een traan in zijn oog.

Albrecht kon zijns vaders smart niet aanzien; het schemerde hem voor
de oogen en hij was op het punt berouwvol al zijn woorden terug te
nemen, toen de oude man snel hoed en mantel greep en, zonder iets
meer te zeggen, wegging.

Even daarna kwam zijn moeder binnen; zij was zeer ongerust, en toen zij
zag, hoe bleek Albrecht was, vraagde zij angstig: "Wat is er gebeurd,
Albrecht? Uw vader is zoo juist in hevige gemoedsbeweging uitgegaan
naar den heer Koburger, met wien hij ernstig over u moest spreken,
zei hij op mijn vraag, wat hij ging doen."

Nu vertelde Albrecht haar met bezwaard gemoed wat er tusschen zijn
vader en hem was voorgevallen, doch hij werd kalmer, toen hij bemerkte,
dat zijn moeder hem beter begreep. Maar toch bleef zijn hart onrustig
kloppen, terwijl hij op zijns vaders terugkomst wachtte.

Het eene uur na het andere verliep, voordat hij den stap van zijn
vader weder hoorde en toen hij de voordeur hoorde opengaan, was het
hem alsof zijn hart stil stond.

De boosheid was uit zijns vaders aangezicht verdwenen, hij zag
er kalm en ernstig uit, en de klank zijner stem was geheel anders
geworden, toen hij tot zijn zoon sprak: "Morgen ochtend vroeg moet
gij het allereerst naar uw peetvader gaan en moogt gij hem dankbaar
de hand drukken, omdat hij het is, die mij van meening heeft doen
veranderen. Gij zult uw zin krijgen, Albrecht; als meester Wolgemut
u nog in zijn werkplaats kan bergen en hij er niets op tegen heeft,
dan zij hij in 't vervolg uw leermeester." Een luide kreet ontsnapte
aan Albrechts beklemd gemoed en hij kuste in sprakeloos genot zijns
vaders hand; zijn moeder stond er bij met gevouwen handen en dankte
den Heer voor deze gezegende uitkomst.

Meester Wolgemut was bijzonder in zijn schik, toen hij den volgenden
morgen zijn buurman Dürer met zijn oudsten zoon zag binnen komen
en de eerste zijn verzoek tot hem richtte. Hij zeide, dat nu zijn
hartewensch was vervuld en hij gaf Dürer de verzekering, dat het hem
nimmer zou berouwen, want wie maar oogen had om op te merken zag,
dat God hem voor de kunst, niet voor het handwerk had geschapen.

Eenige dagen later stond Albrecht met pak en zak gereed om naar meester
Wolgemuts woning te verhuizen. Zijn vader gaf hem menigen goeden raad
mee en zijn moeder legde zegenend haar hand op zijn hoofd en sprak:
"Ga in den naam des Heeren."



HOOFDSTUK V.

BIJ MEESTER WOLGEMUT.


"Wat verbeeldt jij je wel, kwajongen! Wees maar niet zoo verwaand,
hoor. Denk je, omdat je een paar portretten hebt durven kladden,
dat je reeds iets beteekent en niet meer behoeft te leeren?"

Barsch snauwde Urban, de oudste leerling van meester Wolgemut,
Albrecht Dürer deze woorden toe, terwijl hij hem het penseel uit
de hand rukte, waarmee Albrecht, omdat er niemand in de kamer was,
aan een groot altaarstuk onder aan den zoom van het gewaad der Maagd
Maria, een paar streken schilderde.

"Hier behoor je thuis!" vervolgde hij en hij duwde hem naar den steen,
waarop de verven moesten worden gewreven. "En kijk eens, slungel,
de penseelen heb je ook nog niet gewasschen en de paletten zijn in
het geheel niet schoongemaakt! En de vloer--zeg, waarom heb je den
bezem niet gebruikt? Ben je daarvoor soms te goed? of ben je te lui
om je plicht te doen?"

Daarop gaf hij hem nog een duw, en toen met een stok drie slagen
op zijn rug. Albrecht beet zich op de lippen en zweeg. Hij was aan
dergelijke behandeling reeds gewoon. Vier der gezellen van meester
Wolgemut waren van het begin af aan onvriendelijk en ruw tegen hem
geweest, omdat zij zijn meerderheid gevoelden en die niet konden
verdragen, te meer daar hij zooveel jonger was. Slechts één, Sebaldus,
die in leeftijd weinig met hem scheelde en zelf ook nog leerling was,
was hem goed gezind. Bij hem sloot Albrecht zich nu aan; hij bracht
zijn vrijen tijd met hem door, ging des Zondags met hem buiten de
poort wandelen en luisterde gaarne naar de bemoedigende woorden van
dezen goedhartigen knaap.

Nog meer goed deed hem de tevredenheid van zijn meester. Toen Albrecht
bij hem als leerling kwam, was Michel Wolgemut ruim vijftig jaar;
uit zijn lang, smal gelaat met het hooge voorhoofd, de sterk gebogen
neus, de groote heldere oogen, de breede, vooruitstekende kin en den
fijn besneden, vriendelijk lachenden mond, sprak zoowel verstand als
mannelijkheid en groote goedhartigheid. Meester Michel was een eerlijk,
rechtschapen man, en om zijn kunst hoog in aanzien niet alleen bij
de ingezetenen van Neurenberg, maar in het geheele land.

Het was hem onmogelijk de vele opdrachten, die van alle kanten tot hem
kwamen en ruim werden betaald, alleen ten uitvoer te brengen, daarom
kon hij steeds meer en meer gezellen gebruiken, want overal waar groote
altaarstukken noodig waren, richtte men zich tot den beroemden meester
Michel Wolgemut te Neurenberg. De kerk der H. Drievuldigheid te Hof,
de kapel van het heilig Kruis te Neurenberg, de Lievevrouwekerk te
Zwickau konden zich op werken van zijn hand beroemen; op dit oogenblik
werkte hij aan een groot altaarstuk voor de nieuwe, bijna voltooide
Augustijnerkerk te Neurenberg, waarmee hij bijzondere eer hoopte
in te leggen en daarom wilde hij niets aan de gezellen overlaten,
doch alles zelf schilderen.

Ook in het maken van houtsneden was hij een meester. Anton Koburger,
de drukker, die eenige jaren geleden een Hoogduitsche bijbeluitgave op
zich had genomen en de platen daarvoor had ontleend aan den dertien
jaar geleden uitgekomen Keulschen bijbel, was het nu met meester
Wolgemut eens geworden over een nieuwe uitgave, namelijk een grooten
prentenbijbel getiteld: "Schatbewaarder des rijkdoms van het eeuwig
heil en zaligheid." De eerste plaat: God, de Vader, op zijn troon
gezeten, terwijl Hij den voor Hem knielenden Verlosser zegent, was
gereed en met waar genot schiep de meester andere voorstellingen. Het
groote succes, dat deze eerste uitstekend geslaagde teekening behaalde,
was dan ook de reden, waarom men den meester opdroeg de houtsneden
op zich te nemen voor het werk van Dr. Hartmann Schedel: "de nieuwe
Wereldkroniek," een kolossale onderneming, waartoe de patriciërs
Sebaldus Schreijer en Sebastiaan Kammermeister de noodige middelen
verschaften. Er moesten niet minder dan tweeduizend houtsneden daarvoor
worden gemaakt en dat men het Wolgemut opdroeg, verhoogde aanmerkelijk
's meesters roem.--

Albrecht kon waarlijk geen beter leermeester begeeren. Wel is
waar gaf hij geen les volgens een bepaalde methode; hij achtte het
voldoende zijn gezellen en leerlingen te laten zien, hoe hij werkte,
maar dat was voor Albrecht ook volkomen genoeg en toen hij nog op de
onderste trede stond en niets dan knechtsdiensten mocht verrichten,
zooals verven wrijven, penseelen wasschen en paletten schoon maken,
keek hij met alle aandacht toe, hoe zijn meester werkte en leerde op
deze manier zonder dat zijn meester er iets van bemerkte.

En wat hij in den loop van den dag met zijn oogen had geleerd,
trachtte hij in zijn vrije oogenblikken met de hand uit te voeren,
maar in het geheim, uit vrees nog meer wangunst bij de gezellen op
te wekken. Hij voelde zich als een vogel, die de vleugels niet kan
uitslaan en menige zucht ontsnapte hem als hij zich ter ruste legde
en snakte naar den dag, waarop zijn knechtsbezigheden niet meer noodig
zouden zijn en de meester tot hem zou zeggen: "kom nu hier, mijn zoon,
en neem het penseel ter hand."

Zijn vriend Wilibald was altijd de eerste, die mocht zien wat hij
in stilte had geschilderd, want hij hechtte veel aan het oordeel van
dezen jongeling, die zooveel fijn kunstgevoel bezat.

In het voorjaar van het jaar 1488 ging hij meer dan anders naar het
paleis der familie Pirkheimer, omdat de vrienden welhaast zouden
worden gescheiden. Wilibalds vader wenschte, dat zijn zoon, die nu
achttien jaar was, naar het hof van den bisschop van Eichstadt zou
gaan, om aldaar te worden onderwezen in de gebruiken van het hof,
in het voeren der wapenen en in de krijgskunst.

Eenige dagen voordat de vrienden afscheid van elkaar moesten nemen,
kwam Albrecht in opgewonden stemming bij Wilibald. "Hier breng ik u
wat ik in de laatste twee avonden heb gemaakt. Wilt gij het houden
als een aandenken aan mij, Wilibald?" Hij nam uit zijn portefeuille de
afbeelding van een jonkvrouw, gezeten op een schimmel, met een valk op
haar hand, een baret met wapperende vederen op het hoofd en een lang,
hemelsblauw kleed aan.

Met verrukking bekeek Wilibald haar en hij betuigde zijn innigen dank.

"Zoo iets moois hebt gij nog niet gemaakt, Albrecht," voegde hij er
bij. "Nu reeds, terwijl gij nog niet eens gezel zijt en slechts als
knecht wordt beschouwd en behandeld, zijt gij werkelijk reeds meester
en ik ben er meer en meer trotsch op uw vriend te zijn."

Na nog herhaaldelijk zijn dank te hebben betuigd, bekeek hij weer
het werk van zijn vriend. "Wat een bekoorlijk figuurtje en welk een
allerliefst gezicht! Het komt mij zoo bekend voor, het is alsof ik
het reeds ergens heb gezien".

Peinzend streek hij met de hand over zijn voorhoofd en dacht eenigen
tijd na--op eens trad hij op Albrecht toe en zag hem diep in de oogen,
terwijl hij uitriep:

"Nu weet ik het: het is Agnes Frey! Is het niet waar?"

Albrecht wendde snel het hoofd af om den blos te verbergen, dien hem
deze veronderstelling van zijn vriend in het aangezicht joeg.

Had Wilibald geen gelijk? Waren het niet werkelijk de trekken van
het jonge meisje, voor wie hij eenige jaren geleden het ringetje
had gesoldeerd?

Hij had het niet expres gedaan, doch onwillekeurig had zijn hand het
beeld te voorschijn geroepen, dat in zijn hart leefde. Hij had het
mooie meisje niet kunnen vergeten en elke gelegenheid om haar te zien,
had hij opgezocht; hij wist op welk uur zij naar de mis ging en richtte
het zoo in, dat hij altijd als bij toeval er juist tegelijk met haar
was. En 't maakte hem erg gelukkig, toen hij bemerkte, dat zij hem
nooit trachtte te ontloopen, maar altijd vriendelijk met hem praatte,
al was zij dan ook wel eens wat verlegen en bedremmeld.

Eens toen de gezellen der verschillende gilden zich vermaakten met
ringsteken op de Hallerweide, was Agnes in die op elkaar gedrongen
menschenmassa van haar familie afgeraakt, en zij liep gevaar door het
gedrang, ontstaan door het schuw worden van een paard, in een sloot te
worden gedrongen, toen Albrecht, die voortdurend in haar nabijheid was
gebleven en haar in het oog had gehouden, plotseling bij haar was en
haar uit dat gevaar redde. Hiervoor hadden haar ouders hem hartelijk
bedankt en de heer Frey vergat het niet, maar hield den redder van
zijn dochtertje in dankbare herinnering, beantwoordde steeds minzaam
zijn groet op straat en bij voorkomende gelegenheden sprak hij hem
vriendelijk toe.

Albrechts blos was Wilibald niet ontgaan en er speelde een glimlach
om zijn mond, toen hij sprak: "Het schoone is de wereld, waarin de
schilder leeft, en uw blik ziet scherp om het schoone te ontdekken. Hoe
gelukkig zijt gij, dat God u het talent heeft geschonken om weer te
geven, wat gij hebt gezien. Wat zou Agnes wel zeggen, als zij eens
wist, wat gij hebt gedaan! Wil ik het haar verklappen?"

Met een smeekend gebaar wendde Albrecht zich tot zijn vriend:

"Wilibald!" riep hij ontsteld en een donkere blos kleurde zijn gelaat.

Wilibald klopte hem op den schouder: "Stel u gerust, Albrecht. Ik
zal u geen verdriet doen, 't was maar om u te plagen."

Dit bevredigde Albrecht en opgewekt ging hij naar huis.



Twee dagen later moest hij afscheid van zijn vriend nemen.

Het was een moeilijk oogenblik en zeer lang trilde de smart der
scheiding in zijn hart na. Hij voelde zich zoo eenzaam en het werd
hem nu recht duidelijk, hoeveel hij had gehad aan Wilibald, in wiens
hart hij had gelezen als in een open boek, door wiens edel denken
hij zich mee omhoog gevoerd voelde, met wiens innigste gevoelens en
gewaarwordingen hij volkomen sympathiseerde en met wien hij als het
ware één was.

En de afwezigheid van zijn vriend was nog pijnlijker, toen de gezellen
van meester Wolgemut, in plaats van te trachten hem zijn gemis te
vergoeden, nog ruwer en vijandiger tegen hem werden.

Dit kwam daardoor, dat op zekeren morgen meester Wolgemut, die een
groot kerkschilderij onder handen had, Albrecht van het verf wrijven
afriep, en hem met eenige deftigheid het penseel overreikte, zeggende:
"Kom hier, mijn zoon--nu hebt gij lang genoeg als knecht dienst gedaan,
nu moogt gij toonen of uw hand in staat is om mij te helpen."

En nu wees hij hem op de schilderij de plaats aan, waar hij moest
schilderen op dezelfde manier, waarop de meester was begonnen.

Albrechts hart juichte en hij dankte zijn leermeester met een
veelzeggenden blik; doch zijn vreugde werd vergald, toen hij de
toornige gezichten der gezellen zag en later hun nijdige woorden moest
aanhooren. Hun verhouding werd steeds moeilijker en den geheelen dag
zag hij tegen den avond op en tegen het oogenblik, waarop zij zich
ter ruste moesten begeven, want hij deelde het slaapvertrek met de
overige gezellen. Dan werd de arme jongen geplaagd en gesard en deden
ze hun best hem zoo lang mogelijk uit den slaap te houden.

Zou hij zich beklagen bij meester Wolgemut en hem vragen thuis bij
zijn ouders te mogen overnachten? Dikwijls was hij op het punt dit te
doen, maar hij bedwong zich, verdroeg zijn lot zwijgend en troostte
zich met de gedachte, dat deze moeilijke tijd toch niet altijd zou
duren en met de woorden, die hij in den bij Anton Koburger gedrukten
bijbel had gelezen: "Het is goed voor een man, dat hij het juk in
zijn jeugd draagt."

Eindelijk verging den gezellen de lust tot plagen, ontwapend door zijn
onuitputtelijk geduld en Albrecht voelde zich gelukkiger, vooral ook
daardoor dat zijn leermeester, bijzonder tevreden over zijn werk, zich
steeds meer en meer aan hem liet gelegen liggen en hem nog moeilijker
arbeid toevertrouwde. In het begin van het jaar 1490 had Wolgemut
weder de opdracht van een groot altaarstuk gekregen. Hij had de schets
geteekend en was begonnen met het aanleggen der verschillende partijen,
toen men hem wederom ander werk opdroeg, dat geen uitstel duldde. Hij
bedacht zich niet lang en gaf Albrecht het penseel over met de woorden:
"Durft gij op u te nemen mijn werk voort te zetten, mijn zoon?"

Albrechts oogen schitterden van innig geluk over het vertrouwen,
dat zijn meester in zijn kunst toonde en met vurige bezieling ging
hij terstond aan het werk; de penseelbehandeling en opvatting van
zijn leermeester waren hem zoo eigen geworden, dat hij volkomen in
zijn manier verder werkte. Het penseel ging zoo vlug over het doek
en de arbeid vorderde zoo snel, dat hij zelf er over verbaasd was.

Toen Wolgemut den volgenden morgen binnentrad, bleef hij als aan den
grond genageld staan: "Wel, alle Heiligen! Wat hebt gij uitgevoerd,
Albrecht? Het is alsof de booze er bij in het spel is, zoo gauw gaat
het in zijn werk. Het is goed, dat ik niet later kwam, anders bleef
er voor mij niets meer te doen en zou ik niet van mijn geweten kunnen
verkrijgen het stuk met mijn W te onderteekenen! En kijk, wat hebt
gij mijn bedoeling juist gevat! Niemand kan hieraan zien, dat twee
verschillende handen er aan hebben geschilderd! Ik kan het met een
gerust hart voor mijn eigen werk uitgeven, het is één schoon geheel."

Eenige maanden later hield meester Wolgemut Albrecht na het middageten
een oogenblik bij zich en sprak: "Mijn wakkere gezel, wij moeten
scheiden."

Verschrikt keek Albrecht hem aan, maar glimlachend legde de meester
zijn hand op Albrechts schouder. "Neen, wij gaan niet in toorn en
onmin van elkaar, maar ik geef u mijn zegen mede. Wat ik u leeren kon,
hebt gij geleerd; nu moet gij zien, hoe andere meesters werken. Nu
is de tijd daar, waarop gij de wereld in moet en de kunst van andere
volken moet leeren kennen, opdat gij bij uw terugkomst uw kunst
volkomen machtig zult zijn en daardoor uw ouders en geboorteplaats
tot vreugde en eer zult strekken."

Deze woorden maakten diepen indruk op den jongen man. Het was sinds
lang zijn hartewensch de wereld in te trekken en te onderzoeken wat
daar te zien was. Toch deed het hem leed te moeten scheiden van den
man, wien hij zooveel had te danken en die voor hem als een vader was
geweest, en daarom was zijn aandoening niet onvermengd, maar een van
vreugde en weemoed tegelijkertijd.



HOOFDSTUK VI.

HET AFSCHEID.


De mis was uit; de menigte stroomde uit de kerk en verspreidde zich
in alle richtingen.

"Wees gegroet, jonkvrouw!" sprak Albrecht Dürer op zachten toon tot
Agnes Frey, die hij bij den uitgang had opgewacht, en die nu met haar
kerkboek tusschen haar beide handen en haar oogen neergeslagen het
kerkgebouw verliet.

Zij beantwoordde zijn groet met een kleine hoofdbuiging en liep door.

"Mag ik met u meegaan?" vraagde Albrecht eerbiedig, "ik wilde u zoo
gaarne nog eens spreken, voordat ik weg ga."

Agnes stond stil en zag hem ontsteld aan. "Gaat gij weg? Wat bedoelt
gij?"

Albrecht knikte. "Mijn goede moeder is druk bezig alles voor mijn
reis in orde te maken en mijn knapzak te vullen, voordat ik de wereld
in trek."

"O, hoe heerlijk voor u!" sprak Agnes snel. "Wat zal uw hart luid
kloppen van vreugde!"

"Ja, ik voel een vurige begeerte om de wereld in te gaan, Gods werken
te bewonderen en vreemde zeden en gewoonten te bestudeeren. Maar
het doet mij leed mijn geboorteplaats, mijn tehuis en allen, die mij
lief zijn, te verlaten; daarbij loopt een reiziger allerlei gevaren,
en ik heb wel noodig, dat er veel voor mij wordt gebeden. Nu wilde
ik u vragen of ook gij in uw gebeden mij niet zult vergeten?"

Met een blos boog Agnes het hoofd. "Iederen morgen in de mis zal ik
tot de H. Maagd voor u bidden."

"O, hoe dank ik u daarvoor," zei Albrecht met warmte, "en zult gij
op een andere wijze ook nog eens aan mij denken?" voegde hij er
aarzelend bij.

"Het scheiden zal mij minder zwaar vallen, als ik die troostende
gedachte mag meenemen."

"Daar komt vader aan," fluisterde Agnes ontwijkend, doch zij trok
haar hand niet terug, toen de jonge man die greep en hartelijk drukte.

Hans Frey, de koopman, die ook in de mis was geweest en hen nu had
ingehaald, beantwoordde vriendelijk Albrechts groet en voegde er bij:
"Meester Michel Wolgemut heeft mij verteld, dat gij morgen de wijde
wereld intrekt."

"Ja, edele heer, en de meester heeft mij zijn zegen meegegeven,"
antwoordde Albrecht ernstig.

"Welnu, neem ook mijn zegen mee, Albrecht," zeide de heer Frey op
vaderlijken toon en hij drukte den jongeling de hand. "Als uw tijd
het u veroorlooft, ga dan met ons mee naar huis, dan kan ook mijn
vrouw afscheid van u nemen. Ik ben er zeker van, dat zij daarop is
gesteld, want zij houdt van u en heeft evenals ik groote achting
voor uw ernstige levensopvatting en uw heerlijke kunst." Albrechts
hart klopte luid en hij behoefde waarlijk niet tweemaal te worden
uitgenoodigd. Hij had al lang gemerkt, dat de ouders van Agnes hem
goed gezind waren, doch dat zij zoozeer op hem waren gesteld, had
hij niet durven denken en vervulde hem met groote vreugde.

Vrouwe Anna haalde een kan edele malvezij voor den dag en sprak tot
hem als een moeder tot haar kind; ook de heer Frey gaf hem vele goede
raadgevingen voor de reis mede en eindigde met de woorden: "Meester
Wolgemut heeft mij verzekerd, dat hij u niets meer kon leeren; en
ik denk, als gij terug komt, dat de leerling den meester de baas
zal zijn."

Agnes stond stil in de vensternis en keek naar buiten alsof zij er
niets mee had te maken. Doch toen zij hem bij het afscheid nemen de
hand reikte en sprak: "Mogen al de heiligen u beschermen op al uw
wegen," zag Albrecht een traan in haar oog glinsteren en hoe gaarne
had hij haar daarvoor vurig gedankt, want daardoor verried zij hem,
wat er in haar hart omging en nu wist hij, wat hij reeds zoo lang
had begeerd te weten. Nu kon hij getroost zijns weegs gaan--nu was
de grootste smart van het scheiden verzacht.--

Op den avond van denzelfden dag zat de heele familie Dürer nog lang
bij elkaar, tusschen vader en moeder zat Albrecht en de andere kinderen
waren om de tafel geschaard. Droefheid was in aller blik te lezen, want
het gold hier een afscheid van verscheidene jaren en wie kon zeggen,
of Albrecht bij zijn terugkomst hen allen nog zou terugvinden. Hoe
onverwacht wordt menigeen uit den kring der zijnen weggenomen! En dan:
het was een tocht met vele gevaren--gevaren van roovers op de wegen en
in de bosschen, van roofridders, die den reiziger den weg versperden in
de bergpassen en van slecht volk in de herbergen--vooral dit laatste
was te duchten om den slechten invloed, dien zij op de ziel van zulk
een onervaren jongeling hebben konden.

Zijn vader gaf hem vele nuttige wenken en raadgevingen en nam daarop
het gebedenboek, waarin hij iets toepasselijks opzocht en met diep
gevoelde vroomheid sprak hij het gebed uit, waarop allen eerbiedig
en van ganscher harte "amen" zeiden.

Den volgenden morgen--'t was enkele dagen na Paschen--op den 11den
April, werd de klopper reeds vroeg op meester Dürers deur gehoord en
kwam Michel Wolgemut, om Albrecht mee uitgeleide te doen.

Nauwelijks was hij binnengegaan, of twee andere vrienden kwamen met
hetzelfde doel: de een was meester Hans Traut, ook een schilder
uit Neurenberg en de ander Adam Kraft, meester in de beeldhouw-
en houtsnijkunst.

Zij vonden Albrecht voor de reis gereed. Nog eenmaal drukte zijn
vader hem aan zijn borst en kuste zijn moeder hem vaarwel, zeggende
met trillende stem: "Ga in den naam des Heeren;" toen opende meester
Dürer de deur en de mannen traden naar buiten in de heerlijk frissche
atmosfeer van dezen helderen, mooien Aprildag.

Zij begaven zich op weg over de Hooimarkt in de richting van
de Wöhrderpoort, in welker nabijheid de woning van Hans Frey
was gelegen. Albrecht verheugde zich er op, dat zij daar langs
moesten. Wie weet, of hij niet nog eenmaal haar, die zijn ziel
lief had, zou aanschouwen en misschien zou hij nog een enkelen
afscheidsgroet uit haar oogen mogen opvangen. Zij wist immers hoe
laat hij zou vertrekken. En nu zou hij kunnen zien of ook zij hem
lief had. Wanneer zij hem nu opwachtte aan het venster, zou hem dat
het bewijs zijn, dat zij hem lief had en zijn vertrek betreurde.

Terwijl zijn begeleiders met elkaar in een ernstig gesprek waren
gewikkeld, keek hij tersluiks naar boven--en waarlijk, daar stond zij
voor het raam van haar eigen kamertje, met een wit doekje in de hand.

Albrecht bleef eenige schreden achter, zoodat niemand zag, hoe hij
haar met de hand een groet toezond, en zijn hart klopte onstuimig,
toen zij die beantwoordde. Nu was hij gerust en nam getroost en moedig
afscheid van zijn vader en zijn vrienden.



HOOFDSTUK VII.

IN DEN VREEMDE.


"Goeden avond, beste oom! Met wien heb ik u zoo even op het Marcusplein
zien staan?" sprak op zekeren Septemberavond van het jaar 1493 een
aanzienlijke Venetiaansche jonkvrouw een ouden heer aan, met wien
zij aan het "Canale grande" in een gondel stapte.

"'t Is een Duitscher, lieve Bella," was het antwoord.

"Een Duitscher? Zoo, hij is mij reeds dikwijls opgevallen met zijn
hooge, mooi gebouwde gestalte, zijn fiere houding en zijn edel,
schoon gelaat. Hoe heet hij?"

"Albrecht Dürer uit Neurenberg."

"Wat is hij?"

"Kunstenaar."

"Dat heb ik gedacht! men kan het hem aanzien. Is hij een beeldhouwer?"

"Neen, hij is schilder. Mijn kleine Bella heeft dus in hem den
kunstenaar ontdekt? Wat hebben uw oogen goed gezien en welk een goeden
smaak hebt gij! Hij is dan ook een bijzonder mensch, die Neurenberger
en vereenigt in zich alles, wat iemand tot eer en sieraad strekt. Even
kunstvaardig als zijn hand is, zoo groot en edel is zijn hart en ieder
moet trotsch zijn zulk een man tot vriend te hebben. Maar het is niet
gemakkelijk om met hem in aanraking te komen, want die Duitschers
zijn zoo eenzelvig en gesloten."

"Hoe hebt u het aangelegd, oom, om kennis met hem te maken?"

"Signor Rodrigo Varini, die vurige vriend van kunstenaars en geleerden,
is mij behulpzaam geweest. Het is hem gelukt zijn hand op deze Duitsche
prooi te leggen en hem in zijn huis te lokken. Daar heb ik hem voor
het eerst gezien en gesproken en mocht ik een blik slaan in zijn
portefeuille, die een schat van teekeningen en schetsen bevat."

"En wat is uw oordeel over zijn kunst?" vraagde Bella.

"Hij is er nog niet geheel;" antwoordde haar oom. "Men kan zien,
dat hij de groote meesters, die hij op zijn reizen leert kennen,
bestudeert en zich hun uitstekende hoedanigheden eigen maakt;
maar men ziet ook terstond, dat hij niet alleen navolgt, doch een
eigen opvatting heeft. Hij heeft genie; en men behoeft waarlijk geen
profeet te zijn om te voorspellen, dat hij in de kunst een grooten
naam en onvergankelijken roem zal verwerven. Maar de indruk, dien
zijn kunst maakt, wordt nog verhoogd door zijn persoonlijkheid. Hij
is pas drie-en-twintig jaar oud, en toch is zijn levensbeschouwing
zoo ernstig, zijn optreden zoo waardig en zijn hart zoo rein,
vroom en onbesmet! Ik moet het bekennen: men voelt zich waarlijk
beschaamd als men in zijn reinen, open blik leest en naar zijn woorden
luistert. Alles wat laag en onedel is, is eindeloos ver beneden hem
en de dolle, losbandige begeerten der jeugd dringen niet door het
pantser van dit edele hart, dat slechts leeft voor het schoone."

"O, hoe gaarne zou ik hem ook eens ontmoeten," zuchtte Bella, "want
hier te midden van al die onbeteekenende en lichtzinnige jongelui,
verlangt mijn hart vurig een man te zien, die zoo ten volle achting
en bewondering verdient."

Haar oom keek met een vriendelijken glimlach naar het jonge, schoone
meisje.

Hij begreep haar verlangen, want hij kende haar streven naar het
edele, haar liefde tot de kunst en haar bewondering voor het grootsche
en schoone.

"Uw wensch kan gemakkelijk worden vervuld," sprak hij, "want dikwijls
is er een groote kring gasten bij signor Varini, als deze Duitsche
kunstenaar daar aanwezig is en ik zal de vrouw des huizes vragen u
ook eens te inviteeren."

"O heerlijk, oom, ik dank u duizendmaal," riep Bella verrukt en drukte
haar oom de hand.--

In een der paleizen op het Marcusplein, de woning van Signor Varini,
was eenige dagen later een uitgelezen gezelschap bijeen--een groot
aantal bedienden in prachtige livrei, liep heen en weer in de groote
zaal om de gasten allerlei ververschingen aan te bieden.

De genoodigden waren gedeeltelijk artisten, voor het overige
liefhebbers der kunst en allen waren onder den indruk der muziek,
die door de zaal weerklonk. Signor Varini was er in geslaagd een
beroemde zangeres voor dezen avond te engageeren, een kunstenares,
die sinds eenige weken te Venetië vertoefde, waar zij iedereen in
verrukking bracht door haar zang en spel.

Nadat men ruimschoots van de muziek had genoten, verdeelde het
gezelschap zich in groepen in de verschillende vertrekken. In een
daarvan verzamelde zich al spoedig een kring om een jongen man, die
al de vragen, waarmee men hem bestormde, vriendelijk beantwoordde. Die
man was Albrecht Dürer.

Zijn uiterlijk alleen won aller harten, maar nog meer wist hij door
zijn woorden te boeien. Hij had veel gereisd en van de wereld gezien en
had de gave het aan anderen op een aardige manier mee te deelen. Hoe
goed had hij alles waargenomen en welke bijzondere oogen moesten dat
zijn, die zooveel zagen, wat een ander zelfs niet opmerkte!

Toen hij eindelijk vermoeid was van het vele spreken, noodigde Signor
Varini de gasten uit om een gezelschapsspel te doen en Dürer maakte van
die gelegenheid gebruik om zich in een afgelegen nis bij het venster
terug te trekken en zijn oogen te laten gaan over de drukte op het
Marcusplein, waarnaar hij steeds met evenveel belangstelling keek.

Na eenige oogenblikken hoorde hij een zijden kleed in zijn nabijheid
ruischen en toen hij zich omkeerde, zag hij een jonge, schoone
Venetiaansche, die hem niet zonder verlegenheid en met bewondering
aanzag.

"Zijt gij vermoeid dat gij zoo de eenzaamheid opzoekt?" vraagde zij.

Dürer glimlachte. "Signor Varini geeft zijn gasten ook zoo veel
te genieten,"

"Gij zijt een Duitscher", sprak Signora Bella met een guitig lachje,
"en de Duitschers zijn spoediger bevredigd dan wij, Italianen."

Dürer keek met welgevallen naar deze bekoorlijke jonkvrouw; de klank
harer stem en haar manier van spreken trokken hem zeer aan en daarom
noodigde hij haar beleefd uit plaats te nemen. Bella deed dit gaarne
en sprak: "Ik zou nog veel meer van Duitschland willen hooren. Is
het niet een erg ruw, onherbergzaam land? Hoe is het mogelijk,
dat de kunst kan bloeien onder dien grauwen hemel, vooral uw kunst,
meester Dürer? Gij moest het zonnige Italië tot uw woonplaats kiezen,
dan zou uw talent tot zulk een volkomene ontwikkeling geraken!"

"Gij hebt gelijk, Signora," antwoordde Dürer met een hoffelijke
buiging.

"Het zonnige, kleurrijke Zuiden is bevorderlijker voor den bloei der
kunst dan het ruwe, grijze noorden; maar de kunst is als de denneboom,
die welig tiert op den vruchtbaren boschgrond der dalen, maar ook
op de steile, dorre rotshoogten tot vollen wasdom komt. Denk eens
aan de Rijnstreek en de Nederlanden, denk aan Boheme [5] en aan mijn
geboorteplaats [6], op hoeveel groote meesters kan men zich daar niet
beroemen en welke heerlijke kunstproducten heeft hun hand geschapen!"

"Goed gezegd!" riep Bella uit, "Van de meesters der scholen van Keulen
en Brugge [7] heb ik verscheidene werken gezien, ook van de Praagsche
kunstenaars en alle wekten evenzeer mijn bewondering."

"O, hebt gij zooveel kennis van de kunst en liefde tot haar!" riep
Dürer uit, die zijn belangstelling in de Signora voortdurend voelde
toenemen.

Bella lachte en tusschen haar lippen glinsterden haar kleine,
ivoorwitte tanden.

"Het rijk van het schoone was van mijn jeugd af aan de wereld, waarin
ik leefde, en ik voel een vurigen eerbied en bewondering voor de
priesters der kunst... Hoe lang zwerft gij reeds op uw reizen rond?"

"Reeds meer dan drie jaren," antwoordde Dürer.

"O, wat moet gij dan veel hebben gezien! En als gij niet te veel
vermoeid zijt, zoudt gij mij een groot genoegen doen, mij er iets
van te willen vertellen."

"Heel gaarne, Signora," verzekerde Dürer, die zich meer en meer
tot deze discipelin der kunst voelde aangetrokken. "Eerst ben ik
westwaarts getrokken en wel naar Colmar om kennis te kunnen maken
met Martin Schongauer, [8] dien grooten meester, die mij in mijn
leerjaren van groot nut is geweest en mij steeds met zijn kunst heeft
bezield. Van de eene stad ben ik naar de andere getrokken, hier en
daar eenigen tijd vertoevend, totdat ik Colmar bereikte, om toen te
bemerken, dat ik te laat kwam en dat meester Schongauer reeds twee
jaar in het graf rustte. Zijn broeders evenwel ontfermden zich over
mij en hielden mij bij zich, om mij veel te laten zien van hetgeen
de meester had nagelaten. Uit dankbaarheid schonk ik hun verscheidene
mijner werken en zij betuigden, dat het hun was alsof hun broeder ze
met eigen hand had geschilderd. Daarna ben ik een heel eind langs den
Rijn getrokken, maar nergens vond ik, wat ik zocht voor mijn studie,
want het was daar treurig met de kunst gesteld.

"De groote meesters waren gestorven, en die nu het penseel voerden,
beteekenden niet veel, daarom was al mijn verlangen op Italië gericht,
en in het bijzonder op Venetië, waarvan te Neurenberg altijd met
zooveel lof wordt gesproken door de kooplieden die men steeds hier kan
vinden in het Duitsche handelshuis [9] en die zooveel wonderheerlijks
van de stad der lagunen te vertellen hebben."

"En zijt gij het met hun verhalen eens?" vraagde Bella.

Albrecht knikte bevestigend. "Het is mij alsof ik in een wonderland
ben. Mijn oogen zijn verblind door den glans van al het schoone. Het is
verbazend zooals de kunst hier alles beheerscht! Neurenberg moet zich
slechts met één groot kunstenaar, mijn leermeester, vergenoegen;--en
hier in Venetië vindt men een aantal kunstenaars, die om den voorrang
strijden, die elkaar niet navolgen, doch waarvan elk origineel is in
manier van werken en opvatting."

"En wien bewondert gij het meest?" vraagde Bella. "De Bellini's, of
Bartolomeo, Vivarini, Marco Marziale, de Barbari's of Andrea Mantegna?"

"Dien gij daar in de laatste plaats noemt," antwoordde Albrecht. "De
anderen begrijp ik minder goed, hoezeer ik ze ook bewonder; ik kan
mij moeilijk indenken in hun gedachten. Maar wat meester Mantegna
heeft geschilderd, dat begrijp ik en ik voel, dat er zielsverwantschap
tusschen ons bestaat, indien het tenminste den mindere tegenover den
meerdere past zoo iets te zeggen.

"Menig uur heb ik reeds doorgebracht met het copieeren zijner werken
om ze mee naar huis te kunnen nemen."

"Is het uw plan hier te Venetië alleen te studeeren en niet te toonen,
wat uw penseel reeds vermag te scheppen?" vraagde de Signora verder.

Albrecht glimlachte: "Nu en dan als ik iets zie, dat mij boeit en
bezielt, grijp ik het penseel en tracht het weer te geven volgens
mijn eigen opvatting."

"Hebt gij hier ook portret geschilderd?"

"Ja, ook dat, nu en dan."

Bella zweeg en keek den Duitschen schilder aan, alsof zij wilde zeggen:
"Ik zou wel eens aan mijn portret willen zien, waartoe de Duitsche
kunst in staat is."

Dürer begreep dien blik en reeds zweefde een toestemmend antwoord op
zijn lippen. Hij was geheel onder den invloed dezer Italiaansche;
eerst hadden haar kunstkennis en enthousiasme hem aangetrokken en
langzamerhand was hij ook onder de bekoring van haar betooverende
persoonlijkheid geraakt. Welk een heerlijke arbeid die schitterende,
zwarte oogen vol uitdrukking, die blozende wangen, die klassiek
gevormde neus en vriendelijke, roode lippen op het perkament te
brengen! En daarbij de muziek harer taal te hooren en naar haar
bekoorlijk gebabbel te kunnen luisteren, hoe verrukkelijk moest dat
zijn! Een oogenblik zag hij haar diep in de oogen en gaf zich geheel
over aan de bekoring, die van haar uitging, doch toen ondervond hij
plotseling een zeer pijnlijke gewaarwording, die hem een donkeren
blos op de wangen joeg.

Hij voelde dat hij hier den wensch des kunstenaars moest opofferen,
en hij beschouwde zijn vurige bewondering voor deze Italiaansche
schoone als ontrouw jegens haar, wier beeltenis in het diepste
heiligdom zijns harten leefde.

Deze gedachte dwong hem een eind te maken aan het gesprek. Hij stond
op, boog beleefd voor de Signora en begaf zich weer bij het gezelschap,
dat reeds naar hem had uitgezien.

Toen hij afscheid nam, vraagde Bella's broeder toestemming om den
inhoud zijner portefeuilles te mogen komen zien en zijn zuster mee
te brengen.

Dürer antwoordde toestemmend en ontving daarvoor een dankbaren blik
uit Bella's oogen.-- --

Twee dagen later begaf Signor Carlo zich met zijn zuster naar het huis,
waar de Duitsche schilder zijn intrek had genomen.

De waardin betuigde haar spijt: "Hij is niet thuis."

Bella verborg haar teleurstelling niet en Carlo vraagde, of zij
misschien toch zijn kamer mochten zien.

De vrouw zag er geen bezwaar in om de gasten binnen te laten, daar
het vertrek niet was afgesloten.

Zij waren verrukt over het schoone arrangement. Aan den muur hing
een groot aantal schilderijen, die zij ternauwernood een blik gunden,
want al hun aandacht werd terstond in beslag genomen door een portret,
dat midden in de kamer op een schildersezel stond.

"Dat is hij zelf!" riepen broeder en zuster als uit één mond en Carlo
voegde erbij: "Wat een meesterstuk!"

Ja, hier had Albrecht Dürer het beste gegeven wat hij had. Het
edele, mannelijk schoone gelaat met zijn donkerblauwe oogen zag den
toeschouwer zoo ernstig aan en de indruk werd nog verhoogd door de
prachtige kleedij. Een rood kapje dekte de bruine, golvende haren, de
kraag om zijn hals was met een met goud gestikten zoom versierd, linten
van perzikkleur sloten de opengespleten mouwen en over de borst was
een schilderachtige draperie van grijs-blauw, met gele koorden afgezet.

"Wat voor een blauwe bloem heeft hij daar in zijn rechterhand?" vraagde
Carlo, terwijl hij langen tijd in zwijgende bewondering verdiept het
portret had bekeken. "Wat zou hij daarmee willen zeggen?"

"Zie eens, daarboven heeft hij iets geschreven, dat verklaart het
misschien," merkte Bella op.

Carlo trad er dicht bij en las toen: "Mein Sach die gaht, als es oben
staht. [10]"

"Dat is niet duidelijk," sprak hij hoofdschuddend, "wie kan dat
verklaren." Daarbij keek hij vragend naar de waardin, die zwijgend
op den drempel was blijven staan.

"Die Duitsche schilder is een zeer vrome man," antwoordde zij. "Toen ik
hem vraagde, wat deze woorden beteekenden, wees hij naar boven en zei:
"God in den hemel is mijn hoop en mijn vertrouwen; in Zijn handen stel
ik mijn leven en al wat ik heb." Maar toen ik ook naar de beteekenis
van die blauwe bloem vraagde, wendde hij zich met een blos af en
sprak: "die bloem heet bij ons "mannentrouw."" Ik denk, dat er in
het vaderland een aardig meisje met liefde aan hem denkt en dat hij
haar gevoelens met evenveel trouwe liefde beantwoordt." Bella keerde
zich om en bekeek de andere schilderstukken; de uitdrukking van haar
gelaat was geheel veranderd en haar blikken dwaalden, zonder te zien,
van het eene schilderij naar het andere. Kort daarop drong zij er op
aan te vertrekken--men was toch waarlijk ook reeds te lang gebleven.

Haar broeder voldeed niet zonder tegenzin aan haar wensch en hij
verwonderde zich onder het naar huis gaan over de stilheid van zijn
anders zoo vroolijke, spraakzame zuster.

Dürer vernam bij zijn thuiskomst het bezoek, dat in zijn afwezigheid
aan zijn werkplaats was te beurt gevallen, en dacht, dat de beide
bezoekers het zouden herhalen, doch hij wachtte tevergeefs en zag
het schoone gelaat der Signora niet meer terug.

In plaats van haar kwam kort daarop een landgenoot, de koopman Tucher
uit Neurenberg, die hem de groeten zijner familie overbracht en de
tijding, dat zij het thuis allen goed maakten.

Ook hij was vol lof over het eigenhandig geschilderd portret van den
kunstenaar en vraagde na eenige oogenblikken; "Maar waarom hebt gij
dit groote portret op perkament in plaats van op paneel geschilderd?"

"Omdat het dan kan worden opgerold en gemakkelijk worden verzonden,"
antwoordde Dürer. "En ik heb een vriendelijk verzoek aan u. Wilt
gij het mee naar Neurenberg nemen en het mijn vader met een briefje
overhandigen?" De koopman had er niets op tegen en reeds enkele dagen
later was het portret op weg naar Neurenberg.

Tucher had wel eens gaarne willen weten, wat er in het briefje stond,
want hij vermoedde wel, voor wie het portret eigenlijk was bestemd. In
geheel Neurenberg was het geen geheim meer waarom jonkvrouw Agnes
Frey sedert Albrecht Dürers vertrek zoo stil was geworden en uit het
feit, dat de oude meester Dürer den heer Hans Frey dikwijls bezocht,
begreep men het overige.

Tucher had tegelijkertijd den jongen kunstenaar te kennen gegeven,
dat het de wensch zijns vaders was, dat hij nu eens zijn terugkomst
moest bepalen, en aan dien wensch gehoor gevende, zeide Albrecht
spoedig daarop Venetië vaarwel en trok wederom noordwaarts naar Tyrol.

Opgewekt reisde hij verder--hij ging immers naar huis om allen, die
hij liefhad, terug te zien na een vierjarige afwezigheid. Maar het
Tyrolerland was te schoon om er snel door te reizen. Hoe mild had hier
de Schepper Zijn heerlijkheid ten toon gespreid; hoe genoot hier het
oog van den kunstenaar, die het schoone beter dan iemand anders weet
te ontdekken en te waardeeren. Menigmaal voelde hij zich gedrongen
stil te houden en met teekenstift of penseel een schets te nemen van
het schoone en opmerkenswaardige, dat de natuur aanbood. Soms was het
een boomgroep, of een rotsachtig gedeelte, dan weer een landschap,
een burcht of een stad.

Zijn hart klopte luider toen hij aan de bergpas kwam, waardoor
eenmaal zooveel zijner landgenooten waren getrokken en met hun bloed
den bodem hadden gedrenkt: de Venetiaansche kloof. Hij kon het niet
van zich verkrijgen verder te gaan, voordat hij deze romantische
plek geschetst in zijn portefeuille kon meenemen. Ook vertoefde hij
lang op een hoogte bij Triënte om vol geestdrift die schilderachtig
gelegen stad in haar geheel met frissche kleuren weer te geven. En
toen hij Innsbruck naderde juichte zijn ziel bij den aanblik van
deze parel van Tyrol en terstond kwamen palet en penseelen weder
voor den dag. Hij nam het gezicht op deze stad van de noordzijde,
zoodat de Inn den voorgrond inneemt en dicht langs de huizen stroomt,
die zich in den vloed weerspiegelen. Op den achtergrond verheffen
zich majestueus de sneeuwbergen in het zachte blauw des hemels,
waarin kleine, witte wolkjes zweven.

Meer en meer naderde Albrecht de Beiersche grenzen. Nu bleven de
penseelen weggeborgen en zijn hart ging open, toen hij voor het
eerst zijn eigen taal in de ooren hoorde klinken. O Vaderland! gij
heerlijk! innig geliefd woord!



HOOFDSTUK VIII.

VERVULDE WENSCHEN.


Op een morgen in Juni van het jaar 1494 werd de koperen klopper
drie malen op de huisdeur van den heer Hans Frey neergelaten, en
daar stonden meester Dürer en zijn zoon, uitgedost in hun schoonste
kleedij. Zij werden klaarblijkelijk verwacht, want al de huisgenooten
waren eveneens in feestgewaad; alles in huis blonk en glom en op
de tafel in de ruime woonkamer stond een heerlijke ruiker witte en
roode rozen.

Toen de klopper zich liet hooren, verlieten de moeder en dochters het
vertrek en de heer des huizes trad op den drempel om de binnenkomenden
te verwelkomen. De begroeting had met veel ernst en deftigheid plaats
en meester Dürer en zijn zoon traden binnen.

"Veroorloof mij te vragen, wat u hierheen voert?" begon Hans Frey
op afgemeten toon. Hij wist wel met welk doel de beide mannen waren
gekomen, maar het was in dien tijd het gebruik deze vormelijke vraag
te doen.

Op even deftige wijze antwoordde meester Dürer: "God geve u en uw huis
heil en voorspoed! Ik kom tot u voor mijn oudsten zoon Albrecht, die
na zijn terugkomst uit den vreemde niet meer aan anderen ondergeschikt
behoeft te zijn, en nu van plan is een eigen huis in te richten en
daarin een huisvrouw binnen te leiden. Aangezien hij hiervoor de oogen
op uw oudste dochter heeft geslagen, en het genoegzaam is bekend,
dat de jonkvrouw hem genegen is, zoo kom ik uit zijn naam u vragen,
heer Hans Frey, of gij uw dochter Agnes aan mijn zoon Albrecht ten
huwelijk wilt geven."

Hans Frey kuchte even en antwoordde toen: "Met lof spreekt een ieder
over uw zoon, meester Dürer, niet alleen wat zijn kunst betreft,
maar ook om zijn deugdzamen, reinen levenswandel. Gaarne geef ik dus
gehoor aan uw verzoek en ik stem toe in het huwelijk mijner dochter
met uw zoon Albrecht."

De mannen drukten elkaar de hand en daardoor werd de verloving
bekrachtigd, want in dien tijd had de vader het recht de hand zijner
dochter te schenken aan wien hij wilde. Doch zij werd niet beschouwd
als een willooze koopwaar, zooals nog vroeger het geval was, neen, de
tijden waren ook in dit opzicht beter geworden, men had meer eerbied
gekregen voor de rechten der vrouw en daarom werden de wenschen der
dochter wel degelijk in acht genomen en besliste men na haar zelve
ernstig te hebben geraadpleegd.

Nu ging Hans Frey naar de aangrenzende kamer en wenkte Agnes, die
daarop met neergeslagen oogen, blozende wangen en kloppend hart op
den drempel verscheen.

"Zie," sprak haar vader, "het is om uwentwil, dat wij heden bezoek
ontvangen van meester Dürer, die voor zijn zoon Albrecht uw hand
komt vragen. En nadat ik mijn vaderlijke toestemming heb gegeven,
vraag ik eerst aan u, Albrecht Dürer, begeert gij mijn dochter Agnes
tot uw wettige huisvrouw?"

Het antwoord werd met luide stem gegeven: "Ja, van ganscher harte!" Nog
tweemaal herhaalde Hans Frey zijn vraag en telkens volgde daarop
hetzelfde antwoord.

Daarop wendde de vader zich tot zijn dochter en vraagde op dezelfde
wijze: "Agnes, begeert gij den jongen Albrecht Dürer tot uw wettigen
echtgenoot?" Ook uit haar mond klonk het, wel minder luid, doch even
vurig: "Ja, van ganscher harte," en zoo tot driemaal toe.

Toen legde haar vader hun beider handen in elkaar en de zijne er
op leggende, sprak hij: "Albrecht, ik vertrouw Agnes aan u toe,
evenals Christus de sleutels van het Rijk des hemels aan Petrus heeft
toevertrouwd. Agnes, ik vertrouw u Albrecht toe, evenals Christus aan
Petrus de sleutels van het Rijk des hemels heeft toevertrouwd." Toen
nam hij een zwaard uit den hoek, zette een hoed op de punt en stak een
gouden ring aan het gevest, nam daarna een mantel en een penning en
voerde de verloofde tot haar bruidegom met de woorden: "Hiermee geef ik
mijn wettig kind over in uw trouw en genade, en vraag u ter wille van
het vertrouwen, waarmee ik haar aan u afsta, dat gij een rechtvaardig
en goedertieren leidsman en een trouw beschermer voor haar zult zijn."

De bruigom hief plechtig de hand op met den eed: "Ik zweer het voor
het aangezicht van den alomtegenwoordigen God!"

"Neem haar dan tot uw echtgenoot, haar, die gij hebt
uitverkoren!" sprak Hans Frey en nu trapte de bruigom zijn bruid op
haar voet, om daarmee te toonen, dat hij haar heer en meester was, maar
daarna sloot hij haar in zijn armen als bewijs, dat zijn heerschappij
zacht en liefdevol zou zijn en gaf hij haar den verlovingskus.

Een paar uren later was de ruime huiskamer gevuld met de verschillende
familieleden der verloofden, die allen hun gelukwenschen en
geschenken kwamen aanbieden; deze laatsten echter moesten binnen
zekere grenzen blijven volgens ingewortelde, overdreven bemoeizucht
der stedelijke regeering, die hierop strenge beperkingsverordeningen
had uitgevaardigd.

Het was alleen aan de beide naastbestaanden veroorloofd de bruid een
gouden ketting ter waarde van achttien gulden en een zilveren gesp
tot den prijs van vijftien gulden op zijn hoogst te schenken.

Aan een welvoorzienen disch bleven de gasten gezellig bijeen tot den
avond en op aller gezichten stond te lezen, hoezeer men was ingenomen
met deze belangrijke gebeurtenis.

Hans Frey, hoe rijk en gezien ook in de oogen aller ingezetenen,
zag volstrekt geen vernedering in het huwelijk zijner dochter met den
zoon van een goudsmid; hij, de begaafde man, zelf bedreven in de kunst,
voornamelijk in zang en spel, rekende het zich tot eer, de hand zijner
dochter te mogen schenken aan een man, van wien hij voor de kunst de
grootste verwachtingen koesterde. Meester Dürer was bovenmate verheugd
en dankbaar, dat zijn zoon zulk groot geluk was ten deel gevallen, en
al zag hij in het begin wel een weinig op tegen den omgang met deze
aanzienlijke familie, spoedig voelde hij zich bij hen geheel thuis
door de welgemeende vriendelijkheid, waarmee men hem tegemoet kwam.

Het gelukkigst van allen waren natuurlijk de beiden, die het middelpunt
der algemeene vreugde uitmaakten. Hun wederzijdsch, stilzwijgend
verlangen was nu bevredigd, ze konden elkander nu vrijuit vertellen,
hoe lief zij elkaar hadden en met verrukking hoorde Albrecht de
bekentenis van Agnes, dat zij hem als knaap reeds in stilte heel
gaarne mocht lijden.--

Den 7den Juli op St. Margriet, werden de deuren der Sebalduskerk
geopend voor een deftigen stoet: Albrecht Dürer geleidde zijn lieve
bruid naar het altaar. Beide trokken aller blikken tot zich en vol
bewondering was men het hierover eens, dat nooit een mooier paar deze
kerk had betreden.

Hoe schoon kwam Albrecht Dürers statige gestalte uit in het blauw
fluweelen wambuis, den zwarten met bont afgezetten mantel en hoe goed
stond hem de met goud doorvlochten bruigomskroon van sterkriekende
kruiden! En hoe lief zag de bruid er uit in haar wit zijden kleed,
waarvan de lange sleep met blauw fluweel en schitterende paarlen was
omzoomd; hoe liefelijk was de blos op haar wangen onder den bruidkrans
van rozemarijn met vergulde bladeren!

Het jonge paar werd gevolgd door een langen prachtigen stoet van
bruidsjuffers en jonkers en verdere bruiloftsgasten.

Onder plechtige orgelmuziek trad het jonge paar voor het altaar, waar
hun door den priester de vraag werd gedaan, of zij elkaar wenschten
te huwen en elkander trouw wilden blijven tot in den dood; waarop
hij hun handen vereenigde en hen zegende met de woorden: Ego coniungo
vos in nomine Patris et Filii et spiritus sancti. Amen. Daarop maakte
hij over hen het teeken des kruises, besprenkelde hen met wijwater,
stak hun den gouden ring aan den vinger en besloot de plechtigheid
met een gebed, waarop het koor de huwelijksmis aanhief.

Intusschen waren in de groote zaal van het raadhuis een groot aantal
tafels aangericht voor het bruiloftsmaal. Het bruidspaar nam aan de
middelste plaats met de beide ouderparen, den overigen werd een plaats
aangewezen volgens rang en geslacht. Terzijde zaten de muzikanten,
die de gasten met hun deuntjes opvroolijkten.

Aan elke tafel dienden twee schenkers, en een omroeper ging van de
eene tafel naar de andere, om in fraaie rijmpjes tot eten uit te
noodigen--dat was zoo de gewoonte.

Als de muziek ophield, kwam de hansworst om met zijn grappen de
vroolijkheid te verhoogen--trouwens, hij had zich die moeite kunnen
besparen, want voortdurend nam de luidruchtigheid toe en de muzikanten
hadden het overdruk om met hun trompetten en pauken al de toasten
te beantwoorden.

Nadat men ruimschoots had genoten van de spijzen en dranken, had de
brandschatting plaats. Het eerst verscheen de kok met den schotel,
die bij de gasten moest rondgaan en waarin de gaven moesten worden
gelegd. Met hetzelfde doel kwam de keldermeester met zijn drinkhoorn,
de braadspitdraaier, de vrouw, die de vaten moest wasschen, en
eindelijk de armvoogd met de bus voor de arme luitjes; allen werden
rijkelijk bedeeld met klinkende munt.

Na afloop van den maaltijd kwam een der bedienden met een zilveren
schaal en een meid met een handdoek, en gingen beurt voor beurt naar
elk der gasten, om hen uit te noodigen hun handen te wasschen. Nadat
hieraan was gehoor gegeven, was het trompetgeschal het sein,
dat men zich voor het dansen naar de benedenzalen moest begeven,
terwijl de bruiloftsoep, waarvoor de vader van de bruid een vetten
os ten geschenke had gegeven, werd verzonden aan de kerkdienaars,
de raadsbedienden, de zieken in het hospitaal en eveneens aan de
doortrekkende reizigers in de herbergen. Het was 's avonds laat,
toen men het jonge echtpaar met fakkellicht naar het huis van den
vader der bruid begeleidde.

Maar daarmee waren de feestelijkheden niet afgeloopen; den volgenden
dag namen ze daarentegen nog toe. Reeds in den vroegen morgen
verschenen de gasten weer om hun geschenken aan te bieden. Het eerst
van allen was de bruigom in het vertrek der bruid binnengetreden om
haar het eerste geschenk te brengen: een kostbare parure van goud met
echte parelen, robijnen en smaragden, een meesterstuk van den ouden
Dürer en een verrukkelijk schilderij van zijn eigen hand, een landschap
in Tyrol. De overige gasten wedijverden met elkaar in bewijzen hunner
liefde en achting, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Daarna
ging men wederom gezamenlijk ter kerke, en nu droeg de jonge vrouw het
haar niet meer loshangend zooals tot nu toe, doch opgebonden onder
een muts, als bewijs dat zij nu het huwelijksjuk droeg. Na de mis
legde het jonge echtpaar hun gave op het altaar en ontving den nazegen.

Na deze kerkelijke plechtigheid trok men weer naar het raadhuis,
om zich daar nogmaals te vereenigen aan een welvoorzienen disch,
die in pracht en overvloed den eersten nog overtrof en een bewijs
was van den grooten rijkdom van Hans Frey.

Na afloop daarvan ging men onder vroolijken zonneschijn naar de veste,
waar onder de linde op het voor ieder toegankelijke plein, met dansen
de feestelijkheden zouden worden besloten.

Evenals den vorigen avond was het laat, toen de fakkels weder werden
aangestoken om het jonge paar naar huis te begeleiden. Nu ging
men evenwel niet naar het ouderlijke huis der bruid, maar naar de
woning van den ouden meester Dürer, want Albrecht volgde niet het
gebruik om bij zijn schoonvader te gaan inwonen, maar verkoos het
huis zijner ouders, omdat hij dan steeds in de nabijheid van zijn
ouden, gebrekkigen vader kon zijn en zijn kinderplicht tegenover den
grijsaard beter vervullen.

Het was wel wat bekrompen wonen in het huis van meester Dürer en deze
keek zijn schoondochter wel eens met bezorgden vragenden blik aan,
omdat hij vreesde, dat het haar, die zooveel weelde was gewend,
moeilijk zou vallen zich in deze bescheiden omstandigheden te
schikken--doch zijn vrees was ongegrond: Vrouwe Agnes was volkomen
tevreden met de beperkte ruimte, nu zij die deelen mocht met den man,
met wien zij onuitsprekelijk gelukkig was.



HOOFDSTUK IX.

HET HUWELIJKSLEVEN.


De ondergaande Aprilzon wierp haar purperen gloed in de werkplaats
van Albrecht Dürer, waar de kunstenaar met zooveel inspanning en
ijver aan een groot stuk schilderde, dat de zweetdroppels op zijn
voorhoofd parelden.

Er werd aan de deur geklopt en eenigszins ontstemd over de stoornis
keek de schilder van zijn werk op, doch dadelijk hernamen zijn oogen
hun vriendelijke uitdrukking, toen hij in den binnenkomende zijn
ouden leermeester herkende.

"Zijt gij nog zoo laat aan den arbeid?" vraagde Wolgemut. "Gij moest
uw oogen meer sparen."

"Ik heb haast," antwoordde Dürer, "want het is nog slechts drie dagen
vóór het feest ter eere der tentoonstelling van de rijksinsignes en
kleinoodiën." [11]

"Wilt gij daar deze schilderij ten verkoop aanbieden? Nu, gij zult
er ongetwijfeld eer mee inleggen. 't Is een meesterstuk. O wat heeft
God u bevoorrecht! Ik zou bijna jaloersch worden, als ik zie hoever
de leerling den meester boven het hoofd is gegroeid; doch Johannes
de Dooper bewaart mij voor nijd en afgunst."

"Johannes de Dooper?" vraagde Dürer verwonderd.

"Ja zeker!" knikte Wolgemut. "Niet lang geleden las ik in den
bijbel van Anton Koburger en ik was getroffen door een tekst, die
mij mijn tevredenheid terug gaf. Het was in het derde hoofdstuk van
het Evangelie van Johannes, waarin ik las, dat de Dooper tot hen,
die niet konden verdragen, dat Jezus van Nazareth hun leeraar in de
schaduw stelde, zeide: "Hij moet wassen en ik moet minder worden." Hoe
ootmoedig was hij en toch hoe groot juist daardoor, dat hij zich
zoo vernederde! En ik wil hem navolgen en hem gelijk trachten te
worden, opdat ik mij van ganscher harte daarin kunne verheugen, dat
de discipel meer is dan zijn leermeester. God zegene u!--En hoe gaat
het overigens, Albrecht?"

"Mij gaat het goed, meester," antwoordde Dürer, "ik heb alle
reden om God te danken voor Zijn goedheid, want ik ben gezond
en vol moed en levenslust, al heb ik in den laatsten tijd vrij
wat onaangenaamheden ondervonden door mijn gezellen, die met mijn
schilderwerk rondreizen. Velen hunner blijken schelmen te zijn, die
zeer ontrouw hebben gehandeld met het werk, dat ik aan hun zorgen
had toe vertrouwd, en mij slechts een klein deel der opbrengst
hebben gebracht. Een ander, wien ik geld had geleend, heeft mij ook
schandelijk bedrogen. Doch hoewel ik door deze wederwaardigheden veel
schade heb geleden en de zorg voor mijn ouders en jongere broeders
op mij neerkomt, zoo heb ik door Gods goedheid steeds alles gehad
wat noodig was en nooit gebrek geleden."

"Hoe gaat het met uw vader?" vraagde Wolgemut deelnemend. "Ik heb
gehoord, dat hij ziek te bed ligt."

Dürer knikte toestemmend: "Hij ligt reeds vijf dagen te bed. De
acht-en-zestig-jarige is zeer zwak en mag maar heel weinig in de
werkplaats arbeiden. Zijn oogen zijn slecht en zijn handen beven;
Andreas mijn broeder, is nu veel aan zich zelf overgelaten, maar het is
een flinke knaap, die bij vader goed heeft geleerd. Ik dank God, dat
Hij mij mijn Agnes heeft gegeven! Zij helpt mijn moeder zoo trouw met
oppassen en verpleegt den ouden man, alsof hij haar eigen vader ware."

"Ja," sprak Wolgemut, "het verblijdt mij ook zoo, dat God u in haar
zulk een heerlijken schat heeft gegeven. Houd haar in eere!"

"Die vermaning is waarlijk niet noodig," antwoordde Dürer glimlachend,
"want ik weet zelf het best welk een kostbaar kleinood zij is."

Wolgemut trad nu dicht bij den ezel om het werk nauwkeurig te kunnen
beoordeelen, en daarna sprak hij: "Het is dus uw plan het op het feest
ten verkoop ten toon te stellen? Dan zult gij u moeten haasten want
ik zag reeds een groote menigte vreemdelingen voor het feest aankomen."

Dit feest was ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en
kleinoodiën, waarvan Neurenberg, als middenpunt van het Duitsche
rijk, de eer genoot die te mogen bewaren. Jaarlijks, in de lente,
werden die kleinoodiën aan het volk vertoond en sinds de regeering van
koning Sigismund werd er bij deze gelegenheid een groote jaarmarkt of
kermis gehouden, die zooveel menschen uit alle deelen des lands trok,
dat er in de herbergen nauwelijks plaats genoeg was.

Meester Wolgemut bleef nog eenigen tijd met zijn voormaligen leerling
praten, totdat Vrouwe Agnes verscheen, met wie hij nog eenige woorden
wisselde; toen vertrok hij. Vrouwe Agnes zag er vermoeid uit. Reeds
sedert twee dagen was zij niet te bed geweest en zij had daarbij veel
huishoudelijke plichten moeten waarnemen. Zij ging stil bij de tafel
zitten met haar moe hoofd op de hand steunende.

Dürer ging naar haar toe en kuste haar op het voorhoofd. "Mijn arm
vrouwtje, wat rust er nu veel op uw schouders! Gij hadt zeker wel
gedroomd, dat gij het beter bij mij zoudt hebben!"

Met zacht verwijt keek Agnes naar hem op. "Foei, stoute man, hoe durft
gij zoo iets zeggen! Van mijn vroegste jeugd af heb ik ledigheid nooit
kunnen uitstaan, en hoe heerlijk vind ik de grootste drukte en moeite,
waar het u geldt!"

"Mijn lieve vrouw!" riep Albrecht in vervoering en hij drukte zijn
Agnes vurig aan zijn hart. Toen ging hij tegenover haar zitten om met
haar te babbelen, want het was veel te donker geworden om nog te kunnen
schilderen. Langzamerhand antwoordde Agnes weinig of niets meer, hij
zag hoeveel moeite zij had om haar oogen open te houden--en eindelijk
vielen ze dan ook toe en sliep zij. Toen stond hij zachtjes op, nam
perkament en potlood en teekende Agnes uit, zooals zij daar zat met
haar schort en witte muts, en met de kin op haar hand steunende.

Het was een vluchtige schets, een aardigheid, maar niettemin was Agnes
blij verrast, toen zij bij haar ontwaken zich zelve op deze wijze zag
weergegeven. Ondertusschen kwam Hans binnenstormen, Albrechts jongste
broeder en de lieveling zijner ouders, de eenige, die behalve Albrecht
en Andreas, van de achttien kinderen nog in leven was.

Hij liep luid schreiend op Agnes toe en zag er erbarmelijk uit: zijn
gezicht was met bloed beloopen en de flarden hingen bij zijn wambuis.

"Om 's hemels wil, Hans, wat is er gebeurd?" riep Vrouwe Agnes.

"Wij waren aan het spelen bij de "mooie bron" en toen heb ik een duw
gekregen, waardoor ik gevallen ben," huilde het kind.

Vrouwe Agnes haalde gauw uit de keuken een kom met frisch water en
een linnen doek, waarmee zij Hans gelaat afwiesch, terwijl zij hem
allerlei troostwoorden toesprak; daarop trok zij zijn buisje uit en
ging het dadelijk verstellen. Albrecht keek met een innig gelukkige
uitdrukking in zijn oogen naar alles, wat zijn vrouw deed, hij zag
weder duidelijk welk een warm, liefhebbend hart zij had. Hoe vurig lief
moest zij haar echtgenoot hebben, dat zij zelfs aan zijn broertje en
zijn overige familieleden zooveel trouwe zorgen wijdde! Zwijgend zag
hij hoe haar zachte handen de naald hanteerden bij dezen ongewonen
arbeid, want thuis had zij zich nooit met dergelijk werk behoeven
te bemoeien; dat deden de dienstboden, die zij bij alles tot haar
beschikking had gehad en haar een gemakkelijk leventje hadden bezorgd.

Toen zij klaar was, trad Albrecht op haar toe en sloot haar in zijn
armen: "Wat zijt gij toch goed en lief, Agnes! Dikwijls voel ik mij
beschaamd, als ik bedenk, hoe weinig ik u waard ben."

Agnes legde haar hand op zijn mond: "O wees stil, dan spreekt gij
ten minste niet langer onwaarheid, stoute man! Geloof mij liever,
als ik zeg, dat ik het ben, die mij dikwijls zoo beschamend onwaardig
tegenover u voel. Maar laat mij nu gaan om voor het avondeten te
zorgen." Tegelijkertijd wikkelde zij zich uit zijn omarming los en
dekte de tafel. Maar voordat zij zelf ging zitten, liep zij snel de
trap af naar de kamer in het onderhuis, waar de oude Dürer te bed
lag en bracht hem zijn soepje. Zij had deze zorg op zich genomen,
opdat haar schoonmoeder zich geheel aan de verpleging van den zieke
zou kunnen wijden.

"Hoe komt het toch, lieve Agnes, dat alles wat gij klaar maakt
zoo heerlijk smaakt?" vraagde Albrecht aan tafel. "Doet gij
er iets bijzonders in?" Vrouwe Agnes keek verwonderd op: "Iets
bijzonders? Neen, alleen een weinig liefde."

Eerst moest Albrecht hierom lachen, doch toen kreeg zijn gelaat
een peinzende uitdrukking en na eenige oogenblikken zei hij: "Ja,
gij hebt gelijk, dat is het, dat is het!"

En nu deed hij de eieren met spek eer aan.



HOOFDSTUK X.

HULP BIJ DEN ARBEID.


Er volgde een warme zomer op de lente. Een drukkend zwoele temperatuur
heerschte in Neurenberg, waar de straten als uitgestorven schenen. Al
de burgers, die er tijd en geld voor hadden, ontvluchtten die benauwde,
ongezonde atmosfeer en zochten de bosschen en de berglucht op,
vooral ook omdat de sterfte bedenkelijk toenam en men bang was voor
het uitbreken van de pest.

Een heete Augustusdag liep ten einde en vele wandelaars bewogen zich
in de richting der stadspoorten om in het nabijgelegen Lorenzer-
en Sebalderwoud zich te verkwikken aan de frissche, reine koelte,
die in de schaduw der oude eiken en beuken waaide.--

Vrouwe Agnes trad bij haar man in de werkplaats binnen: "Zouden wij
niet een oogenblik gaan wandelen na al den arbeid en de hitte des
daags, beste Albrecht?" vraagde zij op den drempel staande.

"Ik zou het heel graag doen, Agnes," antwoordde Dürer, terwijl hij
ophield met schilderen. "Ook ik zou gaarne eens frissche lucht gaan
scheppen, maar mijn plicht houdt mij aan het werk. Zie eens, hoeveel
ik nog aan dit schilderij heb te doen, en over zes dagen komt hij er
voor, die het mij heeft opgedragen. Het heeft mij weinig geholpen,
dat ik 's morgens met de zon opstond en niet voor middernacht naar bed
ging. Ik krijg voortdurend meer bestellingen en het is mij onmogelijk
alles alleen uit te voeren, zonder vóór mijn tijd geheel op te zijn."

Vrouwe Agnes trad op haar echtgenoot toe en legde haar hand op zijn
schouder: "Zoo mag ik u hooren spreken, want nu zijn wij het eens. Heb
ik u niet duizendmaal gevraagd, om het voorbeeld van uw leermeester
Wolgemut te volgen en gezellen die u bij uw arbeid kunnen helpen bij
u te nemen, en die u in staat stellen, alle bestellingen, die men u
doet, uit te voeren? Gij hebt nooit naar mijn raad willen luisteren,
en nu ben ik heel blij, dat gij van meening zijt veranderd."

"Toch schik ik mij met grooten tegenzin in deze noodzakelijkheid,"
antwoordde Dürer, "want mijn ziel komt in opstand tegen de manier,
waarop men tot nu toe de kunst heeft verlaagd. Veel liever schilderde
ik alles alleen. Dikwijls heb ik bij meester Wolgemut met eigen oogen
gezien, hoe de gezellen een werk van den meester geheel bedierven,
zoodat men duidelijk kon zien, dat verschillende handen er aan
hadden gewerkt. Ja, als ik iemand kon vinden, wiens arbeid volkomen
op den mijne geleek, zooals het eene ei op het andere, dan zou ik
hem gaarne bij mij nemen; doch hoe moeilijk vindt men dat! Evenals
elk vogeltje in het woud zingt zooals het gebekt is, zoo heeft elk,
wien God de gave der schilderkunst heeft verleend, zijn eigen manier
om het penseel te voeren."

"Dat is wel waar," beweerde Agnes, "maar in de werkplaats onderwijst
de meester den leerling en daardoor krijgt deze de manier van zijn
leermeester.

"Waart gij zelf niet vol lof over Hans Schäufelein, die ook bij meester
Wolgemut heeft gewerkt en over Albrecht Altdorffer? Gij zelf hebt hun
kunst en bekwaamheid geprezen. En van Schäufelein hebt gij gezegd,
dat zijn kunst veel overeenkomst met de uwe had."

"Gij hebt gelijk," antwoordde Dürer, langzaam met het hoofd
knikkend, "maar wat baat het of wij al over den Nördlinger schilder
praten? Sedert een jaar is hij reeds weg en wie weet, waar hij nu is."

"Nu dan," sprak Agnes ernstig en zij legde haar hand op Albrechts arm,
"kom hier en zie eens in den spiegel, hoe bleek gij zijt en welke
kringen gij onder de oogen hebt! Al dikwijls heb ik met stillen
angst er naar gekeken! Als gij geen gezellen wilt nemen of er geen
kunt vinden, dan blijft er niets over dan dat gij een groot deel der
opdrachten afwijst.--Maar laten we nu dit vervelende onderwerp laten
rusten en gebruik maken van het overige van den avond om een weinig
frissche lucht te gaan scheppen."

Dürer streek de weelderige lokken van zijn voorhoofd en knikte zijn
vrouw toe: "Ik wil het niet weigeren, lieve Agnes, vooral daar ik
wel begrijp, dat gij het meer om mijnentwil dan voor u zelve vraagt."

Hij verwisselde zijn werkbuis voor een betere kleeding, zette zijn
baret op en ging met zijn vrouw uit om buiten de stad te wandelen.

Nauwelijks waren zij buiten de poort gekomen, toen een jonge man op hen
toe trad en beleefd het hoofd ontblootte: "Gegroet, Meester Dürer! Wel,
wat een geluk, dat gij de eerste zijt, die ik bij Neurenbergs poorten
ontmoet! Want, juist om bij u aan te kloppen, ben ik hier gekomen."

"Hoe, zijt gij het, Schäufelein?" riep Dürer verbaasd uit. "Het schijnt
mij waarlijk een beschikking des hemels, dat ik u ontmoet. Begrijp
eens, we spraken juist over u! En waarmee kan ik u van dienst zijn?"

"Het is mijn hartewensch, dat gij de kroon wilt zetten op het werk,
dat meester Wolgemut aan mij is begonnen. Bijna een jaar lang heb ik
overal rondgezworven om bij andere schilders te leeren; toen dacht
ik aan u en sprak tot mij zelf: waarom zoekt gij het zoo ver, terwijl
gij den besten leermeester in de nabijheid hebt? Hebt gij nog plaats
voor een gezel, dan zou ik heel gaarne bij u komen?"

Dürer zag zijn vrouw veelbeteekenend aan en antwoordde: "Plaats
is er genoeg, want ik heb altijd alleen gearbeid en vreemde hulp
versmaad. Maar mijn lieve vrouw dringt er sterk op aan, dat ik iemand
zal opzoeken, die mij behulpzaam kan zijn bij het vele werk, dat mij
wordt opgedragen. In u heb ik vertrouwen, omdat ik uw kunst ken; en
nu gij op mijn pad komt, alsof God mij u toezendt, roep ik in Zijn
naam u hartelijk welkom toe."

Hij reikte hem daarop de hand, die Schäufelein stevig schudde.

Ook Vrouwe Agnes drukte hem de hand met een blijden glimlach en de
wandeling in het bosch vergetende, noodigde zij de beide mannen uit
om te keeren, om het avondeten voor den vermoeiden reiziger te kunnen
klaar maken.

Met innig genot zag Agnes dat langzamerhand de kleur weer op Albrechts
wangen terugkeerde en dat de verhouding tusschen de beide schilders
bijzonder hartelijk was. Zij stonden niet tegenover elkaar als
meester en leerling: Dürer behandelde Schäufelein als zijn vriend en
vertrouweling en dat verdiende hij ook, want niet alleen won zijn
karakter Dürers genegenheid, ook zijn kunst drong hem 's meester
achting af.

Schäufelein was een kunstenaar met rijken aanleg en had
ernstige studiën gemaakt. Daarbij kon hij zich gemakkelijk Dürers
penseelbehandeling eigen maken en het duurde niet lang, of hij had
zich geheel aan zijn wijze van arbeiden gewend en Dürer vertrouwde
hem gerust toe, aan grootere stukken mee te werken. Al was er nog wel
iets van Schäufeleins eigen manier in te bespeuren, het verschil was
toch niet zoo groot, dat het storend op de eenheid werkte of afbreuk
deed aan den totaal-indruk.

En zoo konden de bestellingen, die Dürer alleen niet op zich had
kunnen nemen, gezamenlijk worden uitgevoerd.

Tegen Kerstmis bood zich een tweede schilder aan, Hans von Kulmbach,
ook een knap kunstenaar, die reeds naam begon te krijgen--en dat
hij bij meester Dürer als gezel werkzaam was, rekende deze zich tot
eer en vermeerderde zijn roem niet weinig. Dürer kon zich op zulke
gezellen waarlijk wel beroemen. Als zulke begaafde kunstenaars hem
hun meester noemden, hoe groot moest hij dan zelf niet zijn! En
het was geen wonder, dat meester Dürer voortdurend in aanzien steeg
bij de Neurenbergers en dat buiten af zijn naam steeds met meer lof
werd vermeld.



HOOFDSTUK XI.

VOORNAAM BEZOEK.


Een groote menigte vreemdelingen stroomde in April van het
jaar 1496 naar Neurenberg--het wemelde van allerlei soort van
reizigers op de groote wegen. Vedelaars en zangers, goochelaars,
koorddansers, kwakzalvers en zwervende studenten trokken naar de stad
in gezelschap van berenleiders en kameeldrijvers, vrouwen, meisjes en
vuile zigeuners. Daartusschen vertoonde zich monnikspijen en grove
boerenkielen. Ook eerzame burgers trokken in troepjes stadwaarts
en hier en daar baande zich een koets, aan aanzienlijke bezoekers
toebehoorende, of een groep geharnaste ridders te paard een weg door
de bonte menigte.

Het was weer ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en
reliquiën, dat deze menschenmassa naar Neurenberg stroomde--en
dezen keer was de toeloop zoo bijzonder groot, omdat een aantal
vorsten en prelaten ook op weg waren en zelfs de keizer beloofd had
te verschijnen.

De stad was versierd met vlaggen en wimpels, bonte tapijten en
slingers van groen en bloemen. Zelfs de kerken hadden zich getooid,
zooals een bruid zich tooit voor haar bruidegom en de groote markt
was als in een feestzaal herschapen. Vandaar tot aan de veste, waar
de keizer verblijf zou houden, was het alsof men door een bosch liep:
het woud had zijn slanke dennen, die in twee rijen in den grond waren
geplant, moeten afstaan.

Overal, in alle straten verdrong zich het volk uitgedost in hun
fraaiste kleederen, om al de pracht en versieringen te kunnen
bewonderen, voordat de feestelijkheden al hun aandacht in beslag
zouden nemen. In de herbergen was het reeds vol vreemdelingen en nog
steeds kwam er nieuwe toevloed.

Den 14den April ging het gerucht, dat de Keurvorst van Saksen met zijn
broeder, Hertog Hans, in aantocht was. Het volk stroomde de poort uit
om de naderenden te gemoet te gaan, en dicht voor de poort werden de
gilden met hun insignes en banieren opgesteld. Toen de vorst kwam
aangereden, kwam er geen einde aan het gejuich en gejubel van het
verzamelde volk, want Frederik, bijgenaamd de Wijze, stond bij allen
in hoog aanzien. Achter hem en zijn broeder volgde een lange stoet
ruiters in mooie, blinkende wapenrustingen en met wapperende pluimen.

Kort daarop kwam ook de Landgraaf Lodewijk van Hessen met
honderdvijftig ruiters, wien men dezelfde eer bewees.

Doch de algemeene spanning nam zeer toe, toen men vernam, dat
den volgenden dag de keizer de poort der oude vrije Rijksstad zou
binnenrijden.

De Keurvorst van Saksen reed met zijn broeder de poort uit om den vorst
tegemoet te gaan. Weder werden de gilden opgesteld; de raadsheeren
verschenen in hun deftige, zwarte mantels met de gouden ketens, de
stadsmuzikanten zetten zich in postuur, op de wallen werd het geschut
geladen en zelfs de allerarmste trok zijn beste kleeren aan. Maar zie,
daar kwam een renbode om te zeggen, dat Zijn Majesteit verhinderd
was zijn goede stad Neurenberg te bezoeken, omdat de Italiaansche
veldtocht al zijn tijd eischte. [12]

Dat was voor de Neurenbergers een groote teleurstelling en men
had nu maar half pleizier in de feestdagen, waarop de reliquiën en
rijkskleinoodiën in het openbaar werden tentoongesteld.

Op den tweeden feestdag werd meester Albrecht Dürer reeds 's morgens
vroeg in zijn arbeid gestoord, doordat men aan zijn deur klopte.

Op den drempel verscheen een vreemde, aanzienlijke heer, die beleefd
groette en zeide:

"Ik kom uit naam van mijn heer en gebieder, den Keurvorst van Saksen,
om u te zeggen, dat Zijn keurvorstelijke Doorluchtigheid van plan is u
een bezoek in uw werkplaats te brengen. Derhalve zult gij u voor zijn
ontvangst gereed moeten maken, want over een uur zal hij hier zijn."

Een oogenblik was Dürer door dit onverwacht bericht in verwarring
gebracht, doch hij herstelde zich spoedig en sprak beleefd buigend:
"Ik verheug mij over de hooge eer, die mij te beurt valt en Zijne
keurvorstelijke Doorluchtigheid zal mij zeer welkom zijn."

Nauwelijks was de bezoeker weg, of Dürer snelde naar zijn vrouw
om haar deze blijde tijding te brengen. Terstond ging zij naar het
atelier om zoo snel mogelijk alles op te ruimen en in orde te brengen,
daarin ijverig geholpen door de beide gezellen, die het ook reeds
hadden gehoord.

Intusschen had meester Dürer zich in zijn pronkgewaad gekleed en
vertoonde zich in al zijn mannelijke schoonheid, statig en vol kracht
als een ridder, en Vrouwe Agnes vermeide zich opnieuw in den aanblik
van haar echtgenoot; het kwam haar voor, dat hij er nog nooit zoo
heerlijk en statig had uitgezien.

Nadat een uur verloopen was, kon men door het venster den keurvorst
Frederik, door zijn broeder Hans vergezeld, in de straat zien
aankomen. Dadelijk snelde Dürer de trap af om de aanzienlijke gasten
op den drempel te ontvangen.

"Dus zijt gij meester Dürer," begon Keurvorst Frederik, terwijl
zijn oogen met welgevallen de hooge gestalte beschouwden en hij hem
vriendelijk de hand reikte. "Men prijst uw kunst zeer in het geheele
land, en zelf heb ik ook reeds menig kunstwerk, dat mij heeft doen
wenschen u persoonlijk te leeren kennen, van u gezien. Wilt gij ons
nu voorgaan om ons de plaats, waar gij arbeidt, te laten zien?"

Eerbiedig geleidde Dürer de voorname bezoekers naar zijn werkplaats,
waar de keurvorst plaats nam op den hem aangeboden zetel, terwijl
zijn broeder zich naast hem zette.

Er hingen aan den muur veel schilderijen, die door den keurvorst zeer
werden bewonderd, en zijn lof was Dürer des te meer waard, omdat hij
niet alleen een liefhebber der kunst maar ook een kunstkenner was.

"Bij ons in Saksen," ging Frederik voort, "geniet Lucas Kranach een
grooten naam en hij is een kunstenaar met bijzondere gaven; maar met
u, Meester Dürer, kan hij zich toch niet meten. Ik zeg dit niet om u
ijdel te maken of om meester Lucas' roem te verkleinen, maar om God
in u te eeren, die u zooveel heeft geschonken. Hij geve u daarbij een
goede gezondheid en een lang leven, om met het u toevertrouwde pond
te kunnen woekeren tot Zijn eer en tot vreugde der menschen.--Maar
ik verlang meer van u dan het genot, dat ik nu heb gesmaakt. Ook
Wittenberg moet zien, waartoe de Neurenberger kunstenaar in staat is
en daarom verzoek ik u voor mij een groot altaarstuk te schilderen,
om de allerheiligenkerk te Wittenberg te versieren."

Dürers wangen werden nog donkerder gekleurd en zijn aandoening
stond op zijn gelaat te lezen. Hij boog diep voor den vorst, dankte
hem voor de eer hem aangedaan en vraagde, wat het schilderij moest
voorstellen. Daarin liet de keurvorst hem geheel, vrij: "Schilder wat
gij zelf wilt en wat uw hart u ingeeft--ik wil u in het minst daarin
niet beperken."

Nog lang bleef de keurvorst vriendelijk praten, terwijl Hertog Hans
de schilderstukken bekeek; eindelijk vraagde hij zelfs naar Vrouwe
Agnes en sprak den wensch uit, haar te zien.

Daarop kwam Agnes te voorschijn, ook in feestgewaad gekleed en
met zichtbaar welgevallen rustte 's vorsten blik op de bekoorlijke
gestalte; haar wangen hadden een verhoogden blos en zij was in het
begin niet weinig verlegen, maar spoedig overwon zij dit gevoel
en beantwoordde vrijmoedig en beminnelijk de vragen, die Keurvorst
Frederik tot haar richtte. Nadat hij ook nog enkele woorden met de
gezellen had gewisseld, nam hij afscheid en drong bij Dürer op haast
aan, opdat het schilderij spoedig te Wittenberg zou zijn.--

In de herberg op de waag, waar de burgers gewoon waren samen te komen
om met elkaar te drinken, was het een heele drukte, toen eenige dagen
later Albrecht Dürer zich daar liet zien; iedereen wilde hem de hand
drukken en overstelpte hem met gelukwenschen. In aller achting was
hij nog gestegen door de eer hem te beurt gevallen en men zag het hen
aan, dat zij zich in hem geëerd voelden. Vooral Dürers schoonvader,
Hans Frey, hield het hoofd trotsch in den nek en liet zich den edelsten
Cypruswijn brengen; hij was bijzonder spraakzaam, hoewel hij gewoonlijk
weinig sprak en zou gaarne een liedje met luitbegeleiding ten beste
hebben gegeven, als men het had verlangd.

Woordelijk moest Dürer herhalen wat hij met den keurvorst had gesproken
en allen luisterden met gespannen aandacht, ook meester Wolgemut, die
zonder eenigen naijver zich met den gelukkige verheugde en verzocht
nu en dan te mogen komen zien, hoe het altaarstuk vorderde.

Maar wie het uitbundigst was in Dürers lof, dat was Wilibald
Pirkheimer. Het was reeds bijna twee jaar geleden, dat hij in
Neurenberg was teruggekomen, nadat hij niet alleen de leerschool der
ridderschap had doorloopen, maar zich ook in de wetenschappen aan
de Italiaansche hoogescholen ijverig had bekwaamd. Spoedig daarna
was de met mannelijke schoonheid begaafde jonge man in het huwelijk
getreden met Crescentia, een dochter uit het rijke en zeer aanzienlijke
geslacht der Rieters, en niettegenstaande zijn jeugd was hem de eer
te beurt gevallen tot raadsheer van Neurenberg te worden benoemd. De
verhouding met Albrecht Dürer werd weder dezelfde als vroeger, ja,
eigenlijk was de omgang nog vertrouwelijker geworden, zoodat de oude
benaming van Castor en Pollux weer in herinnering kwam om de innige
verstandhouding, die tusschen hen heerschte, aan te duiden.--

Reeds drie dagen later had meester Wolgemut gelegenheid de schets van
het altaarstuk te zien, en hij was vol verbazing over de vlugheid,
waarmee Dürers hand de afzonderlijke figuren te voorschijn riep.

De gezellen mochten hem niet helpen, hij wilde het geheel alleen
afmaken, al was het nog zoo groot. Vol bezieling arbeidde hij er
aan van 's morgens vroeg totdat Vrouwe Agnes hem aan den maaltijd
riep. Zijn ziel brandde van vurig verlangen om het reuzenwerk in zijn
geheel te zien.

En na zes weken legde hij de laatste hand er aan. 's Avonds verzamelde
hij zijn vrienden, die bij een glas edele malvezij luid hun lof
over zijn werk uitspraken. Het was een vleugelaltaarstuk uit drie
bladen bestaande: de verven, met lijm gemengd, waren onmiddellijk
op het doek gebracht. [13] Op het middelste stuk buigt de Madonna
in biddende houding over het kind Jezus, dat op een kussen voor haar
ligt te sluimeren en door een engel koelte wordt toegewaaid. Maria's
slanke gestalte is gehuld in een lichtblauw kleed, gedeeltelijk door
een witten sluier verborgen, boven haar hoofd zweven twee engelen,
die een gouden kroon met parelen bezaaid vasthouden, terwijl twee
andere engelen de kamer schoonmaken, waarin Maria zich bevindt. In
een zijvertrek ziet men Jozef aan den arbeid in zijn werkplaats.

De linker vleugel van het altaarstuk stelt de H. Antonius voor,
die in een boek leest en een donkerblauw gewaad aan heeft en op den
rechter vleugel ziet men het naakte figuur van den H. Sebastiaan
ten halven lijve afgebeeld en met pijnlijk verwrongen trekken: hij
was de hoofdman der keizerlijke lijfwacht te Rome, die op last van
Diocletianus ontkleed aan een boom werd gebonden en door zijn soldaten
met pijlen gedood, omdat hij zijn geloof in Christus had beleden.

In dit reusachtige altaarstuk was alles met evenveel liefde en
toewijding geschilderd, niet alleen de groote figuren, maar ook
het bijwerk.

De oude Wolgemut was niet weg te krijgen van het schilderij en hij
werd niet moede het te prijzen, vooral de juiste teekening en het
schoone koloriet. Vele nieuwsgierigen verdrongen zich de volgende
dagen in het atelier om het kunstwerk te zien, voordat het kort
daarop naar Wittenberg werd verzonden, omdat de keurvorst op spoed
had aangedrongen.

Hans van Kulmbach, een der gezellen, genoot de eer het kostbare stuk
naar de plaats zijner bestemming te brengen. De keurvorst beloonde
den kunstenaar vorstelijk, maar nog meer waarde had voor Dürer de lof,
waarmee meester Lucas Kranach het werk vereerde.



HOOFDSTUK XII.

DE PREDIKER IN DE WOESTIJN.


Het einde der eeuw naderde. Elk afsterven van het jaar reeds wekt
door zijn luide prediking van het voorbij snellen van den tijd en van
het vergankelijke van al het aardsche, velerlei aandoeningen in het
hart der menschen; hoeveel te meer moet het verwisselen der eeuwen
het gemoed tot in zijn diepste diepte aangrijpen! In groote mate was
dit het geval, toen de vijftiende eeuw haar einde te gemoet ging.

In Duitschland heerschte een geest van opgewondenheid en
verontwaardiging en met afschuw waren aller oogen gericht op Rome, waar
de pauselijke stoel werd ingenomen door een man, die volleerd in zonden
en misdaden, den naam van stedehouder van Christus volkomen onwaard
was. Die man was Alexander VI. Hij beschikte op een schandelijke
wijze over de hoogste kerkelijke ambten, die hij meerendeels door zijn
handlangers liet waarnemen. Nog erger was zijn groote zedeloosheid;
men beschuldigde hem zelfs in ongeoorloofde verhouding met zijn
dochter Lucretia te leven. En in zijn eigen belang ontzag het hoofd
der Christenheid zich niet om tegen den "allerchristelijksten"
koning van Frankrijk met den aartsvijand der Christenen, Turkije,
een verbond te sluiten.

Verlammend werkte de pauselijke tiranny op het Duitsche volk, dat zwaar
leed onder den druk der ijzeren hand, die gewelddadig elke poging tot
verzet onderdrukte. Met argusoogen bewaakten 's pausen handlangers
alles wat van de pers kwam: elke uitgever, die het waagde een boek
uit te geven, zonder het eerst aan de pauselijke goedkeuring te hebben
onderworpen, kreeg den banvloek naar het hoofd geslingerd. Het Duitsche
volk, benauwd en gedrukt, zuchtte naar verbetering der toestanden en
naar verlossing van het pauselijke juk, dat den menschelijken geest
in slavenketenen boeide, en snakte naar licht en vrijheid.--

In het begin van het jaar 1497 trad Wilibald Pirkheimer de werkplaats
van Dürer binnen.

Hij vond daar alleen de beide gezellen, die bezig waren een groot
schilderij, dat door Dürer was geschetst en waarvan hij de voornaamste
gedeelten had aangezet, af te maken.

Schäufelein antwoordde hem op zijn vraag, waar de meester was:
"Hij is alleen in zijn kamer, en komt tegenwoordig zeer zelden in
de werkplaats."

"Waarom?" vraagde Pirkheimer.

"Ik weet niet wat er aan scheelt," antwoordde Schäufelein
schouderophalend.

"Hij ziet er zoo ernstig uit, alsof hij veel verdriet had en onder
zware zorgen gebukt ging."

"Is zijn vader erger geworden terwijl ik uit de stad was?" vraagde
Pirkheimer.

"Neen," zei Schäufelein, "de oude man maakt het tegenwoordig beter
dan anders: hij eet, drinkt en slaapt goed, en arbeidt zelfs nu en
dan in de werkplaats--alleen de beenen willen niet goed meer mee."

Pirkheimer verliet met een korten groet de werkplaats en ging naar
Dürers kamer. Ook hem was het opgevallen, dat zijn vriend er zoo
somber en ernstig uitzag, maar op zijn deelnemende vragen had hij
nooit een bevredigend antwoord gekregen.

Hij vond den meester met een portefeuille met teekeningen voor zich,
die hij haastig dicht deed: "Gegroet Albrecht! Gij ziet, dat ik weer
terug ben na een afwezigheid van bijna een maand. Mijn eerste bezoek
geldt u, want ik heb u al dien tijd zeer gemist."

Dürer begroette zijn vriend hartelijk en drukte hem de hand.

"Ei zoo," zeide Pirkheimer lachend, "welke geheimen hebt gij voor
mij? Wat heb ik u misdaan, dat gij mij uw vertrouwen ontzegt?"

Dürer schudde het hoofd: "Dat moogt gij niet zeggen, want gij weet
toch wel, dat gij mij liever zijt dan ooit. Koestert gij nu argwaan,
omdat ik iets voor u heb verborgen gehouden, dat nog niet rijp was om
aan de wereld te worden vertoond? Maar nu gij toch hebt ontdekt, dat
er een geheim is, wil ik het niet langer voor u verbergen; temeer,
daar ik reeds lang in mijn hart den wensch koesterde, mijn vriend
mee te deelen, wat mijn ziel vervult. Als gij tijd hebt, ga dan hier
zitten en luister naar hetgeen ik u zal zeggen." Pirkheimer nam plaats
en zag Dürer met gespannen aandacht aan.

"Gij spreekt in raadselen, Albrecht; bijna zou ik vreezen iets te
moeten hooren, dat mij verdriet zal doen. Wat is er toch?"

Dürer schudde de lokken van zijn voorhoofd. "Ik lijd onder de kwaal,
waaronder alle weldenkenden zuchten en bedroef mij over den treurigen
toestand, waarin wij leven en dien wij te wijten hebben aan hem,
die zich de stedehouder van Christus noemt. Wie het waagt, om met
een enkel woord te getuigen tegen de algemeene verdorvenheid, moet
verstommen onder den pauselijken ban. De moedige Johannes Hus heeft
men het zwijgen opgelegd door den brandstapel. Hoe lang zal Hieronymus
Savonarola's machtige stem te Florence nog weerklinken, nu hij die
durft verheffen in protest tegen de verbasterde kerk en de heerschende
misbruiken en men tevergeefs heeft getracht hem door het aanbieden van
den kardinaalshoed het stilzwijgen op te leggen? Tevergeefs trachten
de edelste mannen de vernederende ketenen te verbreken; het verderf
neemt toe met elk jaar en het schijnt dat tegelijk met de eeuw ook
de wereld haar eind tegemoet gaat."

"Maar waarop wilt gij nu daarmee neerkomen? Gij weet, dat al deze
dingen ook mijn hart bezwaren," viel Pirkheimer hem in de rede.

"Geduld, mijn vriend," vervolgde Dürer, "gij zult het terstond
begrijpen. De pen der geleerden en dichters is afgestompt door
de bedreigingen van den Paus; het is hun verboden het volk te
onderrichten."

Pirkheimer stampte met den voet en met somberen blik sprak hij:

"Ja, het schreit ten hemel, zooals die man te Rome het leven van den
menschelijken geest doodt!"

"In dezen zorgvollen tijd," vervolgde Dürer, "is er een gedachte in mij
opgekomen, die mij nu overal vervolgt en mij niet met rust laat. Nu
de pen niet meer spreken mag, moet het penseel het doen. Waar woord
en schrift der waarheid geen getuigenis meer mogen geven, daar moet
het afgebeelde spreken. Het getuigt wel is waar niet zoo duidelijk
als het woord, maar ik vertrouw, dat zijn prediking toch den weg
naar aller hart zal vinden en ik heb een stem vernomen, die zeide:
"Doe uw mond open en predik!" -- -- Maar hoe? Met het penseel? Och,
slechts weinigen zien mijn schilderijen en ik wil tot het geheele volk
spreken. En ziet gij, toen sprak dezelfde stem: Leg het penseel weg
en grijp naar mes en graveerstift. Bij meester Wolgemut hebt gij u
ook geoefend in de houtsnijkunst en kopergravuur, neem die te baat en
woeker er mede het volk ten zegen! Dat is de kunst, die in aller bereik
ligt, de afdrukken van houtsneden kan de armste op de markt koopen
en deze kunst, die tot nu toe vrij is gebleven van den pauselijken
banvloek, kan op deze wijze een prediking in de woestijn worden."

Hier zweeg de spreker en hij zag zijn vriend vragend aan. Pirkheimer
liep in groote opgewondenheid de kamer op en neer, bleef toen voor
Dürer staan en greep hem bij den arm: "Albrecht, die gedachte is
van God! Ja, wees gij de stem van den prediker in de woestijn,
spreek tot het volk met uw kunst en het volk zal naar u luisteren,
u begrijpen, u danken! En zie, nu begin ik te vermoeden"--en hij zag
naar de portefeuille--"dat op de gedachte de daad is gevolgd en gij
reeds met uw prediking begonnen zijt."

"Uw vermoeden is juist," antwoordde Dürer glimlachend. "In deze
portefeuille vindt gij wat ik gedurende twee jaar in stilte heb
ontworpen. Het is de Openbaring van Johannes, die mij stof heeft
gegeven voor mijn platen." Op Pirkheimers gelaat was duidelijk zijn
verwondering te lezen:

"De Openbaring van Johannes? Toch niet een tweede "Pausezel,"
[14] zooals verleden jaar meester Wolgemut in de wereld heeft
gegeven? Wel is waar, heeft Rome het verdiend met bijtenden spot te
worden overgoten, maar volgens mij is meester Wolgemut te ver gegaan
en heeft hij daardoor de zaak meer geschaad dan gebaat. Hij heeft voor
zijn afbeelding aanleiding gevonden in de woorden uit de Openbaring
van Johannes: "en de vrouw, die gij gezien hebt, is de groote stad,
die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde," maar ik vind
het niet goed van hem, dat hij Rome zoo hard heeft aangepakt."

Dürer legde zijn hand op den schouder van zijn vriend: "Wees er niet
verbaasd of ontstemd over, dat ook ik in de Openbaring van Johannes
stof voor mijn teekeningen heb gevonden. Heeft men in droevige tijden
niet altijd weer naar dit profetische boek gegrepen, om het verborgene
daarvan te doorgronden en zich er mee te troosten? Ik ben u dankbaar,
dat gij zijt gekomen, want uw oordeel heeft steeds groote waarde voor
mij en mijn werk zal niet in druk verschijnen, voordat gij uw oordeel
hebt uitgesproken en het hebt goedgekeurd."

Hij opende de portefeuille en nam er vijftien teekeningen uit.

De eerste stelde den marteldood van den evangelist Johannes voor,
ten aanschouwe van den Romeinschen Keizer Domitianus, op zijn troon
gezeten en omringd door een groote volksmenigte; sober en breed van
opvatting en uitvoering. Dit was eigenlijk het titelblad.

De tweede teekening muntte eveneens uit door eenvoud en rust, de
kenmerken van het ware schoone. Hier was Johannes voorgesteld op het
oogenblik, dat hij wordt geroepen om neer te schrijven hetgeen de
Heiland hem zou openbaren. Johannes knielt diep ontroerd neder voor
den Heer, wiens uitgestrekte hand de zeven sterren, het zinnebeeld
der zeven gemeenten, vasthoudt.

Op de derde afbeelding ziet men Gods troon in het stralende licht
des geopenden hemels. En in de hand desgenen, die op den troon
zit, ligt het boek met de zeven zegelen; rondom zijn op troonen de
vier-en-twintig ouderlingen gezeten, elk met een kroon op het hoofd
en een harp in de hand.

Bij elke teekening namen Pirkheimers verbazing en bewondering toe,
en bij het vierde blad ontsnapte hem een luide kreet van verrukking,
die de vier Apokalyptische ruiters gold, boven wier hoofd op een
wolk de engel der wrake zweeft, terwijl de ontzette menschheid
tracht te ontvluchten. De eerste ruiter spant den boog, de tweede
trekt het zwaard, de derde houdt de weegschaal en de vierde,
de dood, rijdt op een schraal paard en slingert den helschen
drietand. Een groot aantal figuren vertegenwoordigt het vluchtende
volk, waarvan de gelaatsuitdrukking eenig, onvergelijkelijk is. Op
bewonderenswaardige wijze was Dürer er in geslaagd eenheid te brengen
in deze menschenmassa, die men uitstekend kan overzien, al is de
ruimte zeer beperkt. Pirkheimer was één en al lof en bewondering.

De vijfde teekening bevatte het openen van het vijfde en zesde zegel
te zamen genomen; boven in de wolken heeft de uitdeeling der witte
kleederen aan de martelaren plaats en onderaan is de verduistering van
zon, maan en sterren afgebeeld. Treffend is op het bovenste gedeelte
de wijze, waarop zij, die ter wille van het Evangelie vermoord zijn,
vertroost worden door de engelen, die hun naaktheid bedekken. Diep
aangrijpend is op de onderste helft het oordeel Gods. En wie zijn het,
die in hevige ontzetting zich voor den toorn des Rechters trachten
te verbergen? Juist daarin wordt de toeleg en bedoeling van den
schilder duidelijk; het zijn aan de eene zijde: een keizerpaar, de
paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en monniken, aan de andere
zijde het door hen verleide volk in welks midden, vol beteekenis,
een vrouw, met een kind op den arm, haar hand aanklagend tegen de
verleiders opheft met een gebaar, dat duidelijk zegt: Vloek over u,
die zooveel ellende over ons hebt gebracht! Dürer wilde zijn vriend
het daarop volgende blad aangeven, doch Pirkheimer weerde hem af en
bleef in diep nadenken verzonken: hij kon deze teekening nog niet
ter zijde leggen.

"Prachtig, Albrecht!" riep hij uit, "gij hebt het voortreffelijk
gedaan! O, welk een aangrijpende, machtige prediking, die elk kind,
elk eenvoudig boertje kan begrijpen. Met ongeduld wacht ik het
oogenblik af, waarop gij hierdoor openlijk zult getuigen tegen hen,
die schuldig zijn aan het groote verderf, waarin de menschheid is
verzonken." Nu bekeek Pirkheimer de volgende teekeningen. De zesde
stelde de vier engelen voor, die de vier winden der aarde vasthouden,
en de verzegeling der 144000 dienstknechten Gods; de zevende: de
uitdeeling der bazuinen aan de zeven engelen en verschillende plagen,
die het bazuingeschal der eerste vijf veroorzaken. De achtste geeft
weer de uitwerking der zesde bazuin: de losbinding der vier engelen,
die gebonden zijn bij de rivier, den Euphraat, en het derde deel der
menschen dooden--deze vooral was zeer schoon en aangrijpend.

De negende stelde den sterken engel voor, die aan Johannes het boek
geeft om het op te eten; de tiende: de vrouw bekleed met de zon, wier
kind de roode draak met de zeven door koninklijke hoeden bekroonde
hoofden, dreigt te verslinden; de elfde: den strijd van den aartsengel
Michael en zijne engelen tegen den satan en diens engelen; de twaalfde:
de aanbidding der beide monsters, die uit de zee zijn opgekomen en
daarboven God op zijn troon met de scherpe sikkel en de engelen, die
gereed staan voor den bloedigen oogst. De dertiende teekening beeldde
den bruiloft des Lams af; op die kleine ruimte waren niet minder dan
vijftig figuren zichtbaar. De veertiende gaf de groote Babylonische
ontuchtige vrouw te zien, hetzelfde onderwerp, dat meester Wolgemut
met zijn "Pausezel" had weergegeven. Hoe geheel anders had Dürer het
opgevat en uitgevoerd! Hij had er geen afzichtelijk dier van gemaakt,
doch een menschelijke figuur, een vrouw met weelderige vormen, gekleed
in een laag uitgesneden kleed van brocaatzijde, rijk met goud en
edelgesteenten versierd, gezeten op een beest met zeven hoofden, en
in de hand den gouden drinkbeker vol van gruwelen en onreinheid. Voor
haar staan een menigte menschen, die onverschillig en zonder ontzag
naar haar kijken; alleen een kunstenaar werpt haar een dreigenden,
toornigen blik toe, terwijl een monnik eerbiedig en aanbiddend voor
haar knielt. Boven in de wolken komen reeds de twee engelen aanvliegen
om haar het oordeel Gods te verkondigen. De laatste teekening vertoont
eindelijk den grooten engel der wrake, die op het punt is den duivel
en satanas in den afgrond op te sluiten, totdat de duizend jaren
zullen zijn geëindigd, terwijl een andere engel den in verrukking
geraakten profeet het nieuwe Jeruzalem toont, dat is het heilige,
zuivere evangelie, niet verduisterd door menschelijke dwalingen.

Pirkheimer was diep getroffen door deze prediking in beelden van
zijn vriend; hij voelde zich er door overweldigd en van gedachten
veranderd. In den grond der zaak was hij het wel met meester Wolgemut
eens geweest, maar de al te ver gedreven spot had hem mishaagd. Hij
zag nu, dat Dürer de juiste maat had weten te houden en meegesleept
door den overweldigenden indruk, drukte hij hartstochtelijk 's
meester hand: "O, laat mij u danken, laat mij u de hand drukken, de
hand, die zoo iets groots heeft kunnen scheppen! Zie, ik ben er diep
door getroffen! O, hoe geheel anders is uw prediking dan die van den
ouden Wolgemut! Nu begrijp ik, dat men met bijtenden spot en bitteren
hoon niet verder komt; uit uw werk spreekt de heilige ernst van een
geloovig hart, en dat is het ware. Het hart moet spreken, het hart,
dat lijdt onder den druk der tijden en deze predicatie zal haar weg
tot aller harten vinden. Ja, predik, mijn vriend en het volk zal naar
u luisteren!"

De goedkeuring en aanmoediging van zijn vriend deden den kunstenaar
goed en met vernieuwden ijver herzag hij zijn scheppingen in alle
deelen, om ze tot meerdere volmaking te brengen.



Er ging nog een jaar voorbij, voordat de profeet zijn prediking tot de
wereld richtte: de teekeningen moesten eerst in hout worden gesneden
en afgedrukt. Doch toen kwam Pirkheimers voorspelling uit en verwekten
Dürers illustraties van de Openbaring van Johannes groot opzien en
oefenden een verbazenden invloed. De kunstwereld zag met verwondering,
dat meester Dürer ook op dit gebied iets nieuws had gevonden en een
ongeëvenaard standpunt innam. Maar niet alleen dat: iedereen begreep,
wat hij had willen zeggen met deze zwijgende afbeeldingen en een ieder
wilde de exemplaren bemachtigen. Ze werden niet alleen door de rijken
gekocht, ook de arme tastte in zijn zak en had geen berouw over zijn
uitgave. De geestelijken en kloosterlingen zagen toe met donkere,
booze blikken en voelden den steek, dien meester Dürer hen toebracht,
maar hun smalen verstomde bij de algemeene opgewondenheid en hun
woede gaven zij lucht in heimelijk tandgeknars.



HOOFDSTUK XIII.

VRIENDENTROUW.


Op een helderen, kouden lentedag van het jaar 1499 stroomde een groote
menigte volks naar de Hallerweide, om daar te genieten van den aanblik,
dien de inspectie van een legerafdeeling aanbood. Keizer Maximiliaan
had een oproeping aan het rijk gedaan om hem manschappen te bezorgen
tegen de Zwitsers, die hij met het zwaard wilde terugbrengen van
hun voornemen om zich aan zijn heerschappij te ontrukken. Terwijl
hij zelf in Tyrol troepen uitrustte en de Zwaabsche bond onder Graaf
Fürstenberg huurlingen wierf, wilde de rijksstad Neurenberg hierin niet
achter blijven. Zij versterkte het keizerlijke leger met vierhonderd
man voetvolk, zestig ruiters en zes stukken geschut. Het gevoel van
kracht, dat in gelijke verhouding steeg met het toenemende algemeene
welzijn, wilde zich nu ook uiten in krijgshaftige verrichtingen en
bij den glans des rijkdoms ook dien des heldenroems voegen.

De vierhonderd voetknechten boden reeds een trotschen aanblik, maar
zij werden overtroffen door de ruiters, gekleed in een schitterenden,
rooden wapenrok. Het volk genoot van dit ongewone schouwspel en keek
met trots naar de bende ruiters, in de zekere verwachting met hen eer
in te leggen in den strijd, vooral nu zij werden aangevoerd door een
man, van wiens moed en veldheerstalent men de hoogste verwachtingen
koesterde: namelijk door Wilibald Pirkheimer, den jongen raadsheer.

Hoe trotsch stapte zijn zwart strijdros, schitterend opgetuigd en met
een blauw met gele zijde gestikt zadelkleed, alsof het voelde, dat het
een eer was den veldoverste te mogen dragen. En hoe schoon zag deze
zelf er uit in den scharlaken wapenrok, het harnas van verguld staal
en den wapperenden, witten vederbos! Aller harten klopten opgewonden,
toen zij hem zagen en hij werd luide toegejuicht, toen hij de troepen
in lange, rechte linie had opgesteld.

Een weinig buiten het gedrang van het volk stond onder een
alleenstaanden lindeboom een man, wiens oogen met gespannen aandacht
het schouwspel volgden. Zoodra de troepen waren opgesteld, nam hij
een stuk perkament en een potlood uit zijn borstzak en ging ijverig
aan het teekenen. Toen na een half uur alles was afgeloopen, leunde
hij nog tegen een boom en teekende nog steeds; daarna stak hij het
perkament in zijn zak en ging naar huis. Die man was Albrecht Dürer.

Verscheidene dagen later begaf hij zich naar de Heerenmarkt en liet,
bij Pirkheimers huis gekomen, den klopper driemaal op de koperen
deurplaat neervallen.

In het voorportaal vond hij de bedienden bezig allerlei toebereidselen
te maken voor den afmarsch, die den volgenden dag zou plaats hebben.

Hij vond zijn vriend in de huiskamer bij zijn jonge vrouw, Vrouwe
Crescentia, om haar in haar smart over zijn aanstaande afwezigheid
moed en troost toe te spreken.

De komst van zijn boezemvriend was Pirkheimer blijkbaar zeer aangenaam
en hij heette hem dan ook hartelijk welkom. Daarop sprak hij: "Meester
Albrecht, help mij mijn bedroefd en beangst vrouwtje bemoedigen; zij
ziet erg op tegen de eenzaamheid, waarin zij moet achterblijven en is
in grooten angst over de krijgsgevaren, die haar echtgenoot dreigen."

Ook Vrouwe Crescentia zag meester Dürer gaarne komen: het ernstige,
waardige en tegelijkertijd het zachtzinnige van zijn persoonlijkheid en
zijn zielenadel hadden zoozeer haar achting en genegenheid verworven,
dat zij hem de eereplaats onder de huisvrienden toekende. En zoo misten
zijn bemoedigende woorden ook nu hun uitwerking niet; zij werd er
stiller en kalmer door, zoodat ze zich reeds spoedig kon mengen in het
gesprek, dat de beide mannen over den aanstaanden veldtocht voerden.

In den loop van het gesprek tastte Dürer in zijn zak, zeggende:
"De monstering der troepen is niet alleen een genot geweest voor mijn
oogen, maar heeft mij ook stof gegeven voor twee kleine, onbelangrijke
teekeningen. Ziet, hier zijn ze!"

Daarop reikte hij de eene aan Wilibald toe en de andere aan Vrouwe
Crescentia. De eerste stelde een vaandrig voor, op wiens in den wind
wapperend vaandel het Andreaskruis [15] van de orde van het heilige
Vlies schitterde; op de andere was St. George afgebeeld, den voet op
den gedooden draak zettende.

Pirkheimer was aangenaam verrast en sprak: "Gij hebt reeds grooter
kunstwerken dan deze geschapen, meester Albrecht; maar toch zie
ik ze met bijzonder veel genoegen, want ik begrijp, wat gij er mee
wilt zeggen. Die vaandrig met zijn wapperende banier moet onzen moed
versterken en Ridder George, met den gedooden draak, predikt ons te
vertrouwen op een goeden uitslag. Ik dank u mijn vriend--ook nu heb
ik uw bedoeling begrepen; nu is de lust tot den strijd zoowel als de
begeerte naar roem nog gestegen." Zij bleven nog langen tijd praten
over den aanstaanden veldtocht onder het genot van een beker wijn en
door hun gesprek werd Vrouwe Crescentia bemoedigd en vertroost. Den
volgenden morgen riep de krijgstrompet de strijders tot den afmarsch.

Zij verzamelden zich wederom op de Hallerweide, spoedig waren de
troepen opgesteld, doch de aanvoerder was er nog niet. Eindelijk kwam
hij aangereden en werd met luid gejuich ontvangen.

Maar voordat hij de legerafdeeling had bereikt, zag hij meester Dürer
in de voorste rij der menigte staan en wenkte hem toe om even bij
hem te komen.

Hij zag er zeer opgewonden uit, zijn wangen gloeiden en zijn oogen
waren rood.

"Ik heb een moeilijk oogenblik achter den rug," zei hij, "het afscheid
viel ons zeer zwaar. Ik dacht, dat Crescentia nu moedig zou zijn
geweest, doch, toen het uur van scheiden was gekomen, begaf haar hare
kalmte en was zij zoo wanhopig, dat ik mij met groote moeite uit haar
omhelzingen moest losmaken. Daarom beveel ik haar in uw vriendschap
aan; heb medelijden met haar, die zoo eenzaam achterblijft en wil haar
troosten en bemoedigen. Misschien kom ik gauw terug, want wellicht zijn
die weerbarstige vlegels spoedig tot rede gebracht; als ik geen bode
tot u zend van het slagveld, dan beteekent dit, dat alles goed gaat;
maar als mij een ongeluk mocht overkomen zal ik het u laten weten,
dan kunt gij het zelf aan Crescentia mededeelen en haar tegelijkertijd
vertroosten en moed inspreken, gij hebt zooveel invloed op haar en zij
heeft in u nog meer vertrouwen dan in haar eigen vader." "Gaarne beloof
ik u alles voor haar te doen, wat ik kan, mijn vriend," verzekerde
Dürer, "maar ik geloof vast en zeker, dat gij mij geen bode zult
toezenden, maar dat gij zelf zult terugkomen met lauweren bekranst."

"Dat geve God!" riep Wilibald; daarop reikte hij zijn vriend de hand
tot afscheid, gaf zijn paard de sporen en stelde zich aan het hoofd
der troepen, die spoedig daarop onder vroolijk krijgsgeschal en luide
heilwenschen en afscheidsgroeten van de menigte op marsch gingen.



Er waren reeds weken verloopen en nog had men niets van de strijders
vernomen. Dit lange stilzwijgen werkte neerdrukkend op aller hart;
de hoop op een zegenrijken uitslag verminderde, in de herbergen,
op de markt of waar ook de menschen gewoon waren samen te komen,
sprak men over niets anders.

Dürer ging dikwijls naar de Heerenmarkt om te zien hoe de vrouw van
zijn vriend zich in haar eenzaamheid hield en om met haar over den
afwezige te kunnen praten. Het deed haar altijd goed, haar beangst
hart te kunnen uitstorten aan iemand, die haar vreugde en kommer
deelde en die het zoo uitstekend verstond bedroefden te bemoedigen
door zijn vriendelijke woorden en zijn vertrouwen inboezemende kalmte
en zielevrede.

Twee maanden waren er bijna verloopen, toen, nadat er reeds allerlei
berichten, die met elkaar in tegenspraak waren, in de stad waren
verspreid, door een reiziger het gerucht werd verbreid, dat het ongeluk
den keizer overal achtervolgde, doordat de hulptroepen op zich hadden
laten wachten, waardoor de Zwitsers in de gelegenheid waren geweest,
elke legerafdeeling afzonderlijk te verslaan. De man verhaalde dat de
Grauwbunderlanders met de Tirolers twee dagen achtereen slaags waren
geweest, waarbij de laatsten het onderspit moesten delven. Daarop waren
de eedgenooten de afdeeling der Zwaben te gemoet gegaan en was het
bij Hardt tot een treffen gekomen. Kort daarop had er een gevecht bij
Bazel plaats gehad, waarbij de Zwitsers weer hadden overwonnen en Graaf
Thierstein met zijn vijfhonderd man den dood zou hebben gevonden. Ook
vertelde hij nog van een derde en vierde gevecht, een bij Constanz,
waar veertienhonderd Zwaben sneuvelden en het andere bij Frastenz,
een hooggelegen bergpas waar de Duitschers door den moedigen Hendrik
Wolleb uit het kanton Uri waren ingesloten en overwonnen.

Deze geruchten brachten een groote ontsteltenis in de stad te weeg. In
alle werkplaatsen en winkels werd het werk gestaakt, niemand dacht
aan arbeiden en steeds waren de herbergen overvol met mannen, in wier
ernstige, sombere blikken men kon lezen, hoezeer zij zich bezorgd
maakten over de Neurenberger legerafdeeling.

Driftig werd er op meester Dürers huisdeur geklopt en de meid, die de
deur opendeed, schrok hevig, toen zij Vrouwe Crescentia met een bleek
gelaat en naar adem hijgende, voor zich zag staan. Angstig vraagde
zij om meester Dürer te spreken. Hij kwam haar reeds op de trap
tegemoet--want hij had haar stem gehoord en vermoedde waarom zij kwam.

Duidelijk las hij doodelijken angst op haar gelaat en zij zeide hem
terstond, wat het was, dat haar zoo had doen ontstellen. "Hebt gij
het dan nog niet gehoord, waarvan de heele stad is vervuld?" vraagde
zij niet zonder verwondering, toen ze zag hoe rustig en kalm meester
Dürer was.

"Ook mij is het bericht van 's keizers ongeluk in den strijd ter oore
gekomen," antwoordde Dürer, "en zooals elke Duitscher, betreur ik
dat oprecht; maar wat uw echtgenoot betreft, ben ik volkomen gerust:
er is hem geen ongeluk overkomen."

Vrouw Crescentia bleef den meester met strakke blikken aanstaren;
zij begreep er niets van. "Hebt gij dan de gave der profetie, dat gij
weten kunt wat er ver van ons geschiedt?" vraagde ze. "Meester Dürer,
hoe is het mogelijk, dat gij zoo kalm zijt? Zie, ik leef in zulk
een doodsangst, dat ik niet weet, wat ik denken of doen moet." Dürer
nam Vrouwe Crescentia bij de hand en geleidde haar naar een stoel,
waarna hij bij haar plaats nam, zeggende: "Men behoeft waarlijk geen
profeet te zijn om te weten dat het met uw echtgenoot goed gaat:
zijn stilzwijgen alleen is het bewijs daarvan." Vrouw Crescentia zag
hem angstig aan; zij begreep er nu nog minder van.

"Hoe moet ik toch uw duistere woorden uitleggen? Heb medelijden met
mij en zeg mij duidelijk, wat gij bedoelt."

Dürer, die slechts had willen weten of Pirkheimer bij het afscheid
nemen met zijn vrouw dezelfde afspraak had gemaakt als met hem,
bemerkte nu, dat dit niet het geval was en hij vraagde zich zelf af,
of hij hetgeen zijn vriend hem had toevertrouwd, mocht verraden. Maar
toen hij den doodsangst van Vrouwe Crescentia zag en begreep, dat deze
mededeeling haar zou kunnen troosten, besloot hij haar de reden, van
zijn gerustheid te vertellen. "Gij vraagt mij, edele Vrouwe, waarom
het stilzwijgen van uw echtgenoot voor mij het bewijs van zijn welzijn
is. Nu dan, toen hij afscheid nam, sprak hij tot mij "alleen als mij
een ongeluk overkomt, zal ik een bode sturen en wel aan u, Albrecht,
opdat mijn arme vrouw de ongelukstijding niet zoo onvoorbereid zal
hooren, en gij haar tegelijkertijd zult kunnen troosten." De reiziger
heeft wel verhaald van verloren veldslagen en dat is zeker treurig
genoeg, doch de boodschapper van uw echtgenoot is weggebleven. Maak
u dus niet ongerust en vrees niet, dat hem iets zou zijn overkomen."

Vrouwe Crescentia had met gespannen aandacht geluisterd; toen greep
zij zijn hand en drukte die hartstochtelijk: "o dank, dank voor die
woorden, Meester Dürer! Waarlijk, het is mij alsof gij een engel zijt
door God gezonden om mijn beangst gemoed tot rust te brengen. Ook dank
ik u, Wilibald, voor uw teedere zorg voor uw arme vrouw! Ja, dat was
een goed denkbeeld van hem, om zijn boodschapper tot u te zenden in
plaats van regelrecht tot mij. De Heilige Maagd geve, dat die bode,
die toch slechts een onheilsbode zou kunnen zijn, moge wegblijven, en
al de heiligen mogen ons bijstaan, opdat er spoedig een einde aan den
strijd kome! -- -- -- Ach, mijn hart begint weer angstig te kloppen,
als ik er aan denk, dat het reeds verscheidene dagen is geleden,
sinds die reiziger het tooneel van den strijd heeft verlaten, en dat
er sedert dien tijd weer veel kan zijn gebeurd." Dürer legde zijn hand
op haar schouder: "o wees niet ondankbaar jegens Hem, die tot nu toe uw
echtgenoot voor alle gevaar heeft behoed, maar vertrouw op Hem! Alleen
een onbeperkt vertrouwen op Gods almacht en barmhartigheid maakt het
hart stil en sterk." Zwijgend bleef Vrouwe Crescentia geruimen tijd
in gepeinzen; toen hief zij de oogen langzaam op en knikte: "Gij hebt
gelijk, lieve Meester, en ik wil naar u luisteren. Bid voor mij opdat
mijn hart ook zoo gelaten en sterk moge worden als het uwe is!"

Ondertusschen kwam Vrouwe Agnes binnen, die zich in het gesprek mengde,
en toen Crescentia na een uurtje naar huis ging, was haar hart geheel
gerustgesteld.

Er verliep wederom eenige tijd, toen kwam er een reizende koopman te
Neurenberg, wiens mededeelingen nieuwe onrust teweeg brachten. Hij
vertelde van een nieuwe nederlaag van het keizerlijke leger bij Mals in
Vienstgau en ook dat de keizer het leger in twee deelen had gesplitst:
het grootste gedeelte zou onder bevel van Graaf van Fürstenberg naar
Bazel zijn opgerukt en met het andere gedeelte zou de keizer zelf naar
de Bodenzee zijn getrokken. Daarop was Fürstenberg bij Dornach met
den vijand slaags geraakt, bij welken strijd de graaf het onderspit
had gedolven en zelfs het leven verloren.

Nu begon ook meester Dürers hart onrustig te kloppen. Misschien had
zijn vriend plotseling den dood gevonden en geen tijd meer gehad om
een bode te zenden? Juist wilde hij zijn ongerustheid aan Vrouwe
Agnes meedeelen, toen de klopper haastig driemaal op de deur werd
neergelaten en even daarna een man, bestoven en verreisd, voor hem
stond, bij wiens aanblik meester Dürer doodelijk bleek werd. "Götz,
zijt gij het!" riep hij, terwijl hij de handen afwerend uitstrekte,
want in den reiziger had hij Pirkheimers knecht herkend.

Maar nog voordat hij iets kon vragen, riep de man snel: "Wees niet
ontsteld, ik heb niets kwaads te berichten! Het gevaar is geweken, de
wond was niet doodelijk. Mijn meester heeft mij slechts gezonden, omdat
hij vreesde, dat gij u zoudt verontrusten over de slechte tijdingen,
die misschien in Neurenberg zijn verspreid geworden. Het is waar,
dat de ongeschiktheid en de onwil der Duitsche troepen den keizer
geen geluk hebben aangebracht, doch mijn meester is geen ander leed
wedervaren dan een lichte schram aan het hoofd. Hij wilde gaarne,
dat gij dit zelf aan Vrouwe Crescentia zoudt mededeelen en ook dit:
dat de oorlog als geëindigd is te beschouwen, want dat de keizer,
hoewel niet zonder tegenzin, van plan is vrede te sluiten."

"O wees hartelijk welkom, gij, brenger van zulk een goede
boodschap!" riep Dürer innig verblijd en hij drukte den goeden man
de hand. "Doe u nu eerst eens te goed na die lange reis, terwijl ik
gauw naar Vrouwe Crescentia ga, om haar uw tijding over te brengen."

IJlings greep hij zijn baret en liep haastig naar de Heerengracht.

Vrouwe Crescentia zat juist met haar beide dochtertjes op schoot in
de kinderkamer, toen hij binnentrad. Ook haar waren de jobstijdingen
omtrent het keizerlijke leger ter oore gekomen, doch zij had aan haar
herlevende ongerustheid niet willen toegeven, maar die met alle kracht
overwonnen, denkende aan hetgeen meester Dürer haar had gezegd.

Nu stond hij op eens zelf voor haar en haar hart stond stil. Wat zou
er gebeurd zijn? Maar één blik op zijn gewoonlijk zoo ernstig gelaat,
waarop nu een glans van vreugde lag verspreid, stelde haar gerust.

Dürer boog eerbiedig en sprak: "God zij met u, edele Vrouwe! Uw
echtgenoot heeft zich niet aan de afspraak gehouden, want hij heeft
iemand gezonden met tijding, doch gelukkig met goede tijding. Wel
is waar had de vreemdeling gelijk, die berichtte hoe ongelukkig het
keizerlijke leger het er heeft afgebracht, doch uw echtgenoot maakt
het, Gode zij dank, goed. Zijn knecht is het mij komen zeggen en
versterkt zich op dit oogenblik met spijs en drank thuis bij mijn
Agnes." Vrouwe Crescentia zette de beide kinderen van haar schoot en
stond op met hooggekleurde wangen, terwijl zij de handen hemelwaarts
hief en uitriep:

"O, de heiige Maagd zij geloofd, tot wie ik dagelijks heb gebeden en
gesmeekt!--En wat heeft Götz verder gezegd?"

"Iets, dat u eveneens zal verheugen: dat de vrede voor de deur staat,"
sprak Dürer. Toen barstte Vrouwe Crescentia in tranen uit en in de
overmaat van haar geluk viel zij bijna den brenger van deze heerlijke
tijdingen om den hals.

Even daarop stond Götz zelf voor haar en moest haar alles van het
begin af uitvoerig vertellen. De goede man was het liefst maar weer
dadelijk terug gegaan naar zijn meester, maar Vrouwe Crescentia wilde
den vermoeiden reiziger niet laten gaan voor den volgenden morgen,
voorzien van haar zegenbeden en een ruim reisgeld.

Spoedig bevestigden zich Pirkheimers mededeelingen: de keizer sloot te
Bazel vrede met de Zwitsers, en de Neurenberger legerafdeeling trok
weldra de stadspoort binnen. Zij had zich uitstekend van haar plicht
gekweten en de keizer had haar in het bijzonder zijn tevredenheid
betuigd, terwijl hij vooral vol lof was over de ridderlijkheid en
onverschrokken moed, die de aanvoerder in den strijd had getoond en
hem beloonde met den titel van keizerlijk raadsheer.

Aan den avond van den dag, waarop de krijgslieden de stad waren
binnengetrokken, waren de vensters van het huis der familie Pirkheimer
helder verlicht en zat een vroolijk gezelschap om den welvoorzienen
disch verzameld. Tusschen den gastheer en de gastvrouw was meester
Dürer gezeten en die plaats kwam den vriend toe, die de eenzame en
angstig gestemde vrouw van den veldheer trouw met troost en raad
had bijgestaan.



HOOFDSTUK XIV.

KINDERLIJKE LIEFDE.


Op een Septembermorgen van het jaar 1502 trad een aanzienlijk man,
de patriciër Löffelholz Dürers werkplaats binnen.

"Is meester Dürer niet thuis?" vraagde hij aan de gezellen. "Hoe
komt het, dat hij, die anders zoo stipt is, zijn woord niet heeft
gehouden? Ik wacht reeds drie dagen op de schilderij, die ik bij hem
heb besteld."

Schäufelein, die het dichtst bij stond, haalde de schouders op.

"Gij zult nog een weinig geduld moeten hebben, edele heer, wij kunnen
er niets aan doen. De meester wil volstrekt niet, dat wij er aan
werken, hij wil het geheel zelf afmaken."

"Nu, waarom maakt hij daarmee dan zoo weinig haast?" vraagde
Löffelholz.

"Hij is de laatste dagen bijna niet in de werkplaats te zien, omdat
hij andere plichten heeft te vervullen."

"Wat voor plichten?"

"Zijn plicht als zoon. Reeds lang is de oude meester Dürer bedlegerig
en zeer hulpbehoevend en ellendig. Vrouwe Barbara en Vrouwe Agnes
hebben hem tot nu toe liefderijk opgepast, maar een paar dagen geleden
is hij zoo erg geworden en het is niet meer alleen zijn oude kwaal,
maar nog andere ongesteldheden er bij, die hem kwellen en dubbele
verpleging eischen. De beide vrouwen hebben zooveel van haar krachten
gevergd, dat zij zich nauwelijks meer op de been kunnen houden en
daarom heeft de meester een deel der verzorging op zich genomen en
vooral het waken 's nachts; dan kunnen de vermoeiden een weinig rust
nemen. Maar daardoor is hij overdag niet alleen te vermoeid om te
werken, maar zijn geest is er ook niet toe gestemd, want de zorg en
kommer drukken hem ter neer. Gij moet weten, dat er slechts zelden een
zoon zal worden gevonden, die zoozeer met hart en ziel aan zijn ouden
vader is gehecht als onze meester. Hij heeft dan ook trouw voor hem
in zijn ouderdom gezorgd, en in zijn zorgen zich zelf geheel vergeten."

"Ik wist het," viel Löffelholz den gezel in de rede, "het is overbekend
hoe goed meester Dürer voor zijn ouders en broeders is. En nu heb ik
waarlijk spijt over mijn ongeduld en zal ik kalm afwachten, totdat
de meester in staat is, het schilderstuk af te maken." Toen ging hij
groetende weg.

Op straat gekomen, drong door het open venster van de kamer uit het
benedenhuis een luid steunen en zuchten tot hem door; hij begreep nu
welke bittere pijnen en smarten de oude meester had door te staan.

En werkelijk de grijsaard lag in hevig lijden op het ziekbed neer;
zijn zoon zat bij hem en trachtte hem het lijden zooveel mogelijk
te verzachten door zijn pijnlijk lichaam met zachte kussens te
ondersteunen en hem nu en dan een glas kostbaren wijn uit Istria te
laten drinken.

Daarna werd de zieke rustiger. Hij keerde het aangezicht naar den
muur en sliep in--toen stond zijn zoon zachtjes op en deed de deur
open om de frissche lucht naar binnen te laten stroomen.

Intusschen kwam Vrouwe Agnes en even daarna Vrouwe Barbara binnen,
die eenige uren hadden geslapen en nu meester Albrecht kwamen aflossen.

Hij weigerde echter en sprak vriendelijk: "Laat mij hier blijven,
ik verlaat vader nu liever niet."

En zoo bleven alle drie in de kamer zacht met elkaar fluisteren,
om den kranke niet te storen. Er hingen in het zieke vertrek twee
geschilderde portretten van den ouden meester Dürer. Beide waren door
Albrecht gemaakt, het eene op het eind zijner leerjaren, toen zijn
vader betrekkelijk nog in de kracht zijns levens was, en het andere
bij zijn terugkomst uit den vreemde, om aan zijn vader te laten zien,
wat hij daar had geleerd. Het laatste portret vertoonde het gelaat
van een zeventigjarigen grijsaard, waarop de tijd zijn verwoestenden
invloed had uitgeoefend, want het was vol rimpels en de oogen hadden
een zeer vermoeide uitdrukking.

Vrouwe Barbara had de portretten uit de woonkamer laten nemen, om
ze in dit vertrek op te hangen. Nu viel haar oog op de beeltenissen
en ze zuchtte diep, toen ze zei: "Ach, hoe broos en vergankelijk is
toch het leven van den mensch!"

Albrecht knikte haar toe en sprak na eenige oogenblikken: "Het
lichaam vergaat tot stof en asch, maar de rechtvaardige blijft in
gedachtenis. Mijn goede vader is steeds een deugdzaam, vroom man
geweest, dat is zeker en niemand heeft dat in ruimer mate ondervonden
dan ik. O, ik kan God niet genoeg er voor danken, dat Hij mij zulk
een vader heeft gegeven, die altijd als een voorbeeld van deugd en
vroomheid voor mijn oogen heeft gestaan en mij den goeden weg heeft
leeren bewandelen."

Vrouwe Barbara schreide zacht en na eenige oogenblikken begon ook zij
haar man te prijzen; dankbaar herdacht zij, hoe goed hij altijd voor
haar was geweest in hun lang huwelijksleven.

Een beweging van den zieke trok aller aandacht tot zich; hij was
ontwaakt en scheen iets te willen zeggen, want hij wenkte zijn zoon
toe om dicht bij hem te komen en zijn hand in de zijne nemende, sprak
hij: "Mijn zoon, ik voel dat ik ga sterven, en ik wilde u op het hart
drukken, uw vrome, godvreezende moeder in haar ouderdom niet alleen
te laten, haar, die altijd zulk een trouwe moeder voor u is geweest!"

Albrecht boog zich over de klamme hand zijns vaders en drukte een
kus er op. "Gij behoeft u niet ongerust te maken, lieve vader. Ik ken
mijn plicht en zal dien met Gods hulp zoo goed als ik kan vervullen."

Een dankbare blik uit zijns vaders oogen was zijn belooning.

Maar op hetzelfde oogenblik werd de kranke weder onrustig en begon
op nieuw te steunen; het moest dus wel een ontzettend pijnlijk
lijden zijn, want tot nog toe had de grijsaard zijn smarten met
onvergelijkelijk geduld en gelatenheid gedragen. Hij klaagde over
brandende pijn in de ingewanden en wilde uit het bed komen, ijlende
alsof hij door hersenkoorts werd geteisterd.

Met groote moeite hield men hem in bed en trachtte de pijn te
verzachten door warme doeken op zijn lichaam te leggen, maar het
hielp niet veel en den geheelen dag hadden alle drie het zoo druk,
dat er geen tijd overbleef om iets te nuttigen. Toen de avond viel
kwam de zieke pas tot rust, hij begeerde te drinken en sliep daarna
in. De beide vrouwen drongen er nu bij Albrecht op aan, dat hij naar
zijn eigen kamer zou gaan om een weinig te slapen en nieuwe krachten
voor den volgenden dag te verzamelen, en daar ook de natuur haar
rechten eischte, gehoorzaamde de vermoeide man.

Tot laat in den avond konden de beide vrouwen rustig bij elkaar
blijven zitten, want de kranke verroerde zich niet. Toen richtte hij
zich weer met een angstige kreet overeind en wilde het bed verlaten.

Vrouwe Barbara gaf hem zijn zin, wischte het klamme zweet van zijn
voorhoofd en toen hij om drinken vraagde, gaf Agnes hem een glas
zoeten wijn.

"Dat heeft mij goed gedaan!" zei hij en nu wilde hij weer naar
bed worden gebracht. Nauwelijks lag hij weer in de kussens, of zijn
gelaat onderging plotseling een groote verandering: zijn gelaatskleur
werd geheel anders, zijn oogen zonken in de kassen en schenen reeds
gebroken.

De vrouwen schrokken, toen zij het bemerkten en ijlings stak Barbara
een licht op, om dat aan het hoofdeinde bij den stervende te plaatsen,
zooals toen het gebruik was. Zij wilde daarop de meid naar den kapelaan
sturen, om den zieke van de Sacramenten der stervenden te voorzien,
doch zij zag wel, dat het te laat was en daarom vervulde zij de plaats
van den priester, maakte het teeken des kruises, vouwde de handen en
sprak de woorden van St. Bernardus, het gewoone gebed der stervenden.

Ondertusschen snelde de meid op een wenk van Vrouwe Agnes, die den
zieltogende in haar armen hield, naar boven om meester Albrecht
te roepen.

In aller ijl kleedde hij zich aan en snelde in grooten angst de trap
af. Toen hij echter de kamer in kwam, had zijn brave vader reeds
den laatsten adem uitgeblazen en drukte Vrouwe Barbara den doode de
oogen toe.

Albrechts smart was groot en hij verweet zich bitter, dat hij het
laatste uur had geslapen, maar zijn moeder trachtte hem te troosten
met de woorden: "Stel u gerust, mijn zoon, want al waart gij hier
geweest, dan zoudt gij hem het sterven toch niet gemakkelijker hebben
kunnen maken dan het is geweest. Laten wij God danken, die hem zulk
een zalig, kalm sterfbed heeft gegeven!"

Daarop ging Albrecht naar het bed van den doode, keek langen tijd
met eerbiedig gevouwen handen naar het vriendelijke, rustige gelaat
en fluisterde biddend:

"Ave, pia anima. Requiem aeternam da ei, Domine, et lux ei luceat
perpetua!" [16]

Het was de avond voor St. Mattheus van het jaar 1502 tegen middernacht
dat de oude meester Dürer op vijf-en-zeventig jarigen leeftijd tot
zijn vaderen werd verzameld.

Den volgenden dag werd onder klokgelui en onder het geleide van het
geheele goudsmidsgilde het lijk op het Sebalduskerkhof ter aarde
besteld. Van het hoogaltaar werd de zielmis gelezen en aan de armen
der stad werd brood uitgedeeld. Gedurende drie dagen bleef het zwart
fluweelen lijkkleed op het graf uitgespreid en brandden daarop twee
kaarsen, die door houten kasten tegen den wind werden beschut, terwijl
twee geestelijke zusters den geheelen dag bij het graf bleven om
lijkzangen te zingen en te bidden voor de ziel des afgestorvenen. Dit
alles gebeurde op verlangen van Albrecht, die hiermee zijn vader de
laatste eer wilde bewijzen en toen hij en zijn betrekkingen na den
lijkdienst waren teruggekeerd, nam hij de zorg voor zijn moeder en
zijn jongsten, twaalfjarigen broeder Hans geheel op zich, zooals hij
zijn vader had beloofd en zooals zijn eigen hart hem ingaf.

Zijn broeder Andreas evenwel nam ransel en staf op en trok de wijde
wereld in.



HOOFDSTUK XV.

TOT GROOTER VOLKOMENHEID.


Meermalen had Keurvorst Frederik de Wijze Neurenberg bezocht en
dikwijls had hij meester Dürer met een bezoek vereerd.

Het eerste altaarstuk, dat de keurvorst bij hem had besteld,
voldeed zoo goed, dat hij hem eenige jaren later een tweede voor de
Allerheiligenkerk opdroeg.

En nu--in het begin van het jaar 1504--kwam voor de derde maal uit
Wittenberg de opdracht aan meester Dürer, om een schilderij te leveren
ter versiering van dezelfde kerk en hij ging terstond aan het werk. De
eene maand na de andere verliep; Dürer schilderde met de uiterste
zorgvuldigheid en de grootste toewijding, zoowel de hoofdfiguren als
de geringste onderdeelen.

Toen het in Neurenberg bekend werd, dat het groote altaarstuk zijn
voltooiing naderde, werd Dürer dikwijls gestoord door nieuwsgierigen,
die het wilden zien, want Pirkheimer en de beide gezellen hadden
verteld, dat de meester zich zelf had overtroffen en daardoor wederom
een schrede tot het volkomene in de kunst was genaderd.

Allen, die het zagen, konden zich overtuigen dat die lofspraak niet
overdreven was. Het stuk stelde de aanbidding der Wijzen voor. Links
zit de Maagd Maria in een licht blauw gewaad met witten sluier en
houdt het kind Jezus op haar schoot. De uitdrukking van haar gelaat
is onvergelijkelijk lieftallig, heilig en vredig. Diep bewogen en
met velerlei aandoeningen naderen de Wijzen uit het Oosten, gekleed
in gewaden, schitterend van goud, en het is alsof met hen de geheele
natuur in aanbidding ligt verzonken. Geen aureool omgeeft Maria en het
Kind, maar het lichte, zonnige groen op den achtergrond doet beiden
nog beter uitkomen dan zulk een krans van licht het zou kunnen doen.

Iedereen was onder de bekoring van dit kunstwerk--men zag, dat het
iets heel bijzonders was en dat geen van meester Dürers werken zoo
hoog stond. Was 't het schoone coloriet, het gevoelige der teekening,
de teedere, fijne penseelbehandeling, de wondere harmonie in de
groepeering, de groote eenvoud en verheven rust, die over het geheel
lag verspreid, wat zulk een overweldigenden indruk maakte? Neen,
niet één dezer kwaliteiten alleen, maar dit alles te zamen was de
reden van de groote bekoring, die het uitoefende.

Hoe was meester Dürers kunst nu op eenmaal tot zulk een hoogte
gestegen?

Sedert geruimen tijd had zich te Neurenberg een Venetiaansch kunstenaar
gevestigd, Jacopo de Barbari geheeten, wiens kunst hoog werd geroemd.

Eerzucht en naijver hadden hem uit de stad der lagunen verdreven. Hij
kon niet dulden zijn roem met andere kunstenaars te moeten deelen
en hij vond het onverdragelijk door anderen in de schaduw te worden
gesteld. Hij hoopte in Duitschland, door de hoogte waarop hij stond,
onbetwist een eerste plaats in te nemen.

Toch wilde hij niet gemakkelijk zijn triomfen behalen en daarom koos
hij een plaats, waar hij gelegenheid had een reeds gevierd kunstenaar
te overschaduwen. Zijn hoop werd dan ook vervuld. Evenals Ceasar
kon hij zeggen: Veni, vidi, vici [17], en in een oogwenk waren de
Neurenbergers zoozeer onder zijn invloed gekomen, dat zij bijna de
Duitsche kunst vergaten om de vreemde te huldigen. Het was waar,
dat de fijnheid en gevoeligheid van het coloriet, het liefelijke en
sierlijke der teekening en de bekoorlijke uitdrukking, die hij in het
gelaat wist te leggen, hem aller bewondering waardig maakte. Daarbij
vergeleken scheen de Duitsche kunst hard en ruw, stijf en koud.

Meester Jacopo werd bij de aanzienlijkste families gaarne ontvangen;
men betwistte elkaar de eer van zijn gezelschap, men zwaaide hem
onmatigen lof toe, en overlaadde hem met geschenken en eerbewijzen. Het
aantal bestellingen was overweldigend groot, want alle aanzienlijke
jonkvrouwen bestormden zijn atelier om haar portret te laten maken.--

Albrecht Dürer zag welke triomfen de vreemde indringer behaalde,
hij hoorde de overdreven loftuigingen en werd voortdurend stiller.

Was gekrenkte eerzucht, of verterende naijver de oorzaak, dat hij zoo
stil en in zich zelf gekeerd was? Neen, want zijn edel hart kende
dergelijke gewaarwordingen niet. Hij zelf behoorde tot hen, die
meester Jacopo bewonderden en prezen in alle oprechtheid en zonder
een zweem van huichelarij en na eenigen tijd, nadat hij in stilte
had toegezien en nagedacht, ging hij naar den vreemden kunstenaar
in allen ootmoed en nederigheid, zonder zich te laten afschrikken
door den nederbuigenden toon, waarop deze, door de volksgunst zoo
hooggeplaatste en verwende man, tot hem sprak--en de macht van Dürers
edele en nederige persoonlijkheid bleef niet zonder invloed op dezen
hoogmoedige, wien hij achting afdwong.

Het was de wensch om te leeren, die hem naar meester Jacopo had
gedreven. De drie-en-dertigjarige kunstenaar, wiens naam op aller
lippen was, achtte zich niet te hoog bij den vreemden meester in de
leer te gaan.

Vóór dien tijd had hij nog een andere school doorloopen, die des
lijdens. Een zware krankheid had hem bezocht en daardoor had hij
gelegenheid gehad zich in ernstige overdenkingen te verdiepen. En
evenals dit zelfonderzoek zijn hart gelouterd en geheiligd had,
zoo was het ook niet zonder invloed op zijn geest gebleven; zijn
genie had nieuwe openbaringen ontvangen en door de grootte van zijn
lichamelijk lijden waren zijn scheppende krachten toegenomen. Deze
vooruitgang openbaarde zich in de wijze, waarop Dürer nu het
menschelijk gelaat opvatte en uitvoerde. Had tot nu toe de Duitsche
kunst zich vergenoegd met het eenvoudig weergeven der lijnen en trekken
zonder de stemming van het gemoed uit te drukken, nu legde hij in zijn
portretten duidelijk en helder de stemming der ziel. Daardoor wordt het
geheele gelaat bezield, men kan zien welke gewaarwordingen de mensch
ondervindt, wat hem aandoet, wat hij gevoelt en welken strijd hij
doorleeft; het is alsof men de haren ziet trillen, alsof de lippen
zich bewegen en de oogen schitteren en glinsteren.--Toen hij nog
zeer ziek was, had hij een Christuskop geschilderd zooals nooit te
voren: het hoofd van den gestorven Heiland met de doornenkroon, met
gesloten oogen en geopenden mond en een uitdrukking van onmetelijke
smart over het geheele gelaat verspreid. Wat Dürer zelf in zijn
bitter lijden had ondervonden, trachtte hij weer te geven met het
penseel en daardoor kwam hij tot het schilderen der ziel, een door
lijden verkregen talent, dat hij na zijn herstel in een groot aantal
werken openbaarde, zonder ze evenwel reeds aan het groote publiek te
laten zien. Hiertoe behoorde voornamelijk het lijden van Christus,
dat hij met de pen en het penseel op groen getint papier in twaalf
afbeeldingen had weergegeven en daarna een serie houtsneden, het leven
van Maria voorstellende van haar geboorte tot haar hemelvaart. Deze
afbeeldingen hadden een groote bekoorlijkheid voor den beschouwer;
de kunstenaar had hierdoor een snaar aangeraakt, die in elk Duitsch
hart een weerklank moest vinden, want deze teekeningen waren de
verheerlijking van het familieleven, de lof van het huwelijk, als
een heilige, door God geordineerde en gezegende staat,--in het kort,
het was wederom een predicatie tot het Duitsche volk, zooals vroeger
de door hem geïllustreerde Openbaring van Johannes.

Dürer had dus in de school des lijdens veel geleerd; maar hij was er
ver van te gelooven, dat hij nu niets meer behoefde te leeren en in den
vreemden kunstenaar zag hij juist een leermeester met wiens onderricht
hij weder in een ander opzicht zijn voordeel zou kunnen doen.--

Langzamerhand verminderde de koelheid van Jacopo tegenover den
Duitschen schilder. Hij werd vriendelijker tegen hem, doch verloor
een zekere terughoudendheid niet uit het oog, toen hij bemerkte,
dat het Dürer te doen was om van hem te leeren. Hij zag heel goed hoe
uitstekend begaafd de Duitscher was en hij vreesde in stilte, dat Dürer
hem in zijn kunst zou ter zijde komen of misschien wel overtreffen.

Vooral wilde hij angstvallig het geheim van de wijze, waarop hij
het menschelijk figuur wist af te beelden, en waarop hij zich zoo
beroemde, voor Dürer verborgen houden. Hij deed het namelijk voorkomen,
alsof hij geen modellen noodig had, maar alsof hij door zijn grondige
kennis der anatomie en de door hem opgemaakte theorie, die hij uit
den canon der verhoudingen van het menschelijke lichaam had geput,
dit in zijn grootste schoonheid kon weergeven.

Hoe gaarne had Dürer dit ook gekund! Maar spoedig moest hij de
oprechtheid van den vreemdeling wel in twijfel trekken, toen hij bij
toeval hoorde, dat hij, bij het weergeven der menschelijke gestalte,
nu en dan het levend model had gebruikt en het bleek dus duidelijk,
dat zijn scheppingsvermogen en anatomische kennis niet voldoende waren,
om hem in staat te stellen het ideaal der menschelijke schoonheid in
beeld te brengen.

Niettemin leerde Dürer door zijn omgang met meester Jacopo en door
het bestudeeren van zijn werken, de gebreken die hij in zijn eigen
werk had ontdekt, overwinnen en daardoor zijn kunst tot grootere
volmaking brengen, want hij was er verre van, zich tevreden te stellen
met hetgeen hij kon en liet zich door de grootste loftuitingen niet
in slaap maken, om op de geplukte lauweren uit te rusten, maar hij
streefde voortdurend naar hooger.

Het werd dan ook spoedig openbaar welke nieuwe kunde hij had
verkregen. 't Waren slechts kleine stukken, oefeningen en studies, die
uit zijn werkplaats kwamen, maar de kenners waren één en al verbazing
en bewonderden de vorderingen, die hij had gemaakt vooral in het
dierengenre, dat hij tot nu toe bij het landschap had achtergesteld.

Zoo had hij een haas geschilderd, die aller bewondering verdiende. Het
vel was zoo natuurgetrouw weergegeven, dat men bijna in verzoeking kwam
het eens te bevoelen, om zich te overtuigen, dat het geschilderd was en
niet een werkelijk hazevel. Even groot opzien baarde een levensgroote
hertekop, door een pijl getroffen en met gebroken oogen, en een ruiker
viooltjes, waaraan slechts de geur ontbrak, om voor levende bloemen
te kunnen worden gehouden.

Door deze kunstwerken trok Dürer weer aller aandacht tot zich en
begrepen de Neurenbergers, dat men niet naar het buitenland behoefde
te gaan, om een volmaakt kunstenaar te aanschouwen, maar dat die in
de naaste omgeving was te vinden. Ja, het werd zelfs door enkelen
luide verkondigd, dat meester Dürer den Italiaan Jacopo overschaduwde
en deze fronste het voorhoofd, toen hij moest ondervinden, dat de
geestdrift voor hem meer en meer verkoelde.

En nu was Dürer aan het schilderen aan het groote altaarstuk, dat een
vorst van hem begeerde: "de aanbidding der Wijzen" en toen daaraan de
laatste hand was gelegd, ging er in Neurenberg slechts één kreet op:
de Duitsche kunst overtreft die van anderen en Albrecht Dürer is
de eerste aller meesters! De zachtheid der lijnen, die bij Jacopo
in weekheid ontaardde, was bij Dürer met kracht gepaard en het
schitterende coloriet, dat bij den Italiaan niet van overdrijving
was vrij te pleiten, behield bij Dürer de juiste maat en deed het
oog aangenaam aan inplaats van het te verblinden. --

Meester Dürer ontving uit Wittenberg een ruime belooning niet alleen in
klinkende munt, maar op verzoek van den kunstenaar was er een bijzonder
mooi gewei bijgevoegd, dat de eereplaats in het staatsievertrek kreeg
en door allen werd bewonderd, vooral door Wilibald Pirkheimer, die
zijn vriend dit kostbare stuk bijna benijdde.



HOOFDSTUK XVI.

EEN DUBBEL AFSCHEID.


Op een kouden, vochtigen Octoberavond van het jaar 1505 hield voor
Dürers huis een logge koets stil, waaruit een jonge man steeg in een
reismantel gehuld.

"Schäufelein!" klonk het vroolijk uit een raam van de eerste verdieping
van Vrouwe Agnes' lippen, toen zij den bezoeker herkende.

Deze gaf den knecht last om voor zijn koffer te zorgen en trad snel
naar binnen. Hij werd hartelijk verwelkomd; vier weken was hij in
Frankfort geweest om Dürers schilderijen op de jaarmarkt te koop aan
te bieden.

"De lieve heiligen zijn geprezen," riep hij, "dat ik u allen in
gezondheid mag terugzien en de doodsengel uw huis is voorbijgegaan. Ik
heb heel wat angst om u uitgestaan, want in Frankfort ging de mare,
dat de pest hier dagelijks veel offers eischte."

"Ja, God heeft ons genadig gespaard," antwoordde Dürer, "terwijl
rondom ons menig huis door den dood is bezocht. Wat ben ik verheugd
en dankbaar, dat God u in welstand bij ons heeft teruggebracht."

Hans, meester Albrechts broeder, hielp den gezel zich van zijn
reismantel ontdoen; Vrouwe Barbara ging naar den knecht en Vrouwe
Agnes liep naar de keuken, om voor het avondeten te zorgen.

Spoedig werd de koffer binnengebracht en hielp Hans von Kulmbach,
die uit de werkplaats kwam aangeloopen, Schäufelein om dien leeg
te maken. Dit kostte weinig moeite, want al was hij vol geweest,
toen Schäufelein vertrok, nu waren er slechts enkele stukken in,
die niet waren verkocht. Daardoor was de som gelds, die hij uit den
lederen buidel op de tafel schudde, ook zeer belangrijk en Dürer
betuigde zijn hartelijken dank aan zijn trouwen zaakwaarnemer, wien
hij tegelijkertijd zijn deel van de opbrengst toeschoof.

"Ik zou in nog vroolijker stemming zijn thuis gekomen," sprak
Schäufelein, "als ik niet de onaangename ondervinding had moeten
opdoen, dat er vele schurken zijn, die hun dievenhanden naar uw
eigendom uitsteken. Het zijn geen struikroovers, die ons onderweg
hebben aangevallen, maar op de jaarmarkt heb ik een andere soort
dieven leeren kennen; gij weet wel, wat ik bedoel."

"De nadrukkers?" vraagde Dürer snel.

"Ja, juist," knikte Schäufelein met gefronste wenkbrauwen. "Wat baat uw
monogram, waarmee gij sedert acht jaren uw werken onderteekent? [18]
Het beveiligt ze niet voor namaak, want die schelmen maken er geen
gemoedsbezwaar van, om ook dat er bij af te drukken en daarmee de
koopers te bedriegen."

"Het spijt mij zeer, dat te hooren," sprak Dürer halfluid. "Dieven
worden opgehangen, doch zulke schurken, die zich toch ook het eigendom
van anderen toeeigenen, laat men ongestoord hun schandelijk bedrijf
uitoefenen. Ik zou gaarne eens een hooggeplaatst, invloedrijk man
willen vragen om mij daartegen te beschermen; maar het is de vraag
of zijn invloed daartoe in staat is."

"Ja, dat is vergeefsche moeite," meende Schäufelein, "al kondt gij
u tot den keizer wenden, dan zou het nog niets baten. Zelfs in de
Nederlanden haalt men zulke boevenstreken uit; want in Antwerpen
woont er een, die kopergravuren heeft gemaakt naar uw houtsneden uit
de openbaring van Johannes."

In hevige opgewondenheid liep Dürer met groote schreden het vertrek
op en neer:

"Het ontstemt mij erg! Weet gij wie het is?"

"Och, al wist ik het, het zou toch niets baten," klaagde
Schäufelein. "Ik heb trouwens getracht hem op te sporen, doch toen
hij het bemerkte, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt." Dürer
haalde de schouders op. "Laten we ons verder niet bekommeren om den
dief, die toch niet gelukkig met zijn roof kan zijn, want gestolen
goed, gedijt niet. Aangenamer is het u te vertellen, hoe het mij in
uw afwezigheid is gegaan."

Hij werd gestoord door Vrouwe Agnes, die hen uitnoodigde om aan het
avondeten te komen. Na het gebed, dat door het hoofd des huizes werd
uitgesproken, zei Dürer tot Schäufelein: "Gij weet wel, dat verleden
winter het Duitsche handelshuis bij de Rialtobrug te Venetië een prooi
der vlammen is geworden. Nu heeft in Juni van dit jaar de Signoria
[19] op aandringen der Duitsche kooplieden besloten het nieuw te
bouwen huis aan een Duitschen meester, Hieronymus van Augsburg,
op te dragen. En daar de St. Bartolomeuskapel, bij het handelshuis
behoorende, een groot altaarstuk noodig heeft, hebben de Duitsche
kooplieden eveneens weten door te zetten, dat dit door een Duitscher
zou worden uitgevoerd en ziet ge, daarvoor heeft men den Neurenberger
Albrecht Dürer uitgekozen."

Schäufeleins oogen schitterden van voldoening en zijn hand, die juist
een stuk rookvleesch naar den mond wilde brengen, kwam niet tot haar
bestemming. "O, dat is heerlijk! En wat verheug ik mij in de eer, die
u te beurt valt! Geluk er mee, Meester! Hartelijk geluk gewenscht! En
gaat gij gauw?"

Eenige oogenblikken bleef Dürer, zonder iets te zeggen, voor zich uit
staren; toen sprak hij: "Mijn hart trekt mij naar dat zonnige land
en die heerlijke stad, die ik reeds eenmaal mocht aanschouwen, en ook
is de verzoeking groot om zooals vele anderen de vreeselijke ziekte,
die hier heerscht, te ontloopen, maar de angst om hen, die ik moet
achterlaten, doet mijn hart onrustig kloppen en houdt mij tegen. De
Heer geve, dat de sterfte spoedig moge verminderen, dan is het mijn
plan met de eerste gelegenheid de beste naar Italië te reizen. Maar ik
wil niet alleen er op uittrekken zooals toen ik als gezel de wereld
in ging, maar ik zal mij aansluiten bij een handelskaravaan. Zulk
een jonge gezel zonder één cent op zak lieten de struikroovers en
dieven wel ongestoord verder gaan, maar nu kon het wel eens zijn,
dat die schelmen lust kregen om hun handen uit te strekken naar de
schat, die ik van plan ben mee te nemen; want ik reken er op een
groot aantal mijner schilderijen te Venetië in goud om te zetten."

Nu mengde Vrouwe Agnes zich in het gesprek: "Mijn lieve man, is het
bezorgdheid voor de uwen, die u verhindert aan de eervolle opdracht
gevolg te geven? Maar zijt gij dan de Voorzienigheid, die door uw
bijzijn hen voor nood en dood kan bewaren? Het eenige, wat wij in dezen
moeilijken tijd kunnen doen, is bidden en ons in 's Heeren bescherming
aanbevelen. Nu dat kunt gij te Venetië even goed als hier. Ons leven
is in Gods hand en ons hart kan rustig zijn in den Heer."

Dürer keek zijn vrouw aan met een blik waarin dank en ook achting voor
haar groot Godsvertrouwen lag opgesloten, maar ook een stille vrees
bij de gedachte: indien het eens in Gods raad was besloten een der
mijnen tijdens mijn afwezigheid op te eischen dan zou ik zijn laatsten
zucht niet kunnen opvangen en zijn oogen niet toedrukken. Hij durfde
deze gedachte evenwel niet uitspreken; het was alsof hij zich schamen
moest tegenover het onbeperkte Godsvertrouwen zijner vrouw. Schäufelein
maakte van zijn stilzwijgen gebruik om, evenals Vrouwe Agnes, er op
aan te dringen, dat hij zich tegen de reis naar Venetië niet langer
zou verzetten.

Dürer keek den spreker ernstig aan, en er was zelfs eenige verlegenheid
in zijn blik, toen hij zei: "Er is nog iets, dat mij tegen de reis doet
opzien. Als ik eenmaal weg ben, zal ik zoo spoedig niet terugkeeren,
want het groote schilderij, dat men van mij verlangt, zal veel tijd
vorderen, en daarbij hoop ik ook van de Italiaansche meesters nog wat
te leeren. Daarom zal ik wel verplicht zijn, mijn werkplaats te sluiten
en u te ontslaan, mijn goede gezellen, wat mij niet weinig moeilijk
valt, want gij hebt mij altijd trouw gediend en ter zijde gestaan."

Het was duidelijk op de gezichten der gezellen te lezen, dat hun
dit weinig aanstond; zij zagen elkaar teleurgesteld en vragend
aan. Zij waren op zoo iets in het geheel niet voorbereid en het speet
Schäufelein, dat hij zoo op de reis had aangedrongen.

Dürer las hun gedachte en vervolgde: "Waarlijk, gij zijt nu lang
genoeg bij mij in de werkplaats geweest en het komt mij bijna zeer
zelfzuchtig voor, dat ik u zoo lang in mijn dienst heb gehouden,
daar het toch wel uw wensch zal zijn ook bij andere meesters te
leeren. Daarom wil ik niet aan mij zelf denken en mij om uwentwil
verheugen, dat gij nu daartoe de gelegenheid hebt."

Hans von Kulmbach, die gewoonlijk stil en in zich zelf was gekeerd,
richtte nu het woord tot Dürer en sprak: "De tijd, dien wij bij u zijn
geweest, is ons als een droom voorbijgegaan en het zal lang duren,
voordat wij op onze omzwervingen in de wereld een meester vinden, die
ons zulk voortreffelijk onderwijs kan geven en wiens vriendelijkheid
ons zulke goede dagen zal doen beleven."

Ook Schäufelein sprak in denzelfden geest, hij hield niet op Dürer
dank te zeggen voor alles, wat zij in zijn huis hadden ontvangen en
kwam eindelijk weer op zijn aandringen terug. Zoo werd het gesprek,
dat eenigszins treurig was geworden, langzamerhand weer vroolijker
en de dischgenooten zaten na het dankgebed nog lang gezellig samen
te praten.--

Vijf weken later stond voor Dürers huis een opgetuigd rijpaard, beladen
met een zwaar valies, ongeduldig te trappelen, want het wachten duurde
lang bij de felle koude, die den adem uit zijn neusvleugels verstijfde,
waardoor zijn kop in een waas werd gehuld.

Daar binnen duurde het afscheid lang. Het kostte meester Dürer reeds
moeite te scheiden van zijn gezellen, die ook hun ransel hadden
aangegord, maar het was alsof zijn hart zou breken, toen hij voor
het laatst zijn lieve vrouw, zijn goede moeder en zijn broertje in
de armen sloot.

Met zijn moeder had hij eerst nog een zonderling geschil over Hans
gehad. Hij had hem gaarne willen meenemen op reis, omdat hij het voor
den zeventienjarigen knaap, die zich ook aan het schilderen wilde
wijden, nuttig oordeelde onder zijn toezicht en leiding iets van de
wereld te zien en de Italiaansche taal te leeren; maar zijn moeder
kon er niet toe besluiten om zich van den laatsten zoon, die haar
van haar kinderen overbleef, te scheiden en wist van haar Albrecht
te verkrijgen, dat hij alleen zou vertrekken.

Meester Dürer reed de straat "onder de veste" genaamd uit, vandaar
naar de Heerenmarkt, waar hij ophield bij het huis van Pirkheimer. Hij
moest van zijn vriend nog afscheid nemen en hem dank zeggen voor het
voorschot, dat hij den reiziger had gegeven, omdat deze met het oog
op zijn vermoedelijk lange afwezigheid een welvoorzienen buidel bij
zijn familie moest achterlaten.

Nu gaf hij zijn paard de sporen en reed over de Barrevoetersbrug
naar het Lorenzerplein en vandaar naar de Vrouwepoort, waar de vijf
wagens met koopwaar en zijn eigen kunstwerken reeds gereed stonden,
omgeven door de vijf kooplieden te paard en twaalf gewapende, stevige
dienaars, die de karavaan moesten beschermen.

Onder de zegenbeden van hen, die er om verzameld stonden, stelde
de stoet zich in beweging en vroolijk hinnikten de paarden op dezen
kouden, helderen morgen.



HOOFDSTUK XVII.

NOGMAALS TE VENETIË.


Op een heerlijken, warmen dag in Februari van het jaar 1506 lag op
het balkon van haar paleis op het Marcusplein, Signora Bella, de
echtgenoot van den Markies Rinaldi, uitgestrekt op een zacht rustbed
om met volle teugen de frissche, versterkende voorjaarslucht in te
ademen. Zij was herstellende van een maandenlange, ernstige ziekte
en verwachtte van den zonneschijn een snellere genezing.

Naast haar stond een vrouwelijke bediende, die haar het nieuws
uit de stad moest vertellen, want nadat zij langen tijd in niets
belangstelling had getoond, begon de Signora zich nu weer voor de
buitenwereld te interesseeren.

Men vernam het geluid van naderende voetstappen en op het balkon
verscheen een grijsaard met een langen, witten baard en een edele,
indrukwekkende gestalte. Het was de oom der Signora en tevens
haar vaderlijke vriend, van wien zij in haar ziekte de hartelijkste
deelneming had ondervonden en die bijna dagelijks in dezen lijdenstijd
haar tot troost was geweest.

Zijn gelaat helderde op, toen hij zag hoeveel belangstelling de zieke
toonde in de mededeelingen van haar ondergeschikte en hij uitte zijn
blijdschap op hartelijke wijze. Achter hem stond een lakei met een
portefeuille, die hij van hem overnam en bij de Signora bracht. "Ik
heb iets voor u meegebracht, dat u eenige oogenblikken aangenaam zal
bezig houden, lieve Bella. Het is langen tijd geleden, dat gij u voor
de kunst hebt geïnteresseerd."

"O, dank u, beste oom," antwoordde Bella en zij strekte haar kleine,
magere, wasbleeke hand uit naar de portefeuille, waarin een reeks
kopergravuren geborgen waren, die in volgorde het leven van Maria
weergaven.

Reeds bij het eerste blad, dat de weigering van Joachims offer
door den hoogepriester voorstelde, begonnen Bella's oogen te
schitteren en uitte zij een kreet van verrukking; "O, hoe prachtig,
hoe bekoorlijk!" Haar ingenomenheid nam bij elke afbeelding toe en
zij kon haar oogen niet afwenden van die gravuren, welke de rust van
de heilige familie in Egypte te zien gaven, een afbeelding van het
reinste, gelukkigste familieleven, dat de bannelingen de smart over de
scheiding van hun geboortegrond scheen te kunnen doen vergeten. Zij
genoot van den aanblik van Maria, gezeten met haar spinnewiel bij de
wieg van haar beminnelijk kind, van den ouden Jozef, die ijverig zit
te arbeiden voor het dagelijksch brood der zijnen, en vooral van de
allerliefste engeltjes, die druk bezig zijn om de spaanders in een
mand te verzamelen en van wie één ondeugend genoeg is geweest om zich
met Jozefs hoed te tooien.

Geheel andere gewaarwordingen werden in Bella gewekt, toen zij kwam
aan de afbeelding van Jezus' afscheid van Zijn moeder, voordat Hij Zijn
laatste reis naar Jeruzalem ondernam, en waarop de Heer met hemelschen
vrede op het gelaat en met heiligen moed om den dood tegemoet te gaan,
nog eenmaal Zijn moeder, die aan de deur vol smart ligt neergezonken,
zegent.

Bella was diep ontroerd en twee groote tranen blonken in haar
oogen. Nog nooit had zij iets aanschouwd, dat zoo aangrijpend
schoon was.

"Ik dank u, beste Oom, voor dit genot," zeide zij dankbaar, nadat zij
het laatste blad had bekeken. "Van wien zijn deze onvergelijkelijk
schoone gravuren?"

"Raimondi Marcantonio heeft ze op koper gegraveerd," antwoordde
de grijsaard, die met stille vreugde en voldoening had opgemerkt,
dat zij, die hem zoo lief was, weder in iets belangstelling koesterde.

"Gegraveerd?" vraagde Bella. "Ze zijn uitstekend gegraveerd; maar wie
heeft de teekeningen ontworpen? De kunstenaar, die dat heeft gedaan,
vindt zijn gelijke niet."

Haar oom kwam een weinig dichter bij haar zitten en sprak glimlachend:

"Mijn doel was niet alleen om u deze platen te laten zien, maar ik
wilde u ook iets vertellen. Deze gravuren hebben in de stad heel wat
opzien gebaard en zijn de oorzaak, dat Marcantonio voor het gerecht
is gedaagd."

"Voor het gerecht?" vraagde de Signora met klimmende belangstelling.

"Ja," antwoordde haar oom, "Marcantonio is een dief, die zich
het bezit van anderen heeft toegeëigend; hij heeft deze platen,
die oorspronkelijk in houtsneden zijn verschenen, in koper
nagegraveerd. Zie, hier is het monogram van den ontwerper der
houtsneden!"

Bella bekeek de letters zonder iets te zeggen.

Toen vervolgde haar oom: "Weet gij niet wiens naam het is? Maar dat
zou ook moeilijk gaan, want het is reeds zoo lang geleden, dat gij den
kunstenaar, die zich met A. D. onderteekent, hebt gezien. Gij waart
toen nog ongehuwd. Het is de naam van een Duitsch kunstenaar -- -- --."

"Albrecht Dürer!" riep Bella uit en een flauwe blos kleurde haar
bleeke wangen. "O, van hem zijn deze heerlijke kunstwerken! -- --
-- Ziet gij wel, Oom, dat ik zeer juist heb gezien, wat er in dien
man was; mijn profetie heeft zich bewaarheid! Albrecht Dürer is een
ongeëvenaard kunstenaar! Hoeveel heb ik niet reeds gezien op het gebied
der kunst, doch nooit heeft iets daarvan mij zulk een genot verschaft,
nooit heeft iets mij zoo getroffen als deze heerlijke kunst. Wat
zijn onze schilders bij hem vergeleken! Zooveel innig gemoedsleven,
als hierin ligt uitgedrukt, zoekt men tevergeefs bij hen. Men zegt
van de Duitschers: dat hun hart even warm is als de dampkring, waarin
zij leven, koud is. En nu zie ik, dat het waar is."

"Dat ben ik met u eens, mijn lieve Bella," antwoordde haar oom.

"Ook ik ben verrukt van deze platen en het andere werk, dat ik van
hem zag, vond ik ook zoo bijzonder mooi."

"Waar woont Meester Dürer tegenwoordig?" vraagde Bella. "In zijn
geboorteplaats Neurenberg?"

"Ja," antwoordde haar oom, "daar heeft hij zijn werkplaats, maar op
dit oogenblik -- -- -- -- ."

Eensklaps hield hij op en vraagde zich af of het de zieke niet te
veel zou opwinden, als hij haar het verdere mededeelde--doch toen
hij Bella's dringenden, vragenden blik op zich gevestigd zag, ging
hij voort haar te zeggen, dat Meester Dürer op dit oogenblik te
Venetië vertoefde, om op verlangen der Signoria voor de vernieuwde
St. Bartolomeuskapel een groot altaarstuk te schilderen.

De Signora richtte zich op van haar rustbank en liet zich door haar
kamenier een kussen tot steun in den rug geven, alsof zij in die
houding beter kon luisteren.

"Is hij te Venetië? In mijn onmiddellijke nabijheid?" zeide zij. "O
hoe gaarne zou ik dien heerlijken kunstenaar nog eens terugzien! Hij
moet nu een man in de volle kracht zijns levens zijn."

"Hij is vierendertig jaar," zeide haar oom. "Zijn uiterlijk alleen
reeds trekt de aandacht. Men voelt eerbiedige bewondering, wanneer
men hem ziet. En dan daarbij zijn edel karakter en zielenadel! Men
voelt zich geneigd hem met ontbloot hoofd te naderen."

"Maar wat is nu het geval met Marcantonio?" vraagde de Signora. "Gij
zeidet, dat hij voor het gerecht staat."

Haar oom knikte bevestigend. "Eindelijk is het meester Dürer gelukt
een der vele schurken machtig te worden, die hun handen naar zijn
eigendom uitsteken en zijn werken nadrukken of graveeren."

"Zou de Signoria hem tegenover onzen stadgenoot recht doen
wedervaren?" vraagde Bella beschroomd.

"Maak u daarover niet ongerust, mijn kind!" verzekerde haar
oom. "Dürer is bij de Signoria, evenals bij ieder hier in de stad,
in hooge achting. Dagelijks krijgt hij in zijn werkplaats dicht bij
het Duitsche handelshuis, zooveel bezoekers alsof het een bedevaart
naar een wonderdoend beeld der heilige Maagd gold. Ook beijveren
onze kunstenaars zich hem te bezoeken en met lof te overladen, al
is dat misschien niet altijd even oprecht gemeend. De besten van
hen zijn waarlijk zijn vrienden, doch de kleingeestigen vergaan van
jaloerschheid, vitten en trachten gebreken op te sporen, terwijl zij
in stilte zijn werken navolgen."

"Die ellendigen!" zei Bella toornig, "en hoe houdt Dürer zich
daaronder?"

"Hij let niet op hen," antwoordde haar oom, "en zijn edel hart, waarvan
al het lage en gemeene zoo ver is verwijderd, bemerkt ook dikwijls hun
kwaadwilligheid niet. Hij stelt er zich tevreden mee door de anderen
te worden gewaardeerd. 't Is een wonder, dat hij onder al den lof,
dien men hem toezwaait, en de eer, die hem wordt bewezen, zoo kalm
en nederig blijft."

"Ja, ja," riep de Signora uit, "Albrecht Dürer is een voortreffelijk
man met een nederig gemoed, dat heb ik wel gemerkt. Hoe ver is hij
met zijn altaarstuk gevorderd?"

"Hij is nog bezig aan de studies, die vooraf noodig zijn," antwoordde
haar oom, "en het zou ook niet anders mogelijk zijn, want elken dag
verdringt men zich zoozeer om hem, dat hij nauwelijks tijd tot arbeiden
kan vinden. Onlangs nog zeide hij mij, dat hij zich nu en dan eens
onzichtbaar moest maken, omdat men hem al te lastig viel en hij niet
tot zich zelf kon komen. Ik kan mij begrijpen, dat al die eerbewijzen,
waarmee de aristocratie hem overlaadt, hem gaan vervelen. Vooral vindt
hij het onaangenaam zoo dikwijls te worden uitgenoodigd op gastmalen
en feesten, daar dat zooveel van zijn kostbaren tijd vergt. Het liefst
ontvangt hij Giovanni Bellini, van wien hij den eersten keer, dat hij
te Venetië was, zooveel heeft geleerd; de eerwaardige grijsaard ziet nu
met innige bewondering tot zijn vroegeren leerling op en bewijst hem
veel oprechte genegenheid, wat den Duitscher, bij al de gehuichelde
vriendschap, die hij ondervindt, bijzonder veel genoegen doet. Ik
moet u toch nog vertellen, wat er onlangs is gebeurd. Bellini kwam
bij Dürer, toen hij juist met een studiekop voor zijn altaarstuk bezig
was; hij schilderde het haar op zijn onnavolgbare wijze. De grijsaard
verzocht Dürer, hem een der penseelen, waarmee hij het haar zoo
wonderlijk fijn wist te schilderen, als aandenken te geven. Daarop nam
Dürer een handvol gewone penseelen, reikte die Bellini toe en gaf hem
verlof er zooveel van te nemen, als hij begeerde. Bellini glimlachte,
dacht dat Dürer hem niet had begrepen en vraagde om slechts één fijn
penseel voor de haren. Nu moest Dürer lachen en zei, dat hij voor de
haren geen bijzondere penseelen gebruikte. Toen Bellini daarop zijn
hoofd ongeloovig schudde, nam Dürer een gewoon penseel en schilderde
voor de oogen van den verwonderden grijsaard de haarlok eener vrouw op
zijn wondermooie manier. Dit verhaal is volkomen waar, want ik heb het
van Bellini zelf gehoord, die er bijvoegde: het klinkt als een wonder
en ik zou het niet hebben geloofd, indien ik het zelf niet had gezien."

Signora Bella was stil geworden; de blos op haar wangen was weder
verdwenen en zij zag er bleek en vermoeid uit. Haar oom begreep,
dat het tijd werd om heen te gaan en haar nu te laten uitrusten,
opdat al die aandoeningen, al waren zij van aangenamen aard, de
herstellende geen kwaad zouden doen. En Bella nam afscheid van hem,
doch niet zonder het dringende verzoek haar spoedig meer te komen
vertellen van den Duitschen meester.



Verscheidene maanden waren voorbijgegaan--het Paaschfeest was nabij.

Albrecht Dürer was reeds 's morgens vroeg in zijn werkplaats, om,
zooals hij hoopte, ongestoord van de ochtenduren gebruik te maken om
aan zijn altaarstuk te werken, Men was in het begin overeengekomen,
dat de schilderij op den eersten Paaschmorgen op het altaar van de
Bartolomeuskapel zou prijken, maar daaraan was in de verste verte
niet te denken en zij, die het Dürer hadden opgedragen, konden het hem
niet wijten, daar zij heel goed wisten, dat het niet de schuld van den
Duitscher, maar van de Venetianen zelf was, die hem zijn tijd kwamen
ontrooven en hem ook bestellingen deden, die de vriendelijke meester
niet wilde weigeren. Toch wilde het vandaag met den arbeid aan het
groote schilderij niet vlotten. Zijn oogen dwaalden telkens naar een
tweeden schildersezel, waarop een klein, pas begonnen stuk stond, den
twaalfjarigen Jezus te midden der schriftgeleerden, voorstellende. Het
was om hem eenige afwisseling te geven bij den omvangrijken arbeid
van het altaarstuk, dat hem door de groote afmeting soms te zeer
vermoeide. Acht dagen geleden was hij er pas mee begonnen en nu was
het bijna af--met zooveel toewijding en ijver had hij er aan gewerkt.

Toen hij juist goed op streek was, werd er geklopt en met gefronste
wenkbrauwen mompelde Dürer: "men gunt mij zelfs de vroege ochtenduren
niet!"

Maar zijn gelaat verhelderde zoodra hij den binnenkomende herkende. Het
was een jonge, nauwelijks twintigjarige man, met dichte, zwarte lokken
en een edel, bleek gelaat, dat duidelijk den kunstenaar verried.

"Wees welkom, mijn beste Titiaan!" riep Dürer en hij stak hem zijn
beide handen toe. Hij wist dat de kunstenaar, die voor hem stond,
hem oprechte vereering toedroeg. Titiaan zag met evenveel bewondering
tot Dürer op als zijn grijze leermeester Bellini.

"Wat zie ik?" riep hij uit, toen zijn oogen op den tweeden
schildersezel vielen. "Ik dacht, dat ik, na u acht dagen met rust te
hebben gelaten, het altaarstuk goed gevorderd zou vinden, en zijt gij
nu nog met studies daarvoor bezig, of," voegde hij er glimlachend bij,
"is dit geen studie voor het groote schilderij?"

Dürer moest eveneens lachen. "Het is een op zich zelf staand
schilderij, waartoe uw leermeester Bellini mij heeft opgewekt. Het
zal mij evenwel niet lang meer ophouden, want ik denk het morgen af
te maken en dan heb ik er slechts vijf dagen voor gebruikt."

"Vijf dagen?" vraagde Titiaan en zag Dürer strak aan. "Hebt gij een
verbond met den booze gesloten? Het is tooveren! Zulk een stuk in
vijf dagen?"

"Dat is alleen vlugheid, waarde Titiaan," antwoordde Dürer. "Ik wilde
mijn geest, die door het groote altaarstuk te veel vermoeid was, een
weinig verfrisschen, door iets anders onder handen te nemen. Overigens
heb ik ter wille van het groote werk veel andere opdrachten afgewezen,
die mij meer geldelijk voordeel zouden hebben aangebracht dan dit
groote stuk, waarvoor men mij 85 ducaten heeft beloofd.

"Het is waarlijk niet de zucht naar geld, die mij bezielt; doch denk
eens hoeveel mijn onderhoud mij dagelijks kost en dat ik toch ook een
deel der opbrengst mee naar huis moet nemen voor hen, die aan mijn
zorgen zijn toevertrouwd. Indien ik alles op mij had kunnen nemen,
wat men van mij verlangde, zou ik wel tweehonderd ducaten hebben
verdiend. En niettegenstaande al de vriendschap, die men mij bewijst,
zou ik hier aan lager wal geraken, als mijn houtsneden en de andere
werken, die ik uit Neurenberg heb meegenomen, mij geen voldoende
som hadden opgebracht. Maar nu heb ik plan om, zoodra het kleine
schilderij klaar is, met alle kracht aan het groote te gaan werken."

"Om het met Pinksteren klaar te kunnen hebben?" vraagde Titiaan.

Dürer haalde de schouders op. "Dat is onmogelijk; er zijn daarvoor
veel te veel figuren op het stuk."

Titiaan nam nu uit een portefeuille een teekening te voorschijn. "Ik
wilde u dit laten zien, om van u te hooren of gij vindt, dat ik
vorderingen heb gemaakt door uw voorbeeld."

Het was een landschap met bergen en een kasteel in het dal. Titiaan
was inderdaad in dit genre een leerling van Dürer geworden en deze
kon niet nalaten hem om dit stukje zeer te prijzen.

Titiaan wist, dat deze lof welgemeend was en voelde zich, toen hij
naar huis ging, innig dankbaar en gelukkig gestemd.



De eene maand na de andere verliep; de geheele zomer ging voorbij
en nog steeds was het schilderij niet af. Hoe meer de meester er mee
vorderde, hoe meer hij ook den grooten omvang besefte van hetgeen hij
op zich had genomen. Daarbij kwamen er op nieuw allerlei opdrachten,
die hij niet kon weigeren en die tegelijkertijd winst afwierpen.

Eindelijk, op den 29sten September werd het in de stad verbreid,
dat meester Dürer de laatste hand aan het altaarstuk, dat men sedert
korten tijd het "Rozenkransfeest" noemde, had gelegd.

Daarop begaf iedereen zich naar de werkplaats bij de Rialtobrug--een
ieder, wien liefde tot de kunst bezielde, maakte zich op om van
het kunstwerk te genieten. De geheele kunstwereld was verzameld,
ook de adel, ja zelfs het wereldlijke en 't geestelijke opperhoofd
van Venetië, de Doge en de Patriarch, beide uitstekende kunstkenners,
kwamen kijken.

Eerst heerschte er onder de verzamelden een eerbiedige stilte, men
voelde zich overweldigd door den grootschen indruk, maar daarna brak er
zulk een storm van loftuitingen los, dat Dürer hooren en zien verging.

Zijn werk verdiende trouwens volkomen zulk een lof: het was een
meesterstuk. [20]

Omgeven door een zonnig landschap, zit de H. Maagd op een troon. Haar
lokken zijn goudblond en haar kleed is hemelsblauw; op haar schoot
zit het Christuskind, terwijl twee zwevende engelen een gouden kroon
boven haar hoofd houden. Rechts van den troon staat de H. Dominicus,
die het gebruik van het rozenkransgebed invoerde; links ziet men
nog andere engelen, die de gestalten, die rondom geknield liggen,
met kransen van levende rozen bekronen. Aan de voeten van Maria zit
een engel met een mandoline; op den voorgrond knielen Paus Julius
II en keizer Maximiliaan I, gehuld in ruime, purperen mantels; de
eerste wordt door het kind Jezus; de andere door de Maagd Maria met
een krans van rozen gekroond. Ook andere bekende personen komen op het
schilderij voor, o.a. meester Hieronymus van Augsburg, de bouwmeester
van het Duitsche handelshuis te Venetië; op den achtergrond rechts
heeft Dürer zijn boezemvriend, Wilibald Pirkheimer, vereeuwigd en
naast hem schilderde hij zijn eigen gestalte.

Welk een groot aantal figuren en toch zulk een eenheid van groepeering;
welk een grootheid en ernst lag over het geheel verspreid en toch
hoe vrij was alles behandeld en hoeveel leven sprak er uit! En
dat alles werd nog overtroffen door den gloed en de pracht van
het coloriet! Dürers vijanden hadden durven zeggen: "Ternauwernood
kan hij teekenen, maar schilderen kan hij in het geheel niet"--nu
moesten zij verstommen: dit meesterstuk sloot allen spot den mond. De
opgewondenheid nam daardoor nog toe en in geheel Venetië sprak men in
die dagen over niets anders dan over meester Dürer en zijn grootsche
schepping.--

Toen de toevloed van nieuwsgierigen voorbij was, trad op zekeren
namiddag, terwijl Dürer bij den Markies Proschi een feestmaal
bijwoonde, een aanzienlijke vrouw, door een bediende begeleid, de
werkplaats bij de Rialtobrug binnen. Zij nam plaats tegen over het
altaarstuk en bleef langen, langen tijd in diep, eerbiedig zwijgen
verzonken, alsof de werkplaats een kerk ware, waar de priester de mis
bediende. Haar handen waren gevouwen en haar oogen stonden vol tranen.

Eindelijk stond zij op en verliet de gewijde plaats: "Dat was een zalig
oogenblik," fluisterde zij terwijl zij haar oogen afwischte. Het was
Signora Bella.



HOOFDSTUK XVIII.

BEDWELMENDE WIEROOK.


Op een stillen, somberen Novembermorgen voeren eenige gondels het
"Canale grande" af. In pronkgewaad gehuld, alsof men op weg naar een
feest was, deed de groep kunstenaars, die Dürer te Venetië om zich
had verzameld, hem uitgeleide op zijn reis naar Bologna.

Het was zijn hartewensch geweest, Rome, die stad der steden, het
paradijs der kunst, te zien, en het scheen, dat deze wensch zou worden
vervuld, daar het bericht kwam, dat Keizer Maximiliaan een bedevaart
naar Rome wilde ondernemen, waarbij hij zich wilde aansluiten. Doch
dit voornemen van den keizer kwam niet tot uitvoering en Dürer moest
zijn plan opgeven. Ook was hij zoo gaarne naar Mantua gegaan, om zijn
leermeester Mantegna te bezoeken. Zoo gauw zijn altaarstuk klaar was,
wilde hij daarheen gaan, toen op den dertienden September het bericht
kwam, dat de grijsaard was gestorven. Nu besloot hij naar Bologna
te gaan, omdat hij wist daar gelegenheid te hebben om nog meer te
leeren en vooral de geheimen der perspectief te doorgronden. Niet
dat hij daarvan niet op de hoogte was, maar het was hem te doen om
zekere practische voordeelen tot vergemakkelijking der mechanische
constructie, waarop de kunstenaars van Bologna bijzonder trotsch waren,
en die zij angstvallig geheim hielden.

Hij nam zijn weg over Ferrara. Tot zijn groote verbazing werd Dürer aan
de poort der stad door een groot aantal der aanzienlijkste inwoners
opgewacht en begroet. Ricardo Sbroglio, die uitstekende geleerde,
ontrolde een blad perkament en droeg een lang gedicht voor, vol
uitbundigen lof over den Duitschen meester, die zijn wangen voelde
gloeien en niet wist, waarheen hij zijn oogen moest wenden. Wel was
hij in Venetië reeds aan overmatige loftuigingen gewend, maar hier was
het toch nog erger. Natuurlijk liet men hem niet dadelijk vertrekken;
hij moest een geheelen dag blijven en men bood hem een gastmaal aan
in het stadhuis.

Den volgenden dag deed men hem in optocht uitgeleide en een der
edelen liet er zich niet afbrengen hem te vergezellen en met hem
Bologna binnen te rijden.

Toen zij de stad naderden, bemerkte Dürer, dat men ook daar op de
hoogte van zijn komst was. Aan de poort stond eveneens een groote
menschenmassa en toen hij dichter bij kwam, zag hij van de met groen
en bloemen versierde stadspoort bonte vlaggen wapperen.

In de voorste rij van de verzamelde menigte stonden de, in Bologna
woonachtige, kunstenaars. Dürers gelaat teekende blijdschap, toen
hij aan de spits der schilders een bekend gezicht zag en nog wel
het gezicht van een stadgenoot, Christoffel Scheurl, den Duitschen
thesaurier aan de universiteit van Bologna. Het huis, waarin hij
was geboren, stond in Neurenberg "onder de veste" schuin tegenover
Dürers huis. Hij was drie jaar jonger dan deze en behoorde tot diens
vurigste bewonderaars.

Nu had er een hartelijke begroeting plaats, waarna de kunstenaars en
edelen aan de beurt kwamen; zij voerden Dürer in triomf mee naar de
markt en noodigden hem uit de gildekamer der schilders binnen te gaan,
waar de eigenlijke ontvangst zou plaats hebben. Het deed Dürer goed,
die gezichten, waarop zooveel welgemeende hartelijkheid en oprechte
bewondering te lezen stond, om zich heen te zien.

Op een wenk van den ouden Francesco Raibolini trad een jonge man
vooruit, ook een schilder, Luca Pacioli geheeten: een statige gestalte
met schitterende oogen en lange, golvende, ravenzwarte haren. Hij sprak
Dürer aldus aan: "Heil wedervaart heden onze stad Bologna, nu zij zulk
een gast binnen haar muren mag zien, een man met een stralenkrans
van roem en eer gesierd, en die, waar hij ook komt, triomfen viert
en iedereen bewondering afdwingt. Wij buigen ons ootmoedig voor u,
Meester Albrecht Dürer, den grootsten schilder der wereld, die is
gekomen op een hoogte, die niemand ooit heeft bereikt, of immer zal
bereiken. Bologna heeft Venetië haar hoogen gast benijd--nu is dit
niet meer noodig, nu de meester der meesters het niet beneden zich
heeft geacht ook Bologna's poort binnen te komen--en het sterven zal
ons gemakkelijker vallen, nu wij hem, naar wien ons hart zoo lang
heeft verlangd, hebben mogen aanschouwen. Wees welkom, Meester Dürer,
wees duizendmaal welkom in onze goede stad!"

Op deze woorden volgde een diepe stilte: Dürer, in verwarring
gebracht door dien bombast en overdreven lof, welke dien te Ferrara
nog overtrof, wist zoo dadelijk niet wat te antwoorden. Gelukkig kwam
de oude Raibolini hem te hulp, doordat hij op hem toetrad en hem op
vaderlijke wijze de hand drukte, zeggende:

"Pacioli heeft in ons aller naam gesproken, laten wij u nu ieder
afzonderlijk de hand mogen drukken als zegel op hetgeen hij heeft
gezegd."

Ook de anderen traden op hem toe en nu werd Dürer weer zich zelf, en
kon hij hen danken op Duitsche manier, dat is op rustige, bedaarde
wijze, die om het ongewone daarvan op zijn bewonderaars een diepen
indruk maakte en hun bewezen, hoe bescheiden die door hen zoo hoog
geroemden en vergooden kunstenaar was.

Meester Dürer bleef verscheidene weken in de stad, waar men het niet
moede werd, hem voortdurend te huldigen, totdat hij onder Pacioli's
leiding zooveel had geleerd als hij begeerde. Daarop nam hij afscheid
en keerde naar Venetië terug.

Nu eerst brak voor hem de tijd aan, dat hij zich vrij kon bewegen
en den drang van zijn genie volgen, want nu hij zijn opdracht had
vervuld en de Bartolomeuskapel met zijn altaarstuk prijkte, kon
hij schilderen, wat hij wilde. En naar hartelust hanteerde hij nu
penseel en graveerstift, terwijl zijn geldbuidel dagelijks meer werd
gevuld. Met gerustheid kon hij zich aan zijn lust tot scheppen en aan
het gezellig samenzijn met Venetiaansche kunstbroeders overgeven, want
de berichten van zijn gezin waren steeds gunstig. Door zijn vriend
Pirkheimer vernam hij, dat de pest reeds sinds lang had opgehouden
haar offers te eischen en dat al de zijnen goed gezond waren. Dit en
nog andere berichten verblijdden hem zeer.

Op deze wijze ging de laatste tijd van het jaar voorbij.

Toen men evenwel het nieuwe jaar was ingetreden, werd zijn
verlangen naar de zijnen hem te machtig en besloot hij te vertrekken,
niettegenstaande de pogingen der Signoria, die hem door het aanbieden
van een jaargeld van tweehonderd dukaten, trachtte over te halen,
te Venetië te blijven. Doch Dürer weigerde, hoe zwaar het hem ook
viel, te scheiden van de stad, waar men hem op de handen had gedragen
en van dit land, waar de zon zooveel helderder scheen en de kleuren
zooveel meer gloed bezaten dan in het koude noorden. De vriendschap,
die men in deze dagen hem in dubbele mate bewees, maakte hem het
scheiden nog moeilijker. Daarom verblijdde het hem te hooren, dat de
handelsreizigers, bij wie hij zich op de terugreis wilde aansluiten,
's morgens vroeg op weg gingen, want hij hoopte, dat het afscheid
daardoor in alle stilte zou plaats hebben. Maar daarin zag hij zich
teleurgesteld; het was bekend geworden op welk uur hij van plan was
heen te gaan, en zoo moest hij zich laten welgevallen, dat een groote
menigte vrienden en vereerders hem uitgeleide deed tot ver buiten de
poort der stad.

Het kostte hem moeite om bij de laatste groeten en handdrukken zijn
aandoening te bedwingen en toen hij op grooten afstand nog eenmaal
het hoofd omwendde naar de stad Venetië, die juist schitterde in het
purper en goud der opgaande zon, was hij zich niet langer meester en
er blonk een traan in zijn oog.



HOOFDSTUK XIX.

OP HET TOPPUNT VAN ROEM.


Langen tijd na zijn terugkomst ging Albrecht Dürer zijn weg als in een
droom. Alles was hem zoo vreemd geworden en met den arbeid kon hij niet
op streek komen. Na het verblijf in het zonnige Zuiden, waar hij langer
dan een jaar had vertoefd, weder verplaatst in het land van sneeuw
en grijze luchten, moest hij tijd hebben om zich daar weer in te leven.

Het wederzien der zijnen had zijn hart goed gedaan en hem uitermate
verheugd; vooral was zijn jongste broeder Hans een reden tot blijdschap
geweest. De knaap had bij den ouden Wolgemut veel geleerd en het bewijs
geleverd, dat er een uitstekend kunstenaar in hem stak, van wien men
kon verwachten, dat hij onder de leiding van zijn ouderen broeder zich
nog verder zou ontwikkelen en hem een goede hulp worden. De leegte,
die den teruggekeerde in den vreemde voelde, werd hier in zijn tehuis
aangevuld, doch den kunstenaar ontbrak iets; aan zijn scheppingskracht
ontbraken de ware drang en bezieling.

In Maart kreeg hij weer een opdracht van zijn vroegeren begunstiger,
den keurvorst Frederik van Saksen, die een nieuwe paneelschildering
van hem begeerde, voorstellende hetzelfde onderwerp, dat Dürer eenige
jaren geleden in houtsneden had behandeld; de marteling der tienduizend
onder Koning Sapores van Hongarije. Dürer maakte daarvoor een ontwerp
en teekende de schets, maar hij voelde, dat de echte bezieling hem
ontbrak en stelde de uitvoering telkens weer uit.

Ook de ontwakende lente was niet in staat om hem te bezielen, en in het
midden aan den zomer bleek het wat het was, dat hem in dien toestand
had gebracht. Op zekeren morgen kon hij het bed niet verlaten, omdat
hij door hevige hoofdpijn werd gekweld. Terstond liet zijn bezorgde
vrouw den dokter halen, en deze wist langen tijd niet welke ziekte hem
aan zijn leger kluisterde en waaruit zij voortkwam; de medicijnen,
die hij klaar maakte, bleven zonder eenige uitwerking op de koorts,
die reeds terstond in hevige mate was opgekomen en naar niets wilde
luisteren. De zieke nam verontrustend in krachten af, omdat hij niets
wilde eten, doch voortdurend begeerde te drinken.

Pirkheimer, die van zijn reis voor stadsbelangen was teruggekeerd,
ontstelde toen hij zijn vriend in dezen toestand terug zag en zorgde
er voor, dat er een tweede geneesheer werd geraadpleegd, in wien hij
bijzonder veel vertrouwen had.

En werkelijk, het gelukte dezen arts de koorts te bedwingen, zoodat
de kranke na eenige dagen kalm werd en kon slapen--zelfs begeerde hij
voor het eerst weer iets te eten, en zijn huisgenooten herademden na
deze lange, bange dagen. Toch ging er nog een geheele week voorbij,
voordat de zieke het bed mocht verlaten en hij voelde zich toen nog
zoo zwak, dat hij nauwelijks een voet kon verzetten.

Wat was dat edel, schoonbesneden gelaat smal en bleek geworden, en hoe
doorschijnend waren die vermagerde handen. Het kostte Vrouwe Agnes
moeite haar tranen te bedwingen, toen zij hem zoo in zijn stoel zag
zitten en haar hart voelde zich met innige, warme liefde getrokken
tot hem, wien zij haar teederste zorgen wijdde.

Deze trouwe toewijding deed den kranke goed en hij dankte God in stilte
voor deze ster in den donkeren nacht. Zijn krachten namen merkbaar
toe en tegen het eind van Augustus was hij in zooverre hersteld,
dat hij weer aan den arbeid kon gaan.

Naar lichaam en geest gesterkt, ging toch het werk slechts langzaam
van stapel.

Misschien was 't het onderwerp, dat hem niet genoeg wist te bezielen,
want een terechtstelling van vele duizenden op de afschuwelijkste
wijze was ook weinig verkwikkelijk! Het kwam er op aan door de
wonderen der kunst het afgrijselijke hiervan te bedekken; en zie,
hoemeer moeite de kunstenaar zich gaf, om dit doel te bereiken,
des te grooter werden ook zijn bezieling en scheppingskracht. Toch
ging de arbeid langzaam voort, omdat hij dikwijls ander schilder-
of teekenwerk onder handen nam; en toen hij de laatste hand er aan
legde, was er bijna een jaar voorbijgegaan.

De schepper van dit kunstwerk voelde zich bevredigd en verheugde
zich in den lof der kenners, die vooral de handigheid bewonderden,
waarmee de kunstenaar het oog tot de afzonderlijke groepen wist te
trekken, zoodat het vreeselijke van het geheel niet te veel de aandacht
trok. Op den voorgrond ziet men den koning met zijn gevolg in turksche
kleederdracht. Op het tweede plan staan palen opgericht, waaraan de
heiligen zijn gebonden; rechts daarvan gaan een menigte ontkleede
gevangenen een hoogte op, van waar de martelaars in den afgrond,
vol spiezen en stokken, worden geworpen. Links worstelen een aantal
bloedgetuigen aan het kruishout met den dood en daarnaast legt een
ander zijn hoofd op een blok, terwijl daar om heen een groote schare,
waaronder ook een bisschop, op hetzelfde lot wacht.

Terwijl nu iedereen het tentoongestelde stuk bewonderde, had Dürer
reeds een ander groot schilderij in zijn geest voorbereid, waartoe hij
zich nu met hart en ziel aan het werk zette. Hij had een bestelling
uit Frankfort gekregen om voor het altaar van den H. Thomas in de
kerk der Dominicanen een schilderij te leveren.

Den man, die het had besteld, had hij in Neurenberg persoonlijk
leeren kennen; het was de rijke lakenwever Jacob Heller, iemand,
die uit bijzonderen angst voor zijn zieleheil er op uit was om door
allerlei goede werken den duur van het verblijf in het vagevuur
te verkorten. Voor 130 Rijnsche guldens zou Dürer dit aan de kerk
beloofde altaarstuk schilderen. Dadelijk, nadat hij het voor den
keurvorst bestemde schilderij had voltooid, ging Dürer aan den
arbeid. Het zou een vleugelaltaarstuk worden: het middelste paneel,
dat ook het voornaamste was, moest de hemelvaart van Maria voorstellen,
de rechtervleugel den marteldood van Jacobus en de linker dien van
de H. Catharina.

Dürer was nog niet ver er mee gevolgd, toen hij zich verplicht
voelde om aan Heller, die reeds op spoed begon aan te dringen, te
schrijven, dat de schilderij zooveel tijd en zorg vereischte, dat
hij op een prijsverhooging tot 200 gulden, moest aandringen. Doch hij
beloofde daarbij, dat geen vreemde hand iets aan het middenstuk zou
schilderen. Heller, die hierin zijn koopmansgeest niet verloochende,
was hierover erg ontsticht; maar toen Dürer hem antwoordde, dat hij
het schilderij wilde houden, omdat hem honderd gulden meer daarvoor
was geboden, sloeg hij een anderen toon aan.

Niettegenstaande deze onaangenaamheden ging het werk goed en vlug
van de hand, en de bekwaamheid, die Hans bij zijn medewerking aan de
zijvleugels aan den dag legde, droeg er niet weinig toe bij om zijn
opgewektheid in dit kunstwerk te vermeerderen.

De winter ging voorbij; de lente kwam en tegen Paschen was
het middenste zoover gevorderd, dat er weinig meer aan ontbrak,
en nu reeds baarde het alom in de stad groot opzien. Dürer werd
meermalen door nieuwsgierigen gestoord; vele raadsheeren kwamen om
hem hun oprechte hulde aan te bieden en ook de vreemdelingen, die te
Neurenberg kwamen, verzuimden niet om hem op te zoeken. Sommigen boden
hem groote sommen en wilden met alle geweld het schilderij bemachtigen,
waardoor duidelijker dan ooit bleek, hoe hoog de Neurenberger meester
ook in den vreemde stond aangeschreven. Op den derden Paaschdag
verzamelde zich in alle kerken der stad het volk om de mis van den
Heiligen Geest te hooren; na het einde van het koorgezang vermaanden
de priesters de menigte tot bidden en werd God aangeroepen om Zijn
zegen te geven over hetgeen op het raadhuis zou geschieden, opdat
daar tot regenten zouden worden gekozen mannen, die aan wijsheid en
verstand ook godsvrucht paarden.

Na het einde van den dienst werd de klok van het raadhuis geluid en
kwamen de raadsheeren bijeen voor hun gewichtige taak, waarvan de
uitslag den volgenden dag aan de burgerij zou worden meegedeeld.

Bij het vallen van den avond ging Albrecht Dürer, gekleed in
zijn kostbaren, met marterbont omzoomden mantel, met zijn vrouw,
die eveneens in feestgewaad was gehuld, uit in de richting van de
Thiergärtnerpoort, om daar het groote huis, over welks aankoop Dürer
met den eigenaar in onderhandeling was, nog eens nauwkeurig te gaan
opnemen. Het was het hoekhuis in de Zistelstraat met het front naar
het oosten.

Op het oogenblik dat het echtpaar naar buiten trad, kwam de heer
Imhoff, het hoofd van een der aanzienlijkste Neurenbergsche families,
haastig op hen toegeloopen en stak hun beide handen toe. Zijn gelaat,
dat gewoonlijk zulk een ernstige en barsche uitdrukking had, zag er
nu bijzonder gelukkig en tevreden uit.

"Wees gegroet, waarde Meester en ook gij, geachte Vrouwe! Ziet,
met welk een gouden gloed de zon den hemel kleurt, als wilde zij een
schoonen dag met een schoon besluit kronen. Zij ziet er zoo tevreden
uit, alsof zij zich verblijdt over de stad Neurenberg, die zich heden
van een eereschuld heeft gekweten. Houdt u maar goed." Daarop ging
hij verder.

Dürer zag hem verbaasd na en mompelde voor zich heen: "Wat scheelt
dien man? Wat kan er toch gebeurd zijn?"

Terwijl zij daar nog stonden, kwam er weder een heer met groote
stappen op hen aan; het was Wilibald Pirkheimer. Ook zijn gelaat had
een vreemde expressie, ook zijn oogen schitterden en op zijn vriend
losstormend, trok hij hem mee naar binnen in het voorhuis en viel
hem om den hals met de woorden: "Geluk gewenscht, heer collega!"

Nu werd Dürers verwarring nog grooter: "Wat is er toch gebeurd? Eerst
doet de heer Imhoff zoo wonderlijk en zegt onbegrijpelijke dingen
en nu doet gij nog veel dwazer! Kunt gij, beiden, dan geen goed
verstaanbare taal meer spreken?"

Vroolijk klopte Pirkheimer zijn vriend op den schouder. "Alles op
zijn tijd, zegt koning Salomo. Laten wij vandaag maar eens dwaas zijn,
morgen is het weer tijd om verstandig te praten. Houdt u maar goed!"

Met deze woorden ging ook hij verder.

Dürer bleef nog een oogenblik met zijn vrouw in het voorhuis, alsof
hij nog een derden dwaas verwachtte; daarop gingen zij samen uit en
vergaten spoedig dit wonderlijke geval, toen zij aan het doel van
hun wandeling dachten.

"Ik verheug mij hartelijk op den dag, waarop wij onze nieuwe woning
zullen kunnen betrekken," sprak Dürer. "Want hoewel wij meer ruimte
hebben gekregen sinds vader is heengegaan, is het oude huis toch
wel wat klein. God zij gedankt, dat Hij ons zoo heeft gezegend,
voornamelijk door hetgeen ik in het buitenland heb verdiend, dat
ik twee jaar geleden, de schuld, die op ons huis rustte, heb kunnen
aflossen!"

"Ja, het was wel klein, ons oude huis," zei Vrouwe Agnes, "maar het
waren toch gelukkige jaren, die wij daarin doorbrachten. Moge de Heer
ons even rijkelijk zegenen in onze nieuwe woning!"--

Het was een statig gebouw, het huis op den hoek der Zistelstraat,
met den voorgevel naar het ruime plein gericht. De vorige eigenaar,
de sterrekundige Bernhard Walter was gestorven en nu wilden zijn
erfgenamen het huis verkoopen en de opbrengst onder elkaar verdeelen.

Dürer werd het voorloopig eens met den zaakgelastigde, nadat hij
het huis nog eens nauwkeurig had bezichtigd en keerde daarna met
zijn vrouw in de beste stemming huiswaarts. Den volgenden morgen
werd de uitslag van de raadsverkiezing openbaar gemaakt. Kort daarop
begaven zich de beide heeren, die de hoogste betrekking in den raad
bekleedden naar de woning van Albrecht Dürer, juist op het oogenblik,
dat hij naar zijn werkplaats was gegaan. Zij kwamen om den meester,
die nu eensklaps vermoedde, wat er den vorigen dag was gebeurd,
mee te deelen, dat de stad Neurenberg niet wilde, dat men haar kon
verwijten een harer burgers de eer te onthouden, die hem toekwam en
dat men daarom meester Dürer, wiens roem wijd en zijd was verbreid,
tot raadslid had verkozen.

Blozend als een jonkvrouw stond daar de meester, die op deze wijze werd
gehuldigd en hij vond in zijn verwarring slechts enkele onsamenhangende
woorden van dank. Maar toen de heeren weg waren, viel Agnes, die alles
had gehoord, haar echtgenoot om den hals, drukte hem tegen zich aan
en omhelsde hem met tranen in de oogen, terwijl zij fluisterde:

"Uw vreugde is mijn vreugde, uw eer is mijn eer!"

Albrecht Dürers hart begeerde geen ijdele eer, maar de vriendschap
en hartelijkheid, die men hem zoo duidelijk met deze verkiezing had
bewezen, deden hem goed en waren een nieuwe spoorslag voor zijn
scheppend genie. Het schilderij, voor Frankfort bestemd, naderde
zijn voltooiing; nog eenmaal werd zijn arbeid onderbroken door de
verhuizing in Juni naar het huis bij de Thiergärtnerpoort--toen was
het klaar en kon Dürer zijn monogram er onder zetten.

Hij voelde zich gelukkig door deze nieuwe schepping, die hem innig lief
was en waarvan hij met moeite scheidde. Bezield met teedere bezorgdheid
voor zijn werk, zette hij zich neder om een brief er bij te schrijven:

"Mijn eerbiedige groetenis, zeer waarde en hooggeachte Heer Heller!

"Nu is de geduldsproef, waartoe ik u heb moeten dwingen, geëindigd en
ontvangt gij het door u bestelde schilderij. Het doet mij genoegen,
dat Frankfort de plaats van bestemming is; er is geen plaats in
Duitschland, waar ik het liever zou zien. Het is geschilderd met
de beste verven, die ik heb kunnen bemachtigen, en is met goede
ultramarijn over- en opgeschilderd, wel vijf of zesmaal, en toen het
klaar was, heb ik het nog tweemaal overgeschilderd, opdat het lang
goed zou blijven. Indien gij het goed rein houdt, ben ik overtuigd,
dat het vijfhonderd jaar kleur houdt, want het is op andere wijze,
dan waarop men het gewoonlijk doet, geschilderd. Zorg er dus voor,
dat het schoon wordt gehouden, dat men het niet aanraakt en het
niet met wij water besprenkelt. Over twee of drie jaar kom ik zelf,
om het op bijzondere wijze te vernissen, dat verzekert haar duur
nog wel honderd jaar langer. Ik verzoek u dringend, dat gij niemand
toestaat om het te vernissen, want het zou mij zeer spijten, dat
een werk, waaraan ik langer dan een jaar heb gearbeid, daardoor werd
bedorven. En wees zelf bij de plaatsing tegenwoordig, opdat het stuk
niet worde beschadigd, terwijl ik u vriendelijk verzoek er voortdurend
op te blijven letten." [21]

Geheel Frankfort verdrong zich naar de Dominicanerkerk, toen het
in de stad bekend werd, dat de schilderij, die door Jacob Heller
was geschonken, was aangekomen en op het altaar van den H. Thomas
prijkte! Iedereen was vol geestdrift, vooral de gever zelf, die bij
den bedongen prijs nog een kostbaar gouden sieraad voor Vrouwe Agnes
voegde. Dürer had in zijn "leven van Maria," hetzelfde onderwerp
behandeld, maar welk een ontzettend groot verschil tusschen de
kleine, zwarte houtsnede en het groote, van kleuren schitterende
altaarstuk! In Italië verkondigde het Rozenkransfeest des meesters
roem, maar op vaderlandschen bodem sprak dit tweede werk nog luider,
want de schilderij te Frankfort overtrof die van Venetië door de
levendige actie van alle figuren en de groote zuiverheid der teekening.

In een kring staan de apostelen geschaard om het geopende
graf van Maria, met een uitgestrekt, heerlijk landschap op den
achtergrond. Johannes in het wit gekleed, buigt zich over de groeve,
waarin hij staart. Rondom het graf staan sommige der apostelen, andere
liggen geknield en allen heffen het gelaat hemelwaarts. De met groote
zorg afgewerkte schilderachtige drapeering hunner gewaden, wedijvert
in schoonheid met de fijn gevoelde kleurschakeering, die elk oog,
ook het minst ontwikkelde, in verrukking moet brengen. Boven in de
wolken des hemels zweeft Maria, die ten hemel vaart; zij heeft een
blauw gewaad aan en een witte sluier omgeeft haar. Aan weerszijden
houden God, de Vader, en Christus, de Zoon, de kroon des levens boven
haar hoofd. God is voorgesteld als een vriendelijke grijsaard in goud
en geelbruin kleed en Christus in purper gewaad als een overwinnaar
en als de Rechter der wereld. Boven deze groep verschijnt in hellen
lichtglans de H. Geest in den vorm eener duif, terwijl rondom een
koor van engelen hun halleluja's met harpspel begeleiden.

Dit is het middenstuk van het altaarschilderij, het hoofdmotief van
het geheel. De twee zijvleugels, het martelaarschap van Jacobus en
van de H. Catherina voorstellend, en met de beeltenissen van den gever
Jacob Heller en van zijn vrouw Catherina von Mehlen versierd, stonden,
hoe voortreffelijk ook van teekening, in de uitvoering achter bij
het middenvak. Zij waren dan ook slechts als bijwerk bedoeld, maar
juist daardoor waren zij geschikt om het effect van het voornaamste
gedeelte te verhoogen.



Terwijl geheel Frankfort nog in verrukking was over het meesterstuk
van den Neurenberger kunstenaar en hem luide prees, was diens hand
alweer bezig aan een nieuw, groot werk. Een Neurenbergsche burger
had hem een altaarschilderij besteld voor de kapel van het door
hem opgerichte Twaalfbroedershuis. En met waar genot greep Dürer
deze gelegenheid aan om zijn geboorteplaats metterdaad zijn dank te
bewijzen voor de eer hem aangedaan, om hem tot raadslid te verkiezen
en nu een kunstwerk te scheppen, dat al de vorige nog zou overtreffen.

Wel had hij zich voorgenomen geen groote paneelschilderingen meer
te leveren, omdat de geringe sommen, die men er voor betaalde,
tijd en moeite niet beloonden en hij daardoor weldra in geldelijke
moeilijkheden zou komen; daarom was hij van plan in het vervolg
voornamelijk zijn kunst in houtsneden, kopergravuren en etsen te
geven, op welk gebied hij nieuwe vorderingen en ontdekkingen had
gemaakt. Maar het was hem, om den genoemden reden, onmogelijk de
opdracht van meester Mattheus Landauer te weigeren en daarom besloot
hij zijn minder omvangrijken arbeid voor de avonduren te houden,
hoewel dat bij het walmende kaarslicht zeer inspannend moest zijn. Door
den vurigen wensch om zijn geboorteplaats het beste, wat hij had, te
geven, kreeg zijn geest nieuwe gedachten en ontving zijn genie nieuwe
openbaringen. En had hij reeds zijn uiterste zorg aan het Frankfortsche
schilderij besteed, hier steeg die tot in het overdrevene.

Reeds de vorm van het werk was nieuw. Het was geen vleugelaltaarstuk,
maar een enkel paneel met een lijst, die de kunstenaar zelf had
ontworpen en gemodelleerd. Dit bouwkunstig prachtwerk was uit
hout gesneden en op zich zelf een meesterstuk. Op het vak in het
ronde bovenstuk der lijst zit de Heiland, als Rechter der wereld,
tusschen Johannes en Maria, terwijl op de beide hoeken twee engelen
de bazuinen van het jongste gericht blazen. Daaronder op de fries ziet
men het oordeel der wereld afgebeeld, de scheiding tusschen boozen en
goeden. Dit bovenstuk wordt gedragen door twee Corinthische zuilen,
met bewonderenswaardige fijnheid uitgevoerd.

Dürer had voor de schilderij, die in deze heerlijke omlijsting zou
worden gevat, hetzelfde onderwerp gekozen als Rafael terzelfde tijd
te Rome, namelijk: de aanbidding der H. Drievuldigheid. Doch welk
een verschil tusschen zijn opvatting en die van den Italiaan! Rafael
schilderde voor de aanzienlijken en geleerden; Dürer voor allen,
die met een beangst en verslagen hart troost bij den Heer zoeken;
hij beoogde niet aesthetisch genot, maar wilde door zijn werk het
gebroken hart genezen en bemoedigen en leverde dus dat, wat een
waar altaarstuk moet zijn: een prediking in kleuren, een troost voor
vermoeiden en belasten.

En hoe goed was hem nu zijn prediking gelukt! Er lag een gouden
gloed, als ochtendzonneschijn in Mei op de schepping, over het
geheel verspreid. Alles schijnt bovenaardsch, het is alsof men
niet met tastbare verf te doen heeft, maar alsof het een hemelsch
luchtbeeld is. En de groepeering van het geheel! Het oog wordt niet
getrokken door afzonderlijke deelen, maar het kan het geheel met één
blik omvatten, zooveel harmonie is er in de rangschikking, zooveel
eenheid in de stemming, die er in ligt uitgesproken! En nu de wemelende
menigte der zaligen des hemels, die de H. Drievuldigheid aanbidden,
evenals de Christengemeente op aarde, van den paus en den keizer af
tot den landman met zijn dorschvleugel toe--hoe weerspiegelt op al
die verschillende gezichten dit eene gevoel, dat aller hart bezielt,
de jubel van het schepsel over de teweeggebrachte verlossing! En
eindelijk, hoe eigenaardig is de opvatting en het weergeven van het
goddelijk geheim der Drievuldigheid: God, de vader, boven wiens hoofd
de H. Geest in de gestalte van een duif zweeft in stralenden glans,
houdt naar beneden de groote, zalige verborgenheid; het bloedende en
stervende Lam Gods aan het kruis genageld!

Deze schilderij maakte een overweldigenden indruk. Behalve de
stadgenooten kwamen ook vele vreemdelingen om dit hooggeprezen wonder
van menschelijke kunst met eigen oogen te zien, en met diepgevoelde
voldoening en vrome dankbaarheid jegens God, die hem deze heerlijke
gave had verleend, zag de meester op het gelaat der beschouwers dat
wat hij had begeerd te voorschijn te roepen, weerspiegeld: vroomheid
en aanbidding.



HOOFDSTUK XX.

SCHILDER EN DICHTER.


"Wie was dat toch, die van morgen vroeg zoo lang bij u in de
werkplaats is geweest?" vraagde Vrouwe Agnes op zekeren dag aan haar
echtgenoot. "Hij zag er zoo voornaam uit."

"Ja, daarin hebt gij gelijk," antwoordde Dürer, "het was Ulrich Fugger,
een man uit een der oudste en rijkste families van Augsburg. Hij is
eerst naar de Allerheiligenkapel gegaan om het schilderij te zien en
daarna is hij bij mij gekomen om te vragen, of ik voor hem ook zulk
een stuk wil schilderen."

Vrouwe Agnes kon haar ontsteltenis niet verbergen en vraagde snel:
"En hebt gij het beloofd? Gij kunt zoo moeilijk iemand iets weigeren."

Glimlachend legde Dürer zijn hand op haar arm. "Wees niet bezorgd;
dezen keer is uw man niet zwak geweest. Die heer uit Augsburg heeft
getracht mij te vangen, door mij den grootst mogelijken lof toe te
zwaaien, maar ik heb dapper weerstand geboden, want ik ben vast
besloten geen groote paneelschilderingen meer te maken, daar zij
slecht worden betaald en mij dikwijls ook nog ergernis en verdriet
berokkenen."

"Heeft Bisschop Johan van Breslau nu eindelijk zijn schuld
afgedaan?" vraagde Catherina, de zuster van Vrouwe Agnes, die er bij
tegenwoordig was. "Ik herinner mij, dat gij u beklaagdet, omdat hij
steeds uitstelde het mooie schilderij van Maria, dat hij bij u kocht,
te betalen."

"Eindelijk, na drie jaar," antwoordde Dürer, "is hij er toe overgegaan
om mij te betalen en het zou toen zeker nog niet zijn gebeurd, als
zijn geheimschrijver, Johannes Hessus, een Neurenberger, mij niet
had geholpen. Hij schreef mij, dat de bisschop zich volstrekt niet
meer herinnerde voor welken prijs wij het eens waren geworden. En
daarom wil ik met die aanzienlijke heeren niets meer te maken hebben
en mij weer meer gaan bekommeren om het volk, waaraan ik mij in de
laatste jaren te weinig heb laten gelegen liggen. Met dat doel voor
oogen wil ik mijn teekeningen uit de Openbaring van Johannes op nieuw
uitgeven; en ook andere houtsneden en kopergravuren, waarvan ik het
meerendeel reeds sinds lang klaar heb, met nieuwe platen vermeerderen,
zooals het leven van Maria, en de groote en kleine Passie, de eerste
op koper gegraveerd en de laatste als houtsneden. Het leven van
Maria telt nu twintig teekeningen; de groote Passie twaalf en de
kleine zevenendertig. Daarmee geloof ik het Duitsche volk beter
van dienst te kunnen zijn dan met mijn groote altaarschilderijen
en het is tegelijkertijd voordeeliger voor het onderhoud van mijn
gezin.--Maar nu heb ik nog een bijzonder plan in mijn hoofd: ik wilde
de teekeningen niet als losse bladen uitgeven, maar bij elkaar gebonden
in een boek en voorzien van bijschriften, opdat de minst ontwikkelde
hun beteekenis en doel zouden kunnen begrijpen. Mijn goede vriend,
Pater Chelidonius van de Benedictijnen is mij daarin behulpzaam en
heeft mooie versregels daarvoor gemaakt, die bij elke teekening van
de groote en kleine Passie zullen worden gedrukt. Op die wijze zullen
het meditatieboeken worden ter bevordering van het zieleheil.--En nog
iets anders wil ik u vertellen, beste Catherina, als gij het ten minste
niet reeds door Agnes hebt gehoord: Anton Koburger, mijn peter, zal
mij helpen aan een drukpers, die ik in mijn eigen huis wil opstellen,
dan kan ik mijn werk zelf afdrukken. Hans en een der gezellen kunnen
mij daarbij helpen, dan kunnen zij zich ook in die kunst oefenen."

Er werd op de deur geklopt en er trad een monnik binnen in de
kleederdracht der Benedictijnen.

"Lupus in fabula!" riep Dürer vroolijk en hij reikte zijn vriend
de hand.

"Daar juist sprak ik van u en nu staat gij in levende lijve voor
mij! Wees hartelijk welkom!"

De pater zette zich aan de tafel en haalde een rol papier uit zijn
pij te voorschijn:

"Zie eens, Meester, of gij over mijn werk tevreden zijt. Het eerste
boekje is nu klaar; aan het andere wilde ik niet beginnen, voordat
ik uw oordeel had gehoord."

Dürer nam het papier en las eenige oogenblikken in stilte, daarop
reikte hij over de tafel den monnik de hand. "Gij hebt mij begrepen,
zoo heb ik het bedoeld. Ga maar op deze wijze voort, dan zullen mijn
teekeningen ingang vinden bij het volk en goed worden begrepen.--Gij
zijt een uitstekend poëet, beste Chelidonius! Ik zal uw verzen aan mijn
vriend Pirkheimer laten lezen, hij zal zeker daarmee zijn ingenomen."

De meid bracht op een wenk van Vrouwe Agnes een kan wijn binnen
en de vrouw des huizes vulde de kleine, tinnen kroezen met het
druivensap. Toen kwamen allen in de beste stemming, vooral meester
Dürer, die het gezelschap aangenaam onderhield met te vertellen, wat
hem in Venetië was overkomen. Maar eensklaps liet hij dit onderwerp
varen en zich tot den monnik keerend, zei hij: "Ook ik ben eenige
jaren geleden begonnen mij in uw kunst te oefenen en heb het gewaagd
versregels aan elkaar te lijmen."

Verbaasd keek de pater hem aan. "Zijn dan de Muzen zoo mild geweest
om u alle gaven in den schoot te werpen?"

Dürer moest lachen. "Wees niet te voorbarig met uw lof; ik ben al
genoeg bestraft, omdat ik mij op vreemd terrein heb gewaagd, vooral
door mijn vriend Pirkheimer. 't Is nu twee jaar geleden, dat ik mijn
eerste rijmpjes heb gemaakt. Het waren slechts twee regels en ik
had goed geteld, de eene had evenveel lettergrepen als de andere,
en daarom dacht ik, dat het goed was, het versje was als volgt:


    Gij aller englen spiegel en Verlosser van de zonden.
    Om mij hebt gij zulk bitter lijden en den dood gevonden.


"Toen ik dit aan mijn vriend Pirkheimer liet zien, lachte hij mij uit
en zei, dat elke regel niet meer dan vier voeten of acht lettergrepen
mocht hebben. Daaraan gedachtig, ging ik dadelijk weer aan het werk
en rijmde achttien regels bij elkaar, waarin ik God vraagde om de
acht gaven der wijsheid.

"Het begon zoo:


              Bidt om der wijsheid gaven acht,
              God geen naarstig bidder veracht.
            Met recht wordt een man wijs genoemd,
            Die niet op geld of armoe roemt.


"En zoo ging het door. Nu meende ik zeker te kunnen zijn van de
goedkeuring van den hooggeleerden heer Pirkheimer, maar ik vergiste
mij: hij begon weer dadelijk te spotten en te vitten. Ik dacht dat hij
mij die kunst misgunde en ging daarom naar den heer Lazarus Spengler,
den Secretaris der stad, daar hoopte ik een zachter en rechtvaardiger
oordeel te vinden. Maar ook die verwachting werd bedrogen, want hij
wroette in mijn verzen als een everzwijn in een wijnberg en zond
mij de totaal veranderde verzen weer terug met een spotdicht er bij,
waarvan ik mij het begin nog heel goed herinner:


            Ofschoon men vaak door vele lieden
            De vreemdste dingen ziet geschieden,
              Waarover men verbaasd moet staan,
              Zoo wil ik u iets zeggen gaan,
            Dat uwe lachlust op zal wekken
            En u tot groot vermaak zal strekken.
              En daarom zeg ik: luister dan!
              Gij, allen, kent gewis een man
            Met langen baard en krullend haar,
            Een nooit volprezen kunstenaar
              Met teekenstift en met penseel,
              Aan roem en eer heeft hij ruim deel,
            In ieders achting hoog gerezen!
            En daar hij schrijven kan en lezen,
              Is hij zich waarlijk gaan verbeelden:
              In woord en rijm iets af te beelden
            Speelt hij ook, als een dichter, klaar,
            Nu rijmt hij verzen bij elkaar.
              Maar hoe hij rijmt, het gaat niet vlot!
              En 'k vrees gewis, dat aan het slot
              Hem wacht des schoenenmakerslot.


"En dan wordt er verder verhaald van een schoenmaker, die een
schilderij bekijkt, dat door een schilder in de zon was geplaatst om te
drogen en die tot den kunstenaar zegt, dat de schoenen die hij heeft
geschilderd niet goed zijn. Daarop verbetert de schilder de fout,
die hem wordt aangewezen en zet het stuk weer in de zon. Nu waagt
de schoenmaker in zijn overmoed ook aanmerkingen op de plooien in de
kleederen te maken--maar daarover wordt de schilder boos en vraagt,
of hij zich verbeeldt ook kleermaker te zijn en hij roept hem toe:
schoenmaker, blijf bij uw leest! En na dit verhaal besluit de heer
Spengler zijn gedicht aldus:


            Ik zeg daarom tot dezen man,
            Die zoo voortreflijk schildren kan:
              Laat mij u raden, blijf daarbij,
              Dan ducht gij geene spotternij."


"Hoe onaardig van hem; ik had zoo iets in het geheel niet van den
heer Spengler verwacht," riep Catherina uit en juist wilde Vrouwe
Agnes in den zelfden geest lucht geven aan haar verontwaardiging,
toen Dürer, hartelijk lachende, vervolgde:

"Wees maar niet boos op hem, ik heb het hem betaald gezet, want
terstond heb ik de pen weer opgenomen en hem het volgende hekeldicht
gezonden:


            't Is wetenswaardig wel gewis,
            Dat in Neurenberg een schrijver is,
              Die zich zelf vindt een kranig man,
              Omdat hij missiven schrijven kan.


"En daarop heb ik hem ruim zijn deel gegeven en hem bij een notaris
vergeleken, die maar één enkel formulier voor zijn akten er op
nahoudt en zich daardoor de spotternij der menschen op den hals
heeft gehaald. Daarna heb ik hem nog meer getrotseerd en gezegd,
dat ik niet alleen verzen wilde schrijven, maar mij ook met de
artsenijkunde zou gaan bemoeien en tegelijkertijd heb ik allerlei
recepten van schilderspreperaten voor hem opgeschreven en ben op deze
wijze geëindigd:


            En al lacht die schrijver nog zoo luid,
            Met dichten scheid ik toch niet uit;
              Dat zegt die gebaarde, langharige schilder
              Tot den spotlustigen schrijver."


Er was wel een beetje angst in de vragende blikken, die zich daarop
op den spreker richten en Catherina vraagde haastig: "En hoe heeft
de heer Spengler die woorden opgenomen?"

"Juist zooals zij waren bedoeld," antwoordde Dürer glimlachend:
"als een grap en we zijn altijd goede vrienden gebleven. Pirkheimer
is later ook tot andere gedachten gekomen; toen hij zag, dat het
mij ernst was om mij op de dichtkunst toe te leggen, heeft hij mij
geholpen om den vorm mijner verzen mooier en sierlijker te maken. En
nu zal ik u ook maar vertellen, dat ik een heele verzameling verzen,
die niemand ooit heeft gelezen, in mijn cassette heb, maar die weldra
het licht zullen zien tegelijk met de teekeningen, die ik er bij heb
gemaakt tot nut en leering van het volk."

Men drong er op aan, dat Dürer ze voor den dag zou halen, maar hij
bleef weigeren. "Hebt een weinig geduld--als ik mijn drukpers heb
en zelf drukker ben geworden, dan moogt gij zoowel de dichtregels
als de platen zien."--En werkelijk werden de rijmspreuken met de
daarbij behoorende houtsneden na eenigen tijd uitgegeven--het waren
vlugschriften, die veel goeds stichtten.

Maar het volk ontving met nog meer vreugde de andere teekeningen,
die Dürer op zijn drukpers had afgedrukt en de wereld ingezonden;
vooral oefende de groote en de kleine Passie een machtigen invloed
uit en predikten de lijdensgeschiedenis op betere wijze dan eenig
priester het van den kansel deed.



HOOFDSTUK XXI.

KUNSTENAAR EN KEIZER.


Op een Januaridag van het jaar 1512 heerschte er groote bedrijvigheid
in Pirkheimers huis. De meiden en de kok waren druk bezig in de keuken
en de heerlijke geur, die zich van daar uit verspreidde, verried, dat
er uitgezochte spijzen werden toebereid. Evenveel drukte heerschte er
in den wijnkelder, terwijl vier bedienden in de groote zaal de tafel
dekten. De heer des huizes was weder voornemens eenige gasten aan den
maaltijd te vereenigen, een gewoonte, die hij had aangenomen sinds
zijn vrouw was overleden en hij zich eenzaam en verlaten gevoelde.

Gewoonlijk was het aantal genoodigden niet groot, maar daarom
des te meer uitgezocht. Hij verzamelde aan zijn tafel mannen, die
hoog stonden op geestelijk gebied en met wie deze wetenschappelijk
uitstekend ontwikkelde, fijngevoelende en voor het schoone bezielde
man, naar hartelust kon redeneeren.

Meester Dürer was altijd de eerste, die een uitnoodiging kreeg, want
de vriendschapsbanden, die de beide mannen vereenigden, waren met de
jaren nog vaster geworden. Het was opmerkenswaardig, dat Pirkheimer,
die door zijn trots, zijn onverbiddelijkheid en heftigheid zich vele
vijanden maakte en zich in den raad nooit bijzonder bemind had weten
te maken, ja, zich zelfs de haat van velen op den hals had gehaald,
met Albrecht Dürer steeds in de hartelijkste verhouding leefde;
nooit zweefde er een wolkje aan den hemel hunner vriendschap.

Pirkheimer stond voor het venster te wachten op den bediende, dien
hij naar de Tiergärtnerstraat had gezonden om zijn vriend dringend
te verzoeken, de weigering op zijn uitnoodiging in te trekken. Het
was de eerste maal dat Dürer zich had laten verontschuldigen.

Eindelijk kwam de knecht terug, doch hij bracht hetzelfde antwoord
mede: Meester Dürer was zoo overstelpt met werk, dat hij zich het
genoegen om te komen moest ontzeggen.

Pirkheimer vernam met leedwezen deze boodschap en hij had nu maar
half pleizier in den maaltijd.

Dürer had het werkelijk overdruk. De raad had hem de eervolle
opdracht gedaan, om de zaal, waar de rijkskleinoodiën. gedurende
de tentoonstelling te zien waren, te versieren met twee levensgroote
portretten van Karel den Groote en van Keizer Sigismund, den souverein,
die Neurenberg had uitverkoren tot bewaarplaats dezer schatten.

Reeds lang was Dürer bezig aan de voorbereidende studies voor deze
schilderijen, toen in het begin van het jaar 1512 het bericht kwam,
dat keizer Maximiliaan van plan was in het voorjaar zijn intocht te
Neurenberg te houden, en eenigen tijd binnen de muren zijner trouwe
Rijksstad te vertoeven.

Om nu tegen dien tijd klaar te kunnen zijn, werkte Dürer van den
vroegen morgen tot den laten avond en met zooveel haast, dat zijn
vrouw zich ongerust over hem maakte, want zijn wangen werden steeds
bleeker, spijs en drank smaakten hem niet en een zenuwachtige onrust
beletten hem 's nachts het slapen.

In het laatst van Januari was het portret van Keizer Sigismund
een goed eind op streek, maar toch nog niet geheel af. Hij had het
gelaat, om het zoo getrouw mogelijk naar waarheid weer te geven,
naar een wapenzegel geschilderd, wat evenwel niet voordeelig voor het
portret was, want de lange, spitse neus was niet bepaald bekoorlijk te
noemen. Voor 't overige was Keizer Sigismund ook slechts als bijfiguur
bedoeld en eischte daarom een minder zorgvuldige uitvoering; al zijn
krachten wilde de kunstenaar besteden aan het hoofdfiguur, den grooten
Karel, wiens gestalte nog slechts in schets was ontworpen en waaraan
Sebaldus Beham, zijn nieuwe gezel, hem volstrekt niet behulpzaam
mocht zijn.

Daar kwam op eens het bericht, dat de keizer reeds den 4den Februari
zou komen en dus was alle haast en overijling te vergeefs geweest
en teleurgesteld legde Dürer de penseelen terzijde om zich en zijn
huis voor de komst des keizers gereed te maken, want zelfs in het
kleinste straatje werden de woningen feestelijk versierd. Het was
inderdaad verwonderlijk, hoe op eenmaal te midden van de sneeuw de
straten in groenen voorjaarsdos pronkten, waartoe men het Lorenzer-
en Sebalderwoud had geplunderd.

Natuurlijk waren die straten, waarlangs de keizer zijn intocht
zou houden, het fraaist versierd: van de Spittlerpoort door de
Smidstraat naar het plein, waarop de St. Jacobskerk stond, vandaar
naar de Koornmarkt en over de Vleeschbrug naar de Heerenmarkt, en dan
over de Visch- en Zoutmarkt naar de Veste. De poort was geheel met
dennengroen versierd en van het bovenste gedeelte wapperden bonte
vlaggen en wimpels en daarmee wedijverden alle huizen en kerken,
langs welker steile gevels het groen zich als klimop naar boven
slingerde. Het schoonst van alles was de eerepoort bij de Veste, op
welker gevel sierlijke godenbeelden het keizerlijke wapen vasthielden,
waarboven de keizerlijke vlag met den adelaar zich trotsch verhief.

Van hier tot aan de Spittlerpoort hadden de gilden in vol ornaat en
de vertegenwoordigers der aanzienlijke families post gevat, terwijl
al de leden van den raad voor de poort den keizer opwachtten.

Om negen uur in den morgen zag men in de verte de voorhoede van den
keizerlijken stoet aangekomen en dadelijk begonnen al de klokken te
luiden en weerklonk het geknal der donderbussen en het geschal der
trompetten van de stadshoornblazers om aan het volk in de stad te
verkondigen: Hij is in aantocht!

Maar nadat de voorste ruiters de poort waren binnengereden, duurde het
nog geruimen tijd, voordat de keizerlijke Heer zelf verscheen. Daar
kwam hij! Een zwarte hengst droeg de hoog opgerichte gestalte, een
echt ridderfiguur,--zijn oogen zagen trotsch om zich heen, doch zijn
mond glimlachte minzaam.

Bij de poort hield hij zijn paard in om den welkomstgroet van den raad
te ontvangen, daarop bewoog zich de stoet, na enkele woorden van dank,
onder het eindeloos gejubel van het volk, dat zich gedeeltelijk ook
plaats had verschaft op de daken, door de verschillende straten naar
de Veste, waar Zijn Majesteit verblijf zou houden.

's Middags verscheen Keizer Maximiliaan met zijn gevolg op het
raadhuis, waar in de groote zaal een feestmaal was gereed gemaakt,
en het behaagde hem daar te blijven tot laat in den avond.



Den volgenden morgen zag men een statigen man, met een edel, bezield,
fijnbesneden gelaat van de Veste komen. Het was Johannes Stabius,
Zijner Majesteits Kroniekschrijver en vertrouwd raadgever, een door
en door geleerd man, die ook groote mathematische kundigheden bezat
en als dichter veel lauweren had verworven. Hij richtte zijn schreden
westwaarts, naar het plein bij de Tiergärtnerpoort en liet op Dürers
huisdeur den klopper driemaal vallen.

De meester, die hem had zien aankomen, snelde de trap af en deed zelf
de deur voor hem open.

Beide mannen vestigden een onderzoekenden blik op elkaar en op elks
gelaat was de achting, die de een den ander inboezemde, te lezen.

De gezant des Keizers gaf zijn innige vreugde te kennen, dat het hem
nu vergund was, kennis te maken, met een man, wiens roem wijd en zijd
was verbreid en meester Dürer, wederkeerig, boog eerbiedig voor hem,
wien het was vergund zich in den zonneschijn van 's Keizers gunst
te koesteren.

Stabius verzocht meester Dürer, die hem uitnoodigde in de pronkkamer
te gaan, hem naar zijn werkplaats te brengen en nadat hij over het
daar aanwezige schilderwerk zijn groote bewondering had uitgesproken,
nam hij naast den meester plaats en deelde hem mee, dat hij niet alleen
was gekomen om den alom gevierden kunstenaar te zien, maar ook op bevel
van Zijn Majesteit, uit wiens naam hij hem een opdracht kwam doen.

"Waarschijnlijk weet gij, waarde meester, dat de keizer zich met vlijt
en ijver op kunsten en wetenschappen toelegt en hoe ingenomen hij is
met alles, wat den geest ontwikkelt en het hart verheft. Menig dichter
en kunstenaar heeft hij den spoorslag gegeven tot nieuwe scheppingen
en zelf hen daartoe in de gelegenheid gesteld. Nu heeft hij een plan,
dat moet dienen tot zijn eigen verheerlijking: er moet een kunstwerk,
dat alle andere van dezen aard in pracht en grootte moet overtreffen,
worden geleverd. Zelf heeft hij het "den Triomf" genoemd en hij wil,
dat het in twee werken wordt uitgevoerd; het eerste moet een eerepoort
en het tweede een triomftocht voorstellen. En u heeft hij uitgekozen
om het kunstwerk te volbrengen, waarde Meester Dürer--daarom vraag
ik u nu, of gij daartoe geneigd zijt." Dürer boog eerbiedig en drukte
zijn dankbaarheid uit over de eer hem bewezen. Daarna vraagde hij op
welke wijze en in welken vorm zijn keizerlijke Majesteit het kunstwerk
wenschte uitgevoerd.

"De keizer wil, dat gij er een houtsnede van maakt," antwoordde
Stabius, "en de oppervlakte moet ongeveer tien voet in de hoogte en
negen in de breedte bedragen."

In zijn hart was Dürer ontsteld, toen hij dit hoorde. In der
haast berekende hij, dat daartoe tachtig of negentig stukken hout
(beukenhout), die aan elkaar moesten worden gevoegd, noodig zouden
zijn. Doch juist dit moeilijke van de opdracht had een bijzondere
bekoring voor hem, en daarom herhaalde hij zijn bereidwilligheid om
aan 's keizers wensch te voldoen. Stabius drukte hem hartelijk de
hand en bleef nu nog eenigen tijd.

De beide mannen waren spoedig in een gesprek verdiept en Dürer leerde
in Stabius iemand kennen, die een scherp verstand en uitgebreide
kennis bezat, vol geestdrift voor en verstand van de kunst, met wien
het een waar genot was om te praten. Den volgenden avond verscheen
Stabius weder en zoo ging het al de volgende dagen, zoo lang de keizer
in Neurenberg vertoefde; en er ontstond tusschen den geleerde en den
kunstenaar een innig vriendschappelijke verhouding, waarvan Pirkheimer
bijna jaloersch werd. Ja zelfs, toen de keizer eindelijk vertrok,
liet hij zijn raadgever, op diens verzoek, achter, om meester Dürer
behulpzaam te zijn bij de plannen voor de eerepoort.

Dürer begon nu spoedig met de voorbereidende werkzaamheden, maar hij
kon slechts enkele uren per dag daaraan besteden, want eerst moesten
de beide keizersportretten klaar zijn. Dat gebeurde spoedig daarop
en de stad bezat nu weer een kleinood meer. Vooral de beeltenis van
Karel den Groote was boven allen lof verheven.

Toen Stabius het schilderij na de voltooiing zag, trad hij ontroerd een
schrede achteruit; hij herkende in het gelaat zijn eigen trekken! De
hand van den kunstenaar, in wiens hart de beeltenis van zijn vriend
leefde, had onwillekeurig dat beeld op het doek gebracht.

Nu had Dürer meer tijd om zich aan de keizerlijke opdracht te
wijden. Maar deze hield zooveel in, dat er jaren verliepen, voordat
de teekeningen zoover waren, dat zij aan den houtsnijder konden worden
toevertrouwd, vooral omdat er zooveel ander werk tusschen door liep.

Wederom was geheel Neurenberg één en al verbazing en verwondering. Zoo
iets had men nog nooit gezien! Op tweeënnegentig stukken hout, die aan
elkaar waren gevoegd, had Dürer, met onvergelijkelijke nauwkeurigheid,
de teekening met pen en potlood gemaakt, om haar daarna voor het
snijden aan den bekwaamsten kunstenaar op dat gebied, Hieronymus
Andree toe te vertrouwen.

De teekening, die tien en een halven voet hoog en negen voet breed
was, stelde een eerepoort van drie bogen voor. De middelste, die ook
de grootste is, heet: "de poort der Macht en Eere," daarboven verheft
zich de stamboom van het Oostenrijksche huis naast 102 wapens van de
ondergeschikte landen. Boven de beide zijbogen, dien van den "lof"
en dien van den "adel" zijn, in vierentwintig teekeningen, voorvallen
uit het leven van Keizer Maximiliaan weergegeven.

Toen deze het werk te zien kreeg, drukte hij Stabius de beide handen,
alsof deze het was, die het had gemaakt en het was goed, dat Dürer
er niet bij was, anders had hij wel eens hoogmoedig kunnen worden
door dien bovenmatigen lof uit 's keizers mond.

Zijn Majesteit antwoordde hem met de toezegging van een jaargeld van
100 gulden, dat Dürer levenslang van de aan het rijk verschuldigde
stadsbelasting van Neurenberg zou worden uitbetaald.



HOOFDSTUK XXII.

SMART EN VREUGDE.


Dicht naast de groeve, waar de oude goudsmid, meester Dürer, op het
Sebaldus-kerkhof rustte, was een nieuwe grafkuil geopend en daarin
werd op St. Liborius, den 17den Mei van het jaar 1514, een lijkkist
neergelaten.

Het was Vrouwe Barbara, de weduwe van den ouden meester, die men
ten grave bracht. Velen waren op de begraafplaats tegenwoordig om
de gestorvene de laatste eer te bewijzen en hun deelneming aan de
achterblijvenden te betoonen. De kapelaan van de St. Sebalduskerk sprak
bij de groeve de gebruikelijke gebeden en het gild der meesterzangers
besloot de plechtigheid met een vroom lied.

Daarna verlieten allen het kerkhof, behalve de beide geestelijke
zusters, die op den grafheuvel bleven om te waken en te bidden voor
het zieleheil der afgestorvene en de nagelaten betrekkingen, die met
een traan in het oog toezagen, hoe de doodgraversknechts de groeve
verder vulden. Deze treurenden waren: meester Dürer met zijn vrouw en
zijn beide broeders, Andreas en Hans. Andreas was kort geleden uit
den vreemde naar Neurenberg teruggekeerd, om zich daar als meester
in het goudsmidsgilde te laten opnemen. Hij was nog juist bij tijds
gekomen om den laatsten zucht zijner moeder op te vangen en nog door
haar te worden gezegend.

Zwijgend verlieten zij te zamen, nadat alles was afgeloopen, de
gewijde plaats.

Juist toen zij het huis op het Tiergärtnerplein wilden binnengaan kwam
hen een man tegemoet, wiens schoenen grijs van het stof waren en die,
beleefd groetend, zijn hoed afnam. Verrast keek Dürer op, en er kwam
plotseling een andere uitdrukking in zijn oogen, als een zonnestraal
uit donkere wolken. "Zijt gij het, beste Schäufelein? Hoe had ik dat
kunnen denken!"

Schäufelein schudde hem de hand. "Ach, dat ik u zoo moet terugvinden,
lieve meester! Ik hoopte allen vroolijk en wel hier te zullen ontmoeten
en nu zie ik een diep bedroefd man voor mij! Ik neem hartelijk
deel in uw leed--de Heer trooste u!" Men ging naar binnen--de nieuw
aangekomene begroette nu ook de anderen en betuigde zijn blijdschap
ook Andreas terug te zien. Daarna vraagde hij dringend alles omtrent
de afgestorvene te mogen hooren, want hij had haar hartelijk liefgehad
en het deed meester Dürer goed, zijn hart aan een deelnemen den vriend
te kunnen uitstorten.

"Gij moet weten," begon hij, "dat verleden jaar dinsdags voor de week
voor Paschen, mijne arme moeder plotseling zoo ernstig ongesteld werd,
dat wij de deur harer kamer moesten openbreken, omdat wij, daar zij
zelf niet kon opendoen, anders niet bij haar konden komen. Wij brachten
haar in een benedenvertrek en men voorzag haar van de H. Sacramenten
der stervenden, want iedereen dacht, dat zij zou heengaan. Sedert
vaders dood was zij nog al gezond geweest, ofschoon zij vroeger wel
eens had gesukkeld, ja, zelfs een aanval van de pest te doorstaan had
gehad en nog vele andere wederwaardigheden en verdriet had ondervonden,
die zij steeds met groote zachtmoedigheid en zonder eenige bitterheid
had verdragen. Och, zij was toch een bijzonder vrome vrouw! Gij weet
zelf hoe trouw zij ter kerke ging en hoe liefderijk zij voor mij en
mijn broeder heeft gezorgd en ons steeds vermaande vroom en rein van
handel en wandel te blijven. Haar barmhartigheid en zelfverloochenende
liefde jegens alle menschen kan ik nimmer genoeg prijzen en geen
wonder, dat zij bij allen bemind was.

"Evenwel nadat zij ten volle was bediend, is zij toch nog niet
gestorven, maar is zij nog meer dan een jaar ziek gebleven, totdat
zij gisteren, twee uur voor middernacht, als een ware Christin is
gestorven, voorzien van alle sacramenten met absolutie van pijn en
schuld, door de macht aan den paus geschonken. Voordat zij stierf,
gaf zij mij haar zegen, wenschte zij mij den vrede Gods toe en gaf
mij vele ernstige vermaningen om de zonde te ontvlieden. Zij wenschte
nog den Johanneszegen [22] te drinken, wat zij ook deed. Zij heeft een
moeilijken doodsstrijd gehad en ik bemerkte, dat zij iets vreeselijks
zag, want zij begeerde wijwater, nadat zij in langen tijd niet had
gesproken. Toen braken haar oogen en ik zag, dat zij tweemaal hevige
schokken kreeg en dat zij haar mond en oogen van pijn toekneep. Ik
bad luide voor haar en mijn hart leed daarbij onnoemelijk veel! God
zij haar genadig!"

"Ave, pia anima!" fluisterde Schäufelein vroom en hij begon daarop
ook de afgestorvene te prijzen en zooveel goeds van haar te zeggen,
dat zoowel meester Dürer als de anderen de tranen in de oogen kregen.

Later, nadat de maaltijd was afgeloopen, zonder dat er veel
woorden waren gewisseld, moest Schäufelein vertellen, wat hem zelf
gedurende zijn afwezigheid was wedervaren. Hij had daarbij opmerkzame
toehoorders, die zich hartelijk over al het goede, dat zijn deel
was geweest, verheugden en over zijn vooruitgang op het gebied der
kunst. Met gespannen aandacht luisterde Dürer, toen hij vertelde, dat
hij ook te Rome was geweest en hem had gezien, dien allen verafgoodden,
den heerlijken Rafael.

"Hoe?" riep Dürer, "hebt gij hem van aangezicht tot aangezicht
gezien? O, wat zijt gij gelukkig! Reeds lang heb ik vurig verlangd
hem te mogen aanschouwen, hem, den eenige, den onvergelijkelijke,
den lieveling des pausen en den bewonderde der gansche wereld!"

Er kwam een bijzondere glans in Schäufeleins oogen. "Hoor, hoe twee
groote mannen denzelfden wensch koesteren! Want gij moet weten, dat
Rafael eveneens vurig verlangt hem te zien, dien hij den Duitschen
Apelles noemt."

Een hoogrood bedekte Dürers gelaat, en zijn oogen werden vochtig,
terwijl hij halfluid vraagde: "Hoe weet gij dat?"

"Uit zijn eigen mond," verzekerde Schäufelein. "Ik had den toegang tot
zijn werkplaats gekregen en mijn hart begon sneller te kloppen, toen
ik onder de vele schilderijen, ook verscheidene bekende tegenkwam,
met het monogram A. D. En toen ik zeide, hoezeer mij dat verraste
en verheugde, omdat ik langen tijd bij meester Dürer als gezel was
werkzaam geweest, greep Rafael op eens mijn hand en sprak: "O, dan zijt
gij mij dubbel welkom en mijn blijdschap zou volkomen zijn geweest,
als hij u had vergezeld." Toen heeft hij u nog hoog geprezen en mij
verteld, dat hij reeds door Marcantonio Raimondi, die sedert vier
jaren zijn werken op koper graveert, de uwe had leeren kennen. Deze
is het ook, die uw kleine Passie op koper heeft nagegraveerd en nog
meer andere werken. En luister; ik wil u nog iets zeggen" en daarbij
schoof hij zijn stoel nog wat nader: "Ik zag in Rafaels werkplaats
een tekening, die bijna voltooid was, en waaraan hij juist bezig
scheen geweest. Ternauwernood durfde ik mijn oogen vertrouwen,
want wat zag ik daar? Het was een kruisdraging van den Heer Jezus,
bijna geheel zooals gij die hebt voorgesteld in de groote Passie. De
Heiland onder het kruishout neergezonken en steunend op zijn arm,
scheen mij volkomen gelijk behandeld zoo als gij het deed, lieve
meester. Eveneens de overige figuren en de rangschikking; het kwam
mij voor, dat Rafael u daarin heeft gevolgd. In elk geval heeft hem
uw werk voor den geest gezweefd en zijt gij zijn voorbeeld geweest."

Bewogen greep Dürer Schäufeleins hand: "O, ik dank u, beste
Schäufelein, ik dank u! Wat gij mij daar zegt is als een lichtstraal in
den nacht van mijn rouw. Maar nu is mijn begeerte, om dien heerlijken
kunstenaar te zien, nog grooter geworden. Ach, dien wensch zal ik
mede in het graf moeten nemen, want hoe zouden Neurenberg en Rome
bij elkaar kunnen komen?"

En nu drong Dürer er bij Schäufelein op aan, hem nog meer van Rafael
te vertellen, van zijn uiterlijk en zijn werken, van zijn verhouding
tot den paus en van zijn leven, totdat Wilibald Pirkheimer en andere
vrienden en vriendinnen kwamen om hun deelneming aan de treurenden
te betuigen.

Intusschen ging Schäufelein met Hans en Sebaldus Beham, den gezel,
die juist uit de stad was thuis gekomen, in Dürers werkplaats en hij
werd niet moede te hooren van alles, wat de meester in de laatste
jaren, sedert de beide gezellen waren ontslagen, had gewerkt. Hans
kwam er nooit mee klaar; want telkens als hij dacht alles te hebben
opgenoemd, schoot hem weer iets te binnen, dat hij had vergeten. "Het
is een onuitputtelijke bron," zei Schäufelein eindelijk. "Mogen al de
lieve heiligen, die hij in zijn werken verheerlijkt, hem beschermen
en sterken en hem nog vele jaren levens schenken!"-- -- --



Er was bijna een jaar na deze gebeurtenis voorbijgegaan, toen bij
Dürer een vreemdeling binnentrad, wiens uiterlijk zijn zuidelijke
afkomst verried, want twee ravenzwarte oogen keken uit zijn gebruind
gelaat en dik, zwart, krullend haar golfde om zijn slapen.

"Wees gegroet, Heer!" sprak hij met een beleefde buiging. "Zijt gij
meester Albrecht Dürer?"

"Die ben ik," antwoordde de aangesprokene. "Wat wenscht gij van mij?"

"Ik kom van zeer ver," zeide de man, "het is een lange weg van
Rome naar Neurenberg. Ik breng een boodschap van meester Rafael aan
meester Dürer."

"Wat zegt gij?" riep Dürer, wiens penseel uit zijn hand viel. "O wees
welkom onder mijn dak. Wat zendt mij de meester aller meesters?"

"Zijn groet en ook dit," antwoordde de man, terwijl hij een rol papier
uit zijn tasch nam. "Het heeft slechts kleine waarde," sprak hij,
die mij tot u zond, "maar meester Dürer zal het vriendelijk van mij
willen aannemen, als hij hoort, hoe hartelijk ik verlang hem iets
van mijn hand te geven."

Met bevende vingers vouwde Dürer den rol open en aanschouwde een met
rood krijt geteekende figuur in krijgsdos. Zijn oogen bleven met
een teedere uitdrukking er op rusten; met diepen eerbied vervuld,
beschouwde hij deze teekening van den grooten man.

Na een lang stilzwijgen sprak hij: "Ik wil hem danken en gij, gij zult
ook mijn boodschapper zijn. Blijf nog eenigen tijd om de stad te zien,
dan zal ik u weder laten teruggaan met mijn tegengeschenk."

Zes dagen later was Rafaels boodschapper weder gereed voor de
terugreis. In zijn reistasch had hij den dank van den Duitschen meester
geborgen; Dürer wilde Rafael niet de een of andere teekening, die
hij had liggen, zenden, maar zich zelf; hij wilde den buitenlandschen
meester niet alleen iets van zijn hand laten zien, maar zijn beeltenis
zoodanig op doek geschilderd, dat het op beide kanten zichtbaar was.

Een schittering kwam in Rafaels oogen, toen hij hem zag, dien hij zoo
hoog vereerde, en tot zijn dood toe hield hij het portret in hooge eer.



HOOFDSTUK XXIII.

UIT DE DUISTERNIS TOT HET LICHT.


Het was een sombere Novembermorgen van het jaar 1517. Een dikke
mist belette de zon door te dringen tot in de straten en pleinen
van Neurenberg.

Meester Dürer zat in zijn werkplaats te teekenen. Keizer Maximiliaan
was dit jaar weer in Neurenberg geweest en had den meester, over wiens
"Poort der Eere" hij hoogst tevreden was, opgedragen om op het tweede
groote stuk, "de Triomf," als voornaamste deel een triomfwagen te
schilderen naar plannen, die Zijn Majesteit zelf had ontworpen. De
zoo prachtig mogelijk versierde wagen, door zes paarden getrokken,
moest achterin voorzien zijn van een hooge zitplaats, waarop de
keizer zou troonen in vol ornaat, met zijn jonge gemalin, Maria van
Bourgondië; voor de beide Majesteiten moest koning Filips de Schoone
zitten tusschen zijn zuster en zijn echtgenoot, voor hen zijn zoons, de
aartshertogen Karel en Ferdinand en geheel voorin hun zusters. Het was
Wilibald Pirkheimer opgedragen om met Dürer deze keizerlijke gedachten
in artistieken vorm te gieten en meester Albrecht was juist bezig de
met vriend Wilibald veranderde plannen op het papier te teekenen. Doch
het werk wilde vandaag niet goed vlotten. Het licht was zoo slecht,
dat hij niets kon zien op de plaats, waar hij gewoonlijk zat, en aan
een kleine tafel dicht bij het venster moest gaan zitten om beter te
kunnen zien. Maar het was niet alleen dat, wat hem bij zijn schepping
hinderde. In zijn geheele wezen en in zijn gebaren lag een bijzondere
rusteloosheid; naast hem lag een boekje, waarin hij nu en dan een blik
wierp en dan verzonk hij in diep gepeins. Het boekje was getiteld:
"Het heilige Onze Vader, verklaard door Dr. Maarten Luther." [23] Hij
had het gekregen van Christoffel Scheurl, den man, die hem indertijd te
Bologna had verwelkomd, daarna tot professor in de rechtsgeleerdheid
te Wittenberg was benoemd en nu als rechterlijk plaatsvervanger in
Neurenberg een aanzienlijke plaats innam. Door hem had hij veel gehoord
over dezen merkwaardigen man, die in Saksen en ook verder in het land
veel van zich deed spreken, dien Augustijner monnik en professor in
de theologie aan de, door den keurvorst Frederik den Wijze gestichte,
hoogeschool te Wittenberg. Van het begin af aan had Dürer een levendige
belangstelling gekoesterd voor dezen uitstekenden geleerde en hij
had ook vlijtig bestudeerd de preeken van Pater Wenzel Link, die, in
nauwe vriendschapsbetrekking tot Luther staande, reeds sinds den tijd,
dat ze samen in het klooster te Erfurt waren, sedert eenigen tijd in
het Augustijner klooster te Neurenberg was. Deze preeken hadden een
diepen indruk op hem gemaakt en een hevigen storm in hem verwekt. Als
een trouw zoon zijner kerk en met een vroom hart had hij tot nu toe
gewandeld volgens de geboden van den pauselijken stoel en voor het oog
der menschen vlekkeloos geleefd; ja, hij had zich de grootste achting
verworven, niet alleen als kunstenaar, maar ook als mensch;--nu begon
hij te twijfelen, of de weg, dien de kerk aanwees, wel de rechte
was. En zijn twijfel nam nog toe, als hij dacht aan den gruwel der
verwoesting aan het heilige gepleegd en het diepgaande verderf der
kerk zag, dat hem reeds jaren geleden stof tot zijn teekeningen uit
de Openbaring van Johannes had gegeven. En hij was niet de eenige
te Neurenberg die deze dingen bepeinsde; andere burgers en juist de
beste en edelste, voelden hun hart ook onrustig kloppen. Als hij
naar de prediking van Pater Link in de Augustijnerkerk ging, kon
hij er zeker van zijn den kanselier Scheurl, den voortreffelijken
secretaris van den raad en den syndicus Lazarus Spengler te vinden
en van de patriciërs de heeren Hieronymus, Ebner, Kaspar Nützel
en Hieronymus Holzschuher. Ook Wilibald Pirkheimer voegde zich bij
hen; maar hij uitte zich op eenigszins andere wijze. Hij behoorde
tot de zoogenaamde Humanisten, een kring van geleerden, die in het
herleefd klassieke tijdvak de wereld vonden, waarin hun geest zich
bewoog en van dit standpunt uit trokken zij te velde, zoowel tegen het
wetenschappelijk ongevormde, als tegen het bijgeloof van hun tijd. Men
legde Pirkheimer ten laste, dat hij had meegewerkt aan de "brieven
van de mannen der duisternis," die in goed geslaagde navolging van
het slechte latijn der monniken den bedelmonnik met zijn grenzenlooze
domheid en schaamtelooze onzedelijkheid aan de kaak stelden. Wilibald
Pirkheimer verkneukelde zich hierin en hij genoot van het algemeene
gelach, dat deze brieven verwekten. Zijn wapens tegen het verderf van
den tijd waren geestigheid en spotternij, en zijn hart nam er slechts
in zoover deel aan, dat hij zich verheugde over de nederlaag van zijn
tegenpartij. Eens was zijn gevoel opgekomen tegen Meester Wolgemuts
"Pausezel" als tegen een te ruwe, onridderlijke wijze van strijden,
nu plaatste hij zich eigenlijk op hetzelfde standpunt.

Bij Dürer was het geheel iets anders. Den hoog ernstigen, innig vromen
man stond het schreien nader dan het lachen; het gold voor hem iets,
dat hem diep ter harte ging. Dag en nacht hield de gedachte hem bezig:
wat moet ik doen, opdat ik zalig worde, en de vraag: is de weg,
die de kerk wijst, de goede weg?

Hoe langer hij naar de preeken van Link luisterde, des te meer begon
hij aan de waarheid der leer van Rome te twijfelen en bij dezen diep
nadenkenden en met ware vroomheid bezielden man, won de twijfel
te meer veld omdat hij reeds sedert langen tijd als bij instinct
een duister voorgevoel der waarheid van het evangelie bij zich had
omgedragen. Wel is waar had hij tot nu toe in zijn kunst in hooge
mate de Maagd Maria, die volgens het algemeene begrip van dien tijd,
als koningin des hemels en der wereld werd vereerd, verheerlijkt;
men bad tot haar als tot de eeuwige beschermvrouw van het menschdom,
die ellendige zondaars de straf voor hun zonden kwijt scheldt,
ongeneeselijke kwalen geneest, de aarde doet draaien, de zon het
licht schenkt, de wereld regeert en de hel doet beven. Niet alleen
in zijn "leven van Maria," maar ook in de talrijke afbeeldingen der
Madonna, waarvan er meer dan twintig bestonden, had hij de afgodische
vereering van dit kind der menschen, in de hand gewerkt. Maar als men
deze werken nauwkeuriger bezag, kon men zien, dat het niet in des
kunstenaars bedoeling lag deze afgoderij te bevorderen. Wie oogen
heeft om te zien, ziet dat de Maagd Maria in Dürers werken niet de
hoofdpersoon is: het goddelijke Kind is het waarom alles draait. Hij
wordt door allen gediend, door de engelen en de heiligen en tegelijk
met Hem ook zij, die Hem ter wereld bracht. Niet met een stralenkrans
verschijnt Maria daar, maar als een echt menschenkind, ja, als een
ware Neurenbergsche huismoeder in Neurenberger kleederdracht. In
haar oogen leest men de liefde voor haar kind. Zij laaft het met
haar moedermelk in zalige verrukking, zij verheugt zich met Hem,
zij lijdt met Hem. Zij is niet verheven boven het algemeene lot van
vergankelijkheid en verval, zooals de Italiaansche schilders haar,
als in eeuwige jeugd bloeiende, voorstellen, maar zij wordt oud en
zwak; met gebogen gestalte omvat zij haar gepijnigden Zoon, onmachtig
ligt de oude, grijze vrouw neder aan den voet van het kruis.

Zoo had dus een godsdienstig juist gevoel meester Dürers hand bestuurd
en hier en daar waren deze onbewuste gewaarwordingen ook in woorden
voor den dag gekomen. Boven het eerste zijner rijmen, die hij in
het jaar 1509 had gemaakt, stond geschreven: "Elke ziel, die het
eeuwige leven heeft, wordt verkwikt door Jezus Christus, die twee
naturen in één persoon vereenigt, de goddelijke en de menschelijke,
hetgeen men alleen door de genade kan gelooven en door het natuurlijk
verstand nimmer kan worden begrepen." Bij zijn Passie-gravuren had
hij dit gevoegd:


              O almachtige God en Heer
              Vol aanbidding kniel ik neer
            Voor Jezus' lijden, voor Uw Zoon,
            Uw Eengeboorne, die het loon
              Voor onze schuld gedragen heeft.
              O God, ik bid, dat Gij mij geeft
            Over mijn zonden, diepe smart
            En leed. Och, reinig Gij mijn zondig hart!
              Gij hebt des overwinnaars troon,
              Ach, deel met mij uw eerekroon.


Dus had de vrome man door de diepte van zijn godsdienstig gemoed iets
van de waarheid gevoeld. En nu lag voor hem Luthers boekje over het
Onze Vader, hij kende het bijna geheel van buiten!

Ook nu hield het zijn geest bezig en stoorde het hem in zijn
teekenwerk.

Daar begon de klok der Augustijnerkerk te luiden; hij stond op, deed
zijn met bont omzoomden mantel om, zette zijn zwart fluweelen baret
op en ging uit: hij wist, dat Wenzel Link zou preeken.

Over de Melkmarkt en de Wijnmarkt kwam hij spoedig aan het
Augustijnerklooster. De kerk was overvol, niet alleen met monniken,
maar ook met burgers, waarvan de voornaamste waren: Hieronymus Ebner,
Hans Schopper, Lazarus Spengler en eenige anderen.

Link had den verloren zoon tot onderwerp gekozen en sprak over de
groote liefde Gods, waarmee Hij in Christus den zondaar tegemoet komt
en van het vertrouwen, waarmee de berouwvolle, boetvaardige zondaar
zich zonder tusschenkomst van menschen in Gods geopende armen moet
werpen.

Toen de dienst was afgeloopen en de kerk uitging, bleef Dürer nog
met de aanzienlijke heeren achter, om met hen over het gehoorde,
dat aller hart diep had getroffen, te blijven praten. Op eenmaal trof
een gedruisch hun ooren; het was alsof er veel volk af- en aanliep.

Zij traden naar buiten om te zien, wat er te doen was en op het plein
zagen zij een dichte menschenmassa, die steeds grooter werd en hoorden
zij een stem, zonder evenwel te kunnen verstaan, wat die sprak.

"Wat is daar te doen?" vraagde Hieronymus Ebner aan den ouden Fröhlich,
meester van het koperslagersgild, die zich uit het gedrang losmaakte.

"Er is een reizende koopman in de stad gekomen," vertelde deze, "die
vreemde tijdingen brengt. Hij zegt, dat een zekere monnik, Martinus
Luther uit Wittenberg, aan de deur van de slotkerk vijfennegentig
stellingen heeft aangeplakt, om te protesteeren tegen den aflaat,
waarmee de paus de geldbuidels ledigt en de zielen verderft. Dat heeft
heel wat opzien verwekt. De man zegt, dat waar hij ook kwam en dit
bericht meedeelde, het bij jongen en ouden, aanzienlijken en geringen,
mannen en vrouwen grooten indruk maakte, dat er eindelijk iemand was,
die het had gewaagd zijn stem te verheffen tegen die afschuwelijke
geldklopperij en die niet vreesde den paus te trotseeren. Op vele
plaatsen was het nieuwtje hem al vooruitgegaan en kende men reeds den
inhoud der stellingen, die overal met vreugde werden gelezen. De man
voegde er nog bij, dat hij regelrecht uit Wittenberg kwam en dat hij
uit naam van een vriend van den monnik, verscheidene der stellingen
tegen den aflaat bij den heer Christoffel Scheurl had afgegeven.

"Bij mij?" riep de kanselier blij verrast. "Zoo, dan ga ik dadelijk
naar huis!" "Laat ons met u gaan," vraagde Dürer en de heeren gingen
gezamenlijk naar de woning van den kanselier. Het was juist zooals
de reiziger had gezegd. De vrouw van Scheurl kwam hen tegemoet en
zeide: "Zie eens, man, wat een reiziger tijdens uw afwezigheid heeft
gebracht!" Haastig verbrak Scheurl het omhulsel en haalde eenige
papieren te voorschijn. Het waren tien stukken in het latijn geschreven
en getiteld: Disputatie van Dr. Maarten Luther ter verklaring van de
kracht van den aflaat.

"Lees toch!" riep Kaspar Nützel den kanselier toe en deze begon
terstond, terwijl de anderen zich om hem schaarden om te luisteren.

Hij had nog slechts weinig gelezen, toen Dürer eensklaps uitriep: "O,
God, help mij, ik voel mij zoo angstig!" Hij liep naar het venster,
de handen tegen de borst gedrukt. Scheurl wenkte een bediende om een
beker frisch water te halen, doch Dürer weigerde. "Water kan mij niet
helpen; lees verder, verder!"

Scheurl ging door met lezen en bij elke zinsnede werd de spanning
grooter. Toen hij eindelijk ophield, heerschte er een diepe, plechtige
stilte, waarna Hieronymus Holzschuher het woord nam en sprak: "Deze
eenvoudige monnik is een profeet des Allerhoogsten, hij heeft zijn
stem verheven om der waarheid getuigenis te geven. Zie, het valt mij
als schellen van de oogen! Langen tijd heb ik mij reeds geërgerd over
dien misdadigen aflaathandel en het schaamtelooze bestelen van het
volk. Nu begrijp ik ook, dat de aflaat, zooals de paus die beveelt, uit
den booze is, zelfs wanneer men er geen geld voor behoeft te betalen."

Hieronymus Ebner gaf zijn instemming te kennen en voegde er zeer
ernstig bij:

"Hus heeft men verbrand, evenzoo Savonarola, misschien wordt er weldra
een derde brandstapel opgericht. "Dat verhoede God!" riep Dürer uit
en een donker rood bedekte zijn gelaat. "Zou de tijd dan nog niet zijn
aangebroken, dat de Heer zich over het arme Christenvolk erbarmt? Reeds
sinds den eersten keer, dat ik van Maarten Luther heb gehoord, was
mijn ziel het met hem eens en er sprak in mij een stem: "hij is het,
die de waarheid heeft!" Zou God het nog eenmaal dulden, dat de Satan
het werktuig in Zijn hand verbrijzelt? O, ik wenschte steeds meer van
Luther te hooren en mij door hem in de waarheid te laten leiden. Want
nu ben ik nog als iemand, die lang in het duister heeft gezeten en
met verblinde oogen hulpeloos in het schelle daglicht rondtast."

Kaspar Nützel, die tot nu toe in stilzwijgen en gepeins verzonken had
gestaan, richtte zich nu plotseling op en zeide: "Luther heeft een
vreemde taal gebruikt, omdat hij het allereerst voor de geleerden heeft
gesproken; maar zijn prediking is voor het gansche volk bestemd--ik
zal hem te hulp komen en haar in het Duitsch uitgeven."

Dit vond algemeenen bijval en men drong er op aan, als het mogelijk
was, dat hij nog dienzelfden dag met het vertalen zou beginnen.

Nützel bleef den ganschen nacht doorwerken, zoodat hij den volgenden
morgen reeds naar Anton Koburger, den drukker, kon gaan en slechts
weinige dagen later wist geheel Neurenberg, dat Luthers stellingen
tegen den aflaat in het Duitsch waren verschenen.

Men haastte zich naar de drukkerij en in een ommezien was de
geheele voorraad uitverkocht. In de huizen, in de herbergen, bij de
drinkputten, in de werkplaatsen, overal hoorde men spreken over den
Wittenberger monnik en zijn stellingen, en de opgewondenheid werd nog
grooter, toen men van doortrekkende reizigers vernam, dat Luther met
zijn prediking het gansche rijk in rep en roer had gebracht. Wenzel
Link, de Augustijner pater sprak nu met nog meer vrijmoedigheid van
den kansel en al de kloosterlingen trokken partij voor hun ordebroeder
in Wittenberg.

Dürers werkplaats bleef leeg; de meester liet zich daar niet zien. Hij
zat boven in zijn kamertje met afgesloten deur; zelfs zijn vrouw
mocht hem niet storen. Hij wilde alleen zijn met God in den strijd
om licht en waarheid.

En ziet, de strijd eindigde in overwinning.

Dr. Maarten Luther had hem den blinddoek van de oogen genomen; nu wist
hij, wat het is, dat elk Christen voor zijner ziele zaligheid van noode
heeft te weten: dat 's menschen hoop op de eeuwige zaligheid berust
op Gods genade in Christus alleen en op niets anders. Het stond daar
immers klaar en duidelijk: de paus kan slechts aflaat geven van die
straffen, welke hij zelf heeft opgelegd, dus de tijdelijke kerkelijke
straffen. Zijn macht strekt zich niet tot hemel en hel uit; het is
een valsche meening, door de onwaardige handelaars in aflaatbrieven,
verspreid. De paus kan geen zonden vergeven en niemand uit de hel
verlossen; hij kan niets anders doen dan den menschen verkondigen,
wat God uit genade en ter wille van Christus voor een boetvaardige
ziel doet. Indien iemand oprecht berouw gevoelt, wil God hem volledig
zijn schuld en straf kwijt schelden zonder een enkelen aflaatbrief.

Deze boodschap was voor Dürers ziel als morgendauw op de dorre
weide. Hij was steeds zulk een ernstig, ijverig Christen geweest; hij
kon zich beroepen op een groot aantal goede werken, die de kerk van
hem vorderde en had daardoor toch niet gevonden, wat zij zocht. Nu
zag hij op eens de leer der goede werken met geheel andere oogen
aan: niet door verdienste, maar door genade ontvangen, was Luthers
prediking en dat was hem een blijde boodschap. Zijn hart vond nu op
eenmaal rust en zijn beangst gemoed werd plotseling getroost. En nu,
nadat alles hem duidelijk was geworden, wilde hij het ook aan anderen
openbaren en zijn vertrouwen in de waarheid van Luthers prediking
werd versterkt, toen hij zag, hoe vurig ook Agnes' begeerte was
om naar hem te luisteren en toen hij hoorde, hoe dankbaar zij was,
dat ook haar ziel vrede daarbij vond.

Zijn blijdschap nam nog toe, toen ook Pirkheimer voor Luther in
geestdrift geraakte, zoo zelfs, dat hij een brief aan Dr. Maarten
schreef. O, hoe gaarne zou ook Dürer zijn hart voor den man Gods
hebben uitgestort!

Met groote spanning volgde hij nu de wederwaardigheden van Luther,
wien menige giftige pijl werd toegeslingerd. Kwam er een boekje uit
van Luthers hand, dan was hij er dadelijk bij om daardoor steeds
duidelijker de waarheid te leeren kennen, terwijl Luther zelf door
de aanvallen zijner tegenpartijders stapsgewijze verder kwam in de
erkentenis der waarheid.

Dürer voelde zich zoo opgewekt, zoo blijde; zijn ziel verblijdde
zich in zulk een ongekend, zalig gevoel, als zelfs de hoogste lof der
menschen over zijn kunst nooit bij hem had kunnen opwekken. Hij voelde
zich gelukkig door den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.



HOOFDSTUK XXIV.

TE AUGSBURG.


Op een schoonen Junimorgen, toen de zon vroolijk scheen, reden drie
aanzienlijke heeren te paard de Vrouwepoort van Neurenberg uit, op
eenigen afstand gevolgd door zes kranige knechten, met zware valiezen
beladen. Het waren de vertegenwoordigers der stad in den Rijksdag,
dien Keizer Maximiliaan te Augsburg had bijeengeroepen: de raadsheer
Kaspar Nützel, de stadssecretaris Lazarus Spengler en meester Albrecht
Dürer. Eerst was het plan geweest, dat slechts de twee eerstgenoemden
zouden gaan, later besloot men den laatste ook te zenden, om den
keizer, bij wien Dürer in hooge eer stond, genoegen te doen.

"Het zal warm worden," beweerde meester Dürer na eenigen tijd,
"de zon brandt reeds op mijn rug."

"In Augsburg zullen we het nog warmer krijgen," antwoordde Spengler
lachend. "De belasting, die de paus eischt voor den strijd tegen
de Turken, zal de hoofden der vorsten genoeg verhitten en de paus
zal het ook benauwd krijgen, als hij de lange reeks klachten van de
rijksvorsten over de geestelijkheid verneemt."

"Zou men den heiligen Vader die belasting toestaan?" vraagde Nützel.

De stadssecretaris haalde de schouders op. "Men stelt hier den
eenen eisch tegenover den anderen. Als de paus aan de klachten der
Duitschers geen gehoor geeft, kan hij elke gedachte aan een oorlog
tegen de Turken gerust op zijde zetten. Ik voor mij geloof trouwens,
dat de Turken slechts een voorwendsel zijn, om op nieuw geld uit de
zakken der Duitschers te kloppen, nadat Luther voor de aflaatkramers de
markt heeft bedorven. De bedoelde Turken zullen wel in Italië huizen."

"Nu gij toch van Luther spreekt," zei Dürer, "zal het mij benieuwen
of zijn zaak in den Rijksdag zal worden behandeld."

"In den Rijksdag?" vraagde Spengler. "We hebben genoeg andere zaken
te behandelen, maar als het mocht gebeuren, ben ik overtuigd, dat
de keurvorst van Saksen zich het lot van zijn landgenoot wel zal
aantrekken, want Luther staat bij hem hoog in de gunst."

Nu het gesprek op de theologie was gekomen, raakten zij daarin zoo
ernstig verdiept, dat de lange rit hun bijzonder kort scheen.

Bij de poort van Augsburg scheidden zij om elk hun logies op te zoeken:
Kaspar Nützel begaf zich naar het paleis van den rijken Fugger,
Lazarus Spengler naar zijn collega Konrad Peutinger en meester Dürer
naar het Augustijnerklooster te St. Ulrich.

De Neurenberger vertegenwoordigers behoorden tot de eerste, die te
Augsburg verschenen. Elken dag kwamen er nu meer: de Duitsche vorsten
en prelaten verschenen met hun gevolg, allen in statigen optocht en
eindelijk kwam Zijn keizerlijke Majesteit.

Den volgenden dag kwamen allen, nadat zij gezamenlijk de mis hadden
bijgewoond, met den keizer bijeen in de groote zaal van het paleis
en de Rijksdag was geopend.

Eenigen tijd daarna keerde meester Dürer in opgewonden stemming
naar het klooster terug en deelde aan de monniken mede, dat hij
overmorgen voor Zijn Majesteit moest verschijnen, om diens portret
te maken. De monniken verheugden zich niet weinig hierover, en waren
nu nog trotscher op hun gast, met wien zij reeds tegenover andere
geestelijke orden hadden gepronkt.

Des Maandags na den dag aan Johannes den Dooper gewijd, werd meester
Dürer in het keizerlijk paleis ontboden.

Zijn hart klopte luid: nu zou hij de eer hebben, hem, den machtigen
keizer van het groote Duitsche Rijk, te mogen afbeelden, den vorst,
voor wien hij ook als liefhebber en beschermer der kunst hooge
achting koesterde.

Met den dienaar, die hem begeleidde, ging hij door den tuin van het
paleis en trad, langs de menigte keizerlijke hofbeambten en dienaren
met hun van goud schitterende livreien, op het voorportaal toe. Zij
gingen de breede trap op, door een zaal heen en kwamen daarna aan
klein kamertje. De bediende opende de deur en liet Dürer binnen,
die nu voor Zijn keizerlijke Majesteit stond.

Toen hij eerbiedig boog, kwam de keizer minzaam op hem toe en reikte
hem de hand.

"Wees welkom, lieve meester! Het is mij recht aangenaam hem, die mij
reeds zooveel genot heeft bereid, te mogen zien. Wilt gij nu maar
dadelijk aan het werk gaan om keizer Maximiliaans beeltenis aan de
wereld te laten zien."

Tegelijkertijd zette hij zijn fluweelen baret op, sloeg een lichten
mantel om en ging zitten. Dürer nam een papier te voorschijn en
teekende met houtskool het bijna levensgroote portret des keizers.

Nog geen uur was voorbijgegaan, toen de kunstenaar voor den
keizer boog, om hem te danken, dat het hem vergund was geweest den
hoogstgeplaatsten man der wereld in beeld te brengen. Hoogst verwonderd
stond de keizer op. "Hoe, zijt gij nu reeds klaar?"

Hij bekeek de teekening en zag toen zijn beeltenis, geniaal uitgevoerd,
zoo natuurgetrouw en zoo volkomen waar, dat hem een kreet van blijde
verrassing ontsnapte en hij in vervoering de hand des kunstenaars
greep om die hartelijk te drukken.

Dürer verzocht de teekening eerst mee naar huis te mogen nemen, om hier
en daar nog wat bij te werken; hij zou haar dan den volgenden dag aan
Zijn Majesteit zenden. De keizer keurde dit goed en liet den kunstenaar
niet vertrekken zonder hem nogmaals zijn bewondering te hebben betuigd.

Sedert dat oogenblik overstelpte men Dürer met arbeid, want door
dit portret was zijn tegenwoordigheid te Augsburg algemeen bekend
geworden. De rijke Patriciër, Jacob Fugger, noodigde Dürer uit bij hem
te komen om zijn portret te maken, en zoo deed ook een aanzienlijke
Augsburgsche dame, Sybilla Arztin. Een grootere opdracht gaf hem den
geleerden en kunstlievenden stadssecretaris en keizerlijken raadsheer
Dr. Konraad Peutinger, met wien hij later op zeer vertrouwelijken
voet kwam, omdat hij in hem iemand, die wat het godsdienstige betrof
het geheel met hem eens was, had gevonden. Zijn schetsboek vulde hij
met portretten van de belangrijkste personen, die hij gedurende de
zittingen van den Rijksdag in stilte teekende en waartoe behoorden:
Keurvorst Frederik van Saksen, Keurvorst Joachim I van Brandenburg en
diens zoon van denzelfden naam, de Paltsgraaf Frederik, Vorst Wolfgang
van Anhalt, Bisschop Bernard van Triënte, de Abten van St. Paul in
Lavanthal en van het klooster Heilsbronn. Het portret van Ridder
Ulrich van Hutten teekende hij zelfs tweemaal.

De Augustijner monniken van St. Ulrich drongen er bij den kunstenaar op
aan, dat hij een geschenk als herinnering zou achterlaten; vriendelijk
willigde hij hun verzoek in en schilderde de portretten van een groot
aantal kloosterlingen.

Vele weken waren sinds dien tijd voorbijgegaan.

Op een avond in het begin van Augustus kwam Dürer in bijzonder
opgewekte stemming thuis en vertelde hij aan tafel: "Vandaag is
mij weder een groote eer te beurt gevallen: de Aartsbisschop
van Maagdenburg en Mainz, primaat en eerste kanselier van het
Duitsche Rijk, die op den Rijksdag hier van den heiligen Vader den
kardinaalshoed heeft ontvangen, heeft mij bij zich ontboden en mij
gevraagd zijn portret te maken. Dat heb ik nu vandaag gedaan en
daarna hebben we nog eenige uren heel vertrouwelijk gepraat. Welk
een aangenaam man is hij! Met welk een liefde en verstand spreekt
hij over de kunst, waarvoor hij geen geld ontziet! Hij heeft een
aanzienlijke schat reliquieën in zijn kerk te Halle bijeengebracht
en voor het portret, waarover hij uiterst tevreden is, heeft hij mij
terstond twee honderd gouden guldens uitbetaald, en mij nog twintig
el damast gegeven voor een kleed, dat ik juist noodig heb."

"En ziet, er is mij heden nog iets anders overkomen. Het is mij weer
vergund geweest bij den keizer te verschijnen om met hem te spreken
over den triomfwagen, dien ik voor hem heb geteekend. Er waren juist
veel vorsten bij hem, die allen even minzaam tegen mij waren. De keizer
wilde, dat ik een ridderhelm zou teekenen en toen ik daarmee bezig
was, kwam hij er bij, nam het stuk houtskool uit mijn hand en zei,
dat hij het zelf ook eens wilde probeeren. Maar terwijl hij zijn
best deed, brak het stuk houtskool herhaaldelijk en het wilde in
het geheel niet gelukken--hij gaf het mij dus maar weer terug en ik
maakte de teekening gauw af. De keizer moest er om lachen en vraagde:
"Hoe komt het toch, dat bij mij de houtskool voortdurend breekt en bij
u nooit?" En omdat de keizer zoo minzaam en gewoon met mij praatte,
werd mijn moed groot en ik antwoordde: "Allergenadigste Keizer,
ik zou niet wenschen, dat Uw Majesteit even goed kon teekenen als ik.""

De toehoorders zagen elkaar daarop bedenkelijk aan en een hunner zeide:
"Dat was een haastig, onbedacht woord. Hoe nam de keizer het op?"

Dürer glimlachte. "Hij begreep, dat ik er mee wilde zeggen: Gij,
Keizer, hebt over een ander rijk te gebieden en moeilijker plichten
te vervullen dan één van ons. Daarom reikte hij mij vriendelijk de
hand en ik mocht heengaan, zonder in ongenade te zijn gevallen."

De prior was onder Dürers verhalen stil geworden; nu nam hij het
woord en sprak:

"Ik begrijp, dat 's keizers gunst u verheugt en gelukkig maakt en ik
verblijd mij daarin met u; maar het verbaast mij, dat de vriend en
volgeling van Luther met zooveel lof over diens tegenstander spreekt
en hem met zijn kunst dient. Is het niet juist kardinaal Albrecht,
die den eersten stoot aan de geheele beweging heeft gegeven, toen
hij Tetzel uitzond met die aflaatkist?"

Dürer zag den prior een oogenblik ontsteld aan, daarop sprak hij: "Ik
heb wel gedacht aan hetgeen de kardinaal, wat den aflaat betreft, heeft
gedaan en het diep betreurd. Het is jammer, dat de man zich daarmee
heeft afgegeven. Hij is overigens zulk een kiesch, uiterst ontwikkeld
en hoogdenkend man, een vriend van kunsten en wetenschappen. -- -- --"

"En een verkwister!" viel de prior hem met donkeren blik in de
rede. "Zijn geldbuidel is altijd leeg en hij heeft Tetzel uitgezonden
alleen om zijn beurs te vullen."

"Misschien heeft hij niet geweten, wat hij deed," zei Dürer
verontschuldigend, "en is daarom op hem het woord van onzen Heiland
van toepassing, dat men het hem moet vergeven. Misschien heeft hij zelf
het verkeerde reeds ingezien en stelt hij perk aan dien afschuwelijken
handel. Mij dunkt, dat hij meer vorst dan bisschop is en van de leer
der kerk niet veel weet, zooals vele anderen, die den bisschopsstaf
dragen. Indien hij het bestuur over wereldsche aangelegenheden had,
dan -- -- --"

Hier werd de spreker in de rede gevallen door een monnik, die met een
uitdrukking van schrik en toorn op het gelaat, naar binnen stortte
en riep: "Er loopt een slechte tijding door de stad: de leeuw heft
den klauw omhoog, om den adelaar te verscheuren."

Plotseling stonden allen van hun zitplaatsen op en verdrongen zich
om den binnengekomene met de vraag, wat dit moest beteekenen.

De monnik hief zijn gebalde vuisten omhoog en riep met donderende
stem: "Wee u, Leo, wanneer uw hand zich met het bloed der heiligen
bevlekt!--Gij moet dan weten, broeders, dat er uit Rome een gezant
van den paus is gekomen, om Luther te bevelen binnen zestig dagen
voor den pauselijken stoel te verschijnen--dat beteekent dus: in een
gevangenis te verdwijnen--en den paus nog dankbaar den voet te kussen
voor de genade, dat hij hem den brandstapel heeft bespaard!"

Er ontstond een groote opgewondenheid; aller gelaat gloeide en men
sprak wild door elkaar, want de Augustijner monniken van St. Ulrich
te Augsburg hadden allen partij gekozen voor hun Wittenberger
kloosterbroeder en waren trotsch op hem.

Dürer was eveneens diep getroffen. Hij ging naar zijn slaapvertrek
en legde zich te bed, om daar lang tot God te bidden en den bedreigde
in de bescherming des Almachtigen aan te bevelen.

Er heerschte een geweldige oproerigheid in Augsburg gedurende de
volgende dagen en de pauselijke gezant zag welk een groot deel van
het volk op Luthers hand was.

De opgewondenheid bedaarde dan ook niet, voordat men over Luthers
lot gerust kon zijn, omdat zoowel de Universiteit van Wittenberg als
de keurvorst Frederik van Saksen, voor den monnik beslist in de bres
waren gesprongen en het hadden doorgezet, dat zijn zaak op Duitsch
grondgebied zou worden uitgevochten en wel te Augsburg op den Rijksdag,
terwijl de pauselijke gezant, kardinaal Cajetanus, tegen wil en dank
zich bereid moest verklaren, aldaar den ketter te woord te staan.

Men was daarmee tevreden gesteld; vooral ook nu de pauselijke
zaakgelastigde, den keurvorst op diens aandringen, had beloofd met
zachtmoedigheid en rechtvaardigheid tegenover den Augustijner monnik
te werk te gaan.

Brandend van ongeduld wachtte Dürer het oogenblik af, waarop de man
Gods, die zijn ziel uit groote benauwdheid had gered, Augsburg zou
betreden; hij hoopte hem dan met eigen oogen te zien en misschien
zelfs met hem te spreken.

Maar de eene week na de andere verliep en Luther verscheen niet--men
hoorde zelfs beweren, dat hij pas zou komen wanneer de Rijksdag al
het andere zou hebben behandeld, en dat was nog heel veel. Dürer
kon evenwel tot zijn groote spijt zoo lang niet wachten; hij had van
huis tijdingen ontvangen, die hem tegen de helft van September naar
Neurenberg riepen.



HOOFDSTUK XXV.

BEVREDIGD VERLANGEN.


Er waren bijna vier weken voorbijgegaan, toen op zekeren avond de
meid meester Dürer bij zijn thuiskomst berichtte, dat de secretaris
van den Raad er was geweest en ten hoogste had betreurd meester Dürer
uit te vinden. Hij had er bij gevoegd, dat in geval deze spoedig thuis
mocht komen, hij dadelijk naar het Augustijnerklooster moest gaan.

Terstond ging Dürer er dus weer op uit en liep met groote stappen
naar het genoemde klooster.

Hij vond al de broeders bij elkaar in de groote eetzaal.

"O, waarom waart gij zoo straks niet hier, Meester Dürer," riep de
prior den binnentredende toe. "Nu is het te laat!"

"Wat is er gebeurd?" vraagde Dürer ontsteld.

De prior kwam naderbij, reikte hem de hand en zei: "Hij, dien gij
zoozeer hebt verlangd te aanschouwen, zat een uur geleden hier op
deze plaats."

"Luther?" vraagde meester Dürer snel.

"Ja, Luther," bevestigde de prior. "Wij hebben hem gezien, wij hebben
met hem gesproken--o, ik zegen den dag, waarop de gezegende des Heeren
onzen drempel heeft overschreden."

Dürer was ontroostbaar over de teleurstelling, dat hij op het
juiste oogenblik niet tegenwoordig was geweest en nu wilde hij ten
minste alle nadere bijzonderheden hooren. Hij vernam, dat Luther
te voet van Wittenberg was gekomen en doodmoe bij de broeders was
aangeland. Men had hem toen gespijsd en gelaafd en broeder Link had
hem zijn pij gegeven, daar hij in zijn eigen oude pij, door de stof op
reis ontoonbaar geworden, onmogelijk voor den gezant van den heilige
Vader kon verschijnen.

Verder vertelde men, dat Link had aangeboden, hem naar Augsburg te
begeleiden en dat zij een half uur geleden samen waren afgereisd.

"En hoe was hij, Dr. Martinus?" vraagde Dürer met groote
belangstelling.

Eenige oogenblikken zweeg de prior met terneergeslagen blikken;
toen vervolgde hij:

"Hoe zal ik u dat duidelijk kunnen maken? Eerst schrok ik, toen
ik hem zag aankomen, van zijn holle, bleeke wangen, waarop als
het ware de dood staat te lezen. En ik zag daaruit de gevolgen van
zijn zelfkastijdingen in het Erfurter klooster, waarvan men mij had
verteld. Maar ik werd bijna verblind, toen ik zijn oogen zag. Meester
Dürer, als gij die oogen had gezien, zoudt gij terstond hebben
gezegd: dat is een man Gods, een profeet des Allerhoogsten! En als
gij die oogen moest schilderen--al zijt gij nog zulk een uitstekend,
hooggeroemd kunstenaar, zulke oogen en de ziel, die daaruit spreekt,
op het doek te brengen, neen, dat zou onmogelijk zijn. Ik zie ze nog
steeds voor mij, die groote, donkere, diepe oogen; het was mij alsof
hij daarmee tot in het diepst van 's menschen ziel kon lezen. En dan
zijn stem, zijn taal--juist zoo stel ik mij Elias, den profeet van
Jehova voor."

"En wat zeide hij van zijn gang naar Augsburg?" vraagde Dürer verder.

"Hij was op alles voorbereid," antwoordde de prior. "Hij voorzag heel
goed, dat hij als offer was bestemd, dat de paus hem door list wilde
vangen en naar Rome sleepen; toch ging hij getroost in den naam des
Heeren, die, als hij verloren ging, uit elken steen een Martinus
kon verwekken."

In Dürers ziel kampten velerlei aandoeningen om den voorrang; diepe
ontroering en hartverheffende gedachten wisselden af met wrevel over
de teleurstelling Luther te hebben gemist. Eindelijk vraagde hij,
of Luther niet gezegd had, welken terugweg hij zou nemen, wanneer
het misliep met de booze bedoelingen van Rome. Doch men zei hem,
dat Luther daarvan met geen enkel woord had gerept.

Iedereen te Neurenberg, en Dürer in het bijzonder, wachtte nu in groote
spanning op tijding uit Augsburg; maar de berichten, die kwamen,
waren zeer met elkander in tegenspraak. Sommigen zeiden, dat Luther
zeer welwillend door den kardinaal was ontvangen; anderen beweerden,
dat de pauselijke gezant hem hard had bejegend en had gezegd, dat
hij het beest met de donkere oogen niet meer wilde zien.

Toen kwam op den 16den October 's avonds laat Wenzel Link, die Luther
naar Augsburg had vergezeld, terug--alleen, en vervulde door zijn
berichten de stad met vrees en beven. Hij vertelde, dat hij de vlucht
had moeten nemen, omdat hij zijn leven niet zeker was en wat er met
Luther, die nog een geschrift om te appeleeren wilde overreiken,
zou gebeuren, dat wist God alleen.

Ten huize van Kaspar Nützel kwamen vele aanzienlijken bijeen om te
beraadslagen, wat zij te doen hadden, in geval, dat het met Luther tot
het uiterste kwam, maar niemand wist wat hierin te raden. Aller gemoed
was bezwaard, niemand dacht aan arbeiden, zelfs de raadszittingen
konden niet doorgaan door de afwezigheid van het meerendeel der
raadsheeren.--

Op Donderdag, den 21sten October, reden 's morgens vroeg twee ruiters
de Vrouwepoort te Neurenberg binnen; zij zagen er wonderlijk uit, ten
minste de een, want dat was een monnik in zijn pij, hetgeen al heel
vreemd stond voor iemand te paard, zoodat ieder, die hem tegenkwam,
bleef staan en verwonderd den rijdenden kloosterbroeder nakeek. De
andere ruiter was een man met een grijzen baard en een gerimpeld
gelaat; hij was tot de tanden toe gewapend. De ruiters vraagden
den weg naar het Augustijnerklooster en gingen, toen zij daar waren
aangekomen, met het paard aan den teugel, den tuin binnen. Even daarna
werd de klopper driemaal haastig op Dürers deur neergelaten. Het was
een monnik, die de boodschap bracht, dat meester Dürer terstond naar
het klooster moest gaan.

Met een voorgevoel, wien het gold, snelde Dürer naar buiten, geheel
zooals hij was en in zijn haast ternauwernood zich den tijd gunnende
om zijn baret van den haak te nemen. Hij had zich niet bedrogen; de
monnik vertelde hem onderweg, dat Luther vergezeld van een gewapend
ruiter uit Augsburg als vluchteling was aangekomen en in het klooster
eenige rust wilde nemen. Met kloppend hart trad Dürer het klooster
binnen. Allen waren weder in de eetzaal te zamen gekomen en men kon
het hun aanzien, welk een diepen indruk deze gebeurtenis op hem maakte.

Tevergeefs echter zochten zijn oogen Luther en op zijn vraag naar hem,
hoorde hij dat deze bij den prior in diens cel was, om het schrijven
van Spalatinus, den hofprediker van den Keurvorst van Saksen,
dat ondertusschen voor hem was gekomen, te lezen. En werkelijk,
nog voordat Luther eenige spijs ter verkwikking had genuttigd, had
hij zich teruggetrokken om dezen brief te lezen. Hij zag daaruit,
dat hij alle reden had, om de Augsburgsche vrienden, die bij hem op
deze nachtelijke vlucht hadden aangedrongen, dankbaar te zijn, want
Spalatinus deelde hem mee, dat, in een brief van den Paus, Kardinaal
Cajetanus de opdracht had gekregen, Luther, dien verstokten ketter,
hoe dan ook, in zijn macht te brengen, aan Rome uit te leveren en
den ban uit te spreken over al zijn volgelingen en over alle steden
en landen, waarheen deze zoon des satans zich zou begeven.

Het duurde geruimen tijd, voordat Luther zich weer liet zien. De brief
van Spalatinus en zijn lichamelijke uitputting hadden hem zoozeer
aangepakt, dat hij rust en nadenken noodig had. Hij bekommerde zich
weinig om het gevaar, dat hem zelf dreigde; doch dat anderen om
zijnentwil zouden lijden, deed hem verdriet. Om deze laatste reden
wilde hij dan ook niet lang in Neurenberg blijven en hij ging naar
de eetzaal terug, waar een ontbijt voor hem gereed stond. Dürer, die
zich achter in de zaal had teruggetrokken, stond hem onbewegelijk met
groote oogen aan te staren; het was alsof hij betooverd was. Dat was
hij dus, de profeet des Heeren met die zielvolle oogen, die zoo diep
in de waarheid zagen; dat was dus die onverschrokken, dappere man,
die gedurfd had wat niemand had gewaagd; dat was hij dus, wien hij de
redding uit zijn zielsangsten had te danken! Meester Dürer bleef schuw
in zijn schuilhoek, om daar te luisteren naar de woorden, die Luther
onder het eten met den Prior en zijn vriend Link wisselde. Toen hij
echter, nadat hij had gegeten, opstond en een kloosterbroeder toeriep,
dat de knecht de paarden moest voorbrengen, verzamelde Dürer al zijn
moed, trad uit zijn schuilhoek te voorschijn en ging naar Dr. Maarten
toe. "Eerwaarde heer Doctor, neem ook uit mijn mond een zegenbede
op reis mee. Reeds sedert lang behoor ook ik tot hen, die u eeren en
voor u bidden."

"Hoe heet gij?" vraagde Luther vriendelijk.

"Albrecht Dürer," was het antwoord.

Toen begonnen de groote oogen van den doctor te schitteren en met een
geheel veranderden klank in zijn stem sprak hij: "Albrecht Dürer, gij,
heerlijk kunstenaar, wees gegroet. Zie, ook ik heb u hartelijk lief en
bewonder uw kunst, die mij reeds menig genot heeft bereid. God helpe
u verder op den weg der waarheid, opdat gij daarin wordet bevestigd
en de waarheid u vrij make!"

"Dat geve God!" antwoordde Dürer warm, "u evenwel, die door den Paus
en de goddeloozen wordt bedreigd, beveel ik in de bescherming des
Almachtigen, opdat gij over de boosheid uwer vijanden moogt zegevieren
en het veld behouden."

"Heb dank, Meester Dürer!" antwoordde Luther innig en hij drukte
den spreker de hand. "Mijn leven is in Gods hand en ik stel mijn
vertrouwen op den levenden God; daarom vrees ik geen mensch, al was
het de Paus of de duivel zelf."

Buiten in den kloostertuin, hoorde men hoefgetrappel; toen nam Luther
van allen haastig afscheid, steeg te paard en draafde met zijn geleider
weg. Men zag hem langen tijd na, totdat zij op de Wijnmarkt den hoek
omsloegen en verdwenen.

"Heden is dit huis zaligheid geschied en mij ook," sprak Dürer, diep
bewogen. "Nu weet ik het ook heel zeker, dat Doctor Maarten Luther
de zwaan is, waarvan Johannes Hus stervend voorspelde, dat hij over
honderd jaar zou komen. En ik bid van God, dat zijn voorspelling
geheel moge worden vervuld; dat men, nadat men den gans misdadiglijk
heeft gebraden, den zwaan ongebraden zal moeten laten!"



HOOFDSTUK XXVI.

EEN SPOTSCHRIFT.


De ontvangst, die Kardinaal Cajetanus te Rome te beurt viel,
toen hij zonder den aartsketter thuis kwam, was niet bepaald
aangenaam. Begrijpende, dat er met geweld niets viel uit te richten,
wilde de Paus nu iets anders probeeren. Het duurde niet lang, of er
kwam weer een pauselijk zaakgelastigde, die het slimmer aanlegde dan
de onhandige Kardinaal, opdagen, iemand, die den klauw in fluweelen
handschoenen verborg, terwijl hij trachtte den ketter door zijn gevlei
te vangen. En bijna gelukte hem dat ook: hij bracht Luther er toe
te beloven, dat hij zou zwijgen, indien zijn tegenstanders dit ook
zouden doen. Doch deze konden hun mond niet houden en zoo was Luther
ook van zijn belofte ontslagen.

Doctor Eck, professor te Ingolstadt, was de eerste, die den roem
wenschte te behalen om den geweldigen Augustijner te overwinnen. De
welbespraakte man wilde bij een dispuut in het openbaar bewijzen,
dat Luther een leugenprofeet en een kind des duivels was. Wel is
waar, daagde hij eerst niet Luther zelf tot een twistgesprek uit,
maar den Wittenbergschen professor Karlstadt; doch eigenlijk had hij
het toch op Luther voorzien en het gebeurde dan ook, dat, nadat hij
te Leipzig Karlstadt met zijn kwakzalversstem het zwijgen had weten
op te leggen, Doctor Maarten in het strijdperk trad, om een tweeden
kamp te ondernemen.

De oogen van de geheele wereld waren op dit tweegevecht gericht en
in groote spanning wachtte men op den uitslag.

Luther behaalde de overwinning en verkreeg daarbij veel nieuwe
volgelingen; en niettegenstaande dat, ging Eck, die ijdele Eck,
met opgericht hoofd zijn weg en deed alsof hij de overwinnaar was.

Doch daarmee wist hij alleen de aanhangers van Rome en de domme lieden
te misleiden--de overigen waren vertoornd op den schetteraar en des
te meer, toen men tot de overtuiging kwam, dat hij een doortrapt
huichelaar was, die datgene, wat hij met veel drukte verdedigde,
zelf in het geheel niet geloofde.



Wilibald Pirkheimers vrienden merkten in die dagen weinig van
hem. Hij had zich in zijn studeervertrek teruggetrokken en schreef
maar voortdurend.

Alleen Dürer en Doctor Bernard Adelmann werden nu en dan
bij hem toegelaten en op hun vragen naar de oorzaak van zijn
teruggetrokkenheid, antwoordde hij, dat hij geheel in beslag werd
genomen door het bestudeeren van een Grieksch schrijver.

Eenige weken later zag een klein boekje het licht, getiteld: "der
abgehobelte Eck" [24] een woordspeling op Ecks naam, die "hoek"
beteekent. De naam van den schrijver en de plaats van uitgave waren
er niet bij vermeld. Het was een bijtend spotschrift op den doctor
uit Ingolstadt, waarin niet alleen de theoloog, maar ook de drinker
en wellusteling Eck meedoogenloos aan de kaak werd gesteld.

De afgemaakte schuimbekte van woede. Hoe gemakkelijk had hij, die
's Pausen volmacht had, wraak kunnen nemen op den boosdoener, indien
hij hem maar gekend had! Eck stelde alle middelen in het werk om er
achter te komen.

Steeds las hij het geschrift op nieuw om er den schrijver van op
te sporen.

Ha! daar meende hij iets te hebben ontdekt: het moest bepaald door
iemand uit Neurenberg zijn geschreven, verschillende bijkomende
omstandigheden verrieden dit.

Iemand uit Neurenberg--wie kon dat zijn? Wederom peinsde
Eck en hij liet al de geleerden uit die stad aan zijn geest
voorbijgaan. "Spengler?"--Neen, van hem verwacht ik die onhebbelijkheid
niet; is er een ander die Latijn schrijft?--Pirkheimer?--

Op nieuw bestudeerde hij den stijl en nu ging hem op eenmaal een licht
op--hoe was het mogelijk, dat hij zoo lang gezocht en geraden had! Uit
die scherpe woorden keek hem Pirkheimers boosaardig lachend gezicht
aan. En nu kwam er een onheilspellende gloed in de zwarte oogen en
sissend klonk het tusschen de knarsende tanden: "Neem u in acht,
Wilibald, wij rekenen nog eens met elkander af!"

Ook de leden van den Humanistenkring kwamen spoedig op hetzelfde
spoor als Eck en verscheidene vragen werden er tot Pirkheimer over
het auteurschap gericht, doch de wijze, waarop hij het ontkende,
diende er slechts toe, om de verdenking te versterken!

Eck liet niets van zich merken en daardoor verdween langzamerhand
alle vrees uit Pirkheimers hart. Ook werd de aandacht van dit geval
na eenigen tijd afgeleid door een andere gewichtige gebeurtenis,
die aller gedachten innam. Keizer Maximiliaan was in het begin van
't jaar 1519 gestorven en de Rijksvorsten beraadslaagden met elkander
over de keuze van een troonopvolger.

In de laatste jaren van zijn leven had de afgestorvene de keurvorsten
voor zijn kleinzoon Karel, den opvolger der Spaansche kroon, trachten
te winnen, en de uitslag der verkiezing beantwoordde dan ook aan de
wenschen van den ontslapene, al moest het velen verbazen, dat een
man, die, in Spanje opgevoed, zelfs de Duitsche taal niet kende, het
Duitsche Rijk zou regeeren en dat, terwijl hij nog een jongeling was,
die pas twintig maal de rozen had zien bloeien.

Meer dan iemand anders betreurde meester Dürer het heengaan van den
edelen, ridderlijken Maximiliaan. Met hem verloor hij een beschermer,
van wien hij nog veel had verwacht: verdere opdrachten van kunstwerken
en daarbij het jaargeld, dat hem voor zijn werken was beloofd. Wat
kon hij in dit opzicht van den nieuwen keizer verwachten? Hij was hem
geheel vreemd en ongetwijfeld zou hij in de eerste jaren heel wat
anders te doen hebben dan de kunst te beschermen. Toch dacht Dürer
er over, te trachten den nieuwen souverein te naderen en zoowel zijn
vrouw als zijn vrienden versterkten hem in dit plan.

Deze overleggingen en zijn belangstelling in den gang der zaken op
godsdienstig gebied brachten er toe bij, dat hij betrekkelijk weinig
tijd aan de kunst wijdde. Nadat hij nog een tweede en grooter portret
van Kardinaal Albrecht op diens verlangen had gemaakt, wenschte
hij den dierbaren, overleden keizer te verheerlijken door een werk
ter zijner herinnering te maken. Verscheidene malen schilderde hij
's keizers portret in olieverf en ten laatste wijdde hij aan de
gedachtenis van den geliefden vorst een groote houtsnede, die zijn
apotheose voorstelde, zijn opnemen in het Rijk der zaligen. In het
voorhof des hemels knielt Keizer Maximiliaan voor God, den Vader,
en legt schepter, zwaard en rijksappel, waarvan hij nu rekenschap
moet geven, neder aan de voeten van den Heer der heirscharen. Rondom
staan zes der voornaamste heiligen en schutspatronen als vrijpleiters
geschaard. Onder het werk doelen vier latijnsche versregels op de
beteekenis van het geheel.

Dürer had zijn geheele hart in dit werk gelegd en daarin het beste,
wat hij had, gegeven; menige traan was op het papier gevallen, te
meer daar nog een andere slag hem had getroffen en zijn hart had
week gemaakt--zijn oude meester Wolgemut, dien hij als een vader had
bemind en geëerd, was gestorven. Het diepe gevoel, dat de meester in
dit werk had gelegd, het innig weemoedige, dat er uit sprak, miste
zijn uitwerking dan ook niet en maakte ieder pas recht duidelijk,
wat men aan Keizer Maximiliaan had verloren.



HOOFDSTUK XXVII.

IN DE NEDERLANDEN.


Wederom was de ruiter op het vale paard de poort van Neurenberg
binnengereden, wederom woedde de pest in de stad.

Op straat heerschte doodsche stilte, overal was de werkkracht
verlamd, slechts de doodgravers hadden werk in het zweet huns
aanschijns. Geheele families stierven uit, geheele huizen werden
ontvolkt. Hoe grooter de angst en ontzetting werd, des te grooter
buit behaalde de pest en in de harten der menschen doodde de vrees
alle liefde: ieder dacht slechts aan zich zelf en liet de overigen
aan hun lot over.

Op zekeren morgen kwam bij Albrecht Dürer Wilibald Pirkheimer
in reisgewaad. "Ik kom u vaarwel zeggen," sprak hij reeds op den
drempel. "Te Neurenhof op het landgoed van mijn schoonvader is de
lucht onbesmet; daar ben ik van plan te blijven totdat de ziekte
is geweken.--Doch, ik zie dat gij ook op reis gaat?" vraagde hij,
toen hij de kist zag, die Vrouwe Agnes juist bezig was te pakken.

Dürer knikte. "Ja, ook wij zijn van plan ons heil in de vlucht zoeken."

"En waar gaat gij naar toe?"

"De weg wordt mij aangewezen door een wensch, dien ik al lang heb
gekoesterd; ik wil naar de Nederlanden tot den nieuwen keizer gaan,
om mij in zijn bescherming aan te bevelen en van hem te verkrijgen,
hetgeen mij door den dood van keizer Maximiliaan is ontgaan; het
loon voor mijn werk tot een bedrag van 200 gulden en de verzekering,
dat het jaargeld, hetwelk de gestorven keizer mij had toegestaan,
mij steeds zal worden uitgekeerd. De nieuw verkozene is nu op
reis in de Nederlanden, om vandaar voor de kroning naar Aken te
gaan. Tegelijkertijd wilde ik een groet brengen aan de kunstbroeders
in de Nederlanden en van hun kunstwerken genieten. Ik hoop ook vele
mijner werken aan den man te brengen, om daardoor de reiskosten te
kunnen betalen en door menig geschenk hoop ik mij beschermers en
pleitbezorgers te verzekeren."

"Nu, God zij met u, mijn lieve vriend," sprak Pirkheimer bewogen,
"en Hij vergunne ons, nadat de pest is overwonnen, elkaar in welstand
terug te zien!"

Dürer en Vrouwe Agnes gaven hem wederkeerig hun heilbeden mede en
nadat de keizerlijke raadsheer was vertrokken, ging Agnes voort met
de toebereidselen voor de reis.

Dezen keer wilde Dürer zijn vrouw niet alleen achterlaten en zij
ging gaarne met hem mee, want zij voelde een buitengewonen angst voor
de pest.

Den volgenden morgen--het was de 12de Juli 1520--hield een reiskoets
voor Dürers huis stil en het echtpaar, benevens hun meid Susanna,
steeg er in.

In snellen draf ging het naar de Tiergärtnerpoort, om zoo gauw
mogelijk uit de verpeste lucht te komen, en men ademde vrijer,
toen de op grooten afstand zichtbare vesting van Neurenberg uit het
gezicht verdween.

Eerst reed men naar Bamberg. Van den bisschop aldaar hoopte Dürer een
vrijbrief te veroveren, om bevrijd te zijn van de lastige afpersingen
en de groote uitgaven aan de tollen.

Een groote afbeelding der Madonna, de houtsneden uit de Openbaring
van Johannes, het leven van Maria en verscheidene kopergravuren,
die hij als geschenk aanbood, misten dan ook op den hoogwaarden heer
hun uitwerking niet: Dürer kreeg, tegen betaling van een gulden,
niet alleen een bewijs, dat hij ontslagen was van alle tolgelden,
doch de bisschop stelde hem ook vrij van het gelag in de herbergen,
dat een gulden bedroeg.

Hier ging de koetsier uit Neurenberg weer terug en gingen de reizigers
in een schip om tot Mainz te varen.

De vrijbrief beantwoordde aan het doel: ongemoeid en zonder betalen
kon men van de eene plaats naar de andere gaan. Tot Frankfort alleen
had men zesentwintig tollen te passeeren, en als Dürer, zooals later
op den Rijn, bij elken tol twee gulden had moeten betalen, zou het
zijn beurs al heel slecht zijn bekomen.

In Frankfort had men een kort oponthoud. Jacob Heller, voor wien Dürer
vroeger het groote altaarstuk had geschilderd, wilde den vereerden
kunstenaar niet zoo spoedig laten vertrekken en schonk hem den eerewijn
in de herberg.

Nog langer duurde het oponthoud te Mainz, waar een bepaalde wedijver
ontstond, om Dürer met eerbewijzen te overladen en het gelukte hem
pas den 23sten Juli verder te gaan en op een schip den Rijn af naar
Keulen te reizen.

Daar had een vroolijk wederzien plaats met zijn neef Nicolaas, den
zoon van zijns vaders broeder, die vroeger als goudsmid te Neurenberg
was gevestigd geweest en later naar Keulen was verhuisd. Dürer moest
evenwel zijn tijd verdeelen tusschen dit familielid en den heer
Hieronymus Fugger uit Augsburg, die hier vertoefde en den kunstenaar
met vriendschapsbewijzen overlaadde.

Verder ging de reis weer met koets en paarden naar Antwerpen, waar
men den 2den Augustus goed en wel aankwam.

Welk een nieuwe wereld opende zich hier voor Dürers blikken, die
nooit rust vonden. Dat mastenwoud in de haven der Schelde, dat
bonte, drukke gewemel aan den oever! Het boeide hem zoo, dat hij
snel papier en potlood greep om dit tooneel mee naar huis te kunnen
nemen. Spoedig had men een herberg gevonden. De waard Jobst Plankfeldt
was een aangename, goedhartige man en zijn vrouw was even rond als zij
gedienstig was. Na enkele dagen voelden de vreemdelingen zich daar
geheel thuis en vooral de vrouwen konden het best samen vinden. Zij
zaten op een avond gezellig bij elkaar te babbelen aan het avondeten,
toen de waardin sprak: "Wat is uw echtgenoot toch een wereldberoemd
man! Dat zult gij hier in den vreemde eerst recht ondervinden."

Vrouwe Agnes voelde zich gevleid en zei glimlachend. "Ik verheug mij
met hem in de eer, die men hem hier van alle zijden bewijst en vooral,
omdat hier in den beker der vreugde geen bitteren droppel van nijd
of afgunst wordt gemengd, zooals dat te Venetië gebeurde. Iedereen
komt hem met liefde en oprechte bewondering tegemoet. En toch zou ik
die beroemdheid bijna betreuren, want die berooft mij totaal van zijn
gezelschap, zoo dat ik soms in eigen oogen een arme, verlaten weduwe
ben. Als ik u niet had, zou het voor mij aangenamer zijn geweest om
thuis te blijven."

"Gij moet niet ontevreden en onbillijk zijn, Vrouwe Dürer,"
knorde de waardin. "Zijt gij dan niet zelf tegenwoordig geweest
bij het feest, dat onze schilders uw echtgenoot in hun gildekamer
hebben aangeboden? En wie weet, hoeveel eerbewijzen nog voor u zijn
weggelegd!" Het was werkelijk een prachtig feest geweest, dat het
Antwerpsche schildersgild den Neurenberger meester had gegeven. Geheel
onder den indruk daarvan was Dürer thuisgekomen en hij had het volgende
in het dagboek zijner reis geschreven:

"Des Zondags, op St. Oswaldsdag, noodigden de schilders mij, mijn
vrouw en de meid uit om in hun kamer te komen. Zij hadden overal
zilver vaatwerk en veel pracht aangebracht en voor overheerlijke
spijzen gezorgd. Hun vrouwen waren ook tegenwoordig en toen men mij
naar tafel geleidde, stonden allen aan beide zijden geschaard, alsof ik
een vorst was. Er waren zeer aanzienlijke personen onder hen, mannen,
die diep eerbiedig voor mij bogen en zeiden, dat zij zooveel in hun
vermogen was, wilden doen om het mij aangenaam te maken. En toen ik was
aangezeten, kwam de bode van den Raad van Antwerpen met twee knechts,
die mij uit naam van de raadsheeren twee kannen wijn aanboden; zij
lieten mij zeggen, dat zij mij hiermee eer wilden bewijzen en hoopten,
dat het mij aangenaam zou zijn. Ik betuigde hen mijn hartelijken dank
en bood mijn diensten aan. En toen wij langen tijd vroolijk bij elkaar
hadden gezeten en het laat in den nacht was geworden, deden zij ons
de eer ons met fakkels naar huis te begeleiden en verzochten ons hun
diensten te willen aannemen, want zij wilden mij gaarne in alles, wat
mij genoegen kon doen, ter wille zijn. Ik dankte hen en ging naar bed."

In Antwerpen was veel te zien. In de eerste plaats maakte de
schilderkunst aanspraak op Dürers belangstelling.

In Quinten Metsys leerde hij een kunstenaar, voor wien hij het hoofd
moest ontblooten, kennen. Bijzonder genot verschafte hem het arsenaal,
waar in de groote zaal de kunstenaars bezig waren de reusachtige
triomfbogen, die dienst moesten doen bij den feestelijken intocht
van Keizer Karel op den 25sten September, te schilderen. Vierhonderd
bogen, elk veertig voet breed en twee verdiepingen hoog, zouden op
straat worden opgericht--een reuzenwerk, wel waard te worden bewonderd.

Daarbij ontbrak het Dürer niet aan uitnoodigingen om zelf te
schilderen, want de velen, die hem met hun eerbewijzen overlaadden,
wilden ook gaarne iets van zijn hand tot aandenken hebben, en daarom
was hij wel verplicht nu en dan een uurtje er af te nemen, om dezen
plicht der dankbaarheid te vervullen.

Vooral voelde hij zich hiertoe gedrongen tegenover den man, op wiens
persoonlijke kennismaking hij zich in het bijzonder had verheugd,
Erasmus van Rotterdam, den grooten geleerde en het orakel van zijn
tijd, tot wien de geheele beschaafde wereld met onbeperkt vertrouwen
opzag en van wien men hoopte, dat hij in zake Luther, het gewicht
van zijn invloed in de weegschaal zou werpen.

De beide groote mannen behandelden elkaar bij hun ontmoeting wederzijds
met den eerbied, die elk toekwam en zij voelden zich sterk tot
elkaar aangetrokken. Uit dankbaarheid voor het geschenk van Erasmus,
bestaande uit een Spaansch manteltje en verscheidene teekeningen,
schilderde Dürer het portret van den geleerde op meesterlijke wijze,
waarvan hij later een copie meenam om op koper te graveeren.

Het kostte hem moeite om afscheid te nemen van Antwerpen, waar hij
zooveel liefde en eer had genoten, maar het was zijn plan om verder
naar Brussel te gaan.

Op den 16den Augustus aanvaardde hij de reis in gezelschap van den
Genuees Tomaso Bombelli, een der rijkste kooplui in zijde van Antwerpen
en tegelijkertijd penningmeester der Landvoogdes der Nederlanden, de
Aartshertogin Margaretha, die den meester evenals andere buitenlanders
met eerbewijzen had overladen.

In Brussel werd hij aangenaam verrast, toen hij drie Neurenberger
heeren onverwacht op straat ontmoette; het waren de raadsheeren: Hans
Ebner, Leonard Groland en Nicolaas Haller, die, als afgezanten van
den Raad, de rijksinsignes voor de kroning moesten overbrengen. De
heeren wilden ook van hunnentwege hun beroemden stadgenoot een
onderscheiding bewijzen en namen zijn onderhoud geheel voor hun
rekening. Het was echter niet noodig hem daar bekend te doen worden,
want in Brussel herhaalden zich dezelfde tooneelen als te Antwerpen
en het kostte Vrouwe Agnes menigen zucht zich steeds zoo eenzaam en
verlaten te gevoelen.

Voor den kunstenaar daarentegen waren het dagen van het hoogste genot;
zijn oog, oor en hart genoten oneindig. Ten laatste was het hem ook
nog vergund bij de Landvoogdes te worden toegelaten; zij was een
fijnbeschaafde, met de kunst dwepende vrouw, die hem ook beloofde
zijn voorspraak bij Koning Karel te zullen zijn.

Den 2den September keerde hij uiterst voldaan naar Antwerpen terug,
om daar den keizer, af te wachten, voor wiens ontvangst alles in rep en
roer was en vol ijver om de stad in een tooverpaleis te herscheppen. De
keizerlijke stoet naderde langzaam de poort, de lucht weergalmde van
de juichkreten der dicht op elkaar gedrongen, geestdriftvolle menigte,
maar de jonge keizer scheen weinig oog te hebben voor al die pracht
en heerlijkheid, en menigeen, die wist welke verbazende onkosten men
had gemaakt, schudde wrevelig het hoofd.

Van Antwerpen ging de keizer verder naar Aken voor de kroning en Dürer
volgde hem naar die stad, omdat hij te Antwerpen geen gelegenheid had
gehad om hem te naderen. Te Aken ontmoette hij weer de Neurenberger
gezanten, die hem in hun kring opnamen en alle onkosten voor zijn
onderhoud betaalden, waarvoor hij hun zooals vroeger met zijn kunst
zijn dankbaarheid betuigde.

Den 23sten October had de kroning plaats. Op den avond van dien dag
schreef Dürer in zijn boek: "Heden zag ik zooveel pracht en praal,
als geen sterveling ooit schooner zag."

Was het in Antwerpen hem reeds onmogelijk geweest zijn verzoek bij
den keizer in te dienen, te Aken viel er in 't geheel niet aan te
denken en er bleef dus niet anders over dan den vorst naar Keulen
te volgen. Daar eindelijk op den 12den November bereikte hij met
veel moeite zijn doel, tenminste in zoover, dat het uitbetalen der
lijfrente hem werd verzekerd--maar van de andere verplichtingen wilde
Keizer Karel niets hooren.

Verheugd, dat hij tenminste in hoofdzaak was geslaagd, keerde hij
van Keulen terug, om weer te gaan naar de Nederlanden, waar hij den
winter wilde doorbrengen.

Den 27sten November was hij weer in Antwerpen bij Agnes, wier
vreugde over het weerzien eenigszins werd vergald door het ongeluk,
dat haar onlangs in de Lievevrouwekerk op St. Maarten was overkomen,
toen een dief haar tasch met twee gulden en verscheidene sleutels
had losgesneden en gestolen.

Dit verlies bezorgde Dürer ook wel eenige spijt, doch hij troostte
zich, toen iets anders zijn aandacht in beslag nam en wel, de tijding,
dat de zee bij Middelburg een reusachtigen walvisch op het droge
had aangespoeld. Hij liet zich noch door de winterkou, noch door den
afstand weerhouden om dit wonder der natuur te gaan zien. Den 7den
December ondernam hij met eenige kennissen te paard den tocht naar
Middelburg en hij kwam pas den 14den terug.

Vrouwe Agnes ontving hem met vreugde, want zij was bang geweest,
dat het gure weer haar man kwaad zou doen.

"Ja, gij, kunt nu wel blij zijn," sprak hij, terwijl hij haar aan
zijn hart drukte, "want gij hebt uw man weer terug, maar ik heb weinig
voldoening van de reis, want het wonder heb ik niet mogen aanschouwen,
omdat de zee het weer had teruggehaald en daarbij scheelde het bitter
weinig of ik had er het leven bij ingeschoten."

En nu vertelde hij aan zijn ontstelde vrouw, hoe zijn schip tegen
een ander was aangevaren en daardoor beschadigd was geworden,
waarna het zonder anker de zee was ingedreven en daar zoo lang had
rondgezwalkt, dat de bemanning reeds alle hoop had opgegeven en hun
zielen in Gods handen had bevolen, totdat de hemel genadig hulp in den
hoogsten nood had gezonden. Nu begon te Antwerpen het oude leventje
weer. Indien hij gelegenheid had, verkocht hij zijn schilderijen,
om voor de opbrengst allerlei voorwerpen, die hij gaarne in zijn
bezit had, of waarmee hij bij zijn thuiskomst anderen een genoegen
wilde bereiden, te koopen; nog meer gebeurde het, dat hij zijn werk
weg gaf om ondervonden vriendelijkheid ruimschoots te vergelden of
voorkomend anderen pleizier te doen.

Natuurlijk namen zijn vereerders zijn tijd weer zeer in beslag. Een
paar dagen na vastenavond schreef hij in zijn dagboek: "Eergisteren had
ik een uitnoodiging om met mijn vrouw de gast van het goudsmidsgild te
zijn. Bij die gelegenheid leerde ik veel wakkere mannen kennen en werd
ons een heerlijke maaltijd bereid, terwijl iedereen om 't hardst mij
eer bewees. Des avonds was ik bij den ouden schout genoodigd, waar ik
ook rijkelijk werd onthaald en met veel eerbewijzen overladen. Vele
bijzondere maskers en costuums lieten zich dien avond zien en over
het algemeen was alles prachtig ingericht. 's Maandagsavonds was ik
uitgenoodigd bij den heer Lopez op een groot festijn, dat tot twee
uur duurde en bijzonder kostbaar was. Van den heer Lorenz Stark
kreeg ik een Spaanschen pels ten geschenke. Ook op dit feest zag
men veel schitterende gecostumeerden en gemaskerden, vooral de heer
Tomaso Bombelli."

Eindelijk kreeg meester Dürer toch wel wat te veel van het goede dezer
aarde en kwam de gedachte aan terugkeeren naar huis in zijn hart op,
te meer toen hij voelde, dat zijn gezondheid niet meer zoo goed was
als vroeger en de eene stuiver na den anderen in de apotheek verzeilde.

Om niet al te veel met bagage te zijn belast, stuurde hij den
19den Maart, toen er zich een gelegenheid aanbood, een groot deel
der verkregen schatten vooruit en toen kon men eens goed zien, aan
hoeveel vrienden de goedhartige, milde man had gedacht. Niet alleen
aan zijn familieleden en vrienden zond hij een geschenk, ook anderen,
die hem op de een of andere wijze vriendelijkheid hadden bewezen,
vergat hij in den vreemde niet; en Vrouwe Agnes, die berekende hoe
hoog de uitgegeven som beliep, vond het bijna al te veel.

Nu had hij evenwel de groote steden Brugge en Gent nog niet gezien en
men zeide hem, dat het toch al te jammer zou zijn, indien hij in deze
middelpunten der kunst, waar hij nu zoo dicht bij was, niet eenige
weken vertoefde.

Ook hier was zijn roem hem reeds vooruitgegaan; ook hier ontving men
hem met bijzondere eerbewijzen. Ofschoon verheugd over al het genot,
dat hij had gesmaakt, keerde hij in eenigszins gedrukte stemming
naar Antwerpen terug. Hij wist zelf niet, wat hem scheelde, maar
het eten smaakte hem niet, zijn hoofd was zwaar en vermoeid en zijn
voeten weigerden bijna hem te dragen. De geneesheer, die op verzoek
van zijn bezorgde vrouw, verscheen, meende dat hij zware koorts zou
krijgen en beval vóór alles volkomen rust aan.

Den volgenden morgen kwam Vrouwe Agnes doodsbleek bij de waardin
binnenloopen en riep: "Help mij--mijn man, mijn man!"

De waard en waardin gingen terstond met haar mee en vonden Dürer,
bleek en met gesloten oogen, in bed liggen. Zij dachten, dat hij dood
was. Het was echter slechts een langdurige bezwijming, waaruit het
den dokter gelukte hem weer bij te brengen. Doch de koorts wilde niet
wijken en nam integendeel steeds in hevigheid toe, zoodat Vrouwe Agnes
in den angst haars harten niet wist wat te beginnen. "Ach, dat wij
nu juist hier in den vreemde moeten zijn!" jammerde zij. "Gave God,
dat wij toch reeds thuis waren!"

Er volgden moeilijke dagen en weken, voordat de beangstigde vrouw
kon herademen en innig dankbaar drukte zij den waard en zijn vrouw
de hand voor de groote liefde, waarmee zij haar hadden bijgestaan,
alsof zij een lid der familie was geweest.



HOOFDSTUK XXVIII.

EEN LIJKZANG.


Op een dag in Mei van het jaar 1521 zat Dürer alleen in zijn
kamertje. Op zijn gelaat waren de sporen van zijn ziekte nog duidelijk
zichtbaar en daarbij lag er nog een heel bijzondere treurigheid,
die zich nu en dan in een diepen zucht uitte, op te lezen.

Al de verstrooiingen van de reis hadden hem den man, wien hij voor het
heil van zijn ziel zooveel was verplicht, niet doen vergeten. Elk
nieuw uitgekomen boekje van Luther, dat hij onder de oogen had
gekregen, had hij gekocht en ijverig bestudeerd. Ook te Antwerpen,
waar hij veel tijd met de Augustijnermonniken had doorgebracht, had
het hem aan tijdingen omtrent Luthers lot niet ontbroken. Hij had hun
angst gedeeld, toen men hoorde, dat Luther door den Paus in den ban
was gedaan en met hen gejuicht, toen men de koene daad van den man
Gods vernam, om de pauselijke bul in het openbaar te verbranden,
waarmee hij bekende zich te hebben vrijgemaakt van de kerk des
Pausen, om alleen voor Gods eer te ijveren, nadat de opvolger van
Petrus den Heer Jezus opnieuw had verloochend. Eindelijk was het
bericht gekomen, dat Doctor Maarten zich te Worms voor den Keizer en
het Rijk zou verantwoorden, en zijn ziel had toegejuicht den held,
die alle waarschuwingen ten spijt, besloten was naar Worms te gaan,
al zouden daar ook evenveel duivels als pannen op de daken zijn.

Nu was er evenwel een nieuw, verpletterend bericht verspreid. Maarten
Luther, die op den Rijksdag met heldenmoed de waarheid van het
Evangelie had beleden en zich niet door het tandgeknars zijner
tegenstanders tot herroepen had laten dwingen, zou op den terugweg
verraderlijk zijn gevangen genomen en verdwenen, en behoorde nu
waarschijnlijk niet meer tot de levenden.

Nadat Dürer langen tijd met strakke blikken treurend had neergezeten,
nam hij zijn dagboek en gaf daarin lucht aan de smart, die hem
vervulde, met de woorden:

"Ach, Heer des Hemels, welke tijding omtrent Luther, den man Gods,
moet ik daar vernemen.

"Men dacht, dat hij veilig was door het vrijgeleide van een keizerlijk
heraut; maar toen zij bij Eisenach in een onherbergzaam oord waren
gekomen, had deze gezegd, dat Luther hem nu niet meer noodig had
en was hij weggereden. Spoedig werd de verraden, vrome, met den
H. Geest bezielde man, de heraut van het Christelijk geloof, door tien
ruiters omsingeld en ontvoerd. En of hij nog leeft, of dat men hem
heeft vermoord--ik weet het niet--zoo heeft hij dit lijden doorstaan
ter wille der Christelijke waarheid en omdat hij het onchristelijk
pausdom heeft bestraft, dat door het opleggen van zijn lasten, de
verlossing door Christus teweeggebracht, wederstaat. En ook daarom
heeft hij het geleden, omdat wij worden beroofd en uitgeplunderd en
ons datgene, wat wij in het zweet onzes aanschijns hebben verworven,
wordt ontnomen, opdat het op die wijze verkregene schandelijk door
nietsdoeners kan worden verteerd, terwijl dorstige, kranke menschen
van gebrek sterven. En bovenal bezwaart mij de vrees, dat God ons
misschien nog langer wil laten zuchten onder het juk der blinde,
valsche leer, die door menschen is bedacht en uitgevonden, waardoor
het heerlijk Evangelie ons op vele plaatsen verkeerd wordt uitgelegd
of ons geheel wordt onthouden.

"Ach, God in den Hemel, erbarm u onzer. O Heer Jezus Christus, bid voor
Uw volk, verlos ons te rechter tijd, bewaar in ons het echte, ware,
Christelijke geloof, verzamel Uw verdwaalde schapen door uw stem uit
de Schrift; help ons, dat wij Uw stem mogen kennen en geen verlokkend
geluid van menschelijke dwaling volgen, opdat wij, Heer Jezus Christus
niet van U wijken. Roep de schapen Uwer weide, die nog voor een deel
in de Roomsche kerk worden gevonden, en die door het opleggen van
lasten en de geldzucht des Pausen, door een valsche leer bedrogen,
zijn verstrooid, bij elkaar, desgelijks ook de Indianen, Moscovieten,
Russen en Grieken. Ach God, verlos Uw arm volk, dat door groote
pijn en tyrannie wordt gedwongen, tot dingen, die het tegenstaan,
en waardoor het steeds tegen zijn geweten moet zondigen. O, God,
nooit hebt gij met geboden der menschen een volk zoozeer belast als
ons, armen, onder het juk van Rome; terwijl wij toch, verlost door uw
bloed, vrije Christenen zijn moesten. O, almachtige, hemelsche Vader,
beschijn ons door Uw Zoon, Jezus Christus, met zulk een licht, dat
wij daarbij duidelijk kunnen zien, welke geboden wij moeten houden,
opdat wij de andere lasten, met een vrij geweten, op zijde kunnen
zetten en U, hemelschen Vader met een blij hart mogen dienen.

"En indien het waar is, dat wij hebben verloren den man, die
duidelijker heeft geschreven dan iemand anders, die in de laatste
tijden heeft geleefd, en die Gij zoo door Uw Geest hebt verlicht, dan
bidden wij U, o hemelsche Vader, dat gij Uw H. Geest wilt geven aan een
anderen man, die uw heilige Christelijke kerk van alle zijden weder
bijeenbrenge, opdat wij weder als Christenen mogen leven, en anderen
door ons leven bekeerd worden en het Christelijk geloof mogen aannemen.

"Maar, Heer, het is uw wil, voor dat gij oordeelt, dat evenals Uw
Zoon, Jezus Christus, door de priesters werd gedood en, uit den dood
opgestaan, ten hemel voer, het met Uw volgeling, Maarten Luther,
die door den Paus verraderlijk om het leven wordt gebracht, eveneens
zou gaan; hem zult gij verkwikking bereiden. En zooals gij over
Jeruzalem het oordeel van verwoesting hebt uitgesproken, zoo zult gij
ook de macht, die de stoel van Rome zich heeft aangematigd, te niet
doen. Och Heer, geef ons daarna het nieuwe, heerlijke Jeruzalem, dat
uit den hemel nederdaalt, waarvan in de Openbaring wordt gesproken;
het heilige, zuivere Evangelie, dat niet door de leer der menschen
is verduisterd.

"Opdat zulks geschiede, geef, dat ieder, die Luthers boeken leest,
zien moge hoe helder en duidelijk de leer is, die hij naar het
Evangelie verkondigt. Daarom moet men die boeken in waarde houden en
ze niet verbranden; beter ware het, dat men zijn tegenstanders, die
de waarheid wederstaan, in het vuur wierp met al hun leerstellingen,
die de menschen tot goden verheffen. Dat er toch nieuwe uitgaven
van Luthers boeken mochten verschijnen! O God, als Luther dood is,
wie zal ons dan in het vervolg het heilig evangelie zoo duidelijk
verklaren? Ach, God, wat zou hij in tien, twintig jaren nog veel voor
ons hebben kunnen schrijven! O gij, alle vrome christenen, beweent
met mij dezen, door Gods Geest bezielden man en laten wij Hem vragen
om ons een ander door den H. Geest verlicht man te zenden!

"O Erasmus van Rotterdam, waar blijft gij? Zie, wat de tyrannie der
onrechtvaardigen, de dwingelandij der wereldlingen, de macht der
duisternis vermag! Hoor, gij, strijder voor Christus, rijd naast
den Heer Jezus, bescherm de waarheid, verover de martelaarskroon,
gij zijt toch ook reeds een oud man. Ik heb van u gehoord, dat gij
u zelf nog twee jaren in staat acht om tot iets nut te zijn. Gebruik
die jaren voor het Evangelie; verhef uw stem, dan zullen de poorten
der hel, dan zal Rome niets tegen u vermogen. En als gij hier aan uw
Meester, Christus, gelijkvormig wordt en schande wilt lijden door de
leugengeesten van onzen tijd, waardoor gij misschien een weinig vroeger
zoudt sterven, dan zoudt gij te eerder uit den dood tot het leven komen
en door Jezus Christus worden verheerlijkt. Want indien gij uit den
beker drinkt, dien Hij heeft gedronken, dan zult gij met Hem regeeren
en rechtvaardig oordeelen, hen, die dwaas hebben gehandeld. O Erasmus,
handel zoo, dat God u roemen kan, zooals er van David staat geschreven,
want gij kunt het, voorwaar, gij kunt Goliath dooden; Uw God beschermt
de heilige, christelijke kerk. Leid ons in de eeuwige zaligheid, God,
Vader, Zoon en Heilige Geest, Gij, eeuwig God. Amen."

Dürer legde de pen neder en veegde zijn oogen af. Het was hem een
verluchting, dat hij zijn vol hart eens had uitgestort.

Maar het was hem nog niet genoeg: spoedig greep hij een stuk krijt en
gebruikte de kunst als tolk van zijn gevoel en als troosteres in zijn
smart. En op den grijsblauwen grond werd een cherubijn zichtbaar, die
jammerend, met de vleugels het aangezicht bedekt, alsof hij wil zeggen:

"Ach, dat gij zijt heengegaan, Maarten Luther, gij, profeet des
Allerhoogsten!"



HOOFDSTUK XXIX.

NEURENBERG BOVEN ALLES.


De zomer was in het land gekomen, en Dürer, die de eerste bezending
goederen door andere naar Neurenberg had laten volgen, dacht er nu over
om naar huis terug te keeren. Hij durfde de reis nu wel ondernemen,
omdat zijn lichaamskrachten weer voldoende waren teruggekeerd.

Op St. Pieter en Paulus, den 29sten Juni, zat hij met zijn vrouw
in het kamertje de som der gemaakte onkosten te berekenen. Hij had
veel uitgegeven zoowel in geld als aan kunstwerken, want Dürer was
hooghartig en had de ondervonden vriendelijkheid rijkelijk vergolden
en soms meer gegeven, dan hij kon. Het was een heele som, toen hij
berekende wat hij in al dien tijd met teekenstift of penseel voor de
menschen had gewerkt--hij had voor niet minder dan honderd vijftig
personen hun portret gemaakt met potlood, houtskool of in kleuren
en toen Vrouwe Agnes hem vraagde, wat hem al die moeite en arbeid
had opgebracht, lachte Dürer en zei: "Het grootste gedeelte van mijn
arbeid heeft mij niets opgebracht, en toen ik mij voorstelde uit de
Nederlanden een goede winst mee te brengen, heb ik mij bedrogen. Nu
ben ik wel genoodzaakt honderd gouden guldens te leenen om naar huis
te kunnen gaan en gelukkig heeft de heer Imhoff zich daartoe bereid
verklaard."

Vrouwe Agnes was hierover wel wat ontstemd en antwoordde: "Ik had
wel kunnen denken, dat het zoo zou gaan. Gij verstaat nu eenmaal
de kunst niet om schatten op te leggen. Gij geeft veel meer weg dan
gij krijgt en hebt u menig keer in den nek laten zien. Maar over die
schade zou ik mij nog wel kunnen troosten, als die walvisch er maar
niet was geweest."

"De walvisch?" vraagde Dürer verwonderd.

"Ja zeker," sprak Vrouwe Agnes met nadruk, "aan dat monster alleen
wijd ik uw ziekte." Juist toen Dürer iets wilde antwoorden, werd er
geklopt en kondigde de waardin een bediende van den Raad der stad
aan. De man bracht de groeten van den eersten burgemeester over aan
den heer Albrecht Dürer en noodigde hem uit den volgenden morgen op
het raadhuis te verschijnen.

Op den bepaalden tijd ging Dürer daarheen en hij werd door de
hoogmogende heeren met bijzondere vriendelijkheid ontvangen.

"Wij vernemen, dat gij op het punt zijt naar Neurenberg terug te
keeren en wilden u daarom eerst vragen, hoe het u in het algemeen in
de Nederlanden en in het bijzonder in Antwerpen is bevallen?"

Dürer verzekerde, dat het hem zeer moeilijk viel te scheiden van een
stad, waar hij niet alleen geboeid was door haar grooten rijkdom en
heerlijke kunst, maar waar hem ook veel liefde en eer was te beurt
gevallen.

Toen kwam er een eigenaardig lachje op het gelaat van den heer, die op
Dürer toetrad en zijn hand op diens schouder legde, terwijl hij zei:
"Meester Dürer, ik weet er wel raad op, hoe gij aan dit moeilijke
afscheid zoudt kunnen ontsnappen: blijf hier! Geloof mij, gij zult
nog veel meer liefde en eer ondervinden, wanneer gij u voor altijd
bij ons wilt voegen! In naam van den Raad van Antwerpen bied ik u ten
eerste een vast jaargeld van driehonderd gulden aan, ten tweede een
stevig gebouwd, fraai woonhuis als eigendom, ten derde vrijdom van alle
belastingen en ten vierde ruime belooning voor alles, wat gij nog voor
den Raad zult werken. Ik verberg u niet, waarde Meester, dat Antwerpen
trotsch zou zijn, als de naam Albrecht Dürer op de lijst harer burgers
stond. Beslis dus en geef mij uw belofte te zullen blijven."

In pijnlijke verwarring stond Dürer daar. Die groote goedheid en
welwillendheid drukten hem als een last. Dat was toch waarlijk hem het
afscheid niet gemakkelijker maken! Want hoe schitterend de beloften ook
waren, hij kon ze toch niet aannemen. Aan Neurenberg hing zijn hart,
daar was hij ingeburgerd en zich een tehuis te scheppen in den vreemde
was hem onmogelijk. Nimmer zou dat zijn werkelijk tehuis kunnen zijn.

Hij overwoog deze gedachten, terwijl hij eenigen tijd zwijgend voor
den burgemeester stond, en deze, die zijn stilzwijgen naar zijn eigen
wenschen uitlegde, trachtte door het herhalen zijner dringende beden
hem tot blijven over te halen.

Nu was Dürer zich zelf weer meester en hij antwoordde: "God zegene
u voor de welgemeende vriendelijkheid, die gij mij bewijst. Het
smart mij, dat ik zooveel welwillendheid met een weigering moet
beantwoorden. Ik ben een kind van Neurenberg, mijnheer, Neurenbergsche
lucht heb ik van mijn vroegste jeugd af ingeademd, Neurenberger kunst
is mijn denken en leven en daarom behoor ik daar thuis en kan ik
niet tieren op een anderen bodem. Laat mij naar mijn geboorteplaats
terugkeeren, mijnheer--wat zoudt gij hebben aan iemand, wiens ziel
krank was en wiens hand verlamde!"

De burgemeester keek droevig en teleurgesteld. Hij deed geen enkele
poging om den meester tot andere gedachten te brengen, want aan den
klank zijner stem hoorde hij, dat er voor Antwerpen hier niets meer
was te hopen. En daarom nam hij van Dürer afscheid met de verzekering
van zijn groote spijt en teleurstelling. Tweemaal was de verzoeking,
om zijn geboorteplaats ontrouw te worden, Dürer genaderd: zestien
jaar geleden te Venetië, waar de Signoria hem door de aanbieding van
tweehonderd ducaten had getracht bij zich te houden en nu hier te
Antwerpen; doch beide keeren behaalde de trouw de overwinning.



HOOFDSTUK XXX.

OOK EEN HERVORMINGSPREEK.


Bijna twee jaren waren voorbijgegaan.

In de week vóór Paschen van het jaar 1523 zat Albrecht Dürer met zijn
vrouw aan de groote tafel in de pronkkamer. Hij las met eerbiedig
gevouwen handen uit een groot boek, dat voor hem lag. Het was het
Nieuwe Testament, dat Doctor Maarten Luther in de eenzaamheid zijner
cel op den Wartburg in Duitsch gewaad had gestoken.

Op de terugreis had Dürer al spoedig gehoord, dat Luther niet dood
was, en die tijding had hem met nieuw leven bezield. Hij voelde zich
krachtiger en wat hij bij zijn terugkomst te Neurenberg had gezien,
was ook geschikt geweest om hem den moed terug te geven en een loflied
tot Gods eer op zijn lippen te leggen.

Voor alle andere steden was het Neurenberg geweest, die zich Luthers
zaak had aangetrokken. De adellijke geslachten waren voorgegaan met de
belijdenis van het Evangelie en hadden het mindere volk achter zich
aan getrokken. De Raad, wiens leden bijna allen beslist evangelisch
waren gezind, was in een moeilijke verhouding tot den Keizer, den Paus
en de bisschoppen gekomen, doch wist met bewonderenswaardige wijsheid
het scheepje hunner regeering over alle golven en klippen heen te
sturen. Doch Dürer had zijn vriend Pirkheimer in deerniswaardigen
toestand gevonden. Doctor Eck had zich werkelijk op hem gewroken en van
den Paus weten te verkrijgen, dat er in den naar Luther geslingerden
banbrief nog enkele andere namen waren opgenomen, waaronder Wilibald
Pirkheimer behoorde. Luther, die ridder zonder vrees en blaam, had
de pauselijke bul in het vuur geworpen en daarmee den Paus moedig
getrotseerd--Pirkheimer had evenwel den moed niet gevoeld om dien
held na te volgen.

Nadat hij te vergeefs had geappelleerd, kwam hij er toe om het
trotsche hoofd te buigen en zijn woorden te herroepen. Sinds dien
dag was hij geheel veranderd. Het bewustzijn, dat hij zijn innigste
overtuiging had ten offer gebracht, had den hoogmoedigen man gebroken
en maakte hem, die ook nog door het podagra werd gekweld meer en meer
eenzelvig. De leelijke zijde van zijn karakter kwam steeds meer op
den voorgrond, zoodat hij zich iedereen tot vijand maakte en voor
de weinige overgebleven vrienden een niet te genieten gezelschap
was. Hoe meer echter anderen zich van hem aftrokken, des te meer
moeite gaf hij zich om de vriendschap te behouden van dien eenen,
met wien hij van jongs af één hart en één ziel was geweest. En van
zijn kant deed Dürer al zijn best Pirkheimers zwakheden te verdragen
en hem weer eenigszins met het leven te verzoenen.

Het deed Dürer echter innig verdriet, dat zijn vriend hem niet
wilde volgen op den weg van het Evangelie. Het werd hem nu steeds
duidelijker, dat Pirkheimers geestdrift voor Luther niet was
voortgekomen uit een hart, bezield van de waarheid van Gods Woord,
maar ontstaan was uit den waan, dat Luther tot de humanisten behoorde
en met hem wilde strijden tegen de domheid en het bijgeloof van zijn
tijd; hij dacht, dat protesteeren Luthers eenig doel was. Toen Dürer,
overgelukkig in het bezit van het Nieuwe Testament in het Duitsch,
daarmee naar Pirkheimer was gesneld, was hij teleurgesteld en bedroefd
teruggekeerd, toen hij de onverschilligheid, waarmee zijn vriend dien
heerlijken schat had beschouwd, gezien had.

Uit deze droefenis wekte hem het heerlijke lied van den Wittenberger
nachtegaal, dat zijn medeburger, de meesterzanger Hans Sachs, had
laten weerklinken en waarin zijn hart mede jubelde--het klonk als
het geroep van den wachter, dat vele slapenden wakker schudt.

Nog werd zijn hart verkwikt en zijn geloof versterkt, toen hij
hoorde, dat de Prior uit het Augustijnerklooster te Antwerpen, die
zoo vriendelijk voor hem was geweest, ter wille van het Evangelie
in den kerker geworpen en ten vure gedoemd, als door een wonder
was ontkomen en veilig Wittenberg had bereikt. Ook zijn opvolger,
Hendrik van Zutfen, had zich daarheen begeven, toen de beulen hem
van den kansel hadden gerukt, doch de burgers hem uit den kerker
hadden bevrijd. En niet minder was zijn geloof versterkt door den
moed der twee monniken uit Brussel, Hendrik Voes, en Johannes Esch,
die andere afvalligen tot beschaming, met vreugde hun leven op den
brandstapel hadden geofferd voor het Evangelie.

Nu zat meester Dürer dus over zijn Duitschen bijbel gebogen en kon niet
genoeg er in lezen. Wel had hij Gods Woord reeds in het Duitsch gelezen
in de vertaling, die bij Anton Koburger het licht had gezien,--doch
wat voor Duitsch was dat! Het klonk als ravengekras vergeleken bij
het liefelijk gezang van den Wittenbergschen nachtegaal, dat het oor
streelde en van daar in het hart weerklonk. En zijn bewondering en
vereering voor het uitverkorene werktuig des Heeren namen voortdurend
toe.

Heden had het lezen in de Schrift nog een heel bijzonder doel. Hij
wilde zich voorbereiden op den ernstigen gang, dien hij met zijn
vrouw wilde ondernemen. Aan de algemeene begeerte gehoor gevend,
hadden de geestelijken van de St. Lorens- en Sebalduskerken besloten
nog een schrede voorwaarts te doen en het heilig Avondmaal volgens
instelling van Christus met brood en beker te vieren. Het duurde niet
lang of de klokken begonnen te luiden en de meester stond op om zijn
besten pelsmantel aan te doen; Vrouwe Agnes was reeds gekleed in haar
feestgewaad en wachtte op haar echtgenoot.

Op straat kwamen zij spoedig in het gedrang, want het volk stroomde
naar het bedehuis. Plechtig begon de heilige handeling. Aller hart
was diep getroffen door de woorden van den prediker en toen brood en
wijn werden rondgedeeld, voelde menig wakkere man een traan over zijn
wangen rollen.

Thuisgekomen sloot Dürer zijn vrouw in zijn armen en zeide: "Mijn
ziel maakt groot den Heer en mijn geest verheugt zich in God, mijn
Zaligmaker. Nu weet ik, dat Hij in mij leeft; Hij, die voor mij den
dood is ingegaan en die al mijn hoop is. O man Gods, Maarten Luther,
God zegene en behoede u! Hoe zal ik u vergelden, wat gij aan mij
hebt gedaan!"

Nog menig hinderpaal stond aan de ongestoorde uitbreiding der
Hervorming in den weg: de zaak des Heeren liep nog meer gevaar,
te worden geschaad door den dollen, oproerigen geest, die zich door
een verkeerd begrip van Christelijke vrijheid van den boerenstand had
meester gemaakt en door de waanzinnige dwepers, in wier oogen Luther
nog een halve papist was, en die hem "het gemakzuchtige vleesch"
scholden, dan door de woede van Rome. Maar juist te midden van deze
troebelen betoonde de Wittenberger monnik zich als de ware profeet
des Allerhoogsten en zijn aanzien steeg tot een reusachtige hoogte
in de oogen van hen, die hem begrepen, toen de wilde golven waren
bedaard en de stuurman met eerbiedwekkende kalmte aan het roer stond.

Dürer was vol van Gods Woord; als een dauwdroppel vol van
zonneschijn. Niet alleen las hij de Schrift, maar hij leefde er in
en hij voelde weder de behoefte, om wat hij zelf had doorleefd op
zijn eigen wijze aan het volk te verkondigen.

Wat Hans Sachs in woorden zeide, wilde hij in kleuren duidelijk
maken. En daarom greep hij weder naar het penseel, voelende dat hij
nog nooit met zooveel bezieling en geestdrift voor den schildersezel
was getreden; hij had een voorgevoel, dat, wat hij nu ging scheppen,
het allerbeste, wat zijn hand ooit gemaakt had, zou zijn.

In plaats van Maria, in wier verheerlijking hij zich tot nu toe
had verlustigd, bood hij der wereld het beeld van den Verlosser
aan. Evenals Luther Christus en Zijn alleenzaligmakende verdienste in
nieuwe talen predikte, zoo schilderde Dürer den Heer voor de oogen des
volks, hetzij in gesprek met de discipelen na het Heilig Avondmaal,
hetzij als offer op het kruishout, of alleen het hoofd vol bloed en
wonden. Op het laatste had hij al zijn kracht geconcentreerd; het was
als uit de diepste diepte van zijn ziel voortgekomen. Nooit was Jupiter
schooner, machtiger, aangrijpender door den besten der oud-Grieksche
schilders afgebeeld geworden, dan de Christus hier door meester Dürer.

En evenals Dürer Christus, den Verlosser, in zijn werk verheerlijkte,
zoo wilde hij met hetzelfde doel ook het Evangelie in kleuren brengen.

Reeds lang was hij het met zich zelf eens, op welke wijze dit te
doen. Hij wilde daartoe de gestalten afbeelden van hen, die het van
den Heer ontvangen en aan de wereld verkondigd hadden: de gestalten
der Apostelen Johannes, Markus, Petrus en Paulus en wel zoo, dat
Johannes en Paulus ten voeten uit werden geschilderd en de beide
anderen er achter, zoo dat alleen het hoofd en den hals zichtbaar
waren. Johannes en Paulus moesten als hoofdfiguren naar voren komen;
daarmee wilde Dürer het evangelisch geloof in beeld voorstellen.

De gestalte van Johannes, Luthers uitverkoren evangelist, wiens
gelaat aan Philippus Melanchton herinnert, is gehuld in een gelen,
met rood geverfden mantel over een groen onderkleed. Peinzend staart
hij met den een weinig achter hem staanden Petrus in zijn evangelie,
welks beginwoorden uit de Luthersche vertaling men lezen kan. Rechts
op het paneel staat Markus achter Paulus, die met innige liefde
en groote zorg is behandeld en waaraan Dürer al zijn kracht heeft
gewijd. Het was Dürer voornamelijk te doen om Paulus, Luthers groot
voorbeeld als verkondiger van het eenig ware geloof en daarin heeft
hij een kunstwerk, dat 's meesters roem luider verkondigt dan eenig
ander, geschapen. De Apostel bij uitnemendheid staat daar, gehuld in
een witten mantel, waaruit een groen onderkleed te voorschijn komt;
op zijn linkerarm, rust de bijbel, in de rechterhand houdt hij een
ontbloot zwaard, het zwaard des Geestes, dat is het Woord Gods, en
tegelijkertijd een aanduiding van de wijze, waarop hij zou sterven. De
breede, krachtige figuur staat daar in mannelijke, ridderlijke houding;
zijn door de zon gebruind gelaat, vol uitdrukking, wendt den strengen
blik naar links, alsof hij vandaar een naderbij sluipenden vijand
verwacht. Wien geldt dien toornigen blik? Tegen wien houdt de hand
krampachtig den greep van het zwaard omklemd? Het zijn de vijanden
van het kruis van Christus: aan den eenen kant de Paus, die het
Evangelie bederft door den warboel van menschelijke instellingen
en aan de andere zijde de dwepers, die door het misbruiken van de
vrijheid meer bederven dan doen vorderen.

De Apostelen spraken in duidelijke taal: maar het was den meester
er om te doen ook begrijpelijk te zijn voor het minst ontwikkelde
verstand, evenals Luthers woorden duidelijk waren voor het onnoozelste
boertje. Daarom voegde hij nog een uitvoerig bijschrift toe aan
zijn werk.

Boven het paneel links schreef hij: "Alle wereldlijke overheden in
deze gevaarvolle tijden moeten zorgvuldig waken, dat zij zich niet,
in plaats van door het Woord Gods, door menschelijke leeringen laten
leiden, want God wil niet, dat er aan Zijn Woord iets wordt toegevoegd
of daarvan afgedaan. Luister daarom naar deze vier voortreffelijke
mannen: Petrus, Johannes, Paulus en Markus."

Petrus zegt in het tweede hoofdstuk van zijn tweeden brief:
"Er zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook
onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen
bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft,
verloochenende en een haastig verderf over zichzelf brengende. En velen
zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal
gelasterd worden. En zij zullen, door gierigheid, met gemaakte woorden,
van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang
niet ledig is en hun verderf sluimert niet.--Johannes in het vierde
hoofdstuk van zijn eersten brief schrijft: Geliefden! gelooft niet
een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn;
want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent
gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus
in het vleesch gekomen is, die is uit God niet. Maar dit is de geest
van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal,
en is nu alreede in de wereld."

Terwijl deze woorden zijn gericht tegen de dwepers en sektenmakers,
zoo protesteert het bijschrift op het tweede paneel tegen Rome met
zijn leugen, bedrog en zedeloosheid. In het derde hoofdstuk van
den tweeden brief aan Timotheus zegt Paulus: En weet dit, dat in de
laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de menschen zullen
zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig,
lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder
natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed,
zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen,
meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; hebbende een
gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend
hebben. Hebt ook een afkeer van dezen! Want deze zijn het, die de
huizen binnensluipen en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden
beladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden,
die altijd leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.

Markus schrijft in het twaalfde hoofdstuk van zijn evangelie: "En
Hij zeide tot hen in Zijn leer: wacht u voor de schriftgeleerden,
die daar gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn
op de markten, en de voorgestoelten hebben in de Synagogen en de
vooraanzittingen in de maaltijden. Zij eten de huizen der weduwen
op en dat onder den schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder
oordeel ontvangen." Er was een geheel jaar verloopen, voordat Dürer
dit meesterstuk, de kroon van al zijn werken, voleindigd had.

Nauwelijks was de laatste penseelstreek gedaan, of hij greep papier
en pen om er een brief bij te voegen aan hen, voor wie het werk was
bestemd. Het was hem dezen keer niet opgedragen, maar het was zijn
eigen hart geweest, dat hem aan het werk had gezet en dat hij het
aan zijn dierbare geboorteplaats zou opdragen, stond van het begin
af bij hem vast. De inhoud van den brief luidde aldus:



Edelachtbare, wijze Heeren!

Hoewel het reeds lang mijn wensch was, Uw Hoogmogendheid door mijn
onbeteekenende schilderkunst een aandenken aan te bieden, heb ik mij
door het gebrekkige daarvan laten weerhouden, wetende, dat ik daarmee
in Uw oogen niet zou kunnen bestaan. Dewijl ik echter in dezen laatsten
tijd een stuk heb geschilderd, waaraan ik nog meer zorg heb besteed dan
aan mijn andere schilderijen, acht ik niemand meer waardig, dit als
een herinnering te bewaren, dan U, hoogwijze Heeren! Daarom waag ik
het, U dit werk aan te bieden, met de dringende bede, dat dit kleine
geschenk U welgevallig moge zijn en genadig door U worde aangenomen
en dat Gij even welwillend voor mij zult willen blijven, als Gij tot
nu toe zijt geweest. Daarom zal ik naar mijn beste vermogen er naar
blijven streven, om Uw goedgunstigheid waardig te zijn.


Uwer Edelachtbaren Heeren onderdanige Albrecht Dürer.


Spoedig daarop ontving Dürer van den Raad het volgende schrijven:

"Dewijl Albrecht Dürer een schilderij met vier figuren als aandenken
heeft geschilderd en hetzelve den achtbaren Raad heeft gezonden en
vereerd, is door dien achtbaren Raad besloten, den genoemden Dürer
te zeggen, dat een achtbare Raad niet genegen is, dit schilderij op
die wijze in bezit te nemen; maar hoewel dezelve hem voor zijn werk
dankbaar is, en willens om het als aandenken te bewaren, zoo is dezelve
niet minder willens hem daarvoor te betalen, wat hij verdient. Wat hij
dus ook moge eischen, en al wilde hij ook niets eischen, zoo zullen
de oudere heeren het zelf bepalen en zal een eerlijke handel worden
gedreven door de Heeren Maarten Tucher en Sigmund Furer."

Meester Dürer weigerde, zooals te verwachten was, de waarde op te
geven en toen zond de Raad hem honderd gulden voor hem zelf, twaalf
gulden als hulde aan zijn vrouw en twee gulden fooi voor den knecht.

Het schilderij kreeg een plaats, die het waard was: het werd opgehangen
in het departement van financiën in het raadhuis. Van den muur klonk
zijn prediking. "Zijt getrouw en houdt vast aan Gods heilig Evangelie!"



HOOFDSTUK XXXI.

KUNSTENAAR EN GELEERDE.


Toen Dürer, nadat hij de laatste hand aan zijn schilderij der apostelen
had gelegd, het penseel neerlegde, deed hij het in de overtuiging, dat
dit zijn laatst groot werk was geweest. Wel maakte hij nog verscheidene
portretten zijner vrienden, zooals dat van Hieronymus Holzschuher,
dat hem bijna nog beter was gelukt dan dat van Frederik den Wijze
eenige jaren geleden, dat van Wilibald Pirkheimer en van den Magister
Filippus Melanchton, die voor de nieuwe school, die te Neurenberg
werd opgericht, meermalen daar was geweest. Doch nu kregen penseel en
potlood rust en moesten plaats maken voor de pen, die bestemd was om
de vrucht zijner wetenschappelijke studiën, die hij bij het beoefenen
zijner kunst niet had verwaarloosd, in boeken te openbaren.

Een ieder verbaasde zich, toen het eene boek na het andere verscheen
van dezen schilder bij uitnemendheid, die daarin getuigenis gaf van
de zeldzame veelzijdigheid en diepte zijns geestes. Nu hij zijn kunst
niet meer practisch beoefende, verdiepte hij zich in theoretische
studiën over het wezen zijner kunst, om hetgeen hij had gevonden als
een laatst aandenken aan de wereld na te laten.

Een jaar geleden had reeds een boekje, als voorlooper dezer studiën
het licht gezien onder den titel: "Onderwijs bij het meten met den
passer en het paslood bij lijnen, vlakken, en geheele lichamen, door
Albrecht Dürer bijeengevoegd en ten bate aller liefhebbers der kunst
met bijbehoorende figuren in druk gebracht." Hij droeg het boek op aan
zijn vriend Wilibald Pirkheimer en in de voorrede zei hij, dat hij
hoopte, dat het voor alle beoefenaars der kunst dienstig zou zijn,
niet alleen voor schilders, maar ook voor goudsmeden, beeldhouwers,
steenhouwers, schrijnwerkers en allen, die het meten noodig hadden. De
geheimen der proportieleer, waarin vroeger Luca Pacioli hem te Bologna
had ingewijd, kwamen hier tot algemeen nut aan het licht.

De gansche wereld was echter één en al verbazing, toen Dürer zich
op eens van een geheel nieuwe zijde deed kennen en bewees, dat hij
ook een meester in de vestingbouwkunde was. In October van het jaar
1527 verscheen een boek van hem onder den titel: "Onderricht ter
beveiliging van steden, kasteelen en dorpen."

Hij vervulde een plicht der dankbaarheid aan Keizer Maximiliaan,
door het op te dragen aan diens kleinzoon, Koning Ferdinand I van
Bohemen en Hongarije. De liefde tot zijn vaderland, en de begeerte
om het tegen de roofzuchtige aanvallen der Turken te beveiligen,
had hem aanleiding gegeven om zijn mededeelingen aan de vorsten te
doen en hun te leeren, hoe zij de vestingwerken in een goeden, tot
tegenweer geschikten, toestand moesten brengen. [25]

De grootste zorg en den meesten tijd besteedde Dürer aan de
proportieleer van den mensch.

Pirkheimer bood aan om een voorrede daarbij te schrijven en Dürer
nam het aan, doch onder vijf voorwaarden, die een nieuw, duidelijk
bewijs zijner bescheidenheid en nederigheid waren: ten eerste, dat
daarin geen enkel woord van lof mocht worden gebruikt; ten tweede,
dat er aan geen uiting van nijd mocht worden gedacht; ten derde,
dat er van niets anders sprake mocht zijn dan van hetgeen in het
boek stond; ten vierde, dat niets er in gebruikt was, dat uit
goede boeken was gestolen en ten vijfde, dat het boek alleen voor
de Duitsche jeugd was geschreven. Ten laatste koesterde de meester
nog een grooter plan: hij wilde in een uitgebreid werk, getiteld:
"Spijze voor schildersleerlingen," alles te zamen vatten, wat hij tot
nu toe in afzonderlijke werken had geschreven en door meer toevoegsels
een geheel scheppen, dat voor den kunstenaar een rijke schat zou zijn
en waarin alles, wat hij noodig had, werd gevonden.

Toch was hij er ver van, zich zelf en zijn eigen kennis tot algemeenen
maatstaf en alleen geldig richtsnoer te verheffen: integendeel, de
groote man was nooit met zichzelf tevreden en zei dikwijls, dat, als
hij na jaren een zijner werken terug zag, hij zich altijd schaamde over
de zwakheden en fouten, die hij er in ontdekte. In denzelfden geest
schreef hij in de voorrede van het door hem begonnen groote werk: "Ik
denk niet hoog van mijn kunst, want ik weet, wat mij ontbreekt. Daarom
raad ik een ieder aan om mijn fouten, zooveel in zijn vermogen is,
te verbeteren. Gave God, dat het mogelijk ware, dat ik de werken der
toekomstige groote meesters nu reeds mocht aanschouwen!

"Welk een hoogte zullen zij nog bereiken--zoodat ik daarbij in het
niet zal verdwijnen, als een heel klein beekje. En toch, als de vonk,
die ik heb doen gloren, door de volgende meesters wordt aangewakkerd
met hetgeen zij kunnen, dan kan daaruit mettertijd een vuur, dat met
zijn gloed de gansche wereld bestraalt, opgaan."



HOOFDSTUK XXXII.

NAAR EEN BETER VADERLAND.


Een helder licht van kaarsvlammen straalde op een avond in April van
het jaar 1528 uit de vensters van Pirkheimers huis. De raadsheer,
die toen weinig last van het podagra had, had drie van de vrienden,
die hem nog waren overgebleven, bij zich genoodigd om met hem te eten
en vroolijk te zijn.

Dürer was er niet bij, zooals in den laatsten tijd meermalen
gebeurde en toen men naar hem informeerde, antwoordde Pirkheimer
met bedenkelijk gelaat: "Wij zullen ons er aan moeten gewennen,
zijn gezelschap dikwijls te ontberen. Hij is in den laatsten tijd
zeer zwak en sukkelend."

"Was hij maar niet naar de Nederlanden gegaan!" sprak Holzschuher,
die tot de gasten behoorde: "Sedert zijn terugkomst is hij zoo
veranderd. Ik schrok bepaald, toen ik hem terug zag. Hij was zoo
mager geworden en zijn mannelijke schoonheid was verdwenen! Het is
wonderlijk: om de pest te ontvluchten, ging hij uit Neurenberg en
nu heeft hij uit Nederland een krank lichaam meegebracht. Die tocht
door de sneeuw om den walvisch te zien, het ongeval, dat hem toen op
het water is overkomen, de ongewone levenswijze in een vreemd land,
die onophoudelijke eerbewijzen, die in maaltijden en groote feesten
bestonden, zijn verderfelijk voor zijn gezondheid geweest. Ik vrees,
ik vrees, dat wij hem niet lang meer zullen mogen behouden."

"O, zeg dat niet!" riep Pirkheimer verschrikt uit. "Ik kan het niet
aanhooren! Ik kan mij het leven niet voorstellen zonder hem! Niemand
kent hem zooals ik hem ken, niemand kan aan hem dan ook meer verliezen
dan ik. Ik was het volkomen eens met den Magister Philippus Melanchton,
toen hij bij zijn laatste verblijf hier in de stad, zei: "Albrecht
Dürer is als kunstenaar ongeëvenaard, maar toch is dat niet het meest
in hem te bewonderen: nog meer dan zijn geest en hand waardeer ik
zijn hart!"

"Hij heeft niet te veel gezegd," zei Löffelholz. "Albrecht Dürer is
de uitstekendste man van onzen tijd. Is er een deugd, die hij niet
bezit? Maar laten we ons nu nog niet al te ongerust maken; hij is nog
geen zevenenvijftig jaar en misschien kan de natuur de ongesteldheid
nog overwinnen."

"God geve het!" zuchtte Pirkheimer en hij bracht het gesprek op iets
anders over.



Zwak en moede lag Dürer te bed. Den vorigen avond was hij nog op
geweest en had aan zijn boek geschreven; doch den volgenden ochtend
had hij geen lust om op te staan. Hij had 's nachts bijna geen oog
toegedaan en voelde zich afgetobd.

Het was stil in de kamer; aan het bed van den lijder zat Vrouwe
Agnes. Met op de borst gevouwen handen lag Dürer aandachtig te
luisteren naar hetgeen zijn vrouw uit Luthers bijbel voorlas; het
was het lijden des Verlossers naar het Evangelie van Johannes.

Daarna sprak hij zacht: "Dat heeft mij goed gedaan. O, welk een harde
sponde heeft men onzen Verlosser bereid en ik lig zoo zacht! Hoe
werd Zijn marteling ten doode door hoon en schimp verzwaard en aan
mijn legerstede zit een engel der vertroosting! Wel lijd ik pijn;
maar wat zijn mijn smarten vergeleken bij de zijne!"

Vrouwe Agnes veegde zijn klam voorhoofd af en drukte zachtkens een
kus er op. Toen vraagde zij hem of hij niet eens van den verkwikkenden
drank, dien zij voor hem had klaar gemaakt, wilde drinken.

Dürer knikte en bevochtigde zijn lippen met het lavende vocht; toen
zuchtte hij: "Waarom komt de geneesheer toch niet?"

Vrouwe Agnes zeide, dat hij van niets wist, maar dat zij dadelijk om
hem zou sturen.

Spoedig daarop verscheen hij; hij voelde den kranke den pols en zag
hem bezorgd aan: het waren weer de afwisselende koortsen, die hem
jaren lang hadden geplaagd, en de milt was meer dan ooit gezwollen.

De geneesheer schreef medicijnen voor, die de meid dadelijk uit de
apotheek moest halen.

Die drank deed Dürer goed, hij voelde zich minder benauwd en tegen
den avond ging de koorts af, hoewel die gewoonlijk tegen dien tijd
toeneemt. Hij keerde zich naar den muur en sliep in.

Vier uur lag hij stil en ademde diep en geregeld; toen richtte hij
zich plotseling op en sprak met een bijzonderen klank in zijn stem:
"Het is morgen goede Vrijdag--de heerlijke Rafael is op goeden
Vrijdag gestorven."

Vrouwe Agnes schrok bij deze woorden en trachtte hem te kalmeeren,
doch Dürer vraagde, alsof hij niets daarvan hoorde: "Hoe lang rust
hij reeds in het graf?"

"Acht jaren," antwoordde Vrouwe Agnes aarzelend. "Hij stierf in het
jaar 1520."

"Acht jaren," fluisterde Dürer. "Hoe vroeg moest die heerlijke
kunstenaar van de aarde scheiden! Gods wegen zijn dikwijls zeer
wonderlijk!"

Toen ging hij weer liggen, sloot de oogen en sliep na eenige
oogenblikken weer in.

Vrouwe Agnes bleef dien geheelen nacht op en was dankbaar, toen het
eerste morgenrood door de vensters naar binnen drong. Zij verkoelde
het gelaat van haar man met frisch water, hetgeen hem goed deed en
waarvoor hij zijn trouwe verpleegster hartelijk dankte, als ware
het een groote dienst geweest en zooals hij altijd voor het kleinste
hulpbetoon deed. Tegen negen uur begonnen de klokken in de stad te
luiden. Eensklaps riep de kranke luid: "Op dit uur hebben zij Hem
aan het kruis genageld!

"Ach Heer Jezus, zie mij aan met denzelfden blik, waarmee gij den
boetvaardigen boosdoener hebt aangezien! Want ik belijd u berouwvol
al de zonden, die ik in mijn geheele leven heb bedreven."

Hij richtte zich plotseling op en zijn oogen zagen woest de kamer
rond, zoodat Vrouwe Agnes met doodelijken schrik den beangstigden
man in haar armen nam.

"Wat overkomt mij!" riep hij met een holle stem, terwijl hij zijn
hand op zijn hart drukte. "Ik sterf! Heer Jezus, help mij; Heer Jezus,
erbarm U mijner!"

In vreeselijken angst riep Vrouwe Agnes hem bij zijn naam--hij hoorde
het niet, zijn ziel voer reeds op tot Hem, dien hij van ganscher
harte had bemind en dien hij uit een vroom gemoed met zijn kunst
zoowel als met zijn gansche leven had gediend. ----



De stad Neurenberg kon het niet gelooven, dat de man, waarop zij
bovenal trotsch was, was heengegaan.

Allen treurden en Wilibald Pirkheimer, die spoedig was geroepen,
zonk bij het sterfbed van zijn vriend, als vernietigd en gebroken,
op de knieën neder, alsof hij met hem wilde sterven. Menigeen der
zijnen had hij naar het graf gebracht, doch nooit had hij zooveel
smart gevoeld als nu. Hij was niet van deze gewijde plek weg te krijgen
en het pijnigde hem bovenal, dat hij in de laatste oogenblikken niet
tegenwoordig was geweest, om zijn vriend de oogen toe te drukken. Hij
wrong zijn handen, schreide als een kind en jammerde:

"O onuitsprekelijk lijden!--hij is heengegaan, voor immer, hij,
die ik met mijn gansche hart liefhad en die deze liefde verdiende
door zijn tallooze deugden en zijn bijzondere rechtschapenheid; hij,
die als een goede engel mij ter zijde stond en mij den weg wees,
dien ik moest gaan. Hij is heengegaan voor goed--mijn Albrecht! O,
onverbiddelijk noodlot; o, onbarmhartige, wreede dood! Hij, die als
een heilige onder ons verkeerde, is van ons weggerukt, terwijl zoovele
onnutte en onbeteekenende menschen blijvend geluk en een lang leven
genieten! Hij is heengegaan, en ik moet nog hier beneden zijn!"--

De gewoonte van dien tijd bracht mede, dat de dooden den dag na het
overlijden werden begraven, doch bij Dürer moest men met dat gebruik
breken. Den 6den April was hij gestorven en den 8sten lag hij nog
op het paradebed, omdat de aandrang van menschen, die nog eenmaal
het stoffelijk overschot van den grooten meester wilden zien, zoo
groot was.

Daar lag hij in een zwarte kist, door frisch groen omgeven, als een
beeld van hemelschen vrede; en het licht der twaalf kaarsen, die
op hooge kandelaars tusschen laurier- en mirthestruiken brandden,
wierp een glans van verheerlijking op het edele gelaat.

Aan het hoofdeinde stonden de prior van het Augustijnerklooster
Volbrecht en de proost van de St. Sebalduskerk, die om beurten de
gebeden voor de overledenen uitspraken, terwijl aan het voeteneinde
een koorknaap het kruisbeeld omhoog hield.

Daarna hieven de Meesterzangers, met Hans Sachs aan het hoofd,
een ernstig, plechtig gezang aan; de kist werd gesloten, en in
een onafzienbare reeks bewoog zich de lijkstoet, onder algemeen
klokgelui, naar het Johanneskerkhof, waar de grafkelder der familie
Frey was geopend om in zich op te nemen wat sterfelijk was aan dezen
onsterfelijke.



Door smart en ellende overmeesterd zat Vrouwe Agnes in het verlaten
huis. Zij was als een schaduw geworden en begeerde te sterven en bij
haar echtgenoot in het graf te rusten. Zij had van alle zijden veel
liefde en deelneming ondervonden en men had haar duidelijk bewezen
hoezeer iedereen met haar mede leed.

Op zekeren morgen trad de heer Eobanus Hesz, die den grooten meester
in een lied had verheerlijkt en een vriend van Luther uit Erfurt was,
bij haar binnen.

Hij nam een brief uit zijn zak en zeide: "Zie, geachte Vrouwe, hier
heb ik iets wat u in uw diepe, groote smart tot troost moge zijn. Het
is een antwoord van Doctor Maarten Luther op den lijkzang, dien ik hem
had toegezonden en waarin met betrekking op uw overleden echtgenoot,
het volgende staat: Het is niet meer dan billijk dien vromen,
uitstekenden man te betreuren: maar gij moogt hem gelukkig noemen,
omdat Christus Zijn licht in zijn hart heeft doen schijnen en hem op
het juiste oogenblik uit dezen stormachtigen tijd, die spoedig nog
stormachtiger zal worden, heeft weggenomen, opdat hij, die waardig
was het beste te zien, niet gedwongen zou geweest zijn, het ergste
te beleven. Zoo moge bij dan in vrede rusten bij zijn vaderen. Amen."

"Ween en klaag dus niet meer, zeer geachte Vrouwe--Doctor Maarten
heeft het ook hier bij het rechte eind! God had zijn ziel lief,
daarom nam Hij hem spoedig weg uit dit treurige leven."



AANTEEKENINGEN.


[1] Deze burcht werd in 1024 door Keizer Koenraad II gesticht en door
Frederik Barbarossa in 1158 vergroot.

[2] Een oude gulden had 100 kreutzer; 49 kreutzer was 1 mark.

[3] De "mooie bron" is in Gothischen stijl gebouwd, 1385-1396,
en is versierd met vele standbeelden; die op het onderste gedeelte
stellen de 7 keurvorsten en 9 helden voor, daarboven zijn Mozes en de
7 profeten afgebeeld. In het ijzeren hek, dat dit waterwerk omgeeft,
is op kunstige wijze een kleine, beweeglijke ring gesmeed. Vert.

[4] Dürer ontwierp later zijn teekeningen meestal op groenen of
grijzen grond, teekende met de pen en zette de lichten aan met witte
verf. Vert.

[5] In Boheme: Theodoric van Praag, Nicolaas Wurmser, Thomas van
Mutina.

[6] De bloeitijd der Oud-Neurenbergsche school was in de 14e eeuw--die
van de school van Keulen iets later, de belangrijkste namen daaraan
verbonden zijn meester Wilhelm en meester Stephanus 1451. Men vindt
een schilderij van dezen laatste in de koorkapel van den Keulschen dom.

[7] Aan Brugge komt de eer toe de gebroeders van Eyck tot woonplaats te
hebben gediend en hun meesterwerken te zien ontstaan; zij verbeterden
de verven door toebereiding met olie. Ook Memlinc woonde te Brugge
en schonk zijn beroemde Ursulakast aan het St. Janshospitaal aldaar;
hij stierf in 1499. (Vert.)

[8] Martin Schongauer of Martin Schön 1420-1488 (Zwaabsche school)
leerling van Rogier van der Weyden, werd van goudsmid kopergraveur
en schilder, en vereenigde een schitterend koloriet met fijnheid en
zekerheid van lijn en vorm. (Vert.)

[9] Venetië was voor Neurenberg en Augsburg het tusschenstation voor
den handel met het Oosten. (Vert.)

[10] "Wat God mij doet, dat is mij goed."

[11] De rijksinsignes en kleinoodiën werden gedeeltelijk te Aken en
gedeeltelijk te Neurenberg bewaard; ze bestonden uit: de kroon, den
zilveren schepter, den gouden rijksappel, twee ringen, twee zwaarden,
een degen, een evangelieboek enz. en deden dienst bij de kroning
des Keizers.

Tot de rijkskleinoodiën, die te Neurenberg in de Hospitaalkerk van
den H. Geest werden bewaard, behoorde o. a. een mantel met een met
goud gestikt Arabisch schrift van 41 woorden in parelen gevat en in
1133 door de Siciliaansche Arabieren voor de kroning van Koning Roger
van Sicilië gemaakt.

[12] Maximiliaan wilde Karel VIII dwingen Italië te ontruimen.

[13] Volgens Vasari was Margaritoni van Arezzo in de 13e eeuw de
eerste die op doek schilderde; hij nam daartoe doek op een paneel
geplakt en met pleister overdekt. Vert.

[14] Dit was een kleine kopergravure met het opschrift: (Rome het
hoofd der wereld). Op den achtergrond ziet men den Engelsburg en den
Tiber en in het midden staat een vrouwelijk monster: een der voeten
is een bokspoot, de andere een gierenklauw en de rechterarm eindigt
in den poot eener kat. Een staart met een drakekop aan het eind en
een ezelskop op de schouders volmaken het afschuwelijk geheel. Het
volk begreep terstond de bedoeling en noemde het den "Pausezel."

[15] Het Andreaskruis van het heilige Vlies of van de Vliesridders
werd ingesteld door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn huwelijk
in 1520 en schonk vele privilegiën. Vert.

[16] Vaarwel, vrome ziel! Heer, geef hem de eeuwige rust en laat uw
onvergankelijk licht hem bestralen!

[17] Ik kwam, ik zag, ik overwon.

[18] Het bedoelde monogram bestond uit een kleine D in een groote A.

[19] De Signoria had het voorzitterschap in de drie hoogste
staatslichamen: de groote raad, de senaat en het collegium. De tot
de senaat behoorende raad van tienen bestond uit tien raadsleden en
de Signoria. Na hun raadsbesluiten kon men niet in appèl komen. Vert.

[20] Keizer Rudolf II kocht later het stuk voor een aanzienlijke som
en liet het, om het voor beschadigingen te vrijwaren, door vier sterke
mannen op de schouders van Venetië naar Praag dragen.

[21] Nadat Keizer Rudolf II tevergeefs 10000 gulden had geboden voor
dit schilderij, waarvoor haar maker 200 gulden had ontvangen, kwam het
voor een nog grootere som in het bezit van den keurvorst Maximiliaan
van Beieren. Dürers hoop, dat voor het werk een lange toekomst was
weggelegd, werd niet vervuld, want in den nacht van den 10den April
1674 werd het kunstwerk bij een brand door de vlammen vernield.

[22] Dit was een afscheidsdronk der stervenden met hun bloedverwanten,
in gebruik gekomen sedert de middeneeuwen, en ontleend aan de
afscheidswoorden van Jezus in het Evangelie van Johannes.

[23] In de vasten van het jaar 1517 had Luther het "Onze Vader" in
preeken verklaard en een zijner toehoorders had deze opgeschreven
preeken spoedig daarna in druk doen verschijnen.

[24] "De afgeschaafde hoek"--("de afgemaakte Eck".)

[25] Dürer had helaas met zijn leer over de vestingwerken weinig succès
en oogstte geringen dank. Een later geslacht bracht hulde aan zijn
ideeën op dit punt. Straatsburg bouwde volgens Dürers aanwijzingen zijn
vestingwerken bij de Kronenburger poort. En nu nog heeft Dürers gezag
waarde en liggen zijn beschouwingen ten grondslag aan het zoogenaamd
nieuw-pruisisch systeem der vestingbouwkunst.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Albrecht Dürer - Een levensbeeld" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home