Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Geschiedenis van Suriname
Author: Wolbers, J.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Geschiedenis van Suriname" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                              GESCHIEDENIS
                                  VAN
                               SURINAME.

                                  DOOR

                              J. WOLBERS.



VOORREDE.


Toen ik, gedurende den winter van 1857/8, voor een kleinen kring,
in een achttal lezingen, een kort overzigt van de Geschiedenis van
Suriname trachtte te geven, met het doel, om belangstelling in die
kolonie en hare blanke, gekleurde en zwarte bevolking op te wekken,
was nog niet het voornemen bij mij opgekomen om eene Geschiedenis
van Suriname te schrijven.

Wel was ik overtuigd, dat er behoefte aan eene eenigzins uitvoerige
Geschiedenis dier kolonie bestond; doch ik besefte de moeijelijkheden
aan het schrijven van een dergelijk werk verbonden, en--rekende dien
arbeid te zwaar voor mijne krachten. Daartoe was toch eene geheel
nieuwe bewerking noodig, vele moeijelijkheden waren te overwinnen,
maar--reeds bij de inleiding heb ik daaromtrent een en ander
medegedeeld.--En toch waren de moeijelijkheden bij de verdere bewerking
nog talrijker en grooter, dan ik mij bij den aanvang had voorgesteld.

Mijn voornemen was om het in druk over Suriname bestaande te
verzamelen, in orde te schikken, te compileren en tot een geheel
te brengen.--Zelfs bij het schrijven van den Prospectus en van
de inleiding wist ik nog niet, dat het in druk bestaande zoo vele
leemten overliet.

Het was alzoo noodig nieuwe bronnen op te sporen; ik deed
daartoe verscheidene pogingen en--slaagde boven verwachting. Van
verschillende personen zoowel in Suriname als in Nederland, ontving
ik hoogstbelangrijke bescheiden en ondervond ik veel welwillendheid.

Hartelijken dank breng ik bij deze toe aan allen, die door het
verleenen van documenten of door het geven van inlichtingen
belangstelling in mijnen arbeid hebben betoond.

Vooral werd mij eene rijke bron ontsloten op 's Rijks-Archief. Hieruit
te putten, die rijke schat te exploiteren, werd mij door de hartelijke
en vriendelijke welwillendheid van den Rijks-Archivaris, den heer
Dr. Bakhuizen van den Brink, gemakkelijk gemaakt. Daar vond ik, in
de notulen van Gouverneurs en Raden, dagboeken der Gouverneurs en
andere officieele stukken de belangrijkste en daarenboven tot heden
onbekend gebleven bijzonderheden.

Wel was het een vermoeijende arbeid, dat groot aantal lijvige folianten
(manuscript) door te lezen,--honderde bladzijden soms, zonder iets
der vermelding waardig te vinden;--doch die moeite werd ruimschoots
beloond, wanneer bijzonderheden werden aangetroffen, waardoor een
helder licht over tot dusverre duistere punten werd verspreid. Daardoor
werd men toch zoo geheel in die tijden en toestanden verplaatst; en was
het alsof men de verschillende personen in hunne eigene taal hoorde
spreken; de gebeurtenissen onder zijne eigene oogen zag voorvallen;
den strijd o. a. tusschen Gouverneurs en Raden van Policie in persoon
bijwoonde: kortom, de studie dier oude bestoven notulen, dagboeken
en andere papieren had hare eigenaardige genoegens.

Bij de verdere bearbeiding deed zich eene nieuwe zwarigheid
op. Ofschoon de bron op 's Rijks Archief mildelijk vloeide, hield zij
met 1804 eensklaps op en noch in Nederland noch in Suriname waren
belangrijke bescheiden omtrent den zoogenaamden Engelschen tijd
(1804-1816) aanwezig. Hoe in deze leemte te voorzien?--Ik besloot
naar Engeland te reizen, ten einde dáár eenig onderzoek in het werk
te stellen, en reeds heb ik op bladz. 597 medegedeeld, dat mij ook
daar diezelfde welwillendheid van hooge Autoriteiten en van Beambten
op Hare Britsche Majesteits State Paper Office te beurt viel, door
mij zoo ruimschoots in Nederland en voornamelijk op 's Rijks-Archief
ondervonden.

Omtrent den nieuwen tijd heb ik wel geen gebruik kunnen maken van
de officieele bronnen op het koloniaal Archief berustende, daar een
onderzoek derzelven, overeenkomstig Koninklijk Besluit van 13 Januarij
1854, niet geoorloofd is [1]; doch op eene andere wijze kon hierin
voorzien worden.

Over den nieuwen tijd bestaat reeds meer in druk; de gebeurtenissen
van dien tijd zijn meer bekend,--en daarenboven, vele particulieren
verheugden mij door belangrijke papieren, aanteekeningen, enz. ten
gebruike af te staan, of door mij verscheidene inlichtingen te geven.

De behandeling van den nieuwen tijd echter had hare eigenaardige
bezwaren. Een schrijver, wien het om waarheid te doen is, moet sommige
handelingen van hooggeplaatste en andere personen prijzen, andere
daarentegen afkeuren. Vooral is dit eene moeijelijke taak, indien die
personen tot de tijdgenooten behooren; doch aan den anderen kant:
bij het schrijven eener geschiedenis heeft men slechts de personen
te beschouwen, voor zoo ver zij in regtstreeksche betrekking staan
tot de geschiedenis. Terwijl ik mij op dit algemeen en onpartijdig
standpunt plaatste, en ieder in zijne waarde als particulier liet,
heb ik verder niet geschroomd om, waar ik vermeende te moeten prijzen,
dien lof niet achterwege te houden, zonder evenwel te vleijen; en waar
ik regeringsdaden, handelingen van Gouverneurs of van andere personen
minder gunstig meende te moeten beoordeelen, heb ik hierbij getracht
de bescheidenheid te bewaren, zonder die echter zoo ver te drijven,
dat hierdoor de waarheid werd te kort gedaan.

Steeds heb ik waarheid willen vermelden. En daarom, hoewel overtuigd
van het gebrekkige, hetwelk mijn werk in vele opzigten aankleeft, en
van de vele aanmerkingen, die op stijl, enz. kunnen worden gemaakt,
ben ik omtrent eene zaak gerust:--men zal mij nimmer met grond
kunnen beschuldigen onwaarheid te hebben geschreven of de feiten
verdraaid of in een valsch licht te hebben gesteld. Zoo hier of daar
iets twijfelachtigs zich opdeed, heb ik mij telkens een naauwgezet
onderzoek getroost, ten einde zekerheid te erlangen, en, waar dit
onmogelijk was, heb ik zulks vermeld. Mogt ik evenwel nog soms hebben
gedwaald, dan is dit ter goeder trouw geweest.

Tot dit alles echter was tijd noodig; reeds waren de eerste
afleveringen in druk verschenen en de uitgever had, in overleg met mij,
bij den prospectus beloofd om, zoo geregeld mogelijk, telken maand eene
aflevering den inteekenaren te doen toekomen. Deze belofte gestand
te doen, was nu echter onmogelijk, daar het onderzoek der bronnen
(de bronnen-studie) te veel tijd vereischte. Ten einde niet te veel
van het geduld der inteekenaars te vorderen en ook omdat ik zelf
ter bereiking van mijn doel: belangstelling in het lot der kolonie
Suriname op te wekken, wenschte dat het werk zoo spoedig mogelijk in
het licht mogt verschijnen, heb ik mij zooveel mogelijk gehaast.

Hieraan heb ik echter misschien niet wel gedaan, want door te groote
haast kon ik niet genoeg zorg aan den stijl besteden, en vooral is dit
mede oorzaak, dat er zoo vele drukfouten in zijn overgebleven. Eerst
had ik de correctie aan anderen overgelaten, doch toen de eerste
afleveringen afgedrukt waren en mij in handen kwamen, zag ik dat dit
onmogelijk was.--Later is de correctie door mij of onder mijn toezigt
geschied, maar door den weinigen tijd, dien ik hiertoe soms besteden
kon, is nog menigmaal eene fout mijne aandacht ontglipt, die mij later
onaangenaam aandeed. Om de lijst dier drukfouten niet al te groot te
maken, heb ik slechts eenige zinstorenden in de errata aangewezen;
over de andere gelieve de lezer zich niet al te zeer te ergeren.

Het, bij de inleiding, beloofde overzigt van de zending der
Broedergemeente in Suriname, de chronologische tafel en de Bijlage
als: octrooi der West Indische Compagnie en de naamlijst van de
predikanten der Hervormde Gemeente zijn aan het einde van het werk
gevoegd. Het geheel is uitgebreider geworden; in plaats van 40 vel
of 640 bladzijden, is het tot 54 vel of 849 bladzijden uitgedijd. Ik
hoop, dat deze uitbreiding den lezer niet ongevallig zal wezen, en dat
ook de wensch, om iets meer dan een oppervlakkig overzigt te geven,
hierdoor eenigermate is bereikt. Statistieke tabellen omtrent handel,
enz. achtte ik voor eene Geschiedenis niet noodig. In de werken van
Teenstra en Sypesteyn waren die op hare plaats.

Aan den wensch van den uitgever, om eenige platen bij het werk te
voegen, is niet voldaan kunnen worden. Goede degelijke platen van
Suriname te verkrijgen is niet gemakkelijk; anderen werden niet
begeerd, daarbij, sedert het prachtwerk van Voorduin, met platen van
gezigten in Suriname, enz. is uitgekomen, wordt ruimschoots in die
behoefte voorzien.

Door vriendelijke welwillendheid van Jonkheer C. A. van Sypesteyn
worden hierbij het portret van Suriname's grootsten Gouverneur,
Cornelis van Aersen, Heer van Sommelsdijk en de facsimiles der andere
Gouverneurs van Suriname gevoegd, dat zeker menig lezer aangenaam
zal wezen.

Worde belangstelling in Suriname door dit werk opgewekt of vermeerderd,
dan wordt het doel van den schrijver bevorderd.


                                                Utrecht, September 1861.



INLEIDING.


Bestaat er behoefte aan eene geschiedenis van Suriname?

Wij hebben ons zelven meermalen deze vraag voorgehouden, toen wij
het plan vormden, om te beproeven eene geschiedenis van die, voor ons
Nederlanders zoo belangrijke, kolonie te schrijven. Wij hebben deze
vraag meermalen aan anderen voorgelegd, en steeds was het antwoord
daarop bevestigend.

Ja! er is behoefte aan eene éénigzins uitvoerige geschiedenis,
die niet slechts de voornaamste feiten mededeelt, maar zooveel
mogelijk de oorzaken dier feiten tracht op te sporen; die de zeden
en gebruiken der inwoners tracht te schetsen, en ons als het ware in
Suriname's maatschappij verplaatst. Door eene zoodanige geschiedenis
zou die belangstelling in die kolonie vermeerderd worden, welke zij
als Nederlandsche bezitting zoo zeer verdient, die zij tevens in meer
dan één opzigt noodig heeft, welke zij als Nederlandsche kolonie van
ons Nederlanders met regt eischt.

Veel is er in den laatsten tijd over Suriname gesproken en
geschreven. Wie heeft in de laatste jaren niet wel eens iets over
Suriname gelezen, over Suriname hooren spreken?

De tijd is voorbij, toen de groote menigte in ons Nederland naauwelijks
er iets meer van wist dan den naam, en de kennis er van zich bepaalde
tot het weten, dat het eene Nederlandsche kolonie was, een gedeelte
van de Noord-Oostelijke kust van Zuid-Amerika, gelegen op ongeveer 57°
en 54° W. L. van Greenwich, en tusschen 6° en 2° N. B.

Men genoot wel de voortbrengsels van dat land; de suiker, de koffij,
de cacao vonden hunnen weg wel van het schip tot het pakhuis van
den groothandelaar; van daar tot den winkel van den kruidenier en
verder tot de huizen en op de tafels van de inwoners des lands;
de door de schepen aangebragte boomwol werd wel als handelsartikel
op de markt gezien, in de fabrieken bereid en diende vervolgens, al
naar de wijze der bereiding, tot sierlijke en dunne, of tot eenvoudige
doch warme kleeding.

Men hoorde wel eens, dat de zaken daar niet vooruitgingen, het bewijs
hiervan werd voornamelijk dan gezien, wanneer bij effecten-veilingen,
aandeelen op plantaadjes soms voor spotprijs verkocht werden.

Men hoorde, men vernam wel eens, dat daar in dat Suriname ook nog
slaven waren; maar men dacht er verder weinig over na.

Waren er ook al eenigen die er beter, die er goed mede bekend waren,
dit getal was klein. In den regel bestond er bij de Nederlandsche
natie niet meer kennis van Suriname, dan wij daar zoo even opgaven.

Die tijd is voorbij. Niet slechts eenige edelen en grooten, niet
slechts eenige geleerden en handelaars, maar een goed gedeelte der
Nederlandsche natie heeft thans het oog naar Suriname gerigt.

Van waar die verandering?

Wij willen de pogingen, door verscheidene edele mannen in ons
Nederland aangewend, om belangstelling voor Suriname en in het
bijzonder voor deszelfs lijdende slavenbevolking op te wekken, niet
gering achten. Zij zijn ook niet geheel vruchteloos geweest, maar toch
de natie als natie bleef er onverschillig onder. De zooveel gelezene
roman »De Negerhut," van de onvergelijkelijke Beecher Stowe, bragt
verandering. Veler harten werden geschokt, veler gemoederen bewogen,
er kwam deelneming in het lot der slaven, en weldra poogden ook
Nederlanders de Nederlandsche natie te wijzen op de omstandigheid,
dat niet slechts in het groote Amerika, maar ook in Nederlandsche
koloniën gruwelen geschiedden. Eenige brochures gingen vooraf en werden
gevolgd door het in Nederland zoo algemeen gelezen belangrijke werk
van Baron van Hoëvell: »Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet."

Nu werden veler oogen geopend; de belangstelling vermeerderde; een tal
van geschriften volgde; vergaderingen, vereenigingen werden gehouden,
kwamen tot stand of werden vernieuwd. Wat is er in den laatsten tijd
veel over Suriname gesproken en geschreven!

En toch ondanks dit alles blijft de behoefte aan eene geschiedenis
van Suriname bestaan.

Juist door die opgewekte belangstelling wordt die behoefte meer en meer
gevoeld. Wel bestaan er goede werken over de geschiedenis van Suriname,
als: van Herlein, Fermin, Hartsinck enz., maar deze zijn reeds oud
en loopen niet verder dan tot 1770; anderen als van Teenstra, »De
landbouw in de kolonie Suriname" en van jonkheer C. A. van Sypesteyn,
»Beschrijving van Suriname," bepalen zich hoofdzakelijk tot de
natuurlijke gesteldheid van deze volkplanting, terwijl de eigenlijke
geschiedenis, naar het plan van hun werk, slechts kronijkmatig daarin
kon behandeld worden. Een ander werk van den schrijver, aan wiens
onvermoeide pen wij zooveel verschuldigd zijn, de heer M. D. Teenstra:
»De Negerslaven in de kolonie Suriname", geeft gelegenheid om een
diepen blik te werpen in de toestanden der bevolking in Suriname,
voor ruim twintig jaren geleden--wij wenschen dit belangrijke werk
steeds in veler handen, men kan er veel uit leeren,--doch het geeft
geene geschiedenis.

Wordt die behoefte dan algemeen erkend, zoo wordt de wensch, de
begeerte wakker: Mogt die behoefte weldra vervuld worden.

Meermalen heb ik dien wensch geuit, doch op de vervulling daarvan
tot heden vruchteloos gewacht.

Langzamerhand rijpte bij mij het denkbeeld zelf zoo iets te beproeven,
maar de moeijelijkheden hieraan verbonden, gevoegd bij het gevoel
van eigene geringheid hielden mij een geruimen tijd hiervan terug.

Ik begon echter meer dan vroeger datgene, hetwelk in onderscheidene
werken, zoo oude als nieuwe, over Suriname geschreven was, te
onderzoeken en het een met het andere te vergelijken; de lust tot
onderzoek werd meer en meer bij mij opgewekt; en hoewel ik volkomen
overtuigd ben, dat ik niet eene geschiedenis leveren kan, zoo als ik
hierboven als wenschelijk schetste, zoo vond ik mij toch hoe langer
zoo meer gedrongen om te beproeven, wat ik vermogt, en onder opzien
naar boven en afsmeeken van hooger hulp, waardoor ook het geringste
vaak iets ten goede kan uitwerken, zette ik mij neder, en schreef ik
de geschiedenis, gelijk u dezelve thans aangeboden wordt.

Mogt door dit werk de belangstelling in Suriname en zijne blanke,
kleurling- en negerbevolking eenigzins opgewekt of verlevendigd worden,
het door den schrijver beoogde doel ware bereikt en hartelijk zou
hij hiervoor den Heer danken.

Suriname en zijne blanke, kleurling- en negerbevolking eischt, heeft
regt op onze belangstelling.

Suriname is eene Nederlandsche bezitting; aan zijne blanke en ook aan
zijne gekleurde bevolking zijn wij in vele opzigten door verwantschap
en andere belangen naauw verbonden, en jegens zijne laatstgenoemde
en negerbevolking hebben wij als Nederlanders ons van eene zoo groote
schuld te kwijten en eene zoo groote roeping te vervullen.

Bij het vermijden van al te groote uitvoerigheid, wenschen wij echter
iets meer dan eene dorre kronijk te geven. Wij willen trachten u
eenigzins met het land, maar voornamelijk met zijne inwoners bekend te
maken; wij willen u tevens hunne zeden en gebruiken schetsen, zoowel
die van den blanken meester als die van den zwarten en bruinen slaaf,
zoo in de stad als op het land; wij wenschen u in de eeuwen heugende
wouden in te leiden, alwaar de boschneger, de afstammeling van gevlugte
slaven, wel is waar op betrekkelijk geordende maatschappelijke wijze,
maar toch als zonder God in de wereld leeft, en waar de Indiaan,
de oude inwoner des lands, omdoolt, geen hooger genot kennende dan
het gebruik van sterken drank.

Het was ons droevig, toen wij, bij het onderzoek der bronnen voor
onze geschiedenis, gevoelden, dat wij meermalen treurige zwarte
bladzijden zouden moeten vullen; het smartte ons, bij dat onderzoek
te ontwaren, dat er zoo weinig lichtende punten in de geschiedenis
van Suriname voorkwamen; het was ons onaangenaam, dat wij, onzes
ondanks, om der waarheid getrouw te zijn, genoodzaakt zouden zijn,
van tijd tot tijd te moeten spreken van wreedheden en onregtvaardige
behandeling der meesters jegens hunne slaven. Het is ons daarom ook
eene behoefte en het verstrekt ons tot blijdschap, dat wij aan het
einde onzer geschiedenis een paar hoofdstukken mogen wijden aan de
beschrijving van de ijverige pogingen der lieve Broedergemeente,
tot heil der kleurlingbevolking. Zien wij daarin hunnen strijd,
hunne vele droevige teleurstellingen, het zal ons tevens een genot
zijn te gewagen van de zegepralen, van de overwinningen, hun door de
trouw en de genade huns Heeren geschonken.

Wij willen de geschiedenis in tijdvakken en deze wederom in
hoofdstukken verdeelen; doch veroorloven ons hierin eene kleine
afwijking van den gewonen regel, daar deze beter met onze wijze van
behandeling strookt. Wij nemen alzoo vijf tijdvakken aan. Het eerste
van de ontdekking van Amerika (in 1492) en die van Guiana (in 1499)
tot 1666, in welk jaar het door de Zeeuwen veroverd werd.

In dat eerste tijdvak, dat wij gevoegelijk Suriname's voortijd kunnen
noemen, zullen wij, na een vlugtigen blik op het land zelf, trachten
de oorspronkelijke bewoners van Guiana iets nader te leeren kennen;
hunne zeden en gewoonten met enkele trekken schetsen; de eerste
ontdekkingstogten en vruchtelooze pogingen ter kolonisatie door de
Europeanen nagaan, en de eerste geregelde nederzetting der Engelschen,
onder den graaf van Parham, door welke de Europeanen voor goed vasten
voet in Suriname verkregen, beschrijven.

Tweede tijdvak. Van de inname van Suriname door de Zeeuwen onder
Abraham Crijnsen in 1666 tot aan de optreding van den Gouverneur
van Sommelsdijk in 1683. De strijd over het bezit van Suriname door
Nederlanders en Engelschen, met heftigheid gestreden, wordt eindelijk
ten voordeele der eersten beslist; daarna ontstaat er verschil tusschen
de Staten van Zeeland en de Algemeene Staten over het eigendom en
beheer der kolonie, waaraan door het overdragen van de kolonie aan de
»Geoctroijeerde Sociëteit van Suriname" een einde komt. In dezen tijd
kan de volkplanting beschouwd worden als in hare wording, in hare
kindschheid te zijn; waarin zich wel reeds kiemen van ontwikkeling
vertoonen, maar waar alles zoo ongeordend, zoo verward is, dat het,
als het ware, op eene vaste, krachtige hand wacht, om orde en regel
hierin te brengen.

Derde tijdvak. Van de komst van den Gouverneur van Sommelsdijk in
1683 tot 1804, wanneer Suriname, door de Engelschen vermeesterd,
onder Engelsch bestuur kwam. Dit groote en belangrijke tijdvak, dat
een voornaam gedeelte der geschiedenis in zich omvat, zullen wij in
hoofdstukken afdeelen, ten einde bij de eene of andere belangrijke
gebeurtenis een rustpunt nemende, gelegenheid te hebben, onzen
blik eens op den toestand der vrije en slavenbevolking te vestigen,
en daardoor, zooveel mogelijk, de oorzaken dier gebeurtenissen op
te sporen, om hierdoor eenigermate met meerdere juistheid over het
geheel te kunnen oordeelen.

Zoo zal bijv. het eerste gewijd worden om den persoon en de regering
van van Sommelsdijk, die niet ten onregte als de tweede grondvester
der kolonie beschouwd wordt, te doen kennen; vervolgens om het
belangrijkste, dat onder zijne opvolgers geschied is, mede te deelen en
te eindigen met de beschrijving van de zoo noodlottige brandschatting
van Suriname door Jean Cassard in 1712. Het tweede zal behelzen:
De gevolgen dier brandschatting voor de kolonie, de daardoor ernstig
geëischte bouw van verdedigingswerken, de twisten over de betaling
der kosten daaruit voortgevloeid, en de verschillen over het inwendig
bestuur. Eene korte beschrijving van de ontwikkeling van den landbouw;
de vermelding van de komst der Hernhutters in 1739; het oprigten
van eene mijn-compagnie in 1742 en de pogingen ter kolonisatie met
Duitsche en Zwitsersche landbouwers in 1749.

In het derde hoofdstuk wenschen wij een overzigt te geven van den
toestand der slaven in dien tijd, de oorlogen tegen de wegloopers en
van den vrede die in 1760 met hen werd gesloten.

In het vierde hoofdstuk willen wij, na vooraf de twisten tusschen
den Gouverneur Mauritius, hunne vermoedelijke oorzaak en den uitslag
daarvan vermeld te hebben, trachten de blanke en gekleurde vrije
bevolking iets nader te leeren kennen; deze in haar maatschappelijk
en huiselijk leven, zoo in de stad als op het land, gadeslaan. Eene
kleine schets van Paramaribo, gelijk het toen was, zal hierin mede
een plaatsje vinden.

In het vijfde zullen wij de belangrijkste gebeurtenissen in de kolonie,
gedurende de regering der op Mauritius volgende Gouverneurs tot en
met Nepveu mededeelen. De meeste plaats zal hier ingenomen worden
door de beschrijving van de toenemende finantieele moeijelijkheden
en daardoor ontstane geldleeningen, waarvan het gevolg was, dat de
Surinaamsche plantaadjes voornamelijk in handen der Amsterdamsche en
andere kooplieden kwamen, en door de eenigzins uitvoerige vermelding
van den nieuwen strijd tegen de wegloopers en de expeditiën tegen
hen onder kolonel Fourgeoud in 1775-1776.

In het zesde hoofdstuk wenschen wij van de betrekkelijke rust in
de kolonie gebruik te maken, om over de letterkundige ontwikkeling,
van dien tijd, te spreken; verder het voornaamste van hetgeen onder
de verschillende Gouverneurs tot en met Friderici gebeurd is, mede
te deelen; benevens de voorvallen gedurende het tusschenbestuur van
Suriname, onder het protectoraat van den koning van Engeland en onder
de korte regering van Beranger, in naam van de Bataafsche republiek,
die met de overgave der kolonie in 1804 aan de Engelschen eindigde.

Het vierde tijdvak van de in bezitneming van Suriname door de
Engelschen, in 1804 tot 1816, wanneer het weder bij verdrag eene
Nederlandsche kolonie wordt.

Dit tijdvak is daarom belangrijk, omdat in hetzelve de afschaffing van
den slavenhandel plaats vond; de gevolgen daarvan, den voortdurenden
sluikhandel, den invloed van het continentaal stelsel op den landbouw
in de kolonie, de exploitatie van het Nieuwe of Nickerie-district
enz. zullen wij alsdan een weinig nader beschouwen.

Vijfde tijdvak van 1816 tot den tegenwoordigen tijd 1858.

Het schrijven eener geschiedenis van den tijd, dien men nog den onzen
kan noemen, is immer moeijelijk, dubbel moeijelijk is dit zeker bij
die van Suriname.

Wij gevoelen dit zeer; wij wenschen onpartijdig te zijn en verder,
de lezer oordeele.

Ook dit tijdvak wenschen wij in hoofdstukken, en wel in een drietal
af te deelen--het eerste van de overname van het bestuur door van
Panhuys in 1816 tot 1828 tot de aanstelling van P. H. Cantz'laar als
Gouverneur-Generaal van de Ned. W. I. bezittingen.

Onderscheidene droevige gebeurtenissen zijn in dit hoofdstuk te
vermelden, als: de verwoesting door de hevige ziekte der kinderpokken
in 1819 veroorzaakt; de ontzettende brand van Paramaribo in 1821;
de opstand der slaven in het Nickerie-district, de twisten tusschen
militairen en burgers enz. enz.; verder de pogingen door Engeland
aangewend ter geheele wering van den slavenhandel in Suriname; waartoe
zich Engelsche commissarissen te Paramaribo vestigen; de invoering
van het nieuw papieren geld, enz. enz.

Het tweede: Van 1828 dat P. H. Cantz'laar als eerste
Gouverneur-Generaal der Ned. W.-I. bezittingen optrad tot 1845,
wanneer de Gouverneur Elias zijn vrijwillig ontslag neemt.

Het geheel ophouden van den slavenhandel; de brand van Paramaribo
in 1832; de hernieuwde aanvallen der wegloopers op plantaadjes;
de tegen hen uitgezonden bosch-patrouilles; de schade der kolonie
toegebragt door het Embargo in 1833 en het bezoek van Z. K. H. Prins
Hendrik zullen kortelijk worden vermeld; de worsteling tusschen de
kolonisten en den Gouverneur Elias, die tot zelfs in de Kamer der
volksvertegenwoordigers weêrklank vond, zal eenigzins uitvoeriger
behandeld worden.

Het derde hoofdstuk. Van de komst van den Gouverneur van Raders in
1845 tot op den tegenwoordigen tijd 1861. De opgewekte belangstelling
in Suriname gedurende dezen tijd verspreidt meer licht over de
geschiedenis, die wij zoo getrouw mogelijk wenschen voor te stellen.

Mogten wij kunnen eindigen met de vermelding van het afkondigen eener
goede wet wegens de afschaffing der slavernij in Suriname en verdere
W. I. bezittingen!!

Daar het zendingswerk der Broedergemeente in Suriname in meer dan een
opzigt zoo hoogst belangrijk is, vermeenen wij deze geschiedenis niet
te mogen besluiten, zonder hiervan eenigzins uitvoerig te gewagen;
wij wilden dit echter afzonderlijk behandelen; de voornaamste feiten
zullen wij in den loop der geschiedenis alzoo slechts aanstippen,
om aan het slot een overzigt te geven van een werk, dat zoo gezegend
was en dit nog verder voor de kolonie kan zijn.

Verder wenschen wij, wanneer wij aan het einde van onzen arbeid gekomen
zijn, nog eens een blik om ons heen in den tegenwoordigen toestand
van Suriname te slaan en onze vrijmoedige aanmerkingen daaromtrent
mede te deelen.

Ten slotte zullen wij tot gemak van den lezer eene chronologische tafel
van de voornaamste gebeurtenissen, in deze geschiedenis vermeld, geven,
en als bijlage eenige officieele stukken, die, hoewel zeer belangrijk,
echter minder gevoegelijk in den tekst konden worden geplaatst.

En na deze inleiding, die ons voorkwam noodig te zijn, gaan wij nu
over tot de geschiedenis.



EERSTE TIJDVAK.

VAN 1492 TOT 1666.


De kolonie Suriname, ook wel Nederlandsch Guiana genoemd, liggende
tusschen ongeveer 57° en 54° W. L. van Greenwich en tusschen 6° en
2° N. B., heeft eene uitgestrektheid van 2800 vierkante geographische
mijlen; hiervan is slechts een gedeelte van 700 mijlen als eenigzins
bekend of bezocht te beschouwen; het ter bebouwing van plantaadjes
uitgegeven gedeelte der kolonie bedraagt 30 mijlen, waarvan echter
niet meer dan 10 in eigenlijke cultuur zijn gebragt.

Indien men een blik slaat op eene eenigzins uitvoerige kaart van
Suriname, [2] verwondert men zich aldaar zoo weinig bebouwd land
te vinden; te meer bevreemdt ons dit, omdat alle berigten hierin
overeenkomen, dat het een vruchtbaar, een schoon, een rijk door
de natuur gezegend land is. Onwillekeurig rijst de vraag dan wel
eens in ons op: »Waarom zit men in Europa, in ons Nederland zoo
opeengehoopt? waarom klaagt men hier soms zoozeer over overbevolking,
over toenemend pauperisme? waarom wordt het bevel door God gegeven,
Gen. 9: 7: »Maar gijlieden, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt,
teelt overvloedig voort op de aarde en vermenigvuldigt" op dezelve
niet in ruimere toepassing gebragt? en waarom heeft de mensch, de
door God geschapene mensch, de aarde niet meer vervuld? Waarom? Het
antwoord op deze vraag is niet altijd even gemakkelijk; in den loop
dezer geschiedenis zullen wij misschien eenige waarschijnlijkheden
opmerken, waardoor wij dit, ten minste in betrekking met Suriname,
beter verklaren kunnen.

Indien wij in den geest eenige eeuwen teruggaan en ons oog vestigen
op Guiana, waarvan Suriname een deel uitmaakt, dan ontwaren wij nog
meer doodschheid, nog minder menschelijk leven.

De landstreek Guiana, ook »de wilde kust van Zuid-Amerika" genaamd,
bevat niet slechts het Nederlandsche Suriname, maar tevens het
Engelsche Demerary, Essequebo en Berbice en het Fransche Cayenne,
en strekt zich aan beide zijden zelfs nog verder uit dan de schoone
rivieren, de Maranon- of Amazonen-rivier en de Orinoco, die als de
grensrivieren van Britsch en Fransch Guiana aangemerkt worden; de
Oceaan besproeit de noordelijke kust en ten zuiden wordt het door
bergen, die echter weinig bekend zijn, van het uitgestrekte Amerika
gescheiden.

Guiana maakt een deel uit van dat belangrijke werelddeel, hetwelk
wij Europeanen »de nieuwe wereld" noemen, nadat Europa, door de
ontdekkingen van Columbus in 1492 en vervolgens er kennis aan heeft
gekregen.

Amerika, »de nieuwe wereld" door ons genoemd, omdat het voor ons
nieuw was, kan zich evenwel, naar alle waarschijnlijkheid op eene
even vroege bevolking als ons Europa beroemen, en heeft voorzeker
zijne eigene oorspronkelijke bewoners gehad.

Sommige schrijvers [3] vermeenen redenen te hebben, om te gelooven,
dat in overoude tijden,--lang zelfs vóór die verschrikkelijke
natuurschokken, waardoor Amerika heeft opgehouden met het groote
vasteland van Europa verbonden te zijn,--reeds in die vroege oudheid,
zoowel Azië en Afrika als Europa in dat uitgestrekte werelddeel
volkplantingen hebben gesticht. Wat daarvan zij, wagen wij niet te
beslissen; dit schijnt echter vrij zeker te zijn, dat de inwoners
van het werelddeel, door Columbus en anderen ontdekt, reeds te dien
tijde verwantschap hadden door taal en zeden enz. met de inwoners der
andere werelddeelen. »God heeft uit éénen bloede het gansche geslacht
der menschen gemaakt."

Amerika met zijne uitgestrekte wouden, met zijne grasrijke vlakten, met
zijne hooge bergen, met zijne majestueuse rivieren, waarbij de grootste
van Europa als beekjes zijn, met de vruchtbaarheid van zijnen grond,
schijnt van eene verhoogde werking der natuurkrachten te getuigen,
ten minste in het planten- en delfstoffelijke rijk.

Zandwoestijnen, gelijk in Afrika, heide- of andere woeste gronden,
gelijk in Europa, vindt men er bijna niet.

Daar het zich in de lengte tot hoog in het noorden en laag in het
zuiden uitstrekt, zijn in Amerika allerlei klimaten. Wat heeft
sedert de ontdekking van Amerika zich het menschelijk verstand met
menigvuldige waarnemingen kunnen verrijken, hoeveel aanleiding gaf het
den Christen om God in de werken Zijner schepping te verheerlijken;
dan ook helaas! hoezeer heeft de heerschzucht der menschen, de
onverzadelijke gouddorst der Europeanen voedsel gevonden, bevrediging
gezocht; hoe woedden die hartstogten in datzelfde Amerika; hoeveel
onschuldig bloed, daar bij stroomen moedwillig geplengd, roept van
daar van de aarde tot den troon van Hem, die een vergelder en wreker
is van het kwaad.

Aan de noord-oostelijke kust van Zuid-Amerika en wel meer bepaald aan
de breede strook lands, bekend onder den naam van Guiana of wilde kust,
ligt Suriname. Suriname maakte een belangrijk gedeelte van Guiana
uit. Het is een land, gelijk wij zoo straks van Amerika aanmerkten,
rijk door de natuur bedeeld. Uitgestrekte eeuwen heugende wouden,
bevolkt met talrijke diersoorten, zoo viervoetige als vogelen,
bedekken deszelfs bodem; schoone rivieren als: de Marowijne, de
Saramacca, de Commewijne, de Suriname, de Coppename en de Corantijn,
vloeijen grootendeels uit het zuidelijk gedeelte van bergen af,
storten zich aan het noorden in den Atlantischen Oceaan uit, en
leveren, even als de tallooze kreeken, uitnemenden visch op. Slechts
vrij diep landwaarts in, ten zuiden, vindt men bergen; verder is het
land vlak en laag en in de bosschen zijn vele poelen of zwampen, die
in den regentijd tot kleine meeren aanwassen; met lang gras bedekte
savanen geven overvloedig voedsel aan de wilde zwijnen, woudezels
en herten; de zeekust, welke zich van het oosten naar het westen
uitstrekt, bestaat uit laag land, niet meer dan 10 en 15 palmen
boven het gemiddelde tij verheven, met kreupelhout bewassen; langs
hare geheele uitgestrektheid ligt eene breede, modderige zandbank,
die hier minder, daar meer in zee uitsteekt.

Dit land, waar een eeuwig groen, eene eeuwige lente als het ware
heerscht, dat zelden door stormen of aardbevingen ontrust wordt,
waar overvloed van visch en gevogelte, waar saprijke boomvruchten
en heerlijke moeskruiden in overvloed te vinden zijn, zoodat het in
deze opzigten voor geen land van den aardbodem wijkt, waar de mensch
alles voor de hand vindt, wat hij noodig heeft om zijne tijdelijke
behoeften te vervullen;--dat schoon en vruchtbaar land werd, vóór
dat het door de Europeanen ontdekt werd, door Indianen bewoond.

Indianen waren de heeren dezer ruwe, maar schoone schepping. Guiana met
zijne bosschen en stroomen, visch en wild, bergen en dalen, vruchten
en wouddieren, was het hunne; hier togen die kinderen der natuur
in talrijke scharen rond; hier sloegen zij hunne eenvoudige hutten
op, en terwijl de mannen ter jagt gingen of zich met de vischvangst
bezig hielden, bereidden de vrouwen het maal, of bepootten den grond
met aardvruchten, als yams, cassaves en anderen, of vlochten aardige
korfjes, of vervaardigden die nog door de Europeanen geprezene fraaije
potten, schotels en ander huisraad, of wel zij rijgden schitterende
kralen aan elkander, om zich schorten of andere voorwerpen tot opschik
of kleeding te maken.

De eigenlijke inboorlingen des lands, Arawakken en Warouwen genaamd,
waren van eenen vreedzamen aard; de Caraïben, vroegere bewoners
der eilanden, welke men in den grooten inham tusschen Zuid- en
Noord-Amerika vindt, schijnen door de vrees voor en door het geweld
der Europeanen gedreven, zich van tijd tot tijd in Guiana te hebben
nedergezet, en uit al hetgeen men daaromtrent verneemt, blijkt het,
dat zij woester van aard en wreeder van inborst waren dan de Indianen,
die in de bosschen van Guiana rondzwierven.

Het is dus niet te verwonderen, dat de Caraïben, van nature
krijgshaftig en daarbij listig en sluw, weldra eene zekere meerderheid
over de andere stammen uitoefenden. [4]

De volkeren, die Guiana bewoonden, en onder den algemeenen naam van
»Indianen" bekend zijn, waren van eene welgemaakte gestalte, met
regelmatige en over het geheel niet onbevallige wezenstrekken; zij
hadden zwarte oogen, terwijl het wit van dezelve zuiver glansrijk was;
de neus breed en rond, hunne lippen eerder dik dan dun, de tanden zeer
wit en vast, welken zij dan ook tot in den hoogsten leeftijd, ja tot
hunnen dood toe, meerendeels gaaf behielden. Dik, lang en zwart haar,
dat niet dan in eenen zeer hoogen ouderdom grijs werd, verstrekte hun
tot een groot sieraad; zij droegen echter geen baard, al de haren,
die om mond en kin groeiden, werden steeds door hen uitgetrokken;
ditzelfde deden zij ook met de wenkbraauwen, de vrouwen evenzeer als
de mannen; hunne kleur was een zeker rosachtig bruin, doch verschilde
evenwel naar de woonplaatsen; de in het bosch levenden waren blanker
dan zij, die zich meestal in het veld ophielden.

Zij beschilderden zich daarenboven met eene roode verwstof, Roucou
genaamd, en soms ook wel met eene zwarte kleurstof, zoo tegen het
steken der Muskieten, als tegen het branden der zon, voornamelijk
echter, omdat het door hen fraai gevonden werd. De Indiaansche vrouwen
waren doorgaans van eene matige grootte en welgemaakt, terwijl haar
gelaat eene zekere innemende zachtheid en goedaardigheid uitdrukte. [5]

Hare voornaamste sieraden, behalve de neus- en oorversiersels, die
zij met de mannen gemeen hadden, bestonden in snoeren van kralen,
als banden aan de handen, boven de ellebogen, aan de schouders en
verder om andere deelen van het ligchaam; van deze kralen-snoeren
vlochten en droegen zij schorten. Ter voltooijing van den opschik
diende een stuk been, ter dikte van een gulden en ter grootte van
een stuiver, plat geslepen, dat zij in groote menigte om den hals
droegen; korte trosjes, doch kleiner en dunner geslepen, aan welker
einde koperen plaatjes hingen, prijkten in de ooren; om den luister
van dit alles nog te verhoogen, staken zij nog in ieder oor een tand
van een kaaiman of krokodil; sommigen hadden verscheidene ketenen van
quiriba, zijnde eene soort van slakkenhuisjes, welke zij kunstig wisten
te bewerken. Voeg nu nog hierbij eenige halssieraden, uit de tanden
van apen en andere dieren zamengesteld, en een zilver of ander rond
plaatje, een halven duim groot, dat in het midden van den neus hing,
en het toilet eener Indiaansche schoone is volkomen in orde.

De mannen hadden meestal oor- en neusversiersels als de vrouwen,
verder bestond hunne voornaamste pracht in eene soort van mutsen met
veelkleurige pluimen.

Deze mutsen dienden echter niet slechts tot sieraad, maar ook tot
eene beschutting voor de heete zonnestralen.

Een band midden om het lijf, waarin zij een mes of iets dergelijks
staken, en een stuk katoen ter schaamtebedekking, ziedaar de geheele
kleeding van de mannen.

Het tatoueeren en beschilderen van het ligchaam met onderscheidene
figuren, voornamelijk tegen het naderen van groote feesten, was echter
mede bij hen in gebruik.

In het algemeen waren de Indianen, gelijk zij nog zijn, van een
vrolijken doch luijen aard; zoo zij zich niet met de jagt of met de
vischvangst onledig hielden, of hout voor hunne woningen veldden,
of hunne wapenen en vischtuig in orde maakten, of met het groote
werk, de vervaardiging eener Canoe bezig waren, bragten zij een groot
gedeelte van den dag in hunne hamak of hangmat door, hetzij met praten,
of het haar uit den baard te plukken, hetzij met op een of ander ruw
muziekinstrument te spelen, of tot afwisseling het geluid van een of
ander wild dier na te bootsen. Gastvrij zijnde, ontvingen zij dikwijls
bezoek van andere stamgenooten, wanneer het gesprek doorgaans over
de geliefkoosde onderwerpen jagt en visscherij liep.

Hoewel zeer tot sterken drank en wellust geneigd, waren zij in den
regel van een goeden zachtzinnigen inborst, doch meestal bijgeloovig,
vreesachtig en laf, de Caraïben uitgezonderd, die den oorlog beminden
en geene vrees kenden. Als men hen beleedigde was hunne wraak, over
het algemeen, hevig.

Zij bezaten eene zekere aangeboren eerlijkheid en regtvaardigheid,
die in al hunne handelingen uitblonk; zij betoonden zelfs eene
wellevendheid en vriendelijkheid, die men bij onbeschaafde volken niet
verwacht zoude hebben; indien zij met elkander een gesprek voerden was
het steeds met bedaardheid en zachtheid; nooit spraken zij elkander
op verachtelijke wijze aan; scheldwoorden waren hun bijna onbekend.

Ten opzigte van hunne godsdienst kan zeer weinig gezegd worden;
wel scheen bij hen een zeker onbestemd gevoel of bewustzijn van het
bestaan van een Opperwezen te zijn; maar dat zij hetzelve aanbaden of
eerbiedigden valt niet te bewijzen. Alleenlijk betoonden zij eenigen
eerbied aan de zon en de maan. Zij bezaten eenige kennis van den
loop der sterren, en deze kennis, hoe gering dan ook, was hun echter
van groot nut tot het opsporen van den weg in de wildernissen. Zij
geloofden aan een overgang na den dood in een ander leven; waarom dan
ook bij het begraven verscheidene zaken, welke men veronderstelde in
eene andere wereld noodig te hebben, bij den doode, in het graf werden
gelegd. Van godsdienstoefeningen of plegtigheden onder hen heeft men
geene sporen gevonden; echter vreesden zij zeer voor een boozen geest,
den duivel, van wien zij zeiden, dat hij hun veel kwaads berokkende,
en aan wien zij dan ook de meeste onheilen toeschreven, en dien
hunne priesters door bezweringen en andere goochelkunsten trachtten
te verdrijven. Die priesters, Pageyers genaamd, dienden tevens als
hunne artsen, en oefenden alzoo eenen grooten invloed op hen uit.

Hoewel zij eenige geneesmiddelen en kruiden, waarvan zij de
krachten kenden, dikwijls met goed gevolg gebruikten, namen zij,
bij gevaarlijke ziekten, toch steeds tot een der zoo even genoemde
Pageyers de toevlugt.

Deze moest de Jawahu of duivel, welke zij geloofden, dat hun de ziekte
toezond, bezweren en uitdrijven.

Een dezer bedriegers begaf zich dan des nachts alleen bij den zieke,
voorzien van eene witte calabas, die zij Wieda noemden, en in welke men
meende, dat eenige duivels huisvestten. De priester deed hierin eenige
steenen, blies er in en schudde dezelve heen en weder, om, zoo als hij
voorgaf, de daarin beslotene duivels te noodzaken hunne medemakkers,
die den zieke het ongemak aandeden, op te zoeken. Den ganschen nacht
door raasde, schreeuwde en bootste hij allerlei geluiden als van apen,
tijgers, papegaaijen en andere dieren na; dan weder was het alsof hij
met een onzigtbaren persoon sprak en deze hem antwoordde. Die Pageyers
wisten hunne stem zoodanig te wijzigen, dat men, buiten de hut staande,
werkelijk zou gedacht hebben, dat er een tweede persoon aanwezig was.

Kwam de lijder te sterven, o dan had de Pageyer steeds de eene of
andere uitvlugt, bij voorbeeld: de kranke had te veel kwaad gedaan
of hij had te lang gewacht, of de Jawahu had gezegd, dat hij te
zeer vertoornd was om af te laten enz. enz. enz.; genas de zieke
daarentegen, hetgeen nog al eens geschiedde, want daar deze door den
geweldigen angst en de spanning, waarin bij gebragt werd, meestal als
in een bad van zweet geraakte, zoo werkte deze verhoogde transpiratie
soms zeer gunstig, dan, ja dan werd de priester rijkelijk voor zijne
moeite beloond, men durfde hem bijna niets weigeren, maar gaf hem
al wat hij begeerde, al ware het ook de vrouw of de dochter van den
lijder zelve.

Die ongelukkigen, zij kenden den eenigen, den waren Geneesmeester
niet, en leefden alzoo, even als alle Heidenen, zonder waren troost,
in gestadige vreeze des doods, onder de dienstbaarheid der zonde.

De huwelijken onder hen werden zeer eenvoudig gesloten. Wanneer
een Indiaan trouwen wilde, zocht hij onder de hand zich bij de
bloedverwanten van haar, die hij tot vrouw wenschte te bezitten,
te vergewissen, dat hij geen afwijzend antwoord zou bekomen; daarna
deed hij een bezoek bij den vader der jonge dochter, hing dezen
een tafereel op van de armoede en ontbeeringen, die hij leed,
doordat hij geene vrouw had, waarop de vader alsdan met eenige
pligtplegingen antwoordde. Na een dergelijk onderhoud werd, naar
Indiaansche gewoonte, het eten binnengebragt en door het meisje den
jongeling voorgezet. Nam deze nu de spijze, zoo bleek het, dat hij
het ernstig gemeend had, en het huwelijk werd als gesloten beschouwd;
reeds denzelfden avond werd de hangmat der jonge dochter naast die
van den bruidegom vastgemaakt en de geheele zaak was afgeloopen. Wilde
een vader zijne dochter uithuwelijken, dan verzocht hij hem, dien hij
tot man voor zijne dochter wenschte, bij zich en liet hem dan spijze
voorzetten; gebruikte hij dezelve, alsdan was mede alles in orde.

Bij sommige stammen kwamen, wanneer de zaak tusschen de belanghebbende
partijen bepaald was, de bloedverwanten en vrienden bijeen, waarop
de vader of de naaste betrekkingen den bruidegom vermaanden, zorg
voor zijne vrouw te dragen; dagelijks uit jagen en visschen te
gaan en zijn kosttuin naarstig te bezorgen, om het huishouden wel
te kunnen voorzien; der bruid werd zeer op het harte gedrukt, dat
zij haren man eerbied bewijzen en hem getrouw moest zijn, dat zij
hem, telkens bij zijne te huis komst, spijs en drank voorzetten,
en verder alle pligten der vrouw behoorlijk in acht nemen moest;
waarop de plegtigheid met zingen, dansen en drinken werd besloten,
en eindelijk de bruidegom zijne vrouw naar zijne hut medenam. De
huwelijksformaliteiten waren hiermede geëindigd.

Schoon de veelwijverij bij de Indianen geoorloofd was, bezaten echter
weinigen onder hen meer dan twee of drie vrouwen, en wanneer zij er
meer namen, werd dit als een bewijs van aanzien en vermogen beschouwd,
omdat zij verpligt waren den vaders hunner vrouwen geschenken te
geven en haar, als het ware, van hen koopen.

Gewoonlijk had iedere vrouw hare bijzondere hut, waarin zij met hare
kinderen woonde. Het wild of de visch, door den man gevangen, werd
door hem onder haar, naar evenredigheid van het getal harer kinderen,
verdeeld. Het was der vrouw niet geoorloofd te eten, voordat de
man hiermede gereed was; de toestand eener vrouw is, gelijk bij
alle Heidensche volkeren, meer die eener slavin dan die eener
levensgezellin, eener echtgenoote in onze Christelijke maatschappij.

De wapenen der Indianen bestonden uit bogen en pijlen; de bogen waren
van letter- of ander hard hout, gewoonlijk vijf à zes voeten lang,
aan den buitenkant rond, en aan de punten spits toeloopende, en met
een koord of snaar gespannen; de pijlen hadden dezelfde lengte; van
riet gemaakt, was aan het achtereinde van iedere pijl een stuk hout,
drie à vier duimen lang, om de beweging te verhaasten; aan de andere
zijde of de punt werd zij voorzien van een stuk zeer hard hout, dat
spits gesneden, of wel met veeren of steenen punten met weêrhaken,
ook wel met een scherpen vischgraat of iets dergelijks voorzien
was. Één punt op de pijl was den Indiaan echter niet genoeg, soms
zette hij er drie, vijf ja zeven op, welke Possirou genoemd werden.

Dit wapentuig gebruikte de Indiaan niet slechts in den oorlog,
maar ook op de jagt en meermalen ook ter vischvangst; hij was in
het gebruik er van zoozeer geoefend, dat hij in één schot dikwijls
evenveel visschen doodde, als er punten aan de pijl waren.

Even als hunne stamgenooten in Zuid-Amerika woonden zij in dorpen of
gehuchten, die uit eenige hutten bestonden, bij elkander geplaatst
langs de rivieren en meren, zonder eenige schikking of orde, terwijl
zij dikwijls van woonplaats veranderden.

Deze hutten of carbets waren ellendige vierkante woningen, van vijftig
tot zestig voeten lang, doch niet zoo breed, van boven rond, en
achttien à twintig voeten hoog; houten staken en gevlochten boomtakken
waren de bouwstoffen voor de wanden; het dak werd met palm- of andere
bladeren gedekt; de eenige opening was de deur, die zoo laag was,
dat men haar bukkend moest binnengaan; de stookplaats in het midden
der hut zijnde, moest de rook door de deur een uitweg vinden.

Bij sommige stammen van Indianen in Amerika woonden verscheidene
huisgezinnen bij elkander; hier vond men dit echter zeldzaam,
ieder gezin woonde afzonderlijk; de Caraïben zelfs hadden meestal
tweederlei hutten als: één voor nachtverblijf, van hetwelk het dak,
tentsgewijze gebouwd, aan de einden bijna den grond reikte; de andere,
die des daags bewoond werd, was hooger en wijder, vierkant, op palen
opgehaald, aan twee en drie kanten open en verder met bladeren gedekt.

In hunne dorpen was doorgaans ééne groote hut, Tabony genaamd, die tot
wapenhuis diende, of tot eene verzamelplaats van de geheele bevolking,
waar zij hunne vergaderingen hielden, hunne feesten vierden en de
vreemdelingen ontvingen.

Deze gebouwen waren in den regel 130 à 140 voeten lang en 30 à
40 voeten breed, behalve het plein, dat met palisaden bezet was;
zij waren rondom open, verder van een genoegzaam getal hangmatten
voorzien, opdat de mannen op hun gemak de noodige zaken behandelen
konden; aan de vrouwen was dit voorregt niet vergund, deze moesten op
hare hielen in hurkende houding of anders op eene groote bank zitten.

Het huisraad van den Indiaan was zeer eenvoudig, en bestond in
de eerste plaats in de hangmatten, geschilderde potten, gevlochten
korfjes, en hierbij kunnen wij mede wel den boog en de pijlen rekenen,
die het grootste sieraad der woning uitmaakten.

Stoelen of banken werden door hen niet gebruikt; zoo zij al niet
op hunne hangmatten lagen, zaten zij altijd op hunne hielen in
nedergehurkte houding.

Alleen bezaten zij eenen houten stoel, Moulé genaamd, die bij het
ontvangen van bezoek gebruikt werd; een zeer gemakkelijke zetel was
het nu wel niet, zijnde zonder leuning en zitting en in het midden
zoo hol, dat men er tot aan de knieën toe inzakte en de knieën tot
aan de kin kwamen.

Wat inzettingen, wetten, enz. betreft, hiervan waren zij ten eenemale
onkundig; noch regeringsvorm, noch policie belette hen een ieder naar
zijn welgevallen te leven; onderscheid van rangen en standen werd onder
hen niet gevonden; hunne kapiteins of opperhoofden voerden slechts het
bevel in den oorlog, doch bezaten geene magt in burgerlijke zaken. En
toch, ofschoon deze Indianen van geene wetten wisten, geschiedde er
zelden manslag; zij leefden vreedzaam onder elkander; indien zich
echter het zeldzame geval voordeed, dat de eene Indiaan den anderen
doodde, werd dit òf door de maagschap gewroken, òf de doodslager
moest zekere vergoeding geven. Bij sommige stammen, o. a. bij de
Caraïben, die zeer jaloersch waren, werd overspel met den dood van
beide schuldigen, in het openbaar, ten aanzien van al het volk,
gestraft; bij anderen sloeg de man de echtbreekster dood; wederom
bij anderen had eene wedervergelding plaats en werd de overtreder
met gelijke munt betaald.

In den oorlog waren zij, voornamelijk de Caraïben, dapper maar tevens
wreed; de gevangenen werden òf tot slaven gemaakt òf op gruwelijke
wijze vermoord, terwijl zij onder de uitgezochtste pijnigingen de
grootste hardvochtigheid toonden.

Zoo leefden en woonden die kinderen der natuur, met hun goed en hun
kwaad; zondaars als alle menschen, in betrekkelijken zin goedhartig,
slechts bij het verheffen der hartstogten in den oorlog wreed.

Hadden zich toen onder hen mannen begeven, brandende van liefde tot
den Heer, die hen kocht met Zijn bloed, en die hen in zachtmoedigheid
en vertrouwen op 's Heeren hulp, het Evangelie der genade hadden komen
brengen, dan zou men hier misschien dezelfde heugelijke verandering
gezien hebben, als wij in deze dagen bij de veel woestere bewoners
der Zuidzee-eilanden opmerken; ware dit toen en vervolgens geschied,
hoe gansch anders zou de geschiedenis van Guiana nu zijn.

De bewoners van het Zuidelijk Europa, in de 16e en 17e eeuw, trokken
toen niet naar vreemde landen om het rijk huns Heeren uit te breiden,
om het heil, dat in Christus Jezus den menschen geworden is, aan
blinde Heidenen te verkondigen, men verliet ook toen huis en hof,
vaderland en magen, maar slechts uit zucht naar gewin.

Wij keuren het volstrekt niet af, dat men zich in een ander land gaat
vestigen, om aldaar, doende wat de hand vindt om te doen, het brood
des bescheiden deels te verdienen,--maar dat men dan toch steeds voor
oogen houde de vermaning van den Apostel (1 Petr. 2: 12) »Houdt uwen
wandel eerlijk onder de Heidenen, opdat zij uit de goede werken, die
zij in u zien, God verheerlijken mogen;" en dit deden de Christelijke
natiën van Europa niet; aan die Apostolische vermaning dachten zij
niet bij het verkeer met en bij hun verblijf onder vreemde Heidensche
volken, gelijk de geschiedenis ons gedurig leert.

De beroemde Christoforus Columbus had, gelijk algemeen bekend is,
in 1492 het vierde werelddeel, de Nieuwe wereld, ontdekt.

De haat en afgunst der Spanjaarden en Portugezen was door den
welverdienden roem van dezen grooten man tegen hem opgewekt. Wij
willen thans niet uitweiden over de onaangenaamheden en de kwellingen,
die Columbus aangedaan werden; het is ook niet noodig, zij zijn
genoegzaam bekend; algemeen weet men dat het vierde, door Columbus
ontdekte, werelddeel niet naar hem, maar naar een lateren ontdekker,
Americus Vespucius, Amerika is genoemd geworden.

De lust tot ontdekkingsreizen was opgewekt, de zucht en het streven
om daaraan deel te nemen werd gedurig sterker, en ook naar dat
gedeelte van Zuid-Amerika, later de Wilde kust of Guiana geheeten,
werd weldra de steven gewend om, zoo mogelijk, den roem van Columbus
te overschaduwen en om goud te vinden.

Kort nadat de Spanjaarden, onder Columbus, eerst de eilanden en
naderhand het vaste land hadden ontdekt, en zij hunne zeevaart in
verscheidene gewesten van dit nieuwe werelddeel begonnen uit te
breiden, werden er ontdekkingsreizen naar Guiana gedaan.

De eerste, waarvan de geschiedenis gewaagt, schijnt in 1499 te hebben
plaats gegrepen. [6]

Twee der bekwaamste zeelieden, toen ter tijde in Spanje bekend,
namelijk Alonzo Ojeda en Juan de la Cosa, werden, in den jare 1499,
naar de vaste kust van Zuid-Amerika gezonden, om hare gesteldheid
nader te leeren kennen; doch daar zij die ten deele woest, ten deele
door onbeschaafde wilden bewoond vonden, kruisten zij slechts langs
de kust, beoosten de rivier Orinoco naar het Westen, zonder evenwel
veel kennis van die landstreek op te doen, behalve die van eenige
rivieren, in dien tijd voor hen van weinig belang.

Vincent Juan Pinçon die Columbus op zijne eerste reize vergezeld
had, kwam in 1500, na eene zeer moeijelijke reis, aan de andere of
oostelijke zijde van Guiana, digt bij Kaap Nord. De aldaar gelegen
eilanden kwamen hem zeer aangenaam voor, en hij werd door de Indianen
wel ontvangen, welke hem veel vriendschap bewezen. De aan het vaste
land gelegen rivier de Maranon of Amazone rivier werd door hem een
eind weegs opgevaren, om haar verder te ontdekken; hij gaf zijnen
naam aan eene kleine rivier, die later ook Ojapoco geheeten werd; hij
heeft echter geene naauwkeurige beschrijving van dit gewest gegeven.

Een heerschend volksgeloof zeide, dat er ergens een Eldorado, een
goudland, moest bestaan, dat Peru en Mexico nog verre overtrof;
men sprak er van, dat diep landwaarts in, een land was gelegen,
waarin onnoemelijke schatten van goud en zilver en kostbare steenen
gevonden werden; waar de inwoners hunne huizen met gouden beelden
versierd hadden, ja er zelfs de daken mede bedekten; ook sprak men
er van, dat aldaar een meer van zout water bestond, dat van wege
zijne onmetelijke uitgestrektheid wel eene zee kon genoemd worden,
en het meer van Parima heette, waarvan het oeverzand met stukjes en
stofgoud rijkelijk voorzien was. Dit gerucht was veroorzaakt door
eenen wilde, die, naar hij voorgaf, aldaar was geboren, en dit berigt
had aan Don Belalcasar, nadat deze in 1535 de landen van Papian had
ontdekt en veroverd.

Dit land moest ter zijde van de Orinoco en dus in Guiana liggen. Hoe
ongerijmd deze geruchten ook waren, en hoezeer zij gedurig door de
ondervinding gelogenstraft werden, de gedachte aan de mogelijkheid
alleen om zulk een land te vinden, bewoog velen tot togten derwaarts.

Duizende gelukzoekers, voornamelijk Spanjaarden, vonden bij deze
togten den dood, maar de ondervonden moeijelijkheden schrikten niet
af; steeds trachtte men dieper het land in te dringen. Deze pogingen
werden voornamelijk van en nabij de rivier Orinoco beproefd; waar
de Spanjaarden zich reeds vroeg hadden gevestigd. Door zekeren Don
Diego de Ordas, die ook vele moeijelijke en vruchtelooze reizen ter
ontdekking van het Goudland gedaan had, werd in 1531 aan den Oostkant
van de genoemde rivier de Orinoco, vijf en negentig mijlen van haren
mond, eene stad gesticht, welke hij St. Thomas de Guiana noemde en
welke de eerste bezitting der Spanjaarden in die streek was.

Van hier dan en aan de andere zijde van de Maranon of Amazone rivier,
alwaar de Portugezen zich reeds vroeg gevestigd hadden, gingen de
meeste ontdekkingsreizen uit, en waren zij ook al vruchteloos voor het
beoogde doel, men leerde hierdoor toch allengs het land beter kennen.

Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij een verhaal van al die
togten wilden geven; [7] dit toch blijkt uit alles, dat het bestaan
van een Eldorado, op verscheidene tijden en door zoo velen gezocht,
maar nooit gevonden, niet dan op losse geruchten en de ijdele
hersenschimmen der Spanjaarden en Portugezen was gegrond.

Vele ondernemingen zijn van tijd tot tijd beproefd en mislukt;
eene der laatsten van de zijde der Spanjaarden was die van Antonio
Berrejo, schoonzoon van Ximenes de Queseda, die sedert het jaar 1582,
verscheidene jaren lang, pogingen aanwendde, om het goudland Eldorado
te ontdekken.

Daar hij, niettegenstaande alle mislukkingen, nog steeds door eenige
berigten van Indianen misleid, in den waan bleef verkeeren, dat dit
zoo zeer begeerde land toch in Guiana lag, zond hij in het jaar 1593
Domingo de Vera, met eenig volk, om die onderneming uit te voeren. Ook
deze deelden met de anderen in hetzelfde lot. Echter nam gemelde de
Vera, op den 23sten April 1593, uit naam van Filips II, koning van
Spanje, bezit van Guiana.

Wij willen de acte, volgens welke die in bezitneming geschiedde,
hier mededeelen; zij luidde als volgt:


»Aan de rivier de Pato, den 23sten April 1593.--In tegenwoordigheid van
mij Rodrigues de Corança, secretaris van de Marine, heeft Domingo de
Vera, stedehouder van Antonio Berrejo, zijne soldaten doen vergaderen,
en nadat hij hen in slagorde had geschaard, deze aanspraak gehouden:
»Mijne vrienden, gij weet welke moeite onze Generaal Don Antonio
Berrejo zich heeft gegeven, en wat kosten hij sedert elf jaren gedaan
heeft, om het magtige rijk van Guiana en Eldorado te ontdekken. U
zijn ook niet onbekend de buitengewone moeijelijkheden, die hij in
deze roemruchtige onderneming heeft ondervonden; nogtans hebben het
gebrek aan levensmiddelen en de slechte staat van zijn volk deze
kosten en moeijelijkheden onnut gemaakt; hij heeft mij gelast weder
nieuwe ontdekkingen te doen.

»Uit dien hoofde moet ik bezit nemen van Guiana, in naam des Konings,
en van onzen Generaal, derhalve gelast ik u Franciscus Carillo, om
dat kruis, hetwelk op den grond ligt, op te nemen, en hetzelve naar
het Oosten te keeren."

»Carillo gehoorzaamd hebbende, wierpen de stedehouder en de verdere
soldaten zich voor het kruis op hunne knieën en deden hun gebed.

»Vervolgens nam Domingo de Vera een kop vol water, en dronk dien uit;
hij nam een tweeden, en stortte dien op den grond, zoo ver hij kon,
trok zijn zwaard, en sneed het gras rondom zich, alsook eenige takken
van boomen af, zeggende: »In den naam van God neem ik bezit van dit
land, voor Zijne Majesteit Don Filips onzen wettigen opperheer." Waarna
men weder nederknielde en alle omstanders, zoowel officieren als
soldaten, antwoordden: »Dat zij deze bezittingen zouden beschermen
tot hunnen laatsten droppel bloeds." Daarop gelaste Domingo de Vera
met den blooten degen in de vuist mij, Acte te geven van deze in
bezitneming en te verklaren, dat allen, die daar tegenwoordig waren,
er van tot getuigen verstrekten.


»(Was geteekend) Domingo de Vera, door mij secretaris Rodrigues
de Corança."


Niettegenstaande deze plegtige in bezitneming, vinden wij later weinig
blijken van de magt der Spanjaarden in Guiana; behalve langs de rivier
de Orinoco en van de Portugezen aan de rivier de Amazone.

Toen andere volken hunne bezitting en handel in die landstreek
uitbreidden, troffen zij nog wel sommige van die natiën aldaar
aan, en vonden zij ook nog wel eenige Indianen, die aan hunne magt
onderworpen waren, doch dit was slechts van zeer geringe beduidenis,
in vergelijking van de groote krachtsinspanning, waarmede hunne eerste
ontdekkingen geschied waren. Zij schijnen reeds vroegtijdig het
eigenlijke of midden Guiana verlaten te hebben; onder de oorzaken,
die daartoe medegewerkt hebben, behooren deze: dat voornamelijk de
Caraïben, door hunne wreedheden verbitterd en moede het slaafsche
juk te dragen, deze hoogmoedige meesters òf verdreven òf verwond
hebben; en de toenemende bloei hunner andere volkplantingen zal hun
mede een beletsel zijn geweest, om hier de noodige kracht tot behoud
te ontwikkelen.

Zooveel schijnt zeker te zijn, dat in het einde der zestiende en in
het begin der zeventiende eeuw in dat gedeelte van Guiana, hetgeen
thans Suriname heet, zich geene Europesche inwoners meer bevonden.

Diep landwaarts, in Engelsch en Fransch, zoowel als Nederlandsch
Guiana, vindt men nog verscheidene namen van Spaansche avonturiers,
welke die landstreek bezochten, op de rotsen uitgehouwen.

Ziedaar dan het eenig overblijfsel van al die moeite, van al dat
jagen en drijven naar goud: eenige namen geschreven op de rotsen.

De hoop om een goudland te vinden was toch, niettegenstaande
alle mislukkingen, nog niet geheel uitgedoofd. Een Engelschman, de
welbekende avontuurlijke ridder Sir Walter Rawleigh heeft te dien einde
in 1595 eene togt naar Guiana gedaan. Door de verhalen, die hij van den
door hem gevangen genomen Don Antonio Berrejo vernam, vatte hij een zoo
groot denkbeeld van de rijkdommen van dit nog zoo onbekende gewest op,
en was hij hiermede zoozeer ingenomen, dat hij geene zwarigheid maakte,
in zijne uitgegevene reisbeschrijving, daarvan te zeggen: »dat hij,
die meester van Guiana werd, meer goud bezitten, en over meer volks
heerschen zou dan de koning van Spanje en de Turksche sultan."

Wij hebben echter reeds genoeg van de ongegrondheid dier verhalen en
de ijdelheid dier droomen gezien, om ons langer bij deze nuttelooze
togten op te houden; alleen vermelden wij, dat op bevel van Rawleigh,
kapitein Laurens Keimis in 1596 uit Engeland werd gezonden, [8]
om de kust van Guiana naauwkeurig op te nemen. Hij voldeed hieraan,
bezocht de meeste rivieren tusschen de Amazone en Orinoco gelegen,
welke hij in zijne reisbeschrijving ten getale van 67, benevens de
namen der wilden, die derzelver oevers bewoonden opnoemt; hij dreef
ook eenigen handel met hen en keerde vervolgens naar Engeland terug.

Intusschen begonnen ook reeds andere volken deze kusten te bevaren,
om met de inboorlingen tabak, verw-, letter- en ander hout te ruilen
en daarmede handel te drijven.

Zoo ook blijkt uit oude geschriften, [9] dat de Hollanders en Zeeuwen,
kort voor het jaar 1580, de vaart niet slechts op de rivieren de
Amazone en de Orinoco, maar op de geheele kust van Guiana begonnen
zijn met acht, negen en meerdere schepen. De Staten van Holland
verklaarden in den jare 1581, [10] wel te mogen lijden, dat die vaart
door bijzondere personen ondernomen werd.

In 1599 zijn mede verscheidene rivieren van Guiana door de Hollanders
en Zeeuwen bezocht, en in den jare 1614, den 27 Maart, verleende 's
lands overheid een generaal octrooi, waarbij elk, die eenige nieuwe
havens, passages of plaatsen voortaan zou ontdekken, vrijheid kreeg, om
dezelve vier jaren lang, met uitsluiting van anderen, te mogen bevaren.

Adriaan ter Haaf, burgemeester van Middelburg, schijnt mede al vroeg
zijne schepen derwaarts te hebben gezonden, daar hij, in 1599, in een
adres aan de Staten van Zeeland ingeleverd, waarbij hij om soldaten
op zijne schepen verzocht, gewaagt van reeds van tijd tot tijd zijne
schepen naar de kust van Zuid-Amerika te hebben gezonden.

Omtrent dezen tijd formeerden de kooplieden van Vlissingen [11]
daar reeds eene volkplanting, en wierpen aan de Amazonen-rivier twee
sterkten op, de eene genaamd »Orange" en de andere »Nassau", welke
naderhand echter weder door de Portugezen werden vernield.

De Nederlanders hadden zich ook reeds vroeg aan de rivier van
Essequebo nedergezet, maar de Spanjaarden verdreven hen met behulp
der Indianen in 1596. Doch onze oude Nederlanders lieten zich niet
zoo spoedig afschrikken; kort hierna heeft de heer Joost van den
Hooge aan deze rivier weder eene volkplanting opgerigt, door hem
Nova Zelandia genaamd, en eene sterkte gebouwd, later »Kijk overal"
geheeten, welke reeds voor het jaar 1613 volkomen in wezen was.

De heer van Peere en eenige anderen vestigden mede, in het begin
der 17e eeuw, eenige nederzettingen in die streek, welke thans tot
Engelsch Guiana behoort, terwijl bij resolutie van de heeren Staten
van Zeeland, den 29 Junij 1634, aan een ieder verboden werd, de Wilde
kust te bevaren en aldaar volkplantingen te stichten, dan gemelde
heeren en den Heer de Peere alleen [12].

Wij vermeenen thans genoeg gezegd te hebben van de ontdekkingen en
eerste togten der Europeanen van en naar de Wilde kust en Zuid-Amerika
of Guiana in het algemeen, om eenigzins een, zij het dan slechts
een oppervlakkig denkbeeld hiervan te verkrijgen, en willen ons nu
meer bepaald met dat gedeelte van Guiana, thans Suriname geheeten,
bezig houden. Slechts van tijd tot tijd, indien dit tot goed verstand
noodig is, zullen wij van die andere gedeelten gewag maken, en willen
wij dan alzoo ook nog met een enkel woord spreken van de poging, door
de Engelschen en Franschen aangewend, om aan de rivier Wiapoco en
elders in het tegenwoordige Fransch Guiana volkplantingen op te rigten.

De eerste proef geschiedde door kapitein Charles Leigh, die met het
schip de Olijfplant, bemand met 46 koppen, den 22sten Mei 1604 in de
rivier de Wiapoco aankwam, alwaar hij en zijne lieden goed ontvangen
werden door den daar wonenden Indianenstam, met welken hij vervolgens
tegen de Caraïbische Indianen in oorlog trad.

Leigh was voornemens bij den berg Oliphe, eene volkplanting te
stichten, doch het volk werd weldra mismoedig, bij het zien der
groote en digte bosschen, die omgehakt moesten worden en hij besloot
toen zijne woonplaats eenige mijlen verder bij den berg Huntley te
vestigen. Eene verzochte versterking, die den 16 Mei 1605 uit Engeland
vertrok, werd door tegenwinden opgehouden, verviel op het eiland
St. Lucie, en werd aldaar grootendeels door de Indianen vermoord,
een gedeelte vlugtte naar de Caracas.

Een ander schip met dertig personen, koopmans- en andere goederen
afgezonden, bereikte den 15 Februarij 1606 zijne bestemming, maar vond
den kapitein Leigh en het grootste gedeelte van zijn volk ziek. Leigh
overleed weldra, en toen het schip vertrok bleven slechts 35 personen,
onder bevel van een zekeren Richard Saksie achter; doch het duurde niet
lang of ook deze Saksie vertrok met 14 anderen, op een Zeeuwsch schip,
naar Middelburg; 10 anderen met een Fransch schip naar St. Malo; de
overigen naderhand, den laatsten Mei 1606, met het schip »de Hoop",
naar Holland. Zoo werd deze volkplanting in twee jaren tijds gesticht
en weder opgebroken [13].

Later in 1608 schijnt er eene nieuwe proef aan de rivier Wiapo
ondernomen te zijn door Mr. Hartcourt met 30 man, die evenzeer
mislukt is.

De Fransche kooplieden te Rouan legden in 1624, na alvorens eenige
schepen derwaarts gezonden te hebben, eene bezetting in dit gedeelte
van Guiana, en besloten aldaar eene vaste handelsplaats op te
rigten. Zij plaatsten eene kleine volkplanting van 26 menschen aan de
rivier van Sinamari. Deze moet echter niet lang stand hebben gehouden;
in 1631 heeft zich zekere kapitein Chambon, met nog 12 Franschen,
daar op nieuw nedergezet, om peper te vergaderen.

Een Nederlander, David Pieterse de Vries, stichtte in het zuiden van
Cayenne in 1634 mede eene kleine volkplanting.

In 1626 werd door de Franschen een veel grootere aangelegd, aan de
rivier Conanam, W. N. W. van de Sinamari.--Hier werd eene versterking
gebouwd, en breidde zij zich meer en meer uit. Door moedwillige
handelingen tegen de Indianen, werden zij, door deze uit wederwraak,
verdreven.

In 1643 werd weder te Rouan eene Maatschappij opgerigt tot kolonisatie,
aan het hoofd van welke zekere Poncet Bretigny stond, die wegens
zijne wreedheid met verscheidene zijner volgelingen door de Indianen
vermoord werd. Eene nieuwe maatschappij, met groote krachten, (800
lieden, zoo mannen als vrouwen, gingen uit Frankrijk derwaarts),
beproefde op nieuw eene kolonisatie; onderlinge twisten tusschen de
verschillende maatschappijen beletteden echter den goeden vooruitgang,
en de Hollanders maakten van deze verdeeldheid gebruik. In 1657,
onder het bewind van Gerrit Spranger, namen zij daarvan een groot
gedeelte in bezit, doch bleven er ook niet lang meester van, gelijk
wij later zien zullen.

In het jaar 1630 is de eerste nederzetting door Europeanen in dat
gedeelte van Guiana, hetwelk thans ook Suriname wordt geheeten,
geschied.

Kapitein Marechal, vergezeld van 60 Engelschen, vestigde zich in
genoemd jaar aan de rivier Suriname, bijna 16 mijlen die rivier op;
hij bouwde aldaar een fortje; omringde het met palisaden, maakte nog 6
mijlen hooger op een huis voor 15 à 16 zijner lieden, en begon weldra
tabak te planten.

David Pieterse de Vries, een Nederlander, dezelfde, die in 1634 in
Cayenne eene volksplanting gesticht had, bezocht later de rivier
Suriname en vond aldaar eenige huizen, fortsgewijze met palisaden
omzet, en den kapitein Marechal met zijne landgenooten bezig zijnde
een kolonie te formeren en tabak te planten. [14]

Dan ook deze bezitting moet van geen langen duur zijn geweest;
hoewel wij den juisten tijd en de wijze harer opheffing nergens
vermeld hebben gevonden.

In 1640 hebben de Franschen, waarschijnlijk van Cayenne, zich daar
neder geslagen en de kolonie in bezit genomen; men zegt ook, dat
men den eersten aanleg van het fort, later fort Zelandia genaamd,
aan hen verschuldigd is, terwijl anderen, wij gelooven met minder
waarschijnlijkheid, de Spanjaarden daarvan de eer toekennen.

De Franschen hebben Suriname echter spoedig verlaten, zoo wegens het
ongezonde klimaat, veroorzaakt door de zware bosschen en veelvuldige
moerassen, als door de gedurige invallen der Indianen.

De Indianen, de zonen der wildernis, waren wel van tijd tot tijd door
de Europesche volken verontrust, doch na het vertrek der Franschen
waren zij weder alleen meesters en heeren.

Wie weet hoezeer zij zich hierover zullen verblijd hebben; wie weet
welke vreugdefeesten daarover in die uitgestrekte wouden gevierd zijn;
wie weet welke zegezangen er werden aangeheven, toen de laatste blanken
verdwenen waren; wie weet,--maar verdiepen wij ons niet langer in
gissingen, al heeft dit alles plaats gehad.--Spoedig is het gebleken,
dat die blijdschap over de verdrijving der vreemdelingen te vroeg
en te groot was, en die feesten zullen weldra opgehouden hebben, die
zegezangen verstomd zijn; want zij bleven niet lang alleen meesters en
heeren; op dien vruchtbaren bodem vestigden zich op nieuw Europeanen,
en sedert dien tijd is dat land in het bezit der Europesche natiën
geweest, en werd aldaar een toestand geboren, gelijk aan die in andere
landen en werelddeelen, alwaar de Europeaan vasten voet erlangde,
of die hij door de kracht des gewelds veroverde.

Lord Willoughby, Graaf van Parham, rustte in 1650 op eigene kosten een
schip uit, bestemd naar de kust van Guiana, hetwelk aan de rivier de
Suriname aanlandde, en waarvan de bemanning goed en vriendelijk door
de Indianen ontvangen werd.

Men sloot met hen verbonden en begon met allen ernst eene volkplanting
daar te stellen. Genoemde Lord zond vervolgens nog een schip van
20 stukken, benevens twee kleinere vaartuigen met onderscheidene
goederen derwaarts. Van tijd tot tijd ging hij voort om de nieuwe
kolonie van wat zij noodig had, te voorzien, en in 1652 kwam Lord
Parham zelf in Suriname, vertoefde er eenigen tijd en bragt door
woord en daad veel tot den voorspoedigen vooruitgang en bloei der
nog zoo kort opgerigte volkplanting bij. Als gouverneur-generaal der
West-Indische eilanden benoemd, vertrok hij echter weldra naar Barbadoz
[15]. In 1654 vlugtten eenige Franschen onder Braglione en Duplessis
uit Cayenne, van waar zij door de Gallibische Indianen verdreven waren,
en werden goed door den bevelhebber Ruff ontvangen [16].

De Engelschen legden er zich met ijver op toe, om den grond te
bebouwen, en deden wat mogelijk was om zich hier voor goed te vestigen.

Digt bij het fort, thans Zeelandia genaamd, dat zeer door hen versterkt
was, werden boomen geveld, omtrent twee à drie honderd morgen
lands vlak gemaakt, en spoedig kwam hier een gehucht van ongeveer
50 hutten of huizen tot stand. Dezen waren echter zeer eenvoudig,
op de Indiaansche wijze, zonder schikking of orde gebouwd; in het
fort zelf maakte men een laag huis, geheel van steen, ter bescherming
tegen de invallen der Indianen.

In 1654 werd het aantal Engelschen op 350 begroot; maar weldra nam de
kolonie in bloei toe, en verscheidene nieuwe aankomelingen versterkten
ze, zoodat het getal der nieuwe inwoners weldra tot 4000 wies. [17]

Aan wederzijden der rivier Suriname breidden zich hunne bezittingen
uit, voornamelijk in de nabijheid van het fort, alwaar later dan
ook de stad Paramaribo gebouwd is, en hooger op aan de rivier Para,
waar deze zich in de Suriname stort.

Nu werden voor het eerst eigenlijke plantaadjes aangelegd, en weldra
beliep hun getal 40 à 50. Hier werd hoofdzakelijk suiker geplant;
op eenigen nam men ook op nieuw de proef met de tabaksteelt, welke
echter niet zeer gelukkig uitviel; van meer belang was de houtvelling
voor het gebruik in de kolonie, zoo voor het bouwen der huizen als ter
oprigting der suikermolens. Beide waren in den beginne zeer eenvoudig,
de molens werden door paarden of ossen gedreven. De tigchelsteenen,
benoodigd tot het metselen der ketels, om suiker te raffineeren, werden
door de kolonisten mede zelven gemaakt. Onderling belang verbond hen
en alzoo kwamen zij meermalen op eene bepaalde plaats bij elkander en
bewerkten dan in gemeenschap datgene, waartoe afzonderlijke personen
niet in staat zouden geweest zijn [18].

Lord Parham, die zich werkelijk jegens deze volkplanting zeer
verdienstelijk had gemaakt, en die de eerste proef geheel op eigene
kosten had gedaan, werd in 1662 door koning Karel II, bij uitvoerigen
giftbrief [19] in het bezit van Suriname bevestigd.

Bij deze acte werd het volle eigendom der landen en kusten
van Suriname, den 2den Julij 1662, geschonken aan Sir Charles
Willoughby, Graaf van Parham, en aan Laurens Hide, tweeden zoon van
den grootkanselier graaf van Clarendon en aan hunne nakomelingen
of regtverkrijgenden.

De regering werd onder het opperbestuur van lord Parham vastgesteld, en
bestond uit een gouverneur, den raad en de gemeente, terwijl de kolonie
volgens de Engelsche wetten en eenige bijzondere keuren werd bestuurd.

Terwijl de kolonie in korten tijd in uitgebreidheid en belangrijkheid
toenam, kwamen er gedurig meerderen aldaar, om hun geluk te beproeven
of om andere oorzaken. Weldra vestigden zich hier mede uit Cayenne
een vrij groot aantal Joden, die door lord Parham, uit overweging van
het groote nut en voordeel, dat zij de nieuwe volkplanting konden
aanbrengen, in alles met de Engelschen gelijk gesteld en voorts in
hunne godsdienst en burgerregten gehandhaafd werden.

Zij deelden deze voorregten met hunne geloofsgenooten, die met lord
Parham uit Engeland waren aangekomen.

Daar de Joden steeds een zoo belangrijk gedeelte der bevolking hebben
uitgemaakt en nog uitmaken, willen wij deze nederzetting, een weinig
uitvoeriger mededeelen en vinden wij ons genoodzaakt de geschiedenis
hooger op te halen.

De Joden, die in grooten getale in Spanje en Portugal woonden
en aldaar, voornamelijk onder de overheersching der Mooren, tot
grooten luister en rijkdom waren gekomen, werden na de verdrijving
van de laatsten, door de katholieke vorsten van dat land zeer
verdrukt en vervolgd, gelijk ons de geschiedenis leert. Om deze
vervolging te ontwijken hadden velen zich in het nieuw ontdekte
Brazilië nedergezet, en hoewel zij daar ook nog veel van den haat
der katholieke geestelijken en anderen moesten lijden, was dit,
in betrekkelijken zin, toch minder dan in Spanje en Portugal.

Eene gouden eeuw brak voor hen aan, toen de Nederlanders voor een
goed deel meester in Brazilië waren geworden, en onder de roemrijke
regering van Maurits van Nassau namen zij in aanzien en rijkdommen
toe. Als een bewijs hiervan diene de vermelding van het feit, dat
toen Maurits in 1644 Brazilië verliet, de Joden hem verzochten, om
het prachtige paleis, door hem gebouwd, te mogen koopen, ten einde
hetzelve tot eene Synagoge in te rigten.

De zaken der Nederlanders gingen, gelijk bekend is, na het vertrek
van dezen kundigen landvoogd, spoedig achteruit, en weldra verloor
Nederland geheel het rijke Brazilië.

De voorspoedszon der Joden aldaar begon nu ook te tanen, en in 1654
werd hun de vrije godsdienstoefening en weldra zelfs het verblijf
op Portugeesch grondgebied ontzegd. De Stadhouder van Portugals
koning verleende evenwel aan de talrijke Joodsche bevolking nog
eenigen tijd, tot regeling harer zaken, mitsgaders een zestiental
schepen, met vrijgeleide, om naar Holland te stevenen. Een aantal
dezer Braziliaansche Joden vestigden zich op een ander punt in het
Nieuwe werelddeel. Sommigen hunner wendden zich naar Cayenne, dat,
gelijk wij hiervoren zagen, in 1656-1657 voor een groot gedeelte door
de Hollanders in bezit was genomen, en thans onder het bestuur van
Gerrit Spranger stond.

In 1659 werden door de Bewindhebbers der W. I. Compagnie aan David
(Cohen) Nassy belangrijke voorregten toegestaan, als: vrijheid van
godsdienstoefening, vrijheid van tienden voor den tijd van twintig
jaren en verlof om eene volkplanting in Cayenne te vestigen. De
W. I. Compagnie verleende dit charter aan David (Cohen) Nassy den
12den September 1659. Hierbij werden de grenzen bepaald, welke ten
opzigte der andere, op het vaste land van Cayenne, door hem in acht
moesten worden genomen.

Dit aan Nassy verleende Octrooi was zoo gunstig, dat in het volgende
jaar een getal van 152 Joden, uit Livorno, zich bewogen vond, om
derwaarts over te komen, die dan ook, zonder verhindering op hunnen
weg te ontmoeten, aldaar aankwamen en er zich, met grooten dank aan
God, onder hunne geloofsgenooten nederzetteden.

Genoemde Nassy muntte onder de andere Joden uit, en kan eenigermate
als hun hoofd beschouwd worden, terwijl hem dan ook den titel van
Patroon der Kolonie door de W. I. Compagnie werd toegekend; met hem
werden ook de contracten enz. gesloten.

Echter hadden noch hij, noch zijne geloofsgenooten lang genot van
de hun in Cayenne toegekende regten, daar Nederland spoedig daarna
Cayenne verloor.

Niettegenstaande Nederland te dien tijde met Frankrijk in vrede leefde,
verscheen er den 11den Mei 1664 eene Fransche vloot, onder bevel van
den heer de la Barre, luitenant ter zee, uit naam van de Fransche
Maatschappij der Evennachtslinie, op de reede van Cayenne.

De Hollandsche gezagvoerder Spranger, die geen kwaad vermoedde,
was buiten staat eene zoo groote magt af te keeren, te meer daar de
Indianen hem verlieten en landwaarts introkken.

Den 15den Mei 1664 werden het fort en de verdere bezettingen aan de
Franschen overgegeven, die de ingezetenen plunderden en velen van
hen naar Frankrijk medevoerden.

De Joden besloten alzoo, daar zij van nu af gedurig verontrust werden,
hunne volkplanting naar een ander oord te verleggen en kozen daartoe
Suriname, alwaar zij, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, door lord
Parham met blijdschap ontvangen werden, daar zij èn door hunne kennis
van den landbouw èn door hunne rijkdommen, beide in Brazilië reeds
opgedaan en verkregen, welkome gasten waren [20].

Ten dien tijde of iets vroeger hebben zich ook eenige Nederlanders aan
de Commewijne nedergezet, ongeveer vijf en twintig mijlen landwaarts
in, die met de Indianen in vrede leefden en met hen eenen vrij grooten
handel in letterhout en andere artikelen dreven. Deze leefden aldaar,
vonden hun bestaan in een eerlijken handel en waren zonder slaven [21].

De Engelschen en Joden hadden echter reeds slaven; hoewel het
niet uitdrukkelijk gemeld is, blijkt dit echter uit den loop der
geschiedenis.

In Suriname's uitgestrekte wouden waren dus de Indianen niet langer
de eenige meesters en heeren, hadden de vroegere ontdekkingstogten en
het zoeken naar goud door de Europeanen opgehouden en waren de eerste
nederzettingen mislukt; de volharding der Europeanen had gezegepraald.

Europa had vasten voet in Suriname verkregen; de toestand was er
veranderd, Suriname was eene Europesche kolonie geworden, en zou dit
voor lang blijven. Zij is dit nog.

Voortaan zou de strijd over het bezit meer zijn tusschen de Europesche
natiën onderling dan tusschen haar en de oorspronkelijke bewoners;
deze worden naar de binnenlanden verdrongen en weldra niet meer
geteld; zij verminderen in kracht en magt, naarmate die bij de
vreemdelingen toenemen. Slechts van tijd tot tijd zien wij hen uit
hunne bosschen te voorschijn komen, om zwakke pogingen ter verdrijving
der vreemdelingen te beproeven; later om met hen handel te drijven,
en helaas! om van hen dien verderfelijken giftdrank te ontvangen, die
hunne gezondheid verwoest, die hen ontvatbaar maakt voor geestelijke,
voor eeuwige dingen.

Europa, Europa! heeft daarvoor de Heer des hemels en der aarde u VOOR
EEN TIJD magt gegeven om beheerscheres der wereld te zijn?

De Engelschen en anderen bouwden in dit hoekje der aarde hunne tabak
en suiker; de kolonie ging voorspoedig vooruit. Doch deze rustige tijd
zou niet lang duren; weldra werd zij door gebeurtenissen verstoord,
die wederom eene groote verandering te weeg bragten, welker vermelding
tot het tweede tijdvak behoort.



TWEEDE TIJDVAK.

VAN 1667 TOT 1683.


Terwijl de Engelschen en anderen zich meer en meer voor goed in
Suriname trachtten te vestigen, en de nieuwe kolonie in betrekkelijk
korten tijd in bloei toenam, vielen er in Europa gebeurtenissen
voor, die eenen grooten invloed op de onderscheidene bezittingen der
verschillende Europesche natiën in de nieuwe wereld zouden uitoefenen,
waardoor Suriname in het bezit van een wel is waar klein, maar dapper
volk zou komen, hetwelk zich, trots allen wederstand en onderlinge
verschillen, langen tijd in dat bezit handhaven zou, en hetwelk
Suriname, na een twaalfjarig gemis, nu nog als eigendom bezit.

De kleine staat of republiek der Vereenigde Nederlanden was reeds
sedert 1661 in oorlog geraakt met Engeland, alwaar Koning Karel II,
na den dood van den protector Oliver Cromwell, in 1658 gestorven, in
1660 weder den troon zijns vaders bestegen had, en nu ten koninklijken
zetel verheven, spoedig de hulp, de ondersteuning, de bescherming
vergat, die hij als banneling in Nederland zoo ruimschoots had genoten.

De strijd werd van beide zijden met afwisselend geluk gevoerd; vooral
oogstten onze zeehelden, als de Kortenaar, de van Nessen, van Gent,
de Evertsen, de Vries, vooral Cornelis Tromp en de Ruijter, de schrik
des Oceaans, toen vele en welverdiende lauweren [22].

De Zeeuwen, die moedige waterleeuwen, gaven meer dan eens blijken, dat
zij niet ontaard waren van die heldendeugd, welke eenmaal Spanje's
grooten koning deed sidderen. Om overal zoo veel mogelijk den
algemeenen vijand afbreuk te doen, rustten zij in 1666 drie schepen
uit en eenige kleine vaartuigen, met 300 soldaten bemand, en stelden
dit eskader onder bevel van den kapitein ter zee Abraham Crynsen,
terwijl de kapiteins Julius Lichtenberg en Maurice de Rame over
de troepen het commando voerden. Deze kleine vloot zette koers naar
Suriname. Den 28sten Februarij 1667 stevenden deze drie oorlogsschepen
en eenige kleine vaartuigen de rivier Suriname op. De Engelsche vlag
woei van den stengel der schepen; zij zeilden de rivier op tot onder
de sterkten der Engelschen; hunne krijgslist, het voeren der Engelsche
vlag, mislukte; onkunde met de seinen verraadde hen. De bevelhebber der
sterkte, William Biam, die bij afwezigheid van lord Parham het bevel
voerde, liet terstond op het kleine eskader losbranden. Dan ook hier
was men op alles voorbereid; van de schepen werd de volle laag gegeven;
de krijgsknechten stapten aan land, en na eene korte schermutseling,
waarbij de aanvallers slechts één man verloren, werd de sterkte,
die slecht voorzien was, ingenomen, bij verdrag overgegeven, en des
namiddags woei voor den eersten keer de Prinse vlag, de Nederlandsche
vlag van het fort, sedert »Zeelandia" genoemd. De schielijke overgave
door de Engelschen was mede veroorzaakt, doordat 600 man van de
plantaadjes en overige deelen der kolonie, in allerijl ontboden,
eenige uren te laat kwamen. [23]

De onzen maakten een verdrag met de ingezetenen en suikerplanters
aan de rivieren de Commewijne en Suriname, waarbij bepaald werd, dat
dezen onverlet in hunne bezittingen zouden blijven, mits eed doende
aan den Staat.

De goederen van hen die weigerden, en die der afwezigen, benevens die
van den Engelschen gouverneur William Biam werden verbeurd verklaard
en de soldaten krijgsgevangen gemaakt. Voorts moesten de ingezetenen
honderd duizend pond suiker als brandschatting opbrengen [24].

De in de kolonie gevestigde Joden vervoegden zich tot Crijnsen,
om bestendiging der voorregten, hun door lord Parham verleend, te
erlangen; zij vonden een gunstig gehoor.

De bevelhebber Abraham Crijnsen stelde den heer Jozef Nassy aan tot
Commandeur der rivieren Eracubo en Canamana, en onder verscheidene
andere plegtige verklaringen, door hem uit naam der Staten van Zeeland
aan de bewoners der kolonie gedaan, behoort ook, dat hij den Joden
beloofde, dat zij de voorregten, hun door de Engelschen verleend,
zouden blijven genieten; en in het 3de en 4de artikel van zijne Acte,
later door de Staten van Zeeland goedgekeurd, werd er bijgevoegd,
»dat de Joden gerekend werden alsof zij geboren Hollanders waren." [25]

Na hierop het fort met eenige nieuwe werken versterkt, met palisaden
omzet en een garnizoen van 120 man achter gelaten te hebben, benevens
15 stukken geschut en levensmiddelen en den noodigen krijgsvoorraad
voor 6 maanden, vertrok Crijnsen met zijn eskader van daar, om nieuwen
roem en lauweren te behalen, die hij dan ook ruimschoots verwierf,
en waarvoor hij door de Admiraliteit van Zeeland met eerbewijzen en
bevordering beloond werd [26].

Hij bevrachtte ook een schip, dat naar Zeeland stond te vertrekken,
met den buit, welke op meer dan f 400,000 geschat werd.

Indien men rekent, dat men dezen buit prijs maakte op eene plaats,
die men overwonnen had, met het oogmerk om ze te behouden en te
vergrooten ten voordeele van den overwinnaar, dan moet men erkennen,
dat de kolonie Suriname toen reeds als eene gansch niet onbelangrijke
bezitting beschouwd kon worden.

Maurits de Rame bleef als bevelhebber achter.

De oorlog tusschen de republiek der Nederlanden en het koningrijk
Engeland nam kort hierna een einde. Den 31sten Julij 1667 werd te
Breda de vrede tusschen Holland en Engeland gesloten, en werd aldaar
bij het tractaat bepaald, dat al de plaatsen, die door de wederzijdsche
vijanden vóór of op den 10den Mei veroverd waren, aan den overwinnaar
zouden verblijven, maar dat alle na dien dag veroverde plaatsen aan
hunne vorige bezitters zouden worden teruggegeven.

Kwam alzoo Nieuw-Amsterdam, sedert New York genaamd, volgens dit
tractaat in handen der Engelschen, Suriname daarentegen bleef onder
de magt der Zeeuwen.

In Suriname had men evenwel nog geen dadelijk genot van dien gesloten
vrede.

Aldaar verkeerde men in geene geringe vrees door het vernemen
der tijding, dat de Engelsche bevelhebber John Hermans met een
eskader naar Amerika was vertrokken, om de Fransche en Nederlandsche
bezittingen in dat werelddeel te verontrusten. Die vrees bleek weldra
niet ongegrond te zijn. Hermans kwam in October, [27] met 1 groot
oorlogsschip, 6 fregatten en 2 kleine transportschepen voor Cayenne en
bemagtigde dat na eenigen wederstand van de zijde der Franschen. De
ridder De Lezy, die vruchteloos getracht had dit te beletten, nam
met twee honderd man de vlugt naar Suriname, en deelde het berigt
mede, dat men aldaar mede weldra een bezoek van de Engelschen te
duchten had; en die droevige verwachting werd spoedig eene droevige
wezenlijkheid. Hetzij, dat de tijding van den te Breda gesloten vrede
aan den bevelhebber van dit eskader nog onbekend gebleven was, hetzij
dat lord Parham, de gouverneur van Barbadoz, zich op deze wijze over
het verlies van zijn eigendom willende wreken, de hand in het spel had,
den 18den October 1667, verscheen genoemde John Hermans met zeven
oorlogsschepen en eenige kleinere, bemand met twaalf honderd man,
voor de rivier de Suriname, zeilde met eenige schepen dezelve op tot
voor het fort »Zeelandia", en begon dit met kracht te beschieten,
zoodat spoedig 34 man der belegerden, of gedood of gekwetst, negen
stukken geschut onbruikbaar gemaakt, de borstweringen en stormpalen
omver geschoten werden en eene bres werd gevormd, alwaar wel tien man
naast elkander door konden gaan; hierdoor werd de bezetting genoodzaakt
te kapituleren. Terwijl men hierover krijgsraad hield, klommen de
Engelschen over de muren en bemagtigden alzoo de sterkte. Eenige
der Fransche vlugtelingen, die hunne dienst den gouverneur hadden
aangeboden en zich dapper gedroegen, verhaalden later, dat het fort,
na eene moedige verdediging, werd ingenomen door verraad van den
majoor, die een der poorten voor de Engelschen ontsloot.

Hoe dit ook zij, het fort werd veroverd, de bezetting krijgsgevangen
gemaakt en alles geplunderd.

Meer dan 500 bewoners, voor het grootste gedeelte Engelschen en Joden,
wier suikerplantaadjes zich 4 mijlen ver langs de rivier uitstrekten,
moesten zien, dat hunne molens, ten getale van 32 of 33 werden vernield
of weggevoerd. Na een verblijf van drie weken keerde Hermans van daar
naar Barbadoz terug, alwaar hij zijne gevangenen met den bevelhebber
de Rame en andere Hollandsche officieren aan land zette [28].

Het tractaat, te Breda gesloten, moest echter nageleefd en de
kolonie Suriname weder overgeleverd worden; de bepalingen deswege
waren duidelijk.

Lord Parham, die wegens de ontrooving van de door hem gestichtte
en sedert door zijnen vorst aan hem en zijne nakomelingschap
ten eeuwige? dage geschonken volkplanting van wraaklust brandde,
zocht, daar hij de overgave der kolonie niet beletten kon, haar
zoo veel mogelijk afbreuk te doen. Hij zond zijnen zoon Henry met
een oorlogsschip en drie koopvaardijschepen, reeds nadat de vrede
afgekondigd was, naar Suriname, om de daar zijnde Engelschen te
overreden die kolonie te verlaten en zich naar eene Engelsche te
begeven, en om al de suikermolens en slaven met zich te nemen,
terwijl hij hen, die dit weigerden, als wederspannigen beschouwde.

Onze Staten klaagden daarover bij den Britschen koning, die zich
bereid toonde, eene rigtige uitvoering aan het vredesverdrag van
Breda te geven, en die dan ook aan lord Parham het bevel gaf, de
veroorzaakte schade te vergoeden en de kolonie voortaan niet verder
te verontrusten. In plaats van dit bevel op te volgen, stak Henry,
de zoon van lord Parham een suikermolen in brand, en wilde de vesting
niet ontruimen, die hij dreigde te slechten, vóór hij vertrok. Zelfs
liet hij van daar 168 slaven, 126 stuks vee, 21,000 pond suiker en 8
suikermolens naar Barbadoz vervoeren. Men liet van onze zijde niet na
aan den koning van Engeland daarover beklag en verzoek om herstelling
in te leveren.

Bij minnelijke schikking werd eindelijk goed gevonden, dat zij, die
volgens hun vrijen wil de kolonie wilden verlaten, dit konden doen met
hunne slaven en goederen; dat zij dezen ook vóór hun vertrek mogten
verkoopen; maar hun werd verboden hunne achter te laten bezittingen,
haven, schuren of molens te verwoesten; lord Parham werd door zijnen
vorst belast de door hem gemaakte schade te vergoeden. In hoeverre
aan dat laatste gevolg is gegeven blijkt niet duidelijk uit de
geschiedenis, en wat het eerste betreft: twaalf honderd Engelschen,
waaronder verscheidene Joden, die met lord Parham uit Engeland waren
gekomen, verlieten Suriname met hunne slaven en goederen en gingen
naar Jamaika, alwaar zij met blijdschap werden ontvangen. Later in
1677 vertrokken nog 10 Joodsche familiën, met hunne slaven, te zamen
322 personen uitmakende. [29]

Eindelijk werd de republiek der Nederlanden, ingevolge de schikkingen
(gevolgd op den tweeden oorlog) bij het 5de en 7de artikel van het
tractaat van Westminster, in dato 9-19 Februarij 1674, in het eigendom
van Suriname bevestigd [30].

Abraham Crijnsen, de dappere veroveraar in 1667, nam in het volgende
jaar 1668 weder bezit van deze kolonie en trachtte de verwarde zaken
aldaar te regelen.

De toestand der nieuwe kolonie was uiterst moeijelijk; zij begon zich
eenigermate te ontwikkelen onder het bestuur der Engelschen; onder
dezen bestond een gewenschte, vereenigende band, daar voornamelijk zij,
die in Engeland onder de regering van den protector Oliver Cromwell
over den gang der zaken aldaar ontevreden waren, zich naar Suriname
hadden begeven, en deze overeenkomst in staatkundige gevoelens
bevorderde de maatregelen, om met vereende krachten handen aan het
werk te slaan, ten einde in dat nieuwe werelddeel deze nieuwe kolonie
te vestigen en uit te breiden. De Joden met van Parham mede gekomen,
verblijd over de vrijheden en voorregten, welke zij hier genoten,
spanden mede hunne beste krachten in, ter bevordering van het algemeen
welzijn, en de Braziliaansche Joden paarden bij eenen even sterken
aandrang hiertoe nog daarenboven de kennis van den landbouw, die zij
in Brazilië hadden opgedaan en aanzienlijke rijkdommen, die zij aldaar
hadden verworven. Indien wij dit een en ander in aanmerking nemen,
verwondert het ons niet, dat men na een zoo kort aantal jaren reeds
van bloei en voorspoed spreken kon.

Dan nu, hoezeer was die toestand veranderd. Gezwegen van de
noodlottige gevolgen van den oorlog, van de brandschatting door
Crijnsen opgelegd; gezwegen van de verwoesting en plundering later
op bevel van Willoughby, lord van Parham geschied, welke schade
hierdoor veroorzaakt was, dit alles kon hersteld worden; maar zwaarder
drukte der nieuwe kolonie het vertrek van 1200 volkplanters, die
met hunne slaven en goederen naar Jamaika gingen; hierdoor werd eene
moeijelijk te herstellen breuk gemaakt; vele naauwelijks ontgonnen
gronden lagen door gebrek aan werkende handen niet slechts ledig,
maar keerden weldra tot den natuurstaat terug, hetgeen in de tropische
gewesten zoo spoedig het geval is, indien de werkende hand der menschen
ophoudt het onkruid uit te roeijen en verder den grond tot cultivatie
geschikt te maken. Hoe men in dit gebrek trachtte te voorzien zullen
wij nader zien; men begrijpt dat dit echter eerst langzamerhand
kon geschieden. Eene andere moeijelijkheid voor het Nederlandsche
bestuur was hierin gelegen, dat de in de kolonie overgeblevenen,
voor een groot gedeelte meer Engelsch dan Hollandsch gezind waren,
hetgeen uit den aard der zaken gemakkelijk te verklaren is.

Daarbij kwam nu het verschil tusschen de Algemeene Staten en de Staten
van Zeeland over het eigendomsregt en het gezag van en over Suriname.

Reeds zeer spoedig ontstond hierover verschil en wel bij de benoeming
van een Gouverneur.

Zeeland matigde zich het gezag, ten minste het Dominium utile over
deze kolonie aan, als zijnde door den Zeeuwschen Commandeur Crijnsen
veroverd, en besloot alzoo den kapitein Philip Julius Lichtenberg,
als Gouverneur naar Suriname te zenden. De Algemeene Staten echter
oordeelden, omdat die verovering ten hunne koste geschied was,
dat Lichtenberg den eed op zijn last en bevelschrift voor hen
moest afleggen, en geboden hem zijn vertrek tot nader orde uit te
stellen. Later echter wilden H. H. M. hem op den 26sten November 1668
een lastbrief geven. Hieraan ontbrak nog slechts de goedkeuring der
Staten van Zeeland; dan deze, uit vrees dat Crijnsen inmiddels mogt
vertrekken, en oordeelende, dat de onderbevelhebber onbekwaam was
om met kracht tegen de ondernemingen der Engelschen te handelen,
zonden intusschen genoemden Lichtenberg den 4den December 1668,
zonder behoorlijk eerst den eed op zijne commissie gedaan te hebben
naar de kolonie.

De redenen, door Zeeland hiervoor ter verontschuldiging van dezen
maatregel bijgebragt, werden geldig geoordeeld en de Algemeene Staten
gaven Crijnsen, of bij deszelfs afwezen den op hem in rang volgenden
persoon volmagt, om Lichtenberg den eed af te nemen.

Was dit verschil alzoo in der minne geëindigd, er rezen andere bezwaren
op. De Staten van Holland beweerden, dat deze volkplanting als eene
overwinning der Generaliteit en niet als van Zeeland alléén moest
beschouwd worden, om de hierboven aangehaalde redenen, en dat het alzoo
allen ingezetenen van den Staat moest vrij staan, zich aldaar neder
te zetten of er handel op te drijven. De gecommitteerden van Zeeland,
om verdere moeite en onaangenaamheden met de andere Provinciën te
vermijden en te voorkomen, stelden voor om de kolonie aan de Algemeene
Staten af te staan, met voorbehoud echter, dat zij hun regt niet aan
de West-Indische compagnie mogt overdragen; dat zij de verpligting
op zich namen voor eene behoorlijke verdediging te zorgen; dat zij
verlof zouden verleenen om jaarlijks vijf à zes honderd slaven te
halen, waar die het best te verkrijgen waren; dat de lasten, voor de
uitbreiding der kolonie benoodigd, zouden worden gevonden uit eene te
betalene recognitie door de aldaar komende en van daar vertrekkende
schepen, en verder uit hoofdgelden en andere belastingen meer, in de
kolonie te heffen, welke echter zoo gematigd moesten gesteld worden,
dat deze minder waren dan in andere volkplantingen werden geheven,
en eindelijk, dat zij de provincie Zeeland hare gemaakte onkosten met
de intressen zouden vergoeden. Over en weder werden voorslagen gedaan
en verworpen en de zaak bleef onbeslist. Zeeland bleef provisioneel in
het bezit van Suriname, terwijl echter den Algemeenen Staten een zeker
oppergezag toegekend werd, totdat door de Staten van genoemde provincie
op reeds daartoe in 1679 aangeboden voorwaarden, de kolonie in 1682
door de geoctroijeerde West-Indische maatschappij overgenomen werd.

Voor wij deze overname iets nader beschrijven, willen wij zien hoe het
gedurende deze verschillen in Nederland en de kolonie zelve toeging. De
berigten daarvan echter zijn weinige en zeer onvolledig. Lichtenberg,
die den 4den December 1668 Nederland verlaten had, kwam behouden in
Suriname aan, en vond aldaar nog den Commandeur Crijnsen, in wiens
handen hij den 10den Februarij 1669 den eed aflegde.

Vele moeijelijkheden en bezwaren had hij, gelijk wij zagen, te
overwinnen; in hoeverre hij hierin zou geslaagd zijn, is wegens
gebrek aan bescheiden moeijelijk op te maken; dit slechts weten wij,
dat tijdens zijn bestuur die Joden, welke vast besloten waren de
volkplanting, ook nadat zij onder Nederlandsch bestuur was gekomen,
niet te verlaten, zich tot den gouverneur vervoegden en hem verzochten
de bevestiging hunner vrijheden en voorregten, benevens eenige nieuwe
artikelen deswegens, die ter hunner geruststelling konden dienen;
hetwelk hun dan ook door hem ten volle werd toegestemd. De Joden
bouwden na verkregene vergunning in 1672, op eene verhevene plaats,
nabij de 10 akkers en het land van Thorrica een klein vlek met eene
kleine Synagoge, om daarin op hunne feestdagen godsdienstelijk te
kunnen vergaderen.

Lichtenberg werd intusschen door ongesteldheid belet zich met het
bestuur te belasten; reeds in het begin van 1671 ging hij weder naar
Nederland, en later keerde hij niet weder naar Suriname terug.

Toen volgde er eene tusschenregering; de naar Nederland
vertrokken gouverneur werd opgevolgd door den kapitein Pieter
Versterre, commandeur en raad van policie, onder den titel van
luitenant-gouverneur, den 8sten April 1672; hij overleed den 22sten
Maart 1677. Abel Thisso, raad van policie, nam toen het bestuur onder
denzelfden titel waar, en wel van 1 April 1677 tot 2 December 1677,
wanneer hij het gouvernement overgaf aan den uit Nederland aangekomen
kapitein Tobias Adriaensen, die aldaar tot bestuurder was benoemd,
onder den titel van »kapitein commandeur der provincie van Suriname,"
doch deze keerde reeds in Maart 1678 naar Nederland terug [31].

Door de gedurige twisten over Suriname tusschen de Algemeene Staten
en die van Zeeland, werden de belangen dezer volkplanting zoo zeer
verzuimd, dat prins Willem III, aan wien de souvereiniteit van
Suriname was opgedragen, zich de zaken aantrok. Hoewel de daarover
aangeknoopte onderhandelingen nimmer voortgezet zijn, benoemde de
prins zijn gewezen secretaris, Pierre du Moulin, den 6den Maart 1676,
om daarheen als bevelhebber te vertrekken. Deze du Moulin stierf
echter reeds in 1676 nog voor zijn vertrek, en alle bemoeijingen van
den prins zijn toen geëindigd. [32]

Bij resolutie der Algemeene Staten van 15 Januarij 1678 werd tot
gouverneur benoemd Johannes Heinsius, die in 1653 secretaris van
den raad van justitie in Brazilië was geweest. Deze nam in December
1678 het bestuur over van Abel Thisso, die dit na het vertrek van
Adriaenssen weder had waargenomen. [33]

Had Heinsius in vorige betrekkingen roem verworven, men koesterde
alsnu ook hooggespannen verwachtingen van zijn bestuur; dan hij
vermogt weinig tot verbetering van den ongelukkigen toestand te doen.

Deze was ook met regt droevig en moeijelijk; behalve de reeds
genoemde bezwaren, als tweespalt tusschen de hoofden in Holland en
tweespalt en onrust tusschen de kolonisten onderling, die tijdens de
tusschenregeringen zeer vermeerderd waren, had men weldra nog met een
anderen vijand te strijden, namelijk met de oude inwoners van het land,
de Indianen.

Dezen, gelijk wij reeds vroeger vermeld hebben, hadden lord Parham
en de zijnen eerst met welwillendheid ontvangen en met hen verbonden
gesloten. De uitbreiding van kolonisatie door Europeanen was echter
nimmer gunstig voor de oorspronkelijke bewoners. Zij werden dan
ook langzamerhand meer en meer teruggedrongen; echter konden zij,
voornamelijk de Caraïben, die dapper en wel in den oorlog bedreven
waren, het met geene goede oogen aanzien, dat de Europeanen zich van
hunne landen meester maakten, en ook hen van tijd tot tijd in slavernij
zochten te brengen. Wel leenden de Caraïben in het eerst er zich toe,
toen zij bemerkten, dat de Hollanders gretig waren op het bezit van
slaven, en daarom van hunne opperhoofden, de bij hunne onderlinge
vijandelijkheden, buit gemaakte gevangenen wilden koopen, om dezen
voor messen, vischtuigen, spiegels en andere snuisterijen af te staan,
[34] doch spoedig werden zij gewaar, dat het mede weldra op hen gemunt
zou zijn. Deze en andere redenen, (waaronder sommige schrijvers [35]
noemen, dat zij niet wilden dulden, dat hun land door eene andere
natie zou geregeerd worden, dan door die welke zich het eerste van
allen, dat is de Engelsche, aldaar gevestigd had), waren oorzaak,
dat zij zich tegen de Nederlanders te weêr stelden. Reeds onder de
Engelschen hadden zij van tijd tot tijd aanvallen op de plantaadjes
gedaan, hetgeen het door den schrijver der Historische proeve beweerde
schijnt te wederspreken, doch deze aanvallen bestonden toen meer uit
enkele op zich zelve staande feiten; en nu, ofschoon zij al niet een
geregelden oorlog voerden met groote magt, vielen zij echter van tijd
tot tijd op de plantaadjes, beroofden dezelve en doodden de blanken;
nu werden de vijandelijkheden gedurig en heviger dan vroeger herhaald.

De magt, welke de kolonisten daar tegenover te stellen hadden, was zeer
gering. De Joden, die het hoogst aan de rivier gezeten waren, hadden
den meesten overlast hiervan. Zij vormden toen kleine afdeelingen,
om daarmede op de Indianen af te gaan en streden meermalen met
groote dapperheid tegen hen. Maar wat vermogten zij tegen hen, die
èn door hunne bekendheid met het terrein èn door hun grooter aantal
gevaarlijke vijanden waren. Geregelde militaire magt hier tegenover
te stellen was onmogelijk, daar slechts 50 man krijgsvolk zich toen in
de kolonie bevond. Reeds in 1679 werd, door eenige belanghebbenden in
Suriname, een krachtig smeekschrift aan de Algemeene Staten ingezonden,
waarin sterk werd aangedrongen op hulp en bijstand tegen de drukkende
invallen der Indianen, en waarin voorstellen tot vermeerdering der
krijgsmagt werden gedaan.

Dit aanzoek werd zeer ersterkt door drie brieven, welke Heinsius mede
afzond, in welke hij een treurig tooneel ophing van den toestand der
kolonie, en waarbij hij om onmiddellijke versterking, zonder welke hij
achtte, dat het onmogelijk ware de kolonie te behouden en de kolonisten
te beschermen, aanhield. Bij de aankomst van dit smeekschrift en de
brieven van den gouverneur besloten de Algemeene Staten, op voorstel
der provincie Holland, om drie honderd man krijgslieden naar Suriname
te zenden; over de kosten daartoe benoodigd was men het niet eens;
den 17den Januarij 1680 besloot de provincie Zeeland, die op zich
te nemen, doch in plaats van 300 man zond men er slechts 150 naar
Suriname, die reeds in 1682 weder terugkeerden [36].

Ook schijnen in dien tijd door sommige kolonisten pogingen te zijn
aangewend, om Suriname weder onder het gezag der Britsche kroon te
brengen, ten minste van zekeren Jood Fonseda wordt dit uitdrukkelijk
gemeld, zoodat de Staten het noodig achtten aan den buitengewonen
gezant der Nederlanden in Engeland te schrijven om dit tegen te houden,
als zijnde buiten order van de regering in Suriname en buiten weten van
de Staten-Generaal geschied. Tevens werd aan den gouverneur Heinsius
het ongenoegen van H. H. M. kenbaar gemaakt, omdat, toen in den Raad
voorgeslagen werd, om bijstand van de Engelschen of Franschen te
verzoeken, hij zoodanig voorstel niet dadelijk had gestuit; hem werd
ernstig bevolen, in het vervolg dergelijke voorslagen onmiddellijk
krachtig te bestrijden. Heinsius had ook zeker koper geld in Suriname
laten munten, gestempeld met een papagaaitje en geteekend 1, 2, 4,
welke gangbaar waren tegen één, twee en vier duiten; dan ook dit werd
door de Staten verboden.

Was het door hem te verrigten werk moeijelijk en zwaar, het duurde
echter kort; weldra werd hij van het tooneel dezer wereld afgeroepen;
hij overleed in April 1680. [37]

Na zijn dood matigden zich de 12 Raden van policie het gezag in de
kolonie aan; doch hebben de commandeurs E. van Hemert, en na diens
dood, in September 1680, Laurens Verboom de kolonie in werkelijkheid
bestuurd.

Door de vele klagten, die gedurig uit Suriname tot hen kwamen en de
vele moeijelijkheden, aan het bestuur verbonden afgeschrikt, wilden
de Staten van Zeeland zich van het eigendom der kolonie ontdoen,
en geraakten zij hierover in onderhandeling met de West-Indische
Compagnie.

Den 14den November 1679 werd door de Staten van Zeeland daarover
een voorstel gedaan, waarbij o. a. de volgende voorwaarden gesteld
werden: dat de W.-I. Compagnie verpligt zou zijn de eerste 10 jaren
300, de tweede 10 jaren 200 en de derde 10 jaren 100 man krijgsvolk,
benevens hunne officieren, ten hare koste te onderhouden; dat, uit
aanmerking van de onmogelijkheid, dat eene kolonie, zonder groote
kosten in den beginne te maken, uitgebreid zou worden, men de eerste
zes jaren vrijdom zou verleenen van alle lasten, en na dien tijd
slechts de helft der lasten, waarmede de kolonisten thans waren
bezwaard, tenzij uit vrijen wil door hen anders mogt begeerd worden;
dat de vaart en de handel op deze kolonie voor alle ingezetenen van
Nederland vrij zouden zijn, daar men door op deze wijze te handelen èn
de ingezetenen van Nederland èn de opgezetenen van de nabij gelegene
Fransche, Engelsche en Spaansche koloniën zou aanmoedigen, om zich
in menigte derwaarts te begeven en te vestigen, hetgeen het eenigste
middel ware ter bevordering van den bloei der kolonie.

Na eenige nadere overleggingen en bepalingen is, volgens accoord
van 6 Junij 1682 de kolonie Suriname door de Staten van Zeeland aan
de West-Indische Maatschappij overgedragen voor eene som van twee
honderd en zestig duizend gulden, welk verdrag, eenigzins gewijzigd,
den 6den Januarij 1683 van wederzijde geteekend is.

Wij gelooven, dat het aan sommigen onzer lezers niet onaangenaam zal
zijn met een enkel woord iets nader van die West-Indische Maatschappij
te vernemen.

Hoewel reeds vroeger verscheidene pogingen waren aangewend, om even
als de in 1602 opgerigte Oost-Indische Compagnie eene West-Indische
Maatschappij tot stand te brengen, was dit eerst in 1621 gelukt. Toen
werd bij octrooi van 3 Junij eene W.-I. Compagnie opgerigt voor den
tijd van 24 jaren.

Vloten werden door haar uitgerust om de Spanjaarden afbreuk te doen
en buit te behalen, waarin men gelukkig slaagde; de zilver-vloot,
door den admiraal Piet Hein genomen, vermeerderde spoedig het
kapitaal dier maatschappij; Brazilië werd voor een groot gedeelte,
benevens Curaçao veroverd; aanzienlijke dividenten werden uitgekeerd,
doch weldra verkeerde de kans; het verlies van Brazilië, benevens vele
anderen verliezen meer, deden de zoo zeer bloeijende W.-I. Maatschappij
achteruitgaan; in plaats van groote dividenten uit te keeren geraakte
zij zoodanig in schulden, dat toen haar octrooi weder in 1669 vernieuwd
moest worden, zij, na langdurige discussiën, integendeel door een
besluit van de Staten op den 20 September 1674 werd vernietigd, en
eene nieuwe W.-I. Maatschappij, met een octrooi voor 25 jaren, of
van 1675 tot 1700, werd opgerigt. De schuld der oude Compagnie werd
op 30 en het kapitaal der deelgenooten op 15 ten honderd geschat;
van dien tijd af hielden de groote voordeelen op, die de eerste zoo
bloeijende W.-I. Compagnie had opgeleverd.

De rente-uitdeelingen stegen later nooit boven 10 en daalden zelfs
omstreeks 1740 beneden 2 1/2 pCt., waardoor de waarde der aandeelen
tot 40 ten honderd was gedaald. Dit octrooi werd telkens voor 30
jaren verlengd. [38]

Deze nieuwe West-Indische Maatschappij werd alsnu bezitster van
Suriname, waartoe haar door de Algemeene Staten den 23sten September
1682 octrooi verleend werd.

Bij dit octrooi, hetwelk zoolang, als het ware, om het met een woord
van dezen tijd uit te drukken, de grondwet van Suriname is geweest,
werd in 32 artikelen de verhouding tusschen het moederland en de
kolonie vastgesteld en de wijze van bestuur bepaald; in hetzelve
werden billijke en voordeelige beschikkingen voor de blanke bewoners
der kolonie gemaakt, tevens werd der Compagnie aanbevolen zorg te
dragen, dat men ten allen tijde voorzien mogt worden van een of
meer bedienaars des Goddelijken Woords, ten einde de kolonisten en
verdere opgezetenen in de vreeze des Heeren en in de leer der zaligheid
geleid en onderwezen worden mogten, en zij gelegenheid hadden tot het
gebruik, der Heilige Sacramenten; daarbij (wonderlijke tegenstelling)
werd de Compagnie verpligt om, daar men tot het in cultuur brengen
der kolonie niets anders wist of wilde dan zwarte slaven of negers,
dezen steeds in genoegzame getale te leveren; (de W.-I. Compagnie had
het monopolie hiervan) en eindelijk, omdat men tot bevordering van den
bloei der kolonie de vermeerdering van Europeanen noodzakelijk achtte,
waren de schepen, die uit Nederland naar Suriname gingen, gehouden,
om indien de Compagnie dit mogt begeeren, ieder twaalf personen over
te voeren, voor eene som van f 30 de persoon, kinderen beneden 12
jaren de helft. [39]

De West-Indische Maatschappij, ziende welke zware kosten er tot het in
stand houden dezer volkplanting vereischt zouden worden, voor en aleer
men daarvan eenige aanmerkelijke voordeelen kon trekken, besloot in
het jaar 1683, dus weinige maanden nadat men de kolonie overgenomen
had, 2/3 deel te verkoopen en wel 1/3 aan de stad Amsterdam en 1/3
aan Cornelis van Aerssens, heer van Sommelsdijk, enz.

De conditiën van dit koopcontract werden te Amsterdam den 21sten Mei
1683 geteekend.

De nieuwe eigenaars noemen zich in dit contract »de geoctroijeerde
sociëteit van Suriname", welke titel sedert is gebleven. [40]

De Staten-Generaal behielden het oppergezag en verbonden zich tot
de verdediging der kolonie bij te dragen, waartoe dadelijk 300 man
uitgelezene troepen werden aangewezen.

De heer van Sommelsdijk verbond zich bij dit contract om zelf als
gouverneur naar Suriname te gaan, en hij aanvaardde dezen zwaren en
moeijelijken post zonder aanspraak op bezoldiging te maken, gelijk
blijkt uit Artikel 6, dat woordelijk aldus luidt:


»Ten zesde, dat de heer van Sommelsdijk sal aannemen, selfs in
persoon voor Gouverneur naar de colonie van Suriname te gaan; ende
gelijck sijn Edele heeft gepraesenteert buyten eenige belastinge
van de gemelte Societeyt, ende uyt liefde, sonder daarvan eenige
vergeldinge te ontfangen; des dat ten laste van de Societeyt aan
sijn Edele jaarlijks sal werden toegesonden sodanige quantiteyt
Rijnse en Franse wijnen, mitsgaders speceryen, als de Societeyt
honestement oordelen sal te behoren; onder die expresse conditie
nogtans, dat syn Edele, gedurende desselfs gantsche administratie of
Gouvernement redenen van misnoegen hebbende gegeven, revocabel sal
syn, gelyck oock, in cas van satisfactie van syn Edele Gouvernement,
bij desselfs aflyvigheyt op syn Edele Descendenten (bequaam geoordeelt
werdende) favorable reflexie voor anderen tot de successie, en met
preferentie sal werden genomen, in dier voegen, dat op diegene van
Descendenten, dewelcke den heer van Sommelsdijck, of bij sijn Edele
leven sal nomineren, of by Testamente designeren, voor de andere sal
werden gereflecteert. Edogh niet capabel geoordeelt zijnde, reflexie
werden gemaakt op d'andere syn Edele Descendenten, dewelke capabel
soude wesen; gelyck oock in cas van de minderjarige Descendenten,
op deselve (meerderjarigh geworden, en capabel bevonden werdende)
insgelycks met praeferentie voor andere sal werden gereflecteert."


De alleenhandel in slaven verbleef aan de W.-I. Compagnie, doch der
geoctroijeerde Sociëteit van Suriname werd met eenige beperkende
bepalingen vrijheid gegeven, des noods, zelve hierin te voorzien,
mits betalende voor iederen slaaf f 15 aan de W.-I. Compagnie.

De provincie Zeeland gaf hare toestemming tot dit contract niet dan
onder deze voorwaarden:


»dat geene persoonen in den vaderlande ofte in Suriname zouden worden
toegelaaten tot eenige directie ofte bewind van de voorsz. colonie,
die professie zouden doen van den Paapschen Godsdienst, ende dat
vervolgens ook niemand van de Paapsche Religie part of deel in de
voorsz. Sociëteit zoude mogen hebben of te houden, nochte ook voor
iemand anders in de voorsz. Sociëteit occupeeren, ofte eenig bewind,
gezag, directie ofte administratie hebben. En voorts op dat vast
vertrouwen, dat aan de beleedigde ingezetenen van de hooggemelde
provincie in Eere en Goed behoorlijk en promptelijk reparatie en
satisfactie zoude werden gegeven." [41]


De oude pretentiën, welke Zeeland alzoo op Suriname had, schijnen te
dier tijde nog niet geheel vereffend geweest te zijn.

Zoo waren de zaken omtrent het eigendom en bestuur van Suriname
voorloopig geregeld. Een krachtig en bekwaam man stond gereed om
met vaste hand het bestuur te leiden, en zoo mogelijk doortastende
verbeteringen daar te stellen.

Zulk een bestuurder was hoogst noodig in de kolonie Suriname, want
zij was in eenen allertreurigsten toestand.

Het vlek Paramaribo bestond uit slechts dertig huizen, meest herbergen
en smokkelkroegen, uitgezonderd twee à drie, als dat van den heer
commandeur Verboom, en die, welke door eenige officieren met hunne
vrouwen en den ontvanger bewoond werden.

De plantaadjes waren door het vertrek van vele Engelsche en Joodsche
kolonisten in vervallen toestand.

Op die, welke nog bestonden, was wreede en onmenschelijke behandeling
der slaven gewoonte; men verminkte ja zelfs doodde hen vaak wegens
de geringste overtreding; ieder was in deze zijn eigen regter.

Losbandigheid was onder de planters zoo groot, dat regt en geregtigheid
bij hen als onbekend waren. Onderlinge twisten verdeelden hen; de
een verweet den andere oorzaak van het verval te zijn. De Indianen
verontrustten gedurig de kolonie en er was geene kracht, geene
geregelde zamenwerking om hen te wederstaan.

Voorwaar eene droevige schildering is het, waarmede wij ons tweede
tijdvak besluiten, en toch zij is niet te zwart gekleurd, bijna met de
eigen woorden gaven wij hierbij terug, wat de oudere schrijvers er van
getuigden, en wij begrijpen het, bij de vele heterogene deelen, waaruit
de bevolking van Suriname was zamengesteld, kon niet die vereeniging,
die band bestaan, welke haar onder het bestuur van Willoughby, lord
van Parham in zoo korten tijd reeds aanvankelijken bloei had doen
verwerven; het lage peil der zedelijkheid, alle slavenstaten gemeen,
en de slechte behandeling der slaven, waaruit zoovele onheilen
voor de kolonie voortvloeiden, en de weinige overeenstemming, die
er tusschen de regering in het moederland, hare vertegenwoordiging
in Suriname en de kolonisten bestond, beletteden hare ontwikkeling,
en deze drie genoemde zaken: ongelijksoortige bevolking, lage peil
der zedelijkheid, gepaard met slechte behandeling der slaven, en
gebrek aan overeenstemming tusschen de kolonie en het moederland,
werkten steeds belemmerend en verhinderden de volkplanting tot
die welvaart, tot dien bloei te komen, waartoe men anders door de
natuurlijke gesteldheid van dit door God zoo rijk gezegend land
had kunnen geraken; waartoe de uitgebreide handel van Nederland zoo
ruimschoots gelegenheid schonk; waartoe de energie van den Nederlander
van dien tijd anders zoo uitnemend in staat stelde.

De kiemen tot die welvaart, tot dien bloei bestonden en vertoonden
zich van tijd tot tijd; wij zullen in onze verdere geschiedenis, in
het groote en belangrijke tijdvak, waartoe wij thans genaderd zijn,
verschillende sporen daarvan zien; wij zullen ze ras zien opschieten,
maar ook even spoedig weder zien verwelken; wij zullen de waarheid
der spreuk: »Die Weltgeschichte ist das Weltgerichte" opmerken en wij
zullen moeten erkennen, dat Gods woord getrouw is, hetwelk ons leert:
»dat geregtigheid een volk verhoogt, en zonde de schandvlek der natiën
is", en: »dat de godzaligheid tot alle dingen nut is, hebbende de
belofte zoowel des tegenwoordigen als des toekomenden levens."

Bij het einde van dit thans behandelde tijdvak was het droevig in
Suriname gesteld; de kolonie was haren ondergang nabij;--dan de
komst van Cornelis Aerssens, heer van Sommelsdijk, zou eene groote
verandering te weeg brengen; hij mag dus wel als de tweede stichter,
als de grondvester van wat Suriname toch, niettegenstaande vele
ongunstige omstandigheden, nog werd, beschouwd worden. Van dien
tijd af kunnen wij ook de geschiedenis beter en geregelder nagaan;
ofschoon er nog steeds verscheidene leemten in over moeten blijven.



DERDE TIJDVAK.

VAN 1683 TOT 1804.


EERSTE HOOFDSTUK.

    Van de komst van van Sommelsdijk (1683) tot den inval van Cassard
    (1712.)


De man, die bestemd was om eene verandering ten goede, om in den bij
het einde van het vorig tijdvak geschetsten ellendigen toestand van
Suriname heilzame verbeteringen te brengen, maakte zich tot zijn
vertrek gereed, niettegenstaande vele vrienden, o. a. ook prins
Willem III, het hem ten sterkste afraadden. Hij scheepte zich den
derden September 1683 in, en weldra kliefde het schip de baren,
hetwelk hem naar Suriname zou voeren.

Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijk, Plaat, Bommel, Spijk, Sire
en Marquis van Chatillon, Baron van Bernière in Basois, Kolonel van
een regiment ruiterij, Gouverneur van Suriname, was de afstammeling
van een niet slechts aanzienlijk en rijk, maar tevens verdienstelijk
en achtingswaardig geslacht, welker leden het land in onderscheidene
betrekkingen met eere gediend hadden. Onze Cornelis van Aerssen was in
zijne jeugd opgevoed als page aan het hof van Willem II, die in zijnen
vader een trouwen dienaar had; [42] hij was een speelmakker van Willem
III, die steeds veel vriendschap voor hem koesterde. Reeds vroeg in de
krijgsdienst getreden, gaf hij weldra blijken van moed en bekwaamheid,
bij den veldtogt in 1672, in welken hij het bevel over eene compagnie
ruiterij voerde, die te Maastricht in bezetting lag. Blonk zijne
dapperheid aan het hoofd van zijn regiment uit, niet minder toonde
hij zijne bekwaamheid bij verschillende moeijelijke zendingen.

Waren reeds deze hoedanigheden zeer begeerlijk voor een landvoogd,
die bestemd was om in eene zoo zeer verwarde kolonie zoo mogelijk
rust en orde te herstellen en een beteren gang van zaken voor te
bereiden, op dit alles werd de kroon gezet door zijnen opregten warmen
godsdienstzin. »Hij was een uitnemend vriend van God en godsdienst,"
zegt een der oude schrijvers over Suriname, [43] »en hij was dagelijks
bedacht, om door zijn eigen voorbeeld zijne onderhoorigen den waren
eerbied hiervoor in te boezemen, en als een baak hun de beoefening
van alle christelijke deugden aangenaam te maken; en zij, die hem
hierin het meest volgden, waren zijne beste vrienden, onaangezien
hun staat, geslacht en sekse; daarentegen was hij een vijand van alle
baldadigheid, ontucht en ongebondenheid, en ging hij deze ondeugden
met mannenmoed in grooten en kleinen te keer."

Was hij een ernstig en godvreezend man, hij had daarbij een
edelmoedig ridderlijk karakter, en bij zijne gehechtheid aan de
Hervormde godsdienst en zijne achting voor de godsdienstigen, welke
hij gaarne beschermde en begunstigde, paarde hij tevens eene, voor
die tijden groote verdraagzaamheid; hij was gemeenzaam en weldadig
jegens iedereen, maar ook gestreng regtvaardig; als eene schaduwzijde
van zijn karakter moeten wij opmerken, dat hij soms wel wat onstuimig
en met geweld te werk ging, daar hij een oploopend, driftig gestel
bezat en zich zelven hierin niet altijd meester was, waardoor soms
veel goeds verloren ging.

Wij zullen hem nu op het tooneel zijner werkzaamheden zien.

Hij kwam den 24sten November 1683 te Paramaribo aan. Bij de overname
van het bestuur uit handen van den commandeur Verboom vond de nieuwe
Gouverneur de geheele kolonie door twisten en oneenigheden verscheurd,
en verder in dien ellendigen toestand, als waarvan wij bij het einde
der vorige afdeeling gewaagden.

Hij ging dadelijk met krachtige hand aan het werk om dien toestand
te verbeteren.

Een zijner eerste pogingen daartoe was de instelling van een Raad van
policie en justitie, die hij reeds in het begin van 1684 zamenstelde,
tot groot genoegen van de welwillende ingezetenen, want zoo ergens,
dan was hier voornamelijk groote behoefte aan eene geregelde policie
en regtspleging, daar tot dien tijd een iegelijk als het ware zijn
eigen meester was, en regt en geregtigheid bijna onbekende zaken
waren. Hij ondervond echter reeds dadelijk groote moeijelijkheid,
voornamelijk door gebrek aan bekwame en geschikte lieden voor deze
belangrijke betrekkingen; hij moest naar zijn beste weten hiermede
te werk gaan en de beschuldiging, later tegen hem ingebragt, dat hij
de Raden van justitie en policie niet behoorlijk gekend had, verliest
daardoor hare gegrondheid; zij, die liever naar de lust van hun hart
wilden leven, waren natuurlijk tegen deze maatregelen gekeerd; het
straffeloos begaan van misdrijven werd hierdoor echter tegengehouden,
en was dit voor van Sommelsdijk genoeg om op dezen weg voort te gaan,
het was hem echter niet genoeg afzonderlijke Raden en regters te
hebben aangesteld, hij hield het toezigt hierover; hij deelde met
hen de bestiering over de policie en civiele justitie en hij voer
voort onderscheidene goede wetten te maken. Gedurende zijn bestuur
zijn vele heilzame resolutiën en placcaten gemaakt en uitgevaardigd,
ten einde de huishoudelijke zaken der kolonie te regelen.

Ook werd door hem eene weeskamer en eene desolate boedelkamer opgerigt.

Als ijverige Hervormde handhaafde hij ook de bepalingen, die in het
moederland goldden, omtrent de viering van den Christelijken rustdag,
welke bepalingen in 1634 door de Algemeene Staten ook verbindend waren
verklaard voor de volkplantingen in de nieuwe wereld. Maar nu kreeg hij
de Joden tegen zich; dezen vermeenden hierdoor in hunne privilegiën
verkort te zullen worden, en bragten hun beklag daarover in bij de
geoctroijeerde sociëteit van Suriname (de gezamenlijke eigenaars),
waarvan het gevolg was, dat de directeuren den heer van Sommelsdijk
aanschreven, om zich stiptelijk te houden aan de vrijheden, door de
Israëlieten tijdens het bestuur der Engelschen verkregen, en waaronder
ook behoorde, dat zij en hunne slaven des Zondags mogten arbeiden
en reizen.

Van Sommelsdijk hield zich voortaan hieraan zoo stipt, dat de Joden
zich later niet meer over hem beklaagd hebben.

In Suriname was tot heden nog slechts een hervormde predikant
(Ds. Baselius, die van 1668 tot 1689 de dienst te Paramaribo
waarnam.) Door de zorg van van Sommelsdijk werd daar, waar de
Commewijne zich met de Cottica vereenigt, in 1688 eene kerk gebouwd,
en deze door Ds. Anthonius Ketelaar ingewijd, die echter reeds in
het volgende jaar overleed. [44]

Van Sommelsdijk verbood de huwelijken en de gemeenschap met de
negers. Handelde hij in dezen overeenkomstig de denkwijze van zijnen
tijd, aan de andere zijde bleek hij hier boven te staan, door met
allen ernst de verregaande wreedheden, die sommige meesters jegens
hunne slaven pleegden, te keer te gaan; hij vaardigde eene wet uit,
waarbij het verboden werd, dat iemand voortaan zijne slaven zou mogen
verminken of met den dood straffen; terwijl die slaven, welke eene
dergelijke straf verdiend hadden, aan den Raad van justitie moesten
worden overgeleverd.

Zijne geregtigheid was onkreukbaar en zijne vonnissen zonder aanzien
van personen; hij ontzag daarin niet hen, die magt of invloed bezaten;
zoo liet hij o. a. een zeker Indiaansch opperhoofd, wegens het dooden
van ééne zijner vrouwen, onthoofden. Ter bescherming van de invallen
der Indianen deed hij twee forten oprigten--één geregeld fort in
den vorm van een vijfhoek aan de zamenvloeijing van de Commewijne en
Cottica, later naar hem »Sommelsdijk" genaamd, en een, bij wijze van
een versterkt steenen huis, aan de Para Kreek. Hij bepaalde zich echter
niet bij deze verdedigingsmaatregelen, daar de Indianen de kolonie te
dien tijde zeer verontrustten en zoo magtig waren, dat zij de gansche
westzijde van de rivier Suriname hadden afgeloopen, zoo moest men
hen door krachtige middelen zien te bedwingen, en verscheidene togten
werden dan ook door en onder van Sommelsdijk tegen hen ondernomen. In
den eersten togt verwoestte hij vijf hunner dorpen aan de oostzijde
van de Coppename; doch het gelukte hem niet om Indianen gevangen te
nemen. Dezen, met de verschillende sluipwegen in de wildernis bekend,
ontgingen hem steeds, en trokken verder landwaarts in; doch daar zij
gevoelden, dat zij toch tegen de magt der Europeanen niet opgewassen
waren, gelukte het den gouverneur met hen eenen voordeeligen vrede te
sluiten; waarbij de drie natiën Caraïben, Warauen en Arawakken voor
vrije lieden werden verklaard, die nooit dan om misdaden in slavernij
zouden worden gebragt.

Sommige schrijvers, o. a. de schrijver der Historische proeve,
verhalen, dat van Sommelsdijk, daar de Indianen anders in de blanken
geen vertrouwen wilden stellen, de dochter van een Indiaansch
opperhoofd tot bijwijf nam, en zij voegen er bij, dat deze vrouw ten
tijde van den Gouverneur Mauritius nog in leven en toen reeds 80 jaren
oud was, en inwoonde bij mevrouw du Voisin, weduwe van den heer de
Cheusses, in leven Gouverneur van Suriname, welke aan de familie van
Sommelsdijk verwant was. [45]

Wat daarvan zij laten wij aan meer naauwkeurige geschiedvorschers
over; het strookte zeker weinig met den ernstigen en godsdienstigen
zin van van Sommelsdijk; maar--men vindt zoo gedurig inconsequentiën
in het gedrag, zelfs van personen, die als beroemd en vroom bekend
zijn, en het blijkt zoo gedurig, dat ook zij zondaars waren.

De gouverneur sloot ook eenen vrede met de boschnegers van Copenname,
afstammelingen der reeds onder de Engelschen van hunne meesters
weggeloopen slaven, die zich in de ontoegankelijke wouden gevestigd
hadden.

Hij heeft mede pogingen aangewend, om de binnenlanden nader te
onderzoeken, en om zoo mogelijk het meer van Parima te ontdekken;
hij zond daartoe een officier met vijf soldaten landwaarts in, doch
het was eene vergeefsche poging; eerst na zijn dood teruggekomen,
berigtten zij, dat hunne boot was omgeslagen; dat zij bij dit ongeval
hun dagregister verloren; dat zij niets hadden gezien dan wildernissen
en wilde menschen, enz. [46]

Een der grootste bezwaren tot vooruitgang der kolonie, het gebrek aan
een behoorlijk aantal Europeanen, geneigd en geschikt om zich met den
landbouw bezig te houden, trachtte van Sommelsdijk op onderscheidene
wijze te verminderen.

Op zijn verzoek werd dan ook op 20 Julij 1684 door de Staten van
Holland besloten, om in overleg met de directeuren der geoctroijeerde
sociëteit van Suriname, de misdadigers in de provincie Holland, in
plaats van in de tuchthuizen op te sluiten, naar Suriname te zenden,
om hen aldaar aan 's lands werken als anderzins te gebruiken. De
Gouverneur schijnt de hoop gekoesterd te hebben, dat zij zich door
behoorlijk gedrag en geregelde werkzaamheden langzamerhand een
beter lot waardig zouden gemaakt hebben; dan hij had zich hierin
misrekend. De woeste hoop van dieven en vagebonden, die het luije
leven gewend waren, beviel het volstrekt niet om zoo bezig te worden
gehouden; zij poogden weldra zich uit die slavernij te bevrijden; zij
verbraken daartoe hunne boeijen en begaven zich op eenige gestolene
vaartuigen op de vlugt naar de Orinoco. De zoon van van Sommelsdijk,
de heer de Chatillon, joeg hen met eenige soldaten na en bragt de
meesten hunner weder terug.

Naderhand heeft de kolonie zich van deze bezending van misdadigers,
als slechte ingezetenen, weten te ontslaan. [47]

(Op den togt ter vervolging der gevlugte misdadigers heeft de heer
de Chatillon de eerste cacaoboom ontdekt en in Suriname gebragt).

Beter slaagde de poging om vreemdelingen, en voornamelijk Franschen,
tot het gaan naar de kolonie te bewegen.

Vele uitgewekene Franschen gingen tijdens het bestuur van van
Sommelsdijk naar Suriname; de voorname aanleiding daartoe was, dat
een zijner voorvaders, François van Aerssens, vele jaren ambassadeur
van de republiek der Nederlanden bij Hendrik IV en Lodewijk XIII
geweest zijnde, [48] in Frankrijk met vele doorluchtige Protestantsche
geslachten vriendschapsbetrekkingen had aangeknoopt, en deze door
den gezant aangeknoopte vriendschapsbetrekkingen waren door zijne
nazaten met naauwgezetheid onderhouden. De heer van Sommelsdijk
had zelf eene Fransche vrouw, uit een adelijk geslacht gesproten,
ten huwelijk genomen. [49]

Toen van Sommelsdijk alzoo als Gouverneur naar Suriname vertrok,
waarvan hij tevens voor 1/3 medeëigenaar was, gingen verscheidene
honderde Fransche uitgewekenen mede. Onder hen waren vele
ambachtslieden, zoo als metselaars, smeden, timmerlieden en
verscheidene landbouwers, aan welke laatsten door van Sommelsdijk,
bij hunne aankomst in Suriname, gronden werden uitgedeeld. In 1686
kwamen nieuwe uitgewekenen aan, en werden eenige jaren later door
anderen gevolgd. Verscheidene onder hen werden vermogend; koophandel
en nijverheid, maar vooral landbouw werden door hen belangrijk
uitgebreid. Vele Fransche namen van plantaadjes herinneren nog aan
vroegere bezitters. Belangrijke regeringsposten werden later door
sommigen hunner met getrouwheid en ijver vervuld, en Jean Coutier,
die van 5 Maart 1718 tot 2 September 1721 gouverneur was, zoo mede
Mr. Karel Emelius Henry de Cheusses, die van 9 November 1728 tot 26
Januarij 1734 dit ambt bekleedde, en daarna door zijn broeder, Jacob
Alexander Henry de Cheusses werd opgevolgd, waren afstammelingen dier
Refugiés. Wigbold Crommelin, die in 1748 commandeur en van 1757 tot
1768 gouverneur-generaal was, werd te Haarlem geboren, doch zijne
voorouders waren Fransche uitgewekenen, enz. enz. enz.

Spoedig werd in de stad Paramaribo eene Waalsche kerk gebouwd, en de
uitgewekene predikant Dalbas gekozen, om deze ontluikende gemeente
te besturen.

Dalbas, Fauvarque en andere Waalsche predikanten, hebben ook pogingen
aangewend ter uitbreiding van het Christendom onder de Indianen. Pierre
Saurin verliet zijne rustige standplaats te 's Hertogenbosch, om zich
geheel aan de bekeering der Indianen te wijden. [50]

De Synode der Waalsche kerken in Nederland stond in het jaar 1700
eene somme gelds toe, tot ondersteuning van de werkzaamheden dier
zending in de bosschen van Guiana.

Van den uitslag dezer pogingen is weinig bekend; dan hoedanig die
ook geweest zij, de eeuwigheid zal het openbaren. Intusschen moet
het ons Nederlanders tot beschaming verstrekken, dat slechts door
vreemdelingen belang gesteld is geworden in het waarachtig heil dier
heidenen, in eene Nederlandsche kolonie; eerst door de uitgewekene
Franschen, later door de Duitsche broedergemeente.

Behalve deze uitgewekenen kwamen ook weldra verscheidene
Labadisten zich in Suriname vestigen. De secte der Labadisten had na
onderscheidene lotwisselingen, sedert 1675 te Wieuwerd in Friesland,
op het kasteel Thetinge, eenige rust gevonden. Genoemd kasteel was
het eigendom van van Sommelsdijk. Deze was de Labadisten genegen
en sloot alras eene overeenkomst, waarbij hij genoemd kasteel en
andere bezittingen in Friesland aan zijne drie ongehuwde zusters voor
haar erfdeel afstond. Daar deze zijne zusters tot de gemeente der
Labadisten behoorden, zoo werd krachtens de gemeenschap van goederen,
die bij hen was ingevoerd, dit kasteel eene tijdelijke bezitting der
Labadisten. Toen zij nu het aanstaande vertrek van van Sommelsdijk,
wiens drie zusters tot hunne voornaamste huisgenooten behoorden,
vernamen, begrepen zij van deze gelegenheid partij te kunnen trekken,
om elders hunne kerk uit te breiden.

Daar in dat verre, maar tevens zoo rijk door de natuur gezegend land,
vermeenden zij, behoefden zij zich slechts te vestigen om, niet slechts
het brood des bescheiden deels, maar een volkomen overvloed te vinden;
daar zouden zij ongehinderd hunne kinderen kunnen onderwijzen en
opvoeden voor den Heer; daar zouden zij de blijde boodschap des heils
in Christus den blinden Heidenen kunnen verkondigen.

Met het schip, dat van Sommelsdijk naar Suriname zou overbrengen,
gingen eenige afgevaardigden mede, om het terrein te verkennen.

Bij de terugkomst dezer afgevaardigden stemde hun getuigenis geenszins
overeen. De een prees alles en beloofde zich gouden bergen, de andere
had van niets anders dan van ellende en van gevaren te spreken.

De eersten werden geloofd.--Van Sommelsdijk drong mede op hunne
overkomst aan. Weldra vertrok dan ook een goed getal naar Suriname;
zekere Robijn was de aanvoerder der kleine schare; Hesener vergezelde
als herder en leeraar de dochtergemeente van Wieuwerd.

De overtogt ging voorspoedig, en van Sommelsdijk bood hen bij hunne
aankomst in alles de behulpzame hand. Hij raadde hen aan zich niet
te ver van Paramaribo te verwijderen, opdat hij ze des te beter
zou kunnen beschermen. Van Sommelsdijk had gaarne gezien, dat
Hesener nu en dan preekte in de Gereformeerde kerk, doch dit werd
afgeslagen. Hij was voornemens, de pas aangekomen nieuwe slaven op
hunne plantaadjes te doen arbeiden, totdat zij verkocht zouden zijn
aan andere meesters. Maar zijne raadgevingen en aanbiedingen baatten
niet. De Labadisten verkozen, als te Wieuwerd, geheel afgezonderd te
wonen. Men trok de rivier op. Dat kostelijke groen, die heerlijke
plantengroei bragt allen in verrukking, en op meer dan tien uren
afstands van Paramaribo, ver verwijderd van de wereld, legden zij
hunne plantaadje aan, die zij »la Providence" noemden.

Alles ging naar wensch; de verwachtingen die zij koesterden werden
dagelijks grooter, en te Wieuwerd ontving men de heerlijkste tijdingen
van de dochtergemeente.

Terwijl men zich te Wieuwerd gereed maakte eene tweede bezending
derwaarts uit te rusten, begon men op »la Providence" alles in te
rigten, gelijk men dit noodig oordeelde en naar het voorbeeld der
gemeente in Wieuwerd. Maar tot den veldarbeid kon men moeijelijk slaven
ontberen, en hoewel dit den broeders tegen de borst stuitte, schikten
zij zich naar de omstandigheden. Ter hunner eere moet gezegd worden,
dat zij in den beginne alle moeite deden om den armen slaven hun juk
aangenamer te maken; men deed hen wel, en behandelde hen met zachtheid
en als broeders; maar toen de nieuwe volkplanters hiervan niet dadelijk
goede vruchten zagen, raakte hun geduld schielijk ten einde en voerden
zij eene gestrenge harde tucht in. Hoe weinig bedenkt de mensch,
dat God langmoedig is, en dat Zijne goedertierenheid tot bekeering
leidt, en hoe weinig betoont hij lust Hem hierin na te volgen. Indien
de mensch in zijne goede bedoelingen tegenstand ondervindt bij hen,
wier geluk hij wenscht te bevorderen, hoe spoedig verlaat hij dan den
goeden weg en--ten minste zoo deden de Labadisten, en later wordt van
hen ook op andere plaatsen in Amerika aan den Hudsonrivier, waar zij
zich vestigden, getuigd, dat zij hunne slaven wreedelijk mishandelden
en door hunnen slavenhandel, die toch zoo zeer tegen hunne leeringen
aandruischte, velen tot ergenis waren.

Hunne pogingen ter bekeering der Heidenen hadden mede niet den
gewenschten invloed, en spoedig zagen zij hiervan af.--Hoezeer
verschilde hunne handelwijze in deze met die der Moravische
broedergemeente, die op hope tegen hope voortging, en wier arbeid
dan ook door den Heer zoo heerlijk gezegend werd.

Weldra ondervonden de Labadisten ook, dat zij dwaas hadden gedaan
met den goeden raad van van Sommelsdijk, om zich in de nabijheid
van Paramaribo te vestigen, in den wind te slaan. Zij lagen daar zoo
ver verwijderd van de andere plantaadjes, bloot aan de invallen der
Indianen en weggeloopen slaven, waarbij zich vele deserteurs voegden,
die de militaire tucht ontvloden waren. Men moest alzoo dag en nacht
op zijne hoede zijn; hierbij kwam de landziekte, die velen eenen
vreesselijken dood bereidde; het gemis van de spijs, de gemakken,
de rust en het klimaat van het geliefde vaderland deden zich spoedig
gevoelen; inwendige verdeeldheden wachtten hen en toen de nieuwe
bezending [51] uit Wieuwerd aankwam, vond deze, in plaats van een
Eden, zoo als men zich voorgesteld had, een hospitaal en eene plaats,
waar de liefde geweken en de tucht verslapt was. Sommigen keerden naar
Friesland terug, anderen gingen naar een ander gedeelte van Amerika aan
de Hudsonrivier; nog eenigen tijd rekte de stichting der Labadisten
in Suriname haar kwijnend bestaan, lang duurde dit echter niet;
eenige overgeblevenen vermengden zich onder de andere opgezetenen,
maar de stichting of nederzetting als zoodanig ging te niet [52].

Waarschijnlijk zou het met »la Providence" niet zoo treurig zijn
afgeloopen, indien men niet zoozeer door onkunde en eigenwijsheid
verblind, meer gehoor had gegeven aan den waarlijk goeden raad van
van Sommelsdijk, en daar er waarlijk vrome menschen onder hen werden
gevonden, zouden zij, zoo zij hun beginsel van strenge afsluiting niet
zoo bepaald gehandhaafd hadden, welligt tot eenen zegen voor de kolonie
hebben kunnen verstrekken. In allen gevalle aan van Sommelsdijk is
die mislukking niet te wijten, en behoort zij volgens ons oordeel,
onder die welgemeende pogingen genoemd te worden, welke door hem
ter bevordering van den bloei en welvaart van Suriname ondernomen
zijn. Men beoordeele niet steeds de daden naar hunne uitkomsten,
men zou alsdan meermalen een zeer onbillijk oordeel vellen.

Eene andere loffelijke poging van van Sommelsdijk ter verbetering van
den toestand was die, waarbij hij trachtte om eene verandering onder
den militairen stand te maken, die, gelijk een oud geschiedschrijver
zegt, [53] »grootendeels in alle spoorloosheden versoopen lagen;
dus," vervolgt dezelfde schrijver, »fnuikte hij alom de overdaad
en inzonderheid in het gebruik van onmatige spijs en drank, als de
baarmoeder van ongeregelde wellusten zijnde, en speende hen met een
matig, doch tevens voldoend onderhoud, en bij dit zocht hij hen door
eene gedurige bezigheid van alle ongebondenheid af te trekken." De
soldaten, vroeger door hun losbandig gedrag eene plaag voor de
inwoners, werden door van Sommelsdijk gebezigd tot het verrigten
van zwaar werk, waaronder het uitdelven der Sommelsdijksche kreek,
en het aanleggen en opwerpen van de twee forten tegen de invallen der
Indianen, vroeger reeds beschreven, als het voornaamste is aangeteekend
[54].

Uit het hier medegedeelde blijkt genoegzaam, dat de heer van
Sommelsdijk met kracht en ernst de hand aan het werk sloeg, om niet
slechts den verwarden toestand te verbeteren, maar tevens den bloei
der kolonie te bevorderen.

Rust en vertrouwen keerden weder. De kolonisten, door verscheidene
nieuw aangekomenen versterkt en nu, na den gesloten vrede, niet
langer door de gedurige invallen der Indianen verontrust, begonnen
hunne plantaadjes aan beide zijden der rivier uit te breiden--van 50
plantaadjes werd dit gedurende zijn bestuur tot 200.

Voornamelijk kwamen de Joden weldra tot eene groote welvaart. De heer
Samuel Nassy schonk in 1682 aan de Portugeesch Joodsche natie eene
uitgestrektheid gronds, of Savanne, later de Joden-Savanne genaamd. In
1691 voegde Nassy hier nog 25 akkers van het nabijgelegen land bij,
dat nog, in hetzelfde jaar, onder het bestuur van den opvolger van van
Sommelsdijk, gouverneur Scharphuijs, door eene gift van 100 akkers,
uit naam der eigenaars in Holland vergroot is [55].

Deze Savanne, welke haren naam ontleende aan de uitgestrekte weilanden,
die dezelve omringden, lag 8 à 10 mijlen van Paramaribo, aan de boven
Suriname, op eene hoogte, die zich 30 à 36 voeten boven het waterpas
verhief, hebbende aan de beide zijden eene diepe vallei, die aan
de Savanne de volkomene gedaante eener landengte gaf. Deze plaats,
bestemd om als het ware, een vereenigingspunt der Portugeesch Joodsche
natie te worden, werd volgens een geregeld plan met huizen bebouwd;
de ruimte, die men daarvoor aanwendde, was een langwerpig vierkant van
450 voet lang en 300 breed, en was met vier dwarsstraten doorsneden.

De huizen, op de hoeken van dit vierkant gebouwd, waren groot en
gemakkelijk; de andere eenvoudig, enkele echter fraai te noemen.

Die huizen, welke van achteren uitzagen op de vallei en op den oever
der rivier, hadden ieder een klein tuintje op de helling der hoogten,
welke tuintjes beplant waren met laag geboomte en moeskruiden,
en welke, wanneer men de rivier opvoer en de Savanne naderde, een
alleraangenaamst gezigt opleverden.

Het grootste sieraad van het vlek echter was de Synagoge, die daarop in
1685 van tigchelsteen gebouwd werd. Zij was 90 voeten lang, 40 breed en
33 hoog, en werd ondersteund door vier groote houten pilaren, waarboven
een fraai gewerkt gewelf was ter bekleeding van het dak des gebouws.

Aan de eene zijde had men het vertrek der vrouwen omhoog, en regt
daartegenover dat der mannen, alwaar men eene groote kast van cederhout
vond, waarin de rollen der wet werden bewaard; deze was van zeer schoon
maaksel en versierd met goed uitgevoerd beeldhouwwerk. Deze Synagoge
pronkte daarenboven met zilveren kroonen, waarmede de rollen der wet,
bij plegtige gelegenheden versierd werden, en andere versieringen van
hetzelfde metaal, groote kaarskroonen van geel koper met verscheidene
armen en verschillende soorten van kandelaars, waaronder zich zeer
kostbare bevonden.

Onder de Synagoge, of liever onder het vertrek der vrouwen, had men
de regentenkamer, en die waarin het archief bewaard werd; (tevens
hield hier hunne bijzondere regtbank zitting).

Alles was zoo goed gebouwd, en het geheel had zoo iets deftigs, dat
die Synagoge de bewondering trok van allen, die haar voor de eerste
maal zagen.

De Savanne bereikte spoedig een grooten bloei; zij werd, gelijk men
bedoeld had, het vereenigingspunt, het centrum der Joodsche gemeente;
weldra wies het aantal huizen tot 70 à 80 aan.--Ieder huisgezin,
dat zich daar nederzettede, kreeg 4 à 5 slaven, benevens de noodige
levensmiddelen voor niet van de Joodsche eigenaars der plantaadjes
in de nabijheid. De inwoners hielden zich inzonderheid bezig met het
vervaardigen van planken en timmerhout, waarbij zij hun bestaan vonden.

Voornamelijk ter viering van het Loofhuttenfeest werd deze Savanne druk
bezocht. De meeste Joden der kolonie, zoowel zij die op de plantaadjes,
als zij, die in de stad woonden, kwamen aldaar te zamen; alle huizen
waren met gasten opgevuld en aan feesten en partijen ontbrak het dan
niet [56].

De Joden, die voornamelijk aan het hoogere gedeelte der rivier Suriname
hunne plantaadjes aangelegd hadden, hadden dan ook in de eerste plaats
veel van de invallen der Indianen te lijden gehad. Gelijk wij reeds
vroeger vermeldden, behoorden zij dan ook onder de eersten, die de
wapenen tegen hen opnamen, en meermalen moedig en met goed gevolg tegen
hen streden; dit werd door de geheele bevolking erkend; hun invloed
werd hierdoor vermeerderd en zij maakten alzoo gemakkelijk aanspraak
op voorregten, ja zelfs op meer gezag in de kolonie, dan anders in
die tijden wel het geval zou geweest zijn [57]. Na den vrede, door
van Sommelsdijk met de Indianen gesloten, werden zij bijzonder gebaat
en dit was mede oorzaak hunner zoo spoedig toenemende uitbreiding
en welvaart.

Niettegenstaande het wezenlijk en vele goede, dat van Sommelsdijk door
zijn krachtig bestuur aan de kolonie bewees, was het er echter ver af,
dat iedereen tevreden was.

Er waren zoo velen, wier belang niet medebragt, dat de verwilderde
zaken wederom in den regten plooi werden gebragt; in troebel water
hadden zoo velen gevischt en zagen nu tot hun schrik, dat hun rijk
een einde nam.

Anderen meenden door hem verongelijkt te zijn; wederom anderen
klaagden, dat hij hen met hoogheid en barschheid behandelde.

Weldra waren er dan ook vele beschuldigingen tegen hem èn bij de
Sociëteit van Suriname èn bij de Algemeene Staten ingebragt; de
voornaamste dezer waren, dat hij de ingezetenen hooger bezwaarde,
dan dit volgens het octrooi geschieden mogt.

Deze beschuldiging was zonder grond, want volgens het vierde artikel
van het octrooi vermogt hij 2 1/2 ten honderd eischen van alle
goederen, ieder keer als zij verkocht werden.

Later is door de Staten bepaald, dat dit regt slechts zou gevorderd
worden van de goederen, die naar Holland werden uitgevoerd; doch deze
bepaling bestond nog niet te dien tijde. Eene andere beschuldiging
tegen hem, was »dat hij den een boven den andere zou begunstigd hebben
in het waarderen der suiker." Ook dit bewijst te veel om iets te
bewijzen en kan wegens de algemeenheid der beschuldiging niet klaar
wederlegd worden [58].

Van Sommelsdijk heeft in 1687, bij publicatie, alle inwoners,
die iets tegen zijn gouvernement hadden in te brengen, opgeroepen
om hunne klagten in te brengen, verklarende hij zich bereid om hun
volle bevrediging en genoegdoening te geven; stellende zich in deze
niet als gouverneur maar als particulier persoon, en willende dit
doen ten overstaan van het hof; hij verlangde dit, ten einde zich
voor zijn vertrek naar het vaderland, waartoe hij scheen besloten te
hebben, van alle valsche beschuldigingen te zuiveren. Hij heeft deze
oproeping driemaal hernieuwd, maar--niemand verscheen, niettegenstaande
hij hen, bij niet verschijning voor kwaadsprekers en lasteraars
verklaarde. Zouden wij niet met hetzelfde regt hen hiervoor mogen
houden? [59]

Nog was er bij de Staten eene aanklagt tegen hem verschenen, namelijk,
dat hij tegen het oogmerk der Staten, twee Paapsche geestelijken in de
volkplanting had toegelaten, waarover de Staten aan van Sommelsdijk
schreven: »dat men in de kolonie Suriname geene predikanten had,
[60] maar dat men integendeel toeliet, (zoo als den heeren Staten van
Zeeland berigt werd) dat de Paapsche godsdienst aldaar in de kolonie
werd uitgeoefend, en onder anderen door een Paapjen, in de nabijheid
van het fort, die gezegd werd door zijne kluchten en fabeltjes der
Papisten ook Indianen en ons eigen volk tot zijn gehoor te trekken
[61].

De zaak had zich aldus toegedragen. De heer van Sommelsdijk had
zekere som gelds, ter voldoening van zijn quotum in de sociëteit,
opgenomen van een koopman te Amsterdam, Philippus van Hulten, welke de
R. C. godsdienst beleed. Toen van Sommelsdijk naar Suriname vertrok,
stelde hij dezen van Hulten aan als gemagtigde voor zijn aandeel
in de sociëteit. Deze man, een ijverige Roomsche, zond in wereldsch
gewaad twee priesters naar Suriname, die echter kort na hunne aankomst
overleden.

Hiervan maakten de vijanden van van Sommelsdijk, vooral de Zeeuwen,
zoo grooten ophef, alsof de geheele kolonie in gevaar was, waarop de
Staten, slechts ten halve onderrigt, bevalen, dat die priesters naar
Nederland zouden teruggezonden worden.

Van Sommelsdijk liet de ligchamen der overledene priesters opgraven
en zond hun gebeente naar Zeeland, met den volgenden brief, dien wij,
om den eigenaardigen stijl van dien man te leeren kennen, in zijn
geheel laten volgen: [62]


»Edele Groot Achtbare Heeren! Met schipper Johannis Plas hebbe ik aan
de Heeren Staten van Zeelandt toegesonden de beenderen van de drie
alhier overledene Papen, welcke sy gelieve Geestelycken te noemen;
Ick gelove dat soo een kist vol ducaten haar beter contentement en
vergenoegen soude doen, maar dat syn vrughten, die tot nogh toe hier
niet er wassen, doch hope, dat by faute van dien, d'abondantie der
suyckeren haar schreeuwende keelen sal versoeten en versachten, en
met syroop en jalep haar van hare rasende koortsen genesen, en haar
dan betere kennisse van saken doen bekomen van hetgeene hier passeert."


    Waarmede
    Edele Groot Achtbare Heeren!
    UE. Groot Achtbare onderdanige Dienaar,
    (was geteekend)
    C. van Aerssens van Sommelsdijk.
    Actum Suriname, den 5 Sept. 1687 [63].


Na hevige klagten over deze daad door de Staten van Zeeland, werd
door de Algemeene Staten bevolen, de lijken dier priesters weder naar
Suriname over te voeren en in de vorige begraafplaats bij te zetten
[64].

Weinig malscher waren de antwoorden van den beleedigden man over de
andere onregtvaardige beschuldigingen tegen hem ingebragt. Wegens de
beschuldiging, dat hij 4 pCt. van de natte waren geheven, en zelf in
eene andere negotie gedeeld had, en de aantijging van eenige kapiteins,
dat hij hen grootendeels benadeelde, door de suiker door zijne lieden
te doen laden en hen af te wijzen, schreef hij o. a. in eene missive
aan de Staten 26 Julij 1687,--»de redenen, waaromme desen last op
de natte waren is gestelt, is dese, dat hier veele dronckaarts syn,
die weinigh te kercken gaan, om haar te premoveren, het voordeel en
genot van haar geldt te kercke te komen halen, alsmede te kennen te
geven, dat wy van de droncke verckens ook eenigh voordeel en genot
weten te trekken enz." [65]

Over de klagt der schippers zegt hij op denzelfden ronden, doch
eenigzins ruwen toon, dat hij de schippers zijne aanklagers opgespoord
heeft, in welke klagten »van het begin tot het eynde geen waar woordt
en is, voor Godt en in conscientie geen de minste inhibitie oyt
zynde gedaan aan de schippers, van niet te mogen inladen de bequame
en gekeurde suykeren, dit zyn de listigheyt en de lagen, waarmede de
schippers hare reders bedriegen ende abuseren, niet distinguerende
het verbod van de ongekeurde suykeren" enz.--vervolgens noemt hij
hen de kapers van de goudkust [66].

Over hunne handelwijze jegens de West-Indische compagnie liet hij
zich in dier voege uit: »De W. I. compagnie op de cust van Afrika,
als een groot ligchaam zonder ziel, is door haar, onder de dekmantel
van vreemde commissiën, aldaar dickwils gepluymt, nu zoude de questie
zyn in Amerika van het selvige te doen, maar wees gepersuadeert, dat
nu ick weet, met wat luyden ick te doen hebbe, ick my wel sal weten
te defendeeren; myn verkopen kunt ghy wel, maar de leverantie sal je
(de Staten) zwaarder vallen dan geïmagineert werdt," enz. [67]

Op een ander bezwaar, dat hij zich niet in alle opzigten aan de
letterlijke bepalingen zijner instructie gehouden had, antwoordt hij:
»De enckelde negotie en de commercie heeft geene overeenkomste nogh
rapport met de grootmakinge van een Staat, ofte Colonie bysonderlyk
als die is, en werdt geforceert en gedwongen. De Experiëntie heeft
my geleert het geene ick niet en wiste, en hetgeene waarop ick niet
gedagt en hadde. En hadt ick als een geck myn instructie naar de
letter gevolgt, zoude de Staat, de Stadt, de W. I. Compagnie en ick
reden van berouw hebben van het ondernomene, hetgeene (Godt sy gelooft
en gedankt) nu so niet en behoort." [68]

Van Sommelsdijk sprak hier eene waarheid uit, die helaas te dikwijls
voorbijgezien is.

Is ons land groot geworden door den koophandel, en wordt deze met regt
de zenuw van den Staat genoemd, aan de andere zijde is het even waar,
dat door eenen te ver gedreven koopmansgeest, die slechts uit zucht
naar gewin handelde en hiervoor alles ten offer bragt, gruwelen zijn
geschied in de overzeesche bezittingen, waarvan de herinnering alleen
ons de oogen schaamrood doet nederslaan. Even waar is het dat niet
slechts het geluk van enkele personen, maar van geheele volkeren aan
dien te ver gedreven koopmansgeest zijn opgeofferd; even waar is het,
dat..... maar wij vervolgen onze geschiedenis.

Gelijk wij zagen, bragt van Sommelsdijk door zijne opene en eerlijke,
zij het ook wel wat ruwe wederlegging zijner valsche beschuldigers,
dezen tot zwijgen; en indien wij terugzien op hetgeen hij gedurende
zijn vierjarig bestuur tot stand bragt, kunnen wij hem den naam van den
nieuwen grondvester of hersteller der kolonie Suriname niet ontzeggen.

De onvermoeide landvoogd legde ook den grond tot de stad Paramaribo
bij het fort Zeelandia, volgens een regelmatig plan, [69] en weldra
zag deze plaats er gansch anders en beter uit, dan hij haar bij zijne
aankomst vond.

Tot deze en dergelijke werkzaamheden werden dan ook meermalen de
soldaten gebezigd. Onder den zwaren arbeid, die de gouverneur van
hen eischte, wordt voornamelijk genoemd het maken van eene steenen
glooijing aan den rivieroever bij het fort Zeelandia;--die daartoe
benoodigde zware, door de Negers uitgekapte steenen, moesten zij, bij
gebrek aan geschikte werktuigen dragen, hetgeen in dit land zeker een
zeer moeijelijk werk was [70]. Hierbij kwam, dat men door gebrek aan
aanvoer uit het moederland, genoodzaakt was geweest het dagelijksch
rantsoen te verminderen [71].

De geest van muiterij, die hen reeds lang bezield had, werd daardoor
zeer versterkt; deze openbaarde zich dan ook weldra door hunne
weigering om te werken, tenzij zij meerder rantsoen kregen. Den
algemeen beminden commandeur Verboom gelukte het dit ongenoegen
te stillen, maar twee dagen later, den 19den Julij 1688 brak die
muiterij op nieuw uit. Terwijl de heer van Sommelsdijk in een laan
van oranjeboomen voor het Gouvernementshuis op en neder wandelde, in
gezelschap van den commandeur Verboom, kwamen daar elf zaamgezworene
rebellen, half beschonken, met hunne geweren gewapend, tot hem en
eischten op een hoogen toon vermeerdering van rantsoen en vermindering
van werk. Van Sommelsdijk, dien wij reeds als een oploopend mensch
hebben leeren kennen, in plaats van hen te woord te staan, verstoord
over dit gedrag en deze schending der krijgstucht, tastte naar zijn
houwer, om deze baldadigen terug te drijven, doch toen hij den arm
ophief, schoten zij allen tegelijk op hem, en viel hij door zeven en
veertig wonden doorboord levenloos neder. De commandeur, Verboom door
eene wond in den buik getroffen, overleed negen dagen later [72].

Zoo was het einde van van Sommelsdijk, het einde van een man,
die, wij herhalen het nog eens, veel tot den bloei van Suriname
heeft toegebragt, en die door zijne godsvrucht, zijn open, eerlijk
en regtvaardig karakter, onze volle sympathie verdient, maar die
misschien wel wat te haastig, te driftig hervormen wilde, en die
door zijne oploopendheid en wel eenigzins barsch en norsch karakter,
zich vele vijanden verwierf.

De muitelingen plunderden nu het magazijn, namen het fort Zeelandia
in en benoemden opperhoofden.

De kapitein Abraham van Vredenburch, die wegens het verwonden van
den commandeur Verboom als bevelhebber der troepen moest optreden,
begaf zich onmiddellijk op het vernemen der tijding naar het fort, om
aldaar, zoo mogelijk, de oproerigen tot onderwerping te brengen; maar
dit gelukte hem niet, de muitende soldaten schoten op hem, en namen
hem met den luitenant de Raineval en den secretaris de Graaf gevangen.

Dienzelfden avond begroeven de muitelingen het lijk van den vermoorden
landvoogd, met krijgseer binnen het fort.

Bijna onmogelijk kan de toen bestaande verwarring geschetst worden. Bij
Hartsinck vindt men in zijn tweede deel, bladz. 651 tot 671, daarvan
een tafereel opgehangen, waardoor men er eenigzins over oordeelen
kan. De muiters waren nu genoegzaam meester van de geheele kolonie en
men was genoodzaakt, tot beveiliging van het leven der ingezetenen,
een verdrag met hen aan te gaan, waarbij zij beloofden de kolonie
te verlaten tegen eene geldelijke vergoeding, en waarbij hun geheele
kwijtschelding van straf zou worden verleend.

Het gelukte den kapitein Vredenburch uit het fort te ontkomen en
vervolgens, bijgestaan door den Joodschen kapitein Nassy en den
raadsheer Bagman, met eenige gewapende burgers, gezegd fort door de
rebellen te doen ontruimen. Zij zochten nu op het schip de Salamander
te ontkomen, doch door onderlinge twisten verdeeld, werden zij
eindelijk door de gewapende burgers en anderen gevangen genomen.

Hoewel er in Suriname nog eene groote verwarring bleef heerschen,
werd de hoop op het herstel der rust door die gevangenneming zeer
verlevendigd, en op last van den Raad van Policie werd den 30 Julij
een dank- en bededag gehouden.

Nu was men het niet eens hoe met de gevangen genomen muiters te
handelen. De zwaar gekwetste commandeur Verboom deed de Raden van
Policie bij zich komen, en gaf de Raden in bedenking of men de
moordenaars wel zou kunnen straffen, uit hoofde hij commandeur,
benevens de andere officieren en burgers van Paramaribo, met de
rebellen een verdrag hadden aangegaan, enz. De Raden antwoordden
daarop, dat zulk een verdrag niet bestaan kon, als zijnde gemaakt
door hem en verdere officieren, die in het geweld der rebellen waren,
en door ontwapende burgers, en dus gedwongen; dat zoodanig accoord
mede nul en van geen waarde was, als zijnde buiten hunne toestemming
geschied, en dat zij in dat verdrag niet konden bewilligen zonder
te zondigen, en zich eene groote straf op den hals te halen bij God
en hunne principalen, ingeval zij de moordenaars ongestraft lieten
vertrekken, enz. enz. Waarop de heer commandeur hun te gemoet voerde,
dat het aan hunne beslissing stond, en dat hij hoopte, dat God hen
wilde bijwonen met den geest der wijsheid, om niet alleen de zaak wèl
uit te voeren, maar ten beste van het land te betrachten, waartoe hij
met ernst bij hen aandrong. Den volgenden dag, den 28sten Julij 1688,
overleed Verboom, die om zijne minzaamheid algemeen bemind was.

Het proces ging nu zijnen gang, en den 3den Augustus werden 3 der
belhamers geradbraakt en 8 gehangen. De overige 60 man, die mede deel
aan het complot hadden genomen, werden niet langer in dienst gehouden,
maar voor en na, bij vijf of zes, naar Holland overgevoerd en volgens
beloften aldaar vrijgelaten [73].

De rust alzoo hersteld zijnde, werden de officiers en burgerij door
den heer G. Muenix, als president, uit naam van den Raad voor hunne
goede diensten bedankt, en ging ieder weder tot zijn gewoon bedrijf
en naar zijne woning terug [74].

Intusschen hadden de raden van policie zich na den dood van den
commandeur Verboom alle gezag aangematigd, vooral door den invloed van
den fiscal G. Muenix hiertoe aangespoord. De kapitein van Vredenburch
leverde hiertegen den 13den September 1688 protest in, daar hem het
regt van opvolging van den commandeur toekwam.

De raad bood hem zitting aan en stelde voor de zaken gezamenlijk
te behandelen. Om de reeds bestaande verwarring en oneenigheid
niet te vermeerderen, nam van Vredenburch dezen voorslag aan, maar
behield zich zijn regt voor, zich in de notulen steeds teekenende,
»ongepraejuditieerd" zijnen rang [75].

Toen de tijding van het droevig uiteinde van den gouverneur van
Sommelsdijk in Nederland bekend werd, bood de geoctroijeerde Sociëteit
van Suriname, volgens het bepaalde bij het 6de artikel van het met
den overledene gesloten verdrag, den zoon des heeren van Sommelsdijk,
den heer van Châtillon, luitenant ter zee aan, om in zijns vaders
plaats, gouverneur van Suriname te worden. Er waren èn voor mevrouw
van Sommelsdijk èn voor haren zoon te droevige herinneringen hieraan
verbonden, en na rijp beraad bedankte hij voor die eer [76].

Mevrouw van Sommelsdijk bood haar aandeel te koop aan de Sociëteit,
doch deze wilde hiertoe niet overgaan. Den 12den Februarij 1692 gaf
zij kennis aan den burgemeester van Amsterdam, dat Koning Willem III
van Engeland het had gekocht.

Hartsinck en anderen gissen, dat deze koop naderhand vernietigd is,
omdat bekend is, dat den 19den April 1770 de stad Amsterdam van de
erven van Sommelsdijk haar aandeel kocht voor de som van f 700,000,
te betalen in drie termijnen. Meer aannemelijk komt ons in deze
voor, het gevoelen van den heer Mr. C. Ph. Vlier uit Suriname, (zie
Surin. Almanak 1833, blz. 239) die denkt, dat dezelfde aanbieding,
welke bereids door mevrouw van Sommelsdijk aan de Sociëteit gedaan was,
ook herhaald is aan den Koning van Engeland; doch dat deze, evenmin als
de Staten van Holland, die koop ooit gesloten heeft. Hoe dit ook zij,
vervolgt de heer Vlier, wij mogen hieruit gerustelijk afleiden, dat de
kosten tot onderhoud dezer volkplanting in die dagen kwalijk konden
worden bestreden door de voordeelen, die de Sociëteit van daar trok,
wijl het anders moeijelijk te begrijpen is, waaraan de weigering der
overname van het een derde aandeel van mevrouw van Sommelsdijk zij
toe te schrijven.

De onderlinge twisten tusschen de verschillende magten in Suriname
hielden aan. Onder hen, die zich in dit tusschenbestuur veel
aanmatigden, behoort vooral de reeds genoemde Israëliet Samuel
Nassy. Hij had zich door zijn moedig gedrag en goed overleg zeer
verdienstelijk gemaakt in het beteugelen van den opstand der muitzieke
soldaten, en droeg er veel toe bij, dat zij eindelijk gevangen
werden genomen. Door dit een en ander had hij veel invloed gekregen,
en koesterde hij misschien wel eenige hoop, om tot gouverneur der
kolonie te worden benoemd.

Een man van groote middelen zijnde, had hij op de Joden-Savanne op
eigene kosten een gasthuis voor zijne behoeftige geloofsgenooten laten
bouwen, en door meerdere weldaden zijne natie zeer aan zich verpligt,
zoodat de Joden hem steeds als hun beschermer aanzagen, hoewel hij
toch ook van verscheidene kanten veel tegenwerking ondervond, toen
hij, gesteund door brieven van de Amsterdamsche rabbijnen, trachtte
eenige hervormingen bij hen tot stand te brengen, inzonderheid ten
opzigte hunner zoo menigvuldige feestdagen [77].

Deze tegenstand werd zoo hevig, dat er ongeregeldheden en opstanden
tusschen de Joden onderling ontstonden, dat zij zelfs handgemeen en
er verscheidene gekwetst werden. Dan niet slechts bij de Joden was er
over dergelijke zaken twist, ook tusschen de Hervormde predikanten
en andere beambten heerschten twisten en wanorde, waardoor groote
opschuddingen en gemor onder de ingezetenen veroorzaakt werd.

De militie was sedert den dood van van Sommelsdijk nog niet regt
aan het bedaren; de fortificatiën waren in slechten staat; in het
kort, de staat van zaken was zeer verward [78], en het was noodig,
dat er als landvoogd in Suriname weder een man kwam, die de noodige
vereischten bezat om dien verwarden boedel wat teregt te brengen. De
keus der Sociëteit viel, (en zij werd door de Staten bekrachtigd) op
den toen met verlof in Nederland zijnden raad van policie en heemraad
van Thorarica, Johan van Scharphuisen, die met eene versterking van
krijgsvolk en voorraad van oorlogs- en mondbehoeften naar de kolonie
vertrok, in gezelschap van den heer Chatillon, die mede ging om de
zaken zijns vaders te regelen.

In het begin van de maand Januarij 1689 scheepte hij zich in en had
eene zeer moeijelijke reis, eerst door het ijs, later door buitzieke
kapers, zoodat het schip zoo ontramponeerd werd, dat een gedeelte van
het scheepsvolk begon te morren en eenige hunner in de kajuit kwamen,
alwaar van Scharphuisen met den heer Chatillon, kapitein Lohuijzen en
zijn secretaris aan tafel zaten. Zij zeiden, dat niemand der matrozen
gezind was om met een zoo ontramponeerd schip in zee te blijven, maar
dat zij verzochten de eerste haven de beste binnen te loopen. Van
Scharphuisen vraagde hun, of hij en zijn gezelschap ook niet mede
voeren en zoowel als zij het leven te verliezen hadden; en voegde hun
toe, dat zij onvoorzigtig waren en eigenlijk de galg of de nok van
de raa kwamen eischen; doch dat hij, hunne onnoozelheid inziende,
hun dezen misslag vergeven wilde, mits dat zij zich stil en rustig
hielden en hun best deden om het schip zoo veel mogelijk weder in
staat te brengen om te kunnen zeilen.

Door deze mannelijke taal tot rede gebragt, dropen zij stilletjes
af, sloegen handen aan het werk, en met stoppen en stengen werd het
vaartuig zoo ver in staat gebragt, dat de reis kon voortgezet worden,
zoodat zij zonder verderen tegenspoed den 8sten Maart 1689 voor de
rivier van Suriname aankwamen, en de gouverneur den 10den aan land
ontvangen werd. [79]

Wij deelden deze bijzonderheid mede om te doen zien, dat men in een
man als van Scharphuisen wel eenig vertrouwen stellen kon, om als
opvolger van van Sommelsdijk op te treden. Dat het hem echter niet
gelukte regel en orde in dien verwarden toestand te brengen, zullen
wij verder zien. Dadelijk na zijne komst poogde hij de inwendige
twisten te stillen; hij stelde, behalve de reeds bestaande raad
van policie, wien de criminele jurisdictie was opgedragen, uit een
dubbel getal personen, door de ingezetenen gekozen, volgens artikel
23 en 24 van het octrooi, een collegie van zes personen aan, die met
hem de civiele justitie zouden beheeren, welke tot heden door den
raad van policie was bestierd; zoo mede een bijzonder collegie voor
kleine zaken, ter beslissing en bevrediging van kleine verschillen
tusschen de ingezetenen (een soort van vredegeregt), om deze alzoo
zoo spoedig mogelijk tot een goed einde te brengen. Mede werden door
hem opzigters der gemeene weiden benoemd, daar het vóór dien tijd
hiermede zeer onordelijk toeging. [80]

Grondig bekend met den landbouw, en zelf eigenaar eener plantaadje
aan de Boven-Suriname, zocht hij ook door zijn voorbeeld de wijze
van cultuur te verbeteren.

De verbetering der vestingwerken, die in slechten staat waren, werd
zeer gewenscht en hij onderzocht met de raden van policie wat het
eerst en het best tot beveiliging der kolonie te doen ware.

Terwijl hij hiermede bezig was, nog geene twee maanden na zijne komst
in Suriname, den 6den Mei 1689, stevende eene Fransche vloot van 9
oorlogsschepen en 1 bombardeer-galjoot, onder bevel van den admiraal
du Casse, de rivier Suriname op; overviel de aan den mond der rivier
gestationeerde Bark, en trachtte de kolonie te overrompelen.

De inwoners echter door eene nadere en bedekte wacht in tijds
gewaarschuwd, hielden onmiddellijk krijgsraad en besloten tot
tegenweer.

Zij gedroegen zich dapper, en het toen nog zoo nietige fortje Zeelandia
stond een drie daagsch bombardement door; de vereenigde pogingen van
het krijgsvolk, der burgers en der scheepslieden deden de bedoelingen
van den Franschen admiraal, om de Commewijne op te varen, mislukken,
waarna de Franschen, na een groot verlies te hebben geleden, de rivier
afzakten en met het eskader in zee staken.

De admiraal du Casse had ook te vergeefs beproefd om, door op
de eerzucht van den heer Chatillon te werken, daardoor tweespalt
tusschen hem en den gouverneur te verwekken. Hij had hem daartoe een
vleijenden brief gezonden, waarin hij betuigde verheugd te zijn, zulk
eenen braven cavalier als den heer Chatillon te ontmoeten, noemende
hem: »Heere van Suriname" enz. De heer Chatillon, te edelmoedig en te
getrouw aan de belangen van den Staat, en, hoewel nog jong, te kloek,
en te verstandig om aan zulk eene vleijerij het oor te leenen, hielp
met alle magt de trouwelooze Franschen afkeeren, en het smartte alzoo
de geheele kolonie, toen hij den 10den Mei, door het te vroeg afgaan
van een stuk geschut, hetwelk hij met zijnen kamerdienaar bediende,
zwaar aan zijne handen en in zijn aangezigt gekwetst werd; en een
ieder verheugde zich, toen hij gelukkig weder spoedig herstelde,
[81] terwijl hij na zijne herstelling weder naar Nederland terugkeerde.

Nadat de Franschen alzoo weder in verwarring zee kozen en de kolonie
een tijdlang van die lastige indringers bevrijd was, en men zich
alzoo ongestoord aan verbeteringen en noodzakelijke hervormingen had
kunnen toewijden, ontbrandde het vuur der tweedragt weder op nieuw,
en voornamelijk tusschen de Joden, of nog liever tusschen den Jood
Nassy en den gouverneur.

Nassy had zijnen invloed zeer zien toenemen door zijn heldhaftig
gedrag bij den aanval van du Casse, [82] en de spanning werd gedurig
heviger. Eindelijk besloot hij Suriname te verlaten; hij vertrok van
daar en vestigde zich te Amsterdam; dan in plaats dat dit vertrek aan
van Scharphuisen vrede bezorgde, ontsproot daaruit voor hem eene bron
van nieuwe moeijelijkheden; want niet slechts bleef de spanning in de
kolonie voortduren, doordat nu de hoofden der Israëlietische bevolking
zich tegen den gouverneur verklaarden, hem beschuldigden de oorzaak
van het vertrek van den zoo hoog geachten Nassy te zijn en wat dies
meer zij, maar zij zonden daarenboven hunne klagten naar Nassy en
den baron Belmonte, mede een Israëliet, die nu bij de autoriteiten
van Nederland zochten te bewerken, dat hij zou teruggeroepen worden.

Van Scharphuisen wachtte dit echter niet af; hij verzocht en verkreeg
zijn ontslag, en tot zijn opvolger werd benoemd de heer Mr. Paulus
van der Veen, die den 14den Mei 1696 het bestuur van hem overnam.

Van Scharphuisen vertrok naar Nederland met het schip Brigdamme, welk
schip op de reis door Fransche kapers genomen en hij als gevangene
te St. Malo opgebragt werd.

Dan nu ondervond hij, dat een edelmoedig gedrag meermalen reeds hier
beloond wordt, daar hij, terwijl al het andere volk naar Dinant in
strikte gevangenis werd gevoerd, met zijnen secretaris en bedienden
in een logement te St. Malo mogt verblijven, en het hem veroorloofd
werd vrijelijk door de stad te gaan, vervolgens onder het stellen van
borgtogt naar Rouaan te vertrekken, alwaar hij weldra een paspoort van
wege den koning van Frankrijk verkreeg, die hem deze gratie bewees,
omdat hij zijne onderdanen, die in zijne handen gevallen waren,
zoo goed had behandeld.

Het was namelijk gebeurd een paar maanden na den zoo dapper afgeslagen
inval der Franschen, dat een hunner oorlogsschepen van 24 stukken
met 160 man tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in den
modder vast raakte. De schepelingen, door honger en dorst gekweld, en
door de moeijelijke reis afgemat, moesten zich op genade of ongenade
overgeven; op bevel van Scharphuisen werden zij geherbergd en gespijsd
en vervolgens onder eenige voorwaarden naar een der Fransche eilanden
teruggezonden. [83]

Bij de terugkomst van den heer van Scharphuisen in het Vaderland werd
hij duidelijk gewaar, dat zijne vijanden niet stil hadden gezeten,
en hem bij zijne hoofden, de directeuren der geoctroijeerde Sociëteit,
hadden zwart gemaakt, zoodat zij zich ontevreden betoonden over zijne
administratie en gouvernement in Suriname. Hij werd ter verantwoording
geroepen, en daartoe werden hem verscheidene punten en artikelen ter
hand gesteld, om zich daarop te verantwoorden, gelijk hij dit dan
ook uitvoerig gedaan heeft.--Beide stukken zijn onder de titels van
»Punten en Artikelen" en »Berigt en antwoord van den gouverneur Jan
van Scharphuisen," uitgegeven te Amsterdam bij de wed. Aart Dirkzoon
Oossaan, 1697. [84] De uitslag hiervan wordt noch door Hartsinck,
noch door de schrijvers der Historische proeve medegedeeld.

Van de regering van zijnen opvolger Mr. Paulus van der Veen, die van 14
Mei 1696 tot 2 Maart 1707 de kolonie als gouverneur bestuurde, wanneer
hij op zijn verzoek eervol ontslagen werd en naar Nederland vertrok,
vindt men in de geschiedenis niet veel vermeld; alleen schijnt het
te blijken, dat de kolonie eene vrij gewenschte rust genoot en de
landbouw zich meer en meer begon uit te breiden.

Hij werd opgevolgd door Mr. Willem de Gruyter den 20sten Maart 1707,
welke echter den 27sten September van hetzelfde jaar overleed. Na een
tusschenbestuur van den sedert 1703 benoemden commandeur François
Anthony de Rayneval, dat echter nog al lang duurde, namelijk van
27 September 1707 tot 19 Januarij 1710, werd Johan de Goyer tot
gouverneur benoemd, en aanvaardde hij deze betrekking den 19den
Januarij 1710. [85]

Suriname geraakte, daar het nu tot eenige rust gekomen was, tot een
bloeijenden staat, wat den landbouw betreft, schoon de eenige cultuur
slechts in die van het suikerriet bestond. Deze en het vellen en
verzenden van letterhout waren de bronnen, waaruit de welvaart der
blanke bevolking ontsproot, terwijl de ongelukkige slaven, .... doch
hierover later, wanneer wij meer bepaald hunnen toestand wenschen
te beschouwen.

Suriname, hoewel een zeer vruchtbaar land, was echter zeer moerassig;
maar hetgeen andere volken ten hinderpaal zou zijn geweest, was
zulks voor de Hollanders niet. »De Hollandsche natie, zoo geschikt
om moerassen te bebouwen," zegt zekere schrijver, [86] »bragt den
eigen aard van haar land in deze over, en het is namelijk daardoor,
dat zij met vermijding der groote onkosten, die de Engelsche wijze van
doen vereischte, op eenen vochtigen en drassen grond eene volkplanting
heeft weten te stichten, die door hare hooge waarde weldra door andere
mogendheden met afgunstige oogen beschouwd werd."

Het was alzoo, minstens genomen, hoogst onvoorzigtig, dat de
Staten en de Sociëteit geene betere maatregelen namen tot derzelver
verdediging tegen eenen buitenlandschen vijand, niettegenstaande door
de kolonisten, voornamelijk na den gelukkig afgeweerden aanval van
du Casse, daarover vertogen werden ingediend.

Gedurige twisten en oneenigheden tusschen de inwoners en verschillende
autoriteiten waren mede voor een deel hiervan de oorzaak; er heerschte
geen eendragt, en dat deze toch magt maakt, is niet slechts het
onderschrift van het Nederlandsche wapen, maar wordt als zoodanig
door de geschiedenis gestaafd.

Weldra zou men in Suriname de wrange vruchten plukken van de
onvoorzigtigheid van zich niet behoorlijk tegen eenen buitenlandschen
vijand gewapend te hebben.

Reeds onder het bestuur van Mr. Paulus van der Veen in 1696 was de
heer Gennis, admiraal van eene niet onaanzienlijke vloot, van plan
geweest om Suriname aan te tasten; maar bij het vernemen, dat er twee
groote oorlogsschepen aan den mond der rivier lagen, had hij daarvan
afgezien; [87] dan uitstel bleek in deze niet altijd afstel te zijn.

De oorlog tusschen onze republiek en Frankrijk was naauwelijks op nieuw
uitgebarsten, of deze Mogendheid, die, door de nabijheid van Cayenne,
beter dan eenige andere èn met de belangrijkheid van den landbouw in
Suriname èn met de geringheid harer verdedigingsmiddelen tegen eenen
verradelijken aanval bekend was, gaf den vrijbuiter Jacques Cassard,
bevelhebber van een eskader, vrijheid om zich derwaarts te begeven.

Den 8sten Junij 1712 kwam hij met eenige schepen de rivier Suriname
opvaren. De geestdrift onder de bevolking tot dapperen wederstand
ontwaakte evenzeer als in 1689; men ontving de Franschen dan ook zoo
dapper, dat zij den 14den Junij reeds weder zee moesten kiezen. Dit
was echter slechts als een voorspel.

Den 8sten October van hetzelfde voor de kolonie zoo noodlottige
jaar 1712, kwam Cassard weder, en nu met 8 groote oorlogsschepen,
welke te zamen 336 stukken geschut voerden en 30 kleinere vaartuigen,
waarop 3000 man soldaten, de rivier opvaren.

De 3000 man landingstroepen stonden onder bevel van de heeren de
Gotteville de Belile, de Breteuil, d'Epinoy en de Sorgues. [88]

De Franschen beschoten den volgenden dag Paramaribo; de onzen maakten
zich tot eene hardnekkige verdediging gereed, en de vijand deinsde
schijnbaar af, zich vergenoegende met van tijd tot tijd eenige bommen
in de stad te werpen. Mogt men toen eenige hoop gekoesterd hebben,
dat men van dit lastig bezoek verlost was, weldra bleek het, dat
die hoop ijdel was, daar de Franschen verder de rivier opzeilden en
op verscheidene plantaadjes landden, alwaar men niet in staat was
hun het hoofd te bieden, hoewel er bij menige schermutseling dapper
gestreden werd.

Hierdoor kwam men in moeijelijke omstandigheden; de vijand was weldra
meester van de rivier de Suriname en Para, en verschillende plantaadjes
werden door hen bezet.

Daar de mannen meest allen naar Paramaribo ter verdediging der forten
waren vertrokken, vlugtten de vrouwen en kinderen, zoo uit de stad
als van de plantaadjes met hunne tilbare have door bosschen, kreeken
en moerassen, onder geleide van eenige slaven, onder het uitstaan
van armoede en kommer van de eene plaats naar de andere.

Zoo waren deze vrouwen dan aan de genade van hare slaven overgeleverd;
hoe gemakkelijk zou het dezen geweest zijn, zich over de wreede
behandeling, die zij zoo vaak op last hunner meesteressen ondergingen,
thans op deze hulp- en weêrlooze vrouwen te wreken. Men vindt
hiervan echter in de geschiedenis niets aangeteekend; maar wel,
dat verscheidene dezer slaven van deze gelegenheid gebruik maakten,
om hunne vrijheid te verkrijgen, door in de bosschen te vlugten en
zich bij de andere wegloopers te voegen.

Hetzelfde was het geval met velen van hen, die door hunne meesters,
om ze voor Cassard te verbergen, boschwaarts waren gezonden, maar die
na den aftogt van den vrijbuiter geen lust gevoelden, om zich weder
onder het juk te krommen.

De vijand was weldra zoo goed als meester der kolonie. Alleen de
Pauluskreek was voor zijnen aanval bevrijd gebleven. De heer Simon
van Halewijn had op zijne plantaadje aldaar, het eiland genaamd,
alles tot eene moedige verdediging gereed gemaakt, batterijtjes
doen oprigten en hierop zeven stukken kanon geplaatst, terwijl hij,
behalve zijne gewapende slaven, dertien blanken bij zich vereenigd
had. Dan hetzij Cassard zijn volk wilde sparen en zich toch reeds
genoeg meester zag om de kolonie te kunnen dwingen, hetzij om andere
redenen, de Pauluskreek bleef verschoond.

Cassard had reeds den 11den October 1712 de regering voorgeslagen,
dat men eene brandschatting zou opbrengen en dat hij wenschte hierover
te onderhandelen.

Men had dit toen echter afgeslagen; maar nu de zaken zoo reddeloos
stonden, en hij den 20sten op nieuw eenen brief zond, waarbij hij
brandschatting eischte, met de bedreiging, van anders alle plantaadjes
langs de rivier te zullen plat branden, enz. besloot men om met hem in
onderhandeling te treden, en den 2den October kwam op de plantaadje
Meerzorg, toebehoorende aan den raad van policie P. Amsing, eene
overeenkomst daaromtrent tot stand.

De som, door Cassard geëischt, en waarop niet af te dingen viel,
was groot en bedroeg ruim een derde deel der bezittingen--f 747,350
Surinaamsch of f 682,800 Holl. cour.

De som werd, gelijk uitvoerig bij Hartsinck is opgeteekend, [89]
betaald met slaven, suiker, diverse provisiën aan de vloot geleverd,
kabeltouwen, koperwerk, ketels als anderzins, zilverwerk, gemunt geld
en 22 wisselbrieven à f 37464,16 Holl. Cour. of f 44957,16 pap. geld
op Holland. Alstoen zijn uitgevoerd 734 negerslaven berekend tegen
f 350 de persoon, en tevens vindt men in gezegde rekening nog vermeld
voor f 2300 roode slaven of Indianen.

Daar de Caraïben soms met andere stammen in oorlog leefden, verkochten
zij de buit gemaakte gevangenen als slaven aan de Kolonisten. Bij het
verdrag, onder van Sommelsdijk met hen aangegaan, was dan ook slechts
bepaald, dat de Caraïben, Arawakken en Warauen niet tot slaven mogten
worden gemaakt.

Cassard vertrok den 12den December 1712 uit de kolonie, na de goederen
enz. te hebben overgenomen, waarvoor hij behoorlijk kwitantie passeerde
[90].

Treurig waren de gevolgen van dezen ramp voor Suriname; want daar
de opgebragte som over de inwoners moest verdeeld worden, gaf die
betaling aanleiding tot zeer vele moeijelijkheden en hevige tweespalt
tusschen de ingezetenen en het gouvernement; terwijl hierbij kwam
de vermeerdering van het aantal wegloopers (Marors), hetwelk door
alle schrijvers als het allernoodlottigst gevolg dier gebeurtenis
wordt aangemerkt.

Wij willen in een volgend hoofdstuk hierbij iets langer stilstaan,
alsdan tevens den toestand en den landbouw te dien tijde een weinig
nader beschouwen, benevens de mislukte proeven ter kolonisatie
enz. enz.



DERDE TIJDVAK.

TWEEDE HOOFDSTUK.

    Van den inval van Cassard (1712) tot de optreding van Jan Jacob
    Mauricius als Gouverneur (1742); overzigt van den landbouw te
    dien tijde, proeven van kolonisatie, enz.


Den 6den December 1712, des avonds ten zeven ure, vertrokken de twee
Fransche commissarissen le Vasseur en Seraphin van Paramaribo, en met
hen de heer Elias Chaine, die als gijzelaar voor de voldoening der
wisselbrieven medeging; en bij het krieken van den volgenden morgen
zeilde de heer Cassard met zijne vloot de rivier uit. [91]

Haalde men nu in Suriname ruimer adem toen de Franschen vertrokken
waren, de droevige gevolgen dier geduchte brandschatting deden zich
weldra gevoelen.

Een der droevigsten was de tweespalt, die er tusschen de eigenaars, »de
geoctroijeerde Sociëteit van Suriname" en de kolonisten, en tusschen
dezen onderling weldra uitbrak over de betaling dier brandschatting
en over die van den met volle regt, ernstig geëischten bouw der
verdedigingswerken, enz. enz.

Toen men in den nood zat en goede raad duur was, hadden de meesten
der opgeroepen burgers, op het voorstel van den gouverneur wegens
de te betalene brandschatting geantwoord, dat zij bereid waren
hiertoe de gevraagde opofferingen te doen; sommigen zelfs lieten
de bepaling hiervan geheel aan den gouverneur en raden over. [92]
Toen de Fransche commissarissen te Paramaribo kwamen, om het een en
ander nader te regelen, werden de heeren Cornelis Denys en Daniel
Pichot gecommitteerd om deze zaken in orde te brengen; men ging bij
de burgers rond, nam de goederen op, teekende de prijzen aan, gelijk
ook de voorhanden zijnde suiker, en alles werd van tijd tot tijd aan
de Fransche schepen verzonden. [93] Tegen dit alles was geen verzet
geweest,--maar, nadat de vijand de kolonie had verlaten, en nu ieders
in de brandschatting te dragen aandeel moest worden bepaald, toen
eerst kwamen de moeijelijkheden, toen barstte het algemeen misnoegen
los, toen ontstond er wrevel en brak het hevigste vuur der tweedragt
uit. [94]

Bij placaat, in Januarij 1713 door gouverneur en raden uitgevaardigd,
werd bevolen, dat er een inventaris van ieders bezitting zou worden
opgemaakt, ten einde hierdoor in staat te worden gesteld, om eene
behoorlijke regeling van ieders te betalene bijdragen te maken.

Hoewel reeds bij deze inventarisering veel onwil en misnoegen bij de
kolonisten gezien werd, kwam zij echter tot stand, en nu werd de omslag
tot bestrijding van de kosten der brandschatting op 8 à 10 pCt. op
het kapitaal der ingezetenen bepaald, en dien overeenkomstig eene
belasting uitgeschreven. Nu namen de ontevredenheid en het misnoegen
in hevigheid toe.

Sommige kolonisten zelfs beschouwden zich als onverpligt tot het
betalen der belasting; zij vermeenden dat de eigenaars, de directeurs
en de geoctroijeerde sociëteit van Suriname dien last dragen moesten,
omdat deze niet behoorlijk voor verdedigingswerken gezorgd hadden,
waartoe zij toch, volgens hun oordeel, bij het octrooi verpligt en
daarenboven herhaaldelijk aangemaand waren.

Tot staving van hun oordeel voerden zij de omstandigheid aan,
dat o. a. reeds bij den eersten aanval van Cassard in Junij 1712,
de burgerofficiers, daartoe door de ingezetenen gevolmagtigd, zich
bij eene breedvoerige missive tot de Staten-Generaal gewend hadden,
waarin zij, na eerst een omstandig verhaal van het voorgevallene bij
den eersten aanval van Cassard gegeven te hebben, H. H. Mog. wezen
op de belangrijkheid der kolonie en op het voordeel, dat Nederland
er van trok, en daarna hunne klagten inbragten over het verzuim der
Sociëteit van niet voor genoegzame verdedigingswerken te hebben
gezorgd; over de onbillijkheid, dat de kolonisten bezwaard waren
geworden om bouwstoffen te leveren en slaven af te staan, om het
bestaande ten minste nog in tamelijk goeden staat te houden.

In die missive beklaagden zij zich niet slechts, dat de bescherming
der Kolonie verwaarloosd werd, zij beklaagden zich ook, dat er
willekeurige belastingen, in strijd met het octrooi, werden geheven;
zij beklaagden zich over de Sociëteit, over den gouverneur, over de
raden van policie en eindelijk ook nog over de West-Indische Compagnie,
omdat deze voor geen genoegzamen aanvoer van slaven had gezorgd. Na al
deze gegronde en ongegronde klagten hielden zij bij H. H. Mog. aan,
en verzochten om redres, teruggave van de, volgens hunne meening, te
veel betaalde gelden, en nu verbeidde men in Suriname met ongeduld
de uitwerking van dit klaagschrift. De directeurs der Sociëteit,
toen hun deze stap der burgerofficiers bekend werd, zaten mede niet
stil, maar leverden op hunne beurt eene uitvoerige wederlegging dier
klagten bij de Staten-Generaal in.

H. H. Mog. benoemden daarop eene commissie uit de Gedeputeerden van
de Provinciën Holland en West-Friesland, om alles nader te onderzoeken
en hen van advies te dienen.

De einduitslag hiervan was, dat de directeuren der sociëteit in het
gelijk werden gesteld, en bij resolutie van 28 Julij 1713 werd door
de Staten-Generaal eene aanschrijving naar den gouverneur en raden
van policie in de kolonie uitgevaardigd, waarin de ontevredenheid
over dezen stap den burgerofficiers werd te kennen gegeven,
wordende hun tevens bevolen zich voortaan van het beleggen en
bijwonen van afzonderlijke vergaderingen te onthouden, en hun
gelast de verschuldigde belastingen te betalen en zich aan den
gouverneur en de raden te onderwerpen, hunne orders op te volgen,
enz. enz. Zoo iets had men in Suriname niet verwacht--men had de
hoop gekoesterd, dat zoo niet alle, ten minste eenige der klagten
zouden gehoord en naar billijkheid daarin zou voorzien geworden
zijn--en nu ontving men dergelijk antwoord! De ontevredenheid onder
de kolonisten vermeerderde--er was nieuwe stof hiervoor--het onheil
dat bij de missive der burgerofficiers als mogelijk was voorgesteld,
was werkelijk gekomen, de kolonie, niet behoorlijk beschermd, was ten
prooi geweest aan de roofzucht van den Franschen vrijbuiter--en in
plaats van de bekomene orders op te volgen, vergaderde men op nieuw,
en herhaalde de door de burgerofficiers in naam der burgers ingeleverde
klagten, en behalve de reeds vroeger gedane eischen verlangde men nu
ook vergoeding voor alle onkosten en schade, die men door den inval
van Cassard geleden had en de teruggave der gelden, die men hem had
moeten opbrengen, enz.

De directeuren bragten daarentegen hunne verdediging in en de
Staten-Generaal beslisten weder in hun voordeel; zij oordeelden dat
men de directeurs onregtvaardig beschuldigd had en deze dus tot geene
teruggave als anderszins verpligt konden worden. [95]

Weldra, den 28sten December 1713, volgde er eene tweede aanschrijving
van H. H. Mog. aan den gouverneur en de raden, om de ingezetenen
van Suriname op nieuw te vermanen, zich stiptelijk naar de vroegere
bevelen te gedragen en hun te bevelen om de achterstallige schuld
aan de Sociëteit, zoo wegens hoofdgelden, als wegens gekochte doch
niet betaalde slaven, van welke betaling men om aangevoerde redenen
ontslagen meende te zijn, te betalen--en wat het belangrijkste punt,
de aanbouw van behoorlijke verdedigingswerken, betrof, hierop werd door
de Staten-Generaal geantwoord, dat zij de belangrijkheid daarvan mede
erkenden, maar dat de kolonisten zich met de directeurs der Sociëteit
moesten trachten te verstaan over de wijze waarop dit zou geschieden,
en met hen en H. H. Mog. in overleg treden over het bedrag van ieders
aandeel tot bestrijding der kosten.

Dat in Suriname bij deze herhaalde teleurstelling de ontevredenheid
tegen het bestuur der sociëteit eer toenam dan verminderde,
behoeft naauwelijks gemeld te worden; men onderwierp zich, doch met
onwil; wrevel vervulde de gemoederen, en gedurig zien wij hiervan
onderscheidene blijken in den loop der geschiedenis.

Het gezamenlijk belang, dat èn de eigenaars van Suriname,
vertegenwoordigd door de directeurs der geoctroijeerde sociëteit,
èn de kolonisten in den bloei en welvaart der volkplanting hadden,
moest hen vereenigd hebben, moest hen de handen hebben doen ineenslaan,
om met vereende krachten maatregelen te verordenen en uit te voeren,
die ten goede der kolonie konden verstrekken. Maar er ontstond nu
eene breuke, die moeijelijk kon geheeld worden; een ieder dacht meer
om zijn eigen dan om het algemeen belang; de een vertrouwde den ander
niet, en ieder trachtte op zijne beurt het meest mogelijke voordeel
van den andere te verwerven, en zelf het minst mogelijke te betalen.

Dat deze staat van zaken ongunstig werkte, dat hierdoor veel verzuimd
werd, dat het welzijn van Suriname had kunnen bevorderen, ligt in
den aard der zaak.

Zoo verliepen er dan ook verscheidene jaren eer men tot dien zoo
dringend noodzakelijk geachten bouw van de verdedigingswerken overging.

In de kolonie wilde men zich niet uitlaten hoeveel men daartoe zou
willen bijdragen; de directeurs der sociëteit wachtten hierop een
geruimen tijd; eindelijk, na ernstige overweging, besloten zij den
eersten stap te doen, en daar zij vreesden, dat door over en weder
schrijven de gelegenheid zou voorbijgaan om nog bij tijds de kolonie
in behoorlijken staat van tegenweer te brengen, en zij alzoo bij den
eersten den besten vijandelijken aanval niet slechts groot gevaar
loopen, maar misschien geheel geruïneerd zouden worden,--zonden,
om dit te voorkomen, de directeurs dan op hunne kosten den Ingenieur
Draak uit Nederland naar Suriname, om alles naauwkeurig op te nemen,
en de directeurs daarna in te lichten, welke fortificatiën tot eene
goede verdediging der kolonie werden vereischt.

Hij volbragt zijnen last, en vervolgens werd door hem, in overleg
met den directeur-generaal des Rosques, het plan tot verbetering der
oude en het aanleggen van nieuwe fortificatiën gemaakt, en de kosten
hiervan begroot op ongeveer f 800,000.--

Na vele en velerlei bijeenkomsten tusschen directeuren van de
sociëteit en gemagtigden der inwoners van de kolonie, werd eindelijk
den 8sten December 1733 eene overeenkomst deswege gesloten, welk
verdrag door eene resolutie der Staten-Generaal van 19 December 1733
werd goedgekeurd en bekrachtigd.

De directeurs verbonden zich om bekwame werklieden en bouwstoffen te
zenden; de kolonisten om zorg te dragen, dat er steeds een genoegzaam
aantal slaven voor alle verdere diensten aanwezig waren. De directeurs
zouden zeven jaren lang, in welk tijdsverloop alles moest voltooid
zijn, ieder jaar f 20,000 voor hun aandeel in de kosten storten,
de kolonisten jaarlijks f 60,000 [96].

Als hoofd-verdedigingswerk besloot men tot den aanleg van een
regelmatig fort, dat »Nieuw Amsterdam" zou worden genaamd.

Verscheidene ingenieurs kwamen daartoe uit Nederland, en daar de
voordeelige ligging van het fort als hoofdzaak werd beschouwd,
getroostte men zich de moeite en kosten om het op eene modderbank,
toen Tijgershol genaamd, te bouwen. [97] De eerste steen werd in 1734
gelegd en het fort in 1747, dus dertien jaren daarna, voltooid. De
plannen van dit fort waren, gelijk wij reeds vroeger gemeld hebben,
gemaakt door den ingenieur Draak, terwijl de uitvoering werd opgedragen
aan den ingenieur Pierre Dominique des Marets.

Het ligt op een hoek, waar de rivieren de Suriname en de Commewijne
hare wateren in de zee storten en beschermt alzoo den ingang van beide
rivieren, terwijl eene wijd uitgestrekte modderbank de nadering der
werken door vijandelijke vaartuigen belet.

Het fort, dat ongeveer 3/4 uur in den omtrek heeft, vormt een
regelmatigen vijfhoek, en wordt door breede watergrachten omringd;
de vijf bolwerken zijn met geschut beplant, terwijl een bedekte weg
naar drie wapenplaatsen leidt, waarvan twee de rivier de Suriname
en een de rivier de Commewijne bestrijken; de aarden borstwering
rust op een wal van rotssteen onder water, om het wegzakken te
voorkomen. Binnen in het fort vindt men de officierswoningen, de
kasernen der soldaten, eene smederij, eene timmermanswerkplaats,
magazijnen voor kruid en levensmiddelen, een wind-korenmolen en een
regenbak voor meer dan duizend ton water. Midden door het fort loopt
een weg, aan weêrszijden met oranjeboomen beplant, die over een brug
over de gracht naar kostgronden en eene landingsplaats voert, die
door een gegraven kanaal, dat in eene kreek uitwatert, de gemeenschap
met het overige gedeelte der kolonie blijft openhouden, al waren die
langs de rivieren door eene vijandelijke magt gestremd.

Deze vesting, de sleutel der kolonie, gebouwd op een zeer lagen
moerassigen grond, strekt den ontwerpers en uitvoerders tot eer, en
staat daar in het verre westen als een blijk van hetgeen Nederlandsche
volharding in dien tijd vermogt.

Tot eere van Nederland zeiden wij, en wij zeiden niet te veel, want
indien men de moeijelijkheden en bezwaren nagaat, met welken men
bij dezen bouw te kampen had, dan moet men de volharding, die tot
den aanleg eener dergelijke vesting op eene modderbank noodig was,
bewonderen.

De grond, waarop men bouwde, het voor den Europeaan afmattend klimaat,
waren reeds bezwaren, die niet ligt te achten zijn, en dan nog kwamen
hierbij de twisten en verschillen tusschen de directeurs der sociëteit
en de kolonisten over de huur en het aantal der voor het werk te
leveren slaven, waardoor de moeijelijkheden zeer vermenigvuldigd
werden.

De tusschenkomst der Staten-Generaal werd ter vereffening
dezer verschillen ingeroepen; na veel over en weder schrijven,
na verscheidene bijeenkomsten en onderhandelingen, werd door den
gouverneur voor de sociëteit en door de raden van policie voor de
ingezetenen, onder goedkeuring van H. H. Mog., den 6den Maart 1748
eene verbindtenis aangegaan, waarbij deze zaken wel voor het oogenblik
geregeld werden, doch waardoor de ontevredenheid en de wrevel, die in
Suriname heerschten, echter niet werden weggenomen. De reeds vroeger
genoemde grieven der kolonisten tegen het bestuur over het betalen
der brandschatting van Cassard enz. enz., werden gedurig opgehaald
en vonden gestadig nieuw voedsel. De bouw van het fort Amsterdam
droeg hiertoe mede veel bij, en was eene vruchtbare bron van nieuwe
moeijelijkheden geweest.

De onwil en wrevel van Suriname's ingezetenen jegens de sociëteit,
openbaarden zich voornamelijk door tegenwerking van die gouverneurs,
van welke men vermeende, dat zij de belangen der sociëteit hooger
stelden dan die der inwoners. Men nam meermalen tegen hen eene
vijandelijke houding aan en belemmerde hierdoor vaak datgene, wat
door onderlinge zamenwerking tot heil van Suriname had kunnen strekken.

Had men in Suriname ook al gegronde redenen tot klagen, men handelde
echter onbillijk, daar men geheel uit het oog verloor, dat Suriname een
conquest (wingewest) van Nederland was, en dat dus zelfs de gunstige
bepalingen van het octrooi niet zoo zeer het voordeel der volkplanters,
dan dat van de ingezetenen van Nederland ten doel had [98]; en dat de
gouverneur, als door de sociëteit aangestelde ambtenaar, zich in de
eerste plaats als haar dienaar moest beschouwen, en dien overeenkomstig
te werk gaan.

Steeds levert tweedragt wrange vruchten op; steeds sleept onderlinge
verdeeldheid droevige gevolgen na zich.

In de geschiedenis van Suriname ziet men gedurig de waarheid hiervan
bevestigd.

Verscheidene pogingen tot verzoening, door verschillende gouverneurs
aangewend, baatten niet, en in plaats van medewerking werd de meeste
tegenstand gevonden juist in den boezem van het voornaamste collegie,
dat geroepen was om met den gouverneur de belangen der kolonie te
behartigen, namelijk bij het hof van policie. De leden hiervan,
uit de rijkste en aanzienlijkste ingezetenen der volkplanting
gekozen, behoorden alzoo tot hen, die de meeste belastingen moesten
opbrengen. Terwijl zij zich meermalen op allerlei wijze aan die
betaling trachtten te onttrekken, namen zij tevens den schijn aan
van warme voorstanders van de belangen der ingezetenen te zijn [99].

Waren er alzoo steeds vele ontevredenen in Suriname, soms vereenigden
zij zich en vormden zich als eene partij, die openlijk tegen den
gouverneur optrad, gelijk dit voornamelijk onder het bestuur van
Mauricius geschiedde, waarvan wij ter gelegener tijd nader spreken
zullen.

Gedurende het tijdsverloop van 1712, in welk jaar de inval van Cassard
plaats vond en 1747, wanneer de bouw van het tegen buitenlandsche
vijanden zoo uitnemend geschikte fort »Nieuw-Amsterdam" voltooid
werd, was er eene reeks van gouverneurs en tusschen-besturen, en het
korte tijdsbestek van ieders beheer was mede oorzaak, dat er weinig
belangrijks door hen kon worden verrigt.

Men vindt in de geschiedenis hiervan dan ook bijna niets aangeteekend.

Eene chronologische tafel der verschillende gouverneurs in het werk
van Sypesteyn en eenige hier en daar verspreide aanteekeningen zijn
de voornaamste bronnen, waaruit wij het volgende ontleenen:

Gouverneur Johan de Goyer, die den 19den Januarij 1707 het bestuur
had aanvaard, en gedurende welks bewind zulke treurige gebeurtenissen
waren voorgevallen, overleed den 28sten Julij 1715 en werd den eersten
Augustus met veel plegtigheid in het fort »Zeelandia" begraven,
volgens Herlein »tot groote droefenis der gemeente" [100]. In de
Notulen der zittingen van het hof van policie vindt men gedurig gewag
gemaakt van togten tegen weggeloopen slaven; de Journalen des wegens
deelen feiten mede waar door men met verontwaardiging bezield wordt,
zie volg. hoofdst.

Als tusschenbestuurders traden op François Anthony de Rayneval,
commandeur met twee raden van policie, totdat Johan Mahory, den 22sten
Januarij 1716 definitief als gouverneur benoemd, deze betrekking
aanvaardde; doch reeds in het volgende jaar 1717, den 4den October,
overleed; waarna het reeds vroeger, als zoodanig in functie geweest
zijnde tusschenbestuur volgde; den 15den November 1717 werd Jean
Contier tot gouverneur aangesteld, doch nam eerst den 2den Maart 1718
het bestuur op zich.

Het wegloopen der slaven schijnt toen reeds zorgwekkend te zijn
geworden, daar wij lezen, dat Contier kort na de aanvaarding van zijn
bestuur (den 21sten Julij 1718) de straf des doods hierop stelde [101].

Deze geweldige maatregel bragt eerder verbittering dan verbetering
te weeg, het gewone gevolg van gewelddadige maatregelen. Contier
verwisselde reeds den 2den September 1721 het tijdelijke met het
eeuwige; F. A. de Rayneval nam met P. Lemmers en A. Wiltens weder zoo
lang het bestuur op zich, tot dat Mr. Hendrik Temminck den eersten
Maart 1722 gouverneur werd.

Ruim vijf jaren duurde deze regering; de strooptogten der weggeloopen
slaven vermenigvuldigden; zelfs werd door hen eene plantaadje aan
de Commewijne niet slechts geplunderd, maar ook de slaven hiervan
medegenomen en naar de bosschen gevoerd [102].

Temminck overleed te Paramaribo den 17den September 1727.

Nog eenmaal, en dus nu voor de 5de keer, vervulde de heer de Rayneval
met twee raden van policie de betrekking van gouverneur ad interim,
waarna Mr. Karel Emilius Henry de Cheusses den 9den November 1728 de
teugels van het bestuur uit zijne handen overnam.

De in de bosschen gevlugte slaven verontrustten steeds meer en meer de
kolonie; zij verwoestten verscheidene plantaadjes in Para, in Tempaty
en Peninica, en ontzagen zich zelfs niet, om de plantaadje Berg en Dal,
toebehoorende aan den gouverneur, aan te vallen [103].

De Cheusses liet in 1730 het kleine en geheel van hout gebouwde
gouvernementshuis vergrooten en van steen opbouwen. Gedurende zijn
bestuur werden door uit Nederland gezondene ingenieurs de noodige
opmetingen gedaan, en het plan gevormd en gearresteerd tot het
daarstellen van het fort »Nieuw-Amsterdam."--Hij mogt echter den
aanvang van dit belangrijke werk niet beleven, daar hij den 26sten
Januarij 1734 te Paramaribo den laatsten adem uitblies. De commandeur
Johan François Cornelis de Vries nam nu met twee raden van policie het
bestuur der kolonie op zich en werd hiervan afgelost door de optreding
van Jacob Alexander Henry de Cheusses, op den 11den December 1734;
diens gouvernement was echter van zeer korten duur, daar hij 46 dagen
later, den 26sten Januarij 1735 overleed.

J. F. C. de Vries aanvaardde met twee raden van policie weder het
bestuur, a. i., maar toen na zijnen dood, den 4den Maart 1735,
de raden van policie dit alleen wilden waarnemen, kwamen zij
hierover in verschil met den kapitein Pieter Bley, die hiertegen
een protest inzond, waarbij hij zich grondde op de resolutie
van de directeuren der sociëteit van den 23sten Februarij 1733,
waarin onderscheidene bepalingen over de opvolging in het bestuur
a. i. genomen waren, waartoe mede behoorde, »dat het gouvernement
zou worden waargenomen door den commandeur en bij diens afsterven
door den oudsten hoofdofficier van het garnizoen, tot luitenant toe
enz.; voorts »dat aan den commandeur, gedurende het interim alle eer,
eenen gouverneur verschuldigd, moest worden bewezen." Dit protest werd
in de vergadering van den 11den Maart behandeld en daarop besloten,
den kapitein Bley kennis te geven, dat men aan zijne reclame geen
gevolg gaf, maar de directeuren daarover zou schrijven.

Bley schijnt hiermede genoegen te hebben genomen, terwijl de raden
van policie, onder het voorzitterschap van Gerrit Pater, het bestuur
bleven waarnemen tot 22 December 1735, wanneer Mr. Joan Raye, die
den 6den Julij tot gouverneur benoemd was, te Paramaribo aankwam. [104]

Tegelijk met Raye was in Nederland Gerard van de Schepper tot
commandeur benoemd, en bij geheimen lastbrief was, om verdere
onaangenaamheden bij het overlijden van den gouverneur te voorkomen,
bepaald, dat hij in dat geval als waarnemend gouverneur zou
optreden. [105]

Tijdens het bestuur van Raye wendden de raden van policie zich reeds
tot de Staten-Generaal, om te klagen »over de despotique conduiten van
den nieuwen gouverneur Raye," een man die ieders hoogachting genoot,
als welverdiende hulde voor zijne algemeene erkende kunde en braafheid.

Raye vroeg reeds in 1737 zijn ontslag, doch overleed voor de aankomst
van hetzelve den 11den Augustus 1737 te Paramaribo.

Gerard van de Schepper volgde hem nog dienzelfden dag als waarnemend
gouverneur op. Nadat hij twee maanden rustig en in de beste
verstandhouding met het hof van policie de kolonie had bestuurd,
ondervond hij tegenkanting, en wel nu van de raden van het hof van
civiele justitie, die weigerden, om hem als hun voorzitter toe te
laten; waarop van de Schepper, bij eene notificatie op den eersten
November 1737, openlijk protesteerde tegen alle vergaderingen van het
hof, die buiten zijn presidium zouden worden gehouden, en verklaarde
reeds bij voorraad al de vonnissen, die in deze vergaderingen zouden
worden uitgesproken, voor onwettig en zonder waarde.

Hierover werden verscheidene discussiën gevoerd en nota's gewisseld;
de raden erkenden, dat, volgens de resolutie der sociëteit van 23
Feb. 1737, den waarnemenden gouverneur het regt van presidium in
hun collegie toekwam, maar beweerden daarentegen, dat deze resolutie
in strijd was met het octrooi, artikel 23 en 24. Onder dit protest
verklaarden zij zich bereid van de Schepper als hunnen voorzitter
toe te laten, totdat daarover verder zou zijn beslist. Weldra kwam
de tijding zijner benoeming als wezenlijk gouverneur, en wel voor
het eerst onder de benaming van gouverneur-generaal, in Suriname aan,
en werd Gerard van de Schepper als zoodanig op den eersten April 1738
plegtig ingehuldigd. [106]

Tegen het bestuur van Gerard van de Schepper kwamen spoedig vele
klagten over misbruik van gezag bij de sociëteit in. Van de Schepper
schijnt er niet tegen opgezien te hebben om zijn gezag door krachtige
maatregelen te handhaven, waardoor men de vele klagten begrijpen kan;
het is hem echter moeijelijk geweest zich omtrent al de tegen hem
ingebragte beschuldigingen volkomen te zuiveren, ten minste directeuren
besloten hem te doen vervangen, en hij werd ontslagen en droeg den
17den October 1742 het bestuur over aan Mr. Joan Jacob Mauricius,
die twee dagen te voren in de kolonie was gekomen, en door van de
Schepper op de meest vriendschappelijke wijze was ontvangen.

In een tijdvak van 30 jaren waren alzoo negen verschillende gouverneurs
aan het bewind geweest, terwijl tusschen het overlijden en weder
aanstellen van anderen, de commandeurs en raden van policie het
beheer hadden gevoerd, waarover menigmaal verschil ontstond, gelijk
wij reeds kortelijk aangemerkt hebben, zoodat het niemand verwonderen
kan, dat gedurende dien tijd de toestand van het inwendig bestuur
aan geregelde orde veel te wenschen overliet.

Behalve de reeds genoemde oorzaken van wrevel en misnoegen der
kolonisten tegen de sociëteit en de door haar aangestelde gouverneurs,
kwam er weldra onder het bestuur van Mauricius nog eene andere,
namelijk: verschil van opinie over de wijze van oorlog voeren en vrede
maken met de weggeloopen slaven. Daar wij in het volgende hoofdstuk
ons meer bepaaldelijk wenschen bezig te houden met de beschouwing
van den toestand der slavenbevolking en alsdan meer geregeld die
ontstane verwikkelingen kunnen mededeelen, zoo willen wij dit nu
laten rusten en in dit hoofdstuk een kort overzigt van den landbouw
te dien tijde geven.

De blanke bevolking was in den loop der tijden vermeerderd; reeds
onder van Sommelsdijk waren, behalve verscheidene Nederlanders,
een goed getal Fransche vlugtelingen, om der godsdienst wille naar
Suriname geweken; verscheidene Duitschers hadden zich mede in de
volkplanting nedergezet.

Het hoofdbestaan der inwoners was de landbouw, en wel voornamelijk de
suikercultuur; deze was langen tijd bijna de eenigste geweest; van
de ruim 400 plantaadjes, in 1730 in cultuur, waren verre de meesten
voor de suikercultuur ingerigt; men begon zich nu echter ook op het
teelen van koffij toe te leggen.

De gouverneur-generaal van Neêrlands-Indië H. Zwaardekroon, had
in 1718 de eerste koffij van Mocka op Java overgebragt, en eenige
planten werden door de zorg van den burgemeester Nicolaas Witsen,
in den kruidtuin te Amsterdam aangekweekt. Vrij zeker is het, dat
in Suriname zekere zilversmid, genaamd Hansbach, van geboorte een
Duitscher, de eerste proeven hiermede heeft genomen; sommigen zeggen,
dat er eenige planten uit den Hortus Medicus van Amsterdam aan den
gouverneur waren gezonden, die eenige boontjes hadden uitgeleverd,
welke gemelde Hansbach had weten tot zich te nemen; hij daarentegen gaf
voor, dat hij uit eenige ponden Oostindische koffij (die aldaar uit
Holland voor negotie, even als de thee, gezonden werd en toen aldaar
vijf à zes gulden het pond kostte) eenige boontjes had gevonden,
die hem voorkwamen nog een weinig sap te hebben; dat hij als een
liefhebber der chemie, eene soort van aarde wist te bereiden, zoo
krachtig, dat die de minste teelsappen in beweging moest brengen;
dat hij daardoor een of meerdere van die boontjes aan het groeijen
had gekregen, en eindelijk daarvan vruchten had bekomen, waarmede hij
verder die plant had aangekweekt. Zeker is het dat hij de eerste is
geweest, die de koffijboompjes in manden heeft geteeld, hoewel hij
er echter weinig voordeel van heeft gehad.

De heer Stephanus Laurentius de Neale heeft hiervan beter partij
getrokken; deze zocht Hansbach zoo door drank, waaraan hij zeer
verslaafd was, als door andere geschenken, eenige boontjes af te
troonen, en nu werd door hem op zijne plantaadje »Nieuw-Levant" de
eerste koffij aangeplant. Daar hij gelukkig hierin slaagde, bekwam
hij daardoor een groot fortuin, en werd hij weldra door anderen hierin
gevolgd; de aanplanting werd algemeen en dit voortbrengsel droeg veel
tot Suriname's latere welvaart en bloei bij [107].

In 1724 werd de eerste koffij van Suriname te Amsterdam aangebragt.

Vele suikerplantaadjes werden opgebroken om zich op het bouwen der
koffij toe te leggen; mede liet men hiervoor nu de indigo-teelt varen,
die echter reeds sedert het jaar 1708 in de kolonie gekweekt was,
en waarvan de opbrengst niet zoo geheel onbelangrijk was, daar men
van 1710 tot 1722 van 150 pond tot 1328 toe had uitgevoerd [108].

Later in 1764 heeft de heer ontvanger Gever en een Fransch officier
Destrades, die te St. Domingo geweest was, hernieuwde proeven met
de indigo-cultuur genomen, die niet slecht uitvielen, hoewel men er
echter daarna niet veel meer gewag van gemaakt vindt.

Het planten van tabak, reeds door de eerste volkplanters beproefd,
had men in 1706 op nieuw begonnen, en jaarlijks werd er eene genoegzame
hoeveelheid uitgevoerd om tot proeven te verstrekken; zijnde er zelfs
in 1749 30,000 pond naar Holland verzonden; eindelijk is deze teelt
geheel vervallen [109].

De roucou, eene roode verwstof, werd op eenige kleine landwoningen
geteeld; men zamelde daarvan 100 tot 7000 pond in, die men naar
Holland verzond. Carel Willem Cloege, omstreeks 1735 overleden,
was de laatste, die dit product ter verzending (boven in Cottica)
cultiveerde; daarna kweekte men hetzelve meer voor eene aardigheid
dan als handelsartikel; later is dit geheel vervallen [110].

Hoewel de cacao reeds in 1706 was geplant geworden, gelijk de
schrijvers der historische proeve vermelden, schijnt dit echter van
weinig belang te zijn geweest, daar volgens Hartsinck eerst in 1733
cacao van uit Suriname naar Amsterdam verzonden is. De belangrijkheid
van de cacao-plant werd evenwel reeds vroeger erkend, daar den
gouverneur Contier in 1721 een fraai rijpaard ten geschenke werd
aangeboden voor de verzending der eerste cacao-plant naar Berbice
[111].

Ook met de katoenteelt had men vroeger wel eenige proeven genomen,
doch was hierin niet zeer gelukkig geslaagd; in 1735 werd het eerste
katoen naar Amsterdam verzonden.

Men verkeerde steeds in het denkbeeld, dat het katoen minder geschikt
was voor de veengronden; doch dit denkbeeld bleek later eene dwaling
te zijn geweest.

In 1752 werd door den raadsheer Johan Felix deswege eene nieuwe
proef genomen; hij had een stuk gebrand of Biribiri land aan de
Metappicakreek in aankweeking genomen, doch toen de koffij, die
hij aldaar geplant had, niet goed wilde tieren, besloot hij op die
schrale plaatsen katoen tusschen de koffij te planten, hetgeen zoo
goed slaagde, dat men in het volgende jaar reeds drie à vier duizend
pond kon inschepen, en in het vierde jaar achttien à twintig duizend
pond, behalve veertig à vijftig duizend pond koffij. Dit voorbeeld
werd weldra door de in zijne nabijheid wonende planters en later ook
door anderen in de kolonie met goede uitkomsten gevolgd. [112]

Nog tegenwoordig zijn het de kustlanden, bijzonder de genoemde
Metappicakreek en de nieuwe kolonie, of het Nickerie-district, waar
men de meeste katoenplantaadjes vindt.

Behalve de vrij aanzienlijke houtplantaadjes of liever vellingen, van
welke het daarop verkregen hout minder uitgevoerd dan tot binnenlandsch
gebruik aangewend werd, en de reeds vroeger genoemde voortbrengsels,
lieten de oude bewoners der kolonie hunne bespiegelingen ook gaan
over andere producten, voor den handel geschikt; zoo trokken zij
o. a. ruwe was uit de nesten, die de wilde bijen op de boomen der
onmetelijke bosschen van het hoog gelegen gedeelte der kolonie
maakten. Men had alzoo hier even als van andere voortbrengselen der
zoo rijke en weelderige natuur van Suriname meer voordeel kunnen
trekken, dan men werkelijk deed, doch het gebrek aan werkende handen
en de begeerte van dadelijke winst verlamde de pogingen, en spoedig
werden dergelijke liefhebberijen, gelijk men dit in de kolonie noemde,
nagelaten, voor den degelijker arbeid der stapelproducten.

Zoo waren er ook in vroegeren tijd in Suriname verscheidene
steenbakkerijen; daar vele planters voor het aanleggen der watermolens
en andere gebouwen niet slechts het hout lieten kappen en zagen en
gereed maken, maar ook daar hiertoe vele steenen noodig waren, deze
zoo onontbeerlijke bouwmaterialen zelven vervaardigden.

In Para en elders waren goede steenbakkerijen; op verscheidene plaatsen
in de kolonie werd goede klei en zand gevonden; overvloed van brandhout
en zoet water voor de deur. Met een paar blanken als opzigters kon men
zeer goed de slaven voor dezen arbeid bezigen; niettegenstaande al deze
genoemde voordeelen liet men de steenbakkerijen vervallen en de steen
uit Holland komen, hetgeen natuurlijk meer kosten veroorzaakte [113].

Om de blanke bevolking in de kolonie te vermeerderen, had men reeds in
1692 voorgeslagen eenige Paltzische familiën derwaarts over te voeren;
hetwelk echter bij dien voorslag gebleven is [114].

Men riep in die tijden kolonisten van allerlei landaard voor
Suriname op.

De vrome Spangenberg, een der eerste Bisschoppen der Moravische
Broedergemeente, een waardig medestander van den edelen graaf von
Zinzendorf, vertoefde op zijne doorreize naar Engeland in 1734 eenigen
tijd te Amsterdam.

Hier werd hem die oproeping bekend; de lust en de begeerte der
herstelde Broedergemeente was opgewekt geworden om naar vreemde landen
te trekken; niet echter met het doel om zich te voeden en te verrijken
ten koste van het zweet en bloed der Heidenen, maar om dezen rijk te
maken door de verkondiging van de blijde boodschap der genade in het
bloed van den gekruisten Christus.

Spangenberg won bij de directie der »geoctroijeerde sociëteit van
Suriname" de noodige inlichtingen daarover in, en reeds in het volgende
jaar, 1735, werden drie broeders tot eene verkenningsreis afgezonden,
en in 1739 vestigden zij zich in de kolonie.

De komst dier broeders, door hunne tijdgenooten naauwelijks of
ook zoo al, dan met zekeren wrevel, opgemerkt, mogen wij wel als
de gelukkigste gebeurtenis, als eene der belangrijkste feiten in
Suriname's geschiedenis beschouwen.

Wij stippen die nu slechts aan, om later, gelijk wij in onze inleiding
beloofd hebben, uitvoerig te gewagen van hunnen arbeid en hunnen
strijd, maar ook van den zegen, dien de Heer hun schonk op hun
volhardend en ijverig pogen om der Heidenen heil te bevorderen.

Zij vestigden zich eerst in de stad, later rigtten zij zendingsposten
onder de Indianen, daarna onder de boschnegers op; eindelijk werd
het hun vergund ook den slaven vrede door het bloed des kruises
te verkondigen.

Sedert de vruchtelooze pogingen der Spanjaarden en Portugezen om goud
in Suriname te vinden; sedert het gebleken was, dat de grootsche
denkbeelden daarover van den Engelschen avonturier Walter Raleigh
ijdel waren; sedert dat de, op bevel van van Sommelsdijk en eerst
na zijnen dood teruggekomen, tot het opsporen van het goudrijke
(?) meer van Parima uitgezondene officieren en soldaten de onwaarheid
dier velerlei sprookjes van Eldorado enz. op nieuw bevestigd hadden,
sedert had men er van afgezien om zoo diep in de aarde te wroeten ten
einde schatten te ontdekken; men behoefde immers den bodem slechts
eenige voeten om te werpen en er vervolgens het zaad in te strooijen
en het welig opschietende suikerriet en de snelgroeijende koffijheester
beloonden beter den arbeid, en het goud, daarvoor in ruiling verkregen,
vloeide ruimschoots in de beursen der volkplanters. Dan in 1742 wilde
men toch nog eens weder beproeven of men het nog niet gemakkelijker
kon bekomen. In genoemd jaar werd door Wilhelm Hack en anderen eene
compagnie opgerigt tot het zoeken naar mineraal, edelgesteenten en
andere kostbare stoffen.

Heeren Directeuren der »geoctroyeerde sociëteit van Suriname"
verleenden hiervoor een octrooi, waarbij het den ondernemers,
bij uitsluiting van anderen, vergund werd, alomme door de gansche
kolonie onderzoek te mogen doen naar goud, zilver, koper, tin, lood,
edelgesteenten en anderen profijt gevende voorwerpen, hoe dezelve
voorkwamen, of ook genaamd mogten zijn, zoo op als onder de aarde
[115].

Hoewel gemeld wordt dat de heeren Hack, wat de onkosten betrof,
wel besloten waren, om deze onderneming voor eigene rekening aan te
vangen, zoo hebben zij, in aanmerking van den naijver, die bij wèl
slagen, daaruit tegen hen kon ontstaan, gewild, dat alle onderdanen
van den Nederlandschen staat hierin aandeel konden verkrijgen, en
mitsdien eene maatschappij of vennootschap opgerigt, onder den naam
van »Geoctroijeerde Surinaamsche Mineraal-compagnie."

Deze was verdeeld in 32 stammen en iedere stam in 4 taxen, alzoo het
geheel in 128 taxen of aandeelen. Ieder aandeel werd bepaald op f 750,
te betalen een derde of f 250 binnen veertien dagen na het tot stand
komen der onderneming; de overige f 500, naar vereischte van zaken,
van tijd tot tijd.

Weldra werden verscheidene mijnwerkers naar Suriname gezonden; de
oorlog was op nieuw aan de ingewanden der aarde verklaard.

Bij den berg Victoria, alwaar hun door de sociëteit, die vijf aandeelen
bij wijze van recognitie verkreeg, een streek lands van tien mijlen
in den omtrek geschonken was, begon men den arbeid, doch met geen
zeer gelukkig gevolg.

Door verzuim van de noodige voorzorgen stortte een gedeelte van het
werk in, en werden veertig menschen onder die instortende massa levend
begraven [116].

Er werd wel eenige erts gevonden en naar Europa verzonden; doch
deze hield naauwelijks zoo veel metaal in, dat de vracht hieruit kon
betaald worden; zoodat deze onderneming evenzeer mislukt is als de
vroegere goudzoekingen.

De mijnwerkers hebben daarop eenige kostgronden en eene houtplantaadje
aangelegd; maar ook dat heeft niet aan de verwachting beantwoord. [117]

In 1747 noodigde men eenige Duitsche landbouwers uit, om zich als
zoodanig naar de kolonie te begeven.

Men beoogde hiermede niet slechts om het aantal blanken te
vermeerderen; maar wenschte tevens hierdoor eene soort van voorpost
tegen de gedurig in hunne aanvallen stouter wordende wegloopers
te vormen.

De uitnoodiging werd door eenige Paltzer boeren aangenomen en zelfs
verlieten een paar Zwitsersche huisgezinnen hunne bergen om hunne
buidels, gelijk zij hoopten, in Suriname te vullen.

Men had hun beloofd overvloed van grond te zullen verleenen, en hun
tevens van bouwgereedschappen en koeijen te voorzien.

De Paltzers en later de Zwitsers kwamen behouden en vol goeden moed
in Suriname aan. Men kon het hun aanzien, dat zij als tot werken
geboren waren; men wees hun meer land aan, dan zij bearbeiden konden;
men verschafte hun beesten en bouwgereedschappen; men hield alzoo
woord jegens hen; maar het land, hetwelk men hun aanwees, lag aan
het zoogenaamde Orangepad, boven Para, in de binnenlanden, een der
ongunstige en onvruchtbaarste streken. Men vermeende hier van afstand
tot afstand posten ter beteugeling der wegloopers en woningen voor
de volksplanters aan te leggen; dan dezen, hoewel zij later zelfs
slaven tot hulp kregen, konden het in dat eenzaam en woest oord
niet uithouden.

Van twee Zwitsersche familiën wordt nog gemeld, dat zij door von
Spörche op een ander gedeelte der kolonie geplaatst, dat hun benevens
de gereedschappen, twee slaven, eene koe en eenige schapen werden
toegevoegd, en dat zij daarop zoo ijverig aan het werk gingen, dat zij
na eenige weken voor omstreeks f 1200 hout naar Paramaribo verzonden.

Werd men door dit goede begin aangemoedigd, die hoop verdween spoedig
in rook, weldra vonden allen zich teleurgesteld; hevige ziekten
braken onder de kolonisten uit; onderlinge twisten belemmerden
gemeenschappelijk overleg; gedurige aanvallen der wegloopers
verontrustten hen en in het zwelgen van drank en het leiden van een
liederlijk leven zochten de meesten een tegengift tegen het heimwee en
die onderscheidene teleurstellingen, en gelijk nu wel te verwachten
was, liep alles te niet en eer vier jaren verstreken waren, was ook
deze proeve van kolonisatie voorbijgegaan [118].

Zoo ging het later met andere proeven ter kolonisatie door vrije
arbeiders in Suriname; waren die elders goed, namen zij elders soms
eene groote vlugt, in Suriname mislukten zij steeds.

In een land, waar het stelsel van slavernij heerscht, is geene plaats
voor de ontwikkeling van vrije landbouw of van industrie.

De door de slavernij vergiftigde zedelijke atmospheer houdt alle
ontwikkeling tegen, doet ze verkwijnen, doet ze sterven.

Wat slavernij is, zullen wij op nieuw in het volgende hoofdstuk zien.



DERDE TIJDVAK.

DERDE HOOFDSTUK.

    Overzigt van den toestand en de behandeling der slaven, van
    den strijd met de wegloopers en van den met hen gesloten vrede
    1761. (63.)


Hebben wij in het tot hiertoe behandelde gedeelte der geschiedenis
eerst een blik geslagen op de oude oorspronkelijke bewoners van
Suriname de Indianen; hebben wij daarna de eerst nuttelooze, doch
telkens herhaald, eindelijk met een goeden uitslag bekroonde pogingen
der Europeanen beschouwd, waar zij trachtten om in dat zoo rijk door
de natuur gezegend land vaster voet te verkrijgen; hebben wij hen
daarna onderling over het bezit, later over het gezag zien strijden;
viel er veel te vermelden, dat ons droefheid baarde, o. a. indien wij
de handelwijze der Europeanen jegens de Indianen en hunne onderlinge
twisten en krakeelen nagingen, aan de andere zijde moesten wij den
ondernemenden geest, den volhardenden ijver bewonderen, waardoor
vroeger de Engelschen, later de Nederlanders zich in dat overzeesche
gewest vestigden, vele hinderpalen uit den weg ruimden en den reeds
zoo vruchtbaren bodem van Suriname door waterleidingen, waterkeeringen
enz., nog vruchtbaarder maakten.

Wij vestigen thans de aandacht op die andere nieuwe bewoners van
Suriname, die niet uit eigen beweging gekomen, maar tegen wil en dank
naar dit oord gebragt waren, namelijk op de negerslaven, welke in
groote menigte over het land verspreid, de in hunne bosschen geweken
Indianen en de zich hier nedergezet hebbende Europeanen in getal
ver overtroffen.

Wij treden nu niet in eene beschrijving van den slavenhandel, noch
in zijn' oorsprong, noch in zijne uitgebreidheid te dier tijd,
maar wij bepalen ons hierbij slechts voor zoover dit regtstreeks
Suriname betreft.

De West-Indische Compagnie, welke den alleenhandel in slaven bij
octrooi had verkregen, was volgens datzelfde octrooi verpligt ten
dienste der kolonie »zwarte slaven of negros" te leveren, ieder jaar
zoodanig aantal, »als aldaar zouden worden gerequireerd."

Bij het octrooi in 1682 werd het getal der door de West-Indische
Compagnie aan te voeren slaven »als aldaar zullen worden gerequireerd"
dus onbepaald gesteld; in 1730, bij vernieuwing van het octrooi,
verbond zij zich jaarlijks minstens 2500 slaven te leveren, en toen
er van 12 Augustus 1731 tot 24 Augustus 1738 door haar slechts 13,012
negerslaven, in plaats van 17,500 en dus 4488 minder dan waartoe zij
zich verbonden had, was aangebragt, werden hierover klagten ingeleverd
en daarop voor rekening der »sociëteit van Suriname" van 1738 tot 1745,
63 schepen naar Guinea gezonden, met commissie om slaven te halen,
en van 1746 tot 1747, 15 schepen tot datzelfde doel [119]. Bij de
vernieuwing van het octrooi der West-Indische Compagnie in 1762 werd
de verbindtenis wegens de levering van slaven bekrachtigd, en tot
de naleving dezer verpligting, blijkens onderscheidene plakkaten,
gedurig aangedrongen.--Rapport, Staats-com. bladz. 9 enz.

Welk een aantal slaven zijn alzoo gedurende het bestaan der kolonie
aldaar aangevoerd! Om de kleine planters in de gelegenheid te stellen,
om toch de hun zoo noodzakelijke slaven te verkrijgen, was de
West-Indische Compagnie verpligt ze twee aan twee te doen veilen [120].

Hoe edelmoedig zorgde de Nederlandsche regering voor de belangen der
weinig bezittende planters, maar hoe wreed handelde zij hier tevens
jegens de slaven, daar door deze bepaling steeds familiën gescheiden
werden [121].

De in Suriname ingevoerde slaven werden allen van de kust van Guinea
aangebragt.

De oorlogen, door de vorsten van Afrika onderling gevoerd, werden
door de Europesche Christenen gevoed, omdat zij slaven voor hunne
koloniën konden verkrijgen; de uit het binnenland op onderscheidene
wijzen geroofde negers werden naar de zeekust gevoerd, en hetzij
door schepen, daartoe expresselijk door de West-Indische Compagnie
uitgezonden, hetzij sedert het openstellen der vaart des slavenhandels
op de Afrikaansche kusten, door schepen van bijzondere handelaars,
die hiervoor recognitie aan de West-Indische Compagnie betaalden,
voor onderscheidene handels-artikelen ingeruild.

Deze betaling geschiedde in staven ijzer, ijzerwerk, kruid, kogels,
linnen en andere waren; mede werd als betaalmiddel gebezigd Boesis,
zijnde zekere hoorntjes, ook wel Cauris genaamd, die van de Maldivische
eilanden, door de Oostersche Compagnie in Europa werden gebragt en in
Guinea voor geld verstrekten, doch later in onbruik zijn geraakt [122].

De prijzen verschilden voornamelijk naarmate van den overvloed of de
schaarschte der waar aan de markt; ook waren de slaven van sommige
stammen duurder dan die van anderen; de vrouwen waren in den regel
een vierde of een vijfde beter koop dan de mannen.

Eene beschrijving van de onderscheidene stammen der Negers vindt
men o. a. in Hartsinck, 2de deel, blz. 980 enz. en bij Teenstra, 2de
deel, blz. 179. Wij willen deze berigten zamentrekken en als resumé de
volgende algemeene opmerkingen omtrent de Negers, die thans evenveel
als vroeger golden, mededeelen.

De negers zijn geheel zwart, hoewel met een nog al aanmerkelijk
verschil van tint; de zwartste negers worden voor de sterkste gehouden;
zij hebben zwart gekruld wolachtig haar, heldere bruine oogen, platte
neuzen, dikke lippen en zeer witte tanden. Men ziet er weinigen met
ligchaamsgebreken, of die gebogcheld of kreupel zijn, tenzij door
toevallige ongelukken.

Het zijn meerendeels forsche, sterke en welgemaakte menschen, gehard
tegen vermoeijenis van het ligchaam en de ongemakken van het weder.

De negers zijn aan weinige ziekten onderhevig; in slavernij gekomen
zijnde, ontstaan door moedeloosheid, afmatting enz. verscheidene
langdurende kwalen; velen dezer zijn in meerdere of mindere mate aan
de Lepra of melaatschheid verwant, welke kwaal voornamelijk onder die
volkeren heerscht, welke in slavernij leven of vele verdrukkingen te
lijden hebben.

Omtrent hunnen geestelijken of zedelijken toestand schijnen wij
het volgende als regel te kunnen stellen: dat de negers, die aan de
zeekust wonen, meerdere beschaving hebben dan zij, die dieper in de
binnenlanden hun verblijf houden, maar daarentegen sluwer en meer
tot diefstal zijn geneigd.

Over het algemeen zijn de negers zeer bijgeloovig, gelijk alle
afgodendienaars; de neiging tot diefstal vindt men bij enkelen, die
tot drank en vrouwen bij velen; hoewel de veelwijverij, volgens hunne
begrippen geoorloofd is, blijven zij echter, indien zij kinderen bij
ééne vrouw hebben, deze getrouw.

Als slaven is het liegen hun, gelijk aan alle onderdrukte volken,
gewoonte geworden; indien zij onverdiend gestraft worden, wordt hunne
wraakzucht opgewekt; zij hechten zich echter zeer aan goede meesters
en zijn dankbaar voor eene goede behandeling.

Men beschuldigt hen steeds van luiheid, maar daar hun arbeid in den
staat van slavernij onbeloond blijft, missen zij ook den prikkel, die
tot vlijt aanspoort. Zij hebben eerbied voor hunne ouders, de vrouwen
zijn hare mannen onderdanig en de betrekkingen van bloedverwantschap
worden levendig door hen gevoeld; zoo is het ook niet waar, hetgeen
men in Europa zegt, en waarbij de een den ander napraat, dat in Afrika
de ouders hunne kinderen, de mannen hunne vrouwen of den eenen broeder
den andere verkoopt [123].

Hoewel weinig ontwikkeld, zijn de negers gansch niet van een natuurlijk
gezond verstand ontbloot; hun oordeel is vaak zeer juist en spoedig
kunnen zij het een of ander handwerk leeren.

Zij koesteren weinig vrees voor den dood, die hun meermalen een
welkome bode is om hen uit hunne ellende te verlossen; door melancholie
gedrongen, vindt men onder hen vele zelfmoorden.

Gelijk later gebleken is, zijn de negers zeer ontvankelijk voor
den troost der Christelijke godsdienst, en toen het den waardigen
broeders der Moravische broedergemeente eindelijk toegestaan werd,
hun het Evangelie te verkondigen, werd dit door velen hunner met
blijdschap aangenomen.

Hunne godsdienst stond vóór dien tijd op een zeer lagen trap; wel
hadden zij een zeker bewustzijn van een God, die alles geschapen had,
doch van wien zij verder vermeenden, wel dat Hij goed was, maar zich
verder niet veel over hen bekommerde, en dien zij dus niet behoefden
te vereeren of te dienen; terwijl zij integendeel groote vrees voor
den boozen geest, den duivel, koesterden en dezen alzoo aanbaden
en zijne dienst onderhielden, opdat hij zich niet al te zeer op hen
vertoornen zou.

Verder stelden zij zich een aantal mindere goden, Gaddo's voor, waaruit
ieder zich een eigen of beschermgod koos; bij voorbeeld het een of
ander dier, zoo als eene slang, een kaaiman, een tijger, een jaguaar,
soms ook wel een levenloos voorwerp als: een ruw gesneden beeld,
een stok met tanden van wilde dieren behangen, of iets dergelijks.

In groote achting stonden bij hen de Obia-mannen en vrouwen, ook wel
Lookemans (zieners) genoemd, die in den regel aartsbedriegers waren.

Eenig denkbeeld van het voortbestaan der ziel na den dood ontbrak hun
niet geheel; verscheidene gebruiken bij hunne begrafenissen strekken
hiervan ten bewijze.

Is de voorstelling hiervan echter zeer duister en onbestemd, de
doorgaande meening der negers, als slaven naar een ander oord gevoerd,
is, dat zij na hun overlijden weder in hun land zullen terugkeeren,
en dat zij, die hunne godsdienstpligten goed hebben waargenomen, in
eene aangename landstreek achter de bergen zullen worden overgeplaatst,
maar dat de boozen in zekere rivier zullen worden versmoord.

Een der voornaamste vermaken der negers is zeker spel met hoorntjes,
waarmede zij even als met dobbelsteenen spelen, de even of oneven
liggende, maken de winst of het verlies van het spel uit.

Zij zijn tevens groote liefhebbers van muzijk en gezang; hunne
muzijkinstrumenten zijn zeer gebrekkig en niet zeer welluidende;
de toon van hun gezang is eenzelvig en meestal melancholisch. Mede
beminnen zij zeer het dansen, dat echter vaak wellust en andere
hartstogten opwekt.

De negers, die in den oorlog buit waren gemaakt of op rooftogten,
daartoe expresselijk gehouden, gevangen waren genomen of op andere
wijze in slavernij geraakten, werden aan de zeekust aangebragt;
wij spreken nu slechts van die plaatsen, waar Nederlandsche kantoren
gevestigd waren, en waar bij voorbeeld zoo als te St. George d'Elmina,
eene sterkte gebouwd was ter bescherming van dien verfoeijelijken
menschenhandel. Daar gekomen, liet men hen den ganschen dag in de vrije
lucht op het plein van het hoofdkasteel, onder behoorlijke bewaking;
vervolgens werden zij gewasschen en met olie ingesmeerd, opdat hunne
huid er glansrijk zou uitzien; men gaf hun daar het allernoodigste
voedsel, en zij konden zich op dat plein vermaken. Na zonsondergang
werden zij in eene rei geschaard en door de Bomba's (opzigters)
in eene loods gebragt, en aldaar bewaard tot den volgenden dag,
wanneer hetzelfde tooneel zich dan en dagelijks herhaalde, totdat zij
eindelijk naar den directeur-generaal en raad fiskaal werden gevoerd,
en onder zijn opzigt door de chirurgijns naauwkeurig werden onderzocht.

Dit voorloopig onderzoek geschiedde om de Piece d'India of leverbaren
van de Bonkjes (in onze koloniën Makkaroens genaamd) of onleverbaren
te scheiden. Onder deze laatsten telde men die boven de 35 jaren
oud schenen, die verminkt waren of aan eenige ziekte leden;
ook zij die grijze haren hadden of tanden misten werden hierbij
gerekend.--Deze beklagenswaardige wezens werden gewoonlijk voor rum
aan de Nieuw-Engelandsvaarders verkocht.

Na de verwijdering of ter zijde stelling der Makkaroens werden de
Piece d'India, of leverbare slaven opgeteld, en aangeteekend wie
dezelve had geleverd.

Het brandmerk, voorzien van den naam of het wapen der maatschappij,
lag intusschen reeds in het vuur, om al de voor goed gekozenen op de
borst te merken [124].

Deze pijnlijke operatie werd noodig geacht, om hen uit de slaven
der Engelschen, of Franschen of Portugezen, die in hetzelfde
gevangenhuis zaten, en die ieder afzonderlijke teekens hadden, te
kunnen onderscheiden, en tevens om voor te komen, dat zij niet voor
afgekeurden verruild werden.

Toen later de slavenhandel mede voor rekening van particulieren, die
evenwel hiervoor recognitie aan de W.-I. Compagnie moesten betalen,
gedreven werd, ontvingen de aldus gekeurde slaven het merk van dien
kooper meestal op den arm [125].

Het onderzoek had dan onder opzigt van den kapitein plaats, waarbij de
slaven echter, evenzeer als zulks voor de W.-I. Compagnie geschiedde,
zoowel vrouwen als mannen geheel naakt waren.

Na dit onderzoek en deze brandmerking waren de slaven voor rekening
des koopers; (hun onderhoud kostte dagelijks ongeveer 2 stuivers). Zoo
spoedig mogelijk werden zij in den hiervoren beschreven toestand,
(somtijds ontvingen zij van den kapitein een pandje tot dekking hunne
schaamte), naar de schepen gevoerd, en daar van 300 tot 350 en van
600 tot 700 in een schip geladen.

De mannen werden van de vrouwen gescheiden; de eersten daarenboven
geboeid, en vervolgens, om ruimte te winnen, zoo digt mogelijk
opeengepakt; de benaauwde en verpestende atmospheer in dergelijke
slavenschepen veroorzaakte dikwijls besmettelijke ziekten, en steeds
vielen er vele slagtoffers daarvan op de reis.

De Fransche, Engelsche en Portugesche slavenschepen waren altoos even
morsig, vuil, stinkende; op de Nederlandsche betrachtte men ten minste
eenigermate de zindelijkheid [126].

Van tijd tot tijd liet men eenige slaven boven komen, om versche
lucht te scheppen, bij welke gelegenheid de wacht met scherp geladen
en daarenboven verdubbeld werd.

Niettegenstaande deze voorzorgen spanden de slaven soms te zamen,
overrompelden de equipaadje en zetteden het schip op het strand. De
ellende, die zij op de schepen te verduren hadden, gevoegd bij
het verdriet van om, na van hunne bloedverwanten enz. wreedaardig
afgescheurd te zijn, naar een vreemd, een hun onbekend oord te worden
gevoerd, bovendien de vrees voor eene harde slavernij, terwijl sommigen
hunner in het denkbeeld verkeerden van door de blanken tot spijze
gebruikt te worden, dat alles te zamen bewoog hen somtijds tot zulk
eene onderneming, terwijl zij in het goed vertrouwen verkeerden, dat,
waar zij ook op de kust kwamen, zij steeds gelegenheid hadden om hun
vaderland en maagschap te bereiken. (Hunne geographische kennis was
niet zeer groot) [127].

De ellende op het slavenschip, de gruwelen die aldaar meermalen
gepleegd werden, zijn verscheidene malen beschreven. Hoezeer het hart
bloedt bij de lezing van dergelijke tooneelen, gelooven wij echter
dat die schrijvers nog verre beneden de werkelijkheid zijn gebleven;
wij gaan ze thans stilzwijgend voorbij.

Wanneer het slavenschip te Suriname aankwam moesten, voordat men verlof
tot het landen verkreeg, de schipper, de stuurman en de chirurgijn
een eed afleggen, dat er geen pokken, bloedloop, bluskoortsen of
andere besmettelijke ziekten onder de bemanning of de slavenmagt
heerschten; waarna door den chirurgijn der krijgsmagt de slaven op
het schip onderzocht werden, waarvan rapport aan den gouverneur werd
gedaan, die, als alles in orde was bevonden, verlof gaf om de vracht
menschelijke wezens te lossen.

Was nu het slavenschip op de reede van Paramaribo aangekomen, dan
werden de slaven op het dek gebragt en de zuivere frissche lucht,
die zij nu weder met volle teugen konden inademen, benevens het
gebruik van pisang, orange en andere vruchten, oefende doorgaans
een heilzamen invloed op hunne gezondheid uit; vervolgens werden zij
gereinigd, gewasschen en het haar in allerlei figuren, als sterren,
halve manen en dergelijken meer, geschoren.

Nu liet men hen bij gedeelten, nadat zij eerst van katoenen schorten
of broeken voorzien, en enkele jeugdige meisjes daarenboven met hals-
en armbanden versierd waren, onder geleide van eenige matrozen langs
den waterkant en door de straten van Paramaribo op- en nedergaan,
om hunne leden, die door het lange op één gepakt zijn, stram waren
geworden, wat leniger te maken, opdat zij bij den verkoop de geëischte
vlugheid in hunne bewegingen mogten ten toon spreiden [128].

De gegadigde, die zijne òf door overlijden, òf door wegloopen
verminderde slavenmagt op nieuw wenschte aan te vullen, deed somtijds
bij voorraad reeds eene keuze.

Na eenige dagen werden zij in het openbaar, bij paren, geveild;
de slaaf of slavin werd dan gedwongen op eene tafel te klimmen en
werd nogmaals naauwkeurig door den chirurgijn onderzocht, die hen
verscheidene houdingen aannemen, en armen en beenen op verschillende
wijze bewegen liet, om over de krachten en gezondheid te kunnen
oordeelen.

Nadat de koop gesloten was werd de koopsom òf dadelijk voldaan,
òf zoo de betaling eerst na eenigen tijd behoefde te geschieden,
bleef de vendumeester hiervoor borg.

De gekochte waar, een mensch van gelijke beweging als wij, en van
Gods geslachte, werd dan aan den kooper afgeleverd.

De nieuwe eigenaar liet dan met een gloeijenden stempel, de eerste
letters van zijn naam, op de borst of den arm van den slaaf of de
slavin inbranden.

Dit was alzoo het tweede brandmerk, dat zij ontvingen.

Was de veiling afgeloopen, dan werden de slaven en slavinnen door de
opzigters naar de huizen of plantaadjes hunner meesters gevoerd. Daar
werden zij doorgaans gedurende eenige weken goed gevoed, opdat zij,
die meestal als levende geraamten van het schip kwamen, behoorlijk
tot de hen wachtende taak geschikt zouden zijn; daar werd hun ook
eenig onderrigt voor hun volgend werk gegeven, en weldra werden zij
aan den arbeid gezet.

In de stad werden zij, gelijk andere dienstboden, voor onderscheidene
diensten gebezigd; hun lot was meer of minder dragelijk al naardat
zij een meester of eene meesteres verkregen.

Daar men tot huisbedienden echter meestal creolen, d. i. in de kolonie
geboren negers, of het vermengde ras der kleurlingen, bij voorkeur
nam, zoo werden de meesten der nieuw aangebragte slaven naar de
plantaadjes gezonden.

Daar was in den regel, behoudens eenige loffelijke uitzonderingen,
de arbeid zwaar, het voedsel slecht, de huisvesting ellendig, de
behandeling streng, meermalen wreed.

De arbeid, die van den slaaf gevorderd werd, hoewel nooit van de
gemakkelijkste, verschilde echter, behalve door de individualiteit
van den meester, zeer naar den aard of het soort der plantaadjes.

Die op de suikerplantaadjes was het zwaarste; de veldarbeid
aldaar, voornamelijk het delven en daarmede verbonden uitroeijen
der boomwortels, het graven der slooten en kanalen, het vellen van
het bosch, enz., vereischte eene zoo groote krachtsinspanning, dat
de vermogens van den slaaf niet slechts uitgeput, maar het ligchaam
daarenboven voor ziekelijke aandoeningen vatbaar gemaakt werd [129].

Was de veldarbeid aldaar zwaar, niet minder was die bij de molens
en ovens, waar het riet gemalen, de suiker gekookt en tevens de
dram, kilthum (eene soort van rum) gestookt werd. Vroeger hadden de
suikermolens meestal alléén water tot beweegkracht; slechts enkelen
werden door paarden of ezels gedreven; in den laatsten tijd wordt
ook hier meer en meer de stoom toegepast.

De molens konden dus slechts bij hoogtij of springvloed malen, en dan
moesten ook alle krachten worden ingespannen, daar het riet, over
den tijd blijvende liggen, bedierf; dus werd gedurende 8 à 9 dagen
van de slaven ruim 36 uren van de 48 gevorderd; dan konden zij bijna
geene nachtrust genieten, terwijl om een gestadigen gang in het werk
te houden, een of meer Bastiaans, met hunne langen zweepen gewapend,
de arbeiders aanspoorden en bij de minste taning de zweep op hunne
ligchamen deden nederkomen.

Op de koffijplantaadjes waren de slaven mede den geheelen dag aan
het werk en in den tijd van den oogst moesten zij, na den veldarbeid,
bovendien tot 's avonds 10 à 11 ure, soms in den nacht, het product
in den molen bewerken. Offerden zij alzoo een gedeelte van hunne
nachtrust op, even goed klonk des morgens vroeg de hoorn des drijvers
om hen tot den arbeid te roepen. Op de katoenplantaadjes was, enkele
tijden, die der »zoogenaamde pluk," uitgezonderd, het werk minder
zwaar. Op de houtgronden hadden de slaven nog eene zekere zweem van
vrijheid, want, daar zij zich tot het vellen van het hout meermalen
diep in het bosch moesten begeven, was een gedurig toezigt op hen te
moeijelijk, en werd hun alzoo eene bepaalde taak opgedragen, die, hoe
zwaar zij soms ook was, juist door die zweem van vrijheid, welke zij
hierbij genoten, ligt viel; zoodat de slaven eener houtplantaadje er
doorgaans beter uitzagen dan die op andere; maar voor de vrouwen was
integendeel de arbeid op die houtgronden het moeijelijkst. Terwijl de
mannen de boomen velden en tot planken of balken zaagden, waren de
vrouwen genoodzaakt die zware planken of balken op het hoofd uit
het bosch naar de landingsplaats te brengen; met dezen zwaren,
drukkenden last op het hoofd over een heuvelachtigen grond te
torschen, soms verpligt door poelen of kleine moerassen te waden,
was het dagelijksch werk der slavinnen; door de te groote drukking
op het hoofd werden bloedspuwingen en andere krankheden veroorzaakt,
die haar òf onbruikbaar voor den arbeid maakten, òf vroegtijdig ten
grave deden dalen. Op enkele groote houtplantaadjes bezigde men voor
dit werk ossen.

Mogt de arbeid op de eene of andere plantaadje verschillen, datgene,
wat den zwaarsten en moeijelijksten arbeid verzoet, een behoorlijk
loon, ontbrak steeds, en de slaaf arbeidde immer slechts ten voordeele
van den meester; hem streelde het bewustzijn niet, van door inspanning
van krachten voor zich en zijn gezin eigen verdiend brood te eten.

Loon werd nergens verstrekt, want de zoo sober mogelijke kost tot
voeding, de met nog kariger hand uitgedeelde kleeding, indien de
enkele lappen katoen of duffel dien naam dragen mogen, de ellendige
huisvesting, die den planter aan zijne slaven afstond, kan niet als
loon gerekend worden; men moest het werktuig, hier een mensch, toch
zoo lang mogelijk in beweging houden; en zoo dit dan ook versleten was,
bekommerde men er zich weinig over; eene geregelde, eenigzins kostbare
geneeskundige behandeling, had men zelden voor den neger over; men
berekende of de slaaf, na de gedane kosten, wel in staat zou zijn de
interesten daarvoor op te brengen, en of hij wel de kosten tot herstel
zijner gezondheid waardig was; viel deze berekening ten nadeele van
den slaaf uit, dan liet men hem aan zijn lot over en zocht hij eene
toevlugt bij de Lookemans, dat doorgaans weinig baatte, en de meester
schafte zich een nieuw werktuig aan [130].

Dat die werktuigen redelijke wezens waren, die ook hoogere behoeften,
die ook eene onsterfelijke ziel te verliezen hadden, in wie, hoe
ook, gelijk bij alle zondaren, verminkt en bedorven, toch nog eenig
overblijfsel was van het beeld Gods, zijnde van Gods geslachte,
en dat dit door de prediking des woords en de kracht des Heiligen
Geestes vernieuwd kon worden, waren zaken, die niet lagen in den
kring der toenmalige heeren en meesters, hoe goed gereformeerd zij
ook dachten te zijn.

Gebruikte hij den slaaf en beschouwde hij hem dikwijls slechts als
een werktuig, zoo kon die vergelijking en gelijkstelling toch niet
altijd doorgaan, en dit besefte de meester, zijns ondanks, daarom
werd hij er toe gebragt om zijne slaven, wel niet als menschen van
gelijke bewegingen als hij te beschouwen, maar als eene soort van
tusschenwezens, die den schakel tusschen den mensch en het dier
uitmaakten; en nu besliste de individualiteit van den meester over
het hooger of lager staan in dien schakel, in het meer nabij den
mensch of meer nabij het redelooze dier komen van den slaaf, en
die individualiteit van den meester was het rigtsnoer, waarnaar
de behandeling der slaven gemeten werd, zoodat dit bij den een
aanmerkelijk verschilde met den anderen.

Wij kunnen in de geschiedenis van Suriname niet te lang bij de
bijzondere behandelingen der meesters jegens hunne slaven stilstaan;
wij mogen thans slechts een algemeen overzigt geven; wij zullen in den
verderen loop der geschiedenis echter nog meermalen feiten deswege
te vermelden hebben, die een belangrijken invloed op den gang der
gebeurtenissen hebben uitgeoefend, en die de waarheid van het hier
medegedeelde zullen bevestigen.

Werd de slaaf door den blanken meester als eene soort van tusschenwezen
gerekend, als het ware slechts geschapen om ten profijte van den
blanke te verstrekken, dan kon het ook niet anders of de behandeling
strookte met deze beschouwing; het doel, waarom men slaven hield,
was, om zoo veel mogelijk voordeel van hen te trekken; hieraan was
al het andere ondergeschikt.

Men voorzag dus in zijne ligchamelijke behoeften zoo karig mogelijk;
om zijne redelijke, zedelijke behoeften bekommerde men zich niet in het
minste; zelfs werd niet eens getracht om den slaaf door het huwelijk
tot de eerste voorwaarden van eene geregelde zamenleving te brengen;
de grofste zedeloosheid werd door den blanke bij hem eerder bevorderd
dan bestreden.

Was den slaaf de verbindtenis met eene vrouw soms dierbaar en heilig,
meermalen noodzaakte de meester hem die verbindtenis te verbreken,
en de schoonste, de fraaiste der slavinnen, moesten de blanken het
meeste dienen, en wee den slaaf, die vermeende grootere regten op
haar te hebben en daarvan durfde te gewagen. Wee de jonge dochter,
die poogde den wil des meesters te wederstreven en ook wee haar, zoo
zij dien niet wederstond, want werd haar toestand, voor eenigen tijd,
daardoor soms verbeterd, zoo viel haar het leven in den voormaligen
kring, waartoe zij doorgaans door den meester, na geboette lust,
spoedig weder verwezen werd, zoo veel te zwaarder en hare kinderen,
wier lichte kleur aanwees, dat er in hen nu ook Europeesch bloed
vloeide, bleven evenzeer als de anderen slaven, en voor hen was de
slavernij, als zwakker van gestel, nog zoo veel te moeijelijker te
dragen. [131]

Het eenige vermaak, dat de meester soms zijne slaven veroorloofde te
genieten, was de dans of Baljaar-partij; hierop was de neger zeer
gesteld en door hartstogtelijken dans en door het gebruik van dram
(kilthum, eene soort van rum) opgewonden, vergat hij voor eenige
oogenblikken zijn droevig lot. Om hem dus niet geheel moedeloos te
maken, stond de meester hem van tijd tot tijd deze verlustiging toe,
doch bedacht daarbij niet, dat juist dit vermaak zeer nadeelig op
het zedelijk gemoed van den slaaf werkte, dat het de zinnelijkheid
zeer bij hem opwekte en daarna uitputting en afmatting teweeg bragt.

Daar te dien tijde de magt van den meester over den slaaf bijna
onbeperkt was, [132] verwondert het ons volstrekt niet, dat in dien
toestand de tucht streng gehandhaafd en meermalen de wreedste straffen
toegepast werden.

Hoe zou dit ons verwonderen, daar wij zelfs een leeraar der
Christelijke godsdienst, een verkondiger der blijde boodschap, de
WelEerw. heer Johan Picardt, in leven predikant te Koevorden, die in
het midden der zeventiende eeuw leefde, in een werk: »Antiquiteiten
enz.", te Amsterdam, bij Gerrit Goedesberg 1660, in 4o. bladz. 9,
het volgende deswege hooren getuigen: »dese menschen" (de Afrikanen,
welke hij beschouwt als nakomelingen van Cham en bestemd tot de
slavernij) »syn alzoo genaturaliseert, soo wanneer sy in vryheit
gestelt of lieftallig gekoestert werden, soo en willen sy niet
deugen en weten haer selfs niet te gouverneren: maar bij aldien men
geduerig met rottingen in hare lenden woont, en dat men deselvige 't
elckers sonder genade bastonneert, soo heeft men goede diensten van
deselve te verwachten, alsoo dat haere welvaert bestaet in slaverneye"
[133]. Schreven zij, die voorgangers der Christelijke gemeente wilden
heeten, alzoo, dergelijke raad werd door de planters in Suriname
getrouw opgevolgd.

Men woonde wel gedurig met rottingen in hunne lendenen en bastonneerde
hen telkens zonder genade.

Wanneer de slaaf in het veld aan den arbeid was, of wanneer hij in
het stookhuis of den molen zijnen moeijelijken arbeid verrigtte, stond
hij steeds onder opzigt van den blankofficier, en op diens bevel was
de zwarte Bomba of Bastiaan aanstonds gereed om, mogt zijne lust of
ook soms wel zijne krachten eenigzins verflaauwen, deze door eenige
zweepslagen op te wekken.

Kwam hij des avonds moede en afgemat te huis en had hij zijne taak
niet voldoende afgewerkt, of had hij zich door het een of ander het
ongenoegen van den opzigter op den hals gehaald, dan werd hij bij het
aan den eigenaar of directeur in te leveren verslag medegenomen, bij
dezen aangeklaagd en dan, zonder dat hij iets tot zijne verdediging
mogt inbrengen, aan een paal of boom gebonden, en van de weinige
kleederen, die hij aan had ontdaan, ontving hij een aanmerkelijk getal
slagen, met lange zweepen door de krachtige en geoefende handen der
Bastiaans toegediend, op zijne ontblootte dijen.

Soms geschiedde deze afstraffing in de koffijloods of het
kookhuis. Wanneer meerdere gestrengheid noodig werd geacht, dan
werden de leden meer uitgerekt, waartoe men gewigten of andere zware
ligchamen aan de beenen bevestigde, en de slagen waren meer in getal
en werden ook met meer kracht toegebragt.

Hierop volgde de straf der »Spaansche bok," waarbij men den slaaf de
handen te zamen bond, en de knieën hierdoor wrong, terwijl men een
stok tusschen de zaamgebonden handen en opgetrokken knieën stak en
deze stevig in den grond bevestigde, waarna de Bastiaan den alzoo
vastgebonden slaaf met een bundel tamarinde-roeden (een zeer hard
knoestig hout) op de bovenliggende zijde der billen sloeg, en was de
eene zijde goed door en geheel raauw vleesch, dan werd hij omgekeerd
om de andere zijde in dienzelfden toestand te brengen.

Al deze straffen werden zoowel op vrouwen als op mannen
toegepast. Eenige meesters gebruikten hiervoor hoepelstokken, doch
daar de slaven, ten gevolge hiervan, dikwijls stierven, zoo werd dit
als te onvoordeelig niet als regel ingevoerd. [134]

Somwijlen geschiedde de toediening der Spaansche bok op de plantaadjes
zelven, meermalen evenwel zonden de meesters, voornamelijk zij die op
digt bij de stad gelegene plantaadjes of Paramaribo zelve woonden, den
schuldige(?) daartoe naar het fort »Zeelandia," waar de cipier en zijne
handlangers door gestadige oefening eene bijzondere bekwaamheid tot
dit werk verkregen; zoodat de meester zich gaarne de kleine belooning,
die de cipier als fooi, later als leges ontvangen moest, getroostte. De
straf der Spaansche bok werd ook somwijlen op verzoek der meesters
publiek op de hoeken der straten van Paramaribo toegediend, en werd
alsdan vierhoeksche, ook wel zevenhoeksche genaamd. [135]

De hier genoemde straffen behoorden tot de bevoegdheid van den meester;
het afsnijden der Achilles pees, als toevoegsel der straf voor het
wegloopen, werd hier meestal bijgerekend.

Het verder verminken of dooden van den slaaf was den meester, volgens
de wet, niet geoorloofd; maar deze beperking van de magt des meesters
werd op afgelegene plantaadjes dikwijls niet nageleefd; ja zelfs niet
in de stad, gelijk meermalen uit de notulen van Gouverneur en Raden,
uit de Journalen der Gouverneurs en uit de »brieven en pampieren"
van Suriname blijkt. Om niet in te groote uitvoerigheid te vervallen,
zullen wij slechts enkele feiten daarvan mededeelen: Notulen Gouverneur
en Raden, 2 Mei 1731. »Ter occasie van het proces jegens Cornelia
Mulder, huisvrouw van W. Celis (zie notulen 23 Januarij 1731), is
door den Raad Fiscaal den Hove in bedenking gegeven, »dat eenige der
inwoners alhier seer euvel en onmenschelijk met hunne slaven handelen,
als deselve om cleyne fouten en misdrijven zoodanig castigeerende
en straffende, dat sy kort oft immediaet daarop door de Extravagante
slagen koomen te sterven", om dit voortaan strengelijk te verbieden
en de overtreders te straffen.

»Notulen enz." 4 Julij 1733. De Gouverneur berigt dat 15 negers,
zoo mannen als vrouwen, bij hem zijn komen klagen over de wreede
behandeling, hun door hun meester Hendrik Bisschoff aangedaan; zij
bragten het hoofd mede van een neger, dat Bisschoff op een staak
had laten zetten; uit het op de plaats ingestelde onderzoek bleek,
dat hun meester verscheidene slaven doodgeschoten of doodgeslagen
had en daarbij van drie de hoofden had laten afkappen en op staken
doen stellen, anderen had hij om kleinigheden zeer zwaar en streng
laten geesselen, o. a. eene Mulattin, die zoo geslagen was, dat er
stukken vleesch uit haar ligchaam vielen (brief van den Gouv. aan
de Direct. der Sociëteit), daarbij had hij zijne slaven gedurende
5 jaren weinig of geen kost gegeven. Bisschoff werd gearresteerd,
doch overleed vóór hij veroordeeld werd.

Notulen enz. 21 Nov. 1742. Zekere P. Hotzz, pontevaarder, had een
zijner slaven den 15den Augustus »seer strengelijk met zweepslagen van
den hals af tot aan de beenen doen straffen, zoodat het vleesch van
zijn ligchaam tusschen de lendenen ganschelijk door geronnen bloed
was opgezet en het ingewand op verscheidene plaatsen geïnflameerd;
uit wanhoop heeft die arme man een half uur daarna door het dubbeld
draaijen van de tong in zijne keel zich zelven gesmoord."

Notulen, 24 Oct. 1734. Eenige slaven van Sinabo komen klagen over de
wreede behandeling van de Administrateur en Directeur, Pousset; zij
brengen mede het hoofd van een neger, voor eenige dagen door Pousset
gedood en van eene negerin, die hij eerst wreedelijk mishandeld en
daarna vermoord heeft--een nader onderzoek bevestigt deze gruwelen enz.

Journaal van Mauricius, 29 December 1745. Op aanklagt van den
Raad-Fiscaal is huiszoeking gedaan bij jufvrouw Pieterson, van ouds
bekend voor dol en wreed, en is hieruit gebleken, dat zij soms hare
slaven vermoordde en in haar huis liet begraven, de lijken werden
gevonden en zij ontkende ook de daad niet, maar sustineerde, »dat sy
haar eigen goed, voor haar geld gekogt, destrueeren mogt."--Men liet
de schuldige tijd om te ontvlugten. [136]

Journaal van Mauricius, 6 Sept. 1750. »Mons. Pichot, Directeur op de
plantagie Vlucht en trouw, zijnde een neef van den ouden Raadsheer
Pichot, heeft alarm geschoten en de gansche rivier op de been gebragt
door een brief aan den naasten burger-officier, waarin hij had te
kennen gegeven, dat de negers tegen hem opstonden en rebelleerden. De
burgers daarop in 't geweer en op de plantagie gekomen synde, hadden
bevonden, dat de Directeur eene negerin bij zich wilde hebben, en die
niet wilde komen, haar swaar had laten straffen, gelijk hij ook op
een ouden neger in de volle magt had geschooten met gekapt lood. Uit
deze stukken siet men alweer, hoe doorgaans de ongelukken op eene
plantagie komen door quaade Directie."

Zoo konden wij voortgaan met verscheidene officieele bewijzen van
de wreede handelwijze der meesters jegens hunne slaven te leveren;
de notulen van Gouverneur en Raden gewagen er meermalen van; dan dit
weinige zij genoeg. Werden soms de klagten der slaven aangehoord, de
mishandeling moest dan ook wel zeer in het oogloopende zijn, anders
werden zij nog vaak in het ongelijk gesteld: zie o. a. notulen enz. 13
Aug. 1737.--De slaven van Tuymelaar, Administrateur en Directeur,
kwamen hunne klagten over de slechte en wreede behandeling van
hun meester inbrengen; er werd een onderzoek ingesteld en hieruit
bleek »dat deze klagten niet ten eenemale buiten reden en fondament
waren"--maar daar de opgegeven blanke getuigen niet te Paramaribo
tegenwoordig waren, zoo heeft men »om de zaak maar te termineeren en
daar men dacht dat er wel pikanterie onder sou schuylen, besloten,
de belhamers (de klagers) met eene geesseling te straffen; de anderen
aan hun meester terug te zenden en hem Tuymelaar eene vermaning te
geven om zijne slaven voortaan beter te behandelen."

Volgens sommige schrijvers werd de slaaf, die de hand tegen zijnen
meester durfde opheffen, met verlies van die hand gestraft, [137] en
werd aan onverbeterlijke wegloopers een been afgezet. Die straf vindt
men verscheidene keeren in de notulen van Gouverneur en Raden vermeld,
doorgaans echter als toevoegsel bij eene andere. Bij voorbeeld:

Notulen, 1 Mei 1729.--Bij vonnis van den hove van policie wordt zekere
neger Quakoe, die zich tegen den blanken neger-officier verzet had,
veroordeeld »om aan een paal strengelijk te worden gegeesseld en
gebrandmerkt en vervolgens een voet afgekapt te worden."

2 Aug. 1737. De neger Pedro, een weglooper, wordt veroordeeld om
één been te worden afgekapt en levenslang aan landsfortificatiën
te werken.--30 Nov. 1741 werd aan twee negers een been boven den
enkel afgekapt; alleen in 1765 zijn 3 beenen afgezet en 1 pees
doorgekapt--1772--2 peezen doorgekapt, en drie negers een been afgezet
(dit laatste vermeldt ook Teenstra, zie: Negerslaven in de kolonie
Suriname, blz. 145).

Men was vindingrijk in onderscheidene straffen voor de slaven uit
te denken, die in handen der justitie vielen--strenge geesseling,
zevenhoeksche spaansche bok, daarbij brandmerking op beide schouders
werden, zie sententie 25 Februarij 1740 »als sijnde geene sware
straffe" beschouwd. Zeer spoedig verviel de slaaf tot zwaarder
straffe en ging men hierbij soms op cannibaalsche wijze te werk.--4
Feb. 1728. Drie negers, welke met die eener andere plantaadje gevochten
hadden, worden veroordeeld behalve de strenge geesseling op alle hoeken
van Paramaribo--de eene om op de eene koon te worden gebrandmerkt,
de andere om beide ooren te worden afgesneden.

5 Julij 1730. Twee negers worden ieder een voet afgekapt en op beide
wangen gebrandmerkt--dit waren de minst schuldigen van eene partij
wegloopers.

29 April 1732. Eenige negers van diefstal beschuldigd, ontvangen
daarvoor eene zevenhoeksche spaansche bok en op elke wang een
brandmerk, terwijl hun daarenboven ieder een stuk van het oor wordt
afgesneden, enz. enz. De doodstraf bestond, volgens de gewoonte
van die tijden, in ophangen en radbraken; men dacht voor slaven
soms wreeder straf uit, zoo als: levend met klein vuur verbranden,
terwijl het vleesch nu en dan met gloeijende tangen werd genepen,
en dergelijke wreedheden meer, en echter, als ware dit nog niet
onmenschelijk genoeg had men eene nog vreesselijker doodstraf voor
sommige misdadigers uitgedacht, namelijk om ze met een ijzeren haak
door de ribben te slaan, en alzoo aan de galg op te hangen, alwaar
zij moesten blijven hangen, totdat zij gestorven waren, wanneer hunne
hoofden werden afgekapt en op palen gesteld.

Vroeger was ik in de veronderstelling, dat het geval, door Hartsinck
medegedeeld, wegens den aldus geëxecuteerden neger Joosje, een eenig
feit was; dan, helaas! bij het doorlezen der notulen van Gouverneur en
Raden, vind ik deze strafoefening als bevolen of geschied, meermalen
vermeld.--4 Aug. 1731 werd de neger Cesar, schuldig aan desertie en
vermoorden van blanken alzoo ter dood gebragt; den 21 Aug. 1733 de
neger Nero en de negerin Clarinda; den 16 Februarij 1734 drie negers,
die een blank officier vermoord hadden; den 11 Februarij 1741 den
neger Larocque; den 10 Dec. 1744 de negerin Bellona; den 13 Maart 1750
drie negers--den ..... maar wij willen er geen meerdere opnoemen. Wij
gruwen er van, en toch vreesden de negers den dood niet, gelijk wij
o. a. ook uit het Journaal van Mauricius zien, die daarvan zelf in een
door hem den 25sten Mei 1743 aan het hof van policie gedaan voorstel
melding maakt; hij deed dit nadat weder eenige negers verbrand,
geradbraakt en gehangen waren, »omdat", zoo schrijft hij: »aan de
eene zijde de negers geene vrees voor den dood hebben, daar zij zich
verbeelden, dat, indien zij door blanken ter dood worden gebragt,
zij daarna aanstonds in eene soort van Turksch paradijs komen,
waar zij van blanken bediend worden, [138] en ten anderen, omdat
de meesters door de doodstraf hunner negers hun kapitaal verliezen,
hetgeen hen meermalen wederhoudt aangifte der door hunne slaven begane
misdaden te doen.--" [139] Zijn voorstel was, om aangevoerde redenen,
om de ter dood gecondemneerde slaven, in plaats van deze vonnissen
te executeren, »hun leven lang aan het een of ander publiek werk te
gebruiken, hun echter vooraf de tong uitsnijdende en ontmannende,
en den meester vergoeding voor een nieuwen slaaf te geven."

Of dit zoo veel menschelijker ware geweest, gelooven wij niet. Het
hof approbeerde in het algemeen dit voorstel, zoude er nader over
delibereren, doch besloot in de zitting van 27 Aug. 1744 er geen
verder gevolg aan te geven, maar wilde wel, als regel ter verzwaring
der doodstraf voor vergiftigers, het in het voorstel van Mauricius
laatstgenoemde vóóraf doen plaats vinden. [140]

Daar de slaven het talrijkste gedeelte der bevolking van Suriname
uitmaakten, en men van hen, die in den regel slecht behandeld
werden, oproer duchtte, werden er scherpe plakkaten en ordonnantiën
uitgevaardigd om dat te voorkomen en hen in toom te houden. Zoo was
het hun o. a. verboden de rivieren op en neder te varen; zonder
schriftelijk verlof van hunne meesters mogten zij geen corjaren
(eene soort van kleine vaartuigen) in eigendom hebben; niet met
zwaarden of knuppels of messen met ijzeren holle hechten langs de
straten gaan; des avonds na acht ure mogten zij zich niet meer op
de straat vertoonen zonder eene brandende kaars in eene lantaarn;
na negen ure niet bij elkander staan praten, of met elkander loopen,
of zich op een verlaten erf begeven; na zons-ondergang was het hun
niet veroorloofd in de Savanna's of buiten de stad Paramaribo te gaan;
terwijl de patrouilles vrijheid, ja last hadden op hen te schieten,
indien zij op den eersten aanroep niet bleven staan. Voorts mogt men
zonder verlofpassen van den meester hun geen kruid of lood of andere
waren verkoopen, en niemand vermogt van hen goederen voor geld, buiten
de markt, koopen; (notulen December 1726,) tevens was het aan een
iegelijk verboden slaven, die in booten of ponten voor zaken hunner
meesters te Paramaribo kwamen, bij avond of nacht bij zich aan huis
te laten, veel min op te houden of te verbergen, daar de slaven òf in
de vaartuigen blijven, òf in de woningen hunner meesters vernachten
moesten, enz. enz. [141]

Na dezen vlugtigen blik op de afkomst, den aard der negers als slaven
uit Afrika in Suriname aangebragt, en op de handelwijze der Europeanen
jegens hen geworpen te hebben, vinden wij ons verpligt het wegloopen
van sommigen, die zich weldra tot benden vereenigden en de Kolonie
bedreigden, benevens de togten tegen hen ondernomen, en den met hen
gesloten vrede te vermelden, daar dit een belangrijk gedeelte der
geschiedenis van Suriname uitmaakt, waartoe wij deze thans echter
wat hooger moeten ophalen.

Reeds ten tijde der Engelsche nederzetting onder lord Parham liepen
er eenige slaven weg, welke eene schuilplaats zochten en vonden
langs de rivieren de Suriname, de Saramacca en de Coppename hoog in
de boschachtige streken, en daar weldra eene soort van gemeenebest
(republiek) stichtten.

Eenige dezer weggeloopen slaven vereenigden zich onder een opperhoofd,
Jermes, een Cormantijn neger, wierpen eene verschansing op in de
Para-kreek en verstoutten zich de nabij gelegene plantaadjes van tijd
tot tijd te verontrusten. [142]

De gouverneur van Sommelsdijk sloot in 1684-85 met deze negers, die
zich toen aan de Coppename gevestigd hadden, even als met de Indianen
vrede, en later hoort men weinig meer van hen gewagen.

Maar weinige jaren later, in 1690, brak er een opstand uit onder de
slaven eener plantaadje, gelegen aan de kreek van Cassawine, achter
de Joden-Savanne, en toebehoorende aan een Jood, Immanuel Machado;
de opgestane slaven vermoordden den eigenaar, namen de tilbare have
met zich en vloden in de bosschen. [143]

De gouverneur van Scharphuys, die, gelijk wij ter gelegene plaatse
reeds gemeld hebben, op geen al te goeden voet met de Joden stond,
liet der Natie de zorg over om het geleden ongeval, zoo goed mogelijk,
te herstellen, en alsof de dood van Machado hem niet aanging, en
alsof diens plantaadje geen deel der Kolonie uitmaakte, gaf hij den
Joden door een brief van den 18den Februarij 1690 te verstaan, dat
hij er niets aan doen kon, maar hun vrijheid gaf den dood van hunnen
broeder te wreken.

De Joden wapenden zich daarop, deden een aanval op de muitende negers,
doodden er velen en voerden eenigen als gevangenen met zich, die op de
plantaadje van hunne vorigen meester ter dood gebragt werden. [144] Van
dien tijd af vermeerderden de ontvlugtingen, en voornamelijk werd het
getal van Marrons (weggeloopen slaven) vergroot, in het voor de Kolonie
zoo noodlottige jaar 1712, toen bij den inval van Cassard de meesters,
om hunne slaven voor de roofzucht van den Franschen vrijbuiter te
verbergen, hun bevolen, zich in de bosschen te versteken, doch toen
deze vertrokken was, niet zeer geneigd waren om hunnen hals weder
vrijwillig onder het juk te krommen. Hun voorbeeld werkte op andere
hunner landgenooten, die nog in slavernij verkeerden, en velen vlugtten
van tijd tot tijd naar hunne broeders in de ontoegankelijke wouden.

De kolonisten zochten, in plaats van door eene betere behandeling den
lust tot wegloopen te verminderen, door sterke bedreigingen en wreede
straffen dergenen, welke weggeloopen maar weder terug gevoerd waren,
hunne slaven daarvan af te schrikken, maar bereikten alzoo natuurlijk
het door hen beoogde doel niet. Door zachtmoedigheid en door betere
behandeling zou men zeker veel kwaads hebben kunnen voorkomen; de
neger zou zich den zwaren en moeijelijken arbeid hebben getroost,
om de moeijelijkheden en gevaren eener altijd hagchelijke vlugt naar
afgelegene streken te ontgaan; doch toen de ijzeren arm der hatelijkste
tirannie steeds zonder eenige genade op den armen slaaf nederkwam;
toen door vindingrijk bedachte straffen en kwellingen zijn minste
vergrijp geboet werd; toen de neger zich als natuurlijken vijand
van den blanke zag behandelen, die meende, dat het minste blijk van
zachtmoedigheid, vrees of zwakheid zou te kennen geven; toen greep,
gelijk van Kampen zegt, [145] de wanhoop hem aan, en ontsnapte hij
naar de bosschen, om liever onderweg om te komen, of de vrijheid
aan het eind zijner reize te vinden, dan door zware verzuchting,
mishandeling, harden arbeid en foltering een langzamen dood te sterven.

Gelijk wij zeiden, vermeerderden de ontvlugtingen; te vergeefs was de
gestrengheid der meesters, die hunne slaven door vrees hiervan zochten
te weêrhouden; integendeel, het wegloopen werd hierdoor bevorderd;
te vergeefs was het, dat men premiën voor het vangen en terugbrengen
van weggeloopen slaven uitloofde; te vergeefs was het, dat men die
premiën telkens verhoogde; deze verhooging getuigde slechts van de
snelle toeneming van het kwaad.

In 1685 werd de premie op het vangen en terugbrengen van een
weggeloopen slaaf bepaald op f 5; [146] in 1687 verhoogd tot op 300
pond suiker, zoo er expresselijk op gejaagd werd, doch anders slechts
100 pond; [147] in 1698 vermeerderd tot f 25, zoo men hen binnen het
district of de rivieren kon meester worden en f 50, voor die buiten
deze of aan de kustlanden gevangen werden. [148] In 1717 werd verlof
gegeven aan elken kolonist om togten tegen de wegloopers te doen,
en werd er eene premie gesteld van f 1500 op de ontdekking der Klaas
en Pedro en f 600 der andere wegloopers-dorpen, en f 10 voor het
opsporen van een bewoner der genoemde dorpen.

Deze premie zou toegekend worden aan personen, die op hunne
eigene kosten een dergelijken togt ondernamen en een dier dorpen
ontdekten. [149]

Eenige jaren later werd daarenboven vastgesteld, dat allen, die
eenige dorpen ontdekten, zoodat men met eenige vrucht tot derzelver
verwoesting een aanval kon ondernemen, eene premie zouden genieten van
f 500, f 1000 of f 1500, naar evenredigheid van de min- of meerdere
belangrijkheid dezer ontdekking. [150]

Indien slaven eenige kennis van weglooperskampen verkregen en
verzuimden dit aan hunne meesters bekend te maken, werden zij
als wegloopers aangemerkt, en ondergingen dezelfde straffen;
doch indien die slaven en zelfs wegloopers, zich kwamen aangeven,
de schuilhoeken of dorpen bekend maakten en aanwezen, erlangden de
eersten de vrijheid, de anderen daarenboven vergiffenis en ontvingen
beiden eene premie. [151]

Bij plakkaat van 22 Julij 1721, onder den gouverneur Jean Coutier,
werd de doodstraf tegen de wegloopers bepaald.

Doch dit alles was te vergeefs; het baatte niet, de drang was te
sterk en weldra werd het getal der Marrons op vijf à zes duizend
begroot. [152]

Met hun aantal vermeerderde ook hunne stoutmoedigheid, en van tijd
tot tijd overvielen zij de naastbij gelegene plantaadjes, en deels
om zich op voorgaande mishandelingen te wreken, deels om het gevaar
van ontdekking te voorkomen, vermoordden zij somwijlen de blanke
opzigters, voerden de slaven, voornamelijk de vrouwen met zich in het
bosch, en namen al wat hun aanstond mede.--Geweren, hout, kogels, en
bijlen waren hun het liefste, daar deze voorwerpen hun tot middelen
van verdediging strekten en als jagtgereedschap dienden, om zich het
benoodigde wild te verschaffen.

In de eerste tijden heerschte bij de kolonisten meer moed,
meer energie dan in het midden en laatst der vorige eeuw.--Toen
bestookten zij zelven hunne hun tot vijanden geworden slaven in hunne
schuilplaatsen; nu, door verkregen rijkdommen verweekt, waren zij
hiertoe òf te traag òf te moedeloos, en lieten zulks aan huurlingen
over; en tot de togten tegen de wegloopers werd nu gebezigd eene van
alle kanten zaamgezochte menigte, waarvan het grootste gedeelte uit
slaven bestond, die meermalen weinig geneigd waren hunne broeders te
bestrijden. Van eene dergelijke zamengeraapte hoop kon men dan ook
weinig goeds verwachten. Orde en krijgstucht ontbraken er geheel, en
begon men gebrek te gevoelen, dan werden de bevelhebbers door hunne
onderhoorigen meermalen tot den terugtogt genoodzaakt. [153] Welke
ontzettende wreedheden soms op die boschtogten geschiedden, blijkt,
bijv. uit de notulen van Gouverneur en Raden, waarin soms rapporten
derzelve voorkomen; wij vermelden slechts dit eene uittreksel van het
dagverhaal eener expeditie, tot opsporing van weggeloopen negers,
boven in de rivier van Suriname, onder het commando van Pieter
Molinay, Vaandrig der Militie en Jahacob Uziel Davilaer, Vaandrig
der Joodsche compagnie enz., vertrokken van Paramaribo op zondag den
29sten November 1711.

Men had een klein negerkamp ontdekt en gepoogd de negers in hun slaap
te overrompelen, doch door een ontstaan gerucht was dit mislukt;
men had eene negerin Sery met haar kind, een negermeisje Patienta
en eene negerin Flora gevangen genomen, en trachtte nu van de beide
vrouwen nadere bijzonderheden omtrent de wegloopers te vernemen.

"Wij zijn," zoo luidt het rapport, "getreeden tot het examineeren der
gevangene negerin Flora om, was het doenelijk, daerdoor te ontdecken
of die negers ook eenige andere schuylplaets, correspondentie met
weggeloopen negers ofte neegers van eenige planttaadje hadden, als
mede haer getal, wie haer meesters, hoe lang zij weg waaren geweest
ende verders geïnformeerd te werden van de gansche geschapenheyd der
zaeken, en haer manier van leven, dogt hebben, niettegenstaende alle
tormenten met vuur en slagen, nooyt deselve daertoe connen krijgen,
blijvende deselve niettegenstaende dit alles even halsstarrig en met
het wijsen naer den hemel, vatten van een lange lok haar op haer
hoofd, slaen met de vingers op haer mond en wrijven op haer keel,
als te kennen gevende, dat zij, liever hadde, dat men haer het hoofd
afsloeg, als dat zij hetsij met spreeken ofte wijsen van de weg eenige
openinge van saken soude geven, waerop, siende de halsstarrigheyd van
deselve Flora, wij resolveerden deselve aan Paramaribo te brengen,
dogh conde deselve niet beweegen, wat moeyten wij ook deeden om se
te doen gaen ofte zelfs op haer voeten te doen staen, sulx nadat
hiermeede een goede tijd versleeten hadden en niet in staet zijnde
om haer mede te neemen, dewijl geconsidereerd de bergen, qreequen
en andere ongemacken van de wegh, wij niet in staat waaren om haer
te doen draagen, als zijnde het laetste en eenigste middel, dat,
ingeval deselve wilden meedebrengen, souden hebben connen gebruyken,
genecessiteerd zijn geworden haer te doen doodschieten en het hoofd
doen afhouwen, gelijk dan ook aanstonds is geschiet--ende of wel de
negerin Sery genoegsaem genegen was, meede te gaen, zoo was 't evenwel
sulx dat, vermits de swaare quetsuur, zijnde met een pijl door en
door geschooten en het groot verlies van bloed geen apparentie van
genesing zijnde, sulx gans onmogelijk was, zoo was, dat wij nogmaals
genoodsaekt zijn geweest dezelve mede het hoofd te doen afslaen en
die twee hoofden meede te brengen, gelijk dan ook is geschiet."

Men ruïneerde verder de woningen en kostgronden.

Den meesten moed nog betoonden de Joodsche planters. Door den zeer
onstaatkundigen maatregel van Scharphuis (zie blz. 224) genoodzaakt
zich meer onderling tot elkanders bijstand te verbinden, (hetgeen
ligtelijk later tot botsing met de Christenen aanleiding had kunnen
geven,) gordden zij zich ook meermalen tot den strijd aan, en na de
uitvaardiging der verordening in 1717, waarbij aan ieder vrijheid
verleend werd om voor eigene rekening en op eigen gezag togten tegen
de boschnegers te ondernemen, behoorden zij onder de eersten, die
daarvan gebruik maakten.

Bijzonder onderscheidde zich hierbij de Jood David Nassy; een dapper,
krachtig man zijnde, rigtte hij de negers zijner plantaadjes tot
dergelijke ondernemingen af, en deed hij de Marrons zooveel mogelijk
afbreuk.

In 1718 nam hij, onder bevel van den Joodschen kapitein Jacob d'Aliera,
aan een welgelukten aanval tegen hen deel, ten gevolge waarvan hij van
onderofficier tot eersten luitenant, weldra tot kapitein verheven werd.

In onderscheidene togten, die wij, om ons bestek niet te zeer te
overschrijden, nu niet breedvoerig vermelden kunnen, gedroeg Nassy
zich zoo dapper en oogstte hij zooveel roem in, dat hij deswege door
den Spaansch-Franschen dichter Ben Venida del Monte in sierlijke
verzen werd bezongen en gevierd. [154]

Gedurig vindt men bij de beschrijving der vele krijgstogten tegen de
Boschnegers van de Joden gewag gemaakt; in den regel onderscheidden
zij zich door groote dapperheid, maar helaas ook dikwijls door groote
wreedheid.

De Aziatische balling worstelde daar in een nieuw werelddeel met den
deerniswaardigen zoon van Afrika. De afkeer van den verdrukten neger
jegens den Israëlietischen meester was steeds grooter dan jegens den
Christen planter. Tusschen hen heerschte een onderlinge wrok, die nog
voortduurt en wier verborgen oorzaak ons oog ontgaat. Werden de Marrons
van tijd tot tijd al met goed gevolg door de Joodsche vrij-compagnie
bestreden, wanneer zij zich in de nabijheid der plantaadjes waagden, in
de digte ondoordringbare wouden waren zij veilig. Hier was de toegang
voor een Europeaan uiterst moeijelijk; gansch onmogelijk was het hem,
om hier zonder behoorlijk geleide den weg te vinden; de vlugtelingen
kenden echter ieder pad, iederen weg, iederen schuilhoek.

De bergachtige grond, het ondoordringbaar bosch, de groote hitte,
dit alles waren voor den Europeaan zoo vele hindernissen, die door
den Afrikaan als bijna niets geteld werden.

Spoedig was de boschneger door spionnen onderrigt, wanneer men een
togt tegen hem ondernemen zou, en hij nam zijne maatregelen. Een
ander bezwaar nog was daarin gelegen, dat de slaven, die medegingen,
bekend werden met de sluippaden en hiervan spoedig meermalen voor
zich en de hunnen gebruik maakten.

De Marrons gevoelden dit en het vermeerderde hunne stoutmoedigheid. In
1726-28 vermenigvuldigden zij hunne aanvallen op sommige plantaadjes
en bedreigden anderen. Men besloot toen nog weder eens eene onderneming
tegen hen te beproeven.

In 1730 ondernam de burger luitenant Abm. Lemmers een togt tegen de
boschnegers; hij toog diep het bosch in, trok over een dertigtal
bergen en heuvels, en kwam eindelijk bij een dorp der wegloopers,
dat echter op zijn aanraden verlaten werd, en het eenige wat zij buit
maakten was 12 zilveren lepels en 4 snaphanen; hij verwoestte het dorp
en vervolgde de wegloopers tot aan een spruit der Marowyne. Bij zijne
terugkomst te Paramaribo voerde hij als zegeteeken twee afgehouwen
hoofden van doodgeschotene vrouwen met zich en geleidde als gevangenen
drie vrouwen en twee kinderen. Deze drie vrouwen werden geradbraakt
en dit zonder den genadeslag te ontvangen, de hoofden werden later
afgekapt en op palen gesteld, de rompen gevierendeeld. [155]

Was de straf aan het misdrijf (begeerte om vrij met man en kinderen te
leven terwijl zij voorgaven door de wegloopers met geweld weggevoerd
te zijn) geëvenredigd? De neger Chocolaad, die voor gids gediend
had, verkreeg tot loon de vrijheid, een zilveren armring en een rok,
roode Maurisbroek en hoed.

De Directeurs der Sociëteit gaven bevel aan den Gouverneur om de
boschnegers door de Militie te doen opzoeken, en was het mogelijk,
geheel uit te roeijen. [156]

Overeenkomstig deze bevelen, werd een groot commando, onder de orders
van den Burger kapitein Willem Bedloo en den Militairen vaandrig
Augustus Willem Swallenberg, naar de Saramacca gezonden. Deze uit
burgers en militairen zamengestelde magt vertrok in Julij 1730,
doch keerde weldra onverrigter zake terug; de burgers toonden zoo
weinig moed, dat toen, na eene weinig doeltreffende schermutseling,
de boschnegers zich achter boomen verbergden en eenige geweerschoten
op de terugtrekkende burgers losten, zij met moeite door Swallenberg
en zijne militairen van eene wilde vlugt terug gehouden werden. [157]

Men besloot nu, volgens eene aanschrijving van HH. Directeuren,
alleen soldaten tot eene nieuwe onderneming te bezigen. De vaandrig
Swallenberg werd den 21sten September 1730 met 70 soldaten en de
noodige slaven en proviand afgezonden. Hij bereikte met zijne magt
eene opene plaats in het bosch, en aldaar drie dorpen, door de negers
bewoond, en behalve de noodige houtgronden voor eigen gebruik nog twee
nieuwe, die zij bij voorraad aangelegd hadden, om er de slaven van twee
plantaadjes te plaatsen, die zij dachten binnen kort te overrompelen.

Een dier dorpen, de zoogenaamde Klaasdorpen, was van 100 huizen,
op dezelfde wijze als die op de plantaadjes gebouwd, het middenste
bestond uit 300 en het derde uit 40 huizen.

De aangevallen negers, tot een strijd in het open veld en tegen
geregelde krijgslieden niet bestand, vlugtten; tien werden gedood,
twee mannen, vijf vrouwen en elf kinderen gevangen genomen; de huizen
werden nedergehaald en met de houtgronden verwoest.

Bij een lateren togt in November, waarbij een ander dorp der
Marrons werd ontdekt en verwoest, sneuvelden zestien negers, en het
getal der gevangenen werd met 4 mannen, 12 vrouwen en 10 kinderen
vermeerderd. Swallenberg kwam den 24sten October te Paramaribo
terug. Zie notulen Gouverneur en Raden, 25 October 1730.

In het jaar 1730 werd den 9den November nog eene onderneming tegen
de Boschnegers gedaan, door eene compagnie van 50 burgers en 200
slaven. Zij poogden een dorp in stilte te omsingelen en zoo de negers
in hunne huizen te dooden of gevangen te nemen. De haastige ijver van
een sergeant, die te vroeg den aanval begon, verraadde echter dit plan;
velen ontvlugtten bij het eerste alarm, anderen verweerden zich zoo
dapper met lansen in hunne woningen tegen ieder, die dezelve poogde
binnen te dringen, dat men genoodzaakt werd die huizen in brand te
steken, waarop nog de meeste negers door het dak ontkwamen.

De burgers verloren een slaaf en twee blanken, en twee anderen benevens
eenige slaven werden gekwetst. Van de zijde der Marrons waren 16 dooden
gevallen en vier mannen, twaalf vrouwen en tien kinderen gevangen
genomen. De wijze waarop met de gevangenen gehandeld werd, was wreed
en onmenschelijk. Wij willen niet pogen hiervoor verontschuldigingen
te zoeken en behoeven onze verontwaardiging niet met vele woorden te
betuigen.--Wij vermelden slechts het feit.

Den 16den December 1730 zijn bij vonnis van den hove van policie
en criminele justitie elf der op voormelde togten in hetzelfde jaar
gevangen genomen boschnegers teregt gesteld. [158]

Een neger, Joosje genaamd, werd met een ijzeren haak door zijne ribben
geslagen, en alzoo aan de galg gehangen, zoodat het hoofd en de voeten
naar den grond hingen en hij onlijdelijke pijnen moest uitstaan;
[159] hij gaf hiervan echter geen blijk.

Nadat hij gestorven was werd zijn hoofd afgekapt en op een ijzeren
staak ten toon gesteld; de romp bleef ten prooi der vogels.

De negers Wierai en Manbote werden aan palen gebonden en met een
klein vuur levend tot asch verbrand; het vleesch intusschen nu en
dan met gloeijende tangen genepen.

De negerinnen Lucretia, Ambia, Agia, Gomba, Maria en Victoria werden
op kruizen gelegd, daarna levend geradbraakt en na gedane executie de
hoofden afgekapt en mede op staken aan den waterkant geplaatst. De
negerinnen Diana en Christina werden eenvoudig de hoofden met een
bijl afgeslagen en die hoofden mede ten toon gesteld.

Deze wreede en onmenschelijke strafoefening [160], in plaats van
het beoogde doel »afschrik en vrees" te verwekken, verbitterde
integendeel slechts meer en meer, en wekte een gloeijenden haat
tegen de meeste blanken, niet slechts bij de Marrons, maar ook bij
de overige slaven op.

Verscheidene togten door militairen en burgers, gezamenlijk en
afzonderlijk, zijn sedert tegen de meer en meer in woede ontvlamde
boschnegers ondernomen; doch zij bragten weinig goeds te weeg. Het
eenige voordeel dat men behaalde, bestond in het verwoesten van sommige
negerkampen en het dooden en gevangen nemen van enkele der bewoners;
het veel grootere nadeel daarentegen was dat de boschnegers slechts
meer verbitterd werden en in magt en stoutmoedigheid toenamen, daar zij
zagen, dat men toch eigenlijk niets afdoende tegen hen vermogt. Al die
onderscheidene togten onder Nassy, die zich steeds zeer onderscheidde
en aan wel dertig ondernemingen tegen de Marrons deelgenomen heeft,
te beschrijven, of die onder den Raad van policie Pistorius, ook als
geschiedschrijver bekend, Reinet, Visser, van Gieske, van Metchen,
Knoftel, van Daalen, Brouwer enz. enz., te vermelden, zou, hier te veel
ruimte innemen en men daarbij in gedurige herhalingen moeten vervallen.

Gedurig ontstonden er nieuwe opstanden onder de geplaagde en verdrukte
slaven. In 1738 o. a. vermoordden eenige negers, afkomstig uit
Cormantijn, in Afrika, die voor de meest geduchte gehouden werden,
hunnen meester, den Jood Manuel Pereyra [161].

De toestand werd van dag tot dag zorgwekkender. De elkander spoedig
opvolgende Gouverneurs (zie vorig hoofdstuk) waren niet in staat met
krachtige hand veel ten goede te doen; zij waren hiertoe te kort aan
de regering, en er bestond te weinig zamenwerking tusschen hen en
de kolonisten.

De op 17 Februarij 1742 tot Gouverneur benoemden Mr. Jan Jacob
Mauricius, die deze betrekking den 15den October in hetzelfde jaar
aanvaardde, en die bij een helder verstand en juisten blik eene groote
mate van wilskracht paarde, zag spoedig in, dat men op deze wijze
niets vorderde, en daarbij de koloniale kas uitputte, daar genoemde
togten verbazend veel geld kostten [162].

Mauricius [163] deed den voorslag, om in plaats van die tot niets
leidende ondernemingen een krachtigen en militairen maatregel te nemen,
een of meer dorpen der boschnegers te veroveren, en zoo mogelijk een
grooten slag te slaan, om, na de Marrons alzoo verschrikt te hebben,
pogingen aan te wenden om met een gedeelte van hen vrede te maken, en
dan later met hunne hulp de anderen te bestrijden. Mauricius vreesde,
dat het sluiten van een algemeenen vrede met allen bij mogelijke
vereeniging der onderscheidene stammen, niet zonder gevaar was, en
oordeelde alzoo dat het beter ware hen te verdeelen en tegen elkander
op te hitsen, door bij voorbeeld met degenen, die men door den vrede
van de anderen afgescheiden had, het verbond streng te handhaven,
hen op allerlei wijze te vleijen, en de anderen, die buiten dien
vrede waren, zonder genade te vervolgen.

Mogt dit plan, wat het tweede gedeelte aanbelangt, niet zeer
Christelijk zijn, in zijn geheel was het niet af te keuren en veel
nutteloos bloedvergieten zou hierdoor ophouden.

Reeds vroeger had van Sommelsdijk met de Indianen en de Coppenaamsche
negers vrede-verbonden aangegaan, en in 1739 hadden de Engelschen
eene dergelijke overeenkomst met de Marrons op Jamaïca gesloten.

Het plan van Mauricius vond echter van de zijde der kolonisten
veel tegenkanting; de een was te trotsch om van een verdrag met
weggeloopen slaven zelfs maar te hooren gewagen; een ander vreesde,
dat men hierdoor zijne zwakheid zou erkennen en de vermetelheid der
Marrons zou doen aanwassen; een derde was er reeds daarom tegen,
omdat het van den Gouverneur uitging, tegen wien eene magtige partij
bestond, die gestadig in sterkte toenam, gelijk wij in het volgende
hoofdstuk nader zullen mededeelen.

Niettegenstaande de vele tegenkantingen, zette Mauricius zijn plan
door, en wilde het eerst beproeven vrede te maken met de Marrons,
die in het Westen der kolonie aan de Saramacca woonden.

Den 20sten September 1749 vertrok een commando, onder bevel van den
kapitein luitenant C. O. Creutz uit Paramaribo, met 100 man geregeld
krijgsvolk en 300 slaven, met last om te beproeven eenig voordeel
op de boschnegers te behalen, hen vervolgens met een onophoudelijken
oorlog en dus gedurig levensgevaar te bedreigen, indien zij weigerden
tot het verdrag toe te treden. [164]

De instructie voor Creutz, behelzende de voorwaarden op welke hij
trachten moest met hen vrede te sluiten, bevatte elf artikels [165] en
bestond uit eene verklaring hunner onafhankelijkheid, eene door eenige
bepalingen beperkte vrijheid om met de blanken handel te drijven,
terwijl de Marrons van hunne zijde zich verbinden moesten, om de in
1749 gevlugte slaven uit te leveren en mede die, welke zich later tot
hen vervoegden, terwijl zij voor iederen vlugteling, dien zij aan de
blanken zouden overleveren f 50 belooning zouden verkrijgen. Creutz
slaagde vrij goed in de uitvoering van den hem opgedragen last.

Hij vermeesterde en verwoestte vier negerdorpen, trok over verscheidene
bergen en vervolgde de terugtrekkende Marrons met ongemeenen ijver.

Intusschen zond hij een paar gidsen naar hen, om hunne gevoelens
omtrent een aan te gaan verdrag te polsen.

Een dezer gidsen kwam met goede tijding: aarde, boog en pijlen,
als zinnebeeld van onderwerping, terug.

Na eenige onderhandelingen met het opperhoofd Adoe, werd men het
weldra over de voorwaarden, waarop men den vrede zou sluiten eens.

Adoe betoonde zich als een waardig opperhoofd, die de belangen van
zijn volk en van hen, die verder met hem verbonden waren, wilde
behartigen. Creutz wenschte van hem aanwijzing te ontvangen omtrent
de woonplaatsen der Acouriers, een Indiaanschen stam en van een dorp
Loango Negers. Adoe antwoordde, dat beide stammen tot zijne vrienden
behoorden, en dat hij hen dus niet verraden mogt; hij wilde hen mede
in dezen vrede besluiten, waartoe hij niet twijfelde hunne toestemming
te erlangen.

Na vrijheid verkregen te hebben om de verwoeste woningen weder op te
bouwen en onder belofte, dat in het volgende jaar eenige geschenken van
de regering gezonden zouden worden, ontving Adoe een rotting met een
zilveren knop, en gaf als tegengeschenk een boog en koker vol pijlen,
door hem zelf vervaardigd, hetgeen tevens tot een teeken diende, dat,
tot de finale sluiting van den vrede in het volgende jaar, van zijne
zijde alle vijandelijkheden zouden ophouden.

De negers, die òf onder Adoe stonden òf op welke hij zijnen invloed
kon uitoefenen, waren omstreeks 1600 in getal; doch zij hadden geene
gemeenschap met hen die beneden bij de Saramacca en hooger op bij
Suriname woonden. Om die wegloopers-benden en kampen te ontdekken,
had men reeds meermalen pogingen aangewend, doch daar deze op eene
wijde uitgestrektheid in de ontoegankelijke bosschen verspreid waren,
waren die pogingen steeds te vergeefs geweest. [166]

Mauricius was van oordeel, dat men, met de nieuwe bondgenooten
vereenigd, en alzoo van twee zijden te gelijk, in den droogen tijd
tegen hen een geregelden krijgstogt openen moest. [167]

Maar noch het een noch het ander vond bijval in den raad. Hevige
tweespalt tusschen den Gouverneur en den Raad barstte uit. Verscheidene
leden wilden den gesloten vrede niet eens bekrachtigen, en ofschoon
Mauricius zijnen wil doorzette, waren toch deze onderlinge twisten
oorzaak, dat de vrede niet tot stand kwam.

De Gouverneur zond wel in 1750 de beloofde geschenken, maar terwijl
hij deze overbrenging door den heer Louis Nepveu, die onder kapitein
Creutz den togt had bijgewoond, met eene escorte van 30 militairen
wilde doen bewerkstelligen, ontmoette hij hierin zoodanigen tegenstand,
onder voorwendsel van onnoodige kosten, dat eindelijk die last aan
zekeren heer Picolet met slechts twee blanken en een twintigtal slaven,
die de geschenken droegen, opgedragen werd.

De verkeerde spaarzaamheid had zeer nadeelige gevolgen.

Zekere Zamzam, opperhoofd van het Papa-dorp, die bij het sluiten van
den vrede niet tegenwoordig was geweest, overviel en doodde de kleine
voor geen tegenstand berekende schare, waardoor een groote voorraad
levensmiddelen, kleedingstukken en wapenen, voor Adoe bestemd, in
zijne handen viel.

Adoe en de zijnen, die de geschenken op den bestemden tijd niet
ontvingen, vermeenden dat men hen slechts met fraaije beloften had
trachten te verschalken, en dat de blanken versterking uit Europa
verwachtten om hen op nieuw te bestrijden, en zij hielden zich nu
ook niet langer aan den wapenstilstand gebonden.

Dood en verwoesting heerschten weder op nieuw in de kolonie, en de
kolonisten bleven desniettegenstaande den ouden weg in het mishandelen
en plagen hunner slaven bewandelen.

Mauricius was in 1751 genoodzaakt geworden af te treden [168]. Baron
von Spörche, die tevens als bevelhebber van 600 man troepen uit Holland
was gekomen, volgde hem in het bestuur op, doch overleed reeds den
7den September 1752; na een tusschen-bestuur van den heer Wigbold
Crommelin tot 22 Oct. 1754, aanvaardde de heer Pieter Albert van der
Meer de teugels der regering; hij stierf reeds binnen twee jaren, op
den 24sten Augustus 1756; daar de heer Crommelin, juist te dien tijde
eene reis naar Europa deed, nam de Fiskaal Jan Nepveu a. i. het bestuur
op zich; Crommelin, in Januarij 1757 weder in Suriname teruggekomen,
nam dit als commandeur van hem over en werd in September van hetzelfde
jaar tot Gouverneur benoemd.

De strijd met de boschnegers was met afwisselend geluk van tijd
tot tijd voortgezet; onderlinge verdeeldheid onder de kolonisten
en de regering had het nemen van krachtige maatregelen verhinderd;
een nieuwe opstand kwam het gevaar en de onrust vermeerderen, en nu
wel in het zuid-oostelijk deel, waar het tot heden vrij rustig was
geweest, namelijk aan de Tempatie kreek.

De plantaadjes van deze kreek, welke zijn oorsprong uit het bergachtig
boschrijk gedeelte neemt en zich in de Commewijne stort, waren meest
houtplantaadjes, alwaar de arbeid der negers, gelijk wij vroeger
opmerkten, door een zekeren zweem van vrijheid, hun minder zwaar viel
en met meer lust en opgewektheid dan elders werd verrigt.

Door hunne betoonde trouw jegens hunnen meester, daar zij moedig
de invallen der boschnegers en wegloopers hadden geweerd, tegen
welke zij meermalen als schutsmuur verstrekten, waren hun ook eenige
voorregten toegestaan als: ruime kostgronden, groote kweekerijen van
vee en gevogelte, den afval van het hout, dat hun geoorloofd was van
tijd tot tijd te hunnen voordeele naar Paramaribo te zenden en te
verkoopen, enz. enz., zoodat zij ruimer en rijkelijker dan andere
slaven konden bestaan; zij waren dan ook meer dan anderen aan den
grond, waarop zij leefden en arbeidden, gehecht en eene verplaatsing
naar een ander oord was voor hen de vreesselijkste straf.

Deze gehechtheid aan de plaats waar zij zich bevonden en de tegenzin
om naar eene andere overgebragt te worden, waren den meester bekend en
toch wilde de heer Martin, Raad van Policie, ofschoon zijne vrienden
het hem sterk afraadden, eenige slaven naar eene andere zijner
plantaadjes, meer benedenwaarts de rivier gelegen, over brengen. De
negers trachtten hem door het aanvoeren van verscheidene redenen tot
andere gedachten te brengen; dan het baatte hun niet, daar de heer
Martin niet naar hunne redelijke taal luisterde, maar liever het
oor leende aan zijnen Directeur Bruyère, die met meer verwaandheid
dan wijsheid, Martin diets maakte, dat men zich over den onwil dier
negers in het minst niet behoefde te bekommeren. Hij, Bruyère nam wel
op zich hen te dwingen; hij alleen was wel in staat om zes negers te
binden, en in de pont te werpen en zoo naar beneden te doen afbrengen;
ten overvloede raadde hij eenige militairen te laten komen, hun de
handen te doen binden en zoo weg te doen slepen.

Deze raad vond een gretig gehoor bij den meester: dienovereenkomstig
werd alles gereed gemaakt; reeds waren de touwen aan de militairen
uitgedeeld, toen dit den slaven ter oore kwam; de meesten besloten
zich met geweld tegen de wegvoering van sommigen hunner te verzetten
en op de plantaadje te blijven; anderen onder hen, voornamelijk de
zoutwater-negers [169] waren met dezen halven maatregel niet tevreden;
zij waren hiertoe te zeer verbitterd; zij vielen op den directeur,
die kort te voren nog zoo op zijne magt gesnoefd had, aan, hieuwen
hem de hand af, wondden den officier Hertsbergen, welke aldaar met
een detachement soldaten lag, en doorschoten twee der oprukkende
krijgslieden; hunne makkers, 150 weerbare mannen, behalve de vrouwen
en kinderen, vereenigden zich met hen en weken in het bosch terug.

De hebzucht van dien enkelen planter maakte de oevers van de Commewijne
tot het tooneel der grootste verwoesting.

Een groot commando, onder bevel van den kapitein Jan Frederik Meyer,
werd ter bestrijding der pas gevlugte negers afgezonden; men raakte
slaags en Meyer was genoodzaakt met verlies van dertig man terug te
trekken; een nieuwe aanval door een corps van tachtig militairen,
onder den kapitein-luitenant Reinet, geschiedde; doch hierdoor werden
zij slechts genoodzaakt dieper het bosch in te gaan, waar zij zich
in veiligheid bevonden en zich met andere wegloopers vereenigden.

Hooger op, bewesten de rivier Marowijne en de kreek Jouha, bevonden
zich acht boschnegers-dorpen, wier eerste stichters weggeloopen slaven
van de Joden en van zekeren heer Selmers [170] waren; hier bevond zich
reeds eene bevolking van 15 à 1600 man; verminderde dit getal doordat
er weinig vrouwen waren, in 1749 was het door de vlugtende slaven van
den heer Thoma vermeerderd; nu voegden zich die van den heer Martin
hierbij en werden weldra in de maand Februarij gevolgd door die van de
plantaadjes La Paix, Maagdenburg, Wolvega, Bleijenburg, l'Hermitage
en Beerenburg. Hoewel ieder dorp zijn afzonderlijk hoofd had, was
zekere Araby, [171] een dapper en gelijk later bleek, edelmoedig man,
als het eigenlijke opperhoofd te beschouwen.

Niettegenstaande deze negers zich in hunne bosschen veilig konden
beschouwen, waren zij echter niet ongenegen, om vrede met de blanken
te maken, ten blijke waarvan door hen, bij iederen aanval, die zij
op de eene of andere plantaadje deden, brieven werden gestrooid, die
door een van hen, Boston genaamd, in het Engelsch geschreven waren,
waarin ofschoon in duistere bewoordingen, de begeerte tot vrede
doorschemerde, en de wensch geuit werd, dat zich eenige blanken ter
onderhandeling hierover bij hen vervoegen mogten.

Men zond daarop, in het jaar 1759, twee getrouwe negers Coffy en
Charlestown, welke eerste, toen hij nog slaaf van den heer Dandiran
was, een groot vriend van genoemden Boston was geweest, naar de Marrons
met brieven van de regering en eenige geschenken om hun den vrede aan
te bieden. Zij werden bij het opperhoofd Araby gebragt. Deze ontving de
neger-afgezanten zeer vriendelijk; hij betuigde hun zijne genegenheid
om vrede met de blanken te maken, zoo als de Engelschen op Jamaïka
met de Marrons hadden gedaan, doch begeerde, dat men een of twee
blanken zou zenden, om nader met hen over de voorwaarden te spreken.

De Gouverneur en Raden besloten eenparig om met die boschnegers
een verdrag aan te gaan; [172] weldra begonnen de onderhandelingen,
en in 1760 kwam de vrede met hen tot stand; hij werd gesloten op de
houtplantaadje Auka, waarnaar zij en hunne nakomelingen nog heden in
Suriname Aukaner boschnegers worden genaamd, ofschoon Auka meer dan
50 mijlen van hunne woonplaats verwijderd was.

De Europesche commissarissen, die tot het voeren der
vredesonderhandelingen zich eenigen tijd bij de boschnegers moesten
ophouden, werden door dezen goed onthaald, rijkelijk van wildbraad,
visch, vruchten enz. voorzien, terwijl ter hunner eere muziek,
dansen en eereschoten zich gedurig afwisselden; maar tevens moesten
zij menig hard doch waar woord hooren over het verkeerde gedrag der
blanken jegens hunne slaven; treffend was o. a. de rede, die een der
neger-kapiteins tot de afgevaardigden der regering hield.

Na hun eerst voor oogen te hebben gesteld, hoe erbarmelijk het ware,
dat eene beschaafde natie, als waartoe de Hollanders zich beroemden te
behooren, door de mishandeling der slaven, zooveel aanleiding tot haar
eigen verderf gaf, voer hij voort: »Wij bezweren u, uwen Gouverneur en
den Raad te zeggen, dat zij, zoo zij geene nieuwe benden wegloopers
willen stichten, zorg dragen, dat de planters zelven een wakend oog
over hunne eigendommen houden en dezen niet, gelijk gewoonlijk, aan
dronken opzigters toevertrouwen, die door onregtvaardig en onbarmhartig
straffen der slaven, door het schenden hunner vrouwen en dochters,
door het verwaarloozen van zieken, den ondergang der kolonie bereiden,
daar zij brave en arbeidzame lieden moedwillig naar de bosschen
drijven, lieden die in het zweet huns aangezigts hun brood eten,
zonder wier handen uwe volkplanting weldra tot niet zou verzinken,
bij welke gij eindelijk nu op eene zoo onaangename wijze moet komen
om vrede en vriendschap te zoeken."

Dit was waardige taal en bevatte welgemeende waarschuwingen, die
echter weldra in den wind geslagen werden.

Eigenaardig was ook de aanspraak, die Quako, een andere negerkapitein,
aan de slaven deed, welke met de commissarissen waren medegekomen
en aldus luidde: »Gij zijt slaven, ik ben het ook geweest; [173] als
Creool uit uwe streek, ben ik van kindsbeen bij de blanken geweest,
en heb ook bij die gelegenheid de slaven met hun goed en hun kwaad
leeren kennen, en weet dat ook onder u vele schelmen zijn. Gij gaat nu
met deze blanken weder terug, nadat gij hier vele dingen hebt gehoord
en gezien; ik waarschuw u wel te zorgen, dat gij noch aan uwen meester
noch aan uwe medeslaven onwaarheden vertelt of iets verdraait, waardoor
onze goede voornemens met de blanken vernietigd zouden kunnen worden;
want zoo ons zulks ter ooren kwam, zouden wij u levend verbranden;
gaat nu heen, draagt zorg voor uwe meesters, past den zieken heer
[174] goed op en zoo gij wegloopt, zullen wij u braaf afrossen en
gebonden weder bij uwe meesters brengen."

Het definitief vredes-traktaat werd in October 1760 door den majoor
Meyer, van de zijde der koloniale regering, en door Pamo, Araby en
14 andere neger-kapiteins onderteekend.

Araby en de zijnen beschouwden echter het teekenen van het tractaat
en de bekrachtiging daarvan door den eed der Christenen niet als
genoegzaam. Zij stelden in dien eed, welken zij zoo dikwijls hadden
zien verbreken, geen genoegzaam vertrouwen en men was verpligt het
verdrag alzoo op de wijze der negers te bevestigen, waarbij de volgende
plegtigheden plaats hadden:

Elke partij liet eenige druppels bloed, die men door middel eener
kleine operatie in den arm verkreeg, in eene, met zuiver bronwater
gevulde calabas vallen, waaronder een weinig drooge aarde werd
gemengd. Al de aanwezigen moesten daarvan drinken, nadat men vooraf
eenige druppels op den grond had gestort. Vervolgens sprak hun Gado-man
of priester den vloek uit over allen, die dit verbond zouden verbreken;
waarop het volk antwoordde:

»Da so"--d. i. »Amen."

Toen de tijding van dezen met de Aukaner-negers gesloten vrede te
Paramaribo aankwam, was de Gouverneur Crommelin ongesteld, waarom
het berigt aan den commandeur werd overgegeven; deze deed illico na
kerktijd, het was Zondag den 19den October 1760, de te Paramaribo
aanwezige raden convoceren, om daarover te delibereren, doch daar
men over eenige zaken het advies van den Gouverneur wenschte in te
winnen, werd een der leden, de heer Raase, daartoe naar zijn huis
afgezonden. »Mevrouw de Gouvernante," zoo lezen wij in het journaal van
dien dag, »zijn WelEdeleGestrenge alreets kennis hebbende gegeven van
die vreede, heeft sijn Excellentie sig daarover soodanig verheugt,
dat hij van die uure af weer beter begon te worden, hebbende die
tijding meer kragt gegeven als de medicamenten."

Te Paramaribo was men op de mare dier heugelijke gebeurtenis zeer
verblijd; zoo spoedig zij ruchtbaar werd, was de blijdschap onder de
welmeenende ingezetenen algemeen; in gezelschappen werd bijna over
niets anders gesproken, »en," gelijk in het journaal gezegd wordt,
»van de groote voordeelen, die de colonie in 't generaal, en een ieder
ingeseetene in 't particulier daaruit kon trekken, soodat nu onder
den seegen des Allerhoogsten dese colonie een der florissantste van
de West-Indiën kan worden?" Den volgenden Zondag 26 October 1760,
werd in de kerken dankzegging voor den gesloten vrede gehouden, en
toen des Maandags 27 October de commissarissen met zes boschnegers,
als afgevaardigden in de stad kwamen, vierde men feest; van alle op
de reede liggende schepen woeijen vlaggen en wimpels, en werden de
kanonnen gelost.

De boschnegers bleven eenige dagen in de stad, en genoten overal een
goed onthaal; in den tuin bij het gouvernementshuis woonden zij een
feest ter hunner eere gegeven bij, en wel voldaan over hunne ontvangst
keerden zij naar hunne bosschen terug. Den zevenden December kwamen
vier anderen, waaronder een opperhoofd Zaakoe te Paramaribo, welke
een, tot het commando van den luitenant Veyra behoorende, maar bij hen
achtergebleven neger medebragten. Deze man, een slaaf van Castilho,
had zich door een der boschnegers laten overhalen om onder hen te
verblijven, maar toen het opperhoofd Araby dit vernam liet hij den
boschneger in de boeijen slaan, en zond den neger van Castilho naar
Paramaribo, daar hij de bepalingen van het vredes-verdrag in alle
opzigten trouw wenschte na te komen. De nu in de stad gekomen zijnde
boschnegers werden meermalen door den Gouverneur bij zich ontboden,
en in de met hen gehoudene gesprekken verwonderde Crommelin en andere
heeren zich over de gepaste antwoorden, die zij op de vele hun gedane
vragen gaven, waaruit hun gezond oordeel bleek. [175]

De wegloopers aan den Boven-Saramacca, waarmede reeds in 1749
vredes-onderhandelingen waren aangeknoopt, doch die toen, om
medegedeelde redenen, weder waren afgebroken, door het voorbeeld der
Aukaners uitgelokt, gaven op nieuw hunne begeerte te kennen, om met de
blanken vrede te sluiten. Hiertoe werkte een verschil tusschen Zamzam,
een der opperhoofden, die tegen den vrede met de blanken was, en een
anderen neger Willi mede. Deze, in onmin met Zamzam geraakt zijnde,
begaf zich, op raad zijner vrouw, achter het dorp van Zamzam om, met
zijne drie zonen naar de Aukaner-negers en sprak met Boston over zijne
geneigdheid, die door vele andere der Saramaccaners gedeeld werd, om
vrede met de blanken te maken.--Boston gaf hiervan, op eene eenigzins
ingewikkelde wijze, kennis aan den Gouverneur en maakte tevens eenig
gewag van hunne onderlinge verdeeldheid; waarop Gouverneur en Raden
besloten de aangebodene hand van verzoening gretig aan te nemen [176].

De heer Louis Nepveu, die zich reeds vroeger bij verschillende
gelegenheden gunstig had onderscheiden, bood zich aan om met hen
over den vrede te onderhandelen, en vertrok daartoe in Februarij 1762
naar de Aukaner-negers, alwaar zich eenige der tot den vrede gezinde
Saramaccaners ophielden om met hen over de voorwaarden enz. te spreken;
na een voorloopigen wapenstilstand tot Augustus was het verder gevolg
dezer onderhandelingen, dat reeds den 19den September 1762 de vrede
met deze stammen geteekend werd, welke toen aan de Boven-Saramacca
hun verblijf hielden, zich later wel aan de Boven-Suriname vestigden,
doch steeds onder den naam van Saramacca-negers bekend bleven. Den
30sten September 1762 werd door den Gouverneur in de volle vergadering
van het Hof van Politie en Justitie met opene deuren verslag van het
vredesverdrag met de Saramaccanegers gedaan, en werd daarop besloten,
om den 5den December in de kerken eene plegtige dankzegging aan God
te doen, en Hem verder te bidden, dat Hij den tot stand gekomen vrede
bestendig en vruchtbaar mogt maken.

De hoofdinhoud der verdragen, zoo tusschen hen en de koloniale
regering als tusschen deze en de Aukaners gesloten, kwam op nagenoeg
dezelfde bepaling neder [177] en bestond hoofdzakelijk daarin, dat zij
erkend werden als vrije lieden en hunne woonplaatsen volgens keuze
konden regelen, mits op een behoorlijken afstand van de plantaadjes
verwijderd; dat zij jaarlijks van de regering eenige geschenken zouden
ontvangen, waartegen zij zich verbonden de tot hen vlugtende slaven
tegen vastgestelde premiën aan de blanken uit te leveren.

Met het bespreken en vaststellen dezer laatste bepalingen werd een
der hoofden, Boston, die gelijk wij zagen veel tot het sluiten van
den vrede heeft bijgedragen, nog gedwongen om den commissaris de
volgende ernstige vermaning mede te geven.

Dat commissarissen den Gouverneur en Raden gerustelijk verzekeren
konden, dat de vrede van de zijde der negers getrouw gehouden, vast,
bestendig, onverbrekelijk zou zijn; maar dat zij den raad gaven,
dat het hof (hij bedoelde hiermede het hof van Policie en Justitie)
toch voorziening wilde maken tegen het verkeerde bestuur op de
plantaadjes; want dat het hun zwaar zou vallen, om, indien de een
of andere slaaf tot hen vlugten mogt, die daartoe door mishandeling
van zijnen meester genoodzaakt was, dien uit te leveren, om hem alzoo
boven de kwellingen, die hij reeds van zijnen meester had uitgestaan,
nog aan de straffende hand der justitie te onderwerpen; andere slaven,
die kwaaddoeners, doodslagers of vergiftigers waren, zou men, zonder
de minste aarzeling, onmiddellijk overgeven.

Van dergelijke redelijke goede taal en van billijke handelingen der
negers vinden wij verscheidene voorbeelden bij de onderscheidene
schrijvers geboekt. Moeten wij erkennen, dat door het wegloopen der
slaven en door den hierop gevolgden strijd groote rampen over de
kolonie gekomen zijn, wij moeten eerlijk zijn en bekennen, dat de
grootste en meeste schuld aan onze vaderen, aan de blanke kolonisten
en niet aan de zwarte heidensche slaven lag; en tevens moeten
wij belijden, dat het gedrag der negers, in meer dan een opzigt,
prijzenswaardig was en hun strijd voor de vrijheid onze levendige
sympathie opwekt en verdient.

De commissarissen werden rijkelijk voor hunne moeite door de regering
beloond. De heer Louis Nepveu o. a. ontving voor zijne bewezene
diensten eene jaarwedde van f 500, eene gratificatie van f 1200,
ter bestrijding zijner gemaakte onkosten, en werd door Directeuren
der »Geoctroijeerde Sociëteit van Suriname" vereerd met een zilveren
vaas en koffijkan, als gedachtenis.

Hetgeen nu tot stand was gekomen, was ook inderdaad zeer belangrijk;
de twee voornaamste stammen der wegloopers waren bevredigd en kwamen
hunne verpligtingen getrouw na, waardoor de hagchelijke toestand der
volkplanting voor het oogenblik veel was verbeterd; maar aan de andere
zijde had de gesloten vrede tevens de onmagt van het bestuur om de
boschnegers met de wapenen te onderwerpen, verraden--en nog bevonden
zich steeds verscheidene benden onbevredigde wegloopers in de bosschen,
gereed om hunne plunderingen te hervatten, indien het oogenblik hiertoe
gunstig ware--en hun aantal werd nog gedurig vermeerderd doordat de
meesters, in plaats van door de ondervinding geleerd, wijs te zijn
geworden, in hun verkeerd gedrag jegens hunne slaven bleven volharden,
waardoor later nieuwe verwikkelingen ontstonden, nieuwe rampen over de
kolonie kwamen en deze aan den rand van haren ondergang gebragt werd.



DERDE TIJDVAK.

VIERDE HOOFDSTUK.

    Van de optrede van Mr. Jan Jacob Mauricius als Gouverneur in 1742
    tot zijne aftreding in 1751; overzigt van den toestand der blanke
    en vrije bevolking te dien tijde enz.


Reeds in het tweede hoofdstuk (bladz. 105) en in het derde (bladz. 147
enz.) maakten wij met een enkel woord gewag van de aanvaarding van
het bestuur over Suriname door Mr. Jan Jacob Mauricius en van zijne
pogingen om vrede met de boschnegers te sluiten; wij willen trachten
hem nu iets nader in zijn bestuur dezer kolonie en in zijne betrekking
tot Suriname's vrije bevolking te leeren kennen.

In het tweede hoofdstuk spraken wij over de gedurige twisten die
tusschen de kolonisten en den Gouverneur heerschten, waardoor
de vooruitgang en de bloei van Suriname werden tegengehouden en
belemmerd. Deze twisten, voornamelijk door verwikkelingen na den
inval en de brandschatting van Cassard in 1712 ontstaan, waren
steeds in hevigheid toegenomen, daar zij gestadig nieuw voedsel
vonden; het verschil over de betaling der kosten van den bouw der
verdedigingswerken vooral was eene vruchtbare bron hiervan.

Gedurig kwamen de Gouverneurs, die de belangen hunner meesters, de
directeuren der »geoctroijeerde sociëteit", voorstonden, in botsing
met de kolonisten, welke, ofschoon meermalen onderling verdeeld,
zich somtijds vereenigden om den dienaar der Sociëteit tegen te
werken;--hij die zich aan de zijde des Gouverneurs schaarde, werd
door anderen verachtelijk een Sociëteits-man genoemd.--

Reeds in gewone tijden moet men meer dan gewone bekwaamheid
bezitten om eene kolonie als Suriname te besturen, maar wanneer
de storm der hartstogten door buitengewone omstandigheden gewekt,
loeide, dan waarlijk werd eene mate van geestkracht, helderheid en
schranderheid vereischt, welke men zelden in een persoon vereenigd
aantreft. Moeijelijk was het een dergelijk persoon te vinden, die
tevens genegen was om de gansch niet benijdenswaardige betrekking
van Gouverneur op zich te nemen, zoodat Directeuren der Sociëteit
zich gelukkig achtten toen Mr. Jan Jacob Mauricius zich de op hem
uitgebragte keuze, hoewel na eenige aarzeling, liet welgevallen. Men
verwachtte veel van Mauricius, misschien waren de verwachtingen
deswege wel wat te hoog gespannen,--want hoewel hij zich reeds in vele
belangrijke betrekkingen gunstig onderscheiden had, waren deze meer
geschikt geweest om zijne staatkundige bekwaamheden te doen uitkomen
dan wel die, welke den regent kenmerken. Staatsman of regent verschilt
nog zoo veel. Men vindt zoo weinig mannen als onze Willem de Derde,
de beroemde verdediger der Protestantsche vrijheden.

Waren de verwachtingen misschien te hoog gespannen,--de bekwaamheid
van Mauricius wordt algemeen ook door latere geschiedvorschers
erkend. Reeds op jeugdigen leeftijd gaf hij blijken van buitengewone
kennis; [178] na volbragte studiën trad hij op negentienjarigen
leeftijd in het huwelijk met Alida Pauw, en legde zich in de eerste
jaren van zijn huwelijk op den landbouw toe, eerst te Nijmegen,
daarna in de Beemster bij Purmerend. Door bewerking zijner vrienden,
tot schepen en pensionaris der stad Purmerend benoemd, aanvaardde hij
dit ambt en vervulde met ijver de pligten hieraan verbonden, zoodat
hij weldra tot gedeputeerde benoemd, als zoodanig ter vergadering
van de Staten van Holland en West-Vriesland afgezonden werd. Later
oogstte hij als Resident van den Staat der Vereenigde Nederlanden
bij den Neder-Saxischen kreits te Hamburg veel roem in, en bewees
den staat gewigtige diensten die door verhooging van jaarwedde erkend
en beloond werden, terwijl hij tevens in de verschillende plaatsen,
waar hij uithoofde van zijn ambt vertoefde, zich algemeen bemind wist
te maken en ieders hoogachting won. [179]

In Augustus 1742 vertrok Mauricius met zijn gezin, (hij was in 1737
ten derde male gehuwd en wel met jonkvrouw Johanna Maria Wreede, en
had bij haar en bij zijne vorige echtgenooten verscheidene kinderen)
naar de plaats zijner bestemming en kwam, na eene lange, doch gelukkig
volbragte reis, den 14 October behouden in Suriname aan, alwaar hij op
de meest vriendschappelijke wijze werd ontvangen door den aftredenden
Gouverneur Gerard van de Schepper, van wien hij de teugels van het
bewind overnam.

Vóór wij Mauricius handelende doen optreden, werpen wij eerst een blik
op de staatsregeling, regterlijke collegiën enz. in Suriname en geven
een overzigt van den toestand der blanke, en vrije kleurling-bevolking
te dien tijde, waardoor de op zich zelf staande feiten beter in hun
verband kunnen worden gevolgd.

Als grondwet, om het eens met een woord van onzen tijd uit te
drukken, werd het octrooi van 1682 door de Algemeene Staten aan de
W. I. Maatschappij verleend, beschouwd.

De »Geoctroijeerde Sociëteit van Suriname," die door overdragt van de
W. I. Maatschappij, in het bezit van Suriname was gekomen, had dezelfde
regten ontvangen, en was tot dezelfde verpligtingen jegens de kolonie
gehouden. [180] Volgens dat octrooi had wel is waar de Gouverneur de
hoogste magt in handen, maar was hij tevens gehouden bij belangrijke
zaken den Politieken Raad bijeen te roepen, in welken hij voorzat en
mede stem uitbragt. Die Politieke Raad, of gelijk zij genoemd werd:
»het Hof van Politie en Criminele Justitie", was niet slechts een
adviserend, maar tevens eenigermate een wetgevend ligchaam en een
regterlijk collegie.--Daar de grenzen tusschen adviseren en wetgeven
niet zeer juist afgebakend waren, ontstonden hierdoor meermalen groote
moeijelijkheden, ja zelden kwam iets belangrijks zonder voorafgaand
verschil tot stand. De Raden vermeenden steeds, dat hun met den
Gouverneur de regering toekwam, en de Gouverneur daarentegen, dat
het genoeg ware, zoo hij in zaken van aanbelang hun advies inwon,
en tevens waar de nood drong, op eigen gezag handelde.

Het Hof van Politie en Criminele Justitie bestond uit den Gouverneur
als Voorzitter, uit den Commandeur of Bevelhebber over de fortificatiën
en het krijgsvolk, die als eerste raad door de sociëteit aangesteld en
door den Souverein bevestigd werd, en uit negen onbezoldigde leden,
die volgens artikel XVIII van het octrooi, uit de aanzienlijksten,
verstandigsten en moderaatsten onder de kolonisten, voor hun leven
lang, beroepen werden. Een dubbeltal werd door de ingezetenen,
die »gehuisd en gehoofd", d. i.: die een eigen bezitting hadden en
hoofden van een gezin waren, gevormd, waaruit de Gouverneur de electie
had.--Bij resolutie van Gouverneur en Raden van 18 Julij 1719 was
vastgesteld, dat de Administrateurs en Directeurs van buitenlandsche
meesters, deel aan de verkiezing konden nemen; later werd die resolutie
weder ingetrokken.

De Joden hadden mede de bevoegdheid tot het uitbrengen hunner stem,
hetgeen voor dien tijd zeker iets zeer ongewoons was, en waartegen
de andere kolonisten meermalen hunne stem verhieven en o. a. in 1751
een vertoog inleverden.

Behalve de genoemde leden, had de Raad Fiscaal zitting in het hof,
echter slechts met eene adviserende stem.

Tevens was er een secretaris die de notulen hield, de sententiën
schreef, en een of meerdere gezworen klerken tot zijne dienst had.

Daar in den regel de Gouverneurs uit den militairen stand gekozen
werden en alzoo evenmin als de andere leden regtskennis bezaten,
oefende de Raad-Fiscaal, welke betrekking wel eenigermate met die van
den tegenwoordigen Procureur-Generaal overeen kwam, als de eenige
regtsgeleerde in die vergadering, daarop meermalen een grooten
invloed uit.

Het tweede regterlijk collegie, het Hof van Civiele Justitie, volgens
het 24ste Artikel van het octrooi door van Scharphuisen in 1689
ingesteld; [181] bestond mede uit den Gouverneur als Voorzitter en zes,
sedert 1744 uit tien, onbezoldigde leden, welke, uit een dubbeltal
door het Hof van Policie gevormd, door den Gouverneur verkozen werden.

De Raad-Fiscaal had als adviserend lid ook zitting in dit hof en
pretendeerde zelfs, na den Gouverneur, tot de voorzitting geregtigd
te zijn, welke pretentie tot velerlei verschillen aanleiding gaf,
te meer daar hij tot 1745 het ambt van exploiteur bij zijn fiscalaat
bekleedde, en als zoodanig door het hof als deszelfs dienaar, als
deszelfs ondergeschikte die zijne besluiten moest ten uitvoer leggen,
beschouwd werd.

Bij deze regtbank werden alle burgerlijke zaken afgedaan, en tevens
kon men bij haar appelleren over vonnissen, die hooger liepen dan de
som van f 100 tot f 250, en ter eerste instantie geveld waren door het
derde regterlijk collegie, namelijk dat van commissarissen van kleine
zaken, dat gewoonlijk »Subaltern collegie" genoemd werd, welks mede
onbezoldigde leden door Gouverneur en Raden werden aangesteld. Het
bestond eerst uit 6 leden en een oud raad van civiele justitie als
president, later is dit getal tot 10 vermeerderd, en een secretaris
daaraan toegevoegd.

Door dit collegie werd, gelijk reeds de naam aanduidt, de geringere
zaken hoogstens tot een bedrag van f 250 beregt.--In latere tijden
werd het opzigt over de gemeene weiden, waartoe vroeger afzonderlijke
personen waren aangesteld, aan dit collegie opgedragen.--Van vonnissen
hooger dan f 100 geslagen, kon men zich, gelijk reeds gemeld is, op
het hof van civiele justitie beroepen, en van die der beide anderen
kon men bij de Algemeene Staten revisie verzoeken.

Verder waren er commissarissen van de wees- en onbeheerde
boedelskamers, weesmeesters genoemd. Deze kamers waren drie in getal;
een voor de Christelijke, een voor de Portugeesch-Joodsche en een
voor de Nederduitsch-Joodsche gemeente. Voor iedere kamer had men
twee weesmeesters, een secretaris, tevens boekhouder en kassier en een
gezworen klerk. De ingezetenen moesten hun copy van hunne testamenten
over leveren. Een weduwnaar of weduwe kinderen hebbende, moest bij
een tweede huwelijk bewijs aan de weesmeesters geven, dat de kinderen
hun geregtigd aandeel verkregen, enz. enz.

Behalve deze genoemde hoven en collegiën had men het corps
burger-officieren, dat meermalen grooten invloed op de aangelegenheden
uitoefende.

De burger-officieren werden door Gouverneur en Raden aangesteld. Hun
was voornamelijk een zeker toezigt over de plantaadjes opgedragen. De
kolonisten waren verpligt hun jaarlijks het getal blanken en slaven,
die zich op de effecten bevonden en den ouderdom van twaalf jaren
hadden bereikt, op te geven. De kapiteins der burger-officieren waren
gehouden, daarvan verslag te doen aan het hof, opdat daarnaar de
hoofdgelden van allen geregeld en het getal der slaven, die tot het
werken aan de fortificatiën of tot het doen van boschtogten moesten
worden geleverd, bepaald worden. De burgers die tot het bewaren der
rust, tot het doen van boschtogten op de weggeloopen slaven, of tot
verdediging tegen een buitenlandsche vijand eene soort van militie of
schutterij vormden en van tijd tot tijd in den wapenhandel geoefend
werden, stonden onder de bevelen der genoemde burger-officieren. Zij
waren in compagniën verdeeld; iedere compagnie had een krijgsraad, de
lage burgerkrijgsraad genaamd, bestaande uit den kapitein, luitenants,
vaandrigs en de sergeanten. De hooge burgerkrijgsraad was zamengesteld
uit den Gouverneur, de raden van Politie, de kapiteins en luitenants;
bij afwezigheid dezer laatsten volgden de vaandrigs hen op.--Men
vindt in de geschiedenis hiervan echter weinig gewag gemaakt.

Werden de hier opgenoemde collegiën en het corps burgerofficieren uit
de inwoners benoemd, en dienden de leden daarvan de kolonie zonder
bezoldiging, gelijk het 24 artikel van het Octrooi zegt, »zonder
daarvoor eenige weddens of vergeldingen te genieten, maar alleen uit
liefde ten beste van 't gemeen," er waren ook bezoldigde ambtenaren,
dienaren der Sociëteit.

In de eerste plaats: de Gouverneur die door de Directeuren der
Sociëteit aangesteld werd, doch onder goedkeuring van de Algemeene
Staten van wie hij zijn lastbrief ontving en in wier handen hij
evenzeer als in die der Directeuren den eed van getrouwheid moest
afleggen: hij was voorzitter van politieke en militaire vergaderingen
en bezat de magt om pardon te verleenen. In gewigtige zaken was
hij gehouden den Raad van Policie bij een te roepen; terwijl hij de
bevoegdheid had, om, naar bevind van zaken, den hoogen militairen
krijgsraad te beleggen. Volgens zijne instructie was hij verpligt
de Hervormde Godsdienst te beschermen en voor te staan. Hij had tot
zijne dienst een particulieren secretaris, welke door de Sociëteit
bezoldigd werd, benevens eenige klerken enz.

De persoon die in rang op den Gouverneur volgde, was de Commandeur
die, onder hem, het bevel over de krijgsmagt en het opzigt over
de verdedigingswerken der kolonie had, terwijl hij daarenboven als
eerste Raad in het Hof van Policie en Criminele Justitie zitting nam,
en bovendien, bij het overlijden van den Gouverneur, bevoegd was het
bestuur ad interim, volgens resolutie der Sociëteit, op zich te nemen;
hetgeen hem echter, meermalen door de Raden betwist werd.

Hij had den rang van kolonel en maakte met de luitenant-kolonels,
majoors en verdere officieren den kleinen militairen krijgsraad uit,
alwaar de Raad-fiscaal als Auditeur mede zitting had.

De onder hem staande krijgsmagt, wier sterkte zeer afwisselend was,
bestond uit infanterie en een klein corps artillerie. De militairen
waren op de forten Nieuw-Amsterdam, Zeelandia, Sommelsdijk en op
verscheidene posten in de rivieren verdeeld.--Ofschoon volgens het
27ste artikel van het octrooi het onderhoud der krijgsmagt en der
fortificatiën ten laste der Sociëteit moest komen, werd daarin van
tijd tot tijd, op voordragt der Sociëteit, door H. H. M. verandering
gebragt, echter niet zonder veel tegenstand van de zijde der
kolonisten. Door deze nadere bepalingen kon men rekenen dat, van
wederzijde, ieder de helft der kosten droeg.

De derde door de Sociëteit bezoldigde dienaar de Raad-fiscaal, die als
adviserend lid mede zitting in de beide hoven had, was den Gouverneur
als raadsman toegevoegd; hem was opgedragen om: »het regt der hooge
overheid alom waar te nemen, over de gansche kolonie, zoo te water
als te land." Daarenboven moest hij als Auditeur bij den Militairen
krijgsraad ageren.

Als Fiscaal werd hem toegevoegd een schout en twee policie-dienaren,
die uit de kas der modique lasten betaald werden.

Toen het exploiteursschap nog aan het Fiscalaat verbonden was, had
hij daartoe twee of drie substituten.

De secretarissen van de beide hoven, waarvan meestal de oudste in
bediening, in het Hof van Policie zat, fungeerden te gelijk als
notarissen en hadden ter hunner beschikking een boekhouder en eenige
gezworen klerken.--De secretarissen hadden geene vaste bezoldiging;
de oudste trok drievijfden, de jongste tweevijfden van de voordeelen
der secretarie.

Er waren verscheidene kantoren in Suriname als: van de inkomende en
uitgaande regten op de koopwaren; van de hoofdgelden voor de Sociëteit,
van de verkoopingen, en dat der modique lasten. De ontvangers der drie
eersten werden door de Sociëteit benoemd en bezoldigd, terwijl die
der modique lasten door den Gouverneur en de raden werd aangesteld,
en deze ontvanger was ook verpligt jaarlijks aan het Hof, met open
deuren, rekenschap zijner gehoudene administratie af te leggen.

Aan het kantoor der inkomende en uitgaande regten betaalde men
als lastgeld van de schepen, voor iederen scheepslast drie gulden
voor inkomende en evenveel voor uitgaande regten. Op alle goederen,
die uitgevoerd werden, werd eene belasting van twee en een half ten
honderd geheven, volgens het 4de artikel van het octrooi.

Om de juiste hoeveelheid der uitgevoerde suiker, waarvan de gezegde
belasting voornamelijk betaald moest worden, te constateren, was bij
placaat van 1693 een bepaald soort van vaten voorgeschreven, waarin
de suiker moest verzonden worden.

Om te zorgen dat aan deze bepalingen voldaan werd, waren er vier
keurmeesters voor de suiker- en een rooimeester van de melassievaten,
door den Gouverneur aangesteld.

Aan het kantoor der hoofdgelden moest jaarlijks van iederen blanke en
van iederen slaaf die boven de twaalf jaren oud waren, 50 pond en daar
beneden tot drie jaren, 25 pond suiker als hoofdgeld betaald worden,
terwijl kinderen beneden de drie jaren buiten rekening bleven. Voor de
planters en andere ingezetenen die geene suikerplantaadjes hadden, werd
de suiker tegen een stuiver het pond berekend,--dus voor de volwassenen
vijftig stuivers per hoofd en voor de kleinen vijf en twintig stuivers.

De in de kolonie pas gevestigde planters en hunne slaven waren voor
de eerste 10 jaren vrij van deze belasting, volgens het 3de artikel
van het Octrooi.

Aan het kantoor der verkoopingen was men vijf ten honderd van de
gekochte goederen verschuldigd; voor de uit Afrika aangebragte slaven
slechts 2 1/2 pCt. [182]

De inkomsten van het vierde kantoor, genaamd het kantoor der Modique
lasten, kwamen van verschillende zijden.

Van de vrijheid tot het oprigten van hetzelve, door het 29ste
Artikel van het octrooi verleend, schijnt men al vroeg gebruik te
hebben gemaakt, daar reeds bij placaat van 31 September 1682 aan
de herbergiers en die drooge gasterij hielden, gelast werd, hunne
verlofbrieven te vertoonen ten behoeve van de modique lasten. De
schippers waren gehouden eene lijst der natte waren, in hunne schepen
geladen, aan den ontvanger, onder eedsaflegging te vertoonen. [183]--De
ingezetenen betaalden zekeren impost van die waren; de herbergiers
voor hun verlofbrief tot de zoogenaamde groote tap aan den waterkant
f 600 en voor de kleine f 400, waarvan de helft aan het hospitaal en
de wederhelft aan het kantoor der modique lasten kwam; verder verviel
1/3 van de meeste boeten aan genoemd kantoor. Uit de inkomsten hiervan
werden de kosten van de vergaderingen der hoven en andere collegiën
betaald, en het onderhoud van de kerkendienst, der schoolmeesters
enz. Ter voorziening van de enorme kosten door de togten tegen de
weggeloopen slaven veroorzaakt, en ter betaling van de premiën, op
het vangen en dooden derzelve gesteld, werd jaarlijks eene heffing
over de geheele kolonie geslagen en deze mede door den ontvanger der
modique lasten ontvangen en verantwoord. [184]

Behalve de reeds genoemde ambtenaren, die òf door de Sociëteit, òf door
den Gouverneur, òf door Gouverneur en Raden aangesteld werden, had men
in Suriname nog 2 deurwaarders bij de hoven, 2 gezworen landmeters,
3 houtmeters, 1 keurmeester van het beestiaal en 1 beëedigde weger
op 's lands waag, benevens verscheidene adsistenten, klerken en
bedienden. [185] Over de begeving dier onderscheidene ambten was
meermalen verschil tusschen den Gouverneur en de Raden van Policie;
ook Mauricius had hierover groote onaangenaamheden te verduren,
hetgeen bij den toestand en inrigting der maatschappij aldaar, niet
te verwonderen was.

De blanke bevolking te Suriname bestond uit een mengelmoes van
verschillende Europesche natiën.

In de eerste plaats moeten wij de Nederlanders of afstammelingen van
Nederlanders vermelden, die òf om hun fortuin te maken, òf om andere,
soms weinig eervolle, redenen, genoopt waren geworden, om vaderland
en maagschap te verlaten.

Ten tweede, de Franschen of hunne afstammelingen. Reeds in de eerste
tijden der kolonie (zie bladz. 65-67) had een vrij aanzienlijk getal
Fransche vlugtelingen naar Suriname den wijk genomen; welk getal van
tijd tot tijd vermeerderd was.

Ten derde, waren ook vele Duitschers naar de kolonie gekomen. Daar
het getal blanken, in vergelijking met dat der negerslaven, zeer
gering was, had men van tijd tot tijd getracht de blanke bevolking
te vermeerderen; meermalen waren hiertoe pogingen in het werk gesteld
en oproepingen daartoe gedaan. [186] Germanjes zonen hadden aan deze
oproepingen in het bijzonder veel gehoor verleend. Vele Duitschers,
die Holland als een Eldorado beschouwden, namen den wandelstaf op,
verlieten hunne bergen en dalen, om aldaar hun geluk te beproeven. Mogt
het al aan sommigen gelukken, rijkdom en eere te verwerven, niet allen
slaagden even spoedig; doch de nijvere Duitscher liet zich hierdoor
niet ontmoedigen. In Holland hoorde hij van Suriname spreken; hij
vernam dat men daar gaarne Europeanen ontving; volgens de geruchten
kon men daar spoedig rijk worden, ten minste tot eenig aanzien komen,
slaven onder zich hebben en dus meester over anderen spelen--en
dergelijke vooruitzigten waren zoo streelend, zoo uitlokkend, dat hij
zich hiervoor gaarne wat moeite en ontbering getroostte en er eenige
kwade jaren voor over had; en--hij zocht gelegenheid om dat land te
bereiken, en in Suriname gekomen, werd hij doorgaans goed ontvangen,
op de eene of andere plantaadje als blankofficier geplaatst, van waar
hij weldra tot den rang van Directeur opklom en meermalen bezitter
van plantaadjes en slaven werd.

Er rezen zelfs wel eens klagten, dat de Duitscher boven den Nederlander
en inboorling voorgetrokken werd, welke klagt in latere jaren herhaald
werd. [187]

Dat onder eene zoodanig gemengde bevolking niet veel overeenstemming
bestond, valt ligt te begrijpen.--Kernachtig beschrijft Mauricius
dit in een brief aan de Staten-Generaal (Recueil van echte stukken
3de deel, bladz. 519).

»Wat de onderlinge genegenheid, harmonie enz. en in 't geheel de rust
en vrede der kolonie betreft, uw H. M. gelieve zich te erinneren
't geene ik in de derde depêche op de Requeste, § 2 gezegt heb van
den aart van 't land, en men moet altijd onthouden, dat het gros der
inwoonders der colonie bestaat uit een zaamenvloeisel van allerlei
natiën, waaruit profluceren vier natuurlijke gevolgen; 1e. dat velen
gebooren zijnde onder een Monarchale regeering, en nu hoorende,
dat ze onder eene vrije zijn, van de eene extremiteit tot de andere
springen, zich verbeeldende, dat de vrijheid bestaat in libertinage en
anarchie. 2e. Dat ten minste de meesten vreemd zijnde, geen Neêrlands
hart, en vervolgens geen patriotische sentimenten hebben, dewijl ze
Nederland niet voor hun vaderland houden. 3e. Dat tusschen lieden
van differente natiën onmogelijk die band van harmonie kan weezen,
die ordinair subsidieert tusschen uniforme landslieden, gelijk in de
Fransche en Engelsche coloniën en 4e. dat ze altijd animum revertendi
behouden en dus geen attachement hebben voor een land, 't welk ze
considereeren niet als een woonplaats van hen en hare kinderen,
maar alleen als een land van vreemdelingschap en passage. Men zou
hier remarques kunnen bijvoegen, die uit dezelfde source voortkomen,
vooral, dat vele zijn lieden òf zonder opvoeding, òf die in hun
vaderland niet hebben willen deugen, en vervolgens van godsdienst,
regt doch vooral van 't geen men orde, betamelijkheid en pudor noemt,
gansch geene of zeer verkeerde denkbeelden hebben. Zulke menschen raken
ligt in twist, en de minste twist is bitter en onverzettelijk. Echter
moet ik aan de ingezetenen alhier de justitie doen, dat ze, zoolang ze
in een minderen staat blijven, vreedzaam en buigzaam zijn, en zelfs,
hoe sterk aangezocht en opgeruid, altijd een aversie getoond hebben van
oproer; doch wanneer ze uit hun néant tot rijkdom of eere opklimmen,
draait hun doorgaans 't hoofd."

De vestiging der Portugesche Joden in Suriname hebben wij reeds vroeger
vermeld (zie tweede tijdvak). De meesten hunner waren niet onvermogend,
sommigen zelfs rijk; het getal der Joden vermeerderde in de achttiende
eeuw zeer sterk, zoodat zij weldra een derde gedeelte van de blanke
bevolking der kolonie uitmaakte. Onder de nieuw aangekomen bevonden
zich vele Hoogduitsche en min beschaafde Poolsche Joden, die veelal
in behoeftige omstandigheden verkeerden; om nu de kolonie niet met
verarmde ingezetenen te bezwaren, bepaalden de Staten, bij Resolutie,
dat alleen de Joden die genoegzaam vermogen bezaten om eigenaars eener
plantaadje te worden, zich naar Suriname mogten begeven. De Joden
waren bijna op gelijken voet met de volkplanters van de Gereformeerde
religie gesteld, hun was de toegang tot de meeste burgerlijke bedrijven
en bedieningen geopend, uitgenomen het werkelijk lidmaatschap der
regering of der regterlijke collegiën, maar daarentegen hadden zij
eene zekere autonomie of zelfs--regering; aan eene uit hun midden
verkozen burgerlijke vierschaar was de kennisneming en uitspraak van
schuldvorderingen en verbindtenissen, de som van f 600.-- niet te
boven gaande, verleend; mede had dit collegie het regt en de magt
om uit de kolonie diegenen hunner geloofsgenooten te verwijderen,
van welken zij eenig openlijk schandaal vreesden, en de Gouverneur
was gehouden, een door de regtbank op de Joden Savane geslagen vonnis
van politieke uitzetting, te doen uitvoeren. [188]

De Parnassyns werden als de wettige regenten der Joden
beschouwd. Behalve genoemde burgerlijke voorregten was hun volledige
vrijheid in kerkelijke aangelegenheid toegestaan, zelfs tot in 1703
werden de huwelijken onder hen, volgens de Rabbijnsche uitlegging der
Mozaïsche wet, zonder meer, als geldig gerekend; toen echter werd
bepaald, dat men voortaan bij de voltrekking van het huwelijk zich
volgens de politieke verordeningen, deswege bestaande, gedragen moest.

Hun Ascamoth of kerkelijke instellingen werden in den loop der 18de
eeuw, na door de Parnassyns der Amsterdamsche Gemeente te zijn nagezien
en aangevuld, door de Staten-Generaal en de directeurs der Sociëteit
van Suriname gewaarborgd.

De Joden waren ten gevolge van een en ander zeer in welvaart
toegenomen, zoodat van de 400 plantaadjes, die zich in 1730 in Suriname
bevonden, 115 in bezit der Joden waren. Op de meesten dier plantaadjes
werd suiker verbouwd. [189]

Tot de genoemde blanke bevolking kon ook nog gerekend worden het
garnizoen, hetwelk meerendeels uit een zaamgeraapten hoop van allerlei
volkeren van Europa was aangeworven, en met het vele scheepsvolk,
dat telkens in Suriname aankwam, door zwelgerijen en muiterijen,
tot een wezenlijken last voor de kolonie verstrekte.

Bij deze Europeanen of afstammelingen van Europeanen kwamen nog de
kleurlingen, die uit de gemeenschap der blanken met de negerinnen
geboren en somtijds vrijgegeven (gemanumitteerd) werden, en de negers
die ditzelfde voorregt verworven hadden. Deze van alle Europesche
natiën en verschillende geloofsbelijdenissen zamengevloeide massa
maakte in vereeniging met de in Suriname geboren blanken en gekleurde
(gemanumitteerde) lieden, de vrije bevolking van Suriname uit. Zij
kon gevoegelijk in zes klassen verdeeld worden als: Ambtenaars,
Militairen, Landbouwers, Handelaars, Ambachtslieden en personen zonder
bepaald beroep.

Ambtenaars: deze eerste klasse was in de eerste tijden der koloniën
niet zeer talrijk, daar de leden der beide hoven, die van het collegie
van kleine zaken en de burgerofficieren niet tot deze categorie kunnen
gerekend worden, daar hunne betrekkingen slechts honorabel waren. Hun
getal was echter langzamerhand aangewassen, gelijk wij straks bij de
vermelding der ambtenaren gezien hebben. Ofschoon zij in meerdere of
mindere mate als dienaren der Sociëteit konden beschouwd worden, en
over hunne benoeming meermalen hevige twisten ontstonden, was het er
toch verre van verwijderd, dat men hen als een aaneengesloten geheel
kon beschouwen; daar ook zij meermalen bezittingen in de koloniën
hadden of administratiën voor anderen voerden, waren hunne belangen
met die der overige ingezetenen vereenigd en meermalen behoorden zij
tot de bitterste vijanden van den Gouverneur, waarover o. a. in het
dagboek van Mauricius en in het »recueil van echte stukken" vele
klagten voorkomen.

De Militairen--geregelde troepen.--Hun getal moest eigenlijk uit
1200 man bestaan en twee bataillons uitmaken, maar zelden was die
sterkte voltallig en slechts een gedeelte kon in het veld gebruikt
worden; de groote sterfte zoo op de reis van Holland naar Suriname
als de nadeelige invloed van de luchtstreek, de vermoeijenissen van de
dienst in de bosschen en moerassen ter opsporing van gevlugte slaven,
verminderde hun getal aanhoudend.

Deze geregelde militaire magt bestond uit sommige zeer goede en bekwame
officieren, maar de soldaten, ofschoon zij zich soms dapper gedroegen,
behoorden, op eenige loffelijke uitzonderingen na, tot het uitschot
van de Europesche natiën.

Een klein corps Artilleristen werd als de keurbende beschouwd.

Landbouwers: daartoe behoorde het grootste gedeelte der blanke
vrije bevolking--de eigenaars van grootere plantaadjes vormden, in
zekeren zin, de aristocratie van Suriname;--van hen hing het grootste
gedeelte der overige vrije bevolking af--hunne directeurs en zelfs
de eigenaars van kleine plantaadjes zagen hun naar de oogen--en
daar uit hen overeenkomstig het octrooi, de Raden van Policie en
die van Criminele Justitie gekozen werden, oefenden zij eene soms
willekeurige magt, niet slechts over de slaven maar zelfs over de
van hen afhangende vrijen uit.--Als een bewijs van de tyrannische
handelwijze van dergelijke lieden en van de zotte verbeelding die
zij van het gewigt van het ambt van raad van een der beide hoven
hadden, deelt Mauricius, in zijne 5e. depêche tegen Duplessis, aan
de Staten-Generaal [190] het volgende voorval mede.

Aubin Nepveu, een jong practizijn en solliciteur voor commissarissen,
die de kost niet slechts voor zich zelven maar ook voor eene oude
moeder, drie zusters en een jonger broeder moest winnen, werd door
zekeren heer du Peyrou, burger-kapitein met nog acht andere burgers
gecommandeerd om een togt tegen de wegloopers te doen. Hij bragt
daartegen zijne bezwaren in, doch te vergeefs, daar men om zijn
attachement aan den afwezigen Fiscaal van Meel op hem gepiqueerd
was. Hierdoor geërgerd, geraakte hij in twist met den broeder des
burger-kapiteins, een Raad van Civiele Justitie, en liet zich, in
eene levendige woordenwisseling, de plompe uitdrukking ontvallen,
dat hij niets om hem gaf.--De heer Sandick, prov. Fiscaal, zwager
van genoemden Du Peyrou, attaqueerde hem over deze woorden en deed
den eisch, dat hij zou worden gegeeseld, gebrandmerkt, en met een
gloeijenden priem door de tong gestoken.

De fiscaal grondde dezen eisch op het volgende: »de heer Du Peyrou
is Raad van Justitie. De Raden zijn goden op aarde.--Ergo die een
Raad scheldt, begaat Godslastering."--

De eisch is echter niet toegewezen, en Nepveu is slechts verpligt
geworden, een formeel excuus te verzoeken.

Handelaars.--Als zoodanig konden in het algemeen wel alle planters
(landbouwers) worden aangemerkt, daar het verkoopen der producten welke
hunne plantaadjes opleverden, tot een voornaam deel van hun bedrijf
behoorde, maar behalve deze groothandelaars waren er verscheidenen
die winkels of magazijns hielden, waarin men alle mogelijke voorwerpen
vereenigd vond.

In dergelijke magazijnen waren boter, kaas, ham, worst, bijouterijen,
Neurenberger kramerijen, manufacturen, gemaakte kleederen, laarzen,
schoenen, hoeden, confituren, banket, allerlei keukengereedschappen,
huisraad, muziekinstrumenten, kanarievogels, alles door één gemengd
en opeengestapeld.

Ambachtslieden: Deze klasse te Paramaribo bestond meerendeels uit
kleurlingen; schrijnwerkers, timmerlieden en molenmakers waren
meestal vrij bekwaam.--Metselaars waren minder benoodigd, daar de
meeste gebouwen, behalve de fundamenten, van hout waren zamengesteld;
de smeden hielden zich slechts met grof werk bezig.

Fabrijken en trafijken werden niet in Suriname gevonden, en in het
algemeen was de industrie er niet zeer ontwikkeld; de meeste voorwerpen
van luxe moesten uit Nederland worden aangevoerd. [191]

Personen, zonder bepaald beroep: Tot deze nog talrijker klasse welke
in de laatste plaats genoemd wordt, kon men rekenen de vettewariers:
lieden die een soort van smokkelhandel dreven, geringere voorwerpen,
die den kooplust der slaven opwekten, te koop hadden, aan dezen dram,
enz. schonken, en gelagen hielden, ofschoon dit door placaten verboden
was en ook meermalen werd gestraft; zoo werd o. a. zekere Jan Pens,
die een drinkgelag had gehouden met 10 à 12 slaven, welke aldaar zaten
te drinken en uit lange pijpen te rooken, veroordeeld tot f 300 boete;
(Notulen Gouv. en Raden, 4 en 8 Nov. 1744) de ordonnans Schultz, die
een smokkelkroeg hield, werd den 29sten Junij 1748, volgens sententie
van den krijgsraad, gestraft met spitsroeden en gedegradeerd tot
gemeen soldaat [192]. Verder behoorden tot deze klasse de karrelieden,
de pontvoerders, enz., terwijl verscheidene vrije negers zich buiten
Paramaribo hadden gevestigd, waar zij zich met het aankweeken van kost
(banannen enz.) bezig hielden.

Een groot gedeelte der genoemde vrije bevolking woonde in Paramaribo
of zoo als men zulks in de kolonie noemde »het fort." Paramaribo
was in het midden der 18e eeuw, het tijdstip waartoe wij thans met
onze geschiedenis gevorderd zijn, niet meer het ellendige vlek,
dat van Sommelsdijk bij zijne aankomst vond en dat toen slechts uit
een vijftig hutten, meest smokkelkroegen, bestond;--het was spoedig
toegenomen. Zien wij in eene beschrijving van Paramaribo in 1680
[193] er nog slechts gewag van gemaakt als van een dorp van 50
à 60 huizen, reeds ten tijde van den inval van Cassard in 1712,
en dus groote dertig jaren later, lezen wij [194] van Paramaribo
als »omtrent 500 huizen groot, altemaal van hout gebouwd,--aan de
waterkant het meest met oranjeboomen beplant, dat een heel vermakelijk
gezigt geeft." Mauricius verklaart in een schrijven aan HH. M. [195]
dat het getal der huizen te Paramaribo gedurende den tijd van zijn
bestuur bijna een derde is vermeerderd--en uit zijn getuigenis en uit
de notulen [196] blijkt, dat de huizen gezamenlijk aldaar ongeveer
f 150,000 huur 's jaars opbragten en dat er onder waren die 20 à 30
duizend gulden waarde hadden. [197] Paramaribo was langzamerhand eene
geregelde stad geworden, voorzien van straten, grachten, pleinen, en
met verscheidene publieke gebouwen versierd, doch zonder poorten. Het
gouvernementshuis onder het bestuur van Jan de Goyer (1707 tot 1713)
reeds vergroot en onder de Cheusses (1728 tot 1734) gedeeltelijk
afgebroken en verbouwd, muntte onder de publieke gebouwen uit.

Het gemeentehuis, dat tevens voor Hervormde kerk diende, de Luthersche
kerk, die in 1744 begonnen, in 1747 voltooid werd, de kleine doch
nette synagoge der Portugesche Joden, in 1737 gebouwd [198] en eenige
andere publieke gebouwen strekten Paramaribo tot sieraad.

De straten der stad waren, met geringe uitzonderingen, regt, breed
en grootendeels met oranjeboomen, hier en daar ook met tamarinden en
andere boomen bezet. Verscheidene straten hadden verwelfde kanalen,
waarin het water kon afloopen;--hoewel ongeplaveid, waren zij door
rivierpuin of ballast en schelpgruis hard en vast; de Hollandsche
zindelijkheid was ook te Paramaribo zigtbaar.

Eenige grachten en open pleinen gaven eene zekere frischheid aan
de stad, terwijl tevens bijna overal tuinen bij de huizen werden
gevonden, waardoor de stad, naar evenredigheid harer bevolking,
eene vrij aanzienlijke uitgestrektheid had.

Van die tuinen werd echter niet veel werk gemaakt, zij bestonden
slechts uit eenige hier en daar verspreide ooftboomen, kokospalmen en
struiken, waartusschen eenige moeskruiden, door heggen van limoenboomen
of ander houtgewas omgeven.

De huizen waren meest allen van hout en van buiten en van binnen met
olieverw beschilderd.

Het uitwendige derzelver geleek wel eenigzins naar de huizen der
Zaansche dorpen. [199]

Het moet verwondering baren, dat men in eene stad als Paramaribo,
waar het gevaar van brand zoo groot was, niet reeds spoedig op
brandbluschmiddelen bedacht was, en toch lezen wij in de notulen van
Gouverneur en Raden van 18 Feb. 1745, dat een voorstel van Mauricius
na een brand, waardoor verscheidene huizen eene prooi der vlammen
werden, om eenige brandspuiten enz. uit Nederland te ontbieden, nog
veel tegenkanting ontmoette, ofschoon hij in zijne ter ondersteuning
van dit voorstel gehouden rede te regt aanmerkte, »dat de bewering,
dat het vuur hier niet zoo veel kracht had als in Europa nu contrarie
bleek";--het voorstel werd echter aangenomen en dienovereenkomstig
besloten, om hiervoor f 2500 beschikbaar te stellen en daarvoor
te laten komen »twee brandspuyten van de nieuwe uitvinding, soo
als die in Holland op waegentjes, tot gemakkelijk transporteren,
staende, werden gebruikt, die 40 of 50 voet hoog spuyten--100 leeren
brandemmers, 25 handhaaken, 12 brandladders van diverse lengte met alle
verdere tot blusschen van brand benoodigde matriaalen enz. zoo als
in het vaderland werden gebruykt,--welke alle sullen moeten gemaekt
en ingerigt worden naar die van het dorp Zaandam, welke gebouwen,
uitgenomen dat die alhier (Paramaribo) hooger zijn, veel connexie
hebben met die van Paramaribo."

Ter bestrijding dezer kosten werd bepaald, dat ze bij provisie uit
de kas der modique lasten zouden worden betaald, maar dat er tevens,
om ook hierin voor het vervolg te voorzien, onder goedkeuring der
Sociëteit, eene belasting op de huizen door de eigenaars te betalen,
zou worden geheven. Niettegenstaande deze bepaling duurde het nog een
geruimen tijd voordat Paramaribo van brandspuiten werd voorzien--de
kas der modique lasten liet die uitgaaf niet toe en over de belasting
zelve, kwam, als naar gewoonte, verschil; herhaaldelijk hooren wij
Mauricius in zijn dagboek hierover klagten aanheffen.

De aanstelling van klapperlieden of nachtwachts, die van dien zelfden
tijd dagteekent, voldeed ook niet aan de verwachting.

De gewone bouworde der huizen in Paramaribo was als volgt: op
steenen fundamenten werden de posten of het bindwerk van duurzaam
hout, b. v. bruinhart, bevestigd en tot omkleedsel diende kopie-hout,
terwijl de daken niet met pannen, maar met houten plankjes, singels
genaamd, bedekt werden.

De meeste huizen bestonden uit twee verdiepingen. Glasramen vond men
er weinig in; in plaats hiervan werden jalouzien of raampjes met gaas
of doek bespannen, gebruikt, de deur was meermalen om de koelte te
bevorderen, van los traliewerk gemaakt.

Behalve het hoofdgebouw waren er doorgaans eenige nevengebouwen, als:
keuken, bergplaats, negerwoningen, stallen enz., welke alle op eene
opene plaats uitkwamen.--Een duiventil of volière, een regenbak voor
de blanken en een put met water, dat dikwijls brak en onaangenaam
van smaak was, voor de slaven, voltooiden het geheel.

Zoogenaamde plaatsen van uitspanning waren er ten dien tijde zeer
weinig in Paramaribo. Als eene der voornaamste kon nog gerekend worden
de loge Concordia--een groot gebouw, in 1732 voor het eerst gebruikt,
alwaar behalve de vergaderingen der vrijmetselaars, ook concerten en
partijen gegeven werden.

Verder waren er toenmaals twee bekende herbergen--eene in de
Gravenstraat, van Middelhof, voor de aanzienlijken en eene andere,
waarvan zekere Valk gedurende het bestuur van Mauricius, eigenaar was,
voor de tweede klasse van ingezetenen, en dan nog eenige kleinere
kroegen.

Openbare wandelingen in den omtrek van Paramaribo vond men bijna niet,
maar wie drokte en levendigheid beminde, kon aan deze neiging voldoen,
door eene wandeling langs den waterkant, waar het gezigt op de reede
zeer fraai was en de menigte van komende en vertrekkende schepen
en de drokte tot het lossen en laden vereischt, een vrolijk en bont
tafereel opleverde.

In de woningen der aanzienlijken heerschte eene, voor dien tijd,
vrij groote pracht, doch men miste er doorgaans dien kieschen en
edelen smaak, die alles in harmonie weet te brengen, waardoor het
oog met zeker welgevallen op de voorwerpen van luxe rust.

Aan rijke meubelen in de eet- en gezelschapszalen ontbrak het niet,
ofschoon de andere kamers doorgaans eenvoudig waren en niet meer dan
het noodzakelijke bevatteden.

Op de tafels heerschte overdaad en verkwisting. Alles wat den smaak
streelen kon, tot welken prijs soms verschaft, was er in overvloed--en
aan zilver, porselein en vooral fraai glaswerk was geen gebrek.

Gingen de Surinamers een halve eeuw vroeger meest te voet, die
eenvoudige wijze der vaderen maakte weldra plaats voor de gewoonte
om van rijtuigen gebruik te maken. Reeds in 1748 [200] vermelden
de Commissarissen van kleine zaken, tevens opzigters der gemeene
weide, in hun verslag aan het Hof van Policie, »dat de liefhebberij
van rijtuigen en paarden zoodanig toeneemt, dat de bruggen en
wegen daardoor aanmerkelijk lijden en deden daarom een voorslag,
dien houders van rijtuigen en paarden eene hoogere belasting, dan
tot dien tijd door hen betaald was, op te leggen, daar zij," voegen
Commissarissen er bij, »hierdoor niet zouden gedrukt worden."

De vroeger eenvoudige kleederdragt werd spoedig ook door eene
prachtiger en kostbaarder, waarbij zijden en fluweel met gouden en
zilveren franjes, gouden knoopen en gespen niet ontbraken, vervangen.

De grootste luxe in Paramaribo bestond echter in het aantal slaven,
welke als huisbedienden in de voornaamste huizen gevonden werden. Het
getal dier slaven bedroeg meermalen 20, 30 ja 50 en meer; dat deze,
die geen genoegzame bezigheid hadden en voor wie geen gelegenheid
tot hoogere oefening des geestes bestond, lui en dartel werden,
was te begrijpen.

Mauricius, die in zijne verantwoording aan HH. M. [201] getuigt, dat
hij zich geen enkel geval van eenige noemenswaardige baldadigheid,
veel minder moorden door slaven in Paramaribo bedreven, weet te
herinneren, erkent het andere, maar geeft, onzes inziens, te regt de
schuld daarvan in de eerste plaats aan de blanke bewoners, »die een
onnutten sleep van een legioen huisslaaven en slaavinnen houden, die
geen occupatie hebbende, slaapen, zuipen, speelen, kwaaddoen" en wier
ijdelheid, voornamelijk die der slavinnen, daarbij gevoed werd door
»de kostbaare pracht van de beste Chitsen, koraale kettingen, goud,
zilver, ja gesteentens waarmede de Kreole miesjes haare slaavinnen
om strijd opschikken" en wier vrouwelijke zedigheid en kuischheid
voornamelijk vernietigd werd »door 't verderffelijk gebruik van de
slaven en vooral mooie slaavinnen te zetten op een weekelijkse taxe,
die zij den meester of vrouw moeten opbrengen, zonder dat deeze weeten
of willen weeten, waarmede dit geld gewonnen of verdiend wordt,"
[202] en door hetgeen »ook tot dit capittel zou behooren," vervolgt
Mauricius »door de galanterie der blanken met de swartinnen, waaraan
de scheepslieden een groot deel hebben."

De meeste schrijvers en ooggetuigen komen daarin overeen, dat vooral
onder de Mulattinnen, Mestiezinnen en Quarteronnes vele schoone
vrouwen gevonden worden, en die schoonheid werd toen door eene
smaakvolle kleeding verhoogd. Zij bestond gewoonlijk uit een zijden
rok waarover een van gebloemd gaas en een engsluitend kort jakje van
Oost-Indische chits of zijde, van voren geregen; tusschen dit jakje
en den rok kwam een handbreed fijn linnen te voorschijn; het haar
min of meer gekroesd, werd door een zwarten of witten beverhoed,
die met een veder of een gouden knoop of lis versierd was, bedekt.

Zucht om te schitteren en te pronken werd in Paramaribo hoe langer zoo
meer algemeen. Feesten als bals, later ook concerten en speelpartijen
kwamen meer en meer in zwang, vooral was het kaart- en hazardspel
er zeer geliefd, en een groot gedeelte van den avond werd hiermede
doorgebragt, zoo in de huizen der particulieren als in de genoemde
herbergen--en meermalen gaf dit aanleiding tot twisten, waarbij
niet slechts ruwe, grove scheldwoorden gewisseld werden, maar tevens
vuist- en rottingslagen neervielen en dat niet slechts in de gemeene
kroegen onder pontevaarders, matrozen en soldaten, maar zelfs in de
herberg van Middelhof, waar de zoogenaamde Noblesse van Paramaribo
zamenkwam. Gedurig leest men in de notulen van Gouverneur en Raden,
in de dagboeken der Gouverneurs en in de stukken van het recueil,
van twisten en beleedigingen met woorden en daden, die op dergelijke
plaatsen voorvielen.--Ja zelfs in de gezellige bijeenkomsten ten
huize van particulieren hadden meermalen dergelijke onaangenaamheden
plaats,--niet slechts ontbrak in den regel die godsdienstige gezindheid
die het zamenzijn heiligt en ter eere Gods doet strekken, maar men
miste ook die ware geest-beschaving, die de gesprekken aangenaam en
onderhoudend maakt.

De stoffelijke belangen der kolonie, nu en dan ook den staatkundigen
toestand derzelve te bespreken, soms iets anders, doch zelden
wat hoogers, waren de voornaamste onderwerpen waarmede de heeren
zich in den regel, behoudens enkele loffelijke uitzonderingen,
bezig hielden en de gesprekken der dames liepen meestal over het
nieuws van den dag »de Chronique Scandaleuse", bij de jongeren
over eenige liefdes-intrigues en bij allen over de gebreken harer
slaven en slavinnen. Niet onaardig drukte de Gouverneur Mauricius
het geestelooze, slechts voor stoffelijke zaken vatbare karakter der
Surinamers van zijn tijd uit in een gedicht, toegewijd aan Willem van
Haren en eenigen tijd na zijne terugkomst uit die kolonie opgesteld:


                "Ik veeg na zooveel' jaaren,
                "De roest weêr van mijn' snaren,
                "En grijp met stramme hand
                "De luit weêr van de wand.
                "Ik heb mijn tijd versleten,
                "Bij slimmer dan de Geeten.
                "Sprong daar de Hengstebron,
                "Zij droogde van de zon.
                "Men zou de zanggodinnen,
                "Katoen daar leeren spinnen.
                "En zoo 't gevleugeld paard,
                "Daar neêrstreek in de vaart,
                "Men zou hem onbeslagen,
                "In suikermolens jagen,
                "Nu adem ik weêr lucht,
                "En wil met nieuwe vlugt
                "Langs toebegroeide trappen,
                "Den Helicon opstappen." [203]


De blanke Creolen [204] meestal lui en vadsig van aard, hadden noch
voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige
lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige
leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in
den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na,
geen enkel spoor.

De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in
vormelijkheid, in bloot kerkgaan, ontaardde, maar evenwel eene zekere
degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers
van dien tijd.

De godsdienstige rigting in de 18de eeuw toch uitte zich in de
eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods
Woord.--In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat
de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande
nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:--1
Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3
die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend
antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius
schrijft in zijn dagboek, [205] tot nadere explicatie van dat antwoord
o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot
diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat
men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van
Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de
regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen
twee jaren ter kerke is geweest;--zelfs is dagelijks gebeurd, dat
er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat
er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs
gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden,
die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren
den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden".

Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare
godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over
kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den
befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk
gezeten, den predikant Veyra, een bekeerden Israëliet, bespot en een
openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen
jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande
dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris
eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke
vergadering de predikant Duvoisin praeses was [206];

2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe
Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal,
ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten
doen--een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd
bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst
en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de
voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande,
gegooid werd--en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot
het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd,
enz. enz.--Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen
te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen
vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er
op een zeer laag peil.

Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de
gemeenschap der blanken met de slavinnen verboden werd [207]; dan
dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een
geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof
gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen
brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de
wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden,
en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs,
hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.

Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge
hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten
daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.

De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze" gelijk Mauricius
schrijft: »abime van vuiligheden" mede te deelen, het is eene droevige
zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de
zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te
schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft,
dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor
zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe
vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler
daden te vermelden.

Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in
Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij
zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.

Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig
en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester;
vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden;
het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den
wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.

»In alle slavenstaten," zegt een beroemd man [208] »heerscht onder
jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugd steeds
een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan
elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der
huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar
slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke
vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf
is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt
verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het
huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het
alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden
beroofd wordt--en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is
besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve."

En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen,
dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing
door hare echtgenooten--eerstelijk in den haat dien zij jegens hare
mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke
wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden,
botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens
door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas
uit Europa aangekomen vreemdeling gaven--ten andere in een leven van
genot en opschik. [209]

Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het
geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der
steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het
menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste
geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den
slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of
hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in
weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.

De meeste vermogende planters hadden hunne woning in de stad en
gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar
zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het
bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.

De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap
te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld,
trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen
hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de
schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen
men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar,
meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.

De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer
verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten
als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en
onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.

Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn
verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne
plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden
er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad,
indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het
leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:

Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en
begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan
eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd
aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak
de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter
om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.

De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst
van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van
eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester
bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen,
gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten
onder de slavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten
over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt,
luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen
van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde
meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.

Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger [210] om zijn verslag
uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters
uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg
eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om
zijn pligt te doen en vooral luiheid van ziekte te onderscheiden.

Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt
der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige
slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen
meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog
van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt,
weder vertrokken.

Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg,
zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in
oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.

Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen
en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open
en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als
spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.

Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij
en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige
slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.

Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begaf hij zich
naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke
dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers
bragten hem waar hij wezen wilde.

Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en
besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham,
pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete
cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas
madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter
ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur
menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.

Nadat deze gewigtige bezigheden afgeloopen en de directeur vertrokken
was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen
om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige
berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam
hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen;
lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.

Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie
ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele
keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn
smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer
vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts
vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch,
gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van
de beste en edelste soort, ontbrak er niet.

Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel
van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of
punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de
plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht
voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne
slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten,
van zijn vermoeijenden arbeid uitrustte, om den volgenden dag tot den
zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding,
weder te keeren.

Een dergelijk eentoonig materieel leven was verwoestend voor de
zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen,
die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner
wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer
en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend
hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van
gewigt te zijn, en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen,
begon het hoofd te draaijen. [211]

Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in
Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen,
worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen,
en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke
beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen,
kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke
naaktheid te voorschijn.

Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen,
die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van
christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken
toestand der inwoners droevig gesteld.

Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.

Wel luidde het 28ste artikel van het octrooi: »dat de voornoemde
Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat de coloniërs ten allen tijde
zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts,
na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te
vereysschen, ten eynde de coloniërs en de verdere opgezetenen aldaer
in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende
onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe
Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten
niet bij de voorz. compagnie, maar bij de coloniërs en opgezetenen
zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten
Gouverneur en de Raden daertoe op approbatie van Bewindhebberen zullen
mogen ordonneren te heffen."

Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor
de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.

Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de
Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.

Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare
godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de
Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd, [212] ééne door de
zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met
de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd,
ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld. [213]

Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname, [214] en naar den
aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt,
willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden,
al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben
mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest
om geschikte sujetten [215] te verkrijgen.

Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver
in zijn ambt betoonde, den 20sten Mei 1740 in de vergadering van het
Conventus Deputatorum [216] een voorstel, om, daar men zoo moeijelijk
predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven
en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan
te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen
voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of
ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand,
goed begrip en leerlust in bespeurde", en ze naar Holland te zenden,
om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd,
terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude,
zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug
te keeren, »waartoe", merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden
geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen
weder konden ontmoeten enz."

Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte,
dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een
genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor
de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie,
daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors
of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen
worden aangesteld, enz.

Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar
verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheid om geschikte
sujetten te verkrijgen bleef bestaan.

Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche,
rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen
soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor,
zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten
schorsen. [217]

Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten
en hunne kerkeraden en het Hof van Policie. [218]

Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt
geworden tot politieke uitzetting van predikanten.

Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het
Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn,
geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo
lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit
van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden
hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als
zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen,
voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit,
even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van
Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de
Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,--het Hof
concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en
querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke
regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder
en meerder in onrusten inwikkelde enz.", tot wegneming van verdere
ergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de
kolonie te verzenden [219], gelijk dan ook geschied is [220].

Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan
Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen,
uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in
November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20
November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen
en werd weder in de dienst hersteld.

Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijn aan, dat, toen
hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische
uitdrukkingen had geïnsulteerd--deze zaak heeft lang geduurd,
eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst--hij verzocht daarop
in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan
hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van
zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had--de kerkenraad
gaf echter later consent.

In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis
van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan
het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering
kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden,
die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen
wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer
dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door
onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen";
de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750,
der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den
voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin, [221] als een
ontaarden zoon tot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof
men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar,
die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij
in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger
met degen of pistool tot zwijgen te brengen--na een korten tijd werd
hij volslagen waanzinnig.

Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom
vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen:
den 1 Junij 1747 [222] namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit
den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur,
Mevr. Larcher en andere dames, den sociëteits-Neger Benjamin tot
Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met
groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hij
werd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van
Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748 [223] werden des namiddags
twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig
bewegelijk heeft uitgevoerd."

Den 5 Junij 1748 [224] leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere
Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke
godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij
Christen wilde worden,--waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft
laten verbieden,--of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis
niet.

Den 8 Januarij 1749 [225], werd door zekeren Picorna vrijdom voor
zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht--welke 3
kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie
waren--het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde
overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in de officieele
bescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen,
door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis
van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het
Evangelie aan alle creaturen" werd door hen niet geacht; slechts
eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen
van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische
broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten
met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan--en
gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder
zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den
21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders
te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan
zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de
notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd
ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds
tegen dezelve te blijven waken."

Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis van Amsterdam,
meer dan eens bij de directeuren der sociëteit voorstellen zijn gedaan,
om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te
voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen
des te beter voort te planten." Directeurs der sociëteit schreven
daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden
daarover belangrijke discussiën plaats. De Raden waren er niet
zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden
bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering
niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig
Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als 't God maar behaagt
den wasdom te geven aan 't geen met eene goede meening geplant wordt;
hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te
zullen zien en stelde dus een eenvoudig en onkostelijk middel voor,
»naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens
't onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige
schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in 't
Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en
den naeste, het begrip van 's menschen doemwaerdigheit en de middelen
der genade kort, beknopt nae 't begrip van een dom verstand eenvoudig
in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten, [226]
nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder
ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk
alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door
een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat
zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van 't goddelijke weesen,
't Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede
beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel
(zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken
verder zou kunnen worden achtervolgd."

De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige
niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan
de sociëteit, 30 Nov. 1751, op een nieuwe memorie der classis van
Amsterdam over deze aangelegenheid [227] ingediend, beklaagde hij
zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn
besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren
geweest, waarbij hij de sociëteit deed opmerken, dat een voornaam
beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne
slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de
kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen
iets hoopen mogt." [228]

Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des
Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius
ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie
van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark,
als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd
en zich, zoo als Mauricius schrijft [229], hiervan zoo goed gekweten
had, dat hij hem f 30.-- present gaf. Daar de militie op het nieuwe
fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een
gebed of predikatie te hooren, waarvan zij geheel beroofd was, zoo
had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende,
een soldaat, die daartoe zeer bequaem was [230], aangesteld om op
Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem,
op approbatie der Sociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst,
f 15.-- 's maands en dubbel rantsoen;"--de instructie werd in overleg
met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.

Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig
roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling,
daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren
en zich spoedig geraakt betoonden, indien iemand anders een woord
van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.

Toen zekere Smith van de R. C. religie geëxecuteerd werd, waarbij
Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst
dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn
zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in
het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend,
bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken
dan met speciale permissie van den Gouverneur." [231]

Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen
de vestiging eener Luthersche gemeente aan. Reeds vroeg was het
aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren,
vrij aanzienlijk;--in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten,
die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des
lands, verboden werden.--Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk
onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen
(15 Nov. 1741), en den 4den October 1742 kwam hun eerste leeraar,
Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over. [232]

Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters
moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten
[233]. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest
en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen
verscheidene klagten.

Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd
werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen
van Gouverneur en Raden aan:

22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzer te
worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven,
cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook in de beleefdheid;
hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd  f 200.--, dan
geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de
allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt,
in de Nederduitsche taal te beantwoorden.

27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijke
exercitiën te onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een
dansmeester te ontbieden, op een tractement van f 600, het eerste
jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en
vrijen overtogt.

3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek,
vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk
verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.

Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven,
rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.

Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in
Suriname te dien tijde:--ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke
neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid
overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime
mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken
uitmaakten.--Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men
verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling,
want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld,
en waar deze heerscht zoo als ze in Suriname heerschte, kan het niet
anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze
Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te
besturen en te leiden.--Wel erkennen wij dat het eene zware taak was,
welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men
verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in
hoeverre hij hieraan beantwoordde.

Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel te veranderen en
te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste
pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren
geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën
was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en
onpartijdige regtsbedeeling.

Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand
behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het
grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en
aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten
wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren
waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat
was verbonden--en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van
procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.

Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de
aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan;
de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie
vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door
verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn,
heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne
taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend
man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest,
waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.

Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van
het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking
als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en
toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.

Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna
onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en
eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte
daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te
bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de
vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en
daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding
van het exploiteurschap verlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene
jaarlijksche som van f 6000, waarover langdurige discussiën volgden,
schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten
volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men
dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan. [234]

Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren
secretaris van Mauricius, Jan Nepveu, werden tot exploiteurs
benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen
van het Hof van civiele Justitie, meermalen in onaangename aanraking
met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling
enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur
Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de
assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor
de crediteuren in bezit te nemen, of ze te inventariseren, zij daarop
noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne
slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderd had, zoodat zij
onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter
ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggen vonnissen
van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden:
bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen,
behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke
betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door
een dergelijk ambtenaar beleedigd achtten, kwamen zij onmiddellijk
met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17den Februarij
1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van
burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit
zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te
worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut
Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde", en alzoo een half uur
lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen,
terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.

De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre
van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een
vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen,
die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt
niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken
tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden
des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo
werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan
den Raad geadresseerd eerst aan hem als Voorzitter moesten worden
ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede
regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd. [235]

De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te
bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een
door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden
nieuwe kaarten of warranden der aan hun door de sociëteit verstrekte
gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van
magt toegekend, zelfs leverden de Raden van Policie hiertegen protest
in. [236]

De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het
geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren
Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich
zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar
den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.

In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige
verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs
met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor
een inval vreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en
vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en
slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het
27sten Art. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de
verdedigingskosten door de sociëteit moesten worden gedragen.

Deze zaak gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in
overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers,
tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer
in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan
liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die
door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden
zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks
kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed
zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog
niet geheel voltooid was, [237] in staat van verdediging te brengen,
maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met
wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof,
die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne
maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke
bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te
leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het
toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd,
met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen,
eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd;
en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand,
waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden
staat en tegenweer moest onderhouden; dat het aandeel der kosten
door de Directeuren der Sociëteit gezamenlijk gedragen, en dat het
fort Sommelsdijk zoude verlaten worden. [238] Een door hem in Junij
1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan
te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om
de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om
dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren
slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.

Een nieuw reglement voor de burgermilitie, dat bepalingen behelsde,
waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd
en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter
verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de
militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. De
burgerofficieren leverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in,
waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een
voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe
forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk
zouden verdedigen--dan--voerden zij als beweegreden aan, was er geen
vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte
verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging
der stad Paramaribo of ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en
hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes,
door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt,
uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan;
men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging
der fortres af te staan. [239]

Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens
eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere
bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen
afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich
zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met
het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen
werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij
besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De
maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten door Mauricius genomen,
verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate
met de burgerofficieren instemden.

Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te
vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen
van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius
[240] die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan
wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou
worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit
van hem Gouverneur erkennen zoude--dan--Mauricius vleide zich met
eene ijdele hoop.

De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd
integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals
Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel" en in en buiten de
vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander
van den Gouverneur; in de vergaderingen vielen, tengevolge zijner
heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het
vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing
geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad
Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest
te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner
heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed
was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel,
afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid
op een kogel beet. [241]

Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius:
de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters,
secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.--Niet slechts was
er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere
gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.

Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd,
maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen
de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne
vrouw, zijne bloedverwanten, al die men dacht dat zijne zijde kozen,
werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei
grofheden openbaarde.

Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw
en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek
hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser,
een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met
vreeselijke vloekwoorden beleedigd werd [242]--een anderen keer werd
mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd--»daar gaat Trijn van
Hamburg"--Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen,
wij deelen hieruit nog het volgende mede: [243] »Nadat het canailleuse
wyf van Scherping [244] voor een jaar 't exempel heeft gegeven, van,
op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan)
te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel
sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat
woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die
voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet
men eerst, specialyk Mev. l'Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen
van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich
altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit--waarop
wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens
voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging 't zo verre,
dat de vrouwen van Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw
in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden."

Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der
aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde
zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der
voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith,
dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs
en later van twee Fransche predikanten. [245] Door hare huwelijken
achtereenvolgens met drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de
gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen;
dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet
tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot,
(zij was 7 Januarij 1742 ten vierde male gehuwd met den predikant
der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te
dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den
aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die
Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post
geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den
grond der plantaadje gaan--Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte
over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.--De secretaris Jan
Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der
minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie
verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die
er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan [246]--en
toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra
zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra
de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot,
(den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen
getracht had haar tot bedaren te brengen.--De botsing tusschen haar
en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed,
werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang
met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin,
een woest, buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27sten
Mei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons
bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de
onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en
indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen
hem den lezer wilde leeren kennen.--Reeds uit het medegedeelde kan men
oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam
nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde
te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo
vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in
rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen
en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade
als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die
vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en
Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius
in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en
met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij
een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van
Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in
Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.

Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door
Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in
Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne
plaats kwam Jean Louis L'Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743
Ritmeester der cavallerie welke den 29sten December 1746 in Suriname
arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.--L'Archer was
veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite
en onaangenaamheden, »daar hij" schrijft Mauricius in zijn dagboek 5
November 1747, »plompelijk 't masker aflegt en geen schaduw van respect
meer observeert," hetwelk zelfs zoo verre ging dat de Gouverneur hem
huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden;
den 10den Mei 1748 overleed de heer L'Archer, en zijne vrouw behoorde
sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.

De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in
1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door
zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot
grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat--de oneenigheden
waren reeds te ver gekomen.

Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na
diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging,
Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13den Dec. 1746 te Suriname aan.--Deze
stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend
en huwde den 26sten Januarij 1746 met zijne oudste dochter, doch
overleed reeds den 27sten Oct. 1748. Bijna een jaar lang werd het
Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot,
doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van
heerschzucht beschuldigd werd. Den 31sten October 1749 aanvaardde de
in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die
betrekking, maar overleed reeds den 25sten Sept. 1750, waardoor de
werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.

De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij;
was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw
daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant
genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde
strekke ten bewijze).

Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad
van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden,
om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich,
ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder
meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde:
»Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje
hebben?" [247]

De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur
en baarde nieuwe onaangenaamheden.

Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis
in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland
werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping
te bewerken.

Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend
nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of
vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat
zij teekenden enz.

Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn
doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname
door de leden der Cabale ondersteund.

Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten
verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij
genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te
gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.

In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer
medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van
het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting
om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer,
beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor
werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip,
waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer
zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te
Morlain, waar het schip binnengebragt was.

Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van
den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der
Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was
toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden
was, en welker handelingen onrust verwekten, uit de kolonie te
verbannen. Zie bladz. 173.

Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten
en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later
sloot echter Carilho die van een onrustig woelzieken aard scheen te
zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem
als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden,
heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan--aan de politieke uitzetting
is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt
aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder
voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld
kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de
klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk
verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de
heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste
hartelijkheid" aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van
den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst
gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen. [248]

Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen,
kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan
Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De
goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen
vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene
gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen,
hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en 's namiddags
hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt,
't welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters
niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn
onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is
echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor 't Gouvernement
eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, 's avonds
hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier
nooit gezien is, en 't welk de heer Bird [249] de galanterie heeft
gehad van te dirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven
voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)
doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den
voet op een kussen.)" Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode
monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden
aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen
verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets
in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade,
wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent
deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook
in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig
reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was
Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat,
maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat
zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet
het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere
ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen
zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige
twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden,
die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.

De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had
gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en
inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen
ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745
ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne
vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad
licht te stellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als
uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde
toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden
opgesomd en H. H. M. toegezonden.

Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in
de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij,
om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen)
van een bevrienden stam, dien der Caraïben, een zoodanig misnoegen
bij dit volk had gaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van
hunne zijde vreesde. [250]

Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend,
maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo
beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent
de Zwitsersche familiën (zie bladz. 112) met onverschoonlijke
nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den
bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun
ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit
zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel
onschuldig was.

Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen
oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel
mogelijk. [251] Den 28 October [252] onderzocht hij de planken die
tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar
van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk
bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt
men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopen van
gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men
dat Mauricius hielp waar hij kon. De boerenfamiliën in Augustus 1747
aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over
hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van
hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen
Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,
3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon
aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du
Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had,
partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond
waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een
ander in zijne plaats gesteld [253] doch hun eigen slecht gedrag,
gepaard met andere omstandigheden, [254] was de voorname oorzaak dat
deze kolonisatie geene goede gevolgen had.

Tijdens het bestuur van Mauricius kwamen verscheidene onheilen over
de Kolonie.

In 1743 heerschten er zeer hevige ziekten, als: kinderpokken, heete
koortsen en eene ziekte die vele kenteekenen van ijlhoofdigheid
bezat. Men hoorde niets dan van dooden en zieken--geheele huisgezinnen
stierven bijna uit. [255]

In Januarij 1745 ontstond er een zware brand op de Knoffelsgracht,
die bij volslagen gemis van brandbluschmiddelen, noodlottige gevolgen
had kunnen hebben, doch hij werd, daar er bij geluk geen wind was,
spoedig gestuit. [256]

In November 1746 brak er een hevige boschbrand uit, die zich tot
suikerriet en kostgronden uitstrekte; van alle zijden vernam men
droevige tijdingen deswegens; de pogingen met een getal van 150 slaven
ter stuiting aangewend, bleven eerst vruchteloos. Te Paramaribo kon
men bijna geen ademhalen van den dikken rookdamp; de zon vertoonde zich
rood als bloed; men kon de schepen op de reede kwalijk zien.--Mauricius
nam verscheidene maatregelen, en verzocht de predikanten niet alleen
slechts zondags hunne predikatiën in te rigten als op een bededag,
maar tweemaal in de week bedestonden te houden om den Heer te smeeken
dit kwaad af te wenden.

Het behaagde God een regen te geven, waardoor het vuur na een maand
te hebben gewoed, eindelijk gestuit werd. [257]

Eene [258] andere moeijelijkheid was de slechte staat van de kas
der Modique lasten waaruit de noodige betalingen voor de behoefte
der Kolonie moesten geschieden. Den 28sten Feb. 1744 werd daarom in
eene zitting van het Hof van Politie met eenparige stemmen besloten
om overeenkomstig met het 29 art. van het Octrooi, eene algemeene
heffing te verordenen, die berekend werd voor iederen blanke en voor
iederen slaaf (roode of zwarte) boven de 15 jaren f 1,-- per hoofd,
voor de kinderen f 0,50 [259]; deze belasting schijnt echter niet tot
stand te zijn gekomen, daar er in de notulen van 31 Mei 1747 op nieuw
van wordt gewaagd; een idem op de huurwaarde der huizen in Paramaribo,
waaruit de onkosten voor brandspuiten gevonden moesten worden, [260]
vond zooveel tegenstand dat zij niet uitgevaardigd werd.

De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk
geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.--Steeds
schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door
de Kolonisten gelden verleend. [261]--Wel werd in Julij 1747 door
sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname
ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden,
maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van
commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet
bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten,
zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,"
schrijft Mauricius, in zijn dagboek, [262] »niemant t'huis, alle
die pofhansen, die spraken van gouden bergen te GEEVEN, houden nu de
handen binnen, nu men maar spreekt van te LEENEN, of van te AVANCEEREN,
't geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit,
sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden 't onderwijl nog
gaande met verschotten."

Een der voornaamste oorzaken van het ledig worden der kas van de
Modique lasten was echter gelegen in de herhaalde togten op de
weggeloopen slaven, waarvan wij in een vorig hoofdstuk een verslag
gaven. [263]

Om deze en andere redenen stelde Mauricius voor [264] om te beproeven
vrede met hen te sluiten, en werden daartoe pogingen aangewend, [265]
welke echter, hoewel zij in het wezenlijk belang der kolonie waren,
door de tegenpartij zeer Pernicieus en Ruïneus voor dezelve genoemd
werden; en de Cabale in Suriname leverde, in vereeniging met eenige
eigenaars van plantaadjes en Amsterdamsche kooplieden, in Februarij
1750 een rekwest aan H.H.M. in [266] waarbij zij den verlangden vrede
met de weggeloopen slaven op het hevigste bestreden, en deden voorkomen
als door lafhartigheid van den Gouverneur ontworpen; zij zagen er
in eene beleediging van het eigendomsregt der meesters, een slecht
voorbeeld voor de andere slaven enz. enz. In de meesterlijk gestelde
verdediging van Mauricius werden al deze bezwaren wederlegd, dan zulks
baatte hem weinig, gedurig werden nieuwe klagten en beschuldigingen
door Duplessis en anderen tegen hem ingebragt.--De Directeuren der
geoctroyeerde Sociëteit, wien ook sommigen dier klagten golden,
namen steeds de partij voor Mauricius bij de Staten op; daar echter
noch dit, noch de uitvoerige verdedigingsschriften van Mauricius de
tegenstanders tot zwijgen bragt, en H.H.M. in hun oordeel weifelden,
verzochten Directeuren in eene missive den 14 April 1749 om de zaak,
ter nader onderzoek, aan den Hoogen Raad van Holland op te dragen,
waartoe diens overeenkomstig door de Staten werd besloten. Dit
behaagde echter zijne vijanden niet--men wenschte tot elken prijs
zijne terugroeping, en verspreidde alzoo de ongunstigste berigten
over den toestand der kolonie. Eindelijk bragten zij het zoover,
dat de Staten-Generaal bij besluit van 22 Mei 1750 den stadhouder
Prins Willem den Vierde magtigde om zoodanige maatregelen te nemen,
als Z. D. H. tot herstel van rust en orde noodig achtte. De prins
zond daarop den Generaal Majoor Hendrik Ernst Baron von Spörche
als eerste commissaris, en de heeren Mr. Karel Bosschaert-Stenis,
Pensionaris van Schiedam en Mr. Hieronimus de Swart, Raad van de stad
Gorinchem als mede-commissarissen naar Suriname om de zaken aldaar
te onderzoeken. Z. D. H. verleende hun magtiging om, naar bevind van
zaken, te handelen, en om zelfs, indien zij zulks noodig mogten achten,
den heer Mauricius naar Nederland te zenden, in welk geval den heer
Generaal von Spörche voorloopig het bestuur moest aanvaarden.

Met deze heeren ging tegelijk een regiment van 400 soldaten,
uit verschillende garnizoens van den staat getrokken, naar de
kolonie.--Het bevel hierover was aan von Spörche en, onder hem,
aan den kolonel Otto Christiaan, baron van Verschuer, vrijheer des
H. Roomschen rijks, erfheer van Soltz, opgedragen. Bij resolutie van
de Staten van Holland den 23sten Julij 1750 werden de kosten van het
onderhoud der Commissarissen en troepen geschat op f 150,000, waarvan
1/4 door de Sociëteit en 3/4 door de ingezetenen moest worden gedragen,
waartoe later eene nieuwe belasting als Hoofdgeld van 1 gulden 's
jaars werd uitgeschreven, en ook het lastgeld der schepen verhoogd.

Ultimo November en primo Dec. 1750 kwamen de schepen met de
commissarissen en troepen op de reede van Paramaribo aan. Na eenige
wederzijdsche complimenten tusschen HH. Commissarissen en den
Gouverneur, leverde Mauricius den eerstgenoemden den 15den Dec. 1750
eene memorie in omtrent den staat der geschillen in Suriname [267].

Door heeren Commissarissen werd audiëntie verleend waarop ieder zijne
klagen en bezwaren mogt inbrengen; ruimschoots werd hiervan gebruik
gemaakt.--Mauricius verlangde dat ieder afzonderlijk gehoord zoude
worden en hij maakte Commissarissen opmerkzaam dat het houden van
vergaderingen, waarbij men zich tot onderling overleg vereenigde,
onwettig was en men daarbij de hoofden der Cabale gelegenheid gaf,
de van hen afhangende personen te prepareren om hun geleerd lesje op
te zingen [268].

Mauricius had juist geoordeeld, ofschoon de Commissarissen die
aanmerking in den wind sloegen.--Sommige ingezetenen leverden een
uitgebreid stuk, genaamd »verzoekpointen van redres" in 52 artikelen
aan Commissarissen in; deze heeren schenen wel eenigermate onder den
invloed van de aanzienlijkste leden der Cabale te geraken, daar zij,
volgens het dagboek van Mauricius, vele feesten en partijen bij hen
bijwoonden; en deze omgang met de vijanden van den Gouverneur bragt
misschien er veel toe bij, om hun oordeel te vestigen: dat de klove
te groot was om gedempt te kunnen worden en dat het tot herstel van
rust en orde onder de bevolking noodig ware dat Mauricius uit de
kolonie vertrok [269].

Den 13den April 1755 werd door Commissarissen eene publicatie
uitgevaardigd, waarbij den volke werd bekend gemaakt, dat zij noodig
hadden geoordeeld Z. K. H. rapport van hunne gedane informatiën te
geven, opdat Z. K. H., naar zijne hooge wijsheid daarover beslissen
konde en dat zij het mede goed hadden geoordeeld om den heer
J. J. Mauricius, Gouverneur, naar Holland te zenden (ongeschonden
zijne eere, met behoud zijner gagie), ten einde in persoon zijne zaak
in Holland te kunnen verdedigen, terwijl zij, overeenkomstig de hun
verleende magt, voorloopig zijne waardigheid hadden opgedragen aan
den baron H. E. von Spörche, Generaal-Majoor enz. Hoewel Mauricius,
reeds vóór de aankomst der Commissarissen, aan Directeuren om een jaar
verlof gevraagd had, ten einde zijne zaak in Nederland te bepleiten
(welk verlof hem verleend werd, doch eerst na zijn vertrek in de
kolonie aankwam) griefde hem de handelwijze der Commissarissen zeer
en beklaagde hij zich in een brief aan HH. Directeuren hierover in
treffenden toon.

Den 12den April 1751 gaf hij het bestuur aan Von Spörche over, regelde
zijne particulieren zaken en vertrok den 15den Mei met zijne vrouw
en twee zijner jongste kinderen naar Nederland.--De Commissarissen
Bosschaert en de Swart waren reeds den vorigen dag met een ander
schip vertrokken.

Zoo verliet dan Mauricius dat Suriname, alwaar hij gedacht had zijn
leven te zullen eindigen, waar hij zijn graf reeds had doen gereed
maken, waar hij vele bezittingen had aangekocht, waar hij vele dierbare
bloedverwanten achterliet.

Bij de benoeming van Mauricius had men groote, zeer groote
verwachtingen gehad, misschien te groot schreven wij op bladz. 161,
want, merkten wij aan, een bekwaam regtsgeleerde of staatsman is
nog niet altijd tevens een goed bewindvoerder. Zoo weinig vindt
men beide in één persoon vereenigd--dan al ware dit zoo geweest,
eene kolonie als Suriname te besturen was eene uiterst bezwarende
taak en men moet erkennen dat Mauricius werkelijk veel goeds voor de
kolonie heeft verrigt en nog oneindig meer had kunnen doen, ware hij
niet zoo geweldig tegengewerkt.

In den loop der geschiedenis hebben wij hierbij meermalen stil
gestaan en wierpen wij een blik in den ellendigen zedelijken
toestand van Suriname's blanke bevolking, omtrent Mauricius moeten
wij aanmerken, dat, niettegenstaande zijne vele talenten, hem het
ridderlijk, mannelijk karakter ontbrak, hetwelk wij bij van Sommelsdijk
waarnemen. Bij de verschillen met de ingezetenen had Mauricius zeker
meestal gelijk en meermalen trachtte hij ze bij te leggen, maar de toon
en de wijze waarop hij zulks beproefde waren zoodanig, dat hij zijne
tegenstanders in plaats van ze te overtuigen, nog meer verbitterde;
zijn bijtend sarcasme nam hen tegen zich in, terwijl zijne ijdele
zelfverheffing ook voor den onpartijdige stuitend is.

Voor zoover men uit de geschiedenis kan opmaken, handelde hij meer
als een fijn beschaafd man, die als zoodanig met de ruwe onbeschaafde
maatschappij van Suriname gestadig in tegenspraak kwam, dan als een
geloovig Christen, die in de kracht des Heeren wel het kwade met wortel
en tak zoekt uit te roeijen, doch personeele beleedigingen met den
mantel der liefde wil bedekken. In Nederland teruggekomen zegevierde
hij weldra over al zijne tegenstanders; zijne onschuld werd erkend,
doch hij keerde niet naar Suriname terug. Hij verzocht en verkreeg
zijn ontslag in Aug. 1753 als Gouverneur van Suriname en vertrok
in 1756, voor de tweede keer als minister van Staat naar Hamburg,
alwaar hij in 1768 overleed.



DERDE TIJDVAK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

    Van de aftreding van Mr. Mauricius in 1751 tot het overlijden
    van Jan Nepveu in 1779. Laatste woelingen der Cabale; finantieële
    verwikkelingen; nieuwe strijd met de wegloopers, enz. enz.


Den 24sten Maart 1751 had Mauricius voor het laatst de vergadering
van het Hof van Policie en Criminele Justitie gepresideerd; de
gecommitteerden van Z. D. H. den Prins van Oranje gelastten hem,
bij besloten missive van den 27sten Maart, krachtens de hun verleende
authorisatie, vóór de maand Mei of zoo veel eerder het hem doenlijk
ware, de kolonie te verlaten en zich naar het vaderland te begeven,
om zich aldaar over zijn gehouden bestuur te verdedigen,--dit
alles echter »behoudens kwaliteit en gages." De vergaderingen van
het Hof op 25 Maart, 5, 6, 7 en 9 April werden met goedvinden van
HH. Commissarissen door den Commandeur gepresideerd.

Den 11den April werd het besluit der HH. Commissarissen den volke
bekend gemaakt en dienzelfden dag gaf Mauricius het bestuur aan von
Spörche over en vertrok den volgenden dag met zijne vrouw, zijne
dochter, die met Strübe gehuwd was, en met zijne jongste kinderen
naar zijne plantaadje Simplicité, èn om aldaar eenige particuliere
zaken in orde te brengen èn om zich de ergernis te besparen, welke
hem de plegtige installatie van von Spörche ongetwijfeld zou hebben
veroorzaakt. [270]

Mauricius regelde, zoo goed zulks in dien korten tijd mogelijk ware,
zijne eigene zaken en vertrok reeds den 15den Mei uit de kolonie per
het schip de »Jufvrouw Johanna", kapitein Schouten. Gedurende negen
jaren had hij de teugels van het bewind in handen gehad, negen jaren,
die hij in kommer en verdriet heeft doorgebragt.

Den 13den April 1751 werd het Hof, op order der HH. Commissarissen,
door den Commandeur geconvoceerd; de Commandeur berigtte de leden, dat
de HH. Commissarissen deze vergadering zouden bijwonen; de presente
leden begaven zich daarop en corps naar het logement van den heer
von Spörche, om ZHGb. benevens de andere heeren, die aldaar mede
tegenwoordig waren, af te halen en naar de Raadkamer te geleiden.

De Commissarissen berigtten de aanwezige leden van het Hof, dat er
niet slechts één vacante plaats in dat Collegie was ontstaan door
het bedanken van den heer Cellier in Augustus 1748, welke plaats
sedert nog niet weder door eene nieuwe benoeming was vervuld, maar dat
daarenboven de heeren Talbot, Pallak en J. Bavius de Vries hun ontslag
hadden verzocht, dat HH. Commissarissen dit ontslag hadden toegestaan,
[271] zoodat er weldra vier zetels in het Hof ledig zouden staan,
en daar HH. Commissarissen het in het belang der kolonie wenschelijk
achtten, dat die hooge vergadering voltallig ware, zoo hadden zij van
de hun toegekende magt gebruik gemaakt en: »alsoo voor deese reise,
sonder eenige consequentie voor het toekoomende en ongepraejudiceert
de privilegiën vrij en geregtheden aan de ingesetenen deser colonie
competeerenden tot Raaden in deesen Hoove hadden aangesteld: de heeren
E. Comans Scherping, Pieter van der Werf, Etienne Couderc en Willem
Carl Strübe," en daar door het bedanken van J. Bavius de Vries het
officie Fiscaal openviel, [272] hadden zij aan Mr. Samuel Paulus
Pichot bij provisie het waarnemen dezer betrekking opgedragen. [273]

Het Hof van Policie en Criminele Justitie anders steeds zoo naijverig
op zijne regten, welks leden zich zoo spoedig beleedigd achtten bij
de minste wezenlijke of vermeende krenking, maakte nu niet de minste
tegenwerping.

Nadat de nieuw benoemde raadsleden den eed afgelegd en zitting genomen
hadden, zoodat het Hof nu voltallig was, gaven HH. Commissarissen
te kennen, dat hunne Commissie, »om onderzoek naar de onlusten en
oneenigheden in deze colonie te doen", in zooverre was afgeloopen, dat
de heeren Bosschaert-Steenis en de Swarte eerlang naar het vaderland
konden terugkeeren om ZDH. den Prinse van Orange verslag van hunne
zending te doen en ZDH. tevens over te leveren »eenige poincten van
redres" hun uit naam van verscheidene ingezetenen overgegeven, opdat
over een en ander door ZDH., »na hoogstdeszelfs hoogwijs oordeel, kon
worden gedisponeert"; dat zij, volgens de hun bij hunne instructie
verleende magt hadden goedgevonden den heer Gouverneur Mauricius,
behoudens zijne kwaliteit en gages, naar het vaderland te zenden
om zich aldaar te verantwoorden; dat zij alzoo provisioneel totdat
over deze zaak nader uitspraak was gedaan, den heer von Spörche het
gezag hadden opgedragen, terwijl zij na deze kennisgeving de heeren
Raden vermaanden om met den heer von Spörche mede te werken ten einde
rust en vrede in de kolonie te bevorderen en, zonder onderscheid van
personen, regt en geregtigheid te oefenen, enz., enz., enz.

Bij de verschillende aanspraken die daarop door de nieuw benoemde
en andere leden gehouden werden, kenmerkte zich vooral de rede van
den nieuwen prov. Fiscaal den heer Pichot, een der voornaamste en
invloedrijkste leden der cabale, door verscheidene schimpschoten op
den heer Mauricius.

Den volgenden dag den 14den April werd de heer Baron von Spörche
plegtig op de gebruikelijke wijze geïnstalleerd; de leden der beide
hoven werden door den nieuwen Gouverneur ter maaltijd uitgenoodigd,
de dag werd verder in vrolijkheid doorgebragt en 's avonds was er
assemblée bij Mevrouw Du Voisin.

Onderscheidene maaltijden werden aangerigt; feesten en partijen volgden
elkander onafgebroken op en de tegenstanders van Mauricius juichten,
want zij hadden reden om over den loop der zaak tevreden te zijn; zij
schenen voor een wijle getriumpheerd te hebben; de door hen zoo zeer
gehaatte landvoogd was genoodzaakt geworden de kolonie te verlaten;
de opengekomen zetels in de beide hoven en in het collegie van kleine
zaken werden voornamelijk door lieden van hunne partij ingenomen;
een der voornaamste ambten »het Fiscalaat" was provisioneel aan een
hunner eerste en invloedrijkste leden, den heer Pichot, opgedragen;
de beruchte Carilho die in der tijd door Mauricius als kapitein der
Joodsche Burger-officieren ontslagen was, tegen wien zelfs een vonnis
tot politieke uitzetting uit de kolonie bestond, die door Mauricius
steeds als een befaamde oproermaker was gekwalificeerd geworden,
die zelfde Carilho werd, op zijn daartoe ingeleverd rekwest, weder
in zijne betrekking als Burger-kapitein hersteld en eer en aanzien en
invloed werden hem toegekend; [274] de eisch van den heer Godefroy om
vergoeding voor de geëxecuteerde slaven van wijlen den heer Thoma, van
wien hij erfgenaam was, en welken eisch Mauricius als niet ontvangbaar
had beschouwd, werd thans toegestaan en Godefroy ontving voor de acht
en twintig geëxecuteerde slaven eene som van f 5600.-- zijnde de helft
der gepriseerde waarde à f 400.--; de heer H. N. van de Schepper
[275] die door zijne loszinnigheid dikwijls reden tot ergernis had
gegeven, doch die door Mauricius, voor wiens eere en belangen hij
steeds met loyaliteit in de bres stond, zoo veel mogelijk gespaard
was, werd in de gevangenis geworpen en daarna genoodzaakt de Kolonie
te verlaten; [276] het proces over de kerkschenderij, gevoerd tegen
de heeren Barrios, zoon van Carilho, Leonard van de Beets en den
jongen Pichot--welk proces hun door Mauricius met niet te ontkennen
heftigheid werd aangedaan--werd van de rol geschrapt, enz. enz. enz.

Triumpheerden de tegenstanders van Mauricius, werd hun invloed sedert
de komst van H. H. Commissarissen zeer vermeerderd, gaf de heer von
Spörche velen hunner vorderingen toe, wij moeten echter genoemden
heer regt laten wedervaren en van hem getuigen dat zijne handelwijze
voortsproot meer uit eene opregte zucht om de gemoederen tot bedaren
te brengen en hierdoor het welzijn der Kolonie te bevorderen, dan
wel uit vijandschap tegen Mauricius.--Wij zien hem ook, in het korte
tijdsbestek dat hij het beheer over Suriname voerde, vele pogingen
aanwenden om wezenlijke verbeteringen tot stand te brengen, welke
pogingen echter meerendeels vruchteloos bleven.

Tijdens het bestuur van von Spörche werden verscheidene boschtogten
tegen de wegloopers ondernomen en hier en daar militaire posten
in de divisien opgerigt--doch het een zoo wel als het andere bleef
zonder gevolg; het wegloopen der slaven hield aan--geene boschtogten,
geene militaire posten--geene wreede strafoefeningen vermogten dit
te beletten--daar de hoofdoorzaak, namelijk de slechte behandeling
der slaven, steeds bleef voortduren.

Eene poging door von Spörche aangewend om de twisten en ongeregeldheden
die tusschen de Portugeesch-Joodsche natie heerschte te stillen,
gelukte evenmin. De herstelling van Carilho in vorige functien was
den Parnassyns dier gemeente zeer tegen de borst; zij toch waren
in gestadigen twist met hem gewikkeld geweest, zij hadden op zijne
politieke uitzetting aangedrongen--en nu was Carilho niet slechts
op nieuw als kapitein der Joodsche burgerofficieren bevestigd,
maar daar en boven hadden von Spörche en het Hof van Policie hem de
magt opgedragen om de, door sommige leden dier gemeente verlangde,
veranderingen in het bestuur te bewerkstelligen.--De natie schaarde
zich weldra in twee partijen: de aanhangers van Carilho en die der
Parnassijns. Carilho, door von Spörche en het Hof gerugsteund ontzette
A. Da Costa van zijne bediening als Regent, onder voorwendsel van zijn
jeugdigen leeftijd; nieuwe regenten werden aangesteld en onder dezen
Carilho; het vuur der tweedragt brak weldra in hevige woede uit;
van beide zijden werden rekwesten ingediend en processen gevoerd,
waarvan de kosten somwijlen uit de armenkas werden bestreden [277];
door beide partijen werden gemagtigden naar den Haag gezonden om aldaar
de zaken te bepleiten; de oude regenten zonden hiertoe zekeren heer
J. Nassy, de andere partij den heer de Barrios, zoon van Carilho,
welke laatste zeer ondersteund werd door een rijken Israëliet te
Amsterdam, den heer Soasso. [278]

Door deze verwikkelingen werd ook slecht gevolg gegeven aan het
bevel, door het Hof naar aanleiding van den wensch van den prins
van Oranje en H.H.M. uitgevaardigd om de onderscheidene kerkelijke
verordeningen in overeenstemming te brengen met de gedurende den tijd
van 15 jaren nieuw gemaakte. En toch was zulks zeer noodig, daar vaak
de eene verordening de andere wedersprak. [279] Over de benoeming der
Commissie aan wie deze regeling werd opgedragen en tusschen de leden
dier Commissie kwamen eindelooze verschillen waardoor de herziening
en regeling vertraagd werden. [280]

De weeskamer bevond zich èn ten gevolge van gebrekkig beheer èn
door andere oorzaken mede in een zeer slechten toestand. Von Spörche
benoemde, in overleg met het Hof, eene commissie van vier leden, als:
twee in functie zijnde leden, één oud-raad van het Hof van Politie
en een van het Hof van Civiele Justitie, om den toestand nader te
onderzoeken en een voorstel tot verbetering in te dienen. [281] In
de vergadering van den 14den September 1751 berigtte de Gouverneur
dat hij het rapport dier Commissie had ontvangen en, na langdurige
discussiën daaromtrent, werd den 20sten September besloten, dat
voortaan weder, even als te voren, een separate boekhouder en kassier
zou worden aangesteld, daar het verzuimen van deze bepaling eene
voorname oorzaak der verwarring was. Den weesmeesters werden gelast de
boeken enz. in orde te brengen en dan aan den boekhouder over te geven,
terwijl tevens hunne instructie werd geamplieerd, doch het duurde lang
voor er wezenlijk verbetering werd bespeurd; de Commissie berigtte
o. a. den 8 Julij 1752 dat nog steeds de toestand der weeskamer zeer
verward bleef; waarna op nieuw verbeteringen werden voorgesteld [282]
die evenwel weinig schenen te baten, want gedurig werden de klagten
over het beheer der weeskamer herhaald.

Mede onder het bewind van von Spörche werd door eene Commissie uit
het Collegie van kleine zaken de schatting van de huurwaarde der
huizen in Parimaribo volbragt, en eene regeling voorgesteld omtrent
de betaling van de nieuwe belasting die benoodigd was om de kosten
van het zenden der H. H. Commissarissen en der troepen te bestrijden;
dit alles geschiedde echter niet zonder groote moeijelijkheden. Ook
ontstonden er ter dier tijde verwikkelingen met de practizijns.

Reeds onder de regering van Mauricius waren er herhaaldelijk klagten
ingekomen over de exorbitante rekeningen der Practizijns.--Door het
Collegie van kleine zaken werden eene instructie en een reglement
voor deze heeren gemaakt waarbij hun een weinig de vleugels werden
gekort--doch zij waren hiermede niet tevreden en leverden een protest
in; daarna werd de zaak op nieuw in deliberatie gebragt en den 3den
September 1751 een nieuw reglement door het Hof geconcipieerd. [283]
Toen dit concept definitief werd vastgesteld, weigerden de practizijns
zich hieraan te onderwerpen en het Hof was bedacht om maatregelen te
nemen ten einde hen tot onderwerping hieraan te dwingen; eindelijk
werd door eenig toegeven van beide zijden de zaak voor het oogenblik
geschikt en geregeld. [284]

Reeds onder het bestuur van von Spörche begonnen zich de sporen te
vertoonen dier finantieële crisis, die op den toestand van Suriname een
zoo belangrijken invloed heeft uitgeoefend; [285] verscheidene planters
zochten, tot uitbreiding hunner zaken, geld op beleening te verkrijgen
en wendden daartoe pogingen in Nederland aan, en deze roepstem vond
gehoor; von Spörche deelde den 15den November 1751 in eene buitengewone
vergadering van het Hof mede, dat hij eene missive had ontvangen van
den Edelen Groot-Achtbaren heer Willem Gideon Deutz, Burgemeester
van Amsterdam en Hoofd van een aanzienlijk handelshuis aldaar, [286]
waarin genoemde heer Deutz berigtte, dat hij niet ongenegen was,
om een millioen guldens op plantaadjes voor te schieten, op die
voorwaarden welke hij in een plan ter negotiatie nader bepaalde. [287]

In dit plan van Negotiatie werd bepaald, dat zij die van deze
geldleening gebruik wenschten te maken, een eerste hypotheek moesten
geven op soliede panden, terwijl geen hoogere sommen zouden worden
verstrekt dan 5/8 der waarde van het te verhypothekeren goed, en om
de misbruiken die door te hooge opgaaf der perceelen konden ontstaan
te beletten, moest de schatting derzelve door beëedigde priseurs,
door het Hof benoemd, geschieden.

Die schatters moesten aan het Hof de eigendomsbewijzen, de kaart
en de warrand van het te verhypothekeren perceel met de schatting
er van overleggen; daarna werd de toestand waarin zich dergelijk
perceel bevond in overweging genomen;--zoo kwam hierbij niet slechts
in aanmerking de mindere of meerdere vruchtbaarheid van den grond,
de staat der gebouwen enz. maar ook de ligging waardoor het minder
of meerder gevaar liep van aanvallen van binnenlandsche vijanden
(de Marrons) enz. enz. Nadat dit dan in het Hof bediscussieerd was,
werd aan hem die de beleening wenschte te doen, toestemming verleend
om het geheel of een gedeelte der door hem verlangde som op den heer
Deutz te trekken. Werd uit overweging van verschillende omstandigheden
slechts een gedeelte der verlangde som door het Hof toegekend, dan
werd den belanghebbende toegestaan zich, tot bekoming van meerdere
gelden dan het Hof oorbaar achtte, tot den heer Deutz te wenden,
om nadere authorisatie hiertoe.

Om de wijze waarop men in deze te werk ging, te leeren kennen,
schrijven wij uit de Notulen van 11 Januarij 1752 twee besluiten
daaromtrent af: een waarbij de geëischte som wordt toegestaan en een
waarbij dezelve wordt verminderd:

»de secretaris van deesen Hove heeft, ingevolge qualificatie van deesen
Hove, om alle de bewijzen en documenten van eigendom van de plantagiën
en Effecten van die geene die sig willen bedienen van het plan en
conditiën van crediet onder de directie van den Ed. Groot-Achtbaren
heer W. G. Deutz, naauwkeurig te examineren, aan den Hove rapport
gedaan, dat zijn Ed. alle de bewijzen en documenten van eygendom
van de Effecten van de hierna te noemen personen hadden naauwkeurig
geëxamineert, en aan syn Ed. de regte eigendom was gebleven, en dat
deselve Effecten met geen fidei commissie waeren beswaert, en dat
geene personen met geen huwelijks-voorwaarden zijn getrouwt, en was
ter dier fine deselve bewysen en documenten en prisatiën door beëedigde
priseurs van deesen Hove daartoe gecommitteerd geweest synde, gemaakt,
overgelegt in maniere als volgt: verder gesien en de geëxamineert
de kaart en warrand en nog de bewijzen en documenten van eygendom,
als meede de prisatie van de suyker-plantagie OVERBRUGGE, gelegen
in de rivier Suriname, aankomende den heer Hendrik Talbot junior;
is goedgevonden en geresolveerd de geeyschte sommen van f 45,000
Hollands, by provisie toe te staan, en dat gem. heer Talbot meerder
penningen in der tijd noodig hebbende de 5/8 niet executerende,
deselve zal mogen genieten, dog telkens met grooter verband van
gem. Effect aan secretarissen deser Colonie op te geven om hetselve
bij het eerste gepasseerde hypotheeq te voegen, en sal gem. heer
Talbot alle de bewysen en documenten van eygendom, de prisatie van
gez. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie alsmeede het
certificaat van belastingen behoorlijk geauthoriseerd aan den Heer
Deutz moeten oversenden, en zal hiervan aan gen. Hendrik Talbot
extract worden gegeven",--»verder gezien de kaart en warrand,
de bewijzen en documenten van eygendom, als meede de prisatie van
de hout- en suyker-plantagie OSEMBO, geleegen in de rivier Parra,
aankoomende voor 11/16 portie Pieter van Middeland. Welke stukken
gesien en geëxamineert synde, en daar over gedelibereert de situatie
van gen. plantagie, en dat gen. rivier meerder geëxponeert is aan
binnenlantse vyanden, is goedgevonden en geresolveert, aan gem. Pieter
van Middeland toe te staan eene somma van f 20,000 Hollands by provisie
op gem. plantagie te kunnen opneemen, in plaats van desselfs volle
5/8, die hij ingevolge het plaan en conditiën van crediet van den
Edelen Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, andersints soude
konnen krygen, en sal gem. Middeland gehouden syn voor gen. somma,
eerste hypotheek en daarop te volgen willige condemnatie van den
Hove van Civiele Justitie te passeeren ten faveure van den Edelen
Groot Achtbaeren heer Willem Gideon Deutz, laatende echter de vryheid
aan gem. Middeland, om daarover aan gem. heer Deutz te schryven en
demonstratie te doen of syn Ed. aan hem meerdere penningen tot de
5/8 toe sal willen schieten, in welk geval gem. heer Deutz daartoe
speciaale authorisatie aan heeren secretarissen deeser Colonie sal
gelieven te senden, wanneer deselve dan de behoorelyke annotatiën
daarvan sullen houden en daarmeede het eerste hypotheeq vergrooten
en sal hy Middeland alle de bewysen en documenten van eygendom, de
prisatie van gen. plantagie, copie hypotheeq en willige condemnatie
alsmeede het certificaat van belastingen behoorelyk geauthoriseerd
aan de heer Deutz moeten oversenden, en sal hiervan aan gem. Middeland
extract worden gegeven."

Door verscheidene personen werd van deze gelegenheid gebruik
gemaakt. Ware zulks steeds op behoorlijke wijze geschied en hadde
men de alzoo verkregen gelden werkelijk tot uitbreiding der cultuur
aangewend, zoo zoude deze negotiatie een gunstiger invloed op den
gang der zaken hebben uitgeoefend dan zij door misbruik en verspilling
van het aldus verkregen geld heeft gemaakt. [288]

Wendde von Spörche al zijne beste pogingen aan om de ontruste
gemoederen eenigermate tot rust te brengen, orde en eendragt te
herstellen en doelmatige verbeteringen in te voeren--wij kunnen
niet beoordeelen in hoeverre hem dit bij een langer bestaan zoude
gelukt zijn, daar de Heer van leven en dood hem van het tooneel dezes
aardschen levens afriep.

Den 28sten Augustus 1752 had von Spörche nog de vergadering van
het Hof gepresideerd. Dan, kort daarop ongesteld geworden zijnde,
overleed hij reeds den 7den September des namiddags ten half vier ure.

De Commandeur Crommelin liet daarop onmiddellijk het Hof buitengewoon
bijeenroepen, maakte in zijne vergadering het overlijden van von
Spörche bekend en bragt eene, hem vroeger door Mauricius ter hand
gestelde geheime missive ter tafel; deze werd door den secretaris
geopend en bleek eene resolutie van de Directeuren der Sociëteit te
zijn, waarbij bepaald werd, dat, na het overlijden van den Gouverneur,
de Commandeur het bestuur ad interim op zich moest nemen, enz. Na
eene korte aanspraak, door Crommelin tot de aanwezige leden van Hof
gehouden, werd hij door dezen voor zijne gedane communicatie bedankt,
terwijl zij verklaarden, dat zij zich overeenkomstig die resolutie
zouden gedragen, indien er geen nader besluit daaromtrent onder de
papieren van von Spörche werd gevonden, en na door hen voorloopig
gefeliciteerd te zijn geworden, werd besloten, om den secretaris last
te geven de publicatie van de aanvaarding van het interimsbestuur
door Crommelin alreeds te doen vervaardigen--maar de openlijke
bekendmaking er van uit te stellen tot den 11den derzelfde maand ten
einde den tijd te hebben de papieren van den heer von Spörche na te
zien. Vervolgens werd bepaald, dat de Commandeur met den heer Verschuer
de begrafenis van von Spörche zoude regelen. Aan dit laatste besluit
werd onmiddellijk voldaan en den 8sten September had de begrafenis met
groote pracht plaats. [289] Den volgenden dag was er weder vergadering
en viel niets bijzonders voor, doch toen den 11den September de heer
Crommelin aandrong om zijne commissie als Interims Gouverneur te doen
publiceren, maakten de Raden bezwaren--en werd deze zaak uitgesteld.

Waren deze bezwaren gegrond of was er onder de papieren van von Spörche
eene nadere resolutie over het Interims-bestuur gevonden?--Noch het een
noch het andere--maar men zocht uitstel te erlangen om tijd te geven
aan de Cabale, zoo als Mauricius steeds zijne tegenpartij noemde,
en die sterk in het Hof vertegenwoordigd werd, ten einde pogingen
aan te wenden, om den kolonel Baron van Verschuer te bewegen voor
zich zelven het Interims-bestuur te eischen; de Cabale die vreesde
dat Crommelin, de vriend van Mauricius, eenigermate paal en perk zou
stellen aan hun steeds toenemenden invloed, vermeende dit te voorkomen
door Van Verschuer in zijne plaats te brengen, daar zij vermeenden
dat deze heer zich meer met den schijn van het gezag zou te vreden
stellen en hun de handen ruim laten.

Tot het bereiken van dit doel behoefde men eenigen tijd, en dat
dit de ware reden was, bleek duidelijk, toen in de vergadering van
den 13den September 1752 eene missive van den heer Verschuer ter
tafel kwam, waarbij hij verklaarde bereid te zijn, het provisioneele
Gouvernement op zich te nemen. Wel werd deze vergadering gescheiden,
zonder dat hierover eene beslissing viel, maar in de volgende, op
den 13den September kwam de dubbelhartige gezindheid der meeste
raadsleden aan het licht. Crommelin toch hield eene rede waarin
hij klaar en duidelijk zijne regtmatige aanspraak op het Interims
bestuur betoogde, en waarbij hij ten ernstigste de hulp van het Hof
inriep om hem daarin te bevestigen; de meeste leden verklaarden,
dat daar de Sociëteit over het Interims-bestuur beschikte, zonder
hunne medewerking, zij zich ook geheel buiten het verschil wilden
houden--en ofschoon Crommelin hun daarop voor oogen stelde dat deze
handelwijze streed met vorige usantiën en met het 21ste artikel van
het octrooi, bleven zij echter bij hunne weigering volharden; zelfs de
door de sociëteit aangestelde Raad-Fiscaal Mr. George Curtius wilde
zich in dit verschil niet mengen. De Raden stelden Crommelin voor om
te trachten deze zaak in der minne te schikken.

Den volgenden dag kwamen, hoewel alle door den commandeur geconvoceerd
waren, slechts drie leden, de heeren Tourton, Couderc en Strübe op,
die echter geene zitting wilden nemen en Crommelin aanraadden om eene
nadere conferentie met den heer Verschuer te houden; deze conferentie
liep echter even als de vorige af zonder dat men tot een vergelijk
kwam en Crommelin liet, daar de Raden bij hunne weifelende of liever
dubbelhartige houding bleven volharden en hij vermeende toch iets te
moeten doen om verder te kunnen gaan, bij trommelslag den volke bekend
maken, dat hij het interims-bestuur had aanvaard;--doch Verschuer
gaf bevel de tamboers in arrest te nemen en liet daarop door de
tamboers der staatsche roepen onder gewapend geleide, hetzelfde van
hem publiceren, terwijl hij in de vergadering van den 15den September
zich over het gedrag van Crommelin beklaagde, daar hij uit de met
dezen laatste gehouden conferentie vermeend had, dat de Commandeur
toe zou geven en slechts pro forma protesteren. Indien men echter de
in de notulen uitvoerig opgeteekende conferentie oplettend naleest,
komt men tot de overtuiging dat Verschuer de beleefde wijze waarop
Crommelin zijn regt verdedigde voor toegeven opnam.

De Raden wenschten den heer Verschuer geluk met het aanvaarden van het
provisioneel bestuur en drukten den wensch uit, dat het verschil met
den Commandeur in der minne mogt getermineerd worden; zij namen den
schijn aan als of zij zich in deze kwestie geheel onzijdig wilden
houden, doch hunne ware gezindheid bleek o. a. uit de hevigheid,
waarmede zij den tweeden secretaris Jan Nepveu die bij ongesteldheid
van Du Fay als eerste fungeerde, behandelden toen deze, uit naam van
den Commandeur, een protest indiende en mede voor zijn persoon tegen
de wettigheid der vergaderingen, onder het praesidium van Verschuer
te houden, getuigde. Men zag hierin eene beleediging dat het Hof werd
aangedaan en dien ten gevolge werd Nepveu in zijne bediening geschorst.

Baron van Verschuer grondde zijne aanspraak op het bewind op het
volgende: de resolutie der Sociëteit had betrekking op de vervulling
van het interimsbestuur bij het overlijden van Mauricius; nu echter
bestond er een andere toestand: het provisioneel bestuur was,
terwijl Mauricius nog leefde, door Commissarissen aan von Spörche
opgedragen--en bij diens overlijden bleef echter het provisioneel
bestuur bestaan en hij, Verschuer, als in rang op von Spörche volgende,
was alzoo bevoegd om in zijne plaats op te treden, enz. enz.

Von Spörche zelf had het nimmer zoo begrepen; bij ongesteldheid had
hij de vergaderingen niet door Verschuer maar door Crommelin laten
convoceeren en met dezen heer ook steeds over de bestiering der zaken
»gebesoigneerd." [290]

Crommelin leverde verscheiden malen protest tegen een en ander
in--doch bukte voor de overmagt en begaf zich naar zijne plantaadje,
daar hij als Commandeur geen zitting wilde nemen in vergaderingen,
die hij onwettig achtte.

Het Hof was hierover zeer gebelgd en beklaagde zich over die
handelwijze bij H.H.M., doch Crommelin gaf een omstandig berigt van
het gebeurde aan de Directeuren der Sociëteit.

De zaken gingen vervolgens weder haren ouden gang; het Hof van
Policie en Criminele Justitie en de andere Collegiën hielden hunne
gewone zittingen; slechts de Raadsheer Strübe, de schoonzoon van
Mauricius, onttrok zich aan het bijwonen der vergaderingen, omdat
hij het interimsbestuur van Verschuer als onwettig beschouwde. Het
wegloopen der slaven nam hand over hand toe; om dit te keer te
gaan, werden de militaire posten in de divisien versterkt of nieuwe
opgerigt--doch om de bezwaren, er aan verbonden, voornamelijk die,
om ze steeds behoorlijk van vivres te voorzien, werden zij soms
na een korten tijd weder opgeheven; den 16den Januarij 1753 had er
een aanval der wegloopers op de bergwerkers aan den grond Victoria
plaats. Deze aanval kostte den Sociëteits-Directeur Brendel het leven;
hij benevens een militair werden doodgeschoten en de Directeur der
Mijn-Compagnie door een pijl gekwetst.--Eerst na een hevig gevecht
trokken de wegloopers af, doch voerden twee negerinnen, vier kinderen
der mijncompagnie en drie negers van Brendel mede; eene negerin met
haar kind werd hun nog door de militairen afgenomen.

Den 31sten Januarij 1753 kwam er berigt èn van de Prinses Gouvernante
èn van de Directeuren der Sociëteit; de usurpatie van het bewind
door Verschuer werd ten hoogste afgekeurd, en ontving hij ernstig
bevel »om zich te vergenoegen met het commandement der troepen en
den Commandeur Crommelin over te laten al 't geen het Gouvernement
ad Interim buitendien was concernerende." Het gedrag van Crommelin
werd zeer geprezen en aan den tweeden Secretaris Jan Nepveu hooge lof
toegezwaaid.--De heer Crommelin bevond zich op zijne plantaadje Rust
en Werk, toen deze tijding aankwam. Door Nepveu hiervan verwittigd,
begaf hij zich terstond naar Paramaribo, convoceerde de leden van
het Hof en, na hun in de vergadering van den 2den Februarij 1753 den
inhoud der brieven van de prinses Gouvernante en der Directeuren te
hebben medegedeeld, nam hij het bestuur van Verschuer over.

De leden van het Hof poogden zich te verontschuldigen met te betuigen
dat: »sy alles gedaan hadden uit vrees voor de magt, die dien heer
(Verschuer) in handen had, door dien de troupen onder syn commando
stonden, waartegen sy sich niet hadden durven opposeeren." [291]
Crommelin merkt hierover in zijn dagboek het volgende aan:--"wat
een elendig excuus!--en te gelijk wat een perfidie!--doch waar
zijn luiden, die alle eer en schaamte hebben afgelegd, niet toe
capabel! de heer Colonel was het nooit in de gedachte gekomen om
het Gouvernement aan zich te trekken, was het hem niet in 't hoofd
gebragt door de voorstanders der Cabale, die dag en nacht gewoeld
hebben tot se die saaken so verre gebragt hadden." De heer Strübe,
die nu weder de vergadering bijwoonde, verklaarde dat hij van den
beginne van oordeel was geweest, dat de orders der Sociëteit moesten
worden opgevolgd, waarom hij tegen het Interims-bestuur van Verschuer
had geprotesteerd en geen zitting had willen nemen; Nepveu nu weder
in zijn ambt hersteld, wilde zich niet verantwoordelijk stellen voor
hetgeen op de Secretarie geschied was, tijdens hij de facto door het
Hof uit zijne bediening was gezet; de Raden beweerden dat hij niet
door hen ontzet, maar slechts geschorst was, omdat hij de wettigheid
van het Hof niet erkennen wilde, doch zij wilden hem nu volgaarne
erkennen. Verschuer toonde zich geneigd om met Crommelin de handen in
één te slaan ter bevordering van het welzijn der kolonie--en uit zijne
verdere handelwijze blijkt ten duidelijkste, dat Crommelin waarheid
vermeldde, toen hij de voornaamste oorzaak dezer verwikkelingen niet
aan Verschuer, maar aan de Cabale toeschreef. [292]

De herstelling van Crommelin in het Interims-bestuur was velen leden
der nog bestaande Cabale tegen de borst en de tekst, dien Ds. Doesburg
den volgenden Zondag, 4 Februarij 1753, voor zijne preek nam, was
zeer voor de tijdsomstandigheden gepast.--Die tekst was Zacharias 8,
vers 16 en 17 en de inleiding uit Maleachi 2, vers 7 en 8; »doch"
schrijft Crommelin met zekere bitterheid, »hij had er het volgende
vers wel bij mogen nemen." [293] Dat de invloed der Cabale nog
verre van geheel geweken was, kan men uit verscheidene handelingen
zeer goed opmerken: de schippers o. a., die wel bij de proclamatie
van Verschuer gevlagd hadden, deden dit niet bij die van Crommelin;
slechts een Rotterdammer, kapitein Boudewijn, deed vreugdeschoten en
slechts drie heschen de vlag; Mevrouw Scherping en andere Cabalisten
hadden den schippers vrees aangejaagd door de bedreiging, »dat wie
het minste bewijs van vreugde sou geeven geen vat suyker noch koffy
meer van hen zou ontvangen." [294]

Over de publicatie, waarbij Crommelin aan de bevolking bekend
maakte, dat hij het Interims-bestuur had aanvaard, vielen hevige
woordenwisselingen in het Hof voor; de Raden achtten zich gekrenkt
èn omdat zij er niet in gekend waren èn om sommige uitdrukkingen in
de publicatie; [295] Crommelin beantwoordde hun geschrift den 1sten
Maart met klem en nadruk; de Raden zagen er nieuwe beleedigingen in--en
eindelijk verklaarde Crommelin zich niet langer met een nutteloozen
pennestrijd te willen ophouden.

Gedurig ontstonden er moeiten en verwikkelingen tusschen Crommelin
en de beide hoven, en dit voornamelijk over de al of niet geldigheid
der benoemingen tijdens de usurpatie door Verschuer; Crommelin wilde
deze benoemingen niet erkennen en evenmin al hetgeen in den tijd van
Verschuer was geschied. De Raden zagen hun werk niet gaarne vernietigd
en terwijl zij Crommelin beschuldigden van zich eene hoogere magt aan
te matigen dan hem toekwam, dreigden zij niet met de behandeling der
andere zaken te zullen voortgaan, tenzij hij toegaf en die benoemingen
in status quo liet blijven. Toen Crommelin echter niet toegaf, bleven
zij, doch onder protest, de vergaderingen bijwonen, [296] maar maakten
het den Interims-Gouverneur op allerlei wijzen zeer lastig.

Ook in het Hof van Civiele Justitie rezen dezelfde bezwaren. Crommelin
weigerde de sterke hand te verleenen ter uitvoering der vonnissen door
dat Hof in den tijd van Verschuer geveld. De Raden daarentegen drongen
hierop zeer aan; daar men van beide zijden niet wilde toegeven, werd
de vergadering den 10den April 1753 door Crommelin geschorst. [297]
Crommelin stelde daarop in de eerstvolgende vergadering van het Hof
van Policie, den 25sten April, voor: om, totdat HH. M. hierop nader
zouden beschikken, een provisioneel Hof van Civiele Justitie op te
rigten of anders de zaken daartoe competerende, voor dien tijd op
te dragen aan het Collegie van Kleine Zaken. Na lang wederstreven
gaven echter de Raden van Civiele Justitie toe om, gelijk zij zeiden,
de stremming der Justitie te voorkomen. [298]

Onderscheidene nieuwe moeijelijkheden deden zich gedurig voor en
belemmerden zeer den gang der zaken, zoo ontdekte men o. a. in de
kerkekas een tekort van ruim f 1800, hetwelk ontstaan was door het
slechte beheer van den nu afgetreden kerkmeester; [299] de kas der
Weeskamer bevond zich mede in een droevigen toestand; de gagies van
bedienden konden niet uitbetaald worden en de weesmeesters geen
provisie erlangen; daarbij werden zij vaak in netelige gevallen
gewikkeld, zoodat zij in de vergadering van het Hof 22sten Mei 1753
[300] de sleutels overgaven en wenschten van hunne betrekking ontslagen
te worden. Eerst nadat hun een voorschot verleend en ook sommige
andere verzoeken werden toegestaan, lieten zij zich overhalen om hunne
bediening te blijven waarnemen. [301] De kas tegen de wegloopers was
mede van geld ontbloot, behalve de gewone enorme uitgaven, waren ook
uit deze kas provisioneel betalingen voor het onderhoud der Staatsche
troepen gedaan, waarom men zich nu per missive tot H.K.H. de Prinses
Gouvernante wendde om die gelden uit de extra-ordinaire kas der Hoofd-
en Lastgelden te mogen verhalen. [302] Behalve de reeds genoemde
moeijelijkheden werd de taak der regering nog verzwaard door twisten
tusschen de predikanten onderling en tusschen de predikanten en het
Hof. Zekere Ds. Sporron had, zonder den kerkeraad hiervan kennis te
geven, zijn ambt nedergelegd en wilde de kolonie verlaten; [303]
doch nu werd hem door het Hof het verleenen eener pas geweigerd,
zijn tractement ingehouden en deze zaak aan de beslissing van het
Conventus Deputatorum opgedragen; Ds. Sporron gaf echter toe en
daar hij de predikdienst nu weder waarnam, werd hem zijn ingehouden
tractement uitbetaald en de verlofpas uitgereikt; de Luthersche
predikant had een kind, waarvan de vader tot de Episcopale, doch de
moeder tot de Gereformeerde kerk behoorde, gedoopt, en nu leverde de
Gereformeerde Kerkeraad over deze daad zijn beklag in--daar hij zulks
beschouwde "als kunnende strekken tot ondergang der Dominante kerk
en waardoor de getolereerde allengskens zoude trachten zich op de
puinhopen der Gereformeerde op te rigten". Na langdurige discussiën
[304] werd eindelijk deze zaak in der minne geschikt; [305] in de
vergadering van het Conventus Deputatorum werd een brief van de
Classis van Amsterdam gelezen, die van zoodanigen aard was, dat de
Commissarissen Politiek verontwaardigd de vergadering verlieten
en hunne verontwaardiging lucht gaven in de zitting van het Hof,
hetwelk mede zeer geërgerd werd. In dezen bewusten brief waren,
zooals het Hof dit kwalificeerde, »op ongefundeerde klagten en onware
voorgevens beleedigende uitdrukkingen tegen de regering van Suriname
vervat." De predikanten verontschuldigden zich wel, dat zij dergelijke
klagten niet hadden gedaan--maar het Hof was toch zoo zeer geërgerd,
dat het besloot eene missive aan de Eerwaarde Classis te zenden
waarin het zijne verontwaardiging kenbaar maakte en er de volgende
caracteristieke verklaring bijvoegde: »dat nooyt dergelyke klagten
alhier aan de regering waren gedaen, maer dat dese ter contrarie ter
liefde van Christus zeer veel alhier door de vingers heeft gezien
en nog ziet en mitsdien gen. eerwaarde Classis verzocht den naam
sodaenige predikant of predikanten, die dusdaenige ongefundeerde
klagten hebben overgedraegen, te moogen weeten, enz."

Er ontstond mede een hevige tweespalt onder de Hoog-Duitsche Joden:
hunne regenten niet zeer met Crommelin ingenomen, dreigden met hun
ontslag, en Crommelin, die zich niet zeer om bedreigingen bekommerde,
nam dit ontslag in goeden ernst op en benoemde andere regenten, »die
zeer wel naar den zin waren van het beschaafdste gedeelte der natie,
doch nu zochten eenigen van het gemeenste soort de afgetredene regenten
op te stooken." [306] Tevens trachtte men onder de hand onderteekenaars
te werven op een zeker klaagschrift, dat men H.H.M. wilde toezenden;
[307] de oude regenten weigerden de papieren en de kas over te geven
en gedroegen zich zoo onbeschoft tegen den Interims-Gouverneur, dat
hij, ter voorkoming van grooter wanorde, zich verpligt rekende, hen
te laten arresteren en op het fort Zeelandia te brengen; [308] doch
nu beging hun aanhang allerlei insolentiën tegen den Gouverneur en
vond steun in het Hof van Policie, want toen de Raad Fiscaal verlof
vroeg om tegen hen te procederen, werd dit verlof hem geweigerd,
terwijl de Raden Crommelin op nieuw beschuldigden, dat hij zijne magt
te buiten ging. [309]

De voorstellen door Crommelin om een grooten togt tegen de steeds
aangroeijende wegloopers te doen, vonden sterken tegenstand; de Raden
wenschten wel soldaten ter beveiliging hunner plantaadjes te erlangen,
maar weigerden hiertoe geld of slaven af te staan; vele andere planters
volgden het slechte voorbeeld door Hunne Edel Achtbaren gegeven en
uit de telkens ingeleverde rapporten der Burger-officieren blijkt
ten duidelijkste met hoeveel onwil en verzet er steeds gestreden
werd. De moeijelijkheden voor Crommelin werden daarenboven nog door
de in de kolonie aanwezige krijgsmagt vermeerderd; niet slechts was
er gedurig twist tusschen soldaten, matrozen en burgers, maar zelfs de
officieren gaven zich aan allerlei brooddronkenheid over en sloegen en
mishandelden soms de burgers en hunne vrouwen op de publieke straat,
ja bedreven meermalen verregaande baldadigheden in de huizen der
burgers, die zoo geïntimideerd werden, dat zij niet eens durfden
klagen uit vrees voor erger. [310]

Hoewel Crommelin met vele moeijelijkheden te kampen had, werd aan den
anderen kant zijne trouw aan de Sociëteit door Directeuren erkend en
ontving hij van hen de meest vleijende bewijzen door de goedkeuring
van zijn gedrag tegenover zijne tegenpartij, zoo werd o. a. op bevel
van Directeuren den 4den Julij 1753 de Raad Fiscaal Mr. G. Curtius
in zijn ambt geschorst, omdat zijne ingeleverde verdediging over zijn
gehouden gedrag tijdens Verschuer niet voldoende werd gevonden, en werd
de jegens Crommelin getrouwe heer Jan Nepveu tot Provis. Raad Fiscaal
aangesteld. [311] Den 11den Julij kwam de tijding in Suriname aan, dat
Mauricius over al zijne vijanden getriumpheerd had, daar op het advies,
door den Hoogen Raad uitgebragt, Mauricius door de Staten-Generaal,
bij resolutie van den 13den Mei 1753, werd vrijgesproken van alle
tegen hem ingebragte beschuldigingen, terwijl aan Salomon Duplessis
werd medegedeeld, dat aan geene van de door hem ingediende rekwesten
gevolg kon worden gegeven, weshalve zij als niet ingekomen zouden
worden beschouwd. Duplessis werd bovendien veroordeeld om alle kosten
te betalen, terwijl aan den Fiscaal der Generaliteit en aan Mr. Jan
Jacob Mauricius de bevoegdheid werd verleend om Salomon Duplessis
wegens laster te vervolgen. [312] Deze tijding verwekte groote
neerslagtigheid onder de Cabalisten; zij toch hadden gewaand een
steun tegen de Sociëteit en de Gouverneurs bij H.H. M. en den prins
te vinden. De zending der Commissarissen en wat door dezen verordend
werd, had hun in dezen waan versterkt en nu werden hunne verwachtingen
verijdeld en hunne kracht was gebroken. [313]

Was deze tijding voor Crommelin, den vriend van Mauricius, aangenaam en
verheugde hij zich in de zegepraal van zijn vriend, ook hem werd eene
schitterende overwinning over zijne tegenpartij bereid: den 29sten
October ontving hij papieren uit het vaderland van gewigtigen aard,
en reeds dien zelfden dag bragt hij in de vergadering van het Hof van
Policie en Criminele Justitie eene missive ter tafel van H.H. M. de
prinses Gouvernante, welke van het volgende belangrijke besluit
kennis gaf, namelijk: »dat H. K. H. uit consideratie van de disputen
en differentiën tusschen den Interims-Gouverneur en de heeren Raden,
deze laatsten allen ontsloeg, behoudens eer en waardigheid." Toen de
heeren Raden daarop door Crommelin werden bedankt, verklaarden zij,
»dat het hun een sonderling genoegen was, dat het H.H. M. behaagd had
haar van dat lastig ampt te ontslaan, waarin sy so lange het hadden
bekleed niet als moeijelijkheid en verdriet hadden gehad." Na eenige
wederszijdsche beleefdheidsbetuigingen, goed of kwalijk gemeend, werden
de heeren door den Secretaris uit de Raadkamer geleid en daarna de
andere bescheiden geopend: eene benoeming van negen nieuwe raadsleden
en eene algemeene amnestie ter zake van de twisten en oneenigheden
tijdens het bestuur van Mauricius en te niet doening der daaromtrent
gevoerde processen maakten er den voornaamsten inhoud van uit. Des
namiddags werd die algemeene amnestie, bij trommelslag den volke
verkondigd; [314] den 2den November 1753 had de installatie der nieuwe
raden plaats; [315] 's avonds werd tot viering van den verjaardag
der Prinses Gouvernante het Gouvernementshuis geïllumineerd, aan de
aanzienlijke ingezetenen door den Gouverneur een bal gegeven, terwijl
de bedienden der Sociëteit en andere personen uit den burgerstand op
een feestelijken maaltijd werden onthaald.

Sedert zien wij een gansch anderen geest in de vergaderingen van de
beide hoven heerschen. De gestadige twisten tusschen den Gouverneur
en de leden dier hoven hadden nu weinig meer plaats; de zittingen
kenmerkten zich door meerdere kalmte en waardigheid en zoodoende kon
men ook geregelder de zaken behandelen en veel meer afdoen. Crommelin
meldt daarvan in zijn dagboek van den 8sten Februarij 1754: »Bij
gebrek aan affaires is het Hof te half elf gescheiden, 't welk
overtuigend blijken geeft dat met de tegenwoordige heeren Raaden
meer zaken in eene week worden afgedaan als met vorige in geheele
maanden." Volgens de order der Prinses Gouvernante moest hetgeen op de
beruchte »Verzoekpoincten van Redres" [316] besloten was als wet worden
aangemerkt; [317] en volgens de aanschrijving van de Directeuren der
sociëteit moest al hetgeen »in het politieke" was geschied tijdens
de usurpatie van het bewind door Verschuer voor »Nul en krachteloos
en van onwaarde worden verklaard en weder voor zooveel des noodig op
nieuw in deliberatie worden gebragt."

Volgens aanschrijving van de Prinses Gouvernante, aan wie na
het overlijden van Prins Willem den 4de de regeling der zaken in
Suriname door H.H.M. was opgedragen, moesten de staatsche troepen
die met de Commissarissen in 1751 in Suriname waren gekomen, nu naar
Nederland terug keeren, doch daar de Directeuren der Sociëteit, in
overeenstemming met de belanghebbenden, besloten hadden de krijgsmagt
in Suriname te vermeerderen en van 300 tot op 600 man te brengen,
werd aan de Militairen verlof gegeven in de dienst der Sociëteit over
te gaan, van welk verlof velen gebruik maakten, zoodat er slechts
ongeveer 100 man in Februarij 1754 de kolonie verlieten. [318]

Tot onderhoud dier staatsche troepen, ter bestrijding der kosten
voor hare terugreis naar Nederland en voor alle verdere buitengewone
maatregelen: als, het zenden der Commissarissen ter vereffening der
geschillen tusschen Mauricius en de kolonisten, enz. was veel geld
noodig geweest, en niet slechts uit de extra-ordinaire kas daarvoor
bepaaldelijk opgerigt, maar ook uit de kas tegen de wegloopers, uit
die der Modique lasten enz. enz. waren tot dat einde gelden genomen
die echter terug betaald moesten worden, zoodat eene nieuwe belasting
alzoo onvermijdelijk werd geacht.

Onderscheidene plannen werden gemaakt om die belasting zoo gelijk
mogelijk te doen dragen; den meesten bijval verwierf een voorstel,
dat in Januarij 1754 in het Hof besproken en ter goedkeuring aan de
Sociëteit en H.H.M. en de Prinses Gouvernante naar Nederland gezonden
werd. Daar men hieruit eenigermate de opbrengsten der cultures en de
vermoedelijke inkomsten der neringdoenden kan opmaken, laten wij het
hier volgen:


Het nieuwe Hoofdgeld à f 1 de persoon,          f 30,000 à f 35,000.
kinderen 10 stuivers, terwijl Militairen
van deze belasting werden vrijgesteld,
werd gerekend op te brengen
1 procent op de productie                       f 30,000 à f 35,000.

    Hiertoe werden de producten
    geschat als volgt:

    1 okshoofd suiker   à f 30.--
    1 pond koffij       à f -- 6 stuivers.
    1 gallon melassie   à f -- 6 id.
    1 pul dram inhou-
      dende 3 gallons   à f -- 5 id.
    1 pond Cacao        à f --15 id.
    1 pond katoen       à f -- 5 id.

3 procent van de houtwaren                      f  1,500 à  f 1,500.
3 procent van de inkomsten van winkeliers,
herbergiers, ambtenaars en                      f 10,000 à  f 12,000.
3 procent van de door de schippers en
andere groote negotianten in het klein
verkocht wordende goederen voor memorie.

Zoodat deze belasting volgens calcula zou
opbrengen                                       f 71,500 à f 83,500.


In Junij 1754 kwam er aanschrijving van HH. Directeuren der Sociëteit
waarbij Mr. G. Curtius weder in zijn ambt als Raad-Fiscaal werd
hersteld; Jan Nepveu als Tweede Fiscaal en en als Fiscaal bij den
krijgsraad benoemd en tevens kennis werd gegeven, dat de Colonel
der ruiterij, Pieter Albert van der Meer, vroeger Majoor in het
regiment van den Paltsgraaf van Birkenfels tot Gouverneur-Generaal van
Suriname aangesteld, in het laatst van Mei 1754 naar de kolonie zou
vertrekken. Bij deze kennisgeving werd Crommelin op vleijende wijze
dank gezegd voor zijne vele trouwe diensten der Sociëteit bewezen en
ontving hij als belooning eene verhooging van zijn tractament met
f 1600 's jaars [319].

Den 21sten October 1754 landde de nieuwe Gouverneur-Generaal
P. A. v. d. Meer en werd met de gewone plegtigheden ontvangen. Bij
den gelukwensch, door Crommelin den nieuwen Gouverneur toegebragt,
gaf Crommelin een overzigt van de moeijelijke omstandigheden waarin hij
verkeerd had door de gedurige verschillen met de leden der beide hoven,
de usurpatie van het bewind door Verschuer en de hachelijke tweedragt
die de kolonie verscheurde--doch hij erkende dat er eene groote
verbetering was gekomen sedert de door de Prinses Gouvernante gemaakte
schikking, waarbij nieuwe Raden waren aangesteld en zelfs getuigde hij,
dat er thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in de beide
hoven maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschten. [320]

Van der Meer, die den 22sten October het bewind aanvaardde, trachtte
naar zijn beste weten met alle kracht het welzijn der kolonie te
bevorderen.

Reeds eenige dagen vóór zijne komst was het gerucht verbreid, dat de
Spanjaarden aan de Orinoco vijandige bedoelingen tegen de Hollandsche
koloniën in den zin hadden. De Gouverneurs van Berbice en Essequebo
berigtten zulks aan den Gouverneur; andere tijdingen schenen dit
gerucht te bevestigen: men sprak er van, dat de Spanjaarden met
vijf of zes oorlogsschepen op weg waren om Curaçao te overrompelen;
men had een vreemd zeil gezien van een schip, dat drie dagen lang
op de hoogte van Suriname kruiste. Van der Meer achtte zich verpligt
maatregelen van voorzorg te nemen, doch nu kwamen ook weder spoedig
de oude kwestien voor den dag: het Hof maakte bezwaar over de kosten
en vermeende, dat deze volgens het 27ste art. van het octrooi alléén
door de Sociëteit gedragen moesten worden; de schippers betoonden
zich ongezind om, ter beveiliging van de kolonie, van legplaats te
veranderen en het was zeker eene groote uitkomst toen het eindelijk
bleek, dat de geruchten valsch waren geweest, de vrees alzoo ongegrond
was en men alzoo de verdere maatregelen kon staken. [321]-- [322]

De nieuwe belasting in Januarij 1754 voorgesteld, bleek nog niet
voldoende te zijn, daar er o.a. nog f 90,000 moest worden betaald aan
achterstallen wegens de kosten van het zenden van Commissarissen enz.;
men besloot deze alzoo tot het dubbele van het primitief bedrag te
verhoogen; [323] de uitvaardiging dezer belasting geschiedde echter
eerst in Augustus 1756. [324]

In December 1755 werd ook eindelijk aan de herhaalde aanvraag van de
opzigters der gemeene weide gehoor gegeven en de houders


            voor ieder pleizierpaard          f  5
            voor ieder chais met 2 wielen     f  5
            voor ieder rijtuig met 4 wielen   f 10


jaarlijksche contributie opgelegd. [325]

Tijdens het bestuur van van der Meer werd ook op het voorstel
van Crommelin, die reeds vóór de komst van van der Meer hier op
aangedrongen had, gevolg gegeven aan het plan der HH. Directeuren,
om eene nieuwe kolonisatie aan het Oranjepad bij Para te
beproeven. Directeuren der Sociëteit stelden zich veel goeds hiervan
voor en zij hadden dan ook de Prinses Gouvernante tot hun gevoelen
overgehaald, zoodat H.K.H. dat plan sterk aanbeval.

De vroegere mislukkingen om alzoo eene voormuur tegen de wegloopers
op te rigten en die wij op bladz. 112 enz. vermeld hebben, hadden
tot het doen eener nieuwe proefneming niet afgeschrikt. Men zou,
nu geleerd door vroegere teleurstellingen, betere maatregelen van
voorzorg nemen. In Augustus 1754 had men een getal van 80 slaven,
waaronder 30 vrouwen, gekocht en liet dezen onder opzigt van twee
blanken kostgronden aanleggen. [326] In December 1754 werden
door van der Meer, in overleg met het Hof van Policie, nadere
bepalingen vastgesteld voor diegenen, die zich op het Oranjepad
wilden vestigen. Hun zou hoornvee en eenige levensmiddelen en andere
benoodigdheden worden verstrekt, er zouden geschikte woningen voor
hen gemaakt worden; zij zouden de noodige slaven erlangen enz.,
enz., daarentegen moesten zij zich verbinden 10 jaren achtereen op
het Oranjepad te blijven wonen. Eerder vertrekkende, verloren zij de
hun toegekende voorregten en zouden tot terugbetaling van het reeds
genotene kunnen genoopt worden. Een Duitscher, baron von Bulouw, werd
als burgemeester benoemd, met de bepaling dat hij met twee schepenen,
uit het midden der zich aldaar vestigende volkplanters te kiezen, een
soort van bestuur zou uitmaken. Aan Bulouw, die tevens als secretaris
fungeren moest, werd hiervoor eene som van f 150 in het jaar toegekend
terwijl hij tevens voor iedere persoon, die hij tot nederzetting
aldaar zou overhalen, eene gratificatie zou ontvangen. [327]

Die nederzetting scheen in het eerst wel te slagen; de toegekende
voordeelen hadden verscheidene personen uitgelokt, zich aldaar te
vestigen. Dat dit getal schielijk toegenomen was, blijkt o.a. uit
de rapporten, door Commissarissen uit het Hof van Policie, na hun
bezoek aldaar, uitgebragt. Zij toch stelden voor: om in plaats
van twee--vier schepenen te benoemen en, door eene behoorlijke
instructie der regtsmagt van burgemeester en schepenen, te bepalen,
om een chirurgijn, een predikant en een schoolmeester aan te stellen,
eene soort van weeskamer en een vendukantoor op te rigten, enz., enz.,
en zij getuigden tevens dat rust, vrede en eensgezindheid onder de
kolonisten heerschten. [328]

Waren die eerste berigten gunstig, zij werden helaas spoedig door
slechte vervangen. De vrede, rust en eensgezindheid duurde slechts
kort. Weldra kwamen er klagten der kolonisten over den burgemeester
Bulouw en diens aanmatiging, dan eens over de schepenen en over
den chirurgijn, dan weder van deze authoriteiten over de burgers;
de slaven werden soms deerlijk mishandeld en sommigen liepen weg en
waren niet gemakkelijk te achterhalen.

De notulen van dien tijd zijn met de discussiën over de kolonisatie
van het Oranjepad opgevuld. Van tijd tot tijd werden de ergste
onruststoorders veroordeeld om eene maand of 14 dagen in »de ketting"
aan het pad te werken of lijfstraffen te ondergaan, doch het baatte
niet; evenmin hielp de maatregel om Burgemeester Bulouw tegen wien
de klagten vermenigvuldigden in Januarij 1756 af te zetten en eene
andere regering aan te stellen. Eindelijk zag men het in: het terrein
met hooge onvruchtbare zandbergen en dalen, die bij regentijd in kleine
meeren werden herschapen, was ongeschikt; het hout voor de op te rigten
woningen moest van elders komen en zelfs bij de verstrekking van de,
volgens het project tien jaren lang aan te voeren, levensmiddelen,
moesten de bewoners zich kommerlijk behelpen. En hoe moest het later
gaan, indien die toevoer ophield? Reeds nu heerschte onder hen vele
ziekten, die hen den arbeid onmogelijk maakten,--»Het etablissement
voldoet niet, het geeft geen nut tegen de wegloopers en veroorzaakt
harddrukkende en ruïneuse lasten voor de kolonie", was de gedurig
herhaalde klagt in de vergaderingen van het Hof. Noode ging men er
toe over om aan de aanvraag voor meerdere slaven te voldoen. Aan het
verzoek om een predikant en een schoolmeester werd bijna niet gedacht
en spoedig besloot men der Sociëteit de opheffing dier kolonisatie
te verzoeken. [329]

Gedurende het bewind van van der Meer werden ook groote togten tegen
de wegloopers voorgesteld en ondernomen, doch meestal zonder goed
gevolg, en het denkbeeld van een met hen te beproeven vrede begon
reeds meer bijval te erlangen dan dat het ten tijde van Mauricius
door hem voorgesteld verwierf.

Van der Meer wenschte zoo veel mogelijk orde in de onderscheidene
collegiën en instellingen te bevorderen; zulks was echter steeds in
Suriname eene moeijelijke taak. Zeer beklaagde zich de Gouverneur
in zijn dagboek o.a. over de slechte en nonchalante wijze waarop de
Commissarissen van kleine zaken vergaderden en de zaken behandelden. Op
zekeren tijd lagen er sedert 14 dagen op het kantoor van den secretaris
55 sententiën om executie, waaraan de teekening ontbrak en op dat
van den exploiteur 41 stuks. [330]

De zaken der weeskamer waren en bleven ook zeer verward. De
weesmeesters klaagden gedurig over insultes hun door belanghebbenden
aangedaan, doch het bleek duidelijk, dat de aanleiding hiertoe
niet ontbrak, daar zij weldra om hunne slordige administratie
ontslagen werden en toen niet in staat waren om behoorlijk rekening
en verantwoording te doen en daarom op het fort Zeelandia een geruimen
tijd in arrest werden gezet. Provisioneel werden toen door van der Meer
twee andere weesmeesters aangesteld en een plan tot het oprigten eener
nieuwe Weeskamer aan Directeuren der Sociëteit medegedeeld, waartoe
dan ook, doch eerst na den dood van van der Meer, besloten werd. [331]

Van der Meer wenschte ook aan het meermalen herhaald verzoek van de
Classis van Amsterdam, om toch eindelijk een begin te maken met de
verkondiging van het Evangelie aan Heidenschen slaven, te voldoen;
tot aanmoediging hiervan deelde hij, in de vergadering van het Hof den
18den December 1755, de wijze mede, hoe daaromtrent in de Oost werd
gehandeld. Ernstig en gemoedelijk drong hij der vergadering deze zaak
ter overweging aan, doch zijn voorstel werd zeer koel ontvangen en
onder den indruk daarover schreef hij in zijn dagboek: »ik moet tot
mijn leedwezen zeggen, dat de Coloniërs niet zeer religieus zijn,"
[332] welke getuigenis zeer overeenstemt met dat hetwelk eenigen
tijd later door het Conventus Deputatorum werd afgelegd en als volgt
luidt: »Het moet Gode geklaagt zijn, dat de godsdienst hier te lande
in plaats van eenigzints herstelt te worden jaarlijks meer en meer
vervalt." Er was eene groote overredingskracht noodig om die mannen,
welke gewillig premiën van f 50 en f 100 voor het dooden van een
weggeloopen neger uitloofden, te bewegen eene som van f 200 à f 300 af
te staan ter bezoldiging van een onderwijzer voor »de Heidensche en
Mulatten kinderen." Hiertoe werd echter na vele discussiën besloten,
doch nu duurde het nog een geruimen tijd eer de geschikte persoon
gevonden was, en toen hij eindelijk gevonden werd, laadde men zoo
veel werk op zijne schouders door hem tevens als ondermeester op de
gewone school aan te stellen, dat de »Heidensche en Mulatten kinderen"
weinige vruchten van dat onderwijs konden plukken. De predikanten
spraken, wanneer zij in het Conventus Deputatorum waren gezeten,
meermalen over deze zaak, maar veel meer dan er over te spreken deden
zij niet; slechts bij uitzondering, slechts een enkele keer vindt men
iets van hunne pogingen om den Heidenen het Evangelie te verkondigen
vermeld. De onwil der meesters en het gebrek aan geld werden steeds
als de voornaamste hinderpalen voorgegeven. In Holland,--zoo liep
het gerucht--, waren erfmakingen ter bevordering van die prediking
gedaan. Men besloot toen, om Ds. Veyra, die in 1755 eene reis naar
Nederland zou doen, te magtigen aldaar een nader onderzoek daaromtrent
in te stellen. Bij diens terugkomst deelde hij mede: »dat zekere de la
Mourche voor dat doel »eene beurs" van f 17,000 aan de Waalsche kerk
had gelegateerd, doch dat het niet gemakkelijk was die beurs los te
krijgen." De eerwaarde heeren predikanten van Suriname beraadslaagden
hierover en de algemeene opinie was, om die zaak levendig te houden,
»omdat er mogelijk in het toekomende andere middelen zig konden opdoen
als omdat men zou kunnen beproeven, of men niet uyt die beurzen iets
tot augmentatie der predikanten-tractement hier te lande zou kunnen
bekoomen." [333] De predikanten, die in nuttelooze beraadslagingen den
kostbaren tijd verspilden, in plaats van met de vrome Hernhutters de
handen in een te slaan, om het rijk des Heeren uit te breiden, sloegen
dezen met een argwanend oog gade. De vrome Hernhutters verkondigden met
ijver en getrouwheid het Evangelie der genade aan de oude inboorlingen
des lands, de Indianen, en de Heer zegende dien arbeid der liefde. De
predikanten spraken op minachtenden toon over de bekeering van Indianen
»die zoo ver weg woonden." Zij begroetten de vrome Hernhutters niet
als mede-arbeiders in den wijngaard des Heeren;--integendeel, telkens
leest men in de Acta van het Conventus, wanneer over dezen gesproken
werd: »Men blijft hier tegen wakende"--of--»zoo die menschen (de
Hernhutters) zich mogten verstouten om iemand van de Gereformeerde
Religie te verleiden zal men hierover aan het Hof klagen." [334]

Van der Meer had met vele moeijelijkheden te kampen en hieronder waren
de gedurige verschillen tusschen de onderscheidene authoriteiten
niet de minste. Dan, kort duurde die strijd; zijne krachten namen
af; het voeren van de teugels des bewinds werd hem eene zware taak,
en weldra riep de Heer hem van het tooneel dezes levens af: den 16den
Augustus 1756 presideerde hij voor het laatst de vergadering van het
Hof van Policie, en reeds 8 dagen later, den 24sten Augustus 1756,
blies hij den laatsten adem uit.

Daar de Commandeur Crommelin in de maand Maart uit de kolonie was
vertrokken om eene reis naar het vaderland te doen, liet de Raad
Fiskaal Mr. G. Curtius de leden van het Hof bijeen roepen en deelde
in die buitengewone vergadering het overlijden van Van der Meer mede;
eene geheime missive van HH. Directeuren, die eerst na het overlijden
van Van der Meer mogt worden bekend gemaakt, werd voorgelezen, en
uit derzelver inhoud bleek, dat HH. Directeuren, bij absentie van
Crommelin, den tweeden raad Fiscaal Jan Nepveu het Interims-bestuur
opdroegen, en, wat wel als eene bijzonderheid mag worden vermeld,
de Raden van Policie namen hierin volkomen genoegen. Nepveu won hun
advies in en nog in dezelfde vergadering werd de publicatie vervaardigd
bij welke Nepveu zijn optreden als Interims-Gouverneur der burgerij
bekend maakte. De geest van oppositie tegen Nepveu die voor weinige
jaren zoo hevig was, scheen geweken te zijn.

Slechts een korten tijd duurde dit Interims-bestuur.--De definitieve
uitvaardiging der verhoogde belasting, waartoe reeds onder Van der
Meer in het vorige jaar besloten was, vond nu plaats. [335] De boete
op het bedanken voor de betrekking van Raad van Policie werd van
f 3000 tot f 6000 gebragt [336]; de Burgerwacht, die, in plaats van
volgens het doel harer instelling, ongeregeldheid te voorkomen en
tegen te gaan, integendeel tot vermeerdering daarvan bijdroeg, werd
afgeschaft [337]; de hevige twisten onder de bewoners van het Oranjepad
werden door krachtige maatregelen voor een oogenblik bedwongen, doch
berstten daarna des te heviger uit [338]; een groote togt tegen de
wegloopers werd ondernomen, doch bleef zonder goed gevolg. Ziedaar
de voornaamste bijzonderheden tijdens het korte Interims-bestuur van
Nepveu voorgevallen.

Den 27sten December 1756 gaf Nepveu het Hof kennis, dat de
heer Crommelin was geretourneerd en dat, volgens de acte van
HH. Directeuren, het Interims-bewind op hem moest overgaan, doch
de leden van het Hof verklaarden hiertoe niet gezind te zijn;
onder allerlei voorwendsels zochten zij de regtmatigheid hiervan
te betwisten, en ofschoon Nepveu bepaald op de uitvoering van het
bevel der sociëteit aandrong, bleven de Raden van Policie weigeren om
ter vergadering te verschijnen, tenzij zij door Nepveu geconvoceerd
werden. Eerst den 23sten Januarij 1757 gingen zij, na verscheidene
conferentiën, er toe over om Crommelin als Interims-Gouverneur te
erkennen, en den 7den Februarij 1757 presideerde hij als zoodanig de
vergadering van het Hof van Policie [339]. Den volgenden dag hield
Crommelin eene rede waarbij hij den wensch der Directeuren naar
eene goede verstandhouding tusschen hem en het Hof, naar onderlinge
harmonie, vrede en vriendschap te kennen gaf. Hierop antwoordden
de Raden, dat dit mede hun wensch was en dat zij genegen waren den
Interims-Gouverneur te respecteren--maar dat zij dan verwachtten »dat
ook hun karakter voortaan door hem zou worden gemaintineerd." [340]
Crommelin was niet zeer bemind; zijne gehechtheid aan de Sociëteit,
die hem dan ook ruimschoots met geld en eere beloonde, deed hem te
veel in tegenspraak met de kolonisten komen.

Spoedig vorderden belangrijke zaken de geheele aandacht. De opstand
der slaven in de Tempatie-kreek, op bldz. 151-53 vermeld, bragt
de kolonie in rep en roer, en de maatregelen om dezen opstand te
stuiten, eischten zooveel overleg dat de andere kwestien daardoor
voor een oogenblik op den achtergrond geschoven werden [341]. Aan de
onderscheidene collegiën en ook aan bijzondere personen werd de vraag
voorgelegd, hoe men het best tegen de steeds in aantal toenemende
wegloopers zou handelen. Verschillende antwoorden kwamen hierop in;
de voornaamste inhoud daarvan kwam hierop neder:

De meesten waren voor strenge vervolging door militairen en burgers,
verhooging der premies voor het vangen en dooden van weggeloopen
slaven, zoo mogelijk vernietiging van het »gespuis"--(officieele term),
waartoe men volgens sommigen ook met goed gevolg een vrij corps van
slaven kon oprigten, welken men daartoe de vrijheid schenken en in
den wapenhandel oefenen moest; anderen stelden voor om te beproeven
met een gedeelte der wegloopers vrede te sluiten; weder anderen
wilden Fransche emigranten uitnoodigen om zich in Suriname, tegen
genot van eenige voordeelen, op die punten te vestigen, waar zij als
voorposten tegen de wegloopers nuttig konden zijn.--Heerschte over het
een en ander verschil van gevoelen, in één punt waren allen het eens,
namelijk: dat men de kosten zoo weinig mogelijk op de kolonisten moest
brengen [342]. Van tijd tot tijd zijn deze maatregelen beproefd,
slechts die van de vestiging van Fransche Emigranten is wegens de
vele moeijelijkheden daaraan verbonden, achterwege gebleven.

Den 15den September 1757 ontving Crommelin het berigt zijner
definitieve aanstelling als Gouverneur, terwijl Nepveu, wiens
verdiensten door de Sociëteit zeer op prijs werden gesteld, tot
ontvanger der Hoofdgelden werd benoemd [343].

Niet slechts de Sociëteit, maar ook de heeren Deutz en Comp., de
groote geldschieters, vereerden Nepveu met hun vertrouwen.

Genoemd kantoor droeg hem en zekeren heer G. Kaeks op, om zijne
belangen in de kolonie te vertegenwoordigen [344]; en indien de een
of andere planter zijne verhypothekeerde plantaadje of een gedeelte
derzelve wilde verkoopen en daartoe magtiging van het Hof verzocht,
werd eerst het oordeel van de heeren Nepveu en Kaeks, als gemagtigden
van de heeren Deutz en Comp., ingewonnen.

In 1758 circuleerde in de kolonie een zeker geschrift, hetwelk
men voorgaf eene copij te zijn eener op 30 April 1757 opgemaakte
rekening-courant van hetgeen de planters aan het kantoor van Deutz
schuldig waren. Volgens dit geschrift bedroeg het saldo daarvan
de aanzienlijke som van f 4,628,365.12; de namen van vele der
aanzienlijkste ingezetenen en voornamelijk van een groot aantal joden
kwamen daarop voor. De gemagtigden der heeren Deutz beklaagden zich
hij het Hof over deze handeling, waardoor verscheidene personen meer
of minder gecompromitteerd werden, en noemden »deze notitie erronneus,
valsch en gesupposeert." Crommelin zond eene onderschepte copij daarna
naar de Directeuren der Sociëteit [345].

Niettegenstaande de reeds op bldz. 233-36 vermelde voorzorgen ter
verzekering van de regten der geldschieters genomen, kwamen er
spoedig klagten van het kantoor J. F. Marselis, opvolger van Deutz,
over gepleegde kunstenarijen in het priseren der plantaadjes, welke
kunstenarijen bij verkoop van verhypothekeerde plantaadjes aan het
licht kwamen. [346] Ter voorkoming hiervan, werd door het hof den
8 Feb. 1764 besloten om: »de instructie der priseurs te scherpen en
vooral de hand te houden aan de bepaling, dat het Hof iedere taxatie
naauwkeurig zoude nagaan, van welk besluit den Directeuren der
Sociëteit berigt werd gegeven, met het verzoek om naar hun vermogen
het wankelend crediet der kolonie te schragen. [347] Doch dit crediet
was zoo zeer geknakt, dat men te Amsterdam huiverig werd om gelden
op Surinaamsche plantaadjes te leenen. Eerst na vele vruchtelooze
pogingen bij verscheidene kooplieden, gelukte het eindelijk den heer
van de Poll over te halen, om nog een millioen gulden à 6 pCt. op
Surinaamsche plantaadjes voor te schieten. [348]

Behalve het vaststellen van den interest op 6 pCt. 's jaars, hield
dit project de voorwaarde in, dat het door den heer Harmen van de Poll
verstrekte geld 10 jaren lang zou vaststaan, doch dat in de volgende
10 jaren telken jare 10 pCt. moest worden afgelost. De interesten en
aflossingen moesten in producten geschieden; de geldopnemer verbond
zich ook om alle producten zijner plantaadje te consigneren aan het
kantoor der geldschieters--welke van hunne zijde aan de aanvrage om
levensmiddelen en provisiën moesten voldoen. De makelaars zouden
2 1/2 pCt. courtageloon genieten. Na eenige wijzigingen werd dit
project goedgekeurd. [349]

Enkelen in Suriname zochten van het gebrek aan geld, dat aldaar zoo
dikwijls voorkwam, partij te trekken door gelden tegen zeer hooge
interesten te leenen, (woeker te drijven). Reeds vroeger waren
meermalen bepalingen hier tegen gemaakt, o. a. in den tijd van den
Gouverneur Joan Raye, die een placaat uitvaardigde tegen het nemen
van hooge interesten, toen door sommigen 30, 40, 50, ja meer dan 60
pCt. interest gevorderd werd. [350] Het door gemelden Gouverneur Joan
Raye uitgevaardigd placaat werd thans vernieuwd en geamplieerd. Het
nemen van hooger interest dan 8 pCt. 's jaars werd verboden op de
boete van f 500 voor de eerste overtreding, en f 1000 voor de tweede,
enz. [351]

Om in de schaarschte van contant geld te voorzien, werd in het Hof
voorgesteld om looden geld te laten vervaardigen, doch daar deze
maatregel niet door de meerderheid goedgekeurd werd, trok men het
voorstel weder in. Een ander voorstel om cartonnen of kaartengeld,
met het kleine 's lands zegel voorzien, te doen maken, vond meerder
bijval en weldra ging men hiertoe over. In de vergadering van het
Hof van 19 Mei 1761 werd tot de eerste uitgifte van dit kaartengeld
besloten, namelijk voor f 12,000--Surin.--4000 stuks à f 3. [352]
Spoedig werd er meer van dit papieren geld, hetgeen in eene groote
behoefte voorzag, gemaakt; reeds in hetzelfde jaar besloot men
herhaaldelijk tot nieuwe uitgifte er van: volgens resolutie van


    12 Sept. 1761 voor f 10,000 in kaarten van f 2 1/2.
     4 Oct.  1761 voor f 10,000 in kaarten van f 2 1/2.
     4 Dec.  1761 voor f 20,000 in kaarten van f 2 1/2. [353].


In Februarij 1762 werd door het Hof een verzoekschrift aan
H.H.M. gerigt, om een in Suriname alleen gangbare geldmunt te mogen
hebben. Ofschoon Directeuren der Sociëteit dit verzoek ondersteunden,
wezen H.H.M. het echter van de hand. Men ging daarop voort met het
maken van kaartengeld, in


    October                       1762 voor f  25,000 à f 2 1/2.
    9 Mei                         1763 voor f  25,000 à f 2 1/2.
    20 Dec.                       1763 voor f 120,000 à f 3.
    In Februarij 1764 voor f 100,000, als: voor f 30,000 à f 1 en
    voor f 70,000 à f 10,
    in Aug.                       1764 voor f  50,000 à f 10.


Een gedeelte van dit kaartengeld besloot men als eerste hypotheek op
huizen of andere vaste effecten uit te zetten voor den tijd van 3 jaren
en tegen 8 pCt 's jaars. Hiervan werd spoedig gebruik gemaakt. Reeds
den 6den December 1764 berigtte de ontvanger der Modique lasten, dat
er voor f 83,113 van genoemd kaartengeld op hypotheek geplaatst was,
en van 1762 tot 1767 ontving de koloniale kas als interest daarvan
f 48,188,13,14 1/5. Men bezigde het ook om publieke kantoren in
staat te stellen de vereischte betalingen te doen. Men maakte er
voornamelijk gebruik van om de kas tegen de wegloopers bij te staan;
het eerst in 1765 met eene som van f 100,000. [354]

Dit kaartengeld moest ieder in de kolonie in betaling ontvangen,
doch de schippers konden het bij hun vertrek voor wissels op het
kantoor der Modique lasten inruilen, waar men het tot betaling der
bedienden gebruikte.

De Directeuren der Sociëteit vonden echter zwarigheid in die gestadige
vermeerdering van het kaartengeld en schreven daarom Gouverneur en
Raden, om de som van f 100.000--die aan de kas tegen de wegloopers
geleend was, in te trekken en dit kaartengeld te verbranden. [355]

Om eenigzins aan het gebrek aan contanten te gemoet te komen, zonden
Directeuren, op verzoek van het Hof [356], van tijd tot tijd contant
geld naar Suriname (in 1764 o. a. voor 16.400); doch zulks baatte niet:
dit geld toch kwam naauwelijks in omloop of het verdween uit de kolonie
door de betaling voor diverse goederen aan de schippers. Evenmin
bragt de maatregel om ter faciliteering en aanmoediging tot aanvoer
van contanten een agio of opgeld van 5 procent te stellen eenige
gunstige verandering in den toestand van zaken. [357] Winkeliers
en andere negotianten maakten daarop zelve kaartjes, een soort van
bons, waarop zij naar willekeur sommen schreven. Het Hof wenschte
wel dit onregelmatig betaalmiddel door een verbod te doen ophouden;
doch zij wezen op de moeijelijkheid om bij gemis hiervan met elkander
af te rekenen. Toen Directeuren bleven aanhouden op de vernietiging
van het kaartengeld [358] gehoorzaamde men niet onmiddellijk, maar
stelde de Sociëteit de voordeelen van het officieele kaartengeld voor
oogen en vroeg haar verlof tot eene nieuwe uitgifte van f 350.000,
die eindelijk toegestaan werd.

Toen Crommelin het bewind aan van der Meer overdroeg, had hij
getuigd dat thans niet slechts vrede, eendragt en vriendschap in
de beide hoven, maar ook tusschen de ingezetenen onderling heerschte
[359]. Weldra echter kwamen moeijelijkheden dien vrede, die eendragt en
die vriendschap verstoren. Steeds waren het dezelfde oorzaken, slechts
eenigzins door omstandigheden gewijzigd, als: verschil tusschen de
Sociëteit en de Raden van Policie over de kosten der verdediging tegen
binnen- en buitenlandsche vijanden, over de begeving van ambten, over
de rangregeling tusschen Raden van Policie en sociëteits-ambtenaren
als fiscaal, secretaris enz., en over de grenzen der regtsmagt in
het straffen der militairen in Communis delictums.

De Gouverneurs, voorstaande de belangen der Sociëteit, die hen
aanstelde en bezoldigde, kwamen daardoor ieder oogenblik in tegenspraak
met de Raden van Policie, die van hunnen kant uitsluitend de belangen
der ingezetenen op het oog hadden. Hoewel deze laatsten meermalen
het regt aan hunne zijde hadden, zoo is het tevens niet te loochenen,
dat zij--trotsche republikeinen als zij waren,--vaak de geringste daad
der Gouverneurs, waardoor zij vermeenden in hunne regten gekrenkt te
worden, als despotismus uitkreten en daardoor dikwerf de uitvoering
van een maatregel die in het algemeen belang was, belemmerden.

Crommelin met een driftig en oploopend gestel, miste de tact om,
bij verschil van gevoelens, zijne tegenstanders op minzame wijze te
overtuigen of hen ten minste niet te verbitteren. Zijne mannelijkheid
en degelijkheid van karakter echter, die hem den sterksten tegenstand
niet deed vreezen, waar hij vermeende tot zelfstandig handelen geroepen
te zijn, stelden hem in staat maatregelen in het belang der kolonie
ten uitvoer te leggen, waarvoor Mauricius was teruggedeinsd. Soms
evenwel dreef hij stijfhoofdig zaken door, waartegen de Raden zich
met regt verzetteden.

Jegens de slavenbevolking was hij »on doit juger les esprits après
leurs dates"--niet kwalijk gezind en trachtte, doch vruchteloos,
de verregaande mishandelingen dier armen tegen te gaan.

De aanleiding tot een hevigen strijd in het Hof kwam van de zijden der
Sociëteit. Crommelin deelde in de zitting van het Hof van 11 Februarij
1760 mede, dat Directeuren der Sociëteit, in overleg met eenige
belanghebbenden in Surinaamsche plantaadjes, (Amsterdamsche kooplieden)
het plan hadden gevormd om op nieuw 600 man troepen ter versterking
der reeds bestaande krijgsmagt naar de kolonie te zenden. De Raden
oordeelden dat, bij den gehoopten vrede met de boschnegers, waardoor
minder zoogenaamde commando's noodig zouden zijn, volstrekt geen
behoefte aan zulk eene versterking der krijgsmagt bestond en dat
men alzoo de ingezetenen niet noodeloos met meerdere kosten moest
bezwaren. Dit oordeel der Raden werd aan Directeuren bekend gemaakt;
doch deze heeren verleenden hieraan weinig aandacht of wachtten het
zelfs niet af, want reeds den 26sten Junij 1760 berigtte Crommelin
dat het vroeger genoemde plan ten uitvoer zou worden gelegd en dat
men reeds de approbatie van H.H.M. hierop had verkregen.

De Raden waren over deze handelwijze der Sociëteit verontwaardigd,
niet slechts om reeds genoemde redenen, maar ook om de minachting,
waarmede de Sociëteit hen, »die toch met den Gouverneur de wettige
regering van Suriname uitmaakten", behandelde. Zij rekenden zich
verpligt om tegen alle infractie van het octrooi te waken en hier
beging de Sociëteit eene nieuwe en alle vorige te boven gaande
infractie. Artikel 27 sprak duidelijk: de onkosten der verdediging
moesten door de Sociëteit gedragen worden.--Bij vroegere conventien
waren hierin, doch echter immer na voorafgaand overleg, eenige
wijzigingen gekomen, maar nu matigde zich de Sociëteit eene magt aan,
die ter naauwernood bij een Despoot denkbaar was. In dit buitengewone
geval verlangden de Raden, dat de ingezetenen werden opgeroepen om
hun gevoelen er over te vernemen [360].

Crommelin verklaarde zich ten sterkste tegen eene oproeping der
ingezetenen. Hij schetste met levendige kleuren de onrust en verwarring
waartoe deze leiden kon; hij trachtte de Raden te doen inzien, dat
het Hof niet geroepen was om te delibereren in hoeverre men zich aan
de bevelen van den Souverein (H.H.M.) zou gedragen, maar slechts hoe
die bevelen het best konden worden ten uitvoer gelegd; hij waarschuwde
tegen de nadeelige gevolgen die uit dergelijke verschillen met den
landsheer (de Sociëteit) konden ontstaan, en haalde tot bewijs daarvoor
de vorige gebeurtenissen onder Mauricius aan. Hij wees ten slotte op
den moeijelijken toestand waarin de kolonie kon geraken, indien eens
onverhoopt de vrede met de boschnegers niet mogt tot stand komen. De
Raden, op hunne beurt, antwoordden, dat zij in de door hen voorgestelde
demonstratie geene oneerbiedigheid jegens den Souverein (H.H.M.) zagen,
te meer daar zij vertrouwden, dat indien H.H.M. goed omtrent de zaken
waren ingelicht, zij zich haasten zouden om dit onregtvaardig besluit
in te trekken; de Raden wenschten mede gaarne met den landsheer (de
Sociëteit) buiten verschil te blijven, maar waar deze het octrooi
schond, konden zij, volgens eed en pligt, hierin niet stilzwijgend
berusten; zij vonden geen vrijheid de ingezetenen met meerdere lasten
te bezwaren,--en indien het der Sociëteit te zwaar viel, om, volgens
het octrooi, zelve voor de verdediging der kolonie te zorgen, dan
immers stond het haar vrij om het regt van eigendom derzelve aan den
souverein (H.H.M.) over te dragen. Dit éénstemmig oordeel der Raden
(slechts de Commandeur de Bauverser koos in dit verschil de zijde van
den Gouverneur) werd in schrift gebragt en aan H.H.M. opgezonden [361].

In December 1760 bragt de Gouverneur deze zaak op nieuw ter sprake. Hij
verdedigde de Sociëteit tegen den blaam, dat zij als in den blinde
rondtastte en verklaarde, dat zij integendeel volgens bepaalde
beginselen en met kennis van zaken handelde. Zij had, vervolgde
Crommelin, tot grondslag genomen, de opbrengst van de kas tegen de
wegloopers in 1757, wanneer deze f 205,974,18 bedroeg, en hieruit
kon het onderhoud worden bekostigd; mogten die kosten onverhoopt
meer beloopen, dan zou de Sociëteit misschien wel weder 1/4 daarvan
willen dragen; daarbij was de versterking der krijgsmagt in meer dan
een opzigt nuttig.--Men zou toch daardoor in staat worden gesteld
om hier en daar militaire posten op te rigten; de zekerheid en
veiligheid der Kolonie zou toenemen, dan ook kon, zonder gevaar,
de kolonisatie aan het Oranjepad, waartegen de Raden steeds zoo veel
bezwaar hadden gehad en die ook zoo weinig aan het oogmerk voldeed,
[362] geheel worden opgeheven; en daar de kosten voor die kolonisatie
de eenige waren, die nog uit de Extra-ordinaire kas moesten worden
betaald, zou die kas kunnen vervallen en het batig saldo er van in
de kas tegen de wegloopers worden gestort. [363]

De Raden antwoordden, dat zij bij hunne ontevredenheid jegens de
Sociëteit bleven volharden. Niettegenstaande hun herhaald protest,
had zij toch de troepen gezonden en nog daarenboven bij de werving
er van slecht toegezien, daar er verscheidene kinderen, Joden en
oude lieden, tot de dienst onbekwaam onder waren. De opheffing der
kolonisatie was geene gratie: de 10 jaren, waartoe men tot hulp en
ondersteuning verbonden was, waren verstreken, men was verder tot niets
verpligt; de opheffing der extra-ordinaire belasting was reeds lang
begeerd en toegezegd. De Raden hoopten nog op gunstige beschikking
van H.H.M. Hunne aangevoerde bezwaren toch waren, naar hunne meening,
zóó gegrond, dat, »hoe habile en subtiele pennen ook van de kant van
Haar Edele Groot Achtbaare, als naar gewoonte, sullen geëmployeerd
worden, de kragt der eenvoudige waarheid en gezonde reden, altoos
zal door de nevelen van kunstige raisonnementen doorstralen." [364]
De heeren Raden werden echter in deze verwachting bedrogen. Den 14den
Junij 1762 deelde Crommelin mede, dat H.H.M. bij hunne resolutie van
21 December 1759, betreffende de overeenkomst tusschen de Sociëteit en
eenige voorname geïnteresseerden, bleven persisteren. Daar de Raden
voorzagen dat verdere tegenstand nutteloos zou zijn, verklaarden
zij na eenig beraad, den 14den Julij 1762, dat zij aan de orders van
H.H.M. zouden gehoorzamen. [365]

Nog onder den indruk dier onaangename stemming door het hier boven
verhaalde veroorzaakt, rezen er nieuwe geschillen tusschen de Sociëteit
en de Raden, en zulks nu over het tractement der predikanten. Daar het,
gelijk wij vroeger reeds aanmerkten, moeijelijk was, om »geschikte
sujetten" voor dat ambt in de Kolonie te verkrijgen, was er besloten,
dat de predikant, die door Directeuren der Sociëteit geëngageerd
werd om naar Suriname te gaan, voor reiskosten enz. een don gratuit
van f 600 zou ontvangen en in de Kolonie, behalve zijn tractement,
vrije woning en twee slaven te zijner dienste.

De Raden die bezuiniging wenschten, rekenden zich over deze kosten
bezwaard, en verzochten Directeuren bij missive het don gratuit in
te trekken [366]. Het antwoord dat zij daarop ontvingen was scherp
en bevatte o. a. de volgende zinsnede: »dat bij haar minder ijver
en genegenheyt tot opbouwing van Gods kerke en verbreidinge van
de leere der zaligheyt werd bespeurt dan bij haar voorzaaten die
van tijd tot tijd de predicanten tractement zoo hebben vermeerderd
[367]." Vooral deze zinsnede gaf aanstoot. Toen Crommelin later (9
Feb. 1764) de belangen der predikanten wilde voorstaan, en daartoe
sprak hoe dezen, indien men het hun vroeger toegestane thans bleef
weigeren, moeijelijk op fatsoenlijke wijze in Suriname leven konden
enz. gaf de verontwaardiging der raden zich lucht in de hevigste
bewoordingen. »Godt de Heere"; zoo spraken zij: »geeft toch in zijn
goedertierenheyt mannen nae zijn hart, die geen Mercenaires zijn,
Herders, die haare schaapen hoeden, als van outs den apostel Paulus,
die het werk zyner handen voegte by den heyligen dienst, dat andere
mede dede, schoon dat hier niet wert gerequireert; van hetgeen
een predikant hier krijgt als hij niet brassen wil, en veel wijn
gebruyken, kan hij zeer wel leven, met de kinderen die Godt hem
geeft, die haar zegen meede brengen. De Raaden zijn 't niet eens
met Sijn WelEd. Gestrenge dat alles veel kostbaarder is geworden,
als voorheen, en de gulhartigheyt zoo niet meer bij de gemeente zou
zijn, als voor deesen; het is wel waar, dat lekkernyen, fyne wynen,
en al was het maar gemeene rooyen, dat het gebruyk daervan kostbaar
is, maar dat zyn zaaken die predikanten in profusie niet behoeven te
gebruiken."--»Zoo de Dominees het hier dan zoo slegt hebben, wat zal
men seggen van officieren, jaa Lieut. Colonels, die noch alles en
alles gerekent, het inkoomen van een leeraar niet hebben, en evens
met veel éclat moeten leven?--Is 't dan maar om het hebben te doen,
en zyn de predikanten dan alleen nooijt te vergenoegen?" Omtrent den
aandrang der Sociëteit hiertoe merkten de Raden aan: »De milddadigheden
zijn faciel wanneer men er niets toe contribueert, Haar Edel Groot
Achtbaare hebben het maar voor 't zeggen, maar uyt de cassa van de
ingeseetenen moeten de betalingen koomen."

Dat deze weigering van het don gratuit en de heftige taal daarover
door de Raden gevoerd, eigenlijk meer voortsproot uit wrevel jegens de
Sociëteit dan uit onwil jegens de predikanten, blijkt o. a. daaruit,
dat kort hierna meermalen, bij resolutie, een douceur aan predikanten
werd toegekend door het Hof zelf of wel door de ingezetenen op voorgang
van Gouverneur en Raden, zooals wij in het Journaal van Crommelin
lezen: »Vermits de Fransche Dominé Sügnens het op bededag zoo wel
ingericht hadde, heeft de heer Gouverneur en Raden van Policie hem
een present van f 500 geschonken [368]".

»5 November 1766. De heeren Raaden en de meeste ingezetenen zeer
voldaan zijnde geweest over de predikatiën door Ds. Rogère, Sügnens
en den Luyterse Ds. Zegerquist op gepasseerde Beededag, den 29sten
October, hebben dezelve Raaden en vele andere voorname ingezetenen
een beurs van f 2100:- bij malkanderen verzamelt, en aan ieder der
drie predikanten Ds. Rogère, Sügnens en Zegerquist een present van
f 700--gedaan [369]."

»4 Februarij 1767. In de vergadering van het Hof werd besloten om daar
er eene vacature te Paramaribo bestond en de predikdienst aldaar van
tijd tot tijd door Ds. Johanson, wiens standplaats aan de Commewijne
was, werd waargenomen dezen voor elke predikdienst f 40,-- toe te
leggen [370]."

»9 December 1767. Bij het voortduren der vacature zoo geschiedt
de dienst alleen door den eenigen Nederduitschen en den Franschen
predikant waarom het Hof hun als douceur of nieuwjaarsgift ieder
f 600,-- toekent [371]."

»Ds. Sügnens werd 11den 1768 door het Hof voor de getrouwe waarneming
der predikdienst f 600,-- toegelegd."

En daar er toch moeijelijk predikanten voor Suriname waren te vinden,
werd in 1767 hun tractement verhoogd (voor de stad) op f 2200,--
zonder vrije woning, en voor de distrikten f 1700,-- met vrije
woning. Het weduwen pensioen bedroeg f 500,-- [372].

De heerschzucht van sommige, en het losbandig gedrag van enkele
predikanten gaven meermalen ergernis. Gedurig ontstonden er
geschillen. Crommelin klaagt in zijn dagboek hierover verscheidene
keeren en de notulen en de acta Conventum maken er dikwijls melding
van. De Hervormde predikanten beklaagden zich ook nog al eens over de
Lutherschen, die zij van aanmatiging en zucht om de predominante kerk
te overvleugelen beschuldigden. Deze laatsten beweerden daarentegen
immer dat zij niet buiten en boven hun privilegiën gingen. Het doopen
van kinderen van »nonconformisten", het oprigten eener Luthersche
school, het doen van collecte tot onderhoud van kerk en armen, waren de
voornaamste zaken waarover de verschillen liepen. Crommelin trachtte
zoo veel mogelijk vrede en eendragt onder hen te herstellen en vond
in deze bij de Raden ondersteuning [373].

Het schoolbezoek werd door predikanten en anderen daartoe door
den kerkeraad gecommitteerden vrij getrouw waargenomen. Zelden
leest men in de verslagen daaromtrent gunstige getuigenis over de
Hollandsche school, daarentegen was men doorgaans over den Franschen
en ook over den der Mulatten-onderwijzer wel te vreden. De kerkeraad
stelde in Augustus 1767 voor om tot aanmoediging der schooljeugd eene
prijsuitdeeling te houden. In 1768 had deze voor het eerst plaats en
werd sedert meermalen herhaald. [374]

Met medewerking der classis van Amsterdam werd op verzoek van
het Conventus Deputatorum eene overeenkomst aangegaan met het
Aalmoezeniershuis te Amsterdam om, tegen eene tegemoetkoming van f 100
's jaars, jongens uit het Diakonie-huis van Paramaribo op te nemen en
aan deze jongens in genoemd Aalmoezeniershuis eene goede christelijke
opvoeding te doen geven, een ambacht te laten leeren en hen later,
zoo zij daartoe genegen waren, naar Suriname terug te zenden. Jongens
boven de zeven jaren konden worden opgenomen [375]. Van dezen waarlijk
goeden maatregel werd veel gebruik gemaakt.

De stad Paramaribo werd van tijd tot tijd verfraaid en uitgelegd, en
niettegenstaande de vermeerdering der woningen stegen de huishuren,
daar de aanzienlijke inwoners hoe langer zoo meer de stad tot hunne
vaste woonplaats verkozen en ook andere oorzaken bragten daartoe
het hunne bij. De Portugesche Joden, wier bezittingen in plantaadjes
verminderden, vestigden zich ook meer in Paramaribo, terwijl de Savane
minder gezocht werd. Door de aankomst van vele Hoogduitsche Joden
werd het kroost van Israël in Suriname zeer vermenigvuldigd. Deze
beide gemeenten leefden echter van elkander gescheiden en wij vinden
zelfs melding gemaakt, dat men kerkelijke straf uitoefende jegens
hen, die eene andere Synagoge dan die van hunne eigene gemeente
bezochten. Door sommige leden van het Hof werd een plan ontworpen
en hetzelve ter goedkeuring naar de Sociëteit verzonden, om de Joden
een afzonderlijk kwartier aan te wijzen--een zoogenaamde Joden wijk;
directeuren verklaarden zich hier niet bepaald tegen, maar verlangden
echter, dat men de aan de Joden verleende privilegiën eerbiedigde--en
er hadden verder wel discussiën over plaats, doch het plan kwam niet
tot uitvoering [376].

Bruggen, aanlegplaatsen voor de schepen, afzonderlijke plaatsen voor
het houden van markten werden verbeterd en hun aantal vermeerderd.

De toren van het raadhuis, tevens de Hervormde kerk, werd in 1768 van
een klok voorzien, die met het stellen f 2000 kostte en te gelijker
tijd werd een klokkenist tegen eene jaarwedde van f 500 aangesteld
[377].

In 1758-60 werd een zeer doelmatig, ruim, luchtig militair hospitaal
gebouwd, dat in eene groote behoefte voorzag.

Een geschikt gebouw waarin besmettelijke zieken, als door Jaas, Boassie
enz. aangetastten, afgescheiden van anderen, konden worden verpleegd,
ontbrak echter. Wel werden van tijd tot tijd voorstellen daaromtrent
gedaan, doch de schraalheid der kas hield de uitvoering daarvan tegen
[378].

In 1764 heerschte de kinderpokken in eene hevige mate onder de slaven,
vele stierven en de lijken werden zoo slecht begraven, dat het Hof
zich, ter voorkoming van verdere uitbreiding dier vreesselijke ziekte,
genoodzaakt zag een besluit uit te vaardigen waarbij deze zorgelooze
handelwijze streng verboden werd. Het besloot toen ook een houten
gebouw ter verpleging der besmettelijke zieken op de Savane buiten
Paramaribo te laten maken, en de chirurgijns op poene van f 100 te
verbieden dergelijke lijders bij hunne meesters of in hunne huizen
te helpen [379]. Het blijkt echter uit verscheiden feiten, dat deze
heilzame verordeningen slecht of in het geheel niet opgevolgd werden.

In den nacht tusschen den 18den en 19den April 1763 barstte er in
Paramaribo een hevige brand uit en dreigde de grootendeels uit houten
huizen bestaande stad met eene geduchte verwoesting. Het gevaar werd
gelukkig nog afgewend. Het elders mede wel meer aangewende middel om
eenige digt bij de hand staande huizen te laten omverhalen, werd ook
hier met goed gevolg aangewend. De eigenaars dier woningen stelden
een eisch tot schadevergoeding in en hieraan werd in zooverre voldaan,
dat zij een renteloos voorschot van f 19,500 tot herstelling en opbouw
derzelve ontvingen [380].

Op nieuw ondervond men het gemis van brandspuiten [381] en ofschoon
bij een nieuw brand-reglement bepaald werd, dat in cas van brand
ieder ingezeten eene gewone glazen spuit en eene tobbe met water ter
beschikking moest stellen, [382] begreep men toch, dat dit weinig
baten zou en ontbood vier brandspuiten uit Nederland. In Augustus 1764
werden de twee eerste brandspuiten in Paramaribo aangebragt [383],
zij voldeden vrij goed en werden sedert meermalen gebruikt [384].

Om aan het gebrek aan drinkbaar water, dat zich, bij groote droogte,
sterk deed gevoelen, te gemoet te komen en ter voorzorg bij het
mogelijk ontstaan van brand, werden te Paramaribo in 1764 en eenige
volgende jaren, openbare putten gemaakt [385]. Bij het delven van eene
dier putten op de hoek van de Heeren- en Kerkhofstraten, werd op eene
diepte van circa 12 voet, eene ader ontdekt, die zeer veel »stofgoud"
scheen uit te leveren. Crommelin liet dit nader door docter Moesner
onderzoeken, doch daar men er verder geen gewag van gemaakt vindt,
veronderstellen wij, dat de resultaten van het onderzoek weinig
bevredigende uitkomsten hebben opgeleverd [386].

Door de groote droogte ontstonden somwijlen boschbranden, voornamelijk
in October en November 1767, welke in hevigheid die van 1746 evenaarden
[387].

Een, voor Suriname zeer ongewoon, natuurverschijnsel verschrikte de
inwoners van Paramaribo in den vroegen morgen van den 21sten October
1766, namelijk eene aardbeving, die wij in het dagboek van Crommelin
aldus beschreven vinden: »Heden morgen, circa 5 uuren, begon men
hier swaar onderaarts gedruys te hooren, dat eenige minuten lang
vermeerderde en toen met eene groote aardbeeving eyndigde. Alles
met elkanderen duurden 15 à 16 minuten, ingevolge nauwkeurige
observatie van den premier luitenant Dirks, die juyst bij desselfs
sieke kind op sat, de gebouwen door geheel Paramaribo kraakten,
en men meende telken oogenblikken, dat deselve instorten souden,
want deuren en vensters oopenden en slooten sig weederom, het water
in de putten, vaaten en tobbens kabbelde als baaren in de zee; aan
't Gouvernement heeft het geevel-eynde aan de oostkant, synde een
steene muur, een groote scheur gekreegen en ook het Commandement 5 à
6 scheuren; de sieken in 't Hospitaal syn alle daaruyt gevlugt; alle
de slingerhorologies hebben stil gestaan 20 minuten over 5 uuren,
dog aan de scheepen en op 't waater is de schudding niet soo sterk
als aan de wal geweest, hebbende alleenig eenige beweegingen aan de
hangmatten kunnen bespeuren; zijn Excellentie is meede blootsvoets
uyt 't Gouvernement gevlugt, met groot gevaar dat telken oogenblikke
vreesden hetselve instorten soude, want alle de gebouwen en selfs de
aarde beweegde zig als golven in de zee: dog God dank het is tot nog
toe by die schrik gebleeven en met geen verdere ongelukken verseld,
ten minste zooveel men kennisse daarvan heeft, except dat den persoon
van Daniel Forques, geweezene adsist. van 't comptoir van de modique
lasten, door schrik van de verdieping van een huys door 't venster op
de grond is gesprongen en sig deerlyk beseert, soodat daardoor dan 't
bloedspuyen is geraakt; beneevens nog op eenige andere plaatsen eenig
porcelyn en glaasen gebrooken. Geen mensch weet sig te herinneren,
dat ooyt of ooyt soo lange hier Europeërs syn geweest zulk eene swaare
aardbeevinge als deese hier is gevoeld geworden."

In de vergadering van het Hof op dien zelfden dag, werd op voorstel van
Crommelin tegen den 29sten October een dank- en bededag uitgeschreven,
om den Heere God voor de genadige bewaring te danken.

Eenige dagen later herhaalden zich die schuddingen, gelijk in het
dagboek gemeld wordt, als:

"25 October, 1766. Gepasseerde nagt, circa een uuren, heeft men al
weederom eenige schuddingen gevoeld, synde egter niet zoo sterk als
de voorgaande geweest.

27 October, 1766. Gepasseerde nagt ter twaalf en heeden morgen circa
half seeven uuren, bij stil en helder weeder, onderaarts gedruys
gehoord, vergezelt met eenige schuddingen, die egter iets sterker
zijn geweest als de laatste, synde de schockingen ook op 't waater
bespeurt geworden."

In Januarij van het volgende jaar, had weder eene aardbeving plaats,
waarvan is aangeteekend:

"18 Januarij 1767. Gepasseerde nagt, circa half twee uuren, heeft
men weederom een onderaarts gedruys gehoort, 't welk tot ruym vier
uuren heeft geduurd, zynde ook eenige ingeseetenen deezer colonie in
de verbeelding geweest een weinig beweging te hebben gevoelt.

Ook heeft sijn Excellentie tijding ontfangen, als dat de scheepen,
welke laatst in zee gestooken hebben, na een verblijf van 24 uuren
weederom syn binnen geloopen weegens swaar onweer en contrarie winden."

Strijd tegen Buitenlandsche vijanden was er, tijdens het bestuur
van Crommelin, niet te voeren. Bij den oorlog, die in 1760 tusschen
Frankrijk en Engeland uitbrak, bleef Nederland onzijdig [388]. Evenwel
had de kolonie zeer veel overlast van de Fransche kapers, die aan den
mond der Suriname kruisten en jagt op de Engelsche schepen maakten,
wier lading als paarden, muilezels, hoornvee en proviand voor
Suriname bestemd was. Hierdoor ontstond schaarschte aan proviand,
doch voornamelijk aan paarden en deze waren tot het in beweging
brengen der suikermolens onontbeerlijk [389].

Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier
en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne
op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks
tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.

De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand der Engelschen
was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit
wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der
aan elkander grenzende koloniën Cayenne en Suriname. Het wantrouwen
der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de
stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de
Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche
schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort
Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs
had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig
waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te
gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door
Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde
zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het
vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof
daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen
was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was,
dat zy slaaven waaren." Zij werden dan ook terug gegeven [390].

Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te
voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een
aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden
met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven,
dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald
is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen
wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders
de eenige mijlen oostelijker gelegen rivier de Sinemary. Beiden
voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen
beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de
Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken
dien strijd.

In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet
in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deelden zij Crommelin
mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande
etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts
5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met
de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden,
in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne
dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk," volgens het oordeel dier
heeren, »het terrain van den Koning van Vrankrijk was," »en indien
die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te
doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over
de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien
ter oorzaake van dat volk" (de boschnegers) »eenige differentiën
tusschen beide koloniën ontstonden." Om dit te voorkomen, stelden
zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders
ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te
verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde
vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:--»hij rekende zich hiertoe
niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven."

Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen,
stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te
bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun
vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien
overeenkomstig werd besloten [391]. Het later daaromtrent ontvangen
schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden
geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer
op. Deserteurs berigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog
slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de
overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten,
zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere
weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben
genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt [392] [393].

De in 's lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt
naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den
anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de
Notulen van 6 Aug. 1765 geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke
bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen;
het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over
een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was [394]. De
Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen
voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen
Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den
Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was
slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en
slaven te verhinderen [395].

De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie
Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer
de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en
bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te
stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd,
ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.

Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste
deel over Guiana van bladz. 369-517 uitvoerig beschreven. Die
hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den
oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand,
als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden
der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal
van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre
melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.

De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar
de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd
alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite
werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald
voor f 1200 Hol. [396] [397].

De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk
dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in
Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men
steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand
bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene
derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven
van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen
genomen soldaten met den dood gestraft.

Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van
het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De
aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de
droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van
ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu
slechts een enkel woord over de Indianen zelven.

De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en
daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen
stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen
zij den tegenwoordigen heeren van het schoone land, dat hun eenmaal
toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna
ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en
dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger
aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde
der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van
Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de
gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor
gestelde premien te ontvangen [398]. Dit bloedgeld bragt hen echter
weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken
der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden
tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum
of dram aangeschaft [399]. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen
in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk,
die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe
brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet
langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden,
vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk
verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten,
hetgeen hem toegestaan werd.

Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens
hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernement onthaald
en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene
Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.

Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne
terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te
begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks
door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de
tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap,
waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met
een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig
ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor
hem gehad hebben,"--»synde" vervolgt het Journaal van Crommelin,
»te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden,
waarvan veel goeds te hoopen is" [400].

Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke
dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene
voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen
bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd
dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758
kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren,
kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of
Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten
te brengen en dit scheen hem te gelukken--doch eenige dagen later
kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris
hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6
opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts
in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak
werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe,
en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de
geleende geweren terug [401].

Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder den naam van »Roode
slaven" in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius,
bragten de Bokken-ruilders soms de roode menschen uit de digte wouden
tot dat doel in de stad [402].

Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin
was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin
tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca
[403].

Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over
het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond
meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen
verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een
blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven
ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene
som van f 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis
naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van
Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de
blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren
[404]. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de
afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren
genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen
te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij
in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick
en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun
de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.

Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang
te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en
ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending
der Broedergemeente [405]. Toen een der hoofden Musinga, die door
een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere
redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige
plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini
hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga
ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig,
die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter
zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen,
de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard [406].

De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam
der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd
hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd
beter [407]. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te
Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs
en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot
opwekking werd hun o. a. tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met
zilveren kriel vereerd [408].

Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de
belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne
belangen het Hof konden bekend maken.

Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het
eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet,
dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later
ook den officiersrang bekwam. Bij de Saramaccaners vervulde Luitenant
Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd, zoodat zij
meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben
gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor
onaangenaamheden te vrijwaren.

Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der
bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men
tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den
vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig
mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer
wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de
geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.

De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de
boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De
regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig
beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers
wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en
ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren
ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op
velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt
namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte
hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al
wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt--en
evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te
leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel
zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.

Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen en de
boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd
in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven,
die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen
straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige
genade, met den dood zouden worden gestraft [409]. Van tijd tot tijd
week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze
laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Raden
dat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der
meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover
uitspraak zou doen en de schuldigen straffen. Dat deze belofte in eene
slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter
weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk,
en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van
mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen,
eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der
boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke
opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.

Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van
Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden,
dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen
had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:

Blijkens gedane informatiën en getuigenverhoor van den neger-officier
en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur
op de plantaadje La Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de
slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd,
die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan", gebragt in
het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van
de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna
hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet
hij hem zijn tong uitsteken, sneed die met een scheermes af, waarna
hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong
nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte
uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude
tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder
hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te
steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte
echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem
daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens
nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.--Om deze
en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces
tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om: als Directeur ontslagen
en uit het land gebannen te worden [410]. Wij gaan een tijdvak van
tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan
stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat
het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.

De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom
gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw
los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten,
den geest gaf. Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande. [411]

Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw, [412]
was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij
uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had
dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met
Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het
bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal
zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde
haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen
administreren. Het Hof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,
omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen
vreesde.

Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich
zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren [413].

Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,--in Julij 1761 o. a. 21
te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een
nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun
terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven
er zeer slecht en mishandeld uitzagen." [414]

Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde
wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant
Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat
de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij
drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van:
»ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch
zal rondloopen," liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken
slaan en »half afschinden of villen." Een neger en twee negerinnen
bezweken onder deze mishandeling [415].

De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren,
en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar
het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok,
op verzoek, van het Hof, naar Holland [416]. Bij haar tweede huwelijk
verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde
wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.

De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht,
dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij
der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop
met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen
eene Spaansche bok onder de galg,--en de meesteres werd aanbevolen
om: voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te
behandelen. [417]

De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen,
dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd
veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en f 300 boete. [418]

Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die
mishandeling dood bleef.--Van straf over deze daad vinden wij niets
vermeld. [419]

De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan
de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard,
opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent
uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De
directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben
omgegaan," opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen
geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te
verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf,
en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven
bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was
door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij
de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij
dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem
even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in
het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op
diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte
om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden,
hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij
voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een
einde aan hun leven te maken. [420] Het Hof, na kennis van deze zaken
te hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester
gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn
meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven en vermaande den
directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke
grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie
over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen. [421]

Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was
als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds
ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er
weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij
het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten,
welke door het niet tegenwoordig zijn van blanken, die als getuigen
konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er
bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij
hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar
hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te
bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen
bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen" tot
de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of
die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;--»en,"
zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden
en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen;
dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer
toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo 't al ter kennisse komt),
dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar
toevallig is gevolgd, en vermits de voorsze mesures niet alleen voor
de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook
het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk
met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren,
door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer
verschijdentlijk word geüseerd omtrent de slaven, die door ongeluk
omkomen, of zig selfs om 't leeven te brengen; bij welk laatste geval
dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt
en op staken gezet."

Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren
met de volgende artikels:

1o. »Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas
bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan 't om 't leeven
brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven,
zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden
worden te behooren."

2o. »Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een
blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om
't leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste
buuren te vervoegen om met haar het doode ligchaam te inspecteeren,
en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij
zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;"

»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het
afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen,
eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de
buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor
de eerste keer met f 500, de tweede keer het dubbele dier som," enz.

3o. »Dat de straffen bij 't 15de artikel van »het reglement voor de
blanke bedienden," de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen
gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden,
als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter
zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen
maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden."

4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke
ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen
zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal
moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene
die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of
andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen,
enz." [422]

Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren
Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben
laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge
overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het
mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden
zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen
haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan
moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige
gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal
der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den
Hove, men genoodzaakt was dusdaanige baldaadigheeden te straffen,
maar aan den anderen kant" (hierop volgde de oude redenering over
den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare
straffe," tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat,
ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over
slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is
dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters
het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden
zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan
van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden."--De
Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak,
tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het
getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor
het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof
aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad
lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het
derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden
»seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven,
soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn,
en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude
worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de
ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels
ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën"--en zij rekenden,
»dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de
slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden
mogt als in presentie van getuygen."--Na uitvoerige discussiën werd
het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der
heeren Raden in een resolutie geconverteerd. [423]

De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in
Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef
Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe,
»het houden eener onnutte sleep van een legioen huisslaven." Hij
drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van
door »swarte negers," door »blanke livry-bedienden" lieten bedienen,
daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen
naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden
gebaat. [424]

Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze
vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te
trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden
hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden. [425]

De zoo dikwijls door de sociëteit geëischte vermeerdering van blanke
bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te
kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.

De Raden wenschten dat de sociëteit een regiment militairen afdankte:
»hierdoor toch," vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten
worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen
zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen
verbinden." [426]

Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld,
maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van
dezelfde wreedheid.

De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen,
werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms
sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en--alsof de
vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam
waren--werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende
tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde
zwevende ongelukkige. [427] Het levend verbranden der slaven was zeer
gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op
de plantaadjes plaats.

En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der
slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando's keerden
doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers
vermeerderde, en de kassen werden uitgeput. [428]

Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont
dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden
der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker
dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen,
om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de
geschiedschrijver--wil hij de waarheid getrouw zijn--verpligt is
te leveren.

Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder
ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en
welvaart der kolonie had kunnen strekken.

Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst, [429] noch de
stijgende prijs der andere stapel-producten, [430] noch de gelukkige
afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para, [431] noch het
zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche
kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart
brengen. Integendeel, die voordeelen van het oogenblik, deden de oogen
voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder
Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.

Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie
doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd
gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur
Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer
ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst
a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde,
een »echt sociëteitsman" te zijn.

Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien
tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens de sociëteit en
den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd
tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie,
op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte
droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo
weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in
lichterlaaije vlam te doen opstijgen.

Sommige onstaatkundige maatregelen der sociëteit en de ijver van
Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het
sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en
andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere
heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten
der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen
[432] en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt
vielen in en buiten de Raadkamers voor.

Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In
het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren der sociëteit
verlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd
hem verleend, en den 22sten November 1768 gaf hij het bewind over
aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.

Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch,
hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig
korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn
opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken. [433]

Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest,
maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene
omstandigheden hadden bijgedragen. Vooral werd Nepveu door Mevrouw
Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan
in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis
niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen [434]; dat zij bij
zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;" [435] dat zij
»selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze
dat het sedert zes weken gevraagd werd" [436]; en meer dergelijke
kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een
bewijs der onderlinge verhouding geven.

Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn
bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den
5den Februarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van
Suriname benoemd en den 8sten Maart plegtig geïnstalleerd. [437]

Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in
de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede
eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht
voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen
loods, van 150 voet lang, eene voor de mindere bedienden der sociëteit,
schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.

Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het
niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en
een vuurwerk besloot het feest van dien dag. [438]

Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu
was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het
gouvernementshuis.

Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal
naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke
optogt. De kapitein van het ter reede liggend oorlogsschip de
Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren,
verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te
ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid
van kleeding en juweelen" verre hunne verwachting overtrof [439].

Den 16den Maart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de
Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de
synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd [440].

In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd
en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats [441].

Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten [442];
indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den
toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit
komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en
welvaart genoot.

Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd
jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen de huurprijzen,
er was bijna geen huis te verkrijgen [443]; het aantal paarden
en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht," vermeerderde gestadig,
zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven [444]; op
de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs
de bewondering van vreemden opwekten [445].

Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn,
waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd
gehouden,--en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd
deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan
wilden,--bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer
toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen." [446]

De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.

Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven
geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname's ingezetenen stapelden
dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden,
en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu
een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den
stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden
verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want
het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige
kennis der kolonie.

Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle
rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van
Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel
had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen der sociëteit
verworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie
bladz. 261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie,
vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke
zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe,
en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten
van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin
geweest was.

Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval
der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen
niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden
door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze
verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een
tijd weder vermeerderd crediet.

Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij
thans een weinig verder beschouwen.

Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene
geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes,
met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz. 233-236) vele
kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren,
kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz
(Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie
werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters
werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een
ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te
bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten,
(zie bladz. 261-62).

Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De
kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven
door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedige
wraakneming op te zetten, en om aan den anderen kant hunne wankelende
fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest,
zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden
af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te
sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland
en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men--men denkt zoo gaarne
hetgeen men wenscht--dat de Surinaamsche planters door de geregtelijke
vervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied,
geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde
op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met
nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in
Holland werden voorgesteld; toen een voordeelige koffijoogst twee
jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor
de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen
der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.

In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van
niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor
te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie
geopend ware;" merken de schrijvers der Historische Proeve aan [447],
»de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de
vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten,
en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich
reeds de gelukkigste van geheel Amerika."

Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname
bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame
verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten
verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig
met de aanbieding van geld te werk gingen.

In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten, van
procuratiën voorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te
bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie
eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste
plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname's
ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld
geluk. En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle
klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne
bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor
andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal
hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige
tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars
van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel
aanzien gaf, te worden.

Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix,
agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix,
»de doortrapste van alle agenten," [448] had onbepaalde orders
om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood,
handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld
had om 't noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden;
en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser
landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken,
door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan
van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen,
slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan 't
gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomelooze
weelde in de kolonie aan de orde van den dag werden." [449]

Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste
middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à
viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als
vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen
werden door het Hof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd,
en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft [450], doch ook
deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken"
te beletten.

De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang
blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk,
had weldra een einde.

De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden
opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken
wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en
aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar;
want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht,
en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst [451], de
verhoogde prijs der slaven [452], maakten het hun onmogelijk, hunne
verpligtingen na te komen en hunne goederen gingen over in de handen
der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.

Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters," die op
agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten,
op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze
wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne
ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels
kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof
van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze
fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het
slechts 60 à 80. [453]

In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over
de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé
aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven,
door hen q.q. geëndosseerd. [454]

Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op
de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de
eischers gecondamneerd in de kosten van het proces. [455]

Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene
schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden. [456]
Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes,
geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen
niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden
rijkdom ontwaken.

Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet
beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de
geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.

Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een
jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen den zin van Raden, tot
deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt,
en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas
achterlatende. [457] Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier
veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur
was van f 2000 tot f 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van
f 500 tot f 1000, van den tweede tot f 800 en van den derde tot f 600,
terwijl de emolumenten werden verminderd. [458] Maar niettegenstaande
deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de
te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest
vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den
exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement
van f 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten,
een vijfde aan te stellen. [459]

Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand
van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus
1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde
zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door
36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin
over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den
eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of
door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de
eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het
droeve geval zal komen," merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen
van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd,
daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde
worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge
kosten der regtspleging [460] enz. worden geabsorbeerd en er alzoo
algemeene armoede te wachten is." De rekwestranten schreven de oorzaak
van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van
een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit
den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al
te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot
beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt,
en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan 4 millioen gulden
aan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met
protest geretourneerd, met den exorbetanten herwissel van 25 pCt.,
alzoo een millioen bedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was
genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en
de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder
gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door
het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en
ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele
faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,"
terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale
producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen
in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan
alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Joden oud en arm te
zijn," waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof,
maatregelen tot herstel te beramen.

Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én
Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname's ingezetenen er
naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te
bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen
in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijke executiën
te bedoelen--maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar
HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het
verleenen eener generale surcheance verboden werd. [461] Daar het Hof
echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was
omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten
uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan
het Hof over te leggen. [462]

De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof
van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat
plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd,
daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld
waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:

1o. gebrek aan circulerend medium;

2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en

3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.

Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel
op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.

Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium,
stelden zij het volgende voor:

a. het maken van nog een millioen kaartengeld;

b. het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die
's lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor
het vrijcorps gekocht; [463] de huur der slaven, die aan de forten
arbeidden enz. enz.;

c. het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas
verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.

Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te
geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier,
in vier klassen te verdeelen:

1o. degenen, die rijk en vermogend waren;

2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke
waarde belast hadden;

3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan 5/8 hadden
verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;

4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen
bedroeg.

De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden,
zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne
der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden
alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken,
konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk
de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel
mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:

a. De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de
bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij
opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven,
enz. enz.

Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt
opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig
vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve
wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs
afgeven.

Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest,
tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt
voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt
worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van
het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden
dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij
behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor
dezen, oordeelden adressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen
voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne
crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te
sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet
genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo
niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden
konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo
den lande nuttig zijn.

b. Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo
onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker,
die onder den naam van »wissel op tijd" plaats vond.

Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde
onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door
hen voorgesteld:

a. opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de
wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte,
en daarvoor in plaatst te stellen:

b. eene belasting van de 40ste of 80ste penning op colloteraal,
verkooping van onroerende goederen, enz; en

c. eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of
Engelsche schippers verkochte goederen.

Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht
was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van
oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot
voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:

1o. het verscherpen van het placaat op den woeker; en

2o. de belasting van 4 pCt. op de winst der door de Hollandsche of
Engelsche schippers verkochte goederen.

Het placaat, dat nu, overeenkomstig dit besluit, tegen den woeker werd
uitgevaardigd, behelsde de bepaling, dat er op hypotheek geen hooger
intrest dan 8 pCt. mogt worden genomen, en op obligatiën, wissels,
carga's enz. ten hoogste 1 procent 's maands, terwijl de boete op de
overtreding dezer bepalingen werd gesteld: voor de eerste keer op
f 1000 en voor de tweede op f 3000. Doch de woeker hield niet op en
de bedreigde straffen werden op onderscheidene wijze ontdoken.

De door adressanten voorgestelde en door het Hof uitgeschreven
belasting van 4 pCt. op de winst der door de schippers verkochte
goederen gaf aanleiding tot vele moeijelijkheden.

Reeds vroeger, den 1sten September 1755 en den 9den Januarij 1756,
had men eene dergelijke belasting uitgeschreven, doch was toen door
de herhaalde klagten der schippers genoodzaakt geworden deze op
den 17den December 1762 weder in te trekken [464]. Ook nu lieten
de schippers zich »deze verkorting hunner regten" gelijk zij deze
belasting kwalificeerden, niet welgevallen.

Zij vereenigden zich onderling en weigerden bepaald om deze en zelfs
om andere vroeger door hen betaalde belastingen te voldoen; [465] en
men moest hun eindelijk toegeven, daar zij anders zwarigheid maakten
om de verzochte lading in te nemen.

Een nieuw rekwest van ingezetenen werd nog in hetzelfde jaar, den 7den
April 1774, [466] aan het Hof ingeleverd, waarbij op nieuw verzocht
werd: om schorsing der vele geregtelijke vervolgingen voor schulden,
daar deze zoo gestreng werden doorgezet, dat verscheidene personen
hierdoor als tot wanhoop vervielen. Het Hof verklaarde hiertegen niets
te kunnen doen, daar het aan het regt zijn loop moest laten. Ook andere
rekwesten, waarbij mede op den droevigen toestand werd gewezen, moest
men ter zijde leggen, o. a. een den 24 Dec. 1775 door den heer Roux,
Raad van Policie ingediend. Er was weinig aan te doen.

De genoemde en andere omstandigheden vermeerderden den nood der
Surinaamsche planters en weldra gingen hunne plantaadjes aan de
hypotheekhouders in Holland over. [467]

Terwijl de Amsterdamsche kooplieden alzoo in betrekkelijk korten tijd
eigenaars der meeste plantaadjes in Suriname werden, kocht de stad
Amsterdam, den 19den April 1770, het 1/3 aandeel in de kolonie van
de erven van Sommelsdijk, voor eene som van f 700.000, te betalen in
drie termijnen [468].

De stad Amsterdam werd alzoo voor 2/3 eigenaar, de W. I. Compagnie,
welker leden ook meest te Amsterdam woonden, was het voor het andere
1/3, zoodat, daar Amsterdamsche kooplieden de meeste plantaadjes in
eigendom bekwamen, Suriname sedert als het ware eene bezitting of
kolonie van Amsterdam kan worden genoemd.

Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde, dat der
Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten
der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs" kwamen in de plaats der
vorige bezitters en verwierven zich rijkdommen en oefenden grooten
invloed op den gang der zaken uit.

Dat zij weldra tot groote rijkdommen geraakten is niet
te verwonderen. Zonder zelven in het gevaar te verkeeren van
groote schade te beloopen, verdienden zij veel geld. Aan sommige
Administrateurs werd het beheer van 50, ja 60 plantaadjes opgedragen,
en velen trokken jaarlijks 10 à 20 duizend gulden administratieloon;
bij enkelen liep dit zelfs tot 30 à 50 duizend gulden, en eenigen
ontvingen nog daarenboven van 3 tot 15 duizend gulden voor het
waarnemen van lands betrekkingen. [469]

Terwijl in Europa het bezit van geld en vermogen een middel is tot het
verkrijgen van magt en invloed, zoo veel te meer is dit in Suriname
het geval, waar bijna niets anders dan de magt van het geld gehuldigd
wordt en de Mammon de afgod is, aan wien groote vereering geschiedt.

Dat door den steeds vermeerderenden invloed der Administrateurs het
lot der slaven verzwaard en in vele opzigten het nadeel der kolonie
werd bewerkt, zullen wij in den loop der geschiedenis aantoonen.

Verscheidene vroegere planters waren blijde indien hun de
administratie werd toevertrouwd der effecten, die zij vroeger in
eigendom bezaten. Zij wonnen zelfs bij deze verandering; in die
nieuwe betrekking viel weinig te verliezen, maar veel te winnen,
en alzoo konden zij hunne »luxurieuse" wijze van leven voortzetten.

Bij de groote veranderingen, die te dier tijd in Suriname voorvielen,
leden voornamelijk de daar aanwezige Joden groote schade. Wel nam
hun aantal door de overkomst van verscheidene Poolsche en Duitsche
geloofsgenooten aanmerkelijk toe, doch hun rijkdom verminderde en
vele hunner plantaadjes gingen in handen van Christenen over.

Verscheidene oorzaken werkten hiertoe mede. Daar de plantaadjes der
Joden onder de eerst aangelegden aan de boven Suriname, behoorden,
verloren zij ook het eerst hunne vruchtbaarheid, want in Suriname
bemest men de landen niet, noch beproeft men den grond, zooals in
Europa, te verbeteren.

Tot op het einde van 1750 hielden zij echter hunne plantaadjes vrij
en onbelast, maar het steeds vermeerderend verlies van slaven, zoo
door sterfte als door wegloopen, noodzaakte hen, om, tot aankoop van
nieuwe, groote uitgaven te doen, en ook zij maakten weldra gebruik
van den geldaanbieding door het kantoor van Deutz. De tusschen hen,
gedurende de regering van Mauricius ontstane tweedragt, had vele
kostbare processen ten gevolge, die later voortgezet en, bij elke
beuzeling hernieuwd, een groot deel van hun vermogen verslonden. Om
hunne uitgeputte kassen eenigzins te hulp te komen, maakten ook zij
gretig van de geldaanbiedingen in 1769 en 1770 gebruik--en eenmaal
op dien weg gekomen, schreden zij er gedachteloos op voort en plukten
spoedig de wrange vruchten.

De toenemende onvruchtbaarheid hunner gronden en daardoor geringe
opbrengsten, de vermeerdering der weelde ook in hunnen kring en andere
redenen waren oorzaak, dat spoedig vele plantaadjes der Joden onder
sequestratie werden gebragt of geregtelijk voor schuld verkocht.

In zekeren zin wedervoer hun hetzelfde als den Christen-planters, maar
de gevolgen waren voor hen noodlottiger. De agenten der geldschieters
hadden wantrouwen tegen de Joden opgevat en verleenden hun niet dat
onbepaald crediet, dat den Christenplanter werd geschonken. Vandaar,
dat, indien er eene plantaadje, aan Joden toebehoorende, bij executie
werd verkocht, er veel minder door den hypotheekhouder werd verloren
dan bij een zelfden verkoop van effecten van Christen-eigenaars.

Indien een Christen-planter zijne plantaadje aan den sequester-
of hypotheekhouder moest overgeven, werd hij zelf of een ander
Christen als Administrateur benoemd, doch zelden wedervoer een Jood
deze onderscheiding.

De door hen aangewende pogingen om gronden aan de rivieren Cottica
en de Commewijne te verkrijgen, waar verscheidene nieuwe plantaadjes
werden aangelegd, werden op allerlei wijze tegengewerkt.

Hun woelzieke en twistgierige aard, die zij bij vele gelegenheden
openbaarden, [470] voedde de vooringenomenheid, die, wel niet zoo
sterk als in Europa, maar toch ook in Suriname, eenigermate tegen
de Joden bestond. Toen hunne rijkdommen verminderden en men hun dus
minder behoefde te ontzien, werden hun verscheidene kleine ambten,
vroeger door hen bekleed, niet langer toevertrouwd; hunne regtbank
in de Joden Savane kwam in minachting; hunne burgercompagnie werd
bij de gewone exercitiën bespot en gehoond; men wilde zelfs een
afzonderlijk kwartier voor hen maken en verbieden in andere gedeelten
van Paramaribo te wonen. [471] De huizen der Joden werden niet meer,
zoo als vroeger, door de Christenen bezocht, noch de Joden uitgenoodigd
om vrolijke bijeenkomsten, 't zij openbare of bijzondere, bij te wonen;
zelfs de slaven behandelden hen, op voorbeeld der Christen-meesters,
met minachting.

Meermalen beklaagden de Joden zich over de ware of vermeende krenking
hunner privilegiën bij de directeuren der sociëteit, die hen wel
genegen schenen en meermalen in het gelijk stelden.

Ofschoon de Joden niet meer tot vorigen rijkdom opklommen, werd hun
toestand onder volgende Gouverneurs verbeterd en herkregen zij later
weder meer invloed.

Wij zien uit het hier medegedeelde, dat Nepveu in een veel bewogen tijd
aan het bewind kwam. Wel was zijn bestuur rijk aan vele belangrijke
doch droevige gebeurtenissen, en werd hij alzoo belet om die
verbeteringen daar te stellen, die hij zoo gaarne gewenscht had tot
stand te brengen. Hij deed echter wat hij kon. Op zijn voorstel werd
»het opzigt over de gemeene weiden," waaronder tevens het toezigt
over bruggen, wegen, markten en openbare gebouwen, begrepen was,
gescheiden van het collegie van kleine zaken, [472] dat ook eigenlijk
meer een regtelijk collegie was. (Zie bladz. 166).

Volgens de instructie werden hiervoor personen benoemd, die in rang
gelijk stonden met de jongste leden van het collegie voor kleine zaken,
terwijl een Opperhoutvester hoofd en voorzitter was.

Voor de vergaderingen van het Hof van Civiele Justitie werd een perceel
voor f 30,000 aangekocht [473] en verbouwd en hieraan tevens kamers
voor om schuld gegijzelden verbonden. [474]

Reeds ten tijde van Mauricius was over het oprigten eener drukkerij te
Paramaribo gesproken. Mauricius zelf had hiervoor eene afzonderlijke
kas gevormd. Onder Crommelin waren ook aanzoeken door belanghebbenden
geschied, doch eerst onder het bestuur van Nepveu, in 1772, kwam deze
zaak tot stand. De heer Mr. Beeldsnijder-Matroos, secretaris van het
collegie van kleine zaken, werd door directeuren »een privilegie van
de drukperse" verleend voor den tijd van 23 jaren. [475]

Na de oprigting der drukkerij, vroeg de heer Beeldsnijder Matroos
een privilegie, exclusief voor 25 jaren, tot het drukken van alle
stukken der beide Hoven, hetwelk hem werd toegestaan. [476] In Mei
deszelfden jaars werd door hem een placaat, door het Hof van Policie
uitgevaardigd, gedrukt; 50 exemplaren voor de regering, tegen den prijs
van f 15, terwijl hij de overige exemplaren aan de ingezetenen voor 10
stuivers mogt verkoopen. [477] Als proef nam hij vervolgens aan, al wat
in het eerste jaar door beide Hoven gepubliceerd werd, te drukken voor
f 1000. [478] In Augustus 1774 verzocht de heer Beeldsnijder Matroos
privilegie voor 25 jaren tot de wekelijksche uitgifte eener Courant
en de jaarlijksche van een Heerenboekje, en, na bekomen verlof, zag
de eerste Surinaamsche Courant den 10den Augustus 1774 het licht. [479]

Gelijk men meermalen in tijden van achteruitgang ziet gebeuren, dat een
volk, ongenegen om zich wegens zijne zonden voor God te verootmoedigen
en Hem om hulp en redding te smeeken, zich den zwijmelbeker der
vermaken aan de lippen zet, om daarin eene wijle verdooving te vinden,
zoo geschiedde dit ook in Suriname. Te dier tijd werd ook de zucht
voor het tooneel opgewekt; openbare plaatsen, waar spel en drank de
zinnen benevelden, werden opgezocht en nieuwe daargesteld, enz.

Van eene der eerste proeven van Tooneelspeelkunst vindt men in het
Journaal van Nepveu het volgende berigt:

»Heeden avond (19 Julij 1773) is door enige liefhebbers een
treurspel vertoond, namelijk Sabina en Eponia, alwaar beyde Haar
WelEd.Gestr. den heer Gouverneur en den heer Coll Fourgeoud, met
diverse heeren en dames geïnviteerd zyn geweest; zeekere Schouten
van Amsterdam geboortig, alhier met een nigtje van de seer ryke
swarte dame, Nanette Samsom, getrouwt, [480] heeft daartoe een
huys met decoratiën laten oppropieren, met de sinspreuk op 't
voorgordijn: »Pro Excolenda Eloquentia", wordende de meeste kosten
van kleedingen enz. door denzelven gedraagen, gelyk hy ook, zoo in 't
Tragique als Commique, wel speelt; 't voorneemen is om alle maanden
een vertooning te geeven, 't welk dienen kan: om de ingezeetenen by
deeze fataale omstandigheeden van haaren miserable staat eenigzints te
distraheeren." (Droevig degenen, die tot dergelyke troost hun toevlugt
moeten nemen.) »De Tragedie is zeer wel uitgevoerd, principalyk de
moeijelyke rol van Eponia, die door een jongman, genaamd Halloy,
admirabel uytgevoert is, synde nog 't wonderlykste, dat niemant,
des onbewust, zou hebben kunnen merken, dat het geen vrouw was;
eenige jonge advocaten en practisyns vindt men onder de liefhebbers,
dat haar teffens voor de Balie kan formeeren." [481]

De Joden, wien geen toegang tot den schouwburg werd verleend, rigtten
weldra zelven een liefhebberij-tooneel op. Toen men vernam, dat zij
geld aan de voornaamste acteurs wilden geven en, ter bestrijding der
onkosten, plaatsbriefjes wilde verkoopen, werd hun dit door het Hof
verboden. [482]

In 1775 werd een Hollandsche schouwburg opgerigt, waaraan enkele
hoofdacteurs en actrices tegen betaling verbonden werden. Zes à
achtmaal in het jaar werden er stukken opgevoerd.

Het volgende jaar geschiedde dit mede door de Joden, waar twaalfmaal
in het jaar gespeeld werd. [483]



Van meer belang dan deze poging »om de ingezetenen van hunne miserable
staat eenigzints te distraheeren", achten wij de verbeteringen der
werktuigen ter zuivering der koffij in 1769 en 1770 ingevoerd. Men
leest daaromtrent de volgende bijzonderheden:

In 1769 werd door een Fransche Molenmaker, Simeon, eene machine
gemaakt, eene soort van molen, waardoor de koffij, nadat zij geplukt
was, van de roode bast werd ontdaan en van de grijn afgezonderd.

Daar de machine redelijk wel voldeed, ontving hij hiervoor van eenige
koffijplanters, die zich daartoe verbonden hadden, eene belooning
van f 12 à f 1500. [484]

Later werd hierin nog verbetering aangebragt, daar de handmolens naar
het model van Simeon »niet sufficent" genoeg waren. Nepveu liet een
molen, van raderwerk voorzien, maken, die met slaven of een paard
kon worden gedreven. Op deze wijze kon in 50 minuten 1000 pond koffij
van de bast worden ontbloot, dat een groot voordeel aan de planters
opleverde. Een kleine wrijfmolen, spiraalswijze gemaakt, loopende
in een ton, om de witte bast af te schillen, voldeed ook beter dan
de ordinaire wijze van zwaar stampen, waardoor vele boonen geplet en
gebroken werden. [485]

Waren er door de finantieele verwikkelingen reeds groote onheilen
over de kolonie gekomen, zij werden nog in ruime mate vermeerderd
door den oproerigen geest, die zich onder de slaven openbaarde.

Door vreesselijke mishandelingen getergd en tot wanhoop gebragt [486],
vlugtten zij in grooten getale en vereenigden zich in onderscheiden
benden en liepen het land af, overvielen en plunderden de plantaadjes,
overrompelden en bestreden zelfs soms met goed gevolg de militaire
posten.

Te vergeefs trachtte Nepveu zoo veel mogelijk, door uitbreiding en
betere organisering der middelen van verdediging, dit kwaad te stuiten.

De militaire posten werden versterkt en uitgebreid; [487] en
niettegenstaande de heftige tegenstand der Raden, uitvoering aan
het plan van Nepveu gegeven, om een militair cordon om het gebouwde
gedeelte der kolonie te trekken, ten einde het wegloopen der slaven
te beletten en de plantaadjes te beveiligen [488]. Een corps van
vrije negers en mulatten werd in 1770 opgerigt. Dat corps stond
niet onder de bevelen van den burgerkrijgsraad, maar onder die van
Gouverneur en Raden en specialijk onder commissarissen van de kas
tegen de wegloopers, en had zijne eigen officieren. Alle vrije en
gemanumitteerde slaven, van 14 tot 60 jaren, waren verpligt, hiertoe
opgeroepen wordende, bij dat corps dienst te doen. In werkelijke dienst
ontvingen zij daags twee schellingen soldij, provisie en kost. Wierden
zij door ontvangen kwetsuren later verhinderd in hun eigen onderhoud
te voorzien, dan geschiedde dit op 's lands kosten. [489]

De 12 bataillons militairen, in dienst der sociëteit, werden in
1772 met 25 man vermeerderd, zoodat toen de krijgsmagt, ten minste
op het papier, 1200 man bedroeg. [490] Door ziekte waren echter vele
soldaten buiten staat dienst te doen, [491] terwijl het bezetten der
militairen posten vele manschappen vereischte. [492]

Nepveu had reeds meermalen in de vergadering van het Hof voorgesteld
om »een vrijcorps van negerslaven" op te rigten, die daartoe door het
land van hunne meesters gekocht en daarna met de vrijheid moesten
worden begiftigd. Daar de nood drong, vereenigden zich de heeren
Raden van Policie toch eindelijk met dat voorstel, en ging men toen
spoedig tot de verwezenlijking daarvan over.

De 15 Julij 1772 had op het fort »Nieuw Amsterdam" de keuring en
taxatie der slaven, voor het vrijcorps bestemd, plaats. Vóór men
hiertoe overging werd hun één voor één afgevraagd of zij de vrijheid
verlangden op de voorwaarde als bij het hun voorgelezen reglement
nader was omschreven.

Dit reglement behelsde o. a. de volgende bepalingen:

Deze leden van het vrijcorps zouden kleeding, wapens en leeftogt en
daarenboven f 9 's maands soldij ontvangen, zoo lang zij in werkelijke
dienst waren. [493] Buiten dienst moeten zij door het uitoefenen van
een ambacht of ander bedrijf voor zich zelven de kost winnen; doch,
onder nadere goedkeuring van de sociëteit, zou aan ieder van hen, in de
nabijheid van Paramaribo, kosteloos een stuk grond worden afgestaan,
om hierop eene woning te bouwen en de voor hunne voeding benoodigde
banannen en andere aardvruchten te planten.

Hun werd tevens beloofd, dat, indien zij vrouwen of kinderen op
plantaadje achterlieten, zij dezen van tijd tot tijd mogten gaan
bezoeken, mits de meester dier vrouwen of kinderen dit toestond. De
leden van het vrijcorps moesten zich echter van hunne zijde verbinden:
tot volstrekte gehoorzaamheid jegens hunne bevelhebbers, getrouwe
vervulling hunner militaire pligten en tot een steeds eerbiedig gedrag
jegens de blanken.

Nadat dit alles den daartoe op het fort Amsterdam verzamelde slaven
was voorgesteld, werd hun verzocht daarop te antwoorden. Eenige
weinige slaven, houtwerkers uit Boven Para, waar meerdere voordeelen
en grootere vrijheid dan aan andere slaven werden verleend, maakten
bezwaar de vrijheid op deze voorwaarden aan te nemen, doch dit was
slechts een zeer gering aantal; de anderen daarentegen gaven niet
slechts volgaarne hunne toestemming, maar deden daarenboven de lucht
van hun vreugderoep, een donderend Hurrah, weergalmen.

Honderd en zestien slaven werden goedgekeurd, getaxeerd en tot een
vrijcorps gevormd [494].

Eenige dagen later werd het corps tot 300 man uitgebreid [495].

Het corps stond onder zijn eigen bevelhebbers, Conducteurs genoemd
[496]. Deze Conducteurs, drie à vier in getal, waren blanken en hadden
den rang van Vaandrig. Behalve deze blanke officieren, aan wie zij
volstrekte gehoorzaamheid waren verschuldigd en die hen steeds bij
de onderscheidene togten aanvoerden, hadden zij ook onder-officieren
uit hun midden gekozen. Tien gemeenen hadden altijd een »Capiteyn",
gelijk men deze personen noemde, die hen de bevelen der bevelhebbers
door verschillende geluiden op den jagthoorn overbragten.

Hunne montering was zeer eenvoudig, namelijk: een broek en eene
scharlaken muts, het zinnebeeld hunner vrijheid [497]; hunne wapenen
waren: een geweer en een sabel.

Dit corps, dat van tijd tot tijd uitgebreid werd, heeft uitstekende
diensten aan de kolonie bewezen. Beter dan de blanken aan de
levenswijze in de bosschen en meer aan ontberingen gewend, waren zij
ook, door hun sterker ligchaamsgestel, beter dan de blanken tegen de
vermoeijende togten in de bosschen en wildernissen geschikt, terwijl
zij zich vele malen door dapperheid onderscheidden.

Het moge in den eersten opslag vreemd voorkomen, dat die zwarte
vrijwilligers den blanken zoo getrouw dienden tegen hunne eigene
landslieden, bij eenig nadenken vinden wij hiervoor verscheidene
oorzaken.

De neger is in het algemeen zeer gevoelig en dankbaar voor eene goede
behandeling en hecht zich, hierdoor gestreeld, zeer aan den blanke en
bewijst dit door eene groote getrouwheid. De leden van het vrijcorps
nu, vrijgekocht uit de slavernij, en alzoo, als vrije lieden, in
den militairen stand getreden, werden door de kolonisten, die veel
van hen in het belang der kolonie verwachtten, in den beginne zeer
goed behandeld, ja »als de eenigste behouders en beschermers van den
lande aangemerkt, als halve goden geëerbiedigd en hunne personen als
heilig geacht" [498]. Zij van hunne zijde waren hiervoor dankbaar,
vonden zich gestreeld en wilden door ijverige pligtsbetrachting
zich die achting en dat vertrouwen waardig maken. Daarenboven was
het in hun eigen belang--en groot is de magt, die het eigenbelang
op 's menschen ziel uitoefent--om den blanken getrouw te zijn. Door
hunne opname toch in het vrijcorps waren zij uit den ellendigen staat
der slavernij verlost, doch bij wangedrag of het niet nakomen hunner
verpligtingen verloren zij dat voorregt [499].

Wel is waar, zij konden ook de vrijheid bekomen door te vlugten en
zich met de Marrons te vereenigen, maar, vele moeijelijkheden waren
daaraan verbonden en dan nog werd het bezit dier vrijheid telkens
bestreden, terwijl zij, als leden van het vrijcorps na volbragte
dienst, rustig in eigene woningen, in het midden zelfs van blanken,
konden wonen [500]; en eindelijk, eenmaal in de krijgsdienst der
blanken tegen hunne landslieden verbonden, waren zij genoodzaakt
met onbezweken dapperheid te strijden en zich tot het uiterste te
verdedigen; want vielen zij den Marrons levend in handen, dan wachtte
hun ontwijfelbaar den dood, en deze soms onder vreeselijke pijnigingen,
daar de Marrons de leden van het vrijcorps beschouwden als afvalligen,
als de trouwelooste verraders, op wie zij dan ook veel meer dan op
de andere militairen waren verbitterd [501].

Was het vrijcorps der kolonie tot groot nut, het kostte haar echter
veel, zoo voor den aankoop der slaven, als voor hun onderhoud, dat
voor ieder lid van het vrijcorps eens zoo veel bedroeg alsdat voor
een ander militair. Ter voorloopige betaling der koopsom werd voor
f 400,000 obligatiën gemaakt, die 6 pCt. renten gaven, [502] en werd
vervolgens aan de directeuren der sociëteit verzocht, om pogingen
aan te wenden, ten einde in Holland eene geldleening ter bestrijding
dier kosten te sluiten. De directeuren voldeden aan dit verzoek en,
na bekomen verlof van HH. M., werd door hen, ten behoeve der kolonie
Suriname, eene geldleening, groot f 700,000, aangegaan. De stad
Amsterdam weder was geldschietster [503]. De genoemde obligatiën,
ten bedrage van f 400,000 gemaakt, werden toen verbrand [504].

De reeds gemelde versterking der krijgsmagt kwam den kolonisten
en der sociëteit echter niet genoegzaam voor en daarom wendde deze
laatste zich tot HH. M. met het verzoek: om een regiment geregeld
krijgsvolk naar de kolonie te zenden. De Prins van Oranje, Willem
de vijfde, aan wien, gelijk aan zijnen vader, Willem den vierde,
het beschermheerschap over Suriname was opgedragen, werd hierover
geraadpleegd en met onderling overleg werd besloten aan dit verzoek
gevolg te geven. Den 25sten December 1772 staken de schepen aan Texel
in zee, die ongeveer 800 soldaten naar Suriname zouden overbrengen. Dit
regiment stond onder bevel van den Zwitserschen officier Louis Henry
Fourgeoud, kolonel in dienst van de Staten der Vereenigde Nederlanden,
die zich tot demping van den opstand der slaven in Berbice loffelijk
onderscheiden had, en kwam in het laatst van Januarij en in het begin
van Februarij 1773 in Suriname aan [505].

Sedert de aanvraag om en de uitzending en aankomst der Statentroepen
waren eenige maanden verloopen en Suriname was in dien tijd door de
aanvallen der Marrons zeer verontrust. Niet slechts toch nam het
wegloopen der slaven toe; niet slechts werden door de weggeloopen
slaven verscheidene strooptogten op naburige plantaadjes gedaan, maar
de wegloopers begonnen zich meer dan vroeger in geregelde benden te
vereenigen en bedreigden de kolonie met den ondergang.

In 1769 liepen de Marrons de plantaadjes Rust en Lust, als mede
's Hertogenbosch, beide in Boven-Cottica gelegen, af, vanwaar zij
eenige slaven medevoerden en eenige geweren buit maakten. [506]
Verscheidene plantaadjes werden daarop door hen aangevallen, en met
een zoo goed gevolg, zoodat hunne stoutmoedigheid hierdoor grootendeels
vermeerderd werd.

In talrijke benden vereenigd, (alleen in Cottica werd het aantal
strijdbare mannen onder hen op twee honderd geschat) [507]
trokken zij door het land, alom schrik en vrees onder de inwoners
verspreidende. Militaire posten zelfs werden door hen aangetast en
meermalen verslagen, de soldaten op de vlugt gejaagd en de houten
barakken verbrand. [508] Een tegen hen uitgezonden commando van 20
gewapende burgers, 12 soldaten en 24 schutter-negers, onderging
eene geduchte nederlaag. Na het verlies van vier dooden, terwijl
verscheidene ernstig gewond werden, moest het commando den terugtogt
aannemen en het overschot kwam »uitgehongerd en met verrotte kleederen
aan het lijf" te Paramaribo aan [509].

De Marrons zetten hunne strooptogten voort en overvielen en plunderden
verschillende plantaadjes aan de Cottica, in de Mot, Orleyne en
Hoer-Helena kreeken, in Patamacca enz. enz. enz. [510].

Soms boden de slaven der aangevallen plantaadjes moedigen tegenstand en
noodzaakten de Marrons de vlugt te nemen, terwijl men, in de officieele
bescheiden, daden van trouw en gehechtheid van slaven jegens hunne
meesters vermeld vindt, die het harte goed doen [511]. Dikwijls
echter vereenigden de plantaadje-slaven zich met de aanvallers en
vermeerderden niet slechts hunne getalsterkte, maar tevens hunne
ammunitie, daar zij gewoonlijk hunne geweren, kruid en lood mede namen
[512].

Niet slechts in Cottica en Perica stroopten de benden wegloopers, maar
ook in Tempatie, aan de rivier Suriname, ja zelfs achter Paramaribo. De
wegloopers vermeerderden bij den dag [513].

Schrik en ontzetting heerschten alom door de kolonie. Men zag de
schoonste plantaadjes door de vlammen verteeren, de eigenaars of
Directeurs ontvingen door de hand der Marrons of die hunner eigene
slaven den dood. Verscheidene planters, bevreesd voor een algemeen
bloedbad, verlieten hunne effecten en begaven zich naar Paramaribo.

Die Cottica-negers, aldus genaamd naar het district, waar zij het
eerst hunne aanvallen hadden begonnen, schenen geduchter voor de
kolonie te worden dan die van Auka en Saramacca immer geweest waren,
want niet slechts was hun getal zeer aanzienlijk, niet slechts vonden
zij vele sympathie bij de slaven, maar daarenboven bezaten zij in
Baron, Jolicoeur en Bonni moedige en energique opperhoofden.

Baron was vroeger slaaf geweest bij den heer Dahlberg, een Zweed,
die in Suriname zijn fortuin had gemaakt. Reeds in zijne vroegste
jeugd scheen Baron eene meer dan gewone vatbaarheid te bezitten. Zijn
meester was met hem ingenomen; hij deed hem onderwijs in lezen en
schrijven geven, van welk onderwijs de leergierige jongeling een goed
gebruik maakte; vervolgens liet hij hem een ambacht leeren en nam hem
op eene reis naar Holland mede. Baron, opgetogen over veel wat hij
in Holland zag, leerde bovenal aldaar het onwaardeerbaar voorregt,
de vrijheid, hoog schatten en niets verheugde hem meer dan de belofte
van zijnen meester, dat hij hem, bij zijne terugkomst in Suriname,
met de vrijheid zou begiftigen.

Dahlberg komt met zijn, reeds in hope blijde, bediende in Suriname
terug, doch Dahlberg doet zijn woord geen gestand: hij verkoopt Baron
aan een Jood.

Hoezeer was de vurige jongeling teleurgesteld. Met hoogheid door zijn
nieuwen meester behandeld, wilde hij zich niet buigen, waarop de nieuwe
meester, om Baron tot onderwerping te brengen, hem een Spaansche bok
onder de galg liet geven. Het hierdoor beoogde doel, Baron te temmen,
de roede te doen kussen, werd niet bereikt: Baron ontsnapte en werd
weldra een van de voornaamste aanvoerders der wegloopers [514].

Joli-Coeur, mede vroeger een slaaf, ontving het eerste levenslicht op
de plantaadje Rodebank. De Jood Schultz, berucht door de mishandelingen
zijnen slaven aangedaan en de ruwe zedeloosheden met zijne slavinnen,
was Directeur van dat effect. Op zekeren avond dwong Schultz eene
slavin om hem in zijne vuige driften te wille te zijn. De man, die met
voorkennis en onder goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde,
merkte dit op en snelde zijne vrouw ter hulp. Die man echter was
een slaaf en werd, na die vruchtelooze poging tot ontzet, door den
Directeur aangeklaagd en--eene strenge geeseling volgde weldra. Een
knaap was getuige van deze strafoefening en die knaap was Joli-Coeur,
de onteerde slavin zijne moeder en haar verdediger, die zoo folterend
moest boeten, zijn vader [515].

Baron, de bedrogene en mishandelde, Joli-Coeur, de gehoonde en
getergde, stelde zich in betrekking met zekeren Bonni, een zoon
der wildernis.

Bonni was een Mulat, zijn vader was een blanke, zijne moeder diens
slavin. De blanke had de slavin lief gehad, doch weldra verkoelde
die liefde en ging zelfs tot diepen afkeer over, hij mishandelde en
sloeg de toekomstige moeder van zijn kind zoodanig, dat zij naar
het bosch vlugtte en aldaar het leven schonk aan een jongen, die,
man geworden, brandde van begeerte, om het lijden zijner moeder
te wreken. Deze Mulat, in het woud geboren en opgevoed, stelde
zich aan het hoofd der weggeloopen slaven, onder welke hij een
krijgstucht wist te bewaren, die hen tot geduchte vijanden der kolonie
maakte. Gevreesd om zijn despotisme, geëerbiedigd om zijne mannelijke
kloekmoedigheid en bemind om zijne onomkoopbare regtvaardigheid, werd
er zelden een opperhoofd gevonden, die een zoo krachtigen invloed op
zijne manschappen uitoefende. Aan een langen en geduchten proeftijd
onderwierp hij den deserteur der plantaadjes; was deze doorgestaan,
dan werd de slaaf gewapend en onder Bonni's troepen opgenomen, die
alzoo eene uitgelezen keurbende vormde [516].

De krijg, het waren thans meer dan enkele strooptogten, daar de Marrons
of- en defensief te werk gingen; de Guerilla krijg, hier had hij veel
overeenkomst mede, werd met afwisselend geluk gevoerd. In September
1771 gelukte het den vaandrig Sebulo, met 50 soldaten en eenige
lastdragers, om een dorp der wegloopers, diep in het woud gelegen,
te veroveren. Het was geene gemakkelijke taak geweest, want aan de
eene zijde door een diep moeras (zwamp) omgeven, werd aan de andere
zijde de toegang bemoeijelijkt door palisaden van 10 voet hoogte,
die behoorlijk van schietgaten waren voorzien, terwijl slechts een
kleine poort, waar niet meer dan een man te gelijk kon doorgaan,
toegang verleende.

Er bevonden zich echter, toen Sebulo het dorp aanviel, weinige mannen
ter verdediging; de meesten waren op eene strooptogt uit. Drie negers
werden gedood, de overige redden zich met de vlugt, hunne gekwetsten
met zich nemende; twintig vrouwen en kinderen vielen den overwinnaar
in handen, en na de woningen verwoest en de kost in de zwamp te
hebben geworpen, nam Sebulo, met zijne schare en zijne gevangenen,
de terugtogt aan. Onderweg werden zij verontrust door eene bende
van Baron, die hen de buitgemaakte vrouwen en kinderen trachtte
te ontnemen, doch die, na vijfmaal vruchteloos herhaalde aanval,
eindelijk moest afdeinzen [517].

In October van hetzelfde jaar ontdekten de Aukaner-negers een dorp
der Marrons, verwoestten het en bragten de gevangenen, 11 vrouwen en
kinderen, te Paramaribo [518]. Over de door hen hiervoor geëischte
belooning ontstond later verschil tusschen de regering en de Aukaners
[519].

Ook de Joden ontdekten, veroverden en verwoestten een wegloopers-kamp
en voerden, als buit, een gevangene, eene vrouw, mede [520].

Deze door de kolonisten behaalde voordeelen werden weldra door groote
verliezen gevolgd. In November 1771 werd een militair-commando,
in de Cottica, door de Marrons aangetast en verslagen [521]. Groote
verliezen werden achtereenvolgens door de militairen en gewapende
burgers geleden; sommige commando's, door de wegloopers teruggedreven
en door het wassende water in de rivieren gekweld, kwamen in deerlijken
staat te Paramaribo [522].

Van alle zijden vernam men klagten over de toenemende stoutheid der
Marrons en het wegloopen der slaven [523].

Door een gevangen genomen weglooper werd medegedeeld, dat Baron eene
versterkte plaats had aangelegd, waar hij een aanval der blanken durfde
af te wachten. Hij had, in zekeren zin, aldaar zijn hoofdkwartier
gevestigd, en keerde telkens, na gemaakte strooptogten, met buit
beladen, daar terug [524].

Deze legerplaats van Baron was zeer sterk; een uitgestrekt grondeloos
moeras omringde het van alle zijden, zware palisaden van 3 mans hoogte
waren als de tweede lijn van defensie; kleine kanonnen, draaibassen,
waren voor de schietgaten geplant en, als om de gelijkenis met eene
Europesche vesting te voltooijen, woei eene vlag, geel met een zwarte
leeuw, van het hoogste punt. Baron achtte zich hier zoo veilig,
dat hij deze plaats den naam van »Boucou" »tot stof vervallen" gaf,
om daardoor aan te duiden, dat zij eerder tot stof vervallen dan door
de blanken zoude worden veroverd [525].

Een, twee, ja meerdere aanvallen werden hierop beproefd, doch
vruchteloos: »het zwamp is niet te doorwaden, de palisadering niet
dan met groot verlies van volk te vermeesteren en kanonnen kunnen niet
gebruikt worden en handgranaten heeft men niet;" en, een in de historie
van Suriname onbekend feit: »men staat voor het dorp der wegloopers met
eene vrij aanzienlijke krijgsmagt en men kan er niet inkomen" [526].

Ziedaar wat er in het dagboek van Nepveu van gemeld wordt. Het Hof
besloot daarop een generaal pardon aan te bieden aan degenen, die
de wapenen nederlegden en zich aan de blanken overgaven [527]. Baron
spotte er mede. Twaalf negerjagers van het vrijcorps waagden zich tot
digt bij het dorp en werden gevangen genomen. Na hunne weigering,
om tot de Marrons over te gaan, werden er elf doodgeschoten en de
twaalfde strengelijk gegeeseld, een oor en het haar afgesneden en tot
de blanken teruggezonden met de boodschap: »dat men noch de blanken
noch de negerjagers vreesde." [528]

Een sterk detachement krijgsvolk, onder aanvoering van kapitein
Mayland, benevens 180 jagers van het vrijcorps, onder bevel van den
jeugdigen, moedigen officier de Friderici, werd daarop ter belegering
naar Boucou uitgezonden. Zoodra Baron dit krijgsvolk zag naderen,
plantte hij een wit vaandel, niet als teeken van onderwerping, maar als
uitdaging, en het vuren aan weerszijden begon, doch zonder veel gevolg.

Eene poging, om, door het laten zinken van takkebossen, een weg
door het moeras te banen, mislukte. Een aantal volks kwam bij
deze nuttelooze pogingen om; men begon gebrek aan levensmiddelen
en krijgsbehoeften te krijgen en sprak er van om de belegering op
te breken. De zwarte vrijwilligers, vol geestdrift en begeerig om
den dood hunner makkers te wreken, hadden echter den moed nog niet
verloren; het gelukte hun den geheimen toegang, een pad, slechts even
door het water bedekt, te vinden--en nu herleefde de moed in de borst
der officieren en soldaten.

De kapitein Mayland deed een valschen aanval. Baron trok zijn volk
bijeen om deze af te slaan. Friderici intusschen ging met de zwarte
vrijwilligers aan de andere zijde over het gevonden pad, door het
moeras; klom, zonder tegenkanting te ontmoeten, met den degen in de
hand, over de stormpalen; hierop volgde er een vreeselijk bloedbad
en Boucou werd ingenomen. Vier negers, zes en twintig vrouwen en
negentien kinderen werden gevangen genomen [529].

Nu heerschte er in de kolonie eene groote vreugde; den 27sten September
werd in de kerken God voor deze overwinning gedankt [530]; den 28sten
kwam het commando in de stad terug, met zich voerende de gevangenen
en, als wapentrophee, negen afgehouwen handen van gesneuvelde
Marrons; het kanon van Zeelandia werd gelost, de schepen vlagden
en de blanken vierden feest [531]. Enkele slaven kwamen vrijwillig
terug; anderen, hier en daar verstrooid, werden opgevangen, en
vele lijken in de bosschen gevonden. »Tot heden," schrijft Nepveu,
den 7den October 1772, in zijn dagboek, »zijn er omtrent 100 à 110
slaven van het wegloopers-dorp in Bovencottica gevangen genomen of
vrijwillig terug gekomen, en 30 à 40 gedood of hier en daar dood in
de bosschen gevonden" [532], en den 26sten October, teekent hij aan:
»De meeste wegloopers zijn van elkander af; zoeken bij troepjes een
goed heenkomen en moeten zich, bij gebrek aan vivres, met cabbes en
boomvruchten vergenoegen, die echter weinig te vinden zijn [533]."

Drie à vierhonderd Indianen deden, met toestemming van het Hof, een
togt naar een berucht weglooperskamp achter Paramaribo, en kwamen na
eenige dagen terug met vijf vrouwen en zes kinderen als gevangenen
en tien afgehouwen handen van gedoodde Marrons. Zij ontvingen eene
belooning aan verschillende goederen voor eene waarde van f 2090.--
[534].

Alle gevaar was nog wel niet geweken, want Baron was met eenige
zijner volgelingen in het woud ontsnapt; Bonni, die wel gekwetst,
doch niet, zoo als het gerucht had geloopen, gedood was, trachtte de
verstrooiden weder te verzamelen; en dat het den wegloopers nog niet
aan stoutmoedigheid ontbrak, bewees een aanval op een gedeelte van het
vrijcorps, waarbij de lastdragers, om zich te redden, de ammunitie
in het zwamp wierpen, en de jagers, na eene hevige schermutseling,
moesten terugtrekken [535].

Baron en Bonni waren later over de Marro-wijne gegaan en legden daar
kostgronden aan; de kolonisten waanden zich van hunne aanvallers
bevrijd en gaven zich op nieuw aan zorgeloosheid over [536].

De Gouverneur Nepveu, en met hem verscheidene inwoners van Suriname,
beschouwden den toestand der kolonie thans als zoodanig, dat men
de gevraagde en weldra te verwachten hulptroepen zeer goed kon
ontberen en, terwijl men hierover discussieerde, vernam men uit
de uit het vaderland ontvangen couranten, dat een nieuw geformeerd
mariniers-bataillon, ter repartitie van den Staat, naar Suriname zou
worden gezonden, benevens twee oorlogsschepen tot secours der kolonie
[537], en, terwijl men discussieerde, om voor den ontvangst der troepen
het een en ander in gereedheid te brengen, kwam reeds het eerste schip,
met de verwachtte troepen de rivier opstevenen en werd door nog twee
andere gevolgd [538].

Had men in de kolonie voor eenige maanden reikhalzende naar de uit
Holland te verwachten hulptroepen uitgezien, thans, daar men vermeende,
dat, met de inneming van Boucou, het grootste gevaar geweken was, zag
men die komst met gansch andere oogen aan. De troepen werden echter
goed ontvangen, de officieren, en voornamelijk de opperbevelhebber,
Fourgeoud, met beleefdheid behandeld. Evenwel ontstond er al zeer
spoedig verwijdering tusschen den Gouverneur Nepveu en den Kolonel
Fourgeoud. De aan den laatste door den Prins van Oranje verleende
magt, waardoor hem niet slechts het bevel over de hulptroepen, maar
zelfs over de geheele krijgsmagt was opgedragen, wekte bij Nepveu
naijver op en Fourgeoud van zijne zijde maakte door hooghartigheid
de breuke wijder.

Steeds onrustige woelige geesten vermeerderden die spanning door
wantrouwen en verdeeldheid tusschen Nepveu en Fourgeoud te zaaijen,
en weldra ontstonden er weder die partijschappen, die op Suriname's
bodem zoo welig tieren. De eene partij verklaarde, dat Fourgeoud en de
zijnen als de redders der kolonie moesten worden beschouwd; de andere
daarentegen, dat zij de kolonie tot last waren en de reeds zoo zware
uitgaven voor de verdediging der kolonie noodeloos kwamen vermeerderen.

De notulen van Gouverneur en Raden van dien tijd, vooral het Journaal
van Nepveu, zijn opgevuld met bijzonderheden omtrent deze spanning, het
gedurig misverstand enz., enz., zoodat, indien wij dezelve eenigzins
uitvoerig wilden beschrijven, wij hiervan alleen wel een lijvig
boekdeel konden vullen, doch dit zoude ons bestek verre overschrijden.

De troepen bleven werkeloos in Paramaribo en zoowel officieren als
soldaten gaven zich aan vele uitspattingen over, waardoor het getal
zieken in korten tijd zeer aanzienlijk werd [539].

Fourgeoud, wien het verveelde langer werkeloos te blijven, deelde
in Maart 1773 zijn voornemen mede, om met April of Mei, met zijne
troepen den terugtogt naar het vaderland te ondernemen [540].

Men verzocht hem zich hierover goed te beraden en, om den schijn van
overijling te vermijden, besloot Fourgeoud vooraf, in gezelschap met
den commandeur B. Texier, eene inspectiereis door de kolonie te doen
[541]. Na eenige moeijelijkheden om geschikte tentbooten te verkrijgen,
werd aan dit voornemen gevolg gegeven [542].

Na zijne terugkomst werd door het Hof aan Fourgeoud verzocht, om
zijn vertrek nog eenigen tijd uit te stellen, en als voornaamste
beweegreden daartoe voerde men aan: de vrees, die men koesterde voor
eene vredebreuk met de Saramaccaner boschnegers [543]; en drukte
men den wensch uit, dat de hulptroepen hun, bij het niet nakomen
hunner verpligtingen, hiertoe zouden dwingen. Fourgeoud antwoordde
hiertoe geene orders te hebben: eene vredebreuk kon slechts door den
Souverein geschieden en de hem verstrekte bevelen luidden, om tegen de
wegloopers, niet tegen hen met wie vrede gemaakt was, te ageren [544].

Nieuwe pogingen door den Gouverneur aangewend, om Fourgeoud te
noopen ten minste den uitslag der met de boschnegers aangevangen
onderhandelingen af te wachten, leden schipbreuk op Fourgeouds
onverzettelijkheid op dit punt [545], en hij maakte voor de tweede
keer aanstalte om te vertrekken. [546]

Hout en water werd reeds in de drie, nog immer, sedert 9 Februarij,
zeilreê gehouden transportschepen overgebragt, toen de tijding van een
nieuwen aanval der wegloopers [547], de toebereidselen tot vertrek deed
vertragen. Men begon zich nu tot eene boschtogt uit te rusten, doch
den 7 Junij 1773 kwam er weder contra-bevel en op nieuw werd alles tot
vertrek gereed gemaakt en dat op het laatst van Junij bepaald [548].

Schotschriften, der regering honende en opgevuld met verwijten
over het aanstaand vertrek der troepen, werden onder de deuren der
aanzienlijkste inwoners gestoken, en, ofschoon eene premie van 1000
ducaten werd uitgeloofd voor hem, die den maker en verspreider hiervan
aanwees, zoo werd deze echter niet ontdekt [549].

Terwijl men alzoo in Paramaribo onderling verdeeld was, bragt de
tijding van eene geduchte nederlaag, door eene afdeeling krijgsvolk
der sociëteit geleden, eenige toenadering teweeg.

Die ongelukkige gebeurtenis was belangrijk genoeg om te doen zien,
dat men de vrees voor de Marrons nog niet geheel verbannen kon. Het
verhaal hiervan luidt als volgt:

De luitenant Leppert had vernomen, dat de negerjagers een kamp der
Marrons tusschen de rivier Patamacca en Cormoetibo hadden ontdekt. Na
het vernemen van dit berigt besloot Leppert, om alleen met zijne
manschappen, die een gedeelte uitmaakten van de militaire post aan de
Patamacca, dwars door het bosch te dringen en het kamp der wegloopers
te overvallen. Hij trok alzoo den 8 Junij met een sergeant en 30
soldaten in het bosch, doch de Marrons, door verspieders van zijn
voornemen onderrigt, trokken hem te gemoet. Zij, ongeveer derdehalf
honderd in getal, wierpen zich in eene hinderlaag, bij een diep moeras,
dat hij doorwaden moest, om bij hun kamp te komen. De ongelukkige
soldaten waren naauwelijks in dit moerassig water tot onder de armen
ingegaan, of de Marrons kwamen uit hunne schuilplaats voor den dag en
tastten hen aan. Leppert, die aan een gouden lis aan zijn hoed kenbaar
was, benevens drie soldaten werden gedood en tien à twaalf gewond. Aan
den sergeant en corporaal met nog zes man gelukte het, na eene
moedige verdediging en na vooraf al hun kruid te hebben verschoten,
te ontkomen. Later voegden zich nog drie gevlugte soldaten bij hen,
maar ongeveer twintig man bleven in het bosch omdwalen. De vaandrig
Buissart, commandant der naastbij gelegen post, liet iedere twee uur
een schot doen, om deze verdwaalden de rigting van den weg te doen
herkennen. De meesten echter, (slechts aan twee van hen gelukte het
te ontkomen), vielen den Marrons in handen en werden dadelijk door
hen gedood; enkelen werden als gevangenen naar het kamp gesleept en
aldaar op bevel van Bonni doodgegeeseld [550].

Na het ontvangen dezer droevige tijding werd onmiddellijk door het Hof
eene commissie benoemd, om Fourgeoud te verzoeken de terugkeer zijner
troepen tot een volgend jaar uit te stellen en mede te werken tot
verdelging der wegloopers. Fourgeoud verklaarde zich dadelijk hiertoe
bereid, zelfs »al waren zijne troepen ingescheept zoo zoude hij, indien
er gevaar was se weeder doen ontscheepen." Hij wenschte evenwel,
dat het Hof in »stellige termen" verklaarde of men zijne troepen,
tot beveiliging der kolonie tegen de Marrons, al of niet noodig
had. Het Hof gaf hierop een ontwijkend antwoord [551]; doch Nepveu,
die eindelijk begreep, dat die dubbelzinnige toestand niet langer tot
schade der volkplanting duren kon, brak het ijs en begaf zich naar
Fourgeoud: »om zig cordatelijk weegens de saake en omstandigheeden
te expliceren, 't welk van verseekeringe van onderlinge vriendschap
en cordaatheit weegens de behandeling der saaken is gevolgt [552]."

Daar echter de ingevallen regentijd slecht tot het doen eener
boschexpeditie was geschikt versterkte men vooreerst de militaire
buitenposten en maakte zich intusschen tot den aanstaanden veldtogt
gereed [553].

Het was hoog tijd, dat de onderlinge twisten ophielden en men meer
krachtdadig tegen de Marrons te werk ging; want terwijl Bonni, die
zoon der wildernis, zich vreesselijk wreekte over de beleedigingen
zijne moeder en haar geslacht door de blanken aangedaan, en schrik en
ontzetting door de kolonie verspreidde, kwam ook Baron, die zich van
zijn, te Boucou geleden, verlies weder hersteld had, weldra op nieuw
uit de bosschen aanhollen en overviel, terzelfder tijd, drie naast
elkander aan de Boven Cottica gelegen plantaadjes, de Suynigheyt, Perou
en l'Esperance: de slaven werden medegenomen, de gebouwen verbrand en
de Directeur van de Suynigheyt en een blankofficier van l'Esperance
vermoord [554]. Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding
handelde, was hij echter niet wreed, getuige o. a. het volgende:
Bij het afloopen der plantaadje Poelwijk door de Marrons, werd de
blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog
slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij
hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: »ga maar heen,
gij zijt nog te kort in de kolonie geweest om ons slaven te hebben
kunnen mishandelen." Een der Marrons nam hem zijne bovenkleederen af,
doch Baron gaf hem die niet slechts weder, maar gaf hem nog daarenboven
een hoed omdat Muller, die de zijne in het rumoer had verloren, het
hoofd in den bij stroomen nedervallenden regen gevoegelijk dekken
kon. [555] Op een anderen tijd hadden de Marrons verscheiden soldaten
gevangen genomen. Volgens wederkeerig krijgsgebruik had Baron ze kunnen
laten doodschieten--maar integendeel, hij voorzag hen, van wie hij
getuigde, dat zij geene oorzaak der geschillen, maar slechts door de
krijgsorde gedwongen vijanden waren, van de noodige levensmiddelen;
verborg hen voor de woede zijner volgelingen en zond hen daarop naar
de stad terug. [556]

In September van hetzelfde jaar ging Fourgeoud naar het Hoofdkwartier
en eindelijk in October trok hij met drie kolonnes het bosch in [557].

De eerste togt was niet bijzonder gelukkig: geene wegloopers
vielen Fourgeoud in handen, slechts eenige kostgronden werden
vernield. Fourgeoud schreef deze mislukking toe aan gebrek aan
behoorlijke medewerking; Nepveu daarentegen aan eene verkeerde
besturing [558].

Verscheiden togten werden sedert ondernomen; Fourgeoud en een
gedeelte der ingezetenen gaven hoog op van het nut daardoor te weeg
gebragt, doch Nepveu zag er weinig anders in dan verspilling van
menschenlevens en krijgs- en mondbehoeften. Om eenigzins over de
bezwaren aan dergelijke boschtogten verbonden te kunnen oordeelen,
nemen wij het verhaal, dat Stedman, die ze zelf bij woonde, er van
geeft, gedeeltelijk over:

De wijze, waarop men, in de bosschen van Suriname, oorlog voert, is
geheel verschillend met iedere andere in Europa. »Het is onmogelijk"
zegt Stedman, »in de bosschen van Guiana in twee of drie gelederen
te gaan; dus kent men daar ook niet het optrekken bij divisiën of
pelotons. De geheele krijgsbende stelt zich op ééne rei, met het gezigt
naar de regter kant; de negers zijn onder de soldaten verspreid,
ten einde men op hen en op de goederen, waarmede zij beladen zijn,
een wakend oog kan houden. Dit wordt de Indiaansche linie genaamd. Om
een corps van zestig man, namelijk, een kapitein, twee luitenants,
twee sergeants, vier corporaals, een heelmeester en vijftig soldaten te
vergezellen, zijn er minstens twintig negerslaven noodig, waarvan men
de huur aan hunne meesters betaalt, tegen 24 stuivers daags. Wagens en
paarden zouden veel minder kostbaar zijn; doch men kan er zich tot den
optogt van krijgsvolk in dit land niet van bedienen." [559]. »Ziehier,"
zoo vervolgt genoemde schrijver verder: »op welke wijze men de soldaten
en negers door een mengt: twee der laatsten trekken in het eerst op,
en dragen bijlen om een weg te banen. Zij worden gevolgd door een
corporaal en twee mannen, die gelast zijn de plaatsen te bespieden,
en, ingeval van nood alarm te slaan. Een officier, een corporaal
en zes soldaten maken de voorhoede uit. Vervolgens komt op eenigen
afstand de hoofd-bende in twee partijen. Bij de eerste bevinden
zich een kapitein, een corporaal, twaalf soldaten, een heelmeester
en twee negers, die het kruit dragen. De tweede partij bestaat uit
twaalf andere soldaten, onder bevel van een sergeant. De achterhoede,
bestaande uit een officier, een sergeant, een corporaal en achttien
soldaten, wordt door zestien negers vergezeld, om de geneesmiddelen,
het vleesch, brood, rum, wapenen, bijlen, en ook de zieken en
gekwetsten te dragen. Dezelve bevindt zich op eenigen afstand van
het hoofdcorps. Het geheel word gesloten door een korporaal en twee
soldaten, mede belast om zoo noodig alarm te slaan. [560]"

In dergelijke groote of kleine afdeelingen trok men de bosschen
in. Soms moest men tot over de heupen door slijk en water baden of
over hoopen van omgevallen boomen klauteren; op andere plaatsen
er onder door kruipen. Vaak werd het ligchaam deerlijk door de
doornen opgescheurd, en door talrijke insecten, waaronder van zeer
kwaadaardige soorten, bijna overal gekwetst. De brandende zon, al
drongen hare stralen niet door het dikke bladeren gewelf, maakte de
atmospheer verstikkend; de warmte, geen uitweg door opene plaatsen
vindende, was benaauwend. Was de zon ondergegaan dan heerschte er eene
stikdonkere duisternis, en zoo men dan de togt wilde voortzetten,
was men genoodzaakt elkander bij de hand te houden, ten einde niet
van elkander af te geraken.

Van tijd tot tijd viel er een soldaat, uitgeput van vermoeijenis
neder, en de last der draagnegers werd verzwaard. Des nachts hing
men de hangmatten in de boomen op; doch zoo men een of twee dagen
rust hield maakte men hutten, op Indiaansche wijze gebouwd: de slaven
sliepen op den blooten grond. [561]

In den regentijd werden de moeijelijkheden dier togten verdubbeld. Het
water in de bosschen rees dan zoo hoog, dat het meermalen tot aan
de knieën reikte, en zelfs de kleinste stroom kon men dan niet over
trekken, zonder er een brug, uit boomstammen zamengesteld, over te
slaan. [562]

Bij een dergelijken krijg verloren een menigte soldaten het leven
of kwamen ziek van vermoeijenis en uitputting te Paramaribo aan en,
na eenige togten, waarvan de goede uitslag twijfelachtig was, moest
Fourgeoud zijne en des sociëteits-troepen eenige rust vergunnen.

Ontevreden, wrevelig over de vele verliezen, vooral ontevreden op
Nepveu, die hem, zoo hij vermeende, niet de noodige achting bewees,
wierp Fourgeoud zich, na zijne terugkomst in Paramaribo, geheel in
de armen der ontevredene partij:--in Nepveu's dagboek wordt hem deze
»caballisering" scherp verweten. [563]

In Januarij en Februarij 1775 kwamen nieuwe troepen uit Nederland,
onder bevel van den luitenant-kolonel Sieborg, ter versterking der
zeer gedunde magt, en weldra toog Fourgeoud weder het bosch in. [564]

Na eenig heen en weder trekken, waarbij sommige kostgronden en
legerplaatsen der Marrons verwoest werden, gelukte het aan Fourgeoud
om de hoofdplaats der rebellen op te sporen en te verdelgen.

De bijzonderheden daaromtrent worden uitvoerig door kapitein Stedman
medegedeeld; wij nemen er het volgende van over:

»De muitelingen, door hun behaald voordeel op den kapitein Mayland
opgeblazen, [565] waren door hunne spions onderrigt, dat de kolonel
Fourgeoud zich te Barbacoeba bevond, en zijne soldaten willende
trotseren of schrik aanjagen, hadden zij de stoutheid, om den 15den
Augustus, de hutten van twee legerplaatsen, welke onze uitgezondene
wachten hadden laten staan, in brand te steken, en een gehuil en
geschreeuw te maken, hetwelk wij den geheelen nacht hoorden. Dit
was nogthans van hunnen kant niets dan loutere zwetserij; maar het
verwekte in onzen bevelhebber zulk eene gramschap, dat hij zwoer zich
met geweld, het kostte wat het wilde, te zullen wreken."

»Des anderen daags morgens stond al ons krijgsvolk tot den optogt
gereed, en met het aanbreken van den dag begaven wij ons in het
bosch. Wij waren twee honderd voor de dienst geschikt zijnde Europeanen
sterk, en wij lieten een groot getal achter, die door ziekte belet
wierden mede te gaan."

»Wij trokken oostwaarts op. Na omtrent acht mijlen te hebben afgelegd,
dat in een land, waar onophoudelijk door het weghakken van het geboomte
de weg gebaand moet worden, al vrij aanmerkelijk is, sloegen wij
hutten op en namen daar onze legerplaats."

»Den 16den vervolgden wij onzen weg westwaarts over hoog land. Het
was eene soort van bergketen, die, zoo ik mij niet bedrieg, in dit
land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zooals ook de
poelen, zwampen en moerassen. Wij legden geen zoo grooten weg af,
als daags te voren, en toen wij stil hielden, ontvingen wij bevel
om onze hangmatten uit te spreiden en daarop te gaan slapen, zonder
eenig overdek, om den vijand geen kennis te doen bekomen van de plaats,
alwaar wij ons bevonden, hetgeen zekerlijk gebeurd zoude zijn, indien
wij in het bosch boomen gekapt hadden. Wij mogten niet spreken en
overal werden wachten uitgezet. Die voorzorgen waren noodzakelijk:
maar zoo de muitelingen ons al niet ontdekten, werden wij echter door
groote muggen en insecten, die uit een nabij gelegen moeras opkwamen,
als van een gereten."

»Den 17den, trokken wij tot negen uren verder oostwaarts op; vervolgens
noordwaarts, en dwars door eene groote menigte Mataky-wortels, [566]
hetgeen ten bewijze strekte, dat wij afzakten: de grond werd hier zeer
moerassig. Gelukkig echter, schoon wij in het regen-saisoen waren,
viel er weinig water. Dien dag hielden wij tegen vier uren nademiddag
stil, want de kolonel werd door eene koude koorts aangetast."

»Te middernacht, te midden der dikste duisternis, en een zwaren
stortregen, werden wij gewekt door het gehuil en geschreeuw der
muitelingen, die te gelijkertijd eenige snaphaan schoten deden. Hun
schieten echter bereikte de legerplaats niet, doch wij waren uitermate
verlegen, want de donkerheid maakte het ons onmogelijk, om een juist
denkbeeld van hun oogmerk te vormen. Zij hielden op die wijze aan tot
het aanbreken van den dag, hetgeen ons elk oogenblik deed verwachten
van door hen omsingeld te worden: wij verdubbelden onze waakzaamheid.

»Des anderen daags morgens rolden wij onze hangmatten op, en trokken
noordwaarts, naar den kant, van waar den vorigen nacht het geluid zich
had doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zijnde,
waren wij zeer vermoeid, en vooral de kolonel, die moeite had, om zich
staande te houden, zoodanig was hij door de koorts verzwakt. Onze
togt was dien dag vruchteloos, want op den middag vervielen wij in
een groot moeras, waaruit wij veel moeite hadden ons te redden, en wij
waren genoodzaakt naar onze vorige legerplaats terug te keeren. Twee
soldaten versmoorden in het moeras.

»Den 19den trokken wij verder, en weldra voegde, tot onze groote
blijdschap, zich een corps van honderd negerjagers met hun conducteur
Vinsac bij ons [567].

»Tegen den middag gingen wij over een Birry-Birry, of groot moeras. Een
zoodanig moeras is zeer gevaarlijk: het bestaat uit een dun slijk, met
een dikke en groene korst overdekt, die op vele plaatsen een mensch
dragen kan, maar die men onder zijne voeten voelt buigen. Breekt
deze korst dan verzinkt hij, die zich op den gevaarlijken bodem
heeft gewaagd, in den afgrond. Menigmaal gebeurt het, dat menschen,
voor de oogen van anderen, in diepte verdwijnen, zonder dat men hen
ter hulpe kan komen. Drijfzand is minder gevaarlijk: hier zinkt men
slechts langzamerhand in.

»Om ongelukken te voorkomen trokken wij zoo wijd mogelijk van elkander,
desniettegenstaande vielen er verscheidene soldaten door, die met
moeite gered werden.

»Des namiddags kwamen wij langs een paar cassave velden hetgeen ons een
teeken was, dat wij de verblijfplaats der muitelingen naderden. Daar
het echter te laat in den avond was geworden om den vijand aan te
grijpen sloegen wij hier onze legerplaats op.

»Den 20sten des morgens ten zes ure braken wij op, noord-oostwaarts
ten Noorden, en spoedig kwamen wij bij een groot moeras, alwaar wij
tot aan ons midden door het water gingen. Nadat wij meer dan een
halve mijl door het water gewaad hadden bereikten wij de overzijde,
zonder den geringsten tegenstand te ontmoeten.

»Wij volgden daarop een soort van voetpad, dat door de Marrons was
gemaakt en, tegen den middag stieten wij op een kleine hoop van hen,
die ieder met een korf op den rug beladen waren. Zij vuurden hunne
geweren op ons af; wierpen hunne vracht op den grond en keerden in
allerijl naar hun dorp terug.

»Wij vernamen later, dat zij rijst naar een ander verblijf hadden
willen vervoeren, om geen gebrek te lijden, als zij uit hun
tegenwoordig verblijf, Gado Saby, (God alleen kent mij) verdreven
zouden worden. De groene korven, (Warimbos) zeer aardig gevlochten,
waren met fraaije rijst gevuld, die wij vernielden en vertraden,
daar wij geene gelegenheid hadden om ze mede te nemen.

»Kort daarna ontdekten wij eene ledige barak, waarin de Marrons een
wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle gevaar te verwittigen, en
die bij onze aankomst onmiddellijk de vlugt nam. Wij verdubbelden toen
met ijver onze schreden tot op den middag, wanneer wij eene uitgezette
wacht van den vijand ontmoette en deze tweemaal vuur hoorden geven,
dat een afgesproken teeken scheen, om Bonni hiermede bekend te maken.

»De majoor Medler en ik, met eenige soldaten der voorhoede, en
eene kleine krijgsbende van zwarte vrijwilligers, liepen vooruit
en kwamen weldra in een schoon veld, met rijst en Indiaansch koren
beplant.--Nadat de overigen zich met ons vereenigd hadden baanden wij
ons een pad door het bosch. Naauwelijks waren wij hier doorgetrokken
of men begon van alle kanten een hevig vuur. De vijand echter deinsde
af, en wij trokken voort, tot dat wij op een schoon rijstveld kwamen,
waarachter de hoofdplaats der muitelingen zich amphitheatersgewijze
verhief: door den lommer van verscheidene hooge boomen tegen de hitte
der zon beveiligd, leverde het een treffend gezigt op.

»Een onafgebroken vuur duurde meer dan een uur; de negerjagers
gedroegen zich met zoo veel moed als bekwaamheid; de blanke soldaten
vuurden, door drift overweldigd, als in het wilde. Mij schampte
een vijandelijke kogel langs den schouder af; den luitenant, de
Cabanes, werd de riem en den sergeant Fowler de loop zijner snaphaan
weggeschoten. Verscheidenen der onzen werden gekwetst, doch weinigen
gedood.

»De vijand had het gansche rijstveld, met dikke stammen van boomen,
waaraan de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zij
hielden zich achter deze opgeworpen verschansingen verscholen, en
gaven van daar vuur op ons, die eerst dit soort van wallen beklimmen
moesten voor wij in hun gehucht konden komen.

»Niettegenstaande alle hinderpalen rukten wij voort, dwongen den
vijand te wijken, en beproefden het dorp in te dringen. Doch een van
de aanvoerders der Marrons, kenbaar aan een hoed met een gouden lis,
had de stoutmoedigheid, om te blijven en met een brandende toorts een
der hutten in brand te steeken. Het vuur verspreidde zich, door de
droogheid dier houten huizen, aan alle zijden, terwijl het schieten
uit het bosch langzamerhand verminderde.

»Deze kloeke en meesterlijke daad belette niet alleen het bloedbad,
dat de soldaten op het eerste oogenblik der overwinning gewoon zijn aan
te richten, maar het maakte 't bovendien voor de Marrons gemakkelijk,
om met hunne vrouwen en kinderen terug te trekken, en de goederen,
die hun het meest van dienst waren, met zich te nemen. Aan de eene
zijde hield ons de flikkerende vlam terug en aan de andere belette
ons een onpeilbaar moeras, dat ons bijna van alle kanten omringde,
de vlugtenden na te zetten.

»Het laatste uur van het gevecht was verschrikkelijk: het aanhoudend
muskettenvuur; het vloeken en brullen der krijgers onder elkander;
het kermen der gekwetsten en stervenden die in het stof lagen en zich
in hun bloed baadden; de schellen toon der horens, die zich van alle
kanten hooren liet; het kraken der brandende balken in het brandende
dorp; de wolken rook, die ons omringenden; de vlammen, die hoog
opstegen--dit alles vormde een tafereel, dat ik niet beschrijven kan."

»Dit dorp bestond uit honderd huizen of hutten, eenige van twee
verdiepingen hoog.

In den nacht, toen wij door een goeden slaap onze afgematte ligchamen
wenschten te verkwikken, werden wij op nieuw door eene vijandelijke
bende hierin gestoord, die zich echter na eenige schoten verwijderde.

»Terwijl de duisternis belette elkander te zien, voerden onze zwarte
vrijwilligers geene zeer stichtelijke gesprekken met de Marrons. De
een verweet den ander in ruwe termen zijn gedrag en men daagde elkander
tegen den volgenden dag uit, man tegen man.

»Beide partijen hieven een soort van krijgsgeschrei aan, zongen
victorie liederen, en bliezen op hunne horens.

»Fourgeoud beproefde ook een gesprek met hen te houden. Hij beloofde
hun het leven, de vrijheid, volop eten en drinken, zoo zij zich
gewillig overgaven. Zij beantwoordden deze aanbieding met een luid
gelach, zeggende: »dat zij niets noodig hadden van hem den half
uitgehongerde Franschman." Zij bespotten ons blanke slaven, die ons
voor vier stuivers daags dood lieten schieten, en zij betuigden hunne
spijt, »dat zij hun kruit en lood aan zulke ellendige kerels moesten
verspillen;" zij bedreigden echter onze zwarte vrijwilligers, zoo
dezen hun in handen vielen, met den vreeselijksten dood. Tegen den
morgen verstrooiden zij zich.

»Wij waren moede en afgemat, doch, niettegenstaande het hevig schieten
van den vijand, was ons verlies onbeduidend. Bij nader onderzoek en
verbinding der gekwetsten vond men weinig looden kogels, maar meest
keisteenen, knoopen, stukken geld enz. die, daar zij naauwelijks door
de huid konden dringen, weinig schade hadden veroorzaakt. Wij bemerkten
ook, dat velen van de Marrons, die op het slagveld gebleven waren,
slechts scherven van kruiken, in plaats van vuursteenen, op hunne
geweren hadden, welke onmogelijk behoorlijk dienst konden doen. Aan
deze omstandigheden hadden wij het te danken, dat wij er zoo goed
afkwamen; velen onzer waren echter ligt gewond en gekneusd.

»De velden in den omtrek werden verwoest, al de rijst werd afgekapt.

»Kapitein Hamel werd in de namiddag met vijftig soldaten en dertig
negerjagers afgezonden, om verder het terrein op te nemen, en, zoo
mogelijk, te weten te komen: hoe de Marrons door het onpeilbaar moeras,
zonder bezwaar, heen en weder gingen. Deze officier ontdekte eene
soort van vliegende brug tusschen de biezen, die van Maurity-boomen
gemaakt, maar zoo smal was, dat er geen twee menschen nevens elkander
op gaan konden. Den volgenden morgen werd dit enge pad van drijvende
boomen door een gedeelte onzer troepen gebezigd, om den overkant te
bereiken. Hier vonden wij een groot veld met Cassaves en Yams bezet,
en ongeveer dertig ledige huizen van het oude dorp Corsary (kom zoo
gij durft). [568] Wij ontdekten nu tot onze groote verbazing de reden,
waarom de Marrons, in den nacht van den 20sten, zoo geschreeuwd,
gezongen en geschoten hadden. Het was niet alleen om den aftogt hunner
vrienden te dekken, maar ook om te voorkomen, dat wij bemerken zouden,
dat zij bezig waren met Warinbos of manden te maken, en die met de
schoonste rijst, Cassaves en Yams te vullen, om daardoor bij hunne
vlugt levensonderhoud te hebben. Dit was zekerlijk een verstandig
gedrag in een wild volk, hetwelk wij ons vermeten om te verachten:
deze daad zoude aan elken Europeschen bevelhebber tot eere gestrekt
hebben, en de beschaafste volken hebben hen daarin misschien zeldzaam
overtroffen.

»Hoewel onze overste van verlangen brandde, om Bonni verder te
vervolgen, zoo was hieraan niet te denken, want onze krijgsbehoeften
waren verbruikt en onze spijsvoorraad verteerd. Kapitein Bolts werd
met een escorte van honderd soldaten, dertig negerjagers en de noodige
lastdragers, afgezonden om nieuwe voorraad van het hoofdkwartier te
halen. Doch in den avond van den 23sten keerde hij terug: hij was
bij een moeras door de Marrons aangevallen, die, zonder zich met
de Europeanen te bemoeijen, een verschrikkelijk bloedbad onder de
negerjagers hadden aangericht en hij was alzoo tot den terugtogt
genoodzaakt geworden.

»Fourgeoud zag in, dat hij gevaar liep met zijne geheele krijgsmagt
vernietigd te worden. Hij had noch mond- noch krijgsbehoeften meer;
de half verhongerde en uitgeputte soldaten morden, en eindelijk gaf
hij bevel tot den terugtogt.

»Den 26sten, des voormiddags, bereikten wij eindelijk onze algemeene
verzamelplaats, maar in een zeer treurigen toestand; allen waren door
de uitgestane vermoeijenissen zeer verzwakt; velen van honger als
uitgeteerd; anderen gevaarlijk gekwetst. De slaven, die de zieken
en gekwetsten droegen, hadden naauwelijks krachten genoeg, om zich
zelven voort te slepen.

»Zoo eindigde de verovering van Gado-Saby. Op den togt werd,
wel is waar, noch gevangenen, noch buit gemaakt; toch bewezen wij
der volkplanting eene gewigtige dienst door deze schuilplaats, dit
hoofdkwartier der Marrons, te vernielen. Eenmaal hieruit verdreven
keerden zij niet weder in dien omtrek terug; en door het geleden
verlies waren zij zoo ontrust en verschrikt, dat hunne strooptogten
van dien tijd af veel verminderden." [569]

Wij namen deze mededeeling van een ooggetuige, veel verkort, over,
om den lezer, eenigzins te kunnen doen oordeelen, hoeveel moeite en
bezwaren aan dergelijke togten verbonden waren.

Na dezen hier beschreven togt werden sedert nog verscheidene
door Fourgeoud ondernomen. Het vrijcorps bewees steeds goede
diensten. Nepveu zette, niettegenstaande de hevige tegenkantingen
der Raden en van Fourgeoud, [570] zijn plan door, om een cordon van
verdediging tegen de verstrooide benden wegloopers daar te stellen:
hij werd hierin door de sociëteit, H.H.M. en den Prins van Oranje
ondersteund. Deze laatste schreef zelfs aan Fourgeoud, dat hij zich
moest onthouden van eenige bemoeijingen met het cordon, en dit geheel
aan den Gouverneur overlaten. [571]

In Februarij 1776 kwam er aanschrijving van den Prins van Oranje,
dat de troepen onder Fourgeoud moesten terugkeeren.

Vele ingezetenen, verschrikt door hernieuwde aanvallen der
wegloopers, wendden pogingen aan, ten einde dat gevreesde vertrek te
doen uitstellen. Fourgeoud, die, zonder positieve contra-order, niet
durfde te blijven, maakte zich in Julij tot het vertrek gereed. Reeds
was het volk ingescheept en de afscheids-bezoeken afgelegd, toen dat
tegen bevel kwam en de troepen weder gedebarkeerd werden. [572]

In December kwam op nieuw eene versterking van 750 man, [573] en
werden er toen weder eenige expeditiën ondernomen.

Bonni was intusschen met een groot gedeelte der zijnen (Baron was
gesneuveld), [574] over de Marowyne getrokken. In Januarij 1777
berigtte de toenmalige Gouverneur van Cayenne, benevens de Intendant
Malouet deze gebeurtenis aan Nepveu; en hierop volgde een aantal
wederzijdsche memoriën en geschriften.

De Franschen betuigden hunne ontevredenheid, dat de wachthebbende
Hollandsche officier aan de Marowyne deze overtogt niet verhinderd
had; zij waren niet zeer op deze nieuwe gasten gesteld, doch bezaten
te geringe magt om hen te verdrijven en om hun nu den vrede aan te
bieden vonden zij te vernederend, en, om den Hollanders te vergunnen
hen op Fransch-grondgebied te bestoken en zich tot dat doel met hen
te vereenigen, kwam hun mede ongeschikt voor.

De Gouverneur en Intendant wilden dus een middenweg bewandelen;
zij zouden eenige officieren tot de Marrons zenden met last om hen
zeggen: Les Français vous souffrent sur leurs terres, puisque vous y
êtes, ils veulent bien vous laisser cet azile; mais si vous continués
vos brigandages sur le territoir hollandois, ou si vous attirez sur
le nôtre un plus grand nombre de fugitifs, alors nous permettrons
aux Hollandois de venir vous chercher sur cette rive et nous nous
reunirons à eux pour vous detruire [575].

Om de moeijelijkheden, die omtrent een en ander mogten ontstaan weg
te nemen; en om alles met elkander te regelen werd bij dit zelfde
schrijven berigt, dat de Intendant Malouet daartoe in Junij 1777 in
Suriname zoude komen.

Van onze zijde werd geantwoord: dat men de overtogt der Marrons over
de Marowijne noch gewenscht noch begunstigd had; dat men oordeelde
geen verlof noodig te hebben, om hun daar te vervolgen, doch dat men
provisioneel de Marrons met rust zou laten, en de komst van den heer
Malouet afwachten. [576]

Ook de raad van Fourgeoud werd hier op ingewonnen. Hij luidde: over de
Marowijne trekken en de Marrons verdelgen. [577] Dit oordeel werd door
velen gedeeld, doch men vreesde voor verwikkelingen met Frankrijk en
daarbij in April was reeds een gedeelte der hulptroepen naar Nederland
terug gekeerd [578]; zoodat men geen genoegzame magt te beschikken had.

Malouet kwam met zijne vrouw en dochter in Julij 1777 in Suriname
en werd aldaar met beleefdheid ontvangen [579], die door hem met
hoffelijkheid werd beantwoord. Malouet trachtte zich omtrent de over
de Marowijne gevlugte Marrons met Nepveu en de Raden van Policie te
verstaan. In zeer beleefde termen, doch daarom niettemin ernstig,
gaf hij onze regering gewigtige lessen. Hij schreef het wegloopen
van slaven in Suriname (aldaar meer dan elders) toe; eerstelijk: aan
het niet beteugelen der meesters in het mishandelen hunner slaven;
die meesters noemde hij »de eygenlyke stigters van de binnenlandsche
wanordens"; en de regering, die zoodanige misbruiken dulde en den
slaven alle bescherming ontzegde uit een onregtvaardig inzigt voor den
eigendom van den meester, »oorzaak dat de eygendom en de veyligheyt
der kolonie in de waagschaal werd gesteld";

ten tweede: aan het gemis van godsdienstig onderwijs der slaven »want"
merkte Malouet aan, »de onwillige afhankelijkheid, zoo wel van een vrij
man als van een slaaf, zijne zeden, zijne deugden en zijne gebreken
zijn nooit in geen tijd en bij geen volk het gevolg geweest van een
enkele oorzaak, maar wel van de zamenloop van verscheidene. Waarom
dan zouden onze Europesche kolonisten alleen gebruyk maaken van
de physieque magt, daar zelfs de afschuwelijkste despooten nodig
geoordeelt hebben de zedekunde daarby te voegen?" [580]

De Franschen wenschten ook priesters tot de Marrons te zenden en
wilden aan onze regering toestaan hetzelfde te doen, terwijl men de
door de regering van Suriname te zenden priesters of geestelijken
toelaten en in allerlei opzigt begunstigen zoude [581].

Na vele en velerlei discussiën in het Hof van Policie werd eindelijk
besloten den heer Malouet, te antwoorden: »dat het consept om die
wegloopers door de religie te overreeden, en in toom te houden,
voorkomt te weesen van difficiële uitvoeringe, en van verre uitzigte;
vooral aangemerkt, alhier de slaaven tot geen religie zijn overgebragt,
en dus te vreesen is dat, behalve de natuurlijke nijging tot haars
gelijken, die men met de reeds bevreedigden ondervind, dit hen nog te
meer daartoe sou nopen en aansetten." Het Hof wenschte »dat gespuis"
liever geheel te verdelgen, en deelde dan ook als zijn vast besluit
mede: »dat degene, die op Surinaamsch grondgebied overkwamen gevangen
of gedood zouden worden."

De Intendant Malouet verliet in Augustus 1777 Suriname en keerde over
land, om de Engelsche kapers te vermijden, naar Cayenne terug--en,
ofschoon onzer zijds nog wel plannen werden gemaakt, om de Marrons over
de Marowyne aan te tasten, [582] het bleef bij dit plannen maken;--de
Marrons bleven rustig aan de overzijde wonen en »molesteerden de
blanken niet en werden niet door de blanken gemolesteerd." Fourgeoud
deed met het overschot zijner magt en eenige der sociëteits-troepen
nog een paar togten door de kolonie, doch ontmoette geene wegloopers
meer en berigtte in Januarij 1778 aan het Hof: dat daar de kolonie
thans van Marrons gezuiverd en de bondgenooten, de Aucaners en
Saramaccaners, met de regering in goede verstandhouding leefden,
hij met zijne troepen in April Suriname verlaten zou. [583]

Nepveu en eenige Raden van policie wilden niet toegeven, dat een en
ander door de maatregelen van Fourgeoud tot stand gekomen was, en waren
vooral ontevreden over zijne handelwijze met de bevredigde boschnegers,
die zij beleedigend voor de regering noemden; en--Fourgeoud beklaagde
zich over de ondankbaarheid der regering van Suriname, die zijne
goede diensten zoo slecht erkende; doch het vertrek had toch plaats
en den 1ste April 1778 verliet Fourgeoud met het overschot der
troepen--ongeveer 100 man van de 1200 die van tijd tot tijd naar
Suriname waren ingescheept--, [584] de kolonie tot groote vreugde
van Nepveu. [585] [586]

Én aan de expeditiën onder Fourgeoud én aan het wel bevestigde cordon
én aan den moed en ijver der leden van het vrijcorps, dat later nog
uitgebreid werd, kan men het toeschrijven, dat Suriname voor een
geruimen tijd van de aanvallen der wegloopers bevrijd bleef.

Als naweeën kan men noemen de ontzettende schulden last, waardoor
de belastingen tot een hoog bedrag moesten worden opgevoerd, die,
bij, den reeds vroeger geschetsten, droevigen geldelijken toestand,
moeijelijk door de ingezetenen konden worden gedragen.

Alleen bij het kantoor van den ontvanger der kas tegen de wegloopers
stond over de jaren 1773, 74 en 75 nog f 474,351.8.-- te betalen [587].

Directeuren der Sociëteit stelden, tot regeling der verwarde
finantiezaken, een Raad-Boekhouder-Generaal aan. Deze ambtenaar had in
die betrekking toegang tot alle kantoren der geldmiddelen en tot de
deliberatiën der beide Hoven. In de vergaderingen moest hij bij alle
zaken, die in betrekking tot de finantiën stonden, een prae-advies
uitbrengen; doch had slechts eene adviserende stem. Verder werd hij
gecommitteerd als derde houtvester, als derde commissaris van de wees-
en onbeheerde boedelskamer, en als derde commissaris van de kas tegen
de wegloopers: in deze collegiën had hij niet slechts een adviseerende,
maar een beslissende stem [588].

De directeuren der Sociëteit, die niet in staat waren om uit eigen
finantiën in den benarden toestand verbetering aan te brengen, wilden
echter de, door Gouverneur en Raden ter voorziening in den tijdelijken
nood, gecreëerde obligatiën ter somma van f 300,000; niet approberen,
maar zij wendden zich tot H.H. M. om ondersteuning [589].

H. H. M. beschikte gunstig op dit verzoek en reeds zeer spoedig
ontvingen zij het aandeel der provincie Holland, groot f 139,220:-,
[590] en betaalden hiervan in de eerste plaats eene som van f 52,500:-
aan de stad Amsterdam, voor drie jaren achterstallige renten, der
door haar ten behoeve van Suriname geleende f 700,000:-- [591].

Bij den tusschen Engeland en zijne Noord-Amerikaansche bezittingen
ontstanen oorlog leed Suriname veel overlast van de kapers der
beide natiën, die elkander tot onder het geschut van het Fort Nieuw
Amsterdam vervolgden. Op genoemd Fort was slechts eene bezetting van
66 man, waarvan nog die voor de redoutes moest worden afgetrokken:
ieder dier redoutes was bezet met 3 man en 1 corporaal [592].

In April 1778 was een oorlogsschip, onder bevel van kapitein de Hoeij,
voor Paramaribo gekomen, om des noodig zijne assistentie te verleenen,
maar tusschen de Hoeij en Nepveu hadden onaangenaamheden plaats,
die de zamenwerking zeer belemmerden. [593]

Met moeite had Nepveu van de Hoeij verkregen, dat 30 grenadiers van
het oorlogsschip de zwakke bezetting van het fort versterkten: 20 man
der Sociëteits-troepen werden hier bijgevoegd. Aan het meermalen door
den Gouverneur aan den kapitein herhaald verzoek, om met zijn schip aan
den mond der Suriname te gaan liggen, werd echter, onder verscheidene
»frivole" uitvlugten, niet voldaan. De Hoeij gaf een anderen raad,
namelijk, om een gewapende bark te stationneren, doch de opvolging
van dien raad was te kostbaar: »voor een kleyn vaartuigje, dat nog
weynig dienst kan doen, wordt f 10,000 gevraagd en dan nog moet het
geëquipeerd en bewaapend worden." [594] Men besloot eindelijk, om den
graaf van Bylandt, schout-bij-nacht, te St. Eustatius te verzoeken, een
gewapend vaartuig voor de »meest convenabelste prijs" te koopen [595].

Hevige ziekten braken ook in dezen tijd in Suriname uit. Voornamelijk
heerschten zij onder de soldaten; in het hospitaal alleen lagen 88
zieken, zoodat de posten bijna niet konden bezet worden.

Nepveu zelf werd in Junij 1778 ernstig ongesteld. Van tijd tot tijd
kwam er nog wel eenige verademing, zoodat hij zich nog eenigermate
met 's lands zaken kon bezig houden, doch geheel herstelde hij niet
meer. Telkens stortte hij op nieuw in [596]; de zwakte nam toe en
na een langdurig en smartelijk lijden, en na o. a. den nacht van den
26sten op den 27sten Februarij 1779 in de grootste ellende te hebben
doorgebragt, overleed Nepveu den 27sten Februarij, des morgens te half
acht ure, in den ouderdom van 59 jaren, 4 maanden en 29 dagen [597].

Nepveu, die in 1734 in de kolonie was gekomen en dus 45 jaren in
dezelve doorbragt, had vele betrekkingen doorgeloopen vóór hij tot
Gouverneur werd benoemd. Hij liet den roem na van met alle krachten
en met eene lofwaardige standvastigheid, zijne beste pogingen tot
het behoud van Suriname te hebben aangewend [598].

Tijdens het bestuur van Nepveu waren belangrijke gebeurtenissen
voorgevallen. De hevige spanning tusschen den Gouverneur en het Hof,
die ook nog tijdens het bestuur van Crommelin voortduurde en meermalen
tot ergerlijke tooneelen in den Raad en elders aanleiding gaven, was
verminderd. De onderlinge verhouding tusschen het hoogste Collegie,
het Hof van Policie en den Gouverneur was beter geworden. Wel was
er dikwijls verschil van gevoelen; krachtig werd er o.a. door de
Raden geprotesteerd tegen de uitvoering van het lievelingsplan van
den Gouverneur, het daarstellen van het cordon; maar toch ontstonden
hierdoor niet die hatelijkheden als onder Mauricius en Crommelin:
eenigzins meer parlementaire vormen werden in acht genomen.

Het ontbrak evenwel niet aan oppositie tegen den Gouverneur, doch
deze kwam nu meer van het Hof van Civiele Justitie. Genoemd Hof was
in het laatste tiental jaren zeer in belangrijkheid gerezen. Bij de
finantieele kwestien, die de geheele kolonie beroerden, hing veel
van de uitspraak en beslissing van het Hof van Civiele Justitie af.

De leden van hetzelf namen in invloed en aanzien toe, en gelijk
dit in Suriname meestal het geval was, daardoor ook in trotsheid en
eigenwaan. Vermaningen of teregtwijzingen van Gouverneur en Raden
werden met hoogheid ontvangen, men achtte zich hierdoor gekrenkt,
en--zij werden meermalen met heftigheid beantwoord.

Ook had Nepveu vele onaangenaamheden met den kolonel Fourgeoud. Die
beide mannen verstonden elkander niet. Nepveu vermeende, dat Fourgeoud
zich te veel magt en gezag aanmatigde, en Fourgeoud achtte zich door
Nepveu miskend en gedwarsboomd.

Kleingeestige verschillen over etiquette, rangregeling bij officieele
gelegenheden als: op feesten bij de verjaring van vorstelijke personen,
bij begravenissen van militaire of burgerlijke autoriteiten, ja zelfs
bij de ter aardebestelling van mevrouw Nepveu, veroorzaakten telkens
strijd en twist. Toen Fourgeoud tot groote blijdschap van Nepveu,
eindelijk de kolonie had verlaten vond dit zelfde weder plaats
met kapitein de Hoeij, gezagvoerder van het oorlogsschip, dat ter
bescherming der kolonie door HH. M. gezonden was. Hoe klein, hoe nietig
de oorzaken ook waren, toch sproten hieruit vele onaangenaamheden
voort en wij vinden er vele klagten over in Nepveu's dagboek, die
door hare bitterheid getuigden hoeveel verdriet ze Nepveu deden.

De droevige finantieele verwikkelingen en de later gevolgde strijd
met de wegloopers hadden de kolonie aan den rand des ondergangs
gebragt. De belangrijke invloed, die vooral eerstgenoemde op de
toekomst van Suriname uitoefende en waardoor als het ware een nieuwe
toestand werd geboren, maakt de periode van Nepveu's bestuur tot eene
der gewigtigste, en geeft haar eene treurige vermaardheid.

Als een lichtpunt in dat vele donkere moet de omstandigheid worden
aangemerkt, dat het eindelijk aan de trouwe waardige Moravische
broeders gelukte, toestemming te erlangen, tot verkondiging van
het Evangelie aan de slaven in Suriname. Nepveu was door de vele
uitgestrooide lasteringen tegen de broeders ingenomen geweest, doch
later van dit vooroordeel teruggekomen. De gewezen Gouverneur van
Berbice, Hogenheim, die zich in Suriname met er woon gevestigd had,
vertelde Nepveu veel goeds van de zendelingen. Hij had hen van nabij
in Berbice leeren kennen en was getroffen geworden door hun eenvoudig
en regt Christelijk gedrag.

Nepveu werd door deze goede getuigenis bewogen hunne bede, om den
slaven de boodschap des heils te verkondigen, toe te staan. Met
blijdschap werd hiervan door hen gebruik gemaakt en den 21sten Julij
1776 werd de eerste negerslaaf door de Moravische broeders gedoopt
en als lid der gemeente aangenomen.

De vruchten van dien rijkgezegenden arbeid der liefde werden weldra
gezien, meermalen zullen wij gelegenheid hebben er opmerkzaam op
te maken.

Kan Nepveu den roem niet worden onthouden van met alle kracht en
lofwaardige standvastigheid getracht te hebben, om een goed regent te
zijn; zijne vijanden echter beschuldigden hem van onopregtheid. Zij
schreven hem eene groote mate van slimheid toe en den naam van Vos
werd meermalen gebezigd om zijn karakter te kenmerken.

Wij willen deze beschuldiging niet overnemen, maar moeten wel
erkennen, dat hij, bij het streven om zijne plannen en denkbeelden te
verwezentlijken, niet altijd met duiven-opregtheid te werk ging. Soms
wel zocht hij zijn doel te bereiken door eene onjuiste of overdrevene
voorstelling van de zwakheden of dwalingen zijner tegenpartij. En
verder vermeten wij ons geen nader oordeel over den man, die een zoo
grooten strijd had te strijden.

Den Heere verblijve dat oordeel.



DERDE TIJDVAK.

ZESDE HOOFDSTUK.


    Van den dood van Nepveu (1779) tot de overgave der Kolonie aan de
    Engelschen (1804). Aanvaarding van het Bestuur door B. Texier;
    toestand van Suriname tijdens den Engelschen oorlog (1780-83);
    gebeurtenissen gedurende de Regering der Gouverneurs Wichers
    en Friderici; tusschenbestuur onder het protectoraat van den
    Koning van Engeland; korte regering van Beranger; invloed der
    revolutionaire begrippen in Nederland op den toestand in Suriname;
    letterkundige ontwikkeling in de Kolonie, enz., enz.


Den 28sten Februarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd,
als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den
overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard
Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij
aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van
de zijde van het Hof [599].

Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in 1763, reeds
gunstig onderscheiden [600]. In 1764 tot 2den Raad Fiscaal benoemd,
had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar
was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier
opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden;
doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem
in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw
ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en
vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich
dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier
goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief
Gouverneur den 12den November van hetzelfde jaar ontving hij vele
blijken van hartelijke deelneming [601].

Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig
man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de
grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden
noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig
krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der
geschiedenis verder blijken zal.

De strijd met de wegloopers heette geëindigd; het overschot der
hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni
had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne
teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,--doch dit gaf geen
waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der
kolonie.

Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen
de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden
telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig
verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op
zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen
en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Het corps negerjagers
verrigtte hierbij uitstekende diensten [602]. Texier liet de onder
Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij
zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven [603].

De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers
betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij
hielpen de kampen der wegloopers verwoesten [604]. De Aucaners
ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over
de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig
(meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag
reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien
geduchten naam trokken zij terug [605].

Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met
Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang
mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk
later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen [606]. De Aucaners
verklaarden: »dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen,
en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden
[607]". De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden,
wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni
verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen",
echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der
blanken moest strekken". Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien
vrede tot stand [608].

»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen", luidt eene merkwaardige
spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten. Die vrede tusschen
de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde
plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs
gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener
vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom
schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er
zijnen zegen toe." Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!

De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven
nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als
slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele
soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en
de posten kon men naauwelijks bezetten [609]. De dienst der militairen
werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt
onttrokken. De desertiën namen zeer toe [610].

»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden;
het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat
de stinkvogels er niet op azen wilden." Deze ziekte (zij schijnt van
eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder 't vee,
maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en
in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder
leggen." [611] Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte,
veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen
stierven. [612]

Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te
kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig
verwezentlijkt.

De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en
Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen
tijd geduurd. Wel was onze republiek nog onzijdig gebleven, doch reeds
onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche
kapers gehad.

De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek
van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang
der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs
niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze
critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te
ontblooten," wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit
Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden
zij den steven en verlieten de kolonie. [613]

Na hun vertrek kruisten de Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de
kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën
beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering
te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte
dan ook vele Amerikaansche schepen buit. [614]

In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi
uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk
aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden." »De
menschen schreeuwen en lamenteeren om brood, dat er bijna niet te
krijgen is, en 't weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen
worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en
andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk
getal zich ook de officieren bevinden." [615]

De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie
roggebrooden uit de Sociëteits-bakkerij mogt worden verstrekt, tegen
inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk
toegestaan.

Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen,
Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de
negen stuivers de bos te bekomen.

Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en
veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood...!" Zij
wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der
directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier
maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het
Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te
komen, 's wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de
burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.

Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisie zouden
binnenkomen [616]. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21sten
Maart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de
magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden
voor de kolonie.

Den 6den Maart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die
eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding
aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde
Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein
A. de Broek, commandant van 's lands oorlogsschip, die met drie op
de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had
den schipper Hermans bevolen, onmiddellijk naar Paramaribo terug te
keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijke gebeurtenis te
geven [617].

Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland
na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te
schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de
geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om
slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er
in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen
slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minder onmiddellijk in
betrokken werd.

Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien
tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was
opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding
van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier
was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.

Na het vertrek der oorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins
Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd
ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden
toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met 's lands fregat,
de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten
tijd vertoefd.

Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te
vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea
tegen vreemden overval te dekken [618]. Dat verwachte schip, onder
bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust
van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman
had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien [619]. Met veel
moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen [620];
het kwam den 9den Mei voor Paramaribo ten anker [621]; doch beide
schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.

Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefde
slechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao [622], maar tot
groote blijdschap van Texier kwamen den 4den Februarij 1781 twee
oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein
Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie
door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te
blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven,
kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het
Hof van Policie.

Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging
te nemen. Hij riep onmiddellijk het Hof bijeen; hield des morgens
eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de
officieren der krijgsmagt en der oorlogsschepen.

Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche
vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven
in arrest gebragt [623]. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast,
naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op
zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te
gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar
Paramaribo te zenden [624]. Den volgenden dag werd er eene expresse
over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den
Gouverneur te waarschuwen. Onmiddellijk werd er ook een begin gemaakt,
om het fort Nieuw Amsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend,
benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te
brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den
Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17 Julij 1747, toegekend;
hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als
oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche;
allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man
bezet [625].

Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde
hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des
gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten
ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene
heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen
klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf
zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan,
om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te
zijn [626].

Reeds den 9den Maart trokken de militairen uit het garnizoen te
Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie
sergeants, drie corporaals, drie tamboers en acht en dertig gemeenen
(de kleermakers hieronder begrepen) over [627]. Bij trommelslag werd
bekend gemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden f 100.--
handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De
matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent
de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen
waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de
lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers
waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen;
Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins [628].

De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche en
Saramaccaansche boschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en
veertig van hen werden op de redoute geplaatst [629]. Texier hield zoo
veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen,
ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw
nemen en de werklieden aansporen [630]. Met vertrouwen schreef hij
dan ook den 19den Maart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel
het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets
versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden" [631].

Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van
een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij
nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon,
den heer Smissaerd, waarin officieele mededeeling van het uitbreken
des oorlogs werd gegeven.

Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar
kon hij in 1/2 uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in 3/4
uur naar Paramaribo komen [632]; hij trachtte in alle takken van
bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond
hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd
inspectie op de schepen te nemen [633]. De ijver en zorg van Texier
droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.

Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen
vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der
bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding",
dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien
Hollandsche schepen hadden buit gemaakt [634].

Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had
Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit
Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte,
dat St. Eustatius door de Engelschen veroverd was en, dat Curaçao
door hen werd bedreigd [635]. Negentien Hollandsche matrozen, die
uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar
geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd [636].

Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan
de Engelschen was overgegeven [637]; eenige dagen later ontving men
hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo [638].

In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles
gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog
uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te
vormen [639]; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen
de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te
voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en
de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte
voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en
gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere
verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden,
die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden [640].

Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de
gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee
slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname
bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de
Motkreek buit gemaakt [641]; de communicatie en daardoor de toevoer
van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een
inval der vijanden verschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan
bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo
naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen
daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de
Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren,
bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op
den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede
zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten,
een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen
en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer
bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen [642].

In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij
Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige
Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd
[643].

Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid
tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het
vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins
zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met
den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden,
te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo
ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte,
dat de mogelijke kans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins
niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de
mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene
zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor
korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte
hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien [644].

Na de overgave der naburige koloniën aan de Engelschen kwamen er
gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen
dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigen ontvlugtten over land
en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden
den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen
uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst
aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst
gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer
op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat
zij »het getal eters" te sterk vermeerderden en er nog steeds groote
schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw
Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden
provisioneel als soldaten geëngageerd [645]. Algemeen getuigden de uit
Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen
aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot die koloniën
gemakkelijk zou kunnen veroveren, doch over iets dergelijks behoefde
men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging
zorgen. [646]

De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld
voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende
stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene
week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens
tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing
des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het
oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest
zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen [647]. In
Julij was het werk, niettegenstaande de genoemde belemmeringen, zoo
ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw
Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden [648].

In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis. [649] Texier hield
er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die
sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting
vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er
bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid. [650] Door een veertigtal
negers deed hij ook zoo goed mogelijk de Sociëteits-kostgrond, Voorburg
in orde brengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war;
er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen
toestand." [651]

Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel
bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen
trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te
trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven. [652] Nu bleek
het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden,
daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren. [653]

Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke
zout. Texier had reeds vroeger voor de Sociëteit willen
opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze
voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout
te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden
reeds f 75. [654]

Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam,
genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De
kwaliteit was vrij goed, doch de kosten liepen te hoog. De fabrikant,
die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij
werd gestaakt. [655]

Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en
bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers
openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk
veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en
door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na
onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede
diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping
te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed
was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit
corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk
liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici,
die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die
keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement
f 3000.-- erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te
handelen en op zijn tijd verhooging van rang. [656]

De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening,
dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige
meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden
gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,--doch droevig was het,
dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging. [657]

De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de
Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te
zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had,
indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele
blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd" zijn geworden--maar
bij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken
verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.

De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den
24sten December 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de
heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van
Martinique, op den 25sten November St. Eustatius heroverd en aan de
Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk,
was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche
vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden,
afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek van Rodney
nog niet betaald, doch later geïncasseerd waren; de ingezetenen, die
hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingen
onmiddellijk restitutie, terwijl het overige voor de afwezige
eigenaars bewaard bleef. [658] Ook Saba en Martin viel den Franschen in
handen. Den 22sten Januarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den
Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede,
dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en
daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen,
omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht
ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op
zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne
gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk
voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide
Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan,
om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend
voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering
der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz.,
enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary
en Essequebo, niet noodig te hebben, doch wilde die van Berbice wel
voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps
uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den
aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk
tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen
was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering
weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk
vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de
voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten
en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het
mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën
deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden,
dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de
eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van
weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven
der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe,
tot groote blijdschap van Texier. [659]

Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31sten Januarij,
door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche
Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid
aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten
hersteld waren [660]; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van
betere tijdingen verheugen. Den 6den Maart 1782 kwamen Indianen over
land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde
volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben
gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven. [661]

Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee
ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname
meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds
den 3den October 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch,
tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er
weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt. [662]
Den 28sten derzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met
plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30sten October
arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van
den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere
»zeer te pas komende goederen," dat 11, 15 en 16 November door andere
schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd. [663]

De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt
zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur
Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen
te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar
evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon
naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te
doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld
en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint,
ter besparing van kosten, provisiën mede. [664] Niettegenstaande
dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de
voorraad der levensmiddelen op de oorlogsschepen was bijna verteerd
en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.

Den 3den April 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimen tijd, een
Hollandsch schip ter anker voor Paramaribo. Het was uit Rotterdam
en bragt wel brieven voor particulieren, maar geen depêches voor den
Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere
tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij
klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met
de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate
voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden,
veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput;
door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en, bij
gebrek aan geneesmiddelen en ververschingen, de zieken van »miserie
moeten vergaan." [665] Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2den Mei
liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen,
en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek,
85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden
roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn,
1 dito genever en daarenboven diverse ammunitie: o. a. 2600 pond kruid;
andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in
Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een
schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading
o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de
heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen
het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,
gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door
wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en
de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood
eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te
verkoopen, mits betalende f 15 recognitie voor ieder slaaf. [666]

Eindelijk, den 10den Junij 1782, voer de lang verwachte vloot, de
rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en
dertien zoogenaamde Lettres de Marque. [667] Het gebrek was nu geweken,
en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed
van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke
vlag, met provisie geladen, den 14den September 1782 in Suriname
gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden
minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname,
om elders een voordeeliger markt op te zoeken. [668]

Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te
stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen
toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt
in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt [669], zoodat hunne vloot
thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber
telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney,
om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen
en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op
alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.

Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie,
minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit
1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had
Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er
heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden
en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De
voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten
lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van
hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline,
die vroeger »exactelijk geobserveerd" werd, lag geheel in duigen,
en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De
vrijwilligers van de Aucaner boschnegers, die op het fort waren
geplaatst, werden ook zoo »malcontent," dat zij weigerden langer te
dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms
een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de
bezetting van het cordon. [670] De hulp door de bemanning der Lettres
de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst
vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen) [671]
was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline; »er geschiedde
vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen,
gedroegen zich zeer »arrogant;" zij matigden zich veel gezag aan en
lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo
hooren en zien als verging." [672] In overleg met de kapiteins der
oorlogsschepen werd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.

Den 26sten October 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de
kolonie en werden geconvoyeerd door de oorlogsschepen de Thetis
en de Valk. [673] Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke
bescherming der oorlogsschepen beroofd zijn geweest, zoo niet 's lands
oorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein
van Raders, den 4den October 1782 voor Paramaribo was gekomen. [674]
Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter
te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur
te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering
van den mogelijk te verwachten vijand. Noch over ceremonieel, noch
over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die
anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog
twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde:
met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het
dringend verzoek van Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot
primo Maart 1783. [675]

Van Raders verliet den 3den Maart 1783 met zijn schip de kolonie en
nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque: [676]
doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar
nog in diezelfde maand, een ander Hollandsch oorlogsschip, (den 16den
Februarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins
van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot
den wapenstilstand met Engeland. [677] Het gevaar voor het oogenblik
was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen,
kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21sten Augustus ontving
Texier de officieele mededeeling van den Nederlandschen Gezant te
Parijs, den heer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden
waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen
kroon, [678] welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen
en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd. [679]

Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor de Sociëteit en
voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met
kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw
bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers,
doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal
Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had
Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle,
tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door
bedaardheid en overleg, was het aan Texier ook gelukt den vrede en
de eendragt, tusschen de officieren in dienst der Sociëteit en die
der door HH. MM. gezonden oorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit
met regt een zware taak mogt worden genoemd.

Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door
getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche
vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames
ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der
zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de
Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte
genomen.

Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd
worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron,
waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten. [680] Die onder
de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen,
maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd
Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld)
werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop
en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed
getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot
algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn
invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te
bewaren. [681] Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven
goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij
Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen,
ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering
waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren." De
talrijkheid der tot de Christelijke religie overgaande negerslaven
maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen
gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en
behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne
geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent,
met de Raden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid
toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het
volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is
te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot
het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die
geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een
groot onderscheid ten goede." [682]

Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad;
zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar
dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking
dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij
ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus
1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en
banken te laten prediken en allen naar de Luthersche kerk te gaan,
om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren." Hij liet
daarop den Lutherschen predikant bij zich komen en stelde hem voor,
ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te
prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag 's morgens
in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; 's middags in de
Luthersche kerk, en 's avonds weder in de Gereformeerde kerk in het
Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij
kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit
politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar
den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar
wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging
des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending
der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het
volgende:

In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie,
als recruten in Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede
getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien;
zij gedroegen zich dan ook uitmuntend, waarom Texier genoopt werd een
derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster
en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij
talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot
stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van
dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij
genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement"
eene gratificatie van f 400. [683]



Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December
1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap
tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd,
om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam
Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering,
die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk
bezocht. De heer Raad Fiscaal Wichers, president van het collegie,
hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden
lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig
gebied betrekking hebbende, voor. [684]

De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men
in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor
het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.

De oprigting van het Collegium Medicum, had mede onder het bestuur van
Texier plaats. Den 6den December 1778 en den 18den Mei 1781 waren in
het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijke discussiën
gevoerd; den 8sten Augustus 1781 werd een concept-instructie van 16
artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers
werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden
uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21sten Februarij 1782
onderging de instructie eenige wijzingen en werd de Taxa, waarnaar
de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen
vastgesteld. [685]

Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na
zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779)
eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle
gedistingueerde heeren en dames in de kolonie." Hij kwam hierdoor in
dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen
alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om
de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren. [686]

De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan
en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden
zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was, gesloopt. Vooral in
het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden [687]; den 18den
September 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvan hij
niet weder opstond; den 25sten September des namiddags ten twee uren
blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van 57
jaren, 1 maand en 7 dagen.

Voor zoo ver wij uit de officieele en andere bescheiden kunnen
oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en
die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels van het bewind over
Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne
voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens
den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij,
dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral
echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de
verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo
wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.

Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij
echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen, die van eene bezorgdheid
getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt;
die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent
de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke
vredebreuk met hen; doch--als vertegenwoordiger der blanke bevolking
in Suriname beschouwd--drukte Texier slechts haar gevoelen uit,
en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.

Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door
velen in Suriname hartelijk betreurd.

Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone
vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent
de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De
eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot
Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven,
daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was
evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad
en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan,
om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het
overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop
ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het
Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige
Raden van Politie en aanvaardde het bewind [688].

Den volgenden dag, den 26sten September 1783, werd het lijk van Texier,
met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van
dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte
van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu,
tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen
had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen,
en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde
tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene
beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven."

Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hof en
den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps
zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees,
volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting
voor den overledene" de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den
Interims-Gouverneur [689].

De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te
voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden,
verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo
opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te
celebreren" en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.

De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in
plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse
wijze daaromtrent remonstrantiën te doen, maakten verscheidene Joodsche
burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde
zelfs den heer Interims-Gouverneur."

Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging,
en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die
zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een
regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof--om het niet geheel
ongestraft te laten--bij resolutie van 15 December 1784 besloot:
de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de
wapenen te komen [690].

Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd
gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam,
en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15
Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken [691].

Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal
geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte
met die bekwaamheden in zijne nieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij
zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname
in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der
geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte
crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.

Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering
zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een
goeden weg in, namelijk: hij beproefde om door onderling overleg met
de ingezetenen gewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen
toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting
van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen,
die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.

In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met
elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen;
na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden
een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke
belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier
personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen
te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig
verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop
een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde,
dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij
hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk,
met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen [692].

Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten,
verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken
naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële
kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent
voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.

Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een
rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam; nam Beeldsnijder
Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der
kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren
Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den
lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder
Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees
hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger
bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende,
dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat,
zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze
de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon,
waarop hij het volgende voorstelde:

In plaats van 1000 stuks obligatiën à f 250.-- te verbranden, (waartoe
men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede
waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen)
ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te
Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes
6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën
in te ruilen en eerst daarna te verbranden [693]. Eenigzins gewijzigd
is hieraan gevolg gegeven.

Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen
door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den
31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste
behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters
aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke
waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door
te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld
op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde
bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien
Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen
ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars
6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschieters slechts 4
procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen
oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der
obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering,
zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.

Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid
aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij
grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het
Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur
en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en
H. H. M. toegezonden [694].

In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens
verwarring [695]. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was,
ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren
daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter
verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval
hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had
ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens
daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven
tot den arbeid aan 's lands werken voor de defensie der kolonie,
de vergoeding der in 's lands dienst overledenen aan hunne meesters
en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781-83
eene som van f 40,772.19 [696].

Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk
was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te
brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijne poging, om de
belangrijke vorderingen, die de sociëteit aan de koloniale kas had,
te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon
hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.

Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en
de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien
zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men
nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg [697].

Den 21sten November 1783 echter bragt een Hollandsch fregat de
officieele tijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen
Staat en de Engelsche Kroon den 2den September 1783 te Parijs geteekend
waren [698], en den 17 November 1784 ontving men de copie van het
definitieve vredestractaat [699].

De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit
oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een
anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de
teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district
Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié
hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd,
anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was,
volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en
vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste
bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en
zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons
de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was
maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen
hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo
hebt gij blanken ook met ons gehandeld" [700]; zoodat zij eenvoudig
de wet der wedervergelding toepasten. Een gedeelte van het vrijcorps
werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren
gevlogen." Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder
oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig
of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede
hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op
plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van
het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en
de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen
verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling
van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk
liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed
uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist
de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig,
doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf
ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens
de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.

In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden
zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene
door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de
dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder
voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden
besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen
en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden,
in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije
mulatten of negers te engageren tegen f 12.-- maandelijksche soldij,
het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien
een handgeld zouden ontvangen [701]. Ook namen eenige der Aucaansche
negers dienst bij dit corps.

Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt
door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men
hen goed verzorgde en billijke verzoeken toestond. Zoo werd ook van
tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering
geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek
meestal onder eenige restrictie toegestaan werd [702]. Ook kochten
zij soms bloedverwanten vrij [703] en sommigen verhieven zich tot
den rang van welgezeten burgers.

De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door
Nepveu opgerigt [704], voldeden minder goed en vond men hier dezelfde
ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken
bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.

De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden
was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.

Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane;
had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was
aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met
digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte
liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het
eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal
en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning", die door
Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd [705].

Deze woning, »Gouverneurs lust" geheeten, was met schoone
tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en
moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen,
bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden
en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de
onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden
en had een aangenaam voorkomen, dat echter getemperd werd indien men
een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven,
die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten,
om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.

Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door
kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar
te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij
mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan
gaven de directeuren het toch nog niet op.

In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het
Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op
allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen
zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder
Matroos liet nieuwe proeven nemen en een en ander werd in gereedheid
gebragt, waarvan de onkosten f 1874.5 bedroegen [706]; doch de nieuwe
proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een
kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin
tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen
enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten,
die naar Paramaribo terugkeerde.

Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek
aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze
gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder
Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op
zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin
aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en
twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met
huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam
's avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon
vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke
welvaart; men verdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs
nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door
HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond
er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,"
besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering
van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne
toestemmen--maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden [707].

Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid
in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen
Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën
door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels
voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte
was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk
voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een
hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen,
daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee
muilezels en waarbij twee à drie slaven als voerlieden dienden, men
meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien
last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan
ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur [708].

Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds
Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten
omtrent verwikkelingen en mogelijke vredebreuk tusschen onzen staat
en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid
en maatregelen van voorzorg [709]; maar milder begrippen omtrent den
handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:

In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missive overgezonden
van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut
in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop
door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd
verzocht. Genoemde heer had aan de W. I. Sociëteit voorstellen tot
een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie
te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor
hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken
melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo
magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne
schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij
verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf
verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie
voor de planters en de Sociëteit zouden voortvloeijen, enz. Gouverneur
en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan
voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te
verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven
[710]: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.

Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive
van HH. directeuren van den 17den December 1783, betreffende het
permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen
en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog
vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van
den 23sten April 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en
gealtereerd worden [711]. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren
geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel
van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene
Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden
wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er
sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en
overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verboden goederen
met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen
maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te
belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden:
dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken,
maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen
hinderpalen in den weg te leggen [712].

Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling
van het verzenden der brieven en depêches naar Berbice, Demerary
en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig;
soms werden brieven of depêches door de Indianen overgebragt; soms
belastten zich de schippers, die van de eene naar de andere plaats
voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men
soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van
den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald:
dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven
van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen;
behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit 's lands
kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice
naar Suriname f 30.-- en voor de terugreis f 10.-- [713].

Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de
luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester
H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen
te leeren, tegen eene belooning van f 400.-- 's jaars en voor ieder
leerling daarenboven 1/2 riem papier, 1 1/2 bottel inkt en 4 bos pennen
[714].

De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond
was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat
brengen en van een planken vloer voorzien [715]. En niet slechts
zorgde Beeldsnijder Matroos voor de intellectueele belangen der
soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens
verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn
bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten [716]. Wie
echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren
niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden
zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde:
hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie" en zijn
spoedig aftreden »een geluk voor de natie" [717]. Zij respecteerden
en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden
van Policie moesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig
verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen
de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het
liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur
[718]. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de
Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar
zijnen wil leiden kon.

Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag
der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de
teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden
Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding
dier benoeming was den 1sten December 1784 te Suriname aangekomen,
en 21 dagen later, den 22sten December 1784, zeilde het Hollandsche
fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer
Wichers bevond, die den 24sten December het bestuur van Beeldsnijder
Matroos overnam [719].

De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bij dergelijke
gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge
achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers
als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de
zaken had bestuurd [720].

De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van
Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend
en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid
alom waar te nemen" zich veel achting had verworven, werd zijne
terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal,
over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den
Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd,
en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16den Maart 1785
aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname
kwam beschijnen;" de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden
van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die
men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.

Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en
hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke
als religieuse toegeschreven.

Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen
toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent
eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de
ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen
als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen
als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde
verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ook zwakheden en
gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der
omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te
schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.

Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging
ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik
op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde
kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen,
waaruit wij kunnen putten, de acta's van het Conventus Deputatorum,
werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde
slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan
het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie
jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd [721].

Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge
twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk
hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder
eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich
aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen
in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen;
hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden." Aan
HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken,
opdat het Hof hiertegen waken kon [722].

Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet
van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met
ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der
slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger
op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden
vindt men een berigt als wij lezen in de acta van het Conventus van
1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den
Christelijken godsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst
Messias" [723].

De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar
gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter
geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het
kerkgebouw verviel en werd later gesloopt [724].

In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld
door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van
Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.

Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij
1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen
door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor
gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant
dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo
beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en
Cottica sedert onvervuld bleef [725]).

Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten
geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie
predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na
zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek
den 29sten Januarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1sten
Februarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat:
»hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel
verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest,
dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept
te worden" [726]. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig
getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een
opregt Evangelie-dienaar konden worden toegelegd; zijn overlijden is
een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn"
[727].

Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de
predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen;
terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de
overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in
1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde
(Waalsche) gemeente geweest.

De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de
vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven
aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte
der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden
de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de
onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De
Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van
Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan
en eene jaarlijksche subsidie van f 3000 verleend, die in 1789 tot
f 5000 werd verhoogd [728].

Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden,
vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo
ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het
ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie"; het
toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel
verkwisting [729].

Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de
notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat
de diaconiale kas »deerlijk in de war" was [730].



De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.

In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen
eener jaarlijksche belasting van f 600, tot onderhoud van het
hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741
begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche
predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz. 200). Sedert
dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten
gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende;
anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad
ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van
predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo
goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling,
die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte
te stichtten.

Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in
Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen
geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en
cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte
der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.

In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht,
in Suriname en hield zijne intreerede den 28sten November 1784.

Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname
godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op
verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente,
de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan,
na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het
scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende
vaartuigen werd beantwoord [731].

De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster
enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het
onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van
f 600.-- aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een
aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land,
groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt
tot het aanleggen van eene koffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der
gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen
en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven
werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege
eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins
deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het
oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan
om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken;
doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.

Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging
daarvan, in 1758 eene som van f 8000.-- op hypotheek te nemen bij
den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter,
en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten
deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van f 25,000.--
en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd
waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer
Broen competerende saldo was geklommen tot f 74,745.--. Op verzoek
van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude
hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage
van 5/8 der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand
Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene
waarde van f 149,900.-- (de hypotheek bedroeg alzoo f 93,182.10).

Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen
aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een
voorschot van f 400.-- te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie
in kleine aandeelen van f 150.--, f 200.--, f 300-- en f 500.--
à 4 procent 's jaars daargesteld, waarin voor f 7000.-- deelgenomen
werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze
gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven
voor de plantaadje [732].

Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den
hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering
in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de
plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.

Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling
van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de
Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien
hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten
koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter
geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André,
schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den
heer Broen, verliepen nog eenige jaren [733].

De drukkende belasting van 's jaarlijks f 600.-- aan 's Rijks-Hospitaal
uit te keeren was in 1768 voor eene som van f 8000.-- afgekocht. Men
was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den
oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene
middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de
kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op
den dag der plaatsing werd f 700.-- voor het onderhoud er van
gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken;
gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch
gingen de finantiën achteruit.

De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten
veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel
over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname
wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk
kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.

Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen
(twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig
deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten,
wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen
droevigen staat mede.

Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal
behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds
toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten
brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De
Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785,
tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het
jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis
te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot
geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.

Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde
in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig
rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om
eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande,
ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het
Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en
daarop werd dit verzoek gewezen van de hand [734].

Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen;
daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd
nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof
op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men
zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving
bij HH. Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788
alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:

1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een
voorgenomen adres aan HH. Directeuren der Sociëteit om ondersteuning;

2o. Eene driemaandelijksche toelage van f 1500.--, bij wijze van
leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.

Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den
11den Augustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede,
na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit
van den 21sten derzelfde maand, gewezen van de hand.

Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige
commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden
zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij
zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden
commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden
voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder
moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven
van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of
zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur
werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de
in- en opgezetenen gedaan [735].



De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De
Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en
niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd
deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren
liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In
Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den
Gouverneur met het verzoek, om een door hen aangewezen stuk grond
aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente
af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der
plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de
vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de
waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een
ander geschikte grond geschonken en--men verwachtte veel goeds van
de vestiging der Morarische broeders [736].

Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen
opmerken [737].



De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen
pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst
openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren
die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.

Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de
belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden
zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der
kolonie Suriname [738] gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname,
om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen. Het
Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive,
daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt:
»In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele
vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer
hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur
en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan,
echter onder de volgende restrictiën:

1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn
mag dan te Paramaribo;

2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een
gewoon burgerhuis;

3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van
wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de
kolonie kunnen worden weggezonden;

4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op
straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;

5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;

6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;

7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen,
hunne kerk gesloten worde;

8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en
bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland,
omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.

Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en
bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten [739].

Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren;
want toen dezen later het 6de artikel, waarbij verboden werd,
dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden
uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden
Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot
hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit
politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden
te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die
onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden
kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden
geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het
grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye
geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te
compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald,
omtrent oft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis,
die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen."

Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef
en niet zou worden uitgebreid [740]; gelijk dan ook dienovereenkomstig
is geschied.

In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne
hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst
zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen
gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot
eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo
Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.

Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd,
onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der
beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en
woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk
groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden
bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken
hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën,
die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.

De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering
der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en
begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt [741].

Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde
jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed
den 10den November 1787 [742]; doch reeds in het begin van 1788 kwam
de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.

Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering,
zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de
eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot
aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging
hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden
op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk
geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de
Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg
dragen [743].



Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel
verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die
bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden [744],
zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen
op kerkelijk gebied.

Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene
kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling
was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door
H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren der sociëteit
in 1754 bekrachtigd [745]. De behoefte naar veranderingen deed zich
thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop
sterk aan.

De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de
algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie
der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8sten Maart 1785,
waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie
werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het
bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover
naar zijne wijsheid oordeelen mogt [746]." Wichers ontving alzoo
»de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen
als hij tot reforme en redres onder de Portugeesche Joodsche natie,
zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth' Usantiën, costumen als
finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden" [747].

Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader
was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de
Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten
dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van
reforme of redres te beramen," het getal der Regenten te vergrooten
en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald,
in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg
en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis
van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld
plan van reforme uit te werken." Zeven Regenten werden toen voor drie
en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe
Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den
Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor
te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe
instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan
de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en
vervolgens goedgekeurd te worden." Dit geschiedde in gepaste orde en
met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur
aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren
zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd [748].

Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig
jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden
Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd
(zie bladz. 72) en den 12den October 1785 werd het eeuwfeest dier
stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste
leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die
de natie daaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd,
als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van
1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken,
vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken,
enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden
voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte)
het feest besloot [749].

Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk
aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts
een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en
vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De
natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz. 313, 14,
15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden,
die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven
van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon;
doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks
het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de
viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen
van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig
staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane
bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren
deelgenooten van de kleine danspartijen en andere vreugdebedrijven door
de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid,
die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er
werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van
vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen
en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder
doodsch en treurig [750].

Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden,
bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de
Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën,
die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten;
grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.;
en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen,
welke goede opbrengsten gaven.

Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend
gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste
gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de
behoeftigen.

De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de
verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische
gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in
Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne
Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen
der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging
hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van
zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in
het geheel geen bedelaars onder hen op 's Heeren straten aantrof [751].

Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht
duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente
nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden,
als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven;
de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten,
grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de
zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging
van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd
ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed
[752].

Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee
plannen tot het houden van loterijen gevormd; eene van f 50,000.-- en
eene van f 30,000.--. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën
voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie
het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden,
dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,--»doch geene meer,
voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo
nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben,
als dit in Europa het geval was" [753]. (Zonderlinge redenering.)

Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het
in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied
in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de
oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen
wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers
der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.

»Misschien," redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche
wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich
zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als
in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige
geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet
naar hetgeen hij 't best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse
zijner ziele."

Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener
Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap
zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in
Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis,
waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken,
scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten," voegde hij er bij,
»aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de
volmaakste eensgezindheid."

Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een jood van groote
belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit;
zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde
godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier
dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn
eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was
in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was,
de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon
een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna
overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan [754].

Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de
verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij
alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding
van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te
gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen
over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig
het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die
hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is
een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts
wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam
jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis
aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.



Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets
nader beschouwen.

De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius
volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden
opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid
beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken
aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden,
hun vaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden
de lust voor letterkunde aldaar aan.

Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard,
tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers,
toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz. 383)
en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef
hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering
gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen
en bediscussieerd.

De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk
de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische
waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte
der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen,
de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.

De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de
wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit
genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische,
chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite,
om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen,
en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene
dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname
geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg
aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te
begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander
kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij
Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool
door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij
inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij
dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp
in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid
er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren [755].

Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien
de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan
hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en
een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch
het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust [756].

Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan
een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van
de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot
beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde
correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van
wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele
boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.

De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de
geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere
liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene
bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij
destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene
groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde
nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren
bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige
voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te
rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur."

Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16den Februarij
1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit
stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was
ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog,
de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde
maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als
het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te
leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte en
schromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de
oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te
brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken,
en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken
tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd
en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden."

Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van
een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid
en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap,
wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der
menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er
minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van
publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek
in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden,
benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.

Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen
worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als
voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche
en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en
ook over wijsbegeerte.

De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden,
en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om
lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de
onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van
beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder,
na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden
toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den
25sten Februarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne
goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine
aanmerkingen maakte. [757]

Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker
leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud
van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland
ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen [758].

Een ander collegie onder den naam van Surinaamsche lettervrienden
werd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche
dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn
smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden
getoetst en verbeterd werd [759]. Jaarlijks werden te Paramaribo een of
twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie
gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel "Surinaamsche
mengelpoëzij" heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van
politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap
[760].

In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende
deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste
reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium
geklaagd over het licentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een
dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de "uitspanningen der
Surinaamsche lettervrienden." In dit vers getiteld: "de Wijsgeer op
zijn sterfbedde, door N. C. L." kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden
voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk;
waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze
zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg
waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende,
geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het
Hof gesproken was, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der
gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze
keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen,
dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door
hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was,
vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo
[761]. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert
dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen: Licentieus boekdrukken.

In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den
titel van "Surinaamsche Spectator" bij de wed. J. Tresson, Junior,
een periodiek werk werd uitgegeven, "dat", zoo luidde zijne aanklagt,
"er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte
termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en
omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten
onbetamelijk waren."

Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem
waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent "eenige
uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare
godsdienst." Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de
wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde
bepaald te onthouden [762].

Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken,
dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder
Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was,
dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen;
er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme
zich daarvan geene te groote verwachtingen. "De letteren," merken
schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: "maakten
in Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs
verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel
moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van
letterkunde te hooren spreken; 't welk dikwijls te weeg bragt, dat op
de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame
leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite
gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen" [763].

De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als
wij dat op bladz. 181 enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten
worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In
de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend
worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot
vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot
vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht;
speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen,
bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.

Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er
echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes,
die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht,
vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.

In de behandeling der slaven was weinig verbetering te bespeuren. De
revolutionaire vrijheidskoorts, van Frankrijk ook in Suriname
overgebragt, had daarop geen invloed. Wel waren de meeste blanken
ijverige aanhangers der revolutionaire begrippen van dien tijd,
doch vertraden de eerste en heiligste regten hunner donker gekleurde
natuurgenooten met de voeten; zij schreeuwden voor zich zelven om
eene onbestaanbare vrijheid en handhaafden tegelijk de gruwelijkste
slavernij; men--maar wij vervolgen de geschiedenis.



Bij de beschouwing van den kerkelijken toestand en de armverzorging
te dier tijde in Suriname, en bij het vermelden van de letterkundige
ontwikkeling, zagen wij Wichers reeds hier en daar handelende
optreden. Wij hadden meermalen gelegenheid om op te merken, dat
de lofspraak, hem kwistig in de Historische proeve en ook elders
toegezwaaid, niet onverdiend was.

Vooral sprong hierbij in het oog de hem toegeschrevene deugd van
verdraagzaamheid, waarvan hij verscheidene bewijzen gaf. Bij de door de
Roomsch-Catholieken toch verzochte vrijheid tot openlijke uitoefening
hunner eeredienst, had de stem en voorspraak van Wichers in het Hof
grooten invloed op de gereede toestemming van dat verzoek. Ook de
Luthersche gemeente wilde hij gaarne in den nood, waarin haar armenkas
verkeerde, helpen, en diende haar met goeden raad. Dat die raad,
niettegenstaande de Luthersche gemeente dien opvolgde, niet baatte,
lag niet aan Wichers, daar de Boekhouder-Generaal niet te bewegen
was, om een gunstig advies op haar rekwest om subsidie uit te brengen
(zie bladz. 414), en overeenkomstig dit advies werd tegen den wensch
van Wichers, genoemd rekwest gewezen van de hand. De Hernhutters en
hun arbeid nam Wichers welwillend in bescherming. Den Joden, door
onderlinge twisten verdeeld, weigerde hij geene medewerking om hunne
instellingen te regelen, en het door hen in hem getoonde vertrouwen
beantwoordde hij door met ijver hunne zaken ter hand te nemen en tot
een vrij goed einde te brengen.

Die verdraagzaamheid had echter hare grens: streng werd door Wichers
de ongodsdienstige strekking van sommigen, gedurende zijne regering,
in Suriname uitgekomen, geschriften gegispt en hiertegen maatregelen
verordend. In het politieke scheen hij geen wrijving van gedachten
te schuwen, want niettegenstaande de reeds vermelde klagt van den
Raad-Fiscaal over de Surinaamsche Spectator, vinden wij geene berigten
eener nadere vervolging.

De liefde van Wichers voor de fraaije letteren deed hem de daartoe
eenigzins in de Kolonie ontwaakten lust aanmoedigen: terwijl de
waarheid der bewering: dat hij een kundig en verlicht man was, door
zijne andere handelingen, tijdens hij het bewind over Suriname voerde,
bevestigd werd.



Suriname genoot na het eindigen van den oorlog met Engeland eene
betrekkelijke rust. Daar er echter eenige vrees voor het uitbreken van
vijandelijkheden tusschen onze republiek en den Keizer van Oostenrijk
bestond, werd het garnizoen op het fort Nieuw Amsterdam vrij voltallig
gehouden en een paar gewapende schepen op die hoogte in de rivier
geposteerd [764]. Later werden de gemoederen weder verontrust door
de uit Europa overgebragte tijdingen omtrent eene tusschen Engeland
en Frankrijk te verwachten vredebreuk; waardoor de kolonie Suriname,
zoo tusschen beider bezittingen gelegen, ligt in ongelegenheid zou
kunnen geraken; waarom dan ook eenige voorzorgen niet overbodig werden
geacht [765]. De komst van Fransche schepen, die depêches van den
Gouverneur van Cayenne overbragten, werd toen met een wantrouwend oog
aangezien [766]; terwijl ook de houding van het Fransche Gouvernement
dier kolonie, ten opzigte der Bonni-negers, dit wantrouwen versterkte
[767]. Het geschil tusschen Oostenrijk en onze republiek, bepaalde zich
tot Europa en had geen dadelijke nadeelige gevolgen voor Suriname; de
verwikkelingen tusschen Engeland en Frankrijk, waarbij ons vaderland
werd betrokken, strekten zich onder de regering van Wichers nog niet
tot Suriname uit. Wichers had alzoo gedurende zijn bestuur geen inval
van buitenlandsche vijanden te wederstaan; de vaart werd niet gestremd
zoo als onder Texier; men behoefde niet als toen vrees voor een door
die stremming veroorzaakte hongersnood te koesteren en men kon alzoo
aan de overige belangen der kolonie meer zorg wijden.

Van die betrekkelijke rust werd dan ook door Wichers gebruik
gemaakt, om door gepaste maatregelen de cultuur te bevorderen en
den gezondheidstoestand te verbeteren. Aan de Mot-, Matappica-
en Warappakreeken werden van tijd tot tijd plantaadjes aangelegd,
voornamelijk ter bebouwing van katoen. Digt gewassen kreupelhout
belette echter de weldadige werking der zeelucht, belemmerde de cultuur
en was van nadeeligen invloed op den gezondheidstoestand. Wichers liet
hierom veel hout omhouwen en deze openkappingen, die den frisschen
zeewind vrij spel gaven, waardoor de lucht werd afgekoeld, begunstigde
de cultuur en verbeterde den gezondheidstoestand [768].

Een landbouwkundig genootschap, dat in Suriname werd opgerigt,
genoot zeer de gunst en bescherming van den Gouverneur. Hij
woonde soms deszelfs vergaderingen bij en verleende gaarne zijne
voorspraak bij heeren Directeuren om goedkeuring op hunne pogingen
tot wetenschappelijke behandeling van den landbouw te erlangen [769].

Echter ging de landbouw niet vooruit; vele plantaadjes werden verlaten:
door gebrek aan de benoodigde slavenmagt, waarover bittere klagten
werden aangeheven [770], door het gemis aan het onontbeerlijk kapitaal,
de afwezigheid der eigenaren en door vele andere oorzaken.

Gedurig werden plantaadjes voor schuld aan den hypotheekhouder verkocht
en telkens vindt men in de notulen gewag gemaakt van aanzoeken tot het
Hof, om ontheffing van de verschuldigde 3 pCt. transportkosten. (Dit
werd meestal toegestaan, totdat de Boekhouder-Generaal hiertegen
opkwam en daarna wees het Hof dergelijke verzoeken meermalen van de
hand [771].)

In 1789 en 90 rees de waarde der producten. De prijs die jaarlijks werd
vastgesteld, waarvan de 5 pCt. belasting moest worden betaald, was in
1789 het vat suiker f 90, het pond heele koffij 9 stuivers, gebroken
dito 7 stuivers, schoone katoen het pond 18 stuivers, vuile dito 10
stuivers, cacao het pond 4 stuivers. In 1790 werd de prijs der suiker
tot f 100 per vat gebragt. Sommige planters trachtten deze voordeelen
nog te vergrooten door suikervaten te doen vervaardigen, waarin soms
1300 pond werd geladen; men wilde alzoo de verhoogde belasting ontgaan,
doch de Boekhouder-Generaal protesteerde tegen deze kwade practijken
en verzocht hiertegen voorziening [772]. Deze voordeelen waren echter
niet in staat het toenemende verval te wederhouden; behalve de reeds
meermalen genoemde oorzaken, werkten ook andere omstandigheden,
die wij later zullen vermelden, hiertoe mede.

Gingen de plantaadjes achteruit, de stad Paramaribo nam echter voor
het uiterlijke zeer in bloei toe. Bij een plan tot straatverlichting,
in de notulen opgenomen, werden 230 lantaarnen noodig geacht, waaruit
reeds eenigermate de uitgestrektheid der stad blijkt. Het getal
huizen werd hierbij opgegeven 1776 te bedragen, dus ongeveer 700 meer
dan Teenstra en Sypensteyn vermelden [773]. Die straatverlichting
kwam echter niet tot stand en nog heden heerscht bij avond en nacht
duisternis op Paramaribo's straten. Om den voortdurenden aanwas der
bevolking te gemoet te komen, werd door Wichers den grond gelegd voor
eene voorstad of buitenwijk. Het Combé (een aloude Indiaansche naam),
gelegen tusschen de stad en het fort Zeelandia, werd daartoe uitgemeten
en in erven en tuinen verdeeld [774].

Wichers liet het Gouvernementshuis verfraaijen en van eene beneden
galerij voorzien [775]; doch openbare gebouwen werden onder zijn
bestuur niet opgerigt. Een houten gebouw voor eene vischmarkt toch,
kan men bijna niet als zoodanig noemen. Evenwel was het eene goede
zaak; er werd nu een verbod uitgevaardigd, om elders in de stad
visch te verkoopen en de walgelijke overblijfsels van den visch,
die vroeger hier en daar werden nedergeworpen, verpesten niet
langer de lucht door onaangename reuk; terwijl nu tevens een beter
toezigt op de hoedanigheid van den aangeboden visch kon worden
uitgeoefend. Zindelijkheid en gezondheid werden alzoo beide hierdoor
bevorderd [776].

De behoefte aan eene inrigting ter verpleging van Boassie-zieken,
afgezonderd van alle anderen, was reeds sedert lang in de kolonie
gevoeld. Bij het heerschen der kinderpokken in 1764 was in de
nabijheid der stad Paramaribo wel tijdelijk een gebouw opgerigt
(zie bladz. 274), waar de lijders aan die epidemie moesten worden
verpleegd; doch dit ligt getimmerd gebouw kwam spoedig in verval en
werd geheel ongeschikt tot het opnemen van zieken. Het was hoogst
wenschelijk, eene dergelijke inrigting tot stand te brengen, want
jaarlijks breidde zich die vreesselijke Boassie uit. Ook nu werd
deze zaak in het Hof op nieuw herhaaldelijk ter sprake gebragt en
in Augustus 1786 werd daarover eene missive aan H. H. Directeuren
gezonden [777]. De kerkeraad der Luthersche gemeente drong mede op
het nemen van afdoende maatregelen aan; hij verzocht, om voor de
door Boassie besmette armen, die zich tot de Diaconie der Luthersche
gemeente vervoegden, een plaats aan te wijzen, waar zij afgezonderd
van anderen konden worden verpleegd. Ofschoon de armenkas in slechten
toestand verkeerde, (zie bladz. 405) bood de kerkeraad echter aan,
om hiervoor, naar evenredigheid, uit die kas bij te dragen [778].

Het duurde, niettegenstaande herhaalden drang, nog een geruimen tijd
vóór hieraan gevolg werd gegeven. Eindelijk in 1790 bragt de Raad van
Policie Becker een ontwerp ter tafel, dat breedvoerig bediscussieerd
en met eenige wijzigingen aangenomen werd [779].

Nog in hetzelfde jaar, doch reeds na het vertrek van Wichers, werd een
etablissement »Voorzorg" geheeten, in Saramacca, daartoe aangewezen,
provisioneel voor slaven, doch hetwelk, volgens later te maken
bepalingen, ook voor blanke lijders zou kunnen dienen; de opzigter
werd f 600 traktement, rantsoen, schrijfbehoeften toegekend [780].

Werd er alzoo eenige voorziening gebragt in de verzorging der slaven,
die aan de Boassie leden, het was minder om hun lot te verzachten,
dan wel om gevreesde besmetting voor te komen. Verbetering van het lot
des slaafs was geene zaak, die de harten of hoofden der kolonisten
bezig hield, en een man als P. F. Roos, die der vrijheid bezong, en
o. a. in zijn vers »Suriname verheerlijkt," in kreupeldicht aandringt,
»om tempelen der vrijheid gewijd op te rigten," verheugt zich,
eenige regelen lager, in het vooruitziet: »dat Africa op nieuw voor
Nederland een magazijn van kloeke slaven zal wezen" [781]. De verzen
van dien door velen gevierden man, vloeijen over van allerlei schampere
aanmerkingen jegens de arme negers: hij (de vrijheidsvriend?) keurt
het ten hoogste af en is zeer verontwaardigd, indien zij den arbeid
weigeren, omdat zij noch voedsel, noch kleeding ontvangen [782].

Wichers wordt door sommige schrijvers (Stedman en andere) geprezen,
dat hij ook jegens de slaven menschlievendheid betoonde, doch behalve
het feit, dat hij een neger (Apollo, weglooper van La Bonne Amitie)
door het Hof ter dood veroordeeld, die straf kwijt schold en hem in
plaats daarvan in boeijen aan 's landswerken liet arbeiden [783],
vinden wij in de officieele bescheiden hiervan weinig vermeld. De
vreesselijke straffen jegens de slaven bleven in volle kracht; in
Augustus 1787 werd ook de wreede en onmenschelijke straf, het afzetten
van een been onder de knie, weder toegepast op den neger Jakje [784].

Dat Wichers òf in het algemeene vooroordeel van dien tijd omtrent de
behandeling der slaven deelde, òf dat hij geen zedelijke kracht genoeg
had om hier tegen te getuigen, is ons niet volkomen duidelijk. Aan
welke oorzaken dit dan moet worden toegeschreven beslissen wij niet;
maar zeker is het, dat de vermelding van het volgende, een pijnlijken
indruk op vele lezers zal maken:

Bij mondelinge overeenkomst met de bevredigde boschnegers was
bepaald, dat de weggeloopen slaven, die door hen gevangen en aan
de regering werden overgeleverd, niet met den dood gestraft, maar
slechts veroordeeld zouden worden, om, in boeijen, voor het land aan
de forten of op het Cordon te arbeiden [785]; de meester ontving voor
het gemis van den arbeid zijns slaafs f 200.-- restitutie uit de kas
tegen de wegloopers. Het niet voltrekken der doodstraf aan de gevangen
genomen wegloopers maakte wel geen artikel van het met de boschnegers
gesloten vredesverdrag uit, maar was aan dezen op dringend verzoek
later toegestemd en tot 1788 getrouw nageleefd. Toen echter werd die
belofte ingetrokken, daar men vermeende: »dat het wegloopen hierdoor
werd aangemoedigd" en het Hof besloot, dat voortaan de weggeloopen
slaven, die door de boschnegers gevangen en aan de regering werden
overgeleverd, op dezelfde wijze als anderen zouden worden gestraft
[786].

Het wegloopen nam evenwel gestadig toe en de aanvallen der Marrons
op de plantaadjes herhaalden zich telkens [787]. De meeste diensten
ter beteugeling huns overmoeds werden door het vrijcorps verrigt, en
terwijl men dit moest erkennen, wenschte men er dan ook de uitbreiding
van; doch het bezwaar hiertegen lag in de groote kosten, die vereischt
werden tot de vorming en het onderhoud van dit corps. Voornamelijk
door de uitgaven hiertoe benoodigd en door die van het aanleggen van
het Cordon was er een te kort in de kas tegen de wegloopers ontstaan,
tot welks dekking men schulden had moeten aangaan: de stad Amsterdam
alleen had een voorschot gedaan van f 700,000.-- en heeren Directeuren
f 719,314.-- [788]. Die schuld te vermeerderen was niet raadzaam;
de belasting op de producten te verhoogen had ook vele bezwaren, en
toch het vrijcorps moest ten minste in stand worden gehouden. Wichers
stelde hiertoe aan het Hof voor: om de vroegere belasting van f 1,--
hoofdgeld voor ieder persoon (vrije of slaaf), die sedert eenige jaren
afgeschaft was, weder in te voeren; daarenboven als nieuwe belasting te
verordenen dat ieder slaaf, die voortaan met de vrijheid zou worden
begiftigd, hiervoor f 100.-- aan de kas tegen de wegloopers zou
betalen en ieder slavin f 50.--. De te manumitteeren slaven konden,
indien zij hiertoe geschiktheid bezaten, door driejarige dienst bij
het vrijcorps, van het betalen dier genoemde som worden vrijgesteld
[789]. Wichers vermeende (zoo drukte hij zich uit), dat de vrijheid een
zoo kostbaar geschenk was, dat hij, die dezelve ontving, gaarne eene
dergelijke som zou willen betalen, of zich tot eene vrijwillige dienst
bij het vrijcorps verbinden; maar Wichers bedacht ongetwijfeld niet,
dat er eene groote onbillijkheid en onregtvaardigheid in gelegen was,
om den arme bij een eindelijk toekennen van natuurlijke, doch lang
onthouden regten, hiervoor nog te laten betalen. Dergelijke redenen
golden te dier tijde weinig; het Hof vond de beide voorstellen van
Wichers zeer aannemelijk; HH. Directeuren schonken er hunne toestemming
aan en ze werden in resolutiën geconverteerd [790].

De geldkwestie heeft steeds ongunstig op de vrijmaking der slaven
gewerkt; niet slechts deed zij in het hier genoemde op nieuw
onbillijkheden begaan; zij oefende ook een noodlottigen invloed
uit op het kwijten eener schuld jegens de kleurlingslaven, welks
grootheid men eenigermate had beginnen te gevoelen. De kleurlingslaaf
was nog ongelukkiger dan de negerslaaf. Uit gemengd bloed gesproten,
van zwakker ligchaamsgestel, was hij voor den zwaren arbeid minder
dan de negers geschikt. Viel die arbeid hem zwaar, dubbel pijnlijk
troffen hem de vernederingen en beleedigingen, die hij als slaaf
moest verdragen; want ook in zijne aderen stroomde het bloed zijner
vaderen. En trilde de vader van verontwaardiging bij de geringste
aanranding zijner vrijheid; diens kind moest lijden en zwijgen, zelfs
de bij grofste schending, en zijn medelotgenoot, de zwarte negerslaaf,
beschouwde den kleurlingmakker met wantrouwen.

In 1781, onder den wakkeren Texier, was eene commissie benoemd om:
zoo mogelijk maatregelen te beramen, ten einde kinderen, gesproten uit
gemengde geslachten, den schat der vrijheid te bezorgen. Die commissie
hield vergaderingen, discussiën, bragt verslag uit en--dit duurde tot
1790--eindelijk werd door het Hof besloten de zaak provisioneel te
laten rusten: 's lands finantiën lieten niet toe, om den koopprijs
aan de eigenaren te betalen; het was moeijelijk, om daarenboven die
kinderen eene goede opvoeding te doen erlangen, en--men troostte zich
hiermede: dat er door de vaders dier kinderen meermalen brieven van
manumissie werden aangevraagd [791].

Zij die door hunne ontvlugting zich zelven de vrijheid hadden
verworven; die tot behoud daarvan een strijd met Europesche soldaten
niet hadden geschroomd en slechts door den moed van het vrijcorps
gedwongen waren geworden de kolonie te verlaten, en over de Marowijne
een veilig toevlugtsoord te zoeken, bragten nog meermalen vrees en
schrik in de kolonie. De Marrons, die met hun opperhoofd Bonni, den
man van gemengd bloed, in 1776 over de Marowijne waren getrokken,
hadden zich eenigen tijd rustig gehouden, doch in de laatste tijden
weder van zich doen hooren en de kolonisten door enkele strooptogten
verontrust. Die onrust bij de kolonisten werd vermeerderd door
geruchten omtrent eene dubbelzinnige houding van het Fransche
Gouvernement van Cayenne, dat toch schijnbaar in vriendschap met
het onze verkeerde. Er kwamen namelijk klagten over verstandhouding
tusschen dat Gouvernement en de Bonni-negers; men verhaalde dat zij
er door van allerlei gereedschappen en ook oorlogsbehoeften werden
voorzien, ja dat er sprake van was, dat eenige Franschen zich bij hen
zouden vestigen. Zelfs de Aucaner-boschnegers, (onze bondgenooten)
waren hierover niet geheel zonder ongerustheid [792].

Het Gouvernement van Suriname besloot op zijne hoede te zijn en
trachtte in de eerste plaats het wantrouwen der Aucaners tegen Bonni
te vermeerderen, om van die zijde steun te erlangen en ten tweede
versterkte men het vrijcorps, om in staat te zijn de gevreesde
aanvallen, zoo mogelijk, te keeren.

Men hield een wakend oog en het bleef nog eenigen tijd vrij rustig;
Bonni verschalkte hen echter. In Augustus 1788 berigtte de Joodsche
Burgerkapitein, dat er een gerucht liep: »een gedeelte der bende van
Bonni was over de Marowijne getrokken en bedreigde de plantaadjes"
[793]. Nog bleef het een wijle stil; zou het een onwaar en valsch
gerucht zijn geweest? Neen! weldra werd het bevestigd; daar klinkt
eensklaps de droevige mare door de kolonie: De mannen van Bonni hebben
de plantaadje Clarenbeek aangevallen den blankofficier gedood, vier
soldaten gekwetst, het grootste gedeelte der slavenmagt medegenomen
en als gevangene den directeur Merle [794].

Vooral dit laatste bragt eene algemeene schrik teweeg; men stelde
zich in de kolonie voor, dat Bonni de Merle onder des uitgezochtste
martelingen zou doen sterven. Bonni deed echter niet alzoo; hij
behandelde de Merle goed en wilde hem, blijkens een brief door dezen,
aan eenige vrienden in Paramaribo, geschreven, tegen een behoorlijke
losprijs vrijgeven [795].

Wat nu te doen? Bonni vervolgde zijne strooptogten en achtervolgens
werden nog drie plantaadjes door hem overvallen. De nood steeg; er
moest met kracht worden gehandeld. De dappere Friderici, de bekwame
opperbevelhebber van het vrijcorps, was in 1785 tot hoofdofficier
bij de troepen der kolonie en Inspecteur der linie van defensie
benoemd; niettegenstaande zijne werkzaamheden hierdoor zeer waren
vermeerderd en men hem alzoo een officier tot eigenlijken chef van het
vrijcorps had moeten toevoegen, was hij echter in naam chef gebleven
(voorzigtigheidshalve, omdat hij er zoo zeer bij bemind was). [796]

Friderici, die beter dan iemand anders in staat was over de waarde
van het vrijcorps te oordeelen, verwachtte van deszelfs diensten bij
eene geregelde expeditie tegen Bonni, de beste resultaten. [797]

Hij stelde voor met gezegd korps offensief te handelen en tot dekking
daarvan eene goede militaire post aan de Marowijne te plaatsen. Om
den aanval met kracht te kunnen doorzetten, wenschte hij het vrijcorps
onmiddellijk te versterken, door aankoop van schutternegers. Het Hof
kon zich hiermede in theorie wel vereenigen, maar--het ontbrak aan
genoegzame soldaten en aan geld tot aankoop »van schutternegers"--men
zou zich alzoo tot verdedigings-maatregelen moeten bepalen [798].

Aan de Marowijne werd een militaire post, uit soldaten en een groot
gedeelte van het vrijcorps bestaande, opgerigt. Zoo ver klom de
stoutmoedigheid van Bonni, dat hij met zijne bende den 5den November
1789 hierop een aanval beproefde. De eerste conducteur van het
vrijcorps Stoelman en zijne onderhebbende manschappen weerden zich
echter zoo dapper, dat de aanval mislukte en de Marrons de vlugt
moesten nemen. [799]

Bonni en zijne mannen hadden hunne dooden en gekwetsten medegevoerd en
zich op een der talrijke eilanden in de Marowijne terug getrokken. Hen
hier te vervolgen had vele moeijelijkheden, maar wat moed of beleid
niet vermogt, werd door verraad gemakkelijk gemaakt. Bij Bonni bevond
zich een neger, Ascaan genaamd, zijn onderhoofdman die zijn vertrouwen
genoot. Deze neger echter was een verrader, hij verliet Bonni,
kwam tot de Aucaners en gaf zijn voornemen te kennen om de blanken
te dienen, terwijl hij, als bewijs zijner goede trouw, zijne vrouw
en een zoon als gijzelaars aan hun wilde overlaten. Dit voorstel,
der regering aangeboden, werd gretig door haar aangenomen. Door den
verrader geleid gelukte het op den 30sten April 1790 Bonni's dorp,
Aroukoe op een eiland in de Marowijne gelegen, te overvallen. Bonni
bood dapperen wederstand, maar van verscheiden zijden aangetast
moest hij wijken. De Marrons leden groote verliezen: zes negerinnen
vielen den overwinnaars in handen. Van Merle, die nog altijd door
Bonni als gijzelaar werd gehouden, had zich gedurende het gevecht
in een Birri Birrimoeras verborgen en werd daar door kapitein Kremer
gevonden. Na de vlugtenden zoo veel mogelijk afbreuk te hebben gedaan,
liet men de verdere vervolging voor het oogenblik varen, en keerde
met vreugdegejuich naar Paramaribo terug. [800]

Ascaan ontving tot loon voor zijn verraad, de vrijheid,
onderofficiers-gagie en f 100 douceur.

Hoewel een groot gedeelte van Bonni's bende ontkwam, was echter zijne
kracht gebroken; kommer, ellende en hongersnood waren voortaan het
deel zijner mannen. Bonni was niet langer gevaarlijk voor de kolonie.

De bekende tegenstander der Marrons, de vrijneger Quassy, was in
Mei 1787 in hoogen ouderdom overleden. [801] Deze merkwaardige man,
die getrouw aan de blanken, evenwel een buitengewonen invloed op
zijne zwarte landslieden bezat, welke hem voor een Obia-man, een
toovenaar ja voor een godheid aanzagen, was reeds door Mauricius tot
onderhandelingen met de Marrons gebruikt. De vijanden van Mauricius
hadden zijn trouw verdacht gemaakt, doch de uitkomst heeft geleerd,
dat deze beschuldigingen valsch waren en meermalen werden van zijne
goede diensten door opvolgende Gouverneurs gebruik gemaakt. [802]
Hij had dikwijls belooningen van Gouverneurs en Raden ontvangen;
de Prins van Oranje had hem een fraaijen met goud gegallonneerden
rok en punthoed, benevens een gouden gedenkpenning geschonken. In de
laatste jaren woonde hij in een goed huis te Paramaribo, hetwelk hem,
benevens het gebruik van een paar slaven tot zijne dienst, kosteloos,
door de regering ten gebruike was afgestaan. In 1730 had hij den
geneeskrachtigen wortel, die sedert naar hem Quassy-hout genoemd is,
ontdekt. Door die ontdekking en de gunsten welke hij van de regering
genoot, had hij zich groote rijkdommen kunnen vergaderen, doch een
ongebonden zedeloos leven was zijn ongeluk. [803]

Den 10den November 1785 had de bijzonderheid plaats, dat op de rivier
Suriname een eenmast vaartuig arriveerde, met slechts één eenigen
persoon J. Schakfort, bemand, komende van Londen, laatstelijk van
l'Orient (eene zeestad met 17,800 inwoners, in het Fransche departement
Mortriban, aan de baai port Louis en den mond der Scarpe), van waar
het den 6den Julij 1785 vertrokken was, hebbende niets dan krijt tot
lading [804].

Buitengewone voorvallen als groote branden, zware ziekten, enz. vielen
tijdens het bestuur van Wichers niet voor; alleen werd er op den dag
zijner aankomst, den 22sten November 1784, eene ligte aardschudding
waargenomen, welke echter evenmin als die twee jaren later, den 21
Julij 1787, plaats vond, eenige schade veroorzaakte [805].

Wichers genoot groote eere en onderscheiding van zijne meesters,
de Directeuren en Regeerders der Kolonie. Op hun verzoek ook werd
door H. H. M., bij Resolutie van 7 Maart 1785, hem den rang van
Generaal-Majoor bij de troepen van den Staat toegekend. Door deze
rangsverhooging (de vorige Gouverneurs waren slechts kolonels) werd
dan ook de titel van WelEdelGestrenge in dien van HoogEdelGestrenge
veranderd. Die benoeming was den meesten Surinamers aangenaam en bij
de daaropgevolgde felicitaties werd hem veel hartelijkheid betoond
[806]. Wichers was vrij algemeen bemind en de verhouding met de beide
Hoven was zeer vriendelijk en welwillend, In de laatste jaren van
zijn verblijf kwamen er echter weder moeijelijkheden. Het begeven
van ambten door den Gouverneur alléén, tot welks begeving het Hof
oordeelde mede regt te hebben, was gelijk meermalen weder eene bron
van onaangenaamheden [807]. Voornamelijk evenwel kwam er verschil over
de ten uitvoerlegging van een besluit van HH. Directeuren betreffende
de weeskamer.

Het departement der weeskamer liet steeds veel te wenschen over. Door
verscheidene Gouverneurs waren er wel verbeteringen beproefd, doch zij
hadden weinig gebaat. Ook Wichers had veranderingen aangebragt. Het
tractement der Weesmeesters was door hem van f 3500 tot f 4000
verhoogd, terwijl dan de provisiën aan de kas en niet aan Weesmeesters
vervielen. [808] Radicale verbetering bleef echter noodig. Directeuren
wenschten eene nieuwe Wees-Curatele en onbeheerde Boedelskamer op
te rigten en zonden daartoe een instructie aan Gouverneur en Raden,
waarbij zij tevens sterk aandrongen, dat deze zaak spoedig tot
stand kwam. [809] Hun wil was bepaald uitgedrukt en toen sommige
Raden hier tegen eene sterke oppositie vormden, wenschte Wichers,
dat men, vóór alle dingen gehoorzaamde en daarna beklag deed. De
oppositie was echter zoo krachtig, dat de zaak voor het oogenblik werd
uitgesteld. [810] Directeuren lieten zich hierdoor niet afschrikken
en in November van hetzelfde jaar kwam er een uitdrukkelijk bevel,
dat, ongeacht de bezwaren van sommige Raden, de, den 30sten Julij
1788 in vergadering van HH. Directeuren en Regeerders vastgestelde,
Instructie en Ordonnantie voor de nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde
Boedelskamer der Kolonie Suriname in werking moest worden gebragt. Dit
geschiedde; drie Weesmeesters en Curators werden aangesteld, de twee
oudste op een tractement van f 5000, de jongste op f 4000; terwijl
twee Raden van Policie met het toezigt werden belast [811]. Drie
leden der oppositie leverden een protest in; Wichers liet dat stuk (65
bladzijden fijn geschreven), om hen genoegen te doen, in de notulen
opnemen; Wichers trachtte verzoening te bewerken door o. a. aan twee
leden der oppositie het toezigt op te dragen, doch dezen, de heeren
Wolf en Frouin, weigerden echter, en legden kort na het vertrek van
Wichers hun ambt als Raden van Policie neder en getroosten zich,
om gewillig de f 6000 boete te betalen [812].

Behalve de onaangenaamheden hieruit ontstaan, kwamen er ook klagten
over de aanmatigingen der door Wichers aangestelde Joodsche Regenten,
hetwelk hem mede veel verdriet veroorzaakte.

Wichers verlangde naar eenige ontspanning en misschien ook wel
wenschte hij in Holland een en ander nader te bespreken. Hij verzocht
verlof om een reis naar het vaderland te mogen doen, wat hem werd
toegestaan. Den 11den Junij 1790 deelde hij dit in de vergadering
van het Hof mede en nam van hetzelve een hartelijk afscheid. Tot
zijn plaatsvervanger, bij zijne afwezigheid, was door Directeuren
benoemd, de heer Jurriaan François Friderici. Deze heer was reeds
een maand te voren, ter vergelding van zijn betoonden vlijt en ijver
door HH. Directeuren benoemd tot Commandeur en eersten Raad van het
Hof van Policie [813]. Hij zou dezelfde magt als een Gouverneur ad
Interim hebben, de gewone eed van getrouwheid moest in zijne handen
worden afgelegd--doch de plegtige installatie achterwege blijven.

Twee dagen later vertrok Wichers naar zijne plantaadje, digt bij
Paramaribo; ging den volgende dag den 14 Junij 1790 scheep op het
fregatschip de Standvastigheid, kapitein Bosman Prahl en aanvaardde de
reis naar Nederland [814]. Hij keerde echter niet naar Suriname terug.

Uit het medegedeelde zal men de vroeger gemaakte opmerking moeten
toestemmen, dat Wichers onmiskenbare verdiensten had en onder de
beste Gouverneurs van Suriname kan worden gerekend, doch dat de lof,
dat hij tegen de gruwelijke behandeling der slaven, met allen ijver,
zou hebben gewaakt, onverdiend was.

Friderici, de dappere Friderici, werd algemeen geacht en door het
vrijcorps als een vader bemind. Men zag het alzoo met genoegen, dat bij
het vertrek van Wichers, aan Friderici het bestuur der kolonie werd
toevertrouwd. Hij aanvaardde dit echter niet onder den gewonen titel
van Gouverneur ad Interim, maar als Commandeur die »verder door de
Edele Groot Achtbare Heeren Directeuren en Regeerders der opgemelde
colonie geauthoriseerd was, omme het Gouvernement, geduurende het
verlof van den Gouverneur-Generaal Wichers waar te nemen."

De gewone eed van getrouwheid werd alzoo wel door de civiele en
militaire authoriteiten aan Friderici gedaan, doch de plegtige
installatie bleef achterwege. Ruim twee jaren bleef hij onder dezen
titel de kolonie besturen en altijd nog bleef men de terugkomst van
Wichers verwachten. In eene vergadering van het Hof van Policie
den 8sten Maart 1792 echter legde Friderici eene missive van
H. H. Directeuren van 30 November 1791, over, waarbij kennis werd
gegeven, dat Wichers zijne demissie als Gouverneur-Generaal had erlangd
[815].

Nadat men hiervan zekerheid had bekomen, hoopte men dat Friderici
definitief als Gouverneur zou worden aangesteld. Die hoop werd niet
teleurgesteld.

Den 7den Augustus deszelfden jaars, de verjaardag van H. K. H. de
Princes van Oranje, gaf Friderici op de parade mededeeling van zijne
aanstelling als Gouverneur-Generaal der kolonie Suriname. Op den
24sten Augustus 1792, de verjaardag van den Erfprins van Oranje (later
Koning Willem I), werd hij als zoodanig plegtig geïnstalleerd [816]. In
December 1798 ontving hij zijne benoeming als Generaal-Majoor.

De gewone feesten als parade, gastmaal, bal enz. bleven niet
achterwege; terwijl ook daarenboven het huis van den heer Raad van
Policie Stolkert en van andere particulieren inwoners der kolonie,
mitsgaders twee op de reede liggende schepen, met de wapens van
Friderici en toepasselijke bijschriften prijkten en prachtig waren
geïllumineerd.

Nog verscheidene dagen lang duurden de feestelijkheden, die eindelijk
den 13den Augustus werden besloten met een brillant souper aan het
Gouvernementshuis van 250 couverts, gevolgd door een bal, dat tot
's morgens 1/2 6 ure werd voortgezet [817].

Zooveel mogelijk trachtte Friderici bij voor hem en voor de
kolonie belangrijke gebeurtenissen, die hij wenschte te vieren,
die feestviering te doen plaats hebben op die dagen, waarop een der
leden van het vorstelijk geslacht verjaarde, en steeds werden die
herinneringsdagen door hem met luister herdacht, want Friderici was
een warm voorstander van het Huis van Oranje.

Friderici ging in dezen niet mede met den tijdgeest, die meer en meer
de banden, die ons Vaderland aan Oranje verbonden, vaneen trachtte
te rijten.

De beginselen der Fransche vrijdenkers, die de revolutie in Frankrijk
te voorschijn riepen, waardoor een braaf vorst boeten moest voor de
misdrijven zijner voorgangers en waardoor de ongebreidelde hartstogten
der volkeren in beweging werden gebragt, hadden ook in ons Vaderland
verdervend gewerkt; ook aldaar waren de gemoederen verhit en door
allerlei drogredenen was het eene partij gelukt om Neêrlands volk van
Oranje te vervreemden. De invloed dier beginselen werd ook in Suriname
gevoeld en hierdoor ontstonden verwikkelingen, die noodlottige gevolgen
voor de kolonie na zich sleepte, welke Friderici niet kon verhoeden.

De algemeene toestand van Suriname was bij den aanvang der regering
van Friderici niet zoo geheel ongunstig te noemen, als eenige jaren
vroeger. Friderici was door en door met de koloniale belangen bekend
en een ijverig voorstander van landbouw en industrie; men hoopte,
dat onder zijn wijs en voorzigtig bestuur de kolonie tot meerderen
bloei en meerdere welvaart zou geraken. Die hoop nog werd vermeerderd
door het stijgen der prijzen van de koloniale producten, en hoewel
de schaarschte aan geld zich nog wel pijnlijk deed gevoelen, en er
nog gedurig plantaadjes in handen der hypotheekhouders voor schuld
overgingen--troostte men zich met de betere vooruitzigten.

Suriname was nog steeds eene belangrijke kolonie: volgens authentieke
opgaaf van 1791 telde zij 591 plantaadjes, onder welke 46 waren,
die aan de Joden toebehoorden. Wel zijn onder dat getal van ongeveer
600 plantaadjes ook begrepen de kleine kostgronden, aan welke bijna
de naam van plantaadje niet toekwam, doch de uitvoer bewees dat men
de kolonie niet gering moest achten; hij bedroeg in 1790 ruim 15,000
tot 20,000 okshoofden suiker, terwijl de belastbare waarde van een
oxhoofd suiker tot f 200 was gestegen [818]. Verscheidene keeren
vindt men gewag gemaakt van pogingen om de daarvan aan de Sociëteit te
betalen belasting te ontduiken of ter sluiks suiker en andere verboden
producten met Amerikaansche schepen te vervoeren [819]. Soms werden
er belangrijke aanhalingen gedaan: o. a. in October 1791 werd door
den Raad Fiscaal een pont met suiker, cacao, koffij enz. geladen, in
beslag genomen, beneden de redoute Purmerend en voor een Amerikaansch
schip bestemd. De netto opbrengst der geconfisceerde goederen bedroeg
f 8251,12.10 2/3 [820].

De bevolking der kolonie werd in 1791 begroot op:


                                                          Zielen.

Christenen,           Blanken op de plantaadjes            1,080
                      Blanken te Paramaribo                  950
Portugesche Joden,    op de plantaadjes en Joden Savane      250
                      in de stad Paramaribo                  620
Hoogduitsche Joden,   op de plantaadjes                       30
                      in de stad Paramaribo                  430
Mulatten en vrije negers                                   1,760
Slaven,               op de plantaadjes                   45,000
                      in de stad Paramaribo                8,000 [821]


De aanvoer der slaven was in de laatste jaren mede toegenomen, echter
werden er steeds hooge prijzen besteed [822], want de slavenmagt--zoo
zij niet gestadig werd aangevuld--nam af, zoo ten gevolge van hevige
ziekten als door uitputting en door wegloopen.

Hield het wegloopen der slaven nog steeds aan, de vrees voor hunne
aanvallen op de plantaadjes was veel verminderd sedert den slag bij
Aroukoe, waar Bonni een zoo groot verlies was toegebragt. Bonni
had zijne kracht verloren; vele zijner volgelingen verlieten hem
of vielen in handen der aan de Marowyne geposteerde krijgsmagt,
die van daar verscheidene expeditiën deed. In September 1791 werd
o. a. onder bevel van den Luitenant-kolonel Beutler, een aanval op
de bende van Bonni beproefd, die met eene overwinning van onze zijde
eindigde waarvoor de genoemde Kolonel den 1sten Januarij 1792, wegens
»zijn gehouden conduite" op de parade met eene eeredegen werd beloond
[823]. In December 1791 liepen 3 vrouwen en 1 jongen van Bonni weg;
in Maart, April en Mei 1792 werden verscheidene overloopers en
gevangenen van zijne bende te Paramaribo opgebragt [824]. Bonni
wenschte zelf vrede te maken en had kort na den slag bij Aroukoe
daartoe pogingen aangewend; men had dit niet geheel afgeslagen, [825]
doch voornamelijk om hierdoor het terrein beter te verkennen en tijd
te winnen en tevens wantrouwen tusschen hem en de Aucaners, die zich
onzijdig wilden houden, te verwekken [826]. Dit gelukte, en terwijl den
Aucaners hun eenigermate dubbelzinnig gedrag werd vergeven, trachtte
men hen tegen Bonni op te hitsen, en vorderde als een bewijs hunner
goede gezindheid, dat zij onze troepen zouden ondersteunen. Indien men
let op vele de krachten, die in het werk werden gesteld, om een man,
die reeds door zoo velen verlaten was en die thans met zijne weinige
getrouwen in kommer en ellende doorbragt en vaak honger en gebrek moest
lijden, geheel ten onder te brengen, dan moet men tot de overtuiging
komen, dat Bonni geen gewoon man was, maar iemand die onder andere
omstandigheden als een held en onversaagd verdediger der regten zijner
landslieden zou beschouwd zijn geworden. Die Mulat was een moedig man
en toen men hem bijna als geheel verslagen achtte, gaf hij op nieuw
een schitterend bewijs van dien moed. In Augustus 1792 tastte zijn
zoon Agouroe het dorp der Aucaners, Anderblaauw, aan en nam o. a. de
beide blanke soldaten, die aldaar de post van bijleggers vervulden, als
gevangenen mede [827]. Nu echter had hij zich de Aucaners tot geslagen
vijanden gemaakt en weldra boden 72 strijdbare mannen onder hen aan,
om eene expeditie naar het dorp van Bonni te ondernemen. Gaarne nam
het Gouvernement die krachtige hulp aan en in Februarij 1792 trokken
zij onder aanvoering van hun opperhoofd Bambi op weg, om Bonni te
overvallen [828]. Die expeditie bereikte volkomen het voorgestelde
doel. Bonni werd overrompeld en daar hij zich moedig verdedigde,
door Bambi gedood. Het zelfde lot onderging zijne onderbevelhebbers
Cormantijn Cojo, Paedje en nog tien andere negers; zes en dertig zoo
vrouwen als kinderen werden levend gevangen. De Aucaners maakten verder
een vrij belangrijk buit aan ammunitie, corjalen, gereedschappen enz:
door het omslaan der corjalen, waarin dit alles was geladen, op de
klippen, werd slechts een klein gedeelte hiervan in Paramaribo gebragt
[829]. Er heerschte groote vreugde over dezen uitslag der expeditie en
in de buitengewone vergadering van het Hof, werd Friderici verzocht, om
den Aucaners eene goede belooning hiervoor te geven; ook werd dankbaar
de diensten erkend, die de Gouverneur in dezen nu en vroeger door
zijne goed overlegde maatregelen had bewezen en hem verzocht een dag
te bepalen, waarop hij de plegtige felicitatie zou kunnen verwachten.

Tevens werd besloten om de aan de Marowyne commandeerenden Officier
Zegelaar te belasten, om een detachement uit te zenden, ten einde de
door Bonni en Cormantyn Cojo nieuw aangelegde kostgronden te verwoesten
en de ontvlugte, hier en daar verstrooide Bonni-negers te vangen of
te dooden [830].

Zoo was dan eindelijk de gevreesde Bonni gedood en de vrees voor
de gestadige aanvallen zijner bende geweken. Men achtte zich in
Suriname zoo veilig, dat, toen Directeuren en Regeerders der kolonie
bij het vernemen van den slavenopstand op St. Domingo, besloten twee
oorlogsschepen naar Suriname te zenden, ten einde de volkplanters bij
een dergelijke gebeurtenis de noodige bescherming te verleenen, er in
het Hof besloten werd om aan Directeuren en Regeerders te berigten,
dan men dergelijke hulp niet noodig had [831], en toen eenige dagen
later de luitenant Verheuil, met 's Lands oorlogsbrik, de Pijl vóór
de stad Paramaribo arriveerde, om de aangeboden hulp te verleenen,
bedankte men hem beleefdelijk, waarop hij koers zette naar Berbice
[832].

Kort na de optrede van Friderici in het bestuur, hadden er geruchten
geloopen omtrent vijandelijkheden tusschen Engeland en Spanje. Bij de
mogelijkheid, dat Suriname daar in op de een of andere wijze betrokken
zou kunnen worden, was men op zijne hoede geweest en het oorlogsfregat
de Eensgezindheid bleef toen ter beveiliging der kolonie op de reede
voor Paramaribo [833]; daar latere tijdingen gunstiger luidden, verliet
genoemd fregat de kolonie [834]; en men dacht zich nu ongestoord aan
de bevordering van landbouw en handel te kunnen overgeven.

Friderici wenschte ook de armverzorging op een beteren voet te brengen,
daar zij, niettegenstaande de telkens vermeerderende subsidiën,
zeer veel te wenschen overliet. Vooral was het slecht bestuur van
het Gereformeerd Diaconiehuis eene zaak, die noodwendig voorziening
behoefde. Er werd daarom op zijn voorstel eene commissie door het Hof
benoemd, om een en ander behoorlijk te onderzoeken. Die commissie
bragt in de vergadering van 28 December 1790 verslag uit van den
staat van het Gereformeerde Diaconiehuis. Dit verslag luidde o. a.:
»men moet verbaesd staan over de slegte ordre, welke in onze Diaconie
is heerschende en welke allengskens door een quaade gewoonte hand
over hand is toegenoomen, en welke van den beginne af aan, had moeten
teegegaan zijn, bij aldien een yder dat wie met soo veel sorgvuldigheyd
toezigt van deese aan de soo veel kostende staat is toevertrouwd en
aanbevoolen, op 't ernstigst zig deese zaak ter herte hadde genoomen."

Er werd--omdat men geene verbetering te gemoet zag indien het
Diaconie-huis onder het beheer van den kerkeraad bleef--besloten, om
aan HH. Directeuren voor te stellen dit gesticht onmiddellijk onder
toezigt van het Hof te brengen. [835] De Directeuren konden zich,
volgens hunne missive in December 1791 ontvangen, zeer goed met dit
voorstel vereenigen [836] en daarop werd deze zaak ten einde gebragt.

Het bestuur werd opgedragen aan vier door het Hof te benoemen regenten;
het toezigt berustte bij twee commissarissen (Raden van Policie);
de binnenvader en moeder ontvingen als vast tractement f 1500
's jaars. Zij waren gehouden de nieuwe reglementen getrouw na te
leven. [837]

Men was hiertoe zoo veel te eerder nog overgegaan, daar het
langzamerhand ook eenigermate het karakter van Gereformeerd diakonie-,
wees- en armhuis had verloren. De knapen werden ter opvoeding naar
Amsterdam gezonden (van de meisjes vindt men geen gewag gemaakt); oude
of gebrekkelijke lieden van andere geloofsbelijdenissen werden er ook
opgenomen. De Luthersche gemeente toch, die nog geen tijding op hare
aanvraag om hulp van directeuren had ontvangen, had verklaard buiten
staat te zijn, om hare armen langer te verzorgen en daarop was besloten
(zonder consequentie voor het vervolg) eenige armen der Luthersche
gemeente in het Gereformeerde diaconiehuis op te nemen [838].

De Katholieken hadden nog geen gevolg gegeven aan hunne belofte in
December 1788 gedaan, om, overeenkomstig artikel 3 der voorwaarden op
hunne toelating gesteld, hunne eigene armen te verzorgen [839]. Men
had dus ook provisioneel eenig Roomsche armen in het Gereformeerd
Diaconie-huis opgenomen--en de pastoor Eeltjes verzocht in Augustus
1791, dat men wilde voortgaan, met die aldaar te verplegen, want het
was hun onmogelijk het zelf te doen. Als bewijs dezer onmogelijkheid
deelde hij mede, dat de geheele ontvangst zoo uit het vaderland als
van diverse personen in de kolonie over 1790 hadden bedragen eene som
van f 6185 : 17 : 8--welke som door de uitgaven overschreden was; tot
30 Junij 1791 bedroegen de ontvangsten f 2836 : 4 : 8 en beliepen de
uitgaven reeds f 2717 : 8, terwijl er aan den apotheker nog te betalen
bleef f 83 : 10 en toch men had de meest mogelijke zuinigheid in acht
genomen; zelfs den pastoor, die op f 2600 tractement was beroepen,
had zich te vreden gesteld met slechts f1500--te ontvangen. Het Hof
stond hierop het verzoek toe, dat men nog een jaar op deze wijze zou
voortgaan, doch dat men, indien dan nog niet door de Roomsch-Catholieke
gemeente voldaan werd aan art. 5, men overeenkomstig het bepaalde
bij artikel 7 de kerk zou doen sluiten [840].

In een volgend jaar werd echter op herhaald verzoek op nieuw een jaar
uitstel verleend; men zou voortgaan met de Roomsch-Catholieke armen
in het Diakonie-huis op te nemen, doch de Roomsch-Catholieke gemeente
nam de verpligting op zich eenige alimentatie-kosten te betalen [841],
doch ook aan deze verpligtingen konden zij niet voldoen [842].

Hadden de Diaconen door hun slecht beheer oorzaak gegeven, dat
de zaak zoo ver was gekomen--zij wilden dit echter niet erkennen
en protesteerden op hoogen toon tegen deze--zoo als zij het
noemden--schennis hunner regten; de kerkeraad trok gedeeltelijk hunne
partij en op sommigen vergaderingen vielen hevige tooneelen voor en
werden de Commissarissen van het Hof beleedigd. Friderici ging echter
voort en vermaande ernstig de predikanten, die niet beter de orde in
de vergaderingen wisten te handhaven [843].

Het etablissement voor de Boassie-lijders aan de Saramacca, Voorzorg
genaamd, voldeed ook vrij goed aan zijne bestemming en telkens werden
de lijders--niet slechts slaven maar ook armen vrije negers, mulatten
en blanken er op overgebragt [844].

Van de betrekkelijke rust in de kolonie wilde Friderici ook gebruik
maken, om de kas tegen de wegloopers, waarin een groot te kort was, in
beteren staat te brengen, waartoe een concept voor een nieuw reglement
in het Hof van Policie werd ingebragt en bediscussieerd. [845] Daar
volgens dit ontwerp de belasting zou worden verhoogd, verklaarden
zich velen in de kolonie hiertegen en weldra werd een uitvoerig,
door vele planters onderteekend rekwest aan het Hof ingediend, waarin
o. a. betuigd werd, »dat de toestand van de volkplanting nog veel
te wenschen overliet." [846] Dat deze betuiging waarheid behelsde,
bleek behalve uit de gedurige overgang van plantaadjes in de handen
der hypotheekhouders ook uit de slechte betaling aan de publieke
kassen. Alleen aan het kantoor der modique lasten bleef, volgens door
den ontvanger in December 1790 ingeleverde staat, door verscheidene
personen nog te betalen f 142,168 : 13; en men kon rekenen, dat
die personen het immer schuldig zouden blijven. [847] De kas tegen
de wegloopers had groote uitgaven moeten doen, en niettegenstaande
belangrijke inkomsten waren er groote schulden gemaakt. Blijkens
den in Mei 1793 door den ontvanger ingeleverden staat, was het jaar
1792 wegens de binnenlandsche rust en de hooge prijs der producten
zeer voordeelig voor de kas geweest: f 412,844,194 was in dat jaar
ontvangen, maar was dit genoegzaam geweest tot bestrijding der
uitgaven, het kon nog weinig baten tot delging der schuld. Die
schuld bedroeg:


      aan de Sociëteit                        f 2,342,474: 4.15
      en aan het kantoor der modique lasten   f 1,590,582:17.6
      Alzoo te zamen.                         f 3,933,087: 2.5


of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de
Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te
boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich
voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de
inwoners èn de sociëteit hiertoe op den duur onmagtig waren. [848]

Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds
duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds
zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het
schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook
de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt
verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden
gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.

Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de
ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven,
maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd
en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene
publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige
correspondentie te verbieden [849].

Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.

In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur
was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, die
nu het vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering
van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om
uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici
aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde
dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij
er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal
ontfangen die bescherming komen reclameeren."--Men strekte dit toen
echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een
artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was [850].

Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door
een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te
doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar
gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins
hersteld. Een Gouverneur, Ordonateur en Commissaris-Civiel kwamen,
daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon
van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de
vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De
per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag der
provisioneele bewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en
beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo
mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd
daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader
te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche
volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld,
doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij,
reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken [851].

Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen
in Suriname op nieuw verontrust.

Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf
en verkregen telkens meer zekerheid [852]: het berigt dat de koning
van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het
schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis
had ondergaan, bereikte den 26sten Maart 1793 Suriname [853]; een
Engelsch schip bragt den 3den April eene missive van den heer Parry,
Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan
Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der
regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek
der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om,
bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te
bewijzen [854].

Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijk versterkt
was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er
bevond zich in de kolonie slechts een oorlogsschip, de Jason, kapitein
de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog
eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen
gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan
ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken,
ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te
doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.

Den 6den Mei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn,
die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd,
in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur
Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan
Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig
tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen
en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met
eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden
nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en
drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam
en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch
vaartuig werd in beslag genomen [855].

In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding per missive van
H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch
grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met
het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als
bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften
zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des
dierbaren vaderlandschen gronds [856].

De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne
reis naar Nederland aan te nemen en verzochten, zonder Friderici
hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De
Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden
er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde
bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde
ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie
noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren" was men hierover
zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid
om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan." De
Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor
zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek
werd voldaan [857].

Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te
brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof,
waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux
en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij
hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen
voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten
had ter verdediging der kolonie aan te wenden.

Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:

1o Langs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden
echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere
wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote
moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;

2o posteren een gewapend schip bij den mond der Commewijne op de
hoogte der redoute Leiden en op 1/3 breedte der rivier Suriname,
beneden de redoute Purmerend, een oorlogsschip, benevens drie
gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als
drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en
een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort
Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken
staat van tegenweer brengen; de post aan de Marowijne versterken,
doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van
defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen
en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen [858].

Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote
bemoediging toen den 6den October van hetzelfde jaar de
koopvaardijvloot, onder convooi van drie oorlogsschepen,
de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van
Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker
kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand
en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een
vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen
(de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou de
koopvaardijvloot naar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te
Suriname terugkeeren [859]. De kapitein de Virieux ontving den last
om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar
zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden
hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie
in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij
liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het
vaderland te kunnen volbrengen [860]. Aan hun verzoek werd toegegeven;
zij bleven tot den 4den Maart 1794 in de kolonie, wanneer een getal
van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de
Virieux en van Braam, uitzeilden [861].

In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi
van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck,
in Suriname aan. Niettegenstaande de drukkende tijden heerschte er
levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds
verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een
mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging
aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan
in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen:
in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der
Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Fransche koloniën
was afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en
de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat,
zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote
wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien
hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige
kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te
verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste
eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen,
»daar zij," zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder
Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken,
dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten
en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten." Hetgeen de kans op
welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de
militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in
Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en
hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.

De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor
de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking
tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de
onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de
voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te
veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden
van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne,
reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op
Suriname's inwoners en slaven zoude werken [862]. Er werd alzoo geen
verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige
maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters
een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde
gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene
poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek
door het Hof van de hand gewezen [863].

De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het
decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren
der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg,
doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar
de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,
naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij
voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden
daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen
der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo,
(het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en
baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de
hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts
zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de
daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren)
does enz. verboden of beperkt [864]. De slaven in Suriname die zagen
dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven
zuchtende zich onder hun juk krommen.

In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig
dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen
verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was
geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit
blijdschap gegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt:
zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig
gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet
in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had
de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in
het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone
eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden [865].

Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der
aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle
rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd
verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij
onthaal [866], zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman
Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De
berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der
slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees
daar omtrent niet was verwezenlijkt [867].

Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing
der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven
zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de
Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van
St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne
in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.

Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder
de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlaten en zich naar
de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte
het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open
booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.

Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April
1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor
Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar
Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord
van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden
morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt
terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn
stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen
en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord
waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers
te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in
de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs
bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden
nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt [868].

Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige
vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden
onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde
genomen, waren de notulen, de dagboeken, de officieele missives van
dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken
nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de,
toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,--weldra was alles
veranderd--en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men
verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne [869].

Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beide
koloniën had haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die
in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken
was veranderd.

Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer
omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander
snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene
en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er
onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.

Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden
gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door
een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de
Franschen de verwijdering van Willem de 5de en zijn huis als conditio
sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van
burgerbloed voor te komen, den 18den Januarij 1795, met al de zijnen
van Scheveningen naar Engeland.

In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8sten
Maart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins
van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende
tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop
betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel
gebragt en gelezen. Den 21sten Mei 1795 ontving Friderici een brief
van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:


»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.

Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te
gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname,
te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische
Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren
zoodanige oorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die
van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts
zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en
schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met
Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om te beletten, dat die
colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.

Waarmede,

Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,

Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.


(Get.) W. Pr. van Oranje.


Kew, den 7 Feb. 1795.

Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den
Geheim-secretaris.


(Get.) J. W. Boejink.

Aan den Gouverneur van Suriname."


Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte,
kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van
Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In
het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst
er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795
wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt,
dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was
ingebragt en voorgelezen [870].

Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend
om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins
gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die
poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent
niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den
Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven
werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de
daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16
April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland
te erkennen [871]. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en
Regeerders zeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe
hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen en Ministers der
Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van
de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak
en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken
in de coloniën moest influenceren." Hij beschrijft zijne positie
als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede,
in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden
te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de
beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij
vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld
bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was,
in acht zouden worden genomen [872].

Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van
de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden
op Dingsdag den 4den Augustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche
vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van
het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter
generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren,
dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname, Jurriaan François
Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen
stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets
dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen
verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor
het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij
eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag
des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven
tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan
te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid
toe te zenden." [873]

In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig
mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1sten Junij 1795 deed hij,
in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij
het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den
mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen,
het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige
adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als
eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon
ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling
als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij,
om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield
die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens
de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde,
leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar
drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid,
gelijkheid en broederschap zou niet slechts agitatie onder de blanken
te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken:
het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen
toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze
en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk
in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd
en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden door de
krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en
orde gebragt. [874]

Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren
stond, want in Demerary was een opstand onder de slaven uitgebroken
en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp
uit Suriname verlangd.

Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen
te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren." Zoo spoedig mogelijk
werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te
schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar
Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders
werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te
geven. [875]

Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers
hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid
wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen
de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon
wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men
Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel
een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder
den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden
[876]. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt
en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug [877].

De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en
niet genoemde omstandigheden werkten alzoo mede dat Friderici van den
toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren
en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte"
(zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen
enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze
colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige
toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de
aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene
aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping
zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene
generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve
na den vaderlande zal kunnen opleveren. [878]

De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog
veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid,
verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten
vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.

Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het
vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde
maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van
het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen
der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat,
ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid
der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot
een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het
Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien
men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude
ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming
met de kapiteins der aanwezige oorlogsschepen moest geschieden [879].

Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van 11 April 1795
aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van
de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart
behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels
van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de
daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger,
mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;"
de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van
den Stadhouder" enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest
en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen
van Oranje," enz. enz.

Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de
koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11
April die wij hier laten volgen blijkt:


»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. Extract uit het Register der
Resolutiën van de Hoogmogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde
Nederlanden.

Sabbathi den 11 April 1795.

Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.

De Gecommiteerden van Holland hebben ter vergadering voorgedragen:
dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive
van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op
gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren
gelast om dien aangaande te doen een voorstel.

Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat
H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor
de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand
de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene
willekeurige interpretatie van Hoogstderzelver publicatie van den
4den Maart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken
eigendunkelijk veranderen.

Dat in tegendeel alle opperhoofden, collegiën van regeringen,
officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds
gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van
zodanige andere Directie waar onder zij gesteld zijn, zullen moeten
respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door
Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen;
gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats
bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met alle
rigeur tegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter
rigoureusten te doen straffen.

En gelasten insgelijks aan alle commandanten van 's lands troepen zo
te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van
rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun
vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten
voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.

En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West
Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden
aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last
om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven
aan de respective coloniën, ten einde alle confusiën voor te komen,
die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.


(Was Geparapheert)      J. G. H. Hahn, Vt.


Accordeert met voorz. register.


(Was Getekend)            W. Quarles."


Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te
zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend
gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der
Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde
vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden [880].

Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met
de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen
straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte
het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te
stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant
Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den
20sten Julij 1795 werd tot het afleggen derzelve besloten, dat echter,
ten opzigte van de militairen, eerst den 26sten Augustus plaats had
en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag [881].

In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive
van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was
eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling
van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16den Mei
tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk
gesloten, welk tractaat den 4den Junij te Parijs geratificeerd was; een
duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning
van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap
en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij
gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren,
doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte,
hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch,
achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude
verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan
verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte
het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch
liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid
te handelen als hij mogt goedvinden [882].

Friderici liet toen den 31sten Augustus de resolutie omtrent het
tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren
en den 8sten September de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11
April er tegelijk onder werd gedrukt [883].

Den 27sten Augustus werden de civiele autoriteiten door Friderici
van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31sten Augustus de
militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici
om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van
Policie, de kapiteinen der oorlogsschepen en hoofdofficieren der
bezetting werd bijgewoond [884].

Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de
afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. De officieele
tijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden,
èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve
èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het
inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te
doen verwijderen [885].

Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige
bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote
schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te
belemmeren, liet Friderici voor f 12.-- à f 14.000 te Cayenne twee
oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men
daarna bij Braamspunt deed zinken [886].

Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel
mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de
Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in
hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden,
voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan
alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame
voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche
schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname
betalen--alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met
het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk
aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den
anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de
weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten
staat der openbare kassen te beroepen, en tevens het een en ander
wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan
H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen [887].

Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit,
zoo dat men met blijdschap den 12den Mei 1796 het berigt vernam,
dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze
vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit
vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den
17den Mei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20sten Mei in het Hof
van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den
geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogst gunstige
te schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht,
en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden
van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek
van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het
trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt
en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen
afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van
Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5den October
1795 de Directie der Sociëteit van Suriname hadden vernietigd en den
9den in plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de
koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk
Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met
de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier
der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden
belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge
Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren
in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door
suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd;
een Secretaris voor het geheele Committé en een Ontvanger-Generaal,
met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een
jaarlijksch traktement van f 2000, de Advocaat-Fiscaal f 4000, de
Secretaris f 6000 en de Ontvanger-Generaal f 2500; allen ontvingen
daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd
A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal
Jacob Spoors [888].

Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling
van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het
volgende aangevoerd:

»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen,
oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een
commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs
vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde,
zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd
gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam
ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo,
Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs
de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice
wederom door eene afzonderlijke Sociëteit en Directie geadministreerd
werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen,
en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen
worden gemaakt.

»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk
geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook
toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te
water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten
minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame
kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden
verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft
gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert)
zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste op de eerste vertooning
van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te
defendeeren waren.

»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van een ligchaam
van commercie in een van louter administratie haar langzamerhand
buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte
schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal,
dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben
moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet
is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is
geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze,
die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten
als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen
onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden,
en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.

»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1sten Junij 1792 eindelijk, na lange
en breede overleggingen, is aangesteld een Raad over de coloniën in
America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor
nogthans dezelfde coloniën en bezittingen, die te vooren onder de
administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de
directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten:
de coloniën Demerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius
en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa,
terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn
onder de administratie van de zogenoemde Sociëteit van Suriname,
en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene
drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel der
coloniën en tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking
van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.

»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors. coloniën van
den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke
informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te
water als te lande.

»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle de
voorsz. directiën denzelven wel gelieven te informeeren: en dat
deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde,
om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en
inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is
wanneer dezelve coloniën bij geleegenheid van eenen oorlog in eenen
slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand,
en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.

»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indische
coloniën genoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden,
alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen
zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet
considereert, als leden van een en hetzelfde ligchaam, maar veeleer
als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van
elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot
generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur
over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel
eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid
omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene
welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden
te hebben.

»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz. [889]."

Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke
gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen
van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering,
welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen,
alsmede aan het genoemde Committé [890].

Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der
bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden
in den eed te nemen. Deze heeren hadden hiertegen eenige bezwaren,
niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat
zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten
doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna
de noodige publicatiën werden uitgevaardigd [891].

Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door
krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was
door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel:
»Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis," en door
Beeldsnijder een libel: »Hans en 't Schaduwbeeld," die beide »tendeerde
om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer
colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege
te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek
belang." Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan [892]. In
de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder
voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor
de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield
voortaan strenge censuur om dit te voorkomen [893]. Daarenboven liepen
eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden,
doch werden spoedig in arrest gebragt [894]. Ook bij sommige feesten
der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de
predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen
over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici
ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van
Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt
terug [895].

A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der
eerste zitting den 2den November 1795 o. a. de volgende woorden:
»Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten
is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal,
de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen;
welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft,
schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des
staats" [896]. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat
werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds
in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den
Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd
[897]. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de
kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen
meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen
voor de post aan de Marowyne waren afgezonden [898].

Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen
van verdediging der kolonie, doch den 12den Augustus 1796 overleed
de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had
getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak,
die hem opgedragen was, trachtte te vervullen [899]. Het bevel over
het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van
tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.

Den 5den September 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het
Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie
representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der
toenmalige regering die voor een wijle in plaats van H. H. M. was
gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje [900].

De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij
de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In
November zonden zij o. a. een pakket aan den Gouverneur, die het in
tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief
aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren,
die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en
nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd
[901]. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje
boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat
de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren [902].

Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen
en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde, vermeerderden de
moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over
het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen;
in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne
betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop
gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen
ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde
zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde
zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad
Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den
Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels
had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere
Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam
de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten
door het Committé bepaald [903]. Friderici zag echter geen kans om
anders in de bestaande behoefde te voorzien, dan door het maken van
kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve
der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk
voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in
Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797
voor 350 mille, in April 1798 voor f 400,000, in November 1798 voor
f 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de
maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en--hoewel hij genegen
was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren," stelde hem
(volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt,
de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de
noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij
geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien
vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede
de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken [904]". Het
Raadslid Docher werd dan ook ontslagen [905], en Friderici ging voort
om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in
het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van
het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn
gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar
hij in Julij 1797 in zijn privé f 21,000 ontving, als vermeerdering
van tractement ad f 6000 's jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op
welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht
[906].

In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de
Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal
door de Engelschen geslagen was [907].

Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandsche
weldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de
Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk
na het vernemen van die ramp f 500 aan Friderici toegezonden ter
tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van
de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in
[908].

Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd
uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige
bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en
vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende
Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had
er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy,
Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18den
Fructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd,
en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met
gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje)
naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9den Junij 1798 aan de
Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen
van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig
echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op,
doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze
uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze
te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie
hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde
correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek
oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het
door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen,
en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich
dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs,
Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayenne hem,
ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot
last dan tot genoegen strekte [909].

De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het
administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie
van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan [910]; in
's lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig
gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum
Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats
en Friderici had werk om het een en ander, ten minste eenigermate, in
goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook
nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene
stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie
door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de
verdoemenis." De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen
echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen [911]. De
wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen
vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen
zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden
[912].

De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer
de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte,
met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte
mede niet gunstig op Suriname. De onophoudelijke veranderingen in
het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten
het handelen met energie onmogelijk.

In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het
uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en
in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale
vergadering verviel [913]. Andere publicatiën over het inrigten
van schepen ter kaapvaart volgden [914]; doch wat baatte de daartoe
verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak
en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed
Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de
Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij
1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat
hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen
om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie
te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De
Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat
Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had
geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te
stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21
Maart 1799 Suriname verliet [915].

Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij
1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van
Don Manuel D'amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van
Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van
Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij
kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd
[916]. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch
de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst
moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje;
»de snijders moeten voor het corps Wallons maken 600 kamisoolen met
mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;"
hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen,
waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt
werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.

Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt
geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé
geschreven den 31sten Januarij 1799.

De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:


    1o het politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij
       aangesteld;
    2o den landbouw en den staat der ingezetenen;
    3o den toestand der magazijnen;
    4o het militaire wezen en defensie;
    5o den toestand der finantiën.


Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de
moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te
vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven,
leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie
tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns;
over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer,
enz. enz. enz.

Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.

Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid
der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan
afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting
van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een
vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten
waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De
katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes
in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De
koffij- en Cacaoteelt echter ging achteruit.

Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel
voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoo sterk, dat
verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden,
waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen,
tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven
en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den
landmeter Helleday ontworpen.

Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden;
de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd" en binnen
weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking
worden gebragt.

Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers
en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan;
vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten
opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo
en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25
pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze
tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier
en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk
aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu
niet opgeëischt wierden." De staat der magazijnen werd in die missive
opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende
wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog
minder van ammunitie voorzien." Het militair- en defensiewezen liet
veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt;
het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen
ter defensie der kolonie ontvallen, werd zeer door Friderici betreurd;
hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig
gesloten werd.

Vooral omtrent de finantiën is de missive uitvoerig. Door de
exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader
en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest;
daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en
voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of
langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.

De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het
moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had
alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk
de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het
Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici
ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds
hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen
guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere
van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld en
obligatiën dan rouleerde toen in de kolonie f4,513,242 : 15 stuivers
aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand
had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende
kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers,
waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.

Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie;
als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver
geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling
of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30
pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen
kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster
nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het
Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander
middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.

Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze
gelegenheid aan het Committé gerestitueerd f 342,366 : 9 stuivers,
en uit de kas der hoofdgelden f 199,304: 7 : 4 in differente
wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het
Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor
het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden
gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor
in staat zou worden esteld, om eenige der hoogst noodige artikelen
voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden [917].

Den 22sten Junij 1799 verzond Friderici weder een brief naar
het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren
geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de
arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen
van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief
veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche
republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele
oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en
alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden
zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig
[918].

De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den
13den Augustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene
Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk
getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond
zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer,
doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de
gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16den
Augustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In
den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de
omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond,
eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene
andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling
en verwoesting te bevrijden" de capitulatie hier en daar eenigzins
gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder
immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit."

De artikelen der aangeboden capitulatie waren:

1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;

2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije
uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.

De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden
uitgezonderd;

3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden
overgeleverd aan de Engelschen;

4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone
belastingen;

5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of
nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide
partijen;

6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt
blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen
in West-Indië ontvangen;

7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in
dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;

8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan
Z. B. M.

Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:

1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;

2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de
Amerikaansche;

3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in
de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om
zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen
om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;

4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;

5o en 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der
forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;

7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het
2e artikel der capitulatie bedoeld.

Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan;
betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen
worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden;
omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou
overvoeren, doch hen als krijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen
uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2e alinea werd
gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden
en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie
zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere
gedragslijn zouden voorschrijven [919].

Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé,
waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de
inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale
generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen
verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland
hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid
zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben
ondergaan."

Den 20sten stevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er
heerschten rust en stilte; den 22sten werden de forten overgegeven;
den 26sten ontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie
de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich
en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge,
om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George
den derde af te leggen [920].

Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de
nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo
werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet
veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij
slechts f 50:- handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven
f 25:- aan te bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken
[921]. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname
belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat
hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en
f 18000,-- 's jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt,
enz. enz. [922].

Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal
white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van
Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas
genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice
noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde
uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in
de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan
was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven,
zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte
deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel
soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst
van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde
uitgaaf van f 15000,-- geschat, werd nolens volens voldaan [923].

Den 2den September 1799 werden door den Engelschen bevelhebber Trigge
drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle
ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af
te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning
in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de
capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.

De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan
onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche
republiek, die in Suriname woonden.

De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen:
een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende
8 engels op f 22,--. Had men voor eenige weken vrees voor een overval
der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, -- nu de
kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne
hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de
Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens
verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche
hoofdkwartier te onderhouden.

Hiertoe werd uit de kas der modique lasten f 40,000,-- gefourneerd
[924].

Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en
de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene
van anderen aard. De benoodigdheden voor 's lands gasthuis werden
vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten
waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien
en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot f 90,000,-- [925];
de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een
nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde
Hortus Surinamensis voor f 20,000,-- willen aankoopen, doch daar zich
sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen,
toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was
en voor f 10,000,-- kon verkregen worden, had men dit laatste
perceel gekocht [926]. Het heerschen der kinderpokken, waartegen
voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven
vereischt [927]. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte
men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg
als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig door
Friderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te
brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield,
had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt [928]. De toestand
der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte,
waardoor ook hierin moest voorzien worden [929]. Door den toevloed
van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de
omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen
en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd
vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok,
roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie
aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving
een degen, de policiedienaren sabels [930]. Dit alles kostte geld en
de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in
Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen,
kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene
onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den
Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de
25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd
echter geen gevolg gegeven [931]. Ook uit Engeland kwamen missives van
de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche
regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in
neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor
Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok
als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk,
dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover
hadden belangrijke discussiën plaats. Het Hof vermeende, in de eerste
plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest,
tot dat Engelsche schepen dezelven kwamen afhalen, een groot gedeelte
opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus
voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche
regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande
regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald", zoo luidde
de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de
in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas der Sociëteit,
doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En
thans--vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der
modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften
der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald
waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de
wegloopers bragt f 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps
kostte jaarlijks ruim f 200,000, dat van het cordon f 74,000; daarbij
was er f 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld
en de obligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die
het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn." Verder
beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren
van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal
ingrepen; »en" hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder
protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van." Men verzocht
den Gouverneur over een en ander de noodige remonstrantiën te doen
bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen [932].

Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook
ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en
zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de
voeding van dit corps had moeten zorgen [933]. De Britsche bevelhebber
Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres
ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus 1799
tot 27 Junij 1800 verstrekt ad f 110,578:19" [934]. Friderici drong
er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om
het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke
dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks
met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou
worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend
corps deszelfs plaats zou innemen [935]. Na herhaalde en breedvoerige
discussiën werd eindelijk den 13den Januarij 1802 besloten, om den
Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor
zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet
in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen [936].

Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat
zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam
van voorstad Zeelandia ingedeeld [937]; eene nieuwe quotisatie der
huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801
[938]. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud
der bruggen en wegen enz., werden te gelijker tijd uitgevaardigd. De
luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit
meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven
bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door
meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en
slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen
hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen
niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen
uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel
zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige
voedsel. Op een bloot vermoeden liet hij een neger zwaar kastijden,
daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om
den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood
zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en
alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting"
om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en
de aanklagers ontvingen een Spaansche bok [939].

Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op
vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had
aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen
en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden
geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en
daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op
last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte
kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met
tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke
wijze" gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien
onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered [940].

In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een
paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de
moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening
uitgevaardigd [941].

Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen
of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om
gebonden aan een paal levend te worden verbrand [942]; Spaansche
bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia
toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie
door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te
belemmeren en beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend
spectakel onaangenaam en rebutant was." Er werd hierover in het Hof
gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de
slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun
toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke
straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren [943].

Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den
11den December 1799 overleed Ds. de Vos en den 1sten Maart 1800
Ds. Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijd onvervuld. Het
Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden,
dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzocht Friderici
zich daartoe aan Z. B. M. te wenden [944].

De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood
veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie [945].

In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene
wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham
van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en
later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname
aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond
slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen [946].

Den 18den December 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan
het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt
had ontvangen dat den 1sten October 1801 de Preliminaires of peace
tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige
dagen later geratificeerd [947]. Er was alzoo stilstand van wapenen
ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is,
den 27sten Maart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat
de Engelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën,
behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche
commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles
provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken
en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen
staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de
koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De
Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname
de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en
's lands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd
doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand
van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en
troepen te gemoet zien.

Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der
schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13den November 1802
eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter
zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne)
aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin
reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven;
nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary
en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met 's rijks fregat
Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.

Er bevonden zich nog wel 2 Engelsche oorlogsschepen, doch de
transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren,
niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden
reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot
overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te
gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de
Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van
Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten
varen. Den 28sten November werden de Bataafsche troepen ontscheept
en voorloopig in sommige publieke gebouwen gehuisvest. Twee Engelsche
transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op
te nemen.

Den 2den December werd er door den Engelschen Commandant
A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten
en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan,
werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der
forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag
te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden
en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. 's Avonds
waren vele huizen van particulieren geïllumineerd; de Engelsche magt
verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle
weder eene Nederlandsche bezitting [948].

Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het
staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij
1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop
de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem
door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter
zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking" van
den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van
Treslong zeer geprezen [949]. Friderici verliet de kolonie niet,
als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust
van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door
velen geacht en bemind overleed hij den 11den October 1812 en werd in
den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen
gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde
zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van
den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren
gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier
staat te weenen, oprigten [950].

Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds
met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste
weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich
zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon,
mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als
de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het
belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer
zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van
overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan
den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt
hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en
andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten
over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere
geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken
van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem
geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot
onberekenbaar nut der colonie". De landbouw had groote verpligting
aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen
over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen
den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door
het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te
vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij
willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de
bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk
Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.

Den 4den December 1802 presideerde Blois van Treslong in eene
buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December
maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij
gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van
Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat
door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn [951].

Eenige publicatiën werden uitgevaardigd als: eene behelzende de
bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van
het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij
berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der
Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling
door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën
gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen
der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden
van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders,
D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene
waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den
ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar
zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van
den 19den Februarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de
wegloopers weder in te voeren [952].

Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig,
want de publieke kassen waren in een »deplorablen" toestand.

Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat
blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten
aan zilver en goud geld aanwezig was

voor eene somma van                                f   6896.--
oud en ongangbaar geld                             f    935.--
zoo dat te zamen                                   f   7831.--
aan specie in die kas was: dit was de eenige specie in 's lands
kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën
en wissels eene som van                            f   1782:14. 9 2/3
in de kas der hoofdgelden                          f  53136:17.12 2/3
in die der venduregten                             f 100361:12.12
Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke
waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog
verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique
lasten was aanwezig (altijd aan papieren geld)
eene som van                                       f 409,659: 5. 8
doch zij was schuldig                              f 660,509:11. 7 2/3
in de kas der gemeene weiden eene som van          f   157,9:12  2/3
en schuldig                                        f    1491: 4. 8

Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in
ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te
vorderen f 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad
Amsterdam f 700,000:- aan de voormalige sociëteit f 1,707,987:12:3,
behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven,
die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond,
dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren,
men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening
dier kas niet opgemaakt [953].

Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland
gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel,
weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname
toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31sten Januarij
1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij alle negotiatiën, zonder
voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden [954]. Er
waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren
reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken;
veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder
spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet
voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in
het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven [955], en
er heerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om,
daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen [956],
met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel
te bevorderen.

De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd;
behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden
in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke
en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van
Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan
Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het
Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent
hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het
noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun
geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond
echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne
mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van
Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij
zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden
en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den
eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes
van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet [957].

Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene
kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer
spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met
anderen [958].

Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene
staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen
de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper
Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet
ter-gelijkertijd hetgeen in Holland daarvoor in de plaats was gekomen,
in werking wierd gebragt.

Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.

In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris
van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van
Suriname. Berranger kwam den 5den December 1803 in de kolonie aan,
en nam den 9den December het bewind over.

In zijne eerste missive aan den Raad der coloniën, dato 28 December
1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed,
daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden,
»die hij echter niet naspeuren wilde." Reeds dadelijk beklaagde hij
zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woorden te
water en te lande," waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie
het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft", schrijft Berranger verder,
»zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets
omtrent den dienst beval--en ik zal dit toch moeten doen, daar ik
volgens artikel 9 mijner Instructie alleen verantwoordelijk ben; het
zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor
de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende
magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen" [959]. Dat deze
spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk
wij nader zullen zien.

Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg
1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde
de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe
ook de schutterij op; hij inspecteerde haar--en hoewel zij sedert de
installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter
haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij
bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel
een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door
officieren en beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt,
de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de
geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een
gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten." Na een paar
maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt [960]. De Roomsch
Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare
verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door
Berranger (zelf R. C.) weder geopend [961]. Ook werd door hem,
in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen
staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802
zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen
met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den
kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en
werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd [962].

Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling
der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle
ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en
hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken [963]. Het verspreiden
van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van
f 500 verboden [964]. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de
slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen,
dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van f 2000
moest stellen [965].

Berranger stelde ook aan den Raad der coloniën een nieuw
belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert,
de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt,
door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van
hunne verhuring ontvangt, en de eigenaars van woningen in Paramaribo,
die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch
de landbouwer daarentegen ontlast worden.

Daar in den regel de uitgaven 1 1/2 millioen gulden bedroegen, stelde
hij tot dekking daarvan voor, het volgende:


  12,000,000 pond koffij, gemiddelde opbrengst, te
  belasten met 1 stuiver per pond                       f   600,000.
  20,000 vaten suiker, gemiddelde opbrengst, met f 20
  het vat                                               f   400,000.
  3,000,000 pond katoen, gemiddelde opbrengst, met 2
  stuivers per pond                                     f   300,000.
  500,000 pond cacao, gemiddelde opbrengst, met 3/4
  stuiver per pond                                      f    18,750.
  10 pCt. op de houtplantaadjes                         f    30,000.
  Idem op het zegel                                     f   150,000.
  80 schepen van 100 ton jaarlijks f 20 per ton         f   160,000.
  Op de slaven te Paramaribo f 10 per hoofd             f   100,000.
  Op de venduen                                         f    30,000.
                                                          ---------
                                             Te zamen   f 1,888,700.


Alle verdere belastingen, behalve die van huishoudelijken aard, als:
kerkgeregtigheden, vischmarkt, houtmarkt, tapperijen, enz., af te
schaffen, terwijl, zoo de inkomsten de uitgaven mogten overtreffen,
kon dit meerdere worden aangewend tot verbetering van de openbare
gebouwen enz.

Bij zijn plan daaromtrent drong hij tevens aan, dat bij het te maken
nieuwe charter (men had dit reeds in 1795 beloofd, doch 9 jaren
later was het nog niet gereed) voor de koloniën, zou worden bepaald,
dat alle kassen onder het eigenlijk Gouvernement wierden gesteld,
waardoor verwarringen zouden worden voorkomen [966].

Berranger schreef, dat hoe kort hij er nog slechts had vertoefd, »de
colonie echter reeds een geheel ander aanzigt verkreeg: de geesten
waren levendig en ieder is te vreden." Dat Berranger zich wel wat
veel aan illusien overgaf, vermeenen wij met zekerheid te mogen
veronderstellen; evenwel de scheepvaart nam toe, in korten tijd
waren vele schepen binnengekomen en, met rijke ladingen bevracht,
vertrokken [967]; doch weldra werd aan al deze gegronde of overdrevene
verwachtingen voor goed de bodem ingeslagen.

De vrede te Amiens gesloten, was kort van duur: de fakkel des oorlogs
werd weder ontstoken en op nieuw bedreigde Britsche magt de koloniën
van den staat. Den 25sten April 1804 vertoonden zich 31 Engelsche
grootere en kleinere oorlogsschepen aan de kust, bij Saramacca en
Braamspunt; den 27sten bemeesterden zij met 2 Fregatten en 2 Brikken,
na eenige wederzijdsche kanonschoten, Braamspunt, en het aldaar
aanwezige garnizoen, waaronder 5 gekwetsten waren, werd krijgsgevangen
gemaakt. De Britten nu meester van de rivier stevenden den 28sten
April, met 22 schepen, de Suriname op. Twee linieschepen bleven aan
den mond der rivier de wacht houden, de andere fregatten werden naar
de Warapa kreek en naar de Saramacca afgezonden; dienzelfden avond
om 8 ure werd de kolonie gesommeerd door de Engelsche bevelhebbers
Charles Green en Samuel Hood. Onmiddellijk werd daarop op de plantaadje
Voorburg krijgsraad gehouden. De militaire leden van den krijgsraad
wenschten de kolonie tot het uiterste te verdedigen en achtten dat
»de defensie-staat te respectabel was, om zich zonder verdediging
over te geven." De raden van policie als vertegenwoordigers van den
burgerstand vreesden »het verlies der eigendommen, en bij eene zoo
aanzienlijke magt als waarmede de vijand de colonie bedreigde, zagen
zij meer heil in eene capitulatie dan in tegenstand." Berranger deed
opmerken dat het moeijelijk was om met 580 man, die nog verdeeld waren
tusschen het fort Nieuw Amsterdam en de redoutes Purmerend, Leijden
en Friderici, vier à vijf duizend soldaten, mariniers en matrozen,
waarop de magt der Engelschen begroot werd, te wederstaan, doch »dat
men beproeven moest eene voordeelige capitulatie te verkrijgen, waarbij
in een geheim artikel werd bepaald, dat na het sluiten van den vrede,
de kolonie weder aan de Bataafsche republiek zou worden overgegeven."

De heeren Blois van Treslong en Batenburg vooral opposeerden zich
hier tegen ten sterkste, waarop Berranger hun de vraag voorstelde
of zij, indien hij, volgens zijne bevoegdheid, het op zich nam eene
capitulatie aan te nemen hem hierin zouden gehoorzamen. Blois van
Treslong en Batenburg antwoordden ontkennend; Berranger stond toen
van zijn presidialen zetel op en na het zeggen: »zoo gij mijn gezag
ontkend, heb ik niets meer te doen; ik zal eenvoudig de aangeboden
voorwaarden afslaan," keerde hij toornig naar Paramaribo terug,
om aldaar de rust te bewaren.

Den 30sten ontscheepte de vijand zijne manschappen aan de
Jonkermanskreek en des nachts werden de redoutes Leijden en Friderici
stormenderhand door 100 matrozen en 50 soldaten veroverd. Er werden
weinig personen bij deze verovering gekwetst; doch door het springen
eener kruidkist werden 2 officieren en drie man gedood en 20 man, allen
Engelschen, gewond. De Engelschen in het bezit van de redoute Leijden
rigtten tegen over het fortres Nieuw Amsterdam eene mortierbatterij
op en lieten troepen langs de rivier Commewijne trekken om het fort
van achteren aan te tasten [968]. Vijf honderd man landden aan de
Warapa-kreek, die zich bij de anderen voegden. De attaque zou nu
van de achterzijde en van den kant der rivier door de schepen te
gelijk worden ondernomen. De luitenant van Beugen weigerde het corps
vrij negers naar de fortres te geleiden om aldaar dienst te doen,
zoodat Berranger geen middel van »contrainte" voorhanden hebbende,
aan het verzoek van Batenburg, om deze versterking te ontvangen, ten
einde omsingeling te voorkomen, niet kon voldoen [969]. »Batenburg,
ongeacht de uitventing zijner dapperheid," gaf Berranger kennis van
het gevoel zijner onmagt--en eindigde met, zonder Berranger te kennen,
eene capitulatie met den vijand te sluiten, die, zijns inziens, in
alle opzigte eervol en voordeelig, volgens Berranger echter, alleen
eervol en voordeelig voor de militairen, doch schadelijk en nadeelig
voor de kolonie was.

Berranger vaardigde, om zich tegenover het publiek te regtvaardigen,
eene publicatie uit, waarin hij alle verantwoordelijkheid van zich
af en op den kolonel Batenburg wierp [970].

Suriname was intusschen voor Nederland verloren en de Engelschen hadden
op nieuw bezit er van genomen, en met deze mededeeling eindigen wij
het derde tijdvak.



De behandeling van het derde tijdvak, ruim 120 jaren, (1683-1804)
heeft in onze schets der geschiedenis eene vrij groote plaats
ingenomen. Er viel zooveel te vermelden dat wij het voornaamste
als het ware slechts hebben kunnen aanstippen en toch reeds hebben
wij vele droevige tooneelen moeten schetsen. Mogten wij soms hier
en daar eenige lichtpunten opmerken en wijzen op de energie van
sommige Gouverneurs, op de dapperheid van enkele militairen, of op
den werkzamen ijver der kolonisten, dit bepaalde zich echter tot
die weinige lichtpunten. Er was op den door God zoo rijk gezegenden
bodem van Suriname door 's menschen hand een giftboom geplant, welks
wortelen zich ver uitstrekten, den grond bedierven en hem ongeschikt
maakten om goede planten en gewassen voort te brengen. De vruchten die
aan dien boom groeiden veroorzaakten den dood aan wien ze at en reeds
de uitwaseming er van verpestte den dampkring. Met andere woorden: de
slavernij geworteld in het volksbestaan verstikte alles goeds. Waar
slavernij heerscht kan de zegen Gods niet rusten. Het stelsel der
slavernij is een zondig stelsel en zonde is een schandvlek der natiën.

Wel is Suriname eene productieve kolonie geweest, doch eigenlijken
bloei heeft zij niet gekend. Wel heerschte er soms weelde, maar
wezenlijke welvaart bestond er niet. Het geroep der werklieden die de
landen maaiden, en wier loon verkort werd, het geschrei dergenen die
oogsten, kwam tot de ooren van den Heer der Heirscharen, tot Hem die
liefde is, doch die tevens regtvaardig is. De waarschuwing van den
apostel Paulus: »Dat niemand zijnen broeder vertrede", die eisch der
christelijke liefde, werd in Suriname niet betracht --men vertrad den
broeder; hij, voor wien Christus zijn dierbaar bloed heeft gestort,
werd als een zaak beschouwd, als--en soms minder dan--een redeloos
dier behandeld. Dat de slaaf ook geestelijke behoeften had, werd niet
erkend; de Heer gedacht aan dien nood, en op zijnen tijd verwekte hij
een zendingsgeest bij de lieve Moravische gemeente, en mannen uit hun
midden verkondigden, met trouwe liefde, hoewel onder veel tegenstand,
den armen slaaf de blijde boodschap der genade in Christus Jezus,
aan alle menschen verschenen. Bij de behandeling der zendingszaak
zullen wij meermalen worden getroffen over de trouw en de liefde Gods
en ook over die Zijner waardige dienstknechten.

Wij hebben gepoogd, om door eene getrouwe mededeeling der
geschiedkundige feiten, Suriname's lotgevallen in de drie eerste
tijdperken aanschouwelijk voor te stellen. Wij hopen hiermede
verder voort te gaan en de Heer geve, dat de eenvoudige waarheid der
geschiedenis er toe moge bijdragen, om meerder belang in Suriname te
doen stellen, dan tot heden wordt betoond.



VIERDE TIJDVAK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

    Suriname gedurende Engeland's overheersching. Van 1804 tot 1816.


Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het
een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn,
indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging
toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool
van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken
voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand;
velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben
gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.

Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk
Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen
medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben", is het echter
niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging
levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter
vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman,
die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon
met droefheid in het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij
de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil,
en ook hierin moet worden verheerlijkt.

Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers,
vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten
offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond,
te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt
door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.

Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen
van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde
overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik
met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche
volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804-1816, dat der Engelsche
overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik
onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde
voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers
in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste
weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij
zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij
de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche
handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak
hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet
kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw
kunnen wij niet vermelden.

Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken:
Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst
tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger
en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel
Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.

Deze verdeeldheid, dat wantrouwen, die onderlinge afgunst belette
eene krachtdadige verdediging. Officieren door het voorbeeld hunner
superieuren weggesleept, weigerden zich aan de bevelen van den
Gouverneur te onderwerpen. Dit bragt verwarring te weeg: de voor het
fort Nieuw Amsterdam aangevraagde levensmiddelen werden niet verzonden;
twee compagniën vrijheden, bestemd voor eene post bij de plantaadje
Zoelen, ten einde de omsingeling van de fortres door den vijand te
beletten, vertrokken niet derwaarts, de luitenant van Beugen met
hun geleide belast, maakte allerlei uitvlugten; eene versterking
van het garnizoen aldaar door schutternegers werd evenzeer door
dergelijke redenen verhinderd [971]. Heldhaftig kan de verdediging
niet worden genoemd, slechts bij de redoute Leijden had een min of
meer ernstig gevecht plaats. De Engelschen vermeesterden de redoute
en een gedeelte hunner magt, aan de Commewijne geland, trok, door een
verrader geleid, achter het Fort Nieuw Amsterdam om en vond, door het
vroeger verzuim, geen tegenstand op den weg, en omsingelde alzoo de
voornaamste sterkte der kolonie, het fort Nieuw Amsterdam. Batenburg
achtte nu het voortzetten van den strijd tegen eene groote overmagt,
een te ongelijken kamp, die slechts nutteloos bloedverlies ten gevolge
zou hebben; hij bood den Engelschen bevelhebber eene capitulatie aan,
die met kleine wijzigingen werd aangenomen.

Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens
zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling
van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid
er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles,
te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de
Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804,
uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:


    »Paramaribo 2 Mei 1804.

Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit
de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende
gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij
niet of de nationale heldhaftigheid der Bataven, dan of wel de
stoutmoedigheid der strijders van Albion dit plekje lands, door
den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden
of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maar
Een zal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de
omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde
colonisten, oneindig veel bijdragen tot het coloniaal welzijn."

Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens,
het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig
voegen naar de omstandigheden des tijds.

In diezelfde Courant van den 3den Mei 1804 vindt men een, dat den
zelfden geest ademt:

»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover
men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing
allengs te naderen.

De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze
gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan 't lot dezer Colonie
te twijfelen.--Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar
afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en
ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het
bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is,
noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen,
over onze schedels losgebarsten zijn."

De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne
komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd
genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren
en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.

De blanke bevolking van Suriname was ook niet zoo bepaald anti-Engelsch
gezind, als sommige publicatiën en proclamatiën van dien tijd zouden
doen gelooven. Er bestonden hiervoor gegronde redenen. Het algemeen
belang en voornamelijk dat van de geldschieters in Holland had veel
geleden tijdens den duur van het zoogenaamd protectoraat van den Koning
van Engeland (Augustus 1799 tot November 1802), doch verscheidene
planters hadden groote voordeelen genoten, daar aanzienlijke Britsche
kapitalen, in de kolonie geplaatst, hen in staat hadden gesteld, om
hunne producten te vermenigvuldigen [972], en--hetgeen men hierbij ook
niet over het hoofd moet zien--zij waren, gedurende dien tijd, bevrijd
geweest om aan hunne verpligtingen jegens de Hollandsche geldschieters
te voldoen. De hoop op dergelijke voordeelen lachte sommige kolonisten
nu op nieuw toe en deed hen daardoor de verovering der kolonie door
de Engelschen niet als eene zoo groote ramp beschouwen.

De met de Engelsche aangegane capitulatie was, de omstandigheden in
aanmerking genomen, niet onvoordeelig te noemen. Bij de opeisching
der kolonie door de Engelsche bevelhebbers, werden o. a. de volgende
voorwaarden aangeboden: de ingezetenen zouden volle zekerheid
voor hunne personen en vrije uitoefening van godsdienst genieten;
het behoud hunner bijzondere eigendommen, van welken aard die ook
zijn mogten, werd hun gewaarborgd; de wetten der kolonie zouden van
kracht blijven en de vertegenwoordiger der Britsche troon zou slechts
zulke verordeningen mogen maken, als tot tijdelijke voorziening in de
verdediging der kolonie noodig werden geoordeeld en die maatregelen
nemen, welke den koophandel met Engeland regelden; de verschillende
civiele autoriteiten, uitgenomen den Gouverneur, konden, mits den
eed aan Z. B. M. doende, hunne betrekkingen blijven waarnemen [973].

Daar men deze voorwaarden niet had aangenomen en de Engelsche
bevelhebbers, zich bij de weigering hadden verklaard, hieraan dan
ook niet langer gebonden te zijn; en terwijl men nu tegenstand
had geboden, vreesde Berranger, dat de capitulatie, door Batenburg
aangegaan, wel eervol en voordeelig voor de militairen zou zijn, maar
minder in het belang der inwoners. Die vrees bleek echter ongegrond
te zijn. Batenburg had bij zijne capitulatie voorgesteld: »dat alle
articulen, welke ten voordeele der ingezetenen bij de sommatie waren
voorgeslagen, in haar geheel zouden worden nagekomen", waarop de
Engelsche bevelhebbers antwoordden: »Zijne Britsche Majesteit heeft
ons stricte orders gegeeven de gunst voor de Colonie Suriname zoo
veel moogelijk is te verleenen, en waarborgen u dat zulks zal worden
geobserveerd zo als is aangeboden" [974].

Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig
voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te
trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen
en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden
dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden,
zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens
van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd
in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of
deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden,
zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het
corps, bekend onder den naam van witte en zwarte jagers, meer bepaald
in dienst van de kolonie staande, zou met het Coloniaal Gouvernement
behoorlijk schikkingen worden getroffen.

De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog,
meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie,
enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer
uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden
behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd
als krijgsgevangene beschouwd.

Den 6den Mei 1804, des namiddags ten één uur, werd op het fort
Zeelandia de Engelsche vlag geheschen, en kort daarna kwam de
Generaal-Majoor Sir Charles Green van het fort Nieuw Amsterdam met zijn
gevolg te Paramaribo. De oud-Gouverneur Friderici en de Bataafsche
Commissaris-Generaal maakten dienzelfden dag nog, de hooge Collegiën
den volgenden, hunne opwachting bij genoemden bevelhebber [975].

Den 7den Mei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie
uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:

»Alzoo de volkplanting van Surinamen en onderhoorige districten,
door de wapenen van zijn Groot-Brittannische Majesteit is veroverd en
dus geworden een wingewest van het vereenigd Rijk van Groot-Brittagne
en Ierland, zo hebben wij nodig gedagt door deze tegenwoordige alle
goede ingezetenen deezer plaatze te vermaanen zich rustiglijk en
vreedsaam te gedragen en zodanig als betaamd aan getrouwe onderdaanen
van Hooggemelde Zijne Majesteit, geevende wij hunlieden de volkomenste
verzekering, dat derzelver goederen en bezittingen in alle opzichten
veilig zijn en beschermd zullen worden, waartoe de strictste
ordres aan de troupen gegeven zijn, en dat ons het welweezen der
ingezetenen, als Zijner Majesteits onderdanen, door Hoogstdezelve
is aanbevoolen. Strekkende het mede een ieder tot narigt, dat het
Civiele Gouvernement dezer volkplanting en onderhoorige districten,
door den Generaal Major Sir Charles Green zal worden waargenomen tot
dat deswegens Zijner Majesteits nadere beschikkingen zullen bekent
zijn" [976].

Bij publicatie van 8 Mei 1804 maakte Sir Ch. Green bekend, dat hij
het bestuur der kolonie, als wettig vertegenwoordiger Z. B. M., had
aanvaard en gelastte, dat de wettig geconstitueerde magten, te weten:
het Hof van Policie en Criminele Justitie, het Collegie van kleine,
vacerende over groote zaken, de Curateele kamer, de Commissarissen
van Gemeene weide, de Joodsche Weeskamers en alle andere personen,
die eenig publiek ambt of betrekking bekleeden, met de uitoefening van
derzelver respectieve pligten blijven voortgaan;--wordende degenen,
die onder de zoo even bedoelden begrepen zijn, gelast, op den 9den Mei,
des voormiddags ten 9 uur, zich te vervoegen ten Gouvernementshuize,
ten einde den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen [977].

Den 9den Mei presideerde Green voor het eerst in het Hof van Policie
en werd de eed van getrouwheid aan Z. B. M. door de Raden van Policie
en vervolgens door de andere Collegiën in zijne handen afgelegd [978];
waarna alles verder geregeld werd om een en ander in verband te brengen
met den toestand der kolonie, als nu zijnde eene Engelsche bezitting.

De Gouverneur gaf den 19den Mei, bij Proclamatie bevel, dat de eed
van getrouwheid aan Z. M. moest worden gedaan, door de stadbewoners,
binnen den tijd van 14 dagen, te rekenen van den 28sten Mei en
door de plantaadje-bewoners binnen vier weken. De Gouverneur zegt,
in bedoelde proclamatie, te verwachten, »dat niemand oorzaak zal
geven, om zoodanige middelen van gestrengheid te moeten gebruiken,
als derzelven ongehoorzaamheid aan dezelve anderzints zoude moeten
noodzakelijk maken [979].

De Britsche autoriteiten gingen,--dit moet erkend worden, met
gematigdheid te werk en trachtten de inwoners van Suriname door
toegefelijkheid te winnen--echter toonden zij Heeren en Meesters te
zijn en dulden niet, dat men zich op eenigerlei wijze tegen hun gezag
verzette, of dat men aan personen, die de Engelsche belangen, zelfs
meer dan betamelijk voorstonden, daarover verwijtingen deed. Dit
ondervond o. a. de Secretaris der Kolonie du Moulin, een man die
door Berranger als uiterst bekwaam en als een warm patriot wordt
geprezen. Du Moulin was in twist geraakt met zekeren van der Hoop,
die de Engelschen tot gids had verstrekt en hij voegde den verrader
scherpe verwijtingen toe, die zich daarover bij den Engelschen
Gouverneur beklaagde en het gevolg hiervan was, dat du Moulin uit
de Kolonie werd verbannen [980]. Het staatsbewind der Bataafsche
republiek had in Februarij 1804 van goederhand berigt ontvangen,
dat zekere F. S. C. P. van der Hoop door het Engelsch Gouvernement
zou zijn belast geworden met de commissie, om zich over Barbados naar
Suriname te begeven, ten einde aldaar, met den Gouverneur dier Kolonie
en met den Commandant der troepen, betrekkingen aan te knoopen en hem
te trachten te bewegen gemelde Kolonie aan het Britsch Gouvernement
over te geven.--Waarop besloten werd den Kapitein ter zee W. O. Blois
van Treslong, Commanderende 's lands Eskader in de W. I., aan te
schrijven hieraan geen gehoor te geven, maar, in overleg met den
Gouverneur of het Gouvernement, de Kolonie op de best mogelijke en
rigoureuste wijze te verdedigen. Dit schrijven werd echter niet door
Blois van Treslong ontvangen, maar viel den Engelschen in handen,
en berust thans op Her Majesty's statepapers office [981].

Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen
van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht
om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter
goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl
hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de
Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen,
tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone
soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek
te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der Amerikaansche
Coloniën van 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:

1o hij reeds, op den 13den Mei 1804, als krijgsgevangen was beschouwd
en dus in alles had gedefungeerd;

2o gedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen
uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;

3o ontwaarde, dat het grootste gedeelte der soldaten dienst bij de
Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te
soldieeren, en eindelijk;

4o zeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij
dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren
zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige
gunst hadden."

Batenburg gaf daarop zelf wissels uit, die echter niet gemakkelijk
endosseurs vonden, en Berranger,--»om met niets te doen te hebben,
of zelfs niets te schijnen zulks te zoeken" vroeg en verkreeg verlof
om zich, op zijn eerewoord, naar zijne plantaadje te begeven, tot
dat nader omtrent hem zou worden beslist. [982]

Er namen, gelijk wij hier boven zagen, vele soldaten dienst bij de
Engelschen; sommigen daarentegen bleven hun vaandel getrouw; anderen
zwierven in de Kolonie om en, daar zij zonder vast middel van bestaan
waren, leefden zij ten koste van de burgers. Tegen deze vagabondage
werd door den Gouverneur Green eene proclamatie uitgevaardigd,
waarbij bedoelde personen werden gelast zich, binnen 14 dagen, naar
het Hoofdkwartier te begeven, op poene van, bij nalatigheid hiervan,
als vagebonden aangemerkt, als zoodanig opgevat en behandeld te
worden. De ingezetenen werden vermaand om geen dier personen te
huisvesten of te verbergen, als zullende tegen de Contraventeurs
volgens de gestrengheid der wetten worden gehandeld [983].

De oud-Gouverneur Friderici, die door het Bataafsch bewind uit
zijnen post was ontslagen, voedde hoop om nu weder aan het bestuur te
komen. Hij wendde zich daartoe per missive aan den Britschen Secretaris
van staat voor het departement van Koloniën Lord Hobart, en bood dezen
zijne diensten aan. Lord Hobart dankte hem, bij vriendelijk schrijven,
voor zijne aan de Engelschen betoonde welwillendheid, doch wees zijn
verzoek beleefdelijk af, als reden opgevende dat aan Green was beloofd,
bij welslagen, met het bestuur te worden belast [984].

Daar Suriname nu eene Britsche bezitting was geworden, moest de
handel van de Kolonie met Groot Brittanje worden geregeld. Bij
Proclamatie van 29 Mei 1804 werd »aan alle Britsche onderdanen de
handel naar en van deze Kolonie veroorloofd, met in achtneming van
alle rechten, schikkingen, voorwaarden, bepalingen, poenaliteiten en
verbeurdverklaringen, als op den handel naar en van Z. B. M. Coloniën,
Plantagiën en eilanden, ergens in de West-Indië gelegen, zijn
vastgesteld, of voortaan bij wetten nog zullen worden vastgesteld"
[985].

Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel
van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten
steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren;
terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet
zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij de Sociëteit
van Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten
als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop
immer een weigerend antwoord bekomen. De Sociëteit wilde dit verzoek
niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der
consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo
dit zelfs onder vele restrictiën werd toegegeven, de planters hiervan
misbruik zouden maken. Toen door de finantiële moeijelijkheden,
waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in
handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook
uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten
voortaan aan hen moest geschieden.

Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever
het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de
Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven
(zie bladz. 491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen
Gouverneur aan, om den in- en uitvoer in Amerikaansche schepen geheel
of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door
Green gehoor verleend:


»Provisioneel voor den tijd van vier maanden wordt de invoer
gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende
aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende,
van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten,
duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van
houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee
van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen,
tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch,
spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van
Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende
op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van
dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.

Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd
van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van
het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand
recht van 8 pCt." [986]


Deze voor de kolonisten gunstige bepaling werd wel den 26sten September
voor drie en den 7den December 1804 voor vier maanden verlengd,
doch met eenige restrictiën: de uitvoer werd nu tot rum en melassie
beperkt en bij eene latere bepaling van 24 April 1805 strekte die
beperking zich ook tot den invoer uit [987].

De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden
zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende
voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot
aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen
opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling
benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.

Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge
de volgende proclamatie uit:


»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de
kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te
leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en
vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4
pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om
pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren
heimelijk in 't klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend
gulden." [988]


Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe;
Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee,
zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer
gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa
gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados
was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt
voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën,
zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados
gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of
ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit
eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en
kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:


»Blenheim, Barbados den 20sten Julij 1804.

Sir!

Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen,
die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den
3den October aanstaande, een oorlogsschip op de hoogte van Suriname
zijn zal, om de na Europa gedestineerde koopvaardijschepen onder
bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de
bestemde verzamelplaats te vereenigen."*


In October 1804 verliet eene vrij aanzienlijke koopvaardijvloot, met
koloniale producten beladen, Suriname, en zette koers naar Europa;
den 27sten Januarij 1805 zeilde op nieuw eene vloot, nu uit 32 schepen
bestaande, uit, onder geleide van Z. B. M. oorlogsvaartuig Imogene,
direct bestemd naar Engeland [989].

Wel is waar, Engeland behield zijne overmagt op zee, doch zij werd hem
door Frankrijk sterk betwist. Verscheidene Fransche kapers maakten de
W. I. zee onveilig en nu en dan vertoonde zich een Fransch eskader in
die wateren. De correspondentie werd hierdoor zeer belemmerd en de
handel bemoeijelijkt. Zoo was o. a. in het begin van 1805 wederom
eene handelsvloot gereed om den steven naar Engeland te wenden;
men wachtte slechts op een voldoend convooi. Op de aanvraag daartoe,
ontving Green een schrijven van den Commodore Hood, waarbij berigt
werd, dat met het uitzeilen der schepen moest worden gewacht, totdat
er eene superieure Britsche magt aanwezig was en de vijand deze zeeën
had verlaten. Hij beloofde echter veertien dagen te voren kennis te
geven, wanneer er een convooi gereed was, ten einde men behoorlijk
de goederen zou kunnen laden [990].

Het nabijgelegen Cayenne kon als station of vereenigingspunt beschouwd
worden voor de meeste expeditiën, die uit Europa tegen de Britsche
bezittingen in de West-Indië werden afgezonden. Green drong daarom
sterk bij de Britsche regering aan, om pogingen aan te wenden, ten
einde Cayenne te veroveren; volgens door hem ingewonnen berigten zoude
die verovering eene gemakkelijke taak zijn, daar het garnizoen slechts
uit drie à vier honderd slecht gekleedde en gewapende blanke soldaten,
benevens zes honderd gewapende negers bestond [991].



Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleende
concessiën omtrent het handelsverkeer met Amerikaansche schepen;
was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale
producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was
men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de
veroverde kolonie behandelde;--dit alles nam niet weg, dat men toch nu
en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest
den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was,
ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen,
voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der
koopsom onder de Britsche militairen en matrozen, nemers der kolonie,
werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel
mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft
den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den
vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren,
dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant
van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:

»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir
Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten,
zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER
KOLONIE," dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en
schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij
den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen
ten huize van den heer Barry te Paramaribo en van den heer Bent te
Barbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren
zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De
verkooplijsten der carga's van de schepen Pelicaan en Henriette Johanna
liggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het
Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregat
Proserpina en de oorlogssloep Pylades, het grof geschut met deszelfs
toebehooren wordt in Engeland bepaald.

De plantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de
kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven. De gelden,
die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft,
zullen dadelijk, nadat 's konings orders ten opzigte der evenredige
verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke
kennis zal gegeven worden.


get. J. Bent, Agent voor de armee, Th. Barry,

Waarnemende voor den WelEdele heer James Maxwell, Agent voor de
marine." [992].

In de courant van 22 October 1804 treft men weder eene dergelijke
advertentie aan, nu omtrent den verkoop op den 26sten dier maand van:
de snelzeilende schoener George, met koperen bodem, zijnde een prijs
der NEEMERS van de kolonie [993].



Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed
te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de
vervulling van dezen wensch bleek verre van gemakkelijk te zijn. Als
vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite
zich de noodige inlichtingen te verschaffen.

Wat hij zelf doen kon, namelijk: door eigen aanschouwing, de
verdedigingsmiddelen der kolonie inspecteren, bewerkstelligde hij
al zeer spoedig. Volgens zijne brieven aan lord Camden, destijds
secretaris van staat voor het departement van koloniën, leidde dit
onderzoek tot de overtuiging: dat er steeds eene sterke militaire
magt aanwezig behoorde te zijn; want dat men, bij een aanval van
buiten, niet veel op de hulp der inwoners zou kunnen rekenen. Dezen
toch zouden hunne bezittingen niet gaarne in de waagschaal willen
stellen, daarbij was het getal der blanke bevolking niet groot en die
weinigen nog over het geheele land verspreid, terwijl meer dan 2/3
der blanke bevolking in Paramaribo uit Joden bestonden, »en dezen",
schrijft Green: »zijn niet geschikt voor krijgshaftige ondernemingen
(for warlike operations)." Eene gebonden inspectie over de militie
(men zou thans zeggen: schutterij), die uit blanke en vrije kleurlingen
was zamengesteld, had Green er ook geen hoogen dunk van gegeven. Hij
bevond ze slecht gewapend en geheel zonder krijgstucht (miserably
armed and totally without discipline); tevens vermeende Green, dat
de blanke inwoners, bij een aanval van buiten, genoeg de handen vol
zouden hebben, met hunne slaven in toom te houden [994].

Wat de kennis van den finantieelen toestand en van landbouw en handel,
enz. betrof, klaagde Green er over, dat de Engelschen, tijdens het
Protectoraat over de kolonie, zoo geheel onbekend met den algemeenen
staat van zaken waren gebleven. Hij beschouwde als de voornaamste
oorzaak daarvan, het aanblijven van Friderici als Gouverneur. Friderici
had getracht alles, zoo veel mogelijk, bij het oude te laten; hij had
hierbij steeds het doel voor oogen gehouden, »om de Colonie voor den
Prins van Oranje te bewaren," gelijk hij zelf later verklaard heeft
[995]. Daarbij ook had Friderici, onbekend met de Engelsche wetten,
belasting blijven heffen op de inkomende en uitgaande goederen, zoowel
van Engelsche als van neutrale schepen; terwijl eerstgenoemde hiervan
vrij gesteld hadden moeten worden. Niettegenstaande deze en nog andere
buitengewone ontvangsten, ten behoeve der souvereinskas, hadden de
uitgaven de inkomsten overtroffen. Bij het vertrek der Engelschen
uit Suriname (1802), leverde Friderici eene memorie aan het hof van
policie in, waaruit bleek, dat de uitgaven uit de souvereinskas,
ten gevolge van aanvragen, die hij, in de toenmalige omstandigheden
moeijelijk kon weigeren, zoo vele waren geweest, dat hij genoodzaakt
was geworden gelden uit de koloniale kas te nemen.

Tijdens het protectoraat was geen geregelde verantwoording aan de
Britsche autoriteiten gedaan. Wel waren door den secretaris van staat
Dundas van tijd tot tijd eenige vragen daaromtrent aan Friderici
gedaan, doch hij had dezen zeer en vague beantwoord; terwijl bij het
spoedig daarop gevolgd vertrek der Engelschen, deze zaak was blijven
rusten. Green echter wenschte behoorlijk verantwoording te doen van
iedere farthing (de kleinste Engelsche munt, ongeveer 1 1/2 cent
Holl.), die in de souvereinskas kwam of uit dezelve werd betaald,
en dit van het tijdstip van de overgave der kolonie aan de Engelschen
[996].

Om kennis van den finantiëlen toestand, enz. te bekomen, vervoegde
Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop,
in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een
vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de
geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den
oorsprong van het kaarten gelden der obligatiën mededeelde. Evenzeer
waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel,
over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen
toestand der bevredigde Boschnegers en van die Boschnegers, die nog
in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De
voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds
in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts
datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld,
om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen,
en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.

Het beheer over de finantiën was tweederlei. Een gedeelte stond onder
onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den
Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.

De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten
te zamengevoegd de zoogenaamde sociëteitskas uit. Na de omwenteling in
1795, toen de sociëteit werd vernietigd, moest hiervan verantwoording
worden gedaan aan den Raad der Coloniën, het committé en hoe die
verdere collegiën later genoemd werden, en kwam het overschot ten
voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel dit aan de
Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de
Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek,
en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit:
de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas
(sovereyns-chest) of 's konings-kas.

De inkomsten dezer kas bestonden thans uit de hoofdgelden,
vendue-geregtigheden, grondbelasting en recognitie-gelden [997].

De eerstgenoemde inkomsten: In- en uitgaande regten, vervielen, voor
zoover die anders in de souvereins-kas kwamen, als zijnde in strijd met
de Britsche zeevaartwetten en de oprigting van het koninklijk tolhuis
(custom house). Van de opbrengst der hoofdgelden, moesten slechts de
bij dat bureau geëmploijeerde ambtenaren worden betaald, en van de
opbrengst der vendue-geregtigheden moesten, behalve de ambtenaren aan
dit kantoor werkzaam, daarenboven het onderhoud van het fort Amsterdam
en de Redoutes, later ook het tractement van den Gouverneur worden
betaald. Uit de inkomsten der grondbelasting en recognitie-gelden werd
behalve aan de ambtenaren (twee secretarissen en de klerken van het
bureau) een gedeelte van het salaris van den Raad-Boekhouder-Generaal
en van zijne klerken uitbetaald. Het onderhoud der posthouders bij de
Indianen, benevens de geschenken aan dezen telken jare uit te deelen,
werden mede uit laatstgenoemde kas bekostigd [998].

Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende
tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur,
ruim f 50,000.


    Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er
    voorhanden eene som van                              f 49,463.18
    doch er moest daarentegen nog worden betaald:
    tractementen                                         f 15,000.--
    werklieden aan het fort Amsterdam                    f 15,447.01
    rekeningen voor idem                                 f 13,687.15
    presenten aan de Indianen                            f 10,000.--
                                                           ---------
                                                 somma   f 54,138.16

    zoodat er een te kort was van                        f  4,674.18.


En schijnen echter in dat jaar nog vele betalingen aangezuiverd te
zijn geworden, daar de Souvereins-kas op 31 December 1804 sloot met
een batig saldo van f 162,347.11.7 1/2 [999].

De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot
verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde:
Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds
vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot de
burgerlijke administratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende
Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie,
van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van
's lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der
Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden,
der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de
kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men
kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken,
daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen
kant, de, in die respective kassen ontstane, tekorten moest aanvullen.

Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in
den loop des tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare
voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en
van het corps Negerjagers.

Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der
Modique lasten bedroeg het te kort f 60,000.-; bij die ter verdediging
tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim f 100,000.- te kort.

Het stond te vreezen, dat dit nadeelig slot, bij beiden, zou toenemen,
door vele en steeds klimmende uitgaven. Uit de kas der Modique
lasten werd alleen aan tractementen ongeveer f 200,000.- betaald, en
deze reeds aanzienlijke som werd nog aanmerkelijk verhoogd door een
besluit genomen door het Hof van Policie in zijne vergadering van 18
Junij 1804. Bij dat besluit toch werd Green uit erkentelijkheid voor
de milde wijze, waarop hij jegens de veroverde Kolonie handelde, en
overeenkomstig het gebruik in andere Britsche Koloniën bestaande, om de
waardigheid van 's Konings vertegenwoordiger op te houden--aangeboden:
eene jaarlijksche toelage uit de Koloniale fondsen van f 60,000.--
en aan de officieren der Britsche krijgsmagt f 30,000.-- [1000];

Dit aanbod, door het Hof op kiesche en beleefde wijze aan Green gedaan,
werd door hem met dankbaarheid aangenomen [1001].

Het tractement van den Gouverneur, die uit 's Konings kas mede
f 60,000.- ontving, werd alzoo vrij beduidend, doch de uitgaven
van de Koloniale kas: Modique lasten, (men hield deze jaarlijksche
gratificatie ook bij de volgende Gouverneurs vol) tevens beduidend
vermeerderd. Die van de kas tegen de wegloopers klommen mede
aanzienlijk, daar het corps Negerjagers, op order van Green, nieuwe
montering en verhooging van soldij ontving [1002].

Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de
inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk
was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze
hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een
door de finantiële commissie uitgebragt rapport en vele discussiën
stelde het Hof eindelijk voor:

1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes
duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder
het gelag betalen);

2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer
dan f 20,000 bedroeg; en

3o. te trachten, zooveel mogelijk, op de uitgaven voor het cordon en
voor het corps negerjagers te bezuinigen: men hoopte dat Green hierin
te hulp zou komen, door, uit de magazijnen der Britsche krijgsmagt,
goedkoop kleedingstukken en wapenen voor het corps jagers te
verstrekken [1003].

Het eerste voorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den
Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11den Julij 1804 de publicatie
daaromtrent uitgevaardigd:

»Uit aanmerking, dat, onder de middelen, die gevoegelijk kunnende
dienen, tot de dringende ondersteuning der financiën, is voorgekomen:
de verhooging der belasting op de manumissie van slaven, geconsidereerd
de voordeeligen staatsverwisseling van zoodanige voorwerpen, de
maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentenis, en, onaangezien
de groote vermenigvuldiging dezer vrijlaatingen, Wij (de Gouverneur)
in ervaring zijn gekomen hoe weinig deze tak der inkomsten opbrengt;
invoegen de billijkheid (?), gegrond op de vermoedelijke gunstige
omstandigheden der manumittenten, dit middel aan augmentatie onderhevig
maakt, buiten en behalve dat het acres der gemanumitteerden sints
eenigen tijd, zoo merkelijk is toegenomen, dat zulks tot een motief
te meer in dezen is strekkende, gestatuëerd, dat van nu voortaan,
voor elken slaaf »ter obtien van brieven van manumissie" ten behoeve
van de cassa tegen de wegloopers, zal moeten worden betaald: van
die van 't mannelijk en vrouwelijk geslacht, boven de 14 jaren oud,
de som van f 500 en van kinderen, beneden de 14 jaren f 250 [1004]."

Ook de zegelbelasting werd meer productief gemaakt [1005]; doch de
voorgestelde bezuiniging zoowel voor het cordon als bij het corps
negerjagers bleef achterwege; en--weldra ging men weder over tot de
in Suriname gewone wijze, om de tekorten te dekken: het maken van
papieren of kaartengeld.

Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie
van Heshuijsen zeer belangrijk.

In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een
stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt
geld door de sociëteit ingevoerd, doch dit verdween spoedig uit
de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere
betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door
planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels,
in blanco geëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland
werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren,
konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen;
maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied
bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden
de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij
menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.

Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen
gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek
van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of
kaartengeld, met het kleine 's landszegel voorzien, uit te geven,
(zie bladz. 265-64.)

De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname
aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal
Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd
uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet
en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde de
sociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een
geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij
hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij
elke finantiële moeijelijkheid, er al zeer spoedig toe overging, om op
die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij de komst der Engelschen
voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs,
met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.

Behalve dit was nog door Friderici voor f 2,385,750 papieren geld
in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie
(zie bladz. 477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag
van Friderici op de volgende wijze:

De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige
heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die
ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen,
dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had,
en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en
stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.

Nu had de Gouverneur vele groote uitgaven te doen: hij moest alles
koopen, wat voor de magazijnen noodig was, en dit twee à driemaal
duurder betalen, dan het in vredestijd in Holland kostte; terwijl
in vredestijd alles door de sociëteit en later door het Committé
van coloniën in Holland werd gekocht en betaald. Verder moest de
Gouverneur voorzien in het onderhoud van het eskader, dat onder bevel
van van Braak in de kolonie was gearriveerd: van Braak was wel van
een crediet-brief, doch niet van geld voorzien. De ontvangst bij
de onderscheidene kassen was niet genoegzaam ter voorziening in
die buitengewone uitgaven; daarenboven was de handel met Holland
verstoord. Er moest op de eene of andere wijze in dezen geldnood
worden voorzien; doch daar de Gouverneur zich, op eigen gezag,
geen middelen daartoe kon verschaffen, hoopte de reeds genoemde
partij, die sterk in het hof van policie vertegenwoordigd werd, dat
Friderici, door dien nood gedrongen, zich aan de voorwaarden zou moeten
onderwerpen, die zij goed vond voor te schrijven. Maar de Gouverneur,
na tot het laatste oogenblik te hebben gewacht, en geen ander middel
ter uitredding ziende, daar de gewone middelen door de pretentiën
van de Cabale impracticabel waren, vaardigde den 2den December
1796 een besluit uit, waarbij hij voor rekening van het committé
van Coloniën, in omloop bragt f 250,000 in kaarten en obligatiën,
geteekend door den Boekhouder-Generaal. Dit trof de cabale als een
donderslag en vooral was zij uit het veld geslagen, toen die daad
van den Gouverneur niet slechts door het committé goedgekeurd, maar
hem daarenboven vrijheid werd verleend, om dit, zoo het noodig mogt
zijn, te herhalen. Zoo was de Gouverneur aan die laag der tegen hem
vijandige partij ontsnapt. Alles was zoo zeer in het geheim geschied,
dat de cabale geen gelegenheid had gehad, om het publiek tegen deze
nieuwigheid op te zetten; zij moest het aanzien, dat het publiek
evenveel vertrouwen in dat nieuwe papier stelde, als in hetgeen op
last en met medewerking van het Hof was uitgegeven. Het werd echter
slechts gebruikt ter betaling van de buitengewone uitgaven, en niet
op hypotheek uitgegeven of tot andere einden gebezigd. De Gouverneur
in het vervolg geld noodig hebbende, creëerde dan maar weder van dat
papier (zie bladz. 477), zoodat toen de kolonie onder Protectoraat
der Engelschen kwam (1799) er hiervan in omloop was f 2,385,750 [1006].

Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat
van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname
nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral
sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij
bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product,
waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde,
hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde
jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.

Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die
van de suiker.

Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten
van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een
vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een
gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet
naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd
niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java,
en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren,
zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.

De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger
gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.

De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer
3,000,000--pond berekenen.

Kort na dat Suriname onder het Protectoraat van Engeland was gekomen
(1799), hadden eenige Engelschen vergunning verzocht en erlangd,
om gronden tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in cultuur
te brengen, waarop zij voornamelijk katoen en koffij verbouwden. Dat
zoogenaamde Nickerie-district lag wel is waar ver van de oude Kolonie
af, de Communicatie met Paramaribo was wel niet gemakkelijk, doch
door de energie der daar gevestigde Kolonisten beloofde het van vrij
groot belang te worden [1007].

Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:

Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen,
van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden,
in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der
Kolonie, naar het moederland.

Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit
Holland, zoodat men genoodzaakt was de voor de Koloniën benoodigde
artikelen duur van de vreemden te koopen.

Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden
wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op
de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden
bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden
minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit
het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers,
nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout
zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard,
waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het
te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest
dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch
linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit
dat het niet tot het doel, om een geheel jaar te dragen geschikt
was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven,
doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste,
uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden
niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.

Een andere voorname soort van handel, was de slavenhandel. Het
verval hiervan was te verwachten. »De droombeelden van zoogenaamde
philosophen", zoo leest men in de Memorie van Heshuysen: »verklaren
zich tegen dien handel, en beschouwen hem als strijdende tegen de
natuur der menschen--en aan het toegeven aan die droombeelden dankt
Frankrijk het verlies van St. Domingo [1008], en het verval van zijne
andere koloniën, en toch niet alleen die zoogenaamde philosophen maar
zelfs sommige mogendheden stellen zich tegen dien handel. Frankrijk
evenwel komt langzamerhand van zijne dwaze philantropie terug. De
slaven-reglementen door Victor Hugues, den tegenwoordigen Gouverneur
van Cayenne, uitgevaardigd, zijn zeer gestreng, en, na den vrede
van Amiens, arriveerde te Suriname een schip onder Fransche vlag,
met een lading slaven, welke hier verkocht werden."

Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding
van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.

Daarna wordt in genoemde memories de handel met Amerika en de
belangrijkheid daarvan voor de kolonie beschreven en tevens betuigd,
dat zonder dien handel er weldra gebrek aan verscheidene onmisbare
artikelen zoude komen [1009].

Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen
gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende
ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd;
eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en
ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand
van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen, beschreven.

De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale
ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis
behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking
wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde
overeen. »Zeldzaam is het", merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op
zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien
moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen."--»Men beschouwt
Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar
en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden,
die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz."

De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche
en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in
acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in
Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.

»De Joden die uit Spanje en Portugal naar Holland waren gevlugt, hadden
voor het grootste gedeelte, eene beschaafde opvoeding genoten, en er
waren vele rijken en aanzienlijken onder hen. Toen zij in Holland
aankwamen vonden zij aldaar een aantal geloofsgenooten, die uit
Duitschland, Polen en Rusland geweken, in Holland godsdienstvrijheid
genoten en aan wie tevens eenige burgerlijke regten waren
verleend. Deze geloofsgenooten echter waren grootendeels onbeschaafd,
ruw en arm en met dezulken wilden de Portugesche Joden geen gemeenschap
oefenen. Zij vormden daarom eene afzonderlijke gemeente; ieder had hare
eigene synagoge en zoo ver ging die afscheiding, dat er bepaald werd,
dat geen huwelijken onder elkander zouden mogen plaats hebben. Die
laatste bepaling werd wel door de wet des lands niet geldig verklaard,
doch men hield er zich evenwel naauwkeurig aan. Van beide Israëlitische
gemeenten vestigden zich leden in Suriname, maar ook daar werd die
afscheiding streng gehandhaafd. De regtsmagt aan de Joden op hunne
Savane toegestaan en aldaar door hen uitgeoefend, strekte zich slechts
tot de Portugesche en niet mede tot de Duitsche Joden uit [1010].

De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens
uitvoerig medegedeeld--haar op te nemen zou slechts eene herhaling
zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal
Gouvernement waren, wordt opgegeven als:

Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen
450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers
150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de
rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen
en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de
Coppename en Cassawina hielden.

Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende
Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar
in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne
meesters ontvlugte slaven.

De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen,
700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers,
670 mannen, 630 vrouwen en 1200 kinderen, te zamen 2450 personen;
Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen,
te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement
in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg
alzoo 5200 personen.

De Indianen waren in drie stammen verdeeld: Caraïben, Arrowakken en
Warauen. Hun aantal werd op vier à vijf duizend mannen, vrouwen en
kinderen, begroot. Deze allen leefden in goede verstandhouding met
het koloniaal bewind [1011].

Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke
memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche
bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te
lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf,
bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring
over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green
bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren
hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde
de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg
met het Hof van Policie.

Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere
mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq.,
den tweeden secretaris van staat voor het Departement van koloniën,
waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en de lords
commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de
betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend,
zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris
geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green
wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor
hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister van koloniën,
als Boekhouder-Generaal aanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd
met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van
Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in,
om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester,
niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van
Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen
raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen,
werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief
opgedragen aan den provisioneelen Boekhouder-Generaal Heshuysen »een
man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met de finantiële
en andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk
wel bedreven in het Engelsch" [1012].

De kolonie was rustig; tegen een onverhoedschen aanval der
in de W. I. zee kruisende Fransche zeemagt waren behoorlijke
voorzorgsmaatregelen genomen; de nieuwe vijand: Spanje, die mede
Engeland den oorlog had verklaard werd niet zeer gevreesd [1013],
zoodat Green vermeende grond te hebben, om te gelooven, dat de kolonie
Suriname niet gemakkelijk uit de handen van het Britsch bestuur zou
worden gerukt [1014].

De gezondheid van Green had door een langdurig verblijf in Tropische
gewesten, veel geleden; tevens verlangde hij naar Oud-Engeland;
om welke redenen hij verlof vroeg, om naar Engeland terug te mogen
keeren [1015]; dit verlof werd hem toegestaan en bepaald, dat de
Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, tijdens zijne afwezigheid,
het burgerlijk en militair bestuur zou waarnemen [1016].

Den 13den April 1805 gaf Green hiervan kennis aan het Hof van Policie,
en stelde der vergadering de vraag voor, of men nog eenig verzoek aan
Z. B. M, had te doen, hetgeen hij dan, bij zijne komst in Engeland,
gaarne in persoon zou willen ondersteunen. Het Hof betuigde, bij
deze gelegenheid, zijn leedwezen over het vertrek van een man »in
wiens magt het had gestaan," zoo luidde het antwoord: »om de kolonie
het lot des oorlogs te doen ondervinden, dan in steede van dit hadde
hoogst zijn Edele Gestrenge alles aangewend, wat tot geluk, welvaart
en voorspoed van dit wingewest heeft kunnen strekken" [1017].

Den 15den April 1805 wierd den volke bij publicatie kennis gegeven
van het aanstaande vertrek van den landvoogd [1018]; en reeds twee
dagen later, den 17den April, verliet Green de kolonie.

De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12den April
te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene
vergadering van het hof van Policie op den 18den dierzelfde maand,
waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als
Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.

De korte regering van Green was vrij rustig geweest; doch zijn
plaatsvervanger daarentegen had gedurende zijn bestuur met vele
moeijelijkheden te kampen. Al kort na zijne optreding begon zich eene
schaarschte aan sommige artikelen in de kolonie te openbaren. Door
de aanwezigheid eener vijandelijke zeemagt in de W. I. zee, werd de
correspondentie zeer bemoeijelijkt, zoodat er reeds drie brievenmalen
te Barbados waren aangekomen, zonder dat men in Suriname er een van
had ontvangen [1019]; maar bovendien had de geregelde aanvoer der
provisiën, met Engelsche schepen, geen plaats gevonden.

De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was
achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van 7 December
1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan
men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter,
rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch,
traan, lijn- en raapolie, kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring
was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge
prijzen te bekomen.

En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch
en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de
plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek
konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo
en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet
worden ontbeerd voor de slavenbevolking.

De traan was benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij
welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; de raap- en
spermacetie-olie voor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de
blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd,
de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep
tot het wasschen van linnen, enz.

Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de
Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te
zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats
vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.

In dit ter dier zake ingeleverd verzoekschrift werd verzocht: om,
behalve den invoer der artikelen, bij Proclamatie van 24 April 1805
vrijelijk aan Amerikaansche of andere neutrale schepen vergund die
vergunning uit te strekken tot de bovengenoemde artikelen en dit
tot het einde van het jaar 1805. Ten einde te zorgen, dat Engeland
boven andere natiën bevoorregt bleef, bood men aan, om, boven het,
van het reeds per neutrale schepen aangevoerde, regt van 8 pCt.,
hiervoor nog 12 pCt. inkomende regten te betalen, en den uitvoer
tot rum en melassie beperkt te houden. Zoo de Gouverneur bezwaren
had omtrent den invoer van kaarsen en zeep, die anders voornamelijk
uit Engeland kwamen, wilde men die bovendien nog met 10 pCt. extra
inkomend regt belasten, »waaruit", gelijk men ten slotte aanvoerde:
»genoegzaam bleek, dat het volstrekt niet in de bedoeling van het
Hof lag, om vreemdelingen met Engelschen gelijk te stellen" [1020].

Hughes antwoordde hierop, dat hij onmogelijk dit verzoek kon toestaan,
daar het tegen de scheepvaart- en handelswetten van Groot-Brittanje en
tegen verscheidene, onlangs uitgevaardigde, besluiten van het Parlement
streed. Hij gaf als zijne meening te kennen, dat de Britsche zeemagt in
de W. I. zee, weldra genoegzaam zou zijn, om den handel te beschermen;
doch--zoo er volstrekt gebrek aan het een of ander mogt komen, en de
gelegenheid zich aanbood, om hierin door middel van neutrale schepen
te voorzien--dan zoude hij daartoe toestemming verleenen [1021].

Bij een herhaald dringend aanzoek van het Hof verleende Hughes, bij
publicatie van 28 Augustus 1805, vrijheid tot den invoer van Boter,
Visch, Kaas en Olie [1022]. Ook later, toen de nood dit vereischte
en de Engelsche schepen geen vleesch en spek hadden aangebragt,
kocht hij dit van een Amerikaansch schip [1023].

De ongunstige staat van de geldmiddelen der Kolonie, welke reeds
onder Green bestond, bereikte weldra eene hoogte, die voorziening
noodzakelijk maakte. De te korten in de onderscheidene kassen
(zie bladz. 529) namen toe--in de kas der Modique lasten was een
nadeelig slot van f 400,000.--; in de kas ter verdediging tegen de
wegloopers ruim f 100,000.-- en de belastingen, die reeds drukkend
waren, konden moeijelijk verhoogd worden. Wat dan nu te doen? Het
Committé van Finantiën stelde voor, om het Hoofdgeld van f 1,-- tot
f 2,10 te brengen,--maar hoe weinig baatte dit; Hughes sprak er van,
om eene leening te sluiten,--doch waar zou men de gelden vinden ter
betaling der interesten; Heshuysen betoogde, dat de beste wijze,
om in den nood te voorzien, bestond: in de uitgifte van kaartengeld
of obligatiën. [1024]

Tot het opvolgen van dien raad van Heshuysen werd weldra besloten;--men
was in Suriname hier zoo aan gewend--en, na verkregen magtiging van
het Britsch bestuur, werd het papieren geld op nieuw vermeerderd met
4000 billets de banque, ieder à f 125 dus te zamen voor eene som van
f 50,000. Het Britsch Gouvernement had bij het verleenen van zijne
toestemming hiertoe, echter uitdrukkelijk bepaald, dat men de noodige
voorzorgen moest gebruiken, ten einde het Britsch bewind, zoo Suriname,
bij den vrede, teruggegeven werd, voor alle aansprakelijkheid ten
deze te vrijwaren [1025]. Deze maatregel hielp echter weinig; spoedig
heerschte er op nieuw geldgebrek in de koloniale kassen. Een op nieuw
aangevraagde vermeerdering van papieren geld werd nu door de Engelsche
regering niet toegestaan [1026], en zoo wist men weldra niet meer
wat te doen:--alleen voor het onderhoud van het vrijcorps kwam men
jaarlijks meer dan f 100,000 te kort. Het Hof drong bij herhaling aan,
om vrijheid te erlangen tot vermeerdering van het papieren geld, of
ondersteuning der Engelsche regering te ontvangen voor het onderhoud
van het vrijcorps [1027].

De gedurige vermelding der geldkwestiën neemt eene groote plaats in
deze geschiedenis in, en dit verwondere niemand: want speelt overal
in de burgerlijke maatschappij het geld eene groote rol, in eene
volkplanting, waar het voornaamste doel der zich nederzettenden is:
geld te verdienen, overheerscht de geldkwestie bijna alle andere. Dat
het beoogde doel: rijk te worden, velen in den strik deed vallen en
in meniglei verzoekingen bragt, bevestigt op nieuw de waarheid van
Gods Woord, hetwelk dit heeft voorzegd. Op het goud, verkregen ten
koste van het zweet en bloed van medemenschen, rustte geen zegen. Het
vermogen, dat niet, onder den zegen Gods, door eigen inspanning
verworven, maar door aan anderen afgepersten arbeid is verkregen,
werd roekeloos verkwist en evenmin als er orde en spaarzaamheid
heerschten in de beheering der koloniale geldmiddelen, evenmin
was dit, in den regel, bij particulieren te vinden. Vandaar dat
er gedurig veel meer dan ergens elders, regterlijke vervolgingen,
verkoop bij executie en gijzeling om schulden plaats hadden. Soms
ook trachtten personen de kolonie te verlaten, ten einde vrij van
hunne schuldeischers te zijn. Om dit te beletten werd door Hughes eene
verordening uitgevaardigd, waarbij kennis werd gegeven: dat er voortaan
geen passen aan vertrekkende personen zouden worden afgegeven, ten zij
men, 14 dagen vooraf, daarvan ter Gouvernements-Secretarie aangifte
deed, en zulks in de nieuwspapieren werd afgekondigd, ten einde
de crediteuren gelegenheid te geven, zich daartegen te opposseren,
in geval van niet voldoening hunner vorderingen [1028].

In naauw verband met het doel »geld te verdienen", stond de telkens
benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En
hierin kwam weldra eene groote verandering.

De welsprekende stemmen van mannen als Wilberforce, Buxton en andere
menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang
als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter
telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich
niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren
gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen;
eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later
bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De
Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst
die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.

Het ligt niet in ons plan om hier eene geschiedenis van de afschaffing
des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der
slavernij in Britsch koloniën werd gevolgd, te schrijven; wij willen
ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze
maatregel in Suriname teweeg bragt.

Bij Parlements-acte van 23 Mei 1806 was bepaald, dat jaarlijks geen
grooter aantal slaven, ter vermeerdering of aanvulling der magten,
mogt worden ingevoerd, dan hoogstens drie voor ieder honderdtal,
reeds in de kolonie aanwezig. Hughes handelde overeenkomstig deze
verordening. In 1806 verleende hij vergunning tot den aanvoer van
987 slaven [1029]; in 1807 tot een getal van 467 [1030].

In Suriname was men over deze beperking zeer ontevreden; men wendde
zich daarom bij herhaling tot den Luitenant-Gouverneur, en toen dit
bleek vergeefs te zijn, door tusschenkomst van Engelsche agenten,
aan de Britsche regering. Zekere Simon Cock te Londen, agent van
Melville in Suriname, leverde een verzoekschrift aan het Britsche
Gouvernement in; hij uitte daarin de meening, dat indien deze maatregel
werd doorgezet, de kolonie, in plaats in bloei toe te nemen, onder
het Britsch bestuur, belangrijk zou achter uitgaan. Melville had, ten
bewijze van de noodzakelijkheid van een ruimeren aanvoer van slaven,
o. a. aan Cock gemeld, dat er, op verscheidene plantaadjes vooral
een groot gebrek aan vrouwen was, daar er zich soms honderd mannen
tegen slechts vijf vrouwen bevonden [1031].

Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid
blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur
over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over,
of de slavenmagten alzoo moesten afnemen, zoo men door nieuwen invoer
hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding
tot gruwelen van allerlei aard.

De meermalen herhaalde verzoeken, om opheffing der beperking van den
slavenhandel, werden niet toegestaan. Integendeel, in December 1807
ontving men in Suriname de Parlements-acte betreffende de geheele
afschaffing van den slavenhandel, welke met 1 Januarij 1808, in
werking zoude komen [1032].

De eischen van godsdienst en menschelijkheid hadden over die van
zelfzucht en eigenbelang gezegevierd: Engeland had den eersten stap op
den goeden weg gedaan, die weldra door de andere Europesche mogendheden
werd nagevolgd; en--hoezeer men zich in Suriname over dien maatregel
beklaagde--men was genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Men
deed dit echter noode en trachtte nu zich door den sluikhandel in
slaven schadeloos te stellen, en alzoo werden nog jaarlijks vele dier
ongelukkigen ingevoerd. Vooral werd die sluikhandel in het district
Saramacca gedreven. Reeds vroeger was de aanmerking gemaakt, dat door
de onder Friderici plaats gehad hebbende uitgifte van gronden ter
cultivatie, die in genoemd district gelegen waren en het dientengevolge
omhakken der bosschen aan den zeekant, de verdediging der kolonie
moeijelijk was geworden, omdat de vijand daar landingsplaatsen kon
vinden. Bleef dit echter moeijelijk voor zware oorlogsschepen, ligtere
vaartuigen, en men bezigde na de afschaffing des slavenhandels, kleine
doch snelvarende schepen, om de slaven ter sluik in te voeren, konden
er hunne lading meermalen ongehinderd aan wal brengen. Zelfs spreekt
men van kanalen, die opzettelijk tot dit doel zijn gegraven. Om deze
kwade praktijken tegen te gaan verbood Hughes, bij proclamatie, de
verdere cultivering dezer gronden [1033]. En toch niettegenstaande
al deze voorzorgsmaatregelen begroot men het getal der slaven, die
jaarlijks ter sluik werden ingevoerd, op duizend.

Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die
de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps
negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo
veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van
het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten
voor de overvallen en strooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook
nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit
corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo
algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd,
dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid
was nimmer getwijfeld.

Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt:
»Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie,
bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren,
een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje
(allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door
eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch
zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar,
dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen
is bijna onmogelijk."

Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30
man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen
gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van
de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden--en dan wie
wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van
de post Armina bleef gegrond te zijn.

De revolterende Negerjagers kwamen aan gezegde post; het aldaar
gestationeerd detachement vereenigde zich met hen, de aanwezige
blanken, de officieren en chirurgijn werden vermoord; een ander
detachement aan de post Mapane revolteerde mede en trok zich in
de bosschen terug; de officieren en de sergeant ontsnapten echter
gelukkig. Het geheele getal der oproerlingen bedroeg nu tusschen de
zestig en zeventig zielen. [1034]

De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister. Er
schijnt geene voorafgaande muiterij te hebben plaats gehad, doch
het plan tot den opstand was reeds gevormd toen de Majoor Gordon de
Negerjagers op de Brandwacht, lang vóór de komst der Britsche troepen,
commandeerde. Of de zucht naar geheele onafhankelijkheid hen tot
deze daad heeft bewogen; of dat zij in den laatsten tijd minder goed
behandeld waren, hetgeen het Britsche Gouvernement waarschijnlijk
achtte [1035], en zij, daarover wrevelig, tot opstand overgingen;
of dat, gelijk door sommigen beweerd werd, de planters, voor hooge
prijzen, slaven aan het vrijcorps hadden afgestaan, die door hun
oproerigen aard reeds op de plantaadjes gevaarlijk waren, wagen wij
niet te beslissen. Misschien wel hebben al deze genoemde oorzaken in
meerdere en mindere mate hiertoe medegewerkt. Hoe dit dan ook ware,
het was een onrustbarend feit; want--het corps dat, vóór den opstand,
uit 20 onder-officieren en 336 manschappen bestond, werd hierdoor
aanmerkelijk verzwakt, en men voelde vrees omtrent de getrouwheid
der overigen. Die vrees, ofschoon niet ongegrond, werd echter niet
verwezenlijkt: de opstand breidde zich niet verder uit. Hughes nam
evenwel de voorzorg, om op de posten bij het Cordon, die tot hiertoe
alleen aan de Negerjagers waren toevertrouwd, ook andere soldaten
te plaatsen en--sedert was daar, gedurende het Engelsch bestuur,
eene vrij sterke militaire magt aanwezig.

Een ander bezwaar was:

Zeventig à tachtig goed gewapende negers, met de wijze van krijgvoeren
in de bosschen bekend, stonden vijandig tegen de blanke bevolking
over; zij vereenigden zich met de Bonni-negers en deden de kolonisten
door rooven en plunderen en wegvoeren van slaven, in gestadige angst
leven. Zij waren stoutmoedig genoeg: want in November vielen de
opstandelingen en een groot aantal Bonni-negers, de nu door soldaten
bezette post Armina aan; doch door het dapper gedrag der bezetting
werden zij, na een hardnekkig gevecht, genoodzaakt af te trekken
[1036].

Men beproefde om hen in hunne schuilhoeken te vervolgen, doch
nutteloos. Hughes begaf zich in persoon naar Armina, ten einde het
terrein te verkennen en daarna maatregelen te nemen; hij zag echter
de onmogelijkheid in, om met eenige hoop op goed slagen, dieper de
bosschen in te dringen en hij moest onverrigter zake terug keeren
[1037].

Later vielen vier der oproerlingen den blanken in handen; list vermogt
meer dan geweld. Een plantaadje-slaaf was door de muiters met geweld
van zijne plantaadje gesleept, en werd hard door hen behandeld. Streng
bewaakt, was het hem onmogelijk te ontsnappen, totdat zich eindelijk
eene gelegenheid opdeed, om uit hunne magt te geraken, welke hij gretig
aangreep. De muiters verlangden vrouwen te bezitten, en hun gevangene
verhaalde hun nu, dat hij, op de plantaadje zijns meesters eene
zuster en twee nichten had, die zich ongetwijfeld zouden verheugen,
als zij bij de geheel vrije negerjagers mogten wonen; doch zij hadden
geene gelegenheid om van haren meester te ontvlugten. Hij deed hen
daarop een voorslag dien zij eerst mistrouwden, daarna bespraken, en
eindelijk besloten ten uitvoer te leggen. Na eene sterke bedreiging
van den plantaadje-slaaf, dat zij hem, bij het geringste blijk van
verraad, zouden dooden, werden vier man, behoorlijk gewapend, met hem
afgezonden, om de bedoelde vrouwen te halen. In eene boot voeren zij de
rivier af en naderden weldra de plantaadje; voor het aan wal stappen
maakte de slaaf hen opmerkzaam, dat zij, indien zij soms met hunne
wapenen werden gezien, gevaar liepen ontdekt te worden, waarom hij hun
raadde de geweren achter te laten. De negerjagers luisterden naar dezen
raad, stapten in den avond aan wal, gingen naar de plantaadje en vonden
daar in eene hut de drie meisjes. De plantaadje-neger wist heimelijk
zijn voornemen aan haar bekend te maken, waarop zij schijnbaar zich
genegen betoonden om mede te gaan. De vier jagers dachten nu hun doel
bereikt te hebben; in blijdschap hierover vergaten zij alle gevaar,
dronken de aangebodene rum en werden vrolijk. Toen zij door de in
groote hoeveelheid gebruikte rum beneveld, niet meer wisten wat er
omging, liep de slaaf haastig tot zijn meester en deelde hem deze zaak
mede. De hut werd omsingeld, de vier negerjagers overrompeld, gebonden
en naar Paramaribo gebragt. Hier werden zij scherp ondervraagd, en
bekenden, dat de muiters hulp van de Aucaners hadden genoten, die ook
hadden gezworen, hen niet te zullen verraden. Een hunner stierf in de
gevangenis; de drie overgeblevenen werden den 20sten December 1806
ter dood gebragt. Het Hof van Policie had er sterk op aangedrongen,
dat de straf van radbraken op hen werd toegepast; doch Hughes wilde
deze barbaarsche straf niet doen uitvoeren. Zij werden dus gehangen,
daarna onthoofd en hunne ligchamen verbrand. [1038]

Gelijk wij reeds op bladz. 522 hebben aangemerkt, was het eigenlijke
hoofdkwartier der Britsche magt in West-Indië te Barbados gevestigd;
zoodat de gouverneurs der andere koloniën zich bij belangrijke
zaken, als verlangde versterking der krijgsmagt, enz., zich tot
den te Barbados residerenden opperbevelhebber moesten wenden,
terwijl aan officieren van minderen rang, onder de respectieve
Gouverneurs in iedere kolonie het gezag over de aanwezige militairen
werd opgedragen. Voor Suriname echter werd, in het begin van 1806,
een hoofdofficier de Majoor-Generaal Archer benoemd, om het bevel
over de krijgsmagt aldaar te voeren. Hughes stelde dientengevolge
op de vergadering van het Hof van Policie voor, om dien onlangs in
de kolonie gearriveerden officier, overeenkomstig zijn hoogen rang,
eene toelage uit de koloniale kas te verstrekken; in welk voorstel
werd toegestemd, en de jaarlijksche toelage op f 12,000 bepaald. [1039]

Archer dankte per missive voor deze gracieuse toezegging; doch kon
echter zijne teleurstelling niet ontveinzen, die hij bij zijne komst in
Suriname had ondervonden. Hij was namelijk gekomen in de verwachting
van zoowel het burgerlijk als het militaire bestuur op zich te nemen,
en zag nu zijn werkkring alleen tot het laatste bepaald. Archer deelde
in zijnen brief daaromtrent het een en ander mede: »Sir Charles Green",
zoo schrijft hij: »had verlof aan Z. M. gevraagd, om naar Europa terug
te keeren; Hughes had hetzelfde verzoek gedaan. Ik was toen bij den
staf in Ierland; een vriend van mij en van Hughes stelde mij voor, om,
bij het openvallen der betrekking, van Gouverneur waarin ik nuttig kon
zijn, hiernaar te dingen. De hoop waarlijk nuttig te kunnen zijn, was
de reden en de reden alleen, waarom ik aanbood, om in een tropisch
element te dienen, ik wendde mij dus tot den opperbevelhebber,
en Z. K. H. was zoo vriendelijk, om zijnen secretaris een brief
over deze zaak te dicteren aan den Bevelhebber der Britsche magt in
W. I. William Meyers. Het is van algemeene bekendheid, dat deze heer,
sedert door Beckwitz vervangen, mij voor de kolonie Suriname wenschte
en reeds was er bevel gegeven, dat hetzelfde vaartuig dat mij zou
overbrengen den Brigadier Generaal Hughes zou terugvoeren." Daar
Archer dus zeer teleurgesteld was, verzocht hij de Britsche regering
naar Europa terug te mogen keeren. [1040]

Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het
schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze
met elkander verkeerden.

De voorname aanleiding hiertoe was het volgende. Volgens gewoonte
hadden de afstraffingen der slaven, met Spaansche bokken, plaats
op het plein van het fort Zeelandia, waar zich tevens het Militaire
Hoofdkwartier bevond. Reeds onder het Protectoraat (1799-1801) hadden
de Britsche krijgslieden zich beklaagd over: »het bijna dagelijks
voorkomende spektakel, als zeer onaangenaam en rebutant." Friderici
had toen aan het Hof voorgesteld om deze straf af te schaffen of op
eene andere plaats te doen executeren [1041]; doch daar de Engelschen
kort daarop de kolonie verlieten, was noch het een noch het ander
geschied, en nog, bijna dagelijks, werden die wreede barbaarsche
straffen op dezelfde plaats den armen slaven toegediend. De Engelsche
officieren en soldaten waren hierover zeer verontwaardigd, en een
hunner kapitein Cramstown schreef een brief aan Archer, uit aller
naam, waarin hij o.a. getuigde, dat dergelijke strafoefeningen
niet slechts tegen alle menschelijkheid streden, maar dat ook de
kreeten der ongelukkige wezens, gedurende hunne pijniging geslaakt
(the cries of these poor wretches, suffering torture) de soldaten in
de vervulling hunner pligten hinderden. [1042]

Archer deelde dezelfde overtuiging en verzocht daarom aan Hughes,
dat hij bevel zou geven, om de kastijding der slaven niet langer op
het hoofdkwartier van Z. B. M. troepen te doen plaats vinden: daar
het menschelijk gevoel er tegen opkwam en het de Britsche vlag, onder
welker bescherming zoo iets gebeurde, onteerde, enz. [1043]. Aangezien
Archer geen dadelijk antwoord daarop ontving, wendde hij zich na
eenige dagen opnieuw tot Hughes, met herhaling van het vorige verzoek
[1044]. Hughes berigtte hem toen, dat hij zijne brieven en die van
kapitein Cramstown aan het Hof overgelegd en de inhoud daarvan aan den
Fiscaal had medegedeeld en het antwoord daarop afwachtte [1045]. De
Fiscaal antwoordde reeds den volgenden dag. Hij rekende zich zeer
beleedigd over de woorden in Cramstown's brief »the cries of these poor
wretches suffering torture;" daar die woorden eene beschuldiging tegen
hem Fiscaal inhielden, als of hij torture (pijniging) toe liet. Verder
verklaarde hij, dat Zeelandia de geschikste plaats voor dergelijke
afstraffingen was, daar men er ook tevens de gevangenis had; dat men
het sedert onheugelijke jaren alzoo gewend was, en dat het tevens
een regt der ingezetenen was hunne slaven daartoe naar het fort te
zenden [1046]. Archer intusschen bleef aanhouden en verweet Hughes,
dat hij van zijne magt geen beter gebruik maakte [1047].

Hughes zond hierop naar Archer copij der Notulen van het Hof der
Policie, gehouden den 22sten Februarij 1806. De leden van het Hof
beschouwden deze daad van Archer als eene poging tot verkrachting
der wetten, die zelfs door den Souverein waren bekrachtigd; overigens
kwam hunne beschouwing met die van den Raad-Fiscaal overeen [1048].

Archer verdedigde zich tegen de aantijging als of hij gepoogd had, de
door zijnen Souverein bekrachtigd koloniale wetten, te verkrachten;
tevens beschuldigde hij Hughes van zwakheid en inconsequentie, daar
hij wel op eigen gezag belastingen had durven uitschrijven en toch
niet een zoo groot kwaad durfde tegen te gaan. Om de bewering dat
die straf geene pijniging was te logenstraffen, beschreef hij in
gloeijende kleuren, het toedienen eener zoogenaamde spaansche bok;
welke beschrijving, hoe waar ook, wij nogtans om het gevoel onzer
lezers te sparen, achterwege laten. »Niet naar evenredigheid der
misdaad van den gestrafte" eindigt hij zijn brief, »maar naar de
door den meester betaalde som, worden meer of minder hevige slagen
of een meer of min groot getal toegediend. Met het Hof of met den
Fiscaal heb ik niets te maken; alleen met u en ik verzoek u hierover
naar Engeland te schrijven of anders zal ik het doen" [1049]. Hughes
antwoordde slechts, dat hij zijn brief had ontvangen [1050]; een later
door Archer begeerd mondgesprek werd hem afgewezen, op grond, dat hij
in zijn karakter als militair en als Luitenant-Generaal was beleedigd
geworden. Hughes zond de onderscheidene documenten, betreffende
deze naar Beckwitz; hij beklaagde zich zeer over den trotsheid en
onhandelbaarheid van Archer, die met ieder kwade vrienden werd, en
verzocht aan Beckwitz om Z. K. H. verder omtrent deze kwestie in te
lichten, opdat Archer niet door eenzijdig verhaal zijn goeden naam
en eere zoude benadeelen [1051]. Archer verliet weldra de kolonie;
de zaken bleven op den ouden voet en de kastijding der slaven op het
fort Zeelandia alzoo voortduren.

Van verschillende zijden rezen klagten over de handelwijze der beambten
van Z. M. Customhouse. Die klagten hielden in, dat zij te hooge
belooningen eischten; dat zij willekeurig de kantooruren verkortten en
indien zij in tusschen-uren de belanghebbenden hielpen, het dubbelde
der gewone som verlangden; en eindelijk, dat zij het den burgers zeer
lastig maakten, door, zonder de wetten der kolonie in acht te nemen, in
de pakhuizen te dringen, ten einde te onderzoeken of er zich sluikwaren
in bevonden. In hoe verre deze klagten gegrond waren is moeijelijk met
zekerheid te bepalen. Omtrent de eerste beschuldiging, beweerden de
ambtenaren van het Customhouse, dat zij hun wettig tarief niet hadden
overschreden; doch, omdat het kaartengeld in waarde was verminderd en
in plaats van f 12,-- voor een pond sterling thans f 24.-- moest worden
betaald, zij volgens dien koers rekenden; de tweede beschuldiging
werd bepaald door hen ontkend en wat de derde betrof, getuigden zij
hiertoe door de noodzakelijkheid om hun pligt te vervullen, te zijn
gedwongen geworden. Omtrent deze laatste beschuldiging werden door
de joden Sanches en Abrahams klagten bij Hughes en bij het Hof van
Policie ingeleverd. Cameron, de hoofdambtenaar bij Z. M. Customhouse,
was met eenige lieden bij het pakhuis van Sanches gekomen, en had den
eigenaar verzocht, hetzelve te mogen onderzoeken, daar hij vermoedde,
dat er gesmokkelde goederen in waren. Sanches erkende hem niet in zijne
functie en weigerde dus het verzoek toe te staan. Cameron trok hierop
een dolk en herhaalde met hooge woorden zijn verzoek; Sanches week
op zijne bedreiging terug; vervolgens was »een hoop vreemde lieden"
in het pakhuis gegaan en had 5 kistjes en 5 trossen touw uit het
pakhuis naar het Custom-house vervoerd [1052].

De tweede Fiscaal Lolkens, die provisioneel als eerste fungeerde,
daar Spiering, om redenen van gezondheid zijn ambt had nedergelegd,
trok zich deze zaak aan. Hij vermeende dat Cameron in zijne regten had
ingegrepen, en achtte zich hierdoor beleedigd. Lolkens wendde zich,
per geschrifte, tot Hughes en stelde hem de navolgende vragen voor:
1o. of Cameron en de andere ambtenaren van het Customhouse al of niet
aan de wetten der kolonie onderworpen waren; 2o. of hij (Lolkens)
inzage mogt hebben van de wetten en reglementen voor het Custom-house,
om dienovereenkomstig te kunnen handelen. Verder verlangde hij dat
Hughes Cameron verbieden zou de door hem medegenomen goederen te
verkoopen, totdat de Fiscaal zijn onderzoek volbragt en daarover
rapport had gedaan. [1053]

De door Hughes aan Lolkens daarop verleende inlichtingen kwamen
laatstgenoemden niet genoegzaam voor; terwijl Hughes zijne vragen
niet categorisch, maar eenigzins onbepaald had beantwoord; doch hem
zeer bepaald aan zijnen pligt had herinnerd, om de ambtenaars van 's
konings Customhouse te protecteren. Lolkens diende nu een uitvoerig
rapport bij het Hof in, en verklaarde daarin, dat de tolbeambten zich
meermalen met geweld toegang tot de pakhuizen der ingezetenen hadden
verschaft [1054]. Ook Sanches en Abrahams leverden rekwesten in aan
het Hof en--aldaar onstonden over deze zaak hevige discussiën.

Hughes wilde deze zaak door commissarissen, daartoe door het Britsch
bewind te benoemen, doen onderzoeken; hij zelf was niet te vreden over
de beambten bij het Custom-house[Customhouse] en hij had reeds vroeger
moeijelijkheden met Cameron gehad, bij gelegenheid dat door het Britsch
Gouvernement zekere heer Bollingbroke naar Suriname was gezonden,
om het ambt van vendue-meester te aanvaarden, en Cameron dit officie
niet aan dien heer wilde overgeven [1055]. Hughes vermeende evenwel,
dat Lolkens te ver ging en zijn eerbied voor de Britsche magt te veel
uit het oog verloor, waarom hij hem uit zijn ambt ontsloeg [1056].

Door het Britsch Gouvernement werd vervolgens een onderzoek
ingesteld en hiermede Charles Thesinger, Collector of H. M. Customs
at St. Vincent belast. Het daarover door dien heer (na den dood van
Hughes) ingediend rapport behelsde hoofdzakelijk, dat de klagten
overdreven waren, dat particuliere grieven tusschen Hughes en de
ambtenaren van het Custom-house tot eene onbillijke beoordeeling
der laatsten hadden geleid; dat de Joden verbaasd veel sloken en
streng onderzoek bij hen daarom noodzakelijk maakte; kortom, dat de
ambtenaren van Z. M. tolhuis niet met regt van pligtverzuim konden
worden beschuldigd [1057].

De landbouw en handel gingen tijdens het bestuur van Hughes niet
achteruit. Van 5 Januarij 1807 tot 5 Januarij 1808 werden uitgeklaard:
naar Engeland 31 schepen, naar de Britsche bezittingen op het vaste
land van Amerika 8, naar Britsche West-Indische eilanden 23, naar
de neutrale staten van Amerika 28, te zamen 118 schepen, beladen met
voortbrengselen der kolonie. Bij de levendigheid van de scheepvaart
verloor men wel eens de noodige voorzorg, om steeds bij het convooi
te blijven, uit het oog; zoo werden in September o. a. drie uit de
kolonie vertrokken schepen, tengevolge dier onvoorzigtigheid, door
een Franschen kaper buit gemaakt: een dier schepen, de Neptunes,
had goederen en papieren voor de Britsche regering aan boord [1058].

Hughes intusschen verlangde naar Engeland terug te keeren; hij verzocht
en verkreeg daartoe verlof [1059]; echter heeft hij Engeland niet weder
gezien; daar hij voor zijn vertrek nog in Suriname (27 September 1808)
overleed [1060].

John Wardlau, de bevelhebber van de krijgsmagt nam, tot nadere
beschikking van Z. B. M. het burgerlijk bewind op zich. Gedurende dit
tusschenbestuur, van 27 September 1808 tot 1809, is weinig anders
geboekt, dan dat de planters aan Wardlau eene memorie inleverden;
waarbij zij vergunning verzochten, om--zooals dit reeds aan planters
te Essequebo en Demerary was toestaan--hunne ladingen, onder
een behoorlijk convooi, direct naar Engeland te mogen verzenden,
in plaats van genoodzaakt te worden den omweg te nemen langs de
eilanden onder den wind en St. Kits, die daarenboven gevaarlijker
was [1061]. Echter geschiedde er tijdens dit interims-bestuur een
belangrijk feit, dat wel niet in Suriname voorviel, maar toch voor
genoemde kolonie, vooral voor hare veiligheid niet onbelangrijk was,
namelijk: Cayenne werd door den Franschen bevelhebber, bij verdrag,
aan Z. K. H. den Prins Regent van Portugal, toenmaals Bondgenoot van
Groot-Brittanje en den Britschen vlootvoogd IJko overgegeven.

De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot
de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan,
omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven
de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes,
waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne
strenge reglementen, zie bladz. 537, hadden zeker de gemoederen der
slaven verbitterd).

Hugues stelde o. a. als voorwaarde, dat de negerslaven ontwapend en
naar hunne plantaadjes zouden terug gezonden worden, en dat zij, die
door Z. K. H. den Prins Regent in militaire dienst waren aangenomen
en in vrijheid gesteld, uit de kolonie zouden worden verwijderd,
daar men van het verblijf dezer lieden, voortaan niets dan onrust en
verwarring kon te gemoet zien [1062].

Het Britsche Gouvernement vermeende de bevolking der koloniën Suriname
en Demerary genoegen te doen, door de vacante Gouverneursplaatsen door
Hollanders te doen vervullen. De keuze daartoe viel op de gebroeders
Bentinck, afstammelingen van een oud aanzienlijk en in de geschiedenis
bekend Hollandsch geslacht, die, omdat zij zich niet met de bestaande
orde van zaken in Nederland konden vereenigen, naar Engeland waren
uitgeweken. Baron Henry Bentinck werd tot Gouverneur van Demerary;
Baron Charles Bentinck werd tot Gouverneur van Suriname benoemd,
en zij vertrokken, ter aanvaarding hunner betrekking in April 1809
uit Engeland. Baron Charles Bentinck arriveerde den 14den Mei 1809 te
Paramaribo, en werd door John Wardlau, met de meeste vriendelijkheid,
ontvangen. Bentinck vond de kolonie rustig en in de koloniale kassen,
hem door Wardlau overgegeven, eene som van f 383,000 [1063].

Met Bentinck kwam mede: een predikant voor de Hervormde Gemeente,
Ds. P. van Esch, die vroeger op Curaçao had gestaan en een Duitsch
Geneesheer Dr. Suppert. De Hervormde Gemeente te Paramaribo was
reeds twee jaren zonder leeraar geweest; de Engelsche Gouverneurs
hadden telkens het verzoek van het Hof van Policie ter voorziening in
dat gemis, aan het Britsche bewind, ondersteund; doch men had niet
spoedig een geschikt persoon hiervoor kunnen vinden. Aan Bentinck,
die er zich te Londen moeite voor gaf, was dit eindelijk gelukt. [1064]

De komst van Ds. van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte,
daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men
hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst
en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd
in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de
bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was
een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland
zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering
bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote
welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de
Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe
zij behooren. De vermeerdering van het personeel der Geneesheeren
door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.

Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte,
zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs
zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging
hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het
oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende
Gouverneurs, bestaat zoo weinige officieele Correspondentie; daarom
moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden
ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door
zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien
niet geheel onpartijdig zijn.

Voor zoo veel wij uit officieele en andere stukken kunnen opmaken,
komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk
het welzijn van Suriname bedoelde.

Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote
toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek
aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk
wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter
goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld,
vermeenen wij, dat buiten twijfel is.

Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek
echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte,
omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.

Bentinck trachtte hen, zoo goed mogelijk, te bevredigen, en drong bij
het Britsch Gouvernement sterk aan, dat weder de gewone uitdeeling
zou plaats vinden; daar hij zonder deze voor het uitbreken van
vijandelijkheden beducht was [1065].

Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman,
Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen
Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den
Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen,
voornamelijk onder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet
meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd
door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr,
welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest;
doch aan wien Hughes nog vó