Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Oudewater en omtrek - Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst
Author: Zijll, Willem Cornelis van
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Oudewater en omtrek - Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



public domain material from the Google Books project.)



                          OUDEWATER EN OMTREK,

                        GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH
                                   EN
                        GESCHIEDKUNDIG GESCHETST


                                  DOOR
                          W. C. VAN ZIJLL, JZ.


                               OUDEWATER,
                          W. C. VAN ZIJLL, Jz.
                                 1861.



            "De mensch is de weerkaatsing van het aardsche leven,
             dat in hem is, hij ziet de natuur aan en tracht haar
             te verstaan."

                            Dr. Gneis, uitlegging van Siegmund en Rohdes
                            geologische voorstellingen.


            "De mythen worden bij ieder menschenras, in zijne vroegste
             tijdperken gevonden, en bevatten al wat de ouden wisten en
             geloofden. Zij bevatten dus niet alleen geschiedkundigen
             berigten, maar alles wat hun in een zoo vroeg tijdperk
             gewigtig schijnt en waarvan het de kennis wil bewaren en
             voortplanten.... De grondslag dus van de geschiedenis der
             menschheid, ligt in de mythologie."

                                              P. H. Tydeman. Mythologie.


            "De geschiedenis, is voor ieder een gemeenschappelijk
             goed een geestelijke erfschat, die ieder menschen geslacht
             bij zijne aftrede van het groote tooneel des levens nalaat
             aan het nieuwe, dat zijne plaats vervangt. Men mag dat
             schoon erfgoed niet onaangeroerd laten, maar het uitzetten
             op winst, zijne waarde trachten te verhoogen en het
             uitbreiden voor ieder, opdat de geschiedenis voor ons
             nageslacht in een nog ruimeren zin worde, wat zij ons
             bereids was; de spiegel van het leven des menschen in het
             verledene, de leerschool voor vorsten en volken in het
             tegenwoordige en de toekomst."

                          August Thierry, Récits des Temps Mérovingiens.



VOORBERIGT.


Het aanvaarden van den arbeid, dien wij hierachter de eer hebben, onzen
geachten minnaars van plaatsbeschrijvingen aan te bieden, ontsproot uit
verschillende redenen. De voornaamste was echter eene groote voorliefde
voor het onderzoek en de studie van de geschiedenis des Vaderlands.

Het trof mij bij dat onderzoek den naam van mijne geboortestad
Oudewater bijna niet in de historiebladen genoemd te zien; uitgenomen
door de bloedige feiten des jaars 1575, vonden wij den naam van
Oudewater daarin bijna niet en toch speelde het stedeke in de
geschiedenis des vaderlands eene voorname rol. Wàt wij echter vonden
aangeteekend, werd gretig verzameld, geschift, en voor zoo ver wij
konden, tot een vloeijend en beredeneerd geheel gebragt.

De regtvaardigheid vordert van ons de verklaring, dat wij bij het
verzamelen van de bouwstoffen, wat het geschiedkundige gedeelte
aangaat, van de beschrijving van Oudewater door den gewezenen balluw
dezer stede, den Heer G. R. van Kinschot, een ijverig gebruik hebben
gemaakt, en ofschoon dit ten jare 1745 verschenen werk het minste
op volledigheid mag aanspraak maken, zoo heeft hij door dien arbeid
toch de eer, het eerste de spade in den onbewerktuigden akker te
hebben gezet.

De namen der andere bronnen waaruit wij bij het vervaardigen
van dit werk hebben geput, zijn naauwgezet in de noten aangeduid,
echter rekenen wij het ons nog ten pligt, openlijk te berigten, dat
het archief van Oudewater met zijnen inventaris ons goede diensten
bewezen heeft, doordien de Edel Achtb. heer R. W. Haentjens Dekker,
Burgemeester dezer stad, ons met de meeste bereidwilligheid het
gebruik van een en ander vergunde; ook van de Heeren Prof. P. Harting
en Dr. van Geuns, beiden te Utrecht, A. M. Montijn, Oud Burgemeester
en Johannes Putman, te Oudewater, benevens J. van der Lee Az. te
Monnikkendam gewerden ons mededeelingen.

Wat de titel aanbelangt, die wij aan het werk schonken, zij dit
opgemerkt. Iedere vaderlandsche geschiedenis wordt begonnen met eene
korte schets van de vroegere gesteldheid des bodems, wij volgden dit
voorbeeld voor onze plaatsbeschrijving; maar werkten het opstel een
weinig uit en aldus werd dit de geologische schets van dit oord.

Daarna werd de bodem ter bewoning geschikt en men bewoonde hem
spoedig. Het waren echter heidenen die zich op denzelven hadden
nedergezet, wij schetsten hunne godsdienstige vereeringen, verwezen
op de sporen die daarvan zijn, of schijnen overgebleven te zijn,
en dit is de mythologische schets.

En aldus naderden wij tot het 3e deel van dit werk de schets der
beschreven geschiedenis.

De overgang van de eene schets tot de andere ging dus zeer
geleidelijk. Wat het geschiedkundig gedeelte aangaat, dit was bij de
menigvoudige oneenigheden, die hier dikwerf op verschillend gebied
zijn voorgevallen, geen aangename taak; wij plaatsten ons echter
op een onzijdig standpunt en hopen niemand in zijne begrippen te
hebben gekwetst.

Nog iets. Buiten ons toedoen, door verschillende omstandigheden,
is het verschijnen van het laatste gedeelte van dit werk eenigzins
vertraagd, zoodat wij van pag. 531 tot 536 onze mededeelingen tot in
het jaar 1861 hebben gedaan, die wij op pag. 368 ons voorgenomen hadden
tot in 1860 te doen; maar nu het verschijnen toch die vertraging had
ondergaan, konden wij het niet van ons verkrijgen, mededeelingen,
als de spoedige voltooijing van de canalisatie van den Hollandschen
IJssel enz. niet te vermelden.

Wat wij dus ten jare 1858 (het begin van het verschijnen van dit werk)
in onze geologische schets van pag. 25 tot 30 over dit onderwerp
schreven, is nu in 1861 bijna geheel voltooid.

De titelplaat, geteekend en op steen gebragt door onzen stadgenoot,
den Heer E. C. Rahms, stelt voor een gezigt op de groote kerk en den
toren in 1860, de in het jaar 1861 geamoveerde IJsselbrug en den
IJssel voor zijne canalisatie; voorts het wapen der stad, omringd
door allegorische voorstellingen, die geene opheldering behoeven.

En nu mijn lezer! zij u dit werk aangeboden met den wensch, dat
de fouten die er zijn ingeslopen, door u goedgunstig mogen worden
verschoond, en dat deze regelen iets mogen bijbrengen, tot meerderen
luister van ons dierbaar vaderland en Oudewater en omtrek.



GEOLOGIE.

I.

OUDEWATER EN OMTREK,

GEOLOGISCH, MYTHOLOGISCH EN GESCHIEDKUNDIG GESCHETST.


    "De oppervlakte der aarde, onze woonplaats, is bij lange
     na niet altijd in dien toestand geweest, waarin wij haar
     tegenwoordig kennen."

                                                   Dr. W. C. H. Staring.


    "Laat andren Holland plat en laag en leelijk noemen,
     Mij lokt de rijke wei met witte en geele bloemen;
     Ik min het vette rund, dat aan den waterkant
     Een heldren spiegel vindt met loovers om den rand.
     Ik roei graag door de vaart waar waterlelies groeijen,
     'k Hoor graag des kiewits roep, of zie den kemphaan stoeijen;
     Niet in een apentuin gekortwiekt en verminkt,
     Maar op een biezenland naar 's diertjes vrij instinkt,
     Waar 't zwarte waterhoen en de pleviertjes wonen,
     Die schuilen aan den kant of zich ter noô vertoonen.

     Zóó was heel Holland eens...."

                                                   Mr. J. P. Amersfoort.


Indien het waar is, dat beschaving, wetenschap en kunst hand aan
hand gaan, dan zal meestal daar waar eene dezer drie aanwezig is,
behoefte aan de andere bestaan; dan ook dragen de wetenschappelijke
voortbrengselen--waaraan het ons tegenwoordig niet ontbreekt--het
hunne bij tot de toenemende beschaving, alom merkbaar.

Was men vroeger gewoon, alles meer oppervlakkig en algemeen te
beschouwen, thans dringt men niet zelden tot de mindere of liever,
tot de onder-afdeelingen door, onverschillig van welken tak van
wetenschap ze zijn; overtuigd als men is, dat deze het juist zijn,
die aaneengehecht, de stoffen leveren voor een beter en meer volmaakt
geheel.

Welnu, ook de wetenschap der geschiedenis heeft hare onderdeelen,
en die zijn voornamelijk de plaatsbeschrijvingen. En wanneer dan deze
laatste spreken van oude, van langvervlogen tijden, dan vooral is het
dienstig, dat ook de grond geschetst worde waarop de te behandelen
onderwerpen voorvielen. Dit staat met dusdanige beschrijving in naauw
verband, gelijk blijken zal.

Hierom eerstens hebben wij ons voorgenomen iets te leveren over
Oudewater's bodem. Bovendien is die wetenschap (onder den naam
van geologie of aardvorming bekend) ook van nut voor menig inwoner
dier plaats, waarvan eene korte schets van den grond en deszelfs
verschillende lagen bestaat.

Zoodanige schets daar te stellen is echter geene gemakkelijke taak.

Uitstekende geleerden, waaronder mannen als professor Harting--langen
tijd onze geachte stadgenoot--de heer Staring en anderen, hebben
tot de kennis der geologie van geheel ons vaderland zelfs, roemvol
de hand geleend. Ondersteund door van 's lands wege gedeeltelijk
bekostigde, en op sommige plaatsen des rijks ondernomen putboringen,
konden zij zich met volle teugen aan de bron dier edele wetenschap
laven, en mogten zij zulke belangrijke resultaten bekomen, dat
wij bij het lezen van hunnen arbeid, onze geringe ervarenheid met
de kennis dier heeren vergelijkende, onwillekeurig terugdeinsden,
om iets omtrent de geologie van Oudewater en omtrek in het licht te
geven. Onze eerste drijfveer echter gevoegd bij de overtuiging, dat
elke bijdrage, van hoe weinig oogenschijnlijk nut, hoe oppervlakkig
ook daargesteld, den geleerden nogtans aanleiding kan geven tot het
maken van gevolgtrekkingen, die tot de kennis van den vaderlandschen
bodem van belang zijn, behaalden op deze vrees de overwinning.

Alvorens dan dezen arbeid te aanvaarden, gevoelen wij ons echter
verpligt aan te merken, dat wij geene vergravingen of putboringen
zagen bewerkstelligen; maar dat alleen de veeltijds onzamenhangende
berigten van werklieden ons ten dienste stonden. Wat wij dus konden te
weten komen van laatstgenoemden, zelf ontdekten en met de werken der
geleerden eenigzins in toepassing bragten, zullen wij thans trachten
uiteen te zetten.



Wanneer wij, goedgunstige lezer! den bouwgrond, of liever, de bovenste
aardlaag in Oudewater bezien, dan ontwaren wij al dadelijk, dat die tot
de klei-soorten behoort. Zet men echter den voet buiten het stadje,
dan is de afwisseling van klei- met veenachtigen grond zeer in het
oog loopend.

Doch deze bodem is niet altijd zóó geweest als hij zich thans aan
onze blikken voordoet; neen, veranderingen, groote vervormingen hadden
ook hier, even als elders, op en in dien grond plaats.

Die talrijke weiden, waarop in den liefelijken zomertijd, dartele
runderen als op een donzig groen met bloemen doorweven tapijt,
heen en weder huppelen of rustig grazen, waarop hagelwitte lammeren
hun vreedzaam geblaat doen hooren, waren hier eertijds niet; en die
menigvuldige bouwlanden, overvloedig getooid met graanhalmen, wier
ontelbare airen, bij elke koelte zich wringende en buigende, als eene
gouden korenzee aan ons voor natuurschoon gevoelig oog vertoonen,
zou men vóór een aantal eeuwen er te vergeefs gezocht hebben. De
weiden waren drassige gronden, doorzaaid met talrijke waterpoelen; de
IJssel was in zijnen loop nog door geen dijken beperkt, en de treffende
vergezigten van thans, werden toen belemmerd door eeuwenoude bosschen,
die hunne reusachtige takken hemelhoog verhieven.

De mensch echter wist door zijn vernuft, waterachtig land tot weiding
zijner runderen en het voortbrengen van veldvruchten bekwaam te maken:
den IJsselstroom binnen zekere grenzen te beperken; hij alzoo heeft
veel tot verandering van den bodem toegebragt. Maar ook nog vóór zijn
voet de plaatsen betrad, die wij dagelijks bewandelen,--vóór deze
streek zich vertoonde in de gedaante als waarvan wij zoo even eene
schets gaven, ook toen was Oudewater's bodem reeds aan menigvuldige
verwisselingen onderworpen geweest. Trachten wij deze gesteldheden
nu achtereenvolgend en zoo beknopt mogelijk na te gaan.

Zeer noodzakelijk oordeelen wij het, den lezer in de eerste plaats
bekend te maken, dat de geologen bij het beschrijven van een bodem,
dien voornamelijk, tot op eene zekere grens, in twee afdeelingen
scheiden: in alluvium en diluvium. Wij volgen hun voorbeeld, en
beginnen al dadelijk eenige verklaringen te geven van het



DILUVIUM.

Door bovenstaande benaming verstaat men voor ons bestek de zandige
gronden, welke op eene zeer aanmerkelijke diepte worden aangetroffen:
dien grond, ter verduidelijking, waarin men te dezer plaatse de wel
aantreft. De beteekenis nu van het woord Diluvium is vloedvorming,
en als van zelve komt men dus tot de gevolgtrekking, dat die
thans onderaardsche zandlaag eenmaal ten bodem verstrekte aan eene
ontzaggelijk groote watermassa.

Ook de heer Staring spreekt in zijn »Bodem van Nederland" van den
niet te miskennen oorsprong der tot het diluvium behoorende gronden
uit water. In alle gevallen dus, was het diluvium eenmaal onder
het water bedolven, en zijn er reeds tal van eeuwen sedert zijne
vorming verloopen. In dit tijdperk ontstonden door verschillende
oorzaken vele golvingen in den bodem, zoodat de oppervlakte een zeer
ongelijk aanzien verkreeg. Veronderstel, dat men de alluviale of
later gevormde lagen onzer plaats eens kon verwijderen en het diluvium
alzoo ontbloot werd, men zou die onregelmatigheid dadelijk bemerken,
en het zou zich als 't ware gelijk eene zandzee met monsterachtige
baren aan ons vertoonen. Voorts kwam men hoogst waarschijnlijk tot de
overtuiging, dat die bodemgolving zich in eene N.O. en Z.W. rigting
uitstrekt, en bepaald zag men, dat zijne oppervlakkige bestanddeelen
uit blaauw--soms echter ook uit rood zand bestonden. Alligt vond men
ook hier en daar een boomstam in den grond uitstekende.

Bewijzen voor de onregelmatigheid dezes diluviums kan men vinden in
de putboringen, hier en elders, in Oudewater's omtrek gedaan. Hier
toch was de wel (die, gelijk nu bekend is, zich in genoemde formatie
bevindt) omstreeks 9,50 Ned. el, op andere plaatsen ongeveer 10, 15,
ja zelfs 25 Ned. ellen van den beganen grond verwijderd.

De meening van sommigen--inzonderheid van werklieden die nu en dan met
het maken van waterputten belast worden--dat de wellen met aderen,
als de takken eens booms, door den grond loopen vervalt dus, nu wij
weten, dat de plaats waar de wel wordt aangetroffen, zich op ongelijke
diepte bevindt.


Gemiddeld bekwam men welwater:


    In Oudewater                op omstreeks 12,50 Ned. el.


In deszelfs omtrek, als in:


    Williskop en Snelrewaard      »       »  11,--  »   »
    Hekendorp en Roozendaal       »       »   9,50  »   »
    Papekop, Hoenkoop,
    Ruigeweide en Linschoten [1]  »       »   7,75  »   »


Omtrent Papekop strookt dit ook vrij goed met het onderzoek van
laatstgenoemden ervaren geoloog: "Er zijn aldus geene redenen--zegt
hij, na over de boorputten van Gouda en Leiden gesproken te
hebben--die niet mogen doen aannemen, dat in Zuid-Holland, op eene
geringe diepte onder de alluviale klei en het lage veen het diluvium
begint, en dat dit het zand is, hetwelk bij Utrecht op 2 el diepte
wordt aangetroffen, bij Woerden op gelijke diepte, en ook, welligt
in een voormaligen uitgeschuurden tak van den Rijn op 7 el; bij het
station Papekop regelmatig op deze diepte; bij Gouda op 9 tot 12 el,
en bij Rotterdam waar de Rijnspoorweg tegen den zeedijk oploopt,
op 14,5 el onder de oppervlakte. Grondboringen langs deze rigting
hebben zulks aan het licht gebragt." [2]

Op een paar plaatsen evenwel hoorden wij van eene eenigzins meer
aanmerkelijke diluviale diepte gewagen, dan die welke wij als gemiddeld
opgaven; wij bedoelen bij het begin van Hoenkoop en Williskop. Om
pompwater te verkrijgen moest men op eerstgenoemde plaats tot ruim 17
el boren, en ruim op 18,5 Ned. el bekwam men op de laatste welwater,
hoewel van een onaangenamen smaak. Nog eenigen tijd heeft men daarna,
wel is waar, doorgeboord; doch steeds even walgelijk vocht bekomende,
heeft men thans den arbeid tot het verkrijgen van goed smakend
drinkwater gestaakt. Zelfs schijnt het, dat men nog niet eens tot
het eigenlijke diluvium was doorgedrongen, dewijl het bekomen water
zijdelings aangestuwd werd; hetwelk men, naar ons werd medegedeeld,
nog tijdig genoeg bemerkte om, gelijk men vreesde, te verhoeden dat het
huis ondermijnd werd, daar de aandrang, van de zijde van het gebouw
komende, tevens ook het zand medevoerde, waarop het gefondeerd zou
zijn. Bij de boring bekwam men voornamelijk veen, derrie en ijzeroer,
alsook boomstronken en schelpen.

De punten waarop deze twee putten geboord zijn, liggen hemelsbreedte
circa 1/4 uur gaans in N.O. en Z.W. rigting van elkander verwijderd,
en al zoo vindt men hier, dunkt ons, op eene treffende wijze de
diluviale bodemgolving, waarvan gehandeld is, bewaarheid.

Gaan wij thans over latere vormingen te behandelen, n.l. die van het:



ALLUVIUM.

In het kort dient nu eerst vermeld te worden, welke gronden men bij
het pompen maken gewoonlijk aantreft.

Reeds is gezegd, dat de bouw- of bovengrond in Oudewater  uit klei
bestaat. Deze kleilaag strekt zich alhier gewoonlijk tot op omstreeks
3,10 Ned. el in den grond uit, doch is meestal met eene meerdere
of mindere hoeveelheid kalk en steenpuin, scherven van potten,
enz. vermengd.

Zoodanigen met steen vermengden grond noemen de geleerden:
»Steigeraarde."

De klei, die in deze steigeraarde voorkomt, zouden zij »rivier-
of zeebezinking" heeten.

Buiten de stad worden puin en scherven niet zoo menigvuldig, en over
het algemeen ook niet zoo diep aangetroffen. Het waarom geven wij
eenige bladzijden later.

In of onder deze bovenste aardlaag treft men dikwijls nog iets aan,
dat niet over het hoofd mag worden gezien. Wij bedoelen die talrijke
overblijfsels van boomen, welke door de geologen met den naam van kien-
of grondhout worden aangeduid.

Wanneer men nu tot hiertoe gegraven heeft, wordt dit verder belet of
ten minste moeijelijk gemaakt door het zoogenaamde »zakwater". De
spade heeft hare dienst gedaan, en men moet--wil men den bodem tot
op de wel doorboren--zijne toevlugt nemen tot andere werktuigen;
alhier gebruikt men daarvoor gewoonlijk de zoogenaamde aardboor.

De eerste grondstof, die men hiermede opboort, is doorgaans rood zand,
veelal ook turfgrond en derrie, welke beide laatsten de aardkundigen
met den naam van laag veen zouden bestempelen.

Niet zelden overigens ontmoet men ook ijzerachtige zelfstandigheden,
die in de geleerde wereld als Oerbanken of IJzeroer bekend zijn en
zoowel in alluvium als diluvium aangetroffen worden.

Alligt zal men begrijpen dat al deze alluviale vormingen zoowel op
ongelijke diepte als breedte in den grond aanwezig zijn.

Is nu de boor door dit alles heen gedrongen, dan komt zij op rood,
meest altijd echter op blaauw zand, en hierin is het, dat men zeker
kan zijn de wel aan te treffen; geen wonder ook: de alluviale gronden
zijn doorboord; het werktuig is tot het diluvium doorgedrongen!

In de Oudewatersche Peperstraat brak zoodanig werktuig--naar men meent,
op een stuk hout--ter diepte van omstreeks 20,70 Ned. el, 'twelk echter
niet belettede, dat de pomp genoegzaam water aanvoert. Alzoo was de
boor toch bepaald tot het diluvium doorgedrongen. En wat haar breken
betreft, naar de werklieden gissen op hout, zoo meenen wij hen in die
veronderstelling te mogen versterken, daar wij ergens in Staring's
voortreffelijken »Bodem van Nederland" lazen, dat, bij diluvialen
vloed, waarschijnlijk boomstammen van elders zullen zijn aangevoerd,
die zich in onzen bodem vast woelden.

Voorts onderrigtte men ons, dat men in de Roodstraat circa 25, en
op het Roodzand [3] eindelijk, plus minus 12,50 ellen diepte moest
hebben, voordat men het genoegzaam rekende om er met goed gevolg de
pomp op te plaatsen.

»Welwater, uit een roodzandigen bodem ontspruitende, is het smakelijkst
om te drinken", en »hoe zwaarder grond, hoe eerder welwater", zijn
bekende zaken, die van de praktische kennis van den werkman getuigen.

Dit, geachte lezer! is eene beknopte schets van het Oudewatersche
alluvium;--doch, hoe zijn deze gronden gevormd? welke natuurkrachten
en wetten hebben hen daargesteld? Ziedaar twee vragen omtrent hare
geschiedenis, die wij zoo duidelijk en beknopt mogelijk zullen trachten
te verklaren.

Dadelijk heeft men een algemeen denkbeeld van het »Alluvium", indien
men de beteekenis des woords zelve kent. Alluvium toch wil niets anders
zeggen, dan: land, ontstaan door bezinking en aanslibbing. Daar echter
die naam een weinig onvolkomen is, zijnde niet al de te behandelen
gronden gevormd op de wijze als dat woord uitdrukt--gelijk nader
blijken zal--moet men alzoo onder dit woord deels wezenlijken naam,
deels kunstterm verstaan.

Gelijk men bij de beschrijving der putboringen heeft gezien, dienen
wij dus te behandelen de:

    Bouw- of Bovengrond.
    Steigeraarde.
    Rivierbezinking.
    Zeebezinking.
    Kien of grondhout.
    Zakwater.
    Rood zand.
    Veen.
    Derrie.
    IJzeroer;

dat alles tot het alluvium teruggebragt kan worden.

Wij verlieten ons diluvium nog gedeeltelijk in het water bedolven.

Langzamerhand evenwel, naar mate er meer grond werd aangevoerd,
verrezen de landen uit het water. Eerst werden de hooge diluviale
golfruggen ontbloot, en het water bleef op de diepste plaatsen,
onder anderen in 't begin van Williskop het langst gespaard.

Op den bodem en in het water begonnen zich planten te ontwikkelen,
en vooral waren het de zoomen der wateren, welke door hunne vochtige
gesteldheid dien plantengroei begunstigden, spoedig waren dan ook
water en aarde in een weelderig plantenkleed gehuld!

Jaarlijks stierven vele dezer planten af, ontbonden zich, en--de
stoffen dezer ontbinding legden den grondslag aan de later gevormde
of alluviale gronden. Dit brengt ons van zelve tot het behandelen
des alluviums; beginnen we met het:



Veen.

Onder dezen algemeenen naam verstaat men hoofdzakelijk twee soorten:
hoog en laag veen.

Gaarne zouden wij beiden willen behandelen, ware het niet, dat voor
ons bestek slechts eene dezer beiden: het laag veen voldoende is;
de andere soort wordt in onzen omtrek niet aangetroffen.

De turf, van hoog veen vervaardigd, wordt in deze streek veelal met
den naam van »Vriesche", die van laag veen met den naam van »Korte
turf" aangeduid.

Beiden niettemin zijn gedeeltelijk van plantaardigen oorsprong:
andere omstandigheden en invloed stelden verschil in hunne wording
daar. Zien we welke er noodig waren voor de vorming van:



LAAG VEEN.

Reeds heeft men op pag. 11 gezien, dat de diluviale gronden en
wateren met een plantenheir overtogen waren; ook weet men, dat door de
onveranderlijke wetten der schoone natuur, elk grashalmpje, hoe klein,
elke bloem, hoe statig en forsch ook, hoe meer zij hare ontwikkeling
nabij komt, zij ook des te meer haren dood, dat is: hare ontbinding
nadert. Ook de planten, die het diluvium van zijne naaktheid hadden
beroofd, ook zij moesten eenmaal der natuurwetten dezen tol betalen.

De ontleding van planten tot laag veen gaat niet dan met hulp en
medewerking van andere stoffen. Water en lucht brengen het hunne er
toe bij, terwijl de bodem waarop de verrotting plaats grijpt, mede
eenig deel daaraan neemt.

Planten alzoo, die aan, op of in het water leven en tot ontbinding
overgaan, worden laag veen met behulp der lucht, die in het
water opgelost is, met behulp van het water zelf; en eindelijk
door medewerking van de aarde, omdat de ontbonden plantenstof
zich gedeeltelijk met den bodem, waarop zij zich plaatst,
vereenigt. Derhalve, het veen dat in onze streken aanwezig is,
ontstond, omdat het water, of de met water te veel doortrokken grond,
belette, om de plant den gewonen weg der ontbinding te doen ondergaan.

Door te verklaren, welke die laatste weg is, komen wij op eene tweede
alluviale grondsoort, tot de



Humus of Bouwaarde,

't welk ons tevens geleiden zal tot het bespreken van de



Derrie.

Ieder weet, dat, wanneer men op een droogen grond in de open lucht
eenige planten, die men door uit de aarde te rukken hare groeikracht
benomen heeft, een zekeren tijd aldaar laat liggen, zij niet lang
haar vriendelijk uiterlijk behouden: bladeren, bloemen en stengels
worden weldra geelachtig bruin, verminderen aanmerkelijk in omvang,
en bij voor verrotting gunstige omstandigheden, is er spoedig van
die kunstgewrochten der natuur slechts een weinig zwarte aarde overig.

Zoo ook ging het met de verbazende vegetatie, die zich op de
diluviale vormingen ontwikkelde. Ook die planten stierven af, en
na jaren tijdsverloop was er reeds een laagje plantaardige grond of
humus gevormd.

Het zal wel geen betoog behoeven, dat de formatie van veen en humus
met langzame schreden voortging, daar de ontbonden plantenstof van
een 50tal jaren slechts eene kleine verhooging van onzen bodem zal
ten gevolge gehad hebben. Duizelt u dan het hoofd niet, lezer! bij
de gedachte aan dat tal van eeuwen, dat in den nacht der tijden zal
moeten zijn weggezonken, alvorens die dikke veenlagen gevormd waren,
als waarvan bij onze putboringen sprake was? Men zij echter bedacht
niet al te spoedig de oudheid van onzen veenbodem naar zijne trage
wording af te meten, daar er vele voorbeelden bestaan, dat groote
veenbrokken door de kracht van verbazende watervloeden elders losgerukt
en voortgestuwd, zich op eene andere plaats vestigden.

Zij nu de aandacht eenige oogenblikken bepaald tot de Derrie. Moeten
wij verklaren wat derrie is, vraag het den landbouwers onzer streek,
en zij zullen u zeggen, dat het eene onvruchtbare grondsoort is, zonder
bewerking en vermenging van mest bijna niet te bebouwen. De wetenschap
stelde zich echter hiermede niet tevreden: al spoedig ontdekte men,
dat het een mengsel is van veen, dat bij zijne vorming met veel
aarde werd gemengd. Niettemin behoort het onder het veen. Neemt nu
de minnaar van onderzoeken een weinig derrie op de hand, dan kan hij
de bestanddeelen in bovenstaande oppervlakkige analyse aangeduid,
alligt daaraan herkennen.

Zoo zal dus op Uiterwaarden in de lagere plaatsen derrie kunnen
ontstaan, omdat de verrottende planten jaarlijks met veel slib bedekt
en vermengd worden. (Over welke slib nog later). Steeds verhoogde zich
intusschen de grond door leven en dood van planten en dieren, en met
een legio waterpoelen en moerassen was onze bodem doorzaaid. Maar
hierbij niet langer getoefd; en bepalen wij onze aandacht nu eene
wijle bij het IJzeroer, zoo menigvuldig in ons alluvium aanwezig.



IJzeroer.

Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van
ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit
ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer
met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit
zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de
planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke
stoffen verrotten", zegt de heer Staring [4], »kan dit laatste--het
ijzer-oxide--een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt
daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen
in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in
gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het
ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats
heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men
ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het
omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat,
over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den
invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van
kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit
zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met
de dampkringslucht komende, troebel wordt en de bij de landbouwers
zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.

Bij toetreding van dampkringslucht, tot den ondergrond, of van water,
dat die lucht bevat, wordt het koolzuur ijzer-oxidule ontleed, verliest
zijn koolzuur en levert ijzer-oxide-hydraat, hetwelk onoplosbaar in
water de oerbanken vormt. Dat de zure humusstoffen van teelaarde of
veen mede in staat zouden zijn om ijzer-oxyde op te lossen, wordt
wel beweerd, maar is geenszins bewezen."

Overigens is »de klei een noodzakelijk vereischte voor het ontstaan
van ijzeroer; waar die niet aanwezig is, vormt zich, zooals op
de zandgronden, slechts zandoer, een door ijzer-oxide hydraat
aaneengebakken zand, echter nimmer zooveel ijzer bevattende, dat dit
met voordeel hieruit gewonnen kan worden. Zandoer vormt harde banken
van groote uitgestrektheid, maar die nimmer in lage, moerassige,
kleihoudende gronden voorkomt, waar ijzeroer zijne plaats inneemt." [5]

Menigvuldig--wij zeiden het reeds--is dat ijzeroer, welks wording
ons thans niet duister meer is, in Oudewater's gronden aanwezig. Bij
de reeds meermalen besproken putboring in den tuin van den heer de
Jong, trof men, naar ons onderrigt werd, eene groote hoeveelheid
ijzeroer aan.

In Papekop gebruikten wij water, waarin de ijzersmaak met de grootste
zekerheid was op te merken, en vaak vestigen zich om de pompbuizen
zóóveel ijzerdeelen, dat men genoodzaakt is, haar van nieuws op
te boren.

In de Linschoten behoeft men slechts een oppervlakkigen blik in vele
slooten te slaan, om zich dadelijk te overtuigen, dat zich daar ter
plaatse veel ijzer bevindt. Bijna overal ziet men den bodem van het
water met plekken van eene roodachtig bruine kleur afgezet, die,
laat men zoodanige vakken met rust, weldra het tal van oerbanken
zullen vermeerderen.

Ook in onzen Hollandschen IJssel bij Goejanverwellesluis zag ik
zoodanigen grond, en een varensgezel maakte mij de opmerking, dat
zulks »salpeterigheid" was.

Niet onvermeld willen wij laten, dat men het er alhier algemeen voor
houdt, dat weteringen en slooten die »roodgrondig" zijn, des winters
bijna nooit in voor het begaan vertrouwden toestand zijn: ja zelfs
hoe sterker het vriest, het ijs daar te meer gevaarlijk wordt om
te betreden.

Onbevoegd als wij ons rekenen, de gegrondheid dezer volksopmerking
al of niet te kunnen bevestigen, zoo zou het toch wenschelijk zijn
dat onze natuurkundigen de aandacht er op bepaalden.

Volgens de verklaring eindelijk van een niet onwetenschappelijk
werkman, zou blaauw zand--diluviale gronden?--steeds met ijzer gepaard
gaan. Waarschijnlijk echter bedoelde hij hier blaauwe klei, daar het
gebleken is, pag 15, dat klei onafscheidbaar van ijzeroervorming is.

Dit onderwerp heeft alzoo doen zien, dat ook de ijzeroerbanken
eene niet onbelangrijke rol in de vorming van Oudewater's alluvium
spelen. Voor ons onderwerp achten we hier nu genoeg van ter neder
geschreven om er niet langer bij stil te staan. Om de volgorde dus
te behouden, dient nu te worden gehandeld over het:



Rood zand.

Aan welke oorzaken nu kan het toegeschreven worden, dat zulks in ons
alluvium aanwezig is?

Men zou zich kunnen laten verleiden, zijne afkomst te zoeken uit de ten
naastenbij 3 uren afstands van Oudewater liggende rivier de Lek. Zij
toch, kon men denken, voert steeds eene hoeveelheid rood zand met zich
in den stroom mede, dat op de bedding eindelijk bezinkende, later in
den handel als "lekzand" voorkomt. Menige overstrooming dier rivier
van vroegeren en lateren tijd, zou u alsdan na verdwijning van het
water, een met zand bedekten bodem als achtergelaten, voorspiegelen.

Eene tweede gissing zou kunnen zijn, zijn moederland in de Noordzee te
willen vinden. Bekend is het toch, dat er op den bodem dier verbazende
watermassa veel rood zand wordt aangetroffen, en dat een tal van
vloeden, uit haren boezem ontsproten, vele Nederlandsche provinciën
van tijd tot tijd teisterden; doch ook dit is onwaarschijnlijk: uit
de zee kan ons wel bij overstrooming een weinig slib teruggeschonken
worden, maar geen zand.

Met beter gevolg zullen wij den blik op de bergen van België en
Duitschland slaan.

De bergen leverden het zand (door slijping van het water gevormd),
en de rivieren voerden het hierheen; deze laatsten toch spelen in de
vorming van ons alluvium de hoofdrol. Derhalve schijnt de oorzaak ons
zeer eenvoudig toe: dezelfde stroom of stroomen die het zand naar de
Noordzee voerden, hebben het rood zand te Oudewater gebragt. Beide
is het van denzelfden oorsprong, door dezelfde stroomen aangevoerd,
uit dezelfde bergen van België of Duitschland ontstaan, en zooals
voorheen de rivieren rood zand medevoerden, voert ook de Lek zulks
thans nog mede.

Stellig evenwel hebben andere rivierarmen, in andere rigtingen, vroeger
den bodem van Oudewater doorsneden; want zonder zulke rivieren had
de bodem niet gedeeltelijk door aanslibbing kunnen ontstaan.

Vervolgen wij echter:



Zakwater.

Dit regelt zich, wat zijne diepte betreft, naar de hoogte des
waterstands en van den bodem. Bij hoog water en lagen grondslag, is
men er dus spoedig toe genaderd. Daarbij speelt het regenwater, dat
wegzakt hierin ook eene voorname rol; terwijl de meerdere of mindere
vastheid der stoffen, die de bovenstaande aardkorst daarstellen,
het wegzakken van het regenwater verhindert of bevordert.



Rivier- en Zeebezinking.

Verschillende formatiën zijn alreeds behandeld. Daar echter het zoo
even beschreven zakwater, eigenlijk niet tot het alluvium gerekend
kan worden, zoo gelieve de lezer zich met zijne gedachten, bij het
begin der rivierbezinking te verplaatsen, werwaarts wij hem zullen
volgen. Als van zelve, komt men dan in de gelegenheid, eene korte
schets daar tusschen te lasschen van:



DE GESCHIEDENIS VAN DEN HOLLANDSCHEN IJSSEL.

De vorming van veen, derrie, ijzeroer, enz. gaat steeds haren
gang. Reeds voorlang zijn duizenden planten van een kort bestaan en
los weefsel, vervangen door een aantal krachtige boomsoorten, in zulk
eene menigte bij elkander staande, dat zij den naam van "woudreuzen"
ten volle waardig zijn.

Alomme doorkruisen talrijke rivieren ons land, en de schoone Europesche
rivier de Rijn, door onzen Borger "de grootvorst van Europa's stroomen"
genoemd, splitst zich in verschillende armen, als wilde hij de geheele
landstreek in eenen vruchtbaren beemd herscheppen. Ook de Hollandsche
IJssel was een tak des statigen Rijns; ook deze omtrek deelde dus in
het voorregt, zijne met allervruchtbaarste slib bezwangerde wateren,
over zijne bedding te laten heenvlieten.

Ofschoon hij--de IJssel--nu van tijd tot tijd deze zijne bedding
eenigzins verlegt--want alle rivieren deden dit--blijft hij zijne
rigting toch door deze streek houden, en de loop bijna dezelfde.

Men wete echter, dat de rivierstroom toen niet zoo snel voortschoof
als tegenwoordig: de boschrijke gesteldheid dezer streek, waardoor
hij zich doortogt baande, was daarvoor groote hindernisse.

Zacht alzoo, stuwde de IJssel zijne wateren door woud en beemden
en over veengrond immer voorwaarts, tot in den breeden schoot des
woelenden oceaans. De slib waarmede de vloed beladen was, bleef
op, of langs struiken en boomen hangen en vestigde zich goeddeels,
gehoorzaam aan de wetten der zwaartekracht, op zijne bedding: deze
slibtoevoer of dit kleibezakken is de rivierbezinking.

Weldra was dan ook geheel deze streek met eene breede streep klei
doorweven, zeer afstekende bij den veengrond, waarop zij zich gevestigd
had en die haar omringde.

Immer hield deze nieuwe alluviale vorming aan; ja met zulke snelheid
ging de opeenstapeling van rivierslib op rivierslib voort, dat zij zich
spoedig tot op eene aanmerkelijke dikte had nedergelegd. Hierdoor
ontstond land, dat men met den naam van Waardland, of ook wel
kortweg met dien van Waard bestempelde. Dit woord is verwant met
ons tegenwoordig werkwoord worden, zoodat men door waard gerustelijk
aangeslibt, of geworden land kan verstaan.

De Uiterwaarden langs den IJssel gelegen, herinneren nog aan dezen
naam. In Oudewater nu was,--te oordeelen naar de zich soms 3,10
Ned. el in den grond bevindende kleilaag--dat landworden reeds vroeg
begonnen. De bewoners, die zich hier gevestigd hadden, bemerkten dit,
en ziende, dat--niettegenstaande er reeds vele plekken waren, die bij
gewone vloeden niet meer aan overstroomen onderworpen waren--er toch
nog steeds nieuwe of jonge waarden gevormd werden, noemden zij daarom
de plaats hunner vestiging--om ons van de tegenwoordige spelling der
taal te bedienen--Oude Waarden. Hoogstwaarschijnlijk sprak men den
naam dezer plaats naderhand Oudewaerten uit, doorliep vervolgens den
overgang Oudewaeter, en behield daarna zijnen tegenwoordigen naam. En
zie hier den



Naamsoorsprong van Oudewater

naar onze bescheiden meening het best verklaard. Gelijk het echter
met de meeste afleidingen van plaatsnamen gaat, wier oorsprong
niet dadelijk tastbaar is, zoo ook vindt men hiervoor verschillende
redenen opgegeven.--S. van Leeuwen [6] en Franc. Halma [7] zijn dan
ook de waarheid het meest nabij als zij zeggen, dat het eigenlijk
af zou komen van Oudewaarden als in een oud eiland of oude waard
liggende. M. Z. Boxhorn [8] spreekt er aldus over: "Oudewater soude
moeten ghenaemt worden Oudewaerten, ist dat ghy haer eerste beginsel
aensiet. Oudewaerdt en beteekent niet anders, als een oud Eylandt ofte
Contreye. Ende sy schijnt also geseyt te worden tot onderscheyt van
die waerde daarbijliggende ende wort hedensdaeghs Nieuw ghenoemt" Ook
Lud. Smids [9] is--op gezag van dezen laatste, schijnt het--dezelfde
meening toegedaan.

Men ziet dus, dat velen dit gevoelen aankleven. De heer van Kinschot
[10] en velen na hem, willen echter liever, dat dit plaatsje zijn naam
van den IJssel, als oud water zou ontvangen hebben; daarmede stemmen
wij dus evenmin in, als met hetgeen wij elders in eene noot lazen [11],
dat de Romeinen het ook daarom den naam van Aquae Veteres zouden hebben
gegeven; maar zijn het ten volle eens met de »Tegenwoordige staat
der Vereenigde Nederlanden", waarin wij lezen: »Uit de latijnsche
benaming van Aquae Veteres--alleen eene letterlijke vertaling van
den tegenwoordigen naam--zien wij niet dat eene afleiding te haalen
is." [12] En hoe vele plaatsen wijders zijn aan oude wateren gelegen,
en toch bestaat er in geheel Nederland, voor zoo verre wij weten,
slechts één plaatsje, dat Oudewater heet.

Voor de stelling, dat de naam Oudewater wezenlijk van bovenvermelden
geologischen oorsprong is, zou nog kunnen aangevoerd worden, dat men,
behalve de zoo even genoemde Uiterwaarden nog in den omtrek vindt,
Snelrewaard als boerenbuurt, en de hooge Woerd of Waard daarinliggende;
voorts: Barwoutwaarder, het dorpje Waarder, en misschien mag het
nabijgelegen Woerden hier ook gerangschikt worden als synoniem met
Waarden. In alle gevallen, onze meening is bovenstaande; men voegde,
wij houden het (altijd onder verbetering) vol, bij onze plaats slechts
oude tot onderscheid dier andere waarden.

Het zij in het voorbijgaan gezegd, dat wij ons om deze reden, ook niet
met de meening van den oudheidkundigen heer Buddingh kunnen vereenigen,
die de namen van waard- en woerdplaatsen zoo gaarne eene mythologische
beteekenis wil toegevoegd hebben.

Vooralsnog dient evenwel teruggekeerd, tot Oudewater's geologie, en wij
beginnen dus weder met den Hollandschen IJssel, die, gelijk bekend is,
zoo veel heeft toegebragt tot de vorming van ons alluvium; waarom wij
ons niet kunnen onthouden, voor het reeds verhandelde en nog volgende
van ons onderwerp, de volgende regelen gedeeltelijk toe te passen:


            »Het schijnt, dat de ondermaansche dingen
        Zijn wonderlijk van aard en vol veranderingen:
        Ik zag het vaste land met water overdekt
        En weder uyt de plas het vaste land verwekt.
        't Is vreemd, dat verre van de zee en van de gronden
        Het zeegewas en rare schulpen zijn gevonden,
        En dat een anker lag in 't hooge dorre land,
        In plaats van in de zee of aan den waterkant." [13]


Tot dat ondermaansche »wonderlijk van aard en vol veranderingen"
behoorde ook de Rijn, en als gevolg van dien, wederom de IJssel.

Nadat de eerste eeuwen lang steeds zijne wateren in den magtigen oceaan
had uitgestort, werd hij aan zijne monding verstopt, en 't natuurlijk
gevolg was, dat zoo wel de tak, die den naam van Rijn behouden had,
als zijne overige armen verandering in hunnen loop moesten ondergaan.

Halma teekent er dit van aan: [14]

»In oude tijden plagt den Rhijn nevens Batavia of 't Batouwerland
eenen zeer snellen loop te hebben, totdat hij bij Katwijk in zee viel;
maar toen maakte hij door de Maas en Waal slechts eenen traagen en
kleenen vloedt, nu integendeel, door het opstoppen van den Rhijn,
het doorgraven van de Lek en Yssel, loopt de stroom bijna geheel
te niet en de traage loop van Waal en Maas is in een zeer snellen
afdrift verandert. Belangende den tijdt en d'oorzaak van de gedachte
opstoppinge des Rhijns, bij Katwijk, daarin zijn zeer verschillige
gevoelens; de oorzaak wordt niet anders gelooft, dan door eenen
allerfelsten storm en invloeijinge der zee geschiedt te zijn, tegen den
loop des Rhijns zoo krachtig met water en duinzandt indringende, dat
de Rhijn, in zijnen loop daardoor gestuit, eenen anderen zwaai heeft
moeten nemen, of gemaakt worden, om het land van 't water des Rhijns
en den vloed daardoor ontstaan en door de Lek enz. quyt te maken.--De
oude Hollandsche kronyk stelt eenen vervaarlijken stormwindt op 't
jaar 860 uit de Noordt-Weste, die het zeewater den Rhijn injoeg en in
't land dreef, daar duizenden van menschen en beesten door verdronken,
de boomen uit de aarde rukkende en omverre werpende; dat daardoor de
inwoonders genoodzaakt zijn geworden, de Lek te graven, om hun water
in en door de Maas voortaan in zee te loozen."

Wat dat graven van de Lek betreft, hierover willen wij ons niet
uitlaten, als niet voor ons bestek geschikt.

De geleerde heer Staring spreekt echter ook van het jaar 860; doch
neemt op gezag van anderen eene tijdruimte van 140 jaren aan, voor
het verstopt maken des Rijnmonds [15], als hij zegt:

»Men meent, dat de Rijnmond te Katwijk tusschen 860 en 1000 verstopt
is geraakt. Ook de Vecht en de Goudsche IJssel zullen omstreeks dien
tijd wel geen Rijnwater meer afgevoerd hebben; maar de hoofdstroom
door den IJssel, de Lek en Beneden-Maas, de Waal met de Merwede en
de oude Maas en door de Maas met de Amer het Hollandsche diep en het
Haringvliet gegaan zijn. De verdere veranderingen in den loop dezer
rivieren kunnen voornamelijk aan de bedijkingen worden toegeschreven,
die in het midden der achtste eeuw begonnen, al meer en meer uitgebreid
en verbeterd, eerst eeuwen daarna die kracht en uitgebreidheid kregen,
welke ze in staat stelde om den loop der rivieren te wijzigen." [16]

Omstreeks dezen tijd dus, zal er eene groote verandering met den
IJssel plaats gehad hebben. Nu toch stellen wij ons voor, dezelve
aan den invloed der getijden onderworpen te zien, toen, gelijk nu
nog voortgebragt door eb en vloed der Noordzee. Ook deze vloed voerde
slib mede en die wordt zeebezinking genoemd.

Wanneer wij nu het oog slaan op de Uiterwaarden om Montfoort gelegen,
en daarbij weten, dat zij vrij oppervlakkig zelfs uit rivierklei
bestaan, dan zou het wat al te sterk uitgedrukt zijn, indien wij
beweerden, dat de IJssel geen Rijnwater met slib beladen meer
afvoert. Zij moge minder afvoeren dan vroeger; maar zij voert toch
Lekwater (dus Rijnwater) af en met slib beladen, getuige voornoemde
Montfoortsche landen, die hunne vruchtbaarheid niet geheel aan het
indringend vloedwater verschuldigd zijn; te meer nog daar, tegenwoordig
ten minste--de vloed niet verder gaat dan halverwege Montfoort en
Oudewater (zie beneden); het binnendringende vloedwater echter zal het
afstroomende IJsselwater (uit de Lek afkomstig) tot stilstand brengen,
en stilstaande zal ook het Lek water zijne slib afzetten.

Niet onwaarschijnlijk zal dit punt van botsing dan, omtrent Oudewater
geweest zijn. Hier toch is de IJssel op zijn smalst; hier dus is de
meeste slib, welke dan ook, afgezet.

Nu is de regtstreeksche verbinding van Lek en IJssel boven IJsselstein
met eene afdammingssluis verbroken, en het hierdoor lekkende water
kan nog door den IJssel afgevoerd worden. Lekwater komt wijders
den IJssel nog binnen bij vloedgetijde te IJsselmonde wanneer er
overvloedige aandrang van opperwater in laatstgenoemde rivier is,
en daarin is weder een bewijs te vinden, dat ons alluvium nog uit
rivier- en zeeklei wordt gevormd.

Overigens dient nog te worden vermeld, dat men in onzen Hollandschen
IJssel acht uren eb en vier uren vloed heeft, welke laatste bij gewone
getijden tot omstreeks halverwege Montfoort en Oudewater gaat. Volgens
eene ons onlangs gedane mededeeling, zoude voorheen de vloed echter
verder gegaan zijn, en indien men in aanmerking neemt, het verhoogen
der bedding en het begroeijen met waterplanten in het riviertje
tusschen die twee plaatsen, dan is dit niet onaannemelijk. Echter
heeft zij bij middelmatigen vloed ten onzent nog die kracht, dat een
ligt voorwerp, drijvende op den vloed, in eene minuut omstreeks 25
Ned. el wordt opgestuwd, terwijl het, in het ebben 15,15 Ned. el in
hetzelfde tijdsverloop wordt afgevoerd.

Wanneer men zich op de tegenwoordige Oudewatersche IJsselbrug
bevindt, op het oogenblik dat de ebbe schijnt te eindigen en de vloed
aldaar begint, kan men zich van een opmerkenswaardigen natuurstrijd
overtuigen. Met het oog naar den kant van Gouda gewend, ziet men alsdan
reeds eenigen tijd, het vloedgetij zich tegen de door hare zijvleugelen
trechtervormige brug aanwenden, terwijl men, zich omwendende naar
de zijde van Utrecht, de eb nog steeds ziet aanhouden. Deze strijd
wordt vooral begunstigd door een zijsprank die naar de stadshaven
voert, waarheen het tegen elkander stootende water gedeeltelijk zijne
toevlugt neemt. Na verloop van een half uur evenwel, geldt het regt
van den sterkste, en de vloed stuwt als overwinnaar zijne wateren
tot ongeveer op de plaats, die straks is aangeduid.

Geheel of gedeeltelijk was de IJssel oorzaak van de volgende
plaatsnamen: IJsselstein, Oudewater, Goejanverwellesluis, Haastrecht,
Stolkwijkersluis, Gouda, Moordrecht, Ouderkerk aan den IJssel,
Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en IJsselmonde. Op
eenige komen wij in andere afdeelingen van dit werk nog terug, ook
om hunne naamsreden te verklaren. 't Wordt echter meer dan tijd, nu
van naamsafleidingen gesproken wordt, ook omtrent die van den IJssel
te gewagen. Niets is natuurlijker, dan dat men--om zulks met goed
gevolg te doen--moet teruggaan om zoo mogelijk zijne oude spelling
en uitspraak op te duiken. De meeste woorden toch ondergingen in den
loop der eeuwen in bovenstaande punten zoo vele verbasteringen, dat
men vaak niet dan met groote moeite tot hunnen eigenlijken oorsprong
kan afdalen.

Bijna algemeen is men tegenwoordig van 't gevoelen, dat de verouderde
schrijfwijze van IJssel is: Ysala, en zulks wijders eene verbinding
is van de woorden Y en Sala; Y beteekent water en Sala loop; alzoo
Ysala van vroeger en IJssel van thans wil niets anders zeggen dan
waterloop. [17]

De IJsselslib hebben wij reeds als hoogst nuttig voor de geologie
dezer streek leeren kennen. Zij heeft echter nog eene hoogst weldadige
eigenschap: de geschiktheid tot het maken van steenen.

Onder meer wetenswaardigs nog van deze rivier, zullen wij hierover
iets uittrekken uit eene kleine brochure, in 1854 te Gouda in het
licht verschenen [18]:

»De Hollandsche IJssel behoort geenzints tot de hoofdrivieren
van Nederland; eerst sedert weinige jaren heeft de hooge regering
besloten, haar als rivier te erkennen. Al moge men dan ook deze
rivier beschouwen als van weinig belang zijnde voor den algemeenen
rivierstaat des lands--iets, dat nog zeer te betwijfelen is--zoo is
zij toch voor de binnenlandsche welvaart en het binnenlandsch verkeer
geenzins onbeduidend te noemen.

De industrie aan de beide oevers dezer rivier is belangrijk; daardoor
heerscht er langs de boorden welvaart, die elke bezoeker op de
sprekendste wijze ontdekt.

Van den benedenmond af tot Gouda bestaan de bekende steenfabrieken
niet minder dan 28 in getal. De waarde der alhier gefabriceerde
metselsteenen wordt per jaar op niet minder dan viermaal honderd en
vijftig duizend guldens gerekend.

Honderden van arbeiders vinden hun bestaan in die fabrieken; de
ambachtslieden en de neringdoenden in de dorpen hebben een zeer groot
gedeelte van hunne welvaart aan de steenfabrieken te danken.

De grondstof, de eigenlijke bron van deze welvaart, is de slib
waarmede het rivierwater is bezwangerd. Deze, daartoe opgezameld
en bearbeid, geeft het kleideeg, waarvan de deugdzame IJsselsteenen
worden vervaardigd.

Ten gevolge van, of in verband met de steenfabrieken, bloeijen
de rietmatmakerijen, waarvan ieder jaar honderden guldens door de
fabriekanten worden betaald.

Aan beide zijden van de oevers zijn scheepmakerijen gelegen, allen
even werkzaam en in vollen bloei. Op zes van deze werven wordt de
grootste soort van koopvaardijschepen gebouwd.

Onverschillig van welke zijde men ook de steenfabrieken beschouwt,
men zal altijd hunnen gunstigen invloed op de vermeerdering der
waarde van den vaderlandschen grond ontmoeten. Zij moeten dus voor
aanzienlijke bijdragen tot den nationalen rijkdom worden erkend."

Ja, zóóveel schrijft men zelfs aan deze zeebezinking toe, dat men,
zooals wij elders lazen, wel zeide, dat geheel de stad Dordrecht uit
de tot steenen gebakken slib der rivier is opgebouwd.

Een enkel voorbeeld in cijfers--zoo stond daar verder--zal ons dit
ophelderen. Aan den Hollandschen of Goudschen IJssel spoelt jaarlijks
zulk eene groote hoeveelheid van de fijnste en beste klei aan, dat men
heeft kunnen berekenen, dat er in 29 jaren, namelijk van 1672 tot 1700,
bij het verval der steenbakkerijen, 784 bunders ter diepte van 3 palmen
aangeslibte klei aldaar zijn blijven liggen. In 1830 rekende men,
dat de 28 aldaar aanwezige steenbakkerijen jaarlijks ongeveer 100,000
kubiek-ellen slib verbruiken, benevens 25 kubiek-ellen zand uit de
Maas, waaruit men jaarlijks door elkander 80 millioenen steenen bakt.

En is het dan wel te veel, als wij nogmaals eenige regels van predikant
Janzonius in betrekking tot deze kostbare grondstof aanhalen? [19]


       »O zilv're Yzzelstroom, met wonder eb en vloed,
        Wat torscht uw kille schoot een onwaardeerbaar goed,
        En schatten zonder end...."


Zonder einde echter?

Zal de sluis tot afdamming van den IJssel boven Gouda, niet een
volkomen hinderpaal zijn voor eb en vloed aan dezen kant, en bij gevolg
voor den aanvoer van slib naar deze streek, en aan de andere zijde
der sluis goeddeels ten koste van de welvaart der steenfabrijkanten?

Volgens de genoemde brochure--wat het laatste betreft--ja gewis.

Hoe vele malen dus, o IJssel, stuurdet gij uwen gezwollen watervloed
over en trok die weder terug van de plaats, die wij thans Oudewater
heeten. Wie duide het tal van malen aan, dat uwe wateren den
»Roozendaalschen en Hekendorpschen dijk" kusten, daargesteld om
uwen loop te bepalen? De vruchtbare slibbe, die gij aan beide zijden
afzettet, waarmede gij den bodem verhoogdet,--zij was oorzaak, dat men
u nogmaals een naauweren loop gaf, wijl gij de kostbare »Uiterdijken"
vormdet en alzoo den bewoners dezer environs gelegenheid verschaftet
uwe boorden met een edelen voedselbouw te omzoomen, niet alleen; maar
die ook in den blonden zomertijd met runderen te bevolken. Daarom,
zeiden wij, beperkte men in dit oord wederom uwen loop door het
aanleggen van twee kaden, die gij op hare beurt ten koste der breedte
uwer bedding nogmaals een vetten bodem afstond, geschikt tot krachtigen
boomengroei en weelderig bruin gepluimd riet.

Bij Oudewater kleine, doch niettemin door mij beminde IJssel! weldra
zal het duizend en nogmaals duizendental uwer vloeden, die gij thans
nog tot boven Oudewater voortzet, beperkt worden. De rustelooze
waterloop, waarop reeds onze heidensche voorouders staarden, zij zal
gestuit worden, om alligt nooit weder zonder beteugeling zijn getij
tot voorbij Oudewater te hervatten.

Dra toch zal men de reeds vervaardigde afdammingssluis bij Gouda in
werking stellen, en de ten onzent bijna digtgeslibte "waterloop" zal
spoedig wederom een verbreeden en verdiepten bodem erlangen. Met het
laatste ('t verdiepen) is men van boven IJsselstein tot boven Montfoort
bereids genaderd, en reeds duiden de genommerde paaltjes, in den omtrek
geslagen, aan, dat men daarmede ook hier weldra een aanvang zal maken,
hier echter tot nut der plaats, daar de slibtoevoer thans weinig of
bijna geen nut meer voor Oudewater doet. Integendeel; want zooveel
klei is er op bedding en oevers aanwezig, dat de scheepvaart niet dan
met de grootste moeite onderhouden wordt, en ook dikwijls belemmerd
is. Men kon dan ook aannemen, dat het der scheepvaart te danken
is, dat zij tot nu toe, zonder anderer hulp nog Ysala of waterloop
is. Zal echter de IJssel den naam, hem door onze voorouders geschonken,
behouden? Wij vreezen van niet geheel. Het landvolk en de Oudewatersche
stedeling zullen wel is waar, hem met dien naam blijven bestempelen,
maar op landkaart en bij hooge regering loopt hij gevaar met dien
van Vecht verwisseld te worden. De grond voor deze onderstelling is,
dat men de IJsselrivier, immers ook van af de sluis bij Gouda tot aan
de Vecht zal verbeteren, zoodat men zich van beneden tot boven die
sluis, al dadelijk van den Opper-IJssel in den gekanaliseerden IJssel
of Vechtstroom bevindt. Zelfs spreekt de meergemelde brochure reeds,
van de aanstaande Vechtrivier of den gekanaliseerden IJssel te Gouda
of te Oudewater.

Het is hier, dunkt ons, de plaats nog niet, te gewagen van
den vermeerderden bloei en welvaart, van de veranderingen in de
plaatselijke gesteldheid der stad, hieruit zullende voortvloeijen;
maar vinden het niet ongepast nog te vermelden, dat de kosten tot deze
verbetering op niet minder dan 300,000 gulden zijn beraamd, waarvan
de provincie Zuid-Holland f 90,000, de prov. Utrecht f 110,000 en
het rijk f 100,000 zal verstrekken.

Men gist nogthans, dat deze kosten, niet voldoende zullen zijn.

Dan, keeren wij na deze uitweiding over den IJssel, die van zoo veel
invloed op de alluviale wording des bodems was, tot onze eigenlijke
geologie terug, door te verklaren wat eigenlijk rivier- en zeeklei is.

Oppervlakkig zal men tusschen zee- en rivierbezinking geen verschil
kunnen bemerken. Beide zijn van dezelfde vale, blaauwzwarte
kleur; beide behooren zij tot de kleisoorten. Ten einde echter
den lezer--wie zulks niet mogt weten--dadelijk te verklaren wat
rivierbezinking is, wete hij, dat die aarde dezelfde is, welke bij
de meeste onzer Oudewatersche medeburgers bekend is onder den naam
van Pottebakkersaarde.

Deze slib is haar ontstaan verschuldigd aan de rotsen waarover de
Rijn buiten ons vaderland henen loopt. Zij--de rotsen--vervormen
zich, door de kracht en slijping van het daarover vlietend water, in
keisteen, zand en slibbe; welke laatste, als het zachtste gedeelte,
gemakkelijk in den stroom wordt medegevoerd en zich, even als de
zeebezinking thans nog, op den bodem afzet.

Vroeger is opgemerkt, dat men omstreeks Montfoort zeer ondiep
en in groote hoeveelheid rivierbezinking aantreft; en uit eene
publikatie van Oudewater's gemeenteraad eener voorgenomen doch
door het ministerie van oorlog weder verbodene verkooping van een
gedeelte der Oudewatersche vestingwerken, herinneren wij ons, dat er
zich ook in de wallen »Pannenbakkers-aarde" bevond. Deze nu zal niet
van elders zijn aangevoerd, maar bekomen zijn, uit de zich daarnaast
bevindende grachten.

Treffend en schoon is het dus bewaarheid, dat de grijze Rijn (want
welke rivier anders?) hier zijne slibbe deed bezinken, en ook de
zee bragt slibbe aan, en met haar eene niet mindere vruchtbaarheid,
deze als zee--de andere als rivierbezinking bekend gemaakt.

Dr. Staring geeft in »de Bodem van Nederland" een zeer gemakkelijk
middel aan de hand om deze beide kleisoorten van elkander te
onderkennen. Rivierbezinking levert, nadat men er de steendeeg van
gemaakt heeft, bij verbakking roode, zeebezinking gele steenen.

Met het oog nu naar de Woerdsche pannebakkerijen gerigt, zien wij
aldaar ook roode, langs den IJsselkant gele steenen vervaardigen,
welke laatste onder den zoozeer bekenden naam van IJsselsteenen
aangeduid worden.

Van veel belang zou het wezen, verschillende kleigronden van ongelijke
diepte, hier en daar in en om Oudewater te verzamelen, en die ter
verbakking naar eene steenplaats op te zenden, ten einde alzoo met
meerdere naauwkeurigheid den invloed van Rijn en Yssel op onzen bodem
te bepalen.



Grond- of Kienhout.

Dit wordt in deze streken zoo menigvuldig aangetroffen als elders
misschien in geheel ons vaderland. Ieder landbouwer die slechts op
eenige geringe diepte zijn grond omwoelt op onvergraafde plekken, kan
zeker zijn, grondhout aan te treffen. Daarenboven, in ieder werk dat
over den natuurlijken toestand van het vroegere Nederland schrijft,
vindt men ook het algemeen gevoelen van een zeer woudrijken toestand
bevestigd.

Bij ons vermeenen wij hiervoor nog te kunnen verwijzen naar den naam
van het Schakenbosch in Hekendorp, waarover in de mythologische schets
nader. Meer bepaald nu nog over het grondhout.

Nog waren er geene dijken opgeworpen en de wateren hadden nog immer
vrij spel door wouden en poel, voornamelijk bij N.W. storm. Bij een
of meerdere groote watervloeden nu, (onder anderen de Kimbrische
vloed of die van omstreeks 860, waarvan beide geboekstaafd is, dat
zij een verbazend tal van boomen ontwortelden) met storm en orkaan
gepaard, zullen de meeste boomen die als "grondhout" bij ons worden
aangetroffen, wel zijn ontworteld, daarna met veen overgroeid of met
slibbe bedekt zijn, of wel op den bodem waarop zij lagen, gedaald,
daar men tegenwoordig ook aanneemt, dat de aarde werkelijk aan daling
onderworpen is of althans geweest is.

De volksmeening, dat alle boomen naar eene windstreek met de kruin
liggen, kan den toets der waarheid niet doorstaan, daar men die ook
anders met den top liggende heeft gevonden.

Wijders behooren deze boomen tot de gewone soorten die allen, behalve
de eik, nog veelvuldig alhier groeijen. Wilgen-, maar vooral elzenhout
komen dikwerf voor.

Merkwaardig is het, dat het grondhout veeltijds tot aan den beganen
grond rijst. Wanneer dit op wei- of hooilanden het geval is, kan de
landbouwer uit eene geele doode streep opmaken, dat aldaar een boomstam
de reis naar de oppervlakte des bodems heeft aangevangen. Meergemelde
geoloog spreekt ergens van dat omhoog rijzen der boomstammen: het is
hetzelfde verschijnsel als datgene waarbij op een grindweg het grove
grind altijd boven komt en het fijne grind naar beneden gaat. Het
laatste schiet n.l. door de holten naar beneden en ligt zoo de grovere
stukken op: zoo ook bij de stammen.



Steigeraarde.

Zoo als gemeld is, treft men haar gewoonlijk tot op tien voet in
den grond aan. Ieder zal wel willen toestemmen, dat hoe dieper die
puinaarde zich over 't algemeen bevindt, het des te grooter bewijs is
voor de oude bewoning eener dusdanige plaats. Even buiten Oudewater
zelfs, behoeft men meestentijds slechts 2 à 3 voet in den grond te
dringen om geene steigeraarde meer te vinden.

En thans, goedgunstige lezer, zijn wij weder tot de oppervlakte des
bodems, tot de zoogenaamde



Teelaarde

genaderd. Weinig zijn de geologische veranderingen, die in dezen
tijd daarin worden aangebragt. Hier en daar vermeerdert, ja, de
steigeraarde, verhoogt en mengt de vlijtige landbouwer zijn akker
met plantaardige en dierlijke meststoffen, of werkt zijn bouwgrond
ondereen met uitgebaggerde derrie, die hij daarna "welige grond" noemt,
doch alles kan van luttel beteekenis geacht worden tot vervorming
van ons alluvium.

Zeevloeden en doorbraken van rivieren woelen thans niet meer, geholpen
door hunnen bondgenoot, de wind, verdelgend en woest over weiland en
bouwakker; want door middel van dijken en sluizen heeft men hen als
het ware gedwongen, zijne aangewezen grenzen niet te overschrijden:
bosschen zijn uitgeroeid; veenachtige drassige grond in de schoonste
beemden herschapen; alomme prijken lusttuintjes met schoone bloemen
beplant en lieve priëeltjes voorzien, waarin men zoo gaarne eene
wijle verblijft; in één woord, de trotsche woestheid der natuur van
weleer, heeft ook in Oudewater en omtrek plaats gemaakt voor de orde
en regelmaat der 19de eeuw.

Deze eerste afdeeling zouden wij nu als geëindigd kunnen beschouwen,
ware het niet dat wij nog eene aanmerking hadden te berde te
brengen. Zij is deze: de lezer heeft wel in aanmerking te nemen, dat de
beschrevene alluviale lagen niet zijn gevormd met die opeenvolgende
orde, welke is aangeduid; alleenlijk moest er verdeeling gemaakt
worden, om geregelder de schets te kunnen vervolgen, en alzoo zijn
er grenzen bepaald, die in de natuur vaak niet bestonden. Zoo vormde
zich o. a. derrie op klei, en klei op derrie, en daarenboven weten wij,
dat de wording van ijzeroer en veen bij daartoe gunstige omstandigheden
nog steeds aanhoudt.

Alzoo sluiten wij deze geologische schets. In onze verbeelding zetteden
wij voet op het diluvium over wiens wording reeds eeuwen en eeuwen
henenrolden, en ook het alluvium, welks vorming, hoe weinig in dit
oord ook, nog steeds aanhoudt, werd der aandacht gewijd.

In alles bespeurt men echter de wijze hand van den grooten Schepper
en Bestuurder der geheele natuur, door Wien alleen alle krachten en
hulpmiddelen konden zamenwerken tot vervorming van den bodem.

Ten volle zijn wij overtuigd, voor den geleerde weinig nieuws
geschreven te hebben, misschien zelfs betraden wij hier en daar het
dwaalspoor, of bezigden te onduidelijke uitdrukkingen; doch aan onze
plaatsruimte eenigzins bepaald, konden en ook durfden we niet te lang
de aandacht onzer lezers op dit punt bepalen. Mogten evenwel deze
weinige regelen, eenig denkbeeld hebben gegeven van de geologische
kennis onzer vaderstad.



MYTHOLOGIE.

II.


            "Met den ijver tot onderzoek, kwam ook allengs de
             overtuiging van het nut daarvan. Men kreeg hier
             opheldering over menig oud gebruik, over aloude
             wetten en instellingen, over woorden en
             uitdrukkingen, die sedert eeuwen duister geweest
             waren, en men leerde de denkwijze der vroegere
             tijden al beter en beter kennen, zoodat dit
             onderzoek ook reeds voor andere wetenschappen nut
             gedragen heeft."

                                            Mr. L. Ph. C. van den Bergh.


Zeker, die lust, deze ijver tot onderzoek, waarvan in bovenstaand motto
wordt gesproken, is aangenaam en nuttig: de mensch, die geschiedenis
beoefent, volkseigenaardigheden en volksgebruiken met historisch
waarnemend oog nagaat, hij leeft in zekeren zin niet alleen in dezen
tijd: neen, door zich te verplaatsen naar het grijs verleden, toovert
hij zich personen en zaken voor den geest, geheel vreemd somtijds aan
die der eeuw waarin hij leeft,--smaakt hij een genot, een verheven
genoegen, hen onbekend, die omtrent de geschiedenis onverschillig
zijn en alzoo hun zedelijk voordeel niet willen doen met het nut,
dat zij in zich bevat.

De geschiedenis en vooral de onbeschreven geschiedenis tot leidsvrouwe,
en gij kunt ver, zeer ver doordringen in den onmetelijken tijd-oceaan;
zij toch is de genius die u bijstaat, om thans verlaten plekken te
bevolken, met de schimmen van heldhaftige mannen, geleefd hebbende
in den grijzen voortijd!

Aller landen en volkeren geschiedenis is belangwekkend. De historie
der laatsten heeft ons geleerd, dat eenigen, hoe nietig in hun begin,
groot werden en magtig, maar dat ook juist die magt en die weelde hen
verwijfd maakten, dat het de middelen waren tot hun ondergang. Helaas,
ook zij ondervonden, dat de zoete weg der weelde glibberig was en
gevaarlijk te betreden.

Zoo traden dan eenmaal magtige volkeren af van het groote
wereldtooneel; van velen bleef dikwerf niet eens de naam overig.

Bij anderen wisselden voor- en tegenspoed, ontwikkeling en
achteruitgang elkander af, doch zij hielden zich staande tot op
dezen stond.

Is dan de kennis omtrent de wisselingen van ieder land en van elk
volk zoo treffend en nuttig voor den mensch, hoeveel te meer moet
het ons dan aansporen de geschiedenis na te gaan van ons eigen land,
en strenger nog, van die dierbare plekke gronds, waarop wij het eerste
levenslicht aanschouwden, welligt ook eenmaal den grooten natuurcijns
zullen betalen, en onder welks groenende kerkhofzoden ook daarna onze
assche zal rusten.

Gevoelen wij ons bij die gedachte reeds opgewekt, geen vreemdelingen
te blijven op de breede baan der geschiedenis, er is echter nog een
prikkel, nog een drijfveer die ons daartoe geleidt: deze, dat wij
geene laakbare onverschilligheid mogen toonen, omtrent het bedrijf en
leven onzer vaderen, die zoo veel veil hadden voor hun nageslacht;
als hunne naneven niet alleen, ook als bewoners van den grond, dien
zij ontwoekerden, hebben wij welligt zelfs een pligt te vervullen;
de beoefening hunner geschiedenis. En deze algemeene beschouwingen,
geachte lezer, zijn ook van bijzondere toepassing op Oudewater en
omtrek, de punten onzer beschrijving.

Ontrollen wij dan de geschiedbladen, en zien wij daarin, welke gevaren
ons dapper voorgeslacht dikwijls trotseerde, hoe het uit menigen kamp
als overwinnaar terug keerde, hoe het moed met beleid en kracht bij
innige volharding wist te voegen; hoe het leefde en stierf.

En, waar die geschiedrollen ontbreken, daar zijn het alhier plaatsnamen
en volksgebruiken, die ons toefluisteren van dappere voorvaderen,
van krachtige mannen, blond van haar en blaauw van oog, die hunne
sterkgespierde leden alleen dekten met eene ruwe dierenhuid, los
om de breede schouderen geslagen en bevestigd met eene doorn,
van voorvaderen, offerende aan goden die niet bestonden, aan
hemelligchamen, vuur en water, aan boom en plant, aan stroomen, enz.

Ook de voormalige gesteldheid van Oudewater's bodem, die in de
eerste aflevering behandeld werd, bood zich voor dusdanige vereering
uitnemend aan.

Behalve immers, dat zij hier even als elders hunnen goden konden
offeren, verschafte de woudvolle toestand hun ter aanbidding boomen; in
den vetten kleibodem groeiden planten in overvloed die zij vereerden,
en de IJsselstroom bood hen eene woonplaats aan voor hunne watergoden
en waterdienst; en dit, geachte lezer! is het verband tusschen geologie
en mythologie, dat op bladz. 2 beloofd werd om aan te toonen.

En, niet waar, het is niet te verwonderen, dat wij juist bij gebrek
eener zekere geschiedenis dezer streek tijdens het heidendom, die
in hunne godendienst, hunne natuurvereering of mythologie trachten
te zoeken, welke, als het dierbaarste wat zij bezaten, ook de
veelvuldigste sporen heeft nagelaten.

Als zoodanig dan willen wij het eerst eenige heidensche feesten
behandelen, waarvan sporen schijnen of wezenlijk zijn achtergebleven;
daaronder zal men dan ook aantreffen de meivuren, waarvan wij zullen
trachten te bewijzen: wie zij toegewijd waren, en daarna wat zij nog
zijn; ten einde alzoo vergelijkingspunten verkregen worden, tusschen
heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol kinderspel van thans.



MYTHOLOGIE.

FEESTTIJDEN. FEESTEN. VOLKSGEBRUIKEN.


            "Het geheele godenstelsel is thans niet meer in zijn
             geheel op te delven.... wij treffen slechts brokstukken
             aan...; maar deze fragmenten, die thans meer dan ooit
             met zorg worden verzameld, leeren ons thans nog oordeelen
             over het geheel dat verloren is."

                                                             D. Budding.

            "....Door al die kleine aanduidingen en bijzonderheden te
             verzamelen, te schiften en de een met de andere te
             vergelijken, bekomt men eindelijk een tweelicht, waarbij
             men vele voorwerpen redelijk leert onderscheiden.........
             en ik vind geene zwarigheid te veronderstellen, dat sommige
             dier verbalen zeer oud zijn en welligt tot de tijden des
             heidendoms opklimmen."

                                            Mr. L. Ph. C. van den Bergh.


Hoewel men niet van ons zal vergen, eene uitgebreide mythologie van
ons land te leveren--wijl deze bereids bij onderscheidene auteurs
bestaat en ons bestek daarvoor ook te beperkt is--zoo moeten wij
echter, om in het vervolg dikwijls niet onverstaanbaar te worden,
in de eerste plaats vooral den in de mythologie oningewijde opmerken,
dat zij voornamelijk verdeeld wordt in drie soorten: de Oostersche-,
de Westersche- en de Noordsche mythologie.

Dan moeten wij zeggen, dat, ofschoon men bij alle deze, vele
gronddenkbeelden aantreft, die onderling veel overeenkomst met elkander
hebben, zij toch eveneens bij vergelijking een aantal punten van
verschil aanbieden.

En dit laat zich immers zeer gemakkelijk begrijpen. Zal het heidendom
in het zuidelijk Europa en in Azië, dat ook eene natuurdienst had,
zich in hun zonnig klimaat, onder den wolkeloozen hemel, waar andere
planten en boomen tierden, zich geen veel weelderiger natuurvergoding
hebben voorgesteld dan de »wilde" in Scandinavië [20] en IJsland,
levende in eene geheel andere omgeving. Toch, al gewerd ons de
Noordsche of Odinische mythologie uit het koudere klimaat, zoo was
zij toch geenszins zonder dichterlijken gloed, zeker neen: daar uit
het Noorden kwam zij tot ons, die natuurdienst, dat mythenstelsel,
niet alleen in legenden, schoone overleveringen en heldensagen, maar
ook in oorkonden, geschreven in de zoogenaamde Norraena taal. Deze
waren het echter nog niet alleen die ons der N. volkeren mythologie
deden kennen: ook de twee edda's verspreidden daarover veel licht
[21], en onbetwistbaar is het, dat de mythologie van dit land niet
slechts het meest der Noordsche nabij komt, maar ook dikwijls de
grootste overeenkomst daarmede aanbiedt: en geen wonder, ons land
werd gedeeltelijk uit het Noorden bevolkt. Van daar ontleenden wij
dus ook gedeeltelijk taal, wetten en heidensche eerdienst.

Bij die Noordsche volkeren nu, die een magt van goden en godinnen
hadden, was Odin de oppergod, en Frigga zijne gemalin, en van
deze twee, zegt de heer Budding, stamt bijna geheel het asen- of
godenstelsel af, wier leven en bedrijf in het hemelsche Asgard, wier
invloed op Midgard (de aarde) en wier togten naar de onderwereld de
edda-liederen dikwijls met zulke krachtige liederen afmalen. [22]

Hoe groot de magt echter was die Odin bezat, stond hij evenwel onder de
beschikking der Nornen of schikgodinnen. [23] Dit bewijst de Baldur's
mythe en de professie der Völa van het Noorden. »Die voorspelling",
aldus vervolgt Budding, »betreft den dood van Baldur (een zoon van
Odin) en geeft aan de geheele N. Godenleer behalve een behagelijk
weemoedigen tint, ook eene bepaalde rigting aan alle bedrijven en
heldenfeiten van het asenleven in Asgard."

Ten volle zijn wij het met genoemden oudheidkundige eens, en wij
kunnen dan ook niet aan de heidensche feesten beginnen, tenzij de
vriendelijke lezer iets nader omtrent den dood van den »goeden Baldur"
is ingelicht. »In het Dietsch heidendom", zegt Mr. P. Blommaert,
[24] schijnt een dualismus ten gronde te liggen, hetwelk men schier
in alle trappen van deszelfs natuurleer aantreft. Zoo staan Mispelheim
[25] en Nevelheim tegenover elkander, en door derzelver wederzijdsche
werkingen, stichtten zij de wereld en het leven. In eene mindere
schaal kan men deze gedachte vervolgen in de tegenstellingen van het
licht tegen de duisternis, den dag tegen den nacht, den zomer tegen
den winter, welke in eeuwige wisseling en als het ware in gedurigen
strijd voortrollen. Dit natuurverschijnsel werd bij de Scandinaven
door de schoone mythe van Haudur en Baldur voorgesteld.

»Haudur en Baldur zijn Wodan's zonen. Baldur wordt de goede bijgenaemd;
hij is zoo schoon en rijzig dat hij glanst.

»Haudur is dof van kleur en blind [26], doch geweldig sterk. Hij
was het, die zonder erg den doodelyken pyl op Baldur afschoot en
zyns broeders onschuldige moorder werd. Zoo wordt zyn dood in de
edda verhaelt.

»Baldur de goede droomde, dat zyn leven in gevaer was. Daer hy dit den
Asen bekend maekte, hielden zy daerover raed, en er werd besloten,
Baldur tegen alle mogelyk gevaer te verzekeren. Frig nam gevolgelyk
den eed af aen het vuer, water, yzer, aen allerlei metalen, steenen,
aen de aerde, boomen, ziekten, dieren, vogelen, vergiftige slangen,
dat zij hem niet zouden schaden. Als dit gedaen was en aen allen
bekend gemaekt, verheugden de Asen zich daerover, zoodat zij Baldur
vooraen in de vergadering stelden; eenigen schoten naer hem, anderen
hieuwen op hem, anderen wierpen met steenen, en wat zy ook deden, hy
had daer geene schade van. Daer Loki [27] dit zag, verdroot dit hem
hevig; hy begaf zich onder de gedaente eener oude vrouw naer Fensal
bij Frig. Die vrouw vroeg aen Frig, of zij wist wat de Asen in hunne
vergadering voor hadden. Zij antwoordde: »allen schieten naar Baldur
zonder hem te deeren," er bij voegende: »ja, wapens en boomen zullen
hem niet hinderen, ik heb ze allen den eed afgenomen." Dan vroeg de
vrouw: »hebt gij alle mogelijke dingen bezworen, dat zij hem niet
kunnen beleedigen?" Frig antwoordde: »er wast een kleine jonge boom
ten westen van Walhal [28], met name Misteltein (mistel, marentak,
viscum) die mij te jong scheen om in eede genomen te worden." Daerop
ging de vrouw heen. Loki trok nu den misteltein uit en ging daermede
ter vergadering. Haudur, die blind was, stond aan het uiterste des
kreits. Nu sprak Loki hem aen, en vroeg hoe het kwam dat hij niet
op Baldur schoot. »Vooreerst," zeide hij, »kan ik hem niet zien,
en ten tweede heb ik geen wapen."--»Ik zal u toonen waer hij staet,
en schiet dan op hem met deze roede."--Haudur nam Misteltein en schoot
naer Loki's aanwijzing op Baldur. Het schot doorboorde den goede die
dood ter aerde viel. Dit is het allergrootst ongeluk, dat goden en
menschen ooit te lijden hadden. De verslagenheid onder de Asen was
groot, en de diep bedroefde Frig zijne moeder, bood hare gunst aen
dengene, die Baldur kon verlossen. Hermoder de snelle trok daerheen,
maer vruchteloos was zijne poging."

En nu, geachte lezers! wat dunkt u van deze schoone mythe? kon de
strijd tusschen dag en nacht, zomer en winter meer schilderachtig
worden voorgesteld dan daar?

En thans dan, na deze mededeeling kunnen wij een aanvang maken met
de beschrijving der feesten, waarin overal de gloor van dezen strijd
doorstraalt.

Het zal nu wel niemand meer verwonderen, dat ons heidensch voorgeslacht
den tijd niet bij jaren afbakende, zooals wij dit doen; zij deden dit
in betrekking tot den stand der zon bij zomer en winter, en telden bij
nachten, als slaande dit alles op den dood van hunnen beminden Baldur.

In den langsten nacht, bij hen moedernacht genaamd, dan, wanneer de
zonne keerde en de strijd tusschen licht en duisternisse op nieuw
aanving en zij dachten, dat deze schoone hemelbol weder op nieuw voor
hen geboren werd, dan ook jubelde men, vierde feest, en slagtte een
ever, dan hadden zij hun midwinterfeest [29], en smaakte men gedurende
twaalf dagen ongekende feestvreugde: dan ging hun jaar in. [30]

Zeer vele schrijvers en mannen van groote geleerdheid beschouwen
het als zeer opmerkelijk, dat vele landhuren bij onze landbouwers op
Midwinter verschijnen: ook dan gaat voor hen in zeker opzigt weder
een nieuw jaar in.

Niet onwaarschijnlijk is dat van mythologischen oorsprong, en
daar ook vele oude stukken in ons bezit zijn van landerijen, om
Oudewater gelegen [31], wier huur ook om dezen tijd: »sonnendaegh nae
St.Martensdagh in den wynter" verschijnt, zoo zijn wij zeer geneigd
aan te nemen, dat ook hier de mythologische jaaringang daarin een
spoor naliet.

Daarna treedt onze



Nieuwjaarsdag

op, die insgelijks op hun midwinter, ook wel joelfeest genaamd, inviel.

De voormalige bewoners dezer landen vierden feest van het oude jaar
in het nieuwe, en ook dit gebruik is alhier bij velen nog in stand,
door het oude jaar uit en het nieuwe in te drinken.

Wijders bewijzen onze woorden: jolen, jool hebben, jolig zijn, volgens
de meening van alle schrijvers die wij hierover raadpleegden, zonder
kijf afkomstig te zijn van het mythologische joelfeest.

Eveneens het geraas maken en schieten in dien nacht, wil de
oudheidkundige Budding, (en niet zonder grond) als sporen zien van
de midwinterviering.

Behalve dat, zou in Oudewater het voormalige tromslaan en het
tegenwoordig nog in gebruik zijnde klokkespelen van twaalf tot een
uur op nieuwjaarsnacht mede daaraan kunnen herinneren, te meer nog,
daar ook bij het meifeest het »klokkegebeijer" wordt vernomen.

Niet, dat bij de heidenen het tromslaan, het buskruidschieten en
klokkespelen uitgevonden was, zooals de lezer zal weten; maar het volk,
gewoon op dien tijd feest te vieren, bezigde ook daarna de middelen
welke latere uitvindingen hen verschaften, om geraas te maken en zich
te verheugen. [32]

En dan, wanneer op Nieuwjaarsnacht wij die tierende jolige menigte
gadeslaan, die het oudejaar uit en het nieuwe indrinkt, als wij dan
het klokkenspel hooren bespelen, dan voorzeker is dit in staat, in
onze verbeelding die tierenden te doen verdwijnen en de schimmen te
doen optreden onzer voorvaderen, die hun joolfeest vierden.

Zeker toch, dit tieren en jolen zijn overblijfselen, maar gewijzigde
overblijfselen, uit het heidendom van dit oord.

Wat al stof tot nadenken voor u en ons, wij, die in hun zonnegod
slechts een deel zien van al het geschapene van den grooten Schepper:
wat al stof tot overweging biedt ons het nieuwjaarsfeest aan buiten
hen die dien God niet kenden. Dan, te middernacht, met het gesloten
jaar achter, en het nieuwe voor ons, wel is waar geopend, maar toch
schuilende achter den dikken sluijer des tijds! Gewis, dan is het
tijd tot ernstige gedachten, in plaats van het smaken van uitbundige
vreugde, gesproten uit het blind heidendom. En toch is, wel beschouwd,
de geringste tijdverdeeling de poorte tot een nieuw levensjaar!

In hoever de



Vastenavond

partijen, waarmede men ook in Oudewater en omtrek veel op heeft,
van mythologischen oorsprong zijn, zullen wij van den Bergh [33]
laten beslissen:

»In Februarij had mede een heidensch feest plaats. De Indiculus
superstitiones meldt: de spuralibus in Februario. [34]

Bijzonderheden zijn mij daarvan niet bekend, doch mij komt hoogst
waarschijnlijk voor, dat daaronder niet anders te verstaan zij dan
de vastenavondvreugde, die van ouds onder het volk groote deelneming
vond en dikwijls tot uitspattingen aanleiding gaf.

Er moet dan echter om dien tijd een heidensch feest geweest zijn,
dat niet met de christenprediking is uitgeroeid kunnen worden, want
vastenavond is niet heidensch.

Ook het met de rommelpot loopen in Februarij, waarvan Budding spreekt,
houdt bij ons nog stand, onder het zingen van het volgende lied:


                Vrouw, 't is vastenavond,
                  Ho, mannen, ho!
                Ik kom niet t'huis voor t' avond,
                  Zus of zoo!
                Vrouw, verkoop uw beddigje
                  En slaap op stroo! [35]


In de maand Maart vierde men de lente-nachtevening. De duisternis
wordt al meer en meer bestreden.

Zou onze jaarlijksche



Eijermaandag

hieraan herinneren, die het laatst van Maart of met het begin van
April invalt? het is immers de maandag vóór Paschen, en


           »Het mag wezen zoo 't wil,
            Paschen valt in Maart of April."


Zie hier eenigen grond voor onze vooronderstelling:

Men beschouwde het ei bij het heidendom aldus: een ei, dat op zich
zelve levenloos schijnt, bevat in hare doode omhulsels de kiem van
herleving.

In den Overijsselschen volksalmanak 1840 laat Halbertsma in zijne
bijdrage over de Paasch-eijeren dit ook duidelijk blijken, en
Dr. Leemans teekent in zijne beschrijving der romeinsche steenen
doodkisten aan: »Onder de zinnebeeldige beteekenis van het ei, komt
vooral die van herleving in aanmerking." Daarom legde men ook een ei
in de doodkisten. [36]

Mogelijk vereerde of verkocht men elkander omstreeks den tijd
van eijermaandag--ook (in verbastering welligt) eijermarkt
genaamd--eijeren, als een bewijs van herleving in de natuur. Ook het
Paasch-eieren eten wordt hier eveneens, in navolging der geleerden,
door ons herinnerd.

In den laatsten tijd echter zagen wij, voor zoover onze herinnering
zich uitstrekt, nimmer eijeren op de markt ten verkoop aangeboden. Is
dit geen bewijs te meer, dat markt eene verbastering is van maandag?

Wel wordt er handel in boomen gedreven, doch ook deze vertegenwoordigen
immers de herlevende natuur. Ook kramerijen worden uitgestald, de
klokken bespeeld, op Bacchus' altaar wordt meer dan op gewone dagen
geofferd: in het kort, het is eene soort van kermis.

Na dit alles zijn wij niet vreemd van de gedachte, bij de talrijke
overblijfselen der natuurdienst, dat de Oudewatersche eijermaandag, bij
het herleven der natuur invallende, eertijds een heidensch feest was,
waarin het in de mythologie zinnebeeldige ei als beeld van herleving,
eene voorname rol speelde.



Het Meifeest.

            "Nu staen des meyentacken uitghespreit ende bloeijen
             schoon ghelijk roode rosen."

                                               Hofmann van Fallersleben.


Omtrent zeer vele feesten is op te merken, dat, op den avond vóór
den feestdag zelven het vieren daarvan niet alleen reeds aanbreekt,
maar er zelfs een groot gedeelte van beslaat. Zoo spreekt men bijv. van
kers-avond, van St.-Nicolaas-avond, en nog een groot aantal voorbeelden
zou kunnen worden aangehaald.

Dit is ook van toepassing op het meifeest, dat op mei-avond of op
den laatsten April invalt. Deze aanmerkingen, geachte lezer! wilden
wij vooraf laten gaan.

Het heidendom dan had drie groote of hoofdfeesten: over het eerste
of midwinterfeest zie hiervoren; het tweede is het Osterafeest,
aan hetwelk nu de aandacht zal worden gewijd en dat insgelijks een
zonnefeest was.

»De zon heeft in de lentenachtevening gezegevierd: het reuzenvolk is
bestreden; de overwinnaar treedt de blijde woning binnen en zoo ook
de geheele voorjaars-aarde. Freija (de aarde) ook Asterdis genaamd,
viert feest, zoo ook de gansche natuur." [37]

Dan droeg men bij de verrezen lentezon in processie het beeld des
doods of des winters naar den vloed of de grens der gemeente en bij
het offermaal, en jubelende en in groote vreugde werd het herlevende
beeld der Natuur naar het dorp gebragt. [38]

In Meimaand trad men in het huwelijk; dan versierde men het
feestvertrek: zij, de moeder aarde, tooide zich immers ook in een
met bloemen geschakeerd kleed, zij immers gaf haren kinderen het
voorbeeld. [39]

»Met Mei", zegt de groote oudheidkundige van den Bergh op bladz. 53
van zijn critisch Woordenboek der Ned. Mythologie, »met Mei hield
men onder de duitsche volken het begin van den zomer, en vierde
daarom den eersten dag dier maand." Grimm beweert, Myth. 438, dat men
daarvoor geen vasten dag bepaald had en dit slechts vaststelde naar
toevallige teekenen, b.v. de komst van de eerste zwaluw of ooijevaar,
of het bloeijen van het eerste viooltje. In Nederland, geloof ik,
was het niet zoo, waarvan het spreekwoord: »eene zwaluw maakt nog
geen zomer". De eerste Mei bepaalde hier den aanvang des zomers,
en geen andere dag werd als zoodanig gevierd.

Dan ook plantte men in Noorwegen, Zweden, Denemarken en IJsland
meiboomen, met bloemen omhangen, en ontstak men feestvuren; dan was
men in Denemarken gewoon te zeggen: de zomer rijdt het land binnen.

Aan dit vreugdevol meifeest namen vele aanzienlijken deel. »Des nachts
van den 1 Mei," zegt de heer Budding [40], »ving de tocht aan: jonge
mannen reden vooraan, daarop volgde de meigraaf (majgreve) met twee
kransen versierd, waarvan eene op elken schouder; het overige gevolg
had slechts eenen krans, en als zij dan op de plaats hunner bestemming
gekomen waren, werden er meiliederen aangeheven. De maagden plaatsten
zich dan om den meigraaf, en deze laatste koos dan eene majinde of
meigravin, door een krans op haar te werpen.

Luister eens, hoe Engelberts Gerrits, onze zeer bekwame grijze
historicus die meisjes bij den optogt naar het feestvuur zingen
laat: [41]


            . . . . . . . . . . . .
            . . . . . . . . . . . .
            . . . . . . . . . . . .
            Ostera biedt haar glansen
              De lentetijd is daar.

            De meiboom spreidt zijn kleuren
              En weeft een blanke kroon;
            Staakt, droeven! staakt uw treuren:
            De lente strooit haar geuren,
              Verheugt u in haar schoon.

            Laat ons de goden loven,
              Brengt Frei en Freja eer;
            Zij vieren feest daarboven:
            Wat winter mogt ontrooven,
              Dat brengt de lente weer.

            God Baldur zal herleven
              In goud en zonneglans;
            In dalen en langs dreven
            Gaat hij een feestkleed weven;
              Komt, zusters! in den dans!


Daarna laat hij de meiboom plantende knapen hunne takkebossen
nederwerpen bij het beeld van Freja. [42] De oudste der barden neemt
een brandenden spaan en ontsteekt de houtmijt, onder het afsmeeken
van den zegen over de veldvruchten. De Gydien knielen rondom het
beeld en den houtstapel; de priesters en de overigen plaatsen zich er
achter. Dan neemt de bard het offermes, het lam wordt gebonden, voor
het beeld gelegd, en het vlijmend offermes glijdt door den malschen
hals, en het bloed bepurpert de blanke vacht. Terwijl het dier den
doodstrijd kampt, sprenkelt de priester het bloed in de vlammen, over
de hoofden der priesteressen, en de roep: »heil Frei en Freja!" wordt
heinde en ver herhaald.

En zoo ver het oog draagt, ziet men heldervlammende lentevuren, terwijl
de lucht wedergalmt van blijde feestliederen, en de bard de ingewanden
van het offerdier onderzoekt, en daaruit voorspellingen maakt over
oogst en vrede. De priesters verlaten daarna de plaats en verschaffen
der menigte vrijheid, hunne lentevermaken te vervolgen. Alle meisjes
vormen nu een wijden kring rondom den boom en den meigraaf, en naar
de toonen van der skalden instrumenten huppelt men, zingende terwijl
het feestvuur knettert:


            O Maigreef, zie in 't ronde,
              Het blijde feest is daar!
            Kies u een schoone blonde
              Met bloemen in het haar.

            Kom, zoek u een majinde,
              In onze reijen uit!
            Ligt wordt zij uw beminde
              En dan uw zoete bruid.


Dan laten de verdienstvolle schrijvers van »Ons Vaderland"  den
meigreef, nadat hij de maagdenrei langs hem heen heeft doen huppelen
en zijne bloemkransen heeft opgeheven, aldus zingen:


            Maar als ik heb gekozen,
              Dan baat geen schuchter neen,
            En met angstvallig blozen
              Sluipt geen Majinde heen.

            De meikroon zal ik bieden
              Als waardig minnepand,
            En zoo ze bloo wil vlieden,
              Het meisje draag' de schand!


En als dan de meigraaf gekozen heeft, zong men weder. Andere
jongelingen namen dan ook daaraan deel, en zoo verlustigde men zich,
totdat de laatste vonken van het feestvuur waren uitgedoofd.

Overigens merken wij nog op, dat, bij den grooten strijd van zon en
duisternis, door Haudur en Baldur voorgesteld, men nog zomer en winter
vergeleek bij twee kampvechters die elkander den voorrang benijdden.

Er is echter nog niet bepaald gezegd, wie dat feest was toegewijd.

Aan een, bepaald was het zulks ook niet. In het voorgaande evenwel
heeft men reeds Ostera meermalen aangetroffen, en deze zal aan de
bijzondere vereering van het feest niet vreemd zijn geweest.

Grimm verhaalt, dat de Aprilmaand in Duitschland nog Ostermonat genoemd
wordt, en deze Ostera, zegt hij, moet, even als het angs. Eastre,
een hooger wezen van het heidendom beteekend hebben. Het oude
h.d. adv. Ostar beduidt het aanbreken van den dag, evenzoo het oude
n. Austr.

Ostera, Eastre mag alzoo eene godheid van den stralenden morgen, van
het opstijgende licht geweest zijn, eene vreugde en heil aanbrengende
verschijning. Ook Buddingh, Etmuller en Hoeufft denken aan een
herrijzingsfeest.

Doch niet vermoedelijk alleen aan Ostera, ook aan de godinne der
liefde was het feest gewijd.

Dat wijders de godin Ostera ook aan watervloeden en waterstroomen
vereerd werd, wil de oudheidliefhebber Buddingh bewezen hebben uit
den plaatsnaam Oosterlee: Ooster van Ostera, lee van water, alwaar
hij ontwijfelbare sporen van waterdienst wil zien. Het planten en
opsieren van meiboomen leidt hij het liefst uit hunne boomendienst af.

Ook, zegt hij, waren de Friezen gewoon hunne feestvuren op hoogten
te ontsteken.

Ofschoon nu echter ons Meifeest in April of Meiavond begint, dat ons
meer aan de viering alleen in April zou kunnen doen denken, zoo smelt
dit feest ongemerkt bij het meifeest in. Daarom hebben wij Ostera's
en meifeest in elkander laten vloeijen. [43] Welligt was er ook in
het heidendom geene grens.

En nu het Meifeest, zoo als dit ongeveer een 15tal jaren terug door
ons werd medegevierd.

Reeds eenige dagen vóór die zoozeer gewenschte meiavond daar is,
zijn de knapen ijverig bezig voornamelijk het hunne tot het vieren
daarvan aan te brengen. Allerwege houden zij zich onledig brandstoffen
te verzamelen, en menige bewoner van Oudewater en omtrek wordt met
kinderlijken aandrang aangezocht eenig hout voor hun doel af te
staan. [44]

De brandstoffen, door de knapen vergaderd, worden alsdan op den
bewusten avond buiten de Broekerpoort (nu gesloopt) in Hekendorp
gebragt, alwaar men die in brand steekt.

Terwijl men dan de houtmijt die reeds aanmerkelijken omvang heeft,
bij den IJssel ziet opgestapeld, en een aantal knapen in griendjes en
het Schakenbosch nog meerder hout zoeken; verbeidt men met ongeduld
het bespelen van het klokkenspel, dat te zes ure een aanvang neemt,
want dit is het sein tot het ontsteken der vuren. Twee aanvoerders,
die met de regeling van een en ander belast zijn [45], steken dan,
zoo spoedig het teeken uit den grijzen toren gehoord wordt, het vuur in
de brandmijt, en weldra knapt en knettert het meivuur, zijne roodgele
vlam al meer en meer verheffende en spattende vonken van zich werpende.

Thans stijgt de vreugd ten top; knapen met stokken gewapend, huppelen
van vermaak, heffen bij het opstijgende meivuur een lied aan, en
lustig worden petten gezwaaid.

Nadat men zich aldus geruimen tijd in dartelheid vermaakt heeft, en
de brandstofverzamelaars geen voldoenden voorraad meer aanbrengen,
de vlam begint te verkleinen en het vuur zich niet meer stoort aan de
opwakkeringen van de stokende knapen, begint men te spreken van dokken
[46], dat gewoonlijk ook bijval vindt. De aanvoerders hebben hun gezag
verloren, springen door het verflaauwende meivuur en dokken mede. Men
werpt petten, zoo men kan, ook elkander er in, en het meivuur is tot
genoegen van deelnemers en toeschouwers afgeloopen.

Dat groote meivuur uitgenomen, ziet men daarenboven hier en daar in
om de stad gelegene tuinen en elders, kleinere vuren ontsteken.

Ook was men vroeger tijd gewoon, hier meiboomen plaatsen, waarboven
eene kroon was gesteld, welke veel overeenkomst had met die voorwerpen
van hoepelhout en papier, waarmede men het verkrijgen van nieuwe
haring kenmerkt. Op het Roodzand [47] werd, nog geen vijftig jaren
geleden, dusdanige boom gezien, om denwelken in dolzinnige vreugde
werd heen gesprongen.

Insgelijks kwamen eertijds vele ingezetenen met de meifeesten op de
stoepen bijeen, en dan werd de avond in blijden kout doorgebragt,
en nog wordt des zondags gedurende geheel de Meimaand het klokkespel
van zes tot zeven ure bespeeld.

En nu, geachte lezer, willen wij het verband van vroeger en nu
aantoonen, door ons op bladz. 40 beloofd.

Het was wel niet te verwonderen, dat het heidendom met Mei een feest
aan den lentegod en aan Freja offerde. Zij kenden immers den grooten
God niet dien wij aanbidden, en wat kon hen, die natuurdienst hadden,
wel meer daartoe aansporen dan de zoete Mei? Dan, als de boomen
ontloken, de aarde met schoone bloemen bezaaid was en met jeugdig
groen bedekt, de geur van meitakken op den adem des winds door de
lucht werd gedragen en de vogels hunne nesten bouwden, hun lief gezang
aanhieven en eijeren legden, die hen aan de herleving herinnerden.

Dachten zij reeds zoo, het zou welligt immers eene ijdele poging
zijn het getal dichters op te sommen, die in onzen tijd nog de lente
hebben bezongen.

De lezer zal opgemerkt hebben, dat het gebruik uit het Noorden, van
meiboomen te planten, waarvan is melding gemaakt, ook in Oudewater
in gebruik was.

De grens of vloed van het dorp, waarheen wij zagen, dat het beeld des
winters werd gedragen, komen beide hier in aanmerking, in betrekking
tot de plaats waar het meivuur gebrand wordt: nu nog is het de
gewoonte, met onbeduidenden wind het meivuur omstreeks een boogscheut
afstands van de grens der gemeente te ontsteken. Welligt was het
ook toen reeds in gebruik, het feestvuur op die grens te branden,
wijl zij ook dat voor heeft dat zij aan den IJsselvloed ligt: dit
toch verkrijgt te meer grond, doordien Buddingh meent (zie hierover
bladz 55) dat de godin Ostera ook aan watervloeden vereerd werd, en
dat de Friezen gewoon waren hunne vuren op hoogten te ontsteken. Dit
treffen wij alhier immers aan, wijl het meivuur langs den IJssel
gestookt wordt in Hekendorp: dorp komt hier af van terp, en terp is
hoogte, en dat Hekendorp vroeg bewoonbaar was, zal de lezer zich uit
de geologie herinneren kunnen.

In de aanvoerders zien wij de meigraven of barden waarvan wij spraken,
en het voormalige meivuren branden op verschillende punten hield,
zooals werd aangetoond, immers in onze kinderjaren nog stand.

Het oude noordsche spreekwoord: »de zomer rijdt het land in" wordt
herinnerd door ons gezegde: »de zomer is in het land".

Het zingen en springen bij het feestvuur wordt nog door de knapen
herhaald.

Met Mei trad men in het huwelijk en versierde het feestvertrek;
maar de meimaand is immers ook nu nog de geliefkoosde maand om de
huwelijksboot in te stappen, terwijl ook de meitakken nog in de huizen
niet zeldzaam zijn.

De klokken worden Zondag in Mei bespeeld, het meifeest was mede en
voornamelijk een zonnefeest.

Niet waar, geachte lezer! treffende gelijkenis, o. i. onomstootbare
bewijzen dat het meifeest een zonnefeest was; maar ook aan de godin
der liefde gewijd werd.

Wat al gedachten kan zulks opwekken, nu wij immers eenigzins het
verschil kennen, tusschen heidensch offervuur van vroeger en vreugdevol
kinderspel van thans!

In Junij vierde men in tegenoverstelling van het Midwinter-, het



Midzomerfeest.

De zon, in den eersten nacht van het Joelfeest geboren, heeft op
21 Junij haar hoogste standpunt. Nu ook wordt de strijd tusschen
duisternis en licht beslist. Baldur, de zonnegod, moet het onderspit
delven, Haudur heeft met den misteltein den eerste gedood.

De feestvuren van elders, spelen niet onduidelijk op den lijkbrand
van Baldur.

»Op Pinkster," zegt Hofdijk, »kwamen de afgevaardigden der zeven
Friesche Zeelanden bij den bekenden Upsal-boom te zamen, en deze
historische bijzonderheid doet aan Baldur denken," enz.

Het vroegere oude gebruik van Gouda om zich voor Pinksteren met
daauwslaan te verlustigen, is volgens Buddingh nog een overblijfsel van
het midzomerfeest. »Insgelijks bestaat nog de oude feestgewoonte,"
zegt hij immers, het midzomerfeest beschrijvende, »om namelijk
op pinkstermorgen vóór dag en dauw, zoo men het noemt, de stad te
verlaten, zich in het veld te verzamelen en met groen en bloemen
te versieren, dat men dauwtrappen of dauwslaan noemt. Wie bij deze
gelegenheid te laat in het veld komt, is van de geheele menigte
de luilak.

In deze plaats verlaat men den zaturdag vóór Pinksteren zeer vroeg
zijne slaapplaats, en die te laat komt, of liever bij wien men het huis
gesloten vindt, behangt men de woning met zoogenoemde kikkerbloemen
(van de familie der coroniferae); zoodanige slaper is dan de vuiglak;
vuig, weet men, is traag, vadsig; lak komt van laken, verafschuwen.

De dag zelf draagt nog den naam van



Vuige Pinksteren;

en het lied:


                    Vuiglak, vuiglak!
                Vuiglak is vroeg opgestaan
            En toen weer naar zijn bed gegaan"


wordt dikwijls ten spot van zoodanige tragen gezongen.

Bij het stuk over het meifeest, geachte lezer, hadden wij u reeds
bekend kunnen maken met iets van zoo groot belang voor de mythologie
of liever voor hare afschaduwingen in ons leven, dat dit nu toch niet
langer verzwegen zij, hoewel het ook nader nog meermalen in herinnering
zal worden gebragt. Hiervoor zij dus uwe bijzondere aandacht verzocht.

Toen het Christendom ook in ons land over het heidendom allengs begon
te zegevieren, werd menig gebruik van der heidenen natuurleer of
godendienst, tot kinderspel verlaagd, de namen hunner goden werden
dikwijls door verachtelijke namen in afschuw gebragt; in één woord,
menigmaal stelde men wat vroeger zeer in aanzien stond, in een
bespottelijk daglicht, en zoo stak de duisternis van hunne dienst
nog sterker af bij het licht, door de geloofsverkondigers ontstoken.

Daarom werd het meivuur alligt vreugdevol kinderspel, en daarom moeten
wij ook hierna nog dikwijls, met in onze taal verachtelijke woorden
hunne voormalige godendienst aantoonen.

De reden, dat zulks nu door ons wordt vermeld, is deze, dat wij nog in
de vuige Pinksteren iets gissen te zien, dat als eene nieuwe gedachte
bijzonder den geleerde met de meeste bescheidenheid zij voorgelegd.

De lezer kan nu weten, dat de zonnegod in den moedernacht werd
geboren. Vroeg in het jaar dus, wijl het jaaringang was.

Moet hier de lichtgod Baldur den luilak niet verbeelden, van wien
men zingt:


            »Luilak is vroeg opgestaan"?


Op de luilakken die lang slapen, kunnen wij toch wel niet toepassen,
dat zij vroeg opstaan.

In Junij waarin onze Pinksteren gemeenlijk invalt, heeft de zon
haar hoogste standplaats in deze gewesten bekomen en gaat al lager,
zij legt zich hoe langer hoe meer ter ruste, en dan vindt ook Baldur
ruste in den dood.

Wordt dit niet herdacht door:


            »En toen weer naar zijn bed gegaan"?


Hoe het zij, de gelijkenis was o. i. te treffend om ze den mytholoog
te onthouden, vooral als de latere verafschuwing hunner leer en
menigvuldige mythologische overblijfselen dezer plaats hiermede worden
in verband gebragt.

Vierde men op aarde het midzomerfeest met groote vreugde, ook de
Asen deden zulks in Walhalla, ter eere van den zoo men immers meende,
onkwetsbaren Baldur.

Buddingh meent, dat men dit godenleven op Midgard of de aarde navolgde
door het steekspelen, balslaan, en doelschieten.

Hierin kunnen wij ons met genoemden schrijver vereenigen.

Behalve, dat het doelschieten ook hier eertijds plaats had, zou dan
ook het balslaan in het nabijgelegen Polsbroek, waar dit nog plaats
grijpt, hierop toegepast kunnen worden. Dit balslaan en kaatsen moet
zelfs in 1605 te Oudewater nog zoo sterk in zwang zijn geweest, dat
daartegen een verbod van den magistraat werd afgevaardigd, dit toch
onder de kerkdienst te laten:

»Dat niemandt van den burgheren ofte inwoonderen deser stede, wie
hy sy, op sondaghen ofte geordonneerde biddaghen, van 'smorgens ten
neghen tot elf uren toe, zal mogen kaetsen."

En op eene andere plaats:

»Dat ook niemandt binnen deser stede op ter straten, op ten
kerckhove, uyte wateren bij de ramen, mitter kolven den bal slaen,
noch metter slingher [48], ofte ander instrument steenen, ofte yet
quetselikx werpen en sullen moghen, Ghelijck oock niemandt met boghen,
bussen, ofte diergelicken gheweren,.... buyten den doelen zal mogen
schieten...." [49]

Ook het haan den kop afslaan [50] en katknuppelen op de zoogenaamde
en zotklinkende



Kaaloorsche kermis

merkwaardig altijd tweede Pinksterdag invallende en omstreeks Hoenkop
plaats hebbende, zijn welligt sporen van het heidensche Midzomerfeest.

De kermis op het nabijgelegen Haastrecht, die op den tijd van
midzomerfeest invalt, biedt eveneens nog een treffend spoor daarvan
aan: als de kermis begint, wordt aan beide zijden van het dorp een
kruis opgerigt, en wie dan balling was mogt op dien tijd ongehinderd
het dorp binnenkomen. Dit laat zich uitmuntend verklaren als men weet,
dat ook met het Baldursfeest welligt alle veten zullen zijn vergeten
en het zwaard in de scheede bleef.



Toen nu Baldur in den strijd bezweken was, treurden daarover de goden
en ook de gansche natuur in de volgende weken, daarom ook staat
in Julij Heimdall, de wachter der goden, op de tinne des hemels,
en houdt de wacht tegen Mispelheim's zonen, want zwoel is de lucht
en groot het gevaar na Baldur's dood. De vuren, in de vorige maand
ontstoken, duren des nachts voort, opdat het monster der duisternis,
als het tegen de zon mogt aanrukken, moge verschrikt worden. [51]

Het geldersch gebruik, om bij het invoeren van den laatsten oogst met
emmers en gieters vol water achter eene deeldeur te staan oppassen,
om zoowel den aanvoerder als de veldvrucht daarmede te begieten,
omdat dezelve in den algemeenen rouw niet droog mag binnenkomen,
hield voor jaren en houdt misschien nog stand in den omtrek van het
nabijgelegen Bodegraven, alhoewel eenigzins gewijzigd.

In Augustus gaat de rouw der godenmoeder ten einde, zij bezoekt weder
de woningen der menschen, voor wie weder feesttijd aanbreekt. [52]
Het is de tijd van den oogst immers, en wie zou zich dan niet
verblijden? De heidenen deden dit reeds, want de geheele oogsttijd
was een vreugdetijd, en geen der geringste, wijl het derde groote
jaarfeest daarin plaats had.

Wederom een treffend bewijs hunner natuurvereering. De natuur toch,
die in Mei, boomen en planten met kracht deed ontluiken en in Junij
en de volgende maand als het ware stilstond even als de godenmoeder
treurende, herleeft in Augustus merkbaar, gelijk ook bij de koningin
van Asgard, wier rouw ten einde gaat. De natuur doet het plantenheir
nog eenmaal met kracht ontluiken, en daarna is de ontwikkeling voor
dat jaar geëindigd, en de bladeren en de bloemen vallen weder af.

Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit.

Men meende, dat in Augustus de



Oestwagen

door de lucht reed. In Oudewater vindt men het geloof daaraan nog
niet geheel uitgedoofd. Wat echter die wagen was, zullen wij duidelijk
trachten te maken.

Het was in de mythologie altijd een bewijs van eene groote godheid,
als men haar het bezit van een wagen toekende, waarmede zij door de
lucht reden. Zoo hadden Wodan, Thor enz. wagens.

Veelvuldig zijn nog in het noordelijk deel van ons land de sprookjes
van rijdende wagens. Zoo kent men ergens een vurigen, op eene andere
plaats een ijzeren, onder Hedum een gloeijenden, in de Over-Betuwe
een helwagen, enz.

Alleen te Zwartewaal in Zuid-Holland maakt Wollff [53] gewag van den
Oegstwagen. Doch deze laatste spelling Oegst met eene g daartusschen
houden wij voor onjuist. Zie hier de reden van onze meening.

Men heeft zich waarschijnlijk in den waan gebragt, dat Oegstwagen
is gelijk Oogstwagen, als in den oogsttijd rijdende; doch daar wij
in Oudewater nooit van Oegst- altijd van Oestwagen hoorden gewagen,
houden wij zulks voor niets dan eene verbastering van Oster- of
Osterawagen. Bekend is het toch dat Ostera een wagen had, daar men
zeide: de zomer rijdt het land binnen. Welnu dan, diezelfde gedachte
gissen wij nu vervolgd met den Oestwagen in de laatste maand van
den zomer, wanneer men welligt zal gezegd hebben: de zomer rijdt het
land uit.

Deze gissing, die wij echter niet met eigenwaan willen doordrijven, zij
alzoo met bescheidenheid aan het oordeel der mythologen onderworpen.

In Oudewater--werd ons verhaald--kwam men voorheen dikwijls bij
stillen avondstond of nacht bijeen, om den oestwagen te hooren
rijden. Hoewel dit echter nu niet meer plaats heeft, is dit toch
zeker, dat ons gepasseerde jaar nog in allen ernst verzekerd werd,
dat men den Oestwagen nog kan hooren rijden.

Voorzeker moeten wij ons hier verwonderen, hoe zoodanig bijgeloof zoo
stand kon houden; de eenvoudige werkman zeide echter ook: veel van
die zaken waren niet meer zooals ten tijde van zijn vader en toen hij
»een jongen" was, aanwezig, want toen de Franschen in het land waren,
hebben deze dat weggenomen. En inderdaad, de man had hierin gelijk,
dat op dien tijd het bijgeloof zoo in deze plaats als elders zeer
veel verminderde, dat hier echter de plaats niet is om te bewijzen.

En hiermede vooreerst genoeg van de feesten in Augustus. Zien wij nu,
wat er van dit oord in September te verhalen is.

Welligt viel naar de gissing van den Delfschen mytholoog omtrent
dezen tijd het derde jaargerigt der volksvergadering in, waarvan wij
de eerste in het voorjaar, de tweede in den zomer, en de derde in
het najaar kennen.

Zoo werd nog in 1329 door hertog Jan III bepaald, de jaargedingen
te houden des maandags na Driekoningen, na beloken Paschen en
St. Jan-Baptist.

Op welken tijd die nog in 1605 werden bepaald te zullen gehouden
worden in Oudewater, zal nader worden aangetoond, wijl deze op meerdere
mythologische feesttijden slaan.

Opmerkelijk mag echter de oude kermistijd genoemd worden, welke
de laatste week in September, omstreeks St. Michael daar was. De
herfstnachtevening, die alsdan gevierd werd, zou nader, volgens gis van
prof. Rooijaards, op het feest van dien heilige zijn overgegaan. Hoe
het zij, de feestdag van St. Michiel werd in allen gevalle vroeger
zeer luisterrijk alhier gevierd, wijl de oude parochiekerk dien tot
patroon had.



In October vinden wij alhier geene sporen van heidensche eerdienst.

En van die in November, als het feest van St. Maarten bij de Christenen
inviel, en in December als het midwinterfeest daar was, is reeds
gesproken, en wij treden daaromtrent niet in herhaling.



Gingen nu, geachte lezer, sommige zaken die men groot waardeerde,
tot diepe verachting en kinderspel over, dat echter ging niet met
alle heidensche feesten zoo.

Het heidendom liet niet zoo gemakkelijk zijne blijde feesten glippen,
voor die van het christendom.

Wijsselijk besloot men dus waar dit kon en niet met de kerk streed,
de feesten van eerstgenoemden op die der laatsten over te brengen;
alzoo waren de heidenen spoediger voor het christendom gewonnen.

Daarom ook werd het midwinterfeest, waarbij zij hunne zonnegeboorte
vierden, veranderd in ons kersfeest, waarin de Christen de geboorte
herdenkt van den Zaligmaker.

Het Osterfeest, waarin men het verrezen zonlicht herdacht, werd
het feest van den verrezen Godmensch. Nog noemt men in Duitschland
April Ostermonat, en het Paaschfeest Ostern. »De opstanding van
onzen Goddelijken Verlosser was de opgang van het morgenlicht der
eeuwigheid," zegt de heer Hofdijk, »van het licht der onsterfelijkheid,
glansender en heilrijker dan het rijzend licht van Astera." Ziedaar
genoeg om het feest der godinne in dat van den verrijzenden Heiland
te vervormen.

»In Junij, de maand waarin Pinksteren gewoonlijk invalt,"
zegt laatstgenoemde schrijver weder, »en de zon heur hoogste
standplaats heeft, vierden de noordsche goden het feest van Baldur,
den schoonste van hen allen, den lichtgod, en de menschen hielden ter
zijner eer het midzomerfeest. En om die onuitwischbare vierdagen te
verchristelijken, werd het feest der uitstorting van den heiligen Geest
daarop overgebracht." In plaats van den zoo zeer beminden Baldur werd
het feest van den zachtmoedigen Johannes den Dooper daarna gevierd.

Van daar dus, zooals wij zagen, ook onze kaaloorsche kermisvreugde en
die van Haestrecht; van daar de zoo wijd beroemde of welligt beruchte
Stolksche Pinksteren; van daar niet onzeker, dat St. Joannes nog de
patroon is der kerken van de nabijgelegen plaatsen Gouda en Montfoort.

Het herfstfeest werd daarna welligt gewijzigd in het feest van
St. Michiel, de patroon der kerk, waarbij ook tevens de vroegere
kermis inviel.

Zie, zoo moesten en ook zoo konden de feesten van het heidendom
worden vervormd in die van het lichtende Christendom, dat toch ook
zijn feesten had.

Nog kwam ons zeer opmerkelijk voor, dat de oude jaargerigten, die, zoo
als wij zagen, in Augustus plaats hadden en ook, volgens bepaling van
een van Hollands graven, nog op drie andere tijden, ook in Oudewater
na gehouden vacantie op eigenaartige tijden werden hervat.

»Schepenen voors sullen onghehouden zyn ter vierschare te compareren,
omme partyen regt te administreren op de ordinaris vacantiedagen,
Beginnende d'eerste vacantie, vastelavontsdagh, [54]  ende ghedurende
acht daghen. De tweede beginnende acht daghen voor Paesschen [55]
ende expirerende acht daghen nae Paesschen, De derde beginnende drie
daghen voor den vijfden Junij, wesende alsdan binnen dezer stede
ordinaris peerdemarckt ende gheduyrende drie daghen nae den selfden
vijfden Junij. De vierde, beginnende Pinxteravont [56], ende ghedurende
acht daghen lanc, de vijfde beginnende den XVIIIen Septembris [57],
wesende ordinaris Soutmarckt, ende gheduyrende veertien daghen, De
seste beginnende XVIIII daghen [58] voor kerkmisse, ende eyndigende
veertien daghen nae kerkmisse." [59]

Uit een en ander is het nu gebleken, dat vele heidensche feesten
nog lang in afschaduwing stand hielden en nog stand houden; sommigen
echter hoe lang nog? [60]

De Christelijke feesten zullen zeker blijven bestaan, doch de
feestvreugde op nieuwjaarsnacht? het tromslaan is niet meer in zwang,
en het schieten vernamen wij in de laatste jaren niet meer, nu dit van
wege het plaatselijk bestuur wordt verboden. Alleen het klokgebeijer,
het zingen van de nachtwacht en het jolen der menigte bleven.

Tegen de vastenavond-buitensporigheden wordt nog even als vroeger
door kerkelijk gezag gestreden.

Den eijermaandag zagen wij in eenige jaren zeer verflaauwen en veel
van zijn ouden luister verliezen.

En het meivuur en de meivreugde? Waren de knapen in onze jeugd
nog bezig, dagen te voren uren en uren den speeltijd ontwoekerd,
brandstoffen voor het meifeest te verzamelen, thans schijnen zij
eerst daaraan te worden herinnerd, als het lustige


            Hei, 't was in de Mei!


uit den--bouwkundig beschouwd--zoo schoonen toren hen tegengalmt. Wel
worden dan nog eenige brandstoffen in der haast bijeengeraapt, doch--en
dit laat zich zeer goed begrijpen--de mijt verheft zich niet meer
zooals vroeger, en weinig daarenboven zouden de veelal natte twijgen
aan het voorgestelde beantwoorden, hadde in den laatsten tijd, de
oudheidminnaar de knapen niet in staat gesteld, de smeulende takken
door gekocht hout te verlevendigen.

Ook de aanvoerders die eertijds nog fungeerden, worden niet meer
benoemd.

Voeg bij deze verflaauwing der knapen, de wet van 22 October 1836,
Prov. blad No. 82, luidende geen zaadstroo of ruigte, op het open
veld te verbranden, dan 16 Ned. ellen van den grooten weg of de
passage, een maatregel om het schrikken der paarden te voorkomen,
en de geachte lezer, maakt met ons ongetwijfeld de gevolgtrekking,
dat ook dit weldra niet meer zal worden aanschouwd.

Alleen het brandde dit jaar nog in Hekendorp, nog aan den IJssel,
nog omstreeks de stadsgrens.

De Vuige Pinksteren geraakt al meer en meer in vergetelheid. Zelden
wordt de Chaerophyllum silvester (kikkerbloem) meer van haren stengel
gerukt om, ten teeken van spot, aan de huizen te worden gebonden.

De Kaaloorsche kermis wordt telkens minder, verplaatst zich, en
verliest daardoor van hare eigendommelijkheid.

Ook de oude kermistijd (herfstnachtevening en St.-Michiel) is nu
verplaatst in Augustus, en wel sedert besluit van den raad op 29
April 1854, hetwelk in Junij deszelfden jaars door Gedep. St. werd
goedgekeurd,--en eindelijk, Oudewater heeft geene schepenen meer, die
hunne gerigten op de aangetoonde zeer interessante tijden hervatten.

Dit alles zouden wij kunnen verlengen, doch waarvoor? Er is antwoord
op de vraag: hoe lang nog? en dat antwoord is: niet lange meer.

En de minnaar van onderzoek, zal alzoo na verloop van eenige jaren
slechts te vergeefs zoeken, naar de overblijfselen van vele dier
mythologische feesten, en de niet minnaar van onderzoek?... Weinig
zal hij er aan gedacht hebben, dat hij zoo lang de instandhouder
was van de heidensche feestviering, en wij, mogten wij in dit opzigt
voor het reeds ter neder geschrevene waarheid gesproken hebben wat
daaromtrent in het prospectus werd beloofd, onzerzijds gered en ter
neder geschreven, wat de tijdgeest van het volkseigen nog niet geheel
vernietigde en met zich voerde in den wijden stroom der vergetelheid.



De maanden alzoo mythologisch beschouwd zijnde, zullen wij nog een
weinig bij de dagen der week verwijlen, wier benamingen insgelijks van
heidenschen oorsprong zijn, als bij de noordsche volkeren voornamelijk
van goden afgeleid zijnde.

Zoo heeft Zondag betrekking op de zonvereering. Op Zondag is dan ook
gebleken, dat in Meimaand de klokken bespeeld worden, en treffend
genoeg was het Meifeest een zonnefeest.

Maandag. Iedere gezindte, zegt Tydeman [61], diende hare godheid op
zijnen maandag der week. Deze dag wordt bij zeer vele landlieden
daardoor nog in eer gehouden, dat zij op denzelven tot geen prijs
eenig akkerwerk zullen beginnen; hij was dus oudtijds de rustdag voor
landbouw en vee. Het heidensch volk was gewoon op den heiligen weekdag,
van min noodzakelijke werken uit te rusten en gedeeltelijk den dag,
avond en nacht onder spel en met vreugde door te brengen. Ook vond
het gelegenheid, om dan bij tempels de wetten en bevelen te hooren
afkondigen, en de waren te verruilen of te verkoopen: van daar dat
de marktdagen en kermissen aan de heilige tijden verbonden werden.

Van daar dan welligt eveneens den eijermaandag; van daar dat de tweede
vacatie van schepenen op Maandag werd hervat; van daar de Kaaloorsche
kermis op Maandag. De zesde vacatie van schepenen was insgelijks op
Maandag geëindigd; het begin van het oude kermisfeest was op dien
dag, en ook liet zich het carillon vóór eenige jaren van tien tot
elf ure op Maandag hooren. Zie, het zou toch al heel toevallig zijn,
zoo hier geene mythologie ten grondslag ligt en alles toeval is.

Dingsdag, Woensdag en Donderdag lieten in onze omstreken geene sporen
van heidensche herinnering na, uitgenomen in hunnen naam, en dit is
alles behalve plaatselijk.

Den naam Vrijdag, die aan Freija, ook aan Freja kan herinneren,
schrijven wij het liefst, gelijk anderen, aan de laatste, de godinne
der liefde, toe, omdat de Vrijdag ook alhier de dag is, waarop men
het meest aanteekent ten huwelijk; zonder dat het den verloofden
bewust is, wordt alsdan, in de verlichte negentiende eeuw, nog menig
offer aan Freja, de liefde-godin, gebragt, door op heur naamdag ten
aanteekening te gaan.

Overigens nog herinneren de woorden: vrijen, vrijer, vrijster,
aan Freja.

Zaturdag doet aan Satur denken. De Vuige Pinksteren op Zaturdag
invallende, heeft echter op dezen god geene betrekking.

En hiermede besluiten wij de feesten en feesttijden.



PLAATSNAMEN.


Bleek het reeds dat Oudewater zich op hooge oudheid kan beroemen,
zoowel uit zijn geologischen naam als uit zijne mythologische feesten
en feesttijden, zoo moeten onze medeburgers echter niet denken, dat
juist deze plaats alleen, uit den geheelen omtrek hierop zich mag
verheffen. Neen, ook de namen van naburige gemeenten bewijzen maar
al te zeer, dat zij geenszins uit de jongste tijden dagteekenen. In
het kort willen wij dit, zoo veel in ons is, aantoonen: ten eerste
daar wij zulks eenigzins verpligt zijn, als beschrijvende Oudewater en
omtrek; ten andere omdat wij, eenmaal in onzen mythologischen bloemhof
rondwarende om een tuiltje te maken, daar bloemen zagen die wij hier
misten, en die in onze verzameling naar ons oordeel niet misstonden,
bloemen in het heidendom geplant en hunne planters zoo lange door het
christendom heen nog niet verloochenende, maar integendeel ons nu nog
tegengeurende. En voor het overige, hoe meer bewijzen immers worden
aangevoerd, van mythologie uit den omtrek, zooveel te meer is het
onloochenbaar dat de ruwe voorvader ook eenmaal zijne hutten opsloeg,
op de plaats van het tegenwoordig Oudewater.

Het eerst trachten wij dan te vermelden, den



Naamsoorsprong van Haastrecht.

De eerste lettergreep schijnt zeer waarschijnlijk te duiden op den
eenen of anderen aas of god der heidenen. De daarvoor geplaatste h
toch kan niemand verwonderen, die weet, dat het bij de ouden reeds
zeer natuurlijk was, dat deze aspiratie gebruikt werd voor eene
klinkletter, en in tegenovergestelden zin, dikwijls waar die letter
voor een woord voegde, werd weggelaten. Menigwerf was deze uitspraak
de oorzaak tot spotternij:


            Hik eb een ondje
            met een okje, enz.


In plaats dat men dit echter als eene beleediging moest beschouwen,
mogt men liever, bijna zeggen wij trotsch zijn op die beschimping:
het is immers een bewijs voor de oude bewoning huns oords, een
overblijfsel van het taaleigen hunner vaderen.

Deze zelfde verwisseling had ook te Oudewater plaats, na te gaan in
de spraak van eenige oude bewoners dezer plaats, die nog dikwijls
zeer groote moeite aanwenden, hun aard hierin te verloochenen.

Ziet zoo schijnt dus Aas veranderd te zijn in Haas.

Trecht was een overtogt over een water [62], en zoo ziet men, dat
Haastrecht weleer, veelligt een trecht was aan den IJssel, waar de
een of andere aas (haas of god) vereerd werd.

Hetgeen over deze aspiratie is gezegd, is ook van toepassing, op de
bijna twee uren van Oudewater liggende boerenbuurt



Heeswijk.

Hebt gij, geachte lezer, nooit opgemerkt dat het landvolk de aa-
dikwijls met de ee-klank verwisselt? Hebt gij hen nooit hooren spreken,
van eene veerkoe en van leeg water, in plaats van eene vaarkoe en
van laag water? Welnu, hier mag gerust gezegd worden: wat nu is,
was reeds toen; ook hier dus, schijnt Heeswijk, Haaswijk, Aaswijk en
met dit de herinnering als in Haastrecht aan den een of anderen god.

Buddingh zegt: de verhooging van Ass, Ase met de aspiratie tot Hase,
Hasse is even natuurlijk als de verzachting of verscherping tot Es,
ese, esch, en de overgang van hase in hese, hees, enz.

Zekere landen tusschen Oudewater en Montfoort, de Es-kampen genaamd,
krijgen hierdoor ook eene zeer oude beteekenis.

Dat overigens Heeswijk van vóórchristelijke dagteekening is of kan
zijn, blijkt uit zijn hoogen kleibodem, die vroeg bewoonbaar was, en
uit de verklaring van laatstgenoemden mytholoog, dat Looen en beeken
zoowel als wouden, bergen, terpen, wijken en hoven aan de Asen kunnen
zijn toegewijd geweest.

Wijk is echter meer geologisch. Men bewoonde, zoo als men weet,
terpen of hoogten, hierop verzamelde men zich meer bepaald in wijken
(vici), en hiervoor bood Heeswijk zich aan, gelijk straks werd
aangetoond. Mastwijk, Bulwijk, Cromwijk en Vlooswijk, die allen in
den omtrek liggen, houden wij insgelijks vici te zijn.

Had men veel zoodanige wijken en terpen bij elkander, zegt Buddingh,
bladz. 8, »dan maakte dit bij de oude germanen eene gooi, go, dat is
land of landschap.

In dezer voege Buddingh. ZEd. veroorlove mij echter hem op te merken,
dat in deze environs liggen, zooals uit eene oude omslagtige kaart
bleek, in Barboswaarder een Goy, in Rapijnen bij Linschoten een Goy
en in de buurt Kattenbroek niet minder dan drie Goyen. Niet dat wij de
vertaling Goy voor landschap verwerpen, zoo komt zij ons--indien deze
allen van dien tijd zijn--toch wat duister voor, omdat in zoodanig
kort bestek zoo vele Goyen worden aangetroffen, en die toch kwalijk
allen, eene vereeniging van wijken en terpen zullen geweest zijn.

Wat kan



Montfoort

beteekenen? Hierover is regtstreeks en zijdelings veel gegist; zoo
doet Rademaker (Kabinet van Nederlandsche en Cleefsche Oudheden)
de volgende voorslagen:

Zou het woord Montfoort, zoo veel kunnen beteekenen als mons
fortis--sterke Burg? of moet het voor eene zamenvoeging gehouden worden
van Mont en forde, omdat hier de IJssel welligt vroeger zeer ondiep en
waadbaar is geweest, nademaal forde en vorde voor eene ondiepte kan
gehouden worden, volgens de aanteekeningen van den oudheidkundigen
H. van Heusden? Onwaarschijnlijk, antwoorden wij. Wat is dan hier
Mond? In verouderde woorden eertijds zoo als nog bij de Duitschers
maan beteekenende, zal dit dan welligt zinspelen op de vereering der
maan in het heidendom. Ook Buddingh is van gis, dat vele mondplaatsen
op maanvereering zien. Zie slechts. Evenwel schijnt het, zegt hij,
dat de maan onder verschillende namen bij de meer Germaansche dan
Scandinavische volkeren onder de namen mond, enz. is vereerd geworden.

En foort zou volgens een geleerd schrijver zoo veel kunnen beteekenen
als: overgang over een water.

De verklaring van het woord Montfoort zou alzoo zijn: overgang over
een water (de IJssel) bij eene plaats waar de maan vereerd werd.



Wulverhorst

is de naam eener boerenbuurt, ruim een uur van Oudewater. Meergenoemde
schrijver gist, dat de meeste horstplaatsen welke hij synoniem met
Rosplaatsen wil zien, hun naam zouden hebben van de heilige rossen
of paarden uit het heidendom, die daar op algemeene kosten werden
onderhouden. Zoo noemt hij o. a. Brinkhorst, Lijnhorst.

Dit stemmen wij niet gereedelijk toe. Veel eerder hellen wij over
tot de uitlegging van horst voor een klein bosch.

Wulverhorst kan alzoo een bosch geweest zijn, waarin zich wolven
ophielden. Deze laatste waren toch vroeger in Nederland niet zeldzaam.

Het boven aangehaalde Lijnhorst is echter meer opmerkelijk, als dit
vergeleken wordt bij Wulverhorst, en wij daarbij nagaan, dat



Linschoten

daarbij ligt. Horst en Lijn of Lin schijnen dus ook hier eenigzins
verwant.

Wat beteekent echter Lin? Toetsen wij dit aan de Mythologie. De godin
Freija had hare gezellinnen: Lina was er eene van. Deze was zeer zacht
van inborst, »zij was de vriendelijke troosteresse des menschdoms,
die de menschen beschermt voor onheil en den lijdenden de tranen
afkust." [63] Bij de Saxers was zij bekend onder den naam van Hlijn,
Linia, Lin.

De opvatting juist zijnde (waaraan wij niet twijfelen), dat de gezellin
van Freja, Lin, in Linschoten een spoor harer vereering naliet, had
zij, de geliefde begunstigster der jagt als zij was, ook alligt eene
plaats, waar men ter harer eer schoot, schoten deed, en dit zou alsdan
ook licht over de laatste lettergrepen van Linschoten verspreiden.

Zoo werd dan de maan (mond) te Montfoort, en Linia te Linschoten
vereerd.

Liet Linia, die de lijdenden zoo verzorgde, ook nog niet in den naam
Zorglijn--naam op het hek van een weiland bij deze plaats--een spoor
harer vereering na?



Roozendaal.

Bij het bespreken van de buurt Wulverhorst verwierpen wij eenigzins de
afleiding van Horst als eene plaats waar de rossen uit het heidendom
zouden zijn onderhouden. Veeleer nemen wij dit aan omtrent Roozendaal,
dat alsdan Ros- of Rossendaal zou genoemd zijn en gemakkelijk in
Roozendaal kan zijn overgegaan.

Daarnaast, ligt naar Oudewater op:



Vliet.

Bij hooge watervloeden vlugtte men in vroeger tijden, toen rivieren en
zeeën, nog door geene dijken geboeid, onbelemmerd daarheen stroomden,
naar terpen en wieren, ook op bladz. 44 bij Buddingh Vliedbergen
genaamd. Ook bij Oudewater hebben wij, zooals boven kan gezien
worden, nog eene streek Vliet genaamd. Vroeger stond daar een kasteel
waarvan nog een bouwval staat, insgelijks Vliet genaamd. Doch dit
alles bewijst nog niet, dat zulks een voorvaderlijke vliedberg was:
het volgende echter meer. Werd de plaats waar thans het nieuwe huis
te Vliet staat en wordt zij thans nog niet het hoogt genoemd? Wel is
waar, is er nu van het hoogt weinig meer aanwezig en zal de landbouwer
dit deels uit den weg geruimd hebben; voor ettelijke jaren echter was
daar nog eene hoogte aanwezig. Bij het bouwen van het nieuwe huis te
Vliet werd zij grootendeels weggegraven.

Hieruit ziet men ten eerste, dat hier de naam Vliet eene hoogte kan
aanduiden, en ten tweede, dat, de oudheid dezer plaats in aanmerking
genomen, hier alligt aan een voorvaderlijken Vliedberg kan gedacht
worden. Dit zoo zijnde worden wij nog meer genoopt dit aan te nemen
door het woord daal--dal--in Roozendaal, dat, zooals bekend is,
daarnaast ligt. Denkt men aan dal, dan ontstaat daaruit noodwendig
het denkbeeld aan eene hoogte. Welnu, deze is Vliet of het Hoogt. En
wetende dat zoodanige plaatsen ook wieren werden genoemd, zoo kan
ook Wierxoord bij Goejanverwellesluis eveneens daaraan herinneren.

De lettergreep cop, die als uitgang in zooveel plaatsnamen in den
omtrek wordt aangetroffen, als daar zijn:



Benscop, Hoenkoop, Willeskop, Papekop, Reijerskop, Gerverskop,
Teccop, enz.

zinspeelt, dunkt ons, nergens dan op de veenlanden die met een cop,
kop of einde in de kleilanden schieten. Deze afleiding laten wij
echter gaarne voor eene betere glippen.

Is



Lopik

ook eene verbastering van Locop, even als Japik die is van Jacob? Dit
laten wij ter beslissing der lezers over.

De uitgang in



Cattenbroek, Diemerbroek en Polsbroek,

allen om de stad gelegen, laat zich beter begrijpen: broek beteekent
eenvoudig: waterachtig en drassig land. Van de aangrenzende boerenbuurt



Ruige Weide

zal wel geene verklaring van den naam noodig zijn. Het woord zelve
zegt o. i. wat het is.



Hekendorp

is een naam met welken wij reeds meermalen kennis maakten. De twee
eerste lettergrepen van deze boerenbuurt duiden op watergeesten uit
het heidendom, n.l. de nechsen: de n ging in h over, [64] zoodat zulks
Hechsendorp werd. Inderdaad, op eene oude kaart vonden wij Hekendorp
aangeduid Hexendorp. Dorp, zagen wij, is gelijk terp of hoogte.

Ook de naam van het naburige



Popelendam

herinnert aan watergeesten. Bladz. 82 immers lezen wij bij Buddingh:
»Men schijnt ook nog andere watergeesten te hebben gehad, doch die,
zooals wij vermeenen, achter den algemeenen naam van Nikkers en Niksen
wegschuilen, als de Bomme en Bommelo, de Pope en Popelo." Grimm kent
de Bude (Butzman) den Popel, Popelman. Ook in Delft heeft men nog
schuins over de Nikkersteeg de Popelsteeg. Popelendam herinnert ook
alzoo aan een of meerdere waterbewoners.



WOUDENDIENST.

Barwoutswaarder, Schagen bij Linschoten, het Schakenbosch bij
Oudewater.


            "Men had inzonderheid onder het heidendom zekere landerijen
             en wouden, die dienen moesten om de eerdienst met al wat
             er toe hoorde te onderhouden."

                                                          P. H. Tydeman.

            "Het was een groot wout; daer hoorde men dat vreesselick
             geluyt van den wilden beesten die in dat bosch waren, van
             beyren, leeuwen, van everzwijnen, van wilde stieren, die
             zoo vreesselick gebaerden dat een mensche gruwen mochte."

                                                     Goudsch Kronijkske.


Zoo als men uit bovenstaand motto ziet, had men in het heidendom
heilige wouden en landerijen. In die bosschen dienden zij hunne goden,
daarin werd zoo menig offer hen opgedragen, daarin werd somtijds de
mensch, het grootste wezen der schepping, als zoen tusschen de asen
en den mensch om het leven gebragt. Geen oningewijde stond het vrij,
deze bosschen aan te raken, of zonder voorafgegane overeenkomst zich
het gebruik dier gronden te veroorloven.

Uit de geschiedenis der Batavieren is ons de naam bekend van het
heilige bosch waarvan Tacitus spreekt. Van de Friezen weten wij
insgelijks, dat bij hen zoodanige gewijde bosschen gevonden werden,
want in 728 verwoestte men dezelve. Hunne ligging is evenwel nog niet
opgespoord. Dikwijls was de omvang van zulk een tempelwoud verbazend
groot en bevatte de, uitgenomen nog de priesterlijke woningen op
zekeren afstand van den hoofdtempel, andere gewijde heiligdommen,
welke het gemoed van den mensch tot de toenadering van de godheid
moesten voorbereiden.

Deze tempelwouden dienden tot hetzelfde gebruik als anders de
tempels zelve. Men slagtte er de offers, stortte er gebeden uit en
hield er offermaaltijden. Ook werden er de bijzondere en algemeene
feesten, de vierschaar en bijeenkomsten gehouden. Sommige dienden
tot vrijplaatsen voor misdadigers en gevlugte slaven. Een voorname
prachtige gewijde boom was de geliefkoosde verblijfplaats der godheid,
die in een zoodanig woud vereerd werd. Iedere schennis er van, zelfs
het afbreken van takken en de daaraan gepleegde misdrijven werd streng
of met den dood gestraft.

Het altaar bestond uit een zwaar granietblok of rotssteen, rustende
op den grond of op onderliggende steenen.

Het standbeeld der godheid was doorgaans van hout, en ruw bewerkt. [65]

De wouden waar zoodanige kerken stonden, zegt Blommaert, werden Paro,
bearo (bar, beer) genoemd.

In het nabijgelegen Barwoutswaarder treft men, zoo als wij zien,
bar aan.

Barwoutwaarder is aldus: woud waar eene heidensche vereeringsplaats
was op eene waard. Ziet, zoo vereenigen zich met elkander geologie
en mythologie, zoo als ook in menigen plaatsnaam hiervoren bleek.

Wat is echter Schagen bij Linschoten en het Schakenbosch bij
Oudewater? Het antwoord is zeer kort. Schagen, Schaken acht men te
zijn afgeleid van sacrum. [66] De vertaling van Schakenbosch (sacrum
nemus) zou alsdan zijn



Heilig Woud [67].

Het lust ons, nog iets over deze wouden uit te weiden.

Toen Claudius Civilis den opstand tegen de Romeinen bewerkte,
vergaderde hij hen in een heilig bosch.

Men is het echter niet eens waar dat bosch gelegen heeft. Men gist op
de drie plaatsen: 1o. het Schaken- of Saksen- (sacrum, heilig) bosch
bij Voorschoten; 2o. het Nederikswoud (zuidwaarts van Nijmegen);
3o. het Haagsche bosch als het grootste en meest beroemde en de
plaats waar der Batavieren bondgenooten, de Kaninefaten, woonden,
en in welker nabijheid men het eerst den aanval beproefde op de
sterkten der Romeinen. Ook strekte dit woud zich uit tot Kennemerland,
waar de overlevering nog leeft, dat Brinio op den huldiging-heuvel
bij Heemskerk ten schilde werd geheven, alvorens hij met de Friezen
Roomburg en het Praetorium ging bestoken. Dit laatste woud voor hetwelk
zoo vele bewijzen pleiten wordt dan ook door de meeste schrijvers
gehouden voor het heilig woud, waar Claudius Civilis den opstand
bewerkte. Tot zoo ver de gissingen van Engelberts Gerrits. Doch nu
de naam Schakenbosch bij Oudewater.

Geenszins betwisten wij aan het vorstelijk 's Gravenhage of aan
Voorschoten de eer, dat daar dat heilig woud eertijds zijne trotsche
kruin ten hemel stak; neen, doch onze meening is dat er of zeer vele
heidensche heilige bosschen zullen geweest zijn, of dat in deze landen
een uren uitgestrekt woud zal geweest zijn, en wel zoodanig dat het
bosch bij de tegenwoordige residentieplaats, vereenigd met dat van
Voorschoten, zich zal hebben uitgestrekt tot bij Oudewater, dat,
naarmate het bosch bij de eene of andere plaats lag, het ook daarom
verschillende namen droeg, en dat ook daarom zooveel uiteenloopende
plaatsen hiervoor worden aangewezen. Niet dat wij beweren dat dit
alles bosch was, ongetwijfeld was het hier en elders onderbroken door
ledige vakken.

Dit is geene gissing op lossen grond. Indien wij toch hiervoren
reeds zagen, dat het Haagsche bosch tot in Kennemerland zich
uitstrekte,--indien wij weten dat het Schaken, door Blommaert alweder
ook Merwede-bosch genaamd, in de elfde eeuw nog geheel de landstreek
van Gorkum tot aan het zeestrand en (let wel) over den Rijn tot aan
Haarlem zich uitstrekte,--dat Merula zegt, dat dit woud tot digt bij
Haarlem van Leiden beginnende, zoo digt en donker was, dat men die
twee plaatsen kon naderen door van boom tot boom te gaan zonder de
aarde te raken, dan houden wij het er voor (zeer wel mogelijk dat
wij dwalen) dat ons weinig bekend Schakerbosch een deel uitmaakte
van dat waarvan reeds zoo veel en menigmaal is gesproken.

Hier nog bijgevoegd Schagen en Wulverhorst in de nabijheid, alsmede
Barwoutswaarder, het zoo menigvuldig aantreffen van grondhout,
zooals men bereids kan weten, het overgroot aantal plaatsnamen in deze
aangewezen ruimte die verder nog aan Wouden herinneren, en ten slotte
de stoute verklaring van Lud. Smids [68], dat vroeger Suidholland,
het Sticht van Utrecht en Rijnland enkel bosch en meer waren, en
het duistere van dat groot aantal heilige wouden nadert o. i. zijn
einde. [69]

Ook bij het bestuderen der Mythologie kwam ons geene plaats voor,
die zooveel overeenkomst met de plaats onzer beschrijving aanbood als
's Gravenhage.



En nu, geachte lezer! wij beloofden in ons prospectus, u te zullen
rondleiden door de wouden onzer voorvaderen, die hier eenmaal stonden,
en gij hebt ons wel de eer willen aandoen, te zullen volgen. Lust het
u thans? Dat zij ons dan beziele, de genius der verbeelding, die doet
zien in het leven der volkeren, reeds lange verdwenen, en der landen,
van gedaante verwisseld; dat zij ons voere over de wijde klove van
vervlogene eeuwen en eeuwen tot in het heidensche tijdvak!

Zie! de dagvorstinne purpert het oosten en penseelt den omtrek met
ligtrooden tint. De nevelen, die zoo even nog de landstreek met een
valen sluijer omhingen, stijgen hemelwaarts; tallooze dauwdroppelen
schitteren met ongewone pracht als zoo vele vreugdetranen bij het
verdwijnen der duisternis. Zie, daar verliest zich het laatste
dauwfloers, en baadt zich alles in eene zee van licht. Nu opent de
malva ook heur blanke kelken; nu ook wademt ons de geur van meitak
en vlierstruik tegen, gedragen wordende op den adem der frissche
atmospheer; een heir van vogels kweelt en tjilpt en fluit: het
is morgen.

In zulk een uur is het dan ook, dat de dichter zijne luite stemde en
zijne muze hem toefluisterde:


        . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
        Dan voelt de geest zijn kracht van vleuglen,
          En maakt van 't stof zich los en vrij,
        Dat hem met tragen boei wil teuglen
            Als waar zijn vlucht slechts hoovaardij!
        Dan stijgt hij boven zonnewegen,
            Wat wet van zwaartekracht regeert,
        En zweeft den eeuwgen vader tegen
            Wiens grootheid hij met knieling eert;
        Wiens wijsheid hem verstomd doet buigen,
            Wiens almacht hem ontzachlijk is,
        Maar van Wiens liefde 't luidst getuigen
            Die stemmen vol geheimenis,
        Die uitgaan in de stille wouden,
            Wier niet te ontraadslen wonderkracht
        Eene eeuwige eenheid blijft behouden
        . . . . . . . . . . . . . . . . . . . [70]


En terwijl wij dan den indruk gevoelen van het plegtige uur,
spoeden wij ons voort over de, door de natuur gevormde aangeslibte
verhevenheden of waarden met wuivend riet begroeid, naar het voor
ons liggende Schakenbosch.

Op onzen togt herwaarts, zouden wij ons kunnen ophouden, bij de
voorvaderlijke woningen of liever hutten en hunne bewoners, die
in dit vroege uur, reeds zooveel bedrijvigheid toonen, doch kiezen
wij hiervoor liever een anderen tijd: nu een morgenuur daar in het
woud. En al meer en meer het bosch naderende, dat zich zoo trotsch
in de blaauwe lucht afsteekt, ontvliegt menig schuchter waterhoen
de biezen, en menige rietvink hare jongen, schuilende in de wuivende
rietstengels langs den breeden IJsselstroom, waarlangs wij gaan.

En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij
staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel
een weg. [71] Een waterstroom door een bosch, welk eene pracht! Wat
teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie,
die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water
zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels
en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons
oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke
wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.

Zoodanig woud moest het dan ook zijn, dat den Germaan deed huiveren
van ontzag, waarin de beelden zijner godheden waren opgerigt en de
kille altaarsteenen zoo dikwijls bepurperd werden door het slagten
van onschuldige offers.

Zulk een stroom moest het zijn, waarin zijne magtige watergeesten
woonden en zijne bekoorlijke nimphen.

Die dappere mannen, die zich met zwaard of speer en een uit teenen
gevlochten schild met ongepantserde borst, waagden in de digte
drommen van moordende vijanden: zij sidderden voor dat woud, omdat
het de woonplaats was van dikwijls vertoornde goden, sprekende door
het gekras van raven en gehinnik van paarden.

Doch, sidderen wij al niet voor de altaren, hunnen goden opgerigt, voor
die priesters en de uitspraken der wigchelaarster, voor het gehinnik
der rossen of het gekras van onheilspellende vogels, van welke laatste
dit woud zoo dikwijls de klanken opvangt, dan gevoelen wij toch bij het
binnentreden insgelijks gewaarwordingen die het zenuwstelsel aandoen,
doen schokken en trillen bij dat indrukwekkende hetwelk de wouden in
onze ziele overgieten. Zeker, het moet een met ijs omschorst gemoed
zijn, dat hier niet beeft van ontzag, en knielt van eerbied voor den
eenigen Maker van dit alles!

Boven ons knoestige eiken met hunne breede en hooge takken, kruinen
van blondgeschorste beuken, van ranke populieren wier bladen schuchter
beven op de bladstelen, bemoste ruwe wilgentakken en fiere beuken,
nooit door den mensch besnoeid, en dat alles in woeste wanorde
een prachtig natuurdak vormende, in welks geheimzinnig, ruischend
loover zoowel de kleine schildvink als de groote boschraaf nestelen,
en door hetwelk de koesterende zonnestralen slechts nu en dan, als
ware het eene gunst, mogen doortintelen en waarin dus de plegtige
overeenstemming heerscht van een somber licht.

Niet zoo somber echter als voor eenige uren toen de zon nog niet
speelde met de kabbelende IJsselgolven, want toen was het, dat onder
het statig


    . . . . lommer was de somberheid van 't graf:
    Een dikke en tastbre nacht door wolken van gebladert
    Beschaduwd, in wier schoot de nevel zich vergadert
    Van heide en woudmoeras, die als een zwart gewaad
    Het kreupelhout verdicht en om de stammen slaat;
    Een strakke duisternis, die d' afstand wech doet vloeijen,
    Die elken vorm versmelt of zwellend saam doet groeijen,
    Tot een onzetbren klomp, een massa uitgebreid--
    Een onbewogen zee van louter donkerheid.


Zoo is dat bladerenschild in-een gevlochten, en terwijl wij naar
boven zien naar de schaarsche plekken waardoor het licht betooverend
doorstraalt, verwart zich onze voet in de ranke winde, voortkruipende
over den bemosten boschgrond en zich vervolgens vast slingerende om
den krachtigen eik, van waar hij zijne bloemen toont, en stormen tart,
als ware het, om ons te doen zien, dat als de zwakke bij den sterkere
heul zoekt, het den laatste niet hindert en den zwakke doet leven,
ten spijt van de stormen des maatschappelijken levens.

En wij keeren terug van uit den heidenschen tempel, door het spichtig
boschgras en over vochtig mos en ranke varens en wij haasten ons nu
wij, zij het ook van ver, het brullen des woudstiers en het huilen
van wolven vernemen, met wien welligt nu reeds eenige bewoners van
dit oord in strijd zijn.

En den uitgang naderende van den trotschen natuurtempel, gewennen
wij ons langzaam aan het strakkere licht daarbuiten, en de hutten
vertoonen zich weder aan ons in al hare nederigheid, te nederiger bij
het verheven gevoel dat het statige woud op ons maakte. Thans is het
ons duidelijk dat zij niet binnen de enge muren eens steenen gebouws
verzamelden maar in het woud dat het meest kan stemmen tot nadenken.

Doch ook bij het verlaten van het bosch zij het ons vergund in
de werkelijkheid terug te treden. En de wouden zijn verdwenen en
de IJssel is weder smal, en in plaats van het huilen van wolven
hooren wij het vreedzaam klingen der schapenbellen, en wij zeggen in
verwondering: verdwenen! verdwenen! En den herder vragende hoe dat
kleine stuk bouwland genoemd wordt, zal hij u zeggen welligt: vriend,
dat is het Schakenbosch; voor eenige jaren was het nog een griend. En
wij zeggen dan stellig: stond daar nu het woud waar onze vaderen
offerden? is dat nu het overblijfsel van het Schakenbosch?! En dan
is het of de tijdgeest fluistert: vergankelijkheid!!! En wij herhalen
in begeestering:


            't Schakenbosch is nu verdwenen
              Met zijn digtgeweven kruin;
            Godenbeelden, offersteenen,
              Liggen lange reeds in puin.

            Nimmer zal men meer vergadren
              Onder 't lispelend geblaart,
            Want zij zijn niet meer, die vadren,
              Zoo vol moeds en zoo vermaard.

            't Schakenbosch waarin de heiden
              Zijnen goden offers bragt,
            Opdat alle ramp en lijden
              Steeds mogt wijken door hun magt.

            Ach, dit Schakenbosch zoo prachtig,
              Ook aan feestvreugd vaak gewijd,
            Is verdwenen, doch de naam nog
              Lispelt van verganklijkheid.

            Geen frameeën meer, geen schilden
              Hangen aan den trotschen eik,
            En de lijkasch dezer »wilden",
              Werd vereend met de IJsselslijk.


Had men dus hier een heilig bosch, dan laat het zich gemakkelijk
begrijpen, dat er ook priesters moesten zijn of barden.

Waar nu woonden die? Treft men bij Oudewater daarvan nog een spoor aan?

Mone en Westendorp hebben het reeds aangetoond, dat de Friezen ook
hunne hoven hadden.

In het werkje van den eerw. heer Ds. Heldring--Opsporing van
Bataafsche en Romeinsche Oudheden, Legenden, enz.--worden wij met
zeer vele hofplaatsen bekend gemaakt uit het bekoorlijke Gelderland,
die, oudheidkundig beschouwd, de eene al interessanter zijn dan de
andere. Meestal droegen zij onmiskenbare bewijzen van vroege bewoning,
door het aanwezig zijn van heele en verbrokene oudheden. [72]

»Die tempelhoven," zegt Buddingh, »waren tevens tempelwouden. Dat
het hof van Wateringen vroeger door hoog geboomte omringd was, is
mij bij herhaling verzekerd, en nog ligt de hofwoning in het woud,
gelijk het geheele vriendelijke dorpje zelf even als het hof in het
Schaker- of Sacrebosch tusschen geboomte verscholen is. Daar op die
hoven dan woonden vermoedelijk, gelijk zulks ook in het noorden en
in Friesland plaats had, de Batavische Barden of Priesterschaar."

Wat eene schoone vergelijking weder: het schakenbosch daar, en het
schakenbosch hier. Immers



het Papenhoef

een steenworp van Oudewater en ongeveer 15 minuten van het land
liggende, dat tegenwoordig nog den naam Schakenbosch bewaart, maakte
toen--kunnen wij haast met zekerheid zeggen--een deel uit van het
heilige woud, vooral indien wij den korten afstand tusschen die
twee plaatsen en het grondhout daartusschen gevonden in aanmerking
nemen. Had het meerbekende schakenbosch bij Voorschoten dus eene
hofplaats, ook dit had er eene. De letterverwisseling hoef voor hof
kan toch, dunkt ons, geene verwondering baren als men weet, dat oo
dikwijls oe geschreven werd. [73] Papenhof of hoof zal dus Papenhoef
zijn uitgesproken, welke uitspraak is behouden gebleven. Ook hier
dus zal het tempelwoud tempelhof geweest zijn en zullen de priesteren
van het heidendom daar gewoond hebben.

Wat het vorenstaande Papen betreft, wel ver van deze meening meer
ongeloofbaar te maken, voert zij eerder daar nog een bewijs voor
aan. Bij de Christelijke prediking immers is alligt die plaats
ook tot een christelijk einde ingerigt (langs het Papenhoef ligt de
Kerkwetering) en werd alsdan het Papenhoef. [74] Dit althans is zeker:
de vereeringsplaatsen der heidenen gingen dikwijls tot die van het
Christendom over.

Zeer treffend ligt in het oude Barwouts of Barboswaarder insgelijks
een Hofwaarder; dat dit op dezelfde wijze verklaard wordt door ons,
behoeft niet te worden gezegd.

Verder zegt laatstgenoemde schrijver, »dat vele dier hoven
tot een aantal plaatsnamen hebben aanleiding gegeven, komt mij
als ontegensprekelijk voor. Een naauwkeurig onderzoek zoude het
kunnen ophelderen, of aldus Vollenhoven, Schoonhoven, Zevenhoven,
Achttienhoven en vele andere vooral in Zeeland tot de tijden vóór
het Christendom aldaar opklimmen."

Wat het nabijgelegen Schoonhoven aangaat, deelen wij zoowel den
schrijver als onzen lezers mede, dat die plaats reeds ten tijde van
het heidendom bewoond werd: althans de Nikkersloot bij Schoonhoven
aanwezig, is hiervan een onomstootbaar bewijs. (Hiervan nader meer.)

Ook Achthoven, dat Buddingh onder de hofplaatsen prov. Utrecht noemt,
en hetwelk in onzen omtrek (bij Montfoort) ligt, was, indien wij
het hiervoren over Montfoort geschrevene nagaan, alligt eene plaats
heugende van het heidendom.

Dit over de Woudendienst. Behalve deze had men nog eene bijzondere



PLANTEN- EN BOOMENDIENST.


De Misteltein, waarmede naar Baldur werd geschoten; de Baldursbra,
aan Baldur gewijd; de Elfrank (Solanum Dulcamarum), welligt aan de
Alven herinnerende, en de Pinksterbloem (uit het geslacht der Iris)
waren welligt allen planten die men vereerde.

Gaarne rangschikten wij hieronder nog: de kikkerbloem, (Chaerophyllum
silvester) die men op Vuige Pinksteren aan de woningen hangt.

In het Christendom zelfs hield de gedachte aan deze vereering nog
zóó stand onder het volk dat ook toen nog bijgeloof aan planten
geschonken werd; zoo verhaalt men van eene plant met roode vlekken,
dat deze onder het kruis zijnde van den Zaligmaker, met bloed bevlekt
werd en sedert altijd met roode vlekken op de bladeren is.

Ook aan de klaverplant met meer dan gewone bladen, »waarvoor de boeren
zooveel geld bieden" volgens de overlevering, is welligt bijgeloof
verbonden. Bij laatstgenoemden bleef immers het langst het bijgeloof
aanwezig, en dikwijls treft men nog een »klaver van vieren" in boeken
bij hen aan.

Dat ook boomen vereerd werden, is ontegenzeggelijk. De heer van
den Bergh zelfs [75], die geenszins spoedig iets aanneemt, twijfelt
hieraan niet, evenmin als andere schrijvers.

De vlier-, wilgen-, esch-, noten- en perenboomen gist men te zijn
vereerd, eveneens als de hazelaren (asenlaar) waarvan van den Bergh
zegt dat zij het hout leverden voor tooverroeden en wigchelstokken,
vonderhouten genaamd.

Bijzonder echter waren de eik en de linde gewijde boomen. Van
eerstgenoemde vindt men meer dan één voorbeeld aangehaald. Op 's
Grevehof in Zutphen werd het leengerigt gehouden onder een eik en
linde. Nog meerdere worden vermeld in genoemd werk, o.a. deze uit
Wolff's Niederl. Sagen: Een man ging des avonds laat van Koekelenberg
naar Molenbeek. Onder weg moest hij een overouden eik voorbij,
waarvan de stam reeds geheel hol was. Daar komende zag hij eene vlam
om den boom spelen, en toen hij wilde zien wat dat was, hoorde hij eene
vreeselijke en holle stem die hem toeriep: »gaat aan; voor u is de dag,
de nacht is voor mij!" en bij elk woord schoot eene vlam uit den boom.

Hier is, zoo leest men verder, duidelijk eene herinnering aan de
heidensche godsdienst, die met den val van het heidendom van de
menschen verlaten, alleen bij nacht spoken mag. Waarschijnlijk ziet
het op Thunar of Wodan.

Aan den gewijden eik, zegt Buddingh, legden de eerste
evangeliepredikers de bijl, zooals bijv. Willibrord en Bonifacius,
die zich daardoor in hunnen geloofsijver wel eens moeijelijkheden
berokkenden; doch hoezeer ook de gewijde eiken vielen, de vereering,
de aanbidding hield zelfs hier en elders nog in de middeleeuwen stand.

Nog worden in onzen omtrek veelvuldig de sporen van eikenboomen onder
het grondhout aangetroffen.

De lindeboom was als boom der liefde bekend. Ook hiervan konden wij
voorbeelden aanhalen; alleen zeggen wij, dat die ook niet allen bij
de prediking van het Christendom gevallen zullen zijn.

Onder meer andere groote lindenboomen noemt van den Bergh de
lindenboomen die het heidensch altaar overschaduwen op de Lage
Vuursche, doch deze zijn niet te vergelijken met de reusachtige linde
in deze plaats staande en bij oud en jong bekend onder den naam



Weesboom,

als bij het weeshuis staande. Om den lezer die nimmer die trotsche
linde zag, een denkbeeld van zijn verbazenden omvang te doen geworden,
vermelden wij dat zij ongeveer een Ned. el boven den bodem den
aanmerkelijken omvang heeft van 4,15 Ned. el, terwijl er op den bodem
eens zooveel omtrek bij komt.

Dat het dus niemand heugt, wanneer deze boom geplant is, is gemakkelijk
te begrijpen; ook komt hij op eene oude plaat reeds ongeveer voor als
hij thans is, daarenboven er is eene overlevering aan verbonden, en
ook dit bewijst zijne oudheid: die overlevering is zeer waarschijnlijk
uit de Mythologie.

Aldus, dezen boom houden wij ten eerste voor een overblijfsel van den
voormaligen woudvollen toestand dezer gewesten, en ten tweede voor een
boom van vroegere vereering, hetwelk wij te geruster durven beweren
daar de strenge oudheidnavorscher Mr. van den Bergh voornoemde linden
van Lage Vuursche, welke niet zoo oud als de Weesboom blijken te zijn,
onder zijne woudendienst noemt.

Zie hier, o.i., de bewijzen:

Stadgenoot, hebt gij als kind nooit van uwe ouders of van wie ook
gehoord, dat boven in den boom een luik was waaruit de pasgeboren
kinderen komen? Ongetwijfeld. Welnu, denk hierover nu eens na, breng
dit eens met den boom der liefde in verband, en dan vragen wij u:
zou deze legende niet van heidenschen oorsprong zijn? Deze opvatting
juist zijnde, zou men dan aan dezen boom van de godinne der liefde,
nooit geen offers gebragt hebben om een gezegend huwelijk, en als men
dan daardoor, zoo men meende, met kroost gezegend werd, dan voorzeker
is het in onzen tijd immers geen wonder, dat ook hier de vereering
weder tot het begrip der kinderen werd overgebragt.



En nog immer staat hij daar, en nog immer tart hij stormen en orkanen
hem te ontwortelen. Stormen en orkanen, zeker die beleefde hij in
het grijze Oudewater, als hij die elders zou beleefd hebben, hier
daarenboven woelden en was hij getuige van zoo vele stormen in het
geprangde gemoed der ingezetenen bij zoo menigen fellen kamp.

En ingezetenen kwamen, en ingezetenen verdwenen van het woelige
wereldtooneel, en de linde die de stille getuige was zwijgt, of spreekt
tot ons onverstaanbaar, als het zachte zephiertje zijne telken jare
vernieuwende bladerendos doet ruischen. Konde hij ons echter verhalen!

Wat zoude hij getuigen van menschenleed en menschenvreugde, van oorlog
en vrede, van weelde en gebrek! Wat zoude hij spreken--aangenomen
dat hij zoo oud is als wij meenen--van geslachten en geslachten,
die hij overleefde van uit het heidendom tot in dit jaar!

Hoeveel zoude hij kunnen bekend maken uit de tijden toen Wodan,
Thor en Freija in vereering waren en men ook hem met ontzag naderde
en toen het Heidendom voor het Christendom week.

Hoeveel duisters zoude hij kunnen ophelderen uit de jaren toen de
Stichtschen zoo dikwijls deze plaats bestookten en den graven het bezit
daarvan betwistteden--omtrent de gehechtheid aan gravinne Jakoba in
de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, die ook Oudewater beroerden.

Wat zoude hij al zeggen van zoo veel verwoesting en brand die het
teisterde, van het beleg en veroveren der stad door de Spanjaarden in
1575, van geslaakte angstkreten, van getergde woede en diepen rouwe,
doch ook van vreugde en wederzien toen de plaats weder voor den Prins
genomen werd--hoe zoude hij gewagen van de lauweren die de moedige
poorteren zoo menigmaal behaalden bij verschillende tijden en op
verschillende gelegenheden van burgertwist en burgervrede,--doch
hij zou dan ook ongetwijfeld iets verhalen, hoe de tijd niet had
uitgewischt dat hij in aanzien stond bij zoovelen van welke slechts
flaauw of in het geheel niet de naam overbleef.

Zij kwamen en zij verdwenen, en hij schudt de wuivende takken nog
steeds bij elke koelte, als zeide hij: op mij hebben geen stormen
hunnen vernielenden invloed.

En gij, landgenoot! nadert gij ooit van de oost- of westzijde het
nederige Oudewater, hef op dan uw oog, en gij zult reeds van ver zijne
knoestige takken zien; en komt gij ooit binnen de plaats, vergeet
dan niet, eenigen tijd te verwijlen aan den voet der statige linde,
hoogst waarschijnlijk heugende uit het heidendom van dit oord.

Bereids zijn nu voor ons bestek classisch behandeld Feesten en
feesttijden, Wouden-, Boomen- en Plantendienst. Om nu verder
met de mythologische onderwerpen, die in Oudewater en omtrek voor
tijdgenoot en nageslacht te redden bleven, niet in het wilde rond te
schermen, zullen wij voortgaan, die onder rubrieken of hoofdstukken
te beschrijven, zoowel in het kort waarop reeds de aandacht werd
gevestigd als op diegene waarop zulks nog gedaan zal worden.

Budding's Westland wijze ons bij die verdeeling eenigzins den weg.

Voor de



Terpen, Wieren en Vlietbergen

zoude men dus kunnen verwijzen, naar Hekendorp en welligt ook naar
Vliet en Wierxoord.



Wijken of Wijkplaatsen

zijn Heeswijk, Mastwijk, Bulwijk, Sluipwijk, Kromwijk.



Go-plaatsen

Goy in Boswaerder, Goy in Rapijnen en drie Goyen in Kattenbroek.

Terwijl van de



Loo-plaatsen

Lopik en het oude Bodekulo (Bodegraven), zouden kunnen worden
aangemerkt.



WATERDIENST EN WATERBEVOLKING.


            Het volk bad aan den oever der rivieren, en bragt
            er offers.

                                                            D. Buddingh.


Bekend en onomstootbaar is het, dat men in de mythologie niet alleen
water vereerde maar het ook bevolkte met wezens van verschillende
kunne en hoedanigheid.

Bij Tacitus--om maar iets uit het vele te noemen, waarmede dit
zou kunnen bewezen worden--vindt men vermeld, dat, toen de moedige
kampvechter Claudius Civilis zijne strijders tegen de magtige Romeinen
aanbragt, hij hunnen moed aanwakkerde, door hen aan de tegenwoordigheid
van den Rijn te herinneren.

Na dit te hebben geschreven, vragen wij: wordt er ook in deze environs
daaromtrent iets aangetroffen? En het antwoord is gereed: meer dan
men oppervlakkig denkt.

Wie uwer heeft als kind nooit de ouderlijke vermaning gehad, u niet
te digt bij het water te wagen, opdat de bullebak u niet in het water
mogte trekken. Als kind geloofdet gij zulks, doch hebt gij als man wel
ooit gedacht, dat die gewaande bullebak een wezen was oorspronkelijk
uit de mythologie, dat welligt in groot aanzien stond; toch is het zoo:
zijn naam moge verloren zijn gegaan en bij den Christen in bespotting
zijn geraakt, de herinnering van zijn mythologisch daarzijn is er, zij
het ook al weder bij de kinderen. En het kind, man geworden, vertelt
dit weder zijnen kinderen, en aldus bleef, blijft en zal het aandenken
aan dien vroegeren watergod in stand blijven ook na onzen tijd.

Een ander voorbeeld: Hela was in de N. Mythologie de godin der
doodenwereld, en weder zijn er vele voorbeelden, dat zij aan rivieren
sporen harer vereering naliet, in verschillende helplaatsen. Ook
te Oudewater hebben wij aan den IJssel nog eene woning genoemd: het
helletje, die het aandenken onloochenbaar aan Hela heeft, en waarop
wij nader in het breede hopen terug te komen.

Verdere bewijzen zijn, dat het meivuur langs den IJssel gebrand wordt,
en ook merken wij op, dat de plaatsnaam Schakenbosch nog een land
voorstelt aan laatstgenoemde rivier liggende.

De Popen heeft men reeds als Watergeesten leeren kennen.

En ten slotte herinnert de naam Hekendorp afkomende van Nechsendorp,
insgelijks aan Watergeesten.

De nechsen, nichsen, doen, volgens Buddingh, geen kwaad; somtijds
komen zij bij elkander, schikken de haren naar de wijze der vrouwen,
en spreken met de menschen.

De nikkers, nixen en meerminnen schijnen daarentegen boos, en hebben,
volgens Blommaert, groen haar.

Op een hoek der wallen van deze plaats, N.W.zijde, daar ongeveer waar
eertijds het kruidhuis stond, loopt, zoo men ons verhaalde, des nachts
eene zwarte vrouw over de gracht, en op zekere waterkom tusschen
Utrecht en Oudewater gaat insgelijks des nachts eene vrouwelijke
gedaante over het water, juist tusschen twaalf en een uur.

Dat de nikkers wijders groen haar hebben, bleek nog uit dit versje:


        »Zaagt ge immermeer op de oceaan gevaren;
          Als de avondzon in 't golvend schuim verzonk,
        Een zeemeermin zich wieglen op de baren,
          Wen dijnend schoon haar groene vlecht doorblonk."


Te Schoonhoven, merkten wij reeds op, treft men nog de nikkersloot
aan, waarvoor men wel eens bekommerd is daar voorbij te gaan,
zonder men zich daarvan reden weet te verschaffen. Wij denken
nu, nietwaar? dadelijk aan de booze nikkers, en ons is het nu
duidelijk. Wat ons welligt echter nog meer duidelijk werd, is, dat
men den Schoonhovenaren wel spottenderwijze verwijt dat zij groen
haar hebben.



VUURDIENST.

»Vuur- en Waterdienst zijn zeer met elkander verwant," zegt Buddingh,
en naar onze meening te regt. Zagen wij immers niet het meivuur,
dat onder dit hoofdstukje kan gerangschikt worden, aan den IJssel
branden? Ook dit zij nader herinnerd, als over den lijkbrand zal
geschreven worden. Om echter verder in geene gissingen te treden,
zullen wij het hierbij laten blijven. Genoeg dat deze dienst
onloochenbaar is bewezen, en hare overeenstemming met de waterdienst
ook hier is aangetoond.



DIERENDIENST.

De paarden zijn de eersten die onder dit hoofdstuk moeten
optreden. Deze toch werden bijzonder vereerd.

Tacitus, die bij allen in dankbare herinnering moet blijven--Tacitus,
van de Germanen sprekende [76], verhaalt, dat het hun eigen was om
uit paarden vermaningen en voorzeggingen uit te vorschen. Sommigen die
glanzend wit waren en nooit door menschelijken arbeid besmet, werden
op algemeene kosten in heilige bosschen onderhouden. Zij werden voor de
heilige wagens gespannen, begeleid door de priesters of de voornaamsten
des volks, die zeer aandachtig hun hinneken en brieschen nagingen. Aan
geene voorzegging werd meer dan aan deze geloofd, niet slechts bij het
volk, maar ook bij de overheden en priesters. De laatsten hielden zich
zelven voor de dienaren--de paarden voor de medewustigen der goden.

Zooals vermeld is, zagen wij in Roozendaal, dat, gelijk bewezen
werd, tot het Schakenbosch zal hebben behoord, zoodanige plaats waar
de Rossen zouden zijn onderhouden. Uitgenomen deze nog, waren deze
dieren den ouden zeer dierbaar. Het ros toch, dat met zijn meester in
den strijd was geweest, kommer en ontbering, leed en vreugde met hem
genoten had,--dat werd ook de eer aangedaan op denzelfden houtmijt
met het lijk zijns meesters te worden verbrand. [77] Ook dit zullen
wij nader gelegenheid hebben op Oudewater toe te passen.

Overigens was dit dier voor het offeren en bij de offermaaltijden
zeer in aanzien.

Verder behooren tot de dierendienst welligt nog het zwijn, wijl
zoo vele evertanden bij offerplaatsen gevonden werden. Ook op het
Juulfeest slagtte men een ever, zooals hiervoren werd aangetoond;
terwijl de os en de hinde welligt ook daaronder zullen kunnen
gerangschikt worden. Ook aan de katten van Freija, de bokken van
Thor, het veranderen der heksen in katten, het ijzeren veulen, de
nachtmerrie der rossen en den kop van dit dier als voorbehoeding,
zij onder dit stuk gedacht.



VOGELVEREERING.

»Dat is een geluksvogel; die een ongeluksvogel!" zoodanig gezegde
zult gij, geachte lezer, wel dikwijls vernomen hebben. Doch bij dat
vernemen heeft menigeen er niet aan gedacht, dat men ook hiervan den
oorsprong in de mythologie onzer vaderen te zoeken had.

De priesters der ouden maakten bij het voorspellen van iets, vooral
ook veel gebruik van het geluid en de vlugt der vogels.

Nog is de ooijevaar--elders heileuver--heilaanbrenger, bij sommigen
in hoog aanzien; een ooijevaar immers die het nest op een huis maakt,
brengt, gelijk men wel zegt, geluk aan: het verstoren dier vogels
het tegendeel. Ziet men hem voor het eerst in het lieve voorjaar,
met veel geld bij zich, dan is men geheel het jaar niet zonder.

Ook de zwanen en zwaluwen rangschikken wij, in navolging der geleerden,
onder deze rubriek.

Op het dooden van ooijevaars en zwanen stond eertijds zelfs de
doodstraf. Ziet, zoo hield zich ook deze vereering nog lang staande.

De zwaan was in de natuurleer onzer vaderen aan de godin der liefde
gewijd. Zonder dat ook wij hier juist eene gevolgtrekking willen maken,
is het gebruik der palmpaschen, die dikwijls met afbeeldingen van
zwanen zijn versierd, opmerkelijk. Te opmerkelijker omdat ook die
welligt weder tot kinderspel overging.

»Zwaluwen zou ik niet gaarne verstoren," zeide mij iemand, »want
die staan in de Schrift beschreven." Ook dit zoeken wij als in de
mythologie van origine zijnde: velen toch beschouwen ook zonder deze
uitlegging de zwaluwen als heilaanbrengende vogels.

Ook de haan is van beteekenis evenals de zwaluw; verkondigt de laatste
het naderen der lieve lente: de eerste vermeldt het aanbreken van
den dag. Hoewel dit nog niet als heidensch kan worden beschouwd,
zoo spelen de hanen toch in de Noordsche Mythologie [78] eene rol die
men oppervlakkig niet zou vermoeden. Men kent daarin bij de Trolden
de vuurroode, de gele bij de Asen, en de zwarte in de onderwereld.

Het hanensabalen op de Kaaloorsche kermis bij HOENkoop, het vermeld
vinden van: »offert den goden een haan," en de zeer interessante
bijdrage, die wij nog nergens aantroffen: dat men, bij het verhuren
van landerijen, bij den huurprijs nog een haan moest voegen, als die
leverbaar was, kunnen o.i. allen aan deze vereering doen denken.

Vraagt men: wanneer was de haan leverbaar? wij zeggen, dat men zulks
er voor hield als deze vogel van den grond kon springen op den rand
eens wateremmers.

Koekoek en specht zijn weder voorspellende vogels.

Onheilspellenden zijn welligt raven, eksters, uilen en de roode haan.

Odin wordt voorgesteld met raven bij zich, die hij elken dag laat
uitvliegen, en welke hem daarna vertellen wat nieuws er is; het zal
uitkomen, zegt men immers, al zouden de raven het uitschreeuwen.

Het huilen van nachtuilen wordt bij velen als zeer ongunstig beschouwd.

En de roode haan ten slotte, hoewel ongunstig en overdragtelijk,
en zulks welligt geworden bij de verachting des heidendoms, is al te
wel bekend.

In Oudewater ten minste herinnert men zich het tartende en spijtige
gezegde van van Bossu in 1573, toen hij voor deze plaats met zijne
soldaten en gepreste boeren het hoofd stiet [79]:


           »Al eerder een jaar ten einde zou gaan,
            Zal ik er door jagen den rooden haan."



GEDROCHTEN.

De heidenen, die in hunne verbeelding zoowel goden en godinnen
als hemelligchamen, enz. vereerden, bragten ook hunne hulde aan
gedrochten en gruwelijke beesten. Een voorname daaronder was
de Monoschyros, gelijk Westendorp dit spelt. Buddingh spelt het
woord echter Monochyros. Dit wezen, zegt laatstgenoemde schrijver,
nog in zijn geheel te herstellen, zal ons wel niet gelukken, doch
wij kunnen door de woordverklaring en sage gissen wie het geweest
zij. Hij verklaart dien Monochyros dan in verband tot de maandienst en
vertaalt het maanverzwelger (mona--maan chyros fr. chirer, verscheuren,
verzwelgen) en dit zou ons dan den noordschen manogarmr (i.e. Lunam
devastans sive devorans naar, Magnus 110) weder schenken--Garm,
gar, ger, gir--schrijft de Delftsche oudheidminnaar, is ons chyros,
gierig, begeerig.

Magnusen noemt het onder de natuurgedrochten.

De geleerde Westendorp noemt het zelfs een god, en zegt, dat deze in
ongemeene merkwaardigheid stond.

Zie hier wat hij er van heeft opgeteekend: [80]

»Er is daarvan door Corn. Aurelius in zijne Batavia 41, bladz. 77-79
deze volgende sage geboekt:

Een Athener Demarchus die tot de lijfwacht des keizers Constans
behoorde, kwam uit Brittannie terug en stapte op de Maas te Staelduinen
aan land. Vervolgens wijdde hij een altaar aan den god Monoschyros
of den alleen sterke. Weldra werd zoowel de hulde aan deze godheid
als zijne godspraak in Batavie en in Klein Friesland boven allen
beroemd. De toeloop was aldaar groot.

Men bood zijn kinderen denzelven aan, opdat zij sterker dan anderen
zouden worden. Daarna verhaalt hij (Aurelius) de geschiedenis eener
merkwaardige offerande door iemand uit Bodegraven nabij Oudewater.

Over de verschillende gevoelens dier geleerden omtrent de ware
beteekenis dezes woords zullen wij ons niet uitlaten; alleenlijk
hadden wij gaarne gezien, dat Westendorp het met zijne ruimte had
kunnen overeenbrengen, die offering over te nemen.



AARDGEESTEN, DWERGEN, enz.

Deze komen onder verschillende benamingen voor. Mr. van den Bergh
[81] noemt: Dreumes, Dreutel, Drol, Keutel.

Door de kaboutermannetjes is hetzelfde te verstaan.

»Dreutel," zegt laatstgenoemde schrijver, »beteekent, gelijk keutel,
de drek van schapen. Door het Christendom," vervolgt hij, »is de naam
in verachting geraakt, en, gelijk bij de Israeliten vreemde goden
drekgoden heeten, tot benaming voor het laagste en verachtelijkste
gebruikt."

»De echte beteekenis," zegt deze geleerde, »is echter nog niet geheel
versleten; ik herinner mij een kinderliedje, beginnende:


        Klein, klein dreuteltje, (kleutertje, dreumesje,)
            Wat doe jij in mijn hof!"


En hier doen wij van den Bergh welligt geene ondienst als wij het
vervolg daarvan ter nederschrijven, zooals de jeugd dit in Oudewater
opdreunt:


        »Jij plukt al mijn bloemetjes weg,
            Jij maakt het al te grof."


Dit laatste duidt op den soms lastigen aard dier wezens. Veelal
nogtans waren zij ook goed. [82]

De kleine pijpjes die in de aarde gevonden worden, zegt men, zijn
van aardmannetjes; veelal dan ook worden zij naar hen genoemd. Uit
dit alles blijkt ook weder verachting en kinderspel van het vroegere
heidendom.



LUCHTGEESTEN.

Hieronder worden verschillende wezens verstaan. Bokkenrijders,
bezemrijders en meer andere heksen welke door de lucht rijden. Dit
onderwerp stellen wij ter beschrijving tot nader uit, als de heksenwaag
ten tapijte zal worden gebragt.

Onder de



WOUD- EN VELDGEESTEN.

worden gerangschikt de Weerwolf, kwade hond, de Droes en ook de
Nachtmerrie, voor zoo ver die in het veld verschijnt, benevens het
ijzeren Veulen.

Het bijgeloof aan het ijzeren Veulen is hier ook nog in aanzijn;
het is een zeer lastig wezen, en gelijk elders, plaagt het dikwijls
den mensch. Overigens heeft het nog de eigenschap in de lucht te
kunnen stijgen.

Ook de nachtmerrie komt in deze streken bij de paarden der landbouwers
menigwerf voor. Als paardenziekte is dit in onze dagen gelijk
vroeger wel geen wonder, en dit zal het niet blijven zoolang men
geene voorbehoeding tegen die ziekte heeft uitgevonden of ontdekt.

In dezer voege spreekt ongetwijfeld de verlichte mensch, die niet
aan de nachtmerrie gelooft als schadelijke geest, gelijk, helaas,
nog velen om ons dit doen.

Met wat ontsteltenis op het gelaat zegt de bijgeloovige landman
des morgens nadat hij de ineengescharrelde manen van het dier
dat lijdende geweest is, heeft aanschouwd: "mijn paard heeft de
nachtmerrie gehad." Slaat hem nu gade; zie, hij wil het bijgeloof
met bijgeloof verdrijven: hij bindt twee steenen over elkander, nu
heeft de nachtmerrie geen vat meer op het beest. Anderen plaatsen
een paardenkop op het rietendak, en hierop gaat dan de nachtmerrie
rijden in stede van op het op stal staande dier.

Bijgeloof, bijgeloof! dat uwe telgen zonder men het zich bewust
is gekweekt worden in plaatsnamen en gebruiken, is niemand euvel te
duiden; u nogtans willens en wetens in stand te houden, is vernederend
voor den mensch uit de negentiende eeuw.



HUISGEESTEN.

Hieronder rangschikken wij, gelijk Buddingh, den Boeman, waarvoor de
kinderen bang te maken men hen zoo dikwijls tot gehoorzaamheid dwingt.

Verscheidene schrijvers hebben omtrent de naamsbeteekenis van den
Boeman gegist, zooals daar o.a. zijn deze geleerden: van den Bergh,
Buddingh, Kiliaan, Grimm, Hoeuft, ten Kate, Teenstra. Hoe zij echter
verschilden in meening, hierin is men het, voor zoo ver wij nagingen,
eens, dat hij donker van kleur is.

Overigens denkt Grimm bij het ontraadselen van den naam Boeman,
Bolderman, aan bulderen, leven maken.



DRIETALLEN.

Sol.--Mond, Tyr, Lun.--Hertha, Frowa, Frau.


Gelijk Nott en Dagur (nacht en dag) zoo verschijnen Sol en Mond (zon
en maan) steeds in vereering naast elkander, waarbij gevoegd Hertha
(de aarde) het eerste mythologische drietal daarstellen.

Terwijl dit drietal ook hier in toepassing kan worden gebragt,
zullen wij daarmede tegelijkertijd nog een bewijs aanvoeren, dat Lin
in Linschoten wezenlijk aan Lina schijnt te herinneren, zooals reeds
vroeger werd gedacht. Ter zake nu:

Sol- of Zonvereering.--Onder al de feesten uit het heidendom, hiervoren
beschreven, hebben wij zonvereering aangetroffen; het zal dus niet
noodig zijn hier langer bij stil te staan.

Mond, Tyr, Lun.--Was de opvatting van den naamsoorsprong in Montfoort
juist, dan liet de maanvereering daarin een spoor na. [83]

Nog onder een anderen naam werd de maan vereerd. Als god des tijds
werd hij Tyr (Tijs) genoemd.

De oude germanen begonnen of mogten den krijg niet vóór nieuwe maan
aanvangen; alzoo reeds een bewijs dat zij invloed op de overwinning
had.

Voeg bij deze maanvereering nog de bijgeloovigheden die men nog bij
het op- en afgaan der maan pleegt, o. a.: zaaijen, boomen snoeijen,
enz. enz., en men heeft nog meerdere bewijzen.

Ook te Linschoten zagen wij de maan vereeren. Immers vindt men bij
Buddingh opgeteekend, dat de maan onder de benaming van Hlijn, Luna,
LIN in het Noorden vereerd werd--onder dien van Lun, Lunia, bij de
Saxen, en dat Luna met Lina en LIN verwant is, wordt insgelijks bij
hem vermeld. [84]

Hertha.--Nu rest ons nog iets van Hertha, Frowa, Frau uit dit oord
te verhalen, en ons drietal is ook hier aangetoond. Niet alleen dat
wij dit kunnen doen, maar wij zullen in de gelegenheid zijn, dit ook
zóó te doen, dat wij zonder voorliefde moeten getuigen, dat het in
ons land, onzes erachtens, niet meer zoo bekend is.

Hertha, Freija, Frowa, Frau.--Reeds heeft men hiervoren gezien, dat
de gemalin van Odin, Freija was. Deze Freija, ook onder de namen Frowa
en Frau bekend, werd ook in sommige omstandigheden Hertha genoemd.

Tydeman teekent o. a. van deze aan [85]: De gemalin van Odin was
Frigga of Frigge, welke men voor dezelfde houdt als Hertha. Deze
naam geeft het denkbeeld van de aarde te kennen, welke algemeen
door de heidenen als de vruchtbare moeder, voedster, onderhoudster,
weldoenster der menschen, geefster en uitdeelster van welvaart en
zegen, en voortbrengster van allerlei vruchten geëerd en aan welke
onder de godheden een hooge rang toegedeeld werd," enz.

Het is natuurlijk dat, indien Frigga ook Hertha genoemd wordt, Hertha
ook Freija, Frowa, Frau was. [86]

Tusschen Oudewater en het dorp Linschoten ligt in de boerenbuurt
Linschoten eene brug, zeer opmerkenswaardig de VROUWENbrug genaamd;
en dit woord leiden wij van Frau, en wel:

a. om de treffende overeenkomst van vrouwen met frau.

b. omdat aan een der beide boorden van het water de Linschoten eene
vereeringsplaats van Frau zal geweest zijn. Aan de andere zijde zal dus
voor de menschen daar wonende eene brug niet ondienstig zijn geweest,
en niets is meer natuurlijk dan dat deze frauenbrug genoemd werd. Was
die brug er echter toen nog niet, dan kan zij nader toch haren naam
daarvan gekregen hebben.

c. Freija, Frowa had hare gezellinnen, en zooals wij zagen, was Lin
er eene van. Welnu, de vrouwenbrug ligt immers in de Linschoten.

d. Omdat het ons drietal: Sol, Mond en Hertha of Frau, volmaakt.



Wodan, Thora en Freija.

In dezer voege wordt het tweede heilige drietal gerangschikt.

Sporen van Wodan-vereering in plaatsnamen vonden wij in Oudewater en
omtrek niet. Oppergod als hij was, zal hij echter ook ongetwijfeld
in deze streken zijn vereerd geworden. Ook de magtige Thorn [87],
Thor, Thunar, liet weinig, althans geene duidelijke vereering in onze
dagen na.

Omtrent beiden echter vindt men aangeteekend dat hun trechten toegewijd
waren, en als zoodanig denken wij dus dadelijk aan Haastrecht, [88]
dat wij reeds hiervoren aan den een of anderen Aas, Haas of god wilden
toegewijd zien.

Al de eigenschappen dezer beide godheden ter neder te schrijven, zou
den lezer welligt vermoeijen en ons te wijdloopig doen zijn; daarom
laten wij hetgeen over Wodan geschreven werd, hierbij voorloopig
blijven. Alleenlijk dit nog van Thor. Hij had een attribuut of wapen,
zijnde een hamer met een korten steel, mjolner genaamd. De worp van
dezen hamer verpletterde en vernielde en kwam na den worp steeds
tot hem weder, volgens Tydeman. In de kruizen op de boerenwoningen
nu, die ook in den omtrek van Oudewater nog dikwijls daarop worden
aangetroffen, willen eenige schrijvers eene navolging zien van Thors
hamer, hetgeen ons echter meer aan een christelijk beginsel doet
denken. [89]



Deze drietallen bepaalden zich ook tot in meerdere zaken. Uit den zeer
grooten, zeer interessanten voorraad dien wij van elders hieromtrent
zouden kunnen nederschrijven, vooreerst uit onzen omtrek nog dit:

Waart gij, geachte lezer, ooit op een boeren-vastenavondpartje? Indien
gij dit bevestigt, dan kwam men u ook nog ongetwijfeld aanzoeken
eens te klinken, en wildet gij dit verzoek dan niet weigeren, dan
hebt gij, hun gebruik niet kennende, éénmaal geklonken zooals dit
onder ons gebruikelijk is bij dergelijke gelegenheden. Dit was hun
echter niet genoeg: gij moest dit nu ook doen zooals het behoorde,
en nog twee malen stooten. [90] Indien gij dan naar de reden van dit
gebruik gevraagd hadt, zou men u gezegd hebben: "Wat reden? dit hoort
zoo; alle goeije dingen bestaan in drieën!"

Wat is de reden? herhaalt ons welligt de lezer.--Luister; het drinken
op iemands gezondheid, een toast slaan, zoo men het noemt, is van
heidenschen oorsprong. Zij--de heidenen--dronken reeds de bruine meede
of den hoorn met schuimend gerstenat ter eere hunner goden Sol, Mond
en Hertha, en Wodan, Thor en Freija kwamen het eerst in aanmerking;
voor ieder werd eens en dus in het geheel driemaal aangestooten en
gedronken, en deze drinkplegtigheid bleef--het laat zich zeer wel
begrijpen--wederom het langst bij de boeren aanwezig. [91]

Het is echter den landbouwer uit de negentiende eeuw onbewust,
dat hij op het vieren van den vastenavond, die, zooals wij zagen,
oorspronkelijk heidensch zal zijn, driemalen klinkende, tweemalen de
navolger is der mythologische gebruiken van zijn heidenschen voorvader.



In zekeren zin kan de mythologische schets, voor zoo ver die n.l. niet
op gissen berust, reeds beschouwd worden onder de geschiedenis te
behooren. Zij bevat immers reeds iets van hetgeen hier gebeurd is,
en deze geschiedenis nu is de onbeschreven geschiedenis.

Het lustte ons echter, haar de mythologische schets te noemen, ook
deze was immers voor Oudewater en omtrek de onbeschreven geschiedenis.

En zoo is het nu ook bijna uitsluitend gesteld met hetgeen nu volgen
zal. Dit hoofdstuk toch zal gewijd zijn aan de plaats met den omtrek
der zoogenaamde groote kerk tijdens het heidendom in dit oord.

Gedachtig aan de onbeschreven geschiedenis, zullen onze mededeelingen
vooreerst echter gaan, tot aan en met de invoering van het Christendom
alhier, als wanneer de onbeschreven geschiedenis eindigt.

Als zoodanig dan willen wij de moeijelijke taak op ons nemen,
te bewijzen, dat daar waar later de Christen zijne dooden begroef,
eertijds de heidenen er ook de hunnen toevertrouwden, u wel verzoekende
mij bij dit moeijelijk onderwerp met uwe verschoonende aandacht te
willen volgen.



BEWIJZEN, DAT DE PLAATS EN OMTREK WAAR NU GROOTE KERK EN TOREN STAAN,
WELLIGT EERTIJDS AAN HEIDENSCHE EERDIENST GEWIJD WAREN, ER ECHTER
STELLIG EENE HEIDENSCHE BEGRAAFPLAATS WAS.


a. De ligging aan den IJssel.

            "Eerst zij nog opgemerkt, dat bij de meeste heiligdommen,
             eene gewijde tempelbron, kom of ander water was, dat tot
             reiniging diende."

                                                      Mr. van den Bergh.


Reeds poogden wij den lezer een begrip te schenken van waterbevolking
en watervereering, zoowel van elders als van dit oord, en waarover men
gelieve te zien bladz. 77-99, als ook hier van toepassing kunnende
zijn. En hoewel alles, daar vermeld, reeds pleit voor genoemde
eeredienst, zijn er, deze uitgenomen, nog meerdere bewijzen van
stroomvergoding alhier aan te brengen, en wij zullen die ook aanvoeren,
nadat wij eerst iets gezien hebben, van hetgeen daaromtrent elders
wordt aangetroffen, zullende dit weder stof tot vergelijking voor
ons aanbrengen.



Het valt ons al dadelijk op, dat zoovele steden waar men voorvaderlijke
gedenkteekenen heeft gevonden, juist aan rivieren gelegen zijn. Hoe
komt dat, geachte lezer?--Zeker, de aanslibbing der rivieren maakte
het oord spoedig voor bewoning geschikt, en de rivieren verschaften
onderling verkeer en welvaart; doch welligt zal de stroomvereering
insgelijks daarmede in verband kunnen worden gebragt.

Immers, zij hadden voor die eerdienst zoodanige gehechtheid,
dat de critische van den Bergh zich er aldus over uitlaat: [92]
»Deze eerdienst was zoo diep bij hen ingeworteld, dat die nimmer
geheel is uitgeroeid kunnen worden, niettegenstaande de Christelijke
geloofspredikers aanhoudend ten sterkste daartegen ijverden en deze
dienst als heidensch en vloekwaardig afmaalden en ook vele wetten
daartegen gerigt zijn. Men meene echter niet, dat zij het water zelf
als eene godheid vereerden: zij beschouwden het als de verblijfplaats
der goden en daarom heilig, bijna gelijk als de omtrek der heiligdommen
gewijd was."

Uitgenomen nog een aantal geleerden, spreekt ook de heer Tydeman
[93] in dezer voege. Verder merkt hij op, dat, onder de rivieren,
vooral de Rijn, de Rhoer en de Vecht in aanzien stonden, terwijl men
dacht--aldus vervolgt hij--dat zij door goden werden bewoond, wier
rang zich naar de grootte en voortreffelijkheid dezer stroomen schikte.

Voornamelijk in de bogten der wateren was het, dat men offers aanbragt
en de mythologische plegtigheden verrigtte.

In Westphalen wijzen de overleveringen nog meeren aan, van welke men
gelooft, dat zij grondeloos zijn [94], met andere onderaardsche meeren
gemeenschap hebben, of waarin op sommige tijden een dof onderaardsch
geluid wordt gehoord. Dikwijls waren deze gewijde wateren met bosch
omzoomd of door een prachtig woud gedekt.

Het groote gewigt, dat men aan deze waterdienst hechtte, toonde zich
vooral ook daarin, dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren
of meeren gebouwd werden;  dat er bij een heiligdom of bij een gewijd
offerwoud geen put, enz. mogt ontbreken.

Nog zeer veel zouden wij kunnen aanhalen. Uit het aangevoerde is
nogtans reeds voldoende gebleken, dat de riviervergoding bij de ouden
in groot aanzien was.

Wat kunnen wij nu toepassen op den IJssel, waaraan de kerk gebouwd is?

Er werd aangetoond:

a. De omtrek der heiligdommen was geheiligd. Welnu, de IJssel hier
als heiligdom beschouwd, was dus de omtrek geheiligd en daarom eene
plaats van vereering.

b. Vooral de Rijn was in aanzien. Men denke dat de bevallige
IJsselstroom een tak des statigen Rijns was.

c. Dikwijls waren de gewijde plassen met een prachtig woud gedekt. De
lezer wete, dat het schakenbosch er bij lag.

d. En ten slotte: dat de heidensche kerken doorgaans aan rivieren
gebouwd werden, is juist hetgeen wij voor onze plaats wilden beweren,
in zoo ver namelijk dat wij hier door kerk, plaats van heidensche
vereering verstaan.

Hier nog bijgevoegd, dat de plaatsen van heidensche vereering dikwijls
in die der Christenen overgingen, en men wordt te meer genoopt,
te zeggen, dat hier zoodanige overgang zal hebben plaats gehad.

Het is en blijft vooralsnog gissen, en wij herhalen dus: welligt was op
die plaats een heidensch heiligdom. Stelliger bewijzen nogtans zullen
wij aanvoeren, dat die plaats eerst eene heidensche begraafplaats was,
waarin later de Christen zijne lijken begroef.



b. In den omtrek der Groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.


            »Id solum observatur, ut corpora clarorum virorum certis
             lignis crimentur. Struem rogi nec vestibus nec odoribus
             cumulant, sua cuique orma, quorundam igni et equus
             adjecitur.--Sepulcrum cespes erigit."

                                                  Tacitus, de Mor. Germ.

            »Levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht,
             slechts in tweederlei woning: in die der werkzaamheid
             en rust."

                                   Ds. Heldring, Opsporing van Oudheden.


Al de heidensche volken, zegt Tydeman, stelden een buitengewoon
hoogen prijs op eene eerlijke en welvoegelijke begraafplaats. Deze
mogt niet verkocht of overgedragen worden. Ieder graf was als het ware
een altaar, waarbij men de afgestorvenen voortdurend moest huldigen;
en eene begraafplaats te schenden, was eene groote misdaad.

De plegtigheden nogtans waren bij de verschillende godendiensten
niet dezelfde.

Freijer beval het begraven der lijken in grafheuvelen.

Odin wilde dat men het lijk verbrandde en de asch òf in de zee wierp
òf in eene lijkbus in een ronden grafheuvel bijzettede. [95]

Bij Blommaert [96] vinden wij o. a. nog in dezer voege omtrent
heidensche begrafenisplegtigheden gewag gemaakt:

»Uit het geloof aen de Walhalla, waer niemand dan gesneuvelden werden
toegelaten, kwam de dood op het slagveld vereerend voor. Daerop te
vallen was de zaligste dood des Belgs." [97]

Hij beschouwde het leven als een proeftijd om tot de zael der
onsterfelijken, de verblijfplaats der goden en walkuren [98], te
geraken, en voor niets was hij meer beducht, dan, als eene vrouw of
een onvrije, door langdurige ziekte gefolterd op zijn bed te moeten
sterven en als deze naer de zael van Hela [99] te dalen. Door deze
begrippen geleid, bragten velen zichzelven, nadat zij vooraf de
wigchelarij daarover geraedpleegd hadden, met het zwaerd den dood toe
wanneer eene hevige ziekte hen overviel, ten einde alzoo regtstreeks
naer de goden te varen."

En zoo was het, genegene lezer:


    Als een van Bato's kroost, na lang en smartvol lijden,
      Zijn strijdbijl of zijn zwaard daar doelloos hangen zag,
    Dan kiemde soms de lust van d'aard zich te bevrijden,
      Dan slaakte hij den wensch: mogt ik het dezen dag!
    »'t Is eervol," zei hij dan, »te leven of te sterven:
      Te leven op de jagt, te sneuvlen op het veld;
    Waarom, Walkuren[98]! moest ik deze gunste derven?
      Groot, groot toch is het loon te sneuvlen als een held!"

            Zie, daar treedt een priester nader
              Met een langen, witten baard;
            En de kranke zegt hem: »Vader!
              Ik ben 't leven moe op aard.

            Nimmer mogt uw uitspraak falen.
              Blusch ik zelf mijn lichttoorts uit:
            Toeven mij Walhalla's zalen,
              Of neemt Hela[99] mij ten buit?"--

            »Hoor" dus zegt de priester plegtig,
              »'t Vooglenheir en 't heilig ros [100];
            Vriend, de goden zijn geregtig,
              Maak uw band met Midgard [101] los.

            't Voegt den held als held te sterven;
              Dappre, 't is de wil der goôn;
            Hela zal u niet verwerven:
              In Walhalla is uw loon."

    Een lach omplooit zijn mond; hij neemt het duchtig wapen,
      Het zware slagzwaard op, en zwaait het om zich heen;
    Wat dof en hol gekraak! hij treft zich aan de slapen:
      Het was der goden wil, zijn lichttoorts was gedoofd.


»Het lijk eens gesneuvelden vorsten," aldus vervolgt Blommaert, »werd
op een versierd bed gelegd, en in het beste gewaed of wapenrusting
gehuld, getooid met zwaerd en schild."


    »En uitgestrekt en koud ziet men den held daar liggen,
      Gekleed in wapendos, en naast hem schild en zwaard;
    Als markbod was hij steeds de voorste in de wiggen [102],
      Nu is hij in Walhal en beter dan op aard."


Zoo spraken dan welligt de vrienden en allen die hem kwamen bezoeken,
en die gedurende drie nachten en drie dagen [103] daar de lijkwacht
hielden. Men bragt den doode dronken toe, en hief liederen te zijner
gedachtenis aan.

Zoo bijv.:


    Het was Alfadurs wil dat deze held ging scheiden;
      Heft dus den horen op, wijl hij zich reeds verblijdt
    Bij 't roemrucht voorgeslacht. Geëindigd is zijn lijden;
      Heft, heft den horen op; hem zij dees dronk gewijd!


»Dan had eene uitvaert plaets. De doode, door zyn geslacht en gebueren
gevolgd, werd naer de begraefplaets gedragen, gewoonlijk (let wel)
in de nabyheid van het woud of de kerk der landstreek. Daer werd het
doodenmael gehouden, het lijk op een houtstapel tot assche verbrand
en deze, in eene lijkbus verzameld, werd met een zodenheuvel overdekt
of in den grond van het gemeen kerkhof bijgezet. Deze lijkbrand had
gewoonlijk des avonds plaets bij ondergaende zon, hetwelk microcosmisch
voor den dood van Baldur werd gehouden, en de plegtigheden, by de
begrafenis van Baldur gevolgd en zoo juist in de Edda beschreven,
zullen wel te dezer gelegenheid gevolgd zijn geweest. By den lijkbrand
van vorsten of uitstekende wijkingen verbrandde men op den zelfden
scheijerstapel met den held ook zijn paard, en hefte men lofliederen
ter hunner eere aan." [104]


            En de dagvorstin zonk neder
              En verloor zich achter 't woud,
            En de bleeke maan steeg teder
              Boven bosch en kreupelhout.

            Langzaam vloot langs de IJsselboorden
              't Water tot in de oceaan.
            En in velerlei akkoorden
              Hieven vooglen 't danklied aan.

            Ziet, een lijkstoet treedt uit 't lommer,
              En een ros bij toom geleid.
            't Manlijk wezen tuigt van kommer,
              Doch niet een die tranen schreit. [105]

            Hoog, van uitgelezen twijgen, [106]
              Is de houtmijt opgeregt;
            Hoog zal dra de vlam ook stijgen,
              Is het lijk er op gelegd.

            Weldra spelen rosse vlammen
              Dartel spel met lijk en paard;
            Daarna wordt de asch des krijgshelds
              Liefdevol bijeen vergaard.

            En een grijsaard, oud van dagen,
              Spreekt intusschen van den held, [107]
            Hoe hij strijden kon en jagen;
              Alles, alles wordt vermeld.

            Allen blijven 't doodmaal vieren,
              Allen die genoodigd zijn,
            En mogt hun geen rouwfloers sieren,
              Geener rouwe was in schijn.

            Weer den horen volgeschonken,
              Nog een lijkdronk ingesteld,
            Ter gedachtenis geklonken
              Van den afgestorven held.


"De heidensche begraefplaetsen--ten slotte--bestonden in grafheuvelen
voor enkele personen of voor een gansch geslacht, en in gemeene
begraefplaetsen."



Zien wij nu wat wij weder voor de punten onzer beschrijving hiervan
kunnen toepassen.

Dat men ook hier prijs stelde op eene heilige begraafplaats, bleek
reeds doordat dezelve aan den IJssel ligt. Dat men begroef in de
nabijheid van het heilig bosch, kan ook op deze plaats, als bij het
schakenbosch liggende, worden toegepast.

Het sterkste bewijs voor dit hoofdstuk is dit:

De heidenen verbrandden hunne lijken, en was het een persoon van
aanzien, dan werd ook het ros mede verbrand. En ook dit, geachte lezer,
is ons gebleken in het grijze Oudewater. Zoodanige voorvaderlijke
begraafplaats werd er ontdekt in den omtrek der kerk.

Ach, wie dacht er echter aan, toen men, eenige weken geleden, op dat
gedeelte der oude heidensche begraafplaats waar nu een kaaspakhuis
staat, in laatstgenoemd gebouw den bodem verlagende, men eene menigte
verbrande houtskoolbeenderen, waaronder de overblijfselen van een
paard, en asch ontdekte? [108] Ach, wie dacht er aan, herhalen wij, dat
men de rustplaats schond van--wie weet het--welken dapperen voorvader,
en men de beenderen verwijderde van zijn moedig ros, dat hem zoo fier
welligt rondvoerde door de digte drommen van moordende vijanden? Ach,
wie dacht er aan, toen het werkvolk de deels wel verschroeide doch nog
niet geheel verbrande dierenbeenderen--het moet uit de pen--verkocht
aan een beenderenkoopman: dat men overblijfselen verkocht eener
heidensche begrafenis?

Eerst toen een en ander reeds ontruimd en op elkander gereden was,
vernamen wij, dat zulks gevonden was, en toch, wij weten niet welk
gevoel ons overmeesterde toen wij daarbuiten op den aardhoop die
wezenlijk eerwaardige overblijfselen verstrooid vonden liggen; toen wij
van het vele een stukje geroosterd been en houtskool medenamen om die
zorgvuldig te bewaren. Welk gevoel overmeesterde ons het meest? Was het
de interessante ontdekking voor mijne geboorteplaats, of het gevoel,
overblijfselen te bezitten--hoe nietig ook--van hem die ook eenmaal
hier leefde en ontsliep met de zalige hope, om in Walhalla den nectar
te drinken uit de bekkeneelen van verslagen vijanden; van hem, wiens
lijk en strijdros eenmaal daar, in het tegenwoordige Oudewater, ten
voedsel dienden aan de rosse vlammen van den grooten houtmijt, hoog
opflikkerende langs de bevallige IJsselboorden? Wie zegt het? Zeker
altans, wij keerden zonderling aangedaan huiswaarts.

Vraagt gij, geachte lezer: Waar is de heuvel? waar de urne?--het
wederwoord is: de heuvel is reeds vroeger geslecht, welligt toen
de eerste hut of het eerste huis daarop gebouwd is. En de urne zal
waarschijnlijk òf verbroken òf welligt tot huiselijk gebruik zijn
ingerigt. Alleen de houtskolen en de beenderen bleven en werden onder
de dit jaar opgebrokene bevloering bedolven, dewijl de industrie
van het verkoopen der kalkachtige overblijfselen van dieren en,
helaas! ook van menschen toen nog niet zoo in gebruik was.

Wie zal het echter nu nog ontkennen hetgeen aan het hoofd dezes staat:
In den omtrek der groote kerk vertrouwden de heidenen hunne dooden.



c. Het Helletje.

In den loop der mythologische schets is de godin Hela reeds menigmalen
ter sprake geweest, het is hier echter de plaats iets meer van deze
neder te schrijven.

Hela is de godin der benedenwereld. Zij doodt of vervolgt niet,
zij neemt slechts de zielen in bewaring der menschen die op hun bed
sterven, en houdt ze onverbiddelijk in hare woning vast. Zij is half
zwart en menschenkleurig, somtijds geheel zwart; zij reed op een
driebeenig paard rond, pest en ziekten verkondigend. [109]

Zij is de dochter van den boozen Loki en van eene reuzin. [110] Zij was
het die Baldur niet wilde laten gaan nadat hij met misteltein gedood
was, en zij staat alzoo met de dooden en begraafplaatsen in verband.

Overigens--zegt Buddingh [111]--schijnt in de water- en vuurdienst
een gebruik bij uitingen te hebben plaats gehad, waarvan wij meenen
dat ook ten onzent nog hoewel zwakke sporen aanwezig zijn, namelijk
dat men de dooden gaarne over een stroomend water, eene helrivier,
een meer of zoo iets heen voerde, hetzij dan naar het begrip der
ouden naar Chimle (den hemel) of naar het gebied der doodsgodin Hela.

Ook nu weder zullen wij bij vergelijking tot zeer interessante
gevolgtrekkingen komen.

Op het oude kerkhof, aan het zuidelijk gedeelte des torens, staat een
huisje, het Helletje genaamd. Bij al het voorgaande dat wij reeds
van dit kerkhof weten, herinnert dit Helletje zoo duidelijk aan de
beheerscheres der dooden, Hela, dat hier, o. i., geen twijfel over is,
te meer nog daar men, zooals werd aangehaald, de dooden zoo gaarne over
een stroomend water voerde; ook dit toch was de rusteloos stroomende
IJssel, waaraan ook het Helletje ligt.

De geachte lezer nu zal wel begrijpen, dat daar waar Hela dus hier
eertijds woonde, waar zij hare heerschappij over de dooden uitoefende:
de plaats Hela genoemd werd, en dat de woning of woningen, hier nader
gebouwd, den naam van de beheerscheres der dooden uit de Noordsche
Mythologie bleef behouden. Indien hij dit aanneemt, zooals wij dit
aannemen, dan hebben wij ook door dit vertoog een bewijs te meer
aangebragt, dat het kerkhof eene heidensche begraafplaats geweest is.



d. De begraafplaats der heidenen wordt het kerkhof der Christenen.

Het voorloopig laatste bewijs, dat de bewuste plaats vroeger eene
plek was waar het stoffelijk overschot der heidenen bewaard werd,
zal nu vermeld worden.

Alles, geachte lezer! wat hiervoren aangehaald is om te bewijzen
dat de bewuste plaats wezenlijk eene heidensche begraafplaats was,
wordt versterkt door de zaak die wij nu nog alleen kunnen beoordeelen,
dat die plaats een Christen-kerkhof werd.

Omtrent vele plaatsen uit ons dierbaar vaderland is dit reeds ten
duidelijkste gebleken.

En dit verwondere niemand. De ouden reeds, zagen wij immers dat
zoo veel eerbied betoonden aan het stoffelijk overschot hunner
dooden, en die eerbied was nog geenszins verflaauwd toen de ijverige
geloofsverkondigers ook hier het evangelie kwamen verkondigen. Deze
predikers nu moesten natuurlijk zooveel uitroeijen, dat met de kerk in
strijd was. Zouden zij hun nu ook de plaats niet laten waar de assche
hunner vaderen rustte en waar zij ook eenmaal hoopten te zijn? Neen,
ook hier werd zeer wijsselijk besloten, ten einde hen te spoediger voor
het omhelzen der nieuwe leer te bewegen, de oude rustplaats der dooden
te behouden. Daardoor had hij, de nieuw bekeerde, immers de zoete hoop,
bij zijne vaderen te rusten, die, wel is waar, in Walhalla ontslapen
waren; doch beider stoffe zou zich nader toch vereenigen, alhoewel
de Christenen het begraven van lijken invoerden. En het geschiedde:
de begraafplaats der heidenen werd ook in Oudewater het kerkhof der
Christenen, en de assche van heiden en de beenderen van Christenen
zijn beiden langs den IJsseloever vereend, en weelderig voedt zich het
spigtig kerkhofgras met de zwarte aarde die van beiden overbleef. Bij
het onwetend ontdekken der heidensche begraafplaats, hiervoren vermeld,
vond men ook een aantal menschenbeenderen. Men had er eerbied voor,
en zij werden weder in den grond bedolven onder de nieuwe bevloering.

Ach, smaken zij die rust, die stille rust, die wij eenmaal ook onze
assche toewenschen! Denke er zoo ieder over; wij zagen het immers:
levenden en dooden behooren hier toch tot één geslacht, slechts in
tweederlei woning: in die der werkzaamheid en rust.



BEGRAFENISPLEGTIGHEDEN VOORHEEN EN NU.


            »En wat ik al gaarne bijwoon of niet--men zal mij al zeer
             ligt bij een Christelijk feest aantreffen.

             Ook vindt gij mij ligt bij eene begrafenis, als als ik
             mijn medemensch ten grave breng. Hoewel mijne ziel dan
             geene vreugde vindt, zoo is er toch nog eene gedachte
             in die ure, welke mij met een zachten vrede vervult, het
             is de gedachte: deze is dan ook wederom ten einde van
             zijne loopbaan gekomen, heeft gestreden en geleden en is
             den laatsten kamp te boven."

                                                           Ds. Heldring.


Het kwam ons niet ongepast voor, eenmaal aan de begrafenisplegtigheden
der heidenen bezig zijnde, nog iets weinigs daarvan te herhalen en
ook nu weder daarna te zien wat wij nog in onzen tijd als gewijzigde
heidensche overblijfselen daarvan te beschouwen hebben.

Bij de heidenen zagen wij, als iemand het tijdelijke met het eeuwige
verwisseld had, hem dronken ter eere brengen en bezoeken.

Ook in onzen tijd komt men dikwijls ten sterfhuize om den doode te
zien, en al brengt men hem nu geen dronken meer toe: de stille traan,
heenbiggelende over de heete wang, en uw gezegde: »hij was groot en
regtschapen" zegt niet minder.

Bij de heidenen had men reeds een lijk-aanvoerder, die met de
regeling der begrafenis belast werd, Chrene bedar genaamd. Hierin zijn
onze woorden grienen, huilen voor Chrene, en bidder voor bedar. De
overeenstemming is zeer opmerkelijk.

Boerenbegrafenissen zijn alhier nog het meest eigenaartig en het
meest met het grijs verledene instemmende.

Ook Hofdijk maakt hiervan gewag. Zie slechts wat hij op bladz. 75
van zijne »Historische landschappen" zegt, over eene begrafenis der
ouden schrijvende:

»Ware het nu spade schemering en niet slechts dalende zonne, zoodat
u de aloude dragt en het voorkomen der Germanen niet in het oog viel
en gij slechts de donkere gedaanten langs u voorbij zaagt gaan--gij
zoudt gelooven eene gewone dorpsbegrafenis te hebben aanschouwd.

»Ook thans nog treft u de overeenkomst van het eerwaardig gebruik",
en Buddingh, het zelfde onderwerp beschrijvende, meldt in dezer voege:
»dat men bij begrafenissen ook steeds veel prijs stelde (vroeger en
ten platten lande meer dan thans in de steden) op het beijeren, op
het bombam van klokken, ten einde daardoor den duivel te verschrikken
of van het lijk te houden, schijnt wel eenigzins ons vermoeden te
bevestigen, dat men ook in het heidendom dat bombambeijeren, hetzij
dan van klokken of hoedanig ook, gekend hebbe." Hoe dit zij: ook in
Oudewater worden nog zelden de klokken voor lijken van stedelingen,
minder zelden voor gestorven buitenmenschen geluid. Als er dan hier
een doode is en de familie of betrekkingen willen de begrafenis naar
aloud gebruik doen plaats hebben, dan wordt hij, zoo men dat noemt,
eerst overluid, hetwelk zich daardoor opmerkt, dat men driemaal met
eene klok klept die ligt van klank is; daarna gaat men met groote
klokken aan het luiden, en bij mannelijke dooden is de plegtigheid
nu vooreerst hiermede gedaan.

Is het echter eene vrouw, die gestorven is, dan klept men nog eens
na het luiden ter onderscheiding. [112]

Zooals reeds werd opgemerkt, gaat men dan den doode bezoeken, en onder
het klokkengelui wordt het lijk daarna begraven. Dit klokkengelui
begint voor de buitenmenschen zoodra men aan de grens der gemeente
is, waar omstreeks het lijk van den wagen wordt genomen en de stad
doorgedragen. Ook zij die het lijk vergezellen, volgen dan loopende
achter de baar. [113] Bezie dezen optogt nu wat nader. Zie, daar gaat
nog, als ten tijde van het heidendom, de lijkaanvoerder of bidder;
ter zijde van dezen loopt [114] een agent van policie, dan volgen
de dragers met de zwarte lijkbaar, en daarachter de nabestaanden,
vrienden en geburen, de mannen met rouwfloers om den hoed, soms tot
aan de kniën van achter afdalende, de vrouwen insgelijks in rouwgewaad
met regenkleeden over het hoofd, waarachter hun aangezigt soms bijna
geheel wegschuilt.

Het gebruik dezer regenkleeden is zeer oud. Eeuwen en eeuwen terug
droeg men die immer in het dagelijksch leven: zoodanig hoofdkleed
was toen gebruikelijk. Men ziet het reeds eenigzins op de teekening
eener vrije vrouw uit de 10de eeuw, en de afbeelding eener bejaarde
vrouw uit de 15de eeuw [115] heeft dit veel duidelijker. Hoe de wijze
van kleederdragt ook veranderde: dan, als men in rouwe gedompeld was,
behield men dit en behoudt men dit nog tot in onzen tijd. [116]

Terwijl wij dit opmerken, zijn wij reeds het kerkhof genaderd,
het stoffelijk overschot wordt in de groeve nedergelaten, en nadat
men nog eenmaal heeft gezien in het graf, dat weldra de asch des
dierbaren afgestorvene zal bevatten, verlaat men den Godsakker,
onder luid geween of verborgen smarte, zooals men hem betrad. Weder
aan de grens der stad gekomen, houdt men nu met klokkenluiden op,
en bidder en agent verwijderen zich.

Men denke echter niet dat men nu zonder bidder is; neen, van den
eersten dag dat het lijk er was, wordt naar aloud gebruik de eerste
buurman, naar de stad of beter naar het kerkhof aan wonende, tot
groefbidder benoemd. Die belast zich dan met de meeste werkzaamheden
aan de begrafenisplegtigheden verbonden, en bij dien aan huis wordt ook
het "vetje" of doodmaal gehouden.--"Doodmaal!" zegt gij welligt, "dit
had ook, zooals hiervoren bleek, reeds in het heidendom plaats!" en
uwe aanmerking is teregt.

Prikkelt dit welligt uwe weetgierigheid hiervan iets meer te weten,
zoo luister:

»Wat de begrafenismaaltijden en lijkburen onder het heidendom waren,"
zegt Buddingh, bladz. 147, »schijnt ons toe, te blijken door hetgene
Aug. Schrader, Germ. Myth. 1843 (uit Boltens »Gesch. der alten
Ditmarsen", I, 315, enz.) aanhaalt, welke laatste berigt, dat het
heidendom gewoon was, na het ter aarde bestellen der asch aan ieder
die deze plegtigheid hetzij uit aanverwantschap of nabuurschap had
bijgewoond, een hoorn of houten schaal met bier of andere dranken
gevuld, aan te bieden, die men eerst ter eere der goden, daarna ook
van den afgestorvene ledigde."

Bij al het voorgaande wat wij reeds van de begrafenisplegtigheden
voorheen en nu met elkander vergeleken en de treffende overeenkomst
zagen, komt de zaak dat de buren er bij waren in aanzien. Den buurman
toch zagen wij reeds groefbidder; de buurman spant niet zelden zijne
paarden voor den lijkwagen; bij den buurman vindt ook het lijkmaal
plaats, en waarin bestaat dit--bij de heidenen, zagen wij, in bier;
en waarin nog--in brood en bier.

»Het heidendom," dus zegt Buddingh nog, »schijnt echter een duidelijk
onderscheid gemaakt te hebben tusschen dezulken die aan eene ziekte,
en anderen die in den oorlog of een gevecht overleden of gevallen
waren. De eersten werden in het Noorden Bior (ons Piers) genoemd." Het
verschil is hiervoren reeds aangetoond, doch indien het dus waar is
(waaraan wij niet twijfelen) dat een buiten het gevecht gestorvene,
piers genoemd werd, dan verklaren wij daaruit tevens ons Oudewatersch
spreekwoord: »hij is zoo dood als een pier".



Grootendeels en nu voorloopig genoeg, hebben wij de mythologie
van Oudewater en omtrek beschreven. Voorloopig genoeg, zeggen wij:
hoe ligt toch zal het plaats kunnen hebben, dat, bij het vermelden
van historische feiten, daarin nog mythologische daadzaken zijn
doorweven, die dus met elkander een geschiedkundig geheel zullen
uitmaken. Alleenlijk noemen wij nu de heksenwaag.

Bij het schrijven over de natuurleer onzer vaderen, hopen wij, zaken te
hebben aan het licht gebragt, die eeuwen hier in dit belangwekkend oord
plaats hadden en eeuwen daarna met een onzigtbaren sluijer tijdens het
Christendom waren bedekt, en toch hebben wij het gewaagd dien sluijer
op te ligten en rond te zoeken in den mythologischen chaos van weleer.

Mogen deze woorden--hopen wij--niet euvel worden opgenomen! Indien wij
toch, vóór er iets van de Mythologie dezer belangwekkende plaats in
het licht was, door bestudeerden ons de aanmerking hoorden maken met
een spottenden trek op het gelaat; hoe het mogelijk was? Oudewater
mythologisch te beschouwen; dan moet er wel een dikke sluijer over
heen gespreid zijn geweest.

Omtrent vele facta hiervoren vermeld, zal men ongeloovig de schouders
ophalen, en als zoodanig getroostten wij ons reeds vele aanmerkingen
van onbevoegde beoordeelaars. Bijna alles echter wat vermeld is,
schreven wij meest op het gezag van geleerden, en wij maakten
voor Oudewater en omtrek de toepassing, verkregen--wij durven het
zeggen--door langdurige studie en scherp onderzoek; en wij passen nu
gerust de woorden van Hofdijk toe ook op dit oord: »Zoo gaat het oude
heidendom, al is het ook met gemaskerd, met dikwerf gansch verhuld
gelaat, nog altoos onder ons rond." Men neme echter in aanmerking, dat
de vermelde daadzaken brokstukken, niet dan hier en daar verspreidde
bouwstoffen zijn van het gebouw, dat verdwenen is--eene mythologie
van ons land. Velen hebben reeds met verbazende inspanning hunne
krachten aangewend, die bouwstoffen uit het stof der eeuwen op te
rakelen, echter niet om de mythologie weder in te voeren, zooals met
pedante dwaasheid wel gezegd werd, doch om leven, zijn en denken,
nader te leeren kennen van ons roemrucht voorgeslacht waaraan wij
zooveel verpligt zijn.

Dit was dan ook eene onzer drijfveeren, bij deze beschrijving,
en wanneer later velen uit ons vaderland door het opduiken van
mythologische overblijfselen uit het oord hunner bewoning--al is
het ook in het oog van velen belagchelijk die in kinderspel enz. te
zoeken--wanneer velen dan hunne bouwstoffen hebben aangebragt, dan
vindt men welligt door schifting, wrijving en vergelijking daarvan
onderling, het grootste gedeelte weder der mythologie onzer vaderen,
die men voor altijd dacht opgelost in den onstuimigen en woeligen
tijd-oceaan.

Hierdoor zal men dan ook nog betere contrasten kunnen  zien tusschen
heidensche godendienst en Christen Godsdienst; dan zal het duistere
van het heidendom, dat viel en diep viel, al sterker en sterker
afsteken bij het lichtende Christengeloof; dan zullen wij ons nog meer
dankbaar gevoelen omtrent de eerste predikers van het Christendom in
ons dierbaar vaderland.

Alzoo gingen wij dan door met de mythologische beschrijving, met den
ijver van dit onderzoek immers kwam, zooals wij zagen, ook allengs
de overtuiging van het nut daarvan. De fragmenten die wij opmerkten,
leerden ons zien wat heidensch en verderfelijk is in onzen tijd, en
mede wat onmiskenbaar verhevens tevens zij hadden die in den nacht van
ongeloof omdoolden en zich nog niet konden verwarmen aan de koesterende
stralen van het gezegende Christendom; die fragmenten leerden ons
oordeelen over het geheel dat verloren is,--deden ons eindelijk zien,
dat deze plaats of gepaster dit oord reeds vóór de invoering van het
Christendom in ons vaderland, bewoond werd door onze voorouders van
Germaanschen stam. Welke echter de namen onzer voorouders in deze
oorden waren, zij ons vergund onder ons geschiedkundig gedeelte te
beschrijven, dat nu aan de beurt is.



GESCHIEDENIS.

III.


NAMEN ONZER VOOROUDERS IN DEZE OORDEN.


»Vijf-en-twintig eeuwen terug, en

        Nog lag Europa woest. De nevel der barbaarschheid Hing zwaar,
        en dunde pas aan 't zuiden voor de schaarschheid Van enkle
        stralen lichts, het oosten uitgestroomd, En boorende in die
        nacht, meer dan verwellekoomd; Doch 't Noorden, overzwermd
        door onbekende horden, Die als het kruid der heide, ontloken
        en verdorden, Ontstonden, streden en vergingen op een boôm,
        Woest als hun aart, wild als hun tochten en den toom Zoo min
        gewend als zij. . . . . . . . . . .

        . . . . . . . . Noord-Neêrland half in zee Bedolven, bood den
        zwervers oord noch steê Dan eerst op Drenthes grond, waar
        donkre boschwaranden De heuvelige hei belomren tot de stranden
        Des Noorder oceaans."

                                Hist. Landschappen van Hofdijk, blz. 34.

        »Op denzelfden voet zoude ik u kunnen aantoonen van andere
         volken, dat zij van de Celten gesprooten zijn, doch deeze zijn
         de voornaamsten op welke wij betrekking hebben, en er blijft
         dus geen twijffel over, of de Nederlanden, die òf tot de
         Gallien òf tot Germanie behooren, zijn ook door dezelve
         bevolkt geworden."

                     De aloude Staat en Geschiedenissen der Vereenigde
                     Nederlanden. van E. M. Engelberts, dl. I. blz. 168.


Het is dikwijls voor velen een struikelblok geweest, als zij de namen
hunner voorouders van een oord, laat staan van een stad of dorp,
wilden bepalen. De volgende redenen zijn voornamelijk hiervoor aan
te voeren en moeten in aanmerking worden genomen:

a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.

b. Men heeft zich dikwijls niet behoorlijk rekenschap gevraagd,
wanneer ons land, en strenger het oord hunner beschrijving, voor
bewoning is geschikt geworden.

c. Daar waar al van vroege bewoning wordt gesproken, wordt menigwerf
die plaats niet juist aangeduid.

d. Die dit in later tijden nog eenigzins gedaan hebben, waren
vreemdelingen--meestal Romeinen.

e. Waar die dus inheemsche plaatsnamen noemden, waren die meestal
gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige
hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.

f. Vóor, ten tijde van, en nà der Romeinen verblijf in ons land,
was het bevolkt door een aantal volksstammen, die elk hun eigen naam
hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde, als men de
grenzen hunner bewoning moest aanduiden.

g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens
moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het
aandringen van nieuwe, of gepaster, andere volksstammen.

De aandachtige lezer zal dus met ons de overgroote moeijelijkheid
inzien, iets degelijks te schrijven over de namen onzer voorouders
in deze oorden.

Echter zullen wij een en ander aan dit land en dit oord toetsen.



a. Van de vroegste bewoning onzes lands bestaan geene oorkonden.


OUDSTE BEVOLKING.

De tijden zijn reeds lange heen gevloden, waarin, als men iets van
de vroegste vaderlandsche geschiedenis wilde schrijven, men het
eerst gewaagde van de Friezen en Batavieren. Immers reeds lang voor
die volken hier woonden, hadden andere stammen dit land tot hunne
woonstede verkozen.

Het ware ruwe en wilde volken, van welke geen oorkonden bestaan,
en dit kan men ook niet verwachten van die woeste kohorten, die,
hoewel vele deugden bezittende, die wij dikwijls missen, toch een
natuurleven leidden;--volken, aan wie kunsten en wetenschappen bijna
ten eenenmale onbekend waren, en, al hadden zij dus den lust gehad
oorkonden of geschiedrollen te vervaardigen, dan immers stuitten zij
op de werktuigen waarmede.

Hoe duister de bevolking van eenige landen ook wezen moge, zoo houdt
men toch Azië als het moederland, en brandpunt dat Europa bevolkte,
en om dit te bewijzen, zullen wij voornamelijk Engelberts' aangehaalden
»Aloude staat" volgen.

De Celten--zoo worden de oudste volken van bijna geheel Europa en
ook van ons land genaamd--de Celten waren Scythische volkeren.

Deze Scythiers waren weleer het grootste volk van den aardbol. Zooals
wij reeds opgemerkt hebben, woonden zij in Azië en wel binnen en
buiten het gebergte Imaus in het noordelijk gedeelte van laatstgenoemd
werelddeel. Eene sterke vermenigvuldiging van hunnen stam was echter
oorzaak, dat zij zich wijd en zijd verspreidden, en de Sarmaten en
Celten ontsproten.

De Celten nu trokken door tot aan de Caspische zee, vestigden zich
in Perzie, doch keerden zich voornamelijk naar de Zwarte zee, zonden
volkplantingen naar Thracien, Macadonie en Griekenland, staken van
daar over naar de eilanden der Middellandsche zee, naar Europa en
Klein-Azie.

In het Noorden zullen de Celten door Moscovien insgelijks in Europa
òf vrijwillig òf uit noodzakelijkheid gedrongen zijn en, door den
oceaan gestuit, meer zuidwaarts zijn getrokken, totdat zij elkander
eindelijk ontmoetten, en alzoo Europa met inwoners vervuld was.

En dit, geachte lezer, is de meest waarschijnlijke eerste bevolking
van het werelddeel en het land dat wij bewonen.

Twijfelt men er nog aan, dat Europa door bewoners uit Noord-Azië is
bevolkt geworden, zoo zie verder:

Dat Azië reeds vroeg bevolkt was vóór andere landen, weten wij uit de
H. Schrift. Ook is het bekend, dat in Zuid-Azië reeds vroeg, zeer vroeg
kunsten en wetenschappen op een hoogen trap van ontwikkeling waren,
toen N.-Azië, laat staan andere volken, nog in diepe onwetendheid
begraven lagen.

Was Europa dus uit Zuidelijk Azië gepopuleerd, dan hadden zij ook de
kunsten en wetenschappen medegebragt die zij reeds hadden. De Celten
nogtans waren wild en ruw, en hadden dus met de primitieve zuidelijke
bewoners weinig gemeen.

De ontegenzeggelijke weelderigheid der Zuid-Aziers daarenboven maakte
hen ook voor dusdanige verhuizing minder geschikt, te minder: daar
hunne liefelijke landstreek met haren schoonen blaauwen hemel zoo
een contrast aanbood met het onbebouwde en toen ter tijd meestal
mistige Europa.

De Scytiers van Noordelijk Azië echter hadden daarvoor meerdere
geschiktheid. De sobere levenswijze die zij leidden, maakten hen
bestand tegen de vele ongemakken waarmede zij hier zouden te kampen
hebben.



Nog zouden wij onder dit hoofdstuk kunnen schrijven over de Phoeniciers
welke zich later waarschijnlijk in het Z.-W. Europa vestigden--over de
Sarmaten en over hunne begrenzing met de Celten, welke laatsten ook,
ter onderscheiding der eersten, Scyto-Celten genoemd werden--hoe er
door die begrenzing en ondereenmenging weder een andere volksstam,
die der Finnen, ontsproot--hoe de Sarmaten de grenzen van Europa en
Azië in het Noorden besloegen, terwijl Zweden, Noorwegen, Denemarken,
Duitschland, Groot-Brittannië, Spanje en een gedeelte van Italië en
Sicilien, enz. door de Celten ingenomen werd; en hoe zij zich weder
uit Europa onder den naam van Gallaten (Gallo Graecae) in Klein-Azië
vestigden. Genoeg echter, dat bewezen is, dat Europa's bewoners
Celten waren.



b. Men moet zich eenigzins rekenschap vragen, wanneer ons land,
en strenger het oord onzer beschrijving voor bewoning is geschikt
geworden.


Welligt zijn er, die aanmerking maken, dat ons land niet is genoemd
onder de landen die bekend zijn als door de Celten bewoond.

Met gerustheid kunnen wij zeggen: ons vaderland is door de Celten
bewoond. De vraag is nu echter: waar en wanneer.

Te zeggen, dat geheel ons vaderland door hen bewoond is geweest, zou
groote dwaasheid zijn. Men zal zich nog uit onze geologische schets
kunnen herinneren, hoe traag de laagveenwording  voortging; dáár dus
waar die wording plaats greep--en zij deed zulks in een groot deel
van onze provincien--was het onbewoonbaar. Laag-veenwording toch en
moerassig drassige grond, zijn aan elkander verbonden, en de moerassig
drassige grond was toen althans niet bewoonbaar.

Ook de geduchte vijandin--de Noordzee hebben wij als eene groote
hindernis voor eene zeer vroege bewoning leeren kennen. Ook van haar
kan de vriendelijke lezer zich herinneren, hoe zij hare schuimende
golven over het zuchtende land wierp, dood en verderf met zich
voerende. Het zag er dus in dit oord slecht voor zijne bewoning uit:
dit zegt ons de geologie, en alzoo zal Oudewater en omtrek wel niet
voor der Celten bewoning zijn geschikt geweest.

Hofdijk, onze teregt zoo hooggevierde historicus, hakt den knoop
door, als hij zegt: »Eenige eeuwen voor de geboorte van Christus,
toen de westelijke streken van Nederland nog moerassige riet- en
boschgronden waren, doorsneden van vele wateren en meeren, werd alleen
slechts een gering deel van het hooger oostelijk land, het woudvolle
landschap dat wij Drenthe noemen, bewoond. Ruwe volksstammen, met den
algemeenen naam van Celten of Voor-Germanen bestempeld, leefden daar
grootendeels van de jacht op de wouddieren: wilde ossen, rendieren,
elanden, beeren, everzwijnen en anderen, die er in menigte gevonden
werden. Van de Nederlandsche Celten is echter niets bekend, en alleen
door het ijverig opsporen en onderzoeken der achtergebleven oudheden
uit hun tijdvak is men eenigzins geslaagd, zich een oppervlakkig
denkbeeld van hunne levenswijze te vormen." [117]

En welke zijn die achtergebleven oudheden, waardoor men eenigzins
geslaagd is zich een oppervlakkig denkbeeld van hunne levenswijze
te vormen?--Zaagt gij, geachte lezer, ooit in Drenthe die kolossale
steengevaarten die men onder den naam van hunnebedden aanduidt? Welnu,
die fluisteren u alsnog van dat geslacht 'twelk eenmaal uit Azies
noorden tot ons kwam; daaronder rust de assche van hen die wij
Celten noemen.

De landbouw kwam eerst zeer laat in het heiächtige Drenthe in
gebruik, en zij is het er nog het minst, bij onze overige provinciën
vergeleken. Die reusachtige steenhoopen bleven dus daar zoo lang
gespaard, dat men, door oudheidliefde gedreven, die heeft laten
staan, en zij nu wel gespaard zullen blijven voor het meer en meer
van oudheidliefde gloeijend nageslacht. [118]

Zooals Lud. Smids meent [119], was het eene dame, Titia Brongersma,
die het eerst oudheidkundige ontdekkingen daaronder heeft gedaan,
en wel in het jaar 1685. Uit de van tijd tot tijd daarin gevonden
voorwerpen blijkt wijders, dat òf het metaal hun onbekend was, òf
dat zij het niet wisten aan te wenden; hunne wapenen enz., daarin
gevonden, waren meestal uit vuursteen geslepen, en daarom noemt men
dat tijdvak veeltijds de steenperiode.

Zoo stonden de zaken, totdat deze bewoners lang nog vòòr de geboorte
des Zaligmakers, door overstroomingen en door uit het Noorden
aankomende volken verdrongen, bijna of geheel uit deze landen verdwenen
en vervangen werden door nieuwe bewoners, die, hoewel reeds meer
beschaafd dan hunne voorgangers, toch zeer eenvoudig daarheen leefden.



c. Daar, waar al van vroege, van Voor-Germaansche bevolking wordt
gesproken, wordt menigwerf de plaats niet juist aangeduid.

d. Die dit dan in later tijd nog eenigzins gedaan hebben, waren
vreemdelingen, meestal Romeinen.

e. En waar die dus plaatsnamen noemden, waren die meestal
gelatiniseerd, en hoewel soms eenige overeenkomst met de tegenwoordige
plaatsnamen hebbende, zijn zij dikwijls zeer onkenbaar geworden.



Op dit alles, geachte lezer, zullen wij, gelijk gebleken is, moeten
letten om de namen der vroege bewoners van dit oord aan te duiden, om
welke reden wij deze onderwerpen allen bij elkander getrokken hebben;
wij zouden ook zeer moeijelijk elk afzonderlijk kunnen beschrijven,
omdat wij ons nu in deze, dan weder in eene andere rubriek-aanduiding
zullen bevinden.

Laat ons nu een en ander nog beknoptelijk nagaan.

Nog digter zou de sluijer, die over het bestaan der na-Celtische
bewoners is gespreid, zijn, indien niet de heerschzuchtige Romeinen,
omstreeks 50 jaren vóor des Zaligmakers geboorte, ook deze oorden
waren komen bezoeken.

Eerst traden onze vaderen met hen in verdrag, doch later, toen de
Romeinen dit niet naleefden, werden zij al meer tot een staat van
slavernij gebragt. Onze voorouders nu, die hen zoo trouw gediend en
zelfs tot de lijfwacht van Romes keizer behoord hadden, werden dit
moede; de voormalige bondgenooten waren weldra vijanden, en nu deden
zij hun dikwijls door groote nederlagen zien, dat zij met een dapper
volk te doen hadden.

Door deze en meerdere omstandigheden werd ons land het voorwerp
eener meer aandachtige beschouwing, en wij zeggen het Wagenaar na:
ware de oorlog met de Romeinen niet voorgevallen, wij zouden weinig
van ons land en het oord onzer beschrijving weten.

Julius Cæsar, Mela, Plinius en Tacitus, moeten wij het eerst als
geschiedschrijvers dezer landen noemen.

Ofschoon deze nu dikwijls de bewoners dezer oorden regt laten
wedervaren, waren het echter geen Germanen of Galliërs die dit
geboekstaafd hebben, en als zoodanig heeft hun schrijven wel eens
iets van vleijerij aan die natie tot welke zij behoorden.

Het waren geen Germanen of Galliërs, zeggen wij. De Romeinen toch
verdeelden Gallië, dat zich uit Italie tot ons land uitstrekte, in
drie voorname deelen, van welke het Belgisch Gallië het noordelijkste
uitmaakte. De Belgen waren dus Galliërs. Nader heeft men dezen naam
alleen op de zeventien provincien toegepast, en wat het woord Germanie
betreft, de naam Germania inferior is de beste dien ik heb kunnen
ontdekken. [120]

Hoever en tot waar nu Belgisch Gallië en Germania inferior strekten,
is echter niet met juistheid te bepalen: dit toch is, zooals in
c. gezegd werd, niet juist aangeduid, wij zouden alleen van het
oorspronkelijk vaderland kunnen zeggen, dat het ten deele tot Gallië
doch voornamelijk tot Germanie behoord heeft en dat de inwoners in
taal en zeden met de Duitschers overeenkwamen, gelijk zij ook meest
uit volkplantingen van deze volken bestonden. [121]

Het meest maakten de oude schrijvers hun werk als zij den staat
van ons land hebben willen aanduiden, van den loop der rivieren en
inzonderheid van den Rijn.

Wat wij hiervan door hen weten, is zoo merkwaardig, dat ik niet kan
nalaten, het hier neder te schrijven:

Julius Cæsar schreef ten tijde van den Gallischen oorlog, omstreeks
50 jaren voor Christus' geboorte, van ons land ongeveer dan aldus:

»De Maas vloeit uit het gebergte Vogesus op de grenzen der Lingonen,
en zich met een zeker gedeelte van den Rijn, dat de Waal genoemd
wordt, vereenigd hebbende, vormen zij het eiland der Batavieren,
en valt niet eerder dan 80,000 schreden van daar in zee. Doch de
Rijn ontspringt uit het land der Leponten die de Alpen bewonen,
loopt zeer snel door de landpalen der Nantuatiers, der Helvetiers,
der Sequanen, der Mediomatricen, Tribocers, der Treviren. Wanneer
hij dan aan de zee genaderd is, verspreidt hij zich in verscheidene
takken, en maakt vele groote en kleine eilanden, voor het grootste
gedeelte bewoond door woeste en barbaarsche natien, onder welke er
gevonden worden waarvan men meent, dat zij van visschen en eijeren
leven. Eindelijk vloeit hij door verscheidene monden in zee."

De oude schrijver Pomponius Mela, een Spanjaard van geboorte, en die
onder Tiberius Caligula en Claudius leefde, teekent het volgende aan:

»De Rhijn, uit de Alpen afdalende, vormt digt bij deze bergen twee
meeren: het Veneter- en het Acronisch meer. Hierop langen tijd eenzaam
en in eene zelfde kil bestendig voortvloeijende, wordt hij niet ver
van de zee hier en daar verspreid, doch ter linkerzijde blijft hij
dan ook eene rivier, en totdat hij uitvloeit de Rhijn--daar hij ter
regterzijde eerst eng en aan zich zelve gelijk, nadat zijne oevers
wijd en zijd van-een wijken, een groot meer uitmaakt, dat de landen
heeft vervuld en Flevo genaamd wordt. Voorts een eiland van den
zelfden naam omvattende, wordt hij wederom enger en ontlast zich in
de gedaante van eene rivier in zee."

Daarna schreef Plinius secundus:

»In den Rhijn zelf is het zeer schoon eiland der Batavieren en
Caninefaten omtrent 100,000 schreden in de lengte en de andere landen
der Friezen, Cauchen, Frisiabonen, Sturiers, Marsatiers, welke bij
elkander liggen tusschen Helium en Flevum. Dus worden de monden
genaamd, door welke de Rijn in zee vloeit, na zich ten noorden in
meeren, ten westen in de rivier de Maas te hebben uitgestort. Door
een anderen mond welke tusschen deze beide in is, behoudt hij eene
kleine kil die naar zijnen naam genoemd wordt."

Terwijl Tacitus, die onder Vespasianus leefde, eindelijk dit nog
aanmerkt:

»Het eiland der Batavieren werd tot verzamelplaats gesteld om 't
gemakkelijk aanleggen, en was welgelegen om het heirleger en den krijg
over te schepen. Want de Rhijn, vlietende met eene doorgaande kil,
en kleine eilanden omvloeijende, splitst zich in het begin van het
land der Bataven in twee stroomen, en behoudt zijn naam en snelheid
van loop vandaar hij Germanie voorbij streeft, en totdat hij zich met
den oceaan vermengt, langs den Gallischen oever breeder en zachter
heen vloeit, alsdan met een anderen naam Waal genoemd wordt. Thans
verandert hij dezen naam mede in den stroom van de Maas en komt door
den geweldigen mond derzelve zich in denzelfden oceaan uitstorten."

Zie daar, geachte lezer, die weinige dierbare regels, over den ouden
staat van ons land geschreven. Hiernaar zijn de oude kaarten meestal
zamengesteld, en hierdoor ontstonden dan ook, naar de verschillende
gevoelens, zoo veel verschillende kaarten, en met bewonderenswaardig
geduld en studie, heeft de schrandere Engelberts dàt weten overeen
te brengen, waarin deze oude schrijvers, zoo het scheen, verschilden.

Behalve deze beschrijving bestaan er nog de zoogenaamde reiskaarten
van Peutinger.

Het was het gebruik der Romeinsche legerhoofden, de routen huns legers
aan te teekenen langs de door hen gemaakte heirwegen. Wanneer hunne
legioenen te velde gingen, [122] werden er kundige lieden afgezonden
om naar geschikte plaatsen tot het opslaan van een leger om te zien;
het kamp werd opgenomen, de gereede weg, langs welken het leger en
de voorraad trekken moesten, van afstand tot afstand opgemeten en
de rust- of standplaatsen aangeteekend. Deze noemden zij Metatores
en Mensores. Alles was dus van te voren bepaald, en de geleiders
moesten zich hiernaar gedragen, ten einde men het leger zoude kunnen
aantreffen, kondschap ontvangen en voorraad toeschikken, wanneer de
noodzakelijkheid het vorderde.

Hoe gelukkig, dat wij in het bezit zijn van dusdanige kaarten! hierop
kunnen wij eenigzins ontwaren waar de Romeinen hunne togten hebben
gehad, en welke plaatsen en plaatsnamen daar nog van overig zijn.

De volgende namen vinden wij opgeteekend in de twee heirwegen die
van Lugdunum naar Noviomagum voerden.

De een liep langs den linker Rijn-oever aldus:

1) Van Lugdunum over het 2) Praetorium Agrippinae uit tot 3) Matelo,
4) Albamanis, 5) Niger Pullus, 6) Lauri, 7) Fletio, 8) Levæ fanum,
9) Carvo, 10) Castra Hercules, 11) Noviomagum.

Laat ons nu zien hoe deze plaatsnamen bij eenige verschillende
schrijvers worden uitgelegd.

1. Lugdunum willen Bertius, een beroemd landbeschrijver, en S. van
Leeuwen als het tegenwoordige Leiden aanduiden. Menso Alting houdt
het echter voor Loegsduinen of Loosduinen.

2. Prætorium Agrippinæ is, volgens Bertius, Menso Alting en S. van
Leeuwen, Roomburg.

3. Matelo wordt door Bertius gehouden voor Koudekerk; Van Leeuwen
houdt het voor Rhijnsburg; Van Loon heeft nog eene andere meening.

4. Albaminis is Alphen bij Bertius en van Leeuwen.

5. Niger Pullus--Woerden, Bertius en van Leeuwen.

6. Lauri is Leerdam, naar Cluverius en van Leeuwen.

7. Fletio--Vleuten bij Utrecht, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting
plaatst het tegenover Vleuten.

8. Levae fanum voor Leeuwen, volgens Bertius en van Leeuwen. Alting
nogtans houdt daarvoor Wijk bij Duurstede.

9. Garvo is volgens van Leeuwen, Grave; Bertius denkt aan Grave of
Kille; Alting aan Rawijk.

10. Castra hercules houdt Alting voor Malburg; van Leeuwen voor
Erkeles.

11. Naviomagum voor Nijmegen, bij alle ons bekende schrijvers.

De andere weg liep aan, tot en over de Maas aldus:

1) Lugdunum, 2) Forum hadriani, 3) Flenum, 4) Table, 5) Caspingium,
6) Grinnis, 7) Ad Duodecimum, 8) Noviomagum.

1. Lugdunum. Zie over de oude ligplaats hiervoren.

2. Forum hadriani is, volgens Bertius en Van Leeuwen, Voorburg.

3. Flenum, volgens Bertius: Delft.

4. Table zou, volgens Bertius en van Leeuwen, Alblas zijn.

5. Caspingium is Giessen naar Bertius; Giessenburg naar Van Leeuwen,
en Asperen naar Alting.

6. Grinnis is Rhenen volgens Cluverius en van Leeuwen, doch Menso
Alting houdt het voor Gorcum.

7. Ad Duodecimum, duizend passen boven Lewen volgens Alting; echter
Wageningen bij van Leeuwen.

8. Noviomagum. Zie hiervoren.

Terwijl het gevoelen van den schranderen Engelberts globaal hierop
nederkomt: Men kan, totdat men nadere ontdekkingen doet, opmaken, dat
de eene weg over 't Huis te Britten, Leiden, Alphen, Woerden, Utrecht,
niet ver van Wijk bij Duurstede en Wageningen heeft geloopen tot aan
Nijmegen, en de andere aan den zuidkant over Voorburg, Kralingen,
[123] Alblas, Asperen, en zoo over de Waal naar Nijmegen.

Hoe nu, geachte lezer, wijs te worden uit zoo vele verschillende
meeningen? Tot hier hebben wij u dan ook willen brengen om te bewijzen,
dat, zooals in e gezegd werd, de plaatsnamen gelatiniseerd werden,
en dat, al hebben zij dikwijls nu nog eenige overeenkomst met de
tegenwoordige, zij echter zeer onkenbaar geworden zijn.

Hoe het zij, wij laten ons over de duisterheid der tabulae
peutingerianae, zooals die ook genaamd werden, niet in gissingen. Wat
ons echter daarvan bij alle schrijvers bleek, is, dat de heirbaan, die
langs den linker Rijn-oever liep, ook in den omtrek van Oudewater lag.



Tusschen Montfoort en Oudewater, echter het digtst bij eerstgenoemde
plaats, wijst men nog nu ten dage een stuk bouwland aan, dat de hooge
Waard genoemd wordt.

Daar stond eenmaal eene Romeinsche sterkte, en menig overblijfsel
van dat magtige, vroeg beschaafde volk werd in later jaren gevonden,
als onmiskenbaar bewijs dat eenmaal de Romeinen er geweest waren. [124]

Op bladz. 142 maakt Smids in zijne Schatkamer nog aldus van die plaats
gewag: »Voorts heeft hier weleer eene Romeinsche sterkte gestaan,
terwijl zulks hare hoogte aanwijst behalve de opgedolven munten,
steenen en allerlei gebroken vaatwerk, in eene groote menigte nu en
dan weggehaald. (Buchelius over Heda, bladz. 229.)

En telken jare nu als de koesterende lentezon den landman noopt
zijne zaden aan den akker toe te vertrouwen, en hij de ploeg bot
schaart op de scherven van Romeinsch huisraad, die ons als toeroepen:
zoo verkeert weldra alle aardsche grootheid in ellendig puin,--hoe
weinig denkt hij er dan aan, dat daar eenmaal de trotsche Romeinsche
adelaren geplant waren op der Bataven grond.

Doch ook nu hebben wij de regelen van ons prospectus ontvouwd: dat de
bevallige boorden des IJssels weleer door de Romeinen bewoond werden.



f. Vóór, ten tijde van, en ná der Romeinen verblijf in ons land was
het bevolkt door een aantal volksstammen, die ook elk hun eigen
stamnaam hadden, hetwelk natuurlijk de verwarring vermeerderde,
als men de grenzen hunner bewoning moest aanduiden.

g. Hunne woonplaatsen waren daarenboven niet stationair: nu eens
moesten zij die verlaten door overstroomingen, dan weder door het
aandringen van nieuwe volksstammen.



Zeker, er waren in ons land een tal van stammen van verschillenden
naam, ofschoon zij godsdienst, zeden en levenswijze met elkander
gemeen hadden.

De voornaamsten daarvan waren de groote en kleine Friezen en
de Batavieren, waaraan de Tubanten, de Bructeren, de Sicambren,
Chamaven, Gugernen, Toxandriërs,  Caninefaten en Sturiers grensden,
terwijl de Trivieren, Eburonen, Condrusen, Tongeren, Aduatiken,
Nerviers, Atrebaten, Menapiers en Morinen zich zuidelijker gevestigd
hadden. [125]

Was het, geachte lezer, reeds zoo moeijelijk, heirwegen op te sporen,
die toch in den bodem zekere sporen hebben nagelaten, die men dikwijls
zien en betasten kan,--hoeveel te moeijelijker moet het dan zijn de
plaats aan te duiden van zoovele stammen, verschillend in naam; die
niet altijd zekere sporen van bijzondere stammen hebben nagelaten,
en wier woonplaats daarenboven niet stationair was, om de redenen in
g hiervoren aangetoond.

Men kan dus ligt nagaan, dat wij ook voor de verschillende
oorden waarin men deze stammen plaatst, een magt van schrijvers
en schetskaarten zouden kunnen aanhalen, doch wij hopen, met de
reiskaarten dit overbodig te hebben gemaakt. Slaan we dus meer bepaald
ons oog op dit oord.



Dat hier heidenen gewoond hebben, is reeds uit onze Mythologische
schets van Oudewater en omtrek op meer dan eene plaats ten duidelijkste
gebleken. Ook behoeven wij dus hierom er niet bij stil te staan:
hoe sedert het verblijf der Celten in ons land deze streek geschikt
werd ter bewoning, en hoe er reeds toen ter tijde Oudewaarden
bestonden, waarover wij naar de geologische schets zouden kunnen
verwijzen. Genoeg, het was bewoond; de vraag is dus: door welken stam
of welke stammen?

Achter Tacitus' historie, vertaald door den drossaert P. C. Hooft,
vindt men eene verklaring eeniger namen van VOLKEN en steden, die in
de boeken van Tacitus worden gelezen, gesteld naar het gevoelen, de
bewijzen en gissingen van P. Cluverius, P. Ferrarius, M. A. Baudrand
en andere landbeschrijvers.

Zien wij nu eerst wat die van het eiland der Batavieren zeggen in hun
tijd, nadat wij vroeger gezien hebben wat de oude schrijvers daarvan
gezegd hebben.

»Batavia is het eiland der Batavieren, dat van den Rhijn en de zee
werd omringd, te weten van den Rijn, daar zich die bij Schenkenschans
in tweeën splitst, behoudende de eene tak zijn zelfden naam, terwijl
de andere tak de Waal genoemd wordt, en die daarna ook de Merwe heet,
en eindelijk bij Rotterdam de Maas genoemd wordt, totdat zij voorbij
den Briel in zee loopt.

Dit eiland begreep een klein gedeelte van het land van Cleef, een
gedeelte van Gelderland, de provincie Utrecht en een groot deel van
Holland, met de volgende steden: Huessen in het land van Cleef, Tiel,
Buren, Culenborg in Gelderland, Wijk bij Duurstede, de stad Utrecht
en Montfoort in het Sticht van Utrecht. Voorts Asperen, Heukelum,
Leerdam, Vianen, IJsselstein, Gorinchem, Nieuwpoort, Schoonhoven,
Gouda, Leiden, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Delft en andere
steden in Holland. [126]

Oudewater, geachte lezer, wordt hieronder niet genoemd, doch indien
wij nagaan, dat de plaatsen uit den omtrek worden aangeduid, en juist
Oudewater, dat daar tusschen ligt, niet, dan aarzelen wij geen moment,
Oudewater onder die andere steden in Holland te noemen en alzoo ook
deze plaats te rangschikken als vroeger op het eiland der Batavieren
gelegen hebbende.

Op bladz. 4 verbeteren zij dan ook dadelijk hunne onvolledigheid,
en door dit na te schrijven zijn dan ook onze voorouders in deze
oorden volgens hen genoemd.

»De Caninefaten," lezen wij daar, »was een volk, dat een gedeelte
van het eiland der Batavieren bewoonde, te weten aan den oever des
Rijns van Batovodurum of Wijk Duurstede tot Lugdunum of Leiden,
begrijpende 't gewest daar nu Culenborg, IJsselstein, Montfoort,
Oudewater, Woerden en Gouda ligt.

Mogten die geleerden dwalen, wij nemen het niet op ons, hoewel ook
wij niet zonder grond meenen, dat de Caninefaten eertijds mede op de
plek woonden van het tegenwoordige Oudewater.



»Gelijk de magtige baren des Oceaans de krachtige duinen aan den
oever allengs naderen, en met immer toenemend geweld eindelijk
deze zonderlinge zeereuzen, die de oceaan zelf heeft geschapen,
weder vermeesteren en, gelijk Saturnus zijne kinderen, verslinden:
zoo ook bruisten de woeste volksstammen uit het noorden, het oosten
en het zuiden, vooral in de vierde eeuw, aan op der Batavieren grond,
en namen de volksstammen der Batauers, Caninefaten en vele anderen
als het ware in hun magtigen schoot op, en deden hen eindelijk
geheel verdwijnen van het wijd uitgestrekt schouwtooneel, waarop de
volken hunne rollen wisselen onder oneindige verandering in magt en
vernedering, onder weligen voorspoed en diepen val.

Slechts hier en daar vinden wij onder Julianus de afvallige nog
eenige gezinnen die wijzen kunnen op hunne voorvaderlijke afkomst,
en hoewel zij, die den krijgsmansstand kozen, onder de Romeinsche
veldteekenen nog altijd hun ouden roem als lijfwachten behielden, en
zelfs Constantinus in het nieuwgebouwd Constantinopolis beschermden,
moesten degenen, die vlijtig hunne akkers beploegden, weldra onderdoen
voor deze woeste indringers.

Vooral drie groote volkstakken, even als de vroegere van Germaanschen
oorsprong, en in zeden en gebruiken weinig van elkander verschillende,
treffen wij in de vierde eeuw onzer jaartelling aan, als bezitters
van het roemruchte eiland der Batavieren--waaronder, zooals wij nu
weten, ook de plaats van het tegenwoordig Oudewater behoorde. Slaan
wij het oog naar het zuiden, dan zien wij de moedige Franken naderen
en zich uitbreiden van Gallie over Belgien tot aan de boorden des
Rijns. Van het oosten dagen de Saxen op, ontplooijen hunne benden over
Gelderland en Overijssel, en stuiten ter linkerzijde tegen de fiere
en moedige Friezen, die als hechte rotsen in den woelenden tijdstroom
nog daar staan voor ons oog en de eerbiedwekkende telgen zijn van
den krachtigen Scandinavischen eik (volgens de aloude stamsage) door
't volkshoofd Frizo geplant aan de barre kusten der Noordergolven.

En in dezen ontzaggelijken volkschaos welke in die dagen op der
Batavieren grond dooreenwoelde, kiemde een toekomstig volksbestaan,
eene magt, die wel is waar eerst na eene voortgaande ontwikkeling van
eeuwen eene hooge mate van perfectie zoude bekomen, doch dan ook na
langzamen vooruitgang een zoo hecht geheel vormde, dat krachtiger
naburen er voor beefden en het zwaard bot schaarden op Nederlands
beukelaar, de beschermer van vrijheid en onafhankelijkheid. [127]

In de vierde eeuw was Nederland alzoo bezet door de drie groote
germaansche stammen: Friezen, Saxen en Franken, in wier langzame
verbinding en geheele of gedeeltelijke zamensmelting de grondslag
van onzen volksaart moet worden gezocht, en aan wie behoort te
worden gedacht, wanneer er sprake is van onze voorouders. Wat er
hier of daar welligt van de oude stammen nog overig was, loste zich
in de hoofdstammen op. Zoo ging het ook met de kleine stammen, later
ingedrongen, b.v. zoo men wil, de Slavische in Zuid-Holland en die
der Angelen op de Veluwe. [128]

Zoo stond het, mijne lezers, met het volk en dus ook met de namen onzer
voorouders in deze oorden, die wij van nu aan tot op een zekeren tijd
niet meer onder een bijzonderen naam kunnen aanduiden.



Tot meerdere completering van de namen onzer voorouders zij nog
vermeld, dat Oudewater en zijn onderhoorig land nog op het einde
der dertiende eeuw aan het bisdom van Utrecht gehoord heeft. [129]
Alzoo waren zij toen ook Utrechtenaars of Stichtschen.

»In onses Heeren jaren twalfhondert en tachentig, in den avont
der feesten Sinte Pauwels in den wijnter" [130] (24 Januarij 1280)
is het echter aan Holland verpacht en wel aan Noord-Holland. [131]
Toen waren zij dus Noord-Hollanders.

De verschillende namen, die zij gehad hebben bij verschillende
innemingen der plaats, en indeelingen des lands, gaan wij voorbij;
alleenlijk herinneren wij nu, dat Oudewater thans is, een deel van
het dierbare Nederland en gelegen in Zuid-Holland. Onze naam is dus
ook nu Nederlanders, Zuid-Hollanders en Oudewaterschen.



ZEDEN EN GEWOONTEN.


            "Doch uwe belangstelling, mijn lezer, waarborgt mij, dat in
             uw gemoed het betere beginsel spreekt,--dat het u een lust
             is, u soms te stellen te midden van de geslachten der
             voortijden en rondom u ziende, een oog te slaan in de
             eigenaartigheden huns levens."

                             Hofdijk, Historische landschappen, blz. 61.


            "Eenmaal gevestigd, werd dat Christendom het groote middel
             ter beschaving des volks, en wat meer zegt, tot deszelfs
             zedelijke en godsdienstige ontwikkeling."

                    Rooijaards, Invoering van het Christendom, blz. 371.


Het zou een arbeid van een verbazenden omvang zijn, onzer vaderen
zeden en gewoonten, in alle fijnheden te willen schetsen: wij willen
het dus doen in overeenkomst met dit boek, uit de volgende oogpunten:

    a. de zeden en gewoonten der heidenen, voor der Romeinen komst.
    b. na hun verkeer met hen.
    c. de invloed van het Christendom er op; en die van
    d. den handel en de tegenwoordige communicatie.



a. Zeden en gewoonten onzer voorouders vóor der Romeinen komst.

Op bladzijden 147 en 148 is reeds vermeld, dat al de heidensche
stammen, daar opgesomd, hunne levenswijze, godsdienst en zeden met
elkander gemeen hadden, en dus ook de bewoners van dit oord. Schetsen
wij dus de zeden en gewoonten van dit oord, dan doen wij het ook
onvermijdelijk van allen; dit kan niet anders, hoe wij ook plaatselijk
zouden willen zijn.

Het waren krachtige, sterke voorzaten, die eenmaal ons oord ter
woon verkozen.

Zij kleedden zich veel in de vachten van door hen gedoode wilde
beesten, en was dit dan van een woudstier, dan gaven de daarop gelatene
horens bij hun lang gebaard aangezigt hun een woest aanzien, hetwelk
echter zeer door hun zacht blaauw oog werd getemperd.

In hunne ziel waren daarenboven een aantal deugden die bij ons,
helaas! niet meer zoo menigvuldig worden aangetroffen.

In hunne jeugd waren zij ingetogen, in het huwelijk kiesch en
eerbaar. Was het dus wonder, dat zij sterk waren en krachtig,
en daardoor geducht in den oorlog? dat gezondheid en onschuld van
geslacht tot geslacht onder hen werd voortgeplant?

De matigheid in drank, en het beteugelen in den lust tot het spel,
liet bij hen wel eens wat te wenschen over, en hierdoor ontstonden
dan meermalen twisten, die echter spoedig door hunne verzoenende
inborst weder bijgelegd werden. Zij leefden meer naar gewoonte dan
naar wetten, hetwelk de dichter zoo kernachtig uitdrukt:


    Gewoonte was een wet en overlevring,
    Was geschiednis.


Vooral de gastvrijheid, liefde voor den ouderdom en voor hunne
woonstede waren bij hen gewone deugden.

Godsdienst en levenswijze waren naar de natuur ingerigt, en weelde
was hun bijna of in het geheel niet bekend.



b. Onzer vaderen verkeer met de Romeinen.

Reeds lang nadat de Romeinen hier verkeerden, waren alle gebruiken
nog op voorvaderlijke wijze bij de hier wonende stammen. Langzaam
echter, nadat zij de meer verfijnde manieren, de weelde der zuidelijke
overweldigers zagen, leerden zij die ook genieten, de eerste trap
van weelderiger zingenot was daargesteld en werd steeds meer en
meer betreden.

Het had nogtans ook zijne voordeelige zijde, het verkeer met de
Romeinen. Zij teekenden feiten en daden in hunne geschiedrollen op,
die anders zouden verloren zijn, en van hen leerde men wetenschappen
en kunsten.

Twee door hen gestrooide kiemen dus zouden later sterk ontluiken:
die van wetenschap en weelde.



c. De invloed van het Christendom op de zeden.

Hoe verfijnd men echter reeds eenigzins geworden was, men bleef toch
altijd nog heiden. Eindelijk echter werd ook voor onze gewesten het
licht ontstoken van den eenigen waren God. De gewesten waren rijp
daarvoor, en het heidendom viel. Wel bleven sommige gebruiken gewijzigd
voortduren en doen zij dit zelfs nog, zooals uit de Mythologie bleek:
het Christendom werkte desalniettemin heilzaam op de gemoederen der
menschen, dus ook op zeden en beschaving.

Het was dan ook wederom het Christendom, dat later de kruistogten
in het leven riep en weder ontzaggelijk voordeeligen invloed op
beschaving uitoefende.



d. De handel en tegenwoordige communicatie in betrekking op zeden
en beschaving.


Wat is er in Oudewater nu nog van de zeden der vroege bewoners over?

Van hunne gebruiken hebben wij dit in de Mythologische schets zoo
volledig en geregeld mogelijk beschreven.

Zeker, de poorteren dezer voormalige veste hebben het dikwijls getoond,
dat de oude moed der Caninefaten nog in hen was bij verschillende
gelegenheden, en wij twijfelen er niet aan: zoo Nederland in gevaar
was, Oudewater zou nog zijn ouden geest niet verloochenen.

Ook de eenvoud der zeden bleef hier in aanzijn toen naburige plaatsen
die reeds lang hadden afgelegd.

Ook J. van de Capelle (Bosdijk) maakt elders van den prijzenswaardigen
eenvoud in Oudewater gewag, en, niet waar? eenvoud en gepaste
gemeenzaamheid van welgestelden met hunne minderen, dit is waarlijk
schoon en ware grootheid. Spoedig echter zal ook deze schoone
eenvoud verdwijnen, en alhoewel Oudewater nog kan wijzen op zeer
oude familiën die hier reeds eeuwen stationair zijn, wordt de zeer
bekende Oudewatersche eenvoud en voorvaderlijke gastvrijheid al meer
en meer zeldzaam.

Dit betreuren wij. Niet dat wij niet van vooruitgang houden: zoo
iemand dan zijn wij er voor; doch wij wenschen: mogte eenvoud van
zeden met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamen gaan!

Wat is de reden? De handel en gemakkelijke communicatie. Door het
eerste hebben ook de handeldrijvende bewoners verkeer met andere
natiën, en maken zich hunne zeden eigen, en door de gemakkelijke
communicatie van steden en steden en landen en landen zal eens welligt
de tijd aanbreken, dat alle nationaliteit der meeste Europesche staten
zich heeft opgelost, in den aanlichtenden horizont en den grootschen
naam van vereenigde en algeheele Europesche beschaving, en ook voor
die toekomst, voor dat blijde verschiet herhalen wij: mogte eenvoud
van zeden, met ontwikkeling van beschaving en wetenschap zamengaan!



OPKOMST EN ONTWIKKELING DER STAD.


Oudewater en omtrek, wat moet gij ook schoon geweest zijn in uwe
oorspronkelijke trotsche woestheid, toen gij het eerst bezocht en
bewoond werd door ons roemrucht voorgeslacht!

Wat moet gij u grootsch vertoond hebben met uw woud, dat zich zoo
fier in den blaauwen aether zal hebben geteekend!

Wat zal de IJssel met zijne kabbelende golven, als een breed lint in
uwen bodem liggende, een prachtig effect gemaakt hebben! de IJssel,
onbelemmerd daarhenen vlietende, omzoomd met een heir van planten en
bevolkt door veelkleurig geschubde bewoners.

Ook gij, waardlanden, moet der beschouwing waardig en in
overeenstemming met het landschap geweest zijn! gij, die door uwe
hoogere ligging--veroorzaakt door den stroom waaraan gij ligt--ten
weelderigen groei verstrektet aan boom en heester en plant.

Deze oude waarden, geachte lezer! waren het dan ook, zooals wij u
reeds opmerkten, waarop onze voorouders hunne hutten bouwden, en die
den naam aan de plaats onzer beschrijving zullen hebben gegeven. Aan
deze moet dus nu weder gedacht worden, de opkomst en ontwikkeling
van Oudewater beschrijvende.

Zien wij dus nu eenigzins, hoe de plaats van het tegenwoordige
Oudewater tijdens zijne eerste bewoning in de eerste eeuwen zich zal
vertoond hebben.



Het oord onzer beschrijving tot aan de eerste bescheiden.

Het laat zich al zeer gemakkelijk begrijpen, dat daar waar op de
waarden boomen stonden, deze hinderden tot het bouwen van woningen,
en alzoo uit den weg moesten geruimd worden. Zoodanige uitgeroeide
bosschen werden veeltijds rode geheeten. [132]

In het tegenwoordige Oudewater zijn twee straatnamen: de Roodstraat
en het Roodzand. De eerste loopt naar den IJssel, en de tweede ligt
langs genoemde rivier. In onze geologische schets hebben wij gezien,
dat de benaming niet kan voortspruiten uit alluviaal roodzand. Dewijl
deze nu juist tot en langs den IJssel voeren en wel daarenboven nog
grenzen aan het oude heidensche kerkhof, reeds door ons beschreven:
is het zeker, dat die twee straten op oude waarden gebouwd zijn;
hoogst waarschijnlijk zijn daar bosschen uitgeroeid (uitgerooid
zegt het landvolk) en werden zij daarom rode genoemd, dat later in
Roodstraat en Roodzand zal overgegaan wezen. Dikwijls zelfs noemt
men die straten nog Rooistraat en Rooizand, hetwelk ons denkbeeld
van uitroeijen, uitrooijen te meer schijnt te bevestigen. [133]

De Friezen, Batavieren, Caninefaten of welke Germaansche stammen ook,
die eertijds ons land bewoonden, hadden echter nog geene steden. Moedig
van aart als zij waren, beschouwden zij het hunner dapperheid onwaardig
en hunner gezondheid nadeelig, zich achter vestingmuren op te sluiten;
zij bouwden dus hunne woningen niet aan elkander.

De gedaante hunner woningen was somtijds vierkant of lang vierkant,
meestal echter rond. Dit toch blijkt ons ten duidelijkste uit de
afbeeldingen der ronde Germaansche woningen, op de zegezuil van keizer
Antonius, welke nog te Rome bewaard wordt. [134]

De reden waarom men die gewoonlijk rond maakte, is, dat de zoodanigen
het sterkst waren; dat zij in den minsten omtrek de meeste ruimte
hadden, minder leden van het weder en ook warmer waren. [135]

Hunne ronde stulpen, waarmede van Loon ze vergelijkt, waren gebouwd
in dezer voege: In de aangewezen ruimte staan hier en daar palen,
die een kring daarstellen; daartusschen nu werden teenen gevlochten
zooals onze landbouwers nog wel hunne horden maken, waarin natuurlijk
de ruimte van eene of meerdere deuren werd uitgespaard: dikwijls toch
hadden zij twee deuren naast elkander.

Dit geraamte, of zoo gij liever wilt dit vlechtwerk, wordt van buiten
bestreken met koemest en kleiaarde: het vervaardigen van steen toch
was hun nog geheel onbekend, en nogtans gebruikten zij reeds die
bouwstoffe, die rivierbezinking, die wij in onze geologische schets
zagen geschikt te zijn tot het bakken van rooden steen.

Nadat de sparren er op aangebragt zijn, wordt de kap voltooid door
het dekken met riet en stroo, hierin eene opening latende die tot
schoorsteen dient.

Ook van binnen werd het vlechtwerk hunner woningen met aarde bestreken.

De geachte lezer denkt bij het lezen van de beschrijving dezer
woningen, dus alligt aan de veehokken, die, nog op deze wijze
vervaardigd wordende, eene voorvaderlijke woning in het klein
voorstellen.

Hunne opperhoofden nu hadden ook zoodanige woningen; alleen zullen zij
wat netter bearbeid, wat ruimer en hooger geweest zijn. Dìt weten wij
althans uit Tacitus, dat de wanden van sommige gebouwen van binnen met
witte blinkende potklei wel bestreken werden. Somtijds doorkneedden
zij dezelve met aarde van verschillende kleuren, waardoor de muren
zich als geschilderd met bonte aderen en vlakken niet onaartig moet
voorgedaan hebben. [136]

Verder waren alle woningen met palen en horden afgezet, en ook dit
vinden wij nog bij onze landbouwerswoningen weder, hetzij met slooten,
hetzij met uit teenen gevlochten horden en hagen. Onze voorouders namen
dien maatregel, opdat het vee hunne stolpen niet zou beschadigen. [137]

En zoodanige hutten denke zich nu de vriendelijke lezer ook te dien
tijde in Oudewater en omtrek.



Het Markveld bij Oudewater.

Hun eigendom werd verdeeld zooals nog ten onzent: in roerende en
onroerende eigendommen.

De voorname roerende have in de oudheid was vee, huisraad, wapenen
en kleederen.

Onroerende bezittingen. Bij alle volken, hetzij deze bij hunne kudden
en jagt leven of landbouwers zijn, is het bezit van roerende goederen
gevestigd. Niet zoo gaat het met den grondeigendom. Herders en jagers
trachten naar gemeen eigendom; landbouwers integendeel naar verdeelde
en beperkte gronden.

Onze voorouders nu, gingen uit een herders- en jagersvolk, trapsgewijze
tot een landbouwend over, ontspruitende uit eene vermindering van
wild en het gevolg van meerdere beschaving. Men vindt bij hen, dat
de grondslag van privaat-eigendom op dien van gemeen eigendom berust,
zooals men dan ook nog eeuwen daarna kan nagaan.

Gedurende het eerste tijdvak onzer geschiedenis dan leefde het volk
bij veeteelt en akkerbouw, en in het oog springend was het, zooals
wij dit ons nu nog zeer wel kunnen begrijpen, dat de herder naar de
geheelheid des eigendoms trachtte: de landbouwer daarentegen naar
verdeeling. De eerste toch had ten minste in dien tijd onveranderlijke
weiden en bosschen noodig tot driften, wijl hij zwervende kudden had,
en de grond slechts door uitgestrektheid dienstig kon zijn.

De landbouwer zocht het tegenovergestelde en omringt, gelijk nog,
den hof om zijne woonstede met hagen, grachten en tuinen, en door
deze wederzijdsche verhouding en strekking van herders en landbouwers
treffen wij nevens elkander aan: verdeeld en onverdeeld eigendom.

Bij het verdeeld eigendom zullen wij slechts ter loops stilstaan als
minder voor ons bestek geschikt: alleen toeven wij nog eene wijle
bij het onverdeeld eigendom, dat, zooals wij nu kunnen nagaan, het
oudste is en waarvan bij Oudewater nog een spoor aanwezig bleef.

Wanneer een Dietsche volksstam eene onbewoonde landstreek in bezit
nam, werd deze inbezitneming door zekere sijmbolische teekenen
aangewezen. Men trok met vuur om de landstreek, en noemde dit: het
land met vuur heiligen; terwijl tot aanwijzing der grensscheiding
paalsteenen werden geplant, nagels in boomen geslagen en teekenen er
in gesneden.

Het stellen der grensteekenen geschiedde plegtig, en wanneer het voor
geheele landen of gemeenten plaats had, was dit in de tegenwoordigheid
des volks en der wederzijdsche naburen voor privaat-eigendommen. De
grensbeperking heet in oude oorkonden circumducere peragrare, ook
cavallicare, omrijden. Grenssteenen en boomen waren heilig; men
mogt geen takken of twijgen er uit kappen. Degene die paalsteenen
verzettede, werd in den grond gedolven en zijn hoofd door eene ploeg
afgereden.

Dan werd de grond onder elkander aangewezen secundum dignitatem
(volgens Tacitus G 26). Dit was het verdeeld eigendom bijgevolg. De
aangrenzende wouden en weiden echter waren gemeen en onverdeeld,
en die werden naar ligging aan de grens--let wel--mark genoemd. (De
eigenlijke beteekenis van mark is alzoo grens. Tusschen de wouden
op de velden zette het volk zich neder, en zoo komt mark soms de
beteekenis van bosch zeer nabij. Gemeene gronden worden in Duitschland
nog marken genoemd.)

Dien ten gevolge behoorde tot de gemeente of mark: woud, vloed, weiden
in of om het woud gelegen, wild, gevogelte, enz. Tot de mark werden
niet gerekend: de woningen, het akkerland, de hoven, vruchtboomen en
de besloten weiden om de woningen liggende.

Naar mark werden de mede-eigenaars der gemeentegronden markgenooten
geheeten (westph. markenote), het geregt markgeregt, woudgeregt; en de
aangestelde heer markregter, markmeester. Om deelachtig in de wouden
te mogen zijn, moest men eigendom in de gemeente hebben en daar wonen.

Iedere volle markgenoot heeft hout voor brand en bouw. Aan het woud
zelve had ieder »genoot" slechts een onverdeeld aandeel, en zooals
wij zagen, werden ook zijn huis, hof en akker in uitgebreideren zin
tot de mark betrokken.



Ongeveer vier minuten zuid-oostwaarts van Oudewater, geachte lezer,
ligt een stuk land, genaamd het markveld.

Dat dit alleen uit geheel onzen omtrek nog zijn ouden naam van mark
behouden heeft, komt ons ontegensprekelijk voor, en wij zullen hiervoor
bewijzen aanvoeren.


a. Dadelijk doet ons de eerste lettergreep mark aan eene voorvaderlijke
mark denken.

b. Dit gevoelen wordt nog versterkt door het achtergevoegde veld.


Zooals wij zagen, had ieder volle markgenoot hout voor brand en
bouw. Dit had tengevolge, dat het bosch niet zoo groot bleef als
het bij hunne komst was, al kleiner en kleiner werd, en in veld
veranderde. Op bladz. 18 lezen wij daarenboven bij Blommaert: »veld
zou volgens eenige taalkundigen afstammen van vellen, omhouwen,
zoodat het eigenlijk een bosch zou beteekenen dat omgeveld is."

Alle velden nu zullen zoo wel niet ontstaan zijn, doch hier, waar
die twee oude woorden zoo in eenen adem worden uitgesproken, is dit
ongetwijfeld zoo. De oudheid dezer plaats is overigens een bewijs
te meer.

Verder zagen wij, dat mark grens beteekende. Opmerkelijk nu is het,
dat het markveld nu nog juist de grens daarstelt van de provincien
Zuid-Holland en Utrecht; bij die verdeeling zal dus ook waarschijnlijk
de oude mark, de oude grens, zijn in aanmerking genomen. Het geregt
heette markgeregt, zooals wij zagen; opmerkelijk nu werd vroeger een
deel van het markveld voor geregtsplaats gebruikt en wordt het soms
nog het galgenveld genaamd.

Ook is in het Markveld het zoogenaamde schuthok. Zoo als men weet,
is dit eene plaats waarin dwalend of verdoold vee wordt bewaard voor
den eigenaar. Thans gebeurt dit niet zoo menigmaal als voorheen, toen
de kudden niet zoo door slooten en staketsels in hun loop beperkt
werden. Intusschen ook dit is, o. i., nog eene eigenschap, verbonden
aan eene voorvaderlijke mark, een land ten algemeenen nutte. [138]



Zij leefden echter niet zoo ongestoord daarheen, onze vaderen, als
wij in onze tijden.

Werden zij niet verontrust door vijandelijke drommen, dan waren het
woeste overstroomingen en doorbraken, die hunne spattende golven,
als zoovele witgekuifde strijders over deze landen zonden, verwoesting
in mark en heem aanrigtende.

Een dezer stormen, geachte lezer, zal dan ook omstreeks 860 Oudewater
en omtrek geteisterd hebben, waaromtrent wij echter verwijzen naar
de geologische schets, waar men ook zien kan, dat in de achtste eeuw
het maken van dijken werd begonnen, welke echter eerst eeuwen daarna
de kracht en uitgebreidheid zouden erlangen om in staat te zijn den
loop der rivieren te bedwingen.

En zoo geschiedde het, het volk werd beschaafder, en daardoor werden
de woningen ook fraaijer, hoewel zij toch nog steeds met riet gedekt
werden en er zeer eenvoudig uitzagen. Zoo stonden de zaken, toen in
1265 Henrik van Vianden, 38ste bisschop van Utrecht, Oudewater tot
eene stad maakte en den inwoners benevens het burgerregt nog vele
privilegien schonk. [139]

Nu ook ontrollen zich een chaos van bescheiden en pergamenten,
en nopen voor en na ons ter beschrijving een aantal publieke en
merkwaardige gebouwen, welke beschrijvende wij de ontwikkeling der
stad te gelijker tijd eenigzins zullen kunnen nagaan.



VOORMALIGE EN TEGENWOORDIGE PUBLIEKE EN MERKWAARDIGE GEBOUWEN.


       "De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene,
        omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren
        van vroegere handelingen. De monumenten verschaffen ons eene
        geschiedenis op eene andere wijze, namelijk in vormen, die een
        geheele reeks van waarheden en denkbeelden in zich sluiten en
        bij ons opwekken; zij verhalen ons juist niet al het gebeurde,
        maar zij leeren ons kennen hoe het voorgeslacht leefde, dacht
        en gevoelde, en dat heeft voor het minst even zoo veel waarde
        als de vermelding van eene reeks gebeurtenissen."--

              W. N. ROSE.--Verhandeling, uitgesproken ter algemeene
              bijeenkomst van de leden der maatschappij "tot bevordering
              der bouwkunst" van 23 Junij 1854.


De groote of oude parochie-kerk met toren.

Zij zijn het overwaard, die trotsche gothische gebouwen, dat
wij bij den aanvang dezer groote, en voor Oudewater interessante
afdeeling, voor hen het eerst de aandacht des vriendelijken lezers
verzoeken.--Immers, wat al jaarkringen werden sedert hunne stichting,
steeds door anderen vervangen. Wat al eeuwen rolden sedert henen om
zich spoorloos, en voor altijd op te lossen in den peilloozen oceaan
des tijds!

En de gebouwen onzer beschrijving? Zij weêrstonden den sloopenden
tand des tijds, gelijk zoo velen hunner zusteren uit dat tijdvak, als
tuigden zij eenpariglijk van den vromen Godsdienstzin onzer vaderen.

En, wanneer nu de oudheidminnende naneef, den drempel van ons statig
kerkgebouw overschrijdt, neen, dan blijft de indruk der schoone
kerkgothiek bij hem niet achterwege, dan wordt hij gestemd tot
hooger, dan ook denkt hij onwillekeurig aan hare stichting, zijn
geest ontrukt zich van het tegenwoordige en vliegt over eene klove
van eeuwen en eeuwen, en met genoegelijken weemoed en stillen ernst,
doolt hij vervolgens rond over de menigte grafzerken, die hem als
toefluisteren van 't grijs verleden en den rappen tijdstroom.

Wanneer wij de kerk uit de vele oogpunten wilden beschouwen, die
wij konden en het allezins waardig zijn, zou ons bestek overschreden
worden, daarom doen wij het slechts uit eenigen, en bij voorkeur uit
die, met hare geschiedenis in betrekking staande. Het geleidelijkst
kunnen wij naar onze meening beginnen met:



a. DE STANDPLAATS VAN KERK EN TOREN.

Hieromtrent kunnen wij echter kort zijn, daar zulks in ons mythologisch
gedeelte reeds eenigzins beschreven is, alwaar wij aantoonden, dat
genoemde plaats reeds ten tijde van het heidendom een sepulchrale
bestemming had, begunstigd, door de oude waard waarop zij lag.

Was er echter bij die begraafplaats nog een gedeelte aan eenige
andere mythologische vereering gewijd?--wie zegt het--zeker echter
is het--zoo als in den loop der vroegere schets reeds werd opgemerkt,
dat vele heidensche offerplaatsen bij de christen-prediking, ook tot
christelijke vereeringsplaatsen werden ingerigt. [140]

Deze overgangen--ook dit toonden wij reeds meermalen aan--waren
ook in Nederland niet zeldzaam en een tal van voorbeelden pleiten er
voor. Genoeg, dat wij de zekere overgang van heidensche op christelijke
begraafplaats alhier hebben aangetoond; en weet men nu daarbij, dat
die op een deel derzelfde plaats is, waar nu kerk en toren staan,
dan wordt dit nog te meer aannemelijk.

Met zekerheid mogen en kunnen wij echter niets hieromtrent ter
neder schrijven--de gordijn is gevallen.., en welligt onherroepelijk
gevallen.

Opmerkenswaardig is echter



b. DE TUF-, DUIF- OF CEMENTSTEEN AAN DEN TOREN.

Als vrij zekere stelregel kan men aannemen, dat wanneer men aan
een oud gebouw, duifsteen aantreft, het dan ook zeer oud is. Alle
schrijvers, die de aandacht hunner lezers op den duifsteen aan oude
gebouwen vestigden, zijn dit zelfde gevoelen toegedaan--en wel in
die mate, dat men er de gevolgtrekking nevens maakt, dat de Romeinen
meestal den omtrek van dusdanig gebouw eenmaal ter hunner woonplaatse
verkozen hebben.

Zoo was b. v. het Duifhuis bij Rotterdam--naar zijne steenen aldus
genoemd--eene Romeinsche sterkte, de heidensche kapel te Nijmegen is
van duifsteen gebouwd en was de vroegere heidensche kapel te Utrecht,
insgelijks van denzelfden steen opgetrokken. [141]

De geleerde Berkhei heeft o. a. van den duifsteen nagegaan en
geschreven, dat men hem veel op kerkhoven vindt, omdat onze voorzaten
gewoonlijk hunne lijken met deze soort van steen dekten en de Gothen
er van bouwden.

Ds. Heldring zegt, omtrent zijne beschrevene voorvaderlijke
begraafplaatsen, waarin insgelijks duifsteen werd aangetroffen, dat
zij deels Bataafsch en deels Romeinsch waren--de blaauwe urne bewees
het eerste, de duifsteen enz. het laatste. [142]



Doch hoe nu duidelijk gemaakt, vraagt zich welligt iemand,
dat men juist altijd duifsteen aan dusdanige oude monumenten
aantreft.--Luister:

Gebakken metselsteenen waren ten tijde der Romeinsche overheersching
nog niet uitgevonden, en al ware dit zoo geweest, dan had men immers
in ons land nog geen steen-ovens--de duifsteen echter kwam in onzen
bodem in natura voor--en nog een bestanddeel van den grond uitmakende,
was hij zacht en kon alzoo gemakkelijk in die gedaante gebragt worden,
die men verkoos.

Wordt het dus niet belangwekkend, mijne lezers, dat gij u aan de
beneden-westzijde van het torengebouw, van de aanwezigheid eener
aanmerkelijke hoeveelheid duifsteen kunt overtuigen, en wij u daarbij
kunnen mededeelen, dat voor ruim 50 jaren de geheele kerk in haren
beneden omtrek nog uit duifsteen bestond, zoo ook een verbroken
portaal aan de zuidzijde van laatstgenoemd gebouw? [143]

En zoo is het, het aanwezig zijn van den cementsteen aan den toren,
doet dit gebouw, eene veel hoogere oudheid erlangen, als men tot
hiertoe meende.



In het breede zouden wij ons in eene volgende rubriek kunnen ophouden
over de beteekenis der hemelstreken in het heidendom, en waarom men in
het christendom bijna immer tot regel had aangenomen, de Godshuizen,
oost en westwaarts te bouwen--ook hier zouden wij tot verrassende
resultaten komen, doch om meer dan eene reden kunnen wij hier er niet
over schrijven.



c. DE HOOGE LIGGING DER KERK.

De kerk-symboliek, die zich zoo treffend door geheel de kerk
laat bespeuren, speelt reeds in de verhevene ligging eene groote
rol,--Tertulliaan zeide reeds: de kerk moet hoog liggen. Gaat dus
opwaarts ter kerke, Sion toch ligt ook op eene hoogte, en klimt dan
met Salomon ten offer. [144]

Nog is de hooge ligging der kerk, voornamelijk aan de oost-en zuidzijde
zeer opmerkelijk. Ongetwijfeld echter vertoonde zich dezelve in
de eerste tijden na hare stichting nog meer verheven. Allengs
toch verhoogde men al meer en meer de straten, zoo zelfs dat het
in den tijd waarin wij leven, bij de arbeidslieden volstrekt geen
zeldzaamheid heet, een halve Ned. el diepte onder de tegenwoordige
straat nog eene geplaveide straat aan te treffen. De standplaats der
kerk bleef echter meer dezelfde, en daarom moet de opgang eertijds
nog aanmerkelijk hooger geweest zijn.



d. WIEN WAS DE KERK EERTIJDS TOEGEWIJD.

Het is ongetwijfeld ieder onzer lezers bekend, dat het bij de
roomschgezinden gebruikelijk is, kapellen en kerken aan zekere
heiligen toe te wijden, of, om den gebruikelijken term te gebruiken,
een heilige tot patroon der kerk te kiezen. Welnu, natuurlijk is zulks
ook met deze kerk het geval geweest en als van zelf doet zich dus de
vraag op: wie was de patroon van deze kerk?

»Men zegt", aldus vinden wij bij van Kinschot [145] aangeteekend,
»dat, eerst St. Willebrord en daarna de aartsengel Michiel de patronen
daarvan zouden geweest zijn."

Naar onze meening zijn voor het gevoelen van den eersten de volgende
redenen aan te voeren:

a. Dat St. Willibrordus eerste patroon der parochiekerk geweest is,
schijnt ons hieruit te blijken, dat hij in ons land het evangelie
verkondigd heeft, zijn standplaats Utrecht was en hij dikwijls in de
environs ging prediken.

b. Oudewater lag digt bij Utrecht. In dit oord woonde heidenen,
en het was door zijne waardlanden vooral ligt te genaken.

c. Aangenomen dus eens, en het wordt hoogst waarschijnlijk, dat
hij hier gepredikt heeft, dan zal men later, zich zijne prediking
herinnerende, na zijnen dood hem alligt tot kerkpatroon gekozen hebben.

d. Zekere torenklok,--die den volke het geheele uur verkondigt, is
aan twee zijden versierd met een bisschopsafbeelding, onder iedere
waarvan staat


    St. Willebrordus.


Ook dit doet aan zijn patronaat denken.

e. Van waar halen Kinschot en zoo velen de meening, dat deze ijverige
geloofsheld later de patroon zoude geweest zijn. Deze sage pleit
welligt nog het sterkst voor het algemeen gevoelen.

Doch moeten wij omtrent St. Willebrordus' patronaat nog eenigzins
twijfelachtig de schouders ophalen, bepaald weten wij, dat zulks
omtrent den aartsengel Michiel niet het geval is; wij gaan het
aantoonen.

Het feest eens kerk-patroons wordt bij de roomschgezinden met
plegtigheid gevierd en de opkomst naar de kerk van de leden eener
zoodanige gemeente, is op dien dag natuurlijk groot. Vreemdelingen
kwamen dan, vooral eenige eeuwen geleden, op dien dag hunne waren
ten verkoop aanbieden, en hierdoor ontstonden de kermissen.

Voor eenige jaren nu--stadgenooten weten dit--was alhier de
kermis-aanvang nog des Maandags na St. Michielsfeest [146] en alzoo
kan hieruit reeds met zekerheid St. Michiel als voormalige kerkpatroon
worden aangemerkt.



e. BOUWORDE EN CONSTRUCTIE VAN KERK EN TOREN.

De bouworde van beiden is, zooals met een oogopslag aan de spitsbogen
en versierselen te zien is, der schoone en symbolische gothiek gevolgd.

Wat hare constructie aangaat, zij zou eigenlijk verdeeld moeten worden
in drie voornamen klassen en wel:


    1. Hare oorspronkelijk constructie.
    2. Dezelve na de reformatie en,
    3. Na het jaar 1858 of zoo als zij zich nu vertoont.


Indien--en wij nemen aan het vrij exact te doen--indien wij de kerk en
haren oorspronkelijken staat in den geest bezochten, dan zouden wij
tevens haar beschrijvende, de symbolische beteekenis van het geheel,
zoowel als van hare onderdeden niet kunnen voorbij gaan, om dat het
gelijk een weefsel is en een geheel uitmaakt; de beperkte ruimte echter
waarover wij te beschikken hebben, is eene der redenen, waarom wij
het niet doen, te meer daar wij ook hiervoren reeds beloofd hebben,
zoo veel mogelijk uitsluitend op een meer geschiedkundig terrein
te blijven.



Als zoodanig dan stellen wij ons voor, de leemten eenigzins aan
te vullen, die de Heer van Kinschot, de constructie van de kerk
beschrijvende heeft gelaten, eenige der veranderingen aan te stippen,
die na zijnen dood de kerk onderging en de naamlijst der predikanten,
op zijn voetspoor te completeren tot op onzen tijd.



Op bladz. 30 en 31 [147] lezen wij omtrent hare constructie:

»De parochie kerk hier ter stede is al vrij aanzienlijk, en met twee
choren voorzien. Het eerste (was) aan het H. Sacrament, het andere
aan de H. Maria toegewijd...

»Zij staat kort bij en aan de rivier de IJssel, is van eene groote
ruimte, rustende op zestien pilaren in twee reijen verdeeld, en had
voorheen drie kruizen wulfsels, die in het jaar 1732 vertimmert zijn.

»In deze kerk hebben reeds vóór het jaar 1329 vier altaren gestaan,
zijnde toen door Diderik Kiel en anderen een vijfde daar bij gesticht,
waar bij nader mogelijk nog meerdere gekomen zijn, die met eenige
vicarijen en inkomsten voorzien werden."

»Aan den torenmuur is een kas van een groot oud orgel, wier deuren van
binnen met bisschoppen en andere roomsche geestelijken, in knielende
en biddende gestalte beschildert zijn.--Dit orgel, door deszelfs
oudheid onbruikbaar geworden zijnde, heeft men in het jaar 1645 een
kleiner naast den toren, ter zijde het oude geplaatst."



Was de geheele kerk, zoo als wij reeds ter neder schreven aan
St. Michiel gewijd, zoo werden echter ook de altaren, »naast den
almogenden Godt" aan zekere heiligen toegewijd.

De Heer van Kinschot maakt gewag van vijf altaren,--dit getal is echter
later minstens nog met een vermeerderd. Wij kunnen dit met zekerheid
bepalen, dewijl wij de verschillende namen dier autaars duidelijk,
als in deze kerk aanwezig geweest zijnde, hebben aangetroffen.

Laat ons het aantoonen.

De twee choren, zagen wij aan het H. Sacrament en de H. Maria gewijd.

Oude, in ons bezit zijnde pergamenten [148]--die wij ieder oudheid
minnaar met genoegen willen toonen--maken gewag van een St. Cornelis
autaer [149] en van een St. Jans autaer [150]. Zeker stuk [151] op
het gemeente archief aanwezig, maakt gewag van een St. Jacobs autaer
en het ten jaren 1329 door Diederik Kiel enz. gestichte, was ter eere
van den almogenden Godt en de H. Catharina. [152]

Van meerdere altaren dan de zes hier genoemde, vinden wij geen melding
gemaakt, en wij zouden die ook bezwaarlijk in onze gedachten in de
kerk te regt kunnen brengen.--Voor de zes genoemde wagen wij het.

1. Het hoofd-altaar (aan het H. Sacrament) bevond zich ongetwijfeld,
in de oostwaarts uitstekende groote nis of apside.

2. Daar naast stond volgens de sage, ter noordzijde van het
H. Sacrament altaar, insgelijks een autaar, dat volgens Kinschot aan de
H. Maria gewijd was en trouwens zeer in de geest der kerksymboliek is.

3. Een derde altaar zal hoogstwaarschijnlijk aanwezig zijn geweest
in de tegenwoordige catechiseerkamer, ten zuidoosten der kerk, te
meer daar wij ook met eenige zekerheid de voormalige sacristy daarin
denken.--Nog op dezen dag bezit die »kamer" een fraai gothisch gewelf.

4. Ook de tegenwoordige consistorie, ten noorden der kerk, waarin
ons insgelijks de gothische bouwkunst nog frappeert, zal een altaar
hebben omsloten.

5. Vroeger was de kerk een kruiskerk, zoo als gemakkelijk in Rademakers
kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden op het plaatje de
kerk en toren voorstellende, te zien is.--Het zuidelijk uitspringende
gedeelte is reeds lang verbroken, doch ook daarin denke men zich met
gerustheid een altaar--en ten

6. Bevond zich in de kerk, aan de westelijke zijde, nog een doopkapel
waarin welligt het St. Jans autaer zal aanwezig geweest zijn.

Laat ons bij het laatstgenoemde nog een weinig toeven.

Waarom nu mijne lezers stond daar aan de westelijke zijde zoo veel
mogelijk van het hoofdaltaar verwijderd de doopkapel?--Vele redenen
had men hiervoor o. a. deze.--De kerksymboliek gedoogde niet, dat de
nog ongedoopte kinderen, tot het eigenlijke kerkgebouw zouden toegang
hebben; heidenen als zij waren, werden zij dus westwaarts herwaarts
gebragt, om zoo te kunnen over gaan tot de rei der christenen,
die in de oude kerken toen meestal baden met het aangezigt naar het
mysterieuse oosten.

Zeer opmerkelijk waren de veelhoekige zijden dezer kapel en
voornamelijk was dit in haar dak op te merken--hoogst waarschijnlijk
was zij achthoekig--toen men dezelve in 1858 verbrak, speet het
ons later, dit toen niet te hebben nagegaan,--een steenen duif, het
symbool van den H. Geest, aan het gewelf vóór de afbraak aanwezig,
doet ons nog meer aan de doopkapel denken [153] te meer daar acht
stralen van de duive uitgaan.

Twijfelt men nog aan de waarheid, dat daar de doopkapel was, zie dan
nog meerdere gronden.

Uitgenomen, dat het nu al meer en meer duidelijk wordt, dat het
St. Jans autaar daarin aanwezig zal geweest zijn, te meer als wij aan
St. Joannes Baptist denken, die hier door St. Jan moet worden verstaan,
vond men bij het amoveren dezer kapel, in hare bevloering, ongeveer
drie palmen met zand overdekt, een fraai doopvont, van blaauwe steen;
in den omtrek was hetzelve achthoekig, hoewel het eene ronde vochtholte
bezat. [154]

Nadat wij u hebben opmerkzaam gemaakt op het getal acht in onze
doopkapel, vermelden wij u ook de symbolische beteekenis er van.

De meeste of liever vele doopvonten, geachte lezer, waren eertijds
achthoekig, omdat het getal acht, de acht zaligheden aanduidt en ten
tijde van St. Ambrosius was het reeds een symbool van 's menschen
wedergeboorte door het doopsel. Doch genoeg van de doopkapel, laat ons
nu nog de muur- en gewelf-schildering kortelijk onze aandacht wijden.

»Reeds ten tijde van Karel de Groote, was het beschilderen der
kerkwanden, met leerzame en stichtende beelden, bepaald voorschrift
en in de eigenlijke middeneeuwen lezen wij, dat, men in de kerken,
bijna geen enkele witte plek kon aantoonen. [155]"

Ook in onze kerk trof men ten vorige jare o. a. in de apsis, sporen
van muurschildering aan, zoo ook in de gewelven der doopkapel, doch
in beiden is men met zoo veel ruwheid te werk gegaan, dat men niets
hiervan heeft kunnen copieren.

Voorts bevonden zich nog voor de reeds meermalen genoemde reconstructie
aan de zuidzijde in het verwelf der kerk eenige wapenschilden met
een jaartal.

Het geheel had ongeveer de grootte van eene Nederlandsche el
breedte en lengte--eigenlijk waren de voornoemde wapens slechts
eenvoudige schilden, zonder strengen heraldische eigenschappen:
een dezer schildjes toch was beschilderd met metselaars, een andere
met timmermans een derde en vierde naar het ons voorkwam--het
was door oudheid onduidelijk--met smidsgereedschappen en
boogschutterswerktuigen. Het omschrift was in Gothische letters aldus:


                                 I H S

                              Maria Joseph


terwijl beneden de schilden stond:


                          ao dni xvc ende 111 [156]


Wat de beteekenis dier schilden aangaat, wij houden het er voor, dat
de afbeeldingen der gereedschappen van die verschillende bedrijven
zoovele gilden vertegenwoordigen,--en dat die gilden, de kosten
der gewelfschildering gezamelijk hebben bekostigd. Trouwens, dat de
gilden toch zulks meer deden a. m. D. g. hiervan zou menig voorbeeld
zijn aan te brengen. Nu wij dit dan weten, kan het, dunkt ons geen
verwondering baren, de gereedschappen huns bedrijfs op een verwulf
tot aandenken van hunnen Godsdienstigen ijver te vinden.

Neemt men nu wijders in aanmerking, dat wij in van Kinschots Oudewater
bladz. 31 lezen: »aan de toornmuur is een kas van een groot oud orgel,
wier deuren van binnen met bisschoppen en andere Roomsche geestelijken
in knielende en biddende gestalte beschildert zijn" enz., dan kunnen
wij bijna veilig bepalen, dat zich ook hier bijna »geen enkele witte
plek zal vertoond hebben."

De kunstkenner en kunstminnaar zal helaas echter bij een bezoek in
deze kerk niets meer van deze schilderingen aantreffen, alles wat
wij er van beschreven is verdwenen en spoorloos verdwenen. [157]

Van de oude orgels zelve, waarvan Kinschot gewaagt, is mede niets meer
te zien, doch onder eenige aanteekeningen ons van een vriendelijke
zijde geworden, vinden wij o. a. »De orgelkas en wapenborden in de
prot. kerk, die na de revolutie in 1795 van hun plaats zijn genomen,
werden, voor zoo ver zij niet door de eigenaars waren gehaald, den
29 Mei 1800 publiek verkocht!"

In 1838 werd echter weder een orgel aan de westelijke zijde der kerk
gebouwd, dat in hooge mate sierlijkheid met aangenaam toongeluid
vereenigt.

Dit orgel is vervaardigd door onzen bekwamen Rotterdammer de Heer
Kam--het is voorzien van twee clavieren en vrij pedaal terwijl zijn
geheel niet weinig tot verfraaijing der kerk toebrengt.

De ingangen der kerk ten tijde harer stichting waren de volgende:
twee aan den toren en wel aan de noord- en zuidzijde, zoo als nog te
bemerken is, hoewel zij niet meer gebruikt worden.

Voorts was er een aanwezig aan de zuidzijde der kerk, het portaal
daarvan is verbroken, doch de ingang bestaat nog--terwijl de ingang
ten noorden, eveneens nog in aanzijn, waarschijnlijk wel van hare
stichting zal dagteekenen. [158]

De tegenwoordige ingangen ten oosten, mag men volstrekt niet als van
hare stichting dagteekenende, beschouwen.

De beschrijving der vroegere en tegenwoordige gedaante onzer schoone
kruiskerk, mag ik niet eindigen, zonder aan de grafmonumenten van
eenigen de aandacht mijner lezers te hebben bepaald.

Het eerst laten ook wij in aanmerking komen, de grafmonumenten, van
wijlen onzen beroemde stadgenoot de Heer Rudolph Snellius van Rooijen.

Op de grafzerk, die eertijds zijne asche drukte, stond volgens
Rademaker [159] een Latijnsch en Duitsch omschrift, waarvan het
laatste aldus luidde:


                           Hier leit begraven
                     Rudolphus Snellius van Rooijen
                   in sijn leven Professor Matheseos
                     in de Universiteit van Leiden
                     sterft den 2 Maart Anno 1613. [160]


Naar wij vermeenen is deze steen thans verlegd en aanwezig in het
oostelijk gedeelte der kerk, in plaats van "in de noordzijde der
kerk in den 12 regel het 11 graf"--waar hij vroeger aanwezig was,
het zou dus later eenige verwondering kunnen baren zijne grafzerk
[161], in het oostelijk en zijn monument in het noordelijk gedeelte
der kerk aan te treffen.

Dit monument is wel der vermelding waardig--het is bevestigd
aan een pijlaar, van verschillenden marmersteen daargesteld, en
naar de Ionische bouworde vervaardigd, terwijl het geheel door 's
grooten geleerden wapenschild wordt gedekt en door weenende kinderen
vastgehouden.--Het volgende omschrift is daarin te lezen:


                             PIAE MEMORIAE
                                VIRI CL.
                       RUDOLPHI SNELLII A ROYEN,
                        PATRICII VETERAQUINATI;
                  QUI ANNO M. D. XLVII. V. OCT. NATUS
                           IUVENTUTIS PARTEM
                  DOCENDIS MARPURGI IN HASSIA LITERIS
                     ET ARTIBUS CUM LAUDE EXERCUIT,
                            AETATEM RELIQUAM
                           IN ACAD. LEYDENSI.
                   TUM MATHESEOS TUM HEBRAEAE LINGUAE
                      PROFESSIONE, CUM CURA, FIDE,
                        ET BONO PUBLICO EXEGIT:
                   BIS RECTORATU HONORIFICE FUNCTUS,
                       ILLmis. DUOBUS MAURICIIS,
                            PRINCIPI AURIACO
                         ET LANTGRAVIO HASSIAE,
                         OB ARTIUM QUAS AMABANT
                          PRAESTANTIAM CARUS,
                    TANDEM LEYDAE ANNO AETATIS SUAE
                       SEXAGESIMO SEXTO II. MART.
                       DEO ET NATURAE CONCESSIT.
                           HOC PATRIAE LOCO,
                     UBI CORPUS HUMARI IPSE VOLUIT,
                    MONUMENTUM QUOD PATRI DECREVERAT
                           FIL. WILLEBRORDUS
                 PATERNAE VIRTUTIS HAERES ATQUE DECUS,
                       EJUSDEM FILIUS RUDOLPHUS,
                         AVO PONENDUM CURAVIT.


(Luidende in 't Nederduitsch aldus:)

                    Ter Godvruchtiger Gedachtenisse
                    van den zeer Doorluchtigen Heer
                     RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROYEN;
                die, na geboren uit een adelijk geslacht
              te Oudewater in 't Jaar 1547 den 5 October,
                    daarna een gedeelte zijner Jeugd
              te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen der
               Talen en Kunsten met Lof besteed hebbende,
                   en het overige van zijnen Leeftijd
                     op de hooge School te Leiden,
                    als Hoogleeraar der Wiskunde, en
                   Oostersche Talen, met vlijt, trouw
                 en algemeen nut hebbende doorgebragt,
       na dat hij twee malen het Rectoraat met roem bekleed had;
                en de achting van twee doorl: Mauritsen:
                          den Prins van Oranje
                      en den Landgraaf van Hessen,
              om zijne uitmuntende kennis in die kunsten,
                  die hun vermaak waren, gewonnen had,
           eindelijk te Leiden, in den Ouderdom van 66 Jaren,
        op den 11 Maart, aan God en de Natuur den tol betaalde;
               heeft op deze plaats van zijne Vader-Stad,
               alwaar de overledene wilde begraven zijn,
           het gedenk- en Eereteken, het welk deszelfs Zoon:
                         WILLEBRORDUS SNELLIUS,
            Volle erfgenaam en Opluisteraar van zijns Vaders
               deugden, voor zijnen Vader hadt geschikt,
                    deszelfs Zoon RUDOLPHUS SNELLIUS
                 voor zynen Grootvader laten oprigten.


Op het zuider-choor, in den 4 regel, het 6 graf, stond voor ongeveer
drie jaren nog het volgende grafschrift. [162]


                           MORS JANUA VITAE.
       THEODORUS TROMPER GULIELMI CONSULIS FILIUS, VETERAQUINAS,
              PATRIAE A SECRETIS, CUM UXORE SUA MARGARITA
                ARMINIA, IMMORTALITATIS EXUVIIS SUB HOC
            SAXO DEPOSITIS, EXPECTANT RESURRECTIONEM. NATUS
           EST AO. M. DC. XXXII. DIE 25. APRILIS. OBIIT ANNO
           M. DC. LXXIII. DIE 7. MAII. NATA M. DC. XXXVI. DIE
            16 OCTOB. OBIIT ANNO M. DC. LXXVI. DIE 20 MART.


(Dat is:)

                    DE DOOD IS DE POORTE DES LEVENS.
Dirk Tromper, Zoon van den Burgermeester Wilhelm Tromper, Oudewatenaar,
     Geheimschryver van zyne Vaderlijke Stad, en deszelfs Huisvrouw
  Margariet Arminia verwachten hier, onder deeze zark, het Sterfelyke
     hebbende geeindigd, eene zalige opstanding. Hy werd geboren in
   't Jaar 1632 den 25 April: en stierf in 't jaar 1673 den 7 Mei. Zy
   zag het levens licht in 't Jaar 1636 den 16 October: en sloot voor
            't zelve hare oogen den 20 Maart des Jaars 1676.


Op het hooge- of midden Choor, in den 6 regel, het 6 graf, vondt men
op de graf-zark, dit opschrift:


                       DEO TRINO ET UNI OPT. MAX.
                                 SACRUM
                         ET AEVITERNAE MEMORIAE
                      ORNATISSIMI CORNELII JACOBI
                          VANDER HOEF J. V. L.
            QUI POSTQUAM SOSPES EX GALLIIS REDIISSET. PIE IN
             COMPLEXU MATRIS ET AMICORUM OBDORMIVIT, IPSIS
          KALENDIS MARTII M. DC. III. HIC RESURRECTIONIS DIEM
            EXPECTAT: VIXIT (DEMPTIS OCTO DIEBUS) ANNOS XXIV
            MARGARETA WILLHELMI, MATER DEFUNCTI. HOC MORTALE
              IMMORTALIS OBSERVANTIAE MONUMENTUM, DILECTO
            EHEU! FILIO, MAESTA CUM LACHRYMIS POSUIT' VIXIT
                 ANNOS XXIV. DIEB-, XIIX. MEN 9. [163]


(beteekenende in 't Nederduitsch, als volgt:)


              Den Eenen, Drievoudigen, besten en grootsten
                            God Toegewyd, en
                     Ter Eeuwige Gedachtenisse van
                     den zeer voortreffelijken Heer
                      CORNELIS JACOB VANDER HOEF,
                    Licentiaat in de beide Rechten,
Die, na dat hy uit Frankryk behouden was te rug gekomen, Godvruchtiglyk
  in de armen zyner Moeder en Vrienden ontsliep op den 1 Maart van 't
  Jaar 1603. en hier den dag der weder-opstandinge verwacht. Hy leefde
   24 Jaar min 8 dagen. Margareta Wilhelmsdr., des overledenen Moeder
   heeft dit verganklyk gedenkteeken van hare onsterfelyke liefde aan
   haren teeder beminden zoon, met betraande wangen, laten oprigten.
                   Leefde 24 jaar, 9 maand: 18 dagen.


Op het voorzeide hooge choor, in den 4 regel, het 3 graf, zag men
eertijds op eene grafstede uitgehouwen de onderstaande gedenkwoorden:


                           NOBILI AC STRENUO,
                        D. JOHANN GIBSON EQUITI,
                   APUD MAG. MAGNAE BRITANNIAE REGEM
                         MILITUM VICE TRIBUNO,
                     ET APUD INLUSTR. BELGII ORDD.
                              CENTURIONI.
                   B. M. CONJUX MAESTA M. H. L. M. Q.
                       J. P. EXCESSIT ANNO AERAE
                  CHRISTIANAE M. DC. XXXV. AETAT. LV.


(Dat is:)


                      Den Edelen en Dapperen Heer,
                        Johann: Gibson, Ridder,
                           Lieutenant Colonel
                         onder de legertroepen
               Van den grooten Koning van Groot-Britanje,
                        en Kapitein ten dienste
                   der Hoogm: Heeren Staten Generaal.
                    Des zelfs bedrukte Vrouw, heeft
                        haren Zaligen Gemaal met
       innige droefheid, en zoo als 't betaamde, dit gedenkteeken
                            Laten oprigten.
         hij Stierf in 't jaar 1635, volgens de Tydrekening der
                      Christenen, Oud 55 jaaren. [164]


Toen men echter in meergenoemde jaren de kerk vermaakte, werden wij
door het beitelen op de kalk eener pilaar aan de zuidzijde der kerk,
het volgende opschrift in gothische letters en cijfers gewaar.

Int jaer XVc en XXIIIJ op Sint-Jacobs dach, sterf heer Jan
Jacobz... Mert? † Int jaer M vierc ende LXXXI op St. Mathijs dach sterf
Dirck van Zijl † Int jaer XVc en XXIJ den XIIJe Junij sterf Daniel
van Zijl † Int jaer XV en IIII de XXVe Novembris sterf Jacob Huygz. †
Int jaer XVc en XIIII te XIIJe Novembris sterf Roelof Jacobzoen †
Int jaer XV en XXXVI op Sinte Bartholomeus dach sterf Claes Wouters †
Aecht Wouter Claeszoens weduwe sterf Ao XVc en IIJ (of IIIJ) den XIX
dach in Mei.

Vier wapenschildjes in de vier hoeken van den zachten steen uitgehouwen
voltooiden dit geheel.

Terwijl op den muur ten noorden der kerk het volgende zigtbaar werd.

Ao XVc de XXX te dach maert sterf Katrijn van Zijl.

Ao XV en XIJ den IJ te dach junij sterf Jan van Zijl.

An XVc en XVIJ den XVIII ten Junius sterf... [165]

Nog een aantal grafzerken zouden te beschrijven zijn, o. a. van
geestelijken, en ambtenaren van der stede Oudewater, doch waar te
eindigen, en waarom ons langer te bedroeven, over den vernielende
beitel des steenhouwers!



Bij het ten einde spoeden der schets van de constructie der kerk en
toren mogen wij onzen lezers niet onbekend laten, dat er in 1707 op
verzoek van de magistraat aan de Staten van Holland en Westfriesland
octrooi bekomen werd tot een loterij van f 600,000 tot redding en
zuivering van de stads- en der Godshuizen-lasten enz. (hieronder moet
men vooral ook aan de kerk denken). Terwijl in het jaar 1734 op 16
April van wege de Staten van Holland en Westfriesland octrooi werd
bekomen voor »Burgemeester en de Regeerders der stede van Oudewater
om tot reparatie van het orlogie Beijerwerk en Dak van hare kerk,
alsmede het orgel van dien, te mogen negotieren met vrijdom van alle
belastingen, de somme van achtien duizend gulden tegen de interest
van drie per cents 's jaars, en die te vinden bij parate executie,
bij een ommeslag van eene stuiver per Gulden van de huur waarop ieder
Huis bij het laatste quohier is getaxeerd, in 1 1/2 stuiver van ieder
koebeest, onder de parochierende districten.

Dit stuk nog op het archief berustende is voor de reconstructie der
kerk zoo belangwekkend, dat wij niet mogen nalaten onzen lezers er
copie van te geven.

»De Staaten van Holland en Westvriesland, doen te weeten, Alsoo ons
te kennen is gegeven by Borgermeesteren en Regeerders der Steede
Oudewater, dat het Orlogie, Beijerwerk en Dak van haare Kerk, als
mede het Orgel van dien ten eenemaal door ouderdom was vervallen en
ontramponeert, in soo verre dat de Supplianten tot voorkoming van
presente gevreesd werdende ongelukken genoodsaekt waren geweest een
vak van het te doen afbreken, ende tot maken van 't selve ontrent
Ses duysend Guldens aan kosten waren gevallen, dat de Supplianten
gaarne de verdere nodige reparatien soude doen, waartoe soude werden
gerequireerd nogh de somme van ontrent Agtien duysend Guldens, dog dat
der Kerks nogh der Stads Finantie in Staat was, om soo veel Capitaal
te konnen opbrengen, dat vervolgens de Supplianten hadde geprojecteerd
die somme te ligten by negotiatie op Lyff Renten, ende de Renten van
dien te vinden uyt het inkomen van meergem. Kerk, en 't geen daar
aan te kort soude mogen komen, bij omslag over de Inwoonders van
Oudewater voorn. en Parochieerende districten van dien, dog dat sy
Supplianten aan de eene syde bedugt waren, dat die somme beswaarlyk
soude te bekoomen syn, ingeval de beleggers konde denken dat haar
Capitalen met eenige 100e., 200e, minder Penningen in tyd ende wylen
soude werden belast; ende aan de andere syde dat de te doene omslag
veel oppositie soude vinden, ten ware de Regeering van Oudewater
daar toe door ons wierde gequalificeert, waarom de Supplianten te
rade waaren geworden sig te keeren tot ons, ootmoediglyk versoekende
dat wy aan de Supplianten geliefden te permitteeren op Lyfrenten te
negotieeren de somme van Vier en Twintigh Duysend Guldens, ten lasten
van de Kerk van Oudewater, ende aan die Capitalen te vergunnen vrydom
van alle belastingh, hoe deselve ook soude mogen werden genaamd,
dat wy wyders de Regeering van Oudewater in der tyd geliefde te
authoriseeren en qualificeeren, om de Renten van 't meergem. Capitaal,
voor soo verre uit de Revenuen van de kerk niet soude konnen werden
geconsequeert, te mogen vinden by een Personeele omslag over de
Inwoonders van Oudewater en parochieerende districten van dien,
Jaarlyks na proportie van derselver middelen te doen, en soo van het
een als van het ander te verleenen acte in forma. SOO IS 'T, dat wy
de saaken, en het versoek voorsz. overgemerkt hebbende, en genegen
weesende ter beede van de Supplianten naar ingenoome Consideratien
en advis van onze Gecommitteerde Raden, uyt onse regte Wetenschap,
souveraine Magt en Authoriteyt de supplianten hebben geoctroyeerd en
gepermitteerd, gelyk wy deselve octroyeeren en permitteeren by desen,
omme ten lasten van haare Kerke op Losrenten ten hoogsten tot Drie
per Cento Jaarlyks te mogen negotieeren een Capitaal ten belopen
van Agtien Duysend Guldens toe, met vrydom van alle belastingen,
hoedanig deselve ook souden mogen syn genaamd, Authoriseerende en
Qualificeerende verders de Supplianten en derselver successeurs
in officio, om voor den tyd van dertigh Jaaren, jaarlyks, soo tot
betaling der Intressen en aflossing van het voorsz. te negotieeren
Capitaal, als om daar uit ook te konnen vinden de Stads Lasten,
dewelke uit het Jaarlyks inkomen voor het geheel niet konnen werden
goedgemaakt, te mogen heffen en by parate Executie, ten lasten van
den gebreekigen vorderen eene stuyver van de gulden van de huure
der huysen, op de voet soo als die huure genomen en gereguleerd syn,
by het laast geformeerde Quohier der Huysen van alle de Ingeseetenen
van de Stad, mitsgaders van alle de opgeseetenen van het Platte Land,
onder de Stad en Parochieerende districten behoorende, geen Koehouders
zynde, mitsgaders van alle de Koehouders, ten Platten Landen aldaar,
in welkers opzigt de bovengemelde belastingh niet wel soude konnen
werden geintroduceert, een en een halve stuyver van yder Koebeest,
twee en meer Jaaren oud synde, het welke ten tyde der Jaarlykse
opschryving aan de Pagters van de Hoorngelden sal werden opgegeven:
alles nogtans onder deeze Expresse Conditie, dat telkens als 'er gelde
sullen nodig syn, tot het onderneemen van het een of ander werk aan der
Supplianten kerk, en 't geene daar toe behoord, daarvan alvorens sullen
moeten kennis geven, aan onse Gecommitteerde Raaden voornoemd, gelijk
ook gem. negotiatie sal moeten geschieden, met derselver kennisse en
goedvinden, dat de meergemelde Negotiatie, en omslag  met het geene
daar toe behoord sal moeten geschieden by de Supplianten de derselver
successeurs in officio sonder daar voor eenig salaris te mogen brengen
ten lasten van de Stad of van de Kerk, direct of indirect: Dat wyders
het voorsz. te negotieeren Capitaal van Agtien Duysend Guldens ten
lasten van de kerk sal moeten werden afgelost in twintigh Jaaren,
en eyndelyk sullen de Supplianten en derselver Successeurs gehouden
syn alle Jaar, wegens dese negotiatie en het geene daar toe behoord
te doen behoorlyke Reekening aan Gecommitteerde uyt de Magistraat en
Vroedschap, mitsgaders aan Kerkmeesteren in der tyd, en die 't Jaar
voor de Reekeningh in dienst syn geweest, gelyk de Reekeningh van de
Kerk altoos werden gedaan; en binnen veerthien dagen na dat deselve
sal zyn gedaan, daar van Copye Authentycq over te geven aan onse
Gecommitteerde Raaden, op poene van dat de Supplianten of derselver
successeurs ontrent het een of het ander in gebreeken blyvende,
het effect van dit ons verleende Octroy sullen komen te verliesen.

Lastende een yder die dit aangaan sal, sig hier na te reguleeren.

Gedaan in den Hage onder onze Groote Zeegelen hier aan doen hangen
op den 16 April in 't Jaar onzes Heeren en Zaligmakers Zeeventhien
Honderd Vier en Dertigh.


(Was geparaphreert) J. G. V. BOETSELAAR, vt.

(Lager stond) Ter ordonnantie van de Staaten,
en was getekent WILLEM BUYS.


Ingevolge deze magtiging nu, heeft de kerk veel van hare
oorspronkelijke constructie moeten afstaan.

Alvorens tot het onderzoek naar de oudheid der kerk,--het beschrijven
harer bediening en het opsommen der bedienaars over te gaan, zij het
ons vergund een korte schets van



DE GEDAANTE EN DE KLOKKEN DES TORENS

te geven.

De toren is aan den voet--en wel aan de westzijde zooals wij reeds ter
neder schreven, voorzien met duifsteen en voor het overige van rooden
gebakken steen opgetrokken--dezelve is met drie stagien voorzien
en heeft een aantal gothische versierselen, terwijl zij de gedaante
heeft van een domtoren.--

De heer van Kinschot zegt, bladz. 39, dat er in Friesland vele torens
van zoodanig een maaksel gevonden worden, en zooals het hem toeschijnt,
heeft in oude tijden, op deze toren een spits gestaan, terwijl hij zich
om zijn gevoelen te staven, beroept op de afbeelding dezer stad, in
het »toneel of beschrijving der steden van Holland door M. Z. Boxhorn."

Zelfs hebben wij nog een plaatje omstreeks 1672 vervaardigd, en
een gezigt op deze stad moetende voorstellen, waarop de toren met
een spits voorzien is.--Doch, dat er na 1610 een spits op den toren
geweest is, gelooven wij niet, eveneens zooals anderen meenen, dat
de bouw des torens niet is voleindigd, en dat men hem daarom met
een nok en zonder spits heeft voltooid;--en wel hierom. De toren in
het tooneel van Boxhorn komt voor in een platte grond dezer plaats,
zijn geheel is omstreeks een nederlandsch duim groot, dus de spits
ongeveer drie streepen.--De vervaardiger heeft er machinaal, gelijk
wij zullen aantoonen een spitsje opgezet, denkende zulks op een toren
te moeten zijn.

In het grootere plaatje, dat wij van deze stad bezitten omstreeks
1672, komen zoo vele ongeloofwaardigheden en misstellingen voor,
dat wij het reeds daarom niet kunnen aannemen.

Doch, (en dit maakt beide plaatjes tot onware voorstellingen,) wij
hebben in ons bezit eene teekening van den toren Ao 1610, uit de zeer
geloofwaardige plaatjes van Rademakers kabinet van Nederlandsche en
Kleefsche oudheden, en hierop komt den toren voor, zooals hij zich nu
nog vertoont, met dezelfde nok met twee kruizen--aan het plaatje van
Boxhorn omstreeks 1632 en het andere ongeveer 1672 mogen wij volstrekt
ons geloof dus niet schenken. Ook de schilderij, op het stadhuis,
voorstellende de moord in deze plaats door de Spanjaarden in 1575,
doet den toren zonder spits zien.

Indien wij dus Stoops schilderij hieromtrent mogen gelooven, (en wij
doen het,) dan moet de tijd, dat er op den toren eene spits geweest
is, tot voor 1575 opklimmen.

De meening, dat de torenbouw niet geheel volgens het aanvankelijk
plan is voltooid, is niet zoo gemakkelijk te wederleggen; wij kunnen
omtrent de torenhoogten in het algemeen slechts aanvoeren, dat men
het zich in de tijden waarvan deze kerk heugt, veel al ten pligt en
regel stelde, de toren zoo hoog te maken als de kerk lang was.

Neemt men nu in aanmerking, dat lengte en hoogte hier vrij wel
accorderen, dan zou men ook aan het laatste met eenige zekerheid
mogen twijfelen.--Ten slotte zouden wij daarbij nog kunnen aanvoeren,
of dan al de torens in Friesland, waarop de onze volgens de heer van
Kinschot zooveel gelijkt, allen in hunnen bouw niet voltooid zijn,
of allen mogen verondersteld worden met spitsen te zijn geweest,
dit is immers niet aan te nemen.

Uit een en ander mogen wij dus opmaken, dat de toren zooals hij nu
zich vertoont, de originele gedaante daaromtrent zal hebben behouden.



Doch genoeg hiervan, wijden wij nog onze aandacht eene wijle aan de
torenklokken, die over het algemeen in onzen tijd eveneens een punt
van scherpzinnig onderzoek voor de geleerden uitmaken.

De klokken, die wij bij het bestijgen van den toren, het eerst
ontmoeten, zijn de luiklokken, doorgaans de groote en kleine klok
genoemd: de groote is toegewijd aan de H. Maria, zooals wij uit
het volgende omschrift kunnen opmaken, dat in gothisch schrift is
aangeduid.


Sancta * Maria * virgo * intercede * mi * toto * mundo * quia *
genuisti * regem * orbis * anno * domino * m * ccccc Johannes * Moer *
me * fecit.


Dat is:


Heilige maagd Maria wees mijne voorspraak, omdat, gij den Koning der
wereld, (tot heil) der geheele wereld hebt voortgebragt.


Door mij Johannes Moer is, (deze klok) vervaardigd, jaar des heeren
vijftien honderd.

De kleine luiklok is, daar zij te hoog voor eene opmerkzame
beschouwing hangt, niet geheel door ons kunnen worden nagezien.--Van
het gotisch schrift, is ons het jaartal MCCCCCXI alleen duidelijk
voorgekomen.--Beter was natuurlijk het volgende in latijnsche letters,
daar van na te schrijven.


                     Ego sum via, veritas ac vita. [166]


dat is:


                Ik ben de weg, de waarheid en het leven.


Het gothisch omschrift en de fraaije versierselen van de reeds
meermalen aangehaalde Willebrordusklok, die het geheel uur slaat,
zijn mede tot onze groote spijt, door hare gevaarlijke plaatsing
slecht te beschrijven.

Nog treffen wij op den toren aan de brandklok, doch deze is, vergeleken
bij de vorige, van veel jonger dagteekening even als de klokken van
het carillon, die meest allen door Gerardus Both vervaardigd zijn,
zooals uit hunne omschriften te zien is. [167]



OUDHEID DER KERK.

»Wanneer en door wien deze kerk gesticht is," schrijft de Heer
Kinschot, »blijft onzeker, doch men vindt bij het orgel, aan eene
pijlaar het jaartal 1003 met oude letters, die waarschijnlijk het
jaar van derzelver stichting aanduiden." [168]

Dikwijls hebben wij naar die pijlaar en die oude letteren gezocht,
doch, indien wij in aanmerking nemen, dat er in 1838 een ander orgel
gebouwd is, kan het ons niet verwonderen, dat beiden verdwenen
zijn. Wij zullen echter eenige redenen aanvoeren, waarom ook wij
meenen, dat de stichting van 1003 heugt en alzoo het »waarschijnlijk"
van van Kinschot tot eenige meerdere zekerheid brengen.

Uit de geschiedenis der middeneeuwsche kerkenbouw, mijne lezers,
weten wij, dat het volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde,
als men soms eene of meerdere eeuwen vooral op kleine plaatsen
over kerk en toren bouwde; trouwens, men wilde in die tijden,--in
groot contrast met tegenwoordig, als men meest »ligt en digte"
praalkerkjes bouwt--men wilde in die tijden, een trotsch, een schoon
en verheven gebouw daarstellen,--dan lag men eerst den grondslag van
den westelijken toren en de oostelijke apsis, en wat men zelf niet kon
en dacht te voltooijen, dat liet men over aan het nageslacht, te doen,
dat het deed, zoo schoon en met zóóveel sijmbolische aanduidingen als
men kon aanbrengen, ter eere van Hem, die eenmaal daar binnen zoude
vereerd worden.

Brengen wij nu, de »waarschijnlijke" oudheid der kerk in verband,
met hetgeen wij reeds vroeger schreven, nl., dat de plaats waarop de
kerk gesticht werd, eertijds een heidensch kerkhof was, dan wordt die
waarschijnlijkheid reeds iets minder, de kerk immers nam ook na zijnen
dood den Christen binnen hare muren, of in haren omtrek--in de schaduwe
harer transen--op, en waar kon men veronderstellen beter te rusten,
dan daar? Doch vooral de duifsteen, nog aan het benedengedeelte der
toren aanwezig, en waarmede de kerk aan haar beneden omtrek voor ruim
50 jaren nog was omzoomd, de duifsteen waarmede men voor 2000 jaren
reeds bouwde, doet ons met eenige gemoedelijke overtuiging denken,
dat het jaartal 1003 het jaar der kerkstichting zal zijn.

Neemt men nu wijders in aanmerking de trage voortgang harer bouw,
dat Oudewater in 1265 reeds tot stad werd gemaakt en het factum,
door van Kinschot vermeld, dat er reeds voor (hoe lang) het jaar 1329
vier altaren in de kerk aanwezig waren, dan wordt het gevoelen van
het jaar harer stichting--1003--al meer en meer aanneembaar [169],
doch, dit dan waar zijnde, dan mag Oudewater zich beroemen, binnen
zijne muren te hebben, een der oudste kerken van Nederland.



BEDIENING DER KERK.

»De (bediening der) pastorie wierdt van oudts door den deken van
Oud-munster van Utrecht, en, den paus beurtelings verschonken,
het recht van vicarissen benoemen, ging bij overdragt en de burgers
stelden den kerkbewaarder (koster) aan, volgens voorrecht van Graaf
Aelbrecht van Beijeren dd. 28 Mei des jaars 1400. [170]

»Sedert de geloofshervorming, behoort de kerk van Oudewater onder het
classis van Gouda en Schoonhoven, welke tot Junij des jaars 1578 onder
het classis van Dordrecht geweest is.--Twee Predicanten bedienen thans
(1746) de Gereformeerde gemeente.

»In het jaar 1647 echter werd op raad van de Heeren Gemagtigde Raden,
om de zwaarte van den dienst, en uitgebreidheid der parochierende
districten, een derde predikant toegestaan, doch ter aanhouding
van de Regering der stad Gouda te gelijk bepaald, dat ingeval eene
kerk mogt worden opgericht in het dorp van Goverwellensluis, dat
alsdan de jongste predikant, in de kerk van Oudewater dienstdoende,
als predikant in de kerk van het voorz. dorp zoude worden [171]
gebruikt. Doch sedert het jaar 1721, is die derde predikants-plaats
weder niet meer vervuld, dewijl de stad door onmagt en verval, de
gewoonlijke stadswedde des predikants niet langer konde opbrengen
en betalen. Zulks om de twee predikanten te gemoet te komen in de
dienst bij de Staten van Holland, werd overeengekomen, dat, door de
kerkeraad onder approbatie van den magistraat zoude worden beroepen,
een persoon tot ziekentrooster, catechiseermeester en nog een tweede
tot schoolmeester en voorzanger, beide onder toevoeging van der staten
[172] wedde te zullen genieten. [173]

»De kerkenraad bestaat uit twee predikanten, vier ouderlingen en
vier diakenen, welke bij het ledig zijn eener predikants plaats,
de beroeping van een anderen predikant doen, doch het drietal, moet
zoowel als het beroep, aan de beslissing der magistraat, ter al of
niet aanneming worden aangeboden."

Zoo stond het met de bediening der kerk, tijdens de Heer Kinschot;
(1746) doch het is noodig, dat wij de veranderingen daarin sedert
aangebragt, kortelijk aanstippen:

Wel is Gouda nog de classis waaronder de kerk behoort, wel wordt zij
nog door twee predikanten bediend en is het getal der diakenen nog
vier, doch de hoeveelheid ouderlingen is sedert vele jaren met een
vermeerderd en alzoo op vijf gebragt.

De gekozen drietallen, en door den kerkeraad beroepen predikanten,
behoeven voorts niet meer den magistraat ter approbatie worden
voorgelegd.

De ziekentroosters en catechiseermeesters, worden insgelijks in onze
dagen, hier ter plaatse niet meer benoemd, daar de predikanten,
de bediening als zoodanig, weder op zich hebben genomen en op het
gehucht Goejan-verwelles-sluis eindelijk, werd ten jare 1845, een
aan de protestantsche eerdienst gewijde kerk gesticht, waarvan de
bediening niet op den jongsten predikant alleen rust, doch om beurten
wordt waargenomen, door de twee leeraars der Hervormde gemeente uit
deze plaats.

Het beheer van de bezittingen der kerk, is opgedragen aan het collegie
van kerkvoogden.



i. BEDIENAARS DER KERK.


Vicarijen en Vicarissen.

Zoo als wij reeds opgemerkt hebben, stonden er eenmaal in de kerk reeds
voor 1329 vier altaren.--Uit het testament van Diderik Kiel, weten wij
nog, dat hij in laatstgenoemd jaar aan de vier toen bestaande altaren,
een jaarlijks inkomen van vier ponden, te weten aan ieder autaar een
heeft gemaakt.

Voorts heeft hij met zijne erfgenamen, en eenige andere personen,
die in den brief der stichting uitgedrukt staan, »ter eere van den
almogende Godt en van de H. Catharina" in de kerk een nieuw autaer
gesticht, en zekere inkomsten daaraan geschonken. Het recht van de
Vicarissen te benoemen, hebben de gemelde erfgenamen aan zich behouden,
zoodat, uit kracht van hunne voorstelling, nog binnen hetzelfde jaar
1329 de eerste vicaris aan 't voornoemd autaar werd:

1. Gerardus Pes, een onderdiaken.--In het jaar 1366 heeft meergenoemde
Kiel, het recht van een vicaris voor te stellen aan den Ridder Gerrit
van Vliet, en deszelfs erfgenamen voor eeuwig en altijd geschonken.

In 1427 vinden wij als vicaris van hetzelfde altaar.

2. Willem die Rode, een priester.

Als deze vicarij later overgebragt was, op het altaar van het
Hoogwaardigste Sacrament, is zij Ao. 1515 bekleed, door den
Weled. geb. Heer

3. Floris van Vliet.--Na den dood van Heer Floris in 1537, is zij op
voorstel van Gerrit van Woerden, heer van Vliet en Bochorst (die toen
het beschreven regt had) opgedragen aan

4. Meester Adriaan Christiaanse van Oudewater, priester. Aan het
gemelde altaar van het H. Sacrament was ook eene vicarij gesticht ter
eere van de H. Maria, dewelke in het jaar 1529 door Jan van Woerden,
heer van Vliet ter bekleeding gegeven is, aan

5. Diderik, die op dien tijd te Leuven studeerde.

De vader van dezen Diderik, die een burger van Oudewater was
en Amelgerius heette, heeft de inkomsten dezer vicarij met een
jaarlijksche rente vermeerderd.

In het jaar 1400 heeft Gerrit Wiel, een werelds persoon op zijne ziel
gezworen, dat de bewijsbrief, die het autaar van den almogenden God
en de H. Maria toebehoorde, door den watervloed bedorven en vernield
was. Sommigen echter zijn van meening, dat voor ruim 50 jaren de
originele brief nog hier aanwezig was.

Hij (Wiel) heeft echter al de bezittingen, tot het gemelde altaar
behoorende aangewezen, en een voor een met name uitgedrukt, niet
alleen, doch ook nog met eenige bezittingen vermeerderd.

In het jaar 1403 heeft Laurens Diderikse Rampen, het recht van
de vicarij van het autaar der H. Maria, met alles tot dat recht
behoorende, opgedragen en overgedaan aan den HoogEd. Heer Gerrit van
Vliet en deszelfs nazaten. [174]

Voorts kunnen wij niet onvermeld laten, dat nog op den 12 Julij
1384 door Pons Pietersse en Machteld zijne huisvrouw eene vicarij op
het autaar van de H. Maria en St. Jan Baptist gesticht is, die door
bisschop Florentius van Utrecht bekrachtigd werd.

Voorts vinden wij nog gewag gemaakt, van

6. Heer Christiaen Reijersz, vicaris van St. Jans-autaer van
Oudewater. Van welken tijd dit echter is, kunnen wij niet met zekerheid
bepalen daar wij dit, op het in ons bezit zijnde document niet
aangeteekend vinden. Zie hier mijne lezers de namen van vicarissen,
die ik heb kunnen ontdekken.



j. R. C. GEESTELIJKEN IN DE GROOTE KERK.


In het jaar 1329 vinden wij gewag gemaakt, dat pastoor van Oudewater
was de Heer

1. Johan Pellekussen.

Anno 1403 werd deze pastorie bediend door

2. Bartholomeus Janse. [175]

3. Johannes van Bueren was in 1416 alhier pastoor, tevens was hij
proost van St. Marie van Utrecht en proost te dezer stede. [176]

4. Dirk Ponss was priester in Oudewater Anno 1465.

5. Henderik Henderikse was hoogstwaarschijnlijk alhier priester in
1515, ten minste op de bewaarplaats der oude stedelijke archieven,
berust de originele acte waarbij Heer Henderik Henderikse, priester,
overdraagt aan het Gasthuis van Oudewater een viertel land, gelegen
op de noordzijde van Linschoten, tegen eene jaarlijksche uitkeering
van vijftien Rijnsche Guldens, naar inhoud van den brief door
Gasthuismeesters hen daarvan gegeven dd. 29 October 1515.

6. Jan Ottoszoon was alhier in 1537 onder-pastoor. Deze hoewel onder
de priesters in dienst bij de kerk in 1543 en 1544 niet genoemd
wordende, was toen alligt in geestelijke bediening bij het nonnen-
of bagijnenklooster, doch later nog in dienst der kerk geweest.

In het resolutieboek van den magistraat dezer stad 1 Julij 1584 vindt
men het volgende aangeteekend--den erfgenamen van Heer Jan Ottosz wordt
volgens hun lieder bescheid van dato 28 Januarij 15.? toegelaten het
erf van patershuis, kelder en alle reliquien van het convent tot hen
lieder behoef te mogen gebruiken, aanvaarden enz. enz.

In het jaar 1542 was pastoor der kerk de Heer

7. Loeffridus van der Haar, die naar Utrecht vertrok en aldaar nog
in 1577 leefde. [177]

Uit de rekeningen van Getijdemeesters 1543 en 1544 schijnt te blijken,
dat de bediening der pastorie omstreeks dien tijd ook is waargenomen
door den reeds onder de kleine reeks vicarissen aangeduiden priester.

8. Adriaan Christiaanse elders Kerstens.

Voorts bleek nog uit de originele rekeningen van Getijdemeesters
der kerk annis 1543 en 1544, dat hij in dien tijd eerste en oudste
pastoor was.

9. Jacob Jacobse, alhier begraven zonder aanduiding van jaartal of
dag. [178]

Zooals ons de doodregisters doen zien, waren in of kort na 1544 nog
in bediening der kerk de navolgende geestelijke heeren.

10. Govert Gerritse, alhier zonder aanduiding van jaartal begraven.

11. Jacob Bonser, naar men meent gesproten uit een oude familie
van Oudewater.

12. Bartholomeus Florisse in 1574 alhier begraven.

13. Gerrit Sijbertsz begraven in of iets voor 1574.

14. Cornelis Jacobse.

15. Willem Jacobse (werd begraven 1592.)

16. Cornelis Gerritse.

17. Cors Reijersz.

18. Hendrik Geerlofse, deze laatste drie waren kapellanen als
noodhulp--(Geerlofse werd begraven in 1595.)

19. Simon Janse.

20. Geerlof Gerritse.

21. Dirk Amelgersz. [179]

In 1566 was pastoor te dezer plaatse.

22. Theodorus Aemilius. Niet onwaarschijnlijk was hij de laatste
pastoor in de kerk onzer beschrijving en daarin ook de eerste
predikant, hoe het echter zij, wij zien stellig op de naamlijst van
predikanten dezer plaats, bij van Kinschot vermeld, genoemde Aemilius
als pastoor en eerste predikant voorkomen.

Als zeker mogen wij echter nog niet aannemen, dat dadelijk na het
omhelzen der protestantsche beginselen door Aemilius, de kerk voor
de protestantsche eerdienst werd gebruikt, en hij dus dadelijk
als openbaar hervormd leeraar daarin mogt optreden, omdat wij bij
een aantal Nederlandsche geschiedschrijvers en ook bij van Kinschot
bladz. 234 het volgend voorval lezen, toen de Spanjaarden in 1575 de
stad belegerden.... »Zulks deszelfs bezettelingen, als zich nu met
een wisch ontzet vleijend, en daartoe door hunne Hoplieden zijnde
aangezet, als uitgelaten bachanten zoo naar de Hoofdkerk als de
kapellen dier stad vlogen, alwaar zij zich van de kruissen, kerkvanen
en onderscheidene kerkelijke plegtgewaden der roomsche geestelijken,
meester maakten, en met allen dien bekomen toestel, op en rondom
de wallen dier stad, op de manier der roomsgezinden een nagebootsten
ommegang [180] maakten onder het gestadig uitjouwen, der voor de plaats
gelegerde Spanjaarden, tot derzelver zeer ongemeene verbittering en
door die weer tot geen mindere aanprikkeling ter wraakneming, wegens
dezen hoon hun godsdienst aangedaan, bij eenen landaart maakten,
die gelijk ieder van de bij die volken in zwang zijnde inquisitie
[181] weet, zulks nooit, zonder deswege allerschrikkelijkst wraak te
nemen ongemerkt zal laten voorbijgaan."

Uit dit verhaal maakt men dus eenigzins de opmerking, dat de kerk nog
niet der hervormde eerdienst zal gewijd geweest zijn, toen men in 1575
vóór de moord er de kruizen, vanen enz. uitnam, en, dat de kerk voor
der katholijken en protestanten eeredienst beide gediend heeft, even
als St. Jacobs kerk van Utrecht, hiervan vonden wij geen spoor. [182]



PREDIKANTEN.

1. Theodorus Aemilius 1566, was eerst pastoor en is later als predikant
naar Utrecht vertrokken.

2. Huig Dirksz 1574--vertrokken naar Gouda in 1575.

3. Johannes Gelasius (Vitriarius genoemd) alhier vermoord in de
spaansche troebelen Ao. 1575.

4. Laurentius Copicanus 1578 vertrokken naar Leiden 1579. [183]

5. Chistianius Sinapius Venlo 1578--hij werd beroepen van Dordrecht
en vertrok naar Medenblik in hetzelfde jaar 1578.

6. Abraham Jansz. werd beroepen van Vlaardingen 1583, vertrok naar
Montfoort 1586.

7. Simon Johannes Groeninganus beroepen 1586.

8. Andreas Stangerus 1589, heeft zijne dienst alhier geeindigd den
3 Mei A. 1608.

9. Adrianus Wittius werd beroepen als Proponent 1601.

10. Johannes Lydius, is van Arlanderveen den 11 April 1602, in de
dienst dezer Kerke getreden, stierf 1643.

11. Levinus De Raad, werd beroepen van Ridderkerk 1608, en vertrok
naar Haastrecht 1617.

12. Fredericus Abbema, 1619, is den 5 Aug. 1636 Emeritus verklaard,
behoudende den rang en zyne wedde.

13. Gibbo Theodori âb Eerst, is beroepen van Schoonderwout 1636,
en Emeritus verklaard 1668.

14. Cornelis Molswyk, kwam als Proponent 1645, en stierf 3 October
1656.

15. Johannes Valkius, voor Derde Predikant beroepen van Cockengen,
1648, vertrok naar Amersfoort 1658.

16. Casparus Velthuysen, werd beroepen van Ouwerkerk aan den Yssel
den 27. October 1658 in plaats van Ds. Joh. Valkius, en stierf 1674.

17. Henricus Rynsdyck, beroepen van Pynaker 1657, vertrokken naar
Amsterdam, aldaar bevestigd den 9 January 1667, en overleden den 6
Maart 1689.

18. Simon of Samuel Gruterus wierd beroepen van Ysselmonde 1667,
los gemaakt, als beroepen te Haarlem, den 22 November 1669, en stierf
aldaar Emeritus 1705.

19. Theodorus Gibonis âb Eerst, is beroepen van Meerkerk Loco Patris
Emeriti 1668, en zelf Emeritus verklaard 1698.

20. Johannes Vereycken, is beroepen van Wormerveer 1671, en gestorven
1674.

Na eene langdurige Vacature van twee plaatsen, zijn beroepen:

21. Casparus Wagtendorp, uit de Nieuwpoort beroepen den 3 Julij 1675,
in de plaats van D. Casparus Velthuysen, alhier overleden, vertrokken
naar Breda 1680.

22. Johannes Rulicius, beroepen van Berkel, den 31 July 1675 in de
plaats van D. Johannes Vereycken, alhier overleden, vertrokken naar
Haarlem 1681, stierf aldaar den 22 Mei 1696.

23. Johannes vander Horst, beroepen van Willige Langerak den 16
December 1680, in de plaats van den vertrokken D. Casparus Wagtendorp,
gestorven 1687.

24. Arnoldus Brantius, beroepen van Berg-Ambacht, in de plaats van
Ds. Johannes Rulicius, den 22 Maart 1685, gestorven 1712.

25. Otto Brand Swalmius, beroepen van Overschie den 26 Januarij 1689,
in de plaats van den overledenen D. van der Horst, vertrokken naar
Enkhuyzen 1693.

26. Wilhelmus den Appel, beroepen van op den Bommel den 1 February
1694, in plaats van den vertrokken D. Otto Brand Swalmius, overleed
1713.

27. Isaäk Hazeu, beroepen van Voorhout den 21 Augustus 1698, in
de plaats van D. Theodorus Gibboni âb Eerst, Emeritus, insgelijks
Emeritius verklaard 1714.

28. Cornelius Houthoff, beroepen van Haastrecht Januarij, 1713, na
vijf maanden verblijf vertrokken naar Dordrecht, en van daar naar
Amsterdam 1719.

29. Johannes de Wildt, beroepen van Oirschot den 14 September, 1713,
in de plaats van den vertrokken Ds. C. Houthoff, gestorven den 24
Sept. 1738.

30. Johannes Voss, beroepen van Claaswaal, den 14 September 1713,
in plaats van den overledenen D. Wilhelmus den Appel, stierf den 6
Augustus 1746.

»Bij Resolutie van de Staten van Holland en Westfriesland van den
21 Junij Ao. 1741. werd D. J. Voss, vermits zyn zwakheid en verval
van levensgeesten, van de H. Dienst geëxcuseerd, tot ter tijd zijn
Eerw. mogte hersteld worden, Salvo honore et Stipendio."

31. Daniel Bedber, beroepen van Schalkwyk den 27 Maart 1714, in de
plaats van Isaäk Hazeu, verklaard Emeritus--Los-gemaakt naar Alkmaar
den 10. November 1715.

32. Wilhelmus Mesch, beroepen uit den Hitzert den 24 Maart 1716,
in de plaats van den vertrokken D. Daniel Bedber, overleed den 8
Januarij 1721.

33. Albertus Heshusius, beroepen van Vreeland den 19 Maart 1739,
in de plaats van den overledenen D. Johannes De Wildt, vertrok naar
Haarlem, en heeft zijne afscheids-reden gedaan den 3 April 1741.

34. Johannes Marinus Costart de la Morasiere, beroepen uit den
Nieuwpoort den 28. Maart 1741, in plaats van den vertrokken D. Albertus
Heshusius; hij heeft zijn intrede predicatie gedaan 7 Mei 1741 † 1768.

35. Johannes Ernestus Jungius, beroepen van Dalfsen den 4 October
1741 tot derden predikant--ter oorzake van zware ongesteldheid van
Ds. Johannes Voss. [184]

36. Adrianus Ploos van Amstel beroepen van Oud-Loosdrecht den 14
Julij 1744, in plaats van den vertrokken Ds. Johannes Ernestus
Jungius--bevestigd 15 November 1744 en overleden 1762.

37. Jacob van Kampen beroepen van Kedichen Ao. 1763, in plaats van
Ds. Ploos van Amstel, vertrokken naar Rhenen 1774.

38. Ds. van Beuningen Noordbeek beroepen van Polsbroek, is alhier
overleden.

39. Hermanus Zwavink, beroepen van Heer Jansdam, is te dezer plaatse
overleden, den 7 Maart 1800.

40. Johs. van Nuijs Klinkenberg, beroepen van Overschie Ao. 1775. Anno
1776 vertrokken naar Deventer en van daar naar Amsterdam.

41. Antonie Kuyper, beroepen van de Wormer 1776 vertrokken naar Delft
1779 van daar naar Amsterdam.

42. Corns. Jan van Seist, beroepen van Wilnis 1779, vertrokken naar
Delft 1780.

43. Dideribus Hermanus van Rossum van Wilnis beroepen 1780 vertrokken
naar Delft 1788.

44. Petrus Theodorus Avink du Prê, beroepen van Zuilen 1788, naar
Hoorn vertrokken 1790.

45. Johannes Bekking, beroepen van Schipluiden 1791 en overleden 1809.

46. Jacobus Roeloffs (in plaats van den onder Nr. 39 genoemden en
overleden H. Zwavink) is beroepen van Streefkerk in 1801 en overleden
in Maart 1825.

47. Matthias Johs. Römer, (in plaats van den overledenen Ds. Bekking),
beroepen van Wognum en Wadweide 4 Junij 1809, overleden 15 Julij 1821.

48. Jacobus Hendrik Tol, in plaats van den overleden M. J. Römer;
beroepen van de Meern, intrede gepredikt 6 October 1822, vertrokken
naar Kampen in Februarij 1825.

49. Michael Adrianus Jentink, in plaats H. J. Tol.--Beroepen van
Vinkeveen Anno 1825.--Intrede gepredikt 7 Augustus 1825.--Vertrokken
naar Harlingen 24 Julij 1831.

50. Gerardus Steenhoff in plaats van de overleden
Jac. Roeloffs--beroepen van Jutphaas 1826.

51. Apollonius Cornelis Lorentz, in plaats van Michiel Adrianus
Jentink--proponent in 1832 en overleden alhier in 1845.

52. Hermen de Vries, in plaats van den overleden
A. C. Lorentz--beroepen van Heikop en Boekop in 1846, vertrokken naar
Leeuwarden 1851.

53. Jan Pieter de Keyser, in plaats van H. de Vries--beroepen van
Noordeloos 1851, vertrokken naar Arnhem 1852.

54. George Philip Kits van Heyningen, in plaats van Jan Pieter de
Keyser.--Beroepen van Rijsoord en Strevelshoek in 1852, vertrokken
naar Deventer 1855.

55. Johannes Marcus Kolff, in plaats van G. P. Kits van Heyningen,
beroepen van Odijk in 1856.

Tot hiertoe mijne lezers strekt der predikanten-lijst in dezen tijd,
zoodat de bedienaars van de kerk onzer beschrijving nu zijn de
Eerw. Heeren Gerardus Steenhoff en Johannes Marcus Kolff.



Nog iets over de kerk zelve.--Is het dus nu niet te betreuren, nu wij
eenigsints meer bekend zijn geworden, met deze grijze eerwaardige kerk,
dat men bij het herstellen derzelve, (dat nu en dan hoog noodzakelijk
was), zoo weinig acht heeft geslagen,--voornamelijk in de voorgaande
eeuw--om de oorspronkelijke constructie te behouden. Wanneer zal
men het toch beter leeren begrijpen, wat de Gothiek is en hoeveel
aestetisch gevoel een schoone gothische kerk bij ieder moet opwekken,
die zelfs slechts weinig van deze verheven bouwkunst begrijpt!

Doch niet alleen in Oudewater, in verreweg de meeste plaatsen van
Nederland is men met de meeste onverschilligheid met het herstellen
der oude kerken te werk gegaan. Is dit voor de pen van een minnaar
der gothiek soms wat streng, dan zullen wij een deskundige citeren.

»Het is mij niet bekend" zeide op de algemeene bijeenkomst van de leden
der maatschappij »tot bevordering der bouwkunst" op 23 Junij 1854 de
ervaren Rotterdamsche architect de Heer W. N. Rose »Het is mij niet
bekend, dat er ergens een gebouw uit de middeleeuwen bestaat, dat in
een volledige toestand van onderhoud is gebleven; hetgeen men veranderd
heeft, is niet verbeterd; de herstellingen zijn of gebrekkig geweest,
of zijn geschied geheel tegen den stijl van het gebouw, hetgeen
uit het oogpunt van de kunst beschouwd, met eene langzame slooping
gelijk staat.--En het is treurig te moeten bekennen, dat dit nog
dagelijks plaats grijpt, en wel het meest die groote en merkwaardige
voortbrengsels der kunst treft, die onze steden tot sieraad konden
verstrekken en waarvan het schoone, het eerwaardige en het verhevene
van den gothischen stijl het krachtigst te voorschijn komt."

Doch mijne lezers, al is nu deze kerk geen kruiskerk meer, al tooit
zich niet meer muur noch gewelf--zooals nog de protestantsche kerk
in Naarden--met schoone beschilderingen, al maakte men ingangen, waar
deze met haar geheel niet harmonieren, al bekalkte men hare eerwaardige
muren van buiten met Portlandsche cement en al verplaatste en verhakte
de steenhouwer de grafzerken, om daaraan eene meer onderling gelijke
gedaante te geven, de zerken, die dus nu niet meer de assche dekken
van hen, wier namen er nog op uitgedrukt zijn, [185] nog is de kerk
schoon, nog heeft men stoffe in overvloed, om zich personen en zaken
van het grijs verleden voor den geest te tooveren.

Personen en zaken?--Zeker mijne lezers, of komt het niet bij u
op als gij u binnen hare grijze muren bevindt, hoe dikwijls de
manhafte poorters daar zich hebben verootmoedigd voor hun Hemelheer,
en kracht en moed gesmeekt, zich waardiglijk tegen een even dapperen
vijand te verdedigen, hoe dikwijls de verwulven het stemgeluid der
Godsdienstleeraars hebben opgevangen en teruggekaatst, van hunne
hoogte tot in het soms blijde, doch ook soms bedroefde gemoed mijner
medeburgers! Wie somt het op, hoe menigmaal de tranen gevloeid zijn,
van grijsaard en kind, van echtgenoot en vader, van bruidegom en
verloofde op de kille grafmonumenten, die de asche dekken, van
diepbetreurde dooden, wier zerken ons nog zoo dikwijls wij de kerk
betreden, zoo somber het memento mori als toeroepen.



Doch wij nopen u met ons het kerkgebouw te verlaten, want wat zoude
het ons baten steen voor steen te ondervragen, de sombere en plegtige
stilte van het Godshuis wordt niet onderbroken door eenig wederwoord,
het statig gebouw zwijgt en blijft zwijgen.

En nu wat dunkt u geachte lezer, was het wel te veel, toen wij om
oudheid en schoone bouwtrant het eerst de aandacht voor kerk en toren
verzochten? De kerk staat daar zoo plegtig en de toren verheft haren
nok nog zoo fier gedurende zoovele eeuwen! Nog bestaat er van buiten
eenheid, en beiden--al maakt het een vreemd contrast, de kerk bekalkt
en de toren nog ongesmeurd te zien--, beiden immers dragen zij de
onmiskenbare sporen der schoone gothiek, beiden nog bezitten zij
eene menigte spitsbogen, waardoor genoemde bouworde zich insgelijks
onderscheidt, die spitsbogen waarin de vrolijk tjilpende zwaluw lustig
haar kunstig nestje van IJsselklei bouwt, vanwaar zij uitvliegt naar
omhoog in den blaauwen aether om voedsel op te doen, voor zich en de
haren! ach, de mensch vindt bij het zien eener gothische kerk zooveel
stoffe tot nadenken!

En weder wie vreemdeling is in deze plaats, en haar eenmaal mogt
bezoeken, hij zal zich eenige minuten der beschouwing van kerk en
toren gewijd niet beklagen.

Indien wij nu de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen,
die binnen Oudewater staan of gestaan hebben, naar derzelver oudheid
vervolgden, dan moesten wij noodzakelijk den draad der kerkelijke
gebouwen afbreken en het natuurlijk gevolg daarvan zoude zijn,
dat de orde, die wij ons aanvankelijk voorstelden, er door lijden
moest. Alzoo zullen wij doorgaan eerst de reeks kerkelijke gebouwen
tot den tegenwoordigen tijd te beschrijven, doch om dit met te meer
vrucht te doen, is het allernoodzakelijkst, hoewel noode, de aandacht
eerst kortelijk te bepalen op



DE UITOEFENING DER R. C. EEREDIENST BINNEN OUDEWATER, NA 1575 TOT
1705-1709, EN DE GEESTELIJKEN DIE HIER LEERAARDEN.

Na de inname der veste door de Spanjaarden in 1575, is het gemakkelijk
te begrijpen, dat de uitoefening der roomsche Godsdienst aan geene
belemmering zal onderworpen zijn geweest, en de kerk, al was de
protestantsche leer daarin reeds voor 1575 gepredikt, zij toch door
de Spaansche bezettelingen weder zal gebruikt zijn geworden tot
uitoefening hunner eerdienst. Het gelukte echter in het volgende jaar
aan den onverschrokken van Zwieten en de zijnen, wederom de stad voor
Oranje te overrompelen, en van dien tijd ongeveer, kunnen wij veilig
aannemen, dat de parochiekerk in het ongestoord bezit der hervormden
zal geweest zijn.



Wat waren helaas de gemoederen verbitterd in het woelige tijdvak onzer
beschrijving, ach! zij die steeds vrienden waren, verkeerden aldra niet
zelden in openbare vijandschap, de teederste banden, die van minnende
echtelingen, van ouders en kroost, van familien en aanverwanten,
werden soms wreed vaneen gereten, en eene betreurenswaardige wrake
verving eene zoete vriendschap en genegenheid. En van waar de laakbare
stemming? Ach mijne lezers! ook Oudewater voedde in zijnen boezem
de giftige slang van geloofs- en godsdiensthaat, en wel zoo, dat het
de betreurenswaardigste gevolgen met zich sleepte. Hadde men helaas
beter begrepen, dat het geloof van protestant en katholijk beide een
waren in het Goddelijk gebod van naastenliefde, en toch werd het in
dien tijd, door beiden zoo ongelukkig verbroken.

Gelukkig echter na het woeden van den genoemden storm in al zijne
woestheid, verminderde zij allengskens, tot er eindelijk een vrij
dragelijke ruste aan den horizont lichtte. En het moest alzoo
geschieden, want de mensch ging in de ontrolling der drie laatste
eeuwen vooruit, met rassche schreden vooruit, op de schoone bane
van stoffelijke en geestelijke beschaving. Hierdoor begon hij het
ongerijmde, het den christen vernederende der geloofshaat in te zien,
en nu.... nu in onze welgeordende maatschappij, onder het bestuur van
Nederlands beminden derden Willem, zijn alle burgers van Nederland
gelijk voor de wet, onze volks-vertegenwoordigers toonen meest allen te
begrijpen, wat de negentiende eeuw van hen vordert, wat de verlichte
mensch uit dien tijd wil; en de vruchten dier vooruitgang? Tuigt het
mijne lezers, hoe schoon zij zich openbaren op iedere plaats van het
gezegende Nederland.

In de eerste tijden dan na den moord door de Spanjaarden, in de
kleine veste zoo mededoogenloos uitgevoerd, konden de roomschgezinden
hunne Godsdienst naar willekeur nog in het openbaar uitoefenen; in
die vrijheid echter konden zij zich niet zeer lang verheugen, daar
reeds van den 5 September 1578 een placaat bestaat op de vicarijen
en geestelijke bezittingen, alsmede de uitoefening der roomsche
eeredienst.

Spoedig mogten zij nu niet meer hunne religie in het openbaar
uitoefenen. Wij vinden ook in dien tijd geen pastoor, als hier verblijf
houdende en voor het algemeen leerarende, in eenig document aangeduid.

Zoo stonden de zaken, toen in 1614 de roomsche geestelijke Baaks
of de later zoo beroemde Johannes Wachtelaar, doch waarschijnlijk
meermalen beiden, voor het eerst in stilte, begunstigd door het
nachtelijk duister, de mis celebreerden, ten huize van den poorter
Jan Willemse Copper. [186]

Naar wij bijna met zekerheid kunnen vermelden, bleef men het huis van
dezen steeds als punt van bijeenkomst houden [187], en kwamen er van
tijd tot tijd, de weg gebaand zijnde, andere geestelijken, alhier de
gemeente bedienen. Zoo weten wij, dat in 1615 en 1616 alhier kwamen
prediken de Heer Ægidius, die opgevolgd werd door deszelfs broeder
Thomas, doch kort daarna vertrok.

In 1620 was alhier als priester werkzaam zekere pater Jacobus Tyras
genaamd, een Antwerpenaar van geboorte. Lector in de theologie te
's Hertogenbosch, zond zijn overste hem in 1620 naar Holland als
missionaris, en Oudewater, 's Gravenhage, vervolgens de omstreken
van Hoorn en Enkhuizen, waren getuigen van zijnen ijver. Eindelijk
kwam hij op aandrang der catholijken binnen Hoorn, rigtte daar eene
bidplaats op en was de eerste missionaris, die op bepaalde plaats en
tijd de roomschen vereenigde en de diensten met plegtigheid verrigten
mogt. Zoodanige vorderingen in de uitoefening zijner Godsdienst
moesten evenwel duur gekocht worden, daar Tyras bij zijne komst te
dezer plaatse, den kerker tot verblijf werd gewezen en dezelve in
Hoorn insgelijks drie maanden moest betrekken. Hij stierf te Hoorn,
3 September 1638 en werd in het choor der groote kerk begraven. [188]

Na dat den weg door Tyras tot het uitoefenen zijns geloofs, al meer
en meer bereid was geworden, was het Modestus Stevens Senk, die
het eerst het herderschap in het openbaar op zich nam. Harderwijker
van geboorte, was hij bij leeraar in de roomsche theologie, tevens
kanunnik van Deventer. In zijne geestelijke bediening het opzigt gehad
hebbende over de Veluwe, heeft hij daarna de gemeenten van Oudewater
en die van IJsselstein bediend, gelijk hij zelf in een brief van de
geestelijkheid aan Jacobus Bool getuigt. Bij de gemeente van deze
plaats bediende hij tevens nog Linschoten, Weerden, Roozendaal enz.

Nader werd hij in ballingschap verzonden en is te Keulen, alwaar hij
tot president van het Hollandsch collegie aangesteld was, overleden,
den 5 Julij 1654. [189]

Op deze is gevolgd in 1626 of 1627, Johannes Bekom, een Utrechtenaar en
Lincenciaat in de Godgeleerdheid, deze is echter naar Delft beroepen.

Tijdens Bekom echter nog alhier verbleef, kwam ook hier de eerste
pater der Jezuiten, Ludovicus Soutien. Tot dusver was er echter
nog geene kerk voor het uitoefenen hunner eerdienst, doch wij kunnen
veilig aannemen, dat de in het begin dezer eeuw verbroken kerk aan het
Heilig leven gebouwd of ingeruimd is, tusschen 1626 en 1640 tot het
publiek uitoefenen dier godsdienst. Eenigen tijd is hier ook geweest
als priester Johannes Kuisten, die daarna naar Raanburg vertrok.

Ook de Heer Nicolaas van Hee, moeten wij onder de geestelijken
dezer plaats noemen. Hij was geboren te Polsbroek volkomen Bacelier
in de Godgeleerdheid en is alhier gestorven of begraven op den 21
April 1673. Als orde-geestelijke was pater Houtman van den genoemden
pater Soutien opvolger, zoodat wij van nu aan in Oudewater een reeks
wereldlijke priesters en een reeks orde-geestelijken of paters moeten
vermelden, hierdoor ontstonden dan ook twee gemeenten en tengevolge
van dien, twee kerken, de eerste: de paterskerk zagen wij, reeds op
het Heilig leven en de tweede de kerk voor de wereldlijken priesters
verrees aan de markt. [190]

In de beschrijving door H. v. R. bladz. 334 vinden wij nogthans ook
vermeld, dat naar luid van een brief van Philippus Rovenius anno 1650,
Jacobus Houtman, daar als noodhulp genoemd wordt bij pastoor Van Hee
[191]. Hoe het zij, dit althans weten wij zeker, dat de twee kerken in
1667 en 1668 bestonden. De doopregisters immers dier beide gemeenten
zijn nog in aanzijn, die van de kerk aan de markt, dagteekent van 4
Mei 1667 en die van het Heilig leven, van den 12 November 1668.

»Na Van Hee, is gevolgd zeker Heer Gillis, wiens opvolger wederom
geweest is Adrianus Overgow [192] ten zijnen tijde weder was noodhulp
zekere Johannus Duc van Montfoort en successivelijk nog meerdere,
doch hunne namen laten wij achterwege. In Overgows plaats is
gekomen de Heer Hugo Hoofd, een Montfoortenaar, doch Hoofd werd naar
Amsterdam beroepen en Overgow keerde weder naar zijne pastorie binnen
Oudewater. Hier had hij eerlang voor de pastorele rechten te kampen,
tegen pater Paulus Oosternijk, een Jezuit en zendeling alhier. De
pater beweerde, dat de pastoor niet bevoegd was om de katholijken
der omliggende dorpen te gaan bedienen. Doch nadat de Heer Hugo van
Heussen de stukken onderzocht en de getuigen gehoord had, heeft hij
den pater het proces tegengewezen.

Onder de geestelijken die de Roomsche eerdienst alhier hebben
waargenomen, moet nog genoemd worden, pater Rollandus Daniels, doch
door vertrek van dezen naar elders is er eenige schorsing in de
geestelijke dienst op het heilig leven geweest, immers wij kunnen
dit opmaken uit de doopregisters, die in 1705 eindigen en in 1709
wederom beginnen.

Omstreeks voornoemde tijd, was pastoor aan de marktkerk de Heer
Johannes Chrysostomus Vijfhuizen, een Hagenaar. In de Hervormde
Godsdienst opgevoed zijnde en langen tijd geleefd hebbende, omhelsde
hij later het Roomsche geloof. Nadat hij hier en daar als noodhulp
had gestaan, werd hij door den Bisschop van Sebaste naar deze
plaats geschikt, om de ingezetenen en gemeentenaren uit den omtrek
te bedienen.

Deze pastoor Vijfhuizen was het, die de beginselen van de eerdienst der
bisschoppelijke Clerizie toe gedaan zijnde, ook zoodanig een gemeente
alhier stichtte en na vruchtelooze pogingen, tot het aankoopen van
een huis waarin hunne Godsdienst uit te oefenen, zijn zij in het
bezit gebleven van de kerk aan de markt, tot op dezen tijd.

De naamlijst van Roomsche geestelijken, der twee kerken, die wij
tot hiertoe dooreen ter neder schreven, moet dus, nu het kerken
zijn, waarin verschillende eerdiensten worden uitgeoefend, onder
afzonderlijke rubrieken voorkomen.



ROOMSCH CATHOLIJKE ORDE-GEESTELIJKEN AAN HET HEILIG LEVEN.

Anno 1709 was pastoor aldaar de eerw. heer Johannes de Ruyter,
minderbroeder, die op den 20 Februarij 1725 overleed en tot opvolger
had zijn kapelaan in hetzelfde jaar.

1725 Alexander de Neve, die den grooten tol aan de natuur betaalde
den 28 Augustus 1767, en opgevolgd werd door deszelfs kapelaan in

1767 met name Franciscus Rogiers, deze den 14 Februarij 1781 overleden
zijnde, kwam in zijne plaats in

1781 Lambertus Lem, die onder Rogiers, zijn kapelaan was. Pastoor Lem,
die in 1796 den 29 November stierf heeft tot kapelanen gehad:

a. Johannes Augustinus Moorman die den 27 December 1784 overleed.

b. Henricus Marselus ontslapen den 27 November 1790.

c. Michael van de Ven.

d. Johannes Schenk, die tweede adsistent was.

De opvolger als pastoor voor den eerw. Heer Lem, die in 1796 overleed,
was nog in hetzelfde jaar de reeds genoemde Michael van de Ven, die tot
aan zijn dood (23 Mei 1809) de pastorale betrekking bekleedde. Nog in

1809 werd hij opgevolgd als pastoor door zijnen kapelaan Johannes
Schenk,--door zijn overlijden echter, werd in

1814 als pastoor dezer gemeente benoemd Christianus Florus, die reeds
sedert Anno 1809 kapelaan was bij pastoor Schenk; deze pastoor is
alhier overleden op den 2 Mei 1852 na 43 jaren als priester in deze
gemeente te zijn werkzaam geweest. Gedurende zijn ambt van pastoor
alhier heeft hij de volgende kapelaans gehad:

a. Gerardus Schouten † 2 Maart 1829 in deze gemeente--hij werd in
die betrekking opgevolgd door

b. Josephus Wilhelmus van Ewijk, die van hier als pastoor naar Bommel
is vertrokken op den 2den Junij 1834. Na dezen is alhier als kapelaan
gezonden

c. Antonius Franciscus Ranshuizen, die van hier als kapelaan naar
Hoorn vertrok den 11 Oct. 1835 en opgevolgd werd door

d. Henricus Theodorus Loninck, die uit dezen plaats den 14 Nov. 1849
als kapelaan vertrok naar Rotterdam en in wiens plaats is gekomen

e. Wilhelmus van Asveldt, die als kapelaan naar Haarlem ging den 4
Junij 1851; zijn opvolger was [193]

f. Fredericus Stephanus Kraaivanger, die van hier als kapelaan naar
Leiden vertrok den 24 Mei 1853.

Nog in hetzelfde jaar van het overlijden des eerw. heeren Florus
(1852) is alhier als pastoor gezonden Franciscvs Schreurs die als
pastoor naar Coevorden ging den 31 Mei 1853 en in

1853 wierd opgevolgd door Alexander Matthias Balthasaar  die tot
kapelaan had sedert 5 Junij 1853 Stephanus Ignatius Rooters.

De eerw. Heer Balthasaar is van hier vertrokken als pastoor der Mozis
en Aaron kerk van Amsterdam in het jaar

1854 als wanneer hij opgevolgd werd als pastoor door den eerw. heer
Johannes Henricus Dierhoff, die deze pastorie tot op dezen dag,
met zijn kapelaan den eerw. pater Stephanus Ignatius Rooters bedient.



GEESTELIJKEN DER BISSCHOPPELIJKE CLERIZIE DER KERK AAN DE MARKT.

Anno 1700 Johannes Chrysosotimus Vijfhuizen, die alhier in 1729
overleed en opgevolgd werd in

1729 door pastoor Hubertus de Vos, in wiens plaats Ao.

1768 kwam de eerw. heer pastoor Theodorus van Hagenouwe die van hier
in 1797 vertrok en na 1814 in Oosterhout is overleden.

In 1797 was pastoor Godefridus Spruyt van Schiedam naar hier
gekomen. Achtereenvolgend heeft hij tot kapelanen gehad, de Heer H. de
Jong die van hier als pastoor naar Gouda vertrok en P. van Wijk die
van hier ging om de pastorie van Hilversum te bedienen (die beiden
daar nog in bediening zijn.)

Pastoor Spruyt van zijne pastorie afstand gedaan hebbende, is elders
gaan wonen, en in

1813 opgevolgd door Franciscus Johannes Guddee, die van Hilversum
naar hier is gekomen en overleden is den 3 Augustus 1854 na 41 jaren
in zijne gemeente te hebben geleeraard [194]. Tijdens zijne ziekte
is als noodhulp alhier geweest de eerw. heer C. A. Harderwijk die nu
pastoor van Culenborg is.

1854. De eerw. heer Henricus Theodorus Verhoeff, bedient sedert het
voorschreven jaartal nu de kerk aan de markt.



De oude kerk der Roomsch Catholijken.

Volgens de Heer van Kinschot was dit kerkje der beschouwing van binnen
waardig.--Uit een zekere bron weten wij echter, dat het buiten meer
gelijkenis met op een schuur dan op een kerk gehad heeft.--Hoewel
deze kerk insgelijks zooals nog de tegenwoordige aan het Heilig leven
stond, was hare standplaats echter niet zoo digt aan de Kapelstraat
als de tegenwoordige:



De tegenwoordige kerk der Roomsch Catholijken.

Zij heeft even als de twee vorige zeer weinig aanzien, dat voor een
kerk-dicteert, twee ingangen verschaffen den gemeentenaren toegang
in dezelve, de eene van uit de Kapelstraat de andere langs het Heilig
leven; haar van de laatste zijde naderende, kan men in den gevel het
volgende in hardsteen uitgehouwen opschrift bemerken


               HAEC DOMUS DOMINI AEDIFICATA Ao. MDCCCIII


dat is:


                  Dit huis Gods, is gebouwd Ao. 1803.


Bij het binnentreden bemerken wij dadelijk, een zonderlinge
constructie, zelfs zoo, dat niet het minst bij de bouwing aan symboliek
schijnt gedacht te zijn, gothiek is er trouwens geen stip aanwezig. In
deze kerk bevind zich 1 altaar, dat niet oostwaarts gerigt is,
doch op fraaiheid aanspraak mag maken, de communiebank wordt als een
meesterstuk van beeldhouwkunst geroemd; zij bestaat echter slechts uit
gedeelten van de communiebank uit eene kerk van IJsselstein. Zijn wij
wel onderrigt, dan heeft men die eertijds aldaar publiek geveild en
bij die gelegenheid welligt voor spotprijs alhier aangekocht. Het orgel
heeft een clavier is zonder pedaal en onaangenaam van toon. Het jaartal
van zijn bouw, alsmede de vervaardiger zal men er niet op vinden.

Om in de behoeften der steeds grooter wordende gemeente te voorzien,
heeft men voor eenige jaren de kerk vergroot, zoodat er zich nu een
groot getal gemeentenaren in kunnen vereenigen. De harmonie in het
gebouw toen nog aanwezig, heeft echter zeer veel door dien herbouw
geleden.



De kerk der Bisschoppelijke Clerezie.

Dit kerkje, dat zich nog in wel onderhouden toestand bevindt, is zijn
beziens van binnen om zijn fraaiheid niet onwaardig, het heeft echter
eveneens slechts een altaar, het orgel heeft slechts een clavier
en bezit geen pedaal, het is zwak, en niet zeer aangenaam van toon
terwijl vervaardiger noch jaartal op hetzelve uitgedrukt staan. De
oudste patroon van deze kerk is St. Michiel; doch door de opheffing
der gemeente van Polsbroek in 1842 toen ook de bezittingen der kerk
aldaar aan die onzer beschrijving gekomen zijn, is St. Johannes den
Dooper, die patroon van de kerk in Polsbroek was, als tweede patroon
alhier aangenomen.

Van buiten zou men bezwaarlijk eene kerk in dit gebouw herkennen,
ware het niet, dat aan haren ingang, een houten kruis was aangebragt,
waarop het volgende te lezen staat:


                          IN HOC SIGNO VINCES


dat is:


                  Door dit teeken zult gij overwinnen.


Om op eenige volledigheid te kunnen aanspraak maken, mogen wij niet
onvermeld laten, dat wij nog ten vorige jare een locaal in zeker
huis hebben bezigtigd, staande op de have niet ver van de markt [195]
waarin, naar ons werd medegedeeld, eertijds--eveneens ter sluiks--de
Mennonieten bijeenkwamen om hunne eerdienst uit te oefenen.--De
zekerheid, dat het Mennonieten waren durven wij echter niet uitmaken,
doch bepaald, konden wij aan eenige versieringen nog bemerken, dat
er eerdienst in uitgeoefend is.

De christelijk afscheidenen in deze plaats woonachtig, vergaderen
tot het uitoefenen hunner godsdienst, in zeker woonhuis [196] op het
Roodzand, dewijl de gemeente hier niet zoo vele leden telt, dat er
eene kerk gesticht worde en een predikant aangesteld om haar geregeld
te bedienen.

De Israeliten die hier gedomicilieerd zijn, bezitten--eveneens om
hun gering aantal--geen Synagoge, daarom vergaderen zij in plaats
daarvan sedert een aantal jaren in een woonhuis [197] staande op
de Korte donkere Gaard. Hun aantal is zelfs zoo gering alhier, dat
zij bij sommige gelegenheden genoodzaakt zijn, Israelieten van eene
andere plaats te ontbieden, om naar eisch hun feest te kunnen vieren
en uitoefenen.



En hiermede mijne lezers is de beschrijving van de reeks kerkelijke
gebouwen ten einde, wij noodigen u nu eerst, met ons weder eenige
eeuwen terug te gaan, daar de beschrijving der geestelijke gestichten
die hier eertijds in zoo ruime getale aanwezig waren, ons toeft.

Bij die beschrijving, zullen wij ons ten regel stellen, eerst de
geestelijke gebouwen enz. te beschrijven, om daarna tot de gestichten
over te gaan, die ontstonden, uit bijzondere en algemeene kosten tot
liefdadig doel.



Het voormalige klooster der zusteren van Sinte Lijsbeth of van
St. Agnes in Oudewater.


AANKOMST EN EERSTE BIJZONDERHEDEN DEZER ZUSTEREN ALHIER. LIGGING VAN
HET KLOOSTER.


»Wij hebben" zegt de heer van Kinschot, op bladzijde 58 zijner
beschrijving van Oudewater, »met zekerheid ontdekt, dat hier een
klooster van de zusteren van Sint Lijsbeth van de derde orde, even
als in 's Gravenhage geweest is; doch, geen het minste overblijfsel
daar meer van overig zijnde, kunnen wij alleen ten bewijs aanhalen,
den voorrechtsbrief, door Hertog Philips, als Graaf van Holland op het
verzoek van eenige geordende geestelijken, op den 17den van Lentemaand
des jaars 1452 aan dezelve gegund, waarnaar zij zich voegen, schikken
en gedragen moesten."

Genoemde schrijver is al zeer karig met het mededeelen van
bijzonderheden, omtrent dit convent, en het »bewijs" van derzelver
bestaan in Oudewater door hem aangevoerd, mogen mijne lezers niet
als zoodanig aannemen, aangezien deze zusters in 1452 niet meer in
deze plaats aanwezig waren; doch loopen wij onzen tijd niet vooruit,
wij zullen deze zaak later van zelf opgelost zien.



In de beschrijving van het naburige Schoonhoven door H. van Berkum,
vindt men de aankomst der zusteren alhier, aan het hoofd dezes
aangeduid, vermeld. De oorzaak, dat zulks in de beschrijving van
Schoonhoven te vinden is, ligt hierin, doordien voornoemde conventualen
van Schoonhoven naar Oudewater zijn gekomen. Zien wij dus, wat van
Berkum daaromtrent heeft geboekstaafd.

»Van het klooster [198] van sinte Lijsbeth, en van de Beggijnen
of Sustern, op de oude Haven, moet men geen twee kloosters maken,
gelijk ik ergens gevonden hebbe, het was er maar een, onder deze
verscheidene namen bekend.

»Het regte jaar van deszelfs stichting is mij onbekend; in het
jaar 1375, was er niet, als één klooster te Schoonhoven dat der
Carmelieten; het is zeker, dat in het jaar 1399, er al twee woningen
voor geestelijke vrouwspersonen waren, die van de susters op de oude
Haven, en die van St. Agnes in de koestraat, waaruit in dit voornoemde
jaer (1399) susters gestuurd werden naar Oudewater.

Het zal mijne lezers nu welligt duidelijk zijn, waarom wij
hiervoren ter neder stelden, dat de geestelijke dochters, òf
zusters van St. Lijsbeth, òf van St. Agnes zullen zijn genoemd
geweest, eene verwarring hoogst waarschijnlijk ontstaande, doordien
haar klooster of beter hare orde naar St. Lijsbeth was, en hare
bidkapel aan St. Agnes gewijd geweest zijn zal, of omgekeerd. Deze
zelfde verwarring verbeterde reeds hiervoren de Heer van Berkum in
Schoonhoven, en daarbij weten wij immers zeker, dat het St. Ursala
convent in Oudewater, waarover wij later breedvoerig zullen schrijven,
eveneens zijn naam verschuldigd is, aan de patrones van de kapel
der conventualen, die naar den derden regel van St. Franciscus
leefden. [199]

Als aanleidende oorzaak nu, waarom deze zusters uit Schoonhoven naar
Oudewater weken, vinden wij in de oudheden van Rijnland vermeld,
dat zij om de oorlogen, (de Hoeksche en Cabellaauwsche twisten)
die het platteland onveilig maakten naar Oudewater trokken. [200]

En nu mijne lezers zullen wij eenige bijzonderheden vermelden,
omtrent het hoe en waar, van deze hare vestiging in Oudewater.

Hiervoor staat ons ten dienste de copij van een handschrift,
medegedeeld in de oudheden van Rijnland bladz. 457, 458 en 459,
en uit het klooster Marienpoel bij Leijden van oorsprong.

»In 't jaer ons Heeren 1399 doe sende Heer Vrederik die Biechter der
susteren van Scoenhoven op de oude haven, en de Heer Claes, Biechter
der susteren van Sint Agnieten te Schoonhoven in die koestraat die
eerste zusteren wt horen huse, daer onse susteren voert wt gesproten
zijn, ende alre eerst vergaderdese int heilige leven te Oudewater
ende daer na vergaderdese bij Pieter Aven zoen over de sluse. [201]

Daerna int jaer ons Heeren 1412. doe coft suster Clemens Gelis dr. onse
eerste mater in die derde oerde, gheboren van eerbaren ouders van
Scoonhoven, die Husinghe, die den Heer van Vliet toehoorde, die stont
in de capelstraat daer hi ons goedertierenheit in bewijsde om der
wil zijnre vrouwen, die hoor suster Ariaen Jans dr. in onse Cloester
brocht. In corte jaren daerna scoet Jan Melisz. husinge boven wt,
dattet op onse werf vallen woude, dat men met balken onderscoerde,
ende dese husinge coften wi, ende van dat voerhuis ande straat wort
ons capel ghemaekt [202] ende after daeran onse butenhuus. After
teghen de stede muer [203] langhes onse werf lieten wi een steenen
huus timmeren, daer wi inweefden, bacten ende brouden, en de torfden
en de verpenscot. [204] Daer voer dat huus stont enen sconen put di wi
lieten graven, daert water in ende wt vloeide ende ebbede, door een
zijl [205] wt d ijssel. Bisiden den put hadden wi enen sconen viver
laten graven, daer wi visch in hielden. Andie ander zijde van onse
werf coften wi Heer Bertelmeus [206] husinge, ouse cureit, dat was ons
priesters husinge, onse reventer [207] ende sieccamer ende koken. Oec
coften we Ouwerogs husinghe met enen bergh, daer susteren in woonden
die den beesten en de tsuvel bewaerden, die door een poort met een
slot in quamen eten, noch coften we 2 husinge, dat voorhuus stont an
de Capelstraat, ende dat after huus stont an onse werf, met een berch."

Uitgenomen de voornoemde bijzonderheden staan in het gemelde stuk
nog de volgende giften aan het klooster vermeld:

»In 't jaer ons Heeren 1413 sterf Peter Ave soen, op Sint
Lambrechtsavond, die onse susteren eerst versamende, behalve
menigherlei goedicheit die hi ons dee, so gaf hi ons 25 nobel ende
5 pont tsjaers ewighe rente, 15 groot voer een pont."

Ziet hier mijne lezers, u met onze beste pogingen op de hoogte gebragt
omtrent den oorsprong van dit convent in Oudewater. Uit een en ander
hebben wij gezien, op wat een aanzienlijke hoogte deze zusteren het
in korte jaren gebragt hebben, immers wij zagen het klooster reeds
de aanmerkelijke ruimte beslaan, van de westzijde der kapelstraat
bij het heilig leven tot aan het tegenwoordig zoogenaamde klooster,
bij de oude vestingmuur der stad. Achter al deze huizen was eene
aanzienlijke ruimte, zoodat zij te over gelegenheid hadden, die
bedrijven uit te oefenen, door ons hiervoren uit het stuk van de
oudheden van Rijnland gecopierd.



Zij die in Oudewater bekend zijn, en iets van zijn geschiedenis
weten, zullen mij welligt tegen voeren: al deze bijzonderheden daar
vermeld, omtrent de ligging van het klooster enz. hebben betrekking
op het verblijf van de zusters naar den 3 regel van Sint Franciscus
van penitentie, gewoonlijk naar het kapelletje, dat aan Sint Ursula
gewijd was, het St. Ursula convent geheeten. Het is zoo mijn lezer,
gij hebt gelijk, doch ook mijne mededeelingen zijn juist. Laat ons
het duidelijk maken.

Nadat de zusteren van St. Lijsbeth of van Sint Agnes, van het jaar
harer komst in Oudewater onder denzelfden naam, en onder dezelfde
orde als in Schoonhoven, ten minste hoogst waarschijnlijk, daar heen
leefden, was het in Anno 1414, dat Hertog Willem, Graaf van Holland
toestond, dat genoemde zusters, uit de kapelstraat, »die leefden in
een' woning en Hofstadt die Heeren Jans van den Vliete plachte wesen,
ien besloten Cloester en convent van Sint Franciscus oerden, geheten
van penitentien sullen mogen funderen, timmeren, enz.

Het is dus nu duidelijk geworden: de zusters uit Schoonhoven van
St. Lijsbeth of St. Agnes, werden ten onzent in 1414 zusters naar den
derden regel van Sint Franciscus van penitentie, gewoonlijk zooals
wij reeds opmerkten, bekend onder den naam van het St. Ursula Convent.



Het voormalige St. Ursala-Convent, of het klooster der zusters naar
den derden regel van St. Franciscus orde van penitentie.

Nadat wij den oorsprong der zusters alhier uit Schoonhoven nagingen,
is de geleidelijkste overgang voor het beschrijven van het St. Ursala
convent, onzes inziens de mededeeling van de inhoud des briefs,
waarbij Hertog Willem het aannemen en de stichting van dit convent
naar de orde van St. Franciscus, oorlooft en consenteert, en al
dadelijk gaan wij dus hiertoe over:


»Willem by der Genaden Gods Palsgrave op den Rijn Hertoch van Beyeren,
van Henegoën, van Holland, van Zeeland ende Heer van Vriesland dan
cont allen leuden, dat wy om Godts wille aangesien zelicheit onser
en onser ouderen ziele, en om den dienst Godts allerwegen te meerren
geoorloft en geconsenteert hebben, verloven en consenteren met desen
brief, dat de vrouwe persoenen by de maegeden en weduwen in onser
steede van Oudewater in de Capellestraet in een woninge en hofstadt,
die heeren Jans van der Vliete placht wesen een besloten cloester en
convent van Sint Franciscus Oerden geheten van penitentien sullen mogen
funderen, timmeren en volbrengen in der woningen voorsz. en hem daarin
laeten besluiten na manieren en de ordonnantien des voorz. oerden,
als daartoe behoort, ende nemen dit voorsz. clooster en convent
met haren goederen en personen daartoe behoorende in onser hoede en
bescherminge, gelikerwijs en in alre manieren als wy anderen cloesteren
ende Godtshuisen in onsen lande liggende genomen hebben, en omdat wy
dit vaste en gestade gehouden willen hebben, voer ons en voer onse
nacomelingen, so hebben wy desen besegelt met onsen segele, gegeven
in den Hage op ten eersten dach in Septembre Ao MCCCC en vierthien."


Dit klooster, stond onder het opzigt van het kapittel en de bisschoppen
van Utrecht, terwijl de broeders van het gemeene leven, doorgaans
minderbroeders genaamd er het bestuur over hadden. [208]

Stil en vreedzaam, leefden deze zusters eenigen tijd in het nederige
Oudewater voort, en wij mogen vooronderstellen, dat hunne inkomsten
in korten tijd aanmerkelijk vermeerderden, zeer gezind als men in
die tijden was, giften aan dergelijke gestichten te schenken, ten
minste in meergemeld handschrift uit het klooster Marienpoel vinden
wij nog vermeld: »Leye Wittender sterf in 't jaer ons Heeren 1418 op
Sint Katrinedach, si gaf ons (het convent van Oudewater) in aelmissen
18 engelsche nobel."

Niet lang echter mogten zij zich op deze ruste beroemen; donkere
wolken van onrust en woeling betrokken den politieken en kerkelijken
horizont van Holland en Utrecht en... de zusters van het St. Ursala
convent moesten vlugten uit Oudewater. Om dit echter duidelijk te
maken, is het noodig, dat ik den vriendelijken lezer verzoek, met
mij de aandacht eene wijle te bepalen op zaken en gebeurtenissen,
die wel niet in Oudewater voorvielen, doch den grootsten invloed op
het convent moesten hebben.



Na den dood [209] van den Bisschop Frederik van Utrecht in
October 1423, [210] werd het kapittel in de daaraanvolgende maand
bijeengeroepen tot het verkiezen van een anderen bisschop, waartoe
zich dan ook verscheidene mededingers opdeden. Rudolphus van Diephout
kanunnik te Keulen en Walravus van Meurs, kwamen onder allen het
meest in aanmerking--Rudolph bekwam de meeste stemmen en werd alzoo
tot bisschop gekozen. [211] Beide zonden echter gezanten naar Rome
om de bevestiging van den man hunner keuze van Paus Martinus de V
te erlangen. Aan geen der beide partijen mogt dit echter gelukken en
dientengevolge droeg kort daarna de paus het bisdom van Utrecht op,
aan Raban, Bisschop van Spiers. [212] Toen deze echter vernam, dat het
Sticht in hevige partijschappen verdeeld was, liet hij zich gemakkelijk
bewegen, om zijn regt over te staan, aan Zwederus van Kuilenburg,
die hem daarvoor zijn domproostdij opdroeg. Ook de paus nam hierin
genoegen en Zwederus werd bevestigd als bisschop van Utrecht. Dan,
hierop volgde een openbare scheuring in het Sticht. De geestelijkheid
der stad Utrecht onderwierp zich aan 's pausen besluit en erkende
Zwederus voor bisschop. [213] Doch het overige gedeelte van het Sticht
bleef Rudolf aanhangen.--De paus aldus in zijn bediening gekrenkt,
verbood alle kerkelijke diensten, in zulke plaatsen des bisdoms,
daar Zweder niet erkend werd, en sommigen eerbiedigden dit bevel uit
ontzag voor den paus, terwijl anderen de dienst bleven waarnemen. [214]

Zweder intusschen, had zich meester gemaakt van het slot ter Horst,
en noodzaakte eerlang de steden Amersfoort en Rhenen en ten laatste
ook de stad Utrecht hem als Bisschop binnen zijne muren te nemen,
zooals hij dan ook in Augustus 1425 zijnen intogt in laatstgenoemde
stad deed en er gedurende tien maanden verbleef. Daarna verbond
Zwederus zich met de Kabellaauwsche partij in Holland inzonderheid
met zijne nabestaanden: Jan en Willem van Egmond en sedert ook met
Philips, hertog van Bourgondie, die terstond pogingen aanwendde,
om den aanhang van Rudolph en de vrienden der Hoekschen in het
Sticht, met geweld aan te tasten. Door een en ander, maakte Zweder
zich binnen kort zoo gehaat in Utrecht, dat men een toeleg smeedde,
om hem uit de stad te houden, en Rudolphus in den bisschoppelijken
zetel te herstellen, dat in den zomer van 1426, door beleid van Jan
van Renesse van Rijnouwen gelukte. [215] Rudolph werd eerst door de
Ridderschap en de stad Utrecht en door de Ridderschap en de steden
van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid, tot postulaat,
Ruwaard en Beschermer van het bisdom aangenomen [216] en Zweder alle
Regtsgebied ontzegd. De laatste vestigde sedert elders den stoel des
bisdoms en werd in het algemeen, door den Kabellaauwschen aanhang,
voor wettigen bisschop erkend. [217]

Rudolph, die nu in het Over en Nedersticht volkomen meester was,
verbond zich met vrouwe Jacoba en de Hoekschen [218] en haalde zich
hierdoor den haat van hertog Philips op den hals.

Tot zoover mijne lezers heb ik u moeten brengen, om het vertrek der
zusters in 1428 uit het St. Ursala convent van Oudewater, wel te
kunnen begrijpen.

Oudewater toch erkende immers nog een laatstgenoemd jaar vrouwe Jacoba
als gravin, doch deze was zooals wij zagen de partij van Rudolph van
Diephout toegedaan, en Diephout met zijne aanhangers was door paus
Martinus de V tot den geestelijken ban veroordeeld. [219]

Wat moesten onze conventualen nu doen? Ongehoorzaam zijn aan
den paus wilden zij niet, en in Oudewater blijven, en een anderen
bisschop erkennen als de gravin die haren scepter nog over Oudewater
zwaaide, konden zij niet. Zij werden dus genoodzaakt om te vlugten,
doch waarheen? Natuurlijk naar het gebied van Hertog Philips van
Bourgondie, die den bisschop aanhing, die zij erkenden, Zwederus van
Kuilenburg. [220]

Nu leefde er in dien tijd in Leiden een zeer vroom en edel man,
Boudewijn van Zwieten genaamd, en de mare van zijn weldoen, had zich
tot in het nederige Oudewater verspreid. Ook deze was het met den
Hertog en Zwederus eens, en het was dus niet te verwonderen, dat de
vlugtende zusters uit het convent van Oudewater, naar hem de wijk namen
en hem smeekten, medelijden te hebben met haren toestand. De echtgenoot
van Heer van Zwieten voegde ook haar verzoek, bij dat der nonnen
en van Zwieten besloot hierop de zusters voorloopig huisvesting te
geven. [221] Hare aankomst te Leiden had plaats op 20 Maart 1428. [222]

Onze kloosterlingen hebben ons nu reeds zoo veel belang ingeboezemd,
dat wij niet kunnen nalaten, haar nog eenigen tijd elders te volgen.

Nadat de nonnen bij Van Zwieten huisvesting hadden bekomen, peinsde
hij ernstig na over de toekomst der conventualen, eenmaal onder zijn
bescherming staande. Al spoedig was zijn plan een ander klooster voor
deze zusters te stichten, tot zoodanigen graad van rijpheid gekomen,
dat hij na verlof van den pastoor van Oegstgeest en bevestiging van
dit verlof, door den bisschop van Utrecht, in 1431 reeds een zoodanig
gebouw onder Oegstgeest had laten bouwen, en deze bouwing was reeds
in het volgend jaar harer ontvlugting, in 1429 begonnen.

De eigenlijke plaats waar het klooster gesticht werd heette toen
Paddenpoel--Moerassig als de grond was, denkt men in de oudheden van
Rijnland, dat deze plaats dus genoemd werd, naar deze amphibien, die
doorgaans op zulke moerassige plaatsen in menigte gevonden worden;--hoe
het echter zij, stellig weten wij, dat de Heer Van Zwieten na de
stichting van het klooster aldaar, deze weinig aestetische naam heeft
laten veranderen, in Sinte Marienpoel of onzer Liever Vrouwenpoel en
wel op bevel van Zwederus in 1429.

Aan dit klooster werd deze wet voorgeschreven, dat het getal der
geprofesside nonnen niet grooter dan veertig zoude zijn, en, dat er
niet meer dan tien leeken of buiten zusters zouden aangenomen worden,
ten waar, dat het algemeen kapittel, en hij (Van Zwieten) het bij
zijn leven ook anders mogten verstaan. Ook moesten de nonnen, die
zoo als wij weten in Schoonhoven en Oudewater tot in Ao. 1414 zusters
van St. Lijsbeth of Sint Agnes heetten en nader in Oudewater leefden
naar den derden regel van St. Franciscus, daar sedert de gelofte doen,
te leven als Reguliere kanonnikessen naar den regel en de instelling
van St. Augustinus. [223]

De stichtingbrief was door den Heer Van Zwieten bezegeld, en op dat
deze brief te grooter kracht zoude hebben, heeft hij Willem Klinkaert,
prior in het klooster den Hem buiten Schoonhoven en Herman Jansz. prior
van het klooster te Stein bij Haastrecht die tot bezigtigers van dit
klooster aangesteld waren, verzocht, hun zegel ook aan dezen brief
te hangen. Dit alles heeft van Zwieten dus gedaan, op het feest van
Vrouwen Lichtmis in het jaar 1431.

Uit dezen merkwaardigen brief, die wij om zijne uitgebreidheid niet
in zijn geheel mogen overnemen [224] ziet men tevens, dat de reden
van deze stichting was eene groote Godsdienstzin, dat hij nog »28
merghen lants, luttel min of meer" enz. met het klooster, het convent
in eigendom schonk en de voorwaarden waarop dit plaats greep, dat hij
in het klooster eenmaal wilde begraven zijn, en wat men voor de ruste
zijner ziel en die zijner familie aldaar zoude bidden, doch wij zien
er uit een zekere zinsnede ook tevens, hoe groot de nood was toen de
conventualen vloden uit Oudewater.

Daarna volgt in meergemelde Rijnlandsche Oudheden een breedvoerige
brief van de vermelding der landerijen en inkomsten, die hij aan dit
klooster bewezen heeft. [225]

Voorts bleek het den schrijver uit een ander stuk, dat Boudewijns
zonen de stichting van hunnen vader bevestigd hebben.

Ook Philips, Hertog van Bourgondie en Graaf van Holland heeft niet
alleen gemelde stichting in 1445 binnen de Haag bevestigd; doch er
zelfs nog eenige gunsten aan toegevoegd, waarvan de voornaamsten
eveneens aldaar genoemd worden.

In 1516 deed Keizer Karel als Graaf van Holland hetzelfde als Philips
in 1445--en zóó steeg dit klooster in luister, dat toen meester
Coenraad Pietersz. 's konings gezworen Landmeter in het jaar 1570 op
het verzoek van den pater de grootte der landerijen opnam, hij bevond,
dat dezelve 275 morgen 87 roeden was.

Dit convent heeft, zoo als uit een doodboek daaraan behoorende, bleek,
onder zijne nonnen mogen hebben, dames uit de edelste geslachten
van Holland zoo als uit de Duivenvoorden, Poelgeesten, Alkemaden,
Boekhorsten, IJsselsteins, Wassenaars en eene menigte anderen. [226]

Zie daar mijne lezers, u in breede trekken geschetst, hoe dit convent
uit Schoonhoven en Oudewater gesproten, opkwam en in luister steeg,
ook nadat de vlugtende nonnen uit Oudewater er het eerst haren
intrek namen.

Het wordt echter tijd, dat wij ons spoeden van Marienpoel naar het
in 1428 verlaten klooster in Oudewater.



In het zelfde handschrift waarvan de inhoud door ons op bladz. 227-229
hier voren is medegedeeld, en die zooals wij daar zien kunnen,
betrekking had omtrent het hoe en waar, van het verblijf der zusteren
in Oudewater vóór derzelver vlugt naar Leiden, vinden wij het volgende
vermeld:

»Int jaer ons Heeren 1430, coften die susteren van Over Issel al deze
voersz. husen metten erfrenten daer wise mede ghecoft hadden en de
mitten lijfrenten die wi daer op vercoft hadden." [227]

Hieruit ziet men dus, dat ons convent uiterlijk ongeveer 2 jaren
tijds zonder kloosterlingen zal geweest zijn, daar de ontruiming in
1428 plaats had, en de verkoop aan de zusters van Over IJssel in 1430
geschiedde: immers, dat die zusters een convent zullen hebben gekocht
en het niet, nog in hetzelfde jaar zullen betrokken hebben is slecht
te vooronderstellen.--Wij worden te meer genoopt, dit aan te nemen,
indien wij de gebeurtenissen nagaan, in 's lands historie bladen.

Vroeger toch hebben wij reeds opgemerkt, dat toen Jacoba met Rudolph
een partij uitmaakten zij zich hierdoor den haat van Hertog Philips
op den hals haalde, doch nadat de Cabellaauwschen veeltijds met groot
geluk streden, werd volgens sommigen, [228] de vrede tusschen Hertog
Philips en Rudolph van Diephout [229] in den winter van het jaar
1428 getroffen; doch men sloot toen en nader, meermalen slechts een
bestand. [230] Uit het oorspronkelijk verdrag [231] toch, ziet met
zekerheid, dat de vrede niet voor Ao. 1430 geteekend werd.--Alzoo
hetzelfde jaar, dat de zusteren van Overijssel het klooster van
Oudewater kochten.

Neemt men nu echter in aanmerking, dat de strijd tusschen Van
Kuilenburg en Van Diephout in voornoemd jaar echter nog niet ten einde
was [232], en dat Van Diephout reeds vroeger door de Ridderschap
en steden van Overijssel en nader ook door de geestelijkheid tot
postulaat, Ruwaard en beschermer van het Bisdom aangenomen werd, en
Zweder alle regtsgebied ontzegd, dan zou men bijna tot gevolgtrekking
mogen komen, dat deze pas aangekomen conventualen, de partij van
Rudolphus van Diephout waren toegedaan.

Langzamerhand echter geraakte eenige jaren daarna er een einde aan
deze kerkelijke twisten (zie de noot hier beneden) en reeds in 1446 was
het klooster ook in Oudewater tot zoodanigen trap van aanzienlijkheid
gestegen, dat Philips Hertog van Bourgondie als Graaf van Holland
toen de volgende ordonnantie rigtte, tot wering der erfenissen van
de geordende personen te Oudewater.

Genoemd stuk, had echter volgens den Heer van Kinschot wel het meest
betrekking op de geordende naar St. Franciscus, dus op het St. Ursula
convent.


Philips &c. want binnen onse voorschreve Landen binnen corten jaeren
gefondeert, gemaeckt, ende begrepen sijn soo veel kloosteren,
ende vergaderingen van Regulieren, ende Regulierissen, ende van
broederen, ende susteren van Sinte Franciscus Orde, dat veel te
veel is nae grootheyt van onze voorschreve Landen, ende noch dagelyx
meer van den selven begrepen worden; in welcken cloosteren, huyzen,
vergaderingen die persoonen van den selven soo wel Vrouwen, als Mannen,
meest alte neringen, ende ambachten doen dat onbehoorlyk is ende hoe
wel sy aldus geoirde, ende begeven luyden syn, off wesen souden, sy
hebben hem tot deser tyt toe willen bewinden erve te nemen van haeren
ouderen, ende dat erfelyk te gehouden, sonder weder uyt te erven,
ende indien dat dat alsoo lange staen soude, sonder voersienicheyt
daar op te hebben, sy waeren geschepen, mits dat soo veel syn, binnen
korten jaeren gemaeckt, alle die landen te getoigen, daer by dat wy,
ende onse nacomelingen onse diensten verliesen mochten, ende oock
onse arme gemeynte, ende ondersaten neringloos worden souden, soo
wel binnen Steden als daer buyten, Ende om hier in te voorsien van
behoorlyke remedie, soo waeren bij onsen gemeenen Rade, Ridderschap,
ende Steden onser voorschreve Lande, van Hollandt van Zeelandt ende
van Vryeslandt geordineert seeckere commissarise, die welcke alle den
staet van den voorschreven georden, ende geestelyken personen oversien
souden, ende dair nae te ordineren op dat getal, ende grootheyt van
den huysen ende vergaderinge van dien, ende oock te oversien haer
richeyt, ende renten, ende daer nae te voegen, hoe ryk sy souden
wesen om hoeren staet eerlyk, ende redelyk te houden, ende oock goede
redelyke ordonnantien met hem te maken ende te overdragen, hoe, ende in
wat schyn sy voortaen erven souden, innemen, ende uytgeven ende oock
by testamente, op dat in toecomenden tyden tusschen hem, ende onsen
waerlycken ondersaeten, niet meerder geschils, noch ongevals gebueren
en soude, die welcke commissarissen hadden begonnen voor hem te doen
comen, ende ombieden die overste van sommighen van den voorschreven
cloosteren, ende vergaderinghen hem op doende die manieren van den
voorscreven ordonnantien maer alsoo 't scheen, soo en hebben sy hem
in geenre manieren willen ontdecken den staet van hoeren cloosteren,
noch goeden, meynende altoos te blyven in hoeren opsette, om erve
te nemen, ende alsoo alle die landen, renten, ende erven van onsen
voorschreven landen te rapen ende onder te slaen ende oock met haeren
neringen, ende ambachten onse waerlycke ondersaeten neringlois te
maecken ende den arbeyt, ende ambachten te ontrecken, 't welcke ons
om der redene wille vooschreven, ende oock om andere waerachtige,
ende merckelyke redene daertoe dienende in geenrewys langher te lyden
en staet, Ende hebben daerom gheordineert, overdraegen, ende gesloten,
dat voortaen geen gheoirde luyden, van wat orde dat sy syn, in onsen
Landen van Hollandt, van Zeelandt ende van Vrieslandt erve nemen en
sullen van haeren ouderen maeghen noch vryenden in eenigher manieren,
noch oock niet meer lande, noch erve en sullen koopen noch vercrygen
bij testament, noch anders in onse voorschreve landen binnen Steden,
noch daer buyten, tot der tyt toe dat die voorsz. gheoirde luyden,
by den Commissarisen daer toe gheordineert geweest, off haeren
gemachticht ghesent hebben sullen om met hem een overdrachte, ende
ordinantie te helpen ordineeren, hoe, ende in wat schyn zy voortaen
erven, ende hem hebben sullen in den punten voor verclaert, Ende op
dat dit eenen yegelyken kondich wesen mach, Soo ist, dat wy ombieden,
ende beveelen allen onsen Baenridsen, Ridderen, Knapen, Steden,
Bailjuwen, Drossaten. Officieren, ende ondersaeten over al in onse
voorschreve landen van Hollandt, van zeelandt, ende van Vrieslandt
binnen Steden, ende buyten daer desen onsen bryeff gethoont sal
worden, dat sy den selven onsen bryeff openbaerlyck doen kondigen,
ende ghebieden op dat een yegelyck hem daer nae mach weten te rechten,
ende dat sy niet en gehengen dat eenige geoirde luyde voortaen erve
nemen, noch eenighe lande, noch erve meer en copen, noch en nemen by
testamente off anders, want dat onse eyntlycke meyninge, ende welle is,
In Oirconde &c. Gegeven op den acht en twintichsten dach in Octobri,
Anno ses en veertich. (1446.)


Op dezen brief, die wij uit van Kinschot overnemen, volgt eene
andere ordonnantie van Philips die den 17 Maart 1452 aan de zusters
van St. Lysbeth in 's Gravenhage gerigt werd, waarin verzachtende
omstandigheden op den vorigen brief in voorkomen en zij geinstrueerd
worden, hoe zich omtrent het uitoefenen harer bedrijven te gedragen
en hoeveel bezittingen zij mogen hebben--achter de originele brief
stond geschreven:


De zusteren tot Oudewater hebben eenen brief van Woorden tot Woorden
als der zusteren brief van Sint Lysbethen zusterhuis in den Haghe ende
desen brief van der zusteren tot Oudewater is van der dato veerthien
daghe in Maert Anno XIIIJc.--LXVJ. na den loip 's Hoefs.


En dezen brief nu haalt van Kinschot aan, om te bevestigen, dat in
Oudewater zusteren van St. Lysbeth geweest zijn--hij kan er echter
volstrekt geen betrekking op hebben, daar wij immers zagen, dat de
nonnen van St. Lysbeth of van St. Agnes reeds in 1414 deze orde
verlieten, voor die van den derden regel van St. Franciscus.--De
oorzaak zijner dwaling is onzes inziens gemakkelijk te begrijpen; hij
heeft zich laten verleiden, door dat de zusters van St. Lysbeth uit
's Gravenhage zoodanigen brief kregen en de zusteren van Oudewater 4
jaren later een zelfden--er wordt daarin echter kortweg van zusteren
gesproken, zonder vermelding der orde waartoe zij behoorden; men
beschouwe alzoo dezen brief als gerigt, tot de zusters van het Ursula
convent, dat wij in dit hoofdstuk beschrijven.

Het aantal conventualen, zal aanmerkelijk toegenomen zijn, immers
wij moeten het bijna hieruit opmaken, door dien er in Ao. 1572 een
groot gedeelte van dit convent naar Utrecht ging. De stadsrekening
van dat jaar toch, vermeldt eenige onkosten voor dezelver onderhoud
aldaar betaald; echter belettede deze delogering niet, dat er in het
jaar 1575 een aanzienlijk aantal zusters in het klooster waren.

Op het gemeente-archief is aanwezig, een register van boekhouding van,
en aanteekeningen omtrent de landerijen en erfpachten en renten van dit
convent, over de jaren 1538-1559 en van 1578 tot 1579. De inzage dezer
stukken doet ons zien, dat die bezittingen zeer aanzienlijk waren.

Volgens resolutie der Staten van Holland dd. 23 Mei 1577 moesten
de goederen van dergelijke gestichten, aan iedere stad daar dezelve
gevonden werden, in eigendom komen. Men heeft echter alhier niet zeer
spoedig gevolg aan de uitvoering dezer resolutie gegeven, immers eerst
den 10 Junij 1582 (dus na een tijdsverloop van ruim 5 jaren) werd
door de regering van Oudewater en de conventualen, eene conventie
ten deze gesloten, waarbij aan de laatsten, voortaan een bepaald
jaarlijksch inkomen zoude worden uitgekeerd, dat tot dezen tijd toe,
niet geregeld was geschied. Bij deze overeenkomst werd de ouderdom
tot grondslag genomen en tevens bepaald, dat bij overlijden van eene
der zusters, dit eene verhooging van inkomsten voor de overblijvenden
zouden ten gevolge hebben. (Zie hier achter.)

Eene echter, was er in het convent, die met zeer veel onderscheiding
bejegend werd, namelijk de procuraetster Emmetje Goossensdochter,--en
geen wonder: toen de Spanjaarden in 1575 de stad belegerden en innamen,
was zij het voornamelijk, die troost bood waar troost te bieden was,
en smarte lenigde waar smarte te lenigen was, en o wij weten het uit de
historiebladen, de nood was er zoo hevig en de angste was er zoo groot!

Deze Emmetje Goossensdr., wordt dan ook inzonderheid in diverse
resolutien van den magistraat geroemd, om de getrouwe diensten door
haar bij den overval bewezen en haar pensioen is uit dien hoofde
meermalen verhoogd geworden, als anderen deze onderscheiding niet te
beurt mogt vallen.

De bezittingen van het convent werden »apart" geadministreerd en
de pater, mater, procuraatster en leden (hierna te noemen) bleven
den 25 Augustus 1584 borg bij de regering, voor hunnen rentmeester
Jan Jansen Coppert. Beide originele stukken: het laatste door al de
conventialen onderteekend, berusten ter secretarie.

Bij de opheffing dan van dit St. Ursala-convent, vinden wij vermeld,
dat er in waren de navolgende conventualen:


Pater.           Jan van Alerdinck.
Mater.           Marrigje Willemsdochter de Lange,   oud   52   jaren.
Procuraetster.   Emmigje Goossensdochter,             »    52     »
Zusters.         Tryntje Thonisdochter,               »    83     »
   »             Geertje Jansdochter,                 »    60     »
   »             Tryntje Simonsdochter,               »    34     »
   »             Heiltje Willemsdochter,              »    48     »
   »             Anna Pietersdochter,                 »    56     »
   »             Pietertje Pietersdochter,            »    31     »
   »             Marritje Gysbertsdochter,            »    36     »
   »             Machteld Gysbertsdochter,            »    31     »
   »             Marretje Ariensdochter,              »    52     »
   »             Jannetje Thonisdochter,              »    33     »
   »             Marrichje Cornelisdochter,           »    60     »
   »             Urseltje de Caesaris,                »    73     »

Was innoncent, en werd voor rekening van het convent, in het gasthuis
te Gouda onderhouden.

   »             Marrigje Dirksdochter,              oud   72   jaren.
   »             Pyn Jansdochter,                     »    60     »
   »             Lysbeth Jacobsdochter,               »    32     »
   »             Tryntje Hillebrandsdochter,          »    61     »
   »             Cornelia Joostensdochter,
   »             Bregje, kort daarna overleden.


De basis des ouderdoms nu, die gevolgd werd omtrent het pensioen der
conventualen, ingevolge het besluit van 1582 was als volgt:


   Die van 60 jaren en daarboven oud waren 's jaarlijks f 60,--
    »   »  50   » tot beneden de 60 jaren         »     » 50,--
    »   »  40   »  »     »    »  50   »           »     » 42,--
   En die beneden de             40   »           »     » 36,--


In vier driemaandelijksche termijnen moest deze jaarwedde worden
betaald. Ook was het conditie, dat, als de jongste der conventualen,
met ter tijd kwamen tot een ouderdom van 40, 50 of 60 jaar hun
pensioen alsdan zoude worden verhoogd, en zoo het gebeuren mogt, dat
zij door hoogen ouderdom, of langdurige ziekte, van hunne jaarwedde
niet konden leven, er dan in alle billijkheid in zou worden voorzien,
en dat hunne woning voor rekening van de stad in een »ordentelijken"
staat zoude worden onderhouden.

Zooals in het verdrag bepaald was, konden zij dus in alle stilte
in het klooster haar leven eindigen, en St. Jacob 1582, was voor
de conventualen de beslissende dag, dat hare jaarwedde op genoemde
conditien begon.

Emmigje Goossensdochter werd, hoezeer slechts 62 jaren oud zijnde,
gerekend boven den 60 jaar te zijn, voor haar weldoen voor en na den
moord altoos gedaan.

Cornelia Joostensdochter, wier ouderdom niet vermeld is, was gesteld
op half geld, haar jaarlijksch pensioen was niet meer dan f 23;
mogelijk was zij slechts eene werkzuster.

Dat evenwel de goederen van dit convent, niet dadelijk, maar langzaam
onder het bestuur der regering of van den rentmeester gekomen zijn,
schijnt ons toe te blijken uit de vermeerdering van inkomsten,
aangeduid in eenige nog aanwezig zijnde rekeningen van de bezittingen
van dit convent, [233] na dien tijd.

Den 14 Januarij 1613 requesteerde de conventspater Jan van Alerdinck,
wiens pensioen even als dat der andere conventualen reeds meermalen
verhoogd was, om eene vermeerdering zijner jaarlijksche toelage van f
100. Hierop werd echter geapostuleerd, dat, »soo wanneer de supplt. de
brieven van 't incomen van 't oude convent volgens belofte bevorens
gedaan, zal hebben overgelegd, alsdan zijne alimentatie zal worden
verhoocht zooals behooren sal" en eenigen tijd daarna werd zijn
pensioen op 200 Gulden ook bepaald.

De laatste verhooging der jaarlijksche toelage aan de twee laatst
overgeblevene zusters--Marrigje Gijsbdr., en Jannigje Thonisdr.,
die steeds zijn blijven voortgaan met zieken op te passen enz.,
is volgens resolutie van den magistraat in 1631 gebragt tot 200 Gulden.

Na het overlijden van allen, is de rekening dier goederen bij die der
stad gevoegd, onder den naam van rekening der stad en het St. Ursula
convent.

Na de omwenteling van 1795 is het laatste vervallen, en de bezittingen,
met uitzondering van eenige kleine renten, voor de helft der 18. eeuw,
allen verkocht.



Wij mogen onze schets niet eindigen, zonder aan het kloostergebouw
zelve nog kortelijk de aandacht te bepalen. Beziet men het klooster
op Stoops schilderij in 1775, dan ontwaart men langs de zuidzijde,
of daarnaar haren naam dragende straat het klooster, een vrij
aanzienlijk gebouw, waarvan in onzen tijd echter geen spoor meer
overig is, daar het reeds lang voor den sloopenden tand des tijds
viel; maar toch... wij zijn eenigzints onjuist, immers, wat gewaagt
men nog dikwijls bij vergravingen van een onderaardschen gang, die
naar de kapel leidde, wat spreekt men nog veel van de menigte kelders,
van het groot aantal fondamenten en van de duizendtallen steenen, die
men uit den historischen bodem opgraaft, als ook van het ontdekken der
put »daar wi visch in hielden in het water in vloeide ende ebbede," die
in 1827 ontdekt werd! en immers ook de convents-kapel, het zoogenaamde
»kerkje" doet ons nog dikwijls aan het St. Ursula convent denken. Alzoo
van dit gebouwtje, dat nog bestaat, zal men nog wel het een en ander
van zijne verschillende bestemmingen enz. kunnen opduiken.

Reeds in 1578 vinden wij gewag gemaakt, dat het klokje, dat in het
torentje der kapel hing, publiek verkocht werd voor XIIJ Gulden XVIIJ
st., en nog in hetzelfde jaar werd het kapelletje, ten minste zeker
een gedeelte daarvan tot eene school ingerigt; men heeft toen tevens
den leidekker aanbesteed het dak te repareren.

De beoefenaars der uiterlijke welsprekendheid hielden daar ook oudtijds
(schrijft de Heer van Kinschot in 1747) hunne bijeenkomsten en tevens
werd het »kerkje", zooals nog in onze dagen, als locaal gebruikt tot
uitdeelingen van verschillenden aart aan de behoeftigen.

Nog in 1747 weten wij stellig, dat het »kerkje" tot stads school
gebruikt werd, de laatste is sedert echter meer achterwaarts uitgebouwd
en de kapel werd ingerigt tot woonhuis! waarschijnlijk is dit geschied
in 1785, daar wij aangeteekend vinden, dat het in laatstgenoemd jaar
aanmerkelijke vertimmeringen onderging. Voor eenige jaren vergaderde
in het gebouwtje onzer beschrijving het muziekgezelschap Amicitia et
Harmonia, en tegenwoordig wordt hetzelve tweemalen 's weeks gebruikt,
tot repetitie-plaats van eene liedertafel, Crescendo genaamd.

In het jaar 1857 werd het reeds vroeger van zijn klokje beroofde
torentje, publiek geveild en verkocht voor eene som van f 81--, en wij
schrijven het noode ter neder, het griefde ons toen wij den slooper
het breekijzer zagen stooten in het torentje, dat zich zoo lief van
buiten en binnen de stad voordeed; toch, wij minnen het gebouwtje
nog, o, het herinnert ons zooveel; somtijds gebeurt het, dat wij ons
alleen daarin bevinden en dan, als wij zonder stoornis van anderen,
onze gedachten den vrijen teugel kunnen vieren, dan verdwijnen soms in
den geest de weinige kamermeubels, voor de nederige bidstoeltjes der
nonnen, het tegenwoordige prosaïsche winkeltje maakt plaats voor het
St. Ursula altaar; dan zien wij den geurigen wierrookwalm ronddwarlen
om den zwartgedoschten nonnenstoet, en wij hooren de orgeltoonen
ruisschen en de nonnen het Ave aanheffen, en het geluid wordt ernstig
en plegtig teruggekaatst door het gothische koorgewelf; maar dan,
als de verbeelding heeft plaats gemaakt voor de werkelijkheid, dan is
de bidkapel weer ledig en de toonklank van het orgel vergaan, en het
gezang der zusters wordt niet meer gehoord; toch zoo denken wij dan,
schijnt het, dat er iets hemels, iets schoons, het gebouwtje bleef
en blijft omzweven: immers onderrigting en beschaving der jeugd,
uitoefening der liefdadigheid, beoefening der redekunst en poezij,
later de repetitien van de edele toonkunst, niet waar? dit alles
regtigt ons met de meeste billijkheid, te zeggen: de kapel van het
St. Ursula convent, speelde ook na hare suppressie eene verhevene en
aestetische rol in mijne vaderstad!



De tegenwoordige huizinge voor zusters naar den derden regel van
St. Franciscus orde te Oudewater.

Nadat gedurende ruim twee eeuwen, de zusters op de hiervoren aangeduide
wijze in deze plaats waren verdwenen, scheen men er binnen eenige
jaren bijzonder aan te denken, weder een convent van nonnen naar
den derden regel van St. Franciscus van penitentie te Oudewater  op
te rigten. Voor het jaar 1857 was het bestemd aan deze gedachten
uitvoering te kunnen geven. Immers reeds op den 29 Maart van gezegd
jaar, werd er uit Rotterdam verzoek gedaan, tot het voorschreven
doeleinde een huis op de korte Have, onder No. 53 aangeduid te
koopen, en eenigen tijd daarna, werd door den Heer Johannes Putman,
als lasthebbende, dit perceel dan ook aangekocht voor eene som,
met de daaronder begrepen onkosten over de f 5000--beloopende.

Dit van buiten en binnen vrij aanzienlijk huis, was weldra, door de
noodige veranderingen, tot eene geschikte nonnenwoning geconstrueerd,
zoo dat nog in hetzelfde jaar 1857 eenige zusters uit een Rotterdamsch
zustershuis, in deze plaats zich met ter woon vestigden.

Deze zusters staan onder het opzigt van den Bisschop van Haarlem,
terwijl aan het hoofd dier orde gesteld is, eene zoogenaamde algemeene
overste der religieuse recollectinen penitenten, van de orde van den
H. Franciscus te Rotterdam.

Voornamelijk maken deze nonnen ook hare bezigheid van het opvoeden en
onderwijzen van kinderen, waardoor zij tevens in hare dagelijksche
behoeften moeten voorzien.--Dat zij daarin vrij wel naar wensch
geslaagd zijn, schijnt ons toe uit de nadere inrigting van eene schuur
tot schoollocaal, die de zusters kunnen genaken, door den tuin harer
huizinge, waaraan deze school, die aan de Achter of Wijngaardstraat
gelegen is, grenst.



Het voormalige Cellebroers en Zustershuis te Oudewater.

»In de oudheden van Hugo van Heussen," zoo vermeldt Kinschot,
»wordt ook vermeld van een cellebroers en een cellezusterenhuis,
wier laatsten, haar werk maakten om de zieken te bedienen en op te
passen, even als de eersten, om de dooden te begraven; doch ons is bij
streng onderzoek geen meerdere stof ter beschrijvinge van derzelver
gesteltenis, gewoonten enz. voorgekomen." [234]

Hier doet zich dus de ernstige vraag op, zijn er wezenlijk in Oudewater
de Cellebroers geweest? Niet een document op het gemeente archief
pleit voor hun daarzijn in vroeger tijd; niettemin, wij mogen van
Heussen niet regtstreeks tegen spreken, hij zal bij het beweeren,
dat zij hier gewoond hebben, wel zijn reden gehad hebben. Cellezusters
echter, zijn hier zeker geweest. Immers ook de overgeblevene van deze
corporatie werden ingelijks, mits voortgaande met hunne Christelijke
werkzaamheden, een gelijk pensioen als die van het St. Ursula convent
toegelegd. [235]

Bij resolutie van den magistraat dd. 3 April 1594 werden van Anna
Gerritsdr. »de brieven" geeischt, met ontslag van den eed niet meer
voor de zieken te gaan. Zuster Anna Dirksdr. de papieren van dit
gesticht overgelegd hebbende, is de laatste van wie wij eenig berigt
vonden. [236]

Alleenlijk rest ons dus hiervan nog te vermelden, dat het gebouw,
waarin deze geestelijke personen woonden, gehouden wordt voor het
tegenwoordig nog zoogenaamde ziekenhuis, waarvan ter gelegener tijd
zal worden gesproken. [237]

Sedert lang zijn ook de cellebroers te Oudewater, indien zij er ooit
geweest zijn, den weg van alle vleesch gegaan, zij rusten dan reeds
lange ter plaatse, waar zij eertijds hunne natuurgenooten zoo dikwijls
heen bragten, in den zwarten schoot der aarde.

Opmerkelijk is echter, met deze cellebroers het navolgende eenigsins
in verband te brengen.

De plegtigheid en stille ernst, zoo zeer passende aan eene begrafenis,
liet voor eenige jaren te Oudewater, soms nog al iets voor den
behoeftigen stand, te wenschen over. Om deze en alligt meerdere
redenen, kwam de eerw. pater Rooters op eene gelukkige gedachte.

Hij noodigde namelijk een 26tal jongelingen, allen van den
fatsoenlijken burgerstand uit, om de lijken van minvermogenden van
beiderlei kunne en zonder onderscheid van ouderdom steeds »de laatste
eer" eene plegtige begrafenis te verschaffen en tot veler blijdschap
gelukte deze poging naar wensch. Op den 23 Januarij 1857, werd den
eerwaarden oprigter van wege het parochiaal armbestuur, in zijne toen
gehouden vergadering berigt, dat deze vereeniging de belangstelling
der gemeentenaren in hooge mate had opgewekt, en tevens werd door
genoemd bestuur den wensch uitgedrukt, dat het nageslacht er nog die
vruchten van mogte inoogsten, die men nu reeds van die vereeniging
zoo ruimschoots genoot.

En inderdaad, het is plegtig te zien, hoe deftig en ernstig de
begrafenis van een behoeftigen medemensch door deze jongelingen
geschied.

Behoudens onze vroegere aanmerking, zeggen wij gerustelijk: er bestaat
wezenlijk eenige overeenkomst, tusschen de cellebroers van vroeger
en de zich noemende parochiale dragers in onzen tijd. [238]



Het voormalige riddermatig verblijf der St. Jans Ridders te Oudewater.

Nog ééne geestelijke orde, die te Oudewater eertijds bestond, dient
vermeld te worden; ik bedoel de St. Jans Ridders wier commanderie
onder het landcommandeurschap van Utrecht stond.

Wij gaan dadelijk bewijzen, dat zij te Oudewater zoodanige riddermatige
huizinge gehad hebben, uit de navolgende.


    Ordonnantie, roerende Tieleman Batenburch en het St. Jans Huis
    te Oudewater.

    Wi Willem, grave enz. maken cont etc., dat Tieleman Batenburch van
    Oudewater quam voer ons ende droech op en vrey eigen onsen lieven
    ende getrouwe Heeren Jacob Bisschop van Suden sine woninge die hy
    liggende hevet binnen onser porte van Oudewater mid erve ende met
    visschery en alsoe groet alse Tiedeman voorschreve daer liggende
    hevet, ende belegen hevet an die nortside Dierc Rapneys, ende
    an die suutsyde Pieter Cesepeirmit, welcke wooninge voorschreve
    Hais Jacob Bisschop van Suden voorschreve verliede Tiedeman
    Batenburch toet sinen leve, ende na siene doet weder te comen op
    den Bisschop van Suden ende op Sinte Jans huse te Oudewater der
    oerden van Sinte Jans erfliken te bliven, in oerconde hier off,
    soe hebben wi dezen brief besegelt met onsen segele. Gegeven
    in de Hage des dinsendages na Sinte Jansdach uitgaende biechte,
    int jaer ons Heeren duisent drie hondert vijf en twintigh.

    Per episcopum Sudenum et Synomen de Butim. [239]


Duidelijker bewijs voor hun bestaan te Oudewater is wel niet aan te
voeren, zoodat het geschrevene daarvoor reeds genoeg zoude zijn. Wij
zijn echter nog in de gelegenheid er meerder van te schrijven.

Zij moeten naar onze meening in genoemd jaar 1325 reeds in vrij groote
getale hier aanwezig zijn geweest, daar in 1326 des vrijdags voor
St. Bartholomeus dag door gemelden Graaf Willem aan de broeders van
het St. Jans huis te Oudewater in eigendom werd gegeven, een hofstede
naast hun kapel gelegen, om een kerkhof te maken. Voorts bestaat er
onder de oude keuren van Oudewater eene van St. Bartholomeus dach in
jaer ons Heeren Duisent vier Hondert vijf en vijftig, waarvan het einde
[240] aldus luidt: »ende oock mede het Broederschap van St. Jans van
hare renten, mogen mede in bieden als voorsz. is."

Van deze Malthezer of St. Jans Ridders, waarvan het capittel steeds
te Utrecht gevestigd was, vindt men vermeld, dat hun commandeur van
Oudewater in 1559 prior van die orde was, en dat hij sterk doleerde
tegen het onregt, dat Philips II, koning van Spanje bij de invoering
der Bisdommen, die orde aandeed. [241]

Wat er van de goederen dezer orde nader gewierd, is bekend. Onder
de negen commandeurs echter, die de staten van Utrecht in 1651 nog
aanstelden, wordt die van Oudewater de tweede genoemd. [242]

De vele pogingen sedert het laatst der 16de eeuw aangewend, om van
den commandeur van St. Jans orde alhier, terwille van de behoeftigen
behoorlijke alimentatie te mogen hebben, uit de goederen van den
commandeur, of dat hij alhier met ter woon zal mogen komen en
uitdeeling aan de minvermogenden te doen naar ouder herkomen, den
16 October 1583, bij de magistraat der stad besloten, aan Willem I,
prins van Oranje te verzoeken, zijn vruchteloos geweest; zoo ook alle
latere pogingen hiertoe aangewend. [243]

Het huis der St. Jans Ridders is hoogst waarschijnlijk gelegen geweest,
voor zoover men uit oude transporten en andere stukken kan opmaken,
aan het einde van de St. Jansstraat, die voorheen een aantal huizen
bevattede en ook haren naam wel van die orde bekomen zal hebben:
alzoo aan de oostzijde der stad nabij de Wijngaard of Achterstraat,
en de nu geamoveerde Waardpoort.



Het Weeshuis.

Dit gebouw, is gelegen aan de zuidwestelijke zijde der stad, bij
de stadswal en de straat genaamd het Klooster. Het is een vrij
aanzienlijk huis, dat met zijne rood en wit geschilderde deuren en
vensters, en het omringende geboomte, een zeer lief en bevallig effekt
maakt. Voornamelijk de reuzenlinde, waarvan wij reeds vroeger spraken,
belommert met hare eeuwenheugende takken allerschilderachtigst,
dit gebouw van liefdadigheid.

De naam, die het huis draagt, drukt al dadelijk de bestemming uit,
die het eenmaal had; al ware dit echter niet zoo, dan nog zou het
opschrift, boven de poort, die naar de plaats van het gesticht leidt,
u de bestemming duidelijk maken, die men bij den opbouw aan hetzelve
toedacht.

Men ziet daar namelijk een steen aangebragt, waarop in nette vormen
eenige weeskinderen uitgehouwen zijn, die door een, in zittende houding
gestelden leermeester onderwezen worden. Onder deze ordonnantie,
leest men:


                     Bedenckt de arme weesen 1613.


Treedt men nu de voornoemde plaats over, en het gebouw binnen, dan
bevindt men zich aldra in de tegenwoordig nog zoogenaamde school, waar
de archieven van het gesticht bewaard worden en uit deze school nu
geleiden u eenige treden opwaarts naar de »regenten kamer." Hier valt
het oog al dadelijk op eenige fraaije schilderstukken, waaronder de
grootste in de eerste plaats onzen belangstelling tot zich trekt. Het
is een stuk van zekere schilder H. van Omme, vervaardigd Anno 1651,
en stelt een feestmaal voor van de weezen, die te dien tijde in het
gesticht waren opgenomen. De welgelukte ordonnantie, stelt alzoo een
schilderachtig groepje knapen en meisjes voor, met blijde gezigten en
begeerige oogen naar de stevige spijzen op de tafel starende, waarop
de strijdlustige kinderen, welligt dadelijk een dugtigen aanval zouden
ondernemen, indien niet de tegenwoordigheid van hun »vader en moeder"
een te groot bolwerk voor de anders zwakke vesting ware.

Op een deels ontrold blad papier, leest men op het schilderij nog
dit versje:


                De weesen deser stad
                In haere jonge jaeren,
                Ontbloot van oudersgunst,
                Opvoeding en bewaeren,
                Genieten in dit Huis
                Lyf- en Zielsonderhout,
                Dies syn sy schuldig,
                God te danken menigfout."


Uit deze voorstelling, ontwaart men dus met zekerheid, hoe zich de
weezen in 1651 alhier kleedden--eene bijzonderheid, die naar onze
meening, het stuk nog al eenige historische waarde bijzet.

Vervolgens bemerkt men op deze zelfde regentenkamer drie portretten,
waarop echter geen namen van schilders te vinden zijn, dat des te
meer te betreuren is, daar de eerste die wij bezien, alleruitmuntendst
van penseelbehandeling is.

Volgens de sage stelt dit portret voor, zekeren burgemeester en
volgens eene aanteekening ons van eene vriendelijke zijde geworden,
Mr. Johan de Koning, eertijds een voornaam ingezetene alhier.

Het tweede mannenportret, is de beeldtenis van Jan Frederik van
Velzen, en het derde--zijnde een vrouwenportret--van Jannigje Joostens,
hoogstwaarschijnlijk echtgenoot van den laatsten.--Deze drie personen,
hebben ieder aan het Weeshuis een legaat gemaakt, om jaarlijks op
zekere dagen, een feestmaal voor de daar aanwezige kinderen aan
te rigten.

Nog tot in deze eeuw, werden deze dagen op voornoemde buitengewone
wijze gevierd.

Uitgenomen eene ruime zaal, heeft dit gesticht overigens weinig, dat
ons kan boeijen en wij gaan dus over, nog iets omtrent het bestuur aan
het huis verbonden, en het opzigt waaronder het stond, aan te stippen.

Ten tijde van den Heer Van Kinschot (1746), kozen Burgemeesters en
Schepenen twee goede vreedzame personen, meer dan dertig jaren oud
zijnde, tot Weesmeesters.

De pligt dezer laatsten was, om opzigt te hebben over, en kennis te
nemen, van al de goederen, aankomende weeskinderen, krankzinnigen,
onnoozelen en dergelijke personen, die zich zelve niet konden besturen
en aan hunne zorg werden toevertrouwd.

Burgemeesters en Schepenen hadden tevens de bevoegdheid, deze
personen als Weesmeesters of een derzelven in hunne functie te
mogen doen blijven of veranderen, zoolang en dikwijls het deze
magistraatspersonen geliefde, en de gelegenheid van zaken het
vereischte, terwijl de Weesmeesters bij het aanvaarden van hunne
betrekking voor Burgemeesteren moesten zweeren. [244]

»Dat zij de goederen van weduwen, weezen, en andere opzigt
behoevenden, wèl en getrouwelijk zullen bestieren en administreren
of doen administreren, en regeren, mitsgaders voor zoo veel in hen
is, dezelve voorstaan. Den Schout, de Burgemeesteren en Schepenen
erkennen en respecteren, volgende de ordonnantie van de weeskamer,
en voorts alles doen, 't geen goede ende getrouwe weesmeesteren,
naar wetenschap hunner vijf zinnen, schuldig zijn en behooren te doen."

Uitgenomen de nu besproken Weesmeesters, werden er nog ieder jaar op
Vrouwe Lichtmissedag (2 Februarij) door Burgemeesters en Schepenen,
drie personen tot Weesvaders gekozen, waaruit een tot boekhouder
enz. werd benoemd, voor de administratie van de goederen van het
gesticht.

Deze Weesvaders, mogten door Burgemeesters en Schepenen
onderscheidelijk ieder jaar, of eenigen uit hun drietal in hunne
bediening achtervolgd worden, zoo als genoemde magistraten te rade
kwamen, of de gelegenheid van zaken het wettigde. De eed bij het
aanvaarden van de betrekking als Weesvader aan Burgemeesters te doen
was als volgt: [245]

»Dat zij lieden hunnen bevolen diensten wèl en getrouwlijk bedienen,
en zulks de Landen, Renten en andere inkomende goederen, aan de
voorgemelde Godshuizen behoorende, in alle getrouwheid bewaren
en beschermen, mitsgaders dezelve niet verkoopen, aliëneren of
vervreemden zullen, dan met advys van de Burgemeesteren en Schepenen,
of in gewigtige zaken [246], van de vroedschappen dezer stede. Dat
zij ook van hunnen ontvang, handelinge en administratie, zullen doen,
goede en loflijke Rekening, Bewijs en Reliqua, en voorts alles doen,
wes een iegelijk van henlieden, in reguarde van henlieder respective
diensten, schuldig is, en behoort te doen:

Op zoodanige verbeurte in opzichte van het doen der Rekeningen,
als bij de keuren gesteld is.

Terwijl over de meer directe behoeften der weezen, (verzorging,
spijziging kleeding enz.) voorzien werd, door een »binnenvader"
en eene »binnenmoeder."

En nu, sedert Ao. 1811 worden er geene weesmeesteren en naar wij meenen
ook geene weesvaderen door Burgemeesters en Schepenen meer benoemd;
terwijl men ook in Julij 1829 is begonnen, het weeshuis tot huisvesting
van behoeftigen, in plaats van het armhuis beschikbaar te stellen.

Voor ongeveer 25 jaren, werden al de zich in dit gebouw bevindende
weezen, ter verzorging en verdere opleiding naar de kolonie
Frederiksoord gezonden, terwijl eenige ouden van dagen, het huis nog
steeds met terwoon bleven betrekken, doch ook dit laatste is sedert
eenige jaren opgeheven, door het gebouw onzer beschrijving nu bijna
uitsluitend, zoodat eene oud binnenmoeder bewoond wordt.

De inkomsten, nog aan het weeshuis verbonden, worden geadministreerd
door eenige regenten. [247]

Bij de vertimmeringen van de kerk der protestanten, ten jare 1857
en 1858 werd de stadsschool als hulpkerk gebruikt, en het Weeshuis
gedurende voornoemd tijdvak, tot school geemploijeerd.

De bibliotheek van het departement tot nut van 't algemeen, afdeeling
Oudewater is berustende op de regentenkamer van het Weeshuis.

Zie hier in breede trekken wat wij van de geschiedenis van dit gebouw
konden opduiken; gaan wij thans over kortelijk nog iets van het



voormalig Arm of Ziekenhuis

te berigten.

Dit gebouw is gelegen bij het Weeshuis, ten zuiden der straat genaamd
het Klooster en ongeveer aan de Vestingwal van dàt gedeelte der stad,
waar eertijds de Waardpoort zijne spitsen verhief. Schrijvende over
de Cellezusteren, (zie bladz. 251) hebben wij reeds opgemerkt, dat de
laatsten eertijds hoogstwaarschijnlijk daarin haar verblijf zullen
gehad hebben, en wij stipten daarbij tevens aan, dat het later tot
gevangenis eenigen tijd gebruikt werd.

Het tijdvak evenwel juist te bepalen, dat dit huis tot gevangenis
diende, is ons niet gelukt te ontdekken, zeker echter is het, dat
het in 1747 gebruikt werd tot Arm of Ziekenhuis, dat men er toen
»berooide en gebrekkige ingezetenen" in voedde en oppaste, en dat
deze zorg was toevertrouwd aan het opzigt enz. van een binnenvader
en eene binnenmoeder. [248]

Sedert Julij 1829 werd het Weeshuis als zoodanig echter gebruikt, en
het Ziekenhuis dus onnoodig geworden zijnde, werd dit den 10 November
1829, door de regering der stad publiek verkocht.

De bestemming van het gebouw is sedert verdwenen, daar er tegenwoordig
eene boerderij in uitgeoefend wordt, doch vrij algemeen, draagt het
gebouw nog den naam »het Ziekhuis."



Het voormalige Gast- en Proveniershuis.

Dit gebouw was gelegen op de Wijngaard- of Achterstraat, in het oosten,
eenigzins noordelijk gedeelte der stad, de steeg voerende van de
markt naar de Achterstraat: leidde regtstreeks op het gebouw aan,
en wordt om deze reden nog de Gasthuissteeg genaamd.

Alhoewel er voor zoover mij bekend is, geen plaatje bestaat, dat
de gedaante van dit gesticht bewaart, zoo zegt ons echter de Heer
Van Kinschot [249] dat het is »een aanzienlijk en wel geordeneerd
gebouw; deszelfs voorpui is naar de Jonische orde, met blaauw steenen
kantelingen. Zoodra men inkomt, vindt men een groot plein met eene
thuin. De Regenten-kamer is regtover den ingang van het huis geplaatst,
en daar rondom zijn gaanderijen en huisjes, in één woord, het geheele
gebouw is van zoodanige constructie, als tegenwoordig de meesten der
zoogenaamde Hofjes alom gevonden worden."

De stichting van dit gebouw, dagteekent van den jare 1580, en de
stichter was heer Egbert Speijers, pastoor te Berkenwoude Oudewatersche
van geboorte, en zoon van den stads Secretaris Jacob Speijers.

Behoeftige burgers, en leden zijner familie, zoo zij tot armoede
vervielen, moesten daarin van het noodige worden voorzien en, tot
bestrijding der onkosten, besprak hij zeer schoone landerijen en
anderen inkomsten aan dit gesticht. Tevens bedong hij bij uiterste
wille, dat alle jaren op Goeden Vrijdag, aan de kinderen der
ingezetenen, zonder onderscheid van Godsdienst, die alsdan naar het
Gasthuis kwamen, brood en haring zoude uitgedeeld worden, iets dat
wij ontdekten, dat nog in 1719 geschiedde.

In latere tijden, is men met het gebruik van dit gebouw in zoover van
de oorspronkelijke bestemming geweken, dat men ook lieden bij inkoop,
verzorging en inwoning in dit huis kon verschaffen; deze personen
werden dan provenieren genoemd, en tengevolge van dien, droeg het
Gasthuis ook wel sedert dien tijd, den naam van Proveniershuis.

De regenten, waarvan er een boekhouder was, waren belast met het
beheer over dit gesticht. Hun eed voor burgemeesteren te zweeren was
gelijk aan die der Weesvaders, reeds hiervoren door ons op bladz. 259
kenbaar gemaakt [250].

Later werd dit gebouw, door de Gecommitteerde Raden van Holland en
West-Vriesland aangekocht en omstreeks Ao. 1780 verbroken. In Ao. 1786
werd de plaats waar het gasthuis eenmaal stond, aangelegd tot een
artillerie plein, waarop ten jare 1786 een zeer schoon magazijn ter
berging van ammunitie gebouwd is. Staken wij echter voor als nog,
de beschrijving van dit magazijn, totdat er, ter meer behoorlijke
plaatse, van zal geschreven kunnen worden.



Met het Gasthuis mijne lezers, zij de beschrijving der reeks kerkelijke
gebouwen, geestelijke gestichten en huizen van liefdadigheid gesloten,
en bij de beschrijving van voormeld gasthuis, geraakten wij ten slotte
van uit een liefdadig gesticht in een artillerie magazijn. Het is
daarom, dat ik u nope, met mij deze overgang te behouden en een begin
te maken, met het beschrijven van de Lands en Stedelijke gebouwen,
die verrezen zijn, ter verdediging van vaderland en stad. De poorten,
mogen als sleutelen der voormalige veste, hier dus wel het eerst in
aanmerking komen.

Uitgenomen 4 hoofdpoorten, had Oudewater eertijds nog 2 kleine poorten,
die echter alleen tot gerief der ingezetenen dienden, zoowel om op
de buitensingels als in de omliggende tuinen te komen. Zij werden
genaamd de Biezenpoort, die aan de noordwestelijke zijde der stad
lag, en de Water of Oostpoort, die aanwezig was, op het einde der
Oude Huigensteeg.

In het belang der verbeterde vestingwerken, die in de jaren 1740
en 1741 aangelegd zijn, werden deze poortjes beiden verbroken. Op
Stoop's schilderij, voorstellende de moord in 1575, ziet men hunne
gedaante en gelegenheid.

Van de genoemde 4 hoofdpoorten, gaan wij het eerst beschrijven:



de voormalige IJssel of Veerpoort.

Eigenlijk zijn er twee IJsselpoorten geweest, die echter beiden gelegen
waren, in het zuidwestelijk gedeelte der stad, bij de rivier de IJssel,
waarom zij IJsselpoort genoemd werden.

De oudste IJsselpoort, stond ten zuidwesten der Romeinbrug, naast de
nu geamoveerde Romeintoren. Hare standplaats, was alzoo van uit de
stad aan de binnenzijde van den IJssel.

Langs deze zijde der stad, was Oudewater dus niet zoo groot als
tegenwoordig, want de IJssel, die nu door de kom der gemeente aan twee
zijden begrensd wordt, was toen ter tijde de natuurlijke grens van
Oudewater ten Oosten en zekere streek genaamd het veer of IJsselveer
ten Westen; van daar, dat men haar ook de Veerpoort noemde.

Deze streek genaamd het Veer, kwam echter bij octrooi der staten van
Holland dd. 2 November 1585 [251] onder het regtsgebied van Oudewater,
werd later binnen de stadswallen getrokken en van dien tijd moest
de tweede IJsselpoort, dus gebouwd worden, van uit de stad, aan de
buitenzijde van den IJssel.

Deze poort, waarin de bezetting de hoofdwacht hield, was aan de
stadzijde, naar de Dorische orde gebouwd, terwijl de gevel voorzien
was, met de wapenen der steden Delft, Oudewater en Alkmaar.

Ten jare 1779 werd deze poort afgebroken en weder opgebouwd, doch de
hoofdwacht werd sedert verlegd, in een daarnevens geplaatst gebouw,
waarvan wij ter behoorlijke plaatse zullen schrijven.

De IJsselpoort, zoo als wij schreven in het laatst der voorgaande
eeuw gebouwd, was echter reeds in 1815 bouwvallig geworden, van daar,
dat men in laatstgenoemd jaar het bovengedeelte afbrak, en men van
toen alleen als IJsselpoort, twee ongewelfde steenen muren door een
hek gesloten, te beschouwen had.

Wederom ter oorzake van bouwvalligheid, besloot men in 1856 dit
gedeelte der poort te verkoopen, waarop nog in het zelfde jaar de
afbraak volgde; alleen twee net bijgepleisterde steenen muurtjes,
waarvoor nog altijd twee kanonnen geplaatst staan, roepen als nog:
hier verhief zich eenmaal de Veer of IJsselpoort.



De voormalige Broekerpoort.

Zij lag aan de noord westzijde der stad, insgelijks kort aan
den IJssel. Haar uittredende, voert de weg u naar de boerenbuurt
Diemerbroek en ongetwijfeld is zij haren naam daaraan verschuldigd,
zoo ook de Broekerstraat nabij deze poort gelegen.

De binnen en buitengevel van dit gebouw, waren eertijds versierd
met fraaije hardsteenen kantelingen; later zijn deze weggenomen,
en de vier zijden met een Italiaansch dak toegekapt.

Deze poort deelde Ao 1856 in hetzelfde lot van hare zuster de
IJsselpoort; ook zij werd publiek verkocht en tengevolge van dien
gesloopt. Voor zoover wij konden nagaan, vindt men niet aangeteekend,
noch bij eenig schrijver noch in eenig stuk op het gemeente archief,
van wàt jaar deze poort dagteekende en dewijl er ook op het gebouw
zelf, zich in onze dagen geen jaartal vertoonde, is deze poort
gevallen, zonder den naneef te bevredigen, als hij vraagt, in wat
jaar verrees aan de noord westzijde van Oudewater de Broekerpoort?



De voormalige Linschoterpoort.

De Linschoterpoort stond aan de noordoostelijke zijde van Oudewater
en verschafte den uitgang naar de boerenbuurten, de heerlijkheid,
en het dorp Linschoten waarnaar zij dus genoemd werd.

Zij werd veranderd van een slot tot poort, in het jaar 1672, zooals
ten duidelijkste bleek uit het volgende opschrift in de architraaf
van het gebouw aan de stadzijde uitgehouwen, en door ons vóór de
amovering nageschreven:


            DEN EERSTEN (STEEN) VAN DESE POORT HEEFT GELEYT
            CORNELIUS AMELIUS, SONE VAN MR. JOHAN DE KONINCK
                        OP DEN 6 APRIL Ao. 1672.


Zij was gebouwd naar de Dorische orde, voorzien met drie kruisboogen
waarin de hameije even als in al de overige poorten niet ontbrak,
en had ruim 47 voeten lengte.

Vooral aan de buitenzijde, was het een allerschilderachtigtst
poortje met zijne gaanderij en vier bevallige boogen of openingen,
die een riant vergezigt over het omliggende landschap aanboden, en
haar vriendelijk voorkomen werd niet weinig verhoogd, door de met
vijf boogen voorziene brug, die er vóór lag. Zóó vertoonde zich een
en ander tot in 1857, als wanneer in Augustus des laatstgenoemden
jaars deze poort en die brug, publiek werden geveild en verkocht,
de poort voor 660 en de brug voor 110 Gulden [252].



De voormalige Waard of Utrechtsche poort.

Deze is de laatste der vier hoofdpoorten, die ons nog ter beschrijving
rest. Zij stond aan het zuidoostelijk gedeelte der stad, voerende
naar de buurt Snelrewaard en naar de stad Utrecht en hierdoor is ons
hare naamreden dus niet twijfelachtig.

Dit gebouw had eene lengte van 11 1/2 bij een breedte van 6 1/2 Ned. el
terwijl haar verwulfsel met drie kruisboogen gemetseld was. Ook
deze poort kon op fraaiheid aanspraak maken. Aan de binnenzijde
zag men in den gevel in het midden, het wapen van Oudewater, aan de
regterzijde dat van Delft en ter linker, dat der stede Alkmaar net
in Bentheimersteen uitgehouwen met het jaartal 1607, terwijl aan
de buitenzijde der poort, de hollandsche leeuw was aangebragt, met
het onderschrift Hollandia en insgelijks met voornoemd jaarcijfer,
dat het tijdstip der stichting dezer poort aanduidde.

Later zullen wij trachten te ontvouwen, waarom men de wapens dezer
drie voornoemde steden, zoowel op de twee reeds genoemde poorten,
als op andere openbare gebouwen in Oudewater en in de twee andere
steden aantreft; doch mij dunkt die hollandsche Leeuw daar buiten, aan
de Waardpoort hij had zoo zeer zijne beteekenis, Oudewater had, zoo
dikwijls met het trotsche Sticht in onmin gelegen, en de Stichtschen
zij hadden het ook menigmaal met groot verlies ondervonden, als zij
met die van Oudewater streden! mij dunkt die Leeuw met zijn opgeheven
klaauw, stond daar zoo tergend voor die van Utrecht juist aan die
zijde van het gebouw, dat bij andere poorten, dat voor--of tegen--had,
dat zij meest uitsluitend naar de provincie Utrecht voerde! [253]

Nog ten tijde van den Heer Van Kinschot (Ao. 1746) was deze poort
ter linkerzijde van uit de stad, voorzien met een spits torentje,
deze spits is er van echter reeds ten jare 1784 weggebroken.

In het jaar 1607, dat van den bouw der poort, werd ook de nu
sedert lang gedempte brug met 5 boogen, die er eertijds vóór lag
gebouwd. [254] Ook hiervoor is in de plaats gekomen, eene kleine brug
voor de communicatie te water in de stadsgrachten.

Niet onvermeld mogen wij laten, dat deze poort min of meer langen tijd,
tot gevangenis voor militairen is gebruikt geweest.

Maar in Augustus 1857, werd ook deze poort in publieke veiling
gebragt en verkocht voor f 760,00 en eenigen tijd daarna werd slooping
bewerkstelligd [255].

Oudewater in anno 1265 tot een stad gemaakt [256] was in 1858 veranderd
in een soort van vlek!



Deze vier poorten, behoorden, toen de vesting in welstand was [257]
aan den staat, zoodat dan ook van Landswege in 1815 de IJsselpoort
gesloopt werd. Spoedig zou het ook toen reeds, de beurt aan de drie
anderen geweest zijn, waren zij niet ten jare 1821 door de stad van de
domeinen gekocht, alleenlijk om het amoveren derzelve te voorkomen. Men
is later ook van stadswege tot andere gedachten gekomen, want wij
hebben het einde van al de poorten gezien!



Het is dikwijls voor ons een strijd, tusschen oudheidgevoel en
belang voor onzen tijd, als wij een fraai monument zien verbreken,
dat voorheen zijn nut had, doch door de verandering van tijden,
tegenwoordig tot niets meer dient. Zoo ook ondervonden wij dat gevoel,
toen de drie laatste schilderachtige poortjes onder den moker des
sloopers vielen.

Als oudheidminnaar, kon het niet anders, of het moest ons pijnlijk
aandoen, deze grijze sleutelen der stad, die de stomme getuigen
waren van zoo veel lief en leed der burgers die zij omsloten, door
den slooper te zien vallen. Zij worden vermoord, dachten wij, niet
door het geschut des vijands maar door hare eigene burgers!

En dan als zoon der 19 eeuw, kwam daar eene stemme tegen, en ik
moest zeggen en beamen met onzen tijdgenoot, zoowel voor deze als
zoo vele onnut geworden poorten: valt, gij steengevaarten aan onze
steden, gij belemmert ons het uitzigt naar Gods vrije natuur. Valt,
gij zijt noodeloos in onzen tijd, de burgers van Nederland behoeven
niet meer, al is het ook bij nacht, uit de veste gesloten te worden,
zij mogen geen schatting meer opgelegd worden, als zij niet aan de
uitnoodiging van het luiden der »poortklok" gehoorzamen [258]. Valt
nietige gebouwen, de hechtste vestingen, door de natuur en de kunst te
zamen gevormd en volmaakt, zijn niet bestand tegen eene tegenwoordige
hardnekkige belegering, ook gij dus niet zwakke monumenten van
vroeger tijd! valt, de 19 eeuw, die spoorwegen en telegraphen heeft,
die de landen en landen als een maken, en de afstand van werelddeelen
en werelddeelen als doen verdwijnen, zij gedoogt niet langer, dat de
burgers van een vrije staat, niet ten allen tijde bijeen kunnen komen,
waar de communicatie naar den vreemde, ook in ons Nederland op zoo
groote schale van toepassing gebragt is.

Valt dus poorten valt, als onnut in onzen tijd, valt overal waar gij
u bevindt aan opgeheven vestingen, want door u in stand te houden,
bezwaart men de gemeentenaren met noodelooze schattingen voor uw
onderhoud benoodigd!



De poorten beschrijvende, hebben wij onwillekeurig gewag moeten
maken van den Romeintoren, het slot of kasteel en de hoofdwacht,
en aangezien allen in deze rubriek ter beschrijving voegen, willen
wij het eerst iets vermelden van



de voormalige Romein of Gevangentoren.

De Romein of Gevangentoren, was gelegen ten zuiden der Romeinbrug
aan de IJsselsluis bij den mond der stadshaven.--Het was een zeer
oud gebouw, had een vierkante gedaante, en was nog in 1746 met een
plat overwulfd, van waar men een ongewoon fraai gezigt, zoowel naar
de stad als over den IJssel had. Later echter, heeft men dit gebouw,
met een kap of dak van blaauwe pannen voorzien.

De éénige deur, die in het gebouw van buiten was aangebragt, bevond
zich aan de oostzijde; deze doorgaande, geleidden u eenige treden
opwaarts weder aan eene deur, die de toegang tot het eigenlijke
interieur van dezen toren was.

Men verwonderde zich, wanneer men van buiten den vrij aanmerkelijken
omtrek van het gebouw had gadegeslagen, over de geringe ruimte van
binnen, doch als men dan in aanmerking nam, dat zijne muren eene
meer dan Ned. el dikte hadden, dan verdween spoedig deze twijfel. Dit
gedeelte van het gebouw was slechts met een lucht, dat tevens lichtgat
was, voorzien, en mogt dus reeds op een geschikte gevangenis aanspraak
maken; doch was de misdaad groot, en de persoon gevaarlijk, dan werd
het luik geopend, dat zich in dit locaal bevond, en een vochtige
kelder, bewaarde alsdan den misdadiger zeker en streng. Bij hoogen
waterstand van den IJssel moest de ongelukkige de wijk op een zich daar
bevindende ladder nemen, ten einde het binnendringende IJsselwater,
aan wiens voet het gebouw aan de noordzijde gebouwd was, te ontvlugten.

De naam Gevangen Toren, komt dus wel niemand meer onduidelijk in
zijnen oorsprong voor.

Zijne benaming van Romeintoren, is niet zoo zeker op te lossen.

De Heer van Kinschot meldt op bladz. 50 zijner beschrijving van
Oudewater aldus: »Zij is van ongemeene groote steenen opgemetseld, en
men meent op goede gronden, dat deze ten tijde der Romeinen gebouwd,
en alsdan een Wachttoren geweest zij, die vervolgens ook tot een
tolhuis, als te dien tijde gelegen ter zijde der IJsselpoort op en
aan de Rivier de IJssel zoude gedient hebben."

De mogelijkheid, dat het voor tolhuis gediend heeft, willen wij niet
ontkennen alhoewel wij het nog niet aannemen, doch te betreuren is het,
dat de heer Van Kinschot t. a. p. zijn »goede gronden" niet aanhaalt,
waarop hij meent, dat deze door de Romeinen gebouwd zou zijn, en hun
tot een wachttoren gediend zou hebben.

Wij voor ons, meenen zelfs goede gronden te kunnen aanvoeren, om te
beweren, dat het gebouw onzer beschrijving, niet door de Romeinen
gebouwd is, doch van uit de middeneeuwen en niet ouder dagteekent,
en dat het een verdedigingstoren, een wachthuis en gevangenis in of
bij »der stede muer" geweest zij.

Uitgenomen nog de vooronderstelling voor een verdedigingstoren uit de
middeneeuwen, mij ook mondeling door den zeer bekwamen archeoloog
Dr. Jansen, Conservator van het museum van Oudheden, te Leiden
medegedeeld, schijnt onze meening bevestigd te worden, uit den
stevigen bouw van het voorwerp onzer beschrijving--muren toch van
meer dan een Ned. el dikte, hebben nog al iets kunnen wederstaan.

De muren van dezen toren, waren van groote roode steenen opgetrokken,
en de Romeinen bouwden in ons land immers meestal van Duifsteen,
gelijk wij reeds vroeger hebben opgemerkt.

De Romeintoren [259] stond eertijds in, zeker echter aan der stedemuur,
en dit zet onze bewering niet weinig klem bij. Laat ons die stedemuur
eens zoo wel mogelijk volgen van de Linschoter tot aan de IJsselpoort
[260] ten tijde, dat de laatste, toen nog bij de Romeintoren stond,
dan zal over een en ander nog meer licht gespreid worden, indien
wij het aantal torens in der »stedemuur" vermelden, in 1542 nog in
dezelve aanwezig [261]


             1 Linschoeten poort.
             2 Toerentge aft adriae goessesz.
             3 Toerentge aft 'tgastuys.
             4 Nyeuwe toern.
             5 Toerentge after Meeus Huygesz.
             6 Dat outaer.
             7 De Weerdenpoort.
             8 Doode luydentoern.
             9 Koentgestoern.
            10 IJsselpoort.


De Romeintoren nu, stond zoo als wij reeds meermalen opmerkten, in
of bij de stadsmuur [262] aan de IJsselpoort. Van veel gewigt als
deze plaats was, uit een oogpunt van verdediging, zoowel om de poort
zelve, als de vereeniging van IJssel en haven, moest dáár vooral de
toren hecht en sterk van bouw zijn.

De meening, dat zij van Romeinschen oorsprong zou zijn, wordt dus
naar onze bescheiden meening door een en ander ontzenuwd. De naam
Romeintoren, gaf aanleiding tot deze vooronderstelling, doch al werd
in oude bescheiden, de nevens liggende brug niet dikwijls Remijnsbrug
geheeten, dat toch weinig van Romeinbrug heeft, dan nog zou de naam
Romeintoren, met eenig regt kunnen voorondersteld worden zijn oorsprong
te hebben, van eenig persoon die Romein of Remijn heette. Dat dit toch
geen zeldzaamheid was, zag men duidelijk hiervoren aan de benamingen,
toerentge aft' adriae goessesz en toerentge after Meeus Huygesz.

Wij hebben uit een en ander nu kunnen nagaan, dat de meening,
dat dit gebouw uit de middeneeuwen en niet ouder heugt, [263] en
gediend heeft ter verdediging, tot wachtplaats en gevangenis, naar
ons oordeel vrij voldoende gebleken is, 1. uit zijne gelegenheid,
2. uit zijne constructie en ten 3. uit de materialen waarvan het
gebouw was opgetrokken. [264]

Toen nu in later tijden, met de verandering der stedemuur in wallen,
al de torens, die zich van afstand tot afstand in de vesting bevonden,
verbroken werden, omdat men in de latere vestingplannen deze menigte
torens als onnoodig beschouwde, is het echter gemakkelijk te begrijpen,
dat de Gevangentoren gespaard bleef. De streek genaamd IJsselveere
werd, zooals bekend is, aan de vesting getrokken, alzoo kon er geen
sprake zijn, dat deze toren, om de aan te leggen vestingwallen moest
wijken, daar de laatsten nu langs deze zijde ongeveer 80 Ned. ellen
uitgelegd werden. Daarbij was hij immers hoogstwaarschijnlijk toen
reeds, gelijk nog in onze dagen, tot gevangenis bestemd, waarvoor zeer
pleitte, de donkere ronde kelder die wij reeds hiervoor beschreven
en ten tijde van zijnen opbouw daarin was aangebragt, zooals met het
grootste gemak was op te merken. Alzoo dan, nemen wij aan, dat zij
gespaard bleef tot in onzen tijd, èn omdat zij bij de uitlegging
der veste kon blijven staan, èn omdat men eene gevangenis steeds
noodig had.

Zóó bleef dan dit gebouw gedurende eeuwen achtereen in wezen en juist
daardoor was zijn ontstaan achter de graauwe tijdnevelen zoo duister
verborgen. Nogtans wij hebben gepoogd het twijfelachtige van »wanneer"
op te lossen in het bevestigende »toen"! Mogte het ons gelukt zijn! de
lezer oordeele.

Doch, de tijden veranderen, en de menschen met hen; nadat het gebouw
den sloopenden tand des tijds gedurende zooveel eeuwen had wederstand
geboden, moest ook hij vallen onder het vernielende staal des sloopers.

Te gelijk met het torentje van het St. Ursula convent en de Linschoter
en Waardpoorten werd in Augustus 1857 de Romeintoren tot afbraak
verkocht, en wel voor de som van 230,00 Gulden.

Reeds den 20 Augustus deszelfden jaars sloeg men den moker aan het
grijze monument. [265]--Weken en weken, heeft men op zijne breede
hechte muren moeten breken voor men aan den grondslag van het gebouw
genaderd was, als gedacht hij het doel zijner stichting, en, als
tergde hij zijne sloopers met vasten wil en fieren hoogmoed, gelijk
zoovele strijdlustige poorters uit het tijdvak van zijne geboorte,
zich voornamen en ten uitvoer bragten het leven zoo lang mogelijk te
rekken, doch ook zoo duur mogelijk te verkoopen.



de Hoofdwacht.

Zooals wij reeds opgemerkt hebben, bevond zich hoogst waarschijnlijk
eertijds de hoofdwacht in de bij de IJsselpoort liggende Romeintoren.

Stellig echter weten wij, dat zij aanwezig is geweest in de tweede
IJsselpoort, die later op het oude IJsselveer gebouwd is. [266]
Toen deze laatste echter in 1779 werd verbroken--hoewel later
weder opgebouwd--bouwde men in het zelfde jaar ten zuidoosten der
IJsselpoort, een uitsluitend tot hoofdwacht bestemd gebouw.

Dit net gebouwtje, dat nu aan de gemeente behoort, werd natuurlijk
als hoofdwacht nutteloos, toen Oudewater ophield, onder de rei der
vestingen te behooren.

Tegenwoordig wordt het door een stadsagent bewoond en er tevens eene
kleine nering in uitgeoefend.



Het voormalig Casteel of Slot.

»Dat alhier een kasteel of slot geweest is," schrijft de heer Van
Kinschot op bladz. 24, »getuigen vele schrijvers, en is ook zeker,
doch de tijd, wanneer en door wien het gebouwd werd, wordt nergens
gevonden."

Ook wij nemen zulks aan, doch brengen met dit bedoelde kasteel
niet in verband, gelijk voornoemde schrijver, de regelen van den
vaderlandschen historicus Matthijs van der Houven die gewaagt, »dat
in 't kasteleinschap van Oudewater op den IJssel het oude kasteel
plag te liggen, doch, dat het in zijn tijd niet meer in [267] wezen
was." [268] Deze regelen toch hebben betrekking op het kasteel te
Vliet in Roozendaal bij Oudewater dat op den IJssel ligt, en waarvan
de ruïne nog bestaat. [269]

Wij begrijpen te minder, hoe van Kinschot deze regelen van Van der
Houven op het Slot van Oudewater kon toepassen, daar hij reeds
op de volgende bladzijde (25) weder omtrent hare ligging--en nu
teregt--schrijft:

Dit Slot heeft eertyds gestaan aan de Noort-Oostzyde van de Stad, by en
omtrent dezelfde plaats, alwaar nu de Linschoter-Poort is gelegen. De
Regeering verzogt zyne Keyzerlyke Majesteit, als Graaf van Holland,
in het jaar 1533, om dit Slot tot eene Poort te maaken, het geen zy
verwierven, onder deze verbintenisse, van dat zy ten allen tyden op
de eerste aanmaning van zyn Keyzerlyke Majesteit of zyne nakomelingen
Graaven van Holland, die Poort van Linschoten op haare kosten weder
tot een Slot herstellen zoude, waarvan de verbindenis Luidt, als volgt:

»Wy Burgemeesteren, Schepenen, ende Raiden der Steede van Oudewater,
doen te weeten, ende bekennen mits deezen onsen Brieve, Dat Alsoe
die Keys: Majt. belieft heeft tot onsen ernstigen vervolghe ende
Sollicitacie te accordeeren. Dat die Poorte van Linschoten, in
voir tyden gemaict tot een Stercte of Slot, weder toegemaect sal
worden tot een Poirte van de voirsz: Steede, gelyk die in voertyden
plach te syne, mits dat wy 't selve becostighen souden, ende aan syn
Majt. reserveerende 't Logys van dezelve Poorte voir syne officier off
andertsins, ende mits oick, dat syne Majt. die voirsz: Poirte weder
sal mogen maken tot een stercte als 't zyne Majt. of zyne nakomelingen
Graaven van Hollandt believen sall, ende van als: geve onse behoirlicke
brieven, wy dancken zyne Majt. van desen voirsz: Consente ende Gracie,
hebben nair voorgaande Communicatie gehouden mitten Rycdom ende
Vroetschap derzelver Steede, beloeft hebben ende beloeven mits deesen,
dat wy der voirsz: Poirte sullen doen repareeren ende maken mit dueren,
valle bruggen, ameyden ende anders ter ordonnantie van mynen Heere,
Heeren Anthonis van Lalaing, Grave van Hoochstraaten heer van Montigm:
en Stadthouder Gnrael: der voirsz. Landen van Hollandt of zyne E:
Gecommitteerde als van nooden weesen sal ome: daar duer vuyt en:
in der voirsz: Stede te ryden en passeeren: behouden den Keys:
majt. 't Logys van den voirsz, Poirte tot zyne Majt. beliefte, ende
diezelve Poirte zyn, Keys: Majt. of Nakomelingen te laten volgen,
ome: dair van een Stercte weder gemaict te werden als wy dair toe
van syne Majt. of syne Erffgenaamen wegen vermaant sullen worden,
sonder daar tegens te doen in eenigerleie manieren.

»Des 't oerconden, hebben Wij Burgemeesteren, scepenen en Raeden
der Voersz. steede, onser steede zegel hier aangehangen den achtsten
dach van April in 't jaer ons Heeren duijsend vijf honderd drie en
dertich na scrijven der kerk van Utrecht ende ons voorsz. steede,
ende stonde onder geteekend

    R. X. Speijert."


Men zou wanen, dat het vermaken van het kasteel tot poort, ingevolge
deze verbindtenis, spoedig zal hebben plaats gehad, wij kunnen
dit echter met zekerheid tegen schrijven. Immers ziet men dit ten
duidelijkste, in de resolutien van den magistraat en »uit zekere
oude lijst van gedane bekendmakingen, ter secretare van Oudewater
berustende," [270] waaruit blijkt, dat de Baljuw den 14 April des jaars
1585, eerst heeft doen bekend maken, dat hij des anderen daegs ten
thien uuren voor de middag wilde besteden het afbreken van 't kasteel
bij de Linschoter poort bij perseelen, baecken om de derden steen
ofte andersints, alles achtervolgende de Conditien en Voorwaerden,
die men alsdan opleesen soude, met bijvoeging, dat dengenen, die in
eenig werk gading had, ten voorsz. tijde koomen soude bij de Linschoter
poort ende bedingen goed loon.

Alzoo eerst 52 jaren na de meergemelde verbindtenis werd dit kasteel
geamoveerd [271].

Zooals reeds werd beschreven, ontbreken zoowel de naam van den
stichter als de tijdsaanduiding van de stichting van dit kasteel;
een geloofwaardig persoon verzekerde ons echter, dat hij ergens had
aangetroffen, dat er in zeer oude tijden alhier woonachtig geweest
waren de vrijheeren van Oudewater dat nu zoo zijnde, zou er ten
minste over den naam des stichters eenig meerder licht verspreid
worden. Hoe het echter zij, ten jare 1527 vinden wij vermeld [272] dat
kastelein van Oudewater was Jonkheer Jan van Vliet, schildknape die als
»Castelein van het sloth van Oudewater aangesteld werd den 3 November
1519 by Kaerle, by der Gratiën Godts koninck van Castilien van Leons
etc. volgens Commissie geregistreerd, en te vinden, in 't blaauwe ruige
register [273] fol. 34 en in 1555 wordt als zoodanig gewag gemaakt,
van Jonkheer Pieter van Cats, maarschalk van Montfoort. Aangezien
nu beiden tevens bailluwen etc. van Oudewater waren, en beiden in
hetzelve zijn woonachtig geweest [274] zoo komt het ons voor, dat het
geslacht der vrijheeren van Oudewater uitgestorven zijnde, later het
slot van Oudewater tot woning zal aangewezen zijn, voor de Baljuwen
van Oudewater die toen tevens aangesteld werden als Castelein. [275]

Later toen ook de Linschoter poort in 1857 werd verbroken, die zooals
wij weten van slot tot poort werd gemaakt, ja toen viel het ook aan
de zigtbaar geworden zware muren en de groote roode steenen, waarvan
die waren opgetrokken, gemakkelijk te bepalen, dat de sloopers daar
te doen hadden, met muren van het oude slot of kasteel!



Het voormalig Arsenaal te Oudewater.

Het gast- en proveniershuis beschrijvende, zagen wij dat dit gebouw
door de Gecommitteerde Raden van Holland en West-Vriesland aangekocht
zijnde, omstreeks 1780 verbroken en in 1786 aangelegd werd, tot een
Artillerie plein waarop een zeer schoon Arsenaal of bergplaats voor
ammunitie in hetzelfde jaar 1786 getimmerd is. Niet langer dan 28
jaren heeft dit Arsenaal in aanzijn mogen wezen, daar het ten jare
1814 verbroken werd en men het terrein Anno 1817 tot plantage heeft
aangelegd. In 1822 dit plein aan de stad gekomen zijnde, heeft men
dezen grond in 1856 in erfpacht gegeven, waarna later spoedig, daarop
een aantal huizen voor min gegoeden gebouwd zijn.



's Lands voormalig Magazijn van Oorlog.

Dit fraai gebouw, stond eertijds aan de zuidzijde van de stad, in
de straat genaamd het klooster bij het weeshuis. Het had eene lengte
van 138 bij een breedte van 22 voeten [276].

Wanneer hetzelve gebouwd werd, kunnen wij niet met zekerheid
bepalen. Omtrent zijne slooping echter verkeeren wij niet in het
onzekere, deze had in 1820 plaats.



Het voormalig Kruidhuis.

De kruidtoren was gelegen, in een »halve maan" der vestingwerken in
het noordwestelijk gedeelte der stad. De heer Van Kinschot schrijft
in 1746, »dat het binnen weinige jaren gebouwd is."

De amovering van het kruidhuis geschiedde ten jare 1820, als wanneer
het even als het magazijn van oorlog, door de administratie van
's lands domeinen werd verkocht.



De Barak of Caserne.

De Caserne, gelegen aan de westzijde van den IJssel was 168 voeten lang
en 30 voeten breed, terwijl dezelve in 24 vertrekken verdeeld was. Zij
werd voor stads rekening gebouwd, en bij aanbesteding aangenomen voor
eene som van f 14,200; deze gelden zijn voor het grootste gedeelte,
door de burgerij vrijwillig, tegen eene interest van 4% gefourneerd.

De eerste steenen aan dit gebouw werden gelegd, op den 29 Mei 1798
door A. M. Montijn, Jan de Keiser Jz. en W. Putman, zoo als op een
steen in den voorgevel aangebragt, te zien is.

Sedert het jaar 1811 wordt dit gebouw, door particulieren bewoond,
terwijl het in 1856 in het openbaar werd verkocht, en het gebouw dus
nu eigendom van particulieren geworden is.



De schuttersdoele.

Reeds in het jaar 1501 vinden wij gewag gemaakt van het volgende
octrooi voor de »voetbooghschutters van St. Joris Gilde" te
Oudewater. Uit dit octrooi bekomen wij echter de verzekering, dat zij
reeds lang vóór genoemd jaar zich te dezer plaatse bevonden en hun
aantal op het genoemde tijdstip niet minder dan 80 tot 90 bedroeg. Wij
laten dit octrooi nu volgen:


    Philips, by der Gracie Goids, Eertshertoge van Oistenryck &c. onsen
    lieven en getrouwen Raedt ende Tresor. Gnerl: van allen onsen
    Domeynen ende Finan: Jeronimus Lauwerin; Saluyt ende Dilectie.
    Wy hebben ontfaan die oidmoedige Supplicae. van onsen welgheminden
    die Burchers der stede van Oudewater over ende in den naame van de
    Handboech-Schutters van den Ghilde van St. Joris der voirsz: Stede,
    inhoudende, hoe deselve gelegen is op tie Frontiren van onsen Lande
    van Holld. strekkende aan den Gestichte van Utrecht ende Lande van
    Gelre, dewelke na den overlyden van wylen onsen lieven Heer ende
    Grootevader Hertoge Karel van Bourgn. Zaliger gedagten, veel groote
    sware lasten en costen gehad ende geleeden hebben van diverse
    Oirloogen, niet alleen van den Oorloge van Utrecht, maar alle andre
    die geweest zyn in onse voirsz. Lande ende Graaflicheyt van Holland
    als oick in de voirsz. Lande van Gelre, Ende hebben de voirsz:
    Suppliante tot seekerheyd van der voirsz: Stede van Oudewater
    opgesteld 't voirsz. Ghilde van St. Joris van den Voetboech
    Schutters, tot in den getale van tagtigh of tnegentigh persoenen,
    om welke ghilde ende gezelschap 't onderhouden by Hertoge Philips
    ende andre onse Voorvaderen, die voorsz. Supplianten verleend ende
    gegeven hebben geweest Vyff ende Twintig Cliuts 't s'Jaars tot XXX
    Gron. 't stuk, dewelke sy den voirsz. Supplianten beweesen hebben
    gehad te ontfaan by handen van den Rentmeester 't s'Lands van
    Woerden, ende hebben 't selve alsoe gebruyckt tot in den Jaar toe
    van LXXVIIJ. Dat die geroyeerd zyn geweest by gebrek van nyeuwe
    brieven van gfirmatien van wylen onse lieve Vrouwe ende Moeder die
    Eertshertoginne Saliger gedagten. Ende in den Jaar van LXXXVIJ.
    soe zyn die voirsz. XXV. Cliuts s'Jaars den voirn. Schutters
    weederome beweesen geweest op den Rentmeester van den Beede in
    Holland, als doe wesen uyt kragte van nyeuwe brieven van
    Confirmacien van mynen Genadigen Heer ende Vader myn Heer den
    Coninck, sedert welk tyt tot in den Jaar toe van XCIIJ. de voirsz.
    Schutters niet meer betaald en syn geweest, mits datter gheen
    Beede in Holland ende Vriesland daar en binnen loop gehad en
    heeft, ende hoewel dat seedert den voirsz. Jaar XCIIJ. diversche
    Beeden in Hollandt loop gehad hebben ende nog doen, nochtans en
    hebben die voirn. Schutteren van den voirsz: XXV. schilden binnen
    derselver tyd niet ontfaan, overmits dat sy van huer voirsz.
    ghifte tot nu toe gheen gfirmacie verkreegen en hebben. Twelke
    hem compt ende keert, tot grooten hinder schade en achterdeele,
    ende meer sal er werde hen by ons hier op niet voirsien van onse
    gracie ende behoorlick provisie alsoo zy seggen, Ons zeer
    oidmoedelick daar ome biddende, SOE IS 'T dat wy die saken voirsz.
    overgemerct, ende daar op gehad 't advys, eerst van onsen lieven
    ende getruwen, die Luyden van onse Reekn. in den Hage, ende daer
    na van u, wy hebben den voirn. Schutters van St. Joris Gilde, in
    onze voirsz. Stede van Oudewater, genegen wesende ter Beede ende
    begeerte van de voorn. Supplianten, ende ten eynde dat sy te bat
    gehert mogen syn te verstaan tot bewaaringe ende seekerheyt van
    de selver onser Stede van Oudewater daer veel belancx in leyd die
    Brieven van Gifte ende Octroye van de voirsz. vyff ende Twintich
    Scilden 'tsjaars, henl. gegonnen ende verleend by onsen voirsz.
    Voirders als voirsz. is, geconfirmeerd, gevesticht ende belieft,
    ende vuyt onsen rechten wetentheyt ende zonderlinge gracie,
    confirmeeren, vestigen ende believen, mits desen onzen Brieve,
    Ende op dat s'noot sy, hebben hen die selve XXV. scilden 's jaars
    van nieuws gegonnen ende verleend, gonnen en verleenen mits deesen
    onsen voirsz. Brieve, om die van nu voortaan Jaarlicx te hebben,
    ontfangen ende gebruyken van de Penn. comende van onsen Beden die
    in onsen voirsz. Landen van Holland en Vriesland loop hebben
    sullen, ende by handen van onsen Rentmeester van denselven Beden
    in den quartier van Noort-Holland jeegenswoerdich ende toecomende
    soe lange als 't ons gelieven sal, ontbieden u daar ome ende
    beveelen dat by u doende die voirsz. Schutters gebruyken van onse
    voirsz. Gracie, Confirmacie ende nieuwe Ghifte, ghy hen doet van
    nu voortaan Jaerlicx uytryken ende betalen of 't huren sekeren
    Bode voor hen de voirsz. XXV. scilden 's jaars by handen van onsen
    Rentmeester van Holland in 't Quartier van Noortholland voirsz.
    jegenswoerdich ende toecomende, ende van de Penningen van synen
    ontfange comende van onser Beede aldaar, soo lange als 't ons
    gelieven sal, als voirsz. is. Denwelken onzen Rentmeester
    jegewoerdich ende toecomende wy selve beveelen mits deesen dat
    alsoe te doene, ende mits overbreyngende desen onsen
    jegenwoerdigen Brieff Vidimus ofte Copye Auctentyk van dien,
    mitsgaders van de andere Brieven van Ghiften ende Confirmatien
    boven geroerd, voor een ende d'eerste ryse en soe menich werff
    als 't van nooden weesen sal, deuchdelick genieten van de voirn.
    Schutters van de voirsz. XXV. scilden 'tsjaars, alleenlick wy
    willen dat al 't geene des hen daar aff gegeeven ende betaald
    sal worden geleeden ende gepasseerd zy in 't uytgeven der
    Reekeningen van onsen voirsz. Rentmeester van onsen Beden van
    Holland in den Quartier van Noortholland voirsz. jeegenwoordich
    ende toekomende, die 't betaald sal hebben, by den voirsz. Luyden
    van onsen Rekeningen in den Hage, denwelken wy oock bevelen by
    desen, dat alsoe te doene, sonder eenighe zwaricheid ofte
    wederseggen ter contrarien, want ons alsoe geliefd, niet
    jegenstaande eenige Ordonnantien, Restrinctien, geboden oft
    verboden ter contrarien, Gegeeven in onser Steede van Brugge,
    den lesten dach van April in 't Jaar ons Heeren Duysent vyff
    honderd ende een, Aldus geteykend by mynen Heer den Eertshertoge
    Jeronimus Lauwerin Tresorier Generaal van de Finan: ende andre
    jegenwoerdich, Hanneton. Ende op ten rugge van deesen Brieve staat
    gescreven dat hier naar volcht. De Tresorier Generaal van de
    Domeynen ende Finantien myns Genaden Heer des Eertshertoge van
    Oistenryck, Hertoge van Bourgondien, Jeronimus Lauwerin consenteerd
    alsoe verre als in hem is dat 't inhouden in 't Witte van desen
    jegewoordigen volcomen zy naar zyne vorme ende inhouden, alsoe ende
    by der manieren dat deselve myne Geduchtegen Heer wil ende beveeld
    gedaan 't fyne by deselve, Geschreven onder 't handteyken van den
    voirsz. Tresorier General den tweesten dach van Meye in 't Jaar
    Duysent Vyff Honderd ende Een.

        Aldus geteykent,
            LAUWERIN.


Vervolgens berust er op het gemeente archief een ordonnantie voor de
schutters van den »edelen Cruysboog" dd. 26 Augustus 1597, die wij
echter om hare uitgebreidheid niet mogen overnemen. Voorts wordt nog
in verscheiden keuren van deze schutters gewag gemaakt.

Op het stadhuis wordt nog een fraaije vlinder bewaard, die men denkt,
als insigne van de voetboogschutters van St. Joris Gilde gebruikt
te zijn.

Omtrent de schuttersdoelen vinden wij vermeld [277] in 1746.

»De Doele staande in de Kapelstraat is een oud gebouw, 't geen groote
ruimte heeft en zeer bekwaam ter Herberging van reizende en andere
lieden. Zij komt de schutterij, die nu in twee quartieren en vaandels
verdeeld is, in eigendom toe, die ook aldaar hare vergadering houdt."

In den voorgevel van dit gebouw, die in Anno 1787 zeer verfraaid
werd, ziet men den ridder St. Joris den draak bestrijdende in steen
uitgehouwen.

Na de vernietiging der stedelijke schutterij, is de Doele ter
voldoening van der stad's pretentien in 1798 aan de gemeente gekomen
en als eigendom getransporteerd.--De stad heeft dezelve in 1799 voor
de som van f 3300 aan een ingezetene dezer plaats verkocht.

De naam van het Logement de St. Jorisdoele, herinnert in onze dagen
nog aan de oude schutters van Oudewater.



En hiermede is ook de reeks gebouwen ten einde, die hun ontstaan
verschuldigd waren uit een beginsel van verdediging, bij eene mogelijke
belegering der plaats. Toen echter Oudewater uit de rei der vestingen
verdween, zijn de meeste dezer gebouwen natuurlijk van onnut geworden,
en wij zagen dan ook de vernietiging van bijna allen. Nu resten ons
nog eenige gebouwen te beschrijven, die wij noch onder de kerken,
noch onder de geestelijke of liefdadige gestichten, noch onder de
gebouwen ter verdediging van stad en land konden rangschikken, en
toch tot de monumenten der stad behoorden of nog behooren.

Wij beginnen met



de voormalige latijnsche school.

Nog tot in het laatst der 17 eeuw [278] mogt Oudewater zich beroemen,
binnen zijne muren eene Latijnsche school te hebben, hetgeen voor
een plaatsje als dit, zeer pleiten kon voor de welgesteldheid
der ingezetenen.--Aangezien deze laatsten echter van tijd tot tijd
verminderden, en men dientengevolge geen genoegzaam getal leerlingen
op dezelve aanbragt, moest dezelve noodwendig vervallen.--Volgens
resolutie der staten van Holland dd. 25 Februarij Ao. 1600, bekwam
Oudewater het regt, op zijne beurt eene »beurssaal" te zenden in
het Theologisch Collegie van Holland binnen de stad Leiden. Deze
beurten moesten echter verwisseld worden tusschen deze plaats in het
naburige Woerden zoodat ten allen tijde een dezer twee steden een
student in voornoemd collegie had, achtervolgens besluit van hunne
Ed. Groot. Mog. in derzelver hooge vergadering genomen, waar omtrent
wij verwijzen, naar de resolutien van Holland dd. 25 Junij 1666.

Deze resolutien en dit regt, werden echter ten jare 1797 vervallen
verklaard en de herinnering, dat Oudewater eertijds een Latijnsche
school bezat, bleef alleen in de geschiedrollen bestaan!



Lombarden.

Reeds in het jaar 1319, drie weken na St. Maarten in den Winter, vindt
men gewag gemaakt, dat het Lombardhuis te Oudewater ter bewoning
gegeven werd aan Vranke Oudekijns, tot 's Graven wederopzeggens
toe. Kort daarop moeten echter de Lombaarden uit Oudewater getogen
zijn, [279] daar men vermeld vindt, dat in het jaar 1323. Dirk
Batenburg verleid werd met het Lombaarthuis te Oudewater, mits het
zelve weder opgevende by de terugkomste van de Lombaarden, &c:

Ziet hier de inhoud van het bedoelde stuk. [280]


    Wi Willaem Graue &c: maken cont allen luden, dat wy Dirc Batenburg
    van Oudewater gegeven hebben onse huys, dat ons ane gecomen es van
    de Lombaerts binnen onse Poirte van Oudewater in rechten liene van
    ons te houden in der maniere, wair dat saeke dat die Lombairts
    weder quamen ende wise in dat huys voirsz. weder setten mitter
    woone, soo souden wi Dirc voirsz. sinen cost en sinen scade,
    dien hi aen den huse gedaen hadde, gelden, ende dair meede waer
    die manscap quite. In oirconde &c: Gegeven tote Scoenhove op
    Sinte Martynsdach in de Somer in 't jaar ons Heeren MCCC drie
    en twintich.


Daarna werd ten zelfde jare het volgende bevel aan den Magistraat
gegeven, om de nagenoemde Lombaarden in deze Stad te ontvangen en
Burger-regt te laten genieten.


    Wi Willaem Gratie &c: onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen,
    ende Raed van onser Poirte van Oudewater, saluyt ende onse goede
    jongste; Wi doen u te weten, dat wi in onse beschermte en geleyde
    genomen hebben, en nemen dese Lombairden, die hier na geschreven
    staan, dat es te wetene, Dammaes en Philips Asinier, broeders,
    en de Hore Maysinden om te wonene en te blivene in onser Poirte
    van Oudewater van onser Vrouwe dage in den Mairte die naestcomet,
    twaalf jaer daer na volgende, ende sullen coipmanscip driven ande
    hoir oirbair doen mit haren gelde, geliken onse andere Lombarden
    die wonen ende bliven in onse goede Poirten van Hollant; En
    ombieden ju naerenstelicken, dat ghi se ontfaet over uwe Poerters
    ende hem helpet, vordert en starket in alle hore rechten, gelike
    juwe Poerters die jairscarende durende voirsz. ende des en laet
    niet. Gegeven in die Hage op den Jairsdach in 't Jaer ons Heeren
    M. CCC. en drie en twintich.


In het jaar 1595 werd van wege de regering van Oudewater aan Jaques
de Causa Michielsz., een piemontees, octrooi verleend tot het houden
van de »tafel van leeninge" binnen Oudewater. Aan ieder die omtrent
de aanstelling van zoodanigen tafelhouder, de voorwaarden waarop de
verpanding en bij niet lossing, den verkoop der panden plaats greep,
iets meer weten wil, verwijzen wij naar de beschrijving van Oudewater
door G. R. van Kinschot bladz. 439-450.

Nog omstreeks de helft der voorgaande eeuw, vindt men vermeld, dat
de Bank van leening, met het daarbij van ouds behoorende woonhuis,
onder de accijnsen der stad, voor zekere jaren verpacht werd.

Uit een en ander zien wij, dat Oudewater nevens alle andere steden
in Holland en West Vriesland geprivilegieerd was, zoodanige bank te
mogen hebben en verpachten, met uitsluiting van alle andere plaatsen
in het platte land [281] zijnde zelfs ingevolge deze volmagt, de
steden niet gehouden, eenige tafelen toe te laten, al hadden zij ook
eertijds octrooijen daarvoor verkregen [282]. Volgens resolutie der
staten van Holland 3-12 Maart 1594 mogt door den Lombardhouder van
de zes gulden, een halve stuiver in de week geheven worden.

Het laatste Lombardhuis te Oudewater bevond zich op de Donkere Gaard
en is tegenwoordig bekend onder nummer 491. Sedert een groot aantal
jaren, werd dit huis verkocht, en wordt het door particulieren bewoond.

Alleen het stadswapen met het bijschrift:


SAUVE GARDE Ao. 1756


doen den opmerkzamen voorbijganger alligt vermoeden, dat hij zich bij
het oude Lombardhuis bevindt. Tegenwoordig bestaat er te Oudewater
slechts een hulp Lombard en wel onder opzigt en contrôle van den
Lombard uit het naburig Woerden.



De Waag, ook gezegd de Heksenwaag.

Dit stadsgebouw, bevindt zich aan de markt, op den hoek der
Gasthuissteeg, en werd waarschijnlijk in het jaar 1595 gebouwd,
aangezien dit jaartal in den voorgevel van dit gebouw wordt
aangetroffen.--Reeds lang vóór genoemd jaar, bezat Oudewater
echter reeds eene Waag, immers reeds ten jare 1547, werd door Zijne
Keizerlijke Majesteit een bevel uitgevaardigd, waarbij hij gelastte,
dat het gewigt der stad Gouda in de Waag der stad Oudewater overgebragt
zoude worden, en tegen het gewigt uit laatstgenoemde plaats in gelijke
stukken, ten overstaan van zijn gecommitteerden gewogen zoude worden.

Wij laten den inhoud van dat stuk hier volgen:

»Op Huyden den anderen dach Marcy Ao. XVc, XLVII. Stilo Trajectense
zoe zyn Adriaen Louwerisz., Jacob Gerytsz. Moen, Burgemeysters en
Schepenen desz. stede van Oudewater alsook Frederick Jansz. Muntere en
Jan Jansz. en Pieter Speyert, Secretaris derselver stede, geweest in
de voorsz. stede Waech, ende aldaar gewoogen der stede Wicht van der
Goude gebrocht by Dirck Cornz., Tollenaar ende Rentmr derzelver stede,
van wegen der K. Majt tegens de wicht derzelver stede van Oudewater in
gelijke stucken, ende is bevonden mitten zelfe te accorderen. Geschiet
op ten dach, jaer en de maent als boven, (onder stond): geëxtraheert
uit het voorsz. stedeboeck en accordeert daer naede by my onderteykent.

    P. Speyert." [283]


Zooals iedere andere Waag, werd dezelve gebouwd, tot het wegen van
verschillende koopmanschappen, en wel voornamelijk hier, voor, kaas,
hennip en verschillende soorten van touw, allen producten en waren,
waarvan in en om Oudewater veel in den handel wordt omgezet.

Doch, uitgenomen deze artikelen, werd er eertijds nog een
artikel opgewogen, waardoor deze Waag zich bij alle andere Wagen
onderscheidde, een artikel, dat haar een ongekenden naam in de
geschiedrollen bezorgde, en de Waag deed worden »een weldaad voor
het menschdom." Aldus toch, wordt onze Waag genoemd, in de »Almanach
tot Nut van 't Algemeen," jaargang 1792, bladz. 95. Het artikel, dat
wij bedoelen, waren.... menschen, die van tooverij beschuldigd waren,
en heksen genoemd werden.

Wij willen de aanleiding tot het wegen van deze menschen, een
weinig breeder uiteenzetten en moeten daarvoor in dit hoofdstuk de
onderafdeeling:

BIJGELOOF VOORHEEN EN LATER

daartusschen lasschen.



Het is slecht, of eigenlijk in het geheel niet te bepalen, wàt
bijgeloof is, indien wij de tegenstelling niet vermelden van geloof
en ongeloof.

Het geloof zelve wordt nog in veel soorten verdeeld.

Immers in het dagelijksch leven, verwart men gelooven meestentijds
met meenen, met iets voor waar houden, waarvoor men geene gronden
kan bijbrengen.

In het stoffelijke, gelooft men, wat men met de zintuigen bemerkt,
wanneer geen zinbedrog ons misleidt, en

In het geestelijke eindelijk, is het aan iedere gezindte bekend, wat
door geloof verstaan wordt.--Bij de Christenen behoort dit geloof,
dit aannemen van iets, wat men niet ziet, tot hunne Godsdienst, en
wel in die mate, dat hunne Godsdienst veelal hun geloof genoemd wordt.

Het ongeloof staat natuurlijk tegenover geloof; zoowel in het
geestelijke als in het stoffelijke nu, heerscht ongeloof.--Zoo is
b. v. in het stoffelijke, hij ongeloovig, wanneer hij niet aanneemt,
dat het zoo is, en het toch wezenlijk bestaat, zonder het met zijne
zintuigen te hebben bemerkt.

Bijgeloof is het geloovig, het met volle overtuiging aannemen van
hetgeen wezenlijk niet is. Bijgeloof is meestal eene nog sterkere
overtuiging, dan een waar geloof, doch het is en blijft altijd een
wangeloof, een onjuist geloof, een geloof, waarbij de mensch zich
zelven bedriegt [284].--Wij zullen wel niet behoeven aan te toonen,
dat men ook hier weder in het stoffelijke en in het onstoffelijke
bijgeloovige kan zijn.

Het voornaamste bijgeloof van lateren en zelfs nog van onzen tijd,
is een overblijfsel, van de mythologie onzer voorvaderen, waarover
hiervoren breedvoerig geschreven is.

Toen wij de aandacht onzer lezers op de mythologische daadzaken in
het heidendom bepaalden, maakten wij bijna ook op iedere bladzijde,
de schaduw daarvan nog in onze dagen aanwezig, bekend.

Eigenlijk gezegd, was de mythologie onzer vaderen voor hen nog
geen bijgeloof, het was eene natuurleer, een wangeloof--doch het
voortbestaan in het Christendom van de onwaarheden, die hunne
mythologie bevattede, dàt werd voor den Christen natuurlijk bijgeloof.

Teregt vinden wij dan ook vermeld [285]. Onze voorouders hadden,
als alle volkeren van den Indisch-Germaanschen stam, een duister
Godsdienstig geloof aan een goed en een kwaad beginsel; doch, gelijk
het in de kindsheid der barbaarsche volken gaat, waar het geloof aan
een eenig God is verduisterd, stelde men zich die beginselen voor als
krachten, als persoonlijke krachten, als krachten van bovennatuurlijke
wezens, waarvoor de zwakke mensch moest bukken.--In hunne sagen werd
gesproken, van de helden, van het voorgeslacht; en de verbeelding
verhief die voorouders tot goden.--Hetgeen men waarnam en niet kon
verklaren, werd aan de werking dezer Azen toegeschreven.--Bij iedere
aanraking, van den eenen volksstam met den anderen, vermeerderde
allengskens het bijgeloof; maar toch te midden van dat bijgeloof,
bleef er nog eenig geloof over, aan een magtigsten God. Wij hebben
u dien God reeds als Wodan doen kennen, en Wodan was het, die in het
laatst der dagen, alle goden aan zich zou onderwerpen. De goden der
wereld, en de aardgeesten voerden wel strijd, tegen den God des hemels,
eindelijk zouden zij echter toch het onderspit moeten delven.

In één woord, alles hetgeen door de menschen gedaan en verkregen werd,
werd door het volksgeloof aan de inwerking der Goden, toegeschreven.

Toen het heidendom voor het Christendom moest wijken, bleven echter de
toovenaars en heksen bestaan. Toovenaars waren de menschen, die met de
booze geesten of goden in verbinding stonden en die als overblijfselen
van de heidensche priesters konden worden beschouwd, terwijl de
heksen, die vrouwen waren, doen denken aan de wigchelaarsters in de
mythologie. Deze heksen nu hadden het vermogen, de menschen op velerlei
manieren te kwellen en nadeel toe te brengen, geen wonder dus, dat
de jonge Christenen, door oppervlakkigen Godsdienstijver gedreven,
met groote woede en toorn, somtijds tegen die gewaande toovenaars en
heksen vervuld werden, wanneer er aardsche rampen voorvielen, die
zij aan de toovenaars en heksen, en hunne verbinding met de booze
geesten toeschreven.

Toen de Noord-Duitschers en Denen pas tot het Christendom bekeerd
waren, hadden booze wraakoefeningen tegen zoogenaamde heksen meermalen
plaats, weshalve paus Gregorius VII (die regeerde van Ao. 1073-1085)
zeer ernstig aan zijne geestelijken in Denemarken schreef, dat zij
dat volksbijgeloof toch zouden tegenwerken, enz.



In de middeneeuwen, nam zelfs het geloof aan hekserij ontzaggelijk
toe, en geen wonder! de steeds toenemende beschaving en de meer en
meer aangroeijende ondereenmenging van verschillende volken bragt
te weeg, dat er onderscheidene kunsten en uitvindingen werden
ontdekt; de drukpers nu was er nog niet, om de volken het geheim
dier uitvindingen kenbaar te maken, en wat het volk niet begreep,
was een wonder of tooverij en de uitvinder eener nuttige zaak, werd
niet zelden vervolgd als heks en toovenaar.

Het zou ons verbazend wijdloopig doen worden, de duizendtallen
voorbeelden aan te halen, van de slagtoffers om tooverij en
hekserij.--De vervolging was weldra tot eene ongekende hoogte
gestegen.--Meest alle rampen en plagen werden aan tooverij
toegeschreven, en de beschuldiging van tooverij ging zelfs zóó ver,
dat vorsten en geestelijken, de beschuldigingen van hekserij niet
konden ontgaan!

Ontelbaar zijn dan ook de menschen geweest, die hunne beschuldiging met
het leven moesten boeten. Een paar voorbeelden, slechts. In het kleine
bisdom Bamberg werden in vijf jaren tijds 600 menschen om tooverij
ter dood veroordeeld, meest verbrand, en in hetzelfde tijdsverloop
telde het niet veel grootere bisdom Würzburg 900 offers [286].

Maar, vraagt mij welligt iemand, werd dan iedereen, die van tooverij
beschuldigd was, zonder vorm van proces veroordeeld, werden er
geene pogingen aangewend, de ongelukkige beschuldigden van den dood
te redden?

Ja mijne lezers er werden pogingen daarvoor in het werk gesteld,
doch hoedanig waren zij? Ach zij bragten zoo zelden redding voor
de beklaagden aan! Ja de pijnbank was er, en die dan van tooverij
en hekserij beschuldigd of verdacht waren, werden op die pijnbank
gebragt. Onder de smartelijkste folteringen werden zij ondervraagd. De
pijniging hield meestal aan, totdat zij tot de bekentenis waren
gebragt, en daar eene bekentenis genoegzaam werd geacht, wanneer
zij op de vragen slechts een toestemmend antwoord hadden gegeven,
is het daaruit gemakkelijk te begrijpen, hoevele duizenden onder
de felste folteringen het »Ja" hebben uitgeroepen, om eenigen tijd
verligting te erlangen, op de vragen, of zij op bezemstokken door de
lucht hadden gereden, of zij katten waren geweest, enz. enz. [287]."

Ja er waren nog andere proeven, zooals het ordal, de vuur-, de
water- en naalden-proef, doch het behoorde bij al deze tot de hooge
zeldzaamheden, indien zij ten gunste der beklaagden uitvielen. Geen
wonder! men vergde in deze, bijna altijd wonderen van de Godheid,
en na de wreedste pijnen reeds in de »proef" doorstaan te hebben,
werden zij meestentijds naar den houtstapel geleid en verbrand! O de
proeven ter bevrijding der ongelukkigen, zij waren zoo slecht gekozen!

Van tijd tot tijd echter stonden er groote mannen op, die het
durfden wagen openlijk hunne stem te verheffen, ter bestrijding van
het venijnig serpent, dat men tooverij en hekserij noemde. Durfden
wagen? Ja voorzeker er behoorde moed toe, tegen dit bijgeloof met open
vizier te velde te trekken, in dien tijd, toen bijna ieder onder de
magt van het ellendig gedrocht zich bewoog.

De eerst bekende groote man, die het bijgeloof heeft bestreden,
was voor zoover wij weten, paus Gregorius de VII in de elfde
eeuw.--Ofschoon het wel degelijk te vooronderstellen is, dat in de
drie volgende eeuwen dit niet zonder tegenspraak van velen heeft
geheerscht, zoo vinden wij echter eerst kort na de uitvinding der
boekdrukkunst, en de daardoor veroorzaakte meerdere bekendheid van
gevoelens, onderscheidene personen, die het geloof aan hekserij en
tooverij bestreden.

De beroemde regtsgeleerde Alciatus, leerde reeds, »dat het beter
was, de heksen nieskruid te geven, dan haar ten vure te doemen"
daarmede zoo het schijnt doelende, op zijne overtuiging, dat zij,
die zich verbeelden onder de magt van booze kwellingen te staan,
meestal krank naar ligchaam en ziel waren.

Onze groote Rotterdammer Desiderius Erasmus, stelde de geheele zaak
der tooverij in een bespottelijk daglicht [288].

In 1512 verscheen er te Gent een boekje in het licht, bevattende 2
kluchtspelen nl. de klucht van Homulus en Hanske van der Schilde. Dit
boekje had een morele strekking, het bestrijden der tooverij; een ander
boekje heeft tot titel: tooveren, wat dat voor een werk is, beschreven
door Jacob Vallick, pastoor te Grossen 1559. Het bijgeloof, wordt
daarin bestreden, op gronden van Godsdienst en Zedekunde. Johannes
Wier, in 1515 te Grave geboren, later lijfmedicus van den Hertog van
Cleef en Berg, was echter de eerste, die volledig de vooroordeelen in
deze bestreed. Hij had op zijne reizen onderscheidene executien van
zoogenaamde heksen gezien. De edele man had het voornemen opgevat,
de vooroordeelen van zijnen tijd grondig te wederleggen. Hij schreef
eene verhandeling over de giftmengers en de toovenaars, waarin hij
bewees, dat die twee zaken wel degelijk vaneen gescheiden moesten
worden, en toonde aan, dat de regters van zijnen tijd, dit niet deden.

Vele regters erkenden hunne dwaling, en betuigden hem hunne
dankbaarheid, voor zijn uitmuntend betoog. Hierdoor aangemoedigd,
schreef hij nog tot aan het laatst van zijn leven, ter verdediging
der zoogenaamde heksen.

Cornelis Loos van Gouda werd aangezocht een zeker boek van Wier
te wederleggen, doch door het lezen van zijn geschrift overtuigd
wordende, werd zijn geschrijf een eere schrift op zijn boek. Men
weigerde te Keulen het manuscript te drukken, en Loos werd gedwongen
onderscheidene stellingen te herroepen en niet zonder vele pogingen
ontkwam hij eene vervolging [289].

Bij al deze gunstige geschriften ter bestrijding van het bijgeloof,
schreef zekere Martinus del Rio het groote boek: Onderzoek naar de
tooverij, dat in 1599 uitkwam, en waarin het bestaan van toovenaars
verdedigd werd. Del Rio ging zelfs zoo ver, dat hij beweerde, dat
de verlichte Wier zelf een toovenaar was, en hij hen daarom in zijn
geschrijf verdedigd had.

In Reijnald Scott een verlicht engelschman, vond del Rio echter een
geduchten bestrijder, doch het bijgeloof woedde echter nog steeds
met hevigheid voort. In Engeland vatte een Jacobus I de pen op,
om de voorstanders der verlichting Wier en Scott te wederleggen en
in Duitschland werd de heksengeschiedenis, door het gezag van den
regtsgeleerden Carpzovius in wezen gehouden.

Op het laatst der 17de eeuw, begonnen de regeringen de vervolgingen
wegens tooverij, wel meer na te laten, doch het volk bleef niet
minder bijgeloovig dan vroeger, ofschoon het weder krachtige en
bekwame strijders vond in Adam Tanner en Frederik Spee. De laatste
had als Jezuit, menige veroordeelde heks, in hare laatste levensuren
moeten bijstaan. Getroffen door hetgeen hij gezien en gehoord had,
schreef hij zijn boekje: Waerborg om geen quaat halsgeregt te doen,
een lief boekje, dat door onzen bekenden Amsterdamschen predikant
Balthazar Bekker hoog geroemd en geprezen werd. Het geschrift van
den Jezuit Spee, werd in onze taal overgebragt, door N. B. A., zijnde
N. Borremans, Remonstrantsch predikant te Oudewater.

Doch, wat werden die edele menschenvrienden, in hunne pogingen om de
waarheid te verkondigen, gedaan? Frederick Spee zond zijn boekje om
zich voor vervolging te behoeden, naamloos in het licht. Borremans,
vertaalde het onder de letters N. B. A. en Balthazar Bekker, die in
zijne betooverde wereld, het bijgeloof aanrandde, werd in 1692 van
zijn predikantsplaats ontzet, als onregtzinnig [290].



Ik verzoek den lezer nog eens kortelijk met mij eenigen tijd terug te
gaan, tot naar het midden der 16e eeuw en daar nog eens het bijgeloof
en hare gevolgen kortelijk herhalen. Het ligt echter niet in ons plan,
dat bijgeloof stap voor stap te volgen, immers dit onderwerp zou een
ruimte beslaan, als voor deze geheele plaatsbeschrijving bestemd is.

Wij voeren u dus in gedachten terug tot in het regeringstijdvak
van Karel de Vijfden, waarin wij de ter doodbrenging van eene heks
zullen schilderen.



Allerwege ontwaart men brandstapels, die de ongelukkige toeven, die
van tooverij beschuldigd zijn. Zie daar nadert men met zoodanig een
slagtoffer den houtmijt! Ach het is eene vrouw en zij is echtgenoot
en moeder, want hij, die zich onder den stoet bevindt, hij met dien
zonderling wreede trek op het gelaat, met van woede glinsterende oogen,
die dreigend staren op de leiders van de zoogenaamde heks, hij prevelt
verwenschingen, voor de beschuldigers zijner »liefdevolle gade." Is
zij ook moeder? Ja, ja, zie naast de veroordeelde draagt een andere
vrouw een schreijende zuigeling, en geleidt een achtjarige knaap, en
terwijl de vlottende menigte nu langzaam voortgolft naar de plaats waar
het doodvonnis zal voltrokken worden, ontwaakt de ongelukkige »heks"
met aan razernij grenzende wanhoop uit den stillen waanzin, waarin
zij gedompeld was! want zij ziet de houtmijt vóór zich, die weldra
met hare assche een vormloos zaamgestorte massa zal uitmaken! Mijne
kinderen gilt zij, groote God, mijne kinderen! de zuigeling en de
knaap omvattende, o uwe moeder omklemt u nu voor het laatst, zij
drukt u na dezen immermeer de vurige kussen op uwe wangen. Zij zal
haren lieven zoon niet meer ter schole leiden, hare zuigeling niet
meer voeden met het moederlijk voedsel! en gij echtgenoot, kermt zij,
ach, zie niet zoo dreigend in deze bange ure, wij zien ons weder,
dáár, waar wij niet meer aldus gescheiden zullen worden, zorg voor
onze kleinen, voor de telgen van onzen gelukkigen echt, omhels mij
zoo als ik hen omhels.--God! God! ik moet van u en hen scheiden......

Hier zonk de ongelukkige bewusteloos ineen, door smartgevoel
overstelpt. In dezen toestand wordt zij op den brandstapel geplaatst,
aan den paal gebonden, men brengt het vuur met de drooge twijgen
in aanraking, en weldra kronkelen zich de woeste vlammen, om de in
onmagt zijnde vrouw! Het vuur wekt echter spoedig de ongelukkige uit
hare bezwijming, en wanhopend wringt zij zich op den brandstapel,
door ligchaamspijn en boezemwee overstelpt--toch zoekt zij nog naar
de plaats vanwaar zij hoort kermen, gade dierbare gade, vaarwel tot
wederzien bij God in den hemel! vanwaar zij hoort smeken, moeder,
lieve moeder, o kom bij mij!

O deze smartvolle ontboezemingen wat verschilden zij van de
uitroepingen der volksmenigte. Voort, voort met de heks, want zij
heeft met bezemstokken door de lucht gereden, wij hebben haar in de
gedaante eener kat gezien, zij heeft onweders en ziekten verwekt,
en de kinderen betooverd, zóó zóó, verbrand haar, verbrand haar!



Weldra waren de laatste levensvonken van de ongelukkige echtgenoot en
moeder uitgebluscht, en.... het bijgeloof had een offer meer geëischt
en genomen!!

Zulke treurige executien, hadden in de tijden waarvan wij schrijven
menigmaal plaats, op honderde manieren gevarieerd, zonder onderscheid
van kunne of ouderdom. Geen wonder ook, wij hebben het reeds
aangetoond, de proeven aangewend tot bevrijding eener aangeklaagde
»heks," zij gelukten bijna nooit in het voordeel der laatsten.

Maar eindelijk daagde er toch lichte aan den horizont: er werd eene
proef ontdekt, die altijd de vrijspraak voor de beschuldigden van
tooverij moest ten gevolge hebben, eene proef, die ook geen pijn
veroorzaakte, eene proef even onschuldig als zeker, de heksen moesten
zich namelijk laten wegen op de stadswaag te Oudewater.

Waarom vraagt ons welligt iemand moesten de heksen gewogen worden,
waarom moesten zij te Oudewater gewogen worden en wie is de uitvinder,
de bedenker van deze proef, die zooveel invloed op het bestrijden
van het bijgeloof ten gevolge moet hebben gehad? Wij zullen een en
ander zoo beknopt en duidelijk mogelijk ter neder schrijven.



De heksen, die in het volksbijgeloof door de lucht konden rijden,
hadden volgens gevoelen van hare beschuldigers en vervolgers geene
ligchaamszwaarte, somtijds meende men zelfs, »dat zij nog minder
dan niets wogen." Werden zij dus ter schale geleid, en bevond
men, dat zij zoo zwaar wogen, dat het met de natuurlijke proportie
haars ligchaams overeen kwam, en dat kon nimmer missen, dan werd aan
dezulken te Oudewater een certificaat gegeven, dat haar bij de minste
beschuldiging van tooverij vrijwaarde, tegen alle mogelijke vervolging.

Waarom zij nu te Oudewater moesten gewogen worden en wie de bedenker
dezer weegproef was, hiervan kunnen wij het volgende berigten:

Van oudsher had de waag te Oudewater een bijzonder goeden naam om hare
juistheid in het wegen; maar bovenal ook om het juiste en eerlijke
gewigt in deze waag aanwezig zijnde en gebruikt wordende. Immers,
ten bewijze strekke hiervoor, de ordonnantie van keizer Karel de V,
waarbij hij ten jare 1547 aan die van Gouda gelastte, hun gewigt
met dat van Oudewater te laten »ijken" zouden wij in onze dagen
zeggen. [291] Hieruit blijkt dus, dat die vorst voor deze waag reeds
eenige voorliefde had, en men houdt dan ook algemeen den keizer,
voor den bedenker van deze weegkuur, ofschoon het echter niet met
zekerheid te bepalen is, ten minste onder de oude geschriften ter
gemeente secretarie berustende, vinde ik dienaangaande geen licht
verspreid. Het is echter bijna zeker, dat Karel de V wel de bedoelde
persoon zal zijn, die dat gebruik ingevoerd heeft, en het ontbreekt
dan ook niet aan schrijvers, die dat zonder eenige bedenking aannemen.

Laat ons nu overgaan, meerdere bijzonderheden omtrent de aloude
weegkuur te Oudewater zooveel mogelijk uit oude stukken aan te voeren.

Wij hebben hiervoren reeds gemeld, dat er in het tijdvak dezer
heksenbeschuldigingen, door den pater jesuit Spee, een werkje ter
bestrijding van het bijgeloof geschreven was, ten titel voerende:
Waerborg om geen quaat halsrecht te doen, en dat dit boekje in onze
taal werd overgebragt door N. B. A., zijnde N. Borremans, eertijds
Remonstrantsch predikant te Oudewater.

In de voorrede van deze vertaling, vermeldt de heer Borremans
eenige gissingen, omtrent den oorsprong van dit weegregt alhier,
en deelt daarin tevens de volgende bijzonderheden mede, door een
der burgemeesteren van Oudewater dier eeuw, aan Borremans zelf
geschreven, die zijn verzoek aan dezen magistraats-persoon omtrent
eenige bijzonderheden van de waag en de gewogen wordende, in zekere
vragen had doen geworden.

Na vermeld te hebben, dat er vele zoogenaamde heksen van de stiften
Keulen, Munster en Padeborn sedert keizer Karels tijd, reeds gewogen
waren en nog werden, vinden wij daarop t. a. p. aangeteekend:

»Dat daar noit ymand uit een van die plaatsen gekomen was, of zy
hebben alle eenstemmig verklaart, dat zy in hun land t' onregten van
Tovery beschuldigt wierden: en zoo zy geen bewys bekomen konden, van
dat ze in de Stads Waege t' Oudewater gewogen waren, en hun gewigte
met de gelegentheid hunnes Lichaems overeen quam, dat zy gevaer
liepen van in hun Land om lyf en goed te raaken: 'T zeggen van die
luyden was doorgaans, dat die in hun Land voor Tovenaers gehouden
wierden, welken minder woegen. De overleden Secretaris de Hoy hadde
hem verhaalt, dat in zynen tyd zeker persoon, uit de bovendeelen in
't Land daar hy woonde, door eenen, daar hy mede in geschil geraakt
was, in 't geruchte was gebragt, van een Tovenaar te zyn, en dat
hy geraden wiert, om zich van de gezeyde laster te suyveren, naer
Oudewater in Holland te reysen, en hem aldaar in de Stads Schale te
laeten wegen, en dat hy daar gekomen, het zy door bottigheyd, het zy
door vreeze, of door quade onderrigtinge, wederom gekeert was na zyn
Landt, zonder gewoogen te zyn, maar dat hy in zyn Vaderland komende,
en niet konnende toonen, dat hy gewogen was (zulx vermoedelyk voor
bewys van schuldigheid genomen zynde, als of hy te licht bevonden
waare) zoo is 't gerugt voort geslagen tot den Regter van de plaats,
die gezogt had deze Persoon in hegtenis te nemen, maar hy gewaerschouwt
was 't ontvlugt. Daer na in 't Land, daar hy gevlucht was, geraakt
zynde by een persoon, die te vooren hier ook met eenen anderen in
zodanige gelegentheid geweest was, heeft den selven bevoolen met hem
herwaarts aan te reysen, gelyk hy ook t' Oudewater gekomen, en in
de Stads wage, op die reyze en wyze als verhaelt is, gewogen zynde,
weder was na huys gekeert, en in zyn Vaderland, daar hy van daan
gevlugt was, het bescheyt van aldaer gewogen te zyn vertoont hebbende,
was hy weder in zyn geheel en in de volle bezittinge zyner goederen,
die by den Regter al waren aengeslagen, hersteld geworden.

»Op de 2de Vrage seit de Burgemeester, dat geen seker gewichte gestelt
is, wat iemand wegen moet, maar dat het daarop aan kwam, dat het
gewicht met de natuurlyke geschapentheid des lichaams overeenkomt.

»Op de 3de Vrage, van waar dit zyn oorsprong heeft, seyt hy, dat
hem zulks onbekent zy, maer dat egter blykt, dat hunne Stads wage
in die buiten landen zulken aanzien hadde, also 't verscheide malen
gebeurt was, dat die geenen, welken verzochten gewogen te worden,
met bysondere Voorschryvens hunner Stad of plaats gekomen zyn.

»Echter word daarby gezegt, dat Keyzer Karel zulk Voorregt aan de Stad
Oudewater, uit oorzaak van hunne beproefde Oprechtigheid in desen,
en van seker bedrog, in een nabuurig dorp ontdekt, geschonken heeft,
immers dat zulks het algemeen zeggen is."

Teregt merkt Ds. Kits van Heyningen, dan ook dien ten gevolge op: [292]
»Men ziet uit bovenstaand berigt, dat de waag te Oudewater niet alleen
veel bekendheid had, en voor officieel getuigenis diende, maar, dat
ook de proef zeer onschuldig was. Had men een bepaald gewigt gesteld,
dat iemand op zekeren leeftijd wegen moest, terwijl een ligter zijn,
dan zoodanig gesteld gewigt voor bewijs van schuld gold, de proef
ware wel niet pijnlijk, maar toch gevaarlijk geweest. Nu daarentegen,
was 't genoeg, wanneer het gewigt, met de gewone gesteldheid des
ligchaams in overeenstemming was. Men grondde die bepaling zeker
op het volksgeloof, dat onder andere meeningen ook deze koesterde,
dat een heks of toovenaar geen gewigt had."

»Intusschen was het voorregt aan de waag gegeven, den waagmeester
zelven niet geheel onverschillig. Wie gewogen werd, betaalde
natuurlijk het waaggeld en schoon de som zoo groot niet was, bij
de meerdere waarde, die het geld in dien tijd had, was zij toch een
emolument geweest, dat bij zijn post gerekend werd, indien zij niet,
omdat een ieder er iets van hebben moest,--en dat is sinds dien tijd
nog weinig veranderd,--zoo versplinterd was geworden. Men leze de
volgende authentieke bepaling van:

»Leges te betalen bij die geene, die in der Stede Waach, uit
beschuldiging van Tovery gewoogen worden."


           Schepenen      G 1 :   -- 16 :   -- /   --
           Secretaris     G 2 :   -- 18 :   -- /   --
           Bode           G 0 :   -- 12 :   -- /   --
           Waachmeester   G 0 :   -- 12 :   -- /   --
           Vroedvrouw     G 0 :   -- 12 :   -- /   --
           Samen          G 6 :   -- 10 :   -- /   --


Wat er de laatste bij deed, wier vermelding op de rekening eenige
bevreemding wekken kan, zal worden opgehelderd uit de volgende
extracten uyt de Registers van de Judiceele en Dagelyksche Acten der
Stede Oudewater.

Alvorens echter daartoe over te gaan, zij het ons vergund mede te
deelen de


NAAMLIJST,

voor zoover die op te sporen was, van personen, die ter zake van
toverij beschuldigd werden, en zich van tijd tot tijd in de Waag van
Oudewater hebben laten wegen. [293]

»Maria Konings, Dochter van Gerard Hesseling, anders genaamt Konings,
en Anneke ter Brugge, woonende te Konings in Zurik in den Kaspel van
Boekholdt, in den Gestichte van Munster, gewoogen den 24 Februarij
Ao. 1644. [294]

Leentje Willems, Huysvrouw van Jan Aertsz., woonende in de Lange
Linschoten, onder de Parochie van Oudewater, gewogen Ao. 1647.

Jacobye Paulus, Huysvrouw van Steven Willems, woonende in de Boerschap
van Wapenveld, onder het Schout-ampt van Heerde, gelegen in de
Provintie van Gelderlandt, gewoogen den 2 Mey Ao. 1677.

Marritje Cornelis, Huysvrouw van Thomas Bastiaansz. woonende over
Lecq in Langeracq, gewoogen den 13 January Ao. 1681.

Sybilla Essers, Dochter van Jacob Essers en Geertruyd Weyers, woonende
in den Dorpe van Kleinenbroek, onder Zutphen, omtrent twee uuren van
Nuits, gewoogen den 23 Mey Ao. 1694.

Aaltje Brouwers, Huysvrouw van Frans Fransz., geboortich uit de
Heerlykheid Borculô, Vlekke Heybergen, gewoogen den 25 September
Ao. 1694.

Maasje Faessen, Huysvrouw van Jan Aartsz., geboore in 't Waal,
omtrent een half uur van de Vaart, over Vianen, gewoogen den 17
September Ao. 1710.

Geertruyd Hendriksz. van Beek, Weduwe van Christoffel Klads, woonende
op 't Zandt te Utrecht, gewoogen den 23 Maart Ao. 1711.

Lysbet Jans van Wout, Weduwe van Pieter Ariensz. Vosmeer, woonende
binnen Montfoort, gewoogen den 15 Mey Ao. 1713.

Neeltje Paulus Pols, geboortich van Bergh-ambacht, woonende in Honkop,
gewoogen den 31 Mey Ao. 1728.

Klaas Ariensz. van den Dool, gebooren te Noordelois, en Neeltje
Ariensz. Kersbergen, geboortich van Lakerveld, Man en Vrouw,
woonachtich op den Dool onder Meerkerk, gewoogen den 21 Juny
Ao. 1729. [295]



EXTRACTEN uit de Registers van Judiciële en Dagelijksche Acten der
Stede Oudewater.


    »Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater
    in Hollandt, doen kont en certificeeren eenen yegelyken mits
    dezen, ten versoeke van Maria Konings, oudt, zoo sy seydt,
    omtrent zes en twintig Jaren, dochter van Geeraerdt Hesseling,
    anders meede genaemt Geeraerdt Konings, ende Anneken ter Brugge,
    wonende by Barendt Konings haren Broeder, te Koninkx in Surik
    in den Kaspel van Boekholdt, in den Gestichte van Munster, op
    een Hofsteede toebehoorende zyn Hoogheydt, den Heere Prince van
    Orangien, weesende van deylbaren stature, met een vrattjen aan
    de rechter zyde van hare kinne, ons voorgestelt by Johan Duyst,
    Burgemeester der voorschreeve stadt Boekholdt, volgens zyn acte
    van Certificatie van Burgemeesteren en Schepenen van Boekholdt,
    ons vertoont ende gebleeken; dat op huyden voor ons Compareerden
    de E. Willem Pietersz. Tromper en Johan van Rodenburg, beyde
    Oudt-Burgemeesteren, en jegenwoordig Schepenen in dienste,
    mitsgaders Cornelis Gysbertsz. Bodegrave, gesworen bedienaar
    van deser Stads Wage, dewelke ter instantie en versoeke van
    de voorschreven Maria Konings verklaarden, hoe waar is, dat
    de voornoemde Cornelis Gysbertz. Bodegrave de voorschreven
    Maria Konings ten haren ernstigen versoeke en requisitie, in
    tegenwoordigheydt van hun Comparanten ende meer andere personen, na
    dat zy by Jannetje Barents ordinaris Vroed-Vrouwe deser Stede, met
    voorgaande Ondersoek, verklaert was dat de gemelde Maria Konings
    tot hare Onderkleederen ontkleedt, ende de schoenen uyt-getogen,
    niet van eenige zwaerte off gewichte by haar was hebbende, met
    de balance in de Ordinaris wage deser stede Oudewater gewogen,
    ende dat hun Comparanten en allen evidentelyken gebleken is,
    dat de voornoemde Maria Konings, alleenlyk gekleedt en ondersogt
    zynde als voren, was wegende hondert vier en dertig ponden
    zodanige oprechte [296] Troysche wichte als men ordinaris in de
    voorschreven Wage is gebruykende, zulks dat wy mede by dezen
    certificeeren, dat deselve Wichte met de naturelyke proportie
    hares lichaems wel is accorderende. Ende alzoo de voorschreven
    Maria Konings aen ons versogt onse opene Brieven van certificatie
    van de voorgenoemde Verclaringe, om haar daar mede te dienen in
    tydt en wylen, daer ende wanneer haar zulks noodig en te raden
    wesen zal, ende men gehouden is de waarheydt te getuygen, in
    zonderheyd daar toe versocht zynde: Zoo hebben Wy haer 't zelve
    versoek niet kunnen nog willen weygeren, zonder bedrog: des
    't oirconde hebben wy deser Stede Zegel hier onder aengehangen,
    ende by onsen Secretaris doen onderteykenen. In den Jare onses
    Heeren ende Zaligmakers Duyzent Zes hondert Vier ende Veertig,
    op den XXIIIJ. February. (Onderstondt.) Ter ordonantie van de
    Heeren voornoemt geteekent.

        (Was getekent) H. de Hoy.

        (Onderstont)

    »'T voorschreven ge-ëxtraheerde by my ondergeschreven Secretaris
    der Stede Oudewater accorderende bevonden, met de vordere
    Verclaringe: dat in mynen voorschreven dienste veele persoonen
    invoegen voorseydt in de Wage alhier zyn gewogen, met gelyke
    Verclaringe mutatis mutandis als vooren: en specialyken noch
    in den lest voorleden Jare 1647, drie verscheyden persoonen;
    onder anderen eene Leentjen Willems, Huysvrouwe van Jan Aertsz.,
    wonende in de Lange Linschoten onder de Parochie van Oudewater,
    't Oirkonde geteekent dezen VII. January 1648 (en was geteekent:)

            H. De Hoy.

    »Wij Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater, in
    Holland; doen cont ende Certificeeren mits dezen, ter requisitie
    van Jacobye Paulus, huisvrouwe van Steven Willems, wonende in
    de Boerschap van Wapenvelt, onder 't Schoutampt van Heerde,
    gelegen in de Provintie van Gelderlandt, oudt, zoo zy seyde,
    omtrent 40 Jaren, wesende kortagtigh van Persoon, bruin van
    hair, en blaauw van oogen, langwerpigh van aangezigt, en onder
    aan haer Rechterwang een rood vlakje, Dat op huyden voor Ons
    gecomen en gecompareert zyn, de E. Gysbert Isulsteyn, en Jacob
    de Gyselaar, Schepenen deser Stede, mitsgaders Adriaen Munter,
    geswooren Bedienaar van deze Stede Wage, dewelke ter instantie,
    ende naerder versoeken van de voorn. Jacobye Paulus, verklaerden
    waer en waerachtig te wezen, dat de voorn. Adriaen Munter, de
    genoemde Jacobye Paulus op haer speciael en ernstige versoeken,
    ende in de praesentie en tegenwoordigheid van de voorn. Schepenen,
    Waagmeester, en andere Notabele Personen, na dat by Niesken
    Gerrits, Ordinaris Vroedvrouwe alhier publicquelyk verklaerd
    was, dat de meergemelde Jacobye Paulus, blootshooft, schoenen en
    hoosen uytgetogen, gekleet met een onderrokje over haar hembd,
    geenige wichte ofte swaarte by haer hadde, met de Ordinaris
    balance in de Waag alhier gewogen heeft Een hondert en een pont,
    sodanige oprechte Troyaense wichte, als men ordinaris in deser
    Stede Waag is gebruykende, zulx dat wy by desen Certificeeren,
    dat de voorsz. gewigte met de Natuurlyke proportie haeres Lichaems
    wel is accordeerende; Ende alzoo zy daer van versogte onse opene
    brieven van Certificatie, omme deselve haar te dienen daer, en
    zoo zulx behoort, hebben wy haer 't zelve, niet konnen nog willen
    weygeren, zonder bedroch, en tot meerdere verzeeckeringe deses,
    hebben wy den zelven mettet stede Zegel ende ondertekeninge van
    onsen Secretaris bekragtigt, op den 2 Mey 1677.



    »Wy Burgemeesteren, Schepenen en Raden der Stede Oudewater in
    Hollant doen Condt en Certificeeren mits deesen ter requisitie
    van Geertruyd Hendriks van Beek, weduwe van Christoffel Clads,
    woonende tot Utregt op 't Zant, out, zoo zy seyde, omtrent twee en
    seventig jaren, lang van persoon, mager van wesen, hoog blaauw van
    oogen en grys van haar, dat op huyden voor ons gecompareert zyn de
    Heeren Jan van Lexmont ende Jacob Bakker, Schepenen dezer Stede,
    mitsgaders Cornelis van Eynthoven (by absentie van zyn vader
    Dirk van Eynthoven) beëdigde Waagmeester van deze voorzs. Stede
    Waag, by ons ten deese geauthoriseert, dewelke ter instantie en
    verder versoek van de voorn. Geertruyd van Beek, verklaarde waar
    ende waaragtigh te zyn, dat den voorn. Cornelis van Eynthoven de
    genoemde Geertruyt van Beek op haar speciaal en ernstig versoek,
    in presentie en tegenwoordigheyt van de voorn. Schepenen,
    geauthoriseerde waagmeester ende andere notable persoonen,
    na dat by Jacomyntje Aertz Dekker ordinaris Stads Vroetvrouw
    alhier publiequelyk was verklaart, dat de meergemelde Geertruyt
    van Beek bloots hoofts, schoenen ende kousen uytgetoogen,
    alleen met haar hemdt over haar bloote lichaam, bedekt met een
    Faly off sluyer, en genige gewigten off swaarte by haar hadde,
    met de ordinaris balance in de Waagh alhier gewoogen heeft een
    hondert ende twee ponden, soodanige opregte Troyaansche gewigten,
    als men ordinaris in deser Stede Waagh is gebruykende, zulks
    dat wy by deesen Certificeeren, dat de voorsz: gewigte met de
    naturelyke proportie haares lichaams wel is accorderende, ende
    alsoo zy daar van verzogte onse opene brieven van Certificatie,
    om de selve haar te dienen, daar het nodigh weesen sal, hebben wy
    haar 't selve niet kunnen nogh willen weygeren, sonder bedrog:
    ende tot meerder sekeringe deeses, hebben wy deselve met het
    Stede Zegel ende ondertekeninge van onse Secretaris bekragtigt,
    op den drie en twintigste Maart, seventien hondert en elff.



    »Wy Burgemeesteren, Schepenen ende Raden der Stede Oudewater in
    Holland, doen Cond en Certificeeren mits deezen, ten verzoeke van
    Claas Ariensz. van den Dool, geboortig te Noordeloos, oud ontrent
    37 Jaren, kortagtig en eenigsins spitsig van Ligchaam, hebbende
    blaauwe oogen, hoog bruyn van vel en hair, en Neeltje Ariens
    Kersbergen, geboortig van Lakerveld, oud omtrent 31 Jaaren, matig
    van postuur en hoog Zwanger, bruyn van vel, blaauwe oogen, Man en
    Vrouw, woonagtig op den Dool onder Meerkerk, dat op huyden voor
    ons verscheenen zyn d'Heeren Dirk van der Lee, en Gerrit Ingen van
    Liesveld, Schepenen dezer Stede, mitsgaders Jan Racaute, geswooren
    Waagmeester, dewelke ten verzoeke van de Requiranten verklaarden
    waar en waarachtig te zyn, dat door den voorn. Waagmeester Jan
    Racaute op ernstige instantien van de Requiranten, in presentie van
    de voorn. Heeren Schepenen en andere notabele persoonen, op Huyden
    den voorsz. Klaas Ariensz. van den Dool in dese Stede Wage met de
    ordinaire balance en opregte Troyaansche wigte, gelyk men altoos
    in deeze Stede Waag gebruykt, is gewoogen, na dat Philip vander
    Werff Geregts-bode dezer Stad had verklaard, dat denselve Klaas
    Ariensz. vanden Dool, door hem was ontkleed, schoenen en koussen
    mitsgaders andere kleederen uytgetoogen, en zulks alleen in zyn
    hembd, zonder dat hy eenige zwaarte van gewigten by zig had, en
    is denzelven persoon bevonden zwaar te weezen een honderd twee
    en twintig ponden, der voorsz. Troyaansche wigte; wyders is de
    voorn. Neeltje Ariens Kersbergen invoegen voorsz. meede gewoogen,
    en naar dat door Jacomyntje Aertz Dekker Stads Vroedvrouw alhier
    meede verklaard was, dat de meergem. Neeltje Ariens Kersbergen
    door haar was ontkleedt schoenen en koussen uitgetoogen, en zulks
    alleen bedekt met haar hembd en zwarte falie over haar bloote
    Lighaam, hangende het hair los by het hoofd, zonder datse eenige
    zwaarte of gewigte by haar hadde, en is dezelve persoone bevonden
    zwaar te weezen een honderd en tien ponden voorsz. Troyaansche
    wigte: certificeeren vervolgens wy dat de voorsz. gewigte met de
    natuurlyke proportie des lichaams van de requiranten beyde zeer
    wel is accorderende bevonden, en alsoo zy daar van verzogten
    onze opene brieven van certificatie om dezelve te dienen, daar
    en zoo zulks behoord, hebben wy haarlieden 't zelve niet kunnen
    nog willen weygeren, dit alles zonder bedrog; en in bewys van
    waarheyd hebben wy deze met onze Stede Zeegel en ondertekeninge
    van onzen Secretaris bekragtigt op den 21 Juny 1729."


In 1729 vinden wij alzoo van de laatste heksenweging gewag gemaakt,
en in dit jaar reeds zoo na grenzende aan onze verlichtende 19de
eeuw, zien wij ingevolge de laatste acte, deze weegkuur nog met de
meest mogelijke juistheid, met inachtneming van alle gebruikelijke
vormen ten uitvoer gelegd! Het was de laatste en gelukkig de laatste
weeggeschiedenis met de zoogenaamde heksen op de Waag, want, door
het meer en meer verstandelijk ontwikkelde menschdom, moest ook deze
laatste proef, al was zij onschuldig, in onbruik geraken! Maar waren
daarom de heksen-geschiedenissen, het beschuldigen van menschen als
toovenaars, en het geloof aan heksen, ook met de in onbruik geraakte
proef op de waag te gelijk verdwenen? Neen mijn lezers, neen,
het bijgeloof bleef voortsluipen tot in de 19de eeuw, het sluipt
nog voort in onze dagen. Waar het zich op vele plaatsen niet meer
openlijk vertoont, daar schuifelt het gelijk een venijnig serpent
onder het spigtig gras, en treft met zijn schadelijk gift, dat het
met zich omvoert, soms nog vrij zeker. Immers hoe dikwijls berigten
ons de dagbladen nog van heksen en beheksten, hoe menigmaal hoort
men, vooral onder de geringere volksklasse nog gewagen van personen,
die »meer kunnen dan menig ander."

Doch gelukkig wij zijn vooruitgegaan, en met rassche schreden
vooruitgegaan, en wie weet het hoe spoedig welligt, dat het bijgeloof
nog alleen bij name zal blijven voortbestaan! O moge die tijd spoedig
aanbreken.



Nog mijne lezers bevindt zich deze waag waarin men heksen woog te
Oudewater, nu echter de »heksen" er niet meer opkomen, dient zij
weer bijna uitsluitend tot het wegen van koopmansartikelen, levend
vee, touwwerk, kaas, [297] enz. terwijl het regt tot dit wegen van
stadswege van tijd tot tijd in het openbaar verpacht wordt.

Wanneer Oudewater door vreemdelingen bezocht wordt, dan vragen
zij natuurlijk alligt hen de heksenwaag te vertoonen, [298]
en onwillekeurig hoort men hen den uitroep ontsnappen: hé, wat
eenvoudig gebouw is die waag, heeft deze nu eene zoo groote rol in de
heksen-geschiedenissen gespeeld, wierd daarin zoo menig mensch van het
doemvonnis verlost, hen door het bijgeloovige menschdom aangewreven,
en ja zoo was het, dáár hielden de harten op angstig te kloppen,
dáár klonken voor slechts G. 6.50 den beschuldigde de bemoedigende
woorden tegen, ga, gij zijt vrij! wij hebben u gewogen en ....... niet
te ligt bevonden.



Geboortehuis van Jacobus Arminius.

Naast de stadswaag, of meer juist, door de Gasthuissteeg gescheiden,
bevindt zich het geboortehuis van Jacobus Arminius. Het is een
fraai huis, de voorgevel is naar de Ionische orde gebouwd, met vele
versieringen voorzien, en is getooid met het symbool der fortuin,
waarin sommige menschen verkeerdelijk het standbeeld van den eersten
remonstrant meenen te zien. Niettemin gelooven wij, dat het opschrift
van een marmeren steen, eertijds onder het beeld der fortuin aanwezig,
wel eenige betrekking op onzen lateren Leidschen hoogleeraar mag
gehad hebben; deze steen met dit opschrift, zijn echter uit den gevel
verwijderd, en welligt verloren geraakt, daar men ons verhaalde, dat
niemand het opschrift van dien steen kon ontraadselen. Wij moeten
echter opmerken, dat het huis niet meer in dien toestand is, als
toen Arminius daarin werd geboren, daar wij het jaartal 1601 in den
voorgevel vinden, en zijne geboorte reeds in 1560 plaats had. Stellig
echter is het huis weder op dezelfde plaats herbouwd, zoodat wij nog
met gerustheid mogen zeggen: zie dat is het huis, daar is de plek,
daar de groote Arminius het eerste licht heeft aanschouwd.

Voor eenige jaren (in 1854,) werden in het voorhuis, eenige
veranderingen aangebragt, waarbij tevens het volgende vers verwijderd
werd, dat men tot dusver het huis binnentredende met fraai geschilderde
gothische letters, daarin had opgemerkt:


                Jammer, ellende en grooten nood
                Is der regtvaardigen dagelyksch brood,
                Die tot het eeuwige leven zyn verkoren
                Steken veel distels ende doornen
                Nog zal de Heer ten allen tyden
                De vromen verlossen en verblyden.

                                                    Ps. 34.


Over Arminius zelve zal te gelegener tijd worden geschreven--alleenlijk
vermelden wij nog, dat in het huis zijner geboorte, nu eene grutterij
wordt uitgeoefend.



Het Stadhuis.

Het Stadhuis bevindt zich op het fraaiste gedeelte van Oudewater, het
is gelegen aan het begin der Kapelstraat en maakt met zijne bevallige
voorpui front naar het aangrenzende plein der Vischmarkt.--Lief
toch vertoont zich het Stadhuis van buiten aan ieder, die eenigen
bouwkundigen smaak bezit, immers, de voorgevel die naar de Ionische
orde gebouwd, en versierd is met het beeld, dat de geregtigheid
voorstelt, de voorgevel getooid met de wapenschilden der steden Delft,
Oudewater en Alkmaar naast elkander, die weder beheerscht worden door
den leeuw, die op het hoogste gedeelte des voorgevels is aangebragt,
en weder het wapenschild van Oudewater tusschen zijn gespierde pooten
houdt, dit alles maakt met de welaangebragte kleuren, die een en
ander bedekken, een aangenaam effect, dat nog verhoogd wordt, door de
sierlijke voorpui, die uit vitruvius gebouwd, en daarenboven getooid is
met vier zittende leeuwen, met wapenschilden boven de hoofdstukken der
pijlaren aangebragt, en het wapen van Holland in het midden vertoont.

Dit gebouw dagteekent van het jaar 1588, zoo als wij insgelijks nog
in den voorgevel uit eenige ijzeren ankers die dit jaartal vormen,
kunnen opmaken, het werd echter in genoemd jaar slechts vernieuwd,
op de oude grondslagen, boogen en muren, en met een leijen dak
gedekt. Uit dit dak rijst een fraai torentje, dat met eene daar
inhangende klok voorzien is, die ten tijde des Heeren van Kinschot
[299], onderanderen diende, ter bekendmaking der regtdagen, en
der gewoonlijke vergaderingen, alsmede het sluiten en openen der
poorten--zooals het tegenwoordig onder meer, voornamelijk gebezigd
wordt, tot bijeenroeping van den volke, indien er iets van de puije
des raadhuizen van lands- of stadswege wordt verkondigd.

Het Stadhuis is gebouwd op 4 boogen of verwulfsels: een dezer, aan de
voorzijde aanwezig, dient de nachtwacht, tot punt van bijeenkomst en
schuilplaats bij ongunstig weder, terwijl het tevens na afbraak der
Romein of Gevangentoren tot tijdelijke bewaarplaats voor misdadigers
is ingerigt, de overige drie »holen" zooals men ze noemt, worden van
stadswege tot bergplaats verhuurd.

Bezien wij nu vlugtig het stadhuis ook nog van binnen.

De trappen die wij tot dat einde moeten beklimmen, waren zoo als
Kinschot getuigt, van blaauwe Naamsche steen, en gemaakt door Duiliaan
Vlamingh, eertijds Mr. Steenhouwer te Delft, doch indien het uwe
belangstelling waardig is, zoo vermelden wij u, dat men in het jaar
1816 daarvoor andere heeft gelegd. Treden wij echter binnen--Al
dadelijk bevindt men zich op eene ruime voorzaal, aan wier einde
eertijds de vierschaar was. Op deze voorzaal werd sedert Ao. 1798 de
ringvergadering gehouden, waarvan Oudewater toen de hoofdplaats was,
waardoor ook alstoen de vierschaar vernietigd werd [300].

Regts aan den ingang dezer voorzaal bevindt zich de bodeskamer in
1857 daargesteld, terwijl aan het achtergedeelte, dáár ongeveer, waar
vroeger de vierschaar was, eenige wapenen,--overblijfselen van den
moord in 1575--tot eene trofée geschikt, deze voorzaal versieren [301].

Ter regterzijde verschaft eene deur toegang tot de Secretarie die
aldaar ten jare 1859 getimmerd is, deze doorgaande, komt men van
ouds in de weeskamer, die tot in dit jaar nog de Secretarie was,
doch in laatstgenoemd jaar tot burgemeesterskamer werd ingerigt;
ter linkerzijde, zien wij in dit laatste apartement eene deur in den
muur aangebragt; wij nemen de vrijheid deze te openen, en geleiden u
de raadkamer binnen, waarin eertijds ook het geregt zijne vergadering
hield. Reeds in 1834 en 1835 werd deze raadkamer veel verbeterd en
verfraaid, en ook nog in 1859 is veel tot versiering en tot gerief
hierin aangebragt, zoodat een en ander zich nu in zeer netten toestand
bevindt. Aan den wand, ontwaart men de portretten van de beroemde
mannen Jacobus Arminius, in der tijd hoogleeraar in de Godgeleerdheid
te Leiden, en Mr. A. Van Stipriaan Luiscius, eertijds Med. Doct. et
Chem. Lect. te Delft, beide te Oudewater geboren.

Wat wij echter op deze raadzaal nog meer opmerken, is het groote
beroemde schilderij van den Utrechtschen schilder D. Stoop,
voorstellende den moord der Spanjaarden in 1575 te Oudewater gepleegd,
zoo als nog daarenboven uit het volgende originele opschrift blijkt.

Oudewater onder Philip II, Koning van Hisp. door beleit van Hierges
belegert 19 Julij, is nae dapperlyk beschieten, ende grouwlyk gevegt
stormenderhand ingenomen; Soldaten, Burgers, Vrouwen en Kinderen
wreedlyk vermoord ende de Stad verbrand, op den 7 Augusti 1575.

Behoeven wij het wel te zeggen, dat waar een Stoop zoodanig
tafereel vervaardigd heeft, het niet mankeert aan fiks coloriet,
stoute figuren, en bevallig uitgevoerde groepen, dat iedere groep
eene fraaije ordonnantie op zich zelve is, zonder dat de bekwame
schilder door deze détails het geheel, hierdoor uit het oog heeft
verloren? Behoeven wij aan te stippen, dat het stadsgezigt uit dien
tijd met veel historische trouw is vervaardigd? [302]

Teregt stroomen er dan ook nog ieder jaar op den gedenkdag des
moords, honderden menschen naar het Raadhuis, om dit schilderij te
bewonderen, en zich te verplaatsen naar de tijden van den bloedigen
oorlog met Spanje.



Wij verzoeken den lezer het gebouw met ons te verlaten, daar de
gijzeling, die zich nog boven deze apartementen bevindt, weinig
aanlokkends ter bezigtiging kan aanbieden, en hiermede sluiten wij dan
ook de beschrijving onzer reeks publieke en merkwaardige gebouwen van
Oudewater. Wij hebben de gebouwen ondervraagd en zij hebben tot ons
ten deele door de historie-bladen en oude bescheiden gesproken. Wij
hebben gezien, dat het waarheid was, toen wij in ons motto den heer
Rose nazeiden: »De monumenten zijn de gedenksteenen van het verledene,
omdat zij de getuigen, somtijds zelfs de voorwerpen waren van vroegere
handelingen. De monumenten verschaffen ons eene geschiedenis op
eene andere wijze, namelijk in vormen, die een geheele reeks van
waarheden en denkbeelden in zich sluiten en bij ons opwekken. Zij
verhalen ons juist niet al het gebeurde, maar zij leeren ons kennen,
hoe het voorgeslacht leefde, dacht en gevoelde, en dat heeft voor
het meest even zoo veel waarde, als de vermelding van een reeks
gebeurtenissen." De waarheid van dit motto, zal nog nader uit het
volgende hoofdstuk blijken.



ONDERZOEK NAAR DE REDENEN WAAROM DE WAPENS DER DRIE STEDEN DELFT,
OUDEWATER EN ALKMAAR IN EN AAN EENIGE PUBLIEKE GEBOUWEN ALDAAR
GEVONDEN WORDEN.


Bij de beschrijving der publieke en merkwaardige gebouwen binnen
Oudewater, heeft men gelegenheid gehad, op te merken, dat de wapens
der steden Delft, Oudewater en Alkmaar aanwezig zijn, geweest aan de
gevels der geamoveerde IJssel- en Waardpoorten en nog zigtbaar zijn,
aan het Raadhuis dezer gemeente; daarenboven, bevatten eenige gebindten
in de kerk der hervormden, eertijds insgelijks deze wapenschilden,
terwijl uit zeker huis [303] gelegen aan de markt dezer plaats ten
jare 1856 bij herbouw nog het wapen van Delft werd verwijderd.

In Delft waren de drie voormelde stedenwapens aangebracht, aan den
toren van het raadhuis, aan de Kameretten of het oude Lombardhuis en
aan den binnengevel van de Waterslootsche of St. Jorispoort.

Terwijl men dezelve te Alkmaar aan de Stadswaag en in het gewelfsel
van de Consistorie der groote kerk kon opmerken.

Teregt moeten er dus gewigtige redenen hebben bestaan, waarom dit
drietal wapens nevens malkander worden aangetroffen, doch wat de
eigenlijke redenen zijn, dit is niet meer met zekerheid te bepalen:
zoo hiervoor het echte bescheid bestaan heeft, dan is het zekerlijk
verloren geraakt, en niettegenstaande vele aangewende pogingen, hiervan
eenig oorspronkelijk document op te duiken, zijn zij vruchteloos
gebleven. Het ontbreekt echter niet--zooals het gewoonlijk in
dergelijke gevallen gaat, aan een aantal gissingen daaromtrent,
en die willen ook wij dan vermelden, daar eenige er van, hoogst
waarschijnlijk de voldoende oplossing op deze vraag geven.

Onder de menigte schrijvers, die hunne aandacht op de aanwezigheid
en de redenen, waarom deze wapens op voornoemde plaatsen aangebragt
zijn, bepaalden, willen wij bij voorkeur raadplegen de heer Bleiswijk
in zijne beschrijving van Delft, Eiklenberg in die van Alkmaar en
Kinschot over Oudewater en daarbij onze meeningen invoegen.



Alhoewel het in oude tijden vrij gebruikelijk was, dat door de eene
stad aan de andere, bij het daarstellen van openbare gebouwen,
geschenken gegeven werden, en men ter gedachtenis daarvan, het
wapen van die stad, ter herinnering aan zoodanig gunstbewijs, daarin
aanbragt, zoo hebben eenigen gemeend, dat men dáárom deze wapens in
de vermelde reeks gebouwen, in deze drie steden had aangebragt; doch
hier maken wij van Kinschots gevoelen gaarne tot het onze, namelijk,
dat zulks niet waarschijnlijk is, aangezien in de Besluit-boeken dier
steden hieromtrent niets aangeteekend staat.

Wij voegen hier nog bij de facta, dat er op ons vrij wel
geinventariseerd gemeente archief, bestaat, eene missive van de
regering der stad Alkmaar, dato den 25 Mei 1588, »ten geleide van
't conterfeitsel van 't wapen dier stad, om dit nevens het wapen van
Oudewater en Delft voor 't nieuwe raadhuis alhier te stellen, als een
gedenkteeken en onderhouding van het oude verbond onderling gemaakt."

Hier wordt dus van geen geschenk der stad Alkmaar, doch van een
verbond gesproken.

Voorts hebben wij vermeld, dat ten jare 1856 uit zeker huis aan de
markt alhier, het wapen van Delft werd gebroken, en dewijl voor zoover
ons bekend is, deze woning nooit een openbaar gebouw van Oudewater
geweest is, kon Delft hiermede ook in geen betrekking staan en zal
laatstgenoemde plaats, dan ook geen geschenk tot daarstelling van
dat huis hebben verstrekt. Beneden zullen wij onze meening ook voor
de reden, dat voornoemd wapen, dáár aanwezig was aanvoeren; echter
is deze eerste gissing, naar ons oordeel behoorlijk ontzenuwd.

Ten 2e, willen anderen de reden van het feit hierin opgelost zien,
dat de steden Delft, Alkmaar en Oudewater in oude tijden, en mogelijk
wel in den Hoekschen en Kabeljaauwschen oorlog in onderling verbond
zouden gestaan hebben, en onder ééne banier ten oorlog uitgetrokken
zijn, doch hierop merkt van Kinschot [304] weder teregt aan, dat
iedere stad hare eigene banier gehad heeft [305] en hem dit geheel
onwaarschijnlijk voorkomt. Wij verwerpen met van Kinschot eveneens deze
meening, immers, dat die van iedere stad, zich onder hare bijzondere
banier ten oorlog schaarden, vonden wij ook bij Dr. D. J. Veegens,
in zijne »Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd" bevestigd,
alwaar wij onder de »vertelling" het ontzet van Haarlem op bladzijden
108-109 de volgende zinsnede aantreffen, die ook deze tweede gissing
met grond doet verwerpen:



»Door de stofwolken heen, die de ruiters van Jacobas leger uit het
drooge zand deden opgaan, blonken de banieren van hare getrouwe steden
Schoonhoven, Gouda en Oudewater in de middagzon."

Laten wij ons echter niet langer ophouden, het aantal gevoelens van
zoovelen mede te deelen en te wederleggen, doch trachten wij liever,
er de ware oorzaak van op te sporen.



Wij hebben hiervoren op bladz. 321, reeds de zekerheid erlangd,
uit de missive der stad Alkmaar van 25 Mei 1588, bij de geleide
der afbeelding van het wapen dier stad, om dat nevens het wapen van
Oudewater en Delft voor het nieuwe stadhuis alhier te stellen, dat
dit tot een gedenkteeken en onderhouding moest dienen, van het oude
verbond onderling gemaakt.

Nu komen wij op weg--er was tusschen deze drie plaatsen een verbond
gemaakt, dat verbond was ten jare 1588 reeds een oud verbond en dat
verbond was in laatstgenoemd jaar nog tot geene verkrachting gekomen,
want die van Alkmaar schreven, dat de plaatsing van het wapen hunner
stad aan het stadhuis, dienen moest, tot onderhouding van het verbond.

Wat nu de bijzonderheden omtrent dit verbond waren, hiervan ontbreekt
het rechte bescheid, doch wij zullen trachten te bewijzen, dat de
overeenkomst bestond:

1o. dat de poorters van Delft en Oudewater volgens onderling verdrag,
vrij waren het regt van uitgang (exue) te betalen.

2o. dat die van Oudewater en welligt ook van Alkmaar, weleer met
hunne vonnissen in zwaarwigtige en twijfelachtige gevallen bij die
van Delft mogten te rade gaan.

3o. dat bij jaarmarkten in eene dezer drie steden, eerst de poorters
van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd, en dan de twee overige
plaatsen, het regt van voorrang in standplaatsen op de markt mogten
hebben.

4o. dat de drie steden voornoemd, waren overeengekomen, dat hare
poorters een gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad hare eigen
poorters toestond, bij verhuizing zouden genieten, en ten

5o. dat het onderschrift van het wapen van Delft op eene onderlinge
overeenkomst van poorteren doelt.

I. Het eerst hebben wij ons voorgenomen te bewijzen, dat de poorters
van Delft en Oudewater vrij waren, het regt van uitgang (exue) te
betalen. Het zal echter vooraf velen onzer lezers niet onaangenaam
zijn te vernemen, wat dit voor een regt was,

Aan vele steden [306] in Holland was het eertijds bij Handvest vergund
en in andere steden was het reeds lang een oud gebruik, dat alle
buiten lieden, die in eene stad, bij uitersten wil of versterfregt
kwamen te erven, van deze hunne erfenis, een tienden penning, ten
behoeve van die stad moesten betalen, voor en aleer zij hun geërfd
goed, uit die gemeente mogten vervoeren.

Dit regt strekte zich ook uit, tot die burgers of poorters, die
weigerachtig waren, aan de hen opgelegde stadsdiensten en lasten
of anderzins, en zonder bewilliging uit de stad met hunne goederen
vertrokken--en zoodanig regt nu, was men gewoon te noemen, het regt
van exue, exuwe of Issue. [307]

Nu gebeurde het dikwijls, dat deze heffing onder steden, die gelijk
regt hadden, onderling werd opgelost, zoodat de zoodanige plaatsen,
dit regt van malkander niet invorderden. Verscheidene overeenkomsten
immers bestonden daarvan--zoo vinden wij vermeld, in de handvesten van
Amsterdam (1613 pag. 36) dat men daar met de stad Groningen zoodanig
verbond gesloten had, op St. Jans Baptisten avond 1553 en nog vinden
wij aangeteekend, dat tusschen de steden Haarlem en Amsterdam een
accoord in dezer voege aangegaan was, op den 17 April 1464.

»Een octrooi om exue te heffen was al zeer vroeg mede verleent
geweest aan de stad Delft, doch dit is in den brand van den jare
1536 verongelukt, zooals te zien is in het nader octrooi bij keizer
Karel den 27 Maart 1545 aan laatstgenoemde stad verleend, waarbij
vernieuwing van het oude octrooi werd gegund, als: »voorregt van
exuw te mogen heffen, opbeuren en omvangen, de twintigsten penning
van alle goederen succedeerende, of andersins gaande buyten de stede
van Delf mitsgaders ook so veel te mogen nemen, en omvangen van den
Inwoonders, of goeden uit derselver stede gaande in andre plaatsen,
als de wethouders aldaar nemen van de inwoonders van Delf hetzij de
tienden, twaalfden, of vijftienden penning." [308]

Zooals wij nu reeds gemeld hebben, hebben die van Oudewater met
de Delftenaars insgelijks een overeenkomst gesloten, dat zij ter
wederzijden vrij zouden zijn, van dit exue regt te betalen en wel reeds
op den 4 Maart 1427, waarbij die van Oudewater aan Delft beloofden:

»Dat sy tot genen dagen aan erfenissen, nog aan besterfenissen, die
hare poorteren en inwoonderen in het regtsgebied van Oudewater mogten
aanbesterven, belasten, nog beswaren en sullen, met enig pond geld
van hen te eijssen, of te nemen, ten waar dat ter de Burgemeesters
van der stede wegen van Delft voor en eerst van haar poorteren van
Oudewater eysschede en namen."

Dit eerste vrienschapsbetoon van Oudewater en Delft is, dunkt ons,
hiermede behoorlijk gebleken.

II. Het tweede punt, dat wij te bewijzen hebben is, dat die van
Oudewater bij uitspraak van hunne gewigtige en twijfelachtige gevallen
in geregtszaken bij die van Delft mogten te rade gaan.

De voor zijne eeuw zeer kundige Mr. Simon van Leeuwen getuigt, dat
meerdere steden gewoon waren onderling in dergelijke gevallen te rade
te gaan. Zoo raadpleegde de stad Woerden, die [309] van Gouda even
als de laatste zulks weer deed [310] bij die van Leiden, Weesp deed
het [311] te Amsterdam, terwijl Oudewater bij [312] die van Delft te
rade ging, en Delft wederom [313] advys inwon te 's Hertogenhosch.

De Heer van Kinschot heeft in zijne beschrijving van Oudewater twee
zoodanige advyzen van bladz. 62 tot en met bladz. 66 medegedeeld. Het
laatste was een advys van de heeren magistraten der stad Delft, dato
den 13 September 1610, en de eerste was van den 2 Februarij 1595 en
kortheidswille schrijven wij alleen de laatste over--het luidt aldus:


Eersame Discrete Voersienighen Heeren ende goede Bontghenoten:

»Wy hebben gevisiteert het processie voor uwer l. wtstaande tusschen
Baert Jacobsz eyscher, op ende tegens Pieter Harmensz. van Cendenoort
gedn., in welcke zaecke wy bevinden het poinct daer inne te bestaen,
off Adriaan Goossensz. des verweerders ofte gedaegdes huysfrouse
Grootevader zoo wy verstaen in den jare XVc. Liiij. by titule
van Coope vercreghen hebbende van Pieter Cornelisz. Burgher tot
Dordrecht, de vyertel lants die by den gedn. an den eysscher vercoft
is, In deselve Coope mede gehadt heeft de werff alhier in questie,
want indien Adriaen Goossensz. in deselve coope van de vyertel lants
mede gehadt soude hebben de werff in questie, soo soude ons advys
zyn, dat dezelve werff den Eyscher behoort geadiuceert te worden met
Condemnatie van Costen, en mette Intreste ofte schade van 't ontberen
van dyen vanden dach vande Coop aff, ontseggen hem zynen vorderen eysch
van alle 't gundt daer op geplantet is, Maer indien beuonde wordt,
dat Adriaen Gossensz. Dselve werff vercreeghen heeft nyet wt Crachte
van de Coop van de vyertel lants, maardat sy ofte eenighe andere,
van des gedes. voorsaeten, ofte de gedn. seluer by andere titule
de voorsz. werff vercregen soude hebben, soo soude ons advys zyn,
dat men den eyscher zynen Eisch en Conclusie behoort te ontsegghe
ook met Condemnatie van Costen.

    hier mede

»Eersaeme Wyse Discreten Voorsienighe heeren ende goede bondtgenoten
beuelen wy uwer E: in de bescherminge Gods des heeren Al machtich
geschreven tot Delft den ij february Ao. XVc. XCV.

    (Lager stond:)

Die alle uwer E. goede Vrunden en bondtghenooten Schoudt, Burgemren:
Schepenen en: Raeden der Stad Delff en ter Ordonnan. van henluyden
geteyckent by my,

    (was getekend)
        J: GROENHOUT.

        1595.

    (de superscriptie was)

    Eersaeme, Wyse Discreten seer voorsienighen heeren ende
    bondtghenoten

    De Bailliu, Schepenen ende Gerechte de Stede van

        OUDEWAETER.


Uit dit aangevoerde en de gebezigde woorden »goede bontgenooten,"
is ook de waarheid van dit tweede betoog aangetoond.

III. Op de jaarmarkten in de steden Delft, Oudewater en Alkmaar
hadden eerst de burgers van de stad daar de jaarmarkt gehouden werd,
en dan die der twee andere steden het regt van voorrang bij alle
andere buitenlieden, terwijl deze laatsten om hunne standplaatsen
moesten loten. [314]

IV. De oorzaak tot al het onderlinge vriendschapsbetoon in I, II en
III aangetoond, had hare aanleidende oorzaak hoogst waarschijnlijk
dáárin, dat er in zeer oude tijden volgens veler meening (en wel
volgens sage in het jaar 1421) een verdrag tusschen de drie gemelde
steden zoude getroffen zijn, waarbij aan de poorters dier steden, een
gelijk burgerregt, als ieder in zijne stad genoot, zoude toegestaan
en geschonken zijn, immers schrijft de heer van Kinschot in 1746, dat
de drie genoemde steden, dat poortersregt nog steeds genieten. [315]

Nu is het dan ons ook duidelijk geworden, waarom men het Delftsche
wapen aantrof in den voorgevel van het huis gemerkt N 371 aan de markt,
dat er Anno 1856 werd uit weggebroken--een ingezetene van Delft had
zich--wie twijfelt er nog aan?--hier met ter woon gevestigd, en tot
gedachtenis aan zijne stad, haar wapen in zijn huis aangebragt--voegen
wij aan dit betoog nog de daadzaak, dat er in de lijsten van aangenomen
poorters te Delft geene van Oudewater en Alkmaar voorkomen, dan is
er aan de waarheid niet meer te twijfelen. [316]

V. Neemt men nu ten slotte bij al het aangevoerde nog in aanmerking,
dat [317] het oude wapen der stad Delft in de kamer van Burgemeesteren
aldaar berustende, met zeer oude letters het omschrift bevatte:

Sigillum Communitatis Oppidanorum de Delf beteekenende: Het zegel
van de gemeenschap der poorteren van Delf, dan moeten ook wij zeggen,
dit moet niet zonder bijzondere redenen, maar met diep inzigt en wisse
voorbedachtzaamheid alzoo verkregen zijn. Deze zinsnede: gemeenschap
der poorteren van Delft moet ongetwijfeld doelen op »het oude verbond"
van de steden Delft, Oudewater en Alkmaar.



Het Wapen van Oudewater.

Wij hebben ons in het voorgaande hoofdstuk onder anderen bezig
gehouden, met het wapen dezer plaats, zonder dat de goedgunstige
lezer nog eenige nadere omschrijving van dat wapen had, het is daarom,
dat wij die nu dadelijk gaan maken.

Het stadswapen dan, vertoont een zilver veld, waarop zich een burg
bevindt, wiens omloop met schietgaten en wiens poorten met hameijen
voorzien zijn, van boven uit dezen burg verheft zich een klimmende
leeuw, alles van rood of keel, zooals men dit in de heraldiek noemt,
de leeuw echter is getongd en geklaauwd van hemelsblaauw (lazuur). Dit
zilver schild nu, is gedekt met een kroon met drie fleurons van goud
terwijl het wapenschild wordt vastgehouden door twee klimmende leeuwen,
in hunne natuurlijke verwen.

Kinschot denkt, dat het sijmbool van dit wapen is, aldus:

Oudewater ligt op de uiterste grenzen van Holland tegen de grenzen van
het Sticht en dus naar die zijden bloot, voor den eersten aanstoot der
wapens wanneer het Sticht overweldigd is; vandaar, dat hij Oudewater
dan ook noemt »een Burch en Bolwerk voor het gewest van Holland." Deze
burg en dit bolwerk zouden dan naar alle waarschijnlijkheid, een
van Hollands graven op de gedachte gebragt hebben, deze gelegenheid
der stad, in haar wapen te doen vertegenwoordigen door den burg,
waarboven de leeuw als staat te waken, tegen iederen onverhoedschen
overval van eenen vijand.

In het jaar 1816 werd van wege den koning, o. a. »de hooge raad van
adel" gemagtigd eenige of een aantal wapens te wettigen, ingevolge
besluit van den 20 Februarij 1816, en het was in laatstgenoemd jaar,
dat de gemeente van Oudewater ingevolge het door haar gedaan verzoek
door haar bevestigd werd, in het bezit van het hiervoren omschreven
wapen, zoo als blijkt uit het onderschrift van het wapen dezer stad,
dat op het stadhuis in de raadkamer hangt:


    Gedaan in 's Gravenhage den 24 Julij 1816.

    (was geteekent) enz. [318]



Regeringsvorm en Regeringslieden.

In een privilegie van graaf Willem, Anno 1322, waarbij de poorters
van Oudewater niet arrestabel worden verklaard, wordt gewag gemaakt,
dat alstoen hier aan der stede regering waren: »seven scepenen,
twee Raatsmannen en een Bailju." [319]

Voorts bestaat er een bevel van »Willem Grave etc." aan de magistraat
van Oudewater van het jaar 1323 namelijk om de Lombaarden in hare
stad te ontvangen en burgerrecht te laten genieten, waarin de
regeringslieden aldus werden genoemd.

Wi Willem Grave etc. onsen lieven en getrouwen Schout, Schepenen ende
Raed van onser poorteren van Oudewater saluyt enz. [320]

Terwijl graaf Albrecht de magistraat dezer plaats in 1395 vermeld,
onder de woorden »Scout, Borghe Meesters, scepenen en Rade." [321]

Tot op 1401 echter, zijn wij niet in het bezit van eenig stuk, hoe de
aanstelling van den magistraat geschiedde, als wanneer in laatstgenoemd
jaar Hertog Aalbrecht van Beijeren op den St. Matthijs aposteldag,
aan de stad Oudewater een handvest [322] verleende, waarin onder
anderen geregeld werd, het aanstellen van schepenen en achten [323]
het verkiezen van Burgemeesters enz. en wel in dezer voege:

De Bailluw van Rijnland zou ieder jaar op meiavond zetten of doen
zetten, zeven schepenen, die niet te zeer onderling vermaagschapt
zouden zijn. Wanneer nu een van deze schepenen gedurende zijn
schependom kwam te overlijden, dan zou de Bailluw van Rijnland nadat
hem van stadswege daarvan was onderrigt, binnen verloop van veertien
dagen een anderen schepen verkiezen.--Voor en aleer de schepenen van
het stadhuis zich verwijderden, moesten echter tenzelfden dage, de
Achten of acht raadsmannen gekozen worden. Voorts bepaalde hertog
Aalbrecht nog, dat de schout, schepenen, klerk en de gezworen
Raadsmannen ieder jaar op St. Simon en Judas avond, uit ieder
vierendeel der voornoemde stad, staande ten halven schoten, zouden
kiezen twee Burgemeesters met deze bepaling, dat zij die binnen de
laatste drie jaren Burgemeesters geweest waren, niet verkiesbaar
waren, en dat, zoo er een van dezulken in zijne dienst »aflijvig"
werd, men alsdan een anderen binnen de drie dagen kiezen zoude,
dat de Burgemeesters niet te na in de familie mogten zijn, en vijf
en dertig jaren of daarboven moesten oud zijn, enz. enz.



Hertog Aalbrecht, bepaalde in dit zijn handvest, zooals toen veelal
gebruikelijk was, dat al de daarin vermelde »poincten" en ieder in
het »bijzonder vast ende gestade" gehouden moesten worden, zooals er
verder stond, »voor ons en onse nacomelingen ten eeuwigen dagen" waarom
hij dan ook dezen brief had laten »besegelen met synen segele." Deze
eeuwigheid duurde echter slechts een tijdsverloop van 184 jaren
(van 1401 tot in 1585) als wanneer Holland ziende de gelegenheid
en de stand van zaken in deze stad, ten gevolge des moords in 1575,
goedvond, eenige verandering in de uitvoering van meergemeld stuk van
Graaf Aalbrecht aan te brengen, weshalve de staten voor den tijd van
drie jaren bevolen, dat een van de Burgemeesters en sommige van de
schepenen, niet op den vroeger bepaalden tijd behoefden af te treden,
»wel verstaande, dat daartoe vercoren sullen worden, de bequaamste ende
nutste personen uyt het geheele corpus van de gemeente, zonder reguard
te nemen op de quartieren, schoten ofte loten, ofte ook dat deselve
in voorlede jaren zullen gedient hebben, zullen de verkiezingen en de
advysen diesaangeande vrij zijn, als in andere steden van Holland
ende dit alleenlijk voor den tijd van drie eerstcomende jaren,
als voorseyt is; te eynden, dat de staten voornoemt verhopende,
dat de steede wederomme gecomen sal wesen tot haren ouden fleur,
hebben belooft ende beloven mits dezen die van Oudewater voornoemd,
wederom te laten genieten, het voornoemde privilegie naar zijnen form
ende inhouden. [324]"

Het is mij niet gebleken, of na verloop van deze drie jaren, de
verkiezing weder op den ouden voet van 1401 plaats had, stellig echter
moet het gebleken zijn, dat dit octrooi niet langer haltbaar was,
daar wij in het jaar 1591 gewag gemaakt vinden van de volgende nieuwe
octrooijen voor Oudewater, rakende de verkiezing van Burgemeesters,
schepenen en vroedschappen der stad.


    De Ridderschap, Edelen ende Steeden van Holland en Westvriesland,
    Representeerende de Staten van denselven Lande, doen te weten,
    Alsoo tot dienste der Steede van Oudewater, ende ten eynde de
    ingezetenen van dien in goede ordre ende gerustheid mogen gehouden,
    ende onder het gebied ende Respect van de Magistraaten wederom tot
    welvaren gebragt werde, ende Regt ende Justitie aldaar gebruyckt
    ende onderhouden als naar behoren nodig bevonden is te voorsien,
    aangaande het stellen van de Burgermeesteren, Schepenen ende
    Vroedschappen aldaar, naar jegenwoordige gelegentheid der selver
    Steeden, ende sonder de præjudicien van de Privilegien van dien,
    Zoo is 't, dat wy hier op gesien hebbende de Privilegien ofte
    Octrooi van Hartog Albrecht van Beijeren H. Gl. die van Oudewater
    voornoemd verleend, in den Jaare 1401, uyt onse regte weetenschap
    den voorn. van Oudewater gegund, geconsenteerd, ende geoctroyeerd
    hebben, Gunnen, Consenteeren, ende Octroyeeren by deesen, dat
    aldaar geëligeerd ende gesteld sullen worden by syn Exellentie als
    Gouverneur van de Lande van Holland, &c. Vier en Twintig Personen
    tot Vroedschappen der voorsz. Steede van Oudewater, uit alle
    sulke meerder getal van de bequaamste, rijkste en vreedsaamste
    derselver Steede als bij de voorsz. Magistraaten syn Exellentie
    sal worden gepræsenteerd ende dat voor de eerste Reyse, ende soo
    wanneer eenige derselver Vroedschappen sullen koomen te overlyden,
    of uyt de voorsz. Steede metter Woone te vertrekken, ofte dezelve
    om eenige andere oorsaaken, soude mogen verlaaten werden, dat
    in de plaatse van deselve by de Burgermeesteren in der tyd, ende
    de andere Vroedschappen aldaar eenen anderen meede van de Rykste,
    gequalificeerdste, vreedsamigste verkooren en by de Borgermeesteren
    geëed sal worden. Item dat den Bailliuw, Borgermeesteren, ende
    Vroedschappen alle Jaars op den 25 April nomineeren sullen
    Vier Persoonen uyt de Scheepenen in diensten synde, ende Tien
    Persoonen uyt de voorsz. Vroedschappen ofte andere van de rykste
    gequalificeerdste Burgerye ende dezelve aan zynen Exellentie by
    eenen, die de voorsz. Borgermeesteren ende Vroedschappen daartoe
    sullen Committeeren, ofte in syn absentie aan den President ende
    Raden Provinciaal van Holland oversenden, omme uyt de vier Twee
    gecontinueerd ende uyt de Tien vyff Persoonen gekooren te werden,
    voor een jaar tot Schepenen der voorsz. Steede, die by den Bailliuw
    van Oudewater van wegen de hoge Overigheid ge-eed in officien
    gesteld sullen worden; Dat voorts den Bailliuw, Burgermeesteren,
    Schepenen, Vroedschappen ende Clerq der voorsz. Steede alle
    Jaars op den 28 Octobris sullen Eligeeren Twee van de Rykste,
    gequalificeerdste enne vreedsamigste Persoonen derselver Steede
    het zy uyt de Vroedschap ofte Burgerye tot Borgermeesteren, mits
    dat zyl. een van de Borgemeesteren van den voorleedene Jaaren
    sullen mogen Continueeren indien henl. het selve goed dunken zal,
    Dies en sal men niemand als Borgermeester verkiesen uyt Scheepenen
    dienende in den tijd van de voorsz. Electie, innegaande deselvde
    Continuatie den 28 Octobris XVc. twee en negentig, ende die twee
    Jaaren als Burgermeester gediend sal hebben, en sal na de Expiratie
    van dien, in de twee eerstkomende Jaaren daar aan volgende niet
    weder als Borgermeester geeligeerd mogen werden.

    Ende en sullen in de voorsz. Vroedschappe niet mogen weesen Vader
    en Zoon, nogte Schoonzoon, nogte Twee Gebroeders, nogte insgelyks
    als Burgermren, nogte Schepenen gelyk op eenen tyd niet mogen
    dienen, die malkanderen in Consanguiniteit en adfiniteit als
    voren syn bestaande, nogte ook Zusters kinderen, ende dit alles
    voor den tyd van tien Jaaren eerstcomende, ende onverminderd
    de Privilegien ende Geregtigheeden der voorsz. Steede ende ten
    eynde deese onse jegenwoordige Brieven van Octroy mogen worden
    agtervolgd ende onderhouden; ordonneeren wy dat deselve in de
    Griffie van de voorn. Hove sullen worden geregistreerd ende dat
    voorts een ygelyc hem daar na sal hebben te Regaleeren.

    Gegeeven in den Hage onder onse Groote Zeegelen hier aan gehangen,
    den naastlesten Augusty in 't Jaar onzes Heeren 1591.


    ORDONNANTIE van de Heeren Gecommitteerde Raaden van de Staaten
    van Holland en Westvriesland voor de Regering van Oudewater, omme
    te Eligeeren twee Persoonen tot Burgemeesteren derselve Steede.

    De Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland ende
    Westvrieslandt, gesien hebbende 't inhoude van den Octroye by
    den Heeren Staaten, die van Oudewater den Naastlesten Augusti
    lestleden verleend, hebben verklaard, ende geordonneerd, verklaren
    ende ordonneren by deesen, Dat den Bailliu, Burgemeesteren,
    Schepenen, Vroedschap, ende Clercq der voorsz. Stede, den
    XXVIIJen. Octobris toekomende sullen Eligeeren twee van de Rycxste,
    Gequalificeerdste, ende Vreedsamichste Persoonen derselver stede,
    't zy van de Vroedschap, ofte Burgerye, tot Burgemeesteren sonder
    dat syl. ouyt den Burgemeesteren ende Schepenen jegenwoirdelick
    dienende, agtervolgen denzelven Octroye yemand sullen mogen kiezen.

    Gedaan in den Hage den XXIIIJen. Octobris XVc. Een en 't
    Neegentich.

        (Onder stond)

    Ter Ordonnantie van Gecommitteerde Raden van Staten voornoemd.

        (Was geteekent)
            C. DE RECHTERE.


In het jaar 1600 toen de tijd van toepassing van dit octrooi verloopen
was, werd op het verzoek van Burgemeesters, Schepenen en Vroedschappen
der stad Oudewater, om voortaan te mogen blijven bij het octrooi dato
den 29 Augustus 1591, omtrent het stellen van Burgemeesters, Schepenen
en Vroedschap aldaar, hen dit niet toegestaan, doch hetzelve werd bij
resolutie der Staten van Holland, dato den 13 September 1600 nog met
tien jaren dus tot Ao 1611 verlengd.

Toen die tijd echter wederom verstreken was, en de Magistraat van
Oudewater zich bij die volmagtiging wel bevond, zoo hebben de Staten,
deze stad op den 8 September in het jaar 1611 daarin bevestigd tot
wederopzeggings toe. [325]

In zoodanigen staat bleef de electie van de magistraatspersonen tot
den tijd toe, dat de Burgemeesters en Vroedschappen zich genoopt zagen,
om door het afsterven van vele der aanzienlijkste, en tot de regering
bekwaamste personen, met opzigt tot het getal der Vroedschappen
aan de Staten te verzoeken, dat dezelve van vier-en-twintig tot
op achttien mogten uitsterven,--dit werd dan ook door de Staten
toegestaan op den 10 Februarij 1671, mits de aanstelling van de andere
Magistraatspersonen, in gevolge de privilegien en vorige octrooijen
in zijn geheel bleef.

Van voornoemd jaar 1671, werd Oudewater nu 101 jaar geregeerd, door een
Bailjuw, twee Burgemeesters, zeven Schepenen en achttien Vroedschappen,
die ieder een Secretaris hadden.

101 Jaar zeiden wij, immers in het jaar 1772 werd weder bij octrooi
bepaald, dat het getal der Vroedschappen nu tot op 12 mogt uitsterven.

Alvorens nu verder te gaan, om eene andere regeringsvorm in Oudewater
te gaan beschrijven, vinden wij het niet ongepast, nog iets omtrent
de wijze van aanstelling, en de waardigheden dezer betrekkingen
te Vermelden.



De Bailluw van Oudewater was tevens Opper-Dijkgraaf der onder de stad
behoorende Landen en had ook het Schoutsambt van Hollands Graaflijkheid
in pacht. Zijne aanstelling geschiedde door de Staten van Holland om
genoemd ambt gedurende zijn leven te bedienen. [326]

Ingevolge de handvesten, voorregten en later genomen besluiten, werd
de Bailluw doorgaans gelast, om ieder jaar de benoeming of het dubbel
getal van Schepenen aan de Heeren Staten en bij derzelver afwezigheid
aan hunne Gemagtigde Raden [327] tot het doen der verkiezingen over te
brengen, die dan ook de verkiezing deden, en dezelve per brief aan den
Bailluw overzond om den verkozen in hunne betrekking te stellen en te
[328] beëedigen.

Voorts had de Bailluw een Stedehouder of plaatsbekleeder, die bij
afwezigheid of ontstentenis van den eerste, in alles den Bailluw
vertegenwoordigde.



De twee burgemeesters, die ieder jaar op den 28 October bij meerderheid
van stemmen verkozen werden, moesten, zoowel de aanblijvende als
aankomende Burgemeester, of Burgemeesters, in handen van den oudsten
aftredenden Burgemeester, den navolgende eed doen en beloven. [329]

»De Graaflijkheid van Holland mitsgaders deeze stede gehouw ende
getrouw te zullen zijn, alle de stads voorrechten, Handvesten
en keuren voor te staan en te handhaven, goede politie onder de
burgers en gemeente te onderhouden, mitsgaders de Kerk, 't Gasthuis,
den Heiligen Geest, 't Weeshuis, Weduwen en Weezen, in huerlieden
geregtigheid te helpen, beschermen, en voorts alles te doen, 't geen
goede en getrouwe Burgemeesteren schuldig zijn en behooren te doen."

Een dezer Burgemeesters, en wel doorgaans de oudste in bediening,
nam het Thesauriers- of Schatmeesters [330] ambt waar, voor den tijd
van een jaar, hij hield de kas van de goederen en inkomsten der stad,
en moest binnen het jaar, nadat hij van zijne bediening ontslagen was,
van zijne administratie en bediening als zoodanig, ten overstaan van
de geheele Vroedschap, behoorlijk rekening en bewijs doen. [331]



De zeven Schepenen, uit eene benoeming of dubbel getal, op den 25
April van ieder jaar gemaakt, werden door de Staten van Holland of bij
derzelver afwezigheid, door de Gemagtigde Raden verkozen, en moesten
den navolgenden eed in handen van den Bailluw doen en zweren: [332]

»Dat zy lieden recht ende justitie onpartydelyk tusschen twee mans
dingtallen zullen bedienen, en zulks t' allen tyden ter Vierschaare
te verschynen, des by den Heer daartoe verzogt zynde, en voorts alles
doen, 't geene goede en getrouwe Schepenen schuldig zyn en behooren
te doen." [332]

Tot 1 Januarij 1806 als wanneer het vernietigd werd, had Oudewater
ook nog Schepen-Commissarissen ter Judicature van den gemeene lands
middelen, niet alleen in zaken over de stad voorvallende of ondernomen
wordende, maar ook over Hekendorp, Linschoten, Snelrewaard, Dijkveld,
het Land van Vliet en Roozendaal, zijnde alle bijzondere regtsgebieden,
en daarom was volgens het 15 art. van Hunner Ed. Groot Mog. Generaal
placaat op den ophef van de gemeene middelen gegeven, deze stad de
hoofdplaats van het voorschreven District.--Van al de uitspraken
en vonnissen mogt echter geappelleerd of gereformeerd worden aan de
Ed. Mog. Heeren, Gemagtigde Raden der Ed. Gr. Mog. Heeren, de Staten
van Holland en West-Vriesland.



De Burgemeesters en Vroedschappen kiezen bij 't openstaan van een
overledene, met der woon naar elders vertrokken, of zijnen dienst
verlaten hebbende Vroedschap, eenen anderen in diens plaats, welke in
handen van de in bediening zijnde Burgemeesteren den eed moet afleggen,
en volgens het Octroy en de Continuatie van dien [333] zweeren:

»Dat hy de Ridderschap, Edelen en Steden van Holland ende
West-Vriesland, als verbeeldende de Staten van het zelfde Land,
mitgaders de Burgemeesteren en Schepenen deezer Stede gehouw ende
getrouw zyn zal, en op 't verzoek van Burgemeesteren voorsz. t' alle
tyden op 't Stadhuis der zelver Stede verschijnen, om den zelfde
Burgemeesteren en Schepenen te helpen raaden en besluiten tot nut,
dienst ende welvaaren der voorsz. Stede, zulks hy in zyn gewisse,
en beste Weetenschap zal oordeelen te behooren in gevolge van 't
voorsz. Octroy der Heeren Staten."

De Secretaris werd ingevolge zeker voorregt van Albrecht, paltsgrave
op den Rijn, als Graaf van Holland verleend, op den 18 Mei Ao. 1394
[334] bij de Burgemeesteren gelast en aangesteld. [335] Hij deed
den gewoonlijken eed tot dat ambt in alle steden ingebruik, en had
stem in de jaarlijksche verkiezing van Burgemeesters. Was hij daarbij
echter ook Vroedschap, dan mogt hij toch altijd maar eene stem in de
verkiezing uitbrengen. [336]



Naamlijst der respective Bailluwen, Castelleinen en Dijkgraven van
de stad Oudewater met de daaronder behoorende landen, voor zoo ver
de in de Registers zoo van het land als de stad te vinden zijn.

1. Bartholomeus van Cattendijk. Aangesteld den 16 Junij 1509.

2. Bertelmeus van Egmonde.

3. Jonkheer Jan van Vliet, Schildknape, Heer van Vliet, Hoenkop en
Berge-Ambacht tot Castellein van het slot van Oudewater aangesteld,
op den 3 November 1519, »by Kaerle, by der Gracien Godts koninck van
Castilien van Leons etc. volgens commissie geregistreerd en te vinden
in 't blaauwe ruyge Register, fol 34."

4. Jan Jacob Gerritz.

5. Gerrit Jan Jacobsz. voor één jaar aangesteld den 28 Januarij 1554
»bij de Luyden van de Reekeningen des Conincks in den Hage volgens
lastbrief, te vinden in 't vijfde boek van de verpagtinge der offitien,
fol. 28 vso."

6. Jonkheer Pieter van Catz, Maarschalk van Montfoort aangesteld den 30
December 1555 »by de Luyden van Rekeningen des Coninks in den Hage en
volgens commissie geregistreerd in 't vijfde boek der verpagtinge van
offitien, fol. 42, ende gecontinueerd by Philips by der Gracien Godts
Gonink van Castilien Leon etc. zijnde de connuatie geregistreerd in
't swarte Ruyge Register fol. 299 vso."

7. Jacob van Alkemade, geheeten van Berry, Ambachts Heer van
Comstrije. Aangesteld den 31 Januarij 1560 »by de Luyden van de
Rekeningen in den Hage volgens Commissie geregistreerd in 't zesde
boek der verpagtinge van offitien. fol. 7 vso."

8. Gerrit Jansz. aangesteld den 8 Januarij 1565 bij de »luyden" als
voren, en volgens commissie geregistreerd in het voormelde zesde boek,
fol. 20 vso.

9. Thijmen van Leeuwen, aangesteld als voren den 15 Maart 1565,
volgens commissie geregistreerd in hetzelfde boek fol. 22.

10. Gerrit Gerritz Craijestein. Aangesteld den 20 November 1574 bij
de »luyden" van des konings rekening te Delft. Ingevolge resolutie
der staten van Holland dato den 23 Maart 1583, is hij ook aangesteld
op den 15 April 1583 door de »Luyden" van Rekeningen in Holland tot
Bailluw en Dijkgraaf der drie gehuchten Lange Linschoten, Snelrewaard
en Heeckendorp paalende aan de stede van Oudewater en werd als zoodanig
volgens commissie geregistreerd in het eerste witte Register van de
verpachting der offitien, fol. 38 vso.

Deze ambten heeft hij tot in het jaar 1618 bekleed als wanneer hij
is overleden. [337]

11. Jonkheer Gelijn Zegers van Jegen, Ridder, Heer van
Wassenhoven. Aangesteld den 5 Julij 1618, bij die van de Rekeningen
der Graaflijkheid van Holland te 's Gravenhage.

12. Mr. Karel van Willigen, aangesteld als voren op den 5 Januarij
1638.

13. Hendrik Schrijver. Aangesteld den 9 Mei 1659. [338]

14. Gijsbert van Craijestein. Aangesteld de 11 Mei 1665 en gestorven
den 21 Januarij 1669.

15. Johan van Leeuwen. Aangesteld den 1 Februarij 1669.

16. Mr. Hendrik Schimmelpenning. Aangesteld den 2 Januarij 1670.

17. Quirijn van Strijen. Aangesteld den 15 Januarij 1674, gestorven
den 31 Januarij 1694.

18. Mr. Cornelis Schaap. Aangesteld den 5 Februarij 1694. gestorven
den 28 October 1725.

19. Gaspar Rudolf van Kinschot, Heer van Nieuwerkerk. Aangesteld
den 9 November 1725. Deszelfs eerste Commissie is geregistreerd in
XIX Witte register der verpachting van de offitien fol. 232 [339]
hij stierf in het jaar 1747.

Tot dus ver de lijst des Heeren van Kinschot, gaan wij nu door dezelve
te completeren.

20. Mr. Willem Dekker, aangesteld 19 September 1748.

21. Mr. Jan Hugo van Streijen, aangesteld 17 Maart 1753.

22. Mr. Aart van der Goes, aangesteld 16 Julij 1768, gestorven
anno 1789.

23. Mr. Engelbert Paauw, aangesteld 13 Maart 1789.

Bij de resolutie van 1795, van deze posten geremoveerd zijnde, is op
den 22 Januarij van laatstgenoemd jaar in deszelfs plaats verkozen:

24. De Burger, Johannes Justus Montijn, die op den 1 April 1795
van de provisionele representatie van 't volk van Holland deszelfs
commissie heeft ontvangen, zijnde geregistreerd in het IX register
der commissie,--dan de regtbank, onder het bestuur van Keizer Napoleon
vernietigd zijnde, zijn deze posten sedert vervallen.--



De breedvoerige omschrijving der Maires en adjunct Maires onder het
Fransch bestuur, gaan wij stilzwijgend voorbij, alleen vermelden wij,
dat tot in het jaar 1832 het hoofd der Gemeente was, laatstelijk
natuurlijk met den titel van Burgemeester, Johannes Justus Montijn
voornoemd, die in deze betrekking werd opgevolgd door:

25. Adriaan Maarten Montijn, en wel in hetzelfde jaar
1832. ZEd. Achtb. verzocht echter in 1855 van dit ambt ontheven te
worden, weshalve hem in dit jaar eervol ontslag door Z. M. den Koning
werd verleend.

26. Rijnardus William Haentjens Dekker, bekleedt thans sedert primo
Januarij 1856 het ambt van Burgemeester der Gemeente Oudewater.



De naamlijst der Secretarissen dezer stad, zijn sedert den jare 1547
de navolgende, waarvan men melding gemaakt vindt:

1 Pieter Speyert, was in dienst den laatsten Februarij 1547.

2 Dirk Simonsz., vermeld in de Resolutien van Holland, den 5. Februarij
1575.

3 J. Bonser, was in dienst 1581.

4 D. v. Luytens, vermeld in de Resolutien van Holland, den 15 Julij
1584.

5 S. J. Bonser, was in dienst 1605.

6 Mr. . . . . . Everdingen.

7 H. De Hoy, was in dienste 1634.

8 Dirk Tromper.

9 Gerard Kersseboom, aangesteld den 13 Julij 1673.

10 Mr. Pieter Schrijver van Roodenburgh, aangesteld den 13 Julij 1690.

11 Adriaan Maas, aangesteld den 10 April 1725.

12 François van Hoogstraten, aangesteld den 3 Januarij 1743.

13 Dominicus de Jong, aangesteld Anno 1758.

14 Jan de Keyser, aangesteld anno 1789.

15 Adriaan Maarten Montijn, aangesteld onder het Fransch bestuur der
maires A. 1811, werd ook na de omwenteling als zoodanig benoemd, en
is in het jaar 1837 in deze betrekking bevestigd. Op Z.Ed. verzoek,
is hem als zoodanig door Z. M. eervol ontslag verleend, in te gaan
den 1 Januarij 1856.

16. Rijnardus William Haentjens Dekker, door den Gemeente Raad benoemd,
den 8 Februarij 1856.



Ziedaar in korte breede trekken iets omtrent de regering en de
regeringspersonen alhier. De Gemeente-Raad van Oudewater, bestaat
tegenwoordig ingevolge de »Wet tot regeling van de zamenstelling,
inrigting en de bevoegdheid der Gemeente besturen" uit 7 leden met
eenen Burgemeester, die met 2 Wethouders het collegie van dagelijks
bestuur uitmaken, terwijl aan den Gemeente Secretaris en den Gemeente
Ontvanger, insgelijks in laatstgenoemde wet hunne verpligtingen
worden aangeduid.



De octrooijen van Graaf Aalbrecht, en de resolutien der Staten van
Holland, omtrent de benoeming van den Magistraat van Oudewater zijn
gelukkig reeds lang krachteloos verklaard, en de aanstelling als
zoodanig, geschiedt thans in alle gemeenten van Nederland ingevolge
de bepalingen vervat in één en dezelfde wet.



Oudewaters voormalig regt,

VAN RANG EN SESSIE IN DE STAATSVERGADERING VAN HOLLAND.


Hebben wij nu gezien, dat er omtrent het bestuur van iedere gemeente
van Nederland en bijzonder met dat van Oudewater groote hervormingen
plaats hadden, ook het landsbestuur onderging niet minder groote
veranderingen.

Immers de Staten Generaal, verdeeld in Eerste- en Tweede Kamer, alsook
de Provinciale Staten--de twee laatste ligchamen uit vrijwillige
stemming geformeerd--zijn allen in deze eeuw daargesteld.

Wanneer er eertijds over 's Lands aangelegenheden moest gesproken
worden, dan werd er vergadering belegd van Ridders en Edellieden uit
verschillende oorden des lands, en de groote en kleine steden van
Holland, werden dan insgelijks beschreven ter Staatsvergadering te
verschijnen, en eene deputatie uit den Magistraat eener zoodanige
gemeente, woonde dan de bijeenkomst bij en had daarin regt van stem.

Ook Oudewater mogt zich beroemen, de eer te hebben om zijne
gemagtigden, zitting te doen nemen in 's Lands Hooge Vergaderingen
en stem te laten uitbrengen, omtrent de gewigtigste aangelegenheden,
van het veel tijds zoo benarde Vaderland.

Is de Koninklijke residentie 's Gravenhage nu alleen de plaats van
bijeenkomst voor Nederlands vertegenwoordigers, vroeger werden er
ook in eene menigte andere plaatsen van ons Vaderland zoogenaamde
dagvaarten gehouden; zoo ook had de beschrijving van de Vergadering
der Staten vóór Prins Willem den I geen vasten voet; immers, nu
eens werd zulks gedaan, door den Graaf of zijnen Stadhouder, en
de Raden van het Hof, [340] dan weder door 's Lands Advocaat, en
den Algemeenen Ontvanger.--Genoemde Prins beweerde echter, dat het
streed met de achtbaarheid [341] des hofs, dat de beschrijving door
den griffier geschiedde en dat het regt de Staten ter dagvaart op te
roepen, hem alleen toebehoorde; de Prins wist dan ook de bewilliging
van Margaretha, Hertogin van Parma als Landvoogdesse te verkrijgen,
[342] dat alle Staatsvergaderingen streng verboden werden, die zonder
zijne aanschrijving en bewilliging geschiedden.

Na den moord van den Prins op den 10 Julij 1584, werd kort daarna
de vergadering der Gemagtigde Raden opgerigt, en aan deze liet men
sedert dien tijd altijd het beschrijven van 's Lands Staten over.

Van Kinschot getuigt, [343] dat de Vergadering der Staten gedurende
een twintigtal jaren, n.l. van 1524 tot 1544 zeer verward is geweest,
doch dat men op dezelve veeltijds vermeld vindt de edelen en de
zes navolgende plaatsen, die groote steden genoemd werden [344]
te weten: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda en Amsterdam,
echter werden ook wel nevens deze laatste steden de kleine steden
beschreven,--waaronder zoo als wij weten ook Oudewater behoorde,
zonder dat er echter een vaste orde of rang in gehouden werd.



a. Op den 16 Mei 1525 verschenen ter Staten Vergadering [345] nevens
de Edelen, Ridders en groote steden onder de kleine steden, ook de
Gemagtigden van Oudewater.

b. Te 's Gravenhage verschenen op de dagvaarten van 24, 25 en 26 Mei
1525 namens Oudewater Jacobs Gerrits en Gerrit. [346]

c. Te St. Geertruidenberg op het stadhuis den 17 Junij 1525, verschenen
ter vergadering ook wel die van Oudewater, doch van hen en die van
Enkhuizen staat geboekt, »dat men dezelve niet en konde met meer
andere van de kleine steden." [347]

d. Te Breda verschenen op den 25 Junij 1525 namens Oudewater, Jacob
Geritsz en Pieter Anthonis met bijvoeging, »dees was er den laatste
dagvaart, maar hier niet."

e. Te 's Gravenhage verschenen voor Oudewater, op 17 November 1527,
Jacob Klaas en Daniel Henreksz.

f. Op den 23 Mei 1528, Henrik Geritsz.

g. Den 13 October 1528, Jan Dircx en

h. Te Utrecht den 23 dito, Henrik Geritsz.

i. Te 's Gravenhage op den 29 Mei 1529, Cornelis Dirksz en Jan
Pietersz.

j. Te Brussel den 7 Junij 1529, Jan Pietersz.

Voorts vindt men gewag gemaakt, dat er op de dagvaarten van Haarlem 20
September 1534, en op die te Gouda 8 Augustus 1536, vele van de kleine
steden waren, »zonder dezelve of haar Gemagtigden aan te teekenen of
te kennen." [348]

k. In 's Gravenhage vertegenwoordigden Oudewater van den 16 tot den
24 September 1538, Jan Robrechts en Mr. Dirk van Crempen.

l. Op den 12 en 13 October 1538, [349] Jan Robertsz en Mr. Willem
Geritsz.

Op den dagvaart te Haarlem 11 en 12 Augustus 1540, waren daar
tegenwoordig meest al de [350] kleine steden, even gelijk ook op de
Staatsvergaderingen in 's Gravenhage den 11 en 24 Februarij 1541 en
de 11 September 1542, de kleine steden tegenwoordig waren. [351]

Indien wij de resolutien van Holland ab Anno 1544 ad 1549 en van 21
November 1544 fol. 55 inzien, dan denkt men teregt, dat de edelen
en zes groote steden een geruimen tijd de Staatsvergaderingen hebben
uitgemaakt, en zij de kleine plaatsen eenigzins begonnen te beschouwen
als »het vijfde rad aan een wagen" te meer nog, daar Jacob van den
Ende, in zeker getuigschrift zich daar noemende Advocaat van de
Staaten van de Graaflijkheid van Holland, onder anderen als in het
voorbijgaan zegt »dat de edelen en de zes groote steden van Holland
de Staten van het land verbeelden.

Niet te min zullen op de een of andere Vergadering de kleine steden,
of eenige derzelve nog wel eens beschreven zijn geweest, want volgens
resolutie van Holland, den 22 December 1563 moesten voortaan de kosten
voor de verschijning ter vergadering van eenige kleine steden, komen
ten laste van iedere stad of zonder bezwaring van 't gemeene land. Een
en ander ging er soms echter zeer verward toe, want:

m. In Mei 1564 werden echter al de kleine steden wederom ter dagvaart
beschreven, [352] en het is hoogst waarschijnlijk dat dit daarna
nog meermalen heeft plaats gehad, want op ons gemeente archief
berust een zeer interessant stuk, namelijk eene »Nota, houdende zeer
gespecificeerde aanteekeningen van dag voor dag gemaakte verteringen
en reiskosten van Burgemeesters van Oudewater, op hunne reizen naar
Brussel, den Haag enz., in 1564 en 1565.

Alles strookt hier dus: in 1563 de resolutie dat de reiskosten voor
de stad komen, en in 1564 treffen wij de nota aan, hunner verteringen,
omdat zij daarvan in Oudewater nu rekening moesten doen.

Wij vinden niet vermeld, dat Oudewater meer ter dagvaart geroepen werd,
dan in het jaar 1572, als wanneer Oudewater de eerste plaats in Zuid
Holland was, die het voorbeeld van Brielle volgde en zich verklaarde
voor den Prins van Oranje Willem de Zwijger.

n. Op eene toen te Dordrecht gehouden vergadering, op den 19 Julij
des laatstgenoemden jaars, waren namens Oudewater tegenwoordig,
Cornelis Willemsz de Lange Burgemeester, en Jop Pietersz van Hattemer.

o. Den 22 vergaderde men weder te Dordrecht, [353] en

p. Den 25 Julij te Rotterdam.

Wat er op deze hoogst gewigtige vergaderingen plaats had, besparen
wij om in ons laatste hoofdstuk van de beschrijving te vermelden.

q. Voorts werd Oudewater geconvoceerd ter vergadering op den 22
November 1574, [354] om mede besluit te nemen op eenen door Zijn
Excellentie Willem van Nassau gedanen voorslag, [355] en mede
te raadplegen op den voorslag, en het antwoord bij de Staten aan
Z. Excellentie, rakende het bestier van den lande te geven. [356]
Op deze bijeenkomst waren Oudewaters gevolmagtigden, Willem Jacobsz
Burgemeester, en Cornelis Jansz. Schepen.

Wel degelijk nam men dus nu ook van de kleine plaatsen notitie, dat
blijkt ten duidelijkste immers uit de hoogst zwaarwigtige onderwerpen,
voornamelijk over de regering des Lands waarin zij gekend werden om
te beraadslagen ja zelfs werd er nog goedgevonden, dat de kleine
plaatsen in zaken van contributie, tractaten van pijs, oorlog- of
regeringsverordering mede beschreven zouden worden. [357]

Hieraan werd dan ook gevolg gegeven, want in het jaar 1575 werden op
zeer vele vergaderingen,

r. Zoowel te Delft als elders ter beraadslaging daarop aangetroffen,
Willem Jansz Burgemeester, en Dirk Simonsz Secretaris van Oudewater,
en deze dagvaarten werden niet zelden gehouden in tegenwoordigheid
van Zijne Prinselijke Excellentie.

Wij zijn genaderd tot in Oudewaters bloedjaar 1575, en om reden
dat de Spanjaarden deze plaats hadden ingenomen was dit de oorzaak,
schrijft van Kinschot, [358] »dat in Grasmaand van Anno 1576 en eenigen
tijd daarna, nog geene Afgezondenen dezer stad in de vergadering
konden verschijnen, s. maar in April 1583, vindt men Oudewater
wederom onder de steden, die geroepen waren om zeker renversaal aan
Z. Ex. over te leveren, met zijn zegel van verbonde of geheimzegel
te bezegelen." [359] Dit stuk nu, versiert nog Oudewaters archief,
even zoo ook de door Prins Willem den I eigenhandig geteekende
beschrijvingsbrief, waarop t. hij in Dordrecht en wel op 4 October
van laatstgenoemd jaar Oudewater uitnoodigt om Gedeputeerden naar
eerstgenoemde stad te zenden, ten einde op den 16 October mede over 's
lands belangen te raadplegen. Weshalve door de Vroedschap als zoodanig
gemagtigd werden, de Secretaris der stad en Dirks Cley Burgemeester.

u. den 10 Julij 1584 trof het moorddadig lood op eene verraderlijke
wijze prins Willem den I en daags daarna, vergaderden de beide
presidenten van de Hoven en eenige steden op het Delftsche
stadhuis waarop aldaar ten spoedigste de vergadering der staten
beschreven werd om orde te stellen, en in 's lands regering te
voorzien. [360] De gemagtigden van Oudewater in deze, waren schepen
Jan Claasz. de Ameijde, en de vroedschap Jan Jansz. Coppert. [361]
Volgens uitdrukkelijk bevel, moesten zij echter behoorlijk bij hunne
principalen gemagtigd zijn [362] en de heer van Kinschot laat die
magtiging dan op bladz. 112-114 van zijn beschrijving volgen.

Die van den raad van zijne excellentie nu, waren gemagtigd, om hunne
dienst te blijven waarnemen, totdat er omtrent 's lands regering anders
zoude voorzien zijn. [363] Toen nu de edelen en deputatien der steden
aangekomen waren, moesten zij in handen van den president Nicolai
den eed doen en beloven, niets van de op de vergadering gehouden
gesprekken of voorgedragen gevoelens omtrent het stuk der regering
kenbaar te zullen maken, enz.

Daarop ging men tot deze zeer gewigtige beraadslaging over en toen
ieder zijn gevoelen over deze aangelegenheid had geuit, verklaarden
al de kleine steden, waaronder ook Oudewater te willen vertrekken,
daar zooals men zich zal herinneren, de verblijfkosten ten laste
der gemeente kwamen. Dientengevolge werden allen ontslagen nadat zij
alvorens de verzekering gegeven hadden zich nimmer van de vereeniging
tusschen Holland en Zeeland te zullen scheiden en zich te gedragen
naar al hetgeen door de blijvenden zouden geresolveerd worden. [364]

Ook kregen zij verlof om niet bij de ter aarde bestelling van zijn
prinselijke excellentie tegenwoordig te moeten zijn, zooals in de
resolutie van Holland Anno 1584 den 20 Julij vervat was, dat namelijk
ook 2 gemagtigden van iedere kleine stad bij die lijkplegtigheid
zouden verschijnen.



v. Nadat er voorloopig in 's Lands bestuur voorzien was, werd Oudewater
in 1584 weder aangeschreven ter statenvergadering te verschijnen, ten
einde mede te beraadslagen aangaande het aannemen van den Franschen
koning tot eenen Heer en Prins van het land. Ook voor dezen keer
verschenen er geene gemagtigden van Oudewater doch de stad getuigde
per brief van 29 October 1584, dat zij zoude goed keuren en zich wilde
gedragen, naar al hetgeen in deze zaak besloten zoude worden. [365]

w. In de maand September 1586, verschenen ter staatsvergadering twee
gedeputeerden uit Oudewater met name Jasper van Dam, Burgemeester,
en Pieter Gerritz Paes, Schepen.

x. In 1587 reisden weder derwaarts de Burgemeester Pieter Hz. van
Gulick en Jacob Sijbertsz Bonser.

ij. In Meimaand Ao 1588, verschenen daar dezelfden, om zoo mogelijk,
den vrede met den koning van Spanje te helpen bevorderen. [366]

z. Terwijl ten jare 1589 insgelijks die van Oudewater ter dagvaart
verschenen. [367]

aa. Gerrit van Galen en Willem Jaspersz van Nes verschenen nevens die,
eeniger kleine steden in het jaar 1608 ter dagvaart te 's Gravenhage.

Sedert dien tijd, vindt men nergens van gemagtigden uit Oudewater
meer melding gemaakt. Dit is dan trouwens ook niet te verwonderen:
de groote steden ontwikkelden zich al meer en meer, de kleine
integendeel verminderden allengs in aanzien, en dien ten gevolge,
waren die gedurige reizen der deputatiën zeer bezwarend. Voeg hierbij
het gevolgelijk verzuim van niet verschijning, en het wordt duidelijk,
dat men allengs van Oudewater geen notitie meer nam. [368]



Als vervolg op het betoog, dat Oudewater weleer zijn gemagtigden ter
dagvaart mogt zenden, vinden wij niet ongepast te vermelden:

1o. Dat bij resolutie van den 12 October 1795, door de municipaliteit
der stad Oudewater de burger Johannes Justus Montijn werd
gecommitteerd, om ter vergadering der provisionele representanten van
't volk van Holland sessie te nemen, die dit dan ook op den 13 October
1795 heeft gedaan, [369] en

2o. Dat ten gevolge van de 1848 gewijzigde grondwet, ten jare
1850 door de kiezers in het district Gouda met 587 van de 939
stemmen, tot lid der provinciale staten van Zuid Holland is
gekozen, de Heer A. M. Montijn, destijds burgemeester van deze
gemeente. ZEd. Achtb. heeft dan ook als zoodanig zitting genomen.



BEROEMDE EN VERMAARDE MANNEN, GEBOREN TE OUDEWATER


            Oudewater heeft altijdt seer vruchbaer gheweest van
            goede verstanden.

                                   Boxhorn, tooneel van Holland, p. 313.


Het doet den inboorling van Oudewater goed, wanneer hij dusdanige
getuigenis van zijne medeburgers hoort, te meer, wanneer zulks
gezegd wordt, door een' Boxhorn, die zich als historicus grooten naam
verwierf. Vooral mogen wij ons beroemen, op eene aanzienlijke lijst
geleerde personen; echter aanschouwden ook in Oudewater het eerste
levenslicht, mannen, die op andere wijzen schitterden. Wij hebben ons
voorgenomen van de voornaamsten niet alleen hunne namen te vermelden,
maar er ook een korte biographische schets nevens te voegen; wij doen
dit in de volgorde van de oudheid der jaartallen waarin zij geboren
werden, en beginnen met



DEN GODGELEERDEN
JOHANNES PALAEONYDORUS.

Deze werd geboren in het jaar 1433. Zijn familienaam is echter niet
tot ons gekomen, daar het woord Palaeonydorus, niet als zoodanig mag
beschouwd worden, immers het was te dien tijde, onder de geleerden
de gewoonte, aan het Grieksch ontleende toenamen, aan geletterde
personen te geven, en dikwijls lette men daarbij dan naar de plaats
hunner geboorte. Zoo ging het ook hier, daar zijn toenaam ontleend is,
naar het grieksche woord PALAIONYDÔR. Johannes Palaeonydorus, de naam
waarin onze persoon in de geletterde wereld bekend is, beteekent dus
Johannes van Oudewater. De Heer van Kinschot, en een legio andere
schrijvers, roemen hem, als een voornaam Godgeleerde van de orde der
Carmelieten.--Aangaande deze zijne orde, heeft hij dan ook vele werken
geschreven, zoo ook over de historie der heiligen. [370]

Meesten tijds hield hij zich op te Mechelen terwijl hij Anno Cristi
1507 in het 74 jaars zijns ouderdoms der natuur den groote tol
betaalde. [371]



DE LETTERKUNDIGE
CORNELIUS VALERIUS.

Deze man, die in 1512 alhier het eerste levenslicht aanschouwde,
zou eenmaal schitteren, als een der geleerdste mannen van Nederland.

In de schole van zekeren Georgius Moeropedius, begon in zijn prille
jeugd, zich zijn groot vernuft reeds zoodanig te ontwikkelen, dat hij
daar nog geen drie jaren geweest zijnde, naar Leuven gezonden werd,
en dáár oefende hij zich zes jaren in de Grieksche en Latijnsche talen
in het beroemde Collegie van Busledius. Toen hij in zijn vaderland
wedergekeerd was, leeraarde hij--weder zes achtereenvolgende jaren--als
meester in de Redekunst; later deed hij, hoogstwaarschijnlijk met
het doel, zijnen vruchtbaren geest nog meer te veredelen, eene
buitenlandsche reis, en na deze volbragt te hebben, werd hij in het
jaar 1557, 47 jaren oud zijnde, de opvolger van zijnen ouden vriend
Petrus Nannius, als hoogleeraar in de Latijnsche en Grieksche talen
te Leuven, en men had geen slechte keuze gedaan, immers men vindt
vermeld, dat hij »dit ambt met zooveel vlijt en trouw" heeft bekleed,
dat iedereen van oordeel was, dat niemand zuiverder en netter dan
Valerius spreken of schrijven kon.

Terwijl onze groote Junius in zijn Batavia van hem getuigde, »dat
hij was van eenen verhevenen geest, en dat hij zich in eenen netten
en zuiveren stijl van schrijven zoo in dicht als in ondicht bij
uitnemendheid deedt uitblinken."

Ook als auteur heeft hij zich, naar aanleiding van deze getuigenis
gunstig doen kennen, en zijne geschriften even als van Palaeonydorus
in Valerius Andreas, Bibliotheca Belgica vermeld, regtigden Junius
volkomen, tot het geven, van deze hoogstgunstige getuigenis.



Nadat deze geleerde aldus een reeks van jaren, tot nut en
wetenschappelijke opleiding van anderen zijn beste vermogen had
veil gehad, stierf hij, in dezelfde plaats waar hij zoo uitermate
schitterde, te Leuven op den 11 Augustus des jaars 1578, [372] dus
op zes en zestig jarigen leeftijd. Het stoffelijk omhuldsel waarin
zijne groote ziel gehuisd had, werd ter ruste gelegd in de Leuvensche
St. Pieterskerk. Twee en dertig jaren daarna (in 1610) heeft zijn
leerling Georgius van Oostenrijk, die toen Cancelier dier hooge
school was, uit dankbaarheid voor het onderwijs, hem door Valerius
geschonken, in voornoemden tempel, een praalgraf laten oprigten,
[373] met het volgende opschrift. [374]


                                D. O. M.
                            CORNELII VALERII
                              ULTRAJECTINI
                                  OSSA
                       HEIC CONDITA & CONSUMPTA:
                                 NOMEN
                    ADSCRIBERE ALIENA PIETAS VOLUIT,
                            AN ALIENA TAMEN?
                          A. DISCIPULO VENIT.
                       ET QUANTUS ILLE QUI VENIT:
                                 MERUIT
                          JUVENTUTEM BELGICAM
                              ORE & STYLO.
                         IN COLLEGIO TRILINGUI
                                DOCUIT,
                     NON MINUS DESERTUS UTILISQUE,
                         POSTQUAM LOQUI DESIIT,
                         QUAM CLARUS & ÆTERNUS,
                           POSTQUAM SCRIBERE.
                          GEORGIUS AB AUSTRIA
                       PRÆPOSITUS HUJUS ECCLESIÆ
                        ET ACADEMIÆ CANCELLARIUS
                         NEGLECTUM XXXII. ANN.
                      MONUMENTUM PRÆCEPTORI P. C.
                             ANN. M D C X.
                      VIXIT ANN. LXVI. DOCUIT XXI.
                    OBIIT MDLXXIIX. III. EID. SEXT.


Dat is:


                    Aan den besten en grootsten God!
                          CORNELIUS VALERIUS,
                           des Utrechtenaars
                               beenderen
                  Liggen hier ter Verteringe bewaard.
                               Een naam,
             der Onsterflijkheid toegewijd door den Eerbied
                           van een Vreemden,
                   Evenwel niet van eenen onbekende,
                Want het geschiedt door zijnen Leerling,
         En wat was hij niet waardig, voor wien het geschiedt?
                     Hij toch heeft alles verdiend
                  van de gansche Nederlandsche Jeugd,
                      door onderwijs en schriften.
                   In de Oeffenschole der drie talen
                     met zoo veel ijver Leerarende,
             Dat hij niet minder welsprekend en nuttig was,
                     na dat hij ophield te spreken;
                   dan hij beroemd was en vereeuwigd,
                    na dat hij ophield met schryven.
                         GEORGE VAN OOSTENRIJK,
                          Proost dezer Kerke,
                     en Cancelier der hooge schole,
                heeft een XXXII jaren lang verwaarloosd
          Gedenkteeken voor zijnen Leermeester laten oprigten
                        In het jaar M. D. C. X.
                  Hij Leefde LXVI. Leeraarde XXI jaren
         Stierf in 't M. D. LXXIIX jaar, den XI van Oogstmaand.


Men zou zich nu kunnen laten verleiden, dat, naar aanleiding van dit
grafschrift, onze Leuvensche Hoogleeraar te Utrecht zoude geboren zijn,
doch wij kunnen dit wederleggen, en wel hiermede:

Ten 1. daar alle schrijvers Cornelius Valerius als te Oudewater
geboren, vermelden, en

Ten 2. dat Utrecht zich nooit de eer heeft aangematigd, dat hij dáár
geboren zou zijn.

Het laat zich overigens vrij goed verklaren, waarom onze stadgenoot,
op dat grafschrift Utrechtenaar genoemd wordt, immers, alle
geestelijken wierden toen ter tijd genoemd, wat hunne geboorteplaats
of eerste studie betrof, naar het kerkelijk regtsgebied waaronder zij
behoorden. Oudewater nu, het is hiervoren reeds meermalen aangetoond,
behoorde toen nog kerkelijk onder Utrecht en van daar dan ook, dat
hij door zijnen dankbaren leerling, die Proost van St. Pieter te
Leuven was, Utrechtenaar genoemd werd.

Op een geëtst portret, dat van dezen geleerde bestaat, komt hij om
dezelfde reden als Utrechtenaar voor, en onze wederlegging daaromtrent
is als boven.

Aan het hoofd van deze afbeelding staat:

Decessit Louan III Idus Aug. M D LXXIIX Act. LXVI. (daarna het portret
en waaronder het volgende lofschrift.) Cornelius Valerius Ultrajectinus
orator et poeta, Quisquis es, et magni nescis decora alta Valeri,
Adspice magnorum nomina clara virûm Lipsius hunc coluit, Schottus,
Canterus et omnes Belgica nobilitas est venerata ducem.


Aub. Miraeus.



DE GESCHIEDKUNDIGE
GERARDUS DE ROO.

Ofschoon wij den juisten tijd van zijne geboorte en overlijden
niet geboekstaafd vinden, zoo aarzelen wij toch niet, dezen naar
ouderdom van geboorte in onze reeks nu te laten volgen. Hij is
bekend als groot historicus, »van een uitmuntend verstand, en geene
gemeene geleerdheid, en was opziener der Bibliotheek van Ferdinand,
Aartshertog van Oostenrijk en heeft zich als Chronijk Schrijver van
dat gewest gunstig onderscheiden." [375]



PROFESSOR
RUDOLPHUS SNELLIUS VAN ROOIJEN.

Deze geleerde, uit een adelijk geslacht geboren, aanschouwde alhier
in het jaar 1547 het eerste levenslicht, en bragt later een gedeelte
zijner jeugd te Marpurg in Hessen aan het onderwijzen van kunsten en
wetenschappen met lof door. Na verscheidene reizen door Europa volbragt
te hebben, heeft hij zich het meest op de geneeskunde toegelegd,
doch had zich ook bijzonder bekwaam gemaakt, in de Grieksche en
Hebreeuwsche talen. Nadat hij uit Marpurg vertrokken was, werd hij aan
de Hooge School te Leiden bevorderd, tot Hoogleeraar in de wiskunde
en Oostersche talen; hij bekleedde die betrekking zóó uitmuntend en
met zóó veel ijver, dat hij de hooge achting van den Prins van Oranje
en den Landgraaf van Hessen verwierf. Nadat hij gedurende 34 jaren
aldus tot heil zijner medemenschen gearbeid had, en hij zich ook
als schrijver gunstig had doen kennen, stierf hij te Leiden in 1613,
op 66 jarigen leeftijd. Zijne assche rust in de groote kerk alhier,
en het opschrift van zijn grafmonument, hebben wij op bladzijden 180
en 181 hier voren ter neder geschreven.



PROFESSOR
JACOBUS ARMINIUS.

De vader van dezen alom bekenden inboorling van Oudewater heette
Herman Jacobszoon en was messenmaker van beroep, terwijl zijne moeder
zich Angelica Jacobsdochter noemde. Arminius bekwam dus bij zijn doop
in 1560, den naam van Jacobus Hermanszoon. Toen hij echter later als
Theologant een grooten naam verwierf, werd hem, naar het Latijn, den
naam van Arminius gegeven, zooals toen ter tijde onder de geleerden
gebruikelijk was.

Reeds in zijne prille jeugd, werd hij vaderloos, en ter opleidinge
tot zich genomen, door Theodorus Aemilius, priester te Oudewater,
die echter tot de nieuwe leer was overgegaan. Deze naar Utrecht
wijkende, nam zijnen jeugdigen beschermeling met zich, alwaar hij hem
eene wetenschappelijke opleiding bezorgde. Niet lang daarna stierf
Aemilius, toen zijn gunsteling nog slechts 15 jaren oud was. De reeds
bekende en vermaarde Rudolphus Snellius van Rooijen, zijn stadgenoot,
trok zich zijner aan, en nam hem met zich naar Marpurg. Doch ook dáár
werd zijn jeugdig gemoed weldra verontrust, door de heillooze mare,
dat zijn geboortestad door de Spanjaarden was ingenomen. Hij reisde
derwaarts, doch zag zijne moeder, zijn broeder en zijne zuster niet
weder; zij waren gevallen onder 's vijands moordend staal.

Hierop keerde hij terug naar Hessen, eene toen ter tijd nog al
aanmerkelijke reis, vooral als men haar te voet bij gebrek aan geld,
zoo als Arminius, moest afleggen. Dan om de troebele tijden naar
Rotterdam gevlugt zijnde, geraakte hij aldaar in gunst van Ds. Petrus
Bertius, die hem daarna met diens zoon naar Leidens pas gestichte Hooge
Schole zond, waar hij van zijn studie-tijd een zoo ijverig gebruik
maakte, dat toen de Magistraat en de Predikanten hem naar Amsterdam
zonden, hij onder bescherming genomen werd van de hoofdlieden van het
Kramers-gilde. In het jaar 1582 werd hij op kosten van Amsterdam naar
Genève gezonden, alwaar hij zich vermaarde mannen tot vrienden maakte,
doch ook vele vijanden bekwam, omdat hij de wijsbegeerte van Ramus
met ijver verdedigde. Om laatstgenoemde rede ging hij naar Bazel,
alwaar hij weldra zoodanig de aandacht der geleerden tot zich trok,
dat Jacobus Grijnaeus, Theologiae Professor aldaar dikwijls onder
zijn gehoor kwam. Ja--vermeldt van Kinschot--dit ging zoo ver, dat de
gemelde Hoogleeraar, wanneer er in de openbare disputen een moeijelijk
stuk voor kwam om op te lossen, zich niet ontzag, om Arminius midden
onder de andere studenten staande, toe te roepen en te zeggen »Laat
mijn Hollander voor mij antwoorden." Nadat de Godgeleerde faculteit
vervolgens aanbood, hem op hare eigene kosten te doen promoveren,
weigerde hij uit zedigheid die eer, en keerde weder naar Genève,
waar hij nogmaals drie achtereenvolgende jaren met vlijt zijne studie
voortzette. Daarop ondernam hij in 1586 met Adrianus Junius eene reis
naar Padua, om den Hoogleeraar Jacobus Zabarella aldaar te hooren;
toen zij daarna Rome en menige andere Italiaansche stad bezocht hadden,
keerden zij nogmaals weder naar Genève terug.

Na eenigen tijd aldaar vertoefd te hebben, kwam hij in het jaar
1587 te Amsterdam, dewijl hij vroeger, om de protectie van die stad
genoten, zich verbonden had, wanneer hij daartoe geregtigd was,
niet dan met toestemming van den Magistraat in eene andere stad
te prediken. Den 4 Februarij 1588 promoveerde Arminius aldaar, tot
Doktor in de Theologie, en den 21 Julij werd hij tot Predikant te
Amsterdam beroepen, op 28 jarigen leeftijd. Hij maakte zich echter
al meer en meer vijanden, want in leeringen en geschriften, was hij
bekend, het met Galvinus en Beza volstrekt niet eens te zijn, op het
punt van onwederstaanbare vrije genade en volstrekte praedestinatie,
waardoor hij dan ook de grondlegger werd van het Remonstantismus, en
vooral met Gomarus, die zijne grootste tegenstrever in het land was,
in groote onmin geraakte. Een en ander gebeurde echter geruimen tijd,
nadat hij 14 jaren lang predikant te Amsterdam geweest zijnde, met
groote moeite en op bijzondere voorspraak van Anthonius Thysius, in het
jaar 1603 tot Professor aan de Hooge School te Leiden beroepen was,
willende de Amsterdamsche Predikanten hem niet ontslaan, dan onder
voorwaarde, dat hij met Gomarus in tegenwoordigheid van de Synodale
Gedeputeerden in gesprek zoude treden, dat plaats had en ten gunste
van onzen stadgenoot uitviel. Te Leiden aangekomen, maakte hij weldra
veel opgang, en geraakte zoodanig in aanzien, dat hij in Januarij
1605 tot Rector Magnificus benoemd werd, doch in het volgende jaar
legde hij het Rectoraat weder neder, terwijl hij bij die gelegenheid
eene oratie over »het verschil in de Godsdienst" deed.

Zijne geschillen met Gomarus, namen echter zoodanig in hevigheid
toe, dat beide meer dan eens voor den Hoogen Raad te 's Gravenhage
ontboden werden, om hunne stellingen te wederleggen. Ieder dezer
mannen had natuurlijk zijne aanhangers, maar terwijl beide partijen
al hun vermogen aanwendden ter verdediging hunner zaak, werd Arminius
door zoo veel werken afgemat en door zijn veel bewogen leven verzwakt,
door hevige koortsen aangetast, die derwijze toenamen, dat hij den 19
October 1609 in den mannelijken leeftijd van 49 jaren overleed--nadat
hij zes jaren het Professoraat bekleed had.

Hij was op dertig jarigen leeftijd gehuwd geweest, met zekere
mejufvrouw Reäal, dochter van een Amsterdamsch Schepen, en liet hij
bij zijn overlijden zijne echtgenoot negen kinderen na. De weduwe
ontving van de Staten »uit zonderlinge gunst," voor de goede diensten
aan de Hooge School te Leiden door haar man bewezen, uitgenomen
's mans jaarwedde, nog eene van drie honderd ponden (het pond à 40
grootten). [376]

Dus was het leven van den grooten Remonstrant, die hoewel vele
vijanden gehad hebbende, van een aantal vermaarde tijdgenooten de
hoogste lof en genegenheid ontving; immers op 28 jarigen leeftijd,
werd hij reeds genoemd, »de vijl der waarheid, de wetsteen der
verstanden en het snoeimes der aangroeijende dwalingen."

In 1737--en niet eerder--is het portret van dezen Hoogleeraar bij
dat der Professoren aan de Academie te Leiden gediend hebbende,
gevoegd geworden.

De nagedachtenis van zijn 200 jarige dood werd nog op den 22 October
1809 door Ds. Stolker te Rotterdam feestelijk herdacht, in een leerrede
over Hebr. 13 vs. 7; terwijl omstreeks dezen tijd eenige aanzienlijke
Remonstranten het plan gehad hebben, te Oudewater, vóór zijn reeds
door ons beschreven geboortehuis, een standbeeld op te rigten, dat
echter om het terrein geen doorgang heeft gehad. [377]



Dr. ABRAHAM VAN STIPRIAAN LUÏSCIUS.

Deze geleerde, een zoon van den edel Achtbaren Heer Herman van
Stipriaan, in leven Schepen enz. dezer stad, en vrouwe Agatha Copper,
werd geboren te Oudewater den 10 October 1763, en is te Delft overleden
den 2 Mei 1829. Deze beroemde geneesheer, deed in October 1787 aan de
Leidensche Hoogeschool zijn doctoraal examen, vestigde zich in 1788
te Delft, alwaar in 1789 ook de post van Lector in de scheikunde door
hem werd aanvaard. Voorts werd hij in 1790 benoemd door de koninklijke
Maatschappij van geneeskunde te Parijs, tot derzelver buitengewoon
correspondent, in 1791 tot lid van het Bataafsch Genootschap der
proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, in 1792 tot lid van
het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen, in 1794 tot
lid van de Hollandsche Maatschappij te Haarlem, in 1802 tot lid van
het provinciaal Utrechtsch Genootschap van kunsten en wetenschappen;
in 1809 correspondent der eerste klasse van het koninklijk Instituut,
in 1819 lid van dezelfde klasse, in 1824 corresponderend lid van
het Bataviaansch Genootschap, in 1825 lid der Maatschappij van
Nederlandsche Letterkunde te Leiden en in 1826 Ridder der orde van
den Nederlandsche Leeuw.

Hij was van 1801 tot in 1814 vice president van de provinciale
Geneeskundige Commissie, gevestigd te 's Gravenhage, en daarna tot
aan zijnen dood president van dezelve, en tevens lid van de regering
der stad Delft.

Met het beantwoorden van prijsvragen in verschillende vakken van
geleerdheid heeft hij, zoo binnen als buiten den lande, grooten roem
verworven, en ten slotte deden zijne vele geleerde geschriften en de
zoo gelukkige uitoefening der geneeskunde in deszelfs uitgebreiden
omvang, hem al vroeg onder de grootste geneesheeren van ons vaderland
stellen. [378]



Voorts dienen nog onder de benoemde mannen van Oudewater gerangschikt
te worden:

Wijlen de schout-bij-nacht DE JONG VAN RODENBURG. [379]

De Rotterdamsche burgemeester M. VERROEN enz. enz.

Onder de nog levende noemen wij met achting:

den oud-resident van Tagal op Java J. A. VRIESMAN, ridder der orde
van den Nederlandschen Leeuw enz., enz.,

den hoofd-Ingenieur van den Waterstaat N. I. VAN DER LEE te Deventer,

den priester J. BAALE, oud Biechtvader aan het Zweedsche hof van
H. M. de Koningin,

den oud Missionnaris op Curaçao, gem. Sancta Rosa J. J. PUTMAN,
nu R. K. Priester en Kanunnik te Utrecht, en

den bekenden schrijver R. C. H. RÖMER, Dtr. in de theologie en
predikant te Deil en Enspijk.



Op bladzijde 164 dezes werks, mijne geachte lezers, eindigden wij de
onbeschreven geschiedenis van het oord onzer beschrijving, zijnde
wij alstoen genaderd aan anno 1265, het jaar waarin de beschreven
geschiedenis van Oudewater aanvangt.

Wij hebben toen--als onzes inziens het beste geschikt om de
ontwikkeling der stad te kunnen nagaan--de voornaamste gebouwen van
Oudewater beschreven, zoowel wat hunne gedaante, als geschiedenis
betrof, gingen de regeringsvorm en regeringspersonen kortelijk na,
die hier waren of nog zijn, en besloten met de vermelding der voorname
en geleerde mannen, die in de plaats onzer beschrijving het eerste
levenslicht aanschouwden.

Veel is er echter nog, dat wij in deze hoofdstukken niet konden
inlasschen. Zoo hebben wij, bij voorbeeld slechts vlugtig, of
in het geheel niet kunnen gewagen, van belegeringen, van rampen,
brand en ziekten, die het stadje te verduren had, van den bloei en
welvaart die het vervrolijkte, enz. Wij hebben bijna geen personen
of corporatien hunne treurige of niet treurige rollen zien afspelen,
hen niet handelende kunnen laten optreden, en aangezien wij dit
alles nu, volgens ons plan nog willen beschrijven, in de gelegenheid
gesteld door meerdere oorkonden, handvesten, enz. enz. dan waarvan
wij reeds gewaagden, zoo hopen wij dit alles kortelijk te schetsen,
in het volgende hoofdstuk, dat wij om bovengenoemde redenen, willen
noemen zoo als hier achter volgt.



OUDEWATER EN HET LEVEN IN OUDEWATER.

Van 1265 tot 1860.


                               "Dat ic de waerheit so verclare,
                                Dat men weten moete dat ware."

                                                            Melis Stoke.


Oudewaters naamreden hebben wij in onze geologische schets reeds
getracht te verklaren.

Oudewater is gelegen in het zuidoostelijk gedeelte van Zuid-Holland,
aan den Hollandschen IJssel, en ligt hemelsbreedte een uur afstands
van Schoonhoven en Woerden, terwijl het met deze laatste plaats eenen
driehoek vormt. [380]

Zooals hiervoren reeds gebleken is, zou--volgens de getuigenis van
den oudheidkundigen Arnoldus Buchelius--dit plaatsje omtrent het
jaar 1265, door Henrik van Vianden, den 38sten Bisschop van Utrecht
tot eene stad verheven zijn, als wanneer door hem aan de inwoners,
benevens het burgerregt nog vele voorregten en privilegiën zouden
zijn geschonken. [381]

Zooals men dus bemerkt, behoorde Oudewater reeds zeer vroeg, ook wat
het landsgebied betrof, onder het beheer der Bisschoppen van Utrecht;
totdat in het jaar 1280 »in den avont der feeste Sinte Pauwels in den
winter" (24 Januarij), Jan, Graaf van Nassau en Bisschop van Utrecht,
deze plaats nevens andere steden, voor een zekere somme gelds, aan
zijnen neef graaf Floris den V verpandde, om de vele diensten hem
bewezen, met dat voorbehoud nogtans, dat hij of de andere bisschoppen
die na hem komen zouden, deze panden weder zouden mogen lossen. [382]

Tengevolge dezer verpanding, behoorde Oudewater nu onder Holland en
wel onder het oude Noord Holland, want deze landstreek werd alzoo
genoemd, omdat zij ten noorden van den IJssel lag. [383]

Nadat deze plaats nu gedurende een tijdvak van 66 jaren onder het
regt dezer verpanding gestaan had, nooit was gelost geworden, en dus
in dien tijd steeds aan Holland en de goederen van het graafschap
gebleven was, heeft keizerin Margaretha, als gravin van Holland, die
na den dood van graaf Willem den IV bij gebrek van mannelijke telgen,
het bestuur over Holland, door verleid van haren gemaal Keizer Lodewijk
van Beijeren, verkregen had, deze stad in het jaar 1346 het voorregt
verleend, dat Oudewater nooit meer van de Graaflijkheid van Holland
gescheiden zoude mogen worden. [384]

Intusschen begon Oudewater reeds eene vrij aanmerkelijke plaats te
worden, getuige hiervan onder anderen, het factum, dat reeds in 1319
het Lombardshuis alhier, tot 's Graven weder opzeggings toe gegeven
werd aan Vranke Oudekijns. Immers vinden wij gewag gemaakt dat de
Lombardhuizen eerst in 1327 te Schiedam, iets voor 1342 te Delft waren,
terwijl men in Amsterdam niet vóór het jaar 1477 van hen vindt gewag
gemaakt; getuige voorts de ordonnantie in den jare 1321 van Graaf
Willem den III aan den Bisschop van Suden, om die van Oudewater 200
»pont suarter tornoys" te betalen, om hunne Stad te bemuren, enz.

Wij zien de ontwikkeling dezer plaats meer en meer toenemen, door het
voor en na ontvangen van een aantal regten en privilegiën. Zoo werd
door Graaf Willem den III in het jaar 1322 bepaald, dat de poorters
van Oudewater niet arrestabel verklaard mogten worden, en dat die
van Ammers hun regt niet vroed zijnde, daarvan verklaring moesten
gaan halen bij Schepenen van Oudewater, voorzeker geen geringe
onderscheiding.

In 1324 werd aan die van Oudewater verlof verleend, om buitenlieden,
mits »goede knapen" zijnde, tot medeburgers te mogen ontvangen en
burgerregt te laten genieten; iets waarvan ongetwijfeld velen zullen
gebruik gemaakt hebben.

In 1325 vinden wij het eerst van het St. Janshuis alhier gewag gemaakt,
al hoewel het er echter reeds lang voor genoemd jaar moet geweest zijn,
zooals uit het stuk zelve is op te maken.

In het volgende jaar (1326) werd tot wederopzeggings toe, door
Graaf Willem aan deze stad het privilegie geschonken dat alle
landbouwproducten, en voornamelijk boter, vallende binnen de Landen
van Woerden, te Oudewater moest ter markt gebragt worden, op een boete
van XX schellingen. Hieruit ziet men dus, dat hier de handel ook reeds
vroegtijdig bloeide, waarvoor nog verder ten bewijzen moge verstrekken,
dat eene verpachting van 's Graven »Gruiten" te Oudewater voor vijf
jaren in 1330 bewerkstelligd, aan Graaf Willem jaarlijksch 55 ponden
opbragt en voorts dat de »goede en de getrouwe luden" van Oudewater
door denzelfden landvoogd ten jare 1340 gepriviligeerd werden voor
tolvrijdom, weshalve hij zijn Rentmeester van Zuid Holland gebood
dat »hise vrij laete vaeren voorbi allen onzen tollen."

In 1345 kregen zij weder vergunning van tolvrijdom en tevens het regt
om keuren te mogen maken, terwijl in het jaar daarna, de stad Oudewater
door keizerin Margaretha als gravin van Holland, geconfirmeerd werd,
in hare handvesten en vrijheden, en zij zoo als wij reeds weten,
in dit zelfde jaar (1346) aan Oudewater het privilegie schonk, om
het nooit meer van de Graaflijkheid van Holland te scheiden. [385]

Tot dus verre was alles in Oudewater vrij rustig toegegaan, indien
wij ten minste het zwijgen der geschiedenis als zoodanig mogen
aannemen. Doch op kalmte volgt veeltijds storm, en ook boven de
plaats onzer beschrijving pakten zich aan den politieken hemel,
dreigende wolken te zamen, waarvan Oudewater en deszelfs bewoners
weldra al het schrikkelijke zouden gevoelen.

Het was in het jaar 1349, dat op den Utrechtschen bisschopszetel,
zich eene telg van een der adelijkste huizen van Holland, Heere Jan
van Arkel, bevond.

Men vindt in de Batavia Sacra II D. bladz. 337 het volgende omtrent
dezen bisschop aangeteekend. »Deze Johannes heeft er zich ten hoogsten
aangelegen laten leggen, om de goederen der kerke, die door sommige
der voorgaande Bisschoppen verkocht en vervreemd waren, weder los
te maken." Hierin zal dan ook de rede gelegen zijn, nu Oudewater
voor altijd van het Sticht door Margaretha gescheiden was, »dat de
jeugdige gemijterde Oudewater aantastte, en dat op den dag na Maria
Boodschap (26 Maart) van het gezegde jaar 1349, zijne veldteekenen
en legertenten voor Oudewater gezien werden."

»Van Arkel zelf, was aan het hoofd der aanvallers, en aan zijne
zijde bevonden zich Jan van Rijsenburg, Jacob en Jan van Lichtenberg,
Everhard van Driel en andere vermaarde leger-aanvoerders. [386] De
kamp was heet. Ontbrak het den Bisschop noch den zijnen aan moed,
ook de stedelingen streden wakker, al was hun getal in vergelijking
van dat der aanvallers gering, en al waren hunne muren en verdere
verdedigingswerken blijkbaar niet in staat om hen voldoende te
beschutten. De genoemde krijgsbevelhebbers vonden met tal van
onderhoorigen, zoowel als van tegenpartijders den dood en welligt
ware de aanval afgeslagen, hadde niet van Arkel op die punten, waar
het gevaar het grootst was, zich gewaagd met die onverschrokkenheid,
waardoor zijn geslacht zich gewoonlijk onderscheidde en onvermoeid
zijn strijders aangevuurd. Daaraan was het ongetwijfeld niet het minst
toe te schrijven, dat de veste viel. Zij had beter lot verdiend, dan
hare huizen door de vlammen te zien vernielen en hare inwoners, hare
zuigelingen niet uitgezonderd, te zien vallen door het wraakzuchtige
zwaard!"

»Maar zij viel niet ongewroken. Het vernielingswerk was voltooid
en eenige Utrechtsche Raadslieden, waren in een der weinige huizen,
die aan de algemeene verwoesting ontkwamen bijeen, om te overleggen,
wat men met den puinhoop zou aanvangen.

»Ziet gij die vrouw, die om het gebouw schijnt rond te sluipen? Het
is als of gloeijende wrake uit haar oog spreke. Misschien, dat haar
echtgenoot in de bres gevallen is. Misschien, dat de Stichtschen,
haar eenig kind vermoordden! Wat wil de ongelukkige met dat brandende
stuk hout, dat zij aangrijpt? Ha! haar plan,--ik doorzie het, nu zij
met de eene hand de deur met de kracht der vertwijfeling digt rukt
en met de andere het hout op het strooijen dak slingert. Zij bekomt
haar doel--één punt des tijds--Zie hoe het vlamt! nog een wijle--het
knettert niet meer en de ledige plek vertoont niets meer dan puinhoop,
een puinhoop, waaronder men weldra de verkoolde lijken, van Utrechts
achtbaren zoeken zal." [387]

Toen nu de Hollanders vernomen hadden, dat Oudewater aldus door
de Stichtschen gewonnen en verwoest was, vergaderde de geheele
Ridderschap, die uit alle steden en dorpen, eene groote menigte
gewapende mannen bijeenbragt met het doel den Bisschop op stichtschen
bodem te gaan bevechten of een strijd met hem aan te gaan. Van
Arkel dit vernemende, vergaderde hierop al zijn volk uit bisdom en
stad en toog met deze heirkracht tot bij Schoonhoven. De poorters
uit laatstgenoemde plaats, trokken hen met het gewapende leger der
Hollanders, met blinkende banier stoutelijk te gemoet, en nadat er
lang en heet gevochten was, behielden die van Utrecht het slagveld
en behaalden wederom de victorie. Vele Hollandsche edelen werden
gevangen genomen, waarvoor groote losprijzen door van Arkel bedongen
werden. Daarna werd er omtrent St. Bartholomeusdag een vrede tusschen
beide partijen gesloten, doch ze duurde korten tijd, want omtrent
Sinte Martijnsdag 1350 waren de partijen weder in vijandschap. [388]

Dan, keeren wij tot Oudewater terug. In hetzelfde jaar 1349, toen de
kleine veste, door de stichtenaren zoo deerlijk verwoest was, begon
de zoo bloedige strijd, die in de geschiedrollen onder den naam van
Hoeksche-en Kabellaauwsche twisten staat opgeteekend, en waarin ook
het zoo zeer geschokte Oudewater ruimschoots deel nam.

Den strijd, stap voor stap in hare aanleidende oorzaken te volgen,
kan men van ons hier niet vergen. Genoeg zij het te vermelden, dat
Margaretha naauwelijks tot Landvrouwe verkozen zijnde, door haar
gemaal naar Beijeren ontboden werd. Zij ging, onder belofte van haar
tweeden zoon Willem in haar afzijn herwaarts te zenden, om de teugels
der regering in handen te nemen.

Haar oudste zoon Lodewijk deed in September 1346 openlijk afstand
van zijn regt op deze landen, en Keizer Lodewijk verklaarde Willem
bij open brieven tot opvolger van Vrouwe Margaretha. Zij verliet in
Slagtmaand van laatstgenoemd jaar deze landen, en Willem besteedde
het geheele volgende jaar om de genegenheid der landzaten te winnen,
doch hij arbeidde intusschen, om zich nog bij het leven zijner moeder
tot Graaf te doen huldigen, dat hem eerlang gelukte. [389]

De jeugdige Willem kreeg nu door de reeds vermelde oorlogen met de
Stichtschen veel werks, doch toen de vrede na de slag bij Schoonhoven
gesloten was, begon hij openlijk en ernstig bij zijne moeder aan te
houden, dat hem de Grafelijke regering dezer lande zoude afgestaan
worden. Het overlijden van haren echtgenoot nu, bragt daar veel
aan toe.

Zij besloot ten zijne behoeve afstand te doen, van Holland, Zeeland
en West-Vriesland, behoudende voor haar alleen Henegouwen zoo lang
zij leefde.

De hier van verleende brieven, waren op den vijfden Februarij 1349
te Munchen in Beijeren gegeven, en werden sedert te Geertruidenberg
bezegeld door de Hollandsche en Zeeuwsche Ridders en knapen in groote
getale, en door de steden Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Leiden,
Geertruidenberg, Delft, Haarlem, Alkmaar, Amsterdam en Oudewater die
te dezer tijden, de aanzienlijkste steden van Holland, Zeeland en
West-Vriesland waren. [390]

Voor het beheer dezer landen nu, had Hertog Willem zich verbonden,
om jaarlijks uit de inkomsten tienduizend oude Schilden aan Vrouwe
Margaretha uit te keeren, waarvan hij beloofde, brieven, op gelijke
wijze door de Edelen en steden bezegeld te zullen geven.

Niet lang daarna, ontstond er tusschen moeder en zoon een strijd,
zoo hevig en van zoo langen duur, dat de voorvallen daarin, niet
dan met huivering gelezen zullen worden. De rede van dezen oorlog
was daarin gelegen, dat graaf Willem de jaarwedde zijner moeder
onbetaald liet. Deze nu met reden daarover verstoord, reisde naar
Holland, alwaar zij het met groote inspanning, zóó ver bragt, dat
Willem wederom afstand van deze landen deed, en in het jaar 1350,
de ridders, knapen en steden waaronder ook Oudewater, die hem hulde
gedaan hadden, van den eed ontsloeg. Margaretha nam toen weder de
teugels van het bewind in handen, doch zij behield die maar weinige
maanden--naauwelijks toch had Willem afstand van 's lands regeringe
gedaan of hij gevoelde berouw, en wendde vele pogingen aan, om de
brieven van dien afstand weder magtig te worden, dat hem echter
in sommige steden mislukte. Vele aanzienlijke edelen en steden,
onvergenoegd over de tegenwoordige regering, hielden zijne zijde en
huldigde hem weder als graaf, waardoor hij zich eerlang aan het hoofd
van eenen grooten aanhang zag geplaatst, die zich later Kabellaauwschen
noemden, terwijl de partij zijner moeder den naam van Hoekschen aannam.

Nadat de geschillen nu tot een werkdadigen oorlog waren overgegaan,
sloot Willem op den 23 Mei 1351 een verbond met vele edellieden en
de meeste steden, waarbij plegtig beloofd werd, de aanhangers van
vrouwe Margaretha uit den lande te zullen houden, en geen vrede met
hen te zullen maken, dan met onderling goed vinden, enz.

De steden nu, die zijne zijde hielden, waren Dordrecht, Delft, Leiden,
Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Medemblik, Oudewater, Geertruidenberg,
Schiedam en Rotterdam, waarbij zich kort daarna ook Vlaardingen
voegde. [391]

Terwijl wij Oudewater nu aan de zijde der Kabellaauwschen aantreffen,
laten wij de partijen doortwisten en keeren wij tot het in bloei
herlevende Oudewater terug. Ofschoon wij wel niets omstreeks 1351
van eenig privilegie aan de stad geschonken, vinden gewag gemaakt,
zoo is het toch al veel, dat graaf Willem in 1351 »soeninge maakte,
met den eersamen Vader in Gode, Heere Jan van Arckel" waardoor
Oudewater ten minste van die zijde eenige verademing kreeg. [392]

In hetzelfde jaar, bleef Oudewater met de andere steden van Holland
borg voor graaf Willem, over het voldoen van de denariën, die Johanna,
dochter van den hertog van Braband en weduwe van Willem den IV,
Grave van Holland nog te eischen had. [393]

Dordrecht en de elf andere steden--waaronder ook
Oudewater--bevroedende, dat zij de meeste lasten van den
binnenlandschen krijg te dragen, en intusschen maar een gedeelte
van het bewind in handen zouden hebben, sloten later te zamen een
bijzonder verbond, waarbij zij beloofden, elkander naar vermogen voor
schade te bevrijden. [394]

Middelerwijl beide partijen, moeder en zoon, nog eenigen tijd, meest
ten nadeele van Margaretha streden, kwam in 1354 de zoo lang gewenschte
vrede tot stand, en de graafschappen van Holland en Zeeland benevens de
heerlijkheid van Vriesland gingen nu van het stamhuis van Henegouwen in
dat van Beijeren over, [395] en hieronder behoorde dus ook ongetwijfeld
Oudewater. Margaretha stierf kort na dit verdrag, namelijk in 1355,
en nu vond graaf Willem het in dezen tijd geraden, de wapens tegen
de Stichtschen wederom op te vatten, daar het verdrag tusschen hem en
Bisschop Jan reeds 5 jaar vroeger in 1350 was ten einde geloopen. [396]

Spoedig hierop rukte Willem met een leger in het Sticht, niet ver
van Wijk bij Duurstede, waar hij vele verwoestingen aanrichtte en de
Bisschop niet gelukkig zijnde met het op de been brengen van vele
wapenknechten, daar vele edelen hem afvielen, vonden de Hollanders
aldus weinig tegenstand in het Sticht. [397]

»Ook de heeren van Sleyde ende van Dycle in verre landen gheseten,
door gonst des hertogen, ontseyden sy mede den bisschop. Zy komende
in het bisdom met omtrent XL paerden wel ghewapent, namen haren
weg na Oudewater ende also sy den wech niet wel en kenden zyn sy
verdwoelt gheweest ende quamen onder haer vyanden by de stede van
Montfoort, en die van Montfoort waren op die tydt groote vrienden
ende getrouwe medevechters des bisschops, ende als de poorters van
Montfoort vernamen, dat dese heeren daer waren, ende nogthans heer
Zweer van Montfoort haren heere op dien tijd binnen Utrecht was,
zyn zy met alle haer macht witghegaen om teghen hen te vechten, ende
sy zyn handghemeen gheworden met malkanderen, ende sy verwonnen hen,
ende namen den heere van Sleyde ende den heere van Dycle met alle
haar soudenieren ghevangen." [398]

In 1356 werden echter die heeren met hunne 40 schildknechten door
den Burggrave van Montfoort weder ontslagen.

De vijandelijkheden hielden daarop nog eenigen tijd aan, totdat anno
1356 eene vrede tusschen Holland en het Sticht tot stand kwam.

In het jaar 1357 werd hertog Willem, de zoon die zijne moeder
beoorloogd had, krankzinnig en door bewerking der Hoekschen, die zich
eenige jaren hadden stil gehouden, doch nu het hoofd weder begonnen
op te steken, werd Hertog Albrecht, Willems broeder tot Ruwaart
benoemd. [399]

Het laatste bescheid, dat wij van Hertog Willem den V, omtrent
Oudewater aantreffen, is eene vergunning om zijne landpoorters, buiten
den Landen gezeten zijnde en ook andere poorters tot wederopzeggings
binnen de veste te mogen ontvangen; en het eerste van Albrecht is
een consent van den 1 Mei 1371 tot het maken van een brug over den
IJssel bij Oudewater, »wit onse stede overgaende op ten gaenwech van
den IJsseldijc."

Terwijl de Hoekschen en Kabbellaauwsche partijen doortwisten, waaraan
ook Oudewater gedwongen of niet gedwongen deel nam, gebeurde er te
dien tijde overigens weinig belangrijks. Wij vinden slechts dat in 1367
een accoord tusschen Oudewater en het Waterschap van Woerden getroffen
werd, nopens de uitwatering door de sluis alhier, en de bruggen over
de Linschoten; en een belofte der hoogheemraden van Woerden om de
sluis te dezer plaatse op eigen kosten te zullen onderhouden.

Het eerst, dat wij Oudewater nu weder in de historiebladen aantreffen,
is den 16 Junij van het jaar 1377 als wanneer Hertog Albrecht, Ruwaart
van Holland, en Margareet van Liegniech, zijne echtgenoot bij uitersten
wille, Oudewater vermaakten aan hunnen zoon Jan Bisschop van Luik,
benevens meer andere goederen; doch niet zoodra had hij gemerkt,
dat hij omtrent Oudewater hier op geen regt had [400], of hij heeft
zijnen uitersten wil daaromtrent herroepen, en zijn genoemden Zoon Jan
instede daarvan gegeven het Land van Voorne met de stad Briel. [401]

»Middellerwijl had Oudewater nu van de zijde der Utrechtenaars
onder Bisschop Jan van Vernenburg, die na Van Arkel die waardigheid
bekleedde, eenige verademing gekregen, doch onder Van Vernenburgs
opvolger Arnold van Hoorn, had het oord en de stad onzer beschrijving
weder veel te verduren.

Ook hij had met Jan van Arkel onder meer, dit gemeen, dat gedurig
oorlog voeren hem eigen was. Ook hij had het met de Hollanders en
den Hertog te kwaad en nadat eerst Zwammerdam en Naarden veel van
hem geleden hadden, kreeg Oudewater zijn beurt.

»»Des derden dages na Sinte Jansdag te mid somer reedt Bissop Aerent
voor Oudewater en het was ten jare 1374"" [402] »Ik vind ergens
aangeteekend, dat hij de stad gedurende twee maanden belegerd hield,
en haar toen ten spijt van den moedigen tegenstand door de Belegerden
geboden, met storm innam. [403] Ik durf voor de juistheid van deze
aanteekening niet instaan, daar de schrijver, die de bron waaruit hij
putte niet heeft genoemd, en niet al te goed bij mij aangeschreven
staat. »Meer hecht ik aan een anderen geschiedschrijver, waar hij in
dier voege schrijft: »»hy nam daer ene roof ende ving uyt Oudewater
LXXIII mannen."" [404] »In ieder geval, het blijkt mij uit het feit
van den aanval, dat Bisschop Arnold evenmin als Bisschop Jan van
Arkel voor Oudewater een vrede houdende nabuur geweest is." [405]

Terwijl de tijden aldus in woeling en onrust door vete van twee
partijen heen snelden, ontstonden er van tijd tot tijd groote
geschillen tusschen verschillende gemeenten over hare tollen en ook
over het stapelregt te Dordrecht. Zoo hadden er in het jaar 1380
tusschen den Burggrave van Leiden en die van deze stede Oudewater
dusdanige twisten plaats en waren dezelve zoo hoog gestegen,
dat Grave Albrecht van Beijeren als scheidsregter tusschen beide
partijen optrad. Deze twist was »om der tollen tot Alphen ende
daaromtrent." [406]

In 1387 werden door Graaf Albrecht de markt tollen te dezer stede voor
den tijd van 5 jaren aan de stad zelve verhuurd [407] en ten jare 1393
werd Oudewater met eenige andere steden door hem vrij gesproken van
alle stapelregt te Dordrecht, waarover eveneens groote oneenigheid
ontstaan was. [408]

Dan keeren wij tot de Stichtsche-, Hoeksche en Kabellauwsche twisten
weder terug.

Die van Oudewater waren zoo het schijnt nog steeds met wrok bezield
tegen het stamhuis van Arkel, waarvan eene spruit in 1349 de veste
verwoeste en een andere telg »veel lude van Oudewater verwonnen hadde
van Lyve ende van goede" ten minste zeker is het, dat die van Oudewater
dan ook, waar zij konden niet stil zaten, getuige hier van dat zij
»in die heerscip van Haestrecht hadde gevangen, Melis Aerritssoen
boven des heeren geleyde van Arkel, ende Pieter Ottersoen, die in
der heerscip van Haestrecht woende." De twist was van dien aard dat
zij in 1388 door Albrecht uit den weg geruimd werd. [409]

Inmiddels stierf in het jaar 1389 de krankzinnige Willem de V, waarna
Albrecht tot Grave van Holland werd verheven [410] en als zoodanig
komt hij sedert dien tijd dan ook in de bescheiden van Oudewater voor.

Margaretha intusschen, was in het jaar 1386 overleden, en sedert
dien tijd, had Albrecht groote genegenheid opgevat voor Aleida
van Poelgeest, die te 's Gravenhage bij hem ten hove was. [411]
Die genegenheid verschafte echter veel onrust in het land, en ook
Oudewater moest daaraan deel nemen.

Zie hier wat er van de zaak is:

Albrechts minnares, wist den Hertog zóó te believen, dat zij in
korten tijd, bijna alles ten hove naar haren zin beschikten, en door
haar geraakten de Kabbellaauwschen al meer en meer aan het bewind en
natuurlijk griefde dit den Hoekschen zeer. [412] De wrok steeg dermate,
dat de Hoeksche Edelen eenparig besloten, haar uit den weg te ruimen
en op den nacht 21 en 22 September 1390 kwam zij door verscheidene
wonden om. [413]

Willem Kuser, des graven hofmeester haar willende beschermen, verloor
eveneens het leven. [414]

De moordenaars verzuimden geen tijd om in allerijl het land te ruimen
[415] benevens vier en vijftig Hoeksche edelen. Hertog Albrecht,
ongetwijfeld zeer verstoord over dit feit, schijnt evenwel geene
haast te hebben gemaakt, met het opzoeken der hoofdaanleiders tot
den moord, doch Koenraad Kuser, vader van den vermoorden hofmeester,
hield dermate aan, dat eerstgenoemde een besluit nam om de Hoeksche
edelen, die zich door hunne vlugt hadden verdacht gemaakt openlijk in
te dagen. Geen hunner verscheen, en nu werden zij veroordeeld leven
en goed verbeurd te hebben. [416]

Indien wij, geachte lezer, nu de bescheiden van Oudewater omtrent dezen
tijd aandachtiglijk nagaan, dan schijnt het ons bijna ongetwijfeld toe,
dat ook deze stad hierdoor in de ongenade des Graven gevallen was, en,
derhalve de stad omtrent dien tijd hoeksgezind moet geweest zijn. De
lezer oordeele zelve. 1o. In het jaar 1392 vinden wij een antwoord van
den graaf aan die van Oudewater aangaande het aanhouden van een hunner
poorters met zijn goed door den »tolner" van Gouda, waaromtrent zij hun
beklag bij Albrecht hadden ingediend en waarin onder anderen voorkomt,
dat hij »twee of drie of vier van den gerechte van Oudewater geerne
geven wilde ende oic gave een geleide inde veilicheijt om bij hem
ende zyne rade te comen inde Haghe, also geinformeert, beraden ende
oic gemachticht van der stede wegen van Oudewater dat sy een entlic
dadingh met hem ende synen rade aangaan mochte van den breucken die sy
hem misdaan hebben, en waert dat sy des niet doen wilden soo en woude
hy dair niet verder in doen, dan hij den tolneren bevolen hadde." [417]



Uit de woorden van den »breucken die sy jegens mijnen Heeren misdaen
hebben" en de daaropvolgende bedreiging, komt hetgeen wij beweerden
dus vrij wel uit, en daarop vinden wij dan ook onmiddelijk in het
genoemde jaar, eene vergunning van den Grave voor een geleide van 12
personen »om hun te verantwoorden van des myn Heer op hem te seggen
heeft." [418] Hoewel hierop zekerlijk nog niet dadelijk eene verzoening
het gevolg is geweest, verleende hij de stede Oudewater echter in het
volgende jaar 1393, eenige weken, daarna een privilege van vrijdom
van het stapelrecht [419] te Dordrecht. Niet echter, dan nadat er ten
jare 1393 nog een geleide van 10 tot 12 personen gedurende een maand,
ingaande den 1 Mei gegeven was, »om met ons te dadingen van zulke
breuken als sy jegens ons misdaen hebben" [420] kwam er eene meer
gunstige stemming omtrent Oudewater in 's graven gemoed, daar hij
de stede een geleide gaf om tot St. Jansdag te midsomer »met haren
goeden overal in zijne landen ende stroome te komen, doch den tolnaer
van ter Goude, de goederen die hij nog steeds onder borgtogt had,
te houde tot den voorzegden tijd. [421]" Niet lang echter duurde het,
of er volgde een algeheele verzoening, men leze slechts:

Item Veertien Dagen in Julio Anno XCIII. beval mijn Heer bi syn
Plackaert gegeven tot Gorichem op ten dach ende in 't Jair voirsz.,
allen sinen Tolneren van Holland ende van Zeeland, dat si der steede
van Oudewater en horen mede Poirteren gemeenliken mit horen goeden,
veylich voorbi myns Heeren Tollen zouden laten lyden, op zulk recht
als die voirsz. stede en de Poirteren van minen Heer ende sinen
Voirvorderen hadden, ende als si van ouds gevaren hadden, duerende
tot myns Heeren wederseggen.

Ende des wort geschreven aan den Tolnaar ter Goude, dat hi dien dach
van der Poirteren goede 't Oudewater die opgehouden waren voir die
Tollen ter Goude, ende die Borchtochte dair of uitsetten ende verlangen
soude tot sinen wederseggen toe, en alle die Poerteren van Oudewater,
ende hoir goide veilich soude laten varen voir bi myns Heeren Tollen,
tertyd toe dat myn Heer him anders te weten liete, dat is te weten,
op sulc recht ende oude gewoonte als voirsz. is."



Wij mogen niet in gebreke blijven, ter loops te vermelden, dat in het
jaar 1394, aan Schiedam en Oudewater het oprigten eener stedelijke
school vergund werd, [422] dat zeer pleit voor den bloei, waarin te
dien tijde die steden gestegen waren. Kinschot vermeldt (pag. 314)
een stuk van grave Albrecht Anno. 1395, omtrent het afzetten van den
schoolmeester Jan Mouwer en het overdragen dezer school aan Pieter
Panssenz. Met het oog op de woelige tijden, is dat stuk niet van belang
ontbloot. Nòg pleit voor het aanzien van Oudewater te dien tijde, dat
het in 1395 voor zich kreeg, de koster-, bode- en schrijfambachten,
en dat er in keuren van 1399, gewag wordt gemaakt van draperijen en
van eene ordonnantie omtrent »den verbod van bieren van buiten."

Na bovengemelde verzoening, was de Graaf sedert dien tijd, omtrent de
stad Oudewater zelfs zoo gunstig gestemd, dat hij op St. Andriesdag
ten jare 1393 aan die van Oudewater bij oirconde beloofde, met Heer
Otto van Asperen niet te zullen zoenen, voor hij de stad bevrijd had
van alle namaning, wegens schulden van tienden, die nu aan den Graaf
voldaan waren [423]; en dat de Burgemeesteren, Schepenen en Raden van
Oudewater, tegenwoordig waren ter vergaderinge in den Haag waarbij de
Graaf regels stelde op de munt, enz.; maar bovenal, dat hij Woerden
en Oudewater ten zelfden jare authoriseerde, om de bannelingen, die
wegens Willem Kusers dood voortvlugtig waren, te mogen »aentasten
en vangen waer dat ghy hen vinden condt, binnen in onsen Landen of
er buiten, ende die brenght in onser vangenisse, so dat ghy ons die
moeght leveren ten onsen wille." Zelfs was zijn wil hieromtrent zoo
nadrukkelijk, dat wanneer de voortvlugtigen, zich met kracht verweren
mogten, zij vrijheid hadden met hen te doen, zooals zij wilden,
zullende hij het aanmerken als zulks door hem zelven gedaan. [424]

Indien wij nu nagaan, dat er zich onder die bannelingen, Edelen
bevonden, als de Burggrave van Montfoort en de Burggrave van Leiden,
dan was die last zeker van dien aard, dat er aan de verzoening van
Albrecht met Oudewater niet meer te twijfelen viel.

Inmiddels ontvlugtte de Graaf van Oostervant, Albrechts zoon, die als
de hoofdaanleider van den moord der Jonkvrouwe beschouwd werd, het
hof zijns vaders en alras waren zij nu in eenen oorlog gewikkeld. De
vader van Kuser echter, was, om het vermoorden zijns zoons, meer dan
ieder met haat tegen de Hoekschen vervuld, en hij was het, die met
eene vrij aanzienlijke legermagt, de sloten Hodenpijl, Duvenvoorde,
Zandhorst, Heemstede en Paddenpoel vernietigde.

Nadat de partijen echter geruimen tijd getwist hadden, verzoende in
1395, Hertog Albrecht zich met zijn zoon, de Grave van Oostervant, en
ook de Hoeksche edelen geraakten wederom in 's Hertogen gunste. [425]

De aanleiding tot die verzoening, was Albrechts oorlog met de Vriezen,
die in dit jaar uitbrak, en waaraan men nu met vereende krachten ging
deelnemen. Der Hollandsche en Zeeuwsche steden werden, ten gevolge
van dien oorlog, bevolen, een zeker getal schepen voor de vloot aan
te brengen, doch onder die steden, door Wagenaar III D. pag. 333
vermeld, vinden wij Oudewater vreemd genoeg, niet aangeteekend en
hoogstwaarschijnlijk mag dit als een bewijs van genegenheid van
's Graven zijde, worden aangemerkt.

Nadat de Vriezen geduchte verliezen geleden hadden, maakte Albrecht
ten jare 1400 met hen een bestand, zijnde Stavoren als toen de eenige
stad in Vriesland die nog Hollandsche bezettingen hield. [426]

Men meent, dat dit bestand ongetwijfeld moet worden toegeschreven, aan
den slechten staat, waarin de finantiën van Albrecht door den oorlog
geraakt waren [427], en wij houden het er voor, dat het de waarheid is,
trouwens indien Oudewaters poorters omtrent dezen tijd iets, het zij
direct of indirect tegen den Graaf misdeden, dan waren zware boeten
het gewone middel ter verzoening. Zoo kregen een aantal inwoners van
Oudewater in 1398 ontslag van alles, wat zij het vorige jaar op den
tweeden Kersdag misdaan hadden, mits zij hun schuld afkochten, en zoo
hadden die van Oudewater omtrent den jare 1400 »misdaet in quetzinge
gedaan" aan Willem Snoy, des Graven pander van den Lande van Woerden,
en ook voor die overtreding bekwamen zij verzoening met Albrecht,
op voorwaarde, zij moesten hem ten zijnen »behoef vernoegen van
sestienhondert scilden." [428]

Dit kwam echter niet voort, uit een geest van onmin van 's Graven
zijde met de stad onzer beschrijving, doch om de vroeger gemelde rede,
immers in dezelfde veroordeeling dier »sestienhondert scilden" schonk
hij Oudewater vrijdom voor zijne tollen te Sparendam en Heusden niet
alleen, maar ook met ingang van den tweeden Mei 1400, vrijdom van
alle diensten in Oost-Vriesland voor hem en zijne nazaten [429],
onder voorwaarde echter, dat wanneer hij in persoon, zijn zone van
Oostervant of van Ludic er heentogen, dit privilegie verviel. Albrecht
had met het schenken van dit privilegie het oog op de ligging van
Oudewater op de grenzen van Holland, de voordeelen die uit het wel
bewaken eener zoodanige vesting zouden voortvloeijen, »en ooc de
trouwe dienste die zij ons voortijds gedaan hebben en nog doen mogen."

Ten jare 1401 ordonneerde Albrecht het zetten van Schepenen en Achten,
het verkiezen van Burgemeesters enz. enz., binnen Oudewater, dat tot
nu toe op geen vasten voet scheen gebragt te zijn. [430]

En sedert dit jaar 1401, vinden wij bijna geen bescheiden meer van
graaf Albrecht, die direct op Oudewater betrekking hebben. [431]

Loopen wij echter onzen tijd niet vooruit. Wij hebben reeds
opgemerkt, dat Albrechts financiële toestand, in eenen slechten
staat verkeerde. Dit was ten jare 1400 van dien aard, dat hij wegens
vroegere gedane beden noch van de steden, noch van de bijzondere
personen eenige hulp kon verkrijgen. [432] Zoolang het dus niet hoog
noodig was, had hij Jan, Heer van Arkel die het ambt van Stadhouder
en Rentmeester der grafelijke inkomsten van Holland bekleedde, niet
zeer lastig gevallen om behoorlijke verantwoording zijner bestiering,
doch nadat hij dit nu tien achtereenvolgende jaren was in gebreke
gebleven, vorderde Albrecht omtrent dezen tijd dit zoo scherp,
dat van Arkel zich zoo beleedigd gevoelde, dat hij voornam Hertog
Albrecht openlijk den oorlog aan te doen. [433]

Oudewater en omtrek, mijne lezers, was het oord, waarin de
vijandelijkheden van dien bloedigen oorlog begonnen zijn.

Nadat de trotsche Jan van Arkel nu rondweg geweigerd had,
verantwoording te doen, op grond zoo hij zeide, dat er eenigen in 's
Hertogen raad zaten, hem te vijandig om dit te kunnen toevertrouwen,
gelastte Albrecht zijnen zoon Willem, hem door allerlei middelen tot
rede te brengen. [434]

Willem verklaarde toen in 1401, het van Oudewater naburige Haastrecht,
Vliste, Stolwijk en andere Heerlijkheden des Heeren van Arkel verbeurd,
en bande hem ten eeuwige dage uit Holland. Arkel zeide hierop eerst
den Hertog en [435] kort daarop ook grave Willem den oorlog aan.

Terstond begon van Arkel nu de vijandelijkheden, en wel met de stad
onzer beschrijving.

Oudewater, dus laat de voorname historicus Wagenaar [436] zich uit,
Oudewater was eene der sterkste grensvestingen van Holland. Ook werd
zij wel »bewaard alzoo Hertoge Albrecht de poorters, onlangs van
alle krijgstogten in Vriesland die hij zelve of zijne zoone niet
bijwoonden, voor altoos ontslagen hadt, onder voorwaarde, dat zij
de stad trouwelijk bescherme zoude. [437] Deze stad poogde Arkel te
verrassen, doch het mislukte hem, door de wakkerheid der poorters."

Weten wij nog uit de divisie kronijk [438] dat hij voor Oudewater
verscheen »met een deel ghewapenste volcx", dan was het zeker een
groote eer voor het stedeke Oudewater, dat het den verbitterden en
heerschzuchtigen van Arkel noodzaakte, den terugtogt te doen aannemen.

Van Arkel had welligt dezen aanslag niet ondernomen, indien hij niet
vrienden van binnen had gehad, die den toegang tot de stad voor hem
openstelden, door eene deur in de stadsmuur die naar den »Doelen"
leidde, open te doen houden, niettegenstaande men gewoon was die alle
nachten te sluiten. [439]

Nadat nu de oorlog tot in Ao. 1403 geduurd had, kwam het tot een,
van beide zijden gewenschten vrede, doch Albrecht overleefde dezen
niet lang, daar hij in het volgende jaar 1404 overleed.

Willem, Grave van Oostervant nu, volgde zijn vader op, onder den
titel van grave Willem den VI. en in het begin des jaars 1405, werd
hij dan ook in het stedeke Oudewater zelve ingehuldigd [440]. Men
ontwaart dit ten duidelijkste uit het privilegie, waarbij hij die
van Oudewater bevestigt, in hunne voorgaande privilegiën.


    Willem, &c. Doen kond allen Luden, want die Heerlicheden van der
    Graafschap van Holland, ende anderen onsen Landen, aan ons gekomen,
    ende besturven is, by Doode ons Liefs Heeren Vaders Hertoghe
    Aelbrecht, dien God Salich gedenken moet, en ons onzen Getrouwe
    Steede, ende Poirteren van Oudewater vriendelick ontfangen hebben,
    ende gehult, tot horen Rechten Heer, als dair toe behoord, Soo
    hebben wy daarom, ende om goide gunst, die wy hebben, ende dragen,
    tot onsen getrouwer Stede van Oudewater voorsz: derzelver onzer
    Stede, ende Poirteren aldaer, geconfirmeert ende gevestiget,
    confirmeeren, ende vestige mit dezen Brieve, Alle Alzulke
    Privilegien, Vriheden, ende Hantvesten, ende Rechten, als zy van
    onzen Voirvaders Graven te Holland, van onzen Lieven Heer ende
    Vader Hertoghe Aalbrecht voorsz: ende van ons bezeegeld hebben,
    ende geloven voor ons, ende voir onze Nakomelingen onzer getruwer
    Steede ende Poirteren van Oudewater voorsz: dair in te houden,
    ende sterken na Inhouden der Brieve die dair aff bezegeld zijn.

    In Oirkonden &c. Gegeven in den Hage op ten xi. dach in Maert
    Anno xiiijc ende vier. Secundum Cursum.


Gelijk de geschiedenis in de laatste drie jaren van Albrechts regering,
met het vermelden van oude bescheiden en privilegien op Oudewater
betrekking hebbende, zwijgt, zoo scheen de pas gehuldigde Graaf,
de stad onzer beschrijving voor dat gemis aan voorregten schadeloos
te willen stellen. Nadat Willem toch, zooals wij zagen, de stad in
hare privilegiën bevestigd had, gaf hij op Sinte Thomas avond 1405
[441], vergunning aan Schout, Schepenen, Raden en poorters der stede
Oudewater om van vriend en vijand, die schade aan de stad of aan de
bezittingen der poorters deden, schadevergoeding te mogen eischen,
en bij weigering daarvan, hen zelfs voor hunnen euvelmoed van het
leven te berooven.

Het volgende privilegie in 1405 was 's Graven vergunning, om binnen
der stede gebied, eenen molen te mogen zetten; nog belooft Willem in
dit jaar, als liggende op de grenzen van den Lande, Oudewater nimmer
meer te zullen scheiden van de grafelijkheid van Holland, en tevens
stelde hij die van Oudewater bij ander voorregt van dit jaar, vrij,
van het betalen van morgen geld. [442]

In de eerste tijden vinden wij nu bijna niet of weinig van privilegiën
van graaf Willem omtrent Oudewater gewag gemaakt, doch in deze
tijden werden er tusschen Oudewater en het nabij gelegen Woerden
vele wederzijdsche verbintenissen gemaakt, omtrent het waterschap
van laatstgenoemde stad; zoo vinden wij ten jare 1407 vermeld,
dat de hoog-heemraden van Woerden aan Oudewater beloofden om de
brug over Wierinken, buiten kosten van die van laatstgenoemde stad
te zullen onderhouden, en van het jaar 1408 berust er ter gemeente
secretarie alhier, eene geauthentiseerd afschrift, van eene acte,
waarin de hoog-heemraden van den Lande van Woerden zich verbinden,
de sluis binnen Oudewater liggende, te verlagen, met bijvoeging, dat
wanneer het geregt van de stad zulks wilde, het waterschap voornoemd,
die sluis ten allen tijde weder moest verhoogen.

Ten jare 1413 vergunde Willem tolvrijdom aan die van Oudewater en
oorlof, tot het zetten van accijns op bier en wijn, terwijl hij
in 1414 toestond, om binnen Oudewater een nonnenklooster van de
St. Franciscus orde van penetentiae te stichten [443]. En nu mijne
lezers, willen wij verder nagaan, wat er op politiek gebied voorvalt,
en welke rol Oudewater er in speelt.

Het is bekend, dat Graaf Willem, slechts ééne dochter had, met name
Jacoba, die in 1415 op ruim 14 jarigen leeftijd in het huwelijk trad,
met Jan, hertog van Touraine en grave van Ponthieu later Daufijn van
Frankrijk die in het jaar 1417, kinderloos overleed.

Hertog Willem nu, die tot dus ver geen wettige telgen had, dan Jacoba,
legde eene groote bezorgdheid aan den dag, om haar van de opvolging
in het bewind dezer gewesten te verzekeren. Dien ten gevolge,
wendde hij zich tot de edelen en steden van Holland, die hij ter
algemeene dagvaart beschreven had, en eene belofte afvergde »om na
zijn overlijden, zijne dochter Jacoba tot wettige landvrouwe in te
huldigen [444].

Die dagvaart werd in oogstmaand 1416 gehouden en onder de
steden, waarvan gemagtigden verschenen, behoorde ook de stad onzer
beschrijving. Ook de Schouten, Burgemeesters, Schepenen en Raden [445]
van Oudewater hadden »plegtiglijk gezworen, dat zij Jacoba, Daufijne
van Vienne zoo Willem vóór haar, zonder wettigen zoon na te laten,
overlijden mogt, voor zijne erfdochter en leenvolgster erkennen,
en haar nevens haren wettigen voogd hulde doen en onderdanigheid
bewijzen zouden, haar met lijven en goed, tegen alle hare vijanden
zullende bijstaan."

En Willem had nog bijtijds voor zijne dochter gezorgd, daar hij in
Mei 1417 overleed, nalatende zijne echtgenoot Margaretha en Jacoba,
zijne dochter, en eenigen tijd daarna werd deze dan ook door alle
steden van Holland, uitgenomen Dordrecht ingehuldigd.

Terwijl wij nu ter loops de opmerking maken, dat Oudewater zich aan
de Hoeksche zijde bevindt, willen wij zien, wat er verder gebeurt.

Niet zoodra hadden de Kabellaauwschen de tijding van 's Graven
overlijden vernomen, of zij begonnen het hoofd weder op te steken
en alras hadden zij zich van het naburige IJsselstein meester
gemaakt. Doch de poorters der meeste steden, bijgestaan door de
Stichtschen maakten het den vijand zoo benaauwd, dat het stedeke
weder spoedig aan 's gravinne zijde was.--Hare regering begon alzoo
niet gelukkig.

Maar van eene andere zijde zou Jacoba weldra meer te lijden hebben;
wij bedoelen van haren oom Jan van Beijeren, die haar het bezit van
de grafelijke kroon ging betwisten.

Dordrecht, wij zagen het reeds, had Jacoba niet als gravinne erkend,
en, Jan van Beijeren in die stad veel voet gekregen hebbende, [446]
ging er persoonlijk heen, en het was juist uit die stad, dat hij
zijne nicht bestookte.

Eerst beproefde hij de steden afvallig te maken, die haar gehuldigd
hadden, dat hem echter mislukte, beroepende toen zich, op den uitersten
wille van haren vader, die ernstig begeerd had, dat men zijne dochter
zoude uithuwelijken, aan Jan, hertog van Braband, waardoor de Landzaten
naar geen anderen voogd over deze gewesten behoefden uit te zien.

Nu echter begon Jan van Beijeren, zamenspannende met eenige
Kabellaauwsche Edelen, met geweld zijne nicht te beoorlogen, en dit
deed dan ook de partij van Jacoba besluiten, om over het huwelijk van
de gravin met den hertog van Braband in ernstige onderhandeling te
treden. [447] Ten jare 1418 kwam die verbintenis dan ook tot stand,
en haar echtgenoot nam hierna terstond den titel aan van Grave van
Holland en Zeeland, wordende hij door de steden, waar onder ook
Oudewater, als zoodanig gehuldigd.

Jan van Beijeren echter wist het, en door gunste van Paus Martinus den
V, en door een huwelijk met eene nicht van Keizer Sigusmundus, zoo ver
te brengen, dat hij van laatstgenoemden, het Leen der graafschappen
verkreeg, en in het genoemde jaar, insgelijks den titel van grave
over deze Landen aannam, wordende de Edelen en steden, door keizer
Sigusmund ontheven van den eed van getrouwheid, gezworen aan Willem
den VI, in betrekking tot zijne dochter, Jacoba van Beijeren.

Doch geene der steden, die vooralsnog de gravinne afviel, integendeel,
wij vinden vermeld, [448] dat de steden Haarlem, Delft en Leiden
omtrent den aanvang van het jaar 1418, »op hun eigen geloove" 529
1/2 engelsche Nobels aan lijfrenten verkochten, en de er van gemaakte
somme, beschikten voor vrouwe Jacoba.--Maar ook Oudewater, nevens zes
andere steden, hadden beloofd, die schuld, nevens de drie gemelde te
zullen dragen. [449]

Al die steden nu, maakten zich reeds geruimen tijd bereid tot een
beleg van Dordrecht, waarop de partij van, of nog beter Jacoba zelve
het voorzien had, en nadat er eenige gevechten van beide zijden
hadden plaats gegrepen, werden er van wege Jacoba aan 31 Hollandsche
steden, brieven afgezonden, om over het belegeren van Dordrecht te
raadplegen. Korten tijd daarna, werd het beleg ondernomen, doch
weldra moesten het de belegeraars met verlies opbreken, en nadat
Jacoba, nog in dit jaar, het verlies van Rotterdam te betreuren had,
werd er omtrent den aanvang van 1419, een zoen tusschen beide partijen
gemaakt. [450] In die voorwaarden nu, vindt men onder anderen vermeld,
dat het Baljuw- en Dijkgraafschap van Zuid-Holland aan de gravinne als
»leengoed" werd afgestaan; Oudewater werd er ingelijks onder begrepen,
wijl er in die acte voorkwam, dat de Landen voor vijf achtereenvolgende
jaren, door de Hertogen van Brabant en Beijeren in het gemeen zouden
geregeerd worden, en dat de Schouten en Geregten in de steden, alsmede
de Baljuwen en andere ambtslieden, door hen gezamelijk zouden worden
aangesteld. Zij behoefden echter aan de gravinne alleen den eed te
doen, doch met dien verstande, dat zij insgelijks den hertog van
Beijeren, onder Jan en Jacoba, beide gehoorzaamheid moesten beloven.

Jan van Beijeren schond echter spoedig dit verdrag, en na verloop van
eenigen tijd, werd hij dan ook in een aantal steden, als Ruwaard en
oir of erfgenaam aangenomen.

Inmiddels, waren Jan van Brabant en zijne echtgenoot naar Brabant
gereisd, alwaar hunne tegenwoordigheid vereischt werd. Van die
gelegenheid nu, maakte Jan van Beijeren gebruik, om zich meer gezag aan
te matigen, dan hem toekwam. Op eigen gezag, zoo vermeldt Wagenaar,
ging hij nu de Kabellaauwsch gezinden, aan wie hij zijne bevordering
te danken had, in de regering der steden op het kussen brengen,
en zoo vinden wij dan ook bij van Kinschot vermeld, dat hij in het
jaar 1420, Treneijs Pietersoon in Oudewater tot Schout benoemde,
[451] die hoogstwaarschijnlijk tot dien genoemden aanhang, en van
zijne vrienden was.

Hoe wel Jan van Beijeren in een ander stuk van 1421, Jan van Brabant
noemt zijnen »lieven Neve" zoo kunnen wij die zoete woordjes niet
te veel vertrouwen, immers in het jaar 1421 stelde hij te Oudewater
weder, dat zeer op de zijde van Jacoba was, drie kapiteins aan van
zijnen aanhang. [452]

Om onze schets naar behooren te vervolgen, moeten wij nu een tweetal
jaren teruggaan en zien, wat er inmiddels voorviel.

Het was ten jare 1419, dat Jan van Beijeren met de Stichtschen in
onmin geraakte, en alras vernamen de Utrechtenaren de tijding, dat Jan
van Beijeren, met hertog Reinoud van Gelder een verbond gemaakt had,
om in het Sticht te vallen en onder anderen Amersfoort en Montfoort
in te nemen. [453]

Was het nu ten gevolge van die overeenkomst, of was het de oude wrok
tegen de Montfoortenaars dat die van Oudewater in het volgende jaar
1420 gretig de gelegenheid,--echter eene noodlottige gelegenheid--te
baat namen om zich te wreken, of waren de ingezetenen beneden
Schoonhoven tot aan Oudewater toen reeds door het Sticht onder
brandschatting gebragt, daar wij toch in de geschiedenis zien, dat
zulks in 1420 plaats had, wij weten het niet, doch waar is het, dat
wij van het volgende heete gevecht in dit jaar vinden gewag gemaakt.

»In den aanvang van 1420 gingen de oneenigheden tusschen Utrecht
en den slinkschen Jan van Beijeren tot dadelijken krijg over, en
Montfoort koos de partij van den Bisschop. In dezen oorlog, maakte
een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijk van Montfoort,
zich door een wakker wapenfeit vermaard.

»Bij een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijk
in der haast te Montfoort zoo vele manschappen zamen, als er uit
de verdedigers van slot en stad gemist konden worden, en voerde
deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand
tegen, en, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver van der Beke,
toen heer Lodewijk met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hij zich als
een onvertsaagd ridder, die den moed van een leeuw bezat en reed op
den vijand in, en zijne voetknechten, deden als heerlijke stoute
mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden
zich mannelijk en stout, als of zij jonkers waren, en zoo werd er
niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was,
kloek en wakker gestreden; want elk wilde gaarne het veld behouden;
maar die van Oudewater moesten 't eindelijk opgeven en ruimden met
een verlies van omstreeks 70 man aan dooden of gevangenen het veld;
terwijl de Montfoorters in triumf met den buit binnen hunne stad
keerden, ende danckten Gode ende Sint Martijn, dat si met sulcker
eeren ende met sulcker gewin gedaen waren." [454]

Noodlottig, wij zeiden het reeds, was dit bloedig gevecht
voor Oudewater, maar indien wij nagaan, dat de Bisschoppelijke
Kronijkschrijver van der Beke getuigde dat die van Oudewater zich
mannelijk en stout geweerd hadden als waren zij Jonkers, dan moeten er
van de zijden der Montfoortenaars, wier verlies niet wordt genoemd,
insgelijks in dit gevecht waarin »kloek en wakker gestreden werd"
menigeen gevallen zijn.

Inmiddels waren de stichtschen het met de Hoekschen eens, en gingen Jan
van Beijeren beoorlogen, doch Oudewater hoewel hoekschgezind, stond,
schijnt het te veel onder van Beijeren, om zich niet aan zijne zijde
te scharen, getuige daarvoor onderanderen, de benoeming zijnentwege
in dit jaar, van den gemelden Schout Treneys Pietersoon.

De bondgenooten tegen Jan van Beijeren waren niet gelukkig in hem te
beoorlogen, doch in hetzelfde jaar kwam er weder een vredesverdrag
tusschen beide partijen tot stand. Terwijl dit echter gebeurde, ging
Jan van Beijeren zwanger van het voornemen, den tragen en vadsigen
Jan van Brabant, echtgenoot van Jacoba, met zijne mannen op te zoeken,
en spoedig werd dan ook dit voornemen ten uitvoer gebragt, ten schade
van Jacoba. Door een en ander werden niet alleen de ingezetenen van
Brabant, maar ook Jacoba afkeerig van Jan van Brabant, en weldra
was eene echtscheiding het gevolg er van. Spoedig echter (in 1422)
huwde Jacoba ten derde male met Humfreij, hertog van Glochester en
ook hij noemde zich alras Grave van Henegouwen, van Holland, Zeeland,
enz. enz. en terwijl wij nu, nevens Jan van Beijeren den hertog van
Glochester aantreffen, begint zich ook Philips, hertog van Beijeren
als vermoedelijken opvolger in het beheer dezer graafschappen aan
te merken.

Inmiddels werd de gravinne, in 1424 bij afwezigheid van Glochester,
te Bergen gevangen genomen en naar Gent gevoerd. Zij wist echter
hare wachters in manskleederen te verschalken en te ontvlugten, en
drie dagen daarna te Woudrichem zijnde, werd zij door heer Jan van
Viane naar Oudewater, Schoonhoven en Gouda gevoerd en in die steden,
waarin zij den meesten aanhang had, werd zij terstond als Gravinne
erkend. [455]

Nu begonnen er weder spoedig andere onheilen voor de gravinne te
naken, en wel ten gevolge van den dood van hertog Jan van Beijeren
in het jaar 1425. Hij toch had zijn regt op deze graafschappen bij
uitersten wille aan Philips, hertog van Bourgondie, afgestaan, en nu
maakte deze zich weldra gereed, om hetgeen hem afgestaan was, door
kracht van wapenen te nemen, en zelfs werd hij door Jan van Brabant de
tweede echtgenoot van Jacoba, tot Ruwaart over deze gewesten benoemd.

Nu wist de hertog van Brabant spoedig te weeg te brengen, dat de
Edelen en steden, die Jan van Beijeren erkend hadden, hem alras tot
wettigen grave huldigden, zonder, dat er bij die gelegenheid van
Jacoba en haar goed regt op de Landen, een woord gerept werd. Doch,
mogten de meeste niet meer aan de ongelukkige gravinne denken, zoo
had zij in haren tegenspoed toch den troost, dat Oudewater, nevens
Gouda en Schoonhoven, aan hare zijde bleven.

In de tijden, dat een en ander aldus voorviel, was Jac. van Gaasbeek
door Jacoba's tegenpartij tot stedehouder over Holland benoemd.

Spoedig waren nu de vijandelijkheden tot een werkdadigen oorlog
overgegaan, wordende kort hierop het beleg voor Schoonhoven geslagen.

Jacoba, beducht voor Gouda, waar zij zich meest ophield, had
den IJsseldijk doen doorsteken, en schier al het land onder water
gezet, waardoor de stad van die zijde gedekt was, doch aldra vernam
zij, dat men zich gereed maakte, om de stad van de Rijnzijde te
naderen. Met die zijde toch, had zij niet als met het beneden eind
te werk kunnen gaan, immers dan had zij niet alleen de gemeenschap
met Oudewater afgesneden, maar ook met het Sticht, waarmede zij ééne
lijn trok. Met hare getrouwe steden en de Stichtschen, besloot zij
nu den naderenden vijand te gemoet te trekken, en alras kwam het nu
in het jaar 1425 [456] tot een gevecht bij Alphen. Die van Gouda,
Schoonhoven en Oudewater vielen hen nu onvoorziens op het lijf,
[457] schoon zij minder in getal waren. Zij bekwamen de overwinning,
en bragten nevens vele gevangenen, de vaandels van Haarlem, Leiden
en Amsterdam, in vreugde en gejuich binnen Gouda.

Niet zoo gelukkig was de Hoeksche partij in Zeeland, waar de troepen
der Gravin met hulp van die uit Engeland, in 1426 een gevecht bij
Brouwershaven verloren. Na die nederlaag, toog vrouwe Jacoba met haar
leger tot voor Haarlem en ook bij dien veldtogt, werd de banier van
Oudewater aan hare zijde niet gemist; [458] maar ook in dit beleg,
keerde zich de krijgskans tegen de Gravinne, die nu bijna de eenen
ramp na de anderen trof.

Nog waren de drie meergemelde steden, Jacoba getrouw [459], toen zij
zich in de grootste benaauwdheid te Gouda ophield, en haar huwelijk
met Glocester te dien tijde ontbonden werd; niettemin schepte zij
weder eenigen moed, door den dood van hertog Jan van Brabant in 1427:
doch wat baatte het? Nadat immers der Hoekschen vloot bij Wieringen
bijna vernield werd, trok Philips in de lente des jaars 1428 met een
leger op Gouda aan, waarin zij zich in bangen nood bevond. In dien
toestand durfde Jacoba het beleg niet afwachten, maar besloot met
Philips in onderhandeling te treden; dit geschiedde, en men verzoende
zich; maar men begrijpt ligtelijk, dat de voorwaarden niet ten gunste
voor de ongelukkige Gravinne uitvielen.

Die voorwaarden echter te vermelden, zou ons buiten het bestek voeren,
wij willen den lezer alleen herinneren, dat er onder anderen besloten
werd, dat de gravin niet zonder toestemming van Philips weder in den
echt mogt treden, dat Philips de Regering van Holland bleef behouden
onder den titel van Ruwaard en Oir, en dat de ongelukkige Jacoba
slechts den (hollen) titel van gravinne mogt behouden. Voorts zouden
hare drie getrouwe steden, niet achtervolgd worden, ofschoon zij tot
dus ver tegen den Hertog geweest waren. enz.

Nog in dit jaar trok de gravinne met den hertog door Holland en
Zeeland, hem alom tot Ruwaard, regter en Oir of wel erfgenaam der
Landen doende huldigen. [460] Slechts 7 weken na het verzoenen met de
betreurenswaardige gravin, kwam Philips, wiens voorganger de regering
der steden buiten tijds, tegen aandruischen hunner privilegien
veranderd had, in een acte omtrent Oudewater voor als Ruwaard.

Wij laten den inhoud van deze acte volgen, als niet van belang
ontbloot zijnde:


    Philips, by der Genaden Gods Hertoge van Bergoenjen, Graef van
    Vlaenderen, van Artoys en van Bourgoenjen, Palentyn, Heere van
    Salins en van Mechelen, Ruwaert over die Landen van Henegouwen,
    van Holland, van Zeeland, ende van Vriesland, doen kont allen
    luyden, (want die goede luyden van den Gerechte der Stede van
    Oudewater aen ons gekomen zyn klagende) dat wy dat Gerechte
    aldaer wonende doen versetten alsoo zy vernomen hebben, 't welck
    is t' alsoo geschiet wesen souden tegen haer Hantvesten ende oude
    Herkoomen, by de welcke men niet geplagen en heeft dat voorsz:
    recht te versetten maer een werve 's jaers alsoo wy seggen,
    ons ootmoedelicken bidden dat wy ons dies verdragen, ende hem in
    haren voorsz: Handtvesten ende Herkomen houden wouden, die wy hem
    geconfirmeert hadden; Soo is 't dat wy om des besten wille belast
    hebben sommige onse Raetsluyden dat voorsz: Gerechte te versetten,
    die aldaer in blyven, ende dat voorsz: Gerecht voeren sullen,
    tot die tyt toe dat men gewoonlick is van outs te vermaecken,
    ende dan sullen weder andere daer in geset worden ende blyven, na
    haren Handtvesten die sy vermeten daer of te hebben, geconsenteert
    hebben ende consenteren mits desen Brieve, dat die versettinge
    nu alsoo geschieden sal van de Gerechte voorsz: deszelver Stede
    geen hinder, prejuditie, ofte achterdeel en drage, noch en zy
    tegen haer voorsz: Hantvesten, noch dat wy daerom eenich nieu
    recht verkregen hebben, om die Stede voorsz: maer dat zy daer af
    alzoo geheel in zyn ende blyven, ende wy in onse heerlyckheyt,
    alsoo wy ende zy tot hier toe geweest hebben: ende des 't oirkonde
    soo hebben wy desen Zegel aen desen Brief doen hangen.

    Gegeven in onsen Stede van Dordrecht, op den vyftienden dach
    van Augusto, in 't Jaer ons Heeren Duysent vier hondert acht
    en twintich.


Inmiddels werd Frank van Borselen tot stadhouder over Holland en
Zeeland benoemd, en Philips, de zaken aldus naar zijn zin in orde
gebragt hebbende, vestigde zich in Brabant.

Het was echter omtrent dezen tijd, dat de bekende scheuring in het
Sticht plaats had met bisschop Zweder van Culenburg en Rudolph van
Diephold en dat de religieuse zusters Oudewater moesten ontruimen
en de vlugt naar elders nemen. Wij mogen, noch willen in herhaling
treden, omtrent hetgeen wij vroeger (van pag. 225 tot pag. 249)
daarvan ter neder schreven, genoeg zij het, dat wij in dit hoofdstuk,
in den geleidelijken loop der gebeurtenissen er naar verwezen hebben.

Wij treden een paar jaren verder op historisch gebied. Reeds in 1430
had Philips zich in Holland, Zeeland en West Vriesland als grave weten
te doen huldigen [461], toen er weder iets gebeurde, waardoor in dat
jaar zijne aanzienlijke magt weder met meerder regt bevestigd werd.

Zoo als men weet, mogt Jacoba ingevolge het verbond in 1428, niet dan
met toestemming van de Staten, hare moeder en Philips, weder in het
huwelijk treden, en toch deed zij dit ten jare 1433, in het geheim
met heer Frank van Borselen, en volgens meerdere voorwaarden, waren
nu hare onderzaten van alle gehoorzaamheid aan de gravin bevrijd.--Men
begrijpt ligtelijk, dat Philips van die gelegenheid partij trok, en de
zoo gewenschte afstand ten zijnen behoeve volgde weldra, bedingende
Jacoba alleenlijk voor zich, de heerlijkheden Voorne, Zuid-Beveland,
en Tholen, benevens de tollen van Holland en Zeeland gedurende haar
leven. Stierf Philips echter vóór haar, dan was besloten, dat zij weder
in het bezit harer graafschappen treden zoude; maar zij overleefde
hem niet, daar zij aan eene teringziekte in het jaar 1436 overleed.--

De ongelukkige, zij had ondervonden, dat niet altijd een vorsten
kroon geluk aanbrengt!

Toen nu de gravin afstand van hare graafschappen gedaan had, ging
de regering ook in het huis van Bourgondië over, doch al spoedig
ondervond men, wat het inhad door den magtigen Philips geregeerd te
worden. Het lust ons niet, dit alles ter neder te schrijven, genoeg
zij het te vermelden, dat de landzaten al spoedig genoodzaakt werden
deel te nemen, aan uitheemsche oorlogen, iets dat het reeds zoolang
geschokte graafschap weinig verademing bezorgde, en ofschoon wij die
van Oudewater niet voor 1438 genoemd vinden, als er aan deel nemende,
zoo is het toch bijna ongetwijfeld, dat zij er niet gemist zullen zijn.

Omtrent dezen tijd, was het hansee verbond opgerigt, en onze
landslieden begonnen nu sterker, dan voorheen, op de Oost-Zee handel
te drijven.--Der oostersche koopsteden, gewoon die vaart alleen te
hebben, verdroot dit zeer, en al spoedig waren vijandelijkheden van
beide zijden het gevolg.

De zes Wendische steden, besloten weldra den landslieden den oorlog
aan te doen, versterkt door een verdrag dat zij sloten met den Hertog
van Holstein en, dat het hen ernst was, blijkt uit het feit, dat zij in
1437 een grooten roof op de Hollandsche en Zeeuwsche schepen behaalden,
de vaartuigen in den grond boorden, en het bootsvolk gevangen
namen. Duurte en oproer vertoonde zich nu alras in onze gewesten
en nadat men vruchteloos op schadeloosstelling had aangedrongen,
begon men het moede te worden, er moest wraak worden genomen! Er werd
eene algemeene dagvaart beschreven, en men nam op naam van Philips
een besluit, om alle groote schepen, binnen 14 dagen op te takelen,
en in staat te stellen »om zee te kiezen, een iegelijk moest terstond
zijn harnasche bereijden en bereijd houde om altijd bereijt te zijn"
en ten oorlog uit te trekken waar hij vereischt zoude worden--voorts
moesten er met den meesten spoed op stapel gezet en afgetimmerd worden
omtrent 80 »Baardsen" zijnde een soort van oorlogschepen, en bijna
geen stad of dorp die geen bevel kreeg daaraan bij te dragen en zoo
moest dan ook Oudewater zorg dragen in tijds eene zoodanige »Baerdse"
in gereedheid te hebben. [462]

Menige roof werd nu, na dat een en ander in gereedheid was gebragt,
gepleegd; en zóó groot was de overmoed en dapperheid der onzen, dat
men in het jaar 1440 eene groote Oostersche vloot nam, die met zout
derwaarts keerde. Soms echter keerde ook de krijgskans, en men begon
van beide zijden naar den vrede te haken, van dat gevolg, dat men in
1441 met deze Wendische steden een bestand sloot, met den hertog van
Holstein verzoende, enz., enz.

Intusschen begonnen de Hoeksche- en Kabellaauwsche twisten, na verloop
van een paar jaren, met meer hevigheid dan ooit te woeden, zoodat in
verschillende steden groote oproeren ontstonden, die soms zeer hoog
liepen, en niet zelden dan slechts met moeite door geestelijken en
wereldlijken magt konden beteugeld worden. Oudewater moet echter vrij
rustig geweest zijn, maar Philips had ook aan Schout, Burgemeesteren
en Raden van Oudewater geschreven, dat zij op een en ander een zeer
waakzaam oog zouden houden. In het jaar 1445 werd dit gebod weder
herhaald »overmits der beroeringe ende opheven wille in onsen lande
van Holland wesende" en tevens beval de Grave er bij, dat indien de
poorters van IJsselstein het in hunne gemeente te kwaad kregen door de
troebele tijden, dat die van Oudewater dan, het zij bij dag of nacht,
hen de poorten zouden ontsluiten opdat zij aldus met lijf en goed er
des te veiliger zouden kunnen zijn.

De sluwe Philips wist echter redenen genoeg voor dit gunstbetoon te
vinden, immers, aan het slot van dit bevel meldt hij, dat zoo het
geviel, dat die van IJsselstein de wijke binnen Oudewater zochten,
dat men dan in Oudewater beter in staat was de stad te bewaren, om het
grootere getal weerbaren, dat er zich alsdan in zou ophouden. Het is
ons echter niet gebleken, dat de poorters van IJsselstein ooit van
die vergunning hebben gebruik gemaakt.

Het was omtrent dien tijd, nadat de geschillen der partijen een weinig
bedaard waren, dat Philips ernstig begon te denken om de erfenissen
der georderde personen in den lande, een weinig tegen te gaan. Reeds
in 1446 vinden wij zoodanige ordonnantie omtrent de georderden van
Oudewater als mede eene van Anno 1456.

Voorts beval de Graaf in het jaar 1463, in aanmerking nemende de
klagten der steden Schoonhoven, Oudewater, Woerden, Weesp, Muiden en
Naarden over het vorderen van morgen geld in het Sticht van Utrecht
gedaan, dat die van Holland in het Sticht van Utrecht geërfd zijnde,
niet verpligt waren aan die heffing te voldoen.

Sedert dien tijd vind ik niets meer van Philips omtrent Oudewater
vermeld, hij stierf dan ook weinig tijds daarna, namelijk in het jaar
1467 en nog in dat jaar, werd hij in de regering door zijn zoon Karel
den Stoute opgevolgd, die in het jaar 1468 door de Hollandsche steden
waaronder ook Oudewater als graaf werd erkend. [463]

Hij was van een zeer oorlogzuchtigen aard, perste de goê gemeenten
vele opbrengsten af en onder zijne regering ontstond er in menige stad
oproer, dat hij echter meest ten zijnen voordeele wist te dempen. Zijn
geheele regering was bijna aan oorlog voeren, zoo wel in het binnen-
als in het buitenland, gewijd, dat dan ook waarschijnlijk als de reden
moet worden aangemerkt, dat wij niet één bescheide of iets dergelijks,
van hem omtrent Oudewater aantreffen.

Hij sneuvelde in den slag bij Nancy ten jare 1477, nalatende eene
dochter Maria genaamd, die hem nog in genoemd jaar in de regering
opvolgde. Ook hare regering kenmerkte zich door oorlog van buiten en
tweespalt van binnen.

In Holland toch, was alras het vuur van oneenigheid tusschen de
Hoekschen en Kabellaauwschen weder hevig aan het branden.

De zware lasten, die men nog te dragen had, bragten verscheidene
steden aan het morren; sommige eischten van de overheid rekening van
hare inkomsten en stonden er zoo sterk op, dat de vroedschappen,
die meest allen Kabellaauwschgezind waren, allengskens de steden
uitweken, en alras door Hoekschen vervangen werden. [464] Dit toch
gebeurde onder anderen te Gouda, Schoonhoven en elders en zoo ook
spoedig in Oudewater.

Van Berkum, in zijne beschrijving van Schoonhoven maakt over een
en ander aldus gewag: »als Gerrit van Poelgeeste in de slotvoogdij
van Schoonhoven hersteld was, stond de gemeente te Schoonhoven onder
dien Hoekschgezinde op, en eischte rekening van stadsgoederen, en als
de Cabellauwsche bestierders, dit niet wilden en konden, gingen zij
heimelijk de stad uit, waardoor hunne plaatsen met Hoekschgezinden
vervuld wierden. De uitgewekene regenten, gingen nu naar Wolfaart van
der Veer, stadhouder van Holland, verzoekende van hem, in de stad in
hunne bedieningen, zonder ergens om gemoeid te worden, hersteld te
zijn, doch er volgde niets op, en Schoonhoven bleef Hoeksch, en bragt
met die van Dordrecht en ter Gouda even na paschen in het jaar 1479,
Oudewater insgelijks aan die zijde." [465]

Zien wij nu eerst eens wat er inmiddels op ander gebied voorviel.

Ongeveer twee jaren geleden, was vrouwe Maria, reeds in het huwelijk
getreden, met Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk doch eerst in
de lente des jaars 1478 deed hij als kerkelijke voogd en momboir
van vrouwe Maria, den eed aan de bijzondere steden in dezen landen,
wordende aan hem in diezelfde hoedanigheid den eed van getrouwheid
door de staten gedaan, [466] en spoedig (den 6 April 1478) werd dan
ook Oudewater door Maximiliaan in al zijne privilegien bevestigd,
zooals onder de gravelijke regering dezer gewesten gebruikelijk was.

Nu begonnen de troebelen van Hoekschen Kabellaauwsch, door ons op
de vorige pagina ter neder geschreven, zich te vertoonen, en onder
de oproerige steden die zich weder aan de Hoeksche zijde geschaard
hadden, troffen wij ook Oudewater aan, [467] niettegenstaande Gouda
en Schoonhoven »met loosheden" de stad aan hare zijde gekregen
hadden. [468]

Weldra kregen nu de Hoekschen, die natuurlijk tegenstrevers van
Maximiliaan waren, verbazenden aanhang. Verscheidene steden waren van
die partij, en zoo stout werden zij, dat Leiden waaruit zij verdreven
waren, in 1481 door hen bij verrassing ingenomen werd. Doch ook hunne
tegenpartijders zaten niet stil, zooals ligtelijk te begrijpen is,
alhoewel het ten vorige jare vruchteloos beproefd was, Oudewater
weder aan de Kabellaauwsche zijde te brengen; immers wij maken die
gevolgtrekking indien wij lezen, dat bij het vertrek van Maximiliaan
uit Holland, hij zijn stadhouder Joost van Lalaing beval, de ruste
in de steden te herstellen, dat hem echter nergens gelukte dan te
Hoorn en te Gouda. [469]

In 1481 kwam men er echter niet zoo gelukkig in Oudewater af. Eerst
werd het hoekschgezinde Dordrecht ingenomen, en daarna vielen ook
Schoonhoven en Oudewater weder in de magt der Kabellaauwschen. Tot
het innemen van Oudewater, had Gerrit Uitenbroek, Schout dier
stede eertijds veel toegebragt, maar hij werd er dan ook sedert
met ballingschap en verbeurd verklaring zijner goederen voor
gestraft. [470]

Men begrijpt ligtelijk, dat Maximiliaan de Kabellaauwschen aan de
regering stelde, en zoo als het een Vorst betaamt, ging hij zelve
eenige wederspannige steden bezoeken. Zoo toog hij onderen anderen
naar Dordrecht, Gouda, Oudewater en Schoonhoven, alwaar hij de
verandering door de Kabellaauwschen gemaakt, bekrachtigde [471]
en aldra onderwierp ook Leiden zich aan den Grave.

Nadat de zaken nu aldus door Maximiliaan in orde gebragt waren,
was hij weldra met het Sticht in oorlog gewikkeld, en voor het op
de Stichtsche grenzen liggende Oudewater was die krijg alles behalve
rustig, gelijk wij zullen zien. Wij moeten echter eerst de reden tot
dien oorlog een weinig ontwikkelen.

De stad Utrecht, alhoewel zelve inwendig verdeeld omtrent haren
Bisschop David van Bourgondië, die de stad had moeten ruimen, was
in deze tijden nu de eenigste toevlugt der hoeksche ballingen, en de
Utrechtschen, die onder Reijer van Broekhuisen Leiden hadden helpen
bemagtigen, waren niet zonder buit naar Utrecht gekeerd. Dit, doch
vooral het aanhouden der Hoekschen, had Maximiliaan doen besluiten,
tot het aanslaan der Utrechtsche goederen, die onder zijn gebied
bevonden werden, zelfs werden die van Utrecht alomme in Holland
vast gehouden, willende Maximiliaan hen niet ontslaan, ten ware men
den ijverig hoekschgezinden Burggrave van Montfoort en de hoeksche
ballingen uit Utrecht deed vertrekken, dit geschiedde echter niet,
en uit die tweedragt, rees in het jaar 1481, de voornoemde krijg,
die drie jaren duurde.--Men zeide in Holland wel, dat die oorlog
gevoerd werd, om Bisschop David tegen de wederspannige Utrechtenaren
te verdedigen, doch de ware oorzaak was het verblijf der hoeksche
ballingen in de stad. [472]

Wel poogde Utrecht een verdrag tot stand te krijgen, doch vruchteloos,
Maximiliaan vorderde, dat men den Bisschop geheel en al onderdanigheid
zoude bewijzen, en de vreemde knechten uit de stad zou doen vertrekken,
en dit gelukte hem niet. [473]

Naarden werd nu door de Stichtschen verwoest en Jutphaas door de
Hollanders verbrand, die tevens het beleg voor het Blokhuis op de Vaart
sloegen, zij leden er echter eene geduchte nederlaag, vele vonden er
den dood, »en sommige liepen alle dat zij mochten, na Schoonhoven,
na Oudewater, na IJsselstein en na Woerden, niemant en sach na den
anderen om." [474]

Nadat de vlugtelingen aldus eene veilige schuilplaats, in de
goede Hollandsche steden gevonden hadden, werd er in het Sticht
veel verwoesting door de Hollanders uit wederwraak aangerigt,
en uit voorzorg tegen iederen onverhoedschen overval, werden er
in den winter van het jaar 1481 groote garnizoenen gelegd binnen
IJsselstein, Oudewater en Woerden, en ook Weesp werd van meerder
krijgsvolk voorzien. [475]

In het volgende jaar, werd er te Schoonhoven eene dagvaart gehouden,
tusschen den Stadhouder en de Hollandsche steden ter eenre, en Utrecht
ter andere zijde, doch men scheidde vruchteloos en de wederzijdsche
vijandelijkheden gingen even hevig haren gang. [476]

Midderwijl overleed in 1482, de geprezene vrouwe Maria, gravinne
van Holland, en haar eenige zoon Philips, een kind van vier jaren,
was haar opvolger onder den titel van Philips den II, en Maximiliaan
zijnen vader, ontving al spoedig als voogd en Ruwaart den eed van
getrouwheid der Hollanders.

Na dit vermeld te hebben, willen wij Oudewater en omtrek verder hun
rol in den stichtschen oorlog zien afspelen.

Noodwendig moeten wij met den aanslag op Dordrecht in 1482 beginnen.

De Burggrave van Montfoort dan, had in genoemd jaar een aanslag
ondernomen op Dordrecht, waar binnen hij heimelijk verstand houding
hield, [477] en zoo geschiedde het dan, »dat sy hen hebben voorzien
van schepen groot en cleyn, daer sy volck van wapenen in setten
daer Capiteynen of waren, heer Willem van Wachtendone en Adriaen van
Naeldwyck, en waren wel viij C sterck en wel ghewapent, en zyn die
Leeke neder ghevaren, ende quamen op eenen saterdach voor Dordrecht en
alsoo dat ghetye ghegaen was en mochten in sy die stede niet comen, en
voeren die Mase op tot voorby Vloerdinghen. Dit hadden die Hollanders
schier vernomen en souden hen bevochten hebben, en had dit tegen
den nacht niet gegaen, nochtans waecten sy alle den nacht en waren
in roere, ende vele van die schepen voeren na Zeeland ende dardere
keerden weder, ende grepen eenen moet en traden opten IJseldyck ende
gingen nader Gouda toe, ende daer stont een blockhuys opten dyck,
dat sy an brande staken, ende gingen voorby, dat sy maer één man
verloren »ende sy worde van die van der Gouda achtervolgt, maer sy
en deden hen niet, ende ghenakende die stede van Oudewater quamen hen
te ghemoet die knechten, en een deel poorters van der stede, ende sy
hadden een scharpe mangelenghe te samen, en sloegen deen den anderen
vast volck af, maer die van Oudewater hadden tmeeste verlies van hare
poorteren, die veel geslagen worden, en van daer quamen sy voor die
van IJsselsteyn daer sy ooc een gevecht mede hadden, en quamen dus
met grooter avontueren weder binnen de stad van Utrecht. [478]

Wij zien dus dat de Hollandsche steden die zij voorbij trokken en
met name Oudewater zich dapper gekweten hadden, en welligt hadden die
van Utrecht nooit hunne stad weder gezien, zoo niet de Schouten van
eenige Zuid-Holl. dorpen zich hadden laten overhalen, den landslieden
diets makende, dat het Hollanders waren die een aanslag op Utrecht
voorhadden. Dit verraad moesten zij echter later met het leven
boeten. [479]

Na dien tijd vinden wij in eenige jaren niet onmiddelijk van Oudewater
gewag gemaakt, maar wel dreunde de bodem van het losbranden des
geschuts in den omtrek, wel zullen die van Oudewater deel hebben
genomen in de wisselende oorlogskansen, en hebben mede »gedadingd«
in de gehouden dagvaarten.

Doch onze orde van zaken vordert, dat wij vlugtig nagaan wat er
inmiddels voorviel, ten einde op de hoogte te zijn, als wij over eenige
weinige jaren Oudewater weer in de geschiedrollen vermeld vinden.

Het was mede in dit jaar 1482, dat de Stadhouder van Lalaing, de sloten
van Harmelen en de Haar bemagtigde. Die twee sterkten nu, behoorden
toen ter tijde aan de heeren Gijsbrecht en Dirk van Zuylen, die groote
partijen des Bisschops waren. De Utrechtenaren integendeel, poogden
IJsselstein te bemagtigen, doch vruchteloos, en de Hollanders namen
zelfs kort hierna, bijgestaan door eenige magt van Bisschop David,
weder het Blokhuis op de Vaart terug, dat kort daarna ten gronde toe,
werd geslecht.

Zoo het schijnt, trotsch op hunne overwinningen, belegerden de
Hollanders in 1483 ook Montfoort, eveneens met het voornemen, dit ten
gronde toe af te breken, doch dit mislukte hen; immers, men brak het
beleg weder spoedig op.

Nu was het de beurt voor Utrecht zelve. Nog in dit jaar werd het
belegerd, onder aanvoering van Maximiliaan, en weldra ging de stad bij
verdrag over. De Graaf deed zijne intrede binnen Utrecht met grooten
luister, en de Bisschop die gevangelijk naar Amersfoort was gevoerd,
werd na het bemagtigen der stad in zijn regt hersteld. Dus was het
einde van dien bloedigen Utrechtschen oorlog, waarin ook de stede
Oudewater zijn treurig en veel bewogen drama had afgespeeld.

Maximiliaan intusschen, kreeg in 1488, in de Zuidelijke Nederlanden,
weder veel te doen met menigen opstand zijner onderdanen, en die
tweespalt bragt de Hollandsche Hoekschen op de gedachten, daarvan
zooveel mogelijk partij te trekken. [480]

Bij het vlugtig nagaan der gebeurtenissen door die partij nu aangewend,
zullen wij in het volgend jaar de stad onzer beschrijving weder
aantreffen.

Jonkheer Frans van Brederode, tot hunnen aanvoerder benoemd zijnde,
bemagtigde nog in 1488 Rotterdam. Nadat zij aldus vasten voet herkregen
hadden, ondernamen zij hunne strooptogten, tot voor de poorten der
steden. Nog in dit jaar sloegen zij voorts het beleg voor Schoonhoven,
doch met verlies van meer dan 200 man, oorlogswerktuigen en schepen,
weken zij naar Rotterdam terug. [481]

Tevens bemagtigde Jan, Burchtgrave van Montfoort, het slot te Woerden,
van waar hij den Hollanders veel schade deed met strooptogten, en het
vorderen van brandschattingen van de naaste dorpen, heerenhuizen en
landbouwerswoningen.--De omtrek van Oudewater had een zeer lastigen
nabuur in den Burchtgrave, en de plattelands-bewoners vooral, hadden
veel van hem te lijden. [482]

Zóó naderde het jaar 1489--Maximiliaan was nu sedert de
wederspannigheid der Hoekschen, zelf naar deze gewesten gereisd,
om hunnen overmoed te beteugelen, en noodigde alle Kabellaauwsche
steden uit, waaronder dus ook Oudewater, tot het beteugelen der
hoeksche woelingen.

Het eerst moest nu Rotterdam weder aan zijne zijde gebragt worden,
en men sloeg er dan ook spoedig het beleg voor. Jonkheer Frans,
integendeel poogde Schiedam te verrassen, dat hem echter niet
gelukte. Meer voorspoedig waren hunne wapens in het dorp Overschie, dat
zij bemagtigden, en met de stede Geertruidenberg die zij overrompelden,
doch na nog een paar veroveringen, die zij op den vijand behaalden,
leden zij nabij Rotterdam eene geduchte nederlaag, waarvan het gevolg
was, dat Rotterdam weder overging.

Tot dus ver schijnt het, dat de Burgtgraaf van Montfoort niets dan het
land had afgestroopt, doch nu wilde hij ook steden bemagtigen. Eerst
poogde hij in het begin van October 1489, Naarden in te nemen, doch
het mislukte hem. Hetzij hij nu toornig was, over die teleurstelling,
of, dat hij dacht, dat men te Oudewater niet zoo op zijne hoede
zoude zijn, dit meldt de geschiedenis niet, doch wel, dat hij nog in
dezelfde maand October met zijne veldteekenen en hoeksche benden voor
Oudewater verscheen, doch zóó vriendelijk werd hij ontvangen, dat hij
genoodzaakt werd naar zijne schuilhoeken terug te trekken, en zich
vergenoegen moest, den toren van buiten de stad gezien te hebben. [483]

De opmerkzame lezer begrijpt ligtelijk, dat die gestadige
binnenlandsche twisten voor de kleine steden, ook nog uit een ander
oogpunt, dan bloedvergieten, nadeelig werkten; namelijk voor den
handel, te meer voor een stedeke als Oudewater, dat met zijne kleine
schepen bijna nergens vermogt te varen, ingesloten als het naar de
bovenzijde was, door Montfoort en Woerden en beducht als men dus moest
zijn, voor de strooperijen van den vijandelijken nabuur. Gelukkig
dus, dat men nu met geweld, die twee Hoeksche steden onschadelijk
ging maken.

In 1490 dan, werd Montfoort belegerd, en na grooten tegenstand, die
den Hollanders geboden werd, ging het bij verdrag over. Het spreekt
van zelve, dat de Hollanders bij die gelegenheid, voor hen voordeelige
voorwaarden bedongen en Holland en Oudewater behoefden ingevolge dat
verdrag, niet meer voor Jan van Montfoort beducht te zijn, wijl hij
ook Woerden had moeten afstaan. Nadat de Hoekschen nu nog een paar
jaren hun wankelend bestaan hadden voortgesleept, mag men omtrent
1492, het einde van den Hoekschen en Kabellaauwschen strijd aannemen,
die nu bijna 150 jaren geduurd had.

Inmiddels had Maximiliaan in het jaar 1494, afstand gedaan van de
regering dezer landen, en nog in dit jaar werd zijn zoon Philips den
II, als Grave van Holland en Zeeland ingehuldigd.

Het eerste, dat wij van den jongen Graaf vinden gewag gemaakt in
de bescheiden van Oudewater, is in het jaar 1497, als wanneer hij
aan den Heer Jan van Vliet, octroy verleende, om zijne gevangenen
te mogen doen opsluiten binnen Schoonhoven, Langerack, Liesveld en
Oudewater en het tweede is een octrooi van den jare 1501, voor de
voetboogschutters van het St. Joris Gild te Oudewater.

Wij hebben dit voor Oudewater belangwekkende octrooi, ter behoorlijke
plaatse, schrijvende over den St. Joris Doelen reeds kenbaar gemaakt,
en het is dus onnoodig het nu te herhalen. Op ééne uitdrukking er van,
moeten wij echter nog eens de aandacht vestigen, omdat die ons leiden
zal, den stand van zaken in ons land eenigzins na te gaan, waarin ook
Oudewater weder werd betrokken. De Hertog namelijk, verleende aan de
Schutters eenige voorregten en spreekt tegelijker tijd van Oudewater,
dat het legt "op die frontieren van onsen landen van Holland strekkende
aan den gestichte van Utrecht ende lande van Gelre" enz.

Wij gaan nu over te vermelden, waarom hij de uitdrukking Gelre
gebruikte.

Van ouds her, waren de Hollanders met de Gelderschen van tijd tot
tijd in oorlogen gewikkeld geweest. Gedurende geruimen tijd echter,
hadden beide partijen zich rustig gehouden, maar nu begonnen zij op
het einde der 15de eeuw de vijandelijkheden op nieuw. Aan het hoofd
der Geldersche partij was Karel van Egmond gesteld, tegen indruischen
der regten van Adolf van Nassau, die over dat gewest, stadhouder voor
den Roomsch koning was. Men begrijpt ligtelijk,  dat de Hollanders
en Gelderschen op wederzijds grondgebied, veelvuldige strooptogten
ondernamen. In het jaar 1497 nu, kwam het wel tot een bestand,
doch in 1498, begon de krijg weêr op nieuw en na eenige veroveringen
van en door Maximiliaan, werd er ten jare 1499 weder een bestand tot
wederopzeggings gesloten; het zal nu duidelijk zijn, waarom Philips in
genoemd octrooi, zoo zinspeelt op dat hertogdom en waarom hij gedachtig
is, dat Oudewater zoo veel van diverse oorlogen te lijden gehad had,
niet alleen van Utrecht als oock van de voorsz. lande van Gelre.

Terwijl wij ter loops aanstippen, dat in het jaar 1500, Philips een
zoon te Gent geboren werd, die wij later onder den naam van Karel
den II [484] zullen aantreffen, keeren wij weder tot den Gelderschen
oorlog terug, die in 1500 heviger dan te voren werd voortgezet.

Na vele overwinningen, die de Hollanders in 1505 op hunne tegenpartij
behaald hadden, liet Philips, die nu gemakkelijk Karel van Egmond ten
onder had kunnen brengen, zich door hem verleiden tot een bestand van
twee jaren. Die twee jaren overleefde Philips echter niet; hij overleed
in het jaar 1506 te Burgos in Spanje, en Karel volgde hem in dit jaar
op, natuurlijk onder voogdijschap, wijl hij nog geene 7 jaren oud was.

De regering der landen, werd aan zijn Grootvader Maximiliaan
opgedragen, die de waardigheid in 1507 weder overdroeg aan zijne
dochter Margaretha, die als landvoogdesse erkend werd. Maar nog in
1506, had van Egmond het voor den tijd van twee jaren gemaakte verdrag
met Philips verbroken, nam spoedig eenige steden in en ontving zelfs
fransche hulpbenden.

Geen wonder dus, dat men in 1507 voor een inval in Holland beducht
was, en het geschiedde ook aldus. Karel had zijne legermagt in
drieën verdeeld en van dat gedeelte, dat bij Nijmegen lag, hadden de
Hollanders het meeste te vreezen.

Nadat hij nu in Brabant vele veroveringen gemaakt had, viel hij in
Holland. Men poogde Oudewater te verrassen, doch de bezetting en de
poorters hielden zich dapper en Oudewater werd niet genomen, »het
mislukte" schrijft Wagenaar »door de wakkerheid der poorteren." [485]

Niet overal echter werden zij zoo dapper onthaald, immers Bodegraven
werd omtrent dien tijd door den vijand plat gebrand, terwijl het slot
te Muiderberg en de stad Weesp werden bemagtigd. Hevig was de strijd,
die nu in vele oorden van ons land voorviel. In het jaar 1508 werd
er een bestand voor 6 weken gesloten, doch na eenigen tijd stond
men weder vijandig tegen elkander. Anno 1413 sloot men een vierjarig
bestand. Karel van Gelre was echter van een te woeligen aard om zich
stil te houden, en aldra was hij weder in een oorlog gewikkeld in
Groningerland.

Inmiddels had Maximiliaan besloten, zich van de voogdijschap over
zijn kleinzoon te ontdoen, en in het jaar 1515 aanvaardde de 15jarige
Karel II zelve de teugels van het bewind over deze landen, wordende
hij dan ook als grave gehuldigd.

Het eerste feit, dat Wagenaar van den jongen graaf ter neder stelt
is het volgende:

De schouw en de zorg der dijken in Holland was, van de tijden van
Willem de II toevertrouwd geweest aan dijkgraven en heemraden, die
uit de voornaamste Ingelanden gekozen werden. De jonge regent nu,
had zich voorgenomen verandering in de oude gewoonte te brengen, zoo
het heette, om den slechten toestand waarin zich over het algemeen de
waterkeeringen bevonden; maar anderen zien er een bewijs in van het
te veel bewustzijn zijns oppergezags. Hoe het zij, de jonge graaf
nu nam die gelegenheid waar, om den ingelanden het opzigt over de
dijken, ten minsten voor een tijd geheel te ontnemen, aanstellende
tot opperopzigter eene van Poirtiers van wien men niet wist, dat hij
een voet lands in deze gewesten bezat.

Men begrijpt ligtelijk, dat dit als eene inbreuk op de aloude vrijheden
werd beschouwd, en groote ontevredenheid verwekte.

Onder de archieven nu, die Oudewater bezit, vinden wij eene
geauthentiseerde copij van den 19 Maart 1509, behelzende een octrooi,
tot het voeren van een schouw op den Hoogen Dijk van Bodegraven af
tot den Linschoterdijk toe, door 5 heemraden, als een uit Delft, een
uit Leijden, twee uit Gouda en een uit Oudewater, met den castelein
en dijkgrave van Woerden, ook ten onzent had men dus redenen van
ontevredenheid.

Nadat de Gelderschen in 1507, het hoofd voor Oudewater hadden
gestooten, vinden wij, uitgenomen het bovengemelde, het stedeke in
eenige jaren niet in de geschiedenis genoemd, alleen treffen wij in
het jaar 1510 iets van plaatselijke aangelegenheid aan, namelijk
eene Sententie Interlocutoir van den grooten raad des keizers te
Mechelen tusschen den heer van Montfoort, appellant ter eenre, en
den procureur generaal, geinthimeerden ter andere zijde, roerende
de huizen en andere werken en defensien, gemaakt voor de Veer of
IJsselpoort der stede Oudewater. Wij houden ons bij dat stuk niet op,
maar gaan zien, wat er onder het bestuur des jeugdigen Karels voorvalt.

In het jaar 1516, begon men de vijandelijkheden tusschen de Gelderschen
wederom op Hollandsch grondgebied. Men had hier kennis van hunne
toebereidselen gekregen en alomme in oogstmaand bevel gezonden, om
geene »stilzaat" met hen te maken, maar zich gereed te houden om hen
te wederstaan niet slechts, maar al alle mogelijke afbreuk te doen
[486] en nogtans gelukte het hun, nog vóór het einde der gemelde
maand Nieuwpoort bij Schoonhoven te overrompelen. [487] Nu was men
insgelijks voor Oudewater en Woerden bezorgd, en het Hof gaf dra,
in het begin van September, bevel, om alle boomgaarden, ruigten en
hoogten waarin en waarachter de vijand rondom die steden zoude kunnen
schuilen, te slechten en uit te roeijen. [488]

Dit stuk is zoo belangwekkend, dat wij ons gedrongen gevoelen, het
ter neder te schrijven.


    Die Grave van Nassau, van Vianden &c. Heer tot Breda &c. Stadhouder
    Gnail., die President ende Raide des Coninx van Castille, van
    Leon, van Grenade, van Arregon &c. Eertshertoege van Oistenryck,
    Hertoege van Bourgoingnen, gecommitteerd ten saicken zynre Landen
    van Holland, Zeeland en Vriesland, den Eersten gezwoeren Boede
    Exploictier van der Camere van den Raide in Holland hier op
    versogt, Saluyt. Alsoe Heer Karel van Geldre en andere Vianden
    deser Landen hem dagelycx poeghen en uyterste nairsticheyt doen
    ome heymelicken ende by subtile wegen in te neemen die besloeten
    Plaatsen des Lands, wair inne mit aldar narsticheyt ende list
    voirsien behoert te wesen en te remedien over 't gunt dat tot
    cruchenisse d'selve plaatsen strekken soude moegen, ende want wy
    verstaan hebben dat omtrent en vast aan die Stede van Oudewater
    veel ruychten, doorn hoechten van graften staen dair onder die
    vianden hem selven souden moegen bergen en soe na derselver
    Stede komen dat men hem luyden niet ende soude sien ofte scieten
    noch oick die geene die vuyter zelver Stede soude willen gaen
    moegen wachten, wair deur gescapen wair groet inconvenienten te
    gebueren tenderende tot verlies van d' selver Stede, wair inne wij
    behoeren te voirsien, soe is 't dat wy u ontbieden ende bevelen,
    dair toe committeeren mits des, is 't noot dat ghy van stonden
    aan trect binnen der voirsz. Stede van Oudewater, ende aldaar
    bij Clockgeluyden openbairlicken voor al den volcke van wegen
    der voirsz. C. M. gebiedt en beveelt dat een ygelick hebbende
    Boomgairden ofte andere Landen binnen acht honderd treeden van
    de voirsz. Steede bepoet mit Doorn, bewassen mit Ruychten ofte
    andere hooge graften dair onder die vyanden souden moegen schullen,
    dieselve Doorn reychten of hoege graften binnen drie dagen na der
    Publicatie van deesen vuytroyen ende amoveren, op Peyne Vyftigh
    Phls: Guldens dieselve 't appliceren halff tot Pro: van der
    C. M. voirsz., ende halff tot Prouffyte van den officier vander
    Plecke; gebiedt ende bevelt voert van wegen als boven den Officier
    van d' voirsz. Steede op tie verbeurtenisse van zyn officie en
    Recessen dair op staande dat ingevalle yemand in gebreken sy de
    voirsz. doorn ruychte ofte hoege graften te breecken ofte royen
    binnen den voirsz. tyde dat hy 't selve doe doen tot costen van
    den genen die in gebreeke sal wesen en 't selve offgebroecken
    appliceeren en employeeren tot synen Prouffyte, van 't welk
    te doen wy u geven volcomen magt, auctoriteyt en speciaalbevel
    ons certifficerende wes ghy hier inne gedaan sult hebben en u
    wedervaren sal wesen.

    Gegeven in den Hage onder 't Segnet dat wy noch ter tyd gebruycken
    hier beneden opgedrukt op den Derden Dach in Septembri in 't Jaar
    ons Heeren Duysend vyff honderd en Zesthiene, ondergeschreven
    By mynen Heer de Stadhouder Gnail. die President ende Raide van
    Hollant, Zeelant ende Vriesland. Ondergeteykent C. DAM.


Uit dit stuk leeren wij tevens, hoe wild en woest het in het begin
der 16. eeuw nog in den omtrek van Oudewater was en het is tevens
opmerkelijk, hoe men, zich bevindende op zekere hoogte van den »breeden
dijk," nog beide torens over die uitgestrektheid bijna ten voete uit,
kan zien.

Het is ons niet bekend, dat men echter een van die steden in 1515
overvallen heeft, gedachtig welligt aan de voornoemde waakzaamheid,
of aan de vriendelijke ontvangst in het jaar 1507, die nog versch in
het geheugen lag.

Inmiddels duurde de krijg voort tot in de Lente van 1517, als wanneer
er voor een paar maanden weder een bestand werd gesloten, doch van
beide partijen slecht gehouden werd.

Die gedurige onrust, had een aantal poorters doen besluiten naar
elders, hoogst waarschijnlijk naar vreedzamer oord de wijk te nemen,
en eene menigte ingezetenen, die dit nog niet gedaan hadden, waren
ingelijks van voornemen Oudewater vaarwel te zeggen. De verdediging der
stad zou dus slecht geweest zijn, had de vijand nu Oudewater pogen te
nemen. Dit de wijk naar elders nemen, was in het jaar 1517 van dien
aard geworden, dat de stadhouder, grave van Nassau in genoemd jaar
van wege »zijn C. M." aan alle uitgewekenen, beval, om op verbeurte
van lijve en goed binnen Oudewater weder te keeren, en het spreekt
van zelve, dat aan hen, die de gemeente nog niet waren uitgetogen,
dit insgelijks onder toepassing van genoemde straf, strengelijk
verboden werd. [489]

Nadat er nu nog eenigen tijd bloedige gevechten hadden plaats gegrepen,
werd er nog in dit jaar een bestand van 6 maanden met Gelre gesloten.

Wij mogen niet verzuimen te vermelden dat de grave van Holland in
1518 tot koning van Spanje en in het jaar 1519, door overlijden van
Maximiliaan, ook tot de keizerlijke waardigheid verheven werd. Sedert
nu onder den naam van Karel V bekend zijnde, willen wij hem dan ook
aldus, bij voorkeur zoo noemen.

Inmiddels was Karel den V, ten jare 1521 in een oorlog gewikkeld,
met den franschen Vorst François den I.

De hevigheid van den krijg drukte Holland zeer, trouwens alle
leenmannen werden ter heervaart ontboden, niet om het graafschap, maar
den keizer te dienen, [490] en ook de steden moesten ieder een zeker
getal weerbare mannen aanbrengen.--Voeg hier bij, dat de gelderschen
in die tijden, en eveneens in het jaar 1523 niet stil zaten, maar in
Holland vele strooperijen aanrigtten, en men maakt zich een denkbeeld
van den benarden toestand van deze gewesten.

Het fransche leger echter, werd ten jare 1525 geheel vernield,
en François zelve gevangen genomen, dit was dan ook de rede, dat
men een bestand sloot, waarin onder anderen de haringvisscherij,
die geruimen tijd gedrukt geweest was, wederom vrij werd, iets,
dat te meer algemeen vreugde verwekte. [491]

Een en ander had echter 's lands middelen zóó uitgeput, dat men in
1525, f 80000 van de schamele gemeenten vorderde, doch het werd door
de staten, waarbij ook de gemagtigden van Oudewater waren, om een
aantal redenen geweigerd.--De staten tegen den 17 Junij wederom te
Geertruidenberg beschreven zijnde, ging de stadhouder nu de gemagtigden
van stad voor stad na, tot het inwilligen, dat veel van dwingen had,
om genoemde som bij een te brengen.--De afgevaardigden eenigsins aan
het wankelen gebragt, beloofden nog eens verslag te zullen doen en voor
het einde der maand, zoo mogelijk met gunstiger rapport te Breda te
verschijnen. Men vergaderde ten bepaalden tijde en de staten stemden,
dat zij den keizer believen zoude, zoo het de meeste steden het ook
aldus begrepen. 18 steden stemden er vóór, maar Delft, Oudewater
en Alkmaar benevens nog 3 andere steden stemden tegen, genoodzaakt
als zij waren, door hunne slechte financiele gesteldheid. Eenigen
tijd er na, besloten echter de staten, Delft alleen uitgezonderd,
een geschenk bij een te brengen ter uit deelinge voor den stadhouder.

Inmiddels was de keizer in het jaar 1526 gehuwd en in het jaar 1527
werd hun uit dit huwelijk een zoon geboren, die wij in het vervolg
onder den naam van Philips den II. zullen leeren kennen.

De stad Utrecht intusschen, was ten jare 1527 zeer met den Bisschop
in onmin geraakt en op verzoek der Burgerij zelve, had de Hertog van
Gelre eenig krijgsvolk in Utrecht gelegd en men begrijpt, dat deze
zich gretig van de aangeboden gelegenheid bediende, om zijn gezag
meer in het Sticht uit te breiden.--De Bisschop geen kans ziende,
de stad magtig te worden, sloeg zich neder op de Vaart, alwaar hij
in allerijl een blokhuis deed opwerpen en spoedig had het platte land
van beide partijen zeer te lijden. [492]

De Hollanders het innemen van Utrecht vernomen hebbende, baarde hun
dit veel ontsteltenis.--Terstond werden maatregelen genomen tegen
eenen zoo lastigen nabuur.--Onder anderen werd er bevel gezonden naar
Amsterdam en Gouda, om krijgsvolk te zenden naar Weesp, Oudewater en
andere grenssteden van Holland.

De steden nu, toonde zich genegen dit te doen, doch sommige
grenssteden wilden geene meerdere bezetting innemen, Amsterdam had
versterking gezonden naar het slot te Muiden, doch zij werden niet
binnen gelaten. Gouda had aan die van Oudewater insgelijks eenige
knechten aangeboden, maar zij werden tot nader beraad afgewezen. [493]

Wat was de reden van die weigering van Oudewater? Bestond er eene
vete? of oordeelde men zich zoo sterk, dat men geene hulptroepen noodig
had, of eindelijk, gunde men eene vreemde stad de eer niet te strijden
met die van Oudewater, nu het er misschien voor hen op aan zou gaan den
dierbaren geboorte grond te verdedigen en zich nieuwe lauweren om het
hoofd te vlechten? De geschiedenis heeft geen antwoord op die vragen.

De vrees voor den Hertog van Gelre bleek echter voor als nog ongegrond
te zijn, immers na eenigen tijd, kwamen er brieven aan den Raad van
State, waarin de hertog nevens de stad Utrecht, verklaarden in goeden
vrede en nabuurschap met Holland te willen leven.

De Bisschop, nog steeds uit de stad Utrecht gebannen zijnde, verzocht
in dit jaar om onderstand aan Holland, en men kwam om die rede te
Schoonhoven bij een. De Bisschop zelve verscheen er insgelijks en
vertoonde den gedeputeerden der landvoogdesse, hoeveel er den keizer
aangelegen was, dat de Gelderschen uit het Sticht werden verdreven. De
bisschop besloot zelfs later, het wereldlijk gebied van het Sticht
den keizer te willen afstaan, tegen eene jaarlijksche toelage, en
zelfs werden er 1528 fondsen bijeen gebragt tot versterking van den
alouden Hollandschen bodem.

De Hertog van Gelre in tijds kennis gekregen hebbende, van hetgeen
er ten zijnen nadeele gedaan en besloten was, vond het geraden,
de Hollanders te overvallen eer zij het hem deden, en in Maart 1528
toog hij met omtrent 2000 ruiters en knechten, voorbij Montfoort en
Woerden naar den Hage, waar hij eene vreesselijke plundering aanrigtte.

Voeg nu daar tegen de magt der Hollanders die tevens versterkt werd
door middelen en wapenen van Belg en Spanjaard en het verwondere
niemand, dat de krijg wederom heet werd.

Een aantal verliezen leden nu de Gelderschen, doch onder het
voornaamste, was het verlies van Utrecht, dat hen bij verrassing
in 1528 ontnomen werd. Alras was de Bisschop nu weder in zijn zetel
hersteld en tevens werd Karel den V, nog in dit jaar heer van Utrecht
zoodat er eindelijk in dit jaar nog een vrede met van Gelre gesloten
werd. Dit verdrag werd echter zoo slecht onderhouden, dat men binnen
weinige jaren tot een tweede verdrag besluiten moest.

Wij vinden dan ook aangeteekend, dat er in 1528 eene staten vergadering
in Utrecht gehouden werd, dat als gevolg, van het vergroot regtsgebied
van den keizer is aan te merken. De gemagtigden uit Oudewater waren
er tegenwoordig. [494]

Het eerste, dat wij nu weder van Karel omtrent Oudewater vinden
gewag gemaakt, is een octrooi in 1530 voor den heere van Montfoort,
dat hij de boosdoeners, die gevangen zullen worden, in den dorpe van
Linschoten, Snellerwaard en Heekendorp zal mogen gevangen brengen,
in Z. K. M. gevangenisse binnen Oudewater tot zijner majesteits of
zijner erven weder opzeggen.

Wij zien dus, dat nu het Sticht onder het gebied van den keizer stond,
Montfoort ook van de gelegenheid tot profijt, wist partij te trekken.

Dezelfde vorst verleende ten jare 1533 toestemming, dat het slot
bij de Linschoter poort, tot eene poort gemaakt mogt worden en in
het jaar 1534 schonk hij nog een octrooi nopens de waterhoogte in de
Wierinken. [495]

Nu Utrecht dan ook met Holland onder een gebied staat, zal het niemand
verwonderen dat de Stichtschen en voornamelijk de Montfoortenaars niet
zoo menigvuldige openlijke gevechten met Oudewater hadden; Oudewater
had vooreerst het groote periode doorleefd, grensvesting te zijn,
tegen het trotsche Sticht van Utrecht.

Al hoewel wij nu in de eerste jaren den naam van de stad onzer
beschrijving niet, of weinig, in algemeene noch bijzondere geschiedenis
vinden, zoo willen wij toch vlugtig den loop van zaken schetsen. Ten
gevolge van het overlijden in 1530 van de landvoogdesse Margareta,
kwam de keizer naar de Nederlanden en werd door de staten in
groot getal te Brussel begroet, en ook nu werd Oudewater wederom
vertegenwoordigd. Eenigen tijd er na werd vrouwe Maria, koningin van
Hongarije, tot landvoogdesse over de Nederlanden benoemd, waarna hij
weder naar Duitschland vertrok.

In het jaar 1538 overleed de Hertog van Gelre die Oudewater, zoo als
wij weten, zoo dikwijls met zijne troepen bestookt had en ook van
die zijde kreeg men dus eenige verademing. Bijna 50 jaren achtereen,
had de woelige van Egmond Holland beoorloogd.

Nog in dit jaar was men ook namens Oudewater op een aantal dagvaarten
tegenwoordig, die meesten tijds ten doel hadden om te spreken of
men de buitengewone beden al of niet wilde toestaan. Onder de staten
zelve, waren daar omtrent twee partijen, namelijk de groote steden,
en de edelen met de kleine steden, waaronder Oudewater. Wij mogen het
echter van onze ruimte niet afnemen, dit in het breede mede te deelen,
doch verwijzen den belangstellende naar Wagenaar V D. pag. 148 tot
en met 151.

Nadat Antonie van Lailang in 1540 sedert 18 jaren Stadhouder over
Holland en Zeeland geweest was, overleed hij in dit jaar, wordende
nog in dit jaar met de Stadhouderlijke waardigheid bekleed, René van
Chalons prins van Oranje.

Het was in het jaar 1541, dat de keizer in een oorlog gewikkeld werd,
met de Fransche en Deensche vorsten en ook de Gelderschen begonnen
omtrent dezen tijd, de vijandelijkheden onder Maarten van Rossum
weder te hervatten, en door die gezamenlijke vijanden hadden aldra
deze gewesten weder verbazend te lijden.

Neemt men nog bij het bovenstaande in aanmerking, dat men den
ingezetenen door gedurige en onophoudelijke opbrengsten bijna had
uitgeput, en dat men zeide de in 1542 gevraagde bede van 60000 gulden
weder te zullen opbrengen, en zelfs van de twee runderen er een te
willen afstaan, indien de landvoogdesse Holland er mede bevrijden kon
van branden en brandschattingen, beducht als men nog tevens was in
Holland voor den inval der Gelderschen dan was de toestand in dezen
tijd alles behalve geruststellend en wij kunnen ons dan ook zeer goed
begrijpen, waarom men in het jaar 1542 te Oudewater voor het eerst
van eene lijst vinden gewag gemaakt, van de weerbare manschappen,
zooals dezelve onder hunne hoofdlieden verdeeld waren, om zich op de
muren der stad te vervoegen.

Dit stuk, berustende op het gemeente archief, is van zoo groot belang,
èn omdat het ons het getal verdedigers van de veste doet kennen, èn
omdat het ons eene vrij juiste omschrijving geeft van de vestingwerken
van Oudewater in dien tijd, dat wij ons gedrongen gevoelen er den
inhoud nader van te doen kennen.

Wij zullen dan tevens gelegenheid hebben om op te merken, dat de stad
eertijds niet grooter was, zooals de volks meening is.


A.

Hoeff Willesz [496] hoema vande Linschoete' poort tot dat toeringen
toe aft' adriae goessensz en is lanck XXV roeden en heeft onder hem:

(volgen de namen van 21 manschappen.)

B.

Herme Huygesz hoema van dat toerentge aft' adriae goessesz. tot dat
torentge aft' tgastuys en is lanck XXXIII roeden en heeft onder hem:

(29 manschappen.)

C.

Dirck Woutersz hoema van dat toerenge aft' tgastuys totte nyeuwe
toern toe en is lanck XXXVIII roeden en heeft onder hem:

(29 manschappen.) [497]

D.

Wout' Willesz. hoema van den nyeuwe toern tot dat torentge toe after
meeus huygesz. en is lanck XXXV roeden en heeft onder hem:

(32 manschappen.)

E.

Jan Geritsz. Vinck hoema van dat toerntge aft' meeus huygesz. tot
dat oultaer toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem:

(25 manschappen.)

F.

Gerit Taets Geritsz. hoema van dat outaer tot die weerden poort toe
en is lanck XXIII roeden en heeft onder hem:

(22 manschappen.)

G.

Adriae Henrick Simosz. hoema van den weerden poort totte doode luyden
toern toe en is lanck XXVII roeden en heeft onder hem:

(24 manschappen.)

H.

Jan Jansz. Cock hoema tussche den doode luyden toern tot koentges
toern en is lanck XL roeden ende heeft onder hem:

(35 manschappen.)

J.

Jan Jacobsz. Speyert hoema van koentges toern tot die yselpoort toe
en is lanck XL roeden en heeft onder hem:

(33 manschappen.)

K.

Cornelis Ottesz hoema vande Yselpoort tot dat twyncket toe en heeft
onder hem:

(18 manschappen.)

L.

Piet' Cornelisz hoema vanet twynket tot die brouckerpoort toe en is
lanck XXXIII roeden en heeft onder hem:

(25 manschappen.)

M.

Gerit Sybertsz, hoema vande broucker poort tot die mole toe en is
lanck XXVII roeden en heeft onder hem:

(20 manschappen).


N.

Gerit Geerlofsz. hoema van de mole totte biessetoern toe en is lanck
L roeden en heeft onder hem:

(33 manschappen.)

O.

Piet' Jansz, hoema vande biese toern tot scutters toern toe en is
lanck XXXII roeden en heeft onder hem:

(16 manschappen).

P.

Cornelis Symosz hoema vande scuttoern tot die linscoet' poort toe en
is lanck XXII roeden en heeft onder hem:

(11 manschappen.)


Uit deze ordening blijkt, zegt Dr. Römer in de Utrechtsche volksalmanak
1859, dat in het jaar, waarin zij vervaardigd werd, de verdediging
van Oudewater bestond in eenen doorloopenden muur, gebroken door
een viertal poorten en verscheiden torens van meerdere of mindere
grootte. De rigting van dien muur was niet dezelfde als die van den
lateren wal. Ik vermoed, dat aan de oostzijde de muur eenige schreden
meer binnenwaarts stond, dan waar in later jaren de wal werd opgeworpen
en ten aanzien van de westzijde verkeer ik in dit opzigt niet in het
onzekere. Wat het eerstgenoemde betreft, gelde de opmerking, dat het
erf van den Doelen thans op verre na niet reikt tot aan den oostelijken
stadswal, terwijl ik toch in eene onzer kronijken het volgende vind
aangeteekend: »In den selven jaer doemen screeff MCCCC ende een, wert
Jan Heer 't Arckel, tot Pierlepont, ende des lants van Mechelen vyant
des Hoochgeboren Deurluchtigen Vorste Hertoghe Aelbrechts van Beijeren,
Grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant enz., dair hij syn
ontseg brieven op sende op die Nyeborch by Alcmaer ende maecte een
reijse op Oudewater ende waenden dat gewonnen te hebben mit vrienden,
die hy dair binnen hadde, dat hem ontstont, overmits dattie gene,
die hem dair toe geholpen souden hebben, dat op die tijt niet toe
brengen en conden, want men gewair wert, dat die doire, die in den
Dulen gaet, men des nachts open vant, die men alle nacht plach te
sluten ende die doir staet in der stadt muir." [498] Mogt evenwel dit
vermoeden onjuist zijn, zeker is het, dat aan de westzijde der stad in
dien tijd niet tot de stad behoorde dat gedeelte, hetwelk nu tusschen
de linkerzijde van den Yssel en den westelijken wal gevonden wordt,
maar dat integendeel de westelijke muur den regteroever der gezegde
rivier volgde, zoodat hij, uitgaande van de Ysselpoort, toen staande
bij den Gevangentoren aan de Romeinsbrug [499], in regte lijn met
geringe buiging naar de Nieuwepoort voortliep en aan de overzijde van
de haven van de Romeinsbrug af evenzoo met eenige kromming langs den
kerktoren tot aan de Goudsche- of Broekerpoort. [500]

Dan, keeren wij weder tot den algemeenen stand van zaken terug.

Het eerste feit, naar onze wijze van zien, der aandacht in dit werk
waardig, is, dat Karel den V. in 1543 Gelre en Zutphen aan zijn gebied
wist te onderwerpen, en Maarten van Rossum in zijne dienst overging,
waardoor men in Holland nu voor goed van die oorlogszuchtige zijde
verlost werd.

In het jaar 1544 overleed in een gevecht bij St. Disier, de stadhouder
van Holland, de Prins van Oranje, die bij uitersten wille het prinsdom
Oranje en zijne andere heerlijkheden gemaakt had, aan zijn neef Willem
van Nassau, die in 1533 te Dillenburg geboren, nu even 11 jaren oud
was, welke wij spoedig (in 1549) als stadhouder van Holland zullen
leeren kennen.

Uitgeput als men dus raakte, door een aantal oorlogen, moet men zich
niet verwonderen, dat des lands finantiewezen in een zeer slechten
staat verkeerde, zelfs had men op de twee tienden, die traaglijk
inkwamen een som van twintig ten honderd moeten opnemen. De staten
wendden in 1544 derhalve al hunne pogingen aan, om zich van de
lasten zoo veel mogelijk te ontdoen en zij deden de kleine steden,
die de impost niet getrouwelijk opbragten, met name Oudewater en
Woerden scherpelijk aanmanen, dat zij zich beter zouden hebben te
kwijten. [501]

Ten jare 1548 werd er een verbintenis gemaakt, waarbij de polder
Snelrewaard en Zuid-Linschoten bij Rijnland wordt ingenomen. Onder
anderen werden daarin vastgesteld, dat het polderbestuur zal bestaan
uit 4 Heemraden, waarvan 2 uit den polder, 1 uit Montfoort en 1
uit Oudewater.

Wij zien hieruit, dat ook het waterschapswezen, al meer en meer op
een beteren voet gebragt werd.

Wij gaan eenige jaren met stilzwijgen voorbij en beginnen nu met het
jaar 1555 te vervolgen.

Tot dus verre, waren in de steden zelve inzamelaars aangesteld geweest,
van des lands imposten en bij het doen hunner verantwoording had men
bevonden, dat de impost op de wijnen en bieren over 1554 nog geen
20000 ponden ad 40 grooten had opgebragt, dat den edelen en eenige
steden te weinig toescheen. Men oordeelde, dat die accijnsen bij
wijze van verpachting meer zouden opbrengen, en men besloot dan ook
tot genoemden maatregel over te gaan. Men ontwierp eene ordonantie
en een berigtschrift voor hen die de verpachting doen zouden.

De heer J. van der Duin werd nevens twee gemagtigden, benoemd voor
12 steden, de Heer J. van Duivenvoerde nevens gemagtigden voor 11 en
Heer Willem van Lokhorst nevens gemagtigd uit Delft en Leijden in 8
steden, waar onder ook Oudewater. De uitslag hier van was, dat er in
dit eerste jaar aldus ruim eens zoo veel van den Impost kwam. [502]

In dit jaar gebeurde er echter nog iets, dat eene groote verandering
in des Lands toestand te weeg bragt. Karel den V deed in het jaar
1555, afstand van het gebied over de Nederlanden, en droeg het bewind
over aan zijn zoon Philips, sedert onder den naam van Philips den II
aangeduid. [503]

In de 40 jaren die Karel over ons Land geregeerd had, verleende hij
Oudewater het voorregt [504] zegt men, tot het wegen van menschen,
verdacht van tooverij, waardoor menig mensch van den brandstapel
gered werd.

Bij den aanvang der regering van Philips, willen wij onzen lezers
bekend maken met eene groote gebeurtenis reeds onder het beheer van
zijnen vader begonnen, met de geloofshervorming.--Wij vonden echter tot
dusver niet aangeteekend, dat zij tot in Oudewater was doorgedrongen
en behoefden er dus nog niet van te gewagen, spoedig echter, moeten
wij omtrent de stad onzer beschrijving er over handelen en het is
dus noodig, dat men vooraf eenigzints op de hoogte zij.

De geloofshervorming dan, was zooals wij meldden, onder Karel den
V uitgebroken, en de Keizer had zeer tegen dezelve geijverd.--Hij
had gezien, dat zij in Duitschland een aantal Vorsten en Staten
vereenigd had, om zijn ijver tegen de nieuwe leer te beperken en hij
was beducht, dat hare opgang ten onzent insgelijks niet ver af was,
er werden scherpe placcaten tegen de belijders van het protestantismus
gerigt en de Inquisitie werd ingevoerd.--Ook zijn zoon Philips, was
een groote ijveraar tegen de hervorming, en geen wonder dus, dat hij
de voetstappen zijns vaders drukte. Hij bezigde dezelfde middelen
als zijn vader gedaan had, doch Karel wist die voorzigtiger en met
meer gematigheid te gebruiken. Hij toch, Nederlander van geboorte,
kende de Nederlanders beter, dan zijn zoon Philips, die in Spanje
het eerste levenslicht aanschouwd had, de eerste wist, dat zij het
beste zachtelijk en allengskens tot onderdanigheid wilden gebragt
worden. Spoedig stonden er verscheidene Landschappen tegen hem op,
die hij eindelijk verloor. [505]

In het jaar 1559 was Philips nu vier achtereenvolgende jaren in
de Nederlanden geweest. In Spanje werd nu zijne tegenwoordigheid
vereischt, en hij maakte zich tot de terugreis gereed. Hij stelde
echter vooraf Margareta van Parma aan tot Landvoogdes. De Raad van
State werd insgelijks weder hersteld, wordende tot gewone Raden
benoemd, de Bisschop van Atrecht, den Prins van Oranje, de grave van
Egmond, Philips van Stavoren Heer van Glion, Karel, Baron Barlaimont
voorzitter van den raad der finantiele zaken en Viglius van Zerichem
van Aytta voorzitter van den geheimen raad. [506]

Ook de Vliesridders enz., kregen gelijk van ouds wederom toegang
tot den Raad van State, mits vooraf door de Landvoogdes beschreven
wordende, en tevens werden er over de bijzondere Landschappen
stadhouders benoemd, wordende Willem van Nassau Prins van Oranje als
zoodanig aangesteld over Holland, Zeeland en Utrecht.

De zaken aldus in orde gebragt hebbende, vertrok Philips naar Spanje.

Oranje, Egmond en Hoorn konden het echter maar in het geheel niet
eens worden met Granvelle, en dit liep zooverre, dat er zich aldra in
den Raad van State twee partijen opdeden. Zelfs verschenen de drie
eersten niet meer ter vergadering in den raad, indien de laatste er
nog tegenwoordig was. Een en ander nu, waren redenen, waarom hij in
1564, weder op last van Philips uit de Nederlanden opontboden werd.

De hervorming intusschen kreeg al meer en meer voet en breidde zich
ook in onze gewesten al meer en meer uit.

Een paar jaar daarna, verbonden zich een aantal aanzienlijken, die een
verzoekschrift tot opheffing der Inquisitie der Landvoogdes aanboden,
en door die gelegenheid kwam de naam van Geuzen in aanzijn.

Tot dus verre, had men de nieuwe leere slechts in het geheim gepredikt
en in bijzondere huizen, doch nu begon men dit ook openlijk te
doen. Ook te Oudewater vinden wij in dit jaar het eerst van hervorming
gewag gemaakt. Immers in het jaar 1566 komt de voormalige priester
Theodorus Amilius op de lijst der protestantsche leeraars van Oudewater
het eerst voor. Ook begon in dit jaar de bekende beeldstormerij,
die de grootste verwoestingen aanrigtte. Men heeft echter reden
om te veronderstellen, dat de beeldstormerij in Oudewater niet
heeft plaats gehad, zooals wij reeds vroeger pag. 203 hebben kunnen
opmerken, alhoewel dit in naburige steden het geval schijnt geweest
te zijn. [507]

De blijde hoop, dus teekent Symon Stijl aan [508] die een aantal
menschen op de vertooning van zulk eene stoutheid stelde, was een
vermakelijke, maar tevens ongelukkige droom. Zij ondervonden straks,
dat hun eigen gestel door die stuipen magteloos geworden was, en
dat het gebroken verbond met hunne Roomsche medeburgers, naauwer
en noodzakelijker geweest was, dan zij gemeend hadden, trouwens
het was wel te denken, dat Philips het betreurenswaardige feit der
beeldstormerij zoude straffen.--Ook het verbond der edelen ging te
niet, door afscheiden der Roomsche en het wankelen der overige partij,
waarmede het volk terstond zijn ruggesteun verloor.--Zelfs hoorde men
reeds, dat de Hertog van Alva met eene aanzienlijke krijgsmagt uit
Spanje verwacht werd, en toen nu de Prins van Oranje naar Duitschland
vertrok, toen weergalmde de lucht van wee en ach, een ieder begon de
straf te vreezen van misdaden, die hij of uitgevoerd of aangemoedigd
of ten minste niet naar zijn vermogen verhinderd had, en het gevolg
was, dat duizenden en duizenden vlugtten naar elders en veiliger oord.

De nieuwgebouwde kerken der onroomschen wierden afgebroken, en derzelve
bindten tot galgen ter straffe van de stichters gebezigd.

Alva kwam dan ook ten jare 1567 met een magtig leger uit Spanje,
en men meldt, dat dit de rede was, dat de Landvoogdes haar ontslag
aanvroeg en verwierf.

De graven van Egmond en Hoorn werden spoedig gevangen genomen en
onthoofd, terwijl aldra door Alva insgelijks den »raad van beroerte"
werd ingesteld aan wiens hoofd zekeren Vargas gesteld was. Voor dien
»raad van beroerte" nu werd ieder er gebragt, die verdacht was tegen de
Roomsche religie te zijn en ten gevolge der ontelbare veroordeelingen
werd hij door anderen den »bloedraad" genoemd.

Alva vorderde nu al spoedig ook zulke zware opbrengsten, dat men zich
van alle zijden er tegen begon te verzetten. Terwijl de neringen dus
gedrukt gingen en men alom in bangen nood was, trof Alva in 1572 de
mare, dat den Briel door de watergeuzen ingenomen was. [509]

Wij moeten dit een weinig duidelijk maken.

De Prins van Oranje naar Duitschland vertrokken zijnde, zat er
niet stil.--Hij had met behulp zijner broeders Lodewijk en Jan van
Nassau een leger op de been gebragt, dat een ongelukkigen togt naar
de Nederlanden gedaan had.--In die teleurstelling en verlegenheid
oordeelde de Prins, dat men het geluk ter zee moest beproeven,
dat met beter gevolg ten uitvoer gebragt werd. De watergeuzen, zoo
werden zij genoemd door partij en tegenpartij, maakten zich met eene
kleine Vloot zeer geducht, door het nemen van een tal van schepen,
die dan met hunne lading buit gemaakt werden.

Zij hadden echter geene veilige haven om binnen te loopen, en het
gelukte hun die te krijgen, door het innemen van den Briel.

Na den Briel, waar nu de Oranjegezinden meester waren, kozen ook aldra
's prinsen zijde Vlissingen, Medemblik en andere Noord-Hollandsche
steden.

Na Simon Stijl tot hiertoe gevolgd te hebben, doen wij weder van
Kinschot optreden. Hij meldt: pag. 211, 212 en 213.

»Dus gingen de zaken in 't Noorden van Holland, maar in 't Zuiden
maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog
eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand
[510] zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvol volks
de stad Oudewater [511] en drie dagen laater ook Gouda om; welk
voorbeeld sedert door Leiden, Dordrecht, [512] Haarlem en Gorkom
gevolgd wierdt. Invoege slechts Delft, Amsterdam, Rotterdam,
Woerden, Schoonhoven, Naarden, Muyden en Weesp het nog in Holland
alleen maar met den [513] Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de
ontfange aanschryving van Alva den vyftienden [514] van Hooimaand
te Dordrecht met een oogmerk vergaderden, 't gene vry ver van dat
des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den
Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan
de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot
het Ligten van geld, maar op 't zien van den Lastbrief aan den Graaf
van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien [515] tot algemeenen
Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheel Holland aanstelden;
[516] welke in die hoedanigheid zich straks van [517] Rotterdam en
Woerden verzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,
[518] door Bossu voorheen daar ingelegdt, thans dezelve, even als korts
daarna alle de overige Spanjaarden geheel [519] Holland, verlaaten
hadden. Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan
van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart [520] vervoegde,
om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan 't
wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen
denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam
beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige
Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in 't sement van 't vergoote
bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn."

Men begrijpt echter ligtelijk, dat ook de Spanjaarden en
Spaanschgezinden niet stil zaten. In een aantal steden werd de grootste
moord en plundering aangerigt, ten einde dezelve met geweld weder
onder het bestuur van Spanje te brengen.

Ook de stad Oudewater poogde de grave van Bossu te vermeesteren,
doch het mislukte hem. De toedragt der zaak was als volgt.

Bossu, was in deze tijden nog van Philipswege Gouverneur van Holland
en Utrecht. De stad Utrecht nu, had toen ter tijde de spaansche zijde
nog niet verlaten en het was van uit die stad, dat Bossu Oudewater
ging bestoken.

Eerst had hij beproefd den Briel en Haarlem weder aan de spaansche
zijde te brengen, doch toen hem dat mislukt was, [521] moest onze stad
er aan, onderrigt als hij was dat er in Oudewater weinig buspoeder
en een klein getal ongeoefende soldaten waren.

De Heer van Zwieten echter, die Oudewater vroeger voor Oranje genomen
had, en binnen de stad was, het gerucht van het voornemen van van Bossu
gehoord hebbende, zond eene missive aan den kastelein van Woerden met
verzoek, hem eenig buskruid toe te zenden, dat van Zwieten dan ook
nog tijdig gewerd, omdat van Bossu toch, het niet bij het voornemen
liet berusten.

Het was in het begin van Junij des jaars 1573, op eenen Zaturdag,
waarop het in Utrecht weekmarkt is, dat hij op eens de poorten van
Utrecht deed sluiten, zoodat er niemand nu vermogt uit de stad te
gaan. Al de wagens [522] en ook de boeren [523], werden nu geprest
en met deze 80 vaandels soldaten, toog hij in der haast naar de stad
Oudewater alwaar hij des avonds aankwam.

Van Bossu, verzocht nu met zijne manschappen te worden binnen gelaten,
doch hij bekwam ten antwoord, dat men, wat den grave zelve betrof,
er niet op tegen had, doch dat men die eer niet gunde aan zijne 80
vaandels manschap, die het echter van wege de stad Oudewater niet
aan brood, haring, bier enz. ontbrak.

Men zegt, dat toen de grave met zijne troepen voor de stad was, zich
op de vestingmuur een oud moedertje vertoonde met haar spinnewiel,
en op een kalf wijzende, zeide zij tot den vijand de tergende woorden:


            Zoo min als dit kalf garen kan spinnen,
            Zoo min zal Duc d'Alve de stad overwinnen.


Van Bossu echter was zoo onvergenoegd, dat, toen men in zijn verzoek
niet bewilligde, hij zijn rood hoofddeksel op de punt van zijn degen
zettede en het naar de stad zwaaijende, het navolgende zwoer:


            Al eer een jaar ten einde zal gaan,
            Zal ik er door jagen den rooden haan.


Ja, de bedreiging zegt van Duijn, ging zooverre, dat hij er op liet
volgen, dat de kinderen in de wiege het zouden moeten beschreijen.

Al hoewel van Bossu niet op Oudewater schijnt uitgegaan te zijn om
het geruimen tijd te belegeren, zoo maakte hij zich er nu toch toe
gereed, doch spoedig werd hij van uit binnen de stad met zoodanigen
kogelregen begroet, dat hij genoodzaakt werd, den terugtogt aan te
nemen, en wel met zoodanigen spoed, dat hij een stuk geschut van
Utrecht herwaarts gebragt, in den IJssel deed werpen.

Het leger te Monfoort aankomende, werden de poorten voor hetzelve
gesloten, zoodat hij buiten de stad om, en ook eenige aan Linschoten
heen gingen. Aldus retraite makende, geschiedde het, dat er schielijk
een zwaren vloeddaauw opkwam, zoodat landen, beesten en boomen als
in een zee stonden.

Aan een oud moedertje in de Linschoten op haar erve staande, vroeg
Bossu toen, of het water meer zoo spoedig kwam oploopen, dat ontkennend
beantwoord werd. Toen meende de grave, dat men dijken en dammen had
doorgestoken en het land onder water liep. De mare verspreidde zich
spoedig door het leger, en nu wilden allen te gelijk zich uit de
voeten maken, waardoor er een aantal in het water werden gestoten,
en eenige verdronken. [524]

Zoodanig was de afloop van van Bossu's onderneming, om Oudewater
te overrompelen.

Van Bossu, heeft echter zijne bedreiging, om binnen het jaar Oudewater
aan te tasten, niet ten uitvoer kunnen brengen, eenigen tijd toch na
zijnen mislukten togt naar Oudewater werd hij in een gevecht op de
Zuiderzee gevangen genomen.

Toen Alva nu zag, dat de groote scheuring, niet zoo spoedig als hij
gemeend had te verhelpen was, toog hij nog in 1573 weder in Spanje,
wordende tot zijn opvolger benoemd Don Lodewijk van Requesens.

Had men van Bossu,--met zijne troepen in 1573 buiten de veste kunnen
houden, en weten te noodzaken, den terugtogt te doen aannemen, in het
jaar 1574 woedde er binnen de stad een vijand, die niet te bevechten
noch te verdrijven was; te Oudewater heerschte de pestziekte, en zij
woedde er zóó hevig, dat er van de burgers en de bezetting ongeveer
3000 ten grave gesleept werden.

Hetzij men te Oudewater ten gevolge des togts van van Bossu, of
ten gevolge der moordtooneelen die in verscheidene steden, die de
zijde van Oranje hielden, hadden plaats gegrepen, op zijne hoede
was, dit vinden wij niet gemeld, zeker is het, dat men in Oudewater
groote voorzorgen begon te nemen, en dat die waarschijnlijk onder de
leiding van bekwame mannen ten uitvoer werden gebragt. Wij zouden te
wijdloopig worden, indien wij het aanvoeren van de oorlogswerktuigen,
enz. en van het verblijven van den heer Adriaan van Zwieten en van den
overste de Luitenant Bartholt entens van Mentheda gewag maakten. Wij
verwijzen hieromtrent naar het archief der gemeente, dat steeds
met de meeste bereidwilligheid voor den minnaar van onderzoek wordt
opengesteld. [525]

Al spoedig bleek het echter dat die voorzorgsmaatregelen niet overbodig
waren geweest.

Oudewater toch werd ten jare 1575 door de Spanjaarden belegerd,
ingenomen en bijna uitgemoord. Wij moeten dit beleg, dit innemen en
die moord in het breede uit een zetten.



Nadat Baldez onder Requesens het beleg van Leijden had moeten opbreken,
begon de nieuwe landvoogd een anderen weg in te slaan, hij poogde vrede
met de Staatsche partij te maken. De voorslag nu werd ingewilligd en
Breda was de stad, alwaar over den vrede zoude gehandeld worden.

Inmiddels werd, zoo als wij zagen het versterken van Oudewater niet
vergeten, wij vinden zelfs aangeteekend, [526] dat op den 24 Februarij
1575 ter Staatsvergaderinge besloten werd, om de steden Oudewater,
Schoonhoven, en Woerden alsmede het slot Loevestein niet alleen van
het noodige voedsel, geschut en manschap te voorzien, maar ook de
wallen naar eisch te versterken, omdat die steden het eerst voor een
aanval bloot lagen, indien de vrede te Breda niet tot stand kwam,
zooals dan ook werkelijk het geval was. Al spoedig begonnen nu de
vijandelijkheden.

Hierges, had met 7000 voetknechten, en vier kornetten paarden Buren
ingenomen en na die verovering, had Requesens, aan deze krijgsmagt
toegevoegd 3000 soldaten en vierhonderd paarden, verzeld voorts nog van
15 vaandelen Luiksche delvers. Nadat Hierges Buren nu versterkt had,
verdeelde hij zijn leger in drieën, eenigen werden met het geschut
naar Bommel anderen naar Worcum, en de overigen naar de zijde van
Schoonhoven gezonden.

Dit was zeer loos van Hierges overlegd, nu toch wisten Oranje en zijn
bondgenooten niet, wat de vijand in den zin had.

Zoowel uit Gouda als uit Oudewater werd echter aan den Prins gedurig
berigt gezonden, dat het op hen gemunt zoude zijn.

De prins beval hen toen ten sterkste aan, op hunne hoede te wezen
en het omliggende land, zoo door het openzetten der sluizen, en
het doorsteken der waterkeeringen bij tijds onder water te zetten,
al stond dan ook het gras en kennip gewas nog te velde. Tevens
bevallen de staten van Holland voornamelijk aan die van Oudewater om
de vrouwen en kinderen uit de stad te verwijderen, [527] en hen te
voorzien van de noodige getuigschriften van rang, kunne en ouderdom
en die getuigschriften te doen onderteekenen, door den magistraat en
de krijgsoversten binnen Oudewater ten einde te Gouda waarheen men
aanraadde hen te vervoeren, daar de Staten op hun veilig verblijve en
het verzorgen voor de onvermogende, de noodige orde inmiddels beraamd
en gesteld wierde. [528]

De rede waarom men dit aan Oudewater beval, is ligtelijk te begrijpen.

1. Had Oudewater een beleg van den Spanjaard te doorstaan, dan moesten
alle »onnutte monden" uit de stad verwijderd worden, ten einde men
met de eetwaren, als de veste ingesloten was, des te meer tijd mogte
toekomen en ten

2. De gewapende burgerij, zoude alsdan niet door hun angstgeschrei
en door hunne tegenwoordigheid waar die niet vereischt werd, belet
worden in eene behoorlijke tegenweer en pligtsbetrachting.

De zorg van s'lands staten voor Oudewater berustte er nog niet bij.

Op den 15 Julij 1575, kreeg ook Hopman Munter, de jonge, per missive
van de Staten last om alle klokken uit de kerken en torens zoo van
het naburige Benschop als van andere Dorpen daar omtrent, vóór dat
zich de Spanjaard er van meester maakte, ten behoeve van de gemeene
zaak naar Oudewater te vervoeren, en er geschut van te gieten.

Van het onder water zetten van het land, en het wegnemen van de
klokken, kwam echter niets.

De geschiedschrijvers Hoofdt en Bor melden de redenen er van, die op
het volgende neerkomen:

Die van Oudewater waren zoo het scheen, meer beducht voor het gevaar
hunner geburen [529] en van Duyn meldt zelfs, dat zij Gouda hadden
gewaarschuwd op zijne hoede te zijn; [530] maar de meest afdoende
rede zal zich bevonden hebben, in het nog te veld staande hooi- en
kennipgewas, dat natuurlijk bij het onder water zetten des lands
verloren zoude gaan [531]; aldra echter, zoude men zich over die
verkeerde zuinigheid bitter te betreuren hebben.

Het was op den negentienden Julij des jaars 1575 en de nevelen des
nachts waren nog niet schichtig der dagvorstinne ontvloden, toen
in den vroegen ochtend een zeker poorter uit Oudewater genaamd Dirk
Arendzoon van Dam met zijn zoontje ter IJsselpoorte waren uitgetreden
om onder het groenbekrooste water, dat in de omstreken zoo menigvuldig
werdt aangetroffen, eenige baarsjes met den hengel te verschalken. Zij
mogten ter naauwernood met visschen begonnen zijn, toen hunne aandacht
door een in dit morgenuur vreemd schouwspel, van hunne aangename
uitspanning werd afgetrokken. Onder groot angstgeschrei ontwaren
zij eene verbazende menigte vlugtende mannen, vrouwen en kinderen,
die van Dam toeriepen de vijand komt! De vijand is in aantogt naar
Oudewater en op de vraag van waar hij kwam, zeide men Langs den Damweg
van IJsselstein.

Naauw had de ijverig Staatsgezinde van Dam, die onrustbarende tijding
vernomen, of hij spoedt zich met zijn zoontje zoo vlug als het loopen
hun toeliet, terug naar Oudewater, vertelde aan ieder de vreesselijke
mare en de meeste ingezetenen van Oudewater werden ontwaakt uit hunne
nachtelijke ruste en ijdele zinsbegoocheling voor het lot van anderen,
met het van mond tot mond overgebragte ongelukkig berigt, de vijand
is in aantogt naar Oudewater langs den Damweg van IJsselstein.

Het behoeft geen betoog, dat het garnizoen en de stedelingen met
den meesten spoed in de wapenen stonden en zelfs trokken een aantal
mannen met schoppen en spaden ter poorte uit, ten einde de wegen en met
name den Damweg door te graven en aldus het in aantogt zijnde leger,
den weg zoo mogelijk te versperren.

De tegenstand, die den Spanjaard door dit vergraven geboden werd
was volgens Van Kinschot (pag. 233) gering, wordende die hinderlaag
even spoedig door den vijand uit den weg geruimd. De meergenoemde
van Duyn meldt echter (pag. 10) dat zij het leger ongeveer 2 uren
staande hielden met verschillende uitvallen, maar dat men zich om de
openingen in den weg weinig bekreunde, en er met den meesten spoed
bruggen over die hindernissen door den vijand gelegd werden.

De spoed, waarmede de vijand oprukte, was zelfs van dien aard, dat
de alom op de been geraakte »huislieden", die het--ter ontwijking van
het gevaar--op een vlugten gezet hadden, en nog eenig huisraad hadden
medegenomen, dit eindelijk moesten achter laten en ter naauwernood
het leven zelve konden redden. [532]

Terwijl de Spaansche magt nu oprukt naar Oudewater, willen wij de
krijgsmagt van beide partijen eens nader beschouwen.

Oudewater, waar binnen in dien tijd ongeveer 500 huizen stonden, was,
zooals wij vroeger pag. 430 tot pag. 433 hebben opgemerkt, omringd
met muren en torens naar de oude krijgsbouwkunde, en met eene vrij
wijde en diepe gracht omringd. De verdedigers bestonden uit vier
vaandelen voetknechten, [533] te weten:

Uit 1 Hoogduitsch en 2 Franschen die onder drie hoplieden stonden,
namelijk het eerste onder Hans Munter de Jonge, het tweede onder
Sante Maria en het derde onder Marcoult, die vroeger in Spaansche
dienst geweest zijnde, [534] nu aan de Staatsche zijde was.

Voorts bevond er zich nog 1 vaandel Schotsche voetknechten, staande
onder den onderhopman Drinkwerk, omdat de hopman Sletter van dit
vaandel afwezig was. Het garnizoen, bedroeg dus ten naasten bij 350
manschappen, terwijl het getal der weerbare poorters, nog niet zoo
groot was, zoodat het getal weerbaren binnen Oudewater op omtrent
700 koppen gesteld mag worden.

Bezien wij nu eveneens het naderende Spaansche leger, onder aanvoering
van Hierges.

Wat eene ontzettende krijgsmagt! 500 paarden en 4 kornetten ruiters,
benevens meer dan 11000 voetknechten, waaronder zich alleen 15
vaandels delvers bevonden, vaardig in het maken van batterijen en
verschansingen. Voeg hier bij, 28 stukken geschut van zwaar kaliber
en nog eene groote menigte krijgs- en mondbehoeften en men is met
reden beducht, voor het lot, dat Oudewater boven het hoofd hangt.--

Toen nu de menigte, op den Damweg door het immer voortvlottende leger
der Spanjaarden, was teruggedrongen, week men naar eene schans [535]
die niet ver van Oudewater aan den grooten weg naar Montfoort gelegen
was [536]; eene versterking aan den weg opgeworpen tot beschutting
eener bijliggende sluis.

De Spaansche voorhoede, was al spoedig met de onzen tot een treffen
gekomen omtrent het bezit van die schans, maar toen er 7 tot 8 van de
verdedigers gevallen waren, werd die sterkte, voor Oudewater van zoo
groot nut, den Spanjaard op eene onwaardige wijze ingeruimd. Volgens
van Duyn, beval de hopman Hans Munter den zijnen nog, de voornaamste
goederen naar de stad mede te nemen, maar de aandrang van den vijand
was zoo groot, dat verscheidene burgers de poort niet konden bereiken
en buiten moesten blijven.

Wij maakten zoo even gewag, dat het bewaren van deze schans, van zoo
groote aangelegenheid voor Oudewater geweest zoude zijn; hadde men
haar slechts twee of drie dagen verdedigd, dan ware er nog middel
geweest om Oudewater te behoeden voor het treurig lot, dat het te
verduren zoude hebben. Immers, men had dan die sluis kunnen openen,
den IJsseldijk door kunnen steken, en aldus het platte land onder
water zetten; den vijand zoude dan de gelegenheid benomen geweest
zijn, om van die zijde de stad te bevechten, en men had tevens,
daar de zwakke bezetting van Oudewater den prins van Oranje niet
onbewust was, volgens zijne gelofte, altijd meerdere manschappen ter
versterking kunnen aanvoeren.

Ook eene tweede schans een half uur afstands naar de beneden zijde
van Oudewater bij Goejanverwellesluis gelegen, werd [537] door den
Duitschen Hopman Willem van Angeren zonder zelfs eens aangevochten te
worden, den Spanjaard ingeruimd, zoodat de schans twee dagen zonder
volk geweest is; [538] men gist, dat verraad aan dit ontruimen niet
vreemd is. Hoe het zij, Hierges had nu gelegenheid niet alleen den
IJssel langs drie zijden te stoppen; maar ook zijne verschansingen
op de meest blootliggende punten op te werpen [539] en den inwoners
van Oudewater dus toevoer en verkeer te water en te land af te snijden.

Tot dus ver meent men, dat door den prins niemand tot opper-hoofdman
binnen Oudewater was aangesteld; maar ieder hopman tot nu toe, een
gelijk gezag gehad moet hebben. Nu echter de nood aan den man kwam,
moest men naar den geschiksten persoon daartoe uitzien. Bij loting
viel dit te beurt aan den hopman Munter. Waarschijnlijk ware het
beter voor de stad geweest, zoo dit aan Sante Maria ware te beurt
gevallen. Hij toch, was te Haarlem met nut in het bestuur des krijgs
[540] werkzaam geweest; de hopman Munter daarentegen, was meer door
eene onbesuisde dapperheid, dan door een wijs overleg bekend.

Het scheen, dat men de genoemde groote nalatigheden, en het spoedig
ontruimen der schansen buiten de stad, door eene des te grootere
dapperheid wilde uitwisschen. Immers zoo als wij reeds opmerkten,
werden er verscheidene uitvallen door die van Oudewater, toen de
Spanjaarden in aantogt waren, gedaan. Men zag echter te Oudewater
spoedig van die uitvallen af, omdat er ligtelijk eenigen sneuvelden
en gewond werden, en men kon van de weinige verdedigers er niet
één missen.--Dit was dan ook de rede, dat men drie poorten der stad
dempte, ten einde de manschappen met het verdedigen niet noodeloos
te verspreiden.

Om den moed der krijgslieden gaande te houden, besloot men te Oudewater
tevens spoedig, twee looden noodmunten te slaan, kunnende die nader
voor de waarde er op gestempeld, weder worden ingewisseld. [541]

Voorts had men zich voorgenomen, de stad tot het uiterste te
verdedigen, en ten einde van dit heldhaftig besluit en den verderen
toestand der stad, den prins te verwittigen en om Zijne Doorluchtigheid
bij tijds tot eenigen onderstand aan te manen, werd er besloten een
bode naar Oranje te zenden.

Maar wien die zending opgedragen en wie zou zich er voor willen leenen,
nu de stad door duizenden vijanden is ingesloten? Wie zal er zich
een weg door banen?

Zie, daar nadert Dirk Arendszoon van Dam. Wij kennen hem. Hij was de
eerste, die van den aantogt des vijands, zijne medeburgers in de stad
verwittigde, »Ik", zoo zegt de moedige poorter, »ik wil den prins
met den toestand der veste bekend maken, tot ontzet aandringen en
.... mijne stadgenooten redden, maar", zeide hij tot den magistraat,
»mogt mij het leven bij dien togt inschieten, zorg dan voor mijne
echtgenoot en kinderen," iets, dat men ligtelijk begrijpt, dat
ingewilligd werd.

Nadat van Dam een zielroerend afscheid van de zijnen genomen had, een
afscheid zoo als men eenigzins begrijpen mag, maar wij niet beschrijven
kunnen, ging hij, met zijne gewigtige tijdingen bij zich, vergezeld
van een huisman, die hij tot reisgezel medenam, op den gewaagden,
zeer avontuurlijken togt uit.

De glinsterende zonneschijve is onder den gezigtseinder weggedoken,
en de naderende nacht heeft haren valen sluijer over de aarde gespreid.

Met de meeste stilte schrijden twee donkere gestalten ter poorte uit,
ieder met een grooten springstok bij zich.

Het zijn de stoute togtgenooten.

Bedachtzaam maar vlug, springen zij over iedere sloot, die zij
naken.... Zoo naderen zij de eerste wacht der Spanjaarden; zouden
zij opgemerkt worden? Neen, zij gaan ongehinderd door; ziet, zij
naderen de tweede vijandelijke post en... weder gelukt het hen, die
zonder argwaan op te wekken, voorbij te gaan. Nu nog ééne wacht en het
gevaar is geweken. Weder naderen zij die, maar nu worden zij opgemerkt;
geweerschoten knallen, en kogels snorren heen naar de rigting, die zij
volgen. Zij ontkomen echter het gevaar; maar worden genoodzaakt, het
nu naar de schans bij Goejanverwellesluis te rigten, meenende, hopman
van Angeren met de zijnen aldaar te vinden. Maar hoe groot was hunne
teleurstelling, toen zij daar Spaansch hoorden spreken. Die sterkte,
nu bemerkten zij het, was insgelijks in het bezit van den Spanjaard!

Wat nu te doen! Bijna geen stap te kunnen verzetten, zonder opgemerkt
te worden!--De gedachte aan gade en kinderen--aan het gewigt van zijnen
togt naar den prins, omdat honderde menschenlevens er misschien van
afhingen, het lot, dat zijne vaderstad te wachten stond, als dien togt
mislukte,--dit alles kwam van Dam als een dreigend spookgevaarte voor
den geest, terwijl hij zich met zijnen togtgenoot schuil hield.

Zie, het nachtfloers, wordt door de naderende en zigtbaar wordende
zonneschijve voortgedreven en nog zitten zij daar in de grootste
benaauwdheid. Maar ziet, er schuift zich weder een gordijn voor de
bekoorlijke dagvorstinne, een zware mist stijgt op uit rivier en poel
en de vijand wordt verhinderd een boogscheuts-afstand ver van zich
te zien.

Van die duisternis werd partij getrokken, men keerde weder naar
Driebrugge met behulp eener plank, vond eene schouw in den grond
zitten, die vlot gemaakt werd en waarmede men over de Wierinkken
geraakte [542] en al spoedig was men nu behouden te Gouda, het
voorloopige doel hunner avontuurlijke reis.

Men had te Oudewater de afspraak gemaakt, dat, wanneer men den togt
tot genoemde stad volbragt zoude hebben, men met brandende vuurpannen
van uit den toren zoude seinen, om den onzen te verwittigen, dat men
behouden de reis volbragt had, en men begrijpt ligtelijk, dat dit
seinen niet achterwege bleef.

Niet te beschrijven was dan ook de vreugde in de kleine veste,
toen men dit zag, en met denzelfden spoed, waarmede zich vroeger de
heillooze mare verspreid had, dat de vijand in aantogt naar Oudewater
was, werd nu de verblijdende tijding van mond tot mond overgebragt:
»van Dam is behouden en de prins zal ons ontzetten," Men werd dronken
van vreugde en ging tot baldadigheid en spot over. Helaas! men zou
zich er zeer over te betreuren hebben.

Men vleide zich nu met een wis ontzet, en door hunne hoplieden
aangespoord om uit het verliezen van alle hoop van ooit kwijtschelding
te kunnen erlangen, des te groote dapperheid te putten, ging men
in de betreurenswaardigste uitgelatenheid, naar de Hoofdkerk en de
overige altaren, die zich in de stad bevonden en roofde er de kruizen,
kerkvanen en priesterlijke plegtgewaden. Met die voorwerpen toog men
naar de wallen der stad, en maakte toen ten aanzien des Spaanschen
legers naar der Roomschen wijze, eene nagebootste ommegang, [543]
den vijand gestadig uitjouwende.

De Spanjaarden werden woedend om den hoon hunner religie
aangedaan. Zij, in deze gewesten gezonden om haar te behouden en te
behoeden, worden er over bespot door eenigen, van het graauw van het
stedeke Oudewater; een zeer groot gemor werd in het Spaansche leger
onderdrukt en men zwoer wrake, bittere wrake te nemen.

Intusschen was men in het vijandelijk leger, èn om het vuursein èn om
den tergenden overmoed der stedelingen, niet op zijn gemak. Men was
beducht, dat de prins geene middelen onbeproefd zoude laten, om de
stad te ontzetten, of met het onder water zetten van het omliggende
land, hen te verdrijven.

Nu kwamen de Luiksche delvers in het Spaansche leger te stade,
alomme wierpen zij met den meesten spoed, keerkaden op, om als men
dit laatste middel ter hunner verdrijving beproefde, zij er zich niet
om behoefden te bekreunen.

En de vijand had bijtijds met dien arbeid een begin gemaakt, trouwens,
toen van Dam te Gouda na zijnen gevaarlijken togt, van de magistraat
der stad niet had gedaan kunnen krijgen, den IJsseldijk door te steken,
was hij naar Delft op reis gegaan. De prins beval toen, dat men dit nog
zonder eenig tijdverlies zoude doen. Doch toen nu eenige manschappen
naar buiten werden gezonden, om dat eindelijk te bewerkstelligen, was
het te spade. Men kreeg het berigt, dat de Spanjaarden reeds veilig
waren, door hunne zoo spoedig opgeworpen waterkeeringen, en raadde hen
dus aan, maar van het voornemen af te zien, omdat het toch Oudewater
niet meer konde redden, en den oogst in die environs zoude vernietigen.

Men was in Oudewater echter nog in het onzekere wat van Dam bij den
prins voor bescheid ontvangen had. Menigwerf klom men op den toren
om het oog te laten weiden over den omtrek, maar men zag drommen van
Spanjaarden en geen reddend IJsselwater.

De prins reisde eerlang zelf na de stad Gouda om te zien, [544]
of er geene andere middelen tot redding van het omlegerde Oudewater
konden gevonden worden, doch het leidde tot geen gunstig resultaat,
voor de stad onzer beschrijving.

Nu hoopte men op ontzet door troepen van Willem van Oranje. Duiven
werden gedurig met brieven aan de pooten tot den prins gezonden, waarin
men den benarden toestand van Oudewater aan Oranje schreef en op ontzet
aandrong, doch Willem de Zwijger zag zich, tot zijn innig leedwezen,
buiten staat om den Spanjaard van Oudewater te verdrijven en meerdere
manschappen binnen de stad te werpen, en geen wonder, de prins had
geen troepen te missen, en al hadde hij eenige honderden manschappen
naar Oudewater gezonden, wat zouden zij er uitgevoerd hebben tegen
de duizenden vijanden, die zich om de kleine veste verschanst hadden.

In de schans op den IJsseldijk had Hierges een kat doen maken,
en van deze begon hij onophoudelijk met twee stukken op de groote
kerk en toren te vuren. [545] Hij had drie redenen op het oog, [546]
om den toren voor hem onschadelijk te maken en te vernietigen.

1. Omdat men in de stad van uit denzelven bespiedde, wat er in zijn
leger voorviel en op de hoogte was, omtrent de belegeringsmaatregelen,
die hij nam.

2. Omdat menige Spanjaard, die zich te digt in de nabijheid van
denzelven waagde, met een kogelregen begroet werd.

3. En, dit zal de voornaamste rede geweest zijn, omdat de toren
zou omstorten en hem nader uitmuntend tot eene stormbrug zou kunnen
dienen. [547]

Naauw had men echter van binnen 's vijands meening omtrent dit laatste
punt begrepen, of de toren werd ondergraven aan de stadszijde en
de fondamenten op houten stijlen gezet, men had toen, zoo noodig,
maar die onderstutselen te verbranden en het reuzengevaarte had naar
binnen, in stede van in den IJssel gestort. Het is echter geen van
beide gebeurd, het middeneeuwsche bouwgewrocht, staat nog fier naast
de grijze kerk aan den IJsselzoom.

Uit de kat, waarvan wij zoo even melding maakten, had de Spanjaard dra
het geschut genomen en twee batterijen gemaakt; de grootste derzelve
stond op den dijk [548] bij de galg in het markveld en was alleen met
19 zware muurbrekers en 4 dubbele kartouwen voorzien, die tot bij de
65 ponden ijzer uitwierpen.

De andere batterij was met 5 stukken [549] voorzien en was op den
Montfoortschen dijk opgeworpen.

Den 6. Augustus was Hierges vroegtijdig met een en ander gereed en
niets weerhield hem nu om Oudewater op te eischen voor Philips den
II; ten acht ure 's morgens van genoemden dag, zond hij den Heer
van Oostrum [550] naar de stad en eischte dezelve met de meeste
vriendelijkheid, zeer hoffelijk voor den koning van Spanje als grave
van Holland op.--Dan, die van binnen zich nog met de ijdele hope op
ontzet vleijende, zeiden aan den Heer van Oostrum [551] met gelijke
bescheidenheid, dat zij de stad voor den koning van Spanje onder de
landsbesturing van den prins van Oranje bewaarden en derhalve voor
drie dagen tijds een vrijgeleide voor een der hunnen verzochten,
om hem naar zijne Doorluchtigheid te zenden, en diens gevoelen op
dat stuk te innen, maar dit verzoek werd niet ingewilligd, men kreeg
slechts twee uren om zich te beraden.

Men had dit in Oudewater niet juist begrepen, men meende, dat hun
tot des namiddags ten twee ure, tijd van beraad gegeven was [552]
en zoo gingen de twee uren voorbij, zonder eenig nader besluit aan
den vijand te berigten.

Nog anderen, meldt van Duijn, [553] waren van meening, dat de stad
opgeeischt werd, op de volgende voorwaarden:

»Dat de burgers alles zouden behouden en bij hunne oude voorregten
en privilegien blijven. Maar hopman Marcoult, meer dan ieder met
haat tegen de Spanjaarden vervuld, niettegenstaande hij vroeger in
hunne gelederen gediend had, zeide, dat Oudewater werd opgeeischt,
onder de voorwaarden, dat de soldaten vrij, doch de burgers prijs
gemaakt zouden worden. Willende hij liever in den strijd sneuvelen,
dan van de zijnen een schandelijken dood te worden aangedaan, en dit
deed de burgers besluiten, de stad te verdedigen tot den laatsten
druppel bloeds."

Hoe het zij, de twee uren tot beraad toegestaan, waren spoedig
voorbij gevloden. De krijgsoverste had geen rapport van Oudewater meer
ontvangen, en ten [554] tien ure was het in de stad en in de environs
op eens, of de bodem van een scheurde, een vreeselijk geknal deed
zich hooren: Hierges had met 28 stukken geschut op Oudewater gevuurd.

Daken, sparren, bindten, pannen en steenen, vlogen met ijselijk
gekraak van de huizen, en kwetste menigeen, die zich niet had geborgen.

Hevig beukte men nu voort op vestingmuur en vestingtorens, burgers
en soldaten werden door de door het luchtruim snorrende kogels bij
menigte getroffen en de muurbrokken, die te log en te zwaar waren om
weggeslingerd te worden, stortteden met de losgemaakte brokken aarde
der wal, met hevig geplomp in de gracht, en toen men nu, gedurende den
dag niet alleen, maar ook een groot deel van den opvolgenden nacht
op muren en torens geschoten, [555] toen men tusschen de 16 à 1700
kloten naar de stad gesmeten had, ja toen begrijpt men ligtelijk,
dat de bressen in de muur van de Waard- tot de Ysselpoort groot,
verbazend groot waren.

Eindelijk zwijgen de vuurmonden..... het is nacht, de tijd van
ruste. Doch rustte men in Oudewater? Men zie slechts. Dáár zit eene
moeder te weenen naast haren zoon, haren eenigen steun, hij leeft nog
ja, maar alleen de moeder herkent en kan in dit verminkte ligchaam
haar kind zien, zij zelve verbindt zijne wonden en bevochtigt hem
het hoofd, bijna overal toch wordt des heelmeesters tegenwoordigheid
te gelijk vereischt. Ginds ziet men een tafereel der vertwijfeling,
eene vrouw ligt onder de smartelijkste noodkreten te schreijen,
men bragt haar des avonds een lijk te huis en het was het zielloos
overschot van haar echtgenoot. Zij, weent bitterlijk, en rukt zich
de haren uit het hoofd, maar hare jonge kleinen? Zij klemmen zich om
het lijk huns vaders en vragen: moeder, moeder, waarom schreit gij,
en waarom wil vader niet ontwaken?

Rustte men in Oudewater?

Aan een soldaat der bezetting is bevolen, zich te overtuigen hoe groot
de verwoesting is, door het geschut in de muren veroorzaakt.... hij
deed het, maar hij was niet zwaar geharnast, slechts een lederen kolder
omsloot zijne leden en, met een hellebaard bij zich, bestijgt hij den
wal, onderzoekt alles zoo als hem bevolen is, en niettegenstaande
een hagelbui kogels naar hem worden afgezonden, berigt hij spoedig
ongedeerd, hoe hij een en ander bevonden heeft.

Maar nu moest men aan het werk.

Ziet, wat eene bedrijvigheid op de wallen: alom is men bezig de
bressen te stoppen, deze draagt zware balken, gene tonnen met aarde,
[556] en weder anderen nat gemaakte hennipbossen, oude netten, mest en
andere zaken aan; zoo poogt men de gapingen in den muur te stoppen,
ter hunner meerdere veiligheid en tot afwering van den storm, die te
geschieden stond. [557]

Doch de voorzorgsmaatregelen van die uit Oudewater bleven er niet
bij. Brandbare stoffen, zoo als teerhoepels, harst, lood, enz. werden
tijdig door vrouwen en kinderen naar den wal gebragt, om die ten allen
tijde, als de nood het vorderde, den vijand op het hoofd te werpen.

Voorts vervaardigde men een zoogenaamden Vrieschen ruiter, zijnde een
balk, ter lengte van de walbres, die in het midden met tal van ijzeren
punten voorzien was. Deze nu werd aangebragt aan de gestopte bresse,
aan wier voet nog een aantal voetangels als gezaaid waren. [558]

Voorts bedacht men in Oudewater nog iets om den vijand afbreuk te doen,
dat voor zoo ver wij weten nog nooit gemaakt was.

Men vervaardigde namelijk twee lange ronde balken, zeer digt met
ijzeren punten bestoken, die ter wederzijde rustten, hieraan werden
weder touwen bevestigd, om als den vijand den wal wilde bestijgen,
die onverhoeds neder te laten, en dan, als de vijand verstoven was,
die weder te kunnen optrekken.

Uit dit alles ziet men dus, dat men zich voor nam, om de benarde
veste tot het uiterste te verdedigen.

Maar de vijand zat insgelijks niet stil. Zijn doel was een stormweg
door de gracht en, zooals wij zagen, een bres in den muur te maken. Om
zich een weg door het water te banen, ging men eene menigte hennip
afsnijden en wilgen boomen vellen; de eerste werd immers toen nog in
menigte bij Oudewater gevonden. Van die voorwerpen nu, maakte men twee
paden en bevloerde dit alles weder met aarde. Die twee paden eveneens,
tot het overbrengen van zooveel stormbruggen, waren den volgenden
dageraad gereed. Dit had de vijand insgelijks des nachts gedaan,
niettegenstaande er menigeen onder dien arbeid gedood was geworden.

7 Augustus 1575 was aangebroken, en deze was voor Oudewater de
beslissende dag.

Nogmaals bulderden de kanonnen, met die hevigheid, dat zij spoedig weer
over de 1300 keeren hebben gesproken [559] en de met zooveel ijver
gestopte bressen spatteden vaneen, door het woedend voortgezweepte
ijzer.

Een aantal nieuwsgierigen, waren van elders [560] tot bij Oudewater
gekomen, om ooggetuigen van den uitslag van het innemen der veste
te zijn, immers het gerucht, had zich heinde en ver verspreid,
dat Oudewater dien dag weder onder Philips den II terug gebragt
zoude worden.

Nadat, zoo als wij schreven, er weder eene groote bresse was geschoten,
zond Hierges zijn legermeester Don Hernando de Toledo, de hoplieden
Francisco d'Aguilar Alvaradi en Sancio Breltran della Penna, met 6
soldaten tot het opnemen van de gesteldheid van de openingen in den
wal, die aan Hierges rapporteerden, dat beide bressen opgeruimd dienden
te worden, maar ook de soldaat van den vorigen avond, vertoonde zich,
nu echter in het harnas, om de uitwerking van het geschut op te nemen,
dat bij weder ongehinderd ten uitvoer bragt, en nadat Hierges nu van
den stand van zaken onderrigt was, beukte men weder op de verzwakte
vestingmuur, totdat al spoedig de vereischte opruiming bewerkstelligd
was.

Nu bedacht de vijand eene voor Oudewater rampspoedige krijgslist;
er werd een looze aanval des vijands op de stad bevolen en het doel,
dat Hierges er mede beoogde, gelukte hem boven verwachting. Hij wilde
namelijk de verdedigers der veste zich meer en meer doen aftobben, en
tevens zien of er nog geene verschansingen, of verdedigingstoestellen
of iets dergelijks in of bij den wal verborgen mogten zijn.

Ziet, daar naderen tot dat einde digte drommen van Spanjaarden. Die
van binnen nu meenden, dat het den vijand ernst was, beschoten den
vijand hevig en lieten de op den wal gebragte rolbalken, die wij
vroeger beschreven, ontijdig naar beneden glippen.

Nu deinsde de vijand in eens terug, opende zijne gelederen en vóór
dat men de genoemde werktuigen weder had opgetrokken, waren zij door
het vernielend geschut onbruikbaar geschoten.

Weder werd het bevel tot den storm gecommandeerd en nu zoude het niet
bij een loozen aanval blijven! Op eens hoort men nu van den vijand
een oorverdoovend geroep van "naar binnen, naar binnen toe." [561]

Was het de begeerte naar buit, of, om wegens de bespotting hunner
Godsdienst door den tergenden omgang aangedaan, wrake te nemen, of
om beiden, dat dit algemeen geroep van »naar binnen, naar binnen"
ontstond, wij weten het niet, maar waar is het, dat ook de Duitsche
troepen, als zich tot den storm insgelijks geroepen wanende, eveneens
gezamenlijk de wapens opgrepen en hoewel zonder bevel, met gelijke
wraaklust ter ondersteuninge hunner vooruitgespatte spitsbroeders naar
den wal stoven. Maar, was het gemakkelijk de stad van nabij te genaken,
niet zoo spoedig had men den veroverenden voet op denzelven gezet.

Heet, zeer heet was het gevecht van beide zijden, daar de drijfveren
van de partijen hen zoo hevig aanvuurden, maar de vijand behoefde
zich niet zoo in den strijd af te matten, immers, deinsde hij,
hetzij uit afmatting, hetzij door den dapperen tegenstand terug,
dan werd hij terstond door nieuwe soldaten vervangen, die aan het
gevecht nog geen deel hadden gehad.

De stedelingen integendeel, waren te weinig in getal om afgelost te
worden, en evenwel schenen zij onvervaard in het schieten, houwen
en stooten; doch niet alleen de mannen, ook de vrouwen en kinderen
streden dapperlijk mede, de eersten wierpen den aanvallers gesmolten
lood, kokende teer en andere brandende voorwerpen op het hoofd en
de jongens voerden die stoffen met verbazende snelheid onvertsaagd
aan. [562] Men begrijpt dus ligtelijk, dat er menige aanvaller op
die wijs den voet nooit binnen Oudewater heeft kunnen zetten. Maar
wat baatte dat bij de duizenden, die overbleven!

Eindelijk wint de vijand de kruin van den wal, die men tot nu zoo
manhaftig verdedigd had en, naar mate het gevecht nu verdubbelde, zoo
nam ook de aandrang van buiten meer en meer toe, zoodat eindelijk, na
vijf vierendeels uurs zoo duur [563] den wal te verdedigd hebben, het
overschot der verweerders te dun werd om dien te behouden en de vijand
als een doorbrekenden watervloed in de nu veroverde vesting viel. [564]

Een ontzettend geluid klonk heinde en ver! Het was de vreugdegalm
des vijands en het hartroerend gegil en geroep van de overwonnelingen.

In weinige minuten, had de vijand zich nu in de straten en stegen
der stad verspreid en het bloedbad, dat men nu ging aanrigten was
vreeselijk.

De overgeblevene en nog in de wapenen zijnde bezet- en stedelingen,
werden het eerst van het leven beroofd, toen de weerlooze vrouwen, die
natuurlijk den dood zoo lang mogelijk pogende te ontloopen van de eene
steeg en engte naar den anderen de vlugt namen. Helaas! men ontvlugtte
dan vaak den eenen moordenaar en liep weder anderen te gemoet. Wreed
was alsdan het spel dat met haar aangevangen werd; met de spitsen van
het moordtuig des vijands, joeg men de ongelukkigen dan van den een
tot den anderen, en als men zich dus eenigen tijd met het angstgeschrei
der weerloozen vermaakt had, werden zij afgemaakt. Moeders werden voor
de oogen hunner kinderen, kinderen ten aanzien hunner moeder vermoord;
noch de ouden van dagen, noch de op het krankbed ter neer geworpenen,
noch de vrouwen, die na weinige dagen hadden gehoopt, dat het kind, dat
zij onder het harte droegen het eerste levenslicht zoude aanschouwen,
noch zij, die voor weinige dagen hunnen echtgenooten zoo liefdevol
een telg van hunnen echt geschonken hadden, noch een of meerdere
priesters zelfs werden gespaard, het vijandelijk lood trof en het
moordend ijzer woelde en purperde zich onafgebroken, in het veege
ligchaam der ongelukkige slagtoffers.

Eenige mannen, van hunne gade en kinderen beroofd, stelden zich met
die woede ter weer, die men ligtelijk begrijpt, zij wilden hun leven
dan ten minste zoo duur mogelijk verkoopen. De vertwijfeling zettede
aan hunne woede eene verbazende kracht bij, maar deze tegenstand
vuurde den moordlust met des te meer hevigheid bij den vijand aan en
de martelingen tot hunnen jongsten snik, zouden er alras te wreeder
om zijn.

Anderen stelden zich niet te weer, zij hadden zich onder hooi of
iets dergelijks verstoken en toch afgemaakt zullende worden, wilden
zij zich liever met het daarin gestoken geweer laten doorrijgen,
dan nog heviger marteling tot aan den jongsten ademtogt te ondergaan.

Nu ging het op een moorden en plunderen. Hevig vielen de bijlen en
mokers, op kisten en meubels neder, knerpend stortteden en spleten
zij vaneen, en vlugtig werd het geroofde in veiligheid gebragt om
nieuwe rove op te duiken.

Eenige inwoners van wie men dacht, dat zij hunne goederen bij tijds
geborgen hadden, werden op wreede wijze gepijnigd om hunne verborgene
schatten aan te wijzen en werden daarna afgemaakt.

Bij dit moorden en plunderen voegde zich nu dra nog eene andere ramp;
»de roode haan" die van Bossu in 1573 voorspeld had, door de stad
Oudewater te zullen jagen, woedde er. Door wat oorzaak de brand
echter ontstaan was weet men niet, maar het vuur nam derwijze toe,
dat spoedig de meeste gebouwen in een vuurpoel herschapen schenen.

Dit bragt te weeg, dat een aantal lieden, die zich nog in hunne
woningen verborgen hadden, te voorschijn kwamen, en de moordlust
op nieuw aan hen bot gevierd werd, een aantal werden er niettemin
gespaard, zoowel om de geroofde voorwerpen buiten gevaar van het vuur
te brengen, als ook om op streng bevel van Hierges [565] den steeds
toenemenden brand mede te helpen blusschen. Niettegenstaande dit,
verslond de brand bijna alle gebouwen, uitgenomen eenige weinige
huizen, het klooster en de parochiekerk.

Twintig van de burgers, die aldus tot het wegbrengen van de
geroofde goederen hadden medegewerkt, werden later, toen zij aan
den geeischten losprijs niet konden voldoen, òf met den ponjaard
afgemaakt, òf met drie of vier bijeen gebonden, in het water gesmeten
[566] en verdronken.

De Baljuw Gerard van Kraaijestein was het gelukt, om met eenige
wollen stoffen, die hij om zich heen had geslingerd [567] den vijand
te verschalken en in den waan te brengen, dat hij een der plunderaars
was, en na een zeer gevaarvollen togt was hij alras in veiligheid.

De hopman Sante Maria en de onderhopman Drinkwerk, waren bij het
verdedigen van de bresse gevallen, Marcoult en Munter werden gevangen
genomen, doch Munter overleed spoedig ten gevolge van eene geschoten
wonde. Eenige der in het leven gespaarde vrouwen en maagden, werden
aan de buiten de stad staande toeschouwers voor een geringen prijs
verkocht.

De Fransche predikant Christiaan de le Quellerie, zijn naam in dien
van den soldaat Arthon de le Quellerie veranderd hebbende, werd, dus
niet herkend geworden zijnde, na eene gevangenzetting van 5 maanden,
voor 100 kroonen uit den kerker bevrijd.

De predikant der stad kwam er niet zoo gelukkig af, trouwens reeds
was hij door de Spanjaarden op rantsoen gesteld, toen eene non zijne
kerkelijke bediening had ruchtbaar gemaakt, en toen de vijand dit
wist, vermoordde men eerst voor des vaders oogen zijn zoon [568]
en de prediker der nieuwe leer werd buiten de stad opgeknoopt.

Voor de vrouwen en kinderen, die bij het begin des belegs, of tijdig
gevlugt, of daarna het geluk gehad hadden den moord te ontkomen,
droegen de Staten van Holland zorg [569] indien het noodige hun
ontbrak.

Van de Spanjaarden, sneuvelden er in den storm minstens 100, waaronder
een aantal oversten, voorts 6 à 7 van de overige natien, zijnde het
getal gewonden niet minder, waaronder ook de Spaansche hopman Sancio
Beltram Dell. Penna.

Alhoewel wij nog een aantal bijzonderheden over dit moorden en
plunderen ter neder konden schrijven, zoo durven wij het van de ruimte
die ons nog overig is, niet afnemen.

Nog een paar woorden echter.

1. De Spanjaard had gemoord en gruwelijk in de stad onzer beschrijving
gemoord, maar dit werd van beide partijen gedaan, verbitterd als
men van beide zijden was [570] en hij was door onze stadgenooten
nog zeer getergd, door den sarrenden nagenaakten ommegang [571]
en de plundering die men aan de kerk gedaan had, en

2. Moeten wij de volksmening bestrijden, dat er maar twee personen
aan den moord in 1575 zouden ontkomen zijn.

De bezetting, het is waar, is er voor het grootste gedeelte bij
ingeschoten, maar van de burgers zijn er een aantal gevlugt en van
de ramp verschoond gebleven.

In het jaar 1615, werd er te Oudewater eene naamlijst opgemaakt van
hen, die tijdens genoemde belegering leefden en toen of in het vorige
jaar, nog in leven waren, en dit getal beliep in het tijdsverloop
van deze 40 jaar nog 320 personen, zooals dit de authentieke lijst,
die ter gemeente secretarie berustende is, blijkt. [572]

Terwijl de gratificatien, door de staten van Holland in stede
van andere vrijdommen gegeven, nog een aantal anderen, tot in
1625 deden opkomen. In het jaar 1666 stierf de laatste, genaamd
Corn. Jansz. Klopman.

Zoodanig, mijne geachte lezers, zijn de gebeurtenissen die in het
merkwaardige jaar 1575, in deze stad geschiedden.



Nog ieder jaar, wordt de moord van het jaar 1575 te Oudewater
feestelijk herdacht, op den Zondag na den 7 Augustus. Eene ontelbare
menigte vreemdelingen stroomt dan naar de grijze stad, om den grooten
ramp te herdenken dien het vroeger trof.

Nog vóór het aanvangen der godsdienstoefening, wemelt het op de
straten van menschen, uit verschillende oorden toegestroomd en nog
steeds aankomende.

Het gebrom der groote torenklokken, noodigt nu vreemdeling en
stadgenoot, ter bijeenkomst in de groote oude parochie-kerk uit.

Die dag heeft voor mij altijd iets, wat mij met aangenamen weemoed
overstelpt en ik maak dan zoo gaarne vergelijkingen met toen en
thans. Wanneer ik die statige toonen uit den grijzen toren door de
stad hoor dreunen, dan treden mij eeuwen voor den geest voorbij en
dan peins ik hoe vaak men zich op dat geluid naar het tempelgebouw
spoedde om zich voor zijnen Schepper te vernederen, maar dan denk
ik tevens, hoe mijne stadgenooten te moede zullen geweest zijn, toen
dit zelfde klokkengebrom in hunne ooren klonk, toen de Spanjaard met
zijne ontzettende magt, den storm op de stad ondernam, toen was het
klokkengelui, het noodsein voor Oudewater en nu roept het de schare op,
om zich binnen de tempelmuren te vereenigen. En men voldoet dan ook op
dien morgen vrij algemeen aan die roepstem. Waarom? De prediker zal
op dien ochtend, de bijzonderheden van het jaar 1575 in betrekking
van Oudewater aanroeren, en dan moet men zien, met wat gretigheid
ieder woord van den leeraars lippen wordt opgevangen.

Dit is de eerste bijzonderheid van den dag, en is dan de plegtigheid
in de kerk geeindigd, dan naar het stadhuis en dan de schilderij van
den bekwamen Stoop bezigtigd, die den moord van dien dag voorspelt,
met die uitnemende opvatting, die men van den kundigen Utrechtenaar mag
verwachten, en wij overdrijven niet, door te schrijven, dat honderde
stadgenooten en vreemden van dat bezigtigen gebruik maken.

In dien tusschentijd, is het op de gewoonlijk stille straten der stad
verbazend in woeligheid toegenomen; maar het zijn nu geen moordende
soldaten, die de burgers pijnigen en dooden, het zijn de ouden van
dagen die het ieder jaar zoo gewend zijn naar de stad te gaan op
den »moord," zij gingen in hunne jeugd steeds met vader dienzelfden
jaarlijkschen togt doen en zij doen het nog; zij bezoeken dan tevens
familie en kennissen bij wie zij aan de middagtafel aanzitten, die nu
met fijnere en meerdere spijs is opgetooid.--Het is niet de moedige
jonge verdediger, die den vijand zoo veel in hem is, naar het leven
staat, of de maagd, die kokende teer en gesmolten lood naar den wal
draagt, het is de jeugdige boerenzoon, en de opgedoschte boerenmaagd,
die men ontmoet en spoedig in vertrouwen kouten en lustig van de gave
van Bachus gaan genieten. [573]

Of die laatsten nu insgelijks in de stad zijn, om den moord te
herdenken, of dat andere redenen hen noopten naar de stad te gaan,
dat durven wij niet beslissen, maar waar is het, dat na jaren nog
menigkeer met genoegen tusschen minnenden en echtgenooten op den dag
van den »moord" wordt terug gezien, omdat het onder hen de eerste
dag was van het aanknoopen van eenen band door Freja gevlochten.



Nadat Oudewater dus door den Spanjaard onder Philips den II, was
terug gebragt, werd de stad door het groote leger ontruimd en op den
11 Augustus was Hierges reeds voor Schoonhoven, dat nu aan de beurt
was. Wij mogen hen nu niet verder op hunnen togt vergezellen, maar de
zeer eenvoudige opmerking maken, dat er een gering getal Spanjaarden
of Duitschers in Oudewater als bezetting gelegd werd.

Voor de ongelukkige burgers, burgeressen en kinderen, die nu buiten
hunne geboorte stad rondzwierven, werd door de Staten zoo veel
mogelijk gezorgd, en ook de stad Delft bleef in October 1575 met het
ondersteunen dier rampspoedigen niet achter.

In het jaar 1575, werd de Hoogeschool te Leijden gesticht, zoo het bij
de meeste schrijvers heet, om den betoonden moed, in het jaar toen
het door den Spanjaard belegerd geweest was, dit is echter verkeerd
begrip, immers ook Oudewater en Woerden dongen naar het bezit van de
Hoogeschool binnen hunne muren.

Zien wij slechts wat wij in de tegenwoordige staat der Nederlanden
Zuid-Holland door A. W. Kroon, pag. 59, omtrent die schole vinden.

»De Kloksteeg doorgaande, zien wij aan de overzijde der Nonnenbrug
het Academiegebouw, eene inrigting die meer dan elk andere aan deze
stad gedurende eene reeks van jaren beide tot eer en voordeel heeft
gestrekt. Zonderling mag het heeten, dat de oorsprong dezer stichting,
algemeen genomen, zoo verkeerd wordt voorgesteld. Bijna alle schrijvers
doen het voorkomen als of het stichten der academie geschied is, tot
loon van der burgeren standvastigheid, en dat de regering, kort na de
heugelijke verlossing der stad, hare wijsheid betoonde door het kiezen
dezer inrigting boven den vrijdom van belastingen gedurende vele jaren,
welke haar door prins Willem I. werd aangeboden. Wij verminderen den
roem der dappere verdedigers van Leijden niet, wanneer wij vermelden,
dat noch het aanbod, noch de keuze gedaan werd, derhalve het geheele
verhaal met de waarheid in strijd is.--Bij het algemeen doordringen
der Hervorming werd meer en meer de behoefte gevoeld aan godsdienst
leeraars, die niet uit den vreemde herkomstig waren, want in het
vaderland bestond geene gelegenheid om zich in de daartoe vereischte
wetenschappen te oefenen. Dit gebrek moest worden verholpen en reeds
gedurende geruimen tijd vóór de stichting der Leidsche academie,
was door Prins Willem en de Staten van Holland over dit belangrijk
onderwerp beraadslaagd geworden. Aanvankelijk bestond het plan de
inrigting van hooger onderwijs uitsluitend te doen strekken ter
opleiding van leeraren in de godsdienst. De afgevaardigden van
verscheidene steden, vooral van die welke veel door de spaansche
overheersching hadden geleden, als Oudewater, Woerden en anderen, deden
al het mogelijke om de vestiging der academie te doen plaats grijpen
binnen de stad, welker belangen zij meer bepaaldelijk voorstonden. Na
de opheffing van Leidens beleg en de verwijdering des vijands uit het
hart des lands, dongen insgelijks de afgevaardigden der pas verloste
stad mede; ook zij poogden hunne aanspraak te doen gelden, op de eer en
het voordeel door de ontworpen stichting te verwerven. Op voorstel van
den Prins werd eindelijk besloten de academie te Leijden te vestigen,
eensdeels tot opbeuring der fel geteisterde stad, maar voornamelijk
omdat zij voor de veiligheid eener dergelijke stichting, door hare
ligging en sterkte, beteren waarborg dan hare zustersteden aanbood. Dit
laatste vooral deed de schaal ten haren voordeele overslaan."

Ruim 15 maanden was Oudewater nu al door soldaten van Philips bezet
geweest. De bezetting was echter niet groot, en men begon van de
Staatsche zijde toeleg te maken, om de stad weder aan de zijde van
Oranje terug te brengen.

Aan de Staten had men berigt, dat er gegronde hoop bestond, om de
kleine bezetting, die nog in de stad was, er spoedig uit te kunnen
drijven, en een aantal verdreven burgers verlangden zeer naar het
tijdstip, om weder naar hunne geboorte stad terug te keeren, haar
weder te versterken en te herstellen met behulp van personen uit de
omliggende kwartieren, mits dat de Staten hen een weinig te gemoet
kwamen. Dit werd toegestaan, [574] en alle burgers en andere getrouwe
personen, die zich in Oudewater vestigden, zouden genieten, vrijdom
van de gemeene Lands Imposten en Contributiën, »die tot behouff van
de gemeene saake jegenwoordich ommegeslagen syn; ofte geheven worden,
ofte noch verder geconsenteerd ende gelicht sullen mogen werden,
egheene van dien vuytgesonderd, dat meede alle d'Ingeseetenen der
voorsz. Stede die wederomme haare huysen ofte eenige andere aldaar
sullen willen doen opmaake ende erigeeren ongehouden sullen zyn daar
inne eenige soldaten 't ontvangen ofte te logeren, willende die Staten
voornoemd dat die selve knechten hen in alsulke Plaatsen aldaar sullen
onthouden ende accommodeeren, als by denzelven Vyanden aldaar syn
gemaakt ende daar toe sullen zyn gebleeven ofte gedestineerd sullen
worden, ende dit alles ter tyd ende wylen toe by zyne Pre. Exce. ofte
den Staten voorn. mit goede kennisse van saken anders daar inne
sal weesen voorsien ende geordonneert, behoudelicken dat die selve
Ingeseetenen alle devoir ende neerstigheyd sullen doen omme goede ordre
ende Policie onder een Oeverichheyt ende Magistraat aldaar weder op te
rechten ende die voorsz. Stede in goede verseekerheyd ende defensie te
houden ende te fortificeren tharen koste ende van den gemeenen Lande,
ende voorts in alles gehoirsamen ende onderworpen zyn alle bevelen ende
ordonnantien van zyne Exce. ende der Staten voorn. als naar behoiren,
waar toe deselve alles in sunderlinge Protectie ende Sauveguarde
van zyne Exce. ende der Staten voornoemd by desen worden gesteld
ende genomen. Gedaan tot Delff den xijen. Novembris Anno XVc. sessen
't seventich. (Onder stond) Ter Ordonnancie van de Staten. By my (Was
geteekend) C. DE RECHTERE, hebbende onder op gedrukt, het Gemeenelands
Zeeghel." [575]

Het was ongetwijfeld van gevolg, gissen wij, dat van dit octrooi een
aantal gebruik zullen hebben gemaakt, en er spoedig weer verscheidene
staatsgezinden binnen de stad waren, die zich echter zeer rustig
hadden te houden, omdat nog steeds krijgslieden, onder de dienste
van Philips, binnen de veste de bezetting uitmaakten.

Spoedig echter zoude er eene grootere verandering geschieden.

Nadat de stad nu een jaar en 4 maanden in de magt van Philips geweest
was, werd zij wederom door de ijverige bemoeijingen van den heer van
Zwieten aan de Staatsche zijde gebragt.

Van Duyn pag. 39 en 40, meldt twee wijzen, hoe dit toegegaan zoude
zijn.

1. Zou van Zwieten, met een weinig volks op den tienden weg te Gouda
bijeengebragt te hebben, en na zich van hunne trouw vergewist te
hebben naar de stad zijn getogen om die voor Oranje te winnen.

Hij bediende zich tot dat doeleinde van een persoon die het geluid van
het geschreeuw eens varkens, meesterlijk wist na te bootsen en om deze
rede, den weinig fraaijen naam van het »oude varken" verworven had.

De koude adem uit het noorden, had het water in de kristal gedaante
gebragt en van Zwieten wist, dat men de grachten om de veste nog niet
gebijt had.

Het »oude varken" zou dan het eerste over het ijs gaan, over den
wal klimmen en zien hoe het van binnen gesteld was. Bevond hij het
rigtig, dan zou een varkensgeschreeuw het sein wezen, dat de overigen
mogten volgen.

De zaak wordt gewaagd zooals besproken is, en men verbeidt met
ingespannen verwachting het sein.

Op eens klinkt een snijdend en snerpend geluid door de lucht, de zaak
was het »oude varken" rigtig toegeschenen, en het schreeuwen van dit
dier was zoo juist nagebootst, dat zij die het moesten opvangen in
twijfel schenen te zijn of een redelijk wezen dit had voortgebragt.

In stilte toog men nu over het ijs naar den wal, overrompelde de
schildwacht, boeide haar naar lust en nam haar mede naar de marktbrug.

Nu beval de hopman Baak getrommel en trompetgeschal en op eens klinkt
het Wilhelmus van Nassouwe lustig en vrolijk door de stille straten
der stad. Dit, gevoegd bij een aantal vaandels, omdat men om de 10
man er een had, veroorzaakte eene groote vertooning.

De kapitein der duitschers vroeg verwonderd aan zijne dienstmeid,
wie zoo stout dit Oranjelied durfde spelen, gelastende tevens hen
te berigten, dat hij allen zoude doen hangen, doch die van den Prins
zonden de tijding terug, dat hij zich gedwee zoude houden of men hem
zoude hangen, toen gingen hem de oogen open, en met de meeste verbazing
kwamen zijne soldaten bijna ten halve in tenue en in nachtkleeding,
om behoud van hun leven vragen, dat hen toegestaan werd.

Den volgenden dag trokken zij, sterk 70 man ter poorte uit en
marscheerden naar het nog Spaansch gezinde Sticht van Utrecht.

2. Zou het innemen aldus toegegaan zijn.

Van Zwieten zou de stad omsingeld hebben, zoodat er weinig of geen
toevoer van levensmiddelen in de stad gebragt werd, eindelijk zoude de
bezetting (70 man) op lijfsbehoud naar het Sticht zijn uitgetrokken, en
de stad toen den heer van Zwieten zijn ingeruimd, die hopman Baak met
de zijnen er in legerde. De burgers die uit de stad wilden, mogten naar
dit berigt insgelijks vrijelijk gaan en hunne goederen medenemen. [576]

Doch, hoe ook de ware toedragt der zaak geweest zij, dit is vast,
dat de stad wederom onder Oranje was terug gebragt, maar hoe vond
men haar terug, zij was herschapen in eene ordelooze puinhoop, en de
wallen, kaden en dijken, waren nog in eenen zeer ongunstigen staat
ten gevolge van het beleg.

Zie hier slechts met een paar regelen aangeduid in wat staat zich de
wegen bevonden.

Wij ontleenen dat aan twee rekeningen, beiden op het stedelijk
archief van Oudewater berustende. De eene heeft tot opschrift: »Ano
1578. Reeckeninck gedaen bij Cornelis Dircxz. cley burgemr. van
jaere acht en tseventich binnen Oudewater vande tweehondert ponden
van xl groon tot reparatie van dyckagie ontfangen;" de andere:
»Ao. 1578. Reeckeninck gedaen van ontfanck bij Cornelis Dircxz en Jan
aertsz Burgemrn der stede van Oudewater inden jaere XVc acht ende
tseventich gedient beroeren de vijftich gul ter maent tot behouffe
vand opruyminge van straten bij karolus gul. tot xl groon vlaems den
groot tot iiij dts gerekent."

Uit de eerste schrijf ik deze posten af:


Item de dyckagie opt ratelis opte zuytsyde van dysel gerechtelicken
bestaet en gegeven van maecken ten eersten twesteynde      vyftich gul.

Item noch vant oesteynde van dyck te maecken gegeven            XXXVIIj
k. gul. X stv.

Item tvoorgen gat inde weerdtschen dyck andermael besteet om te
volmaken gegeven van arbeytsloon                                LIIIj--

Item noch op snelreweerde bij de loopcade tgat besteet om te maecken
mette aerde daar bij leggen van arbeyt gegeven              Ij--XIIIj--

Item noch een gat anden ysel ande zuytsyde van dysel twelck mede
doorgegraven was dselve aerde voor een loopschans opgeworpen was
weder of doen effenen van arbeijt gegeven                Ij gul. X stv.

Item noch wyn wynenz. gegeven vant gat van de caye te maecken leggen
buyten die linschoter te maken, twelck tot fortificatie van dezer
stede vuytgegraven was fa                                    IIIj--XV--

Item noch Jan corssen gegeven van zeeckere vuytgegraven dyckcaygie
te maecken in de linschoter dyck hem aenbesteet fa                Ij--"


En uit de laatste: [577]


»Noch een man ses weecken lanck van peuy te laden gegeven des daechs
ses st. tot XXXVj dagen toe fa                                 X--XVj--

Item noch een man van laden des daechs gegeven vyf st. dat dese
weecken lanck compt XVIIj dagen fa                            IIIj--X--

Item nog een man vant laden van seven dagen gegeven daechs ses stuvers
fa                                                             Ij--Ij--

Item noch een man van een dach te laden gegeven                 --Vj--.

Noch een man gegeven van thien dagen te laden des daechs
                                                       IIIj st. f Ij--"


Het protestanstismus nu kreeg nu al meer en meer voet, zoodat dan ook
in September 1578, het placcaat op de vicarijen en kerkelijke goederen
in toepassing gebragt werd, en kerk, convent en en gestichten aldra
onder hun beheer waren, en ook het uitoefenen der Roomsche eerdienst
te Oudewater werd zooal niet vernietigd, dan toch zeer aan banden
gelegd. [578]

Intusschen ging men ijverig met den herbouw der stad door en ook de
industrie begon weder eenigzins te herleven. [579]

Maar om weder tot zijn oude bloei terug te komen, zoude men nog jaren
en jaren behoeven.

Philips den II. zelve was met den ongelukkigen toestand der stad
bewogen, immers op den 26 van sprokkelmaand des jaars 1579, schonk
Z. M. aan de gemeente op verzoek, octrooi en kwijtschelding van pachten
en ter oorzake van den benarden toestand der burgers, waarin zij door
twee belegeringen gebragt waren, blijvende niettemin in haar geheel,
de gratie die men op den 12 November 1576 bereids van Z. M. erlangd
had. [580]

Uit den aanhef van dit octrooi, zien wij, dat men Philips tot nu toe,
als wettigen grave erkend had, spoedig echter, zoude men hem als
zoodanig niet meer dulden. Om dit echter duidelijk te maken moeten
wij een weinig tijds terug en met een vlugtig oog den loop van zaken
bespieden.

Het was in het jaar 1576, dat de prins van Oranje terstond na het
overlijden van Requisens op den 25 April, eene vereeniging tusschen
Holland, en Zeeland tot stand kreeg. De steden Schoonhoven en
Oudewater waren niet op die dagvaart tegenwoordig, omdat zij door den
Spanjaard waren ingenomen, evenmin ook Woerden, dat nog belegerd werd,
maar door hare gemagtigden was het verbond al vroeger bekrachtigd,
[581] ten volgende jare besloot men te Middelburg op een door de
Prins beschreven dagvaart, tot het verbeteren der vesting werken van
Oudewater, Woudrichem, Vlissingen, Veer en meerdere sterke steden [582]
en ook van Bossu die in 1573 gelijk wij weten, vijandig voor Oudewater
verscheen, naderde meer en meer tot de partij der Staatgezinden.

In het jaar 1579, bewerkte prins Willem de vereeniging of Unie van
Utrecht waardoor de provinciën Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland,
Groningen en Vriesland naauwer aan een gesloten werden.

Die vereeniging nu, legde den grondslag tot den volgenden bloei der
vereenigde Nederlanden, en den 26 Julij 1581, zwoer men te ' Gravenhage
Philips van Spanje met zijne nakomelingen voor immer af. [583]

Van af den jare 1579, vinden wij dan ook na het genoemde octrooi
niets meer van Philips of zijne nazaten in de archieven van de stad
Oudewater.

Zien wij nu eerst weer eens vlugtig hoe het in de stad zelve gesteld
is.

In deze tijden, begon men, meer dan tot dus ver de gewoonte hier
scheen, zich met administratie, het maken van acten en het houden
van notulen bezig te houden zoo dat, wilden wij concientieus van
al die bescheiden melding maken, wij te wijdloopig zouden worden
en onzen lezers slechts een dorre inventaris van het archief zouden
bezorgen.--Het is om die reden, dat wij nu en dan slechts--naar onze
wijze van zien,--van de voornaamsten zullen gewagen.

Uit deze tijden dan, vinden wij, onder anderen, ten raadhuize van het
jaar 1580 den staat der pastorie goederen; van 1581 een register van
resolutien en publicatien tot het jaar 1588; voorts van het jaar 1581
eene acte van interdictie door Burgemeester en Schepenen der stad
aan den Bailluw, om voor de vierschaar als Procureur te fungeren;
van 1582 de acte van afstand van het St. Ursulaconvent door de
conventualen tegen genot van pensioen, benevens den staat van eigendom
en de revenuen aan het convent behoorende en verbonden; voorts van
dit jaar de copij eener dispositie der Staten van Holland, waarbij
subsidie wordt verleend ten beloope van 600 pond van 40 grooten,
ter bestrijding der onkosten voor het eerste na 1575 gedragen in
het diepen, ontruimen en opmaken van de have en kade te Oudewater,
benevens de voorwaarden en het Proces-Verbaal van verpachting van den
accijns op de bieren binnen de stad, voor de som van 1000 Gulden van 40
groot het stuk, en een idem van het jaar 1584 tot 1585 van 1500 Gulden.

Men maakt dus alligt met ons de opmerking, dat de stad in bloei begon
toe te nemen, onder anderen:

1o. hieruit, dat de Staten nu slechts subsidie gaven voor het
bestrijden der stads verbeteringen,

2o. omdat reeds de accijns op het bier zoo aanmerkelijk hoog zijnde,
de consumtie zeer groot moet geweest zijn, en

3o. dat ook de Gemagtigden uit Oudewater in het jaar 1583, weder voor
het eerst na het jaar 1575 zitting in den Hoogen Raad namen.

Zoo vinden wij onder de gemeente-archieven, eene originele acte van
volmagt voor de Burgemeesters der stad, om op den 21 Maart 1583 te
verschijnen in 's Gravenhage en te beraadslagen overeenkomstig
de begeerte der Staten, volgens vooraf gedane mondelinge in
schriftelijke mededeelingen van Mr. Paulus Buys, Advokaat van Holland,
hoogstwaarschijnlijk betreffende de benoeming van Willem den I. tot
graaf dezer landen.

De titel van graaf heeft de prins echter niet verworven, omdat eenige
gewesten er tegen waren.

In April 1583 was men van Oudewater weder onder de steden, die geroepen
waren om zeker renversaal den prins over te leveren en dit met het
geheimzegel te bezegelen.

Het was in deze onrustige tijden van binnenlandsche beroeringen,
dat de zorg der Staten ter bewaring van den dierbaren geboortegrond
meer dan ooit noodig was, en geen wonder dan, dat de Burgemeesters en
Regeerders van de stad onzer beschrijving, door Prins Willem zelven
beschreven werden, [584] om op den 16. October 1583 te Dordrecht te
verschijnen, ten einde over het welzijn des lands te raadplegen.

Op de verdediging des lands, was men insgelijks meer dan ooit bedacht,
immers men ontwaart dit uit eenen anderen beschrijvingsbrief, van
wege de Staten van Holland, waarbij Oudewater wordt uitgenoodigd ter
dagvaart te Dordrecht, op den 16 October 1583, ten einde gezamelijk,
met die van Zeeland en Utrecht te besluiten, over eene leening van
125,000 ponden, tot onderhoud van 10,000 soldaten, 1000 ruiters en
1000 pionniers. Zoodanig was de zorg van den Prins en de Staten voor
de jeugdige republiek, zelfs schreef de Prins nog in het jaar 1584
aan de Officieren en Burgemeesters, en daaronder bij name Oudewater
dat zij alle oproerige en verdachte personen uit hunne steden zouden
bannen en geene van elders innemen, dan alleen zij, die van behoorlijke
getuigschriften voorzien waren en den eed van getrouwheid aflegden.

Die voorzorg belette echter niet, dat spoedig na dit bevel, de persoon
van Balthazar Gerards tot in het hof van den Prins wist door te dringen
en op den 10 Julij 1584, verraderlijk den Prins van het leven beroofde.

Groot was de droefenis en de rouw, die dit ontzettende berigt alomme
te weeg bragt, en alhoewel wij het vroeger ter nederschreven, zoo moet
om den geregelden gang het hier herhaald worden. Daags na den moord
aan Willem den Zwijger gepleegd, vergaderden op het stadhuis binnen
Delft de twee voorzitters van de Hoven, edelen en eenige steden. De
vergadering der Staten, werd nu ten spoedigste te Delft beschreven,
om orde en voorziening op het stuk der regering te brengen [585] en
namens Oudewater verschenen dan ook de gemagtigden ten behoorlijken
tijd, na alvorens, volgens uitdrukkelijk bevel gemagtigd te zijn [586].

»Intusschen," zoo schrijft Van Kinschot [587], waren die van 's
Prinsen Raad gemagtigd, om hunne diensten te vervolgen, totdat
ten aanzien der Regering anders zoude voorzien zijn. De edelen en
afgevaardigden der steden nu te Delft bijeen zijnde, deden den eed
voor den Voorzitter Nicolai, dat alle beraadslagingen en gevoelens op
het stuk der Regering zouden geheim blijven. Toen men nu voorloopig
genoeg over dit gewigtig onderwerp had gesproken, getuigden die van
al de kleine steden te willen vertrekken, om de groote kosten van het
bijwonen der vergaderingen te verhoeden, belovende echter, zich van
de vereeniging tusschen Holland en Zeeland nimmer te zullen scheiden,
waarop zij den volgenden dag ontslagen werden.

Voorts verschoonde Oudewater nevens de kleine steden zich, om dezelfde
reden, tot het niet bijwonen der begrafenis van den Prins. De Staten
namelijk hadden bevolen, dat die teraardebestelling op de plegtigste
wijs zoude geschieden, en onder anderen zouden er twee gemagtigden
van iedere kleine stad tegenwoordig moeten zijn, gekleed in lange
rouwmantels en ieder hunner weder vergezeld van hunne boden, die
achter hen moesten gaan met een zwarten mantel omhangen waarop of op
de borst de bus der stad moest aanwezig zijn.

Maar vervolgen wij den algemeenen loop van zaken. De koningin
van Engeland stond eerlang de Staten bij, met eenige duizenden
krijgslieden, onder bevel van den Graaf van Leycester, maar hij
rigtte weinig tegen de Spanjaarden uit, en daar hij een slecht en
heerschzuchtig mensch was, onder schijn van godsvrucht den baas zocht
te spelen, niet alleen naar het Stadhouderschap trachtte, maar zelfs
de opperste magt in het land uitoefende, benoemden de Staten Prins
Maurits, zoon van Willem den I, spoedig tot opvolger zijns vaders.

Leycester aldus teleurgesteld, keerde spoedig weder terug, hoewel de
krijgslieden nog eenigen tijd bleven.

Woelig was dus de tijd en schadelijk voor de kleinere gemeenten,
die de lasten van den krijg zeer zwaar te dragen vielen. De Staten
van Holland zonden dan ook op den 17 Augustus 1584 eene aanmaning
aan de stad Oudewater tot voldoening van 250 pond, als aandeel der
gemeenten in den algemeenen omslag en contributie, ten einde in de
groote lasten van den oorlog te voorzien.

De stad moet echter ten dezen tijde van vrij goede defensien voorzien
zijn geweest, ware dit toch niet aldus, dan hadden ongetwijfeld de
Staten in 1585 niet aan de stad bevolen, om binnen hare muren voor min
of meer geruimen tijd eene vrij aanzienlijke bergplaats voor granen
in te ruimen. [588] Het was mede in het jaar 1585, dat de stad aan
de Westzijde aanmerkelijk vergroot werd, daar de Staten het Veer aan
Oudewater toevoegden. [589]

Zooals wij hierboven meldden, moest de heerschzuchtige Leycester
weldra, in 1586, de Nederlanden verlaten, doch het leger,--staande
onder soldij der koningin van Engeland,--dat hij achter liet, was nog
10,000 man sterk. Deze manschappen wilde Leycester in verschillende
steden en sterkten gelegd zien, en daardoor wilde de graaf zich van die
steden verzekeren. [590] Alhoewel wij Oudewater niet op de lijst dier
steden vinden gerangschikt, zoo vinden wij toch op het gemeente-archief
van het jaar 1586 diverse copijen van bevelen, tot het leggen van
een ander garnizoen binnen de stad, als ook verschillende stukken
aangaande den kommandant van de bezetting binnen de stad Lancelot,
Heer van Marbaijs.

In sommige steden, gingen in 1587 de vijandelijkheden der Engelschen
zelfs tot geweldenarijen over en ook liepen zij het platte land
tusschen Utrecht, Amsterdam en Gouda af. [591]

De Staten van Holland en Zeeland namen nu dan ook maatregelen, om
zich tegen den aanhang van Leycester te versterken, en magtigden
prins Maurits, om het gezag hem bij lastbrief en berigtschrift, als
stadhouder en kapitein Generaal opgedragen, metderdaad te gebruiken: om
alle oversten, bezetting houdende in de gemelde gewesten, lastbrieven
te geven, en zich en de staten gehoorzaamheid en getrouwheid te
doen zweren. Het veranderen der bezetting stelden zij aan hem of
aan Hohenlo, zijnen luitenant, bij goeddunken van de Staten of hunne
gemagtigden; het verleenen der patenten tot inlegering of doortogt,
moest op dezelfde wijs geschieden. Deze regelen uit Wagenaar [592]
naast het archief der stad Oudewater gelegd, komen treffend overeen,
immers van den 6 Maart 1587, vinden wij daar een placcaat, aangaande
de order, gesteld op de passagiën en doortogten van de ruiters en
knechten, binnen de landen van Holland en West Vriesland en tegen
alle inlegeringen en overlast van hen, binnen de voorschreven landen,
en van 12 October 1587 eene missive, houdende verzoek, om meerder
garnizoen binnen de stad te willen ontvangen, geteekend door Philips,
grave van Hohenlo.

Voorts werden insgelijks in verscheidene Hollandsche steden, tot
bewaring derzelve, ingevolge besluit der Staten eenige knechten in
waardgeld aangenomen.

Inmiddels sloeg in verscheidene steden de bezetting aan het morren,
dat tot hevige dadelijkheid overging. Het krijgsvolk van den Staat, had
zich al eenige jaren moeten vergenoegen met 2/3 hunner soldij, terwijl
hun voor het overige gedeelte, schuldbrieven geleverd werden. Nu
wilden zij volle afdoening en weigerden den Staten en Prins Maurits
gehoorzaamheid, zich beroepende op den eed aan Leicester gedaan.

Te Oudewater was men insgelijks ontevreden, getuigen de diverse
processenverbaal tegen het garnizoen in 1587-1588 opgemaakt. [593]

Maar Philips den II. zat insgelijks niet stil. Ook voor hem moest men
steeds op zijne hoede zijn, doch in 1588 poogde men weder vrede te
maken, en op de Statenvergadering, uit dien hoofde te 's Gravenhage
belegd, waren de gemagtigden van Oudewater weder tegenwoordig. Het
schijnt echter, dat men meer en meer de meest mogelijke voorzorgen
ter verdediging nam, ten minste de schutterij te dezer stede was in
dezen tijd op een zeer actieven voet gebragt.

Utrecht zelfs, dat Oudewater zoo menigen keer met zijne troepen
bevochten had, zond op den 22 April 1589 eene missieve aan die van
Oudewater, waarin gemeld werd, dat de vijand omtrent 30 man sterk,
den vorigen avond door Jutphaas neerwaarts gepasseerd was. Die van
Utrecht verzochten daarin »Crysvolck" uit te zenden, het slaan der
klokken ten platten lande als anderzins, ten einde de Spanjaarden
betrapt en achterhaald mogten worden. De Stichtschen schreven voorts,
dat ook zij hunne maatregelen genomen hadden.

Maar de toestand van het Spaansche leger in deze gewesten werd al
zwakker en geringer, de troepen gingen eerlang hier en daar aan het
muiten, en prins Maurits won door list en krijgsmagt een aantal steden.

Het was in 1598, dat Philips de II. overleed, en in de Spaansche
Nederlanden werd opgevolgd, door zijnen zoon Philips den III.

De krijg duurde inmiddels voort. In het jaar 1600 had de groote
overwinning door Maurits bij Nieuwpoort plaats, waarbij de Admirant
van Arragon krijgsgevangen gemaakt werd. Men wilde nu van de zijde
der Staten, dat deze niet dan met woeker zoude ingewisseld worden,
en wij vinden dan ook in het archief der stad Oudewater van den 21
Januarij 1601, de copij van eene missieve, aan de Staten van Holland,
houdende aanvraag van wege de algemeene Staten om eene naamlijst van
al de krijgsgevangenen, om te kunnen worden ingewisseld tegen den
Admirant van Arragon.

Wij stappen nu eenige jaren met stilzwijgen voorbij, waarin weinig
van aanbelang te Oudewater geschiedde. Philips den III. echter werd
in 1609 den krijg zoodanig moede, dat hij met de Staten een 12 jarig
bestand sloot. [594] Men mogt nu van buiten eenige ruste genieten,
maar van binnen, zou weldra weder een zeer hevig vuur van tweedragt
beginnen te branden. Wij bedoelen de twist tusschen de Remonstranten en
contra-Remonstranten. In eenige steden liepen de geschillen weldra zeer
hoog en wij zullen den vriendelijken lezer bij behoorlijke verwijzing
naar de bronnen aantoonen, dat die in de stad Oudewater niet van de
minste waren.

De stichter van het Remonstrantismus was Jacobus Arminius, zoo als
wij weten in Oudewater geboren, [595] en zijn grootste tegenstrever
de Heer Gomarus, ten jare 1603, beide Hoogleeraren in de theologie
aan de hoogeschool te Leiden.

Wij mogen ons bij de punten hunner geschillen niet uitsluitend ophouden
maar ons in het kort bepalen bij de uitwerkselen hunner twist.

Over den inhoud van den Heidelbergschen-Catechismus echter, waren
beiden het zeer oneens, en na veel aanhouden werd er in 1606 eene
Nationale Synode met toestemming der Algemeene Staten gehouden. [596]

De verdeeldheid won echter meer en meer veld en in het jaar 1608,
werden de zaken voor den Hoogen Raad gebragt.

Wij zeiden het reeds vroeger, ieder dezer hoogleeraren had zijnen
aanhang. De predikanten deelden voor het grootste gedeelte in het
gevoelen van Gomarus; doch de meeste Wethouders hielden het met
Arminius wiens leer gemakkelijker te bevatten scheen. [597] Onder
anderen was de balluw Gerrit Gerritszoon Crayestein te Oudewater den
contra-Remonstranten eveneens zeer vijandig.

Weldra ontstond er nog een ander geschil, waarbij de Wethouders
nader belang hadden en dat hen meer en meer genegen maakte tot hen,
die van Arminius gevoelen waren; deze toch schreven der burgerlijke
overheid het regt toe, om over kerkelijke zaken te oordeelen, daar
Gomarus en de zijnen beweerden, dat men over kerkelijke zaken, in
kerkelijke vergaderingen moeste beslissen.

In 1609 werden de hoofden van beide partijen nog eens gehoord in de
vergadering der Staten van Holland, waarop Arminius echter spoedig
overleed [598].

De verdeeldheid ging echter met onzen stadgenoot niet ten grave; maar
barstte spoedig in verschillende steden tot openbare beroerten uit.

Te Oudewater had de Contra Remonstrantsche predikant Joannus Lijdius
zich in 1617 afgezonderd van de Classis, zonder zich, door de Staten,
of hunne afgezondenen te laten bewegen tot hereeniging. De opschudding,
die hieruit ontstond, was op het hevigst ten tijde der gewoonlijke
verandering der Wethouders, die men nu genoodzaakt werd te doen naar
den zin der ijveraars, die de zijde hielden van Lijdius [599].

Wij zullen ons bij de bijzonderheden van die twisten binnen Oudewater
niet ophouden, omdat wij er over beginnende, een paar honderd pagina's
daarvoor zouden behoeven. Wie lust heeft zich met die bijzonderheden
van de oneenigheid der twee partijen nader bekend te maken, leze de
volgende drie in de noot aangeduide brochures [600] en ga de diverse
stukken op het raadhuis over die geschillen bestuderen. Indien hij
dan van het »Audi et alterem partem" houdt, zal zijn wensch in ruime
mate bevredigd worden.

Wij ontleenen aan het »historisch verhaal" kortelijk het volgende:

Het was op den 27 Februarij 1615, toen de resolutie van de Staten
omtrent den kerkevrede in het licht verschenen, maar nog niet aan de
steden overgezonden was, dat de predikanten, de Raat en Lijdius op
het stadhuis ontboden waren, en gevraagd werden, of zij al dan niet
van voornemen waren, zich daarnaar te gedragen.

De leeraars stemden in eenige zaken terstond in, dat zij zich er naar
zouden gedragen, doch omtrent alles wat in die resolutie vervat was,
konden zij hunne toestemming nog niet geven, waarom zij 14 dagen tijd
van beraad verzochten, dien zij verwierven [601].

Des avonds waren er eenigen van den kerkeraad bij Lijdius, en zij
verhaalden, wat hun dien dag was voorgehouden, waarop men besloot
aan de broeders, de predikanten te Amsterdam, en nog aan een andere
»kercke" schriftelijk om raad in die aangelegenheid te vragen.

De ouderling Gerrit van Galen, was echter niet bij die bijeenkomst
geweest, dat hem zeer zoodanig verbitterde, dat hij den 9 Maart in
den kerkeraad ontboden zijnde, weigerde te verschijnen, en hoewel hem
dikwijls gezegd werd, dat het zonder kwade bedoelingen geschied was,
zoo konde men hem niet overtuigen. [602]

Op het schrijven aan de predikanten der stad Amsterdam volgde den 7
Maart daaraanvolgende van den Magistraat eene missive [603] aan de
eerentfeste, wijse voorsienige, seer descrete heeren van Oudewater,
waarin de leden van den magistraat »vrunts ende naburlijk versocht
werden, de gemoederen van den ingezetenen niet te verbitteren,
ofte hen in hun gemoed te bezwaren", verder verwezen zij naar den
zorgvollen toestand des lands en op de gevaren die voor hetzelve door
de tweedragt ontstaan zouden enz. enz.

De Magistraat beantwoordde spoedig deze letteren, waarin hij de
toedragt der zaak meldde, en zeide zonder kwade bedoelingen te zijn.

De gemoederen werden echter spoedig meer en meer verbitterd. Menigmaal
gingen de oneenigheden tusschen predikanten, magistraat, burgers en
militairen tot dadelijkheden over, zoodat wij ons genoopt gevoelen
tot den draad der geschiedenis terug te keeren.

Men had nu te Oudewater en elders gezien, dat de onderlinge
verdeeldheid niet alleen uitliep, op scheuring in de kerk, maar dat er
insgelijks ongewone veranderingen in de regering der steden daardoor
te weeg gekomen waren.

Zij, die nader de zijde der Remonstranten hielden, hadden al in den
aanvang der oneenigheid, ongewone pogingen gedaan, om lieden van hunne
gezindheid op het kussen te helpen, op plaatsen daar de meerderheid
der Regenten hen tegen was [604]. Doch nu sterker en meer openlijk
ondersteund wordende, begonnen de Contra-Remonstranten, de door hen
gewenschte veranderingen, met beteren uitslag in het werk te stellen.

Ook had men den prins doen gelooven, dat de advokaat van Holland en de
tegenwoordige regering de beperking van zijn gezag zochten; immers niet
bewilligen zouden in zijne verheffing en dat de Contra Remonstranten
daarentegen op een vergroot gezag van den prins gesteld waren. Geen
wonder dus, dat men besloot op eene bijzondere wijs tegen hen te waken.

Dit nu kon geschieden door middel der gewone landssoldaten, door de
schutterij of door van nieuws geworven knechten uit de ingezetenen. De
prins had echter zwarigheid gemaakt, om die van de vesting Oudewater
na den moedwil aldaar gepleegd, op hun verzoek nog een vendel knechten
toe te staan [605], het moet ons dus niet vreemd toeschijnen, dat wij
van het jaar 1617, waarvan wij nu schrijven, onder de archieven der
stad diverse stukken en naamlijsten vinden, omtrent de »rustbewaarders"
binnen Oudewater.

Men besloot nu tevens, tot het aanstellen van waardgelders en de
meerderheid der Staten van Holland nam op den 4 September 1617
een besluit, dat de Contra Remonstranten, sedert genoemd hebben
de »Scherpe-Resolutie" [606] maar eenigen tijd hierna besloot,--na
veel discussien, die over dit punt gevoerd waren,--de Hooge Raad,
die Resolutie van den 4 September niet te achtervolgen.

Veel, ontzaggelijk veel zouden wij nu nog over die oneenigheid kunnen
schrijven tot in het jaar 1618, als wanneer prins Maurits zelf besloot
verandering in den Magistraat van eenige steden te gaan maken, en
zoo toog hij dan ook onder anderen in September 1618 naar de stad
Oudewater waar hij eveneens verandering in de regering bragt.

De synode van Dordrecht werd in 1618 en 1619 gehouden, dat eveneens
geruimen tijd een punt van verschil had uitgemaakt.

Wij moeten onze lezers nu opmerken, dat het 12jarig bestand met het
begin van het jaar 1621 zoude ophouden, en nu begonnen de vereenigde
Staten zich gereed te maken om verwerender wijs te oorlogen.

Het was eveneens in dit jaar, dat Philips de III. overleed, en dat
zijn zoon Philips IV. hem in de regering opvolgde en spoedig werd nu
de krijg weder hervat.

Wij vinden echter niet, dat de stad onzer beschrijving in den oorlog
vooreerst betrokken werd, slechts treffen wij op het stadhuis het
afschrift van een bevel aan van Prins Maurits, aan den te Oudewater
liggenden kapitein Gibson, om met zijne compagnie uit Oudewater te
gaan, onder de bevelen van prins Hendrik van Nassau dato 9 Augustus
1623. [607] Terwijl de tijden aldus in woeling voortvlieden, ontving
men in April 1625, de tijding van het overlijden van Prins Maurits,
en het aanstellen van Prins Frederik Hendrik en wij vinden dan ook al
spoedig op het archief der gemeente de bewijzen zijner stadhouderlijke
waardigheid.

Inmiddels in den oorlog, die ter zee gevoerd werd, waren er van
Oudewater eveneens meestentijds tegenwoordig, zoodat er dan ook, dato
16 Februarij 1626, eene merkwaardige lijst op het stadhuis bewaard
wordt, waarop de namen staan uitgedrukt van personen alhier te huis
behoorende en ter zee krijgsgevangen gemaakt, en eveneens berusten
er van 1636 dergelijke stukken ten raadhuize. [608] De bevolking der
stad dunde dus door dit gestadig oorlog voeren zeer. Nog in 1637
werden daarenboven uit Oudewater 50 manschappen uit de burgerij
geligt om te Steenbergen garnizoen te houden. Dit deed de oorlog,
maar hij dunde niet alleen de bevolking der stede. Weder was het de
vege pestziekte die er woedde. In het jaar 1627 had zij een derde en
in 1636 de helft der bevolking ten grave gesleept. [609]

In het jaar 1647 overleed de zeer vereerde prins Frederik Hendrik
en zijn zoon Willem de II. volgde hem spoedig op, maar reeds in het
volgende jaar 1648 werd de vrede met Spanje gesloten. De vereenigde
gewesten werden nu voor eenen vrijen staat erkend.

Veel bloed is er in dien krijg vergoten en de stad Oudewater had er
in groote mate zijne treurige rol in gespeeld.

Wij zouden nu een tijdvak van een 30tal jaren met stilzwijgen kunnen
voorbijgaan, waarin men den naam van de stad bijna noch in openbare,
noch bijzondere geschiedenis vindt aangeteekend. Om den draad der
gebeurtenissen echter niet te verliezen, moeten wij toch vlugtig den
loop van zaken schetsen.

Nadat de vrede met Spanje gesloten was, behoefde men zoo veel
krijgsvolk niet meer in dienst te houden; maar nu wilde de provincie
Holland meer volk afdanken dan de prins en de overige provinciën, en
de twisten, die hieruit ontsproten, waren spoedig weder allerhevigst.

De prins overleed echter in het jaar 1650, en eenige dagen daarna
beviel de weduwe van eenen zoon, die men spoedig onder den naam van
Willem den III. zal leeren kennen.

Na den dood, van den Spaanschen koning Philips den IV. maakte de
fransche vorst Lodewijk de XIV., die gehuwd was, met eene dochter
van den overledenen Philips, aanspraak op de Spaansche Nederlanden,
waarin hij ook dadelijk eenige veroveringen maakte.

De Staten nu, wilden Lodewijk niet gaarne tot nabuur hebben en
wisten een verbond te sluiten met Engeland en Zweden, ten einde
Lodewijk XIV weder met Spanje te verzoenen. De vrede kwam dan ook
terstond tot stand; maar Lodewijk was hierover op onze Staten zeer
verbitterd. Hij was echter te loos, om hun terstond den oorlog aan
te doen; eerst moest hij het verbond tusschen Engeland en Zweden met
de Staten hebben vernietigd, eerst poogde hij de Staten er van af te
trekken, doch toen hem dit mislukte, beproefde hij het met Engeland,
dat gemakkelijker ging. Ja, Karel liet zich zelfs door Lodewijk
overreden om met hem ons te beoorlogen.

De twee vorsten, wisten nu Zweden insgelijks aan hunne zijde te
brengen, en daarenboven spanden zij nog zamen met den Bisschop van
Munster en den keurvorst van Keulen, ten einde met vereende magt ons
land te overrompelen en te verdeelen.

Duister was dus het vooruitzigt. Wel sloten wij een verbond met onze
oude vijanden, de Spanjaarden, maar die waren nu te magteloos, om er
veel van te kunnen verwachten. Men zocht zich te wapenen, maar het
was weder inwendige verdeeldheid, die dit grootelijks verhinderde. De
oneenigheid ontsproot ter oorzake van den Prins van Oranje, die toen
nog geene staatsambten bekleedde, dat velen, en inzonderheid het
gemeen, zeer mishaagde.

Eindelijk stemde men echter toe, dat de Prins voor eenen veldtogt,
den veldtogt, die nu aanstaande was, en ook Oudewater zoude beroeren,
zou worden bevorderd.

Den 7 April 1672, werd door Lodewijk den XIV en Karel den II, aan
de Staten, gelijktijdig den oorlog aangezegd en naauwelijks was dit
gebeurd, of de Fransche, Munstersche en Keulsche legers trokken met
eene ontzaggelijke magt op ons land aan, die op omtrent 170,000 man
begroot werd. Overwinning op overwinning werd spoedig door hen behaald
en Oudewater viel insgelijks in den magt der franschen. [610]

Wij moeten dit echter eenigzints breeder uiteen zetten.

Het Sticht was nu bijna geheel in de magt der Franschen en ook
Montfoort werd den 25 Junij 1672 met een 150tal van hunne musketiers
bezet.

Voorts had het leggen van een dam in den Rijn aan de Nieuwerbrug de
steden Woerden en Oudewater, doen besluiten, dat het ongeraden was,
zich te verdedigen, hoezeer er ook op aangehouden was. Zij zagen zich
dus in de noodzakelijkheid gebragt, eveneens van den Franschen koning
vrijhoede te verzoeken. Dit werd vergund, en de markgraaf van Rochefort
werd op den 24 Junij met eenige honderde paarden in Woerden gelegerd,
terwijl hij des anderen daags ook eenig paardenvolk naar Oudewater
zond. Beide steden bedongen de gewone vrijheden. [611] Tot dusverre
Wagenaar. Omtrent dit voor geheel ons vaderland en ook voor Oudewater
zoo merkwaardig jaar, meldt de Nederlandsche historieschrijver Lambert
van den Bosch, ons [612] in betrekking tot de stad onzer beschrijving
nog een aantal bijzonderheden, die overwaardig zijn hier kortelijk te
herhalen. Nadat Turenne den 11 Julij door Nijmegen over de Maas naar
's Hertogenbosch getrokken was, vervolgt hij in dier voege:

De prins was met zijne troepen naar beneden afgezakt, en de Hollandsche
posten alom bezettende, beval hij den grave Willem de Hornes, (ook de
graaf van Hoorn genoemd) om zich een uur beneden Oudewater te legeren.

De stad bevond zich intusschen in de uiterste verlegenheid, en
geen wonder, daar er binnen hare wallen noch oorlogsvoorraad,
noch garnizoen, noch een genoegzaam getal burgers ter verdediging
waren. Men begrijpt dus ligtelijk, dat men vreesde den moedwil der
vijanden ten prooi te zullen worden. Om hierin echter zoo goed mogelijk
te voorzien zond de magistraat aanstonds een persoon naar Utrecht om
aldaar te verblijven, met aandacht alles gade te slaan en vandaar,
der stede regering omtrent den stand van zaken te verwittigen, met
en door de posten die zij daartoe van plaats tot plaats hielden;
alzoo ontvingen zij op verscheidene uren des daags kondschap.

Intusschen verzuimde men alhier niet, Gecommitteerden naar 's
Gravenhage te zenden; niet alleen om beklag te doen, over hunne
afsnijding van de gemeene defensie; maar eveneens om te verzoeken,
dat in de benarde veste het noodige garnizoen en oorlogsammunitie
bezorgd werden; tevens ook aandringende op eene spoedige herstelling
en verbetering van de stads wallen en sterkten; men beval den
Gecommitteerden voorts, te zeggen, en de Raden te doen overtuigen
van de gewillige genegenheid der burgerij voor vaderland en stad,
die zich bereid toonde goed en bloed te wagen.

Voorts verlangden de afgezanten te willen weten, indien hun de magt
tot tegenweêr ontbrak, hoe de autoriteiten der stad zich te gedragen
hadden, als de vijand Oudewater naderde, zijn legerschare zich voor de
veste ontplooide, en haar opeischte, daar zij den eed van getrouwheid
aan den staat hadden gedaan, en zonder hunne kennis geen ander Heer
aannemen konden. Op het eene zoo goed als op het andere, ontvingen
zij echter weinig troost en raad. Men besloot dus naar den prins te
gaan, die met zijne troepen te Bodegraven lag, maar de verwarring,
die in de gemeene zaken heerschte en den geringen tusschentijd die
men had, om te overleggen wat men doen zoude, deden hen ook van hier
onverrigter zake wederkeeren.

Hagchelijk dus was den toestand binnen de verzwakte muren; wel is
waar lag de graaf van Hoorn met de zijnen omtrent een uur afstands
van het stedeken bij de Wierinkken en derzelver sluizen, kunnende hij
daardoor Oudewater en omtrek deels onder water zetten door middel van
den Yssel, wanneer er slechts water genoeg in opvloeit, maar gelijk
de zorgeloosheid dier tijden, de veste had doen vervallen, als niet
bedenkende, ja bijna onmogelijk achtende, dat eenig vijand tot zoo ver
zoude kunnen inboren, zoo was er in de stad bijna geen krijgstuig,
dan slechts in een »vervuilden hoek" een paar oude ijzeren stukken,
en eene koperen goteling van vier pond; buskruid bezat men niets. De
magistraat zond naar deze en gene plaats om eenige tonnetjes te
koopen, doch ijdel was hunne poging, alleenlijk zond de persoon;
die te Utrecht op kondschap lag, nog een tonnetje van ongeveer
80 ponden. Wanneer alles in de wapenen kwam, kon de burgerij ter
naauwernood 5 à 600 man uitmaken, anders konden de 2 compagnien niet
boven de 300 mannen uitleveren.

Soldaten, officieren, commandeurs enz., had onze stad [613] in geen 30
à 40 jaren gekend, zoodat de inwoners met den dappersten leeuwenmoed
bezield als zij waren, weinig konden uitrigten tegen de magt der
Franschen, die als een dreigend onweder van boven kwam opzetten.

Men wachtte echter nog op tijding uit Utrecht. Ondertusschen werd de
Magistraat van zijne naburen gewaarschuwd, dat het zeer verkieslijk
zoude zijn, bij tijds naar eenig goed accoord uit te zien, daar die
van Utrecht al gecapituleerd hadden; maar daartoe ging men echter
nog niet over.

Daar komt eensklaps de persoon die te Utrecht op kondschap was, de
verpletterende tijding aan den magistraat berigten, dat hij in persoon
de Franschen binnen Utrecht had zien trekken, en hij ter naauwernood
hen vooruit had kunnen spoeden om dit berigt hier kenbaar te maken,
niet twijfelende of zij zouden zich ook spoedig voor de poorten
van Oudewater bevinden. En de bode had zich in die meening niet
bedrogen. Immers de Franschen nergens eenigen tegenstand vindende,
zakten gedurig nederwaarts af.

De graaf van Hoorn had echter door het openen der sluizen het land
aan de benedenzijde der stad onder water gezet, maar dit kon de
dijken en het hooge land boven de stad, naar de zijde van Utrecht,
niet hinderen. De magistraat aldus geen anderen uitkomst dan
capituleren vinden kunnende, en vernomen hebbende, dat de vijand
in aantogt was, besloot ten laatste hem in het gemoet te gaan, om
eenige gunstige voorwaarden te bedingen; en men had nog juist bij
tijds dezen gewenschten maatregel genomen. Naauwelijks toch waren de
Gecommitteerden tot het naburig Montfoort genaderd, of zij ontmoetten
de Fransche voortroepen, aangevoerd door den Markies de Genly. Ons
gezantschap werd beleefdelijk door hem ontvangen en hij deed hen
terstond goede beloften.

Vreemd was hier de uitwerking, die de spoedige beslissing van de
Gecommitteerden gehad had. Zij toch waren 2 à 3 uren ter naauwernood
ter poorte uit, en treden haar nu weder binnen, vergezeld van genoemden
Markies en eene menigte musketiers. Dit gebeurde in den namiddag van
den 25 Junij 1672, des namiddags tusschen 2 en 3 ure; en ziet hier
dus Oudewater insgelijks gebukt onder de fransche overheersching. De
Markies Genly hield met zijne troepen halt, toen de Burgemeesters hem
ontmoetende ontvingen, als wanneer hij uit naam van zijne Majesteit
bekend maakte, dat om reden de stad zich zoo gewillig stelde onder de
gehoorzaamheid van den koning, zij ook zoude behouden vrijheid harer
regten, privilegien, goederen en personen, als ook van religie en
conscientie; voorts dat hij in den naam zijns konings tot bezetting
binnen Oudewater zoude leggen niet meerder dan 50 van zijne troepen
of musketiers. Deze waren allen edellieden, die te paard en te voet
den koning dienden. Hunne uniform bestond in een blaauwe casakke met
zeer fraaije passementen en lelien gegarneerd.

Het was echter eene geringe bezetting. Buskruid bezaten zij niet,
zij hadden geene andere verdedigingsmiddelen dan hunne snaphanen,
pistolen en zijdgeweer. Niemand dezer troepen sliep gedurende den
nacht binnenshuis, maar zij waren allen gedurig beurtelings op straat,
uit vreeze van overvallen te worden.

Zij schreven naar Utrecht om ammunitie en daar die ook zoo spoedig
niet kwam, verdeelden zij de 80 ponden kruid die men vroeger van
Utrecht ontvangen had.

Niet lang bleef het bij deze weinige manschappen, daar zij op
den 29 Junij des namiddags naar Utrecht vertrokken zijnde, zij des
voormiddags vervangen waren door ongeveer 300 fransche voetknechten,
waarvan de helft Zwitsers waren. Ook die vertoefden hier slechts een
paar dagen, maar op den 1 Julij kwamen hier in garnizoen niet minder
dan 32 compagniën, die ongeveer 1600 man sterk waren.

Dit was een zeer schoon volk, zijnde van het regiment Royal. Tot
hun legertros behoorden eene menigte paarden, muilezels, karren en
bagage, en zooals men ligtelijk begrijpt, ook de »fransche wijven
soetelende" waren insgelijks hierbij tegenwoordig. Wat echter de
bedrijvigheid aanmerklijk verhoogde en zeer afstak bij de blaauwe
met leliën bestikte uniformen, waren eene groote menigte paarden,
koeijen, schapen etc., die onderwege den boeren waren afgenomen,
en nu mede ter stede werden binnengevoerd.

De officieren werden hier en daar bij de burgers gebilletteerd, maar
de soldaten, moesten zich op de wallen en in de baanhuizen behelpen.

De commandant der troepen, die in de stad verbleef, was een La
Pornerie, maar op den weg naar Utrecht lagen nog 9 standaarden
Ruiterij, waarover de Markies de Renti gebood.

Nadat de Franschen zich dus in en om Oudewater gelegerd hadden,
eischte de Commandeur van den magistraat al de timmerlieden om de
ypenboomen rondom den stads cingel staande, af te kappen, die tot
pallissaden gebezigd werden. Men groef namelijk boven op de wallen
(in plaats van de borstweringen, die geslecht lagen), eene diepe
doorgaande voor, waarin de pallissaden, beurtelings korte en lange,
geplaatst werden. Daarna werden deze zoo digt met aarde aangevoerd,
dat men er slechts met een musket konde doorschieten. Voorts hield
men eene zeer scherpe wacht, terwijl het aan een ieder verboden was,
na negen ure des avonds over de straten te gaan.

De stad aldus met een groot getal militairen bezet blijvende, deed
de Commandant ook eene brigade ruiterij leggen, van af de Nieuwpoort
langs den IJssel, dat dan grave van Hoorn, die zooals men weet tot het
leger van den prins behoorde, deed besluiten, zoo digt mogelijk ook
met den zijnen onder de stad post te vatten, ten einde aldus des te
beter den vijand dagelijks te bestoken in stede van door hem in zijn
kwartier gedurig verontrust te worden, en alzoo dit in het gezigt der
stad op de sluis bij het huis te Vliet het voordeeligst konde [614]
geschieden, zoo heeft hij, om den vijand te misleiden, en op dat
hij hem in de uitvoering van zijn plan niet hinderlijk zoude zijn,
150 musketiers van zijn regiment, door den tiendeweg langs Honkoop
doen defileeren. Deze nu aan de andere zijde van Oudewater aangekomen
zijnde, bezetten de huizen, die aan den IJssel stonden, waaruit zij
onophoudelijk op het ruiterkwartier des vijands begonnen te vuren. Niet
alleen dat de krijgslist van den wakkeren grave van Hoorn gelukte,
maar de Franschen werden door het gestadig schieten van deze 150 man
zoodanig verontrust, dat zij naar Woerden, Montfoort en Utrecht om
bijstand zonden, en daar zij voor verdere bemoeijelijking bedacht
waren, verbrandden zij de meeste huizen van de buurtschap Willeskop
en die om de stad stonden.

Toen intusschen de prins, in zijn kwartier het gestadig en langdurig
schieten hoorde, en den zwaren brand zag opgaan, wist zijn Hoogheid
niet wat dit beduidde.--Hij kwam dus eerlang met eenige Ruiterij
tot aan Goejanversluis en nu niet anders denkende of het voornoemden
kwartier werd aangegrepen, reed hij in persoon tot het huis te Vliet
nabij de stad. De krijgslist van den grave van Hoorn vernemende,
droeg dit 's prinsen hooge goedkeuring weg, en ziende hoe de vijand
nog immer aan de andere zijde der stad misleid werd, deed de grave van
Hoorn in het gezigt van het leger der Franschen een retrenchement
opwerpen. Dit alles geschiedde bijna zonder verlies der onzen;
slechts een Kapitein werd zwaar gekwetst. De vijand daarentegen
had naar berigt van gevangenen en overloopers een aantal dooden,
waaronder eenige voorname officieren.

Verder verhaalt van den Bosch nog het volgende, dat wij hier doen
volgen:

»De Franschen hadden doorgaans grooten lust en moed om Holland in
te breken; en sekeren kapiteyn S. Mark, hoorende dat men het lant
konde onder water setten, bestond daar op te vragen, of men soo
gantsch Holland konde doen? men antwoorde hem ja: en dat hy maar
eens op den tooren klimmen soude, soo konde hy naaktelijk het water
beneden de stad rontomme sien stroomen. Hy vraagde, hoe het dan de
steden maakten, of die ook niet onder water raakten? men seyde neen,
dat die hooger als het platte lant waren, en dat men het water soo
hoog door de sluysen in konde laten als men wilde. Hy vraagde ten
derde-malen, of het lant dan niet door dit water bedorven wierd? en
bericht werdende, dat de Hollanders liever een bedorven, als geen
lant hadden: en wanneer sy geen vyant meer en hadden, dat sy dan
hare landeryen met molens wederom droog maakten, de welke met'er tijt
wederom haar oude wesen ontfingen. Doen seyde hy met een euvelen moed,
ik hoore wel, die duyvels sullen aan onsen koning niets willen geven.

»Voorts waren sy bysonder bezig de gestalte van de Staatsche troepen,
aan Goverwelle, uyt te vorsschen; vragende, hoe den oversten van de
Hollandsche troepen, beneden de stad, genaamt was, en hoe veel volk
hy by hem hadde; men antwoorde haar, dat het de Grave van Hoorn
was, zijnde onseker hoe sterk hy van volk mochte zijn: maar men
giste omtrent de 6000 man, gelijk ook de burgers niet beter wisten:
hoewel naderhant gebleken is, dat sy in het eerste geen 1000 mannen
konden uyt-maken. Sy spraken veel van Leyden, en wilden daar na
toe: men seyde, sy moesten dan aan een andere oort zijn, en voor-by
het quartier van sijn Hoogheyt den Prince van Orangien trekken; sy
vraagden, hoe sterk die van volk was? het antwoord was, dat, dewijle
hy den Generaal was, wel 10000 man moeste by hem hebben: waar op sy,
dit getal seer gering oordeelende, het een lichte saak achten, en
seyden geheel Holland te vermeesteren: maar toen men haar berichte,
dat sy seer naauwe en afgetrencheerde dijken en wegen te passeeren
hadden, daar sy naauwelijks 4 a 5 in front souden konnen aankomen,
sakten den grooten moed gelijk sy was opgeswollen.

»Den 11 July, als wanneer ik des morgens vroeg ten half drien, met het
opkomen van den dag, op-geschelt werdende, en ter bedde uyt-springende,
sag ik door het venster de gantsche stad in rep en roer, en den Marquis
de Genly, sittende op syn paart voor mijn deur, met een seker ander
groot Heer, wiens name ik niet en wete: ik haastede my terstont in
mijn onderklederen na de deur, en die geopent hebbende, begon den
Marquis te lagchen, seggende, zoo moeste ik u eens komen opwekken;
(ik was hem nu bekent geworden, als meermalen met hem gesproken hebben)
ik antwoorde, u Excellentie moet sijn selven noch al eerder opgewekt
hebben, soude anders soo vroeg niet hier konnen wesen van Utrecht; hij
seyde, dat is waer: ik hebbe den gantschen nacht te paarde geseten, en
omtrent de stad stil gehouden, tot dat den dag aanquam. Ik vraagde,
wat dit gewoel beteekende, dat ik soo alles in beweging sag? hy
seyde, dat hy was gekomen, om de troepen by-een te vergaderen:
meerder derfde ik niet ondersoeken, genoegsaam merkende, dat het
Fransche guarnisoen van hier vertrekken soude. Doen veranderende
van dit discours, vraagde, of ik ook sijn Excellentie met yets tot
ontnuchteringe dienen konde? hy seyde in het eerste neen: maar korts
daar aan eyschte hy een stuk broot met boter; ik dede aanstonds twee
wel-geboterde stukken witte-broot op een schoon taaffel-bort langen,
waar van den Marquis eene, en dien anderen Heer het andere nam, en
nuttigden. Ik vraagde doen, of ik hem wijn wilde doen brengen? maar
weygerde zulks; ik seyde in mijn kelder te hebben morelle-bier, dat
ongemeen schoon was: dit was hem aangenaam, en nam hy met dien anderen
Heer daar van een goede teug naar hem. Naar eenige andere discoursen,
zoo preste hy het volk hard aan tot den uyttocht, zoo dat tusschen 5
uuren en half sessen, het volk aan het marcheeren raakten; gevende de
sleutelen van de stads poorten buyten de stad, aan de Burgemeesteren
wederom, met beding, geen poorten te openen tot den middag. In het
uyttrekken wierd dat koopere stukjen op een karre geladen, om mede
te nemen: daar den oudsten Burgemeester tegen sprak, en ontbood my,
om te seggen aan den Marquis, dat het geen stuk was van den Staat,
maar eygen aan de stad, aan de welke sijn Excellentie immuniteyt
van hare goederen, in den naam des Konings hadde toegesegt: maar den
Marquis antwoorde het komt nu den Koning toe, en nam het mede. Anders
is aan de stad de minste overlast niet gedaan."

Gedurende den tijd, dat deze toebereidselen tot den uittogt gemaakt
werden, waren de poorten echter aan de andere zijde der stad gesloten,
opdat men in het staatsche leger onkundig van hun voornemen zoude
zijn; maar een zeker burger, liet zich aan de zijde der stad waar
de graaf van Hoorn zich bevond van de vestingmuur glijden en door
de grachten badende, liep hij met de meesten spoed naar des graven
kwartier, de tijding brengende, dat de Franschen ter stede waren
uitgetogen. Innig verheugd was van Hoorn bij het vernemen van deze
tijding, en niettegenstaande er tusschen 6 en 7 ure een hevige regenbui
zich boven deze stad ontlastte, zoo verzuimde hij echter niet tusschen
10 en 11 ure met zijne bijhebbende ruiterij en verscheidene compagniën
voetknechten voor de stad te komen en te eischen, dat men hem de
poorten openen zoude. De burgers liepen aanstonds naar den burgemeester
en ontnamen hem de sleutels, niettegenstaande hij niet onwillig was,
en onder vreugde en gejuich nam de Graaf weder bezit van de stad;
Oudewater behoorde weder aan de staatsche zijde! Tot het gevolg van
van Hoorn behoorden den Graaf van Merode, den Heer van Brederode,
zijn eigen broeder Graaf Jan en anderen.

Naauwelijks had de Graaf weder bezit van de stad genomen, of hij
zond eene partij ruiters, ieder een partij musketiers achter zich
hebbende, den vijand achterna, die hen tot aan de stad Montfoort op
de hielen vervolgden en een gedeelte der achterhoede aangrepen. Des
namiddags kwam de Luitenant van den Heer van Amerongen met 36
gevangenen waaronder eenige koninklijke Sauvergardes binnen de
veste weder. Juist ter regter tijd en ure was de Graaf van Hoorn
ter bezetting van Oudewater aangekomen. Immers nadat de Koning, van
Zeijst was opgebroken en de Franschen Oudewater, Woerden en Montfoort
ontledigd hadden, bestoken zij niet lang daarna, voornamelijk door
den bekenden Mombas opgeruid, dezelve weder te bezetten, gelijk zij
ook Woerden en Montfoort gedaan hebben, maar Oudewater werd door de
spoedige aankomst van den Graaf van Hoorn ontzet, daar de Franschen
bereids met 2 geheele regimenten, dat van Piedmont en Royal Vaisseaux
tot nabij Montfoort genaderd waren. Zij echter, zegt van den Bosch,
vernemende, »dat hen de Graaf was voorgekomen, droopen sy weder na
Utrecht; daar het hun seker seer licht soude gevallen hebben de stad,
noch geensins versterkt, te bemachtigen, en de Staatschen weder na
haar voorige post te doen verhuysen.

»Nu liet sijn Excellentie in 't eerste aldaar slechts 300 man van de
Mariners, met eenige ruyterye: maar alsoo geen naardere ordre bequam,
bleef daar slechts een Capiteyn met 50 man, durvende sijn Excellentie,
sonder bevel, op eygen gesag, tot geen meerder besluyten. Desen
Capiteyn Commandant met die gedetacheerde 50 man, wierden alle weken
verandert; in-voegen Oudewater doenmaals maar als een brandwacht en
buyten-post gerekent wierd.

»Den 29. July, des avonts, ontfongen de Regeerders een brief van
Utrecht, geschreven by den Franschen Commandant aldaar, dat die van
Oudewater daar moesten komen voor seven uuren des volgenden daags,
of dat hy de stad in 4 hoeken soude in den brand doen steken; waar
op aanstonds in dien nacht Gecommitteerden naar Utrecht vertrokken,
die op den 31. des avonts wederkeerende: verstond men, dat op de stad
van de Franschen een brandschattinge gelegt was, om binnen sekeren
korten tijt op te brengen 700 paar schoenen, behalven dat'er noch een
vereeringtjen in de kaars vloog voor seker Heer; en bequamen die van
Oudewater daar door een vryen pas van de Franschen Commandant.

»Den 11. Augusti quam sijn Hoogheyt de eerste-maal hier de wallen,
en de gelegentheyt van de stad, besichtigen; maar die te versterken,
wierd doenmaals by verscheydene, van die by hem waren, niet raadsaam
geoordeelt; doch naderhant op het sterk vertoog van sijn Excellentie
den Graaf van Hoorn, die de behoudenisse der stad als een notabele
post ter herten nam, soo wierd hem van sijn Hoogheyt toe-gelaten,
te doen soo hem goet docht; die dan ook op den 15. September sijn
broeder, de Heer Johan Belgicus, Graaf de Hornes, Luytenant-Colonel
van een regiment Mariners hier binnen sond, met 600 man te voet, en
200 te paarde, om hier guarnisoen te houden. Waar op de burgerye moed
scheppende, soo hebben sy aanstonts alle, selfs ook de Burgemeesteren,
Predikanten, mannen en vrouwen, haar na de wallen begeven, de
borstweeringen opgeworpen, en soo het werk tot versterkinge begonnen;
't welke sijn Hoogheyt (op den 20. dito hier voor de tweede reyse
gekomen) siende, sprak de burgers moed aan, seggende, Mannen werkt
wel aan, ik sal u alle mogelijke bescherminge bestellen.

»Daags te vooren, op den 19. September, was ook den Colonel Palm,
doenmaals noch Luytenant Colonel, hier binnen gekomen met 5 vaandelen
Mariners, en daar-en-boven sestig ruyters onder den Majoor Ittersum.

»Den 20. dito quam sijn Excellentie Graaf Willem van Hoorn, des avonts
ten tien uuren, met sijn hof-houdinge, persoonelijk in guarnisoen
binnen Oudewater, logeerende in het huys van den overleden Heer
Bailju Hendrik Schrijver, de welke aanstonts, door ordere van sijn
Hoogheyt, den vierden huysman op ontbood, om aldaar te komen werken
aan de fortificatien. En heeft sijn Excellentie, soo lange hy hier
was, en sijn Heer broeder, Graaf Johan Belgicus, van sijn Hoogheyt
naderhand tot Gouverneur gestelt, op den 2. December geduuriglijk
met een onvermoeyden yver gearbeyd tot het brengen van dese stad in
een bequame en genoegsame defensie, soo veele doenlijk was, en noch
tegenwoordig te sien is. Jonker Wilhelm Ingelby, namaals Capiteyn
geworden onder het regiment van sijn Excellentie den Graaf van Hoorn,
was van sijn Hoogheyt gestelt tot Majoor van de stad; en dewijle hy
sich op de vesting-bouw wel verstond, soo stak hy voor de poorten
aanstonds af halve-manen, en andere werken, die ook met groote
vlijt in korten voltrokken wierden. Het geschut wierd alomme op de
wallen gebracht, en de bateryen gemaakt zijnde, daar op geplant:
een groote quantiteyt van ammunitie wierd hier binnen gevoert; en
aldus kreeg Oudewater in 't korte een heel ander oog; en de plaatse,
die by duysenden Hollanders naauwlijks genoemt, en by weynige voor
een Hollandsche stad bekent was, wierd tegenwoordig een grensstad,
en versekerde waar-burg van die Provintie, welke alle uuren den
vyant te gemoed sag. De besettinge van Oudewater was ook te meer
noodzakelijk, dewijle de Franschen aan die zijde met de minste moeyte,
en het schijnbaarste gevolg soude hebben konnen door-dringen.

»Sijn Excellentie sond geduurig partyen op den vyant uyt, die nooyt
wederom quamen, of hadden dese of gene gevangens: gelijk als op den
21. van de maant September, wierden'er 18 a 19 Fransche gevangenen
binnen gebracht. Op den 27. dito namen de onse 27. van de Fransche,
staande op de brantwacht buyten Woerden. Den 29. dito kregen de
onse noch 9 a 10 gevangenen met 4 paarden, by de Linschooten. En
soo voortaan van tijt tot tijt: soo dat ik selve gelesen hebbe een
Missive van den Hartog van Luxemburg geschreven, om lossinge van
eenige gevangenen aan sijn Excellentie alhier, dat hy alleen meer
gevangens afhaalde, als alle de andere posten te samen; ja men heeft
by-na rekeninge uyt-gevonden, dat van dit quartier by de elf-hondert
gevangenen, en daar onder verscheyde Officieren, zijn binnen gebracht,
en wel stijf soo veel daar omtrent doot gebleven: in-voegen nooyt een
eenige party sonder gewenscht gevolg is te rugge gekomen, of hebbe
altyt eenige Fransche gevangenen mede-gebracht."

»Drie dagen naar dat twee Bataillions van het regiment van Picardyen
binnen Woerden waren getrokken, soo is den Hartog van Luxemburg
met Mombas aldaar aangekomen, en heeft met allen ernst die stad
doen versterken en weerbaar maken: het gene den Heere Grave van
Hoorn tot Oudewater ook met alle naarstigheyt dede doen; de welke
kondschap krijgende, dat den vyant omtrent Woerden seer besig was,
met boomgaarden en bomen af te hakken, soo is hy met 150 paarden
daar naar toe gereden, om de selve te enleveeren, latende eenig
voetvolk op de huysen Nes en Linschooten, om hem te ondersteunen:
en alsoo tot de stad toe voortrukkende, bracht een goet aantal
gevangens mede, en soude selfs den Hartog van Luxemburg en Mombas,
de welke de kaap op naar Wulverhorst, met eenige weynige Officieren,
om kondschap uytgereeden waren, gevangen hebben, alsoo de selve al
hadde afgesneden, ten ware sy door een meysjen gewaarschouwt zijnde,
met horden en anders over wateringen leggende, en de selve weer naar
sich halende, met veele moeyten ontsnapt waren."

Zooals men dus bemerkt, had de stad Oudewater in 1672, een zeer
verheven en merkwaardig standpunt in de geschiedenis. Immers alles
werkte daartoe mede, zooals hiervoren duidelijk gebleken is. Ook in
het jaar 1673, op den 22 Januarij, streden die van Oudewater tegen
de franschen onvervaard en dapper, naast die van Alphen, toen vielen
er bij de Nieuwerbrug in eene charge meer dan 50 man van den vijand
onder den voet. [615]

Het was mede in den winter van het jaar 1673, dat die van Oudewater
zich nog door een paar wakkere wapenfeiten onderscheidden. Vooraf
diene men echter te weten, dat Montfoort en Woerden nog in het bezit
der Franschen waren, en dat de Graaf van Hoorn met Dordsche en Haagsche
schutters binnen deze stad in bezetting lag.

Wij willen ons echter niet ophouden bij eenige kleine veroveringen
[616] van die dappere burgers van den Staat, maar beginnen met dit
feit: Het was op eenen Maandag van Februarij des jaars 1673; eene
dikke ijskorst bedekte alom meer en poel en de gure adem uit het
Noorden deed zich streng gevoelen; niettegenstaande dit jaargetijde,
werden echter de vijandelijkheden van beide partijen niet gestaakt,
en zoo was het dan ook nu, dat men den wakkeren graaf van Hoorn binnen
Oudewater berigt had, dat 500 franschen naar de zijde van Linschoten,
Diemerbroek en Papenkop optrokken, kennelijk met het doel om te rooven
en te plunderen, daar zij ongeveer een 300tal sleden met zich voerden.

Dit scheen den ijverigen Haagschen en Dordrechtschen vrijwilligers
eene schoone prooi toe. Nagenoeg 400 hunner, gaan tot den Graaf van
Hoorn en vragen hem de vergunning, eenen togt op den vijand te mogen
maken en hem met verdunde gelederen naar zijne schuilhoeken terug te
doen deinzen; van Hoorn staat hun dit, door hun sterk aanhouden niet
alleen toe, maar wil hen zelfs, nevens den overste Jornian met 500
à 600 soldaten vergezellen.

De wakkere burgers ondernemen allen den togt op schaatsen, en ieder
met eenen goeden snaphaan gewapend, vallen zij den vijand geheel
onverwachts aan, waarop terstond eenige honderde geweerkogels naar
hen werden afgezonden. Spoedig dan ook waren er eenige franschen
onder den voet geschoten, en een aantal gekwetsten. Nu zette de
vijand het op een vlugten, latende al zijne sleden met den buit
achter. Onze burgers echter zetten hem op hunne rappe schaatsen na,
totdat de vijand zich tusschen Papekop en Diemerbroek achter eenige
hooibergen posteerde en in staat van tegenweer stelde; maar de Graaf
van Hoorn met de staatsche soldaten nu mede aankomende en bereids op
de franschen beginnende te schieten, werden zij alras gedwongen in de
grootste verwarring te gaan vlugten, terwijl zij door de burgers tot
vóór de poorten van Woerden en Montfoort, daar zij uitgetogen waren,
werden nagezet.

De franschen verloren 40 man aan dooden en 40 gevangenen, al hunnen
buit en een aantal wapenen; het cijfer der gekwetsten is niet bekend
geworden.

Van de Staatschen is er niemand gebleven; drie echter werden er
gekwetst.

Het was een ware triumphtogt, toen onze mannen onder vreugde en gejuich
met sleden vol hooi en huisraad binnen Oudewater weder keerden. [617]

Het was ongeveer eene maand daarna, dat wij nogmaals het volgende
wapenfeit in de geschiedenis aantreffen.

»De Graaf Hornes, bericht bekomen hebbende, dat omtrent hondert en
twintig Franschen van Woerden naar Uytrecht, onder een Colonel en
eenige mindere bevelhebberen togen, deed daar op eenige schuyten
met platte bodemen vaardig maken, daar hy seventig soldaten onder
Capiteyn Sanderson, met twee Luytenanten, drie Vaandrigs, en vijf
Sergeanten inscheepte, om de Franschen, wanneer sy voorby souden
komen, aan te tasten: dit had soo goeden gevolg, dat de Staatschen
met de eerste chargie veel Franschen onder den voet schooten,
onder de welke ook de Colonel was; vielen daar over den vyand aan,
en enterden het schip, sloegen meest al dood dat daar binnen was,
behalven veertig soldaten een eenige bevelhebbers, die sy quartier
verleenden, en binnen Oudewater brachten. Van de Staatschen was de
Vaandrig Byvoort van het Regiment van den Graaf van Hornes gebleven; de
Capiteyn Sanderson, nevens twee Sergeanten en eenige weynige soldaten
wierden gequetst. De gevange Officieren waren twee Capiteynen, en vier
Luytenanten, van de welke noch een onder-wegen aan syn wonden stierf:
behalven dese hadden sy noch 45 soldaten, en goeden buyt.

Deze en meerdere veroveringen bezorgden Oudewater grooten naam in de
geschiedenis, maar het behoorde nu ook tot die magtige defensie lijn,
die zich van de Zuiderzee tot over de Waal uitstrekte, zoodat nergens
den vijand eenige opening gelaten was om een inbreuk te maken." [618]

Den oorlog verder te volgen, mogen wij van onze ruimte niet afnemen,
en dat behoort dan ook tot de Vaderlandsche geschiedenis. Jaren lang
echter zoude Oudewater gebukt gaan onder de schade die het aan huizen,
en erven had geleden, en den 11 Junij 1707 verleenden de Staten van
Holland en Westvriesland octrooi [619] tot het oprigten eener loterij
van 600000 Gulden ter te gemoetkoming en herstelling der schade in
den jare 1672 geleden.

In de jaren 1740 tot 1747, werden de vestingwerken en fortificatiën
der stad aanmerkelijk versterkt, dat na langen tijd weder eens iets
krijgshaftig aan de stad bijzette; maar was er op politiek gebied
bijna weinig nieuws, op het kerkelijke was er helaas des te meer. Wij
moeten daarbij een weinig stilstaan.

In het laatst des jaars 1746 was van de regering der stad Oudewater
verlof verzocht, door den Lutherschen Predikant van Woerden,
om op Donderdag den 1 September eene leerrede te mogen doen in
de Gereformeerde kerk, voor zijne Luthersche Geloofsgenooten, die
aldaar in bezetting lagen en voorts na hetzelve het H. Avondmaal te
bedienen. Burgemeesteren in dit verzoek hebbende bewilligd, hadden de
inschikkelijkheid om den Predikanten hiervan kennis te geven, ten einde
hun zulks niet vreemd mogte voorkomen. De President Burgemeester deed
de boodschap aan den Predikant, A. Ploos van Amstel; de Burgemeester
F. van Hoogstraten verrigtte zulks bij den anderen Leeraar J. C. de
la Moraisière. Deze nam er volkomen genoegen in, en betuigde den Heer
Martini, (dus was de naam des Lutherschen Leeraars) te houden voor een
geleerd man, en voornemens hem te gaan hooren. Doch de Heer van Amstel
was van een ander begrip. De boodschap gehoord hebbende, verklaarde
hij in het gegeven verlof merkelijke zwarigheid te vinden, en zocht den
Burgemeester te beduiden, dat het prediken van een Luthers man in eene
Hervormde Kerk niet mogt geschieden. Zooveel vermogt de Predikant op
den Burgemeester, dat deze, twee dagen daarna toen de Hr. Martini het
verlof reeds had vernomen, zonder zijnen mede Burgemeester te kennen,
door een stadsbode de verleende toestemming deed herroepen.

Burgemeester van Hoogstraten met regt over deze handelwijze misnoegd,
bragt deze zaak ter kennisse van de vroedschap, drong aan op de
redelijkheid van het verzoek des Lutherschen Predikants en van het
verlof daarop gegeven. Het gevolg hiervan was, dat de ledematen der
Augsburgsche Confessie, op den bestemden tijd, eene leerrede zouden
mogen hooren en het avondmaal ontvangen in de publieke kerk; doch met
de bepaling dat zulks zou moeten geschieden op het choor, voor die
reize alleen, en zonder consequentie voor het toekomende. In weerwil
van dit besluit der vroedschap, werd echter, Burgemeester de Jong
te rade, zonder mede weten van eenig lid der regering, daags voor
den 1 September door den stads bode, den kerkmeester en den koster
te doen aanzeggen, dat hij niet verstond, dat des ander daags de
Kerk voor de Lutherschen geopend wierde, en door hen daarin dienst
zou gedaan worden; met bedreiging, den koster te zullen afzetten,
indien hij zulks niet weerde.

Vreemd klonk dit bevel den Heere van Hoogstraten in de ooren. Met reden
vreesde hij voor onaangename gevolgen, indien de Broeders Lutheranen
tegen de gegevene belofte, zich in hun godsdienstig oogmerk vonden te
leur gesteld. Om alle onaangenaamheden zooveel doenlijk te voorkomen,
ontbood hij den kerkmeester en den koster, en bragt hen onder 't
oog, dat een enkel lid, tegen het besluit der geheele vroedschap,
niet wettiglijk kon ingaan, waarom hij hun verzocht, zorg te dragen,
dat het genomen besluit werd ten uitvoer gebragt. Voorts belegde hij
nog dienzelfden dag eene vergadering der Vroedschap, in welke een
besluit werd genomen van den volgenden inhoud.

»Bij de ondergenoemde Heeren gehoord zijnde, dat de Heer Burgemeester
de Jong, op zijne authoriteit alleen en zonder daarin iemand van
de leden te kennen, zoo aan Kerkmeesteren, als aan den koster,
verboden had de resolutie van den 29 dezer (Augustus) ter executie te
stellen, is besloten aan den koster te leveren, kopij van dezelfde
resolutie en hem daarbij te bevelen, dat hij zal hebben te zorgen
dat dezelve zal ten uitvoer worde gebragt, op zoodanige correctie,
als tegen het contrarie zoude goedgevonden worden te arresteeren en
te behooren. Gedaan bij de Heeren enz."

De koster beloofde gehoorzaamheid aan dit bevel en hield zijn woord. De
Heer Martini verrigtte de dienst onverhinderd en tot algemeene
stichting. Elk was nu in den waan, dat deze zaak zou afloopen met
het snappen van eenige »klopzieke wijven," die er den mond vol van
hadden. Waarschijnlijk ware zulks gebeurd, zonder den onbezonnen ijver
van den Predikant Ploos van Amstel, aan wien deze zaak zoo zwaar op
het gemoed scheen te leggen, dat hij dezelve op den predikstoel en dus
voor de geheele gemeente bragt. Op den eersten zondag, na den gemelden
Donderdag nam hij zijne inleiding uit Ps. 93 vs. 5-6. »de heiligheid is
uwen huize sierlijk Heere, tot lange dagen!" Na eene korte verklaring
van deze woorden zeide zijn Eerwaarde dat dit Huis (bedoelende de kerk
waarin hij thans sprak) was overgegeven aan degenen, die tot hetzelve
niet bedoelde, gelijk op den voorgaanden Donderdag was gebeurd; dat
het sinds de Reformatie altijd, tot dien tijd toe, aan niemand ten
gebruike was overgelaten, dan alleen aan de gereformeerden, en dat
het derhalve niet had behooren overgegeven te worden aan degenen die
daartoe niet behoorden, dat hij meende, ambtshalve verpligt te zijn,
de gemeente daarvan te moeten waarschuwen, maar de zaak liet voor hen,
die er verlof toe gegeven hadden, hoewel strijdig met 's lands wetten
en plakaten, welke hij onder zich had. Van tijd tot tijd herhaalde
hij hetzelfde in zijne leerrede en toepassing en wenschte aan zijne
waarschuwing getrouw te zullen blijven. Om eene bedenking welke bij
sommige zijner toehoorders zou kunnen ontstaan, te weeren, bekende hij,
in zijne eerste predikatie binnen deze stad beloofd te hebben, zich met
regeringszaken niet te zullen bemoeijen, doch dat hij thans bezijden
die belofte moeste gaan, en hij zich ambtshalve verpligt rekende te
zeggen, dat het gebeurde niet had moeten geschieden, dewijl het streed
met 's lands plakaten; en indien hij de Gemeente niet waarschuwde,
hij niet getrouw handelde en God zulks van zijne handen zoude eischen.

Hoezeer dit stuk den Heere Ploos van Amstel ter harte ging, bleek
wederom dienzelfden namiddag, wanneer hij voor zijnen ambtgenoot, die
elders buiten de stad predikte, den dienst waarnemende, handelde over
de woorden »Gij zult niet doodslaan." Thans zocht hij aan te toonen,
dat, hoewel men in 't algemeen geduld moest hebben omtrent degenen,
die buiten ons toedoen ons hadden beleedigd, dit echter niet moest
worden uitgestrekt tot goddelijke zaken. Want, dat zoowel als het
ligchaam de ziel ook konde gedood worden, hetwelk geschiedde door
het verkondigen van eene valsche leer; dat aan dit dooden van de
ziel niet alleen de valsche leeraars zich schuldig maakten, maar ook
dezulken, die het verkondigen van eene valsche leer in hunne kerken
veroorloofden, dat het hem weinig moeite zou kosten, uit 's lands
plakaten te bewijzen, de ongeoorloofdheid van 't geen dezer dagen
was geschied: want dat hieruit moord en doodslag zou hebben kunnen
ontstaan en hij niet wist, wat er nog zou kunnen gebeuren. In het
nagebed bad hij, dat men onder de bescherming der Heeren Regenten
van deze stad, voortaan mogt leiden een stil en gerust leven, zonder
verdere oproeren en nieuwigheden in kerkelijke en politieke zaken. In
dezen zin had zich zijn Eerwaarde op den predikstoel uitgelaten,
volgens de getuigenis van vier personen, in Januarij des volgenden
jaars gedaan, met aanbieding hunne verklaring met eede te bevestigen.

Hoe volijverig, getrouw en wakker de Leeraar Ploos van Amstel, zich in
dat alles van zijn ambt en post meende gekweten te hebben, werd echter,
bij sommige leden der Regering zijn gedrag in een gansch ander licht
beschouwd en in de eerstvolgende Vroedschaps vergadering voorgedragen,
dat des leeraars gedrag op den voorgaanden zondag aanliep tegen 's
lands plakaten, waarbij den Predikanten werd verboden, zaken de politie
der stad betreffende, op den preekstoel te brengen, dat het streed met
de keuren van Oudewater, dat het strekte tot kleinachting der overheid,
tot opruijing en aanhitsing van 't gemeen, en van verre uitzigten was:
en diensvolgens in bedenking werd gegeven, op hoedanig eene wijze
de Leeraar deswege behoorde behandeld te worden. Eene onverwachte
uitwerking deed deze voorslag. De meeste leden waren van oordeel,
dat men bij eene vriendelijke schikking de zaak als gebeurd en niet
te herdoen uit de wereld moest ruimen. Zelfs waren twee Heeren van
gedachte, dat de leeraar niets misdaan had, en verklaarden zich met de
zaak niet te willen bemoeijen, waarop zij de vergadering verlieten. Zoo
ras was deze uitslag der vergadering niet gekomen ter oore van den den
Heer van Amstel, of hij hield verder aan, bij zijne vrienden om zijne
zaak te blijven voorstaan. Niet vruchteloos was zijne moeite. Want
toen, in eene volgende vergadering der vroedschap, de zaak wederom
op het tapijt gebragt en door sommige de uitspraak werd gedaan, om
den Leeraar door twee leden al ware 't zelfs zijn beste vrienden,
de onvoorzigtigheid van zijn gedrag onder 't oog te brengen en zijn
Eerwaarde te vermanen, in 't toekomende, zich daarvoor te wachten,
werd dit, hoewel dit eenigen te zacht scheen, door anderen nog van de
hand gewezen. Men beschouwde het als eene krenking van des Leeraars
fatsoen, en als geenen kleinen hoon, dat een Godsgezant en Engel der
gemeente, die anderen tot hun pligt vermaande, over zijnen eigen
pligt zou onderhouden worden. Vergeefs bragten anderen hiertegen
in, dat, wanneer een Leeraar zijnen pligt te buiten ging, hij te
strafschuldiger was, en met te meer regt daarover moest onderhouden
worden. De vergadering werd gesloten zonder dat er iets besloten
was. De Hr. Ploos van Amstel, ziende dus eenen sterken arm te hebben,
sloeg voort tot nog andere stoutigheden. Volgens kerkenorden moest de
proefpredikatie voor de bediening des avondmaals gedaan worden, op den
Zaturdag, onmiddelijk voor den Zondag, op welke het Avondmaal moest
gevierd worden. Op eigen gezag, buiten kennis der regering, kondigde
de Hr. van Amstel af, dat de proefpredikatie, niet op den Zaturdag,
maar op den gewonen preekdag zou geschieden. Burgemeesteren deze
vrijpostigheid met reden kwalijk nemende, legden in beraad, of zij niet
op den gewonen tijd de kerkklok zouden doen trekken, doch stelden dit
ter zijde, uit vreeze voor opschudding onder de gemeente. Om evenwel
hun gezag te handhaven, en dit geschil, 't welk in de vroedschap
slepende werd gehouden, ten einde te brengen, namen Burgemeesteren op
den 13 Februarij 1747 het besluit, den substituut Baljuw Hugo Mars
te gelasten den gemelden Leeraar, zoo wegens zijn gedrag omtrent de
proefpredikatie, als inzonderheid over zijne uitdrukkingen, in de
twee bewuste leerredenen van Sept. 1746, in Regten te betrekken. Zeer
euvel werd dit besluit opgenomen bij den Heere Gaspar Rudolf van
Kinschot, Baljuw, Dijkgraaf en Schout van Oudewater. Hij oordeelde
Burgemeesteren daartoe onbevoegd, en gaf zulks te kennen, in eene
Insinuatie aan dezelve, die straks eene Tegen-Insinuatie uitgaven,
welke over en weêr van twee andere gevolgd werden. In dezen tweespalt,
niet wetende waaraan zich te moeten houden, werd Do. van Amstel te
rade, met de Leden des Kerkeraads, uitgezonderd zijnen ambtgenoot
en éénen Diaken die buiten de correspondentie werden gehouden, zich
te wenden tot de klassis die in April te Schoonhoven zou gehouden
worden. Hier vertoonden zij de geschriften, door Burgemeesteren en
den Baljuw aan den Kerkeraad gezonden, met verzoek om te mogen weten,
of dezelve in de aanteekeningen van den Kerkenraad moesten geboekt
worden. Doch de kerkvergadering vond niet geraden hierop een bepaald
besluit te nemen. In den onzekeren kans, welken uitslag deze zaak
zoude nemen, vond de Hr. van Amstel dienstig, zich te voorzien van
wapenen, met welke hij in tijd en wijle zich zoude kunnen dekken. Aan
dertig personen, niet te Oudewater, 't geen vreemd is, maar buiten de
stad, te Hekendorp woonachtig, liet hij afvragen, of zij de bewuste
uitdrukkingen, op den 4 September hem hadden hooren gebruiken, zoo
des voor- als des namiddags, en of zij hunne getuigenis, dezelve niet
gehoord te hebben, wel met eede zouden willen bevestigen? Zij gaven,
zegt men, in der daad zulk eene getuigenis voor schout en schepenen
van Hekendorp, hoewel hetzelve nooit is te voorschijn gebragt, hetwelk
velen heeft doen twijfelen, of het geschrift wel in den vereischten
vorm gesteld geweest zij. Intusschen naderde de acht-en-twintigsten
October, op welke nieuwe Burgemeesteren moesten verkozen worden,
de Hr. van Hoogstraten afgaan en Burgemeester Blok, die slechts één
jaar geregeerd had, President worden. Doch al zoo deze niet in den
smaak van van Amstel en deszelfs vrienden viel, wist men te bewerken,
dat hij tegen de keuren der stad ingelijks afging en een ander, hun
aangenaam, in 't bewind kwam. Dus ging het ook met de verkiezing
van schepenen. Van wegen het groot gezag welk Do. van Amstel zich
had weten aan te matigen, hoorde men in gezelschappen, in kroegen,
zelfs langs de straten openlijk zeggen, dat hij die nu schepen wilde
worden, zich slechts bij Do. van Amstel had aan te dienen. Onder
dit alles was een nieuw aanzoek gedaan ten dienste der Lutherschen,
om in de Publieke kerk nu en dan eene predikbeurt te mogen hooren en
het H. Avondmaal ontvangen, op zulke tijden als voor de Hervormde de
dienst in dezelve niet verrigt werd. Dit verzoek geschiedde door den
Majoor de Charreton, kommanderende het tweede Bataillon van Oranje
Nassau, waaronder zich 272 Lidmaten bevonden. Doch dit verzoek werd
door de vrienden van Do. van Amstel die thans op het kussen zaten,
plotseling van de hand gewezen, met te zeggen: de Armenianen en Papen
zullen 't ook wel komen vragen, en wij dus verpligt worden, de kerk
aan een ieder ten beste te geven. De heer de Charreton dit antwoord
bekomen, en vergeefs daartegen hebbende ingebragt, dat de verzochte
vrijheid een algemeen gebruik was in de handen der generaliteit,
schreef hierover aan HH. Gecommitteerde Raden, welke vervolgens
der Wethouderschap van Oudewater aanschreven, aan de Lutherschen de
gevraagde vrijheid te moeten verleenen, indien er geene regtmatige
redenen van weigering waren.

De vroedschap vergaderde hierop om reden van weigering te geven. Aan
den Heere van Hoogstraten, den voorheen gemelden Burgemeester, thans
Secretaris werd het opstellen van den Brief aanbevolen. Doch hij toonde
daartoe kleinen lust en liet na eenige harde woorden der Heeren, zich
ontvallen, dat men tegen het prediken der Lutherschen was, niet zoo
zeer uit goede oogmerken, als om Do. van Amstel te doen triompheren;
waarop een der schepenen met zijne vuist op zijne knie slaande,
zeide: dat 's zeker, de Dominé zal triompheren! Van Hoogstraten dus
gedrongen, las het opschrift van eenen brief aan Gecommitteerde Raden
in welke de zwevende geschillen als eene reden van weigering werden
aangevoerd, en tevens berigt, dat men den Heere de Charreton, als
een bekwame plaats ter Godsdienstoefening had aangewezen een zolder
in zeker kloosterkerkje, mitsgaders eene kamer in het weeshuis. De
President-schepen vertoonde vervolgens een ander opstel, 't welk
goedgekeurd en verzonden werd, niettegenstaande de secretaris hem
daarin verscheidene onwaarheden aanwees. Het gevolg hiervan was, een
bevel van Gecommitteerde Raden aan den Majoor om eene der aangewezene
plaatsen te kiezen. Naauwelijks had deze 't bevel ontvangen of hij
begreep dat de regering zekerlijk niet regt door zee gegaan was,
waarom hij persoonlijk naar den Haag reisde, en door zijn nadere
onderrigtingen te weeg bragt, dat de regering van Oudewater werd gelast
de publieke kerk aan de Lutherschen tot het bedoelde oogmerk in te
ruimen. Intusschen was de bedoelde Baljuw van Kinschot overleden en in
deszelfs plaats door zijne Hoogheid aangesteld, de heer Willem Dekker,
Raad in de Vroedschap van Gouda. Bij de verkiezing van Burgemeesteren,
in October 1748, sloeg deze een middel voor om alle geschillen
uit den weg te ruimen. Hij noodigde alle leden der Vroedschap ten
zijnen huize met bijvoeging, van de predikanten insgelijks te zullen
verzoeken om reden, in eene vriendelijke zamenkomst, elkander eenen
beker van vernieuwde vriendschap aan te bieden. Eenige toonden zich
daartoe genegen, doch de meesten wezen deze gulle aanbieding van de
hand en dus ook de verzoening. De twisten en oneenigheden, aan 't
voeden van welke de heer van Amstel geoordeeld werd rijkelijk deel
te nemen, duurde tot in zomermaand 1750, wanneer Zijne Hoogheid twee
gemagtigden derwaarts zond. Reeds in de eerste zamenkomst verzocht
de heer van Hoogstraten, uit zijnen naam en dien van nog zeven zijner
mederegenten van de regering te mogen ontslagen worden; een stap, zoo
als hij zich uitdrukte, welke zij deden, eensdeels om te toonen, hoe
weinig belang zij bij de regering hadden, anderdeels en voornamelijk,
om geen deel te hebben aan den ondergang der stad, welke zij uit de
bedrijven van hen, die zich de bovenliggende Cabade noemden, zekerlijk
te gemoet gingen. De vrienden van van Amstel verzochten insgelijks
hun ontslag. Zijne Hoogheid, na dit verzoek te hebben ingewilligd,
stelde op nieuw elf leden der oude Vroedschap in 't bewind en zeven
nieuwe leden aan. Die voor de Lutherschen gestemd hadden, kregen dus
de meerderheid, waarna alles tot rust kwam. [620]

Weder gingen er jaren voorbij zonder dat er iets buitengewoons binnen
Oudewater voorviel. Ook het archief der stad is zeer karig, zoodat het
eerste, dat wij daarvan der aandacht waardig keuren, is, eene missive
van Burgemeesters en Regeerders der stad Woerden met concept adres,
waarbij Burgemeesters en Regeerders der steden Woerden, Oudewater,
Naarden, Weesp en Muiden zich wenden tot de staten van Holland en
West-Vriesland, met verzoek om met John Adams, Minister plenopontiaris
der vereenigde Staten van Noord-America eener commerciele verbindtenis
te sluiten; het stuk is gedateerd 22 Maart 1782.

Wij zijn thans genaderd tot het woelige tijdperk in de geschiedenis
der patriotten en oranjeklanten. Het herstel van den vrede met de
Engelschen, die in 1784 weder gesloten werd, gaf ontegenzeggelijk
verademing, maar de ontevredenheid der Patriotten, die eene algeheele,
en daardoor onmogelijke verbetering, in staats- en stadsbestuur
verlangden, was geenszins gesust; de spanning tusschen beide partijen
steeg met den dag.

Prins Willem den V, om zich te onttrekken aan de verdrietelijkheden met
de staten van Holland, die hem ten deele in zijne waardigheid hadden
geschorst, vertrok voor eenigen tijd naar het Loo, en toen de Prinses
van daar, 28 Junij 1787, een uitstapje naar 's Gravenhage wilde doen,
werd zij nabij Oudewater gevat en gedwongen terug te keeren.

De koning van Pruissen, haar broeder, nam dat zeer kwaad op, en zond
den Hertog van Brunswijk met een leger herwaarts, waarop de Patriotten
uiteen spatteden, en de Prins in zijne waardigheden hersteld werd. Tot
verbeteringen kwam het echter luttel of niet en aldus verkreeg de
ontevredenheid steeds nieuw voedsel [621].

Oudewater dat steeds in de meeste partijschappen geroepen of niet
geroepen zich gemengd had, verloochende ook nu zijn ouden geest
niet. Integendeel, hevig was er de verbittering van beide partijen
en tartend waren hunne leuzen, maar hierbij bleef het niet altijd;
nu en dan ging de haat tot werkdadigheid over en eenige patriotsche
burgers en soldaten emigreerden zelfs uit de stad om in het Fransch
leger dienst te gaan nemen.

Bij de groote verwarring, die alomme in het vaderland heerschte,
voegde zich echter dra nog de bloedige fransche omwenteling. De
strenge winter, die op het jaar 1794 volgde, baande den Franschen
den weg tot in het hart van Holland. De Patriotten jubelden, de
oranjeklanten treurden, de onpartijdigen zagen bezorgd, de Prins week
naar Engeland op den 18 Januarij 1795 en de omwenteling herschiep
ons in een Bataafsche republiek, en ook onze stad werd in 1795 door
Franschen bezet.

Vrijheidsboomen werden alom geplant en de menigte nu geloovende,
dat de goede tijd daar was, danste er van vreugde omheen, was burger
met den aristocraat en vergat hare bezorgdheid. Dat duurde niet lang;
er kwamen, al was het niet plotselijk een aantal verbeteringen in het
bestuur; het onderwijs voor onze natie zeer verwaarloosd, begon de
aandacht te trekken, de godsdienst van den staat werd afgeschaft, de
heffing der belastingen op een beteren voet gebragt; maar daarentegen
waren wij door de omwenteling in oorlog gekomen met Engeland, en
leden deerlijk in den handel, etc.

De nationale voorspoed werd door een en ander verbazend gedrukt,
en de vrijheidsboomen droegen bonte kransen maar geen brood [622].

Van dezen aard, mijne lezers! waren de gebeurtenissen in dit bewogen
tijdvak der geschiedenis, niet alleen binnen de grijze muren van
Oudewater, echter ook in de meeste steden van ons dierbaar Vaderland.

Wij zouden bijna vergeten hier aan te stippen dat in het jaar 1798
aan den westerzijde des IJssels de voor een stedeke als Oudewater
fraaije caserne werd gebouwd, die ten jare 1807, onder Koning Lodewijks
regering, de eer had, 3 compagniën der koninklijke garde Jagers te
huisvesten [623].

Koning Lodewijk regeerde echter niet naar den zin van zijnen broeder
Keizer Napoleon [624] en de eerste deed dan ook in het jaar 1810
afstand van de regering, waarna wij werden ingelijfd bij het groote
fransche keizerrijk.

Nederland! dierbaar Nederland! hoever was het gekomen. Gij werd nu
geschrapt uit den rij der namen en natiën van Europa, meer dan ooit,
drukt u nu de overheersching der Franschen! Wij durven het niet wagen
daarvan een tafereel op te hangen; maar willen de volgende regelen
van onzen dichter Van den Bergh eenigzins gewijzigd op dezen tijd
[625] toepassen.


            Hollands beemden, Hollands beemden!
              Ach, hoe jammerlyk ontwijd,
            Waar de scherpe ploeg der vreemden,
              Voren door uw boezem snijdt!
            Moet mijn oog u dus aanschouwen,
              Land van glorie, land van kracht?....
            Thands een land van machtloos rouwen,
              Om uw ouden roem gebracht!

            Hollands beemden, Hollands beemden!
              Ach, waar zijn uw dagen heen,
            Toen zoo menig Leeuw der vreemden,
              Deinsden voor uw Leeuw alléén!
            Toen, op 't wappren van uw stander,
              Door den schrik vooruitgesneld,
            Benden stoven uit elkander,
              Krijtend: "Holland is in 't veld!"

            Hollands beemden, Hollands beemden!
              Is uw roode Leeuw vergrijsd,
            Dat de trotsche hand der vreemden
              Hem in 't spoor der schande wijst?
            Zijn zijn tanden stomp gereten?
              Zijn zijn lendenen verlamd?
            Zijn zijn naaglen stuk gebeten,
              Dat hy niet ter weer ontvlamt?

            Hollands beemden, Hollands beemden!
              Frankrijks wingeweste thands--
            In het wolkengraauw dier vreemden
              Dooft het zonlicht van uw glans!
            Al uw glorie is ontluisterd:
              Frankrijk kwam met boei en band....
            Ach, uw zonen gaan gekluisterd
              In 't onteerde Vaderland!....


Maar daar kwam redding. De slag bij Leipzig bezorgde Napoleon eene
dusdanige nederlaag, dat hij het hazepad moest kiezen. Pruissen en
Russen zaten hem in menigte na, en bij het naderen van hunne troepen
aan de grenzen, wierpen de noordelijke gewesten achtereenvolgens den
zwaren last der overheerschers van hunne schouders.

De Franschen namen alom de wijk. Naarden en den Helder werden echter
nog belegerd en te Woerden gedroegen zij zich zeer wreed.

In naam des Prinsen van Oranje, vereenigde zich al aanstonds een
voorloopig bestuur en den 30 November 1813 verscheen de Prins in
persoon, die door allen met uitbundig gejuich begroet werd en dan
ook als souverein Vorst der vereenigde Nederlanden werd uitgeroepen.

18 Junij 1815, was voor Napoleon de beslissende dag waarop hij den
slag bij Waterloo verloor en van dien tijd ademde en leefde men weder
vrijer onder het bestuur van Willem den I, Koning der Nederlanden.


            Het verkoelde bloed vloeit sneller,
              En het oude hart werd jong,
            En het woord van dank en zegen
              Juichte van de ontboeide tong,
            Holland Holland was herboren,
              Holland rees uit schande en smaad
              . . . . . . . . . . . .
              . . . . . . . . . . . .

            Moog zijn leeuw ook somtijds sluimren,
              Hij ontwaakt met nieuwe kracht,
            Wee, wie op zijn ruste vertrouwend
              Vleijend hem te kluisteren tracht.


En in de rust en den bloei, die nu in Nederland aanlichtte, deelde
ook Oudewater. De vijanden alomme verdreven en eene andere lijn van
defensie aangenomen zijnde, had de stad haren naam van veste doorleefd!

Immers wij schreven het al vroeger ter neder, de caserne wordt sedert
1811, door particulieren bewoond en werd ten jare 1856 van stadswege
publiek verkocht.

De schuttersdoelen had al vroeger, in 1799, dit lot ondergaan,
kruidhuis en magazijn van oorlog werden in 1820 geamoveerd, poorten en
arsinalen vielen mede onder den moker des sloopers, bolwerken werden
geslecht en hier en daar de grachten deels gedempt [626].

Met een aantal liefdadigheidsgebouwen ging het weinig beter. Het
Gasthuis werd ten jare 1780 verbroken, en later verrees daar een
magazijn ter berging van oorlogs ammunitie.

In het Ziekenhuis wordt thans een boerderij uitgeoefend en uit het
Weeshuis werden vóór ongeveer een vierde eeuw de weezen gezonden naar
de Colonie Fredriksoord, waar zij verzorging erlangden. Maar werd ook
binnen Oudewater de militie gemist, die er garnizoen hield, werden
zijne poorten door den vernielenden moker des sloopers vergruisd,
werden er een paar liefdadigheids gestichten tot ander doel ingerigt,
nieuwere inrigtingen die zich alomme vormden en zich ten doel stelden
kunsten, nut, nijverheid en liefdadigheid aan te kweeken en te
bevorderen, bleven ook hier niet achterwege.

Immers in het jaar 1846 kwam alhier tot stand, eene werkinrigting voor
behoeftigen. De aard der werkzaamheden dezer inrigting is, aan vrouwen
en ouden van dagen ten hunnen huize, of aan het gebouw der inrigting
zelve de noodige materialen te verschaffen tot het vervaardigen van
pluis of breeuwsel voor schepen. 75 lieden verschaft die inrigting
gemiddeld werk.

Eene andere hier bestaande liefdadige inrigting is eene vrouwen
vereeniging met het doel aan behoeftige kraamvrouwen gepaste ligging,
kleeding etc. te verschaffen. [627]

Eene vereeniging tot kostelooze ter aarde bestelling van behoeftige
overledenen, door jonge lieden uit den burgerstand, verstrekt Oudewater
eveneens niet tot oneer, opgerigt 1857, 28 leden.

De oudste der vereenigingen van dezen aard, is het Lijndraaijers Gilde.

Den leden dier corporatie, wordt tegen eene geringe contributie
op bepaalde tijden, bij ziekte, geneeskundige hulp verleend en
uitkeeringen in geld gedaan. [628]

Voort bestaat er hier een departement van de maatschappij tot nut van
het algemeen; 22 leden, opgerigt 1834, zijn 25 jarig bestaan in 1859
met feesten herdacht.

Nog behoort Oudewater en omstreken tot eene der afdeelingen van de
Hollandsche maatschappij van Landbouw; de oprigting dezer afdeeling
geschiedde ten jare 1845, het aantal leden bedraagt 52. [629]

Ook de kunstzin deed hier eenige vereenigingen doen geboren worden,
onder anderen:

Eene Liedertafel, onder den naam van Crescendo, opgerigt ten jare 1859,
18 leden.

Eene muzijk vereeniging genaamd Amicitia et harmonia opgerigt 1855,
8 leden.

Eene Rederijkerskamer, die haren naam draagt naar den Nederlandschen
dichter Borger opgerigt 1857, 9 leden.

Ten jare 1850, werd hier opgerigt de Nederlandsche Brandwaarborg
Maatschappij voor roerende goederen, enkel van landbouwers en
veehouders onderling, onder directie van de Heeren A. M. Montijn en
P. M. Montijn aldaar. Het hoofdkantoor is echter sedert elders.

Maar besluiten wij met opnoemen der verschillende vereenigingen.

Het lager onderwijs is hier goed georganiseerd, in eene openbare en
eene bijzondere school.

Oudewater behoort, wat het schoolwezen aangaat tot het vierde distrikt
der Provincie van Zuid-Holland, wat het cantonnement betreft onder
Schoonhoven, wat het kiesdistrikt aangaat onder Gouda en met de
protestantsche classes eveneens onder Gouda.

Ook Handel en Nijverheid houden hier tred met liefdadigheid, kunsten
en wetenschap.

De handel bestaat voor een groot gedeelte in kaas en eene menigte
andere zaken. De nijverheid het meest in het vervaardigen van grove en
fijne touwsoorten; echter worden hier ook andere takken van industrie
met vrucht uitgeoefend.

Het aantal woningen bedroeg ten jare 1732, 564, en in het jaar 1859,
546.

Het aantal inwoners bedroeg in 1860, 2197.

Wij moeten echter opmerken, dat er van verschillende buurtschappen
ongeveer nog 2000 zielen van verschillende kerkgenootschappen tot
Oudewater behooren.

Sedert het jaar 1857, bezit Oudewater eveneens een haltplaats van
de Nederlandsche Rhijn-Spoorweg-Maatschappij, echter op ongeveer 30
minuten N. W. afstands; en, zijn onze ongewonnen berigten juist, dan
zou eveneens, nadat de arbeid der kanalisatie van den Hollandschen
IJssel is bewerkstelligd [630] eene of meerdere vaartuigen, gedreven
door stoom, het stedeke opnemen onder hare haltplaatsen.

En nu mijn waarde lezer! beschouwen wij onzen arbeid als geëindigd.

Van den titel uitgaande, schetsten wij in breede trekken de wording van
den bodem van Oudewater. Wij beschouwden onzen dierbaren geboortegrond
in den strijd zijner wording van af de zandgolvingen des diluviums en
wijdden onze aandacht hoe op die verbazende zandmassa een heir van
planten, daarna boomen ontstonden, die stierven, verteerden, aldaar
veengrond maakten, en toen voedsel verschaften aan steeds opkomende
nieuwe gewassen.

Terwijl de rustelooze natuur in hare trotsche en bevallige woestheid,
onder Hooger leiding dus ten leven wekt en weder vernietigd, baant
zich een tak des Rijns die IJssel genoemd zou worden, den weg door dit
oord naar den breeden schoot des Oceaans over den zwarten veenbodem,
ten spijt van den weelderigen plantengroei die zijnen doortogt
trachtte te belemmeren. Spoedig was nu dit landschap met een breede
streep rivierslibbe doorweven en de vette Uiterwaarden, die daardoor
ontstonden, maakten den bodem voor bewoning van den mensch geschikt,
en zouden den naam later aan dit stedeken schenken.

Voorts toonden wij aan, hoe zich een menschenras hier nederzette,
krachtig van ligchaamsbouw, blaauw van oog en blond van haar; een
ras, wiens woningen bestonden uit ineengevlochten boomtwijgen met
IJsselslibbe bepleisterd; een ras, dat zon, maan, sterren, boomen,
planten, dieren, etc. vereerden, omdat zij den Eenigen en Waren God
niet kenden.

En aldus kwamen wij tot aan het tweede gedeelte onzer beschrijving,
dat der mythologie. Wij schetsten daarin hunne godsdienstige begrippen
en verwezen op de sporen, die daarvan in dezen tijd nog aanwezig zijn.

Voorts maakten wij eenen togt naar het heilig woud (schakenbosch,
sacrum nemis) en zagen voorts bij menigen Noord-westen storm,
doorbraak en overstrooming van rivier en zee, echter ook het in den
aanvang verdelgend element van den bodem verdwijnen, die beter bewoon-
en meer vruchtbaar den bewoner van dit oord werd weêrgeschonken.

Na de ontrolling van eeuwen, zie! daar week het duister heidendom
voor de aanlichtende koesterende stralen van het allesbezielend
Christendom. Men werd nu meer beschaafd van zeden, begon de woningen
te verfraaijen, die echter nog steeds een zeer eenvoudig aanzien
hadden, met hare rieten of strooijen daken, en daarna naderden wij
de beschrevene geschiedenis van Oudewater en omtrek.

Wij gingen door de nog ongeplaveide wegen van het middeneeuwsche
Oudewater; zagen het stedeke in 1265 tot den rang van veste verheven,
dat in de 19. eeuw zijne bestemming als zoodanig weder zoude ontnomen
worden.

Wat in dit eeuwenverloop aangetoond werd, als hier geschied te zijn?

O mijn lezer! immers nu eens lieve vrede, dan weder bloedige oorlog,
blakende hartstogten, zoete kalmte, bittere partijzucht, teedere
verzoening, schitterende overwinning, treurige nederlaag, dappere
uitvallen, wanhopige verdediging, blijde vreugdetoonen, hartroerende
smartkreten, donderend kanongebulder, diepe stilte, zwart verraad,
blanke trouwe, bange broodeloosheid, blijde nijverheid, nijpend gebrek
en ruime weelde.

Dierbaar Oudewater! Al toont zich aan uwe geschiedenis nu en dan
eene schaduwzijde, toch kunnen wij met trotschheid op de daden uwer
burgers nederzien; zij immers, ondersteunden en hielpen zoo dikmaals,
daar waar te ondersteunen en te helpen viel, [631] zij mogten zich
zoo dikmaals den schedel sieren met den laauwertak der overwinning.

En nu handel en nijverheid bloeijen er, verfraaijing op verfraaijing
komt er tot stand en het voor geruimen tijd vergeten oord van Oudewater
wordt eenige malen daags, door middel van de rappe wieken des stooms,
doorreisd van duizenden menschen uit alle natiën der wereld.

Voorts belooft de kanalisatie van den Hollandschen IJssel die spoedig
voltooid zal zijn, alhier nooit gekenden bloei en vertier en aldus
gaat Oudewater en omtrek met Godes zegen, bij het immer wijs bestuur
van onzen beminden koning Willem III en onder goede verstandhouding
van op- en ingezetenen, eene vreedzame en gezegende toekomst te gemoet.



NAAMLIJST DER INTEEKENAREN, OP DIT WERK.


Z. M. de Koning der Nederlanden.

Z.K.H. Prins Frederik der Nederlanden. 2 Ex.

Ackerwijck, (C. van)                        te      Maastricht.
Aelst, Sr., (A. C. van) wethouder           »       Oudewater.
Aelst, (G. C. van)                          »           »
Alter, (S.) boekh.                          »       Utrecht.
Ameijde, (J. van)                           »       Oudewater.
Archief der gemeente Oudewater.
Baale, (H.)                                 »           »
Bakker, Bz. (C.) boekhandelaar              »       Nieuwediep.
Beima, (Dr. E.)                             »       Leijden.
Blanken, Dz. (H.) notaris                   »       Schoonhoven.
Bock, (J. D. de)                            »       Oudewater.
Boellaard, (Mr. D. J. H.), lid der Prov.
Staten van Zuid-Holland,                    »       's Gravenhage.
Boere, (H. F. de) onderwijzer               »       Jutphaas.
Bom, (G. D.) boekhandelaar                  »       Amsterdam.
Borger, (P.) rustend predikant              »       Arnhem.
Bosch, (A. van den)                         »       Soetermeer.
Bot, (P.) aannemer                          »       Sliedrecht.
Broese (J. G.) boekhandelaar                »       Utrecht.
Beurs, (B. T.) koopman                      »       Oudewater.
Caan van Maurick, (Jhr.) op den huize       »       Harmelen.
Cleef Jz., (Wed. P. M. van)                 »       Hilversum.
Cleef, (de Gebroeders van) boekhand.        »       Amsterdam.
Cosijn, (A. C.)                             »       Gouda.
Daalen, (van) ontvanger der dir. belast.
ad int.                                     »       Zwijndrecht.
Dain, (J. F. A. van)                        »       Oudewater.
Doorman, (de Erven) boekh.                  »       's Gravenhage.
Doorn en Zoon, (C. van) boekhand.           »       's Hage. 3 Ex.
Eeten, (J. C. van) med. doctor              »       Utrecht.
Fröbe, (A. J.)                              »       Oudewater.
Geuns, (Dr. van)                            »       Utrecht.
Gogh en Oldenzeel, (van) boekhand.          »       Rotterdam.
Goor, (G. B. van)                           »       Gouda. 2 Ex.
Groot, (A. de) theol. stud.
Groot, (L. de) aannemer                     »       Gouda.
Guddee, (F. J.) broodbakker                 »       Oudewater.
Haagen, (R. C. van)                         »       Utrecht.
Haentjens Dekker, (R. W.) burgem.           »       Oudew. 3 Ex.
Harting, (P.) hoogleeraar                   »       Utrecht.
Hartman, H.G. z., (H.G.) secret. der gem.   »       Fijnaart.
Hen, (C. van der)                           »       Nieuwediep.
Heuvel, (P. H. van den) boekh.              »       Leiden.
Hoek, (Gebroeders van der) boekh.           »         »
Hoffmann (Mr. M. A. F. A.), lid der
Tweede Kamer                                »       's Gravenhage.
Hollander, (J.)                             »       Oudewater.
Hunck, (P. J.) verkooph. van galanteriën    »       Utrecht.
Kikkert, (C.)                               »       Oudewater.
Kneppelhout, (J.)                           »       Leiden.
Koch, (C. F.) boekh.                        »       Utrecht.
Koker Bz., (J.) boekhandelaar               »       Monnickend.
Koning, (G. de)                             »       Oudewater.
Koning, (W. de)                             »       Utrecht.
Koning Knijff, (A. de) theol. stud.         »       Utrecht.
Konings, (wed. N.)                          »       Oudewater.
Kruijs, (J. van 't) klokkenist enz.         »           »
Kruijsheer, (T.)                            »           »
Lange, (G. van) papierfabrikant             »       Waddingsveen.
Lee, (C. G. van der)                        »       Alblasserdam.
Lee (G. van der) lid van den raad           »       Oudewater.
Lee Az., (J. van der) genees-, heel- en
verloskundige                               »       Monnickend.
Lee, (J. Z. van der)                        »       Brouwershaven.
Maarschalkerweerd, (D. van) boekh.          »       Utrecht.
Martens, (A.)                               »          »
Martens, (J. H.)                            »          »
Mathot, (N.) in stroohoeden                 »       Gouda.
Mol, (G. P. J.) genees-, heel- en
verlosk.                                    »       Naarden.
Montijn, (A. M.) oud-burgemeester           »       Oudewater.
Montijn, (Joh. Just.)                       »       Fijenoord bij Rott.
Montijn, (T. D.)                            »       Oudewater.
Mooij, (H. W.) boekhandelaar                »       Amsterdam.
Muller, (Fred.) boekhandelaar               »           »
Nijhoff, (Is. An.) boekhandelaar            »       Arnhem.
Nyhoff, (J. G. Brouwer) notaris             »       Haastrecht.
Paisieres, (Mr. Just de la) griffier der
staten van Zuid-Holland, ten behoeve van
het Prov. Gouvernement
Peijpers, (W. N.)                           »       Amsterdam.
Putman, (J. J.) R.-C. priester en past.     »       Utrecht.
Putman, (J.) boekhouder van het
burgerlijk Arm-bestuur                      »       Oudewater.
Putman (W.)                                 »           »
Rahms, (E. C.)                              »           »
Rodenburg, (de Jong van) kapitein bij in
infanterie                                  »       Breda.
Roesteen, (J. A.)                           »       IJsselstein.
Rogge, (H. C.) pred. bij de remonstr.       »       Moordrecht.
gem.
Roldanus, (A. J. A.) boekhandelaar          »       Oudew. 3 Ex.
Roll, (H. F.)                               »       Gouda.
Römer, (M. J. J.) onder-officier 4 batt.    »       Vlissingen
2 reg. infanterie
Rost, (A.)                                  »       Haastrecht.
Rijnenberg, (L.) instituteur op             bij     Nijmegen.
Marienboom
Schadee, (E. C.)                            te      Oudewater.
Schouten, (G. van Ingen)                    »           »
Sivré, (J. B.) Controleur der pl. belast.   »       Roermond.
Snaterse, (A.)                              »       Amsterdam.
Spoel, (A.)                                 »       Dordrecht.
Thier, (W. J.) genees-, heel- en verlosk.   »       Oudewater.
Vermeer, (H.) predikant                     »       Houten.
Vermeulen (J.)                              »       Oudewater.
Verweij, (P.)                               »           »
Virulij, (T. P.)                            »       Gouda.
Visscher, (J. W. B.) medicus                »       Schalkwijk.
Vliet, (F. van)                             »       Oudewater.
Vliet, (G. van) landbouwer                  »       Hekendorp.
Vlooswijck, (A.)                            nabij   Montfoort.
Vries, (E. de)                              te      Oudewater.
Vriesman, (J. A.) oud-resident op Java      »           »
Vriesman, (J. A.)                           »           »
Vriesman, (N. C.)                           »           »
Weijer, (P. W. van de) stads- en
provinciale steendrukker; boek- en
plaatdrukker                                »       Utrecht.
Weijer, (W. van de) papierhandel            »          »
Welter, (G.)                                »       Oudewater.
Wolters, (J. B.) boekhandelaar              »       Groningen.
Zuilen, (T. van) landbouwer                 »       Honkoop.
Zwart, (H. de) huis- en hoefsmid            »       Oudewater.
Zijll, (wed. J. van)                        »           »



BEOORDEELINGEN.


Het Handelsblad van 9 Junij 1858 kondigde de eerste aflevering aldus
aan, na de aandacht zijner lezers op de advertentie verwezen te hebben:


"Uit den daar vermelden korten inhoud van het werk mag men veel
goeds verwachten, en de eerste aflevering stelt deze verwachting niet
te leur."


De Amsterdamsche Courant van 9 Julij 1858 laat zich er aldus over uit:


"De reeks plaatsbeschrijvingen van belangrijke gedeelten onzes lands,
hetwelk zoo velerlei gewigtige stoffe tot dergelijke bearbeiding
oplevert, is vermeerderd met een werk getiteld: "Oudewater en omtrek,
geologisch, mythologisch en geschiedkundig geschetst" door W. C. van
Zijll, Jz. Het werk zal in zestien à twintig afleveringen compleet
zijn; de eerste ziet het licht. Op het gewoonlijk door de geologen
betreden voetspoor vangt de schrijver aan met eenige verklaringen
van het diluvium en alluvium. In den loop der behandeling daarvan
schetst hij de geschiedenis van den Hollandschen IJssel, en deelt
naar aanleiding daarvan zijne meening mede over den naamsoorsprong van
Oudewater, volgens hem komende van Oudewaarden. Opmerkenswaardig is,
ook uit een oogpunt van nijverheid, hetgeen de schrijver aangaande
het veen en de verschillende aard- of kleisoorten van den bodem
zegt. Zaakrijk zonder te groote wijdloopigheid, stemt deze eerste
aflevering gunstig voor het geheel en regtigt ons aanvankelijk tot de
onderstelling, dat zoo de schrijver zijne taak conscientieus blijft
volvoeren, hij een goed werk kan leveren."


Terwijl het Handels- en Effectenblad van 14 Maart 1859, Aflevering
1-4 aldus aankondigde:


"Bijna iedere stad bevat eene topographie, doch de meeste daarvan
tellen reeds eene of meer eeuwen en zijn dus voor den tegenwoordigen
tijd, waarin de wetenschap en een naauwkeurig onderzoek ons vele zaken
van een geheel ander standpunt hebben doen kennen, en, daar zij de
geschiedenis van den lateren tijd niet behandelen, op dit punt al
zeer onvolmaakt.

Het was dus wenschenswaard, dat die werken omgewerkt en bijgewerkt
werden of nieuwe topographiën in het licht kwamen, ten einde in de
bestaande gebreken te voorzien, en het schijnt, dat deze tijd aan dien
wensch voor een groot gedeelte zal te gemoet komen. Onlangs immers
nog maakten wij melding van het voortreffelijke werk van Dr. Koronel:
"Middelburg voorheen en thans," en thans zijn ons toegezonden 5
afleveringen van het bovenstaande werk.

Den inhoud van deze afleveringen hebben wij met belangstelling
en naauwkeurigheid nagegaan, en het is ons gebleken, dat het werk
in eene behoefte des tijds voorziet, en voor iedereen ten sterkste
aan te prijzen is. Ten einde dit ook aan onze lezers aan te toonen,
willen wij den korten inhoud der vier eerste afleveringen opsommen,
en zullen dan gaarne wanneer er meer afleveringen in het licht gekomen
of het geheele werk compleet zal zijn, in eene verdere beschouwing
treden, daar met de vijfde aflevering de afdeeling Geschiedenis een
aanvang neemt.

Na eene korte inleiding, begint de schrijver zijne geologische
beschouwing, met een duidelijk begrip te geven van de woorden diluvium
en alluvium, en wat men onder diluviale en alluviale gronden moet
verstaan, en geeft daarna een overzigt van de verschillende grondlagen,
die in en bij Oudewater te vinden zijn.

De geschiedenis van den Hollandschen IJssel hangt hiermede in naauw
verband, en het was dus natuurlijk, dat deze onmiddellijk daarna
behandeld werd. In deze afdeeling worden verschillende naamsafleidingen
gegeven, die zeer belangrijk zijn, als: IJssel van IJsala, water
(IJ) loop (sala); Waard van worden, grondwording, en Oudewater van
Oudewaerd, oude grond, oud eiland.

De tweede groote afdeeling handelt over de mythologie, de feesttijden,
feesten en volksgebruiken, en is voor den oudheidkundige, maar vooral
voor iedereen, die van de met mythen doormengde godsdienst onzer
voorvaderen en van den oorsprong der volksfeesten en nog heerschende
gebruiken iets wil weten, van hoog belang. Daarna komen wij aan
het hoofdstuk plaatsnamen, en wordt hierin de naamsoorsprong van
Haastrecht, Montfoort, Heeswijk, Roosendaal en andere omliggende
plaatsen uitvoerig behandeld. Wij hadden deze afd. echter liever
gewenscht vóór het hoofdstuk Mythologie, want dan zou de afdeeling
feesten en feesttijden, die grootendeels hun oorsprong hebben uit de
mythologie, in verband gestaan hebben met de woudendienst, de planten-
en boomendienst, de waterdienst, de vuurdienst, de dierendienst,
vogelvereering,  gedrochten, aardgeesten, luchtgeesten, woud-, veld-
en huis-geesten, allen afdeelingen, die in de 4de aflevering behandeld
worden. Deze aflev. besluit met eene opgave van de bewijzen, dat
de plaats en omtrek, waar nu de groote kerk en toren staan, welligt
aan Heidensche eeredienst gewijd waren, er stellig eene Heidensche
begraafplaats was, waarbij tevens de begrafenisplegtigheden van
voorheên en thans opgegeven worden.

Door deze korte beschouwing meenen wij gerust tot de conclusie te
mogen geraken, dat het werk der lezing waard is, en wenschen wij
den schrijver geluk met zijne onderneming. Dat de uitgave goed
is, behoeven wij niet te zeggen; de heer van Zijll heeft, èn als
schrijver, èn als uitgever, voor het welslagen zijner pogingen de
uiterste zorg gedragen."


Het laatstgenoemd blad besluit eene nadere zeer gunstige beoordeeling
van dit werk in zijn nummer van 20 October 1859, met deze woorden:


"Wij durven dit werk aan iedereen aan te bevelen en zijn verzekerd,
dat de belangrijkheid, gepaard aan den niet hoogen prijs, menigeen
zal aansporen, het zich aan te schaften."



AANTEEKENINGEN


[1] Tot teregtwijzing voor hen, die in deze omstreken niet bekend
zijn, diene, dat deze acht namen zoogenaamde boerenbuurten aanduiden
om Oudewater gelegen, die in het vervolg alligt meerder zullen worden
aangetroffen.

[2] W. C. H. Staring. De bodem van Nederland. IIe deel, pag. 130.

[3] Namen van straten.

[4] »De bodem van Nederland", Deel I, bl 18 en 19.

[5] Ibid, pag. 421, Ie deel.

[6] Batavia illustrata, pag. 200.

[7] Tooneel der Vereenigde Nederl. 2 deel, pag. 133.

[8] Tooneel van Hollandt, pag. 313.

[9] Lud. Smids, Schatkamer der Ned. Oudheden, pag. 259.

[10] Beschrijving der stad Oudewater, pag. 3, 1746.

[11] Beschrijving van Spanje en Portugal, I, pag, 15. Te Leyden,
bij Pieter van der Aa, 1707.

[12] Tegenw. Staat der Ver. Nederlanden, deel VIII, pag. 34 en 35
Amsterd., Isaak Tirion, 1750.

[13] Woorden van Ovidius, vertaald door wijlen den eerw. heer
Jansonius, predikant te Moordrecht.

[14] Halma, Tooneel der Vereenigde Nederlanden, 2e deel, pag. 162
en 163.

[15] Voor 860 is ook nog Gabbema, Watervloed, bl. 9. Alhoewel van
Meteren, Neerl. G., 3 b., bl. 65, en eene menigte andere schrijvers
willen dit op 860; deze zijn, o. a.: Heda, Joh. à Leidis, Goudhoeve,
Junius, Petr. Nannius, Lamb. Hortensius, Slichtenhorst, Wachtedorp,
Schokius, enz.

[16] De bodem van Nederland, pag. 353 en 354.

[17] Zie hierover ook Boekbeoordeelingen van het Leeskabinet, 1856,
No. 7.

[18] De Industrie aan den Hollandschen IJssel, 1854.

[19] Janzonius bij Rademaker, Kabinet van Ned. en Kleefsche Oudheden,
op Moordrecht.

[20] Het Scandinavië van vroeger is het Zweden en Noorwegen van thans.

[21] Budding. N. Godenleer.

De edda's werden 100 jaren na elkander vervaardigd. De eerste werd
verzameld omstreeks 1100, nog ten tijde van het heidendom; de tweede
honderd jaren later.

[22] D. Budding, N. Godenleer, bladz. 7.

[23] A. W., t. a. pl.

[24] Mr. Blommaert, Aloude Geschiedenis.

[25] Mispelheim bet. Vuurwereld.

[26] Schoone beelden, niet waar? Baldur is hier het licht, Haudur de
verpersoonlijkte duisternis.

[27] Deze was boosaardig en luimig, hij wordt de lasteraar der Asen
genoemd en eene schande voor goden en menschen. Blommaert, A.W.,
bladz. 119.

[28] Walhalla is het verblijf der gezaligden en met roem gesneuvelden.

[29] De oude Friezen noemden dit feest Midwintra. D. Budding.

[30] In sommige gedeelten van ons land worden midwintervuren ontstoken.

[31] Nader meer over deze stukken.

[32] Meermalen zagen wij openbare mededeeling door geleerden van oude
plaatsgebruiken, volksliederen en zelfs kinderliederen, klommen die
ook niet altijd tot het heidendom op. Den beminnaren van onderzoek
waren deze bijdragen ongetwijfeld welkom; maar wij zagen ook, dat
het bij anderen den lachlust opwekte. Niettegenstaande dit laatste
willen wij ook nog eenige bijzonderheden mededeelen omtrent het vieren
van het nieuwjaarsfeest in deze plaats, alhoewel het ook met deze
bijdrage bij de laatsten zoo gaan zal. Ter zake nu: Het is N.jaar,
de klokken "beijeren" en men begeeft zich met de nachtwacht naar de
woonhuizen der voornaamste ingezetenen, welke de volgende zingende
luidruchtige zegenwensch ontvangen, aangeheven door eene golvende
menigte, voornamelijk uit den spinnersstand:


           "Het uur van twaalven is geboren,
            Het oudejaar dat gaat verloren;
            Het nieuwe jaar van God ontvangen,
            Daar zoo veel menschen na verlangen
                't Zij jong en oud
                En ongetrouwd;
            Ik wensch de heeren en burgers met malkaar,
            Veel heil en zegen in het nieuwe jaar."


Daarna wordt eenige malen met de klap geslagen, en het "veel heil
en zegen in het N.jaar" gaat van mond tot mond. In dien tijd echter
gaat de kroeze rond, door de "heeren en burgers" den wenschenden
geschonken, en men herhaalt bij anderen denzelfden deun en ontvangt
hetzelfde vocht.



Ten een ure is de menigte die de wacht vergezelt, al meer en meer
verdunt; men zingt nu:


           "David was een jonge held
            Toen hij trok met den reus in 't veld,
            Al met den slingersteen.
            De klok het een!"


Klap gaat het daarna eenmaal, ten teeken van een uur.

Het volgende is echter in onbruik geraakt; het is welligt 150 jaar
geleden, sedert dit het laatst gezongen werd. De reeds oude tak van
nijverheid in Oudewater, het touwspinnen, wordt daarin herdacht:


           "Die zijn kostje met spinnen moet winnen,
              Die rept en die spoedt hem wat ree;
            Die der wil wasschen en ook wil plassen,
              De klok het twee."


Klap, klap! zal het daarna den eenvoudigen voormaligen bewoners weder
in de ooren geklonken hebben.

Of men na dit nog meerdere liederen zong, weten wij niet.

[33] Van den Bergh, Mythologie, bladz. 48.

[34] De Spural in Februario, of van de afschuwelijkheden in Februarij.

[35] Inderdaad, ook wij meenen dat de rommelpot zeer oud is: een potje
immers, overspannen met zwijns- of koeblaas, waardoor een riet gaat,
kan ook bij de onbeschaafde heidenen reeds vervaardigd zijn. Potten
hadden zij, dit weet men uit menige overblijfselen; riet groeide hier
in overvloed, en het gebruik van koe- of zwijnsblaas was hun welligt
niet onbekend.

[36] Budding.

[37] Budding.

[38] Zie Blommaert, bladz. 159 a.w.

[39] Budding.

[40] Budding, N. Godenleer.

[41] Zie het 3e deel Ons Vaderland, hist.-rom. Schetsen, blz. 19
en verv.

[42] Freja niet te verwarren met Freija; de eerste is de godin der
liefde, de laatste reeds eenigzins bekend gemaakt.

[43] In Ons Vaderland, door G. Engelberts Gerrits, wordt insgelijks
menige bijzonderheid van Ostera in het meifeest besproken.

[44] Als voorname voorstander van dit oud gebruik, ondersteunde wijlen
de heer A. van der Lee Cz. dikwijls dit feest door toevoeging van
takkebossen, enz.

[45] Vroeger viel ons zelf den eerpost van aanvoerder ten deel.

[46] Dokken is op het vuur slaan, totdat de vlam bijna is uitgedoofd.

[47] Roodzand, een straatnaam.

[48] Dit instrument was reeds bij de oude Germanen in gebruik.

[49] Zie Kevren der stede van Oudewater des Graefschaps van Hollant,
1605. Ook in 's Gravenhage werd in 1506 o. a. nog een verbod tegen
het balslaen, caetsen gemaakt.

[50] Over den haan in de Mythologie nog nader.

[51] Buddingh.

[52] Buddingh.

[53] Niederl. Sagen.

[54] Zie omtrent de vastenavond hiervoren, bladz. 48.

[55] Acht dagen voor Paschen is daags voor eijermaandag. Acht dagen
na Paschen, beloken Paschen (Zie bevel van graaf Jan III, bladz. 65).

[56] Pinksteravond, men denke aan het midzomerfeest.

[57] XVIII Septembris en veertien dagen daarna: herfstnachtevening,
kermis en St. Michiel.

[58] XVIII dagen vóór kerkmisse: Midwinterfeest. XIV dagen daarna
omtrent Driekoningen. Zie bevel van Graaf Jan III.

[59] Zie voorn. Keurenboek.

[60] Men denke echter niet dat er voorheen tegen al dat bijgeloof niet
werd geijverd zulks te beletten, en ook om dat heidensch offervuur
tegen te gaan. Indien wij toch een tal van boeken inzien, waaruit
het tegendeel blijkt, is dit maar al te waar. Zoo zien wij b.v. in
den eersten jaargang de Navorscher, bladz. 45 en 46, het stukje van
D. J. Veegens over de Paasch- en Ostera-vuren. "Dat gebruik" zoo staat
daar, "heeft zich staande gehouden in weerwil van den tegenstand der
geestelijkheid, die niet ophield daartegen te ijveren. Zoo leest
men b.v. in art. V van de ordonnantiën der eerste kerkvergadering
onder Bonifacius, van 21 April 742, den last van Carloman aan iederen
Bisschop, om met behulp van den graaf, die de beschermer zijner kerk
is, zorg te dragen tegen het plegen van heidensche bijgeloovigheden,
en daaronder van die heiligschendende vuren die zij nedfrates
noemen. Batavia sacra, bladz. 298.

[61] Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie, 298 en 299.

[62] Dit ook in Moordrecht, Dordrecht en meerdere.

[63] Buddingh.

[64] Die overgang was gebruikelijk, zegt Buddingh.

[65] Tydeman.

[66] Tydeman.

[67] Minder gaarne nemen wij de afleiding aan van Saxenbosch.

[68] Lud. Smids, Schatkamer van Oudheden, blz. 46.

[69] Het Hercynier woud in Germanie was LX dagreizen lang. (Verklaring
enz. op Tacitus, door Cluverius, enz.)

[70] Van onzen gevoelvollen Hofdyk, zoo ook de dichtregelen op pag. 87.

[71] Dat de IJssel zich hier door een woud den doortogt baande,
blijkt uit het grond- of kienhout, nabij de IJsseloevers gevonden
wordende. Verder wordt hieromtrent verwezen naar de geologische schets,
bladz. 19.

[72] Dit voorbeeld slechts: Onder Setten vond ik nog twee plaatsen,
beiden even merkwaardig als den hoogen hof bij de Taart en de Pol
bij de Steenbeeksche brouwerij. Beiden zijn zoo bijzonder in het
oog vallend door hunne zwarte aarden urnen en scherven, dat ik mij
verlustigde in de oneindige menigte van allerlei gebroken huis-offer-
of begrafenis-overblijfselen onzer voorvaderen, hetwelk hier nog
gevonden wordt.

[73] Alleen zij herinnerd aan Poorteren, dat men Poerteren schreef.

[74] De naam Papen ergere niemand; het ligt geheel buiten ons doel
dit te doen aan wie het ook zij. In oude stukken komt Papen menigwerf
voor in plaats van Roomsche geestelijkheid.

[75] Critisch woordenboek, p. 383 en verder.

[76] Tacitus bij Buddingh, bladz. 198.

[77] Van den Bergh.

[78] Buddingh.

[79] Dr. Romer. Utrecht en Oudewater.

[80] Algemeen overzigt der Romeinsche Oudheden in de Nederlanden,
door Dr. N. Westendorp, bladz. 87 en 88.

[81] Critisch Woordenboek, 24 en 25.

[82] Zie hier een sage bij van den Bergh aangehaald, hoe zij somtijds
gedienstig waren:

"In zeker dorp bij Mechelen was een molenaar eens bezig meel te
zeeven. Hij kon dien dag zijn werk niet voleindigen, en verschoof de
rest tot morgen. Weggaande vergat hij zijne boterham. Toen hij nu den
volgenden ochtend de deur opende, vond hij tot zijne verbazing al het
meel gezeefd; de boterham echter was verdwenen. Den volgenden dag
gebeurde hetzelfde. Toen verborg hij zich den derden nacht achter
eenige meelzakken, nieuwsgierig naar de oorzaken van dit wonder;
en zie: na middernacht ging plotseling de deur van den molen open,
en een naakte dwerg trad binnen, die, nadat hij de boterham had
opgegeten, vlijtig aan het zeeven ging. Medelijdend van aart lag de
molenaar daarop nevens de boterham ook kleederen, en sedert was de
dwerg altijd behoorlijk gekleed als hij daar kwam."

[83] Buddingh ten minste noemt vele Mondplaatsen waar hij maanvereering
wil zien, van bladz. 243 tot 250.

[84] Weder worden in voornoemd boek een aantal Lin-, Lunaplaatsen
vermeld. De schrijver schijnt echter niet aan Linschoten te hebben
gedacht: anders--wij durven het bijna met zekerheid zeggen--had hij
ook deze plaats daaronder gerangschikt.

[85] Tydeman, Mythologie, bladz. 267.

[86] Ook Buddingh noemt deze onloochenbare modificatie. bladz. 261.

[87] Van waar ons woord toorn? van den toornigen god Thorn?

[88] Ook aan Moordrecht en Dordrecht zij gedacht. Dordrecht,
Thuredrecht, schijnt ten minste eenigzins aan Thor, Thordrecht te
herinneren.

[89] In de Noordsche Mythologie kende men den drudenvoet. Het was
eene vijfhoekige figuur en het symbool van vrede en heil; als zoodanig
werd het door de menschen met kinderlijk geloof vereerd.

De druden (krachtgeefsters) behoorden tot de beschermnornen. Deze
waren weldoende geesten, wakende voor der menschen heil. Nog in de
middeleeuwen werd deze pentagoon of vijfhoek door de landlieden als
behoedmiddel tegen tooverij op de staldeuren geteekend. Het gebruik
daarvan bestaat nog bij de boeren in vele oorden van ons land, het
Christendom heeft echter den drudenvoet vervangen door het kruis. (Ons
Vaderland, door Engelberts Gerrits, enz., III, bl. 166. Zie ook
Brockhaus zijn Conversations Lexicon.)

[90] Men stoot aldus aan: boven aan het glas, eens iets lager en
eens beneden.

[91] "Hef op den hoorn, Jarl! gij die mijn zwaard zult voeren op het
bruischend meeuwenveld. De oppergod Wodan geve den Noren zegen en
landsheil. Donar, die lucht en wolken bestuurt, geve vruchtbaarheid
aan den bouwmansakker, en ter eere van Freya, tot gedachtenis onzer
beroemde helden, van onze gestorvene vrienden en verwanten.--Oude
Noordsche drinkplegtigheid. (Zie Ons Vaderland, enz., V, bladz. 13.)

[92] Woordenboek der Nederlandsche Mythologie.

[93] Tydeman. Oostersche, Westersche en Noordsche Mythologie.

[94] Ook de waterkom tusschen Utrecht en Oudewater is, naar men zegt,
grondeloos. (Zie over dit watervlak ook bladz. 99 dezer beschrijving.)

[95] Tydeman, Mythologie, 295.

[96] Blommaert, Aloude geschiedenis, bladz. 143-146.

[97] De schrijver noemt hier bij voorkeur zijne natie. Deze woorden
»des Belgs" gelieve onze natie te beschouwen als »van onzen voorvader",
dewijl dat gebruik, of liever die begeerte ook hier kan toegepast
worden.

De Schrijver.

[98] De Walkuren reden onzigtbaar voorop in den strijd, en kozen de
helden die sneuvelen zouden.

[99] Hela was de heerscheresse der doodenwereld. Alhoewel de
benaming »hel" als strafplaats voor een zondig aardsch leven in
eenige noordsche talen aan Hela schijnt te doen denken, zoo kunnen
zoogenaamde veelweters de hel hierom niet wegcijferen. Dan toch zou
het woord »God", dat de heidenen ook hadden, ook slechts eene ijdele
klank zijn, en wij weten het immers, dat onze Goddelijke Verlosser,
de bron van alle waarheid, dikwijls van die strafplaats gesproken
heeft. Men begrijpe ons dus wel. Alleen de klank van de Hela in de
fabelleer der heidenen en de hel in de Godsdienst der Christenen
biedt overeenkomst aan.

[100] Naar het geluid der vogelen en het gehinnik der rossen werden
vele zaken geregeld.

[101] Midgard is de aarde.

[102] Deze volkeren voerden hunne voetknechten aan in het uiterlijk van
wiggen. Zoodanige wig--door de Romeinen Cuneus genoemd--diende om de
slagorde der vijanden van een te splijten. De hoogsten in rang waren
steeds de eersten of voorsten, dat vorst werd. Weder een overgang,
geachte lezer.

[103] Men weet dat zij bij nachten telden, niet bij dagen.

[104] Blommaert.

[105] Schreijen was te week voor den krachtigen voorvader.

[106] Men had eene of meer houtsoorten die het liefst voor lijkbrand
gebezigd werden. Certis lignis, zegt Tacitus.

[107] "En terwijl de rossche vlammen nu blinken dan bezwijmen, op
en omstralen naar alle zijden, de lijkmijt in vollen brand staat
en den kring der aanwezigen sterker en sterker verlicht met een
aanwakkerenden rooden gloed, heft de aanvoerder Chrenebedar een schril
gehuil en ontzettend gekrijt aan, luid roepende den naam des dooden,
en zijne stem verheffende met akelige kracht, totdat de lijkbrand heeft
uitgeblaakt, de mijt is verteerd, en geen vlamme meer opflikkert uit
den zaamgestorten hoop." Hofdijk, Historische landschappen, bladz. 76
en 77.

[108] Dit gebouw staat aan de N.W.zijde des kerktorens aan den hoek
der straat en is op het kadaster aangeduid als 825.

De vochtige houtskolen zagen de werklieden voor steenkolen aan.

De beenderen waren dikwijls tot groote onregelmatige stukken,
waarschijnlijk  door het vet, in elkander geschroeid en hadden--gevoegd
bij den vochtigen grond waarin zij waren--eene aanmerkelijke
zwaarte. De ontruiming had plaats in 1858.

[109] Blommaert, 123.

[110] Van den Bergh.

[111] Buddingh, 148.

[112] Welligt nemen ons sommige uit de schoone sekse het kwalijk indien
wij het wereldkundig maken waarom men zegt dat dit naklepje is. Nu,
laat ons het dan verzwijgen, dat men dit doorgaans beschouwt, omdat
velen harer bij hun leven steeds het laatste woord willende hebben,
men haar dit ook bij haren dood toekent.

[113] Alle overledenen van buiten, wie ook, worden naar de stad
gereden. Voor nabestaanden die dit niet kunnen bekostigen, wordt
het gratis gedaan, meestal door de buren. In de buurt Willeskop
zelfs wordt de lijkwagen, ook van den minsten daggelder, door vier
paarden getrokken.

[114] Dit laatste echter niet als ten tijde van het heidendom.

[115] Beiden naar Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden.

[116] Ook de kap der nonnen laat dit oude hoofdkleed nog zien; ook
die veranderden hun kleed niet, hoe dit bij anderen mogt wisselen.

[117] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, 1857, blz. 1, 2, 3 en 4.

[118] »Men vindt hen liggen in het landschap Drenthe, sommige
op de ruime en woeste heide, sommige op de bouwakkeren,"
enz. Schatk. Oudh. van L. Smids, 1711.

[119] Schatkamer Oudheden, blz. 327.

[120] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 151 en 152.

[121] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 156.

[122] Engelberts, Aloude Staat, blz. 163 en 164.

[123] Het spreekwoord: »het is zoo oud als de weg van Kralingen"
zal onzen lezers nu wel niet meer bevreemden.

[124] Vergelijk en zie hierover L. Smids, Oudheden, op Romeinsche
Oudheden, bladz. 296 en 297.

[125] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden, bladz. 3.

[126] Bladz. 2.

[127] Engelberts Gerrits, Ons Vaderland, dl. III, bladz. 251 en 252.

[128] Hofdijk, Vaderlandsche geschiedenis, blz. 6 en 7.

[129] Van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 5.

[130] Zie brief van bisschop Jan van Utrecht, waarbij hij voor zekere
somme gelds onder anderen Oudewater verpondt aan Florens V, graaf
van Holland, bij van Kinschot, bladz. 6, 7 en 8.

[131] Oudewater is volgens de eerste en oude verdeeling, bij de
Rekenkamer van der Graeflijkheidsgoederen van Holland onder het oude
Noord-Holland en wel in die landstreek begrepen, en welke daarom
alzoo genoemd wierd als gelegen noordelijk den IJssel. Van Kinschot,
a. b. bladz. 1.

[132] Zie hierover Taalkundige bijdragen tot de naamsuitgangen door
Mr. J. H. Hoeufft. 1816 (aangeteekend bij Mr. P. Blommaert, Aloude
historie, bladz. 18.)

[133] Dat wijders langs die zijde der stad almede zoo veel mythologisch
is en zooveel sympathie bij verschillende gelegenheden, is ook zeer
opmerkelijk.

[134] G. van Loon's Aloude hollandsche historie, bladz. 8.

[135] Engelberts, Aloude Staat, bladz. 382.

[136] Engelberts, Aloude Staat, dl. I, bladz. 384.

Zou het kleuren der boerenwoningen ten onzent, waar dit nog niet zelden
is hoewel veel verminderende, daar nog niet een overblijfsel van zijn?

[137] Dezelfde, bladz. 386.

[138] Ter meerdere opheldering over het land, dat dezen belangwekkenden
naam bewaart, vermelden wij nog, dat het eertijds bij het omaarden
der plaats veel aarde daarvoor verschaft heeft; hierdoor kwam het,
dat nog volgens geheugenis, die nu schoone weilanden vroeger eene
moeras gelijk waren. Dit zij nog verder dáárom vermeld, opdat men
ons niet tegenvoere, dat het markveld nog niet zoo oud is, als werd
ter neder geschreven.

Uit dit aangevoerde is nu dan ook behoorlijk gebleken, dat het niet
meer marktveld behoort te worden uitgesproken, zooals men deed,
doch markveld; en de meening dat Oudewater voorheen zoo groot zoude
geweest zijn dat daar de markt was, is nu te gelijker tijd ontzenuwd.

[139] Arnold Buchelius bij S. van Leeuwen, Batavia sacra, II,
bladz. 164, en Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot, bladz. 4.

[140] Men zie vooral hierover, den brief van paus Gregorius de Groote
aan den abt Mellitus en den aartsbisschop Augustinus van Engeland,
aangehaald bij BLOMMAERT, Aloude Geschiedenis, bladz. 135 en 136.

[141] Liefland, Utrecht's Oudheid.

[142] Heldring, Opsporing van Bat. en Rom. Oudheden, bladz. 84 en 85.

[143] Zoo men meende ter verfraaijing liet men eertijds elders
menigmaal toe, dat de duifsteen werd verwijderd, om plaats te maken
voor keuriger metselwerk. De kostbaarheid der cementsteen was echter
de grootste drijfveer.

[144] »III Reg." III, 4.--Verg. II paral. I, 6.--Zie ook Kreuser,
»Kircherb." I, 48 en volg.

[145] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater, bladz. 30.

[146] Vroeger is reeds opgemerkt, dat in 1854 de kermistijd in Augustus
gebragt is. (Zie hiervoor bladz. 70).

[147] Beschrijving van Oudewater, door G. R. van Kinschot.

[148] Deze stukken zijn rekeningen van verpachtingen en verhuringen van
landerijen, behoorende aan zeker, mij nog onbekend, godshuis of kerk.

[149] Nl. aldus. Van Sinte Cornelis autaer te Oudewater de somma van
een pondt thien schillingen, ten prijs als boven, van X mergen lants,
die denzelven autaer heeft, strekkende als voren, de voorsz. somma
van enz.

[150] Van heer Cristiaen Reijersz. vicaris van St. Jans autaer te
Oudewater de somma van enz.

[151] Nl. de originele giftbrief ten behoeve van het St. Jacobs
autaer in de kerk, voor schout en schepenen, der stad verleden,
door Jan Roest Hermansz. dd. 28 Augustus 1454.

[152] Zie historie van het Bisdom Utrecht, uit het latijn door
H. v. R. 2 deel bladz. 332.

Voorts merken wij ieder op, dat wij volstrekt niet achterhaald willen
zijn, met de aanmerking, dat oudere stukken nog gewagen, van een
H. Geest-, H. Kruis-, St. Anna-, Simon- en Judas-altaar enz. die zullen
elders aanwezig zijn geweest,--en in zoover betrekking op deze plaats
hebben, dat men aan de altaren hier eenige pacht of iets dergelijks
moest daarvan opbrengen. De door ons genoemden worden duidelijk als
hier geweest zijnde, genoemd.--De aanwezigheid van een St. Anna altaar
wordt echter nog het minst door ons ontkend.

[153] Toen de Zaligmaker door Johannes in de Jordaan werd gedoopt,
vertoonde zich de H. Geest in de gedaante eener duif, en men hoorde
eene stem uit den hemel: dit is mijn welbeminde zoon, in wien ik mijn
welbehagen genomen heb.

[154] Naar men verneemt, is dit merkwaardig doopvont nu in bewaring
van den president-kerkvoogd.

Een arbeider, tegenwoordig, bij de door ons gedane bezigtiging, was zoo
vriendelijk eenige afmetingen voor mij te doen,--hij kon echter, door
ons niet bewogen worden, dit in Nederlandsche maat te doen, zeggende,
dat "een oudheid ook met oude maat gemeten moest worden."--Zie hier
dan de uitkomst zijner meting, »33 Amst. duimen lengte, over 't kruis;
26 dito, lengte der waterholte; 8 1/2 duim diepte bij den rand der
holte en 14 duim in het midden."

[155] De H. Linie door Alberdingk Thijm.

[156] De uitleggingen van I H S zijn te menigvuldig om hier ter neder
te schrijven--MARIA JOSEPH is duidelijk zoo ook A (anno) dni (domini)
1503. Het aanzien en den aart dezer schildering, is in den trant, van
die in de kerk te Naarden, dat door sommigen voor waterverw schildering
gehouden wordt. Met innige spijt, vermelden wij, dat naar men verneemt,
dit grijze gedenkteeken verbroken is.

[157] Indien wij na deze beschrijving echter nagaan, dat de gewelven,
der tegenwoordige consistorie en catachiseerkamer nog gothisch zijn,
hoewel overkalkt, dan durven wij vrij zeker bepalen, dat men, na
voorzigtige verwijdering der kalk, nog zoodanige gewelfschildering zal
aantreffen, door oudheidkundigen en geschiedminnaars in den laatsten
tijd zoo lofwaardig nagespoord en gecopieerd.

[158] De mannen besloegen in de kerk de zuid- en de vrouwen de
noordzijde, daarom welligt ook de zuidelijke en noordelijke ingangen.

[159] Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche oudheden.

[160] Zie Collectio Monument Foed Belg bladz. 306.

[161] Die thans door den beitel des steenhouwers zeer onkenbaar
is geworden.

[162] Van dit grafschrift door den heer KINSCHOT bladz. 35 beschreven
is thans eveneens slechts een gedeelte, door het verwoesten der zerk
in 1857-1858 te zien, en wel in de voorkerk.

[163] Zie VAN KINSCHOT enz. bladz. 36. Wij hebben de zerk echter niet
meer kunnen aantreffen.

[164] Ook van dezen steen bij VAN KINSCHOT vermeldt, is geen spoor
meer aan te treffen.

[165] Hier valt de gordijn, de arbeiders hadden reeds eenigen tijd
hierop gebeukt eer men gewaar werd, dat deze steen zich daar onder
bevond en was alzoo grootendeels beschadigd.

[166] Woorden des Zaligmakers.

[167] Men heeft echter meerdere uitmuntende klokkengieters gehad,
die Both heeten. Zoo treffen wij in het carillon b. v. een klok aan,
waarvan het omschrift is, Gerardus Both me fecit soli deo gloria 1601,
en een andere wier opschrift aldus luidt: Gerardus Both me fecit soli
Deo gloria 1711.

Zie over hen, Levens van beroemde Nederlanders, enz.

[168] Beschrijving van Oudewater, bladz. 31.

[169] Ook eene aanteekening van een oudheidminnend vriend luidde: De
kerk te Oudewater, aan St. Michiel toegewijd, dagteekent van Anno 1003.

[170] Kinschot, bladz. 31.

[171] Resol. van Holland, 12 Sept. 1647, bladz. 230.

[172] Resol. van Holland, 15 Augustus 1721, bladz. 612.

[173] Omstreeks 1750 was alhier schoolmeester en voorzanger, de Heer
Simon Jan Verwei, zooals een brief van hem getuigt, waarvan wij om
de pedante en bespottelijke toon die daarin heerscht, niet kunnen
nalaten, onzen lezers copie mede te deelen.

Copie van een brief, gezonden door Simon Jan Verwei, schoolmeester
te Oudewater, solliciterende naar het vacante Voorzangers- en
kosters-ambt, van Zalt-Bommel.

"Zonder roem, maar naar waarheid dient deze tot informatie, dat onze
familie bestaat in man, vrouw en zoon. Wij zijn ruim 40 jaren. De
zoon, de kracht onzer lendenen, in de fleur zijner jaren, de staf
onzer bejaarde dagen, 20 jaren, een meester glazenmaker en verwer,
meestetijd mijn ondermeester, een jongeling onzer gelijkenis
en wel geformeerd van leden. Soo UEd. Achtb. begeert een wel
gedresseerd schoolmr. en voorzanger, Godt geve UEd. Achtb. verstand
en voorzigtigheid, in de ellectie van soodanig een man of persoon,
verzekerd UEd. Achtb. aangaande mijne wetenschappen, bestaande
in deze navolgende: namelijk Italiaanschen scheepsboekhouden,
wijnroeijen, konst der stuurlieden, landmeten, sonder roem, doch het
is Gods gave--extra ordinair singen, als het Godt belieft, indien
UEd. Achtb. begeerig zijt zulks te zien of te hooren tot verwondering
en verbaastheid, dat soo een teeder ligchaam in lesen en singen,
soodanich een geluid kan maken. Ik ben op mijn vierde verandering
van domicilium, alle figuren op het konstigst, door ovaal ronduit
met de passer te haalen, alle sonnewijsers te smeere, Italiaansche
en Romeinsche letters, tot vijftig diverse banden te schrijven en te
vergulden en diergelijke capaciteiten meer, ook in de vlugheid der
pennen niemand, terwijl de roem buitengeslooten. Ben verzekerd, dat
UEd. Achtb. nog beter zullen vinden, als ik het hier met de pennen
geexprimeerd, wanneer gij mij gelieft te zien, hebben UEd. mij maar
op UEd. Achtb. kosten te commanderen of door iemand te laten haalen,
de distantie tusschen beide is omtrent 9 of 10 uren, mijne huisvrouw
is de allerbekwaamste in haar huishouden, en in het assisteren in
mijn school, van de hoofdschedel tot de voetzolen toe, ben ik een
schoolmeester. Wijn nog sterkendrank wordt nooit van mij gebruikt. Sijt
nog voor 't laatste versekerd, UEd. Achtb. sullen het nog beter vinden
aangaande mijn comportement zal vertoont worden, door ecclesiastike
en politieke ondertekeninge. Sal mij hierop mij verlaten.--Per naaste
occasie verwacht ik antwoord van te komen of niet, soo UEd. Achtb. mij
niet op soodanich conditie geliefd te hooren ofte sien, geliefd
dan maar de goedheid te hebben van mijn papieren terug te senden,
dan hope, dat God UEd. Achtb. wil geven eendragtigheid en liefde
in de ellectie van een goed eerlijk en bekwaam man, de Heere zegene
UEd. Achtb. en de Heer Burgemeester der gemeente, na het electeren
van een ander persoon voor het vacerende ampt van een schoolmeester
en voorsanger.--So blijve na hartelijke salutatie van onderdanige
dienst aan UEd. Achtb. met de broeders der gemeente tot Zalt-Bommel.


Achtb. Heeren,
Votre très humble Serviteur
SIMON JAN VERWEI."


Medegedeeld in "de Navorscher" 1856, bladz. 302, door Prins.

[174] Vide Bisdom van Utrecht uit het Latijn door H. V. R(yn)
II. D. bladz. 333-334.

[175] Ib.

[176] Ib. I. D. bladz. 216-218.

[177] H. V. R(IJN) maakt in zijn bisdom Utrecht van dezen pastoor op
bladz. 339 aldus gewag.

Onder de oude pastoors dier plaats moet nog gerekend worden Loeffridus
van der Haer, van wien in het doodboek van Mariendale van Utrecht,
het volgende staat aangeteekend: Op den 30 Maart is overleden
de godvruchtige en eersame Loeffridus van der Haar, kanunnik
van St. Mariaas-kerk, pastoor van Oudewater. Het jaartal staat er
echter niet bij, zooals dit doorgaans op de doodregisters niet staat
uitgedrukt, de dag alleen werd aangeduid om den tijd te weten waarop
de jaargetijden moesten gehouden worden; zoo ook hier.

Vide Matth. de fatis eccles bladz. 44.

[178] Zie doodreg. van de herv. kerk.

[179] Welligt waren deze 3 laatsten geene geestelijken; doch slechts
getijdemeesters.

[180] P. C. HOOFT, Nederl. Gesch. D. I. b. 10 fol. 433.

[181] HOOFT'S, Nederl. Gesch. fol. 30.

[182] Alhoewel het ook mogelijk is, dat de Hervormden, die nog
voorloopig daar bewaarden.

[183] Hier is dus een tijdvak van 1575-1578, dat wij geen predikant
aantreffen, het bezetten en verminken der plaats door de Spanjaarden
is daarvan eene der redenen.

[184] Heeft zijn intrêe-predicatie gedaan 17 Dec. 1741 en is vertrokken
naar Zutphen den 19 April 1744.

[185] Men had de kerk immers kunnen restaureren naar de originele
orde zooals b. v. van Utrecht de domkerk? doch hoe het zij, er is nog
eene schets van haren staat in 1856, eere dus den vervaardiger! Mijn
geachte kunst- en historie minnende vriend den heer E. C. Rahms alhier,
heeft voor de reconstructie in 1857 en 1858, de gedaante der kerk
door een schoone afteekening gered.--Reeds meer heeft hij zich door
het vervaardigen van dusdanige schetsen loffelijk gekweten.--

[186] Meestal was het eene vrouw, die de roomschen ging verwittigen
van de komst eens geestelijke. In dien tijd had men aan de woonhuizen
zelden of in het geheel geen bellen, doch ijzeren kloppers, zooals
die nog hier en daar in deze plaats te vinden zijn, zij moesten dus
geklopt worden, en van daar waarom men die vrouwen klopjes noemde.

[187] Ten minste zeker is het, dat in 1626 men zich om het genoemde
doel daar nog vereenigde.

[188] Vide, Kerkelijke Courant, No. 76, Jaargang, 1858, waar men nog
meerdere bijzonderheden omtrent Tyras aantreft.

[189] Bisdom Utrecht, door H. v. R., bladz. 334, 2 deel.

[190] Opmerkingswaardig deed zich het verschijnsel op, dat de eene kerk
door de burgers gebruikt werd, en in de andere zich de buitenmenschen
vereenigden, daarom noemde men deze kerken de Heeren- en de Boerenkerk.

[191] Houtman stierf alhier den 20 Februarij 1683. (Zie doodreg.)

[192] Overgow was in Delfland geboren en de eerste der Hollandsche
theologanten die te Rome in het Collegie van Urbanus gestudeerd
heeft. Zie Bisdom Utrecht, bladz. 335. 2 deel.

[193] Zekere pater van Ingen is in deze tijden meermalen geruimen
tijd als kapelaan-noodhulp hier geweest.

[194] De pastoors Theodorus van Hagenouwe, Godefridus Spruyt en
Franciscus Johannes Guddee hebben ook de gemeente in het naburig
Polsbroek bediend.

Deze gemeente bestaat nu sedert 1842 daar niet meer en de kerk is
later tot ander doeleinde ingerigt.

[195] Dit huis is genommerd No. 457.

[196] Aangeduid onder No. 402.

[197] Is bekend onder No. 496.

[198] Beschrijving der stad Schoonhoven door H. van Berkum bladz. 418
en volg. (Anno 1762.)

[199] Ook in de oudheden van Rijnland uit het Latijn, door H. v
H. bladz. 457 worden deze zusters, als oorspronkelijk uit Sinte Agnes
convent te Schoonhoven genoemd.

[200] Hier moeten wij echter indachtig maken op eene, onzes inziens,
verkeerde opvatting, die wij meermalen aantroffen, en ook door H. v
H. in zijn Rijnlandsche oudheden op bladz. 412 gedeeld wordt; er
staat daar nl, dat deze nonnen eerst tusschen Schoonhoven en Oudewater
gewoond hadden; doch zoo als wij reeds schreven, om de oorlogen, die
het platteland onveilig maakten naar Oudewater weken. Hij wederspreekt
hier dus letterlijk, hetgeen hij uit een origineel stuk op bladz. 457
zegt, dat zij uit Schoonhoven zelve kwamen zoo als ook van Berkum op
bladz. 418 en 419 schrijft. Daarbij komt nog, dat voor zoover mij
bekend is, er nooit een vrouwenklooster tusschen deze twee steden
ooit geweest zij.

Volgens veler en ook onze meening, schijnt de zaak ons eenvoudig
aldus toe, zooals wij reeds hiervoren in den tekst schreven, dat zij
uit Schoonhoven gingen, aangezien het platteland om genoemde reden,
tusschen die twee plaatsen onveilig was. De verkeerde opvatting en
plaatsing van het woord tusschen, zou alzoo de reden van de genoemde
dwaling zijn.

[201] Deze straat het heilig leven die nog haren naam aldus draagt,
zal naar onze meening, wel naar deze nonnen genoemd zijn.

[202] Het tegenwoordig zoogenaamd kerkje--waarover later.

[203] Wij zien hieruit, dat de "stede muer" of vesting muur in deze
tijden reeds op bijna, of geheel op dezelfde hoogte was, als de
tegenwoordige vesting wal, zelfs houden wij het er voor, uit dezen
brief op te maken, dat zij nog meer dan de wal stadbinnenwaarts
lag--Alzoo weder een bewijs, dat het markveld geen marktveld was--men
vergelijke hierover bladz. 160-163 hiervoren.

[204] Wie zegt mij de beteekenis van dit woord?

[205] Deze zijl en dit watertje bestaan nog, en nog dagelijks ziet
men er de eb en vloed even als toen. De afdammingsluis bij Haastrecht,
eerlang gebruikt zullende worden, zal ook hier de eb en vloed echter
niet meer toelaten.

Wat de "scone put" betreft, deze werd nog in 1827 ontdekt bij het
vergrooten der stads school, als wanneer men tevens bevond, dat zij
nog zeer zuiver water bevattede.

[206] Welligt Bartholomeus Janse, die wij hiervoren onder de pastoors
der kerk noemden in 1403.

[207] Onder reventer, moet men eetzaal verstaan.

[208] Zie Batavia Sacra D. II. bladz. 265 en Beschrijving van Oudewater
door G. R. van Kinschot bladz. 58.

[209] Vaderlandsche historie door Wagenaar bladz. 492-498.

[210] Instrument-Public. apud Matth. Anal. tom. V. 403.

[211] Heda bladz. 284.

[212] Zie Batavia Sacra, (8vo editie) 2de deel.

[213] Bulla Martini V in Matthaei Anal. tom. V. 421. en Decret. Vide
in Matthaei Anal. tom. V. 423.

[214] Script. Rud. Dien de mudes in
Ger. Dumbar. Anal. tom. I. bladz. 71-75 Magnum chron. Belg. bladz. 370
en 371.

[215] Chron. de Traject 433-440 Zued. de Culumb. en Orig. bladz. 630.

[216] Act. Ultraject ubi supra bladz. 449.

[217] Dordrecht door Beverw. bladz. 314. Balen bladz. 774.

[218] Monstulet vol. II. 34 vers.

[219] Beschrijving van Schoonhoven, door H. van Berkum bladz. 419.

[220] Ibid.

[221] Oudheden van Rijnland bladz. 412-419.

[222] Ibid. bladz. 459.

[223] In de bevestigings of verdragsbrief van den pastoor van
Oegstgeest waarvan wij zoo even in den tekst melding maakten,
was de bevestiging van Zwederus gestoken en een zinsnede uit den
laatsten luidt aldus: »maar nadat gijl. op het gemeld stuk lands,
te weten Marienpoel van een bequaame woonplaats verzorgt zult wezen,
en gijl. uw verblijf aldaar genomen zult hebben, dan zult gijl. van
dien tijd de voorrechten die gijl. te Oudewater genoten hebt, niet
langer mogen gebruiken."

[224] Zie denzelve in de Oudheden van Rijnland bladz. 413-419.

[225] Met gerustheid echter mogen wij vooronderstellen, dat de
zusters niet alles aan den Heer van Zwieten verpligt waren. Wie toch
zal in omstandigheden als waarin de vlugtende nonnen verkeerden,
niet de gereede voorwerpen van waarde bij zich nemen. Wij mogen dit
ook alzoo van deze conventualen aannemen--Nog meer. Hertog Philips
magtigde zelfs een zekere Jacob Boudewijns om al het vee, have enz.,
dat zij achter gelaten hadden naar Leiden te mogen vervoeren. Ook
deze magtiging zullen wij hier laten volgen.

"Philips &c. Doen cont allen luden, dat wy omme Goidts wille,
ende om oitmoedich vervolg der besloten Nonnen van Oudewater, die
mit alle hore woonstadt ende have gecomen syn tot Leyden om aldair
te woonen, ende te blyven, den selven geconsenteert hebben, ende
willen dat sy alle hoir beesten, have ende goide die sy t'Oudewater
of ter Goude of dair ommetrent hebben sullen doen halen bij Jacob
Boudynssoon. Toenre des Briefs ende bringen tot Leyden tot behoef
ende nutschap der Nonnen voirschreve, ombieden dairomme allen onsen
Ambtluden, Rechteren, Dieneren ende goede luden binnen Steden ende
dair buten, ende namelick onsen Capiteynen ende Hooftmannen van onsen
Soudenaeren ende Luden van Wapenen mit sonderlinge Ernste, dat sy
onsen geminden in Gode den voirschreven Nonnen deser onser gonste
ende gratie vrylic laten genieten ende den voirnoemden Jacob mit
horen vye ende goeden rustelick, vredelick ende ongehindert trecken,
ende comen laten op deser tyt om die te Leyden te brengen in der
maten voirsz. ende des niet en laten alsoo lieve als wy hem syn,
want wyt alsoo gedaan willen hebben."

[226] Oudheden van Rijnland bladz. 410-463.

[227] De bijzonderheden daarop volgende zijn ons bekend--zij luiden
daar aldus »deze voerz. susteren worden verdreven van Diephout, om
Bisschop Sweers willen, die te Utrecht bisschop ghekoren was ende
van Diephout wt verdreven wort."

[228] Velius Hoorn, bladz. 51.

[229] Veldenaar, bladz. 131.

[230] I Memoriaalb. Rose.

[231] Apud Matthaeum ad Rer. Amorfort, bladz. 283 en bij Burman,
Utrechtsche Jaarb. I D., bladz. 401.

[232] »De scheuring in het Bisdom van Utrecht, duurde nog eenigen tijd,
doch Rudolf vervolgde zijne zaak zoo ernstig aan het Roomsche Hof,
inzonderheid na den dood van Martinus, dat hij, door Eugenius den
IV, in het Bisdom bevestigd werd en zij die in den geestelijken ban
waren, ontslagen werden. Zweder beriep zich ook op de kerkvergadering,
die toen te Bazel werd gehouden. Hij trok zelf in persoon herwaarts,
en werd aldaar bevorderd tot Bisschop van Caesarea."--Hij overleed
te Bazel in 1439. Zweder wordt alzoo in de rei der Bisschoppen van
Utrecht de 52ste en Rudolf de 53ste genoemd. Zie in Batavia sacra
uitvoerig hun leven (in de 8vo editie II. D. van 412-464).

[233] Op het gemeente archief zijn aanwezig de volgende stukken,
waarin men den staat der bezittingen enz., van dit convent kan nagaan.

1. Register van boekhouding en aanteekeningen van de landerijen,
erfpachten, en renten van het oude convent van Oudewater van 1538-1559.

2. Rekeningen van het St. Ursula convent over 1578, 1579, 1667,
1668, 1669, 1671 tot en met 1674 en meerdere stukken tot het convent
behoorende.

3. Acte van transport der bezittingen van het St. Ursula convent,
door de conventualen ten behoeve der stad, tegen genot van jaarlijksch
pensioen dd. 10 Junij 1582.

4. Staat der eigendommen van het convent en de revenuen daarvan 11
Januarij 1582.

5. Eerste rekening van den rentmeester van het St. Ursula-convent
over de jaren 1582 en voorts die over de jaren 1583, 1589 en 1599.

6. Acte relatief de alimentatie, geteekend (eigenlijk gemerkt) door al
de conventualen ter eenre en den rentmeester JAN JACOBSE COPPERT ter
andere zijde, dd. 25 Augustus 1584 benevens de naamlijst en ouderdom
der kloosterlingen in 1582.

7. Stukken van verhuringen der landerijen behoorende tot het
St. Ursula-convent en de respective Godshuizen der stadt ingegaan
Petri 1680, 1685 en 1690 tot 1695.

[234] G. R. van Kinschot, Beschrijving van Oudewater bladz. 58 en 59.

[235] Oudheden Bisdom van Utrecht bladz. 335 en 336.

[236] Zie resol. van den magistraat van Oudewater 27 November 1602.

[237] Volgens mededeeling van een oude vrouw, die dit weder van een
zeer bejaard persoon in hare jeugd vernomen had, was dit huis nog
volgens geheugenis van den laatsten, eertijds met een zeer groot
getal kleine kamers voorzien geweest, waarbij hij de gevolgtrekking
gemaakt had, en zeer juist dat dit gebouw tot gevangenis gediend
had. De goede oude dacht echter zeker niet, dat de cellezusteren,
dit aantal kamertjes eertijds als hare cellen zullen bewoond hebben.

[238] Deze begrafenis vereeniging doelt echter tot dusver alleen op
de dooden uit de rooms catholijke gemeente alhier.

[239] G. R. van Kinschots beschrijving bladz. 59 en 274.

[240] Zie deze keure omtrent het »dagvaarden over de Stads- en der
Godshuizen Schulden," in zijn geheel bij van Kinschot, Beschrijving
enz. Cap. 97, bladz. 553.

[241] Bisdom van Utrecht, I D, bladz. 346.

[242] Ibid. I. D. bladz. 705 en 706.

[243] Resolutien van de regering dezer stad.

[244] Keure der stede van Oudewater Artic. VI. en XIV.

[245] Ibid Artic. VII, XV. en XVI.

Wij mogen den lezer nu reeds niet onbekend laten, dat al hetgeen in
den tekst omtrent de Weesvaders geschreven is, insgelijks betrekking
had en toegepast werd, op de kerkmeesters, gasthuismeesters en heilige
geestmeesters.

Zie ook Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT,
bladz. 92-95.

[246] Onder deze "gewigtige zaken," moet men zeker begrijpen, wanneer
Burgemeesters en Schepenen, door omstandigheden verhinderd waren, de
noodige authorisatie te geven, en er spoed vereischt werd. Wij mogen
wel niet vooronderstellen, dat de vroedschappen in "gewigtige zaken"
meer magt hadden, om als zoodanig te autoriseren, dan Burgemeesters
en Schepenen.

[247] Er is in den laatsten tijd eenig verschil gerezen, tusschen den
gemeenteraad van Oudewater ter eenre en bestuurderen van het Weeshuis
ter andere zijde, omtrent het bezit en den eigendom van voornoemd
gesticht. Dientengevolge is eene Commissie benoemd om in onderzoek
te treden, of er van dit gebouw nog eigendomsbewijzen, of stukken
waaruit de eigendom voldoende blijkt, aanwezig zijn. De uitslag van
dit onderzoek is nog niet bekend, en de questie nog steeds aanhangig.

[248] Beschrijving, door VAN KINSCHOT bladz. 55.

[249] Beschrijving van Oudewater bladz. 55.

[250] In 1731, bekwamen Burgemeesters en Regeerders van Oudewater
octrooi om al de genen, die tot Vroedschap, Kerkmeesters,
Gasthuismeesters, heilige Geestmeesters, Weesvaders, en Boekhouders
verkozen werden, en weigerden, die bedieningen waar te nemen, te
mogen beslaan in eene boete van 100 Gulden ten profijte der stad,
en die boete, te mogen invorderen bij parate en reële executie. (Zie
dit octrooi in van Kinschots beschrijving blz. 491-495).

[251] Zie dit octrooi in van Kinschots beschrijving van Oudewater
bladz. 432 en 433.

[252] Bij den verkoop der brug werd de bepaling gemaakt, dat de kooper
derzelve, de gemaakte openingen zoude dempen, en een houten brug tot
gemeenschap in de grachten zoude daarstellen, zoo als zich dan ook
nu een en ander vertoont.

[253] Eerst in onzen tijd begint de oude vede tusschen die van
Oudewater, en Montfoort of Stichtsen te bedaren en in loffelijke
vergetelheid te geraken, eeuwen achtereen gingen echter voorbij in nijd
en onderlingen twist. Wij zoeken de reden hiervan, in de menigvuldige
oorlogen tusschen Holland en Utrecht waarin de poorters van Oudewater
en Montfoort, vooral in Ao. 1420 onderling hevig hebben gevochten;
doch hierover later.

[254] Hiervan bestaan, gelijk wij uit een zekere bron weten nog
teekeningen.

[255] De wapens der voornoemde steden, die zich aan de poort
vertoonden, werden door den kooper in dezelfde orde, als waarin
zij gemetseld geweest waren, aangebragt in een blokje woonhuizen,
gelegen in de straat genaamd het Klooster. In later tijden, zou het
groote verwondering kunnen baren, deze daarin aan te treffen.

[256] Door H. VAN VIANDEN, 38. Bisschop van Utrecht. Zie Beschrijving
van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 4.

[257] Het zal wel geen betoog behoeven, dat er reeds vóór den tijd,
dat deze poorten gebouwd werden, geheel of ten naastenbij op dezelfde
plaats reeds poorten van denzelfden naam gestaan hebben. Zoo vinden
wij in "die ordinan van den hoemanschap upten stede muyre binnen
Oudewater gemaeckt in den jare XVc XLIJ up sinte Maria Magdalene dagh",
die zich ter secretarie bevindt, melding gemaakt van de


    Linschoetepoort
    Weerdenpoort
    IJsselpoort en
    Brouckepoort.


Het is natuurlijk, dat de eerste poorten in ouderdom opklimmen tot
de eerste ommuring der stad, waarmede men in 1321 nog bezig was of
beginnen moest. (Zie de ordonnantie van Graaf Willem aan den Bisschop
van Suden om aan die van Oudewater te betalen "de twee hondert pont
suarter tornoys die wi hem gegeven hebben" om de stad te bemuren,
bij van KINSCHOT bladz. 269.)

[258] Reeds eenige jaren vóór deze poorten geamoveerd werden, was het
reeds in den gemeenteraad besloten, de poortklok niet meer te luiden,
en geen poortgeld meer te heffen. Ook hiervoor behoefden zij dus niet
meer te blijven.

[259] De nevensliggende brug, wordt in oude bescheiden dikwijls
Remijnsbrug geheeten. Zie Dr. Römer Utrechtsche Volksalmanak 1859
bladz. 44.

[260] Ibid. bladz. 38 tot 41.

[261] Het originele stuk, bevindt zich met meerdere omschrijving ter
secretare dezer gemeente.

[262] Zie vooral Dr. Römer in voorn. alm. bladz. 38-45.

[263] Zoo als de andere torens in de vestingmuur heette ook deze
toren, en omtrent den ouderdom van de Romeintoren, zou dus hetzelfde
van toepassing zijn, hetgeen wij in de noot op bladz. 269 van den
ouderdom der eerste poorten schreven.

[264] Aan de officieren der Graaflijkheid, was het opzigt in de
beheering van dezen toevertrouwd en aanbevolen--KINSCHOT, bladz. 50.

[265] Onze meening, dat het gebouw onzer beschrijving een drieledig
doel 1. ter verdediging (van boven op het plat) 2. tot wachtplaats,
hoofdwacht? (in het middengedeelte) en ten derde tot gevangenis (in
het benedengedeelte of den kelder) gehad heeft, werd vooral in het
tweede of meest twijfelachtige gedeelte dezer bewering bevestigd,
doordien men aan de zuidzijde van dezen toren bij het amoveren, een
schoorsteen vond, deze schoorsteen, was later met een minder groot
soort van steenen digtgemetseld, zeker wel omdat men toen ook dit
gedeelte voor gevangenis heeft ingerigt, en de hoofdwacht naar de
kortbij gelegen IJsselpoort werd overgebragt. Zie hiervoren bl. 265.

[266] Zie Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 23.

[267] Chartr. Chronijk 2. boek, bladz. 138. S. van Leeuwen, Batavia
Illustrata bladz. 1304.

[268] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT.

[269] Welligt, komen wij later op deze ruïne in afzonderlijke brochure
of bijdrage terug.

[270] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 27.

[271] Hier moeten wij op het meesterstuk van den Utrechtschen schilder
Stoop, voorstellende den moord door de Spanjaarden in 1575 een kleine
aanmerking maken, daar het kasteel dat eerst in 1585 werd verbroken
er niet op voorkomt en zulks er toch op behoorde aangeduid te zijn.

Tegenover bladz. 28 geeft VAN KINSCHOT een gezigt op het kasteel in
Ao. 1555.

[272] In het tooneel der Vereenigde Nederlanden 2. deel bladz. 133
en Cronijk van Holland door W. VAN GORTHOEVEN bladz. 91.

[273] Beschrijving van Oudewater door G. R. VAN KINSCHOT bladz. 76.

[274] Tooneel der Vereenigde Nederlanden t. a. p.

[275] Zie over dit kasteleinschap, ook van Kinschot bladz. 25.

[276] VAN KINSCHOT blz. 49.

[277] VAN KINSCHOT's beschrijving bladz. 51.

[278] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 56, 57.

[279] "In de 13de eeuw hadden zich eenige kooplieden, uit Italie
op Franschen, Engelschen en Nederlandschen bodem nedergezet, onder
deksel van aldaar koophandel te drijven, doch meest met oogmerk, om
aan behoeftigen geld te leenen, of, op onroerende en voornamelijk op
roerende goederen geld te schieten, tegen hooge interest. Zij dragen
in schriften van den tijd, den naam van cawarsini, of coarsini,"
die de geslachtsnaam van de eersten of voornaamsten schijnt geweest
te zijn. In het jaar 1260, werden zij, om hun overdadig woekeren,
uit Braband verdreven (Miraei Op. dipl. Tom. 1. bladz. 207) doch
het leed niet vele jaren, of zij kwamen weêrom, en men had hen
in de Nederlanden en bijzonderlijk in Holland, zóó noodig, dat
zij, zoo lang zij het niet al te grof maakten met woekeren, in
verscheidene steden zich mogten vestigen en gedoogd werden. In de
14 en 15de eeuwen, werden zij gemeenlijk Lombarden of Lombaarden
genaamd, omdat de meesten of eersten, uit Lombardije herwaarts
gekomen waren. Te Schiedam bewoonden zij in 1327 een steenen buis,
(Wilhelm Procurat. ad annum 1327 in Matthaei Anal. tom II. bladz. 663)
dat te dien tijde en daar ter stede, iets ongemeens was. Uit een
handvest van Delft van den jare 1342, blijkt, dat zij in die stad
toen reeds eenigen tijd, hun verblijf gehad hebben in een huis, dat
de Camerette, of ook wel der Lombardenhuis genaamd werd (Delft door
Bleiswijck bladz. 606). Te Oudewater onthielden zich twee Lombaarden,
in den aanvang der 15 eeuw, gelijk klaarlijk blijkt, uit eenen brief
van den 1sten April, Anno 1412 (1413) zie Mieris Chartre boek IV Deel
bladz. 230) en 't is zeer te vermoeden, dat zij ten dezen tijde ook
reeds in Amsterdam geweest zullen zijn, schoon mij niet bekend is,
dat er in oude schriften of stukken eenig gewag van gevonden wordt
voor het jaar 1477." (Getrokken uit de beschrijving van Amsterdam
door J. WAGENAAR 7de stuk bladz. 111-112.)

[280] VAN KINSCHOT t. a. p. bladz. 269.

[281] Resol. van Holland 17 November 1578.

[282] Ibid. 12 November 1580.

[283] (Was geregistreerd in 't Brasielsche Reg. van 1540 tot 1555
ter Graeflijkheids Rekenkamer, fol. 120 vso.) Zie beschrijving van
Oudewater, door van Kinschot, bladz. 150 en 151.

[284] Volksletterkunde, Geschiedkundige schets van het bijgeloof,
inzonderheid in Nederland, bladz. 1-2. te Amsterdam bij E. S. Witkamp
1856.

[285] Ibid. bladz. 3-4.

[286] Zie het opstel over deze onze Waag alhier, van Ds. Kits van
Heijningen, in het Tijdschrift: Lectuur voor de huiskamer, Jaargang
1856, bladz. 300, doch in de hiervoren aangehaalde schets over het
bijgeloof zouden deze 1500 menschen, alleen in deze twee kleine
bisdommen, in één jaar hun leven hebben moeten geven. (Zie IV,
bladz. 4.)

[287] Zie meergemelde Geschiedkundige schets van het bijgeloof, III,
bladz. 4 en 5.

[288] Zie meergemelde schets over het bijgeloof, IV, bladz. 1.

[289] Ibid. bladz. 1-3.

[290] Ibid bladz. 4.

[291] Zie dit stuk op bladz. 291 en 292 hiervoren.

[292] Lectuur voor de huiskamer, jaarg. 1855, bladz. 302, 2de kolom,
in zijn z. eerws. bijdrage over deze waag.

[293] Deze naamlijst en deze acten, nemen wij letterlijk over uit de
beschrijving der stad Oudewater, door G. R. van Kinschot, Ao. 1746.

[294] No. In dit jaar zyn drie verscheide Persoonen gewoogen, blykende
hier na by de Certificatie No. I, waer van de Naamen door het vermis
der Boeken niet kunnen gemeld werden.

[295] Dit is de laatste geweest, hoewel Scheltema zegt, dat nog in
1778 zulks alhier heeft plaats gehad.

Balthazar Bekker, maakt in zijn Betooverde wereld (te Amsterdam in
1691 in het licht verschenen 4o) veel gewag van deze waag. Zijne
bijzonderheden van het I boek zijn ons echter bekend, doch in het
IVde boek: Geregtelijke informatiën, genomen over tooverpligtigen
tot Harlingen en elders vinden wij in Hoofdst. XXXI § 4, pag. 263 het
volgende aangeteekend, dat wij zelfs niet bij van Kinschot aantreffen.

»Drie buitenlandsche soldaten, Barend Gerritz, van Neder-Elten, Jan
Huijsman, van Kranenburg, beide in het land van Kleef en Jan Kerkhof
Reklinghuisen in het Keulsche in de beruchte zaak betrokken van Tryn
Hendricks, van tooverij beschuldigd, lieten zich nog in den jare 1668
te Oudewater wegen."

Volgens Koeningswater, Etudes historiques sur la developpement de la
société humaine, Paris 1850 pag. 186. werden nog in den jare 1728 der
tien personen, van tooverij verdacht, te Szegenden in Hongarije bij
regterlijk vonnis tot deze proef verwezen. Men zie verder over deze
waag Bijdragen tot het oude strafregt in België enz. Brussel 1829,
pag. 142.

[296] Het Troys, of Trojaansch Gewicht is dat van Doornik, en des
Zwaar Gewicht; 't gene Vyf ten Honderd Zwaarder weegt dan het gemeene;
en thans onder den naam van Amsterdamsch Gewicht bekend is.

[297] Sedert Ao. 1800 tot den jare 1825 werden er jaarlijksch circa
1,500,000 nederl. ponden kaas op dezelve gewogen.

[298] Z. K. H. de Prins van Oranje met HDs. goeverneur Jhr. de
Casembroot bij HDs. reize door Nederland, voor eenige jaren ook
Oudewater bezoekende, was het HDs. verlangen, ter gedachtenis aan
deze waag, daarop gewogen te worden.

[299] (Anno 1746). Zie zijne meergenoemde beschrijving, bladz. 28,
29 en 30.

[300] Door de vernietiging van de staatsregeling tot 23 April 1798,
ook de daarbij bepaalde departementale verdeeling vervallen zijnde,
behoort Oudewater als voren onder het departement Holland.

[301] Aan de zoldering van dit locaal bevinden zich nog in opgezetten
staat, een bruinvisch en een zeevarken, beide gevangen in de stads
haven bij hoogen watervloed, de laatste in het jaar 1721: eene
bijzonderheid, die wel der aandacht waardig is, en vermeld mag worden,
indien men daarbij in aanmerking neemt, hoe ver Oudewater van af de
zee landwaarts ligt.

[302] Wij hebben hiervoren reeds melding gemaakt, dat de Heer Rahms,
onze Stadgenoot, door het maken van een aantal schetsen in en om
Oudewater vele gebouwen, die sedert geamoveerd zijn, der vergetelheid
heeft ontrukt.--Deze zelfde kunstminnaar, heeft het dit jaar durven
ondernemen, dit Schilderstuk van Stoop te copiëren en op steen te
brengen op eene grootte van 68 Ned. d. lengte bij 40 dm. breedte zonder
wit. De zeer conscientieuse copij en de keurige uitvoering op steen,
doen genoemden Heer veel eer aan, terwijl de geringe prijs (3 Gulden)
geen beletsel is, dat velen zich de plaat aanschaffen, die eenigen
prijs stellen op de voorvallen in het veel bewogen tijdvak onzer
geschiedenis: den bloedigen tachtig jarigen oorlog.

[303] Volgens nummering in 1859, aangeduid onder nummer 371.

[304] Beschrijving van Oudewater bladz. 62.

[305] Gonthoeve, chron. van Holland, fol. 502.

[306] Rooms Hollands regt door S. van Leeuwen, III boek XI deel
bl. 276 en 277.

[307] Ibid. bladz. 276.

[308] Ibid.

[309] Handvesten en privilegien van Gouda pag. M, I Vso.

[310] Ibid. pag. M. S. Vso. beide in M. S.

[311] Ibid. van Weesop M. S. pag. M. 97.

[312] Beschrijving van Oudewater, door van Kinschot bladz. 62-67.

[313] Handvesten en privilegien der stad Delft M. S. pag M. 15.

[314] Beschrijving van Oudewater door van Kinschot bladz. 67-68.

[315] Ibid. t. a. p.

[316] Nog een schoon bewijs van goede verstandhouding met Delft bevindt
men in het feit, door van Kinschot vermeld, dat n. l. in de spaansche
oorlogen en wel bijzonderlijk in het jaar 1584, de vroedschap der
stede Oudewater al zijne Leggers, boeken, Blaffers en papieren, zoo
van de stad, kerk als Godshuizen, ten einde dezelve tegen alle gevaar
van oorlog en roof mogten beveiligd zijn, bij een besloten brief aan
den magistraat van Delft heeft toegezonden. Zie resolutieboek van de
vroedschappen van deze plaats 26 Januarij Ao. 1584.

Al hoewel dit nog een afdoend bewijs is, voor hetgeen wij trachten te
bewijzen, zoo was deze toezending echter zeer slecht voor het archief
dezer gemeente, daar deze stukken nooit terug gezonden zijn, voor
zoover men ten minste weet. Op een aanvrage van den Heer Burgemeester
Montijn andermaal gedaan den 2. November 1829 om deze stukken alsnog
terug te bekomen, werd door den heer Burgemeester van Delft berigt,
op den 12 November 1829, "dat bij een streng overzigt van de archieven
dier stad, onder dezelve geene gevonden worden deze stad betreffende;
dat, zoo dezelve op het raadhuis aldaar zijn gedeponeerd geweest,
die dan, bij het gedeeltelijk verbranden van het stadhuis na 1584,
waarschijnlijk met stukken de stad Delft betreffende, zijn verloren
geraakt."

[317] t. a. p. bladz. 143.

[318] Tot in het jaar 1745 werden aan de vertrekkende lidmaten der
hervormde kerk, de kerkelijke getuigschriften zonder zegel aan de
vertrekkende leden gegeven, totdat in dat jaar het stadswapen in koper
aan den kerkeraad daarvoor vereerd werd, door den Bailluw G. R. van
Kinschot. Doelende op den rooden burg in het wapen, stond er onder
dit zegel

Jehova nostra arx forttissima

d. i.

God is onze sterkste Burgt

onder het zegel stond:

Sig eccl-Oudewater

d. i.

kerkelijk zegel van Oudewater.

[319] Zie dit privilegie bij van Kinschot t. a. p. bladz. 270.

[320] Zie dezelfde, bladz. 272.

[321] Nl. in de bij van Kinschot op bladz. 315 en 316 vermelden
giftbrief van de school dezer stede aan Pieter Pansz. in plaats van
Mr. Jan Mouwer.

[322] Zie hetzelve in zijn geheel bij van Kinschot bladz. 322 tot en
met 324.

[323] De acht Raadsmannen werden Achten genoemd.

[324] Resolutie van Holland dato den 2 Mei Anno 1585, fol. 248.

[325] Van Kinschot.

[326] Zie van Kinschot, bladz. 75.

[327] Resol. van Holland, 6 Mei 1702, fol. No. 155.

[328] Keuren der Stede van Oudewater, Artic. IV T. XIII.

[329]   ,,     ,,    ,,    ,,      ,,        ,,     IV T. XII.

[330] Keuren der Stede van Oudewater, Art. XVI.

[331] Ibid. Art. XIII.

[332] Dit is in Anno 1811 vervallen.

[333] Keuren der Stede van Oudewater Art. 11.

[334] Keuren der Steede van Oudewater Art. VIII et XVIII.

[335] Dit geschiedt nu namens den Koning.

[336] Resol. van Holland van 16 Nov. en 17 Dec. 1723.

[337] Den contra-remonstranten was hij bijzonder vijandig.

[338] Deze en de volgende in officio, zijn gecommitteerd, bij de
Raden en meesters van de rekeningen der domeinen der Graaflijkheid
van Holland, in den Haag.

[339] De Graaflijkheids Rekenkamer, bij resolutie der staten van
Holland en Westvriesland van dato 17 Maart 1728, gemortificeerd,
en bij resolutie van 20 Julij 1729 goedgevonden zijnde, dat eenige
der Ambtenaren op nieuw commissie van H. E. Gr. Mog. zouden moeten
verzoeken, wanneer de termijn hunner vorige aanstelling verstreken was,
zoo is volgens resolutie van gemelde staten dd. 12 October 1731 den
voorz. van Kinschot gecontenueerd in zijne betrekking van Bailluw,
Dijkgraaf en Schout der stad Oudewater.

[340] Register van Aart van der Goes, fol. 262.

[341] Resol. van Holland 1564, fol. 62 72, ibid. fol. 39 1565,
ibid. 27 Januarij 1566, fol. 1 en 5 Februarij, fol. 5.

[342] Ibid. 26 September 1565.

[343] Beschrijving van Oudewater, bladzijde 99 en 100.

[344] Reg. van Aart van der Goes, Advokaat van de Staten 's Lands
van Holland, fol. I.

[345] 3de Boek van de Griffier Sandelijn, fol. 89.

[346] Reg. Aert van der Goes, fol. 11.

[347] Ibid. fol. 14.

[348] Reg. van Aert van der Goes, fol. 16, 50, 108, 111, 112, 142,
145, 152 (bij van Kinschot bladz. 103.)

[349] Ibid. fol. 289-292.

[350] Ibid. fol. 307.

[351] Ibid. fol. 329, 330, 344.

[352] Resol. van Holland 1564, fol. 41.

[353] Van Kinschot, bladz. 107.

[354] Resol. van Holland van 19 tot 25 Julij, Anno 1572 (in manuscr.)

[355] Prop. in resol. van Holland, 20 October 1574, fol. 176.

[356] Antw. van Staten en resol. van Holland 12 Nov. 1574, fol. 178.

[357] Resol. van Holland.

[358] Beschrijving van Oudewater, bladz. 109 en 110.

[359] Resol. van Holland 5 April 1583, fol. 97.

[360] Resol. van Holland 11 Julij 1584 fol. 371 en 372.

[361] Een voornaam gedeelte der bevolking dezer plaats stamt van
deze in het 9, 10 en 11 geslacht en van deszelfs grootvader, (1497
Jacob Coppert in het 13e geslacht--onder deze de Montijn's, Koning's,
Verhoog's, Vosmeer's, enz. enz.--men vindt in vroegere transporten
wel den naam van Coppert, doch men weet niet of voornoemde Jacob
Coppert hiervan afstamde.)

[362] Resolutie boek der steede Oudewater sub 15 Julij 1584 en van
Holland hoc Anno fol. 394 en 414.

[363] Resol. van Holland 15 Julij 1584 fol. 404.

[364] Ibid. 22 Julij 1584 fol. 422.

[365] Resol. van Holland, 31 October 1584, fol. 660.

[366] Resolutie boek der stede Oudewater,


[**TODO: Verify table]
                    sub datis    4   September 1586.
                                21   September 1587.
                                 3   Mei 1588.


[367] Resol. van Holland, 4 Mei 1589, fol. 285.

[368] ib. ib. 26 Januarij, 18 Maart 1608, fol. 2, pag. 48.

[369] Vide dagbladen der gem. Representanten, en resolutiën der
municipaliteit der stad Oudewater.

[370] Zie hen allen vermeld bij Johannes Trethemius.

[371] Val: Adreae Bibleotheca Belgica, tom. II, pag. 708.

[372] Boxhorn, tooneel van Holland, pag. 313.

[373] Batavia Sacra, Dl. II fol. 266.

[374] Val. Andreae, Bibl. Belg. tom. I, pag. 221, bij G. R. van
Kinschot, beschrijving van Oudewater, blz. 137 en 138.

[375] Van Kinschot blz. 141.

[376] Resol. van Holland van 3 Dec. 1609 fol. 285.

Wij hebben dit levensverhaal kortelijk naar van Kinschot gevolgd.

Op het Gemeente Archief alhier, berust nog een eigenhandigen brief
van Arminius, om de Wed. van Ds. Petrus Bertius (Pieter de Bert) in
Oudewater komende wonen, in hunne bescherming te nemen--gedateerd 5
Mei 1607.

[377] Verder verwijzen wij naar Kasper Brandt, Historia vitae Jacobi
Arminii Amst. 1705.

[378] In F. Allan "De stad 's Gravenhage en hare geschiedenis,"
vinden wij nog gewag gemaakt van den bekenden Watergeus Gerrit
Gerritsen als te Oudewater geboren. Zie pag. 38.

[379] Prof. Scheltema, heeft van dezen grooten man, in de werken
van het Nederlandsch Letterkundig genootschap, waarvan hij Lid was,
op eene waardige wijze, eene biographische schets geleverd.

[380] Batavia Sacra 2de Deel pag 164. Halma toon. der Nederlanden 2
D. pag. 133 en Rademaker, kabinet 4 D. pag. 223.

[381] Batavia Sacra 2de D. pag. 164.

[382] Van Kinschot, beschrijving van Oudewater pag. 5-8.

[383] Ibid. bladz. 1.

[384] ib. blz. 8. Het zij hier voorloopig aangestipt, dat deze
vereeniging met Holland nog later door Graaf Willem den VI van Holland
in het jaar 1404 is bevestigd geworden.

[385] Deze jaartallen en daadzaken omtrent de handvesten, privilegiën,
enz. ontleenen wij voornamelijk aan de handvesten en privilegiën van
Oudewater, bij van Kinschot, alwaar men die stukken in zijn geheel
vindt opgenomen. Dit neme men ook in het vervolg dezer schets in
gedachte.

[386] Ook Jan en Jacob van Driel,--de Schrijver.

[387] Zie Heda Historia bladz. 244 verg. van Duijn Oudewater's Moord
bladz. 43. Het laatste gedeelte dezer mededeeling is ontleend aan het
Cl. Tielense bladz. 352 (overgenomen uit Dr. Römer's bijdrage in de
Utrechtsche Almanak getiteld Utrecht en Oudewater.).

[388] Diuisie Kronijk, fol. 136, van het Negende Cappittel vs.

[389] Wagenaar, Vaderlandsche Historie III D. bladz. 271-272.

[390] Ibid. bladz. 274 en 275.

[391] Ibid. bladz. 275-280.

[392] Zie dit stuk overgenomen bij van Kinschot bladz. 280-285.

[393] Zie de inhoud van dit verbond bij van Kinschot pag. 502 en volg.

[394] Groot Placaatboek, bij Wagenaar, bladz. 281 vs.

[395] Groot Placaatboek III D. pag. 4.

[396] Wagenaar Historie III D. pag. 284.

[397] Wagenaar pag. 285.

[398] Diuisie Kronijk, 25 diuisie, dat XI Cappittel.

[399] Wagenaar id. p. 292.

[400] Men zal herinneren, dat Keizerin Margaretha aan die van
Oudewater het voorregt verleend had, dat hunne stad, nimmer van
Hollands Grafelijkheid gescheiden mogt worden.

[401] Zie breedvoeriger van Kinschot pag. 11 tot 18a.

[402] Zie het Chron. auctius. pag. 274.

[403] Van Duyn Oudewaters-moord, p. 44.

[404] Vide het Chron. aucteus.

[405] Bijdrage van R. C. H. Römer, getiteld: Utrecht en Oudewater in
den Utrechtschen Volks-almanak.

[406] Zie het rapport van Albrecht bij van Kinschot, pag. 223 vs.

[407] Ibid. pag. 294 tot 295.

[408] Ibid. pag. 297 tot 301, Boxhorn, pag. 81.

[409] Zie de inhoud van de bijlegging der twist, bij van Kinschot,
pag. 295 en 696.

[410] Wagenaar III Deel pag. 321.

[411] Wagenaar III Deel pag. 321.

[412] Ibid.

[413] Ibid. pag. 322.

[414] ib. pag. 322.

[415] Joan a Leydis, libr. XXXI cap 42. Veldenaar, pag. 95. Op Wagenaar
III D pag. 322.

[416] Wagenaar, ib.

[417] In deze overname hebben wij het woord "graaf" gebruikt ten einde
het meer begrijpelijk te maken, des graven klerk gebruikte daarvoor
het woord "mijnheer"; vide van Kinschot, pag. 296, en volg.

[418] Van Kinschot, pag. 297.

[419] Ib. pag. 297 tot 301.

[420] Ib. pag. 301.

[421] Ib.

[422] Zie Hofdijk geschiedenis der Nederlanden, pag. 169.

[423] Van Kinschot pag. 303. In die oirconde staat, dat Otto van
Asperen wegens Willem Kusers dood balling was, en in de vroeger
vermelde besluiten van Albrecht, waren de bezittingen der zoodanigen
verbeurd.

[424] Ibid. pag. 309 en 310 en Wagenaar III D. pag 324.

[425] Symon Speyaert en Claes van den Gheer in hechtenis zittende
te Oudewater, werden mede in 1396 voor den Hove van den Haag
ontboden, nevens de Schout van Oudewater, om tusschen de twee
eersten eene questie uit den weg te ruimen, die waarschijnlijk op
de tijdsomstandigheden betrekking had. Zeker is het, dat er ten jare
1396 nog een geschil aanhangig was, tusschen Aerent Sluismanssoen en
Wouter Ludolfssoen, die door eerstgenoemde aangeklaagd was, als in het
openbaar zijne ontevredenheid te hebben betuigd over den vrede. Zie
van Kinschot pag. 316 en 317.

[426] Wagenaar III D. pag. 342.

[427] Ib. pag. 342 en 343.

[428] Zie die twee stukken in de privilegien van Oudewater bij van
Kinschot pag. 317 a 320.

[429] Men herinnere zich, dat Stavoren nog steeds Hollandsche
bezetting hield.

[430] Zie bij van Kinschot pag. 322 en 325, en bij ons hiervoren
pag. 321 a 323.

[431] Uitgezonderd twee bescheiden, in het zelfde jaar 1. dat het
land van Woerden in zijn watergang gescheiden zoude zijn van Rijnland
en 2. een placcaat van Albrecht »van een seggen ende gescheyden
tusschen den Burch-Grave van Leyden ende die van Oudewater roerende
van de tolle."

[432] Wagenaar III D. pag. 343.

[433] Ib. pag. 344.

[434] Ib. pag. 345.

[435] Ib.

[436] Ib. pag. 346.

[437] De onderzoekende schrijver, verwijst naar de privilegien van
Oudewater.

De hoofd inhoud van het bedoelde stuk, hebben wij echter op pag. 388
ter behoorlijker plaatse reeds medegedeeld.

[438] Die seventwintichste divisie, dat LIIII. Capittel pag. CLIIIII.

[439] Utrechtsche Volks-Almanak 1859, pag. 43.

[440] Kinschot is op pag. 325 in abuis, waar hij doet voorkomen, dat
hij in het begin des jaars 1404 tot Grave was verkozen, doch zijn
vader stierf Ao. 1404 in den winter, waarna hij hem opvolgde. Alle
schrijvers van gezag immers, vermelden zijn dood in den winter van
1404. Wanneer wij dus bij van Kinschot daar vinden Anno XIIII ende
vier moet dit noodwendig zijn, Anno XIIII ende vijve.

[441] Kinschot meldt 1404 moet zijn 1405.

[442] Van een paar andere bescheiden van Willem den VI. ten jare 1405
kunnen wij in den tekst niet uitweiden.--Zie den inhoud echter bij
van Kinschot, pag. 329 en 330.

[443] Men zie hierover in het breede, pag. 225, 249 van dit werk.

[444] Wagenaar, III D. p. 408 en 409.

[445] Van Kinschot, pag. 337.

[446] Wagenaar ib. pag. 418.

[447] Ibid. pag. 420.

[448] Bij Wagenaar III D. pag. 427.

[449] Van Kinschot pag. 505 en 506.

[450] Men zie den inhoud, bij ibid III D. pag. 432-434.

[451] Van Kinschot pag. 340.

[452] Zie hunne namen bij ib. pag. 342.

[453] Wagenaar III D. pag. 438.

[454] Zie Hofdijk en van Lennep, Merkwaardige Kasteelen in Nederland
II D. pag. 82.

[455] Wagenaar III D. pag. 463, en Monstrelet Vol II pag. 27.

[456] Wagenaar III D. pag. 468.

[457] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 341.

[458] Dr. D. J. Veegens, Haarlemsche vertellingen uit den ouden tijd,
p. 109.

[459] Verg. Wagenaar III D. pag. 491.

[460] Veldenaar pag. 130, Wagenaar pag. 489.

[461] Wagenaar ib. pag. 509.

[462] Wagenaar, ib. pag. 530. tot en met 535. en van Kinschot,
pag. 368. tot en met pag. 370.

[463] Wagenaar IV. D. pag. 100.

[464] Wagenaar, IV. D. pag. 174.

[465] Van Berkum, beschrijving van Schoonhoven, pag. 342 en Wagenaar,
IV D. pag. 188.

[466] ib. pag. 181.

[467] Omtrent dezen tijd (in 1480) sloten die van Oudewater een
verdrag met de stad Utrecht. Dit bezwaarlijk tusschen den tekst
kunnende invoegen en het toch moetende vermelden, zoo plaatsen wij
dit in een noot. Men zie den inhoud van dit verdrag bij van Kinschot,
pag. 390, en 391.

[468] Diuisie Cronyck, 33 diuisie 21 capittel.

[469] Zie Wagenaar, IV D. pag. 191 en 192.

[470] Crimen, sentent boek, gequot A. fol. 11, vers. bij Wagenaar,
IV D. pag. 196.

[471] Diuisie Cronyck, 31 diuisie, 31 capittel, vergeleken met
Wagenaar, IV D. pag. 196 en 197.

[472] Wagenaar, IV D. pag. 201 en 202, raadplegende Amelgarde, Gesta
Ludoveci XI Libr. VI Capittel 21 vesius Hoorn pag. 125. Chron. van
Ao. 1481-1483 en Matth. Tom. I pag. 397, 399 en 405.

[473] Wagenaar IV D. pag. 208 raadpl. Chron. van Ao. 1481-1483,
pag. 410-415.

[474] Diuisie Chron. 31 diuisie, 37 capittel.

[475] Diuisie Chron. 31 diuisie, 39 capittel.

[476] Wagenaar, IV D. pag. 205.

[477] Wagenaar IV D. pag. 215.

[478] Zie diuisie Cron. die 31 duisie. dat XLIII capittel.

[479] Zie Wagenaar IV D. pag. 216.

[480] Wagenaar IV D. pag. 244.

[481] Wagenaar pag. 248, en Jonker Fransen oorlog pag. 88 en 97.

[482] Verg. Wagenaar IV D. pag. 248.

[483] Diuisie Cron. 31 diuisie, 68 capittel, Wagenaar, IV D. pag. 260,
Jonker Frans, oorlog, pag. 250.

[484] Zoo was zijne benaming als Grave van Holland, meer bekend is
hij echter geworden, onder den naam van Karel den V, die als Keizer.

[485] Wagenaar IV D. pag. 354.

[486] Repert. der Plac. pag. 3.

[487] Groote Chron. diuisie XXXII Capittel 46.

[488] Repert. der Plac. pag. 3 Wagenaar IV D. pag 398 en 399.

[489] Men zie het plac. bij van Kinschot, pag. 400, 401 en 402.

[490] Repert. der pl. van het graafschap Holland bij Wagenaar,
IV. D. pag 429 en 430.

[491] Volgens veler meening zond ook Oudewater eertijds schepen ter
haringvisscherij uit. Het ongeveer 15 minuten van Oudewater liggende
slot (nu ruïne) te Vliet wijst de sage aan, als de plaats, van waar
haringbuizen uitvoeren. Dan vergezelden de vrouwen van de visschers
hunne mannen tot aan het gehucht Goejanverwellesluis, dat zijn naam
er van zoude gekregen hebben. De naam toch van de doorklievers van
het zilte nat, is nog in deze dagen Jan, Janmaat; Aan de sluis,
werden zij dan toegeroepen Goe Jan vaarwel.

Wij nemen de uitlegging van dien naamsoorsprong over, uit eene der
jaargangen van het Tijdschrift de Navorscher.

[492] Zie Wagenaar IV. D. pag 470.

[493] Ibid. pag 470 en 471.

[494] Zie pag. 347 van dit werk.

[495] De geauthenthiseerde copij, berust ter gemeente secretarij.

[496] Vóór Hoeff Willemsz, waarmede zij aanvangt, staat aan den kant:
Piet va. Evenzoo staan later bij iederen hoofdman een paar namen aan
den kant geschreven, vermoedelijk van hen, die later die betrekking
waarnamen. Aanm. van R. C. H. Römer.

[497] Onder deze: "die in 't gastuys sijn die clouck sijn."

[498] Zie het Chron. auct. Joann de Beka In Matthaei Vet. aevi
Analect. T III pag. 316 volg. verg. van Kinschot, Besch. d. stad
Oudewater blad. 51.

[499] Zij wordt in oude bescheiden, dikwijls Remijnsbrug geheeten.

[500] Zie van Kinschot t. a. p. blz. 21 vlgg. en 50.

[501] Wagenaar V. D. pag. 275.

[502] Wagenaar, V D. pag. 420, 421 en 422.

[503] Philips II heette hij als koning van Spanje doch Philips III
als grave van Holland.

[504] Dat Karel dit nu juist verleend heeft, hierin willen wij niet
achterhaald worden, wij verwijzen naar het hoofdstuk "de heksenwaag"
van dit werk.

[505] Zie Wagenaar VI D. pag. 5.

[506] Zie Wagenaar VI D. pag. 40.

[507] Wagenaar VI D. pag. 186 en 187.

[508] Simon Stijl, opkomste en bloei der Vereenigde Nederlanden
pag. 185 en volg.

[509] De zeer bekende Watergeus Gerrit Gerritsen, was te Oudewater
geboren.--Zie pag. 366 van dit werk.

[510] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.

[511] Onze plaats was de eerste in Zuid-Holland.

[512] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 243.

[513] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 144.

[514] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 247.

[515] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 250.

[516] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 256.

[517] Wij zagen het dus reeds, dat Oudewater ten jare 1572 weer
op de eerste vergadering der staten, die 's prinsen zijde hielden
tegenwoordig was. Het moet ons niet verwonderen, dat wij de gemagtigden
uit Oudewater in de statenraad weer na zoo groote tusschen ruimte
zitting zien nemen, indien wij bij Wagenaar VI D. 378 lezen. "De
kleine steden, die sedert een aantal jaren, niet ter dagvaart plegen
te verschijnen, kregen nu weder plaats in dezelve, opdat men haar,
door het zoet der regering zou aanlokken tot het williger dragen der
gemeene lasten, en anderen, die het nog met Alva hielden te ligter
te doen omslaan."

[518] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 253.

[519] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 254.

[520] Hoofdts. Nederl. Hist. Fol. 273.

[521] Bor Nederlandsch historien, pag. 17.

[522] A. van Duyn Oudewaters moord, pag. 7.

[523] Römer in zijne bijdrage Utrecht en Oudewater in den Utrechtsche
Volks almanak.

[524] De bijzonderheden van den togt zijn meest uit van Duijn,
Oudewaters moord, die wij voor de waarheid derzelve aansprakelijk
houden.

[525] Zie ook de bijdrage van Dr. R. C. H. Römer in den Utrechtschen
Volksalmanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater in 1575, van
pag. 43 tot en met pag. 63.

[526] Hoofdts Nederlandsch historiën, pag. 401.

[527] Resol. der Staten van Holland, 12 Julij 1575.

[528] Ib. 9 Aug. Anno. 1575.

[529] Hoofdst. Nederlandsche historie, pag. 422.

[530] P. Bor, Nederlandsche Beroerte, VIII B. pag. 121.

[531] A. van Duyn, Oudewaters moord, pag. 10.

[532] Van Duyn, pag. 10, en van Kinschot pag. 223 en 224, melden
omtrent een vlugteling het volgende. Nadat hij met paard en wagen
en de tilbare goederen, op het voorbeeld zijner gebaren gevlugt was,
werd hij door 's vijands vooruit gespatte ruiterij zoo snel vervolgd,
dat hij eindelijk, zich niet meer kunnende vleijen, het gevaar te
ontsnappen, eerst zijn bevrachte wagen dwars over den weg reed, zijne
paarden losmaakte en toen, na het medegevoerde te hebben achtergelaten,
in het wegrennen, ten bewijs zijner nu vast gewaande vrijheid, den
najagenden Spanjaard spottend toeriep, "Seneca, Seneca volg mij nu
zoo gij kunt, ik zit nu te paard zoowel als gij."

[533] Hoofts. Nederlandsche historien, pag. 432.

[534] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121 A.

[535] Van Duyn, pag. 10.

[536] Wij gissen nabij het tegenwoordig Gemeente huis van Honcoop.

[537] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[538] Van Duyn, pag. 11, alwaar hij breeder de ontruiming van die
sterkte uiteen zet.

[539] P. Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B, pag. 121.

[540] P. Bor, pag. 121 A.

[541] Die noodmunten waren van 20 en 40 stuivers, men zie de afbeelding
bij van Loon I. D. pag. 206. en van Kinschot pag. 231.

[542] De brug over dit water, had de Spanjaard weggebroken, de rede
waarom van Dam, vroeger naar Goejanverwellesluis getogen was, doch
zich zoo zeer te leur gesteld vond.

[543] P. C. Hooft, Nederlandsche historie, D. I, B. 10 pag. 433.

[544] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII B. fol. 121 B.

[545] Ib.

[546] De eerste kogel die in de kerk geschoten werd, hangt nog aan
de gewelven van dien tempel.

[547] Tot narigt voor hen, die dit doel van Hierges vreemd zullen
vinden, omdat de stadsgracht nu te ver van den toren gelegen is,
diene, dat de stadsvestingmuur toen ter tijde aan of zeer digt voorbij
den toren liep, dat de Yssel als de gracht beschouwd werd, en dat
het Veer nog niet aan de stad getrokken was, dit werd eerst in 1585
vergund.--Zie meerdere bewijzen, in de bijdrage van R. C. H. Romer,
in de Utrechtsche Volks-Almanak 1859, getiteld: De moord van Oudewater
in 1575.

[548] Bor, VIII B, pag. 121 B.

[549] Hooft, pag. 423.

[550] Bor, Nederlandsche beroerten, VIII, B, pag. 121 B.

[551] Hooft, Nederlandsche historien, pag. 423.

[552] Bor, pag. 121 vso a.

[553] Van Duijn, Oudewaters moord, pag. 14.

[554] Bor, VIII, B. pag, 121 vso a.

[555] Hoofts historien pag. 423.

[556] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[557] Bor, Nederl. beroerten, VIII B. pag. 121, vso a.

[558] Hoofts. Nederl. historien, pag. 423.

[559] Bor, VIII, B, pag. 121, vso a.

[560] Ib.

[561] Hoofts. Nederl. historien, pag. 424.

[562] Bor, Nederlandsche Beroerten, VIII B pag. 121, vso. A.

[563] Hoofts. Nederlandsche Historiën, pag. 424.

[564] Van Duijn in zijn meergenoemd boekje over den moord, meldt
pag. 15, dat men in de stadsmuur bij de bresse, in de poort eene mijn
gemaakt had, om die ter behoorlijker tijd in de lucht te doen springen
en den rook in het leger te leiden, en dat men den kruidkelder dan ook
met de poort liet springen, maar het vervroegde de inname der stad,
immers voor de bresse, die toen merkelijk grooter werd, waren geen
manschappen meer om die naar behooren te bezetten. Van Duijn is echter
zeer dikwijls met geloofwaardige schrijvers in tegenspraak en het is
dus somtijds zeer gevaarlijk, om hetgeen hij opdischt, voor waar aan te
nemen. Dit is dan ook de rede, dat wij weinig gebruik van hem maken,
maar liever andere bronnen, en met name van Kinschot te baat namen,
die wij nu en dan bijna woordelijk volgden.

[565] P. Bor, Nederlandsche beroerten VIII B. pag. 121 B.

[566] Hoofts. Nederlandsche Historien pag. 424.

[567] Meerdere bijzonderheden bij van Kinschot, pag. 257 vs.

Wij mogen bijzonderheden omtrent personen, niet in alle fijnheden
overnemen, omdat ons dit te wijdloopig zoude doen worden.

[568] Bor, ib. en leven van prins Willem I, 2 D. VIII B, pag. 284.

[569] Resol. der stat. van Holland 9 Aug. 1575 pag. 553 en 554.

[570] Wagenaar, Vaderlandsche geschiedenis, over Sonnoy en Lumeij.

[571] Zie van Kinschot pag. 256 al.

[572] Voor hen, die de namen zouden willen weten, verwijzen wij naar
de Utrechtsche Volksalm. 1859 van pag. 69 tot 86.

[573] Voor een versterkte politie, is inmiddels zorg gedragen, omdat
er tusschen "de kinderen des velds", verhit door Bachus en aangespoord
door Cupido ligtelijk twisten ontstaan.

[574] Van Kinschot, pag. 419 vso. en III keurb. der stad Delft,
pag. 275, op het Stadhuis berusten twee registers van aangenomen
poorters van de jaren 1577 tot 1806.

[575] Het octrooi berust ter Secretarij in origine.

[576] "Leendert A. van Dam en Jan Pieters Watergrave liepen menig
keer op partij en zochten alle middelen, om die van Montfoort uit te
lokken, omdat zij twee partijen toegedaan waren."

Van Duijn.

[577] Er is eene dergelijke van het volgende jaar; doch om niet
noodeloos uitvoerig te worden, schrijf ik daaruit niets af.

[578] Zie ons werk van pag. 212 tot pag. 214 en een aantal stukken
op het archieve der stad in deze tijden.

[579] Op het stadhuis is een accijnsboek berustende van bieren en
wijn te Oudewater Ao. 1578 en 1579. In de stad waren eertijds een
aantal bierbrouwerijen aanwezig.

[580] Zie de inhoud van dit octrooi, bij van Kinschot pag. 422 tot
pag. 427, en het origineel op het stadhuis.

[581] Wagenaar VII D. pag. 94.

[582] ib. pag. 139.

[583] Hofdijk, geschiedenis der Nederlanden pag. 79. vso.

[584] De missieve is op het stadhuis berustende.

[585] Resol. van Holland 11 Julij 1584.

[586] Zie Resolutie der stad, sub 15 July 1584 en van Holland ten
zelfden jare, fol. 394 en 414. De volmagt te vinden bij van Kinschot,
pag. 111 tot en met pag. 114.

[587] Pag. 144 en volg.

[588] Zie de acte van Burgemeesters en Schepenen betreffende het
huren van zolders, tot berging van het graan, ter gemeente-secretary.

[589] Vroeger tijd waren er met den Heer van Montfoort dikwijls
oneenigheden over die gronden geweest.

[590] Wagenaar, VIII D., pag. 189.

[591] Wagenaar, pag. 200.

[592] Pag. 203 en volg.

[593] Zij bevinden zich op het stadhuis; maar kapitein van Zwieten,
waakte, zooveel in hem was, tegen dergelijke misdrijven, in 1587
trouwens, had de compagnie van van Zwieten nog afdoening gehad.

[594] Ter viering van dit bestand binnen Oudewater bestaat er op het
stadhuis nog de aanschrijving der Staten van Holland en Westvriesland
23 April 1609.

[595] Zie zijne levensschets in dit werk van pag. 361 tot 365.

[596] Wagenaar, X D. pag. 16 en volg.

[597] Ib. pag. 20.

[598] Ib. pag. 20.

[599] Wagenaar, X. Dl. pag. 152 en 153.

"De Heer van Kinschot meldt van Lijdius, pag. 142 en 143 het volgende:
Johannus Lijdius, schoon in Duitschland het eerste levenslicht
aanschouwd hebbende, is ter zake van zijn langdurig verblijf en
inwoning zoo in Holland als wel voornamelijk in Oudewater onder de
geleerde mannen, aldaar te huis hoorende met recht geteld geworden. Hij
was in de talen en bijzonder in de theologie en geschiedkunde zeer
ervaren, zijne schriften zijn daarvan de getuigen. Hij heeft het
leeraarsambt in de Gereformeerde gemeente in deze stad met grooten
roem en algemeene hoogachting bediend van 1602 tot 1643 als wanneer
hij overleed."

Tevens moeten wij herinneren, dat van 1608 tot in 1617, de Heer Levinus
de Raad de tweede predikant was, terwijl in het tijdvak waarvan wij
schrijven, Gerrit Gerritszoon Crayenstein de waardigheid van Balluw
bekleedde tot in 1618.

[600] De 1. draagt tot titel: "Historisch verhaal, van de voornaamste
swaricheden, verschillen en proceduren, sowel in kerckelijke als
politycke saken, drie jaren herwaarts voorghevallen binnen de stadt
Oudewater, door de kerckeraat aldaar, en eenige van de magistraten
Amsterdam 1618."

Wij behoeven niet te zeggen dat die brochure zeer contra Remonstrantsch
is.

De 2. heet "Reuckappel enz. enz., tegen de kwade lucht, onlanghs bij
een onervaren weyman veroorsaackt, door het opdoen, ende aanwijsen van
een valsche fenijnighe spore, enz. enz. philodelphi MDC XVIII." Dit
boek is in zeer Remonstrantschen geest geschreven.

En de 3e, is de Clachte der Ghemeynte tot Oudewater der ghenen, die
houden hij de oude Religie, aan de edele Hooch Moghende H. H. Staten
van Holland ende West Vriesland dienende tot wederlegginhe van
de valschheden in een boek onder den name, ontdeckinghe van den
oproerighen gheest der Contra Remonstranten tot Oudewater.


                Die sijnen naam sal vermonden
        Als de namen bij het tegenschrift sijn bevonden
                  In het jaar ons Heeren 1618.


Zoo als men dus ziet, is die brochure weder in Contra Remonstrantschen
geest geschreven.

[601] Wij zien het dus, de leeraars waren Contra Remonstrantsch,
en de Magistraat--tenminste gedeeltelijk--Remonstrantschgezind.

[602] Tot dusver het "historisch verhaal".

[603] Reuckappel pag. 72.

[604] Wagenaar X Dl. pag. 159.

[605] Wagenaar X Dl. pag. 160, 161 en 162.

[606] Zie den hoofdinhoud bij Wagenaar, X D. pag. 162 en 163.

[607] Die troepenbeweging, is welligt te meer noodzakelijk geweest,
omdat er van 25 Junij 1623 eene publicatie bestaat, nopens de
bevordering der eendragt tusschen de burgerij en het garnizoen.

[608] Wij mogen niet vergeten aan te stippen, dat de gecommitteerde
Raden van de Staten van Holland en Westvriesland besloten tot den
afstand der wallen en vestingwerken van Oudewater ten behoeve der stad,
die acte, dato 8 Februarij 1634, is op het stadhuis berustende.

[609] Uit de Archieven der stad.

[610] Wirster, Geschiedenis van ons Vaderland, pag. 82-92.

[611] Wagenaar, XIV D. pag. 41.

[612] In zijn tooneel des oorlogs, pag. 247-252.

[613] "Onze stad," zegt van den Bosch, dit zou doen denken, dat hij
een stadgenoot was, meerdere gronden meen ik daarvoor te hebben indien
wij zijn verhaal aandachtig nagaan.

[614] Van het slot te Vliet is slechts de ruïne overig; over de
geschiedenis van hetzelve verwijs ik onder anderen naar ons boekske
getiteld: Bijzonderheden omtrent het slot te Vliet, 1861.

[615] Van den Bosch III D. pag. 184.

[616] Dezelfde III D. pag. 190, alwaar wij het volgende bewijs
van grooten moed van hen vinden opgeteekend. Het was in Februarij
1673, dat twee Dortsche en een Haagsch burger tot onder de tuinen
van Woerden getogen waren, op hoop den vijand eenigen afbreuk te
doen. Daar bemerkten zij 8 franschen, die twee schapen bij zich
hadden. Niettegenstaande de hoop op overwinnen dus zeer gering was,
vallen zij den vijand aan en brengen hen spoedig alle acht gevangen
Oudewater binnen.

[617] Nog eenige sleden met hooi die door het ijs gezakt waren, werden
door hen verbrand. Zie van den Bosch III D. pag. 190, 191 en Allan,
Beschrijving van 's Gravenhage pag. 225.

[618] Zie van den Bosch, tooneel des oorlogs III. D. pag. 249.

[619] Het origineel berust ter archieve; zoo ook van het jaar 1710,
eene naamlijst van 58 fransche officieren in den franschen oorlog
binnen de stad krijgsgevangen geworden, benevens den staat der door
hen gemaakte schulden.

[620] Gevolgd naar "De Beroerten in de Nederlanden." III Deel,
pag. 195.

[621] Hofdijk, Geschiedenis der Nederlanden 106.

[622] Hofdijk, pag. 208 enz.

[623] Vele verschillende missiven over het leggen van de bezetting
binnen de stad, berusten ten raadhuize onder de archieven.

[624] Keizer Napoleon passeerde in 1811 Oudewater, hij onderhield
zich eenigen tijd met eene deputatie uit de burgerschap.

Ten raadhuize bevinden zich nog eenige missiven, bevattende
voorschriften van een plan tot feestviering bij gelegenheid van het
passeren van Zijne Majesteit.

[625] De uitnemende Van den Bergh, heeft deze regelen vervaardigd voor
het tijdvak uit de Vaderlandsche geschiedenis, toen de Vlamingen in
de middeneeuwen ons graafschap veroverden.

[626] Het schijnt echter, dat de Hooge Regering de nog overig zijnde
wallen nog niet van waarschijnlijk nut ontbloot acht, tenminste
eene voor ongeveer 10 jaren voorgenomene verkooping der aarde van de
borstweringen, werd van wege het Ministerie van Oorlog verboden.

[627] Deze vereeniging ondervindt ieder jaar, de milddadigheid van
H. M. de Koningin Weduwe.

[628] Wij gewaagden daar van het woord Gilde. In vroeger tijd waren er
te dezer stede een zeer groot getal verschillende gilden, die genaamd
werden naar de uitoefening van het bedrijf of het beroep der leden.

Het lijndraaijers gild schijnt daar nog overblijfsel van te zijn. Het
zakkendragers en bierdragers gild, bleef tot voor eenige jaren nog
gewijzigd in wezen.

[629] Een lid dezer afdeeling, de hoefsmid H. de Zwart, onderscheidt
zich zeer gunstig in het vervaardigen van hoefijzers, ter te
gemoetkoming of geheele verbetering van gebrekkige paardenhoeven.

Een keurige verzameling dier ijzers 74 verschillenden in getal, heeft
bereids op menige tentoonstelling van landbouw zoo door gunstige
getuigschriften als medailles grooten naam verworven.

[630] Twee, der drie in de stad aan den IJssel liggende bruggen werden
bij die gelegenheid geamoveerd en niet weder herbouwd. De IJsselbrug
echter wordt vervangen door eenen ijzeren, deze vroegere is welligt nog
de brug, die ten jare 1371 door grave Albrecht vergund werd te maken,
ten minste zij droeg dit jaartal 1?71; het tweede cijfer van dit jaar
doet met evenveel gerustheid aan een 3, dan aan eene 5 denken.

[631] De alom bekende Nederlandsche liefdadigheid, onderscheidt
zich in Oudewater steeds bijzonder. De jongste algemeene collecte,
gehouden op den verjaardag des konings, ten behoeve der noodlijdenden
door de overstroomingen in Gelderland en Noord-Braband, bragt binnen
den kom der stede, met inbegrip van loten, in de algemeene verloting,
niet minder op dan 966 gulden 61 1/2 cent.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Oudewater en omtrek - Geologisch, Mythologisch en Geschiedkundig Geschetst" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home