Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: De Talisman - of Richard Leeuwenhard in Palestina
Author: Scott, Walter
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Talisman - of Richard Leeuwenhard in Palestina" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                         Walter Scott's Werken.

                      OPNIEUW VERTAALD EN BEWERKT
                                  DOOR
                             GERARD KELLER.


                              DE TALISMAN
                                   OF
                   RICHARD LEEUWENHART IN PALESTINA.


                   Geïllustreerd met de gravures der
                   oorspronkelijke Engelsche uitgave
                         van Marcus Ward & Co.


                  Amsterdam. -- GEBRs. E. & M. COHEN.



DE TALISMAN OF RICHARD LEEUWENHART.

HOOFDSTUK I.

                                    Naar 't barre oord.
                    Vertrok dit paar, gewapend als 't behoort.

                                                 Het Paradijs herwonnen.


De brandende zon van Syrië had haar hoogsten stand aan den horizon
nog niet bereikt, toen een ridder van het roode kruis, die zijn ver
afgelegen, noordelijk vaderland verlaten, en zich bij het leger der
kruisvaarders in Palestina gevoegd had, langzaam de zandwoestijn
doortrok, in de nabijheid der Doode Zee, of zooals men ze noemt, het
Asphalt meer, waar de wateren van de Jordaan zich in eene binnenzee
storten, wier water niet wegstroomt.

De bedevaartganger in zijn krijgsmansgewaad was in den vroegen morgen
over steenbrokken en langs afgronden gekomen, en na die rotsachtige
en gevaarlijke wegen getrotseerd te hebben, had hij de groote vlakte
bereikt, waar de verdorven steden in ouden tijd door de rechtstreeksche
en vreeselijke wraak van den Almachtige waren verwoest.

Vermoeienis, dorst en de gevaren van zijn weg had de reiziger daar
vergeten, toen hij aan de vreeselijke gebeurtenis dacht, waardoor de
schoone vruchtbare vallei van Siddim, die zoo overvloedig van water
was voorzien, als de tuin des Heeren, tot eene woestenij was gemaakt,
eene steenachtige vlakte, tot eeuwige onvruchtbaarheid gedoemd.

Hij maakte het teeken des kruises, toen hij die sombere watervlakte
vóór zich zag, wier kleur en hoedanigheid verschilde van die van elk
ander meer, en hij sidderde bij de gedachte, dat op den bodem van dit
stilstaande water eenmaal bloeiende steden zich verhieven, wier graf
gedolven was door het onweder uit den hemel of de uitbarsting van een
onderaardschen vulkaan en waarvan nu de overblijfselen verborgen waren
door deze zee, in wier wateren geen visch meer leeft, wier spiegel
geen vaartuig meer draagt en, alsof hare rampzalige bedding alleen
slechts hare eigen stilstaande wateren mocht bevatten, ze niet, gelijk
andere meren, uitstort in den oceaan. Al het omringende land was,
gelijk in de dagen van Mozes, "zwavel en zout; het wordt niet bezaaid,
het draagt niet, en er groeit geen gras op." Het land zoowel als 't
meer kan dood genoemd worden, daar het niets voortbrengt, dat naar
plantengroei zweemt; en zelfs in de lucht werden de bewoners gemist,
daar deze waarschijnlijk afgeschrikt waren door den reuk van pek en
zwavel, die de zengende zon uit de wateren van het meer deed opstijgen
in wolken van damp, die vaak den vorm van waterhoozen hebben. Klompen
van die slijkachtige, zwavelige zelfstandigheid, welke men naphta
noemt, en die langzaam op de onbeweeglijke, sombere wateren dreven,
verschaften aan andere nederdalende wolken nieuwe dampen en schenen
een akelig bewijs voor de waarheid der geschiedenis van Mozes op
te leveren.

Op dit tooneel van verwoesting scheen de zon met bijna ondragelijken
gloed; en al wat leeft scheen zich voor hare stralen verborgen te
hebben, behalve de eenzame gestalte, die door het opstuivende zand
voortschreed en op de onafzienbare oppervlakte van de vallei het
eenige wezen scheen dat ademhaalde. De kleeding van den ruiter en
de uitrusting van zijn paard schenen met voordracht, als bijzonder
ongeschikt voor een reiziger in zulk een klimaat, gekozen te zijn. Een
maliënkolder met lange mouwen en ijzeren handschoenen en eene stalen
borstplaat werden, naar het scheen, nog niet zwaar genoeg voor zijne
wapening geacht; zijn driekant schild hing om zijn hals, en daarbij
kwam nog zijn als getraliede stalen helm, waarover een pantserkap hing,
die om de schouders en de keel van den krijgsman was bevestigd, en
de ruimte tusschen borstharnas en stormkap vulde. Zijne beneden leden
waren even als zijn lichaam in buigzaam staal gekleed, dat de beenen en
dijen bedekte, terwijl de voeten in geslagen schoenen rustten, gelijk
aan zijne handschoenen. Aan zijn eene zijde hing een breed, recht,
tweesnijdend zwaard, met een gevest in de gedaante van een kruis, en
een groote dolk aan de andere zijde. De ridder omklemde zijn eigenlijk
wapen, de lange lans met den stalen kop, die aan zijn zadel bevestigd
was en met het uiteinde in zijn stijgbeugel rustte. Deze lans stak
onder het rijden naar achteren uit, en het vaantje fladderde in de
zwakke koelte of hing onbeweeglijk neder. Bij deze zware uitrusting
voege men een vrij versleten overrok van geborduurd laken, die
in zoover nuttig was, dat hij de brandende stralen der zon van de
wapenrusting afhield, die zij anders onuitstaanbaar voor den drager
zouden gemaakt hebben. De overrok was op vele plaatsen met het wapen
van den eigenaar geborduurd. Het scheen een liggende luipaard te zijn
met de zinspreuk: "ik slaap--wek mij niet." Een omtrek van dezelfde
spreuk had men op het schild kunnen onderscheiden, zoo niet menige slag
het beeld bijna uitgewischt had. Het vlakke bovendeel van zijn zware
cylindervormigen helm was met geen vederbos versierd. Door hunne eigen
zware wapenrusting te behouden, schenen de Noordsche kruisvaarders de
natuur te trotseeren van het klimaat en het land, dat zij beoorloogden.

De uitrusting van het paard was niet minder massief en lomp dan die van
den ruiter. Het dier had een zwaar met staal belegd zadel, van voren
eene soort van borstplaat en van achteren platen tot bescherming van de
lendenen. Verder hing eene stalen bijl of hamer, aan zijn zadelboog;
de teugels waren door kettingwerk bevestigd en de toom van voren was
met een stalen plaat bezet, met openingen voor de oogen en neusgaten,
en in het midden met eene korte scherpe piek, die uit het voorhoofd
van het paard uitstak, als de horen van den eenhoorn uit de fabel.

Maar de gewoonte had het dragen van den last dezer volle wapenrusting
tot eene tweede natuur gemaakt zoowel voor den ridder als voor zijn
moedig strijdros. Velen der Westersche krijgers, die naar Palestina
trokken, stierven weliswaar eer zij aan het brandend klimaat gewenden;
maar er waren anderen, voor wie de luchtstreek onschadelijk en zelfs
heilzaam bleek, en tot dit gelukkig aantal behoorde de eenzame ruiter,
die nu langs de oevers der Doode Zee reed.

De natuur had aan zijne ledematen eene zeldzame kracht geschonken,
die hem in staat stelde om zijn borstharnas van metalen schakels even
gemakkelijk te dragen, alsof de mazen van spinnewebben waren gevormd,
en tevens een lichaamsgestel, dat daarmede in overeenstemming was,
zoodat het bijna alle veranderingen van het klimaat, zoowel als alle
vermoeienissen en ontberingen kon trotseeren. Zijne gemoedsgesteldheid
scheen in sommige opzichten in de hoedanigheden van zijn lichaam te
deelen; en evenals dit groote kracht en volharding bezat, gepaard
aan het vermogen tot krachtige inspanning, had de eerste onder een
kalm en onverstoord voorkomen veel van de vurige en hartstochtelijke
liefde tot roem, die de voornaamste eigenschap van den beroemden
Normandischen stam uitmaakte, en hen tot heerschers gemaakt had in
elk deel van Europa, waar zij hunne zwaarden hadden getrokken.

Nochtans schonk de natuur niet aan den geheelen stam zulk een
aanlokkend loon; en dat, hetwelk de eenzame ridder gedurende een
veldtocht van twee jaren in Palestina verworven had, bestond slechts
in tijdelijken roem en, zooals men hem geleerd had te gelooven, het
heil zijner ziel. Inmiddels was zijn kleine voorraad geld weggesmolten,
te meer daar hij geen der gebruikelijke middelen aanwendde, waardoor de
kruisvaarders hunne verminderde hulpbronnen ten koste van de inwoners
van Palestina trachtten te herstellen; hij vorderde geen geschenken
van de arme inboorlingen voor het sparen hunner bezittingen wanneer
zij met de Sarracenen in strijd waren, en hij had geen gelegenheid
gehad om zich door het losgeld van eenige gevangenen van aanzien te
verrijken. Het kleine gevolg, dat hem uit zijn vaderland vergezeld
had, was langzamerhand verminderd, naarmate zijne middelen tot het
onderhoud ervan afnamen, en zijn eenig overgebleven schildknaap lag
thans op een ziekbed, en was buiten staat zijn meester te vergezellen,
die, zooals wij gezien hebben, geheel alleen reisde. Dit was voor
den kruisvaarder van weinig belang, daar hij gewoon was zijn goed
zwaard als zijn veiligst geleide en zijne vrome gedachten als zijn
best gezelschap te beschouwen.

De natuur had echter hare eischen op voeding en rust, zelfs voor
het ijzeren lichaam en het geduldig karakter van den ridder van den
Liggenden Luipaard, en des middags, toen de Doode Zee op eenigen
afstand van zijne rechter zijde lag, begroette hij verheugd het
gezicht van twee of drie palmboomen, die oprezen aan den rand van
de bron, welke voor zijn middagsrustplaats bestemd was. Zijn goed
paard, dat met dezelfde standvastige volharding als zijn meester
voortgestapt was, verhief nu ook den kop, spalkte zijn neusgaten open,
en verhaastte zijn schreden, alsof het van verre het levende water
rook, dat de plaats van rust en verversching zijn moest. Maar er zou
nog heel wat inspanning vereischt en gevaar getrotseerd moeten worden,
eer het paard en zijn ruiter de verlangde plek bereikten.

Terwijl de ridder van den Liggenden Luipaard zijn oogen aandachtig
op de nog ver afgelegen groep palmboomen vestigde, scheen het hem
toe, of een voorwerp daaronder en in den omtrek zich bewoog. De
verwijderde gedaante scheidde zich van de boomen, die deze bewegingen
gedeeltelijk verborgen, en naderde den ridder met een snelheid,
die hem weldra een ruiter deed onderscheiden, dien zijn tulband,
zijn lange speer en zijn in den wind fladderende groene kaftan bij
zijn verdere nadering als een Saraceensch' ridder deden kennen. "In
de woestijn", zegt een Oostersch spreekwoord, "ontmoet niemand een
vriend." De kruisvaarder was geheel onverschillig, of de ongeloovige,
die thans op zijn moedig ros naderde, alsof hij op de vleugelen van
een arend gedragen werd, als vriend of vijand kwam--misschien zou
hij, als een gewijde kampvechter voor het Kruis, het laatste hebben
moeten wenschen. Hij maakte zijn lans van zijn zadel los, greep die
met de rechterhand, legde haar met de punt half omhoog in rust, nam
de teugels in de linkerhand, en bereidde zich voor om den vreemdeling
tegemoet te gaan, met het geruste zelfvertrouwen van een man, die
reeds in verscheidene gevechten de zege had behaald.

De Saraceen kwam nader in den snellen galop van een Arabisch ruiter,
die zijn ros meer met zijn beenen en de bewegingen van zijn lichaam
bestuurt dan door middel van de teugels, die los in zijn linkerhand
hingen, zoodat hij in staat was, om den lichten ronden beukelaar van
rhinoceros-vel, met zilveren kwasten versierd, dien hij aan den arm
droeg, te gebruiken, dien zwaaiende alsof hij door die kleine schijf
den geweldigen stoot van de Westersche lans wilde afweren. Zijne eigen
lange speer was niet in rust gelegd, zooals die van zijne tegenpartij,
maar hij vatte ze met zijne rechterhand en zwaaide haar een arms lengte
boven zijn hoofd. Daar de ruiter zijn vijand in volle ren naderde,
scheen hij te verwachten, dat ook de ridder van den Luipaard zijn paard
in galop zou brengen om hem te ontmoeten. Maar de Christen-ridder,
wel bekend met de gewoonte der Oostersche krijgers, wilde zijn goed
paard niet door nuttelooze bewegingen vermoeien; integendeel bleef
hij doodstil staan, vertrouwende dat, als zijn vijand tegen hem
botste, zijn eigen zwaarte en dat van zijn zwaar geharnast paard,
hem een genoegzaam voordeel zou verschaffen, onder de bijkomende
hulp eener snelle beweging. Even gevoelig en bevreesd voor zulk een
waarschijnlijke uitkomst, wendde de Sarraceensche ruiter, toen hij op
een afstand van twee lansen den Christen genaderd was, zijn paard met
onnavolgbare behendigheid naar de linkerzijde, en reed twee malen om
zijn tegenpartij heen, die zich keerende zonder van de plek af te gaan
waar hij stond en steeds zijn voorhoofd zijn vijand aanbiedende, diens
poging om hem op eene onbewaakte zijde aan te vallen, teleurstelde,
zoodat de Sarraceen, zijn paard wendende, zich op een afstand van
honderd meter terugtrekken moest. Voor de tweede maal, evenals een
valk op den reiger, vernieuwde de Moor den aanval, en andermaal was
hij verplicht zich terug te trekken zonder tot een eigenlijk gevecht
te komen. Voor de derde maal naderde hij op dezelfde wijze, toen de
Christen-ridder, dit spiegelgevecht willende eindigen, waarin hij ten
laatste door de snelheid van zijn vijand had kunnen afgemat worden,
plotseling de knots greep, die aan zijn zadelboog hing, en dien
met krachtigen arm en zekere richting tegen het hoofd van den Emir
wierp, want dit en niets minder scheen zijn tegenpartij te zijn. De
Sarraceen bemerkte nog te juister tijd het vreeselijke wapen, om zijn
licht schild tusschen de knots en zijn hoofd te brengen; maar door
de onstuimigheid van den slag stootte het schild op zijn tulband,
en ofschoon deze scheidsmuur de kracht ervan verzwakte, werd de
Sarraceen van zijn paard geworpen. Eer de Christen van dit ongeluk
voordeel kon trekken, sprong zijn vlugge vijand van den grond op en,
zijn paard roepende, dat dadelijk aan zijne zijde terugkeerde sprong
hij in den zadel, zonder aan den stijgbeugel te raken, en herkreeg al
het voordeel, waarvan de ridder van den Luipaard gehoopt had hem te
berooven. Maar laatstgenoemde had in dien tusschentijd zijne knots
terugbekomen, en de Oostersche ruiter, die zich de kracht en de
behendigheid herinnerde, waarmede hij daarvan gebruik had gemaakt,
scheen zich voorzichtig buiten het bereik van dat wapen te houden,
waarvan hij nog zoo kort geleden het geweld gevoeld had, terwijl hij
een voornemen toonde, om uit de verte met zijn eigen schichten te
vechten. Zijn lange speer op een afstand van de strijdplaats in het
zand zettende, spande hij met groote behendigheid een korten boog,
dien hij op zijn rug droeg, en zijn paard in galop brengende, maakte
hij andermaal twee of drie kringen van grooter uitgestrektheid dan
te voren, gedurende welke hij zes pijlen op den Christen afschoot
met zulk een vastheid en behendigheid, dat de deugdzaamheid van zijn
harnas alleen dezen vrijwaarde van op even zoo vele plaatsen gewond te
worden. De zevende schicht vond, naar het scheen, een minder volmaakt
gedeelte in de wapenrusting, want de Christen stortte log van zijn
paard. Maar hoe groot was de verbazing van den Sarraceen, toen hij,
van zijn paard stijgende, om den toestand van zijn gevallen vijand
te onderzoeken, zich plotseling door den Westerling gegrepen voelde,
die tot deze krijglist zijne toevlucht genomen had om zijn vijand
binnen het bereik te brengen! Zelfs in dezen doodelijken strijd
werd de Sarraceen door zijne vlugheid en tegenwoordigheid van geest
gered. Hij maakte den zwaardkoppel los, waarbij de ridder van den
Luipaard hem gegrepen had, en op die wijze diens noodlottige handen
ontsnappende, steeg hij weder op het paard, dat zijne bewegingen met
het verstand van een menschelijk wezen scheen gade te slaan, en reed
weder weg. Maar in den laatsten strijd had de Sarraceen zijn zwaard
en zijn pijlkoker verloren, die beide aan zijn gordel vastzaten, en
die hij verplicht was geweest in den steek te laten. Ook was zijn
tulband in de worsteling hem ontvallen. Deze nadeelen schenen den
Mahomedaan tot een wapenstilstand geneigd te maken. Hij naderde den
Christen met zijn rechterhand uitgestrekt, maar niet langer in een
dreigende houding.

"Er bestaat een wapenstilstand tusschen onze natiën," zeide hij in
de Frankische taal (lingua franca), die gewoonlijk gebruikt werd om
met de kruisvaarders te spreken; "waarom zou er oorlog tusschen u en
mij zijn?--laat er vrede onder ons zijn."

"Ik heb er niets tegen", antwoordde de ridder van den Liggenden
Luipaard; "maar welke zekerheid biedt gij aan, dat gij den
wapenstilstand zult eerbiedigen?"

"Het woord van een aanhanger van den Profeet werd nooit verbroken",
zeide de Emir. "Het is van u, dappere Nazarener, dat ik een borg zou
vragen, zoo ik niet wist, dat verraad zelden met moed gepaard gaat."

De kruisvader gevoelde, dat het vertrouwen van den Muzelman hem wegens
zijn eigen wantrouwen beschaamd maakte.

"Bij het kruis van mijn zwaard", zeide hij, terwijl hij onder het
spreken de hand aan dit wapen sloeg, "ik wil een trouwe makker voor
u zijn, Sarraceen, zoolang ons lot wil, dat wij ons in elkanders
gezelschap bevinden."

"Bij Mahomed, den Profeet van God, en bij Allah, den God van den
Profeet", hervatte zijn voormalige vijand; "er woont geen verraad
tegen u in mijn hart. En nu laat ons naar gindsche fontein gaan,
want het uur der rust is daar, en de stroom had nauwelijks mijne
lippen aangeraakt, toen ik door uwe nadering ten strijd werd geroepen."

De ridder van den Liggenden Luipaard gaf zijne toestemming gaarne en
welwillend te kennen; en de beide mannen, die nog zoo kort geleden
vijanden geweest waren, reden zonder een toornigen blik of eenige
verdachte beweging naast elkander naar de kleine groep van palmboomen.



HOOFDSTUK II.


Tijden van gevaar hebben altijd in zekere mate hunne oogenblikken van
wederzijdsche welwillendheid en veiligheid; en dit was inzonderheid het
geval in de dagen van het leenstelsel, waarin de zeden den oorlog als
de voornaamste en waardigste bezigheid van het menschdom beschouwden,
terwijl de tusschenpoozen van vrede, of liever van wapenstilstand,
zeer aangenaam waren voor de krijgers, aan wie zij zelden gegund
werden, en te dierbaarder door de omstandigheden zelve, die ze zoo
kort van duur maakten. Het was de moeite niet waard, eene voortdurende
vijandschap tegen een vijand te behouden, met wien een krijgsman
heden gevochten had, en tegen wien hij den volgenden dag mogelijk
weder de doodelijke wapens zou voeren. De tijd en de omstandigheden
verschaften zoo veel gelegenheid om te voldoen aan hevige hartstochten,
dat mannen, wanneer zij niet bijzonder vijandig tegen elkander, of
door de herinnering aan persoonlijke beleedigingen verbitterd waren,
in gezelschap vroolijk de korte tusschenpoozen genoten van vreedzame
omgang, die een krijgshaftig leven toeliet.

Het verschil van godsdienst, en zelfs de dweepzieke ijver,
die de aanhangers van het Kruis en de Halve Maan tegen elkander
verbitterde, werd veel verzacht door een gevoel, zoo natuurlijk
aan edelmoedige strijders, en dat bijzonder door den geest van de
ridderschap aangewakkerd werd. Deze laatste machtige drijfveer had zich
geleidelijk van de Christenen tot hunne aartsvijanden: de Sarraceenen
in Spanje zoowel als in Palestina uitgebreid. De laatsten waren in
werkelijkheid niet meer die dwepende wilden, die uit het hart der
Arabische woestijnen waren gekomen, met het zwaard in de eene hand
en den Koran in de andere, om den dood of het Mahomedaansche geloof,
of ten minste slavernij en cijnsplicht te brengen aan allen, die
het waagden aan het geloof van den profeet van Mekka weerstand te
bieden. Deze keus was weliswaar aan de onkrijgshaftige Grieken en
Syriërs gelaten; maar in den strijd met de westersche Christenen,
die door een even vurigen ijver als zijzelven bezield waren, en een
even onverwinnelijken moed, eene even groote behendigheid en even
veel geluk in de wapenen bezaten, namen de Sarraceenen langzamerhand
een gedeelte van hunne zeden en inzonderheid van die ridderlijke
gebruiken over, die zoozeer berekend waren om het gemoed van een
trotsch en veroveringszuchtig volk te bekoren. Zij hadden hunne
toernooien en ridderspelen; zij hadden zelfs hunne ridders of een
daarmede overeenstemmenden rang; en bovenal hielden de Sarraceenen hun
gegeven woord met eene stiptheid, die somtijds hen, die een beteren
godsdienst beleden, had kunnen beschamen. Hunne wapenstilstanden,
hetzij tusschen natiën of individuen, werden getrouw in acht
genomen; en zoo gaf de oorlog, op zich zelf misschien de grootste der
rampen, toch gelegenheid tot het aan den dag leggen van goede trouw,
edelmoedigheid, goedertierenheid, en zelfs daden van vriendschap, die
minder vaak in rustige tijden voorkomen, daar de driften der menschen,
die onrecht lijden of een twist hebben, welke niet dadelijk beslist
kan worden, gewoonlijk lang voortsmeulen in den boezem van hen,
welke het ongeluk hebben hun prooi te worden.

Het was onder den invloed van deze milde gevoelens, die de gruwelen
des oorlogs lenigen, dat de Christen en de Sarraceen, die nog zoo kort
geleden getracht hadden, elkander te dooden, langzaam naar de fontein
der palmboomen reden, waarnaar de ridder van den Liggenden Luipaard
op weg geweest was, toen hij midden in zijn tocht door zijn vluggen
en gevaarlijken vijand was opgehouden. Elk van hen was gedurende
eenigen tijd met zijne eigen gedachten vervuld, en schepte adem na
eene ontmoeting, die gedreigd had voor een van beiden noodlottig te
worden, terwijl hunne goede paarden de rustpoos niet minder schenen
te genieten. Dat van den Sarraceen, ofschoon het zich sneller en over
een uitgestrekter terrein had moeten bewegen scheen evenwel minder van
de vermoeienis geleden te hebben, dan het ros van den Europeeschen
ridder. Dit dampte nog van 't zweet, terwijl de edele Arabier reeds
geheel gedroogd was in den korten tijd eener meer bedaarde beweging,
de vlekken schuim uitgezonderd, die nog aan zijn toom en zijn schabrak
zichtbaar waren. De zandgrond, dien het paard van den Christen betrad,
vermeerderde zijn leed door de zwaarte van zijn eigen uitrusting en
het gewicht van zijn ruiter zoo zeer, dat deze uit den zadel sprong,
en zijn ros langs de dikke laag stof van den verzengden bodem leidde,
die door de zon tot eene zelfstandigheid verbrand was, vluchtiger dan
het fijnste zand. Zoo gaf hij het getrouwe dier verlichting, tot zijn
eigen nadeel want in zijn ijzeren wapenrusting zonk hij bij iedere
schrede, die hij op een zoo lichte en weerstandlooze oppervlakte deed,
tot over zijne stalen schoenen daarin weg.

"Gij hebt gelijk", zeide de Sarraceen; en dit was het eerste woord,
dat een van beiden sedert het sluiten van den wapenstilstand gesproken
had--"uw sterk paard verdient uwe zorg; maar wat doet gij in de
woestijn met een dier, dat bij elken stap tot over de hoef wegzinkt,
alsof het elken voet zoo diep wilde planten als de wortel van een
dadelboom?"

"Dat is waar, Sarraceen", antwoordde de Christen-ridder, niet bijzonder
ingenomen met den toon, waarop de ongeloovige zijn geliefkoosd paard
beoordeelde--"het is waar, volgens uwe kennis en opmerking. Maar mijn
goed paard heeft mij vroeger in mijn vaderland over een even wijd meer
gedragen, als gij ginds achter ons uitgebreid ziet, en toch geen haar
boven zijn hoef nat gemaakt."

De Sarraceen zag hem zoo verbaasd aan, als de zeden zijns lands hem
veroorloofden te betoonen, daar deze slechts door een kleinen zweem van
een verachtelijken glimlach uitgedrukt werd, die nauwelijks merkbaar
den breeden, zwaren knevel, welke zijne bovenlip bedekte, deed bewegen.

"Men zegt zeer terecht," zeide hij, dadelijk zijn gewonen kalmen ernst
weder aannemende,--"luister naar een Frank, en gij hoort eene fabel."

"Gij zijt niet beleefd, ongeloovige", hervatte de kruisvaarder, "daar
gij twijfelt aan het woord van een man, die tot ridder geslagen is;
en zoo het niet was, dat gij uit onkunde en niet uit boosheid des
harten spraakt, dan zou onze wapenstilstand een einde nemen, eer deze
goed begonnen was. Meent gij, dat ik u een onwaarheid verhaal, wanneer
ik u zeg, dat ik, met een vijfhonderd ruiters in volle wapenrusting,
gereden heb--en dat wel verscheidene mijlen ver--op water zoo vast
als het kristal en tien mijlen minder broos?"

"Wat wilt gij mij wijsmaken?" antwoordde de Muzelman; "dit meer,
waarop gij wijst, heeft de eigenaardigheid, dat het wegens den
bijzonderen vloek van God niets in zijne wateren laat verzinken,
maar alles draagt en op zijn oever werpt; maar noch de Doode Zee,
noch een der zeven oceanen, die de aarde omringen, kunnen op hunne
oppervlakte de drukking van een paardenhoef verdragen, evenmin als
de Roode Zee den doortocht van Farao en zijne bende duldde."

"Gij spreekt de waarheid naar uwe kennis, Sarraceen," zeide de
Christen-ridder, "en toch, geloof mij, ik lieg niet naar de mijne. De
hitte maakt in dit klimaat den bodem even onvast als water; en in
mijn land maakt de koude dikwijls alles zoo hard als eene rots. Laat
ons hierover niet langer spreken; want de gedachten aan den kalmen,
helderen, blauwen weerschijn van een wintermeer, dat bij 't licht
van maan en sterren schemert, verhoogt 't verschrikkelijke van deze
brandende woestijn, waar, dunkt mij, de lucht zelve, die wij inademen,
gelijkt aan den damp van een zeven maal verhitten smeltoven."

De Sarraceen zag hem met eenige oplettendheid aan, alsof hij ontdekken
wilde, in welken zin hij woorden moest opvatten, die voor hem òf iets
geheimzinnigs moesten bevatten òf een bedrog. Eindelijk scheen hij
het met zichzelven eens te zijn, op welke wijze hij de taal van zijn
nieuwen makker moest opvatten.

"Gij behoort," zeide hij, "tot een volk, dat van scherts houdt, en
gij drijft den spot met u zelven en met anderen, door te verhalen
wat onmogelijk is, en te vertellen wat nooit gebeurd is. Gij zijt een
der ridders van Frankrijk, die het voor een genoegen en tijdverdrijf
houden, om heldendaden te verhalen, die boven menschelijke macht
verheven zijn. Ik zou ongelijk hebben, als ik u thans voor die
woorden ter verantwoording riep, daar het schertsen u meer eigen is
dan de waarheid."

"Ik ben noch uit het land noch handel naar hunne gewoonte," antwoordde
de ridder, "van hen, die, zooals gij terecht aangemerkt hebt, schertsen
over hetgeen zij niet kunnen volvoeren. Maar hierin heb ik hunne
dwaasheid nagevolgd, dappere Sarraceen, dat door met u over dingen
te spreken, die gij niet kunt verstaan, ik zelfs door het spreken der
zuiverste waarheid het karakter van een pocher in uwe oogen verkregen
heb; laat in dien zin, bid ik u, mijn woorden gelden."

Zij waren thans aan de groep palmboomen gekomen en de fontein, die
in hunne schaduw in overvloed opwelde.

Wij hebben van een oogenblik wapenstilstand in het midden van den
oorlog gesproken; en dit, een liefelijke plek te midden van eene
onvruchtbare woestijn, was niet minder dierbaar aan de verbeelding. Het
was een tooneel, dat misschien elders weinig de aandacht zou getrokken
hebben; maar als de eenige plek op eene onafzienbare vlakte, die
de verfrissching van schaduw en versch water aanbood, maakten deze
zegeningen, welke daar, waar zij algemeen zijn, op geringen prijs
gesteld worden, de fontein en hare nabijheid tot een klein paradijs. De
eene of andere milde of liefderijke hand had, vóór dat de noodlottige
dagen voor Palestina begonnen, de fontein met een muur en een gewelf
beschut, om te beletten, dat zij door de aarde ingezogen of onder de
dichte wolken stof, waarmede het minste windje de woestijn bedekte,
bedolven werd. Het gewelf was thans gebroken en gedeeltelijk vervallen;
nochtans stak het er nog zoo ver over heen, dat het de zon voor een
groot gedeelte van het water der fontein afhield, dat, nauwelijks
door een enkelen straal beschenen, terwijl alles rondom gloeide, in
eene gestadige rust lag, die even aangenaam was voor 't oog als voor
't gemoed. Dit water, van onder het gewelf wegkabbelende, werd eerst
door een marmeren bekken opgevangen, dat wel is waar zeer verminkt
was, maar toch het oog nog liefelijk aandeed omdat het bewees, dat die
plaats in oude tijden als eene rustplaats beschouwd werd, dat de hand
der menschen hier geweest was, en dat men hier eenigermate aan het
genot van den mensch had gedacht. De dorstige en vermoeide reiziger
werd door deze blijken herinnerd, dat andere soortgelijke moeilijkheden
doorstaan, op dezelfde plaats gerust, en zonder twijfel hun weg veilig
naar eene vruchtbaarder landstreek gevonden hadden. Voorts diende
de kleine, nauwelijks zichtbare stroom, die uit het bekken vloeide,
om de weinige boomen te voeden, die de fontein omringden, en de plek,
waar zij in den grond zonk en verdween, vertoonde zich als een tapijt
van fluweelachtig groen.

Op deze bekoorlijke plaats hielden de twee krijgslieden stil, en
ieder ging naar eigen wijze te werk om zijn paard van zadel, gebit
en teugels te ontdoen; zij lieten de dieren bij het bekken drinken,
eer zij zich zelven uit de hoofdbron, die onder het gewelf ontsproot,
verfrischten. Zij lieten toen de paarden losloopen, overtuigd, dat
hun eigen belang en hunne gewoonten hen zouden verhinderen, om zich
van het zuivere water en het versche gras te verwijderen.

De Christen en de Sarraceen plaatsten zich vervolgens te zamen op het
gras, en haalden ieder den kleinen voorraad mondkost voor den dag, die
zij ter hunner verkwikking bij zich voerden. Eer zij echter hun matigen
maaltijd aanvingen, zagen zij elkander aan met die nieuwsgierigheid,
welke de felle en onbesliste strijd, dien zij zoo kort gelegen met
elkander gehad hadden, berekend was in te boezemen. Elk van hen was
begeerig om de kracht van een zoo geduchten tegenpartij te meten,
en zijn karakter te schatten, en elk was gedwongen te erkennen, dat,
zoo hij in den strijd bezweken ware, het door eene edele hand zou
geweest zijn.

De kampioenen vormden een in het oog vallend contrast in voorkomen en
gelaatstrekken, en hadden zeer geschikt hunne verschillende natiën
kunnen vertegenwoordigen. De Frank scheen een sterk man, naar den
ouden Gotischen vorm gebouwd, met bruin haar, dat, toen hij den helm
afzette, in dichte weelderige lokken zijn hoofd bedekte. Zijn gelaat
had door het heete klimaat een veel donkerder kleur gekregen, dan die
deelen van zijn hals, welke minder waren blootgesteld, of zijn vol,
open, blauw oog, de kleur van zijn haar en van de knevels, die zijne
bovenlip overschaduwden, terwijl zijne kin naar Normandisch gebruik
met zorg geschoren was, deden vermoeden. Zijne welgevormde neus was
van Griekschen vorm; zijn mond een weinig groot in evenredigheid,
maar vol van regelmatige sterke en schoone witte tanden; zijn hoofd
was klein en rustte bevallig op den hals. Zijn ouderdom kon niet boven
de dertig jaren zijn; maar zoo men de uitwerkselen van vermoeienis en
luchtgestel in aanmerking nam, was hij zeker wel drie of vier jaren
beneden dien leeftijd. Zijne gestalte was lang, sterk en gespierd,
gelijk die van een man, wiens kracht later in jaren gezet kon worden,
maar tot nog toe met lichtheid en vlugheid gepaard ging. Zijne handen
bleken, nadat hij zijne stalen handschoenen had uitgetrokken, lang,
schoon en goed geëvenredigd te zijn; en de armen zelven waren bijzonder
welgemaakt en gespierd. Eene krijgshaftige stoutheid en zorgelooze
vrijheid van uitdrukking onderscheidden zijne taal en bewegingen;
en zijne stem was die van een man, die meer gewoon was om te bevelen
dan te gehoorzamen, en zijne gevoelens luid en stout placht uit te
spreken, zoodra hij daartoe geroepen werd.

De Sarraceensche emir stak in het oog vallende af bij den Westerschen
kruisvaarder. Zijne gestalte, weliswaar boven de middelmatige lengte,
was minstens drie duim kleiner dan de Europeaan, wiens grootte aan
het reusachtige grensde. Zijne ranke leden en lange magere handen en
armen, ofschoon zij wel aan zijn persoon geëvenredigd waren en met den
vorm van zijn gelaat overeenstemden, schenen bij den eersten oogopslag
niet de veerkracht en sterkte aan te duiden, die hij zoo kort geleden
aan den dag gelegd had. Maar als men hem meer van nabij beschouwde,
bespeurde men dat zijne ledematen, waar die te voorschijn kwamen,
als het waren vleeschloos waren, zoodat er niets dan been en zenuwen
waren overgebleven. Zijne gestalte scheen veel meer voor beweging en
vermoeienis bestemd dan die van zijn kolossalen tegenstander, wiens
kracht en grootte een tegenwicht in zijne zwaarte hadden, en die door
zijne eigen bewegingen uitgeput werd. Het gelaat van den Sarraceen had
natuurlijk eene algemeene nationale gelijkenis met het Oostersche volk,
waarvan hij afstamde, en week in de hoogste mate af van de overdreven
schilderingen, welke de minnezangers van dien tijd gewoonlijk van de
ongeloovige strijders maakten en de fabelachtige afbeeldingen, die
eene daarmede verwantschapte kunst nog op uithangborden van herbergen
vertoont. Zijn gelaat was klein, welgemaakt en fijn gesneden, ofschoon
zeer verzengd door de Oostersche zon, en eindigde in een golvenden en
gekrulden baard waarvoor bijzondere zorg scheen te worden gedragen. De
neus was recht en regelmatig, de oogen scherp, diep in het hoofd
liggende, zwart en fonkelend, terwijl zijne tanden het ivoor van zijne
woestijnen in witheid evenaarden. Kortom, de persoon en gestalte van
den Sarraceen, op de zoden naast zijn krachtigen vijand uitgestrekt,
had kunnen vergeleken worden bij zijn glinsterende en halvemaansgewijze
gevormde sabel, met haar smallen en lichten, maar blanken en scherpen
Damascener kling, tegen het lange en zware Gotische zwaard, dat
ontbloot op hetzelfde gras lag. De emir was in den bloei des levens,
en zou misschien bij uitstek schoon genoemd mogen worden, ware zijn
voorhoofd niet zoo smal en zijn gelaatstrekken te dun en te scherp,
tenminste voor de Europeesche wijze om de schoonheid te beoordeelen.

De manieren van den Oosterschen krijgsman waren ernstig, bevallig
en wellevend; zij vertoonden evenwel in eenige bijzonderheden de
gewone terughouding, die menschen van een warm en driftig karakter
dikwijls als eene wacht over hunne aangeborene heftigheid bezigen,
en tegelijk een gevoel van zijn eigen waardigheid, die hem eene zekere
plechtigheid van gedrag oplegde.

Dit trotsch gevoel van meerderheid koesterde misschien evenzeer zijn
nieuwe Europeesche bekende, maar de uitwerking was verschillend;
en hetzelfde gevoel, dat den Christen ridder een stout, driest en
eenigszins onachtzaam gedrag deed aannemen, als een man, die te wel
bewust was van zijn eigen gewicht om zich om de meening van anderen te
bekreunen, scheen den Sarraceen eene beleefdheid voor te schrijven, die
meer bestudeerd was en aan de vormen gehecht. Beide waren wellevend;
maar de beleefdheid van den Christen scheen eer voort te vloeien
uit een goedhartig gevoel van hetgeen hij anderen verschuldigd was;
die van den Muzelman uit eene hooge bewustheid van hetgeen men van
hem verwachten kon.

De mondkost, dien ieder met zich voerde, was eenvoudig, maar de
maaltijd van den Sarraceen was zeer matig. Een hand vol dadels en een
stug grof gersten brood was tot stilling van zijn honger voldoende,
daar zijne opvoeding hem gewend had aan de kost van de woestijn,
ofschoon de eenvoud der Arabieren, sedert hunne Syrische veroveringen,
dikwijls plaats maakte voor de meest onbeteugelde verkwistingen der
weelde. Eenige teugen uit de liefelijke fontein, waarnaast zij rustten,
voltooiden zijn maaltijd. Die van den Christen was, ofschoon niet
fijn, toch smakelijker. Gedroogd varkensvleesch, de afschrik van den
Muzelman, vormde het hoofdbestanddeel; en zijn drank, die uit eene
lederen flesch kwam, bestond uit iets beters dan zuiver water. Hij
at met meer eetlust en dronk met schijnbaar grooter genot, dan de
Sarraceen gepast vond bij het volbrengen van een bloot lichamelijke
verrichting aan den dag te leggen; en zonder twijfel werd de geheime
minachting, die de een jegens den ander koesterde, als de lijder
van een valschen godsdienst, in hooge mate vermeerderd door het in
het oog vallend verschil van hunne spijzen en zeden. Maar elk had de
kracht van den arm zijns tegenstanders gevoeld, en de wederkeerige
achting, welke die stoute kampstrijd teweeg gebracht had, was genoeg
om andere en mindere beweegredenen te doen zwichten. Nochtans kon de
Sarraceen niet nalaten over de omstandigheden na te denken, die hem
in het gedrag en de zeden van den Christen mishaagden; en nadat hij
gedurende eenigen tijd in stilte getuige was geweest van den sterken
eetlust, die den maaltijd van den ridder nog deed voortduren, toen
de zijne reeds lang afgeloopen was, sprak hij hem aldus aan:

"Dappere Nazareër, betaamt het, dat iemand, die als een man kan
vechten, zich voedt als een hond of wolf? Zelfs een ongeloovige Jood
zou ijzen voor het voedsel, dat gij eet, alsof het eenen vrucht der
boomen van het paradijs geweest ware."

"Dappere Sarraceen", antwoordde de Christen, met eenige verbazing
over de zoo onverwachts geuite beschuldiging opziende, "verneem, dat
ik mijne Christelijke vrijheid gebruik, door datgene te nuttigen, wat
den Joden verboden is, daar zij zich naar hun eigen oordeel nog onder
de slavernij van de Mozaïsche wet bevinden. Wij christenen, moet gij
weten, hebben een beteren borg voor hetgeen wij doen--Ave Maria!--laat
ons dankbaar daarvoor zijn." En als wilde hij de bedenkingen van
zijn metgezel trotseeren, besloot hij een kort Latijnsch dankgebed
met eene lange teug uit de lederen flesch.

"Ook dat noemt gij een gedeelte uwer vrijheid", zeide de Sarraceen;
"en daar gij als de dieren eet, verlaagt gij u tot den dierlijken
toestand door te drinken wat deze zelfs weigeren."

"Leer, dwaze Sarraceen," hervatte de Christen zonder aarzelen,
"dat gij de gaven Gods lastert, zelfs met de lastertaal van uw vader
Ismaël. Het druivensap is aan hem, die het met verstand gebruikt,
gegeven, om het hart des menschen na den arbeid te verheugen, hem in
ziekte te verfrisschen, en in de smart te troosten. Hij, die het zóó
geniet, kan God voor zijn beker wijn danken even goed als voor zijn
dagelijksch brood; en hij, die het geschenk des hemels misbruikt,
is geen grooter dwaas in zijne dronkenschap dan gij in uwe onthouding."

Het scherpe oog van den Sarraceen fonkelde bij dezen bitteren uitval,
en zijne hand zocht naar de greep van zijn dolk. Het was echter maar
eene voorbijgaande gedachte, die verdween bij de herinnering aan den
sterken kampioen, met wien hij te doen had, en den wanhopenden strijd,
waarvan zijne leden nog sidderden en zijne aders nog gezwollen waren;
en hij vergenoegde zich om den twist met woorden voort te zetten,
als beter voor de tijdsomstandigheden geschikt.

"Uwe woorden, Nazareër," zeide hij, "zouden den toorn kunnen doen
ontsteken, indien uwe onkunde geen medelijden wekte.--Ziet gij niet,
gij, die blinder zijt dan iemand die aan de deur van de Moskee om
eene aalmoes vraagt, dat de vrijheid, waarop gij u beroemt, zelfs in
datgene beperkt is, wat voor het geluk van den man en zijne huishouding
het dierbaarste is; en dat uwe wet, zoo gij die in acht neemt, u bij
het huwelijk aan eene eenige gade verbindt, zij moge ziek of gezond,
vruchtbaar of onvruchtbaar zijn, troost en vreugde, of twist en
geschreeuw aan uwe tafel en in uw bed brengen? Dit, Nazareër, noem
ik inderdaad slavernij; terwijl de profeet aan de geloovigen op aarde
de aartsvaderlijke voorrechten van onzen vader Abraham en van Salomo,
den wijsten der menschen, heeft vergund, daar hij ons hier eene reeks
van schoonheden naar ons welbehagen en aan de overzijde van het graf
de zwartoogige houris van het paradijs heeft gegeven."

"Nu, bij den naam van Hem, dien ik het meest vereer in den Hemel en bij
dien van haar, die ik het meest aanbid op aarde," riep de Christen uit,
"gij zijt niets dan een verblinde en verwilderde ongeloovige.--Dien
diamanten zegelring, dien gij aan uw vinger draagt, acht gij zeker
van onschatbare waarde?"

"Balsora en Bagdad kunnen zijn gelijke niet aanwijzen," antwoordde
de Sarraceen; "maar wat heeft dit te maken met het onderwerp van
ons gesprek?"

"Veel", hervatte de Frank, "zooals gij zelf zult erkennen. Neem mijn
heerbijl, en sla den steen in twintig schilfers;--zou ieder stuk even
veel waard zijn als het oorspronkelijke edelgesteente, of zouden zij,
allen te zamen genomen, het tiende gedeelte van zijn prijs opbrengen?"

"Dat is een kinderachtige eisch", hernam de Sarraceen; "de stukken
van zulk een steen zouden het geheele juweel niet in de evenredigheid
van een tegen honderd evenaren."

"Sarraceen", antwoordde de Christen krijgsman, "de liefde, welke den
ridder aan slechts ééne schoone getrouw verbindt, is het geheele
edelgesteente; de neiging, die gij onder uwe slaafsche vrouwen en
half-gehuwde slavinnen verdeelt, is in vergelijking evenzoo zonder
waarde, als de fonkelende schilfers van het edelgesteente."

"Nu, bij de heilige Kaaba", zeide de emir, "gij zijt een zinnelooze,
die zijne ijzeren keten even lief heeft, alsof die van goud ware! Zie
nauwkeurig toe. Deze ring van mij zou de helft zijner schoonheid
verliezen, zoo niet de hoofdsteen door deze kleinere brillanten
omgeven was, die hem versieren en doen uitkomen. De middelste diamant
is de man, vast en geheel, wiens aarde in hem zelf alleen, berust;
en deze kring van kleinere juweelen zijn de vrouwen, die aan den
eersten haar glans ontleenen, dien hij haar toedeelt, zooals het
meest met zijn welbehagen of gemak overeenstemt. Neem den middelsten
steen uit den zegelring, en de diamant behoudt dezelfde waarde als te
voren, terwijl de mindere edelgesteenten in verhouding van geringe
waarde zijn. En dit is de ware zin van uw gelijkenis; want wat zegt
de dichter Monsoer: "het is de gunst van den man, welke de vrouw
schoonheid en bevalligheid verleent, evenals de stroom niet langer
glinstert, wanneer de zon ophoudt te schijnen."

"Sarraceen", antwoordde de kruisvaarder, "gij spreekt als een man,
die nooit een vrouw zag, welke de achting van een krijgsman waardig
was. Geloof mij, kondet gij de Europeesche vrouwen zien, aan wie wij
ridders naast den Hemel onze trouw en genegenheid wijden, dan zoudt
gij voor eeuwig een afkeer krijgen van de arme, zinnelijke slavinnen,
die uw harem uitmaken. De schoonheid onzer jonkvrouwen maakt onze
lans puntig en onze zwaarden scherp; hare woorden zijn onze wet; en
even spoedig zal eene lamp licht geven, wanneer zij onaangestoken is,
als een ridder zich door wapenfeiten zal onderscheiden, die geene
geliefde des harten heeft."

"Ik heb van deze onzinnigheid der Westersche krijgslieden hooren
spreken", zeide de emir, "en die altijd als een der teekenen van
de zinneloosheid beschouwd, welke u hierheen voert om bezit van
een ledig graf te willen nemen. Maar mij dunkt, de Franken, die ik
ontmoette, hebben de schoonheid hunner vrouwen zoozeer verheven, dat
ik wel eens lust zou hebben, om met eigen oogen die bekoorlijkheden
te aanschouwen, welke dappere krijgslieden in speelballen van haar
wil kunnen veranderen."

"Dappere Sarraceen", hervatte de ridder, "zoo ik niet op eene bedevaart
naar het heilige Graf was, zou ik er trotsch op zijn om u, onder
voorwaarde van uwe veiligheid, naar de legerplaats van Richard van
Engeland te geleiden, daar niemand beter dan hij een edelen vijand
weet te vereeren; en ofschoon ik arm en zonder gevolg ben, heb ik
toch aanzien genoeg om u en allen, die gij mocht verkiezen, niet
alleen veiligheid, maar zelfs achting en eerbied te verzekeren. Daar
zoudt gij verscheidene van de grootste schoonheden van Frankrijk
en Brittannië een kleinen kring zien vormen, waarvan de glans tien
duizend malen dien van mijnen van diamanten, zooals de uwe, overtreft."

"Nu, bij den hoeksteen van de Kaaba!" riep de Sarraceen, "ik wil de
uitnoodiging even oprecht aannemen als die aangeboden is, zoo gij
uw tegenwoordig voornemen uitstellen wilt; en geloof mij, dappere
Nazareër, het ware beter voor u om den kop van uw paard naar de
legerplaats van uw volk te wenden; want zonder paspoort naar Jeruzalem
te reizen, heet uw leven moedwillig prijs geven."

"Ik heb een paspoort", antwoordde de ridder, een perkament voor den
dag halende, "met Saladin's hand en zegel."

De Sarraceen boog zijn hoofd in het stof, toen hij het zegel en het
handschrift van den beroemden Sultan van Egypte en Syrië herkende;
en na het papier met diepen eerbied gekust te hebben, drukte hij
het tegen zijn voorhoofd en gaf het daarop aan den Christen terug,
terwijl hij zeide: "onbezonnen Frank, gij hebt tegen uw en mijn bloed
gezondigd, omdat gij mij dit niet terstond bij onze eerste ontmoeting
getoond hebt."

"Gij kwaamt met opgeheven speer", antwoordde de ridder; "zoo een
troep Sarraceenen mij op deze wijze aangevallen had, dan ware het met
mijne eer bestaanbaar geweest, om den pas van den Sultan te vertoonen,
maar nooit aan een enkel man."

"En toch was één man voldoende, om uwe reis af te breken", zeide de
Sarraceen trotsch.

"Dat is waar, dappere Muzelman", hervatte de Christen: "maar er zijn
er weinigen als gij. Zulke valken vliegen niet in troepen, of, zoo
zij dit al doen, storten zij niet in grooten getale op één alleen."

"Gij doet ons slechts recht wedervaren", hernam de Sarraceen,
die, gelijk men duidelijk bemerken kon, evenzeer over de vleiende
aanmerking verheugd was, als hij beleedigd was door de minachting,
die in de vroegere grootspraak van den Europeaan lag opgesloten,
"van ons zoudt gij geen onrecht te lijden gehad hebben; maar het
is gelukkig voor mij, dat ik u niet heb gedood, terwijl gij een
vrijgeleide van den Koning der Koningen bij u hebt. Zeker had de
strop of het zwaard terecht zulk eene misdaad gewroken."

"Ik ben verheugd te hooren, dat het stuk mij van nut zal zijn,"
zeide de ridder; "want ik heb vernomen, dat de weg door rooverbenden
onveilig wordt gemaakt, die zich om niets bekommeren, wanneer zij
maar gelegenheid vinden tot plundering."

"Men heeft u de waarheid gezegd, dappere Christen," hernam de
Sarraceen; "maar ik zweer u bij den tulband van den profeet, dat,
zoo gij in eene schuilplaats van zulke schurken mocht vallen,
ik zelf met vijfduizend ruiters uwe wraak op mij nemen wil. Ik
zal ieder man van hunne bende verslaan, en hunne vrouwen in eene
zoo verafgelegen gevangenschap zenden, dat de naam van hun stam
nooit weder op vijfhonderd mijlen afstands van Damascus zal vernomen
worden. Ik wil zout op den grond van hun dorp zaaien, en er zal van
dat oogenblik af geen levend mensch meer wonen."

"Liever wilde ik, dat de moeite, die gij u wilt geven, edele emir,
een ander moest wreken dan mij," hervatte de ridder; "maar mijne
gelofte staat in den hemel aangeteekend, of ik ze vervullen kan of
niet, en gij zult mij verplichten, met mij den weg te wijzen naar
mijne rustplaats voor dezen nacht."

"Deze zult gij onder de zwarte bedekking van de tent mijns vaders
vinden", zeide de Sarraceen.

"Dezen nacht," antwoordde de Christen, "moet ik onder gebed en boete
doorbrengen bij een heilig man, Theodorik van Engaddi, die in deze
wildernissen woont, en zijn leven doorbrengt in den dienst van God."

"Ik wil zelf zorgen dat gij veilig aldaar aankomt," zeide de Sarraceen.

"Dat zou mij een aangenaam geleide zijn," antwoordde de Christen;
"intusschen kon dit de veiligheid van den goeden vader voor het
toekomstige in gevaar brengen; want de wreede hand van uw volk
is gekleurd geworden met het bloed van de dienaren des Heeren, en
daarom komen wij herwaarts in harnas en staal met zwaard en lans, om
den weg naar het Heilige Graf te openen, en de uitverkoren heiligen
en kluizenaars te beschermen, die nog in dit land van belofte en
wonderen wonen."

"Nazareër," zeide de Muzelman, "in dit opzicht hebben de Grieken
en Syriërs ons misschien belasterd; want wij handelen naar het
woord van Aboebeker Alwakel, den opvolger van den profeet, en
na hem den eersten beheerscher der geloovigen. "Ga", zeide hij,
"Yezed Ben Sophian", toen hij dezen beroemden veldheer afzond, om
den ongeloovigen Syrië te ontnemen, "gedraagt u als dappere mannen
in den slag, maar doodt noch de ouden, noch de zwakken, noch de
vrouwen, noch de kinderen. Verwoest het land niet, en vernielt het
koren en de vruchtboomen niet, want dit zijn gaven van Allah. Houdt
uw woord, wanneer gij een verdrag gesloten hebt, al is het ook tot
uw nadeel. Zoo gij heilige mannen vindt, met hunne handen werkende,
en God in de woestijn dienende, doet hun dan geen leed, en vernietigt
hunne verblijven niet. Maar als gij hen vindt met geschoren kruinen,
dan zijn zij van de synagoge van satan! Houwt met de sabel, moordt,
en houdt niet op, voor dat zij geloovig en cijnsbaar worden." Zoo als
de Kalif, de metgezel van den profeet ons bevolen heeft, zoo hebben wij
gedaan, en zij, die onze gerechtigheid verslagen heeft, zijn slechts
priesters van satan. Maar voor de brave mannen, die, zonder volk tegen
volk op te ruien, oprecht in het geloof, Issa Ben Mariam aanbidden,
zijn wij eene schaduw en een schild; en zoo de man, dien gij zoekt,
een zoodanige is, zal hij, ofschoon het licht van den profeet hem niet
bereikt heeft, van mij slechts liefde, gunst en waardeering genieten."

"De kluizenaar, dien ik thans bezoeken wil," zeide de krijgshaftige
pelgrim, "is, naar ik gehoord heb, geen priester; maar behoorde hij
tot dien gezalfden en gewijden stand, dan zou ik met mijne goede lans
tegen Heidenen en ongeloovigen bewijzen...."

"Laat ons elkander niet uitdagen, broeder", viel de Sarraceen hem in
de rede; "wij zullen beiden, Franken en Muzelmannen, genoeg vinden,
om ons zwaard en lans tegen hen te beproeven. Deze Theodorik wordt
door Turk en Arabier beschermd; en ofschoon hij bij tusschenpoozen
zich in een zonderlingen toestand bevindt, gedraagt hij zich echter
over het algemeen zoo geheel als de volgeling van zijn eigen profeet,
dat hij de bescherming van dengenen verdient, die gezonden werd...."

"Nu, bij onze Lieve Vrouw, zoo gij in denzelfden adem den kameeldrijver
van Mekka durft noemen met...."

Een electrische schok van drift door het lichaam van den Emir;
maar deze was slechts voorbijgaande, en de kalmte van zijn antwoord
getuigde van waardigheid en gezond verstand, daar hij zeide: "laster
den man niet, dien gij niet kent, te meer daar wij den stichter van uw
Godsdienst vereeren, terwijl wij de leer, die uwe priesters daaruit
gesponnen hebben, veroordeelen. Ik zal u zelf naar de grot van den
kluizenaar geleiden, dien gij zonder mijne hulp waarschijnlijk zeer
moeilijk zoudt kunnen vinden. En op den weg daarheen zullen wij het
aan de mollahs en monniken overlaten, om over de goddelijkheid van
ons geloof te twisten, en liever over onderwerpen spreken, die aan
jeugdige krijgslieden betamen, over stoute gevechten, schoone vrouwen,
scherpe zwaarden en schitterende wapenrustingen!"



HOOFDSTUK III.


Na de korte rust en eenvoudige verversching stonden de krijgers op,
en boden elkander vriendelijk de hulpzame hand, terwijl zij hunne
trouwe rossen het tuig, waarvan zij hen voor dien tijd verlicht
hadden, weder oplegden. Elk van hen scheen ten volle vertrouwd met
eene handeling, welke in dien tijd een deel van een noodzakelijken, ja
onvermijdelijken plicht was. Ieder scheen ook, voor zoover het verschil
tusschen het redelijk en onredelijk schepsel toeliet, het vertrouwen en
de genegenheid van het paard te genieten, dat de bestendige metgezel
van zijne reizen en oorlogsdaden was. Bij den Sarraceen vormde deze
gemeenzaamheid een deel van zijne vroegtijdige gewoonten; want bij de
Oostersche oorlogzuchtige stammen staat het paard van den krijgsman het
naast en bijna gelijk in waarde met zijne vrouw en zijn huisgezin; en
voor den Europeeschen held maakten de omstandigheden en de nood zijn
strijdros hem nauwelijks minder dierbaar dan zijn wapenbroeder. De
paarden lieten zich dan ook rustig van hun voeder en hunne vrijheid
afroepen, en brieschten en snoven liefdelijk om hunne meesters,
terwijl deze hen tot den verderen tocht en volgende moeielijkheden
uitrustten. Ieder krijger zag onder het volbrengen van zijne eigen
taak of het welwillend helpen van zijn metgezel, met opmerkzame
nieuwsgierigheid naar hetgeen zijn reisgenoot deed, en merkte vooral
op hetgeen hem in de wijze van optooming van deze hem vreemd voorkwam.

Eer zij weder opstegen, om hunne reis te hervatten, bevochtigde zich
nogmaals de Christen ridder, dompelde zijne handen in de springende
fontein, en zeide tot zijn ongeloovigen reisgenoot: "ik wenschte wel
den naam van deze heerlijke fontein te weten, om dien in mijn dankbaar
geheugen te bewaren; want nooit heeft water op aangenamer wijze een
meer brandenden dorst gelescht, dan ik heden ondervonden heb."

"Zij heet in het Arabisch de Diamant van de woestijn", antwoordde
de Sarraceen.

"En terecht draagt zij dezen naam", hervatte de Christen. "De vallei,
waarin ik geboren werd heeft duizend bronnen, maar aan geene zal ik
zulke kostbare herinneringen hechten als aan dezen eenzamen put, die
zijn vochtigen schat dáár schenkt, waar die niet slechts aangenaam
maar bijna onmisbaar is."

"Gij spreekt de waarheid", hernam de Sarraceen; "want op gindsche
zee des doods ligt nog de vloek, en mensch noch dier drinkt van hare
wateren noch van die der rivier, die haar voedt, zonder ze te vullen,
totdat hij deze onherbergzame woestijn is doorgetrokken."

Zij stegen te paard en vervolgden hunne reis door de zandwoestijn. De
middaghitte was thans voorbij, en een zoel windje verlichtte de
verschrikking der woestijn een weinig, ofschoon niet zonder op zijne
vleugelen een vluchtig stof mede te brengen, waarom de Sarraceen zich
weinig bekreunde, terwijl zijn zwaar gewapende reismakker het zoo
lastig vond, dat hij zijn ijzeren helm aan den knop van zijn zadel
hing, en in plaats daarvan de lichte rijmuts opzette, die in de taal
van dien tijd mortier genoemd werd wegens hare gelijkenis met den
vorm van een gewonen vijzel. Zij reden eenigen tijd zwijgend naast
elkander, terwijl de Sarraceen de taak van aanvoerder en wegwijzer
waarnam door op kleine kenteekens en de vormen der verafgelegene
rotsen te letten die zij allengs naderden. Eene poos lang scheen
hij in die taak verdiept te zijn, even als een loods, die een schip
door een gevaarlijk kanaal stuurt; maar zij waren nog geene halve
mijl voortgetrokken, toen hij zeker was van zijn weg, en meer bereid
scheen om een gesprek aan te vangen, dan dit eigen is aan zijn volk.

"Gij hebt", zeide hij, "naar den naam eener onbezielde fontein
gevraagd, die het voorkomen, maar niet de werkelijkheid van een
levend schepsel heeft. Vergun mij nu naar den naam van den makker
te vragen, dien ik heden zoowel in gevaar als in rust gevonden heb,
en dien ik zelfs in de woestijnen van Palestina niet kan gelooven
onbekend te zijn?"

"Die naam is nog niet waard bekend gemaakt te worden", antwoordde
de Christen. "Verneem echter, dat ik onder de soldaten van het
kruis Kenneth genoemd wordt, Kenneth van den Liggenden Luipaard;
in mijn vaderland heb ik nog andere titels; maar deze zouden in uwe
Oostersche ooren hard klinken. Dappere Sarraceen, laat ik u vragen,
welke Arabische stam op uwe afkomst roemen kan, en onder welken naam
gij bekend zijt?"

"Ridder Kenneth", hernam de Muzelman, "het verheugt mij, dat uw naam
van dien is, dat mijne lippen dien gemakkelijk kunnen uitspreken. Wat
mij betreft, ik ben geen Arabier, maar stam toch af van een niet
minder woest en krijgshaftig geslacht. Verneem, heer ridder van
den Luipaard, dat ik Sheerkohf, de Leeuw van den Berg heet, en dat
Kurdistan, van waar ik geboortig ben, geen geslacht voor edeler houdt
dan dat van Seljook."

"Ik heb gehoord", antwoordde de Christen, "dat uw groote Sultan uit
hetzelfde bloed gesproten is."

"Gedankt zij de profeet, dat hij in zoover onze bergen vereerd heeft,
om uit hun midden hem te zenden, wiens woord de zege is," hernam de
Paynim. "Ik ben slechts een worm voor den Koning van Egypte en Syrië,
en echter vermag mijn naam nog al iets in mijn land.--Vreemdeling,
met hoe veel man zijt gij naar dezen oorlog getrokken?"

"Op mijn woord," antwoordde sir Kenneth, "met de hulp van vrienden
en bloedverwanten, bracht ik nauwelijks met groote moeite tien
wel geoefende lansdragers en omstreeks vijftig man meer bijeen,
boogschutters en knechten inbegrepen. Sommigen hebben mijn vaandel
verlaten--anderen zijn in den slag gesneuveld--verscheidenen zijn aan
ziekten gestorven--en een getrouwe schildknaap, voor wiens leven ik
thans dezen tocht aanvaardde, ligt op het ziekbed uitgestrekt."

"Christen", zeide Sheerkohf, "ik heb hier vijf pijlen in mijn
pijlkoker, ieder met arendsveeren voorzien. Wanneer ik eene van deze
naar mijne tenten zend, stijgen duizend krijgers te paard--wanneer
ik eene tweede afzend, zal er eene gelijke macht opdagen--met die
vijf kan ik vijfduizend man bijeenbrengen; en wanneer ik mijn boog
zend, dan zullen tienduizend wel bereden ruiters de woestijn doen
trillen. En met uwe vijftig volgelingen zijt gij gekomen, om een land
aan te vallen, waarin ik een der geringsten ben!"

"Nu, bij het heilige Kruis, Sarraceen", hervatte de Westersche
krijgsman, "gij moest weten, eer gij u beroemt, dat een stalen
handschoen eene geheele handvol paardenvliegen kan verpletteren."

"Ja, maar hij moet die eerst binnen zijn bereik hebben", hernam
de Sarraceen met een glimlach, die hun nieuw verbond had kunnen in
gevaar brengen, zoo hij niet van onderwerp ware veranderd door er
bij te voegen: "en wordt de dapperheid onder de Christen vorsten zoo
zeer op prijs gesteld, dat gij, zoo arm aan vermogen en manschappen,
u zoo straks tot mijn beschermer in het kamp uwer broederen durfdet
aanbieden?"

"Weet, Sarraceen", zeide de Christen, "daar gij een man van zooveel
aanzien zijt, dat de naam eens ridders, en het bloed van een edelman,
hem het recht geven, om zich zelfs met vorsten van den eersten rang
op gelijken voet te plaatsen in alles, wat het koninklijke gezag en
gebied niet betreft. Zoo Richard van Engeland zelf de eer van een arm
ridder als ik kwetste, kon hij, volgens de wetten der ridderschap,
mij het tweegevecht niet weigeren."

"Ik zou wel eens zulk een zonderling tooneel willen zien", antwoordde
de emir, "waarin een lederen gordel en een paar sporen den armste
met den machtigste gelijk maken."

"Gij moet er bijvoegen edel bloed en een onversaagd hart", zeide de
Christen; "en dan zult gij misschien geen onwaarheid gezegd hebben."

"En mengt gij u even zoo stout onder de vrouwen van uwe vorsten en
aanvoerders?" vroeg de Sarraceen verder.

"Gode zij dank", antwoordde de ridder van den Liggenden Luipaard,
"heeft de armste ridder van de Christenheid bij alle eervolle diensten
de vrijheid om zijn hart en zwaard, den roem van zijne daden, en de
bepaalde neiging zijns harten te wijden aan de schoonste prinses,
die ooit eene kroon op het hoofd droeg."

"Maar eene korte poos geleden," hernam de Sarraceen, "hebt gij de
liefde als den hoogsten schat van het hart beschreven--het uwe is
zonder twijfel op eene verheven en edele wijze geschonken? Is het
niet zoo?"

"Vreemdeling", antwoordde de Christen hoog kleurende onder het spreken,
"wij zeggen niet onbedachtzaam waar wij onze kostbaarste schatten
bewaren--het is genoeg voor u te weten, dat, gelijk gij zegt,
mijne liefde op een verheven en edel voorwerp geplaatst is--zeer
verheven--zeer edel; maar zoo gij iets van liefde en het breken van
lansen hooren wilt, waag u dan, zoo als gij straks zeidet, in de
legerplaats der kruisvaarders, en gij zult oefening voor uwe ooren,
en, zoo gij wilt, ook voor uwe handen vinden."

De Oostersche krijgsman, zich in de stijgbeugels verheffende en zijne
lans in de lucht zwaaiende, antwoordde: "Ik twijfel er zeer aan,
of er wel een met het kruis op den schouder is, die het met mij in
het werpen van de werpspies zou durven opnemen."

"Daar wil ik niet voor instaan", hervatte de ridder, "maar er zijn
eenige Spanjaarden in het leger, die zeer behendig zijn in uw Oostersch
spel van het slingeren met de werpspies."

"Honden, en zonen van honden!" riep de Sarraceen uit; "wat behoeven die
Spanjaarden hierheen te komen, om de ware geloovigen te bestrijden,
die in hun eigen land hunne heeren en tuchtmeesters zijn? Met hen
zal ik mij in geen krijgsspel inlaten."

"Laat de ridders van Leon en Asturië u niet zoo van zich hooren
spreken," zeide de ridder van den Luipaard; "maar," voegde hij er bij,
glimlachend bij de herinnering aan den strijd van dien morgen, "zoo
gij lust hebt in plaats van eene spies, den worp van eene strijdbijl
uit te houden, dan zullen er Westersche krijgslieden gevonden worden,
die aan uw verlangen zullen willen voldoen."

"Bij den baard mijns vaders, ridder," antwoordde de Sarraceen met
een neiging tot lachen, "dat spel is te grof voor bloote scherts--ik
zal die in den slag nooit vreezen; maar mijn hoofd," zeide hij,
zijne hand aan het voorhoofd houdende, "zal mij voor eenigen tijd
niet vergunnen van deze in scherts op te zoeken."

"Ik wenschte, dat gij de bijl van koning Richard zaagt," vervolgde de
Westersche krijgsman, "waarbij die, welke aan mijn zadelboog hangt,
slechts eene veder in gewicht is."

"Wij hooren veel van dezen eiland-vorst", zeide de Sarraceen, "zijt
gij een van zijne onderdanen?"

"Een van zijn volgelingen in dezen krijgstocht ben ik", antwoordde
de ridder, "en ik stel eene eer in dezen dienst; maar ik ben zijn
geboren onderdaan niet, ofschoon ik afkomstig ben van het eiland,
waarover hij heerscht."

"Hoe meent gij dat?" vroeg de Oosterling; "hebt gij dan twee koningen
op één arm eiland?"

"Zoo als gij wel zegt", antwoordde de Schot, want dit was sir Kenneth
van geboorte--"het is zoo; en toch, hoewel de bewoners van de twee
deelen van dit eiland dikwijls met elkander in oorlog zijn, kan het
nog, gelijk gij ziet, een korps gewapenden op de been brengen, die
de onheilige macht, waarmede uw Vorst zich van de steden van Sion
heeft meester gemaakt, duchtig doen sidderen."

"Bij den baard van Saladin, Nazareër, zoo het niet eene onbezonnen
en kinderachtige zotheid was, dan zou ik kunnen lachen over de
onnoozelheid van uw grooten Sultan, die herwaarts komt om woestijnen en
rotsen te veroveren, en haar bezit te betwisten aan hen, welke tienmaal
grooter scharen aan te voeren hebben, terwijl hij een gedeelte van
zijn klein eiland, waarop hij als heerscher geboren werd, aan een
vreemden schepter onderworpen laat. Waarlijk, sir Kenneth, gij en
de andere goede mannen van uw land hadt u aan het gebied van dezen
koning Richard moeten onderwerpen, eer gij uw vaderland, verdeeld in
zich zelf, verliet, om op dezen krijgstocht te aanvaarden."

Haastig en driftig gaf Kenneth tot antwoord: "Neen, bij het heldere
licht des hemels! zoo de Koning van Engeland niet ter kruisvaart was
getogen, vóór dat hij meester van Schotland geweest was, dan had wat
mij en alle oprechte Schotten betreft, de halve maan voor eeuwig op
de muren van Sion kunnen schitteren."

Tot zoo ver had hij gesproken, toen hij, zich plotseling bezinnende,
zachtjes zeide: "Mea culpa! mea culpa! wat heb ik, een krijgsman
van het kruis, met de herinnering aan den oorlog tusschen Christen
volkeren te maken!"

De snelle uitdrukking van het gevoel, door de voorschriften van den
plicht bedwongen, ontging den Muzelman niet; want, ofschoon deze niet
alles begreep, wat daarin lag opgesloten, zag hij toch genoeg om hem
in het denkbeeld te bevestigen, dat de Christenen, even goed als de
Mahomedanen, bijzondere gevoelens van persoonlijken wrok en nationale
twisten hadden, die niet geheel uit den weg te ruimen waren. Maar
de Sarraceenen waren een volk, dat, zoo ver hun godsdienst toeliet,
beschaafd was, en bijzonder geschikt om hooge begrippen van beleefdheid
en hoffelijkheid te koesteren; en deze beletten hem om eenige acht
te slaan op de onbestaanbaarheid van sir Kenneth's gevoelens, omtrent
de met elkaar strijdende karakters van Schot en kruisvaarder.

Intusschen begon, terwijl zij voorwaarts trokken, het tooneel rondom
hen te veranderen. Zij wendden zich nu naar het oosten, en hadden de
keten van steile en woeste bergen bereikt, die in deze streek de naakte
vlakte begrenst, en eenige afwisseling brengt in het voorkomen dezer
landstreek, maar zonder hare onvruchtbaarheid weg te nemen. Steile,
rotsachtige hoogten begonnen zich rondom hen te verheffen, en weldra
boden diepe afgronden en steile bergpassen, verschrikkelijk door hunne
hoogte en moeielijk door hunne engte, de reizigers hinderpalen aan
van geheel verschillenden aard van die, waarmede zij kort te voren
te kampen hadden gehad. Duistere holen en spleten in de rotsen,--die
grotten, waarvan zoo dikwijls in den Bijbel gewaagd wordt,--gaapten
hen bij hun voortgang van beide zijden dreigend aan. De emir deelde
den Schotschen ridder mede, dat deze dikwijls de schuilhoeken waren
van roofdieren, of nog wilder menschen, die, door den bestendigen
oorlog en de onderdrukking, die de soldaten zoowel van het Kruis als
van de Halve maan uitoefenden, tot wanhoop gedreven, roovers waren
geworden, en stand noch godsdienst, geslacht noch ouderdom bij hunne
plunderingen spaarden.

De Schotsche ridder luisterde met onverschilligheid naar het
verhaal der verwoestingen, die wilde dieren of goddelooze menschen
aanrichtten, daar hij zich veilig gevoelde door zijne eigen dapperheid
en persoonlijke kracht; maar hij werd door eene geheimzinnige
vrees getroffen, nu hij zich bevond in de vreeselijke woestijn der
veertigdaagsche vasten en het tooneel van de werkelijke persoonlijke
verzoeking, die de booze verlof kreeg om den Zoon des menschen te
doen ondergaan. Hij onttrok allengs zijne aandacht aan het lichte en
wereldsche onderhoud met den ongeloovigen krijgsman, die naast hem
reed, en hoe aangenaam diens vroolijkheid en dapperheid hem overal
elders als tochtgenoot gemaakt hadden, kwam het sir Kenneth toch voor,
dat in die wildernissen, de woeste en dorre plaatsen, waarin de booze
geesten plachten rond te waren, wanneer zij gedreven waren uit de
lichamen der stervelingen, welke zij bezeten hadden, een barrevoeter
monnik een beter gezelschap zou geweest zijn, dan de opgeruimde,
maar ongeloovige Paynim.

Deze gedachten drukten hem, te meer daar de vroolijkheid van den
Sarraceen scheen toe te nemen naarmate de reis vorderde, en zijne
gesprekken luchthartiger werden, hoe verder zij in de sombere kloven
der bergen drongen; en toen deze onbeantwoord bleven, werd zijn
gezang des te luider. Sir Kenneth verstond genoeg van de Oostersche
talen om te weten, dat hij minneliederen zong, die al de gloeiende
lofspraken op de schoonheid bevatten, waarin de Oostersche dichters
zich gaarne verlustigen, en die derhalve bijzonder ongeschikt waren
voor ernstige of vrome gedachten, welke het best voor de woestijn
der verzoeking betaamden. In vrij groote tegenspraak met zich zelven
zong de Sarraceen ook lofliederen op den wijn, de vloeibare robijn
der Perzische dichters, en zijne vroolijkheid werd eindelijk zoo
onbestaanbaar met den loop der gedachten van den Christen ridder,
dat, zonder de onderling gedane belofte van vriendschap, sir Kenneth
zeker maatregelen zou genomen hebben, om hem van melodie te doen
veranderen. In zijn toestand kwam het hem bijna voor, of hij een
vroolijken, losbandigen boozen geest naast zich had, die poogde
zijne ziel te verstrikken, en zijn onsterfelijk heil in gevaar
brengen, door hem lichtzinnige gedachten van aardsch vermaak in te
boezemen, en dus zijne aandacht te bezoedelen juist op een tijd,
dat zijne trouw als Christen en zijne gelofte als pelgrim van hem
een ernstig en berouwhebbenden gemoedstoestand vorderden. Hij was
dus zeer verlegen en besluiteloos hoe hij handelen moest. Eindelijk
brak hij zijn stilzwijgen af en stoorde zijn metgezel in het lied van
den beroemden Rudpiki, waarin hij de moedervlek op den boezem zijner
minnares boven al de schatten van Bokara en Samarcand stelt.

"Sarraceen", zeide de kruisvaarder ernstig, "hoe verblind gij ook
zijt en hoe gedompeld in de dwalingen van eene valsche leer, moest
gij toch begrijpen, dat sommige plaatsen heiliger zijn dan andere,
en dat op deze de booze meer dan gewone macht heeft over de zondige
stervelingen. Ik wil u niet zeggen, om welke huiveringwekkende redenen
deze plaats, deze rotsen, deze holen met hunne sombere gewelven,
die als het ware naar den diepsten afgrond in het middelpunt
der aarde leiden, voor het bijzonder verblijf van Satan en zijne
dienaren gehouden worden. Het is voldoende te zeggen, dat ik door
wijze en heilige mannen, die met de eigenschappen van deze heillooze
streek bekend zijn, lang gewaarschuwd ben om mij voor deze plaats te
hoeden. Daarom, Sarraceen, laat uwe dwaze en ontijdige lichtzinnigheid
varen, en vestig uwe gedachten op dingen, die beter voor deze plek
geschikt zijn; ofschoon, helaas! uwe beste gebeden niets zijn dan
godslastering en zonde."

De Sarraceen luisterde met eenige verbazing en antwoordde toen met
goedhartige luim en vroolijkheid, die slechts in zoover beperkt
was als de beleefdheid vorderde: "Goede sir Kenneth, mij dunkt,
gij handelt niet naar behooren tegenover uw metgezel, of wel uwe
Westersche volksstammen weten niet wat beleefdheid is. Ik heb er
geen ergernis aan genomen, toen ik u zwijnenvleesch zag verslinden
en wijn drinken, en u uw maaltijd zag nuttigen met uwe zoogenoemde
christelijke vrijheid, terwijl ik in mijn hart slechts medelijden had
met uw ellendig tijdverdrijf. Daarom zoudt gij u dus ergeren, dat ik,
zoo goed ik kan, een vervelenden weg door een vroolijk liedje zoek te
verkorten? Wat zegt de dichter? het gezang is als de dauw des hemels
op den boezem der woestenij; het maakt het pad des reizigers koel."

"Vriend Sarraceen", hernam de Christen, "ik keur de liefde voor het
gezang en de vroolijke wetenschap niet af; ofschoon wij in onzen
geest somtijds daaraan meer plaats inruimen, wanneer zij op betere
dingen moesten gericht zijn. Maar gebeden en heilige psalmen passen
beter dan liederen op de min en den wijn, wanneer men trekt door
deze vallei van de schaduw des doods, die vol is van booze geesten
en duivels, welke de gebeden van heilige mannen uit de woonplaatsen
der menschheid verdreven hebben, om in streken rond te waren, die
even vervloekt zijn als zij zelve."

"Oordeel niet zoo over de geesten, Christen", antwoordde de Sarraceen,
"want gij moet weten, dat gij tot een man spreekt, wiens stam en
volk hun oorsprong ontleenen aan dat onsterfelijk geslacht, dat uwe
aanhangers vreezen en lasteren."

"Ik dacht het wel", hervatte de kruisvaarder, "dat uw verblind
geslacht van den booze afstamde, zonder wiens bijstand gij nooit in
staat zoudt geweest zijn, om dit gezegende land Palestina tegen zoo
vele dappere soldaten van God te verdedigen. Ik spreek niet zoo in
het bijzonder van u, Sarraceen, maar in het algemeen van uw volk en
uw godsdienst. Het verwondert mij echter niet, dat gij van den booze
afstamt, maar wel dat gij er u op beroemt."

"Op welken oorsprong zal de dapperste roemen dan van hem, die de
dapperste is?" hernam de Sarraceen; "van wien zouden de fiersten
liever hun stam afleiden dan van dien somberen geest, die eer door
geweld wilde ter neerstorten, dan vrijwillig zijne knie buigen? Eblis
kan gehaat worden, vreemdeling, maar toch moet hij gevreesd worden;
en gelijk Eblis zijn ook zijne afstammelingen uit Kurdistan."

Verhalen van tooverij en geestenbezwering vormden een deel van de
wetenschap van den tijd, en ridder Kenneth, hoorde de bekentenis,
die zijn reisgezel hem van zijn duivelschen oorsprong deed, zonder
eenig ongeloof en zonder veel verbazing, maar niet zonder eene geheime
rilling, dat hij zich op deze verschrikkelijke plaats bevond in het
gezelschap van een man, die erkende tot dien stam te behooren. Nochtans
van nature onvatbaar voor vrees, sloeg hij een kruis, en vroeg moedig
aan den Sarraceen om een verklaring van den stamboom, waarop hij zich
beroemd had. Deze voldeed gewillig aan zijn verzoek.

"Gij moet dan weten, dappere vreemdeling," zeide hij, "dat de
wreede Zohauk, een der nakomelingen van Giamschid, toen hij den
troon van Perzië besteeg, een verbond met de machten der duisternis
sloot in de geheimen gewelven van Istakhar, gewelven, die de handen
der oorspronkelijke geesten uit de levende rots gehouwen hadden,
lang zelfs vóór dat Adam bestond. Hier voedde hij met dagelijksche
offeranden van menschenbloed twee verslindende slangen, die, volgens
de dichters, een gedeelte van hem zelven waren geworden, en tot
wier onderhoud hen eene dagelijksche schatting van menschenoffers
lichtte, totdat het geduld zijner onderdanen uitgeput was, en
menigeen het zwaard des oproers vatte, zooals de moedige hoefsmid
en de altijd overwinnende Feridoun, die den dwingeland eindelijk
onttroonden en voor eeuwig in de vreeselijke holen van den berg
Damavend opsloten. Maar eer die bevrijding plaats had, en terwijl
de macht van den bloeddorstigen dwingeland ten hoogsten top was
gestegen, bracht de bende roovende slaven, die hij uitgezonden had
om hem zijne dagelijksche slachtoffers te bezorgen, in het paleis
van Istakhar zeven zusters te zamen, zoo schoon dat zij zeven
houris schenen. Deze meisjes waren de dochters van een wijze, die
geen andere rijkdommen bezat dan deze schoonheden en zijne eigen
wijsheid. De laatste was niet wijs genoeg om dit ongeluk vooruit
te zien, de eersten niet bij machte om het te voorkomen. De oudste
was niet boven de twintig, de jongste had nauwelijks haar dertiende
jaar bereikt, en zij geleken allen zoozeer op elkander, dat men haar
zonder het verschil van grootte niet had kunnen onderscheiden, daar
zij in eene onmerkbare, geleidelijke opklimming op elkander volgden,
gelijk de hoogten, die naar de poorten van het paradijs voeren. Deze
zeven zusters waren zoo beminnelijk, toen zij in het donkere gewelf
stonden, ontbloot van alle kleeding behalve een wit zijden bovenkleed,
dat hare bekoorlijkheden het hart van onsterfelijke wezens troffen. De
donder ratelde, de aarde beefde, de muur van het gewelf spleet van een,
en door de opening trad een man, als jager gekleed met boog en pijlen,
en gevolgd door zes anderen, zijne broeders. Het ware groote mannen,
en, ofschoon donker van kleur, toch liefelijk om te aanschouwen;
maar hunne oogen hadden meer den blik der dooden, dan het licht,
dat van onder de oogleden der levenden te voorschijn komt. "Zeineb"
zeide de aanvoerder van den troep,--en dit zeggende nam hij de oudste
der zusteren bij de hand, en zijne stem was zacht, welluidend en
zwaarmoedig,--"ik ben Cothrob, Koning der onderwereld, en opperhoofd
van Ginnistan. Ik en mijne broeders behooren tot hen, die uit het
zuivere oorspronkelijke vuur geschapen, zelfs op bevel der Almacht,
het beneden ons rekenden, om hulde te bewijzen aan een klomp leem,
omdat die mensch genoemd werd. Gij zult ons zeker wel hebben hooren
beschrijven als wreed, onmeedoogend en vervolgziek. Dit is onwaar. Wij
zijn van nature goed en edelmoedig; alleen wraakzuchtig, wanneer men
ons beleedigt, slechts wreed, wanneer men ons hoont. Wij zijn trouw
aan diegenen, die vertrouwen in ons stellen; en wij hebben de gebeden
van uw vader, den wijzen Mithrasp gehoord, die wijselijk niet alleen
den oorsprong des goeds vereert, maar ook dat, wat de bron des kwaads
genoemd wordt. Gij en uwe zusters zijt op den oever des doods; maar
laat ieder van u ons één haar uit uwe schoone lokken geven ten teeken
van trouw, en wij zullen u vele mijlen van hier naar eene veilige
plaats brengen, waar gij Zohauk en zijne dienaars kunt trotseeren! De
vrees voor een oogenblikkelijken dood, zegt de dichter, is als de staf
van den profeet Aäron, die al de andere staven verslond, toen zij in
tegenwoordigheid van Koning Farao in slangen veranderd werden; en de
dochters van den Perzischen wijzen waren minder vatbaar dan anderen
om voor de woorden van een geest te schrikken. Zij gaven den tol,
dien Cothrob vorderde, en in een oogenblik werden de zusters naar een
betooverd kasteel op de bergen van Tugrut in Kurdistan overgebracht,
en nooit zag een sterfelijk oog haar weer. Maar na verloop van tijd
verschenen zeven jongelingen, uitmuntend in den oorlog en de jacht,
in de omstreken van het kasteel der onderaardsche geesten. Zij waren
donkerder, grooter, fierder en moediger, dan eenige van de verspreide
inwoners der valleien van Kurdistan; en zij namen vrouwen, en werden
de stamvaders van de zeven der Kurdmannen, wier dapperheid door het
gansche heelal bekend is."

De Christen ridder luisterde met verwondering naar het fantastisch
verhaal, waarvan in Kurdistan nog de sporen te vinden zijn, en na
een oogenblik nagedacht te hebben, antwoordde hij: "In waarheid,
heer ridder, gij hebt gelijk--uw stam kan gevreesd en gehaat, maar
niet veracht worden. Ook verwonder ik mij volstrekt niet meer over
uwe hardnekkige volharding bij een valsch geloof, daar het zonder
twijfel een deel uitmaakt van dien vijandelijken geest, afkomstig
van uw voorouders die jagers der onderwereld, die gij beschreven
hebt, en die meer de logen dan de waarheid beminnen. Ook ben ik in
het geheel niet meer verbaasd, dat uw geest vroolijk wordt, en zich
in verzen en liederen openbaart, wanneer gij de plaatsen nadert,
die door booze geesten bevolkt zijn, daar zij in u dat blijde gevoel
moeten verwekken, dat anderen ondervinden, wanneer zij het land hunner
menschelijke voorouders naderen."

"Bij den baard mijns vaders, ik geloof, dat gij gelijk hebt," zeide
de Sarraceen, eer verheugd dan vertoornd over de vrijmoedigheid,
waarmede de Christen deze opmerkingen gemaakt had; "want ofschoon
de profeet--geloofd zij zijn naam!--het zaad onder ons uitgestrooid
heeft van een beter geloof dan onze voorouders in de gewelven der
geesten van Tugrut geleerd hebben, zoo willen wij toch niet, als
andere Muzelmannen, eene haastige veroordeeling uitspreken over
de verheven en machtige oorspronkelijke geesten, van wie wij onzen
oorsprong afleiden. Deze geesten zijn, volgens ons geloof en onze
hoop, niet geheel en al verworpen, maar nog op den weg der beproeving,
en kunnen daarna gestraft of beloond worden. Wij willen dit aan de
Mollahs en de Imans overlaten. Genoeg zij het, dat bij ons de eerbied
voor deze geesten niet geheel is uitgewischt door hetgeen wij in den
koran geleerd hebben, en dat vele van ons nog ter gedachtenis van
het oudere geloof onzer voorouderen, verzen als deze zingen."

Nu zong hij verzen in taal en vorm van hoogen ouderdom, welke sommigen
meenen, dat hun oorsprong ontleenden aan de vereerders van Ahriman,
het kwade beginsel.



AHRIMAN


Vorst Ahriman! wien Iraks zaad
Voor d'oorsprong houdt van wee en kwaad!
  Als, knielend voor uw rijk,
't Beangstigd menschdom sidd'rend zucht,
Waar is dan, onder 't ruim der lucht,
  Een macht aan u gelijk?



Als 't wezen dat ons gunstig is,
Een bron schept in de wildernis,
  Waaruit de pelgrim drinkt;
U is de golf die 't rotsstrand slaat,
De draaikolk, waarin 't al vergaat,
  Waar schip bij schip verzinkt.



Of, als uit d'aarde, door Zijn macht
De plant ontspruit vol levenskracht,
  Slechts enklen redt Zijn' hand
Van uw gebied in oost en west,
Het vuur der koorts, de bleeke pest,
  De pijlen uit uw hand.



Gij heerscht in 't diepst van 's menschen ziel;
En dikwijls als hij nederviel
  En andre Godheên huldt--
Hoe schoon dan zijn gebed ook praal,
Het diepst van 't hart weerspreekt zijn taal,
  En is met u vervuld.



Zeg, hebt gij zinnen, macht en vorm,
Spreekt g'in den donder, woont ge in storm,
  Zoo als de wijze meent?
Een ziel met haat en toorn vervuld,
Met vleuglen van den dood omhuld
  En schrikkelijk gebeent?



Of zijt gij met Natuur verknocht,
Een kracht die woont in elk gewrocht,
  En goed in kwaad verkeert?
Een boos beginsel, bron van smart,
Hetwelk ons beter deel steeds tart,
  En ach! zoo vaak beheert?



't Is vruchtloos, 't zij men twiste of niet,
Elk voorwerp huldigt uw gebied,
  Natuur en 's menschen staat:
Ja, iedere drift van 's sterflings hart,
Min, haat, verachting, blijdschap, smart,
  Verkeert uw macht in kwaad!



Zoodra er op ons tranenveld,
Één enkel zuiver straaltje welt,
  Zijt gij niet ver meer af:
In dit kortstondig gunstig lot,
Leidt ge iedre bron van ons genot,
  Tot ons verderf en smart.



Dus, van het uur van elks geboort,
Zoo lang als de aard hem zuchten hoort,
  Houdt ge ieders lot bepaald.
Gij kwelt nog 's levens laatsten nacht:
En--wie beslist, of dan uw macht,
  Gij Geest des kwaads, hier faalt?



Deze verzen mogen misschien de niet onnatuurlijke uiting van den een of
anderen halfverlichten wijsgeer geweest zijn, die in de fabelachtige
godheid, Ahriman, alleen het overwicht van het zedelijk en natuurlijk
kwaad zag; maar in de ooren van sir Kenneth van den Liggenden Luipaard
hadden zij eene gansch andere uitwerking, en gezongen door iemand,
die zich zoo even beroemd had een afstammeling der onderaardsche
geesten te zijn, klonken zij bijna als eene oproeping tot den dienst
van den aartsvijand zelven. Hij overwoog in zijn hart, of het na het
aanhooren van zulk eene godslastering in dezelfde woestijn, waar Satan
met zijne eischen op aanbidding was afgewezen, voldoende was, dat hij
zijn afschuw toonde door een plotseling afscheid van den Sarraceen
te nemen; dan of hij niet veeleer door zijne gelofte als kruisvaarder
gedwongen was, om den ongeloovige op de plek zelve ten strijd te dagen,
en hem tot voedsel voor de dieren der wildernis te laten, toen zijne
aandacht, eensklaps getrokken werd door eene onverwachte verschijning.

De dag neigde reeds bijna ten einde; maar het was nog licht genoeg, om
den ridder te doen bespeuren, dat zij niet langer alleen in het woud
waren, maar van nabij door een zeer groote en magere gedaante werden
gadegeslagen, die met zoo veel vlugheid over rotsen en struiken sprong,
dat het, gevoegd bij het wilde en harige voorkomen van dit wezen, hem
aan de faunen en boschgoden herinnerde, wier beeltenissen hij in de
oude tempels van Rome gezien had. Daar de Schot in den eenvoud zijns
harten nooit een oogenblik getwijfeld had, of deze goden der oude
heidenen waren wezenlijke duivels, aarzelde hij niet te gelooven,
dat het godlasterende lied van den Sarraceen een helschen geest had
doen te voorschijn komen.

"Maar wat kan het mij deren!" zeide de dappere sir Kenneth bij zich
zelven; "weg met den booze en zijne vereerders!"

Hij achtte het echter niet noodig, om twee vijanden uit te dagen,
gelijk hij één zeker zou gedaan hebben. Zijne hand lag reeds aan zijne
knots, en misschien ware de zorgelooze Sarraceen voor zijne Perzische
dichtkunst betaald geworden, door het verpletteren zijner hersens,
zonder dat er eenige reden voor opgegeven werd; maar den Schotschen
ridder werd eene daad gespaard, die eene blijvende schandvlek op zijn
wapenschild zou geworpen hebben. De verschijning, waarop zijne oogen
gedurende eenigen tijd waren gevestigd, had eerst hun pad schijnen
te volgen, door zich achter rotsen en struiken te verbergen, waarbij
hij de voordeelen van het terrein met groote behendigheid had weten
te gebruiken, en de oneffenheid ervan met verbazende vlugheid was te
boven gekomen. Eindelijk, juist toen de Sarraceen zijn gezang eindigde,
sprong de gedaante, die van een groot man in een geitenvel gekleed,
midden in het pad, en greep een teugel van het paard des Sarraceens
in elke hand, zich zoo voor het edele dier plaatsende en het achteruit
dringende. Niet in staat om het drukken van dezen onverwachten aanval
op zijn gebit en op de stijve kinketen uit te staan, die naar het
Oostersch gebruik uit een sterken ijzeren ring bestond, steigerde
het dier en viel eindelijk ruggelings op zijn meester, die echter
het gevaar van den val ontdook door zich behendig op de eene zijde
te werpen.

De aanvaller liet toen den teugel van het paard los en greep de keel
van den ruiter. Hij sprong op den worstelenden Sarraceen, en hield
hem, ondanks zijne jeugd en kracht, onder, terwijl hij zijne lange
armen om die van zijn gevangene sloeg, die vertoornd en toch half
lachende uitriep: "Hamako--gek--laat mij los--dit gaat uw voorrecht
te boven--laat mij los, of ik zal mijn dolk gebruiken."

"Uw dolk!--ongeloovige hond!" riep de gedaante in het geitenvel,
"houd hem vast, wanneer gij kunt," en in een oogenblik scheurde hij
het wapen uit des eigenaars hand, en zwaaide het boven zijn hoofd.

"Help, Nazareër!" riep Sheerkohf, nu ernstig ontsteld; "help, of de
Hamako zal mij vermoorden."

"U vermoorden," hernam de bewoner der woestijn; "Wel hebt gij den dood
verdiend door het zingen uwer godlasterende liederen, niet alleen
op den lof van uw valschen profeet, die de bode is van den booze,
maar op dien van den oorsprong des kwaads zelf."

De Christen ridder had tot hiertoe als verstomd toegezien, zoo zeer
streed deze gebeurtenis in hare toedracht en uitslag tegen al wat
bij had kunnen voorzien. Hij gevoelde echter eindelijk, dat zijne
eer van hem vorderde, om zich voor zijn overwonnen metgezel in de
bres te stellen; en wendde zich daarom tot de zegevierende gestalte
in het geitenvel.

"Wie gij ook zijn moogt," zeide hij, "van goed of kwaad geslacht,
verneem, dat ik voor het oogenblik gezworen heb de getrouwe reisgezel
van den Sarraceen te zijn, dien gij in uwe macht hebt; daarom verzoek
ik u hem te laten opstaan, anders zal ik met u voor hem strijden."

"En een zeer geschikte strijd zou het voor een kruisvaarder zijn, om
met een man van zijn eigen heilig geloof voor een ongedoopten hond te
vechten! Zijt gij in de woestijn gekomen, om voor de Halve Maan tegen
het Kruis het zwaard te trekken? Gij zijt een allerliefst krijgsman
van God, daar gij luistert naar hen, die tot lof van Satan zingen!"

Nochtans stond hij onder het spreken van deze woorden op, liet den
Sarraceen ook oprijzen, en gaf hem zijn dolk terug.

"Gij ziet, in welk een gevaar uwe onvoorzichtigheid u gestort heeft,"
vervolgde de man met het geitenvel, zich nu tot Sheerkohf wendende,
"en door welke geringe middelen uwe geoefende behendigheid en
geroemde vlugheid kunnen overwonnen worden, als dit de wil des Hemels
is. Neem u dus in acht, Ilderim! want verneem, dat, zoo er niet in
uwe geboortester eene flikkering was, die u iets goeds en genadigs in
Gods goeden tijd beloofde, wij niet van elkander zouden gescheiden
zijn, vóór dat ik de keel verscheurd had, die nog zoo kort geleden
godslasteringen had uitgebraakt."

"Hamako," zeide de Sarraceen, zonder eenigen schijn van gevoeligheid
over diens heftige taal en zijn nog heftiger aanval, "ik bid u,
goede Hamako, om u te wachten, niet weder van uw voorrecht zulk een
gebruik te maken; want, ofschoon ik als goed Muzelman hem eerbiedig,
wien de hemel van zijn verstand beroofd heeft, om hem den geest
der voorspelling te schenken, houd ik er toch niet van, dat vreemde
lieden hunne handen aan den toom van mijn paard of aan mijn persoon
slaan. Zeg dus tegen mij wat gij verkiest, en gij zult niets van mijn
toorn te vreezen hebben; maar tracht uwe gedachten voor zoo ver bij
elkander te houden, om te kunnen begrijpen, dat ik bij de eerste
gelegenheid, dat gij mij weder eenig geweld zoudt willen aandoen,
uw ruig hoofd van uwe magere schouders zal afslaan.--En u, vriend
Kenneth," voegde hij er bij, zijn paard weder bestijgende, "voel ik
mij verplicht te zeggen, dat ik bij een metgezel door de woestijn
meer houdt van vriendschappelijke daden dan van groote woorden. Van
de laatsten hebt gij mij genoeg gegeven; maar het ware beter geweest,
mij wat spoediger te helpen in mijn strijd met dezen Hamako, die mij
in zijne krankzinnigheid bijna van het leven beroofd had."

"Inderdaad," antwoordde de ridder; "ik heb hierin gefaald--ik was wat
traag om dadelijk bij te springen; maar het zonderling voorkomen van
den aanvaller, het onverwachte van het tooneel.... het was alsof uw
wild en goddeloos lied den duivel onder ons had doen opstaan, en zoo
groot was mijne verrassing, dat er twee of drie minuten verliepen,
eer ik mijn wapen kon vatten."

"Gij zijt slechts een koel en al te bedachtzaam vriend," zeide de
Sarraceen: "en zoo de Hamako een graad razender geweest was, dan zou
uw metgezel tot uwe eeuwige schande aan uwe zijde gedood zijn geworden,
zonder dat gij een vinger tot zijne redding uitgestoken hadt, ofschoon
gij gewapend en wel bereden daarbij stondt."

"Op mijn woord, Sarraceen", hernam de Christen, "als ik het u ronduit
zeggen zal, ik meende, dat die zonderlinge gedaante de duivel was,
en daar hij van uw geslacht was, wist ik niet, welke familiegeheimen
gij elkander mededeeldet, toen gij zoo teeder met elkander in het
zand roldet."

"Uw spot is geen antwoord, broeder Kenneth", hervatte de Sarraceen,
"want weet, dat al was inderdaad mijn aanvaller de vorst der duisternis
zelf geweest, gij niettemin verplicht waart, om met hem den strijd
aan te gaan voor uw reisgenoot. Gij moet ook weten, dat al wat er
slecht of duivelsch in den Hamako is, meer tot uw stam dan tot den
mijnen behoort, want deze Hamako is de kluizenaar, dien gij zijt
komen bezoeken."

"Deze!" riep sir Kenneth, de athletische, maar vervallen gedaante
die voor hem stond, beschouwende--"deze!--gij schertst Sarraceen--dit
kan de eerwaardige Theodorik niet zijn!"

"Vraag hem zelven, zoo gij mij niet gelooven wilt", antwoordde
Sheerkohf, en nog eer hij deze woorden uitgesproken had, bevestigde
de kluizenaar wat hij had gezegd.

"Ik ben Theodorik van Engaddi", zeide hij--"ik ben de wandelaar
der woestijn--ik ben de vriend van het Kruis, en de geesel van alle
ongeloovigen, ketters en duivelaanbidders! Wacht u, wacht u!--Weg met
Mahomed, Termagaunt en al hunne aanhangers!"--Dit zeggende, haalde hij
van onder zijn ruig gewaad eene soort van geestel of ineengedraaide
met ijzer beslagen knots, die hij met verwonderlijke behendigheid om
zijn hoofd zwaaide.

"Gij ziet uw heilige," zeide de Sarraceen, voor de eerste maal lachende
over de grenslooze verbazing, waarmede sir Kenneth op de woeste gebaren
van Theodorik staarde en diens onzinnig geprevel aanhoorde. Deze, na
zijn geesel naar alle zijden heen gezwaaid te hebben, zonder zich, naar
het scheen, in het minst er aan te storen, of die het hoofd van een
zijner gezellen trof, toonde eindelijk zijne eigen kracht en die van
het werktuig door een groote steen, die naast hem lag, te verbrijzelen.

"Dit is een krankzinnige", zeide sir Kenneth.

"En daarom niet minder heilig," hernam de Muzelman, volgens het
welbekende Oostersche geloof, dat de krankzinnigen onder den invloed
van hoogere ingeving staan. "Weet, Christen, dat, wanneer het eene
oog uitgedoofd is, het andere te scherper wordt--dat wanneer de eene
hand af gehouwen is, de andere in kracht toeneemt; en zoo wordt ook,
wanneer onze rede in menschelijke zaken verstoord of vernietigd is,
ons gezicht op hetgeen van den hemel is te scherper en volmaakter."

Hier werd de stem van den Sarraceen door die van den kluizenaar
overschreeuwd, die in een wilden, zingenden toon luid begon te
schreeuwen: "Ik ben Theodorik van Engaddi--ik ben de brandtoorts van de
woestijn--ik ben de geestel der ongeloovigen! De leeuw en de luipaard
zullen mijne makkers zijn, en in mijne cel eene schuilplaats zoeken;
en de jonge bok zal niet voor hunne klauwen bevreesd zijn--ik ben de
toorts en de lantaarn--Kyrie Eleison!"

Hij besloot zijn gezang met een korten sprong en eindigde dezen
weder door sprongen voorwaarts, die hem in eene oefenschool voor de
gymnastiek groote eer zouden gedaan hebben, maar zoo slecht met zijn
stand van kluizenaar strookten, dat de Schotsche ridder even verbaasd
als ontsteld was.

De Sarraceen scheen hem beter te verstaan. "Gij ziet", zeide hij,
"dat hij van ons verwacht, dat wij hem naar zijne cel zullen volgen,
die dan ook inderdaad onze eenige schuilplaats voor dezen nacht
is. Gij zijt de luipaard volgens het beeld op uw schild--ik ben de
leeuw, zooals mijn naam aanduidt--en met de geit bedoelt hij, met
toespeling op zijn geitenvel, zich zelven. Wij moeten hem echter in
het oog houden, want hij is even vlug als een dromedaris."

En inderdaad was die taak moeilijk; want, ofschoon de eerwaardige gids
van tijd tot tijd staan bleef, en met zijne hand wuifde, alsof hij
hen aanmoedigen wilde om voorwaarts te komen, leidde hij toch, goed
bekend met al de kronkelende holle wegen en enge passen der woestijn,
en met ongemeene snelheid begaafd, die misschien door zijn verstoorden
gemoedstoestand in gedurige beweging gehouden werd, de ridders door
kloven en overpaden, waar zelfs de lichtgewapende Sarraceen met zijn
wel geoefend ros in groot gevaar verkeerde, en waar de in ijzer
gekleede Westerling en zijn zwaar beladen paard zich in zulk een
dreigend gevaar bevonden, dat de ruiter liever in een heet gevecht
zou zijn geweest. Hij was blijde toen hij eindelijk, na dezen wilden
tocht, den heiligen man, die hen geleid had, bij een hol zag staan,
met eene groote fakkel in de hand, die uit een stuk hout bestond,
dat in pek gedoopt was, en een breed, flikkerend licht verspreidde,
terwijl zij een sterken, zwavelachtigen geur van zich gaf.

Niet afgeschrikt door den verstikkenden damp, sprong de ridder van
het paard en trad de grot binnen, die het voorkomen niet had van
eenige gemakken te zullen verschaffen. De cel was in twee afdeelingen
gescheiden, in de buitenste waarvan een steenen altaar met een kruis
van riet stond: deze diende den kluizenaar tot kapel. Aan de eene
zijde van dit buitenste hol bond de Christen ridder, ofschoon niet
zonder eenige aarzeling, die uit godsdienstigen eerbied voor de hem
omringende voorwerpen sproot, zijn paard vast, en verzorgde het voor
den nacht, in navolging van den Sarraceen, die hem te verstaan gaf,
dat dit de gewoonte der plaats was. De kluizenaar was intusschen
bezig met zijn binnenvertrek in orde te brengen, om zijne gasten
te ontvangen, en zij voegden zich daar spoedig bij hem. In den
achtergrond van het binnenste hol leidde eene kleine opening, met
eene deur van ruwe planken gesloten, naar het slaapvertrek van den
kluizenaar, dat van meer gemakken was voorzien. De vloer was door
het werk van den bewoner eenigermate effen gemaakt, en vervolgens
met wit zand bestrooid, dat hij dagelijks begoot met water uit eene
kleine fontein die in den eenen hoek uit de rots opwelde, en in die
verstikkende luchtstreek zoowel het oor als den smaak verkwikking
verschafte. Matrassen, uit gevlochten biezen gemaakt, lagen tegen den
wand van de cel; de muren waren, even als de vloer effen gemaakt, en
er hingen daaraan onderscheidene kruiden en bloemen. Twee wasfakkels,
die de hermiet aanstak gaven een vroolijk aanzien aan de plaats,
die door hare welriekende geur en koelte aangenaam werd gemaakt.

In een hoek van het vertrek waren landbouwgereedschappen en verdere
werktuigen; in een anderen was eene nis met een ruw beeld der Heilige
Maagd. Eene tafel en twee stoelen duidden aan, dat zij een werk
van de hand des kluizenaars waren, daar zij door hun vorm van het
Oostersche huisraad van die soort verschilden. De eerste was niet
alleen met kruiden en groen bedekt, maar ook met gedroogd vleesch,
dat Theodorik met ijver zoodanig schikte, dat het den eetlust zijner
gasten zou uitlokken. Deze blijken van beleefdheid, ofschoon stom en
slechts door gebaren uitgedrukt, schenen sir Kenneth onbestaanbaar met
zijn vorig wild en woest gedrag. De hermiet was kalm, en waarschijnlijk
was slechts een gevoel van godsdienstigen ootmoed oorzaak dat zijne
gelaatstrekken, vermagerd door zijne strenge levenswijze, niet edel
en fier waren. Hij bewoog zich in zijne cel als een man, die geboren
scheen om over anderen te heerschen, maar van zijn gebied afstand had
gedaan, om de dienaar des Hemels te worden. Toch moest men erkennen,
dat zijne reusachtige grootte, zijne lange, ongeschoren lokken en baard
en de gloed van een diep liggend en wild oog veeleer de eigenschappen
van een krijgsman dan die van een kluizenaar waren.

Zelfs de Sarraceen scheen den kluizenaar met eerbied te beschouwen,
terwijl deze bezig was, en hij fluisterde sir Kenneth toe: "De Hamako
is nu in zijne goede luim, maar hij zal niet spreken, vóór dat wij
gegeten hebben--want dit brengt zijne gelofte mede."

Zwijgend wenkte dus Theodorik den Schot, om op een der lage stoelen
plaats te nemen, terwijl Sheerkohf zich, volgens het gebruik van
zijn volk, op een matten kussen zette. Toen hief de kluizenaar
beide handen in de hoogte, als het ware om de ververschingen,
die hij zijn gasten had voortgezet, te zegenen, en zij gingen aan
het eten even zwijgend als hij. Voor den Sarraceen was deze ernst
natuurlijk, en de Christen volgde dit zwijgen na, terwijl hij zijne
gedachten bezig hield met het zonderlinge van zijn toestand, en het
kontrast tusschen de wilde, woeste gebaren, het luid geschreeuw en de
gewelddadige handelingen van den hermiet bij hunne eerste ontmoeting,
en den stillen, plechtstatigen en kalmen ijver, waarmede hij thans
de plichten der gastvrijheid vervulde.

Toen hun maaltijd geëindigd was, bracht de kluizenaar, die zelf
geen bete gegeten had, het overgeblevene van de tafel, en zette den
Sarraceen eene kruik sorbet en den Schot eene flesch wijn voor.

"Drinkt, mijne kinderen", zeide hij, en dit waren zijne eerste
woorden,--"de gaven Gods mogen genoten worden, wanneer men aan den
gever denkt."

Na dit gezegd te hebben, begaf hij zich naar de buitencel,
waarschijnlijk om zijne gebeden te doen, en liet zijne gasten te zamen
in het binnenvertrek, waar Kenneth door vragen aan Sheerkohf alles
zocht te vernemen, wat deze emir van hun gastheer wist. Het was meer
dan bloote nieuwsgierigheid, wat hem tot dit onderzoek aanspoorde. Hoe
moeilijk het ook was, om het woest gedrag van den kluizenaar,
bij zijn eerste optreden, met zijn tegenwoordige bescheidenheid en
vredelievendheid overeen te brengen, scheen het nog onmogelijker om
het in overeenstemming te brengen met de hoogachting, welke, zooals sir
Kenneth had vernomen, deze hermiet van de meest verlichte godgeleerden
der Christenwereld genoot. Theodorik, de kluizenaar van Engaddi, was
in die betrekking de correspondent van pausen en kerkvergaderingen
geweest, aan wie zijne brieven, getuigend van een welsprekend vuur,
de ellende beschreven hadden, welke de ongeloovigen den Latijnschen
Christenen in het heilige land hadden opgelegd, in bewoordingen,
die nauwelijks behoefden te wijken voor die, van welke de hermiet
Petrus zich bij de kerkvergadering van Clermont bediende, toen hij
den eersten kruistocht predikte. In zulk een eerwaardig en geëerd
man, de krankzinnige gebaren van een krankzinnigen fakir te vinden,
bewoog den Christen tot nadenken, eer hij besluiten kon, om hem zekere
gewichtige zaken mede te deelen, die hem door eenige aanvoerders van
de kruistocht waren opgedragen.

Het was het hoofddoel geweest van zijne bedevaart, die langs een zoo
ongewonen weg ondernomen was, om die mededeelingen te doen; maar
hetgeen hij dien avond gezien had, deed hem aarzelen en nadenken,
eer hij zijn last ten uitvoer bracht. Van den emir kon hij niet
veel naricht bekomen, maar hetgeen hij vernam, kwam op het volgende
neer. Dat, zoo als hij gehoord had, de hermiet voorheen een dapper
en moedig krijgsman geweest was, wijs in den raad, en gelukkig in
den slag; het laatste was voor den ridder zeer waarschijnlijk,
naar de groote kracht en behendigheid te oordeelen, die hij hem
bij herhaling had zien ten toon spreiden;--dat hij in Jerusalem was
verschenen niet in de hoedanigheid van pelgrim, maar als iemand, die
zich voorgenomen had het overige van zijn leven in het heilige land
door te brengen. Kort daarna vestigde hij zijn verblijf te midden van
de woestenij, waar zij hem thans vonden, geëerbiedigd door de Latijnen
wegens zijne strenge vroomheid, en door de Turken en Arabieren wegens
de teekenen van krankzinnigheid, die hij gaf, en die zij aan goddelijke
ingeving toeschreven. Van hen had hij den naam Hamako gekregen,
die dit karakter in de Turksche taal uitdrukt. Sheerkohf zelf scheen
verlegen onder welke soort hij hun gastheer schikken zou. Hij was,
zeide hij, een wijs man geweest, en kon soms uren achtereen lessen
van deugd en wijsheid verkondigen, zonder den geringsten schijn van
geestverbijstering. Bij andere gelegenheden was hij wild en heftig,
maar nooit had hij hem te voren zoo kwaadaardig gezind gezien,
als hij zich dezen dag getoond had. Zijne woede werd hoofdzakelijk
opgewekt door den hoon jegens zijn godsdienst; en er liep eene
geschiedenis van eenige rondtrekkende Arabieren, die zijn godsdienst
aangerand en zijn altaar bevlekt hadden, en die hij daarop met den
korten geesel, dien hij in plaats van alle wapenen bij zich voerde,
aangevallen en gedood had. Dit voorval had veel opspraak verwekt, het
was zoowel de vrees voor zijn ijzeren geesel als de achting voor zijne
hoedanigheid als Hamako, welke de roofbenden bewoog zijne woonplaats
en kapel te eerbiedigen. Zijn naam had zich zóó ver verspreid,
dat Saladin bijzondere bevelen had uitgevaardigd om hem te sparen
en te beschermen. Hij zelf en andere Mahomedaansche heeren van rang
hadden de kluis meer dan eens bezocht, deels uit nieuwsgierigheid,
deels omdat zij van zulk een geleerd man als den Christen Hamako
eenig licht over de geheimen der toekomst verwachten. "Hij heeft,"
vervolgde de Sarraceen, "een Rashid of sterrewacht van groote hoogte,
om de hemellichamen en inzonderheid het planetenstelsel te beschouwen,
door wier bewegingen en invloeden, zooals Christenen zoowel als
Muzelmannen gelooven, de loop der menschelijke gebeurtenissen worden
beslist, en volgens welke deze kunnen voorspeld worden."

Dit was het voornaamste van de mededeelingen van den emir Sheerkohf,
en deze lieten den ridder Kenneth in onzekerheid, of de toestand van
krankzinnigheid uit den nu en dan overprikkelden geloofsijver van den
kluizenaar sproot, dan of hij misschien geveinsd en aangenomen was
om de vrijheden, welke hij hem verschafte. Intusschen scheen het,
dat wegens dien toestand de welwillendheid jegens hem buitengewoon
groot was, wanneer men de dweepzucht in aanmerking neemt van de
volgelingen van Mahomed, in wier midden hij leefde, ofschoon hij
de verklaarde vijand van hun geloof was. Hij meende ook eene nauwer
bekendheid tusschen den hermiet en den Sarraceen te bespeuren, dan
den woorden van den laatsten hem zouden hebben doen vermoeden, en
het was hem niet ontgaan dat de eerste de laatsten bij een anderen
naam genoemd had, dan hij zelf had opgegeven. Al deze overwegingen
spoorden hem aan tot voorzichtigheid, zoo niet tot achterdocht. Hij
besloot zijn gastheer nauwkeurig gade te slaan, en niet te haastig
te zijn in het mededeelen van den gewichtigen, aan hem opgedragen last.

"Neem u in acht, Sarraceen", zeide hij; "mij komt het voor dat de
verbeelding van onzen gastheer zoowel in de war is ten opzichte van
namen als van andere zaken. Uw naam is Sheerkohf, en hij noemde u
zoo straks bij een anderen."

"Mijn naam was Ilderim, toen ik nog in den tent van mijn vader was",
hernam de Kurdman, "en nog noemen mij velen bij dien naam. In het veld
bij de krijgslieden sta ik bekend als Leeuw van den berg, daar dit
de naam is, dien mijn goed zwaard mij heeft verworven. Maar stil,
de Hamako komt--het is om ons ter rust te brengen--ik ken zijne
gewoonte--geen mensch moet hem bij zijne nachtwaken bespieden."

De kluizenaar trad nu ook binnen, en zijne armen, terwijl hij voor hen
stond, kruiselings over elkander slaande, zeide hij op plechtigen toon:
"Gezegend zij de naam van Hem, die den rustigen nacht op den werkzamen
dag beveelt te volgen, en den kalmen slaap om de vermoeide leden te
verfrisschen, en den verontrusten geest tot kalmte te brengen."

Beide krijgslieden antwoordden: "Amen!" stonden van de tafel op,
en begaven zich naar hunne legerstede, waarheen hun gastheer hen
met zijne hand wenkte, waarop hij zich met eene buiging voor elk van
hen verwijderde.

De ridder van den Luipaard legde nu zijne zware wapenrusting af,
terwijl de Sarraceen, zijn makker, hem vriendelijk bijstond, om deze
los te maken, totdat hij daar stond in de engsluitende kleeding van
gemzenleder, die de ridders en gewapenden onder hun harnas plachten te
dragen. Zoo de Sarraceen de kracht van zijne tegenpartij bewonderd had,
toen hij in staal gekleed was, niet minder was hij thans getroffen
door de juiste evenredigheid, die in zijne gespierde en welgevormde
gestalte heerschte. De ridder daarentegen, die de beleefdheid van den
Sarraceen beantwoordde door hem in het uittrekken zijner bovenkleederen
te helpen, opdat hij des te gemakkelijker kon slapen, vond het van
zijn kant moeilijk te begrijpen, hoe zulk een teeder en rank maaksel
kon overeengebracht worden met de kracht, die hij in den strijd aan
den dag gelegd had.

Elk der krijgslieden hield een gebed, vóór dat hij zich ter rustplaats
begaf. De Muzelman wendde zich naar zijne Kaaba, het punt, waarheen
het gebed van elken volgeling van den profeet gericht moet worden,
en prevelde zijne Heidensche gebeden, terwijl de Christen, zich
uit de bezoedelende nabijheid van den ongeloovige verwijderde, zijn
groot zwaard met het kruisvormige hecht rechtopzette, en daarvóór
als het teeken van de verlossing nederknielende, zijne rozenkrans met
eene aandacht opzeide, die verhoogd werd door de herinnering aan de
tooneelen, welke hij had beleefd, en de gevaren waaruit hij dien dag
gered was. Beide krijgslieden, afgemat door vermoeienis en inspanning,
lagen weldra in een vasten slaap, ieder op zijn afzonderlijk leger.



HOOFDSTUK IV.


Kenneth, de Schot, wist niet, hoe lang hij in diepe rust verzonken was
geweest, toen hij tot bezinning kwam door een gevoel van drukking op
de borst, die eerst een vluchtigen droom van strijd met een machtigen
tegenstander te weeg bracht, en hem eindelijk geheel het gebruik
zijner zinnen teruggaf. Hij was op het punt om te vragen wie daar
was, toen hij, de oogen openende, de gedaante van den kluizenaar zag,
wild en vertoornd, zoo als wij hem beschreven hebben, naast zijn bed
staande, en zijne rechterhand op zijne borst drukkende, terwijl hij
eene kleine zilveren lamp in de andere hield.

"Zwijg", zeide de hermiet, terwijl de liggende ridder met verbazing
opzag; "ik heb u iets te vragen, dat gindsche ongeloovigen niet
hooren mag."

Deze woorden sprak hij in de Fransche taal, en niet in de lingua
franca of het mengelmoes van Oostersche en Europeesche talen, waarvan
zij zich tot hiertoe bediend hadden.

"Sta op", vervolgde hij, "trek uw mantel aan--spreek niet, maar loop
zacht, en volg mij."

Sir Kenneth stond op en nam zijn zwaard.

"Dat is niet noodig", antwoordde de kluizenaar fluisterend, "wij
gaan naar eene plaats, waar geestelijke wapenen veel helpen, en
vleeschelijke wapenen niets zijn dan riet en verwelkte kalabas."

De ridder zette zijn zwaard weder naast het bed, en alleen met zijn
dolk gewapend, waarvan zich niemand in dat gevaarlijke land scheidde,
was hij gereed om zijn geheimzinnigen waard te volgen.

De hermiet ging toen langzaam voorwaarts, en werd door den ridder
gevolgd, die nog altijd onzeker was, of de zwarte gedaante, die
voor hem heen gleed om den weg te wijzen, inderdaad niet slechts
de schepping van een verstoorden droom was. Zij zweefden, schaduwen
gelijk, naar het buitenste vertrek, zonder den Heidenschen emir te
storen, die nog in diepen slaap lag gedompeld. Voor het Kruis en het
altaar in de buitenste kamer, brandde nog eene lamp, een misboek lag
opengeslagen, en op den vloer lag een boetegeesel van dunne koorden en
draad, die nog met versch bloed bevlekt was, zonder twijfel een teeken
van de zware boetedoening van den kluizenaar. Hier knielde Theodorik
neder en wees den ridder, dat hij naast hem plaats zou nemen, op de
zwarte keisteenen, die daar gelegd schenen te zijn, om de houding van
eerbiedige overpeinzing zoo ongemakkelijk mogelijk te maken; hij las
verscheidene gebeden van de Roomsche kerk en zong met eene zachte,
maar ernstige stem drie boetpsalmen. Deze laatste vermengde hij met
zuchten en tranen en stuiptrekkende snikken, die getuigden, hoe diep
hij de goddelijke gedichten, die hij opzeide, gevoelde. De Schotsche
ridder woonde deze godsdienstoefeningen met hoogen ernst bij, terwijl
zijn oordeel omtrent zijn gastheer tevens zoo zeer begon te veranderen,
dat hij niet wist, of hij hem niet wegens de gestrengheid zijner
boete en het vuur zijner gebeden als een heilige moest beschouwen;
en toen zij van den grond oprezen, stond hij met eerbied voor hem,
als een leerling voor zijn geëerbiedigden meester. De hermiet van
zijn kant was gedurende eenige minuten stil en afgetrokken.

"Zie in dien hoek, mijn zoon", zeide hij, op een ver verwijderden
hoek van de cel, wijzende; "daar zult gij een sluier vinden; breng
dien hier."

De ridder gehoorzaamde, en in eene kleine opening, die in den muur
uitgehouwen en met eene deur van vlechtwerk gesloten was, vond hij
den sluier, dien hij zocht. Toen hij dezen bij het licht bracht,
ontdekte hij, dat hij gescheurd, en op sommige plaatsen met een donkere
zelfstandigheid bevlekt was. De kluizenaar zag hem met een diepe maar
onderdrukte aandoening aan, en eer hij tot den Schotschen ridder kon
spreken, was hij genoodzaakt zijn gevoel in een stuiptrekkenden snik
lucht te geven.

"Gij staat thans op het punt, om den rijksten schat te aanschouwen,
dien de aarde bezit," zeide hij eindelijk; "wee mij, dat mijne oogen
niet waardig zijn, om daartoe opgeheven te worden! Helaas! Ik ben
slechts het lage en verachte uithangbord, dat een vermoeiden reiziger
eene herberg van rust en veiligheid aanwijst, maar zelf altijd buiten
de deur moet blijven. Te vergeefs ben ik naar de benedenste diepten der
rotsen en midden in den schoot der dorre wildernissen gevloden. Mijn
vijand heeft mij gevonden--zelfs hij, dien ik verloochend heb, heeft
mij tot in mijne sterkten gevolgd."

Hij zweeg weder een oogenblik, en, zich tot den Schotschen ridder
wendende, zeide hij op vasten toon: "brengt gij mij eene groete van
Richard van Engeland?"

"Ik kom van wege den raad der Christen Vorsten", antwoordde de ridder;
"maar daar de Koning van Engeland ongesteld was, ben ik met de bevelen
zijner Majesteit niet vereerd."

"Uw teeken?" vroeg de hermiet.

Ridder Kenneth aarzelde; vroegere argwaan en de blijken van
krankzinnigheid, die de kluizenaar eerst aan den dag gelegd had, rezen
hem plotseling voor den geest; maar hoe zou hij een man verdenken,
wiens gedrag zoo vroom was?--"Mijne leus", zeide hij, "is deze:
Koningen bedelen bij een bedelaar."

"Dat is juist", antwoordde de hermiet en zweeg een oogenblik; toen
vervolgde hij: "ik ken u wel; maar de schildwacht op zijn post--en
de mijne is van hoog gewicht--roept vriend zoowel als vijand aan."

Hij ging toen vooruit met de lamp naar de kamer, die zij zoo straks
verlaten hadden. De Sarraceen lag in diepen slaap op zijn bed. De
kluizenaar bleef bij hem staan en zag op hem neder. "Hij slaapt",
zeide hij, "in duisternis, en moet niet gewekt worden."

De houding van den emir getuigde inderdaad van eene zeer diepe rust. De
eene arm om het lijf geslingerd, terwijl hij met zijn gelaat half
naar den muur gekeerd lag, verborgen zijne losse en lange mouw het
grootste gedeelte van zijn aangezicht; maar het hooge voorhoofd was
nog zichtbaar. Zijne zenuwen, die gedurende zijn waken zoo gedurig
in beweging waren, thans bewegingloos, alsof zijn gelaat uit zwart
marmer bestond; en zijne lange, zijden wenkbrauwen bedekten zijn
doordringend valkenoog. De geopende en ontspannen hand en de diepe
regelmatige en zachte ademhaling gaven allen blijken van de diepe
rust. Eene zonderlinge groep vormde de slaper met de hooge gestalte
van den hermiet in zijne ruwe geitenkleeding, met de lamp in de hand,
en den ridder in zijn eng leeren gewaad, de eerste met een sombere
uitdrukking van ascetische droefgeestigheid, de laatste met eene
angstige nieuwsgierigheid in zijne mannelijke trekken.

"Hij slaapt vast", zeide de kluizenaar, op denzelfden zachten toon
als zoo even, en de woorden herhalende, ofschoon hij ze niet meer
in een letterlijken maar oneigenlijken zin sprak "hij slaapt in
de duisternis, maar er zal een dag voor hem aanbreken. O Ilderim,
uwe wakende gedachten zijn nog zoo ijdel en wild als die, welke hun
dwarrelenden dans in uwe slapende hersens houden, maar de bazuin zal
zich doen hooren, en de droom zal verdwijnen."

Dit zeggende, en den ridder een teeken gevende om hem te volgen,
ging de kluizenaar naar het altaar, en zich daarachter plaatsende,
drukte hij op eene veer, die, zonder gedruisch te veroorzaken,
eene kleine ijzeren deur in de zijde van de grot deed opengaan,
die bijna onzichtbaar was, als men met de grootste nauwkeurigheid er
naar zocht. Eer de hermiet het waagde om de deur geheel te openen,
liet hij eenige droppels olie uit de lamp op de hengels vallen. Toen
de ijzeren deur geheel geopend was, ontdekte men een kleine trap,
in de rots uitgehouwen.

"Neem den sluier, dien ik draag", zeide de kluizenaar op zwaarmoedigen
toon; "en bind mij dien voor de oogen; want ik mag zonder zonde en
aanmatiging den schat niet aanschouwen, dien gij zoo straks zult zien."

Zonder te antwoorden, hulde de ridder thans het hoofd van den
kluizenaar in den sluier, en deze daalde de trap af, als een man, die
aan den weg te gewoon was, om het gebruik van licht noodig te hebben,
terwijl hij terzelfder tijd den Schot de lamp voorhield, die hem nu
volgde, verscheidene trappen afdalende. Eindelijk bleven zij staan in
een klein gewelf van onregelmatigen vorm, in een hoek waarvan de trap
eindigde, terwijl in den tegenovergestelden hoek een andere trap weder
naar boven voerde. In een derden hoek was eene Gotische deur, zeer
ruw met de gewone versiering van groepen, zuilen en beeldhouwwerk,
en waarin een sterk, met ijzer beslagen, en met groote spijkers
voorzien luikje was gemaakt. Naar dit laatste punt wendde de hermiet
zijne schreden, die schenen te aarzelen, toen hij naderde.

"Trek uwe schoenen uit", zeide hij tot mijn metgezel; "de grond,
waarop gij staat, is heilig. Verban uit het binnenste uws harten elke
wereldsche en vleeschelijke gedachte, want het zou eene doodzonde zijn,
die op deze plaats te koesteren."

De ridder legde zijne schoenen af, gelijk hem bevolen was, en de
kluizenaar toefde intusschen, als in een stil gebed verdiept; toen
stelde hij zich weder in beweging, en beval den ridder om drie malen
aan het deurtje te kloppen. Deze deed dit. De deur ging van zelf
open; althans sir Kenneth bespeurde niemand; en eensklaaps werden
zijne zinnen getroffen door een stroom van het zuiverste licht en een
sterke en bijna bedwelmende geur van de liefelijkste reukwerken. Hij
deinsde twee of drie schreden achterwaarts, en het duurde wel eene
minuut, eer hij van de verblindende en overweldigende werking van
den plotselingen overgang van duisternis in licht herstelde.

Toen hij in het vertrek trad, waarin zich deze heldere glans
verspreidde, bespeurde hij, dat het licht voortkwam uit een aantal
zilveren lampen, gevuld met de zuiverste olie, die den heerlijksten
reuk verspreidden, en aan zilveren kettingen van het gewelf van eene
kleine Gotische kapel hingen, die, evenals het grootste gedeelte
van het zonderling verblijf van den kluizenaar, in de zuivere en
harde rots uitgehouwen was. Maar terwijl op elke andere plaats,
die sir Kenneth gezien had, de arbeid, die aan de rots was besteed
geworden, van den eenvoudigsten en ruwsten aard geweest was, waren
in deze kapel de kunst en de beitels van de bekwaamste bouwkundigen
gebruikt. De geaderde gewelven rustten aan iedere zijde op zes zuilen,
die met het grootste talent waren uitgehouwen; en de wijze, waarop de
bogen met elkander verbonden waren met daarbij passende versieringen,
was geheel in den schoonsten stijl van de beste bouworde van dien
tijd. In overeenstemming van de rij pilaren, waren er aan iedere
kant zes prachtig gewerkte nissen, waarvan elke het beeld van een
der twaalf apostelen bevatte. Aan het bovenste en oostelijke einde
van de kapel stond het altaar, waarachter eene kostbare rijke gordijn
van Perzische zijde, zwaar met goud geborduurd, eene geheime plaats
bedekte, die zonder twijfel het eene of andere beeld of eene reliquie
van groote heiligheid bevatte, ter eere waarvan dit zonderlinge oord
van godsvereering was opgericht. In de overtuiging, dat dit het
geval moest zijn, ging de ridder naar het vertrek, knielde neder,
en herhaalde zijne gebeden met vuur; hierin werd hij gestoord door
dat de gordijn eensklaps opgetrokken, of liever ter zijde geschoven
werd, hoe of door wien, zag hij niet; maar in de zoo ontsloten nis
zag hij een kast van zilver en ebbenhout, met dubbele vleugeldeuren,
in het klein eene Gotische kerk nabootsende.

Terwijl hij met gespannen belangstelling naar de kast zag, gingen
ook de twee vleugeldeuren open, waardoor een groot stuk hout voor
den dag kwam, waarop de woorden gesneden waren: "Vera Crux", en
tegelijkertijd zong een koor van vrouwen het "Gloria Patri". Toen het
gezang opgehouden had, sloot zich de kast weder, en viel de gordijn,
en de ridder, die voor het altaar knielde, kon thans zijn gebed
ongestoord voortzetten tot de heilige reliquie, die zoo even voor zijne
oogen zichtbaar was geworden. Hij deed dit met den diepen ootmoed van
een man, die met zijn eigen oogen eene verhevene bevestiging van de
waarheid van zijn godsdienst gezien had, en het duurde eenigen tijd,
voor dat hij zijn gebed eindigde, opstond en het waagde naar den
kluizenaar om te zien, die hem naar deze heilige en geheimzinnige
plek geleid had. Hij zag hem, met zijn hoofd nog steeds in den sluier
gewikkeld, dien hij er zelf omheen geslagen had, als een hond, op
den drempel van de kapel liggende, en, naar het scheen, zonder het
te durven vragen, om daar over te stappen: de heiligste eerbied, de
meest berouwhebbende wroeging was in zijne houding te lezen, welke
die was van een man, die terneergebogen aan den grond gekluisterd
scheen door den druk van zijne inwendige gewaarwordingen. Het kwam
den Schot voor, dat alleen het gevoel van het diepste berouw, en de
grootste verootmoediging zulk een sterk lichaam en een zoo vurigen
geest konden vernederd hebben.

Hij naderde hem, als of hij met hem spreken wilde; maar de hermiet
voorkwam zijn voornemen, door in gesmoorde tonen van achter den sluier
en met eene stem, die uit een mummie scheen te komen, te zeggen:

"Blijf, blijf--gelukkig, dat gij dit moogt--het tafereel is nog niet
geëindigd."--Dit zeggende, stond hij van den grond op, verliet den
drempel, waarop hij tot hiertoe gelegen had, en deed de deur dicht van
de kapel, die van binnen gesloten werd door een grendel met eene veer,
waarvan de slag door de kapel weergalmde; deze deur scheen zoo nauw
met de rots verbonden, waarin het hol was uitgehouwen, dat Kenneth
nauwelijks onderscheiden kon, waar de opening geweest was. Hij stond
nu alleen in de verlichte kapel, die de reliquie bevatte, waaraan
hij kort te voren zijne hulde als Christen had bewezen, zonder andere
wapenen dan zijn dolk of ander gezelschap dan zijne vrome gedachten
en zijn onverschrokken moed.

Onzeker wat er verder gebeuren zoude, maar besloten om den loop der
gebeurtenissen af te wachten, stapte sir Kenneth door de eenzame
kapel, tot den tijd van het eerste hanengekraai. Op dezen stillen
tijd, als nacht en morgen aan elkander grenzen, hoorde hij, uit welke
streek kon hij niet onderscheiden, den klank van eene kleine zilveren
schel, zoo als bij de verheffing van de hostie bij de ceremonie of het
offer van de mis geluid wordt. Het uur en de plaats maakten dit geluid
ontzagwekkend plechtig, en hoe moedig de ridder ook was, begaf hij zich
naar den uitersten hoek van de kapel, tegenover het altaar, ten einde
zonder stoornis de gevolgen van dit onverwachte teeken gade te slaan.

Het duurde niet lang, of het zijden gordijn werd weggeschoven, en de
reliquie vertoonde zich weder aan zijn oogen. Terwijl hij eerbiedig
op de knieën zonk, hoorde hij de tonen van het Lof of den vroegdienst
der Roomsche kerk, door vrouwenstemmen gezongen, die zich even als bij
den vorigen dienst zamen vereenigden. De ridder bespeurde al spoedig,
dat de stemmen niet lang op eene plaats in de verte bleven, maar de
kapel naderden en luider werden, toen eene deur, even onzichtbaar
wanneer zij gesloten was, als die, door welke hij binnen gekomen was,
aan de andere zijde van het gewelf openging, en aan de tonen van het
koor meer ruimte gaf, om langs de bogen van het gewelf te zwellen.

De ridder vestigde zijne oogen op de opening met ademlooze aandacht,
en nog steeds in de vrome houding, die de plaats en het tooneel
vereischten. Knielende wachtte hij af wat op deze voorbereidingen
zou volgen. Een plechtige optocht scheen gereed om de deur uit te
komen. Eerst verschenen vier schoone knapen, wier ontbloote armen,
hals en beenen van de bronsachtige kleur van het Oosten waren,
en die een aangenaam kontrast vormde met de sneeuwwitte kleederen,
traden twee aan twee in de kapel. Het eerste paar droeg wierookvaten,
die zij heen en weder zwaaiden, en waarmede zij den liefelijken reuk
in de kapel nog verhoogden. Het tweede paar strooide bloemen.

Op deze volgden in goede orde de vrouwen, die het koor uitmaakten;
zes, die door hare zwarte scapulieren en zwarte sluiers over
haar wit gewaad nonnen van de orde van den berg Carmel bleken te
zijn, en even zoo vele, wier witte sluiers haar als nieuwelingen
of tijdelijke bewoonsters in het klooster deden erkennen, die
nog niet door geloften waren gebonden. De eerste hadden groote
rozenkransen in de hand, terwijl de jongere en lichtere gestalten,
welke volgden, ieder een krans van roode en witte rozen droegen. Zij
trokken in processie door de kapel, zonder de minste acht op Kenneth
te slaan, ofschoon zij zoo dicht bij hem voorbij gingen, dat hare
kleederen hem bijna aanraakten. Terwijl zij voortgingen met zingen,
twijfelde de ridder niet, of hij was in een van die kloosters, waar
de edele Christen-maagden zich voorheen openlijk aan den dienst
der kerk hadden toegewijd. De meesten waren verwijderd, sedert de
Mahomedanen Palestina hadden veroverd; maar velen werden geduld om hare
geschenken, of dankten dit aan de goedertierenheid of uit minachting
der overwinnaars, en gingen nog steeds voort, om in het geheim de
plechtige gebruiken in acht te nemen, waaraan hare geloften haar
hadden gebonden. Maar ofschoon Kenneth wist, dat dit het geval was,
had de plechtigheid van de plaats en het uur, de verrassing door de
plotselinge verschijning van deze nonnen, en de schimachtige wijze,
waarop zij hem voorbijtrokken, zulk een invloed op zijne verbeelding,
dat hij nauwelijks kon begrijpen, dat de schoone optocht, dien hij
zag, bestond uit schepselen van deze wereld, zoo zeer geleken zij op
een koor van bovennatuurlijke wezens, die aan het algemeene voorwerp
van aanbidding hulde brachten.

Dit was het eerste denkbeeld des ridders, toen de processie hem voorbij
trok, zonder handen of voeten meer te bewegen dan juist noodig was
om haar weg te vervolgen. Door het schemerachtig en godsdienstige
licht dat de lampen verspreidden, en door de wolken van wierook,
die het vertrek verduisterden, schenen zij eer te zweven dan te loopen.

Maar toen zij bij den omtocht door de kapel voor de tweede maal kwamen
bij de plek, waarop hij knielde, maakte eene van de wit gesluierde
maagden, terwijl zij hem voorbij zweefde, van den krans, dien zij
droeg, een rozenknop los, die misschien onbewust uit hare vingers voor
de voeten van sir Kenneth viel. De ridder schrikte, alsof eene pijl
hem getroffen had; want als het gemoed in hooge spanning verkeert door
hetgeen aanschouwd en verwacht wordt, geeft het geringste onverwachte
voorval aan de richting, welke de verbeelding reeds heeft genomen,
vuur en veerkracht. Maar hij onderdrukte zijne aandoening, zich
herinnerende, hoe licht een zoo onverschillig voorval kon plaats
hebben, en dat slechts de eenvormige beweging der koorzangsters aan
dit toeval alle belangrijkheid ontnam.

Terwijl de processie voor de derde maal de kapel rondtrok, volgden
de gedachten en oogen van Kenneth uitsluitend diegene onder de
nieuwelingen, die den rozenknop had laten vallen. Haar stap, haar
gelaat, hare gedaante waren zoo volkomen gelijk aan die der overige
koorzangsters dat het onmogelijk was om het minste teeken te bespeuren
dat haar van anderen onderscheidde, en toch klopte Kenneth's hart, als
dat van een vogel, die gaarne uit zijn kooi wilde breken, alsof het hem
door zijne sympathetische ingevingen wilde overtuigen, dat het meisje,
hetwelk in de rechter lijn van de tweede rij der nieuwelingen liep,
hem dierbaarder was, niet alleen dan allen, die tegenwoordig waren,
maar dan het geheele vrouwengeslacht. De romantische liefdedrift,
welke de regelen der ridderschap aankweeken, en zelfs voorschreven,
stemde zeer goed overeen met de niet minder romantische gevoelens
van den godsdienst; en men kon zeggen, dat zij elkander veeleer in de
hand dan tegenwerkten. Het was dus met eene gloeiende verwachting, die
zelfs een eenigszins godsdienstig karakter had, dat sir Kenneth, dien
het gevoel van zijn hart tot in de toppen van zijne vingers trilde,
een tweede teeken hoopte van de tegenwoordigheid van een meisje dat
hem, zooals hij zich sterk verbeeldde, reeds het eerste geschonken had.

Hoe kort de tijd ook was, gedurende welken de processie eene derde
wandeling door de kapel volbracht, scheen hij toch eene eeuwigheid
voor Kenneth. Eindelijk naderde de gestalte, die hij met zulk
eene vrome aandacht had gadegeslagen,--er was geen onderscheid
tusschen deze gesluierde gestalte en de overigen, met wie zij zich
gelijkvormig bewoog, totdat, juist toen zij voor de derde maal den
knielenden kruisvaarder voorbijging, een gedeelte van eene kleine
en welgeëvenredigde hand, zoo schoon gevormd, dat zij het hoogste
denkbeeld gaven van de volmaakte vorm van het lichaam waartoe zij
behoorde, door de plooien van het gaas te voorschijn kwam, als een
straal der maan door de lichte wolken van een zomerschen nacht,
en voor de tweede maal lag er een rozenknop voor de voeten van den
ridder van den Luipaard.

Dit tweede teeken kon niet toevallig zijn.--De overeenkomst van die
half geziene, maar schoone vrouwenhand met eene, die zijne lippen
eenmaal aangeraakt hadden, en aan wier beminnelijke eigenares hij
toen stilzwijgend eene eeuwige trouw gezworen had, kon geen bloot
toeval zijn. Ware er nog een verder bewijs noodig geweest, dan
gaf dit de schittering van dien weergaloozen robijnen ring aan den
sneeuwwitten vinger, wiens onschatbare waarde Kenneth toch geringer
geschat zou hebben dan het minste teeken, dat deze vinger kon hebben
gegeven:--en ofschoon zij gesluierd was, kon hij toch door toeval of
gunst een tipje van die zwarte lokken zien, waarvan ieder haar hem
dierbaarder was dan eene keten van echt goud. Het was de geliefde
van zijn hart! Maar dat zij hier was--in de woeste en afgelegen
woestijn--onder nonnen, die zich tot bewoneressen van wildernissen
en holen gemaakt hadden, opdat zij in het geheim die Christelijke
plechtigheden zouden kunnen verrichten, welke zij niet openlijk durfden
bijwonen--dat dit zoo was--in waarheid en werkelijkheid--dit scheen te
ongeloofelijk--het moest een droom zijn--een bedriegelijk goochelspel
der verbeelding. Terwijl deze gedachten door Kenneth's ziel vlogen,
nam dezelfde gang, waarlangs de processie in de kapel gekomen was,
deze bij haar terugkeer weder op. De jonge kerkdienaren en de zwarte
nonnen verdwenen achtereenvolgens door de geopende deur; eindelijk
vertrok ook zij, van wie hij dit dubbele teeken ontvangen had;
nochtans wendde zij onder het naar buiten gaan het hoofd, weliswaar
weinig, maar toch zichtbaar naar de plaats, waar hij vastgeworteld
als een standbeeld staan bleef. Hij bemerkte de laatste golving van
haar sluier--toen was zij verdwenen--en er daalde eene duisternis in
zijne ziel, niet minder dicht dan die, welke bijna gelijktijdig zijne
zinnen overtoog; want nauwelijks had de laatste der koorzangsters den
drempel van de deur overschreden, of deze sloot zich met een luiden
slag, en terzelfder tijd zwegen de stemmen van het koor, gingen de
lichten der kapel eensklaps uit, en bleef sir Kenneth alleen en in
volslagen duisternis. Maar voor Kenneth was eenzaamheid en duisternis
en de onzekerheid van zijn geheimzinnigen toestand niets; hij dacht
daaraan niet; hij stoorde zich daaraan niet en bekreunde zich om
niets ter wereld dan om de vluchtige verschijning, die zoo even
hem voorbijgezweefd was, en de blijken van gunst, die zij hem had
geschonken. Op den vloer naar de knoppen rond te tasten, die zij had
laten vallen--deze aan zijne lippen, aan zijn boezem te drukken--dan
beurtelings, dan te zamen--met zijne lippen de koude steenen aan te
raken, welke zij, zoo ver hij oordeelen konde, betreden had--al de
buitensporigheden te begaan, die eene krachtige liefde inboezemt en
rechtvaardigt bij hen, welke zich daaraan overgeven, dit alles waren
slechts de bewijzen van eene hartstochtelijke liefde, eigen aan alle
eeuwen. Maar het was bijzonder eigen aan de tijden der ridderschap,
dat de ridder in zijne stoutste veroveringen niet dacht aan eenige
poging, om het voorwerp van zulk eene romantische gehechtheid te volgen
of na te sporen; dat hij aan haar dacht als aan eene godheid, die,
na zich verwaardigd te hebben zich voor een oogenblik te vertoonen
aan haar vereerder, die zich aan haar dienst had gewijd, weder naar
de verborgenheid van haar heiligdom was teruggekeerd--of als eene
planeet, die over zijn lot beslist, en in een gunstig oogenblik een
genadigen straal op hem heeft doen vallen om zich dan weder in haren
nevelsluier te hullen. Al wat zijne dame deed was voor hem de daad
van een hooger wezen, dat vrij en ongestoord kon handelen, hem kon
verblijden door hare verschijning of bedroeven door hare afwezigheid,
hem kon aanmoedigen door hare vriendelijkheid of tot wanhoop brengen
door hare wreedheid--alles naar haar vrijen wil, en zonder daarin
eenige andere belemmering of verzet te ondervinden, dan die, welke
uitgedrukt werd door de trouwste diensten van het hart en het zwaard
van den kampioen, wiens eenig doel in het leven was hare bevelen te
volbrengen en haar roem door den glans van zijne daden te verheffen.

Zoodanig waren de regelen der ridderschap in zaken van liefde, die hun
alles beheerschend beginsel was. Maar sir Kenneth's verkleefdheid werd
romantisch door andere en meer bijzondere omstandigheden. Hij had nog
nooit het geluid van de stem zijner uitverkorene gehoord, ofschoon hij
hare schoonheid dikwijls met verrukking had aanschouwd. Zij bewoog
zich in een kring, dien zijn ridderlijke rang hem wel vergunde te
naderen, maar waarin hij zich niet mengen mocht; en hoezeer hij
ook uitmuntte door krijgskundige bekwaamheid en moed, was toch de
arme Schotsche ridder genoodzaakt, zijne Godheid op een afstand
te aanbidden, bijna even groot als die, welke den Pers van de zon,
het voorwerp zijner aanbidding, scheidt. Maar wanneer was het oog
eener vrouw te trotsch, om de vurige vereering van een minnaar, hoe
veel minder ook in rang, over het hoofd te zien? Haar oog was op hem
gevestigd geweest in het toernooi, haar oor had zijn lof gehoord in
de berichten omtrent de veldslagen, die dagelijks geleverd werden;
en terwijl graven, hertogen en heeren om hare gunst streden, wendde
zich deze, misschien eerst onwillekeurig of zelfs onbewust, tot den
armen ridder van den Luipaard, die weinig anders dan zijn zwaard had,
om zijn rang op te houden. Wanneer de dame om zich zag en luisterde,
bemerkte en hoorde zij genoeg, om haar te versterken in hare voorkeur,
die haar in den beginne onverhoeds overvallen had. Werd de persoonlijke
schoonheid van een ridder ge-prezen, dan maakten zelfs de fijnste dames
van het krijgshaftig hof van Engeland eene uitzondering ten gunste van
den Schot Kenneth; en het gebeurde dikwijls, dat, niettegenstaande de
aanzienlijke geschenken, welke vorsten en heeren aan de minnezangers
deden, een onpartijdige geest van onafhankelijkheid den dichter
bezielde, en de harp ter eere van een man klonk, die noch paard noch
rijk gewaad bezat, om dit tot loon van zijn lof te schenken.

De oogenblikken, waarin de hooghartige Edith naar de loftuitingen
luisterde, die haar minnaar ten deel vielen, werden haar hoe langer
hoe dierbaarder, vormden eene afwisseling met de vleierij, waarvan haar
oor moede was, en boden haar een voorwerp van geheime overdenking aan,
waardiger, zoo als hij naar het algemeen gerucht scheen, dan zij,
die hem in rang en in fortuin overtroffen. Toen hare aandacht zich
bestendig, ofschoon heimelijk, op sir Kenneth vestigde, werd zij hoe
langer hoe meer overtuigd van zijne persoonlijke genegenheid voor
haar, en meer en meer zeker in haar gemoed, dat zij in Kenneth van
Schotland den haar bestemden ridder mocht zien, die met haar in geluk
en tegenspoed--en het vooruitzicht was donker en dreigend--de vurige
gehechtheid zou deelen, waaraan de dichters van dien tijd zulk eene
algemeente heerschappij toeschreven, en die volgens de toen bestaande
zeden en gewoonten bijna gelijk stond met den godsdienst.

Maar laten wij den lezer de waarheid niet verbergen. Toen Edith den
toestand van haar hart begon te bespeuren, hoe edel hare neiging
ook zijn mocht, en hoe passend ook voor eene maagd, die niet
ver van den troon van Engeland stond--hoe zeer haar hoogmoed ook
gevleid mocht zijn door de weliswaar zeer stille, maar standvastige
hulde, die haar de ridder, dien zij onderscheidde, bewees, waren
er oogenblikken, waarin het gemoed der minnende en beminde vrouw
morde tegen de luister en pracht, die haar omgaven, en zij bijna de
schroomvalligheid van haar minnaar gispte, die scheen besloten te
hebben, om ter wille daarvan op een afstand te blijven. De etiquette,
om eene hedendaagsche uitdrukking te bezigen, van geboorte en rang had
een tooverkring om haar getrokken, waar buiten sir Kenneth zeer zeker
mocht buigen en toezien, maar dien hij evenmin mocht binnendringen,
als een opgeroepen geest de grenslijn durft overtreden, die een
machtig toovenaar hem heeft voorgeschreven. Onwillekeurig drong zich
de gedachte bij haar op, dat zij, al was het dan ook slechts de
punt van haar tooverachtigen voet, buiten de aangewezen grenslijn
moest wagen, als zij ooit aan zulk een ingetogen en beschroomden
minnaar eene gelegenheid tot de geringe gunst wilde geven, om den
riem van haar schoen te kussen. Er was een voorbeeld, het bekende
geval met de dochter van den koning van Hongarije, die een jongeling
van lagen rang edelmoedig daartoe aanspoorde; en Edith, ofschoon van
koninklijk bloed, was geene koningsdochter, evenmin als haar minnaar
van lagen rang was--de fortuin had hunne genegenheid geen zoo groote
hindernissen in den weg gelegd. Toch was er iets in het gemoed der
jonkvrouw--die zedige hoogmoed, welke de liefde zelve kluistert--die
haar in weerwil van haar hoogeren rang verbood, om die stappen te doen,
welke, in ieder geval, de kieschheid van minnaars vordert. Vooral was
sir Kenneth een zoo edel, eervol en volmaakt ridder, zooals zij zich
ten minste verbeeldde, met de strengste beginselen omtrent hetgeen
hij zichzelven en haar verschuldigd was, dat, hoe terughoudend haar
gedrag bij het ontvangen van zijne hulde ook mocht zijn, gelijk het
beeld van de eene of andere godheid, van welke men noch het gevoel
noch beantwoording van hulde verwacht, zij toch altijd vreesde, te
voorbarig van haar voetstuk af te dalen en zich te vernederen in de
oogen van haar ridderlijken aanbidder.

Niettemin kan de toewijding van den aanbidder van een afgodsbeeld
zelfs in de strakke en onbewegelijke trekken van een marmeren
beeld teekenen van goedkeuring ontdekken, en het is geen wonder,
dat zeker iets, dat even gunstig kon uitgelegd worden, uit het
schitterende oog der beminnelijke Edith straalde, wier schoonheid
inderdaad meer in de kracht der uitdrukking dan in eene groote
regelmatigheid van lijnen of in een fraai gelaat bestond. Er waren
haar eenige geringe blijken van onderscheiding ontsnapt, ondanks hare
pogingen om zich zelve te beheerschen; hoe kon anders sir Kenneth
zoo dadelijk en zeker de beminnelijke hand herkend hebben, waarvan
nauwelijks twee vingers van onder haar sluier zichtbaar waren,
of hoe kon hij zoo vast verzekerd geweest zijn, dat twee bloemen,
die na elkander op den grond gevallen waren, bestemd waren tot een
teeken van herkenning van den kant der dame van zijn hart? Door
welke reeks van opmerkingen--door welke geheime teekens, blikken
of gebaren--door welke instinktmatige vrijmetselarij der liefde,
deze mate van verstandhouding tusschen Edith en haar minnaar tot
stand kwam, dit kunnen wij niet wagen te doorgronden; want wij zijn
oud, en zulke fijne sporen van toegenegenheid, welke jongere oogen
gemakkelijk ontdekken, spotten met de kracht van de onze. Genoeg,
dat er zulk eene genegenheid tusschen deze twee bestond, die elkander
zelfs nooit gesproken hadden, ofschoon zij van den kant van Edith
door een diep besef van de bezwaren en gevaren, waaraan natuurlijk
hunne liefde zou bloot staan, binnen de palen werd gehouden, en van
dien van den ridder door duizend twijfelingen en vreezen, dat hij de
geringe teekenen, dat de dame hem opmerkte te hoog geschat had. Te
meer moesten deze gedachten bij hem opkomen, daar zij noodzakelijk
afgebroken werd door lange tusschenpoozen van schijnbare koelheid,
gedurende welke òf de vrees om de aandacht van anderen te wekken òf om
in zijne achting te dalen door te snel overwonnen te schijnen, haar tot
schijnbare onverschilligheid dwong, alsof zij zijne tegenwoordigheid
in het geheel niet bemerkte.

Dit verhaal, dat misschien een weinig vervelend is, maar door de
geschiedenis gevorderd wordt, kan strekken, om de verstandhouding--zoo
dit woord niet te sterk is--tusschen de gelieven te verklaren, toen
de onverwachte verschijning van Edith in de kapel zulk eene krachtige
uitwerking op het gemoed van haar ridder teweeg bracht.



HOOFDSTUK V.

                            De zwarte kunst en tooverslag
                            Roept vrucht'loos spooksels voor den dag!
                            Op ons bevel verdwijnt dit rot,
                            En Termagaunt en Astharoth.

                                                                 Warton.


Het diepste stilzwijgen en de dikste duisternis heerschten gedurende
meer dan een uur in de kapel, waarin wij den ridder van den Luipaard
nog steeds knielende verlaten hebben, dan eens den Hemel zijn dank
uitende, dan weder zijne dankbaarheid betuigende jegens zijne beminde
voor het teeken, waarmede hij was verwaardigd geworden. Zijne eigen
veiligheid, zijn eigen lot, waarom hij zich te allen tijde zeer
weinig bekreunde, hadden thans niet het gewicht van een korrel zand
in zijne overpeinzingen. Hij was in de nabijheid van jonkvrouw Edith,
hij had blijken van hare gunst ontvangen, hij was in eene plaats,
die door de heiligste reliquiën gewijd was. Een Christen krijgsman,
een trouw minnaar kon niets vreezen, aan niets denken, dan aan zijn
plicht jegens den Hemel en zijne verplichting jegens zijne beminde.

Na verloop van den tijd door ons opgegeven, hoorde men een schel
gefluit, als dat, waarmede de valkenier zijn valk roept, in de gewelven
der kapel. Het was een toon, die zeer slecht op deze plaats paste, en
Kenneth herinnerde zich, hoe noodig het was, dat hij op zijne hoede
bleef. Hij sprong op, en sloeg de hand aan zijn dolk. Een krakend
geluid, als dat van eene schroef of van katrollen, volgde, en een naar
boven stroomend licht, dat door eene opening uit den vloer opsteeg,
duidde aan, dat eene valdeur was opgelicht of neergedrukt. In minder
dan eene minuut vertoonde zich een lange, magere arm, gedeeltelijk
naakt, gedeeltelijk in een mouw van roode zijde gekleed, door de
opening, eene lamp zoo hoog ophoudende, als hij reiken konde, en de
gedaante, waaraan de arm behoorde, steeg stap voor stap tot op de
hoogte van den vloer der kapel. De gedaante en het gelaat van het
wezen, dat zich vertoonde, waren die van een afzichtelijken dwerg met
een groot hoofd, getooid met eene muts, die op zulk eene zonderlinge
wijze met drie pauwenveeren versierd was, een kleed van rood atlas,
waarvan de rijkdom zijne leelijkheid nog afzichtelijker maakte,
met gouden armbanden en een witte zijden sjerp, waarin hij eene dolk
met een gouden gevest droeg. Deze zonderlinge gedaante had in zijne
linkerhand eene soort bezem. Zoodra hij uit de opening, waaruit hij
opgestegen was, te voorschijn was gekomen, bleef hij stil staan en
bewoog, alsof hij zich duidelijker wilde laten zien, de lamp, die hij
langzaam langs zijn gelaat en zijn lichaam, achtereenvolgens zijne
wilde en wonderlijke trekken en zijne misvormde maar gespierde leden
verlichtende. Ofschoon de dwerg mismaakt was, was hij toch niet zoo
vergroeid, dat hij eenig gebrek aan kracht of lenigheid aan den dag
legde. Terwijl sir Kenneth dit onaangenaam voorwerp aanstaarde, rees in
zijn geest het volksgeloof omtrent de genomen of aardgeesten, die hun
verblijf in de holen der aarde houden, en deze gedaante stemde zoo zeer
overeen met de denkbeelden, die hij zich van hun voorkomen gevormd had,
dat hij haar met afkeer beschouwde, weliswaar niet met vrees vermengd,
maar toch met die soort van ontzag, die de tegenwoordigheid van een
bovennatuurlijk schepsel in het moedigste hart kan doen ontstaan.

De dwerg floot nog eens en riep van beneden een metgezel op, die hem
in leelijkheid evenaarde. Deze tweede gedaante steeg op dezelfde wijze
als de eerste naar boven; maar het was een vrouwelijke arm, die in
deze tweede verschijning de lamp omlaag hield uit het onderaardsche
gewelf, waaruit zij te voorschijn kwamen; en het was eene vrouwelijke
gedaante, zeer gelijk aan de vorige in maaksel en evenredigheden,
die zich langzaam tot den vloer verhief. Ook hare kleeding was van
rood atlas, op eene grillige wijze gesneden en bezet, alsof zij voor
eene vertooning van goochelaars of potsenmakers gekleed was geweest,
en met dezelfde nauwkeurigheid, als haar voorganger, liet zij haar
gelaat en haar persoon door de lamp beschijnen, en deze schenen
met die van den man in afzichtelijkheid te wedijveren. Maar bij dit
allerongunstigst uiterlijk was er een trek in het gelaat van beiden,
die in den hoogsten graad van vlugheid en verstand getuigde. Dit
sproot voort uit den glans van hunne oogen, welke, diep onder zwarte
kroesige wenkbrauwen liggende, zoo levendig schitterden, dat zij, als
de glans in het oog van de pad, eenigszins de bovenmatige leelijkheid
van het gelaat en den persoon schenen te vergoeden.

Sir Kenneth stond als vastgenageld, terwijl dit onbeminnelijk paar,
dat zich dicht naast elkander door de kapel bewoog en als dienstboden
de taak der reiniging scheen te verrichten; maar daar zij slechts
eene hand gebruikten, had de vloer niet veel voordeel bij dit werk,
dat zij met zonderlinge gebaren en bewegingen tot stand brachten,
die met hun geheel, voorkomen overeenstemden. Toen zij in den loop
van hunne bezigheid in de nabijheid van den ridder kwamen, hielden
zij op gebruik van hunne bezems te maken, en zich naast elkander
plaatsende vlak tegenover sir Kenneth, hielden zij wederom de lampen,
die zij droegen, zoodanig, dat hij hunne gelaatstrekken duidelijk kon
beschouwen, die, nu zij dichterbij waren geenszins bevalliger werden,
en de buitengemeene vlugheid en scherpzinnigheid deden opmerken,
waarmede hunne zwarte en glinsterende oogen het licht der lampen
terugkaatsten. Zij keerden toen het schijnsel van beide lichten
naar den ridder, en na hem aandachtig aanschouwd te hebben, zagen
zij elkander aan, en hieven een luid, schaterend gelach aan, dat in
zijne ooren weêrgalmde. De toon was zoo ijselijk, dat sir Kenneth
bij het hooren ervan schrikte, en haastig in den naam van God vroeg,
wie zij waren, die deze heilige plaats met zulke akelige gebaren en
afschuwelijke kreten ontwijdden.

"Ik ben de dwerg Nebectamus," antwoordde het mannelijke wangedrocht,
met eene stem, die met zijn uiterlijk overeenstemde, en meer geleek
naar die van de nachtraaf dan naar eenige andere, die zich bij dag
laat hooren.

"En ik ben Guenevra, zijne vrouw en zijn schat," hernam de vrouw
met een geluid, dat nog scheller en dus ook wilder dan dat van haar
metgezel klonk.

"Waarom zijt gij hier?" vroeg de ridder verder, nog niet geheel
overtuigd, dat hij menschelijke wezens voor zich zag.

"Ik ben," hervatte de dwerg met groote voorgewende deftigheid en
waardigheid, "de twaalfde Imam.--Ik ben Mahomed Mohadi, de leidsman
en gids der geloovigen. Honderd paarden staan gereed, gezadeld voor
mij en mijn gevolg in de heilige Stad zoowel als in de Stad der
Toevlucht. Ik ben degene, die getuigenis zal geven, en deze is eene
van mijne houris."

"Gij liegt!" antwoordde de dwergin, haar metgezel in nog scheller
tonen in de rede vallende: "ik ben geene van uwe houris, en gij zijt
zulk ongeloovig kaf niet als die Mahomed, van wien gij spreekt. Mijn
vloek ruste op zijne doodkist.--Ik zeg u, gij ezel van Issachar,
dat gij Arthur, Koning van Brittannië zijt, die de toovergodinnen
van het veld van Avalon stal, en ik vrouwe Guenevra, ben beroemd om
mijn schoonheid."

"Maar, in waarheid, edele heer," zeide de man, "wij zijn ongelukkige
prinsen, onder de vleugels van koning Guy van Jeruzalem, tot dat
hij door de goddelijke ongeloovigen uit zijn eigen nest verdreven
werd.--Mogen de bliksemstralen des hemels hen verteren!"

"Stil," riep eene stem aan den kant, vanwaar de ridder was
binnengekomen--"stil, gekken, pakt u weg; uw dienst is geëindigd."

Nauwelijks hadden de dwergen dit bevel gehoord, of zij bliezen onder
luid en onverstaanbaar gefluister met elkander, hunne lampen te gelijk
uit, en lieten den ridder in volslagen duisternis, die gepaard ging,
nadat het kletteren van hunne schreden zich verloren had, met het
gezelschap het best daarbij paste: eene volkomen stilte.

De ridder gevoelde zich door de verwijdering van deze ongelukkige
schepsels inderdaad verlucht. Hij kon uit hunne taal, manieren en
voorkomen er niet aan twijfelen, of zij behoorden tot die ontaarde
klasse van wezens, welke mismaaktheid van lichaam en zwakheid van
verstand in den onaangenamen toestand plaatste, om als een aanhangsel
van groote familiën door hun uiterlijk en hunne onnoozelheid hun
huisgenooten een vroolijk tijdverdrijf te verschaffen. Op een anderen
tijd zou de Schotsche ridder, die in geenerlei opzicht boven de
begrippen en zeden van zijne eeuw verheven was, in de verschijning
dier arme menschelijke karikaturen veel vermaak gevonden hebben;
maar thans hadden hunne verschijning, gebaren en taal den gang der
diepe en plechtige gewaarwordingen verbroken, die hem vervulden, en
hij verheugde zich hartelijk over de verdwijning van deze rampzalige
wezens.

Een paar minuten, nadat zij vertrokken waren, ging de deur, waardoor
hij binnengetreden was, langzaam open, en daar ze bleef aanstaan,
drong er een zwak licht door, dat scheen uit eene lantaarn, welke op
den drempel geplaatst was. Haar flauwe schemerende schijn vertoonde
eene donkere gestalte, die aan den ingang lag, en waarin hij, naderbij
komende de kluizenaar erkende, die nog in dezelfde houding lag, welke
hij vroeger had aangenomen, en zonder twijfel behouden had gedurende
den ganschen tijd, dat zijn gast in de kapel was geweest.

"Alles is voorbij," zeide de hermiet, toen hij den ridder hoorde
naderen--"en de ellendigste van alle aardsche zondaars moet zich even
goed, als hij, die zich voor den meest geëerde en den gelukkigste van
het menschelijk geslacht moet houden, van deze plaats verwijderen. Neem
het licht en leid mij naar beneden, want ik mag mijne oogen niet
ontblooten, vóór dat ik ver van deze heilige plaats ben."

De Schotsche ridder gehoorzaamde zwijgend; want een plechtig en
zalig gevoel wegens hetgeen hij gezien had, had zelfs zijne vurige
nieuwsgierigheid overwonnen. Hij wees met groote nauwkeurigheid den
weg door de verschillende geheime gangen en trappen, waarlangs zij
naar boven gekomen waren, totdat zij zich eindelijk in de buitencel
van de grot van den kluizenaar bevonden.

"De veroordeelde misdadiger is aan zijn kerker teruggegeven, en
krijgt uitstel van den eene rampzaligen dag tot den anderen, tot
dat zijn vreeselijke Rechter eindelijk het welverdiende vonnis zal
laten volvoeren."

Onder het uitspreken van deze woorden legde hij den sluier af, waarmede
zijne oogen bedekt waren geweest, en staarde daarop met een gesmoorden
en diepen zucht. Nauwelijks had hij dien weder in de nis neergelegd,
waaruit hij hem door den Schot had doen krijgen, of hij zeide
haastig en ernstig tot zijn bezoeker: "ga heen, ga heen--ter rust,
ter rust. Gij moogt slapen--gij kunt slapen--ik kan of mag dit niet."

Wegens de diepe ontroering, waarmede dit gezegd werd, begaf zich
de ridder naar het binnengedeelte van de cel; maar toen hij bij
het uitgaan van de grot omzag, bespeurde hij den kluizenaar met
krankzinnige drift den harigen deken van de schouders trekken, en
vóór dat hij nog de zwakke deur, welke de twee vertrekken van het
hol scheidde, kon sluiten, hoorde hij de slagen van den geesel van
het slachtoffer, en het gekerm van den boeteling onder zijne eigen
kastijding. Eene koude rilling voer door het lichaam van den ridder,
terwijl hij nadacht, welke zware zonde het zijn moest, die zoo hevige
wroegingen verwekte, dat, naar het scheen, zulke eene gestrenge
kastijding die noch verzoenen noch lenigen kon. Hij bad ootmoedig
zijn rozenkrans en legde zich op zijne legerstede, na een blik op
den nog slapenden Muzelman geworpen te hebben, en vermoeid door de
verschillende ervaringen van den dag en den nacht, sliep hij weldra
zoo vast als een kind. Na zijn ontwaken in den morgen overlegde hij
bij zich zelven eenige belangrijke zaken, die hem bewogen om nog twee
dagen in de grot te blijven. Hij was, zooals het een pelgrim paste,
stipt in zijne godsdienstoefeningen, maar hij werd niet weder in de
kapel toegelaten, waarin hij zulke wonderen aanschouwd had.



HOOFDSTUK VI.

            Verander van tooneel. Laat luid de hoorn weerklinken;
            De sterke leeuw kwam thans te voorschijn uit zijn hol.

                                                        Oud Tooneelstuk.


Het tooneel moet thans veranderen, zooals ons motto aangekondigd heeft
en uit de rotsachtige woestijn van de Jordaan verplaatst worden naar
de legerplaats van Richard, Koning van Engeland, die toen tusschen
St. Jean d'Acre en Ascalon was opgeslagen, en het leger bevatte,
waarmede Leeuwenhart zich een zegepralenden tocht naar Jeruzalem
beloofd had, waarin hij waarschijnlijk geslaagd zou zijn, als hij niet
ware verhinderd geworden door den naijver der Christenvorsten, die aan
dezelfde onderneming deelnamen, en door hunne geraaktheid over den
grenzenloozen trots van den Engelschen monarch en de minachting die
hij voor vorsten betoonde, welke, ofschoon zijne gelijken in rang,
echter ver beneden hem stonden in moed, stoutheid en krijgskundige
bekwaamheid.

Zulke oneenigheden, en inzonderheid die tusschen Richard en Filips van
Frankrijk, veroorzaakten twisten en moeilijkheden, die al de krachtige
maatregelen belemmerden, welke door den heldhaftigen maar onstuimigen
Richard werden voorgesteld, terwijl de gelederen der kruisvaarders
met den dag verminderden, niet alleen door het wegloopen van enkelen,
maar van geheele benden, onder aanvoering van hunne leenheeren, die
zich aan een strijd onttrokken, waarvan zij geen gunstigen uitslag
meer durfden hopen.

De invloed van het klimaat werd, zoo als gewoonlijk, noodlottig
voor krijgslieden uit het Noorden, te meer daar de onbeteugelde
losbandigheid der kruisvaarders, die een zonderling contrast vormde
met het beginsel en het doel van hun tocht, hen gemakkelijk tot
slachtoffers maakten van de nadeelige uitwerking van eene verzengende
hitte en een ijskouden dauw. Bij deze ontmoedigende oorzaken van
verlies voege men nog het zwaard van den vijand. Saladin, de grootste
naam, die in de Oostersche geschiedenis geboekt staat, had tot zijn
nadeel ondervonden, dat zijne licht gewapende volgelingen niet zeer
geschikt waren om in een gevecht van man tegen man tegenstand te
bieden aan de in ijzer gekleede Franken, en had te gelijker tijd den
ondernemenden geest van zijn vijand Richard leeren duchten. Maar zoo
zijne legers meer dan ons met groot verlies op de vlucht gedreven
werden, gaf het aantal zijner strijders hem het voordeel in de kleine
schermutselingen, waarvan vele onvermijdelijk waren. Naarmate het
leger zijner aanvallers verminderde, werden de ondernemingen van den
Sultan menigvuldiger en stouter in deze soort van guerilla-oorlog. De
legerplaats der kruisvaarders was omringd en bijna belegerd door wolken
lichte ruiterij, die op zwermen wespen geleken, welke, als men ze eens
gegrepen heeft, gemakkelijk dood gedrukt worden, maar die vleugels
hebben, om de meerdere kracht te ontwijken, en angels om schade en
onheil te stichten. Er werden voordurend gevechten tusschen voorposten
en fourageurs geleverd, waarbij menig kostbaar leven verloren ging,
zonder dat een daardoor evenredig voordeel verkregen werd; bedekkingen
werden onderschept en verbindingen afgesneden. De kruisvaarders moesten
de middelen tot onderhoud van het leven met het leven zelf koopen; en
water, gelijk dat uit de bron van Bethlehem, waarnaar Koning David,
een van de oude Monarchen verlangde, werd toen, gelijk voorheen,
slechts met bloed verkregen.

Deze moeilijkheden werden echter in eene hooge mate opgewogen door
de ernstige standvastigheid en de rustelooze werkzaamheid van Koning
Richard die met eenige zijner beste ridders altijd te paard zat,
gereed om zich naar elk punt te begeven, waar gevaar dreigde, en die
dikwijls niet alleen onverwachte hulp aan de Christenen bracht, maar
ook de ongeloovigen versloeg, wanneer zij zich reeds volkomen zeker
van de overwinning waanden. Maar zelfs het ijzeren gestel van Richard
Leeuwenhart kon niet zonder nadeel de wisselingen van het ongezonde
klimaat, gevoegd bij onophoudelijke inspanning van geest en lichaam,
verduren. Hij werd aangetast door eene dier sluipende, ondermijnende
koortsen, die eigen aan Azië zijn, en in weerwil van zijne groote
kracht en zijn nog grooter moed, werd hij eerst onbekwaam om te
paard te stijgen, en toen ongeschikt om den krijgsraad bij te wonen,
dien de kruisvaarders van tijd tot tijd hielden. Het valt moeielijk te
beslissen, of deze toestand van persoonlijke machteloosheid kwellender
dan wel dragelijker gemaakt werd door het besluit van den raad, om
een wapenstilstand van dertig dagen met Sultan Saladin te sluiten;
want zoo hij van den eenen kant ongeduldig werd door de vertraging,
welke die in den voortgang der groote onderneming te weeg bracht,
werd hij van den anderen kant eenigermate getroost door het besef,
dat anderen zich geen lauweren verwierven, terwijl hij zelf op het
ziekbed lag uitgestrekt.

Maar hetgeen Leeuwenhart het minst vergeven kon, was de algemeene
werkeloosheid, die in het leger der kruisvaarders heerschte,
zoodra zijne ziekte een ernstig karakter aannam, en de berichten,
die hij aan de zijnen met geweld ontwrong, gaven hem de overtuiging
dat de hoop van het leger afnam in evenredigheid van het toenemen
zijner ziekte, en dat de tusschenpoozing van den wapenstilstand niet
besteed werd om het leger aan te vullen, zijn moed te verhoogen,
den geest van verovering te voeden, en het tot een spoedigen en
beslissenden tocht naar de heilige stad voor te bereiden, maar
om de door hunne verzwakte strijdgenooten bezette legerplaats met
loopgraven, stormpalen en andere vestingwerken te versterken, alsof
zij zich veeleer voorbereidden om den aanval van een machtigen vijand
af te weren, zoodra de vijandelijkheden zouden beginnen, dan wel het
stoute karakter van veroveraars en aanvallers te handhaven.

De Engelsche Koning werd toornig bij deze berichten, gelijk de
gevangen leeuw, die zijn prooi van achter de ijzeren traliën
zijner kooi ziet. Van nature driftig en onstuimig, verteerde hem
de prikkelbaarheid van zijn karakter. Hij werd door zijn dienaren
gevreesd en zelfs de geneesheeren, die hem bijstonden, waagden het
niet het noodige gezag aan te nemen, dat een geneesheer noodzakelijk
op zijne patiënten moet uitoefenen, wanneer hij dezen goed behandelen
wil. Eén der getrouwe barons, die misschien uit overeenstemming van
karakter, met hart en ziel aan den persoon des Konings verknocht was,
waagde het om zich tusschen den draak en zijne grimmigheid te stellen,
en hield bedaard, maar vast, een toezicht, dat geen ander over den
gevaarlijke zieke durfde aanvaarden, en die Thomas de Multon alleen
uitoefende, omdat hij het leven en de eer van zijn vorst op hoogeren
prijs stelde dan de mate van gunst, die hij kon verliezen, of zelfs
het gevaar, dat hij misschien liep door een zoo onhandelbaren zieke,
wiens ongenoegen zoo hoogelijk te duchten was, op te passen.

Sir Thomas was lord van Gilsland in Cumberland, en in eene eeuw, waarin
geslachtsnamen en titels niet zoo duidelijk verbonden waren als thans
aan de personen die ze droegen, werd hij door de Normandiërs lord de
Vaux, en in het Engelsche door de Saksers, die aan hunne geboortetaal
verknocht waren, en zich verhoovaardigden op het Saksische bloed in
de aderen van dezen beroemden krijgsman, Thomas, of meer vertrouwelijk
Thom van Gills genoemd, naar de enge vallei, waarvan zijne uitgestrekte
bezittingen haar welbekenden naam ontleenden.

Deze veldheer was bijna in alle oorlogen geoefend, hetzij die gevoerd
waren tusschen Engeland en Schotland, of tusschen de verschillende
binnenlandsche partijen, welke destijds eerstgenoemd land verscheurden,
en had zich in allen onderscheiden zoowel door zijn krijgskundig
talent als door zijne persoonlijke dapperheid. Hij was in andere
opzichten een ruw soldaat, lomp en onbeschaafd in zijn gedrag en stil,
ja bijna norsch, in den gezelligen omgang, en, ten minste in schijn,
onbekend met alle beleefdheidsvormen en wereldsche hoffelijkheid. Er
waren echter mannen, die meenden, diep in zijn karakter te lezen,
en verzekerden, dat de lord de Vaux niet minder listig en eerzuchtig
dan lomp en stout was, en die van oordeel waren, dat, zoo hij zijn
karakter en onbesuisde stoutheid aan dat des Konings gelijk zocht
te maken, dit eenigermate althans met het doel geschiedde, om diens
gunst te verwerven en zijne eigen geheime eerzucht te bevredigen. Maar
niemand waagde het, zijne plannen, zoo hij er had, te dwarsboomen,
door met hem de gevaarlijke taak te deelen, dagelijks bij het ziekbed
van een lijder te zijn, wiens kwaal besmettelijk werd genoemd; en
nog meer bijzonder, wanneer men zich herinnerde, dat deze patiënt
Richard Leeuwenhart was, die leed onder het pijnigend ongeduld van
een krijgsman, die niet ten strijde kan trekken, en een Vorst, die
in de uitoefening van zijne macht belemmerd werd. De gemeene soldaten
echter, ten minste in het Engelsche leger, waren over het algemeen van
oordeel, dat de Vaux den Koning, gelijk de eene makker den anderen,
oppaste, met de eerlijke, onbaatzuchtige en oprechte vriendschap, die
tusschen strijd- en lotgenooten in dagelijksche gevaren was gesloten.

Het was op den avond van een Syrischen dag, dat Richard op zijn
ziekbed lag, dat voor zijn geest even kwellend werd, als het voor zijn
lichaam smartelijk was. Zijn helder blauw oog, dat te allen tijde met
ongemeen veel vuur en glans schitterde, had in gloed toegenomen door de
koorts en het ongeduld van zijn gemoed, en glinsterde van onder zijne
gekrulde en ongesneden lokken van geel haar even scherp en levendig,
als de laatste stralen van de zon door de wolken van een naderend
onweder schieten, die echter nog hare stralen verguld worden. Zijne
mannelijke trekken toonden den voortgang der uitterende ziekte, en
zijn verwaarloosde en onopgemaakte baard was over zijn lippen en kin
heengegroeid. Zich van de eene zijde op de andere werpende, nu eens
de dekens over zich heentrekkende, dan weder ze ongeduldig van zich
afstootende, toonden zijn in wanorde gebracht bed en zijne ongeduldige
gebaren te gelijker tijd de kracht en de hevige onstuimigheid van
zijn karakter, dat van nature tot groote werkzaamheid geneigd was.

Naast zijn bed stond Thomas de Vaux, in gelaat, houding en manieren het
grootst mogelijke contrast met den lijdenden monarch vormende. Zijne
lengte grensde aan het reusachtige, en zijn haar had in dikte met
dat van Simson kunnen vergeleken worden, schoon niet eerder dan
toen de lokken van den Israëlitischen richter onder de schaar van de
Filistijnen waren geweest, want die van de Vaux waren kort afgesneden,
opdat zij door den helm konden bedekt worden. Het licht van zijn groot,
bruin oog geleek dat van den herfstmorgen, en het werd slechts voor een
oogenblik verduisterd, wanneer het door Richard's hevige blijken van
aandoening en rusteloosheid van tijd tot tijd werd aangetrokken. Zijne
gelaatstrekken, die, evenals zijn lichaam, van kracht getuigden,
konden schoon geweest zijn eer zij door lidteekens misvormd waren
geworden; zijne bovenlip was, volgens Normandische gewoonte,
met een zwaren knevel bedekt, die zoo lang en weelderig groeide,
dat hij zich met zijn haar vermengde, en, gelijk dit, donker bruin
was, een weinig met grijs vermengd. Zijne gestalte scheen van dien
aard te zijn, die het best de vermoeienissen en klimaat trotseert,
want hij had smalle lendenen, eene breede borst, lange armen, eene
krachtige long en sterke leden. Hij had zijn wambuis van buffelleder,
dat het op zijn schouder gesneden kruis vertoonde, gedurende drie
nachten niet afgelegd, terwijl hij slechts de kortstondige rust
genoot, die de oppasser van een zieken monarch zich gunnen kan. Hij
veranderde zelden van houding, behalve om Richard de geneesmiddelen
of ververschingen toe te deelen, die geen van zijn minder begunstigde
bedienden den ongeduldigen Vorst kon overreden te gebruiken; en er
was iets aandoenlijks in de vriendelijke, ofschoon onhandige wijze,
waarop hij diensten verrichtte, die zoo zonderling in strijd waren
met zijne ruwe krijgsmanszeden en gewoonten.

De tent, waarin deze personen zich bevonden, had, zoo als met den aard
der tijden zoowel als het persoonlijk karakter van Richard overeenkwam,
meer een militair dan een prachtig of koninklijk aanzien. Wapenen
tot aanval en verdediging, waaronder verscheidene van vreemd en
nieuw uitgevonden maaksel, lagen in het rond, of stonden tegen de
pijlers. Huiden van dieren, die op jacht geveld waren, lagen op
den grond of langs de wanden der tent uitgespreid, en op een stapel
van dezen jachtbuit lagen drie wolfhonden van de grootste soort en
zoo wit als sneeuw. Hun kop, die met menig lidteeken van klauwen en
slachttanden bedekt was, toonde hun aandeel in het verzamelen van
de zegeteekenen, waarop zij rustten, en hunne oogen, die zij van
tijd tot tijd met een veelbeteekenenden blik en met gapenden muil op
Richard's bed vestigden, deden zien, hoezeer zij verbaasd en bedroefd
waren onder de ongewone werkeloosheid, waarin zij gedoemd waren te
deelen. Dit waren slechts de toerustingen van den krijgsman en jager,
maar op een tafeltje, dicht bij het bed, lag een driehoekig schild van
staal, waarop de drie stappende leeuwen stonden, die de ridderlijke
monarch het eerst had aangenomen, en daarvoor de gouden band, zeer
veel op een hertogskroontje gelijkende, behalve dat hij van voren
hooger dan van achteren was, en die met de geborduurde tiaar van purper
fluweel, welke de kroon omgaf, toen het zinnebeeld vormde van Engelands
souvereiniteit. Naast dezen lag, als het ware gereed om het koninklijke
eereteeken te verdedigen, eene machtige strijdbijl, die voor den arm
van ieder ander, dan Richard Leeuwenhart, te zwaar zou zijn geweest.

In eene buitenste afdeeling van de tent bevonden zich twee of
drie bedienden van den koninklijken hofstoet, ongerust over den
gezondheidstoestand huns meesters en niet minder over hunne eigene
toekomst, ingeval hij kwam te sterven. Hunne sombere bezorgdheid
verspreidde zich onder de wachten daarbuiten, die in neerslachtige
en stille overdenking heen en weer liepen, of, op hunne hellebaarden
rustend, onbeweeglijk op hun post stonden, eer als gewapende tropheën
dan als levende krijgslieden.

"Dus hebt gij mij geen betere tijdingen uit de buitenwereld te brengen,
sir Thomas?" zeide de Koning na een lang en onrustig stilzwijgen en de
koortsachtige bewegingen, die wij gepoogd hebben te beschrijven. "Al
onze ridders zijn vrouwen en onze dames bidzusters geworden, en
nergens ziet men een vonk van dapperheid of galanterie om eene
legerplaats tot luister te verstrekken, die de uitgelezensten van
Europa's ridderschap bevat.--Ha!"

"De wapenstilstand, mylord," antwoordde de Vaux met hetzelfde
geduld, waarmede hij die verklaring twintig malen had herhaald,--"de
wapenstilstand belet ons om ons als mannen van de daad te gedragen, en,
wat de dames betreft, Uwe Majesteit weet zeer wel, dat ik niet veel
deelneem aan vroolijke gezelschappen, en zelden mijn buffelleder en
staal tegen fluweel en goud verwissel;--maar zooveel ik weet, dat onze
uitgelezenste schoonen Hare Majesteit de Koningin en de Prinses op eene
bedevaart vergezellen naar het klooster van Engaddi, om hare gelofte
voor de redding van Uwe Majesteit uit deze ongesteldheid te vervullen."

"En is het zoo," zeide Richard met ziekelijk ongeduld, "dat koninklijke
vrouwen en maagden zich wagen, terwijl de ongeloovige honden, die
door het land zwerven, even weinig trouw jegens menschen als geloof
in God betoonen?"

"Neen, mylord," antwoordde De Vaux, "zij hebben Saladin's woord voor
hare veiligheid."

"Dat is waar, dat is waar!" hervatte Richard, "en ik heb den
heidenschen Sultan onrecht aangedaan--ik ben hem vergoeding daarvoor
verschuldigd--gave God, dat ik slechts in staat ware, om hem die in
persoon tusschen de beide legers aan te bieden, voor de oogen van
Christen- en heidendom!"

Terwijl Richard zoo sprak, stak hij zijn rechter arm, naakt tot aan
den schouder, buiten het bed, en zich smartelijk op zijne legerstede
verheffende, schudde hij zijn gebalde vuist, als of hij zwaard of
heerbijl greep en die boven den met juweelen versierden tulband
van den Sultan zwaaide. Het was niet zonder eenig geweld, dat de
Koning bezwaarlijk van een ander zou verdragen hebben, dat de Vaux,
in hoedanigheid van ziekenoppasser, den Koning, zijn meester, dwong,
om weder te gaan liggen, en zijn gespierden arm, zijn hals en zijne
schouders toedekte, met de zorg, die eene moeder voor een ongeduldig
kind betoont.

"Gij zijt een ruwe oppasser, maar een goed willige, de Vaux," zeide
de Koning met eene uitdrukking van bitterheid lachende, terwijl
hij zich onderwierp aan de kracht, die hij niet kon wederstaan;
"mij dunkt een vrouwenmuts zou uw somber gelaat even goed staan,
als mij eene kindermuts. Wij zouden een kind en eene min zijn, om
meisjes te verschrikken."

"Wij hebben in onzen tijd mannen verschrikt, mijn Koning," hervatte
de Vaux, "en ik vertrouw, dat wij den dag nog wel zullen beleven dat
wij die weder verschrikken. Wat is toch een aanval van de koorts,
dat wij dien niet geduldig zouden verdragen, om er te eerder van
ontslagen te worden?"

"Aanval van de koorts!" riep Richard driftig uit; "gij kunt, en
misschien te recht, denken, dat het een aanval van de koorts bij mij
is; maar wat is het bij al de overige Christen vorsten--bij Filips
van Frankrijk--bij dien dommen Oostenrijker--bij Montserrat--bij de
Hospitaal ridders--bij de Tempeliers--wat is het bij hen allen?--Ik
zal het U zeggen--het is een koude verlamming--eene doodelijke
slaapziekte--een kwaal, die hen van spraak en werkzaamheid berooft--een
kanker, die doorgevreten heeft in alles, wat edel en ridderlijk en
deugdzaam onder hen is--die hen ontrouw heeft gemaakt aan de edelste
gelofte, welke ooit ridders bezworen hadden--die hun onverschilligheid
voor den roem ingegeven heeft en hen hun gast heeft doen vergeten."

"Om 's Hemels wil, mijn Koning," hervatte de Vaux, "wees niet zoo
heftig--men zal u buiten de tent hooren, waar zulke gesprekken maar
al te zeer onder de gemeene soldaten in omloop zijn, en tweedracht en
twist in het christenleger verwekken. Bedenk, dat vooral uwe ziekte
hunne ondernemingen verlamt; eene mangonel zal beter zonder schroef
en hevel werken, dan het christenleger zonder Koning Richard."

"Gij vleit mij, de Vaux," antwoordde Richard; en daar hij geenszins
ongevoelig was voor de macht van den lof, liet hij zijn hoofd op het
kussen vallen, met een vaster besluit om te rusten, dan hij tot nog
toe aan den dag gelegd had. Maar Thomas de Vaux was geen hoveling; de
uitdrukking was ongezocht aan zijne lippen ontsnapt; en hij wist niet,
hoe hij het aangename onderwerp vervolgen zou, ten einde de stemming,
die hij verwekt had, te voeden en te verlengen. Hij zweeg derhalve,
totdat de Koning, in zijne droefgeestige mijmeringen terugzinkende,
hem driftig vroeg: "Despardieux! dit is fijn gezegd, om een zieke tot
bedaren te brengen; maar verliest dan een verbond van monarchen, eene
vergadering van edelen, eene verzameling van de geheele ridderschap
van Europa allen moed, door de ziekte van één man, al is deze man
toevallig Koning van Engeland? Waarom zou Richard's ziekte of Richard's
dood den marsch van dertig duizend man, even dapper als hij zelf,
ophouden? Wanneer de aanvoerder van de kudde herten geveld is, dan
vluchten de andere niet dadelijk bij zijn val--wanneer de valk den
aanvoerenden kraanvogel grijpt, dan neemt een ander de leiding der
bende op zich.--Waarom vergaderen de Vorsten niet en kiezen een man,
aan wien zij de aanvoering van het leger kunnen toevertrouwen."

"Waarlijk, wanneer Uwe Majesteit mij vergunt dit te zeggen," antwoordde
de Vaux, "ik hoor, dat er onder de koninklijke bevelhebbers, over
zoo iets beraadslagingen gehouden zijn."

"Ha!" riep Richard, daar zijne ijverzucht ontwaakte, en een andere
wending aan zijn geprikkelde geest gaf. "Ben ik bij mijne bondgenoten
vergeten, eer ik het laatste Sacrament ontvangen heb?--Houden zij
mij reeds voor dood?--Maar neen, neen--zij hebben gelijk.--En wien
kiezen zij tot aanvoerder van het Christenleger?"

"Rang en waardigheid," antwoordde de Vaux, "wijzen den Koning van
Frankrijk aan."

"O," hervatte de Engelsche monarch, "Filips van Frankrijk en
Navarre--Dennis Montjoie--zijne allerchristelijkste Majesteit--zeer
luid klinkende woorden! Er is slechts één gevaar bij--dat hij de
woorden en arrière voor en avant mocht gebruiken, en ons naar Parijs
terugleiden in plaats van op Jeruzalem los te rukken. Zijn staatkundig
hoofd heeft geleerd, dat er meer te winnen is door zijne leenmannen
te onderdrukken en zijne bondgenooten te plunderen, dan door met de
Turken om het heilige Graf te strijden."

"Zij zouden den Aartshertog van Oostenrijk kunnen kiezen," de Vaux.

"Hoe! omdat hij dik en sterk is, zoo als gij zelf, Thomas--bijna
zoo dik van hoofd, maar niet zóó onverschillig voor het gevaar en
ongevoelig voor beleedigingen? Ik zeg u, de Aartshertog heeft in
dien geheelen vleeschklomp geen koener geest, dan eene valsche wesp
betoont, en niet meer moed dan een winterkoninkje bezit. Weg met
hem! Hij een aanvoerder der ridderschap bij daden van roem!--Geef hem
een flesch Rijnschen wijn te drinken met zijne morsige berenhuiders
en lansknechten."

"Daar is de grootmeester der Tempeliers," vervolgde de baron, niet
ontevreden, dat hij de aandacht van zijn meester op andere onderwerpen
dan op zijne eigen ziekte kon gevestigd houden, al was het dan ook
ten koste van den goeden naam van vorsten en potentaten.--"Daar is
de grootmeester der Tempeliers, onverschrokken, kundig, dapper in
den strijd en wijs in den raad, zonder een eigen koninkrijk, om zijne
gedachten van de herovering van het heilige Land af te trekken.--Wat
denkt Uwe Majesteit van den grootmeester als algemeen aanvoerder van
het christenleger?"

"Ha, Beau Séant?" hernam de Koning. "O, tegen broeder Giles Amaury laat
zich niets inbrengen: hij verstaat het een plan voor een veldslag te
ontwerpen en voor het front te vechten, als de strijd begint. Maar,
sir Thomas, zou het billijk zijn, den heiden Saladin die zoo rijk is
aan alle deugden, welke een onchristelijken man kunnen veredelen, het
heilige Land te ontnemen, en het aan Giles Amaury te geven, een erger
Heiden, dan hij zelf--een afgodendienaar--een duivelaanbidder--een
geestenbezweerder--die in de gewelven en geheime plaatsen van
verfoeiing en duisternis de zwartste en onnatuurlijkste misdaden
bedrijft."

"De grootmeester van de Hospitaalridders van St. Jan van Jeruzalem
is van onbesproken naam, zoowel wat ketterij als tooverij betreft,"
zeide Thomas de Vaux.

"Maar is hij geen lage vrek?" antwoordde Richard driftig; "heeft
men hem niet verdacht gehouden--ja meer dan verdacht--dat hij aan de
ongeloovigen de voordelen verkocht heeft, welke zij nooit door geweld
zouden verkregen hebben? Stil, vriend, het zou beter zijn het leger
aan den handel van Venetiaansche schippers en Lombardijnsche kramers af
te staan, dan het aan den grootmeester van St. Jan toe te vertrouwen."

"Nu, dan wil ik nog slechts ééne voordracht wagen," zeide de baron
de Vaux.--"Wat zegt gij van den dapperen markies van Montserrat,
zoo wijs, zoo beschaafd, en zulk een goed krijgsman?"

"Wijs? listig wildet gij zeggen," antwoordde Richard, "beschaafd in
het salon eener dame, zoo gij wilt. O ja, Koenraad van Montserrat,
wie kent die papegaai niet? Staatkundig en wispelturig, verandert hij
even dikwijls van voornemens als de sieraden van zijn wambuis, en gij
zult nooit in staat zijn, om de kleur van zijn binnenste bekleeding
uit zijn inwendig voorkomen te gissen. Een krijgsman? ja, eene schoone
gestalte te paard, en hij kan zich dapper toonen op het toernooiplein
en binnen het strijdperk, wanneer de zwaarden stomp van punt en
bot van snede zijn, en de lansen met houten in plaats van stalen
punten zijn voorzien. Waart gij niet bij mij, toen ik tot denzelfden
vroolijken markies zeide: hier zijn wij drie goede Christenen, en op
gindsche vlakte rijdt eene bende van een stuk of zestig Saraceenen,
wat dunkt u er van, om hen onverhoeds aan te vallen? Er zijn maar
twintig van die ongeloovige honden tegen één echt ridder?"

"Ik herinner mij, dat de markies antwoordde," zeide de Vaux, "dat
zijne leden van vleesch en niet van klei waren, en dat hij liever het
hart van een mensch dan van een dier wilde hebben, al ware dat dier
dan ook een leeuw.--Maar ik zie nu wel, hoe de zaak gesteld is--wij
zullen eindigen, waar wij mede begonnen zijn, zonder hoop om aan
het heilige Graf te bidden, vóór dat de Hemel aan Koning Richard de
gezondheid terug schenkt."

Bij deze ernstige opmerking barstte Richard in een hartelijk en
schaterend gelach uit, het eerste dat hij sedert eenigen tijd had
laten hooren. "Ei wat is het geweten voor een ding," zeide hij,
"dat door zijn toedoen zelfs zulk een ruwe noordsche lord, als gij,
zijn Vorst er toe kan brengen, om zijne dwaasheid te bekennen? Het
is waar, dat, zoo zij zich niet voorstelden als bekwaam om mijn
staf van aanvoerder te houden, ik er mij weinig aan storen zou,
om aan de poppen, die gij mij achtereenvolgende hebt laten zien,
de zijden sieraden af te scheuren.--Wat raakt het mij, in welk een
schitterenden tooi van klatergoud zij rondloopen, behalve wanneer
zij als mededingers worden genoemd in de roemrijke onderneming,
waaraan ik mij heb toegewijd? Ja, de Vaux, ik beken mijn zwakheid en
de eigenzinnigheid van mijne eerzucht. Het Christenleger bevat zonder
twijfel menigen beteren ridder dan Richard van Engeland, en het zou
wijs en passend zijn om aan den besten hunner de aanvoering er van
op te dragen--maar," vervolgde de krijgshaftige monarch, zich in zijn
bed verheffende, en het dek van zijn hoofd afschuddende, terwijl zijne
oogen vonkelden, zooals zij voor den aanvang van den slag plachten te
doen, "indien zulk een ridder de banier van het Kruis op den tempel
van Jeruzalem plantte, terwijl ik buiten staat was, om aan de edele
taak deel te nemen, dan zou hij, zoodra ik sterk genoeg was om de lans
in rust te leggen, eene uitdaging op dood en leven van mij ontvangen,
wegens de verkleining van mijn roem, en de belemmering de uitvoering
van mijne onderneming.--Maar, luister welke trompetten laten zich op
een afstand hooren?"

"Die van Koning Filips, geloof ik, mijn Koning," antwoordde de
dappere Engelschman.

"Gij hebt een slecht gehoor, Thomas," hervatte den Koning,
terwijl hij trachtte op te rijzen--"hoort gij niet dat gekletter en
geschal? Bij den Hemel, de Turken zijn in de legerplaats.--Ik hoor
hun oorlogskreet."

Hij beproefde weder uit het bed te komen en de Vaux was verplicht om
zijn eigen kracht aan te wenden en den bijstand van de kamerheeren
uit de binnenste tent in te roepen, om hem terug te houden.

"Gij zijt een valsche verrader, de Vaux," zeide de vergramde monarch,
toen hij ademloos en uitgeput door de worsteling, voor de overmacht
moest zwichten en stil op zijn bed gaan liggen. "Ik wenschte dat
ik.... ik wenschte dat ik maar sterk genoeg was om uwe hersens met
mijn strijdbijl te verpletteren."

"Ik wenschte dat gij de kracht daartoe hadt mijn Koning," hervatte de
Vaux, "en dat zelfs ten koste van het gevaar, dat gij die zelve zoo
mocht gebruiken. Het voordeel zou groot voor het Christendom zijn,
als Thomas Multon dood en Richard Leeuwenhart weder zich zelf was."

"Mijn eerlijke trouwe dienaar," zeide Richard, zijne hand
uitstrekkende, die de baron eerbiedig kuste, "vergeef uw meester
zijne ongeduldige luim. Het is die brandende koorts, die tegen u
raast, en niet uw meester, Richard van Engeland. Maar ga, bid ik u,
en breng mij bericht, welke vreemdelingen er in de legerplaats zijn,
want deze klanken komen niet van Christenen."

De Vaux verliet met dat doel de tent en gelastte de pages en bedienden
der kamerheeren, om gedurende zijn afwezigheid, die hij geloofde dat
slechts kort zou zijn, hunne aandacht bij hun Vorst te verdubbelen,
met bedreiging hun verantwoordelijk te zullen houden, hetgeen eer
hunne angstvallige beschroomdheid bij het vervullen van hun plicht
vermeerderde dan verminderde; want naast den toorn van hun monarch
vreesden zij het meest dien van den strengen en onverbiddelijken lord
van Gilsland.



HOOFDSTUK VII.

                        Als Brit en Schot ooit elkander ontmoet
                          In een oord op de grens van hun staat
                        Dan is 't een wonder, als beider bloed,
                          Niet rijkelijk stroomt over straat.

                                                   Slag bij Offerbourne.


Een aanzienlijk korps Schotsche krijgslieden had zich bij de
kruisvaarders gevoegd en zich natuurlijk onder het bevel van
den Engelschen monarch geplaatst, daar zij, even als de troepen
uit diens eigen land, van Saksischen en Normandischen stam waren,
dezelfde taal spraken, eenigen van hen zoowel Engelsche als Schotsche
goederen bezaten, en in sommige gevallen door bloedverwantschap en
wederzijdsche huwelijken verbonden waren. Ook ging die tijd vooraf aan
de dagen, toen de onbegrensde eerzucht van Eduard I een noodlottig
en giftig karakter gaf aan de oorlogen tusschen de twee natiën,
daar de Engelschen voor de onderwerping van Schotland vochten, en de
Schotten met al den moed en de hardnekkigheid, die steeds hunne natie
gekenschetst heeft, voor de verdediging hunner onafhankelijkheid,
door de geweldigste middelen, onder de ongunstigste omstandigheden
en met het grootste gevaar. Tot dien tijd waren de oorlogen tusschen
de twee volken, hoewel fel en veelvuldig, volgens de beginselen van
eene eerlijke vijandschap gevoerd, en hadden zij die verzachtende
schaduwen toegelaten, waardoor de hoffelijkheid en de achting voor
erkende en moedige vijanden, de ijselijkheden des oorlogs wijzigt
en verzacht. In tijd van vrede derhalve, en vooral wanneer beide,
gelijk tegenwoordig, in een oorlog gewikkeld waren, die voor eene
gemeenschappelijke zaak werd gevoerd en hun om hunne godsdienstige
begrippen dierbaar was, vochten de avonturiers van beide volken
dikwijls naast elkander, terwijl hunne nationale ijverzucht alleen
diende om hen aan te sporen, elkander in hunne ondernemingen tegen
den algemeenen vijand te overtreffen.

Het open en krijgshaftig karakter van Richard, die geen onderscheid
tusschen zijne onderdanen en die van Alexander van Schotland maakte,
hun gedrag in den slag alleen uitgezonderd, strekte zeer om de
gelederen der beide natiën te vereenigen. Maar bij zijne ziekte en
de ongunstige omstandigheden, waarin de kruisvaarders zich geplaatst
zagen, begon de nationale oneenigheid tusschen de verschillende tot
den kruistocht verbonden benden aan den dag te komen, evenals de
wonden op nieuw in het menschelijk lichaam openbreken, wanneer het
onder den invloed van ziekte of zwakheid geraakt.

De Schotten en Engelschen, even naijverig, hooghartig en voor hoon
gevoelig,--en de eersten des te meer, omdat zij de armste en zwakste
natie waren,--begonnen het tijdvak, toen de wapenstilstand hun verbood
om hunne vereenigde wraaklust aan de Sarraceenen te koelen, door
inwendige verdeeldheid aan te vullen. Gelijk de strijdende Romeinsche
legerhoofden in oude tijden, wilden de Schotten geen oppermacht dulden,
en hunne zuidelijke naburen geene gelijkheid erkennen. Er werden
verwijten en tegenbeschuldigingen geuit, en zoowel de gemeene soldaten
als hunne aanvoerders en bevelhebbers, die in tijd van overwinning
goede makkers geweest waren, morden tegen elkander in tegenspoed,
als of hunne eensgezindheid toen niet noodiger dan ooit geweest was,
niet alleen voor den goeden uitslag van hunne gemeenschappelijke zaak,
maar ook voor hunne wederzijdsche veiligheid. Dezelfde oneenigheid
was begonnen uit te barsten tusschen de Franschen en Engelschen,
de Italianen en Duitschers, en zelfs tusschen de Denen en Zweden;
maar het was slechts de oneenigheid, welke de twee volkeren scheidde,
die één eiland had voortgebracht, en juist om deze reden te vijandiger
tegenover elkander schenen, die voornamelijk in betrekking staat tot
ons verhaal.

Onder alle Engelschen edelen, die hun Koning naar Palestina gevolgd
waren, was de Vaux het meest tegen de Schotten bevooroordeeld; zij
waren zijne naaste buren, met wie hij zijn leven lang in openbaren
en bijzonderen strijd was gewikkeld geweest, wien hij menige ramp
had berokkend, en van wie hij er niet minder ondervonden had. Zijne
liefde en verknochtheid aan den Koning was gelijk aan de innige
genegenheid van den ouden Engelschen dog jegens zijn meester, terwijl
zij hem lomp en ontoegankelijk maakte voor alle anderen, zelfs voor
hen, die hem onverschillig waren, en ruw en gevaarlijk voor ieder,
tegen wie hij een vooroordeel koesterde. De Vaux had nooit zonder
ijverzucht en misnoegen opgemerkt, dat zijn Koning eenig blijk van
welwillendheid of gunst betoonde aan den goddeloozen, bedriegelijken
en woesten stam, die geboren was aan de andere zijde van eene rivier
of van eene denkbeeldige lijn, door woestenijen en wildernissen,
getrokken, en hij twijfelde zelfs aan den goeden uitslag van een
kruistocht, waarin men deze vergunde de wapenen te dragen, daar
hij ze in het binnenste van zijne ziel weinig beter achtte dan de
Sarraceenen, die hij was komen bevechten. Men kan er bijvoegen, dat
hij, als een rondborstig, onbeschaafd Engelschman, die niet gewoon
was om de geringste aandoening van liefde of haat te verbergen, de
vleiende hoffelijkheid welke de Schotten geleerd hadden, hetzij door
navolging van hunne gewone bondgenooten, de Franschen, of door hun
eigen trotsch en achterhoudend karakter, beschouwde als een valsch
en arglistig blijk van de gevaarlijkste plannen tegen hunne naburen,
op wie hij, met echt Engelsch zelfvertrouwen, geloofde, dat zij door
openlijk optreden nooit eenig voordeel zouden kunnen behalen.

Maar ofschoon de Vaux deze meening omtrent zijne noordelijke naburen
koesterde, en die met eene geringe verzachting uitstrekte tot hen,
die het kruis hadden aangenomen, belette hem echter zijn eerbied
voor den Koning en een gevoel van den plicht, dien hem zijne gelofte
als kruisvaarder oplegde, deze op eene andere wijze te toonen, dan
door allen omgang met zijne Schotsche wapenbroeders zorgvuldig te
vermijden, voor zoover dit mogelijk was, door een norsch stilzwijgen
te bewaren, wanneer hij hen toevallig ontmoette, en door verachtelijk
op hen neder te zien, wanneer hij hen op marsch of in de legerplaats
aantrof. De Schotsche barons en ridders waren er de mannen niet naar,
om zijne minachting onopgemerkt of onbeantwoord te laten voorbijgaan;
en het kwam zoo ver, dat hij als de verklaarde en felle vijand van eene
natie beschouwd werd, die hij intusschen hoogstens niet lijden kon en
in zekere mate verachtte. Zij die de zaken onpartijdiger beschouwden,
moesten erkennen, dat, zoo hij al niet in den geest der heilige Schrift
de liefde voor hen koesterde, die lang verdraagt en zacht oordeelt,
hem geenszins de deugd ontbrak, die voorschrijft, het lot van anderen
te verlichten en hen te helpen. De rijkdom van Thomas van Gilsland
verschafte levensmiddelen en geneesmiddelen, en een deel daarvan
vloeide gewoonlijk door heimelijke kanalen in de kwartieren der
Schotten, daar zijne stroeve welwillendheid op het beginsel rustte,
dat na den vriend voor ieder, de vijand van het meeste gewicht was,
en hij alle tusschenliggende betrekkingen over het hoofd zag, als te
onbeduidend voor hem om er zelfs maar aan te denken. Deze verklaring
is noodig, om den lezer ten volle te doen begrijpen wat wij thans
zullen verhalen.

Thomas de Vaux had slechts enkele schreden buiten de koninklijke
tent gezet, of hij bespeurde, wat het veel scherper oor van den
Engelschen monarch, niet weinig geoefend in de kunst der minnezangers,
terstond ontdekt had, namelijk dat de muziek, die tot hunne ooren
was doorgedrongen, door de fluiten, schalmeien en keteltrommen
van de Sarraceenen voortgebracht werd; en op den achtergrond van
een rij van tenten, die een breeden toegang tot Richard's tent
vormden, kon hij een troep soldaten zien, die niet in dienst waren
en geschaard stonden om de plek, van waar het geluid kwam, bijna in
het midden van de legerplaats; en hij zag tot zijne groote verbazing,
te midden van de helmen van onderscheiden vorm, die de kruisvaarders
van verschillende natiën droegen, witte tulbanden en lange pieken,
welke de tegenwoordigheid van gewapende Sarraceenen verrieden,
en de groote gedrochtelijke koppen, van verscheiden kameelen en
dromedarissen, welke de middel van hun lange, ongeëvenredige halzen
boven de menigte uitstaken.

Verwonderd en misnoegd over zulk een onverwacht en zonderling
tooneel--want het was de gewoonte, om alle vredevlaggen en dergelijke
teekenen van den vijand op eene bepaalde plaats buiten de barrières
te laten--zag de baron verlangend naar iemand uit, dien hij naar de
reden van deze onrustbarende nieuwigheid kon vragen.

Den eersten, die hij maar op zich zag toekomen, herkende hij dadelijk
aan zijn deftigen en trotschen gang voor een Spanjaard of Schot;
en hij mompelde in zich zelven: "Een Schot is het--en wel die van
den Luipaard. Ik heb hem voor zijn land dapper zien vechten."

Niet geneigd om zelfs maar eene vraag te doen, was hij op het punt
om sir Kenneth voorbij te gaan met dien norschen en deftigen tred,
die schijnt te zeggen: "ik ken u, maar ik wil niets met u te doen
hebben;" maar zijn voornemen werd verijdeld door den Schot zelven, die
rechtstreeks naar hem toekwam, en tot hem met plechtige hoffelijkheid
zeide: "Mijnheer de baron de Vaux van Gilsland, ik heb last om met
u te spreken."

"Zoo!" antwoordde de Engelsche baron, "met mij? Maar spreek op,
zoo het kort is.--Ik ben hier op last van den Koning."

"Mijn last gaat Koning Richard nog van meer nabij aan," antwoordde
sir Kenneth; "ik breng hem, naar als ik vertrouw, de gezondheid."

Lord de Vaux van Gilsland mat den Schot met ongeloovige oogen, en
hervatte: "Gij zijt toch geen geneesheer, meen ik, heer Schot--ik
had bijna even goed kunnen gelooven, dat gij den Koning van Engeland
rijkdom bracht."

Ofschoon sir Kenneth over dit antwoord des barons ontstemd was,
antwoordde hij toch bedaard: "Gezondheid voor Richard is roem en
rijkdom voor het Christendom.--Maar ik heb haast; ik bid u, mag ik
den Koning zien?"

"Voorzeker niet, waarde heer," zeide de baron, "zoo niet uwe boodschap
duidelijker meegedeeld wordt. De ziekenkamers van Vorsten staan
niet open voor allen, die er om vragen, zooals in de herbergen van
het noorden."

"Mylord," zeide Kenneth, "het kruis, dat ik draag even als gij,
en het gewicht van hetgeen ik te zeggen heb, moeten mij voor het
tegenwoordige een gedrag voorbij doen zien, dat ik anders niet zou
kunnen dulden. Ronduit dan, ik breng een Moorschen geneesheer mede,
die trachten wil om eene kuur op Koning Richard te verrichten."

"Een Moorsch geneesheer!" riep de Vaux uit, "en wie wil er voor
instaan, dat hij geen vergif in plaats van geneesmiddelen medebrengt."

"Zijn eigen leven, mylord--zijn hoofd, dat hij tot waarborg aanbiedt."

"Ik heb menig stouten roover gekend," hervatte de Vaux, "die zijn
leven zoo weinig achtte als hij het verdiende, en zoo vroolijk naar
de galg wandelde, als of de beul met hem wilde dansen."

"De zaak is, mylord," hernam de Schot; "dat Saladin, aan wien niemand
den naam van een edelmoedig en dapper vijand zal ontzeggen, dezen
geneesheer hierheen heeft gezonden, met een aanzienlijk gevolg en
eene wacht, zoo als past hij de hooge achting, waarin El Hakim bij
den Sultan staat, met vruchten en ververschingen voor het vertrek van
den Koning, en met eene opdracht, die wel tusschen edele vijanden kan
plaats hebben, met den wensch, dat hij weldra van zijne koorts moge
herstellen, opdat hij te geschikter moge zijn om een bezoek van den
Sultan te ontvangen met zijn ontbloot zwaard in de hand, en honderd
duizend ruiters in zijn gevolg. Belieft gij, die in den geheimen
raad van den Koning zitting hebt, deze kameelen te doen ontladen,
en bevel tot de ontvangst van den geleerden geneesheer te geven?"

"Het is vreemd!" zeide de Vaux als in zich zelven sprekende.--"En wie
wil voor de eer van Saladin instaan, daar kwade trouw hem op eenmaal
van zijn machtigsten tegenstander zou ontslaan?"

"Ik zelf wil zijn borg zijn met mijne eer, mijn leven, en mijne
goederen."

"Vreemd!" riep de Vaux andermaal; "de Noorman wordt borg voor den
Oosterling--de Schot voor den Turk!--Mag ik u verzoeken, heer ridder,
mij te zeggen, hoe gij in deze zaak betrokken zijt geworden?"

"Ik ben op eene bedevaart afwezig geweest," hervatte sir Kenneth,
"in den loop waarvan ik een last te volbrengen had bij den heiligen
kluizenaar van Engaddi."

"Moogt gij mij dien toevertrouwen, sir Kenneth, met het antwoord van
den heiligen man?"

"Dat mag ik niet, mylord," antwoordde de Schot.

"Ik behoor tot den geheimen raad van Engeland," zeide de Engelschman
fier.

"En aan dat land ben ik geen plicht als onderdaan verschuldigd," hernam
Kenneth. "Ofschoon ik in dezen oorlog vrijwillig het persoonlijk
lot van Engeland's Vorst gevolgd ben, werd ik door den algemeenen
raad van de Koningen, vorsten en hoofdaanvoerders van het leger van
het gezegende kruis gezonden, en aan hen alleen kan ik mijn last
overbrengen."

"He! wat zegt gij?" riep de trotsche baron. "Maar verneem, boodschapper
van Koningen en vorsten, of wat gij dan zijn moogt, geen geneesheer
zal het ziekbed van Richard van Engeland naderen, zonder toestemming
van den lord van Gilsland; en hij, die zich daartegen zou willen
verzetten, zou met zijne opdracht slecht te recht komen."

Hij wilde zich trotsch omkeeren, toen de Schot, hem meer naderende,
en recht tegenover hem zich plaatsende, hem op bedaarden toon, maar
niet zonder ook van zijne zijde zijn trots te doen blijken, vroeg,
of de lord van Gilsland hem voor een edelman en een goed ridder hield.

"Alle Schotten zijn door hun geboorterecht van adel," antwoordde Thomas
de Vaux eenigszins spottend; maar zijne eigene onrechtvaardigheid
beseffende, en bespeurende dat Kenneth begon te kleuren, voegde hij
er bij: "het zou een misdaad zijn er aan te twijfelen, dat gij een
goed ridder zijt, ten minste nadat men u uw plicht zoo goed en dapper
heeft zien verrichten."

"Welnu," hernam de Schotsche ridder, voldaan door de oprechtheid van
de laatste verklaring, "laat ik u zweren, Thomas van Gilsland, dat,
zoo waar als ik een eerlijke Schot ben, wat ik voor een even groot
voorrecht houd als mijn ouden stam, en zoo zeker als ik een geslagen
ridder ben, die, herwaarts gekomen is om lof en roem in dit sterfelijk
leven te verwerven en vergiffenis voor zijne zonden in het toekomstige
leven--zoo waar, en bij het heilige kruis dat ik draag, zweer ik u,
dat ik niets anders wensch dan de redding van Richard Leeuwenhart,
door den dienst van dezen Turkschen geneesheer aan te bevelen."

De Engelschman werd getroffen door het plechtige van de verklaring,
en antwoordde met meer hartelijkheid dan hij nog getoond had: "Zeg
mij, heer ridder van den Luipaard, toegegeven dat gij, waaraan ik niet
twijfel, in deze zaak overtuigd zijt, zal ik dan wèl doen in een land,
waar de kunst van vergiftigen even algemeen is als die van koken,
dezen onbekenden geneesheer met zijne geneesmiddelen eene kuur te
laten verrichten bij een Vorst, wiens gezondheid voor de geheele
Christenheid van zoo veel waarde is?"

"Mylord," hervatte de Schot, "ik kan hierop slechts dit antwoorden,
dat mijn schildknaap, de eenige van mijn gevolg, dien mij de oorlog en
ziekten overgelaten hadden, sedert eenigen tijd aan deze zelfde koorts
geleden heeft, die in den dapperen Koning Richard het voornaamste
lid van onze heilige onderneming heeft verzwakt. Deze geneesheer,
El Hakim, heeft hem nog geen twee uren lang behandeld of hij is in
een verkwikkende slaap gevallen. Ik twijfel er geenszins aan, of hij
kan de ziekte, die zoo noodlottig gebleken is, genezen; dat hij het
voornemen heeft om dit te doen, is, dunkt mij, gewaarborgd door zijne
zending door den koninklijken Sultan, die oprecht en eerlijk gezind
is, voor zoo ver van een verblinde ongeloovige dit gezegd kan worden;
en voor den te wachten uitslag kan de zekerheid der belooning, in
geval dat het goed uitvalt, en der straf in geval van opzettelijke
mislukking, een genoegzame waarborg zijn."

De Engelschman luisterde met ter neder geslagen oogen, als iemand
die aarzelde, en nochtans niet ongenegen was om overtuigd te
worden. Eindelijk zag hij op en vroeg: "Mag ik uwen zieken schildknaap
zien, edele heer?"

De Schotsche ridder aarzelde en bloosde even, toen echter antwoordde
hij: "Gaarne, mylord van Gilsland; maar gij moet in het oog houden,
wanneer gij mijn armoedig kwartier ziet, dat de edelen en ridders
van Schotland niet zoo weelderig leven, niet zoo zacht slapen, en
zich niet zoo veel om de pracht hunner woningen bekommeren, als hunne
zuidelijke naburen. Ik ben armoedig gehuisvest, mylord van Gilsland,"
voegde hij er bij met een trotschen nadruk op het woord, terwijl hij
niet zonder tegenzin, den weg naar zijn tijdelijk verblijf wees.

Hoe groot ook de vooroordeelen van de Vaux tegen den landaard van
zijn nieuwen kennis waren, en ofschoon wij niet trachten willen te
ontkennen, dat eenige van deze door hunne armoede, die spreekwoordelijk
geworden was, werden opgewekt, bezat hij toch een te edel karakter,
om vermaak te scheppen in de kwelling van een dapper man, die aldus
gedwongen was, om een toestand aan den dag te brengen, dien zijn
hoogmoed gaarne zou hebben verborgen.

"Hij zou schande voor den kruisvaarder zijn," zeide hij, "zoo hij aan
wereldschen glans of aan weelderig gemak kon denken, terwijl hij ter
verovering van de heilige stad is uitgetogen. Het moge ons zoo erg gaan
als het wil, wij zullen het toch nog altijd beter hebben dan de scharen
van martelaren en heiligen, die, na deze oorden voor ons betreden te
hebben, thans gouden lampen en eeuwig groenende palmen dragen."

Dit was de meest bloemrijke rede, die men ooit van Thomas van Gilsland
gehoord had, te meer misschien, zoo als somtijds gebeurt, omdat hij
zijne eigen gedachten niet geheel uitdrukte, daar hij, wat hem zelven
betrof, een vriend van goede sier en van eene prachtige levenswijze
was. Onderwijl bereikten zij de plaats van het leger, waar de ridder
van den Luipaard zijn verblijf had opgeslagen.

Het uitwendig voorkomen deed hier inderdaad geene schending verwachten
van de wetten der onthouding, waaraan de kruisvaarders, volgens
den door den lord van Gilsland uitgesproken meening, zich moesten
onderwerpen. Eene plek grond, groot genoeg om misschien dertig
tenten daarop te plaatsen, volgens den regel van de afmeting der
legerplaatsen, was voor een groot deel ledig,--omdat de ridder, uit
vertooning, grond gevraagd had in evenredigheid van zijn oorspronkelijk
gevolg,--gedeeltelijk bezet door eenige weinige ellendige hutten,
haastig uit takken samengesteld en met palmbladeren bedekt. Deze
woningen schenen geheel verlaten te zijn, en verscheidene ervan
waren ineengestort. De middelste hut, die de tent van den aanvoerder
verbeeldde, onderscheidde zich door zijn banier in de gedaante van
een zwaluwstaart, welke op een punt van een speer geplaatst was, en
onbewegelijk naar beneden hing, alsof zij onder de verzengende stralen
van de Aziatische zon verwelkte. Maar geen pages of schildknapen, zelfs
geen enkele schildwacht, stond bij het zinnebeeld van leenheerlijke
macht en ridderschap. Zij had geen anderen bewaker dan zijn eigen roem.

Sir Kenneth wierp een treurigen blik om zich heen; maar zijne
gewaarwordingen onderdrukkende, trad hij de tent binnen, terwijl hij
den baron van Gilsland een teeken gaf om hem te volgen. Deze zag ook
rond met een vorschenden blik, die medelijden, niet geheel vrij van
verachting aanduidde, waarmede het misschien even nauw verbonden is
als met de liefde. Toen boog hij zijn hoogen vederbos, en trad een lage
hut binnen, die zijne forsche gedaante bijna geheel scheen te vullen.

Het binnenste der hut was grootendeels door twee bedden bezet. Het eene
was ledig, maar samengesteld uit bijeengezochte bladen en overdekt
met eene antilopen huid. Naar de wapenen, die er naast lagen en een
zilveren kruis, dat zorgvuldig aan het hoofdeneind geplaatst was, te
oordeelen, moest men dit voor de slaapplaats van den ridder zelven
houden. Op het andere lag de zieke, van wien sir Kenneth gesproken
had, een man krachtig van lichaam en ruw van gelaatstrekken, die,
naar zijn voorkomen te oordeelen, reeds boven den middelbaren leeftijd
was. Zijn bed was zachter dan dat van zijn heer, en het was duidelijk,
dat de zwierige kleederen van dezen, de lastige tabbaard, waarin de
ridders zich bij vreedzame gelegenheden vertoonden, en de overige
kleine voorwerpen van kleeding en praal door sir Kenneth tot gemak
voor zijn zieken dienaar aangewend waren. In een buiten gedeelte
van de hut, dat de Engelsche baron overzien kon, zat een knaap, met
halve laarsjes van ruwe dierhuiden, eene blauwe muts en een wambuis,
waarvan de oorspronkelijke kleur vrij verschoten was, op zijne knieën
bij een komfoor met steenkolen, en bakte op een ijzeren bord de koeken
van gerst, welke toen, even als thans nog, een geliefkoosd gerecht
van de Schotten waren. Een stuk van een antilope hing tegen een der
hoofdpijlers van de hut. Het was volstrekt niet moeilijk te begrijpen
hoe men die bekomen had; want een groote herdershond, nog edeler van
gestalte en voorkomen dan zelfs die, welke het ziekbed van Koning
Richard bewaakten, lag daar met het oog op het baksel gevestigd. Het
schrandere dier deed bij hun binnenkomen een gesmoord gemor hooren,
dat uit zijne diepe keel als een verwijderde donder klonk. Maar hij
bespeurde zijn meester, en gaf hiervan blijk door te kwispelstaarten
en zijn kop neer te leggen, en onthield zich van alle onstuimige
luidruchtige begroetingen, als of zijn edel instinkt hem geleerd had,
dat het paste om in eene ziekenkamer stil te zijn.

Naast het bed zat op een kussen, dat ook uit huiden bestond, de
Moorsche geneesheer van wien sir Kenneth gesproken had, met de beenen
kruiselings over elkander volgens Oostersche gewoonte. Het gedempte
licht liet weinig van hem zien, behalve dat het beneden gedeelte van
zijn gelaat bedekt was met een langen zwarten baard, die tot over zijne
borst hing--dat hij een hoogen tolpach op had, dat is eene Tartaarsche
muts van lamswol, welke te Astracan was bewerkt, van dezelfde donkere
kleur, als zijn wijde kaftan of Turksch gewaad. Twee doordringende
oogen, die met buitengewonen glans schitterden, waren de eenige
trekken, die in de duisternis, welke hem omgaf, konden onderscheiden
worden. De Engelsche lord stond zwijgend, bijna eerbiedig; want ondanks
de ruwheid van zijn gewoon gedrag, zou een tooneel van ellende en
armoede, met standvastigheid en zonder morren of klagen verdragen,
ten allen tijde meer achting aan Thomas de Vaux ingeboezemd hebben,
dan al de schitterende plechtigheid van eene koninklijke audientiezaal,
zelfs die van Koning Richard zelven. Men hoorde een poos lang niets
dan het zware en regelmatige ademhalen van den zieke, die in diepe
rust scheen te liggen.

"Hij heeft gedurende de laatste zes nachten geen oog toegedaan,"
zeide sir Kenneth, "zooals zijn jonge oppasser mij verzekerd heeft."

"Edele Schot," zeide Thomas de Vaux, terwijl hij de hand van den
Schotschen ridder met meer hartelijkheid drukte, dan hij zich vergunde
met woorden te doen blijken; "die toestand moet verbeterd worden--uw
schildknaap wordt te slecht gevoed en opgepast."

Bij die laatste woorden verhief hij zijne stem natuurlijk tot haar
gewonen beslissenden toon. De zieke werd in zijn slaap gestoord.

"Mijn meester," prevelde deze als in den droom, "edele sir
Kenneth--vindt gij u even als ik de wateren van de Clyde niet koel
en verfrisschend na de brakke bronnen van Palestina?"

"Hij droomt van zijn vaderland, en hij is gelukkig in zijn slaap,"
fluisterde sir Kenneth de Vaux toe; maar nauwelijks had hij deze
woorden gesproken, of de geneesheer, opstaande van de plaats, die hij
naast het bed van den zieke ingenomen had, en de hand van den patiënt,
wiens pols hij zorgvuldig gadegeslagen had, zachtjes op het bed latende
vallen, kwam bij de twee ridders, en elk van hen bij de hand nemende,
terwijl hij hun een wenk gaf om te zwijgen, geleidde hij hen naar de
voorzijde van de hut.

"In den naam van Issa Ben Mariam," zeide hij, "dien wij, even als gij,
ofschoon niet met hetzelfde blinde bijgeloof, vereeren, verstoort
de uitwerking niet van het heilzame geneesmiddel, dat hij gebruikt
heeft. Zoo hij thans wakker gemaakt werd, zou het hem het leven of
ten minste zijn verstand kosten; maar keer op het uur terug, als de
Muezzin van de minaret tot het avondgebed in de moskee roept, en,
zoo hij tot op dien tijd in rust gelaten wordt, beloof ik u, dat deze
Frankische soldaat, zonder nadeel voor zijne gezondheid, in staat
zal zijn om een kort gesprek met u te houden over alles, wat een van
u beide en in het bijzonder zijn meester, hem te vragen zal hebben."

De ridders verwijderden zich op het bevelend gezag van den geneesheer,
die volkomen het gewicht van het Oostersche spreekwoord scheen te
begrijpen, dat de ziekenkamer van den lijder het koninkrijk van den
geneesheer is.

Er ontstond eene stilte en zij bleven te zamen aan de deur van de hut
staan, sir Kenneth met het gelaat van iemand, die verwachtte, dat zijn
bezoeker afscheid zou nemen,--en de Vaux, als of hij iets op het hart
had, dat hem belette dit te doen. De hond echter was hun uit de hut
nageloopen, en stak nu zijn langen, ruigen snuit in de hand van zijn
meester, als of hij bescheiden om eenig blijk van diens genegenheid
verzocht. Hij had nauwelijks zijn doel door een vriendelijk woord
en eene kleine streeling bereikt, of, verlangend zijne dankbaarheid
en vreugde over de terugkomst van zijn heer te kennen te geven,
vloog hij in vollen ren weg, met uitgestrekten staart, heen en weer
tusschen de vervallene hutten en het plein, dat wij beschreven hebben,
maar nooit buiten die grenzen, welke zijne schranderheid hem leerde,
dat door de banier zijns meesters beschermd werden. Na eenige van
die sprongen kwam de hond dicht bij zijn meester, legde op eens zijn
vroolijken aard af, verviel weder in zijn gewonen ernst en zag er uit,
alsof hij zich schaamde, dat iets hem had kunnen bewegen, om zóó ver
zijne bedaardheid te vergeten. Beide ridders zagen hem met genot aan;
want sir Kenneth was terecht trotsch op zijn edelen hond, en de baron
uit het noorden van Engeland was natuurlijk een liefhebber van de
jacht, en wist de waarde van het dier op prijs te stellen.

"Een zeer verstandige hond," zeide hij; "mij dunkt, edele heer, Koning
Richard heeft geen jachthond, die hem evenaart, zoo hij even sterk
als vlug is. Maar mag ik u in alle eer en welwillendheid vragen,
hebt gij de afkondiging niet gehoord, dat niemand, die onder den
rang van graaf is, jachthonden zal houden binnen de legerplaats van
Koning Richard, zonder koninklijk verlof,--dat gij, sir Kenneth,
naar ik meen niet gekregen hebt?--Ik spreek als stalmeester."

"En ik antwoord als vrij Schotsch ridder," antwoordde Kenneth
op ernstigen toon. "Voor het tegenwoordige volg ik de banier van
Engeland, maar ik kan mij niet herinneren, dat ik mij ooit aan zijne
jachtwetten onderworpen heb; ook heb ik er niet zooveel eerbied
voor, dat ik hiertoe genegen zou zijn. Wanneer de trompet ons te
wapen roept, is mijn voet zoo spoedig als die van eenig ander in den
stijgbeugel--wanneer deze tot den aanval blaast, is mijne lans nog
niet het laatst in de rust gelegd. Maar in mijne uren van vrijheid
of ledigheid, heeft Koning Richard geen recht om mijne genoegens
te belemmeren."

"Niettemin," hernam de Vaux, "is het eene dwaasheid, om aan het bevel
des Konings ongehoorzaam te zijn--dus, met uw verlof, zal ik u,
daar ik in deze zaak eenig gezag heb, eene bescherming voor dezen
vriend zenden."

"Ik dank u," hervatte de Schot woel; "maar hij kent het mij aangewezen
kwartier, en binnen dat terrein kan ik hem zelf beschermen.--Maar,"
voegde hij er met eene plotselinge verandering van toon bij, "dit
is een koele dank voor eene welgemeende vriendelijkheid. Ik dank u
hartelijk, mylord. De stalknechten of jagers van den Koning zouden
Roswal kunnen vinden op een oogenblik als hij er niet op verdacht was
en hem eenig leed aandoen, dat ik waarschijnlijk niet ongewroken zou
laten, en zoo zou er kwaad van kunnen komen. Gij hebt zooveel van
mijne huishouding gezien, mylord," vervolgde hij met een glimlach,
"dat ik mij niet behoef te schamen om te zeggen, dat Roswal de
voornaamste verschaffer onzer levensmiddelen is; en ik hoop voorwaar,
dat onze Leeuw Richard niet zal zijn als de leeuw in de fabel van
den minnezanger, die op de jacht ging en den geheelen buit voor
zich behield. Ik kan niet gelooven, dat hij een armen edelman, die
hem getrouw volgt, zijn uurtje jachtvermaak en zijn stukje wild zal
misgunnen, vooral daar ander voedsel moeilijk genoeg te verkrijgen is."

"Op mijne eer, gij doet den Koning niet meer dan recht--en toch,"
zeide de baron, "er ligt iets in die woorden, jacht en wild, dat onze
Noordsche vorsten het hoofd geheel op hol brengt."

"Wij hebben onlangs gehoord," zeide de Schot, "van minnezangers en
pelgrims, dat uwe vogelvrij-verklaarde boeren in de graafschappen
York en Nottingham groote benden gevormd hebben, aan hun hoofd
den stoutsten boogschutter, Robin Hood genaamd, die tot luitenant,
den kleinen Jan, had. Mij dunkt, het ware beter, dat Richard zijn
jachtwetten in Engeland verzachtte, in plaats dat hij tracht om die
in het heilige Land van kracht te doen zijn."

"Wild werk, sir Kenneth," hernam de Vaux, de schouders ophalende, als
iemand, die een gevaarlijk of onaangenaam onderwerp van gesprek wilde
vermijden--"eene dwaze wereld, sir.--Ik moet u thans vaarwel zeggen,
daar ik dadelijk naar de tent des Konings moet terug keeren. Tegen
den vesper zal ik, met uw verlof, uw kwartier weder bezoeken en met
dezen ongeloovigen geneesheer spreken. Ik zou intusschen, zoo het u
niet beleedigt, u gaarne iets zenden, dat uw maaltijden een weinig
verbeteren kon."

"Ik dank u, mijnheer," antwoordde sir Kenneth, "maar het is niet
noodig; Roswal heeft mijne spijskamer reeds voor twee weken verzorgd,
daar de zon van Palestina weliswaar ziekten aanbrengt, maar ook tevens
dient om het wild te drogen."

De twee krijgslieden scheidden als veel betere vrienden, dan zij
elkander ontmoet hadden; maar eer zij van elkaar gingen, ontving Thomas
de Vaux nauwkeuriger mededeelingen van de zending van den Oosterschen
geneesheer, en tevens van den Schotschen ridder de geloofsbrieven,
die hij van wege Saladin voor Koning Richard medegebracht had.



HOOFDSTUK VIII.

            Een wijs geneesheer, in de heelkunst zeer bedreven.
            Is meer dan legers voor het heel van onzen staatsbelang.

                                                           Pope's Ilias.


"Dat is een vreemd verhaal, sir Thomas," zeide de zieke koning, toen
hij het bericht van den trouwhartigen baron van Gilsland gehoord had;
"zijt gij overtuigd, dat deze Schot een vertrouwbaar en oprecht
man is?"

"Ik kan het niet zeggen, mylord," antwoordde de ijverzuchtige
grensbewoner; "ik woon een weinig te dicht bij de Schotten, om veel
waarheid omtrent hen op te garen, daar ik hen altijd eerlijk en ook
valsch gevonden heb. Maar het gedrag van dezen is dat van een oprecht
man, al ware hij zoowel een duivel als een Schot--dat moet ik op mijn
geweten van hem zeggen."

"En zijn gedrag als ridder, wat zegt gij daarvan, de Vaux?" vroeg
de Koning.

"Het is meer de zaak van uwe Majesteit, om op het gedrag der mannen
acht te geven; en ik sta er voor in, dat gij het gedrag van dezen
ridder van den Luipaard wel hebt gadegeslagen. Men heeft met zeer
veel lof over hem gesproken."

"En dat terecht, Thomas," hervatte de Koning. "Wij zelven zijn daarvan
ooggetuigen geweest. Wanneer wij ons altijd aan de spits van ons leger
stellen, is het inderdaad ons doel, om te zien, hoe onze leenmannen
en volgelingen zich gedragen, en niet uit begeerte, om ijdelen roem
voor ons zelven te verwerven, zoo als sommigen vermoed hebben. Wij
kennen de ijdelheid van menschenlof, die niets is dan eene damp,
en wij gorden onze wapenrusting voor andere oogmerken aan, dan om
dien in te oogsten."

De Vaux was verbaasd, toen hij den Koning eene verklaring hoorde
afleggen, die zoo geheel onvereenigbaar met zijn aard was, en geloofde
eerst, dat niets minder, dan de nadering van den dood, hem in zulke
minachtende bewoordingen van den krijgsroem had kunnen doen spreken,
daar hij geheel en al voor dezen leefde. Maar zich herinnerende, dat
hij den koninklijken biechtvader in de buitenste tent ontmoet had,
was hij slim genoeg, om deze oogenblikkelijke zelfvernedering aan den
invloed van de vermaningen van den eerwaarden man toe te schrijven,
en liet den Koning voortspreken, zonder hem te antwoorden.

"Ja," ging Richard voort, "ik heb inderdaad de wijze opgemerkt,
waarop deze ridder zijn plicht vervult. Mijn bevelhebberschap zou
de zotskap van een nar niet waard zijn, zoo hij mijner aandacht
ontsnapt was--en hij zou reeds lang mijne gunst ondervonden hebben,
zoo ik niet tevens zijne inbeelding en verwaanden trots had opgemerkt."

"Mijn koning," hernam de baron van Gilsland, toen hij het gelaat van
den Koning zag veranderen, "ik vrees, dat ik uw wil overtreden heb,
door aan zijne overtreding steun te geven."

"Hoe, de Multon, gij?" riep de Koning op een toon van verbazing
en toorn, terwijl hij zijne wenkbrauwen samentrok.--"Gij zijne
onbeschaamdheid ondersteund!--Dat kan niet zijn."

"Ja, Uwe Majesteit zal het mij vergeven, hem te herinneren, dat ik
uit kracht van mijn ambt het recht heb, om aan mannen van edel bloed
te vergunnen, een of twee honden in het kamp te houden, en de edele
jachtkunst te beoefenen; en buitendien zou het eene zonde zijn, om
een zoo edel dier, als den hond van dezen ridder, te verlammen of
te schenden."

"Is die dan zoo schoon?" vroeg de Koning.

"Het volmaaktste schepsel onder den hemel," antwoordde de baron,
die een enthusiast liefhebber van de jacht was--"van het edelste
Noordsche ras--met eene diepe borst, een forschen staart, zwarte kleur,
en bont van borst en poten, niet gevlekt met wit, maar meer in het
grijze geschakeerd, sterk genoeg om een stier in stukken te scheuren,
en snel genoeg om eene antilope in te halen."

De Koning lachte om zijne geestdrift. "Nu, gij hebt hem verlof gegeven
om den hond te behouden, en daar is het mede uit. Wees echter niet
te mild met uwe vergunningen bij deze ridders-gelukzoekers, die geen
vorst of aanvoerder hebben, van wien zij afhangen.--Zij zijn niet
te beteugelen, en zullen geen wild in Palestina overlaten.--Maar wat
dit stuk van heidensche geleerdheid betreft--gij zegt, dat de Schot
hem in de woestijn ontmoette?"

"Neen, mijn Koning, zooals de Schot verhaalt, heeft het zich aldus
toegedragen. Hij werd naar den ouden kluizenaar van Engaddi gezonden,
van wien men zooveel spreekt...."

"Dood en hel!" riep Richard opspringende: "Door wien gezonden en
waartoe? Wie durfde iemand derwaarts zenden, terwijl onze gemalin in
het klooster van Engaddi was op eene bedevaart voor onze herstelling?"

"De raadsvergadering van de kruisvaarders heeft hem gezonden,"
antwoordde de baron de Vaux; "om welke reden, dit weigerde hij mij
te zeggen. Ik geloof, dat het ternauwernood in het kamp bekend is,
dat uwe koninklijke gemalin eene bedevaart verricht.--Ik ten minste
wist het niet--en zelfs de vorsten zullen het mogelijk niet weten,
daar de Koningin van allen omgang verwijderd is geweest, omdat Uwe
Majesteit, ingeval van besmetting, uit liefderijke voorzorg verboden
heeft, haar tot u toe te laten."

"Goed, de zaak zal onderzocht worden.--Deze Schot, deze afgevaardigde,
heeft dus een reizenden geneesheer in de grot van Engaddi
ontmoet?--Niet waar?"

"Zoo niet, mijn Koning; maar hij ontmoette, naar ik meen, nabij die
plaats een Sarraceenschen emir, met wien hij naar ridderwijze een
kleinen strijd had, en hem het gezelschap van dappere mannen waardig
bevonden hebbende, gingen zij, zoo als dolende ridders gewoon zijn,
te zamen naar de grot van Engaddi."

Hier hield de Vaux op, want hij behoorde niet tot hen, die eene lange
geschiedenis in eenen adem kunnen verhalen.

"En ontmoetten zij daar den geneesheer?" vroeg de Koning ongeduldig.

"Neen, uwe Majesteit," hervatte de Vaux; "maar toen de Sarraceen van
uwe zware ziekte hoorde, nam hij op zich, dat Saladin u zijn eigen
geneesheer zou zenden, met de krachtigste verzekeringen van diens
uitstekende bekwaamheid, en dien ten gevolge kwam hij in de grot,
nadat de Schotsche ridder een dag en langer op hem gewacht had. Hij
heeft een vorstelijk gevolg met trommen en atabalen, en bedienden te
paard en te voet, en hij heeft geloofsbrieven van Saladin bij zich."

"Zijn die door Giacomo Loredani onderzocht?"

"Ik heb ze aan den tolk laten zien, eer ik ze hierheen gebracht heb,
en zie hier hun inhoud in het Engelsch."

Richard nam eene rol, waarop deze woorden geschreven waren:
"De zegen van Allah en zijn profeet Mohammed...." (weg met dien
hond! riep Richard, met verachting spuwende, tusschen die beide
woorden,) "Saladin, Koning der Koningen, Sultan van Egypte en Syrië,
het licht en de toevlucht van de aarde, aan den grooten Melech Ric,
Richard van Engeland, onze groete. Daar wij onderricht zijn, dat de
hand van ziekte zwaar op u, onzen koninklijken broeder, gerust heeft,
en gij slechts zoodanige Nazareensche en Joodsche geneesheeren bij
u hebt, die zonder den zegen van Allah en onzen heiligen profeet
werken...." (vloek over zijn hoofd! bromde de Engelsche monarch weder,)
"zoo hebben wij, om u in dezen tijd te behandelen en te verplegen,
den geneesheer van onzen eigen persoon, Adonebec el Hakim, gezonden,
voor wiens gelaat de engel Azraël zijne vleugelen uitspreidt, en uit
de ziekenkamer wijkt; die de kracht van kruiden en steenen, den loop
van zon, maan en sterren kent, en den mensch redden kan van alles, wat
niet op zijn voorhoofd geschreven staat. En dit doen wij, u hartelijk
biddende zijne bekwaamheid te eeren en gebruik daarvan te maken; en
dit niet alleen om uwe verdienste en dapperheid ter wille te zijn,
welke de roem van alle natiën van Frangistan is, maar opdat wij den
twist, die voor het tegenwoordige tusschen ons bestaat, tot een einde
mogen brengen, hetzij door een eervol verbond, of door eene openlijke
beproeving van onze wapenen in het strijdperk; uit aanmerking, dat het
noch aan uw roem, noch aan uw rang betaamt om den dood van een slaaf
te sterven, die door zijn opzichter met een te zwaar werk belast is,
en het niet voor onzen naam dienstig is, dat een dapper vijand door
zulk eene ziekte aan onze wapens onttrokken worde. En derhalve,
moge de heilige...."

"Houd op, houd op," zeide Richard, "ik wil niets meer van zijn hond
van een profeet hooren! Het smart mij te denken, dat de dappere en
brave Sultan aan een dooden hond gelooft.--Ja, ik wil zijn geneesheer
zien. Ik wil mij aan dien Hakim toevertrouwen.--Ik wil den edelen
Sultan zijne edelmoedigheid betalen.--Ik wil hem in het veld te gemoet
trekken, zoo als hij billijk voorstelt, en hij zal geene reden hebben,
om Richard van Engeland ondankbaar te noemen. Ik zal hem met mijne
heerbijl neervellen.--Ik wil hem tot de heilige kerk bekeeren door
zulke slagen, als hij er nog zelden gevoeld zal hebben.--Hij zal zijne
dwalingen voor mijn goed kruiszwaard afzweren, en ik zal hem op het
slagveld laten doopen uit mijn eigenen helm, al ware ook het reinigende
water met ons beider bloed gemengd. Haast u, de Multon, waarom stelt
gij zulk een aangename beslissing uit? Ontbied den Hakim hierheen."

"Mylord," antwoordde de baron, die misschien een aanval van koorts in
deze overmaat van vertrouwen zag,--"bedenk, dat de Sultan een heiden
is, en dat gij zijn meest geduchte vijand zijt."

"En juist om deze reden is hij zoo veel te meer verplicht om mij in
deze zaak van dienst te zijn, uit vrees dat eene ellendige koorts den
strijd tusschen twee zulke Koningen beslisse. Ik zeg u, hij heeft mij
even zoo lief als ik hem liefheb--zoo als edele vijanden elkander
altijd doen. Op mijne eer, het zou zonde zijn, om aan zijne goede
trouw te twijfelen."

"Intusschen, mylord, zou het goed zijn, om de uitwerking van deze
geneesmiddelen op den Schotschen schildknaap af te wachten," hernam
de lord van Gilsland; "mijn eigen leven is er mede gemoeid, want
ik zou verdienen als een hond te sterven, wanneer ik onbedachtzaam
in deze zaak te werk ging, en het slagen van het Christendom deed
schipbreuk lijden"

"Ik heb u nooit uit bezorgdheid voor het leven zoo behoedzaam gezien,"
zeide Richard op verwijtenden toon.

"En zeker zou dit thans evenmin het geval bij mij zijn, mijn Koning,"
hervatte de hooghartige baron, "zoo niet uw leven evenzeer in gevaar
was als het mijne."

"Welaan dan, gij wantrouwend man, vertrek en sla de uitwerking van
het geneesmiddel gade. Ik kon bijna wenschen, dat het mij óf genas
óf doodde, want het verveelt mij, om hier te liggen als een os, die
aan de veeziekte sterft, terwijl er buiten trommen geroerd worden,
paarden trappelen, en trompetten klinken."

De baron vertrok haastig, maar besloot zijn last aan den een of anderen
geestelijke mede te deelen, daar hij zijn geweten eenigszins bezwaard
gevoelde door de gedachte, dat zijn meester door een ongeloovigen
zou worden bediend.

De aartsbisschop van Tyrus was de eerste, wien hij zijn twijfel
toevertrouwde, daar hij diens aanzien bij zijn meester Richard kende,
dien den scherpzinnigen prelaat liefhad en hoogschatte. De bisschop
hoorde de twijfelingen aan, die de Vaux opperde, met het doorzicht en
verstand, dat de Roomsche geestelijkheid onderscheidt. Hij overwoog de
godsdienstige bezwaren van de Vaux met zoo veel onverschilligheid,
als het hem vergund was bij een leek over zulk een onderwerp te
laten blijken.

"Geneesheeren," zeide hij, "zijn even als de artsenijen, die zij
gebruiken, dikwijls nuttig, al zijn de eersten ook door geboorten of
zeden de laagste der menschen, even zoo als de laatste in vele gevallen
uit de gemeenste stoffen getrokken worden. Men mag den bijstand van
heidenen en ongeloovigen in den nood gebruiken, en er is grond om
te gelooven, dat eene reden waarom zij op de aarde geduld worden is,
dat zij ten dienste van ware Christenen strekken mogen--dus maken wij
wettig slaven van de heidensche gevangenen. Voorts lijdt het geen
twijfel, of de eerste Christenen maakten gebruik van de diensten
van onbekeerde heidenen.--Zoo waren in het schip van Alexandrië,
waarin de gezegende apostel Paulus naar Italië overstak, de schippers
zonder twijfel heidenen; maar wat zeide de heilige man, toen hun
dienst vereischt werd--nisi hi in navi manserint, vos salvi fieri
non potestis [1]--Voorts zijn de Joden even goed ongeloovigen ten
opzichte van het Christendom, als de Mahomedanen. Maar er zijn weinig
andere geneesheeren in het kamp dan Joden, en deze worden zonder
eenige ergernis of bedenking gebruikt. Dus kunnen de Mahomedanen
in die hoedanigheid voor hun diensten gebezigd worden--quod erat
demonstrandum, hetgeen te bewijzen was."

Deze redeneering deed den twijfel zwichten van Thomas de Vaux die
vooral overtuigd werd door de Latijnsche aanhaling, daar hij geen
woord ervan verstond.

Maar de bisschop sprak op verre na zoo vloeiend niet, toen hij
de mogelijkheid van een trouwelooze handelwijze bij den Sarraceen
overwoog; en in dit geval kwam hij niet zoo spoedig tot beslissing. De
baron liet hem de geloofsbrieven zien. Hij las en herlas die, en
vergeleek het oorspronkelijke met de vertaling.

"Het is een schotel, die verwonderlijk voor het gehemelte van Koning
Richard is toebereid, en ik kan niet nalaten achterdocht tegen den
listigen Sarraceen te voeden. Zij zijn bijzonder behendig in de kunst
van vergiftigen, en zij kunnen het vergif zóó toedienen, dat het
weken noodig heeft, om zijne uitwerking op den lijder uit te oefenen,
en gedurende dezen tijd kan de misdadiger vrij ontsnappen. Zij kunnen
laken en leder, ja zelfs papier en perkament met het fijnste vergif
doordringen.--Heilige maagd behoed mij!--En waarom houd ik, daar ik
dit weet, dezen geloofsbrief zoo dicht bij mijn gelaat!--Neem hem,
sir Thomas, neem hem spoedig."

Bij deze woorden overhandigde hij den brief met uitgestrekten arm
en een schijn van haast aan den baron. "Maar kom, mylord de Vaux,"
vervolgde hij, "laten wij ons naar de tent van dien zieken schildknaap
begeven, waar wij vernemen zullen, of deze Hakim werkelijk de kunst
bezit om te genezen, zoo als hij verzekert, eer wij overleggen,
of het veilig is, hem te vergunnen zijne kunst op Koning Richard
uit te oefenen.--Maar wacht! laat ik eerst mijn reukfleschje nemen,
want deze koortsen verspreiden zich als de pest.--Ik zou u raden om
gedroogde rozemarijn in azijn gedoopt te gebruiken, mylord. Ik versta
ook iets van de geneeskunst."

"Ik dank u hoogeerwaarde," hernam Thomas van Gilsland, "maar zoo ik
voor de koorts vatbaar ware geweest, zou ik die al lang bij het bed
van mijn meester gekregen hebben."

De bisschop van Tyrus bloosde, want hij had de nabijheid van den
zieken vorst gemeden; en verzocht nu den baron voor te gaan.

Toen zij voor de ellendige hut stonden, waarin Kenneth van den
Luipaard en zijn volgeling huisden, zeide de bisschop tegen de Vaux:
"Nu waarlijk, mylord, deze Schotsche ridders dragen minder zorg voor
hunne bedienden dan wij voor onze honden. Dit is een ridder zooals
men zegt, dapper in den slag, en waardig geoordeeld om in tijd van
wapenstilstand met een gewichtigen last vereerd te worden, en zijn
schildknaap is slechter gehuisvest dan in het ergste hondenhok van
Engeland. Wat zegt gij van uwe buren?"

"Dat een meester genoeg voor zijn dienaar doet, wanneer hij hem geen
slechter huisvesting geeft, dan hij zelf heeft," antwoordde de Vaux
en trad de hut binnen.

De bisschop volgde niet zonder kennelijken tegenzin; want, ofschoon
het hem in sommige opzichten niet aan moed ontbrak, werd die achter
door een sterke en levendige zorg voor zijne eigen veiligheid
getemperd. Hij bedacht evenwel, dat het noodzakelijk was, in persoon
over de bekwaamheid van den Arabischen geneesheer te oordeelen, en
trad de hut binnen met eene statigheid van manieren, die, naar hij
dacht, wel berekend was, om den vreemdeling eerbied in te boezemen.

De prelaat was inderdaad een aanzienlijk en ontzagwekkend persoon. In
zijne jeugd was hij uitstekend schoon geweest, en wilde zelfs in zijn
ouderdom dit ongaarne minder schijnen. Zijn bisschoppelijk gewaad was
van de rijkste soort, met kostbaar bont omzet, en door een kunstig
geborduurd koorkleed bedekt. De ringen aan zijne vingers waren eene
rijke baronie waard, en aan zijne muts, die thans wegens de hitte los
hing en naar achter geworpen was, waren gespen aangebracht van zuiver
goud, om ze naar goedvinden te kunnen vastmaken. Zijn langen baard,
zilver door den ouderdom hing over zijne borst. Een van de jonge
misbedienden, die hem begeleidden, maakte eene kunstmatige schaduw,
die toen eigen aan het Oosten was, door dat hij boven zijn hoofd een
zonnescherm van palmbladeren hield, terwijl de andere zijn eerwaarden
meester met een waaier van pauwenveeren verkoelde.

Toen de bisschop van Tyrus de hut van den Schotschen ridder binnentrad,
was de meester afwezig, en de Moorsche geneesheer, dien hij zien wilde,
zat in dezelfde houding, waarin de Vaux hem eenigen uren te voren
verlaten had, met de beenen kruiselings, op een mat van gevlochten
bladeren, naast den patiënt, die in een diepen slaap scheen te liggen,
en wiens pols hij van tijd tot tijd voelde. De bisschop bleef twee of
drie minuten zwijgend voor hem staan, alsof hij eene eerbiedige groete
verwacht had, of ten minste, dat de Sarraceen door zijn eerwaardig
voorkomen zou getroffen zijn geworden. Maar Adonebec el Hakim sloeg,
behoudens een vluchtigen blik, geen acht op hem, en toen de prelaat
hem eindelijk in de lingua franca begroette, antwoordde hij slechts
met de gewone Oostersche begroeting salam alicum--vrede zij met u.

"Zijt gij een geneesheer, ongeloovige?" vroeg de bisschop eenigermate
gebelgd over deze koele ontvangst. "Ik wilde met u over de kunst
spreken."

"Indien gij iets van de geneeskunst verstondt," antwoordde El
Hakim, "dan zoudt gij begrijpen, dat de geneesheeren geen consult of
beraadslaging in de kamer van den zieke houden. Hoor," ging hij voort,
toen men het dof geknor van den hond in de binnenste hut vernam,
"zelfs de hond kon u rede leeren, priester. Zijn instinkt leert hem
zijn geblaf binnen het bereik van den zieke te onderdrukken.--Kom
buiten de tent," zeide hij, terwijl hij opstond en voorging, "als
gij mij iets te zeggen hebt."

Niettegenstaande de eenvoudigheid der kleeding van den Sarraceenschen
geneesheer en zijne geringere grootte, wanneer deze met den langen
prelaat en den reusachtigen Engelschen baron vergeleken werd,
was er iets indrukwekkends in zijn voorkomen en gelaat, dat den
bisschop van Tyrus belette, om het ongenoegen, dat hij over deze
niet zeer hoffelijke terechtwijzing ondervond, al te sterk uit te
drukken. Toen zij buiten de hut waren, staarde hij Adonebec zwijgend
eenige oogenblikken aan, vóór hij een geschikte wijze kon vinden om
het gesprek te hervatten. Men zag geene lokken onder de hooge pelsmuts
van den Arabier, die ook een gedeelte van zijn voorhoofd bedekte,
dat grootsch en breed scheen, en vrij van rimpels was, zoowel als
zijne wangen, waar men die onder de schaduw van zijn langen baard
kon zien. Het doordringende zijner zwarte oogen hebben wij reeds
vroeger vermeld.

De prelaat, getroffen door zijne schijnbare jeugd, maakte ten slotte
een eind aan het stilzwijgen, dat de ander volstrekt geen haast had
af te breken, door den Arabier te vragen, hoe oud hij was.

"De jaren van gewone menschen," zeide de Sarraceen, "worden naar hunne
rimpels en die der wijzen naar hunne studiën geteld. Ik durf mij niet
ouder noemen dan honderd omwentelingen van de Hegira." Hiermede wilde
hij zeggen, dat zijne kundigheden wel in honderd jaren hadden kunnen
verkregen worden.

De baron van Gilsland, die dit voor eene letterlijke verklaring
opnam, dat hij honderd jaren oud was, zag den prelaat twijfelend aan,
en ofschoon deze de meening van El Hakim begreep, beantwoordde hij
echter zijn blik door geheimzinnig het hoofd te schudden. Hij zette
een gewichtig gelaat en vroeg weder op een toon van gezag, welk bewijs
van zijn geneeskundige bekwaamheid Adonebec geven kon.

"Gij hebt het woord van den machtigen Saladin," antwoordde de wijze,
terwijl hij zijne muts als een teeken van eerbied aanraakte; "een
woord, dat nooit tegen vriend of vijand gebroken werd--wat zoudt gij
meer kunnen verlangen, Nazareër?"

"Ik wilde gaarne ooggetuige van uwe bekwaamheid zijn," zeide de baron,
"en zonder dit nadert gij het bed van Koning Richard niet."

"De lof van den geneesheer," hernam de Arabier, "ligt in het herstel
van den patiënt. Zie dezen schildknaap, wiens bloed verdroogd is door
de koorts, welke uwe legerplaats met scheletten heeft opgevuld, en
waartegen de kunst van uwe Nazareesche geneesheeren even veel vermocht,
als een zijden wambuis tegen eene stalen lans. Bezie zijne vingers en
armen, uitgeteerd gelijk de klauwen en beenen van den kraanvogel. De
dood had hem dezen morgen reeds met zijne klauw getroffen, maar al ware
Azraël aan de eene zijde van de legerstede geweest en ik aan de andere,
dan zou zijne ziel nog niet aan zijn lichaam ontrukt zijn. Stoort
mij niet met verdere vragen, maar wacht het beslissend oogenblik af,
en ziet in stille verbazing het wonderbaarlijk gevolg aan."

De geneesheer wendde zich nu naar zijn astrolabium, het orakel
der Oostersche wetenschap, en wachtte met ernstige oplettendheid,
tot dat de juiste tijd van het avondgebed gekomen was. Toen zonk
hij op zijne knieën met het gelaat naar Mekka gekeerd, en zeide de
gebeden op, die den werkdag der Muzelmannen besluiten. De bisschop
en de Engelsche baron zagen elkander intusschen aan, met blijken van
verachting en verontwaardiging; maar geen van beide achtte het zaak,
om El Hakim in zijn godsdienstoefening te storen, hoe onheilig zij
die ook beschouwden.

De Arabier stond op van den grond, waarop hij zich had neergeworpen,
en de hut binnentredende, waar de lijder uitgestrekt lag, trok hij uit
een zilveren doosje een spons, die misschien in een aromatiek vocht
gedoopt was, want toen hij ze aan den neus van den slapende hield,
niesde deze, ontwaakte en zag met wilde blikken in het rond. Het
was een vreeselijk schouwspel, toen hij daar bijna naakt op zijn
bed lag, de beenderen en peezen zichtbaar door zijn vel, als of
zij nooit met vleesch waren bekleed geweest; zijn gelaat was lang,
en met rimpels begroefd, maar zijn oog, dat eerst wild ronddwaalde,
werd langzamerhand kalmer. Hij scheen de tegenwoordigheid van zijne
hooge bezoekers te bespeuren, want hij deed zwakke pogingen om het
dek van het hoofd te trekken, ten teeken van eerbied, terwijl hij
met zachte en onderdanige stem naar zijn meester vroeg.

"Kent gij ons, vriend?" vroeg de lord van Gilsland.

"Niet volkomen, mylord," antwoordde de schildknaap zwak. "Mijn slaap
is lang en vol droomen geweest. Echter weet ik, dat gij een groot
Engelsch lord zijt, zooals uit het roode kruis blijkt, en dit is een
heilig prelaat, om wiens zegen ik voor mij, armen zondaar, vraag."

"Gij hebt dien--Benedictio Domini sit vobis [2] zeide de prelaat,
het teeken des kruises makende, maar zonder nader bij het bed van
den zieke te komen.

"Uwe oogen zien," zeide de Arabier, "dat de koorts bedwongen is--hij
spreekt met kalmte en herinnering--zijn pols slaat even rustig als
de uwe--onderzoekt het zelf."

De prelaat wees dit van de hand; maar Thomas van Gilsland, die meer
moed bezat, deed het en overtuigde zich, dat de koorts werkelijk
verdwenen was.

"Dit is zeer merkwaardig," zeide de ridder, den bisschop aanziende;
"de man is zeker genezen. Ik moet dezen geneesheer terstond naar de
tent van Koning Richard brengen.--Wat denkt uw hoog eerwaarde daarvan?"

"Wacht, laat ik de eene genezing voltooien, vóór dat ik de andere
begin," antwoordde de Arabier; "ik zal met u gaan, wanneer ik mijn
patiënt de tweede kom van dit allerheiligst elixer zal gegeven hebben."

Dit zeggende haalde hij een zilveren kom voor den dag, vulde die met
water uit eene kalebas-flesch, die naast het bed stond, kreeg eene
kleine zijden van netwerk gemaakte beurs, met zilverdraad omsponnen,
waarvan de omstanders de inhoud niet konden ontdekken, doopte die in
de kom en vestigde daarop gedurende vijf minuten zijne aandacht in
de diepste stilte. Het kwam den toeschouwers voor of er gedurende
die bewerking eene kleine opbruising plaats greep, maar die in elk
geval terstond weder ophield.

"Drink," zeide de dokter tot den zieke--"slaap, en ontwaak, bevrijd
van uwe ziekte."

"En met dezen drank, die zoo eenvoudig schijnt, wilt gij ondernemen
een monarch te genezen?" vroeg de bisschop van Tyrus.

"Ik heb daarmede een bedelaar genezen, zoo als gij zien kunt," hernam
de wijze. "Zijn de Koningen van Frangistan uit andere klei gemaakt?"

"Laten wij hem dadelijk bij den Koning brengen," zeide de baron van
Gilsland. "Hij heeft getoond, dat hij het geheim bezit om de gezondheid
te herstellen. Zoo hij in gebreke blijft om dit toe te passen, dan
zal ik hem zelven buiten het bereik van alle geneeskunde brengen."

Toen zij op het punt waren de hut te verlaten, riep de zieke,
zijne stem zoo hoog verheffende, als zijne zwakheid hem vergunde:
"Eerwaarde vader, edele ridder, en gij, goede arts, zoo gij wilt dat
ik slapen en herstellen zal, zeg mij dan uit christelijke liefde,
wat er van mijn dierbaren meester geworden is?"

"Hij is op een verren tocht, vriend," antwoordde de prelaat, "op een
eervol gezantschap, dat hem wel eenige dagen kan ophouden."

"Neen," zeide de baron van Gilsland, "waarom den armen man
misleid?--Vriend, uw meester is in de legerplaats teruggekeerd,
en gij zult hem spoedig zien."

De zieke richtte als uit dankbaarheid zijne vermagerde handen ten
hemel, en niet langer weerstand kunnende bieden aan de slaap wekkende
werking van het elixer, zonk hij in een zachte sluimering.

"Gij zijt een beter geneesheer dan ik, sir Thomas," zeide de prelaat,
"eene aangename onwaarheid is beter voor eene ziekenkamer dan eene
onaangename waarheid."

"Hoe meent gij dat, eerwaarde heer?" zeide de Vaux driftig. "Meent
gij, dat ik eene onwaarheid zou willen zeggen, al kon ik daardoor
het leven van een dozijn zulke kerels redden?"

"Gij hebt gezegd," hervatte de bisschop met blijkbare teekenen
van onrust, "gij hebt gezegd, dat de meester van den schildknaap
teruggekeerd was--de ridder van den Luipaard, meen ik."

"En die is teruggekeerd," hernam de Vaux. "Ik heb hem nog voor weinige
uren gesproken. Deze geleerde arts is in zijn gezelschap gekomen."

"Heilige maagd! waarom hebt gij mij niets van zijne terugkomst
gezegd?" vroeg de bisschop in blijkbare verlegenheid.

"Heb ik niet gezegd, dat de ridder van den Luipaard in gezelschap
van den geneesheer was teruggekomen?--Mij dunkt van ja," hervatte de
Vaux onverschillig; "maar wat gaat zijne terugkomst de bekwaamheid
van den geneesheer of de herstelling van zijne Majesteit aan?"

"Veel, sir Thomas--dat is van veel beteekenis," zeide de bisschop,
de handen wringende, met den voet op den grond stampende, en
onwillekeurig blijken van ongeduld gevende. "Maar waar zou die ridder
thans heengegaan zijn?--God zij met ons--hier kunnen noodlottige
vergissingen plaats hebben."

"Die slaaf in de buitenste ruimte," antwoordde de Vaux, niet zonder
verbazing over de ontroering van den bisschop, "kan ons waarschijnlijk
zeggen, waar zijn meester is heengegaan."

De knaap werd geroepen en gaf hun in eene bijna onverstaanbare taal
te kennen, dat een officier zijn meester in de tent van den Koning
geroepen had, eenigen tijd vóór dat zij in die van zijn meester
gekomen waren. De angst van den bisschop scheen ten top te stijgen,
en werd zelfs zichtbaar voor de Vaux, die anders noch een scherp
opmerker, noch achterdochtig van karakter was. Maar met de onrust
van den prelaat scheen bij dezen de wensch toe te nemen, om die te
bedwingen en te verbergen. Hij nam haastig afscheid van de Vaux,
die hem met verwondering nazag; en na eenige malen stilzwijgend de
schouders opgehaald te hebben, bracht hij den Arabischen geneesheer
naar de tent van Koning Richard.



HOOFDSTUK IX.

                    Verdenking, dat zwaarwegend wapentuig,
                    Belet meer goeds dan 't immer heeft gewrocht.

                                                             Lord Byron.


De baron van Gilsland begaf zich met langzame schreden en een
angstig gelaat naar de koninklijke tent. Hij wantrouwde zeer zijne
eigen bekwaamheid behalve op het slagveld, en, bewust, dat zijn
verstand niet van het scherpste was, vergenoegde hij zich gewoonlijk
om zich over omstandigheden te verwonderen, die een man van vlugger
verbeeldingskracht zou getracht hebben te onderzoeken en te begrijpen,
of die hij ten minste tot het onderwerp van overweging zou gemaakt
hebben. Maar het kwam zelfs hem wonderlijk voor, dat des bisschops
aandacht op eens van alle gedachten over de wonderbare genezing, die
zij aanschouwd hadden, en van de mogelijkheid, die deze aan de hand
gaf, dat Richard zou kunnen herstellen, afgeleid kon zijn door het
schijnbaar onbeduidend bericht van een armen Schotschen ridder, die
in de oogen van Thomas van Gilsland een zeer onbeduidende en geringe
rol onder den adel speelde. In weerwil dus van de gewoonte van den
baron om alle voorvallen lijdelijk te aanschouwen, werd zijn geest
gekweld door ongewone pogingen om gissingen over dit geval te vormen.

Eindelijk kwam eensklaps de gedachte bij hem op, dat het geheel eene
samenzwering tegen Koning Richard kon zijn, die in het leger der
bondgenooten gemaakt was, en waaraan het niet onwaarschijnlijk was,
dat de bisschop, die sommigen als een staatkundig en juist niet te
nauwgezet man beschouwden, deel genomen had. Weliswaar bestond er naar
zijn gevoelen geen zoo volmaakt karakter als dat van zijn meester;
want daar Richard de bloem der ridderschap en het opperhoofd der
christelijke bevelhebbers was, en in alle opzichten de bevelen der
heilige kerk nakwam, gingen de denkbeelden van de Vaux over diens
volmaaktheid niet verder. Evenwel wist hij ook, dat het altijd het
lot van zijn meester geweest was, hoe ten onrechte dan ook, om zich
even veel verwijtingen en haat als eer en verkleefdheid door zijne
bekwaamheden en daden te verwerven; en dat er in dat zelfde leger en
onder die vorsten, welke door een eed tot den kruistocht verbonden
waren, zich velen bevonden, die alle hoop op de overwinning gaarne
zonder opofferen aan het genot om Richard van Engeland in het verderf
te storten of ten minste te vernederen.

"Daarom," zeide de baron bij zich zelven, "is het volstrekt niet
zoo onmogelijk, dat deze El Hakim met zijne genezing, of schijnbare
genezing van den Schotschen schildknaap, slechts een listigen streek
speelde, waaraan de ridder van den Luipaard en zelfs de bisschop
van Tyrus, in weerwil van zijne geestelijke waardigheid, deel kunnen
hebben."

Dit vermoeden liet zich zeker niet zoo gemakkelijk overeenbrengen met
de onrust, die de bisschop aan den dag gelegd had, toen hij vernomen
had, dat de Schotsche ridder tegen zijne verwachting plotseling in
het leger der kruisvaarders was teruggekeerd. Maar de Vaux stond
alleen onder den invloed van zijne gewone vooroordeelen, die hem
het zekere geloof ingaven, dat een listige Italiaansche priester,
een valsche Schot en een ongeloovige geneesheer eene samenvoeging van
bestanddeelen vormden, waaruit volgens alle waarschijnlijkheid alle
mogelijke kwaad en niets goeds kon voortkomen. Hij besloot echter zijne
onderstelling ronduit aan den Koning voor te leggen, van wiens oordeel
hij bijna een even hoog denkbeeld als van diens dapperheid koesterde.

Intusschen hadden er gebeurtenissen plaats gehad, die geheel met de
vermoedens van de Vaux streden. Nauwelijks had hij de koninklijke tent
verlaten, of Richard begon, zoowel uit ongeduld aan zijn karakter
eigen, als uit dat hetwelk voortsproot uit de koorts, over zijn
wegblijven te morren, en een ernstig verlangen naar zijne terugkomst
te doen blijken. Hij had genoeg getracht om deze prikkelbaarheid
weg te redeneeren, die zijne lichamelijke ziekte in zoo hooge
mate verergerde. Hij vermoeide zijne wachters door tijdverdrijf
van hen te vorderen; en hij had in het brevier van den priester,
zelfs in de harp van zijn geliefden minnezanger te vergeefs toevlucht
gezocht. Eindelijk, een paar uren vóór zonsondergang, en derhalve lang
voor dat hij een voldoend bericht omtrent den loop der genezing, die
de Moor of Arabier ondernomen had, kon ontvangen, zond hij, zoo als
wij reeds gehoord hebben, een bode om den ridder van den Luipaard te
gelasten, vóór hem te verschijnen, met het voornemen om zijn ongeduld
te bedaren, door van sir Kenneth een meer omstandig verhaal van de
reden zijner afwezigheid uit het leger, en van zijne ontmoeting met
den beroemden geneesheer te verkrijgen.

De Schotsche ridder verscheen op dit bevel in tegenwoordigheid des
Konings als iemand, die niet vreemd aan zulke tooneelen was. De
Koning van Engeland kende hem ter nauwernood, zelfs van aanzien,
ofschoon hij, met vast vertrouwen in zijn rang en even vervuld
met de stille aanbidding van de dame van zijn hart, nooit bij die
gelegenheid afwezig geweest was, bij welke de pracht en gastvrijheid
van Engeland's vorst het hof openstelde voor elk een, die zekeren rang
in de ridderschap bekleedde. De Koning staarde sir Kenneth strak aan,
terwijl deze zijn bed naderde, en zijne knie voor een oogenblik boog,
vervolgens opstond, en in eene eerbiedige, maar geenszins ootmoedige
of slaafsche houding, vóór hem stond, zoo als het een officier in de
tegenwoordigheid van zijn vorst betaamt.

"Uw naam", zeide de Koning, "is Kenneth van den Luipaard--van wien
hebt gij den ridderslag ontvangen?"

"Ik heb dien ontvangen door het zwaard van Willem, den Leeuw van
Schotland"; antwoordde de Schot.

"Een wapen," hernam de Koning, "wel waardig om eer te schenken,
ook is het op geen onwaardigen schouder gelegd. Wij hebben gezien,
dat gij u ridderlijk en dapper gedroegt in het heetst van den slag,
als de nood het hoogst was; en gij zoudt nog niet vernomen hebben,
dat uwe verdiensten aan ons bekend waren, zoo niet uwe vermetelheid in
andere opzichten zoo groot geweest was, dat uwe diensten geene betere
belooning kunnen vorderen, dan vergiffenis voor uwe overtreding. Wat
zegt ge, hè?"

Kenneth beproefde te spreken, maar hij was niet in staat zich uit te
drukken; de bewustheid van zijne al te eerzuchtige liefde en de scherpe
valkenblik van Richard Leeuwenhart, die in het binnenste van zijn hart
scheen door te dringen, werkten samen om hem in verwarring te brengen.

"En toch," ging de Koning voort, "ofschoon krijgslieden aan het bevel
moesten gehoorzamen, en vasallen eerbiedig jegens hunne meerderen
zijn, zouden wij een dapperen ridder eene grooter beleediging kunnen
vergeven, dan dat hij een enkelen hond houdt, al was dit dan ook
strijdig met ons uitdrukkelijk bevel."

Richard hield zijne oogen op het gelaat van den Schot gevestigd,
en zag met een stillen glimlach de verlichting, die hem de wending
verschafte, welke hij aan zijne algemeene beschuldiging gegeven had.

"Met uw verlof, mylord," antwoordde de Schot, "uwe Majesteit moet in
deze zaak jegens ons arme Schotsche edellieden wat toegevend zijn. Wij
zijn ver van huis, hebben sobere inkomsten en kunnen, niet leven, als
uwe rijke edelen, die crediet bij de lombarden hebben. De Sarraceenen
zullen onze slagen te harder voelen, wanneer wij van tijd tot tijd
een stuk gedroogd wildbraad bij onze kruiden en gerstekoeken eten."

"Gij behoeft mij niet meer om verlof te vragen," hernam Richard. "daar
Thomas de Vaux, die, gelijk allen rondom mij, alles doet, wat hem in
zijne eigen oogen het best toeschijnt, u reeds verlof heeft gegeven
tot de gewone en de valkenjacht."

"Tot de gewone jacht alleen, met uw verlof"--hervatte de Schot;
"maar zoo het uwe Majesteit behaagde, om mij ook het voorrecht der
valkenjacht te vergunnen, en zij genegen was, mij een valk op de vuist
toe te vertrouwen, dan vlei ik mij, dat ik uwe koninklijke tafel van
eenige uitgezochte watervogels zou kunnen voorzien."

"Ik vrees, dat, wanneer gij den valk hadt, gij niet lang naar het
verlof zoudt wachten. Ik weet wel, dat men buiten 's lands zegt, dat
wij telgen van den stam van Anjou overtredingen tegen onze jachtwetten
even streng straffen als hoogverraad tegen onze kroon. Maar aan
brave en waardige mannen kunnen wij elk overtreding vergeven.--Maar
genoeg hiervan.--Ik begeer van u te weten, heer ridder, waarom en op
wiens gezag gij de laatste reis naar de wildernis van de Doode Zee
en Engaddi gedaan hebt?"

"Op bevel van de raadsvergadering van de Vorsten van den heilige
kruistocht," antwoordde de ridder.

"En hoe durfde iemand zulk een bevel geven, daar ik--niet de geringste
voorwaar in het verbond--daarvan niet bewust was?"

"Het paste mij niet, met verlof van uwe Hoogheid," zeide de Schot,
"om naar zulke bijzonderheden te vragen. Ik ben een soldaat van het
Kruis--die wel is waar, voor het tegenwoordige onder de banier van
uwe Hoogheid dient, en trotsch daarop is, dat hij dit doen mag--maar
toch altijd een man, die het heilige symbool voor de rechten van het
Christendom en de herovering van het heilige graf heeft aangenomen,
en die derhalve, zonder er naar te vragen, verbonden is, om te
gehoorzamen aan de bevelen van de vorsten en opperhoofden, die aan
het hoofd der gezegende onderneming staan. Ik moet met de geheele
Christenheid betreuren, dat deze ongesteldheid u, naar ik vertrouw
slechts voor korten tijd, van hunne raadsvergadering terug houdt,
waarin gij zulk eene machtige stem hebt; maar als krijgsman moet ik
diegenen gehoorzamen op wie het wettig recht van het bestuur berust
of ik zou een slecht voorbeeld aan het Christenleger geven."

"Goed gesproken," zeide Koning Richard; "en de blaam rust niet op u,
maar op diegenen, met wie ik, zoo het den Hemel behaagt om mij van
dit verwenschte bed van zwakheid en werkeloosheid te doen opstaan,
hoop eerlijk af te rekenen. Wat was de inhoud van uw last?"

"Mij dunkt, met verlof van uwe Hoogheid," hervatte sir Kenneth,
"het ware best, om dit aan hen te vragen, die mij gezonden hebben, en
die reden van mijn last kunnen geven, daar ik slechts den uiterlijken
vorm en den inhoud kan zeggen."

"Misleid mij niet, heer Schot--dit zou gevaarlijk voor uw leven zijn,"
zeide de prikkelbare monarch.

"Mijn leven, mylord," hervatte de ridder op vasten toon, "wierp ik
als een nietswaardig ding achter mij, toen ik mij aan deze onderneming
toewijdde, daar ik meer op mijne eeuwige zaligheid, dan op de welvaart
van mijn aardsch lichaam lette."

"Bij de heilige mis," zeide Koning Richard, "gij zijt een brave
kerel! Luister, heer ridder, ik heb het Schotsche volk lief; het
is moedig, hoewel ruw en koppig en ik geloof, dat zij over het
algemeen, eerlijke lieden zijn, ofschoon de noodzakelijkheid van de
staatkunde hen somtijds gedwongen heeft om te veinzen. Ik verdien
eenige liefde van hunnentwege, omdat ik vrijwillig heb gedaan, wat
zij door de wapenen evenmin van mij als van mijne voorgangers konden
afgedwongen hebben.--Ik heb de vestingen van Roxburgh en Berwick,
die aan Engeland verpand waren, teruggegeven--ik heb uwe oude
grenzen hersteld--en eindelijk heb ik afstand gedaan van een eisch
op eene hulde, die ik meende, dat u ten onrechte was opgelegd. Ik heb
getracht om onafhankelijke en eervolle vrienden te maken van mannen,
welke vorige Koningen van Engeland alleen tot onwillige en oproerige
vasallen hadden gemaakt."

"Dit alles hebt gij gedaan, heer Koning," zeide sir Kenneth
buigende--"dit alles hebt gij gedaan door uw koninklijk traktaat
met onzen souverein te Canterbury. Daarom voer ik en vele andere
betere Schotsche mannen den oorlog tegen de ongeloovigen onder uwe
banieren, terwijl wij anders uwe grenzen in Engeland zouden verwoest
hebben. Indien hun getal thans gering is, dan is de oorzaak daarvan
dat zij hun leven in de waagschaal gesteld hebben."

"Ik erken de juistheid hiervan", hervatte de Koning; "en wegens
de goede diensten, die ik uw land bewezen heb, verzoek ik u, u te
herinneren, dat ik, als een voornaam lid van het Christenverbond, het
recht heb om de onderhandelingen van mijne bondgenooten te weten. Laat
mij derhalve recht wedervaren door mij te zeggen, hetgeen ik aanspraak
heb te vernemen, en hetgeen ik zeker ben meer naar waarheid van u
dan van anderen te hooren."

"Mylord", zeide de Schot, "indien gij mij op deze wijze bezweert,
zal ik de waarheid zeggen; want ik geloof vast, dat uwe voornemens
ter bereiking van het voornaamste oogmerk van onzen tocht oprecht
en eerlijk zijn; en dit is meer dan ik van de anderen van het heilig
verbond durf verzekeren. Verneem dan, dat mijn last daarin bestond,
om voor te stellen, door tusschenkomst van den kluizenaar van Engaddi,
een heilig man, dien Saladin zelf eerbiedigt en beschermt...."

"Eene voortduring van den wapenstilstand, durf ik onderstellen,"
viel Richard hem haastig in de reden.

"Neen, bij St. Andreas, mijn genadigste Koning," antwoordde de
Schotsche ridder, "maar de vestiging van een duurzamen vrede, en het
terugtrekken van onze legers uit Palestina."

"St. George!" riep Richard geheel verbaasd.--"Hoe veel kwaad ik ook
terecht van hen gedacht heb, toch zou ik niet gedroomd hebben, dat
zij zich tot zulk eene schande zouden verlagen. Spreek, sir Kenneth,
met welke gezindheid bracht gij dien last over?"

"Zeer bereidwillig, mylord," antwoordde Kenneth; "omdat ik, na onzen
edelen aanvoerder, onder wiens bevel ik alleen op de overwinning
hoopte, verloren te hebben, er geen zag, die hem opvolgen en ons tot
de zegepraal voeren kon, en ik achtte het onder zulke omstandigheden
gelukkig eene nederlaag te vermijden."

"En op welke voorwaarden zou deze veelbelovende vrede gesloten
worden?" vroeg Koning Richard, met moeite de drift onderdrukkende,
die hem bijna deed barsten.

"Deze werden mij niet toevertrouwd, mylord. Ik heb ze verzegeld aan
den kluizenaar overgegeven."

"En waarvoor houdt gij dien eerwaarden kluizenaar?--voor een gek,
een zinnelooze, een verrader, of een heilige?" vroeg Richard.

"Zijne krankzinnigheid, Sire," hernam de scherpzinnige Schot, "acht ik
slechts geveinsd, om gunst en eerbied bij de heidenen te winnen, die
de zinneloozen als door den Hemel bezield beschouwen; mij ten minste
scheen het toe, als of zij zich slechts bij gelegenheid vertoonde,
en zich niet, gelijk werkelijke krankzinnigheid, met zijn geheelen
gemoedstoestand vermengde."

"Fijn geantwoord," zei de de monarch, zich weder op zijn
leger werpende, waarvan hij zich opgericht had.--"Nu van zijne
boetedoeningen."

"Zijne boetedoeningen," antwoordde Kenneth, "schijnen mij oprecht
toe, en de vruchten van gewetensknagingen wegens de eene of andere
vreeselijke misdaad, waarvoor hij, naar zijn eigen meening, ter
verdoemenis veroordeeld werd."

"En wat zijne staatkunde betreft?" vroeg Koning Richard verder.

"Het komt mij voor, mylord, dat hij aan de redding van Palestina
evenzeer als aan zijn eigen heil wanhoopt, of er zou een wonder
moeten geschieden--ten minste sedert de arm van Richard van Engeland
opgehouden heeft daarvoor te strijden."

"En daarom gelijkt de lafhartige staatkunde van dezen kluizenaar naar
die van de ellendige vorsten, die, hunne ridderschap en hunne goede
trouw vergetende, slechts eensgezind en tevreden zijn, wanneer het op
den terugtocht aankomt, en liever een stervenden bondgenoot in hunne
vlucht willen vertreden, dan tegen een gewapenden Sarraceen optrekken."

"Zou ik durven wagen op te merken, mylord," zeide de Schotsche ridder,
"dat dit gesprek slechts uwe ziekte verergert, dien vijand, waarvan het
Christendom meer kwaad ducht dan van benden gewapenden ongeloovigen."

Het gelaat van Koning Richard was werkelijk rooder en zijne gebaren
werden meer koortsachtig en heftig, terwijl hij met gebalde vuist,
uitgestrekten arm, en fonkelende oogen even sterk onder lichamelijke
smart als door gemoedsonrust scheen te lijden, terwijl zijn levendige
geest hem deed spreken, als of hij beide verachtte.

"Gij kunt vleien, heer ridder," zeide hij, "maar gij ontsnapt mij
niet. Ik moet meer van u weten dan gij mij nog verhaald hebt. Hebt
gij mijne koninklijke gemalin te Engaddi gezien?"

"Bij mijn weten niet, mylord," antwoordde sir Kenneth met blijkbare
verwarring; want hem kwam de processie te middernacht in de kapel
van de grot te binnen.

"Ik vraag u," zeide de Koning op meer ernstigen toon, "of gij niet in
de kapel van de karmelieter nonnen te Engaddi geweest zijt, en daar
Berengaria, Koningin van Engeland, en hare hofdames, die derwaarts
eene bedevaart ondernomen hebben, gezien hebt?"

"Mylord," antwoordde sir Kenneth, "ik wil de waarheid spreken,
als in den biechtstoel. In eene onderaardsche kapel, waarheen de
kluizenaar mij geleidde, heb ik een koor van vromen godsdienstige
hulde aan eene reliquie van de grootste heiligheid zien bewijzen;
maar daar ik haar gelaat niet gezien en hare stemmen niet gehoord heb,
behalve in de lofzangen, die zij gezongen hebben, kan ik niet zeggen,
of de Koningin van Engeland zich onder haar bevond."

"En was geene van deze vrouwen u bekend?"

Sir Kenneth zweeg,

"Ik vraag u", zeide Richard, zich op zijn elleboog verheffende,
"als ridder en edelman, en ik zal door uw antwoord zien, hoe gij
die beide namen op prijs stelt: kendet gij eene van die dames van de
vrome processie of niet?"

"Mylord", antwoordde Kenneth, niet zonder groote verlegenheid,
"ik zou kunnen gissen."

"En ik kan ook gissen," hernam de Koning met somberen ernst;
"maar het is genoeg. Hoezeer gij een Luipaard zijt, heer ridder,
zoo wacht u toch om de leeuwenklauw te tarten. Luister--zich op de
maan te verlieven, zou slechts een dwaasheid zijn; maar van den top
van een hoogen toorn te springen, in de onzinnige hoop, om in hare
sfeer te komen, zou een zelfvernietigende razernij zijn."

Op dit oogenblik hoorde men in het buitenvertrek eenig gedruisch,
en de Koning, schielijk tot zijne gewone manier terugkomende, zeide:
"Genoeg--vertrek--spoed u naar de Vaux, en zend hem herwaarts met den
Arabischen geneesheer. Ik geef mijn leven ten pand voor de eerlijkheid
van den Sultan! Zoo hij slechts zijn valsch geloof wilde afzweren,
zou ik hem met mijn zwaard helpen, om dit uitvaagsel van Franschen en
Oostenrijkers uit zijn gebied te drijven, en gelooven, dat Palestina
even goed zou geregeerd worden, alsof zijne koningen op bevel des
Hemels zelven gezalfd waren."

De ridder van den Luipaard vertrok, en terstond daarop kondigde de
kamerheer eene commissie van den raad aan, die gekomen was om Zijne
Majesteit hare opwachting te maken.

"Het is goed, dat zij erkennen, dat ik nog leef", was zijn
antwoord. "Wie zijn de eerwaarde gezanten?"

"De grootmeester der Tempeliers, en de markies van Montserrat."

"Onze broeder van Frankrijk houdt niet van ziekbedden," zeide Richard;
"maar zoo Filips ziek geweest ware, zou ik reeds sedert lang aan zijn
bed gestaan hebben.--Jocelyn, schik mijn bed wat terecht, het is door
elkander gegooid, als eene stormachtige zee--geef mij gindschen stalen
spiegel--strijk een kam door mijn haar en mijn baard. Zij zien er
waarlijk meer uit als de manen van een leeuw dan de lokken van een
Christen vorst--breng water."

"Mylord", zeide de bevende kamerheer, "de geneesheeren, zeggen dat
koud water verderfelijk kan zijn."

"Naar den duivel met de geneesheeren!" riep de monarch. "Als zij
mij niet genezen kunnen, meent gij dan, dat ik mij van hen wil laten
kwellen?--Nu dan," zeide hij, na zich gewasschen te hebben, "laat de
geachte afgevaardigden binnen; zij zullen thans, denk ik, nauwelijks
zien, dat de smart Richard zijn lichaam heeft doen verzuimen."

De beroemde grootmeester der Tempeliers was een lang, mager, door den
oorlog uitgeteerd man, met een kwijnend, maar doordringend oog, en een
voorhoofd, waarop duizenden intriges haar stempel hadden gedrukt. Hij
stond aan het hoofd van dat zonderling lichaam, waarvoor de orde alles
en ieder bijzonder persoon niets was. Hij zocht de bevordering van
zijn macht, zelfs met gevaar van dienzelfden godsdienst, tot welks
bescherming de broederschap zich oorspronkelijk verbonden had.--Hij
was beschuldigd van ketterij en tooverij, ofschoon hij een Christen
priester was.--Hij werd verdacht van een geheim verbond met den Sultan,
niettegenstaande hij door een eed tot de bescherming van den heiligen
tempel of diens herovering was verplicht. Hij was de geheele orde en
het verpersoonlijkte karakter van haar aanvoerder, of grootmeester,
een raadsel, voor welks oplossing de meeste menschen terugdeinsden. De
grootmeester was in zijn wit plechtgewaad gekleed, en droeg den abacus,
een geheimzinnigen ambtsstaf, waarvan de eigenaardige gedaante tot
velerlei zonderlinge gissingen en uitleggingen aanleiding heeft
gegeven, die vermoedens hebben doen ontstaan, dat deze broederschap
van Christen ridders en de ergerlijkste zinnebeelden van het Heidendom
saam verbonden waren.

Koenraad en Montserrat had een veel aangenamer uiterlijk,
dan de sombere en geheimzinnige krijgshaftige priester, die
hem vergezelde. Hij was een knap man, van middelbare jaren, of
een weinig daarboven, moedig in het veld, schrander in den raad,
vroolijk en geestig bij feesten; maar van den anderen kant werd hij
over het algemeen beschuldigd van wispelturigheid, eene bekrompen
en baatzuchtige eerzucht, een verlangen om zijn eigen persoon te
verhoogen, zonder acht te slaan op het welzijn van het Latijnsche
koninkrijk in Palestina, en eigen belang te zoeken door bijzondere
onderhandelingen met Saladin, ten nadeele van de Christen bondgenooten.

Toen deze hooge heeren de gewone eerbiedsbetuigingen bewezen hadden, en
Richard die vriendelijk had beantwoord, begon de markies van Montserrat
eene verklaring van de beweegredenen van hun bezoek, daar zij, zooals
hij zeide, gezonden waren door de bekommerde koningen en vorsten,
die den raad der kruisvaarders uitmaakten, om naar de gezondheid te
vernemen van hun verheven bondgenoot, den koning van Engeland.

"Wij kennen het gewicht, dat de vorsten van den raad aan onze
gezondheid hechten", antwoordde de Engelsche koning; "en wij begrijpen
zeer goed, hoeveel zij moeten geleden hebben door alle belangstelling
ten opzichte daarvan gedurende veertien dagen te onderdrukken,
uit vrees, zonder twijfel, van onze ziekte te zullen verergeren,
door hunne onrust te toonen ten aanzien van die gebeurtenis."

Daar de stroom, der welsprekendheid van den markies werd tegengehouden,
en hij zelf eenigermate in verlegenheid geraakte door dit antwoord,
nam zijn ernstiger metgezel den draad van het gesprek op, deelde
den Koning met zooveel droge en korte deftigheid, als de persoon,
dien hij aansprak, gedoogde, mede dat zij van wege den raad kwamen,
om hem uit naam der Christenheid te verzoeken, zijne gezondheid niet
aan een ongeloovigen geneesheer toe te vertrouwen, dien men zeide
door Saladin gezonden te zijn, tot dat de raad middelen beraamd zou
hebben, om alle achterdocht uit den weg te ruimen of te bevestigen,
die hij voor het oogenblik aan de zending van zulk een persoon hechtte.

"Grootmeester van de zeer heilige en dappere orde der Tempelheeren,
en gij, zeer edele markies van Montserrat", sprak Richard, "zoo gij
u in de naastgelegen tent gelieft te begeven, zult gij dadelijk zien,
hoe veel prijs wij stellen op de teedere vertoogen van onze koninklijke
en vorstelijke deelgenooten in dezen zeer godsdienstigen oorlog."

De markies en de grootmeester verwijderden zich dien ten gevolge;
en zij waren nauwelijks eenige minuten in de buitenste tent, of
de Oostersche geneesheer verscheen in gezelschap van den baron van
Gilsland en Kenneth van Schotland. De baron kwam echter een weinig
later in de tent dan de beide anderen, daar hij zich waarschijnlijk
opgehouden had, om eenige bevelen aan de wachten buiten te geven.

Toen de Arabische arts binnentrad, maakte hij zijne buiging,
naar Oostersche wijze, voor den markies en den grootmeester, wier
waardigheid zichtbaar was zoowel in hun uiterlijk voorkomen als
in hunne houding. De grootmeester beantwoordde den groet met eene
uitdrukking van minachtende koelheid, de markies met de bevallige
beleefdheid, die hij gewoonlijk aan mannen van alle rangen en natiën
betoonde. Er ontstond eene poos stilte; want de Schotsche ridder, op
de komst van de Vaux wachtende, durfde op eigen gezag niet in de tent
van den Koning van Engeland treden; en gedurende deze tusschenpoos
vroeg de grootmeester den Muzelman op norschen toon: "Ongeloovige,
hebt gij den moed, om uwe kunst uit te oefenen op een persoon van
een gezalfden Koning van het Christen leger?"

"De zon van Allah, antwoordde de wijze, "beschijnt den Nazareër even
goed als den waren geloovige, en zijn dienaar durft geen onderscheid
tusschen hen maken, wanneer hij geroepen wordt om zijne heelkunst
uit te oefenen."

"Ongeloovige Hakim," zeide de grootmeester, "of hoe men u, ongedoopten
slaaf der duisternis noemt, weet gij wel, dat gij door wilde paarden
zult vaneen gescheurd worden, indien Koning Richard onder uwe
behandeling stierf?"

"Dat zou eene harde justitie zijn", antwoordde de geneesheer, "daar
ik niets dan menschelijke middelen kan aanwenden, en de uitslag in
het boek des lichts staat geschreven."

"Neen, eerwaarde en dappere grootmeester," zeide de markies van
Montserrat, "overweeg, dat deze geleerde man niet bekend is met onzen
christelijken regel, dien wij in de vreeze Gods en voor de veiligheid
van zijn gezalfde hebben aangenomen.--Weet dan, waardige geneesheer
aan wiens bekwaamheid wij niet twijfelen, dat de verstandigste partij
voor u is om u in tegenwoordigheid van den doorluchtigen raad van ons
heilig verbond te begeven, en daar reden en rekenschap te geven aan
die wijze en geleerde geneesheeren, als deze benoemen zal, omtrent
uwe behandeling en geneesmiddelen bij dezen doorluchtigen patiënt;
op deze wijze zult gij al het gevaar ontgaan, dat gij anders loopen
zult, indien gij zulk eene gewichtige zaak op uwe verantwoording
alleen neemt."

"Mijne heeren," antwoordde El Hakim, "ik versta u wel. Maar de
wetenschap heeft hare helden even goed als uwe krijgskunde, en ook
somtijds hare martelaren even goed, als de godsdienst. Ik heb bevel
van mijn Vorst, den sultan Saladin, om den Nazareeschen Koning te
genezen, en met den zegen van den profeet zal ik aan zijne bevelen
gehoorzamen. Zoo het mij mislukt, dan draagt gij zwaarden, die naar
het bloed der geloovigen dorsten, en ik geef mijn lichaam aan uwe
zwaarden prijs. Maar ik wil met geen onbesnedenen redetwisten over
de kracht der geneesmiddelen, wier kennis ik door de gunst van den
profeet bezit, en ik verzoek u in de uitoefening van mijn plicht
geene vertraging te veroorzaken."

"Wie spreekt van vertraging?" riep de baron de Vaux, haastig de tent
binnentredende; "wij hebben ons reeds te veel vertraagd. Ik groet u,
heer markies van Montserrat, en u, dappere grootmeester. Maar ik
moet mij dadelijk met dezen geleerden arts naar het bed van mijn
meester begeven."

"Mylord," zeide de markies in het Normandisch Fransch, of de taal
van Ouie, zooals die toen genoemd werd, "zijt gij wel onderricht,
dat wij gekomen zijn, om uit naam van alle monarchen en vorsten
van den kruistocht vertoogen te doen over het gevaar, om aan een
ongeloovigen Oosterschen geneesheer de gezondheid toe te vertrouwen
van een man, wiens leven van zoo onschatbare waarde is als uw meester,
koning Richard?"

"Waarde heer markies", hervatte de Engelschman openhartig, "ik
kan niet vele woorden gebruiken, en ik wensch er ook niet naar te
luisteren--bovendien ben ik veel gereeder om te gelooven, wat mijne
oogen gezien dan hetgeen mijne ooren gehoord hebben. Ik ben overtuigd,
dat deze Heiden de ziekte van Koning Richard kan genezen, en ik geloof
en ik vertrouw, dat hij zijn best zal doen om dit te verrichten. De
tijd is kostbaar. Zoo Mahomed--Gods vloek ruste op hem!--aan de deur
van de tent stond, met zulke schoone voorstellen, als deze Adonebec
el Hakim, zou ik het mij tot zonde rekenen, om hem eene minuut op te
houden.--Dus God aanbevolen, mijne heeren."

"Ja maar," vervolgde Koenraad van Montserrat, "de Koning heeft in eigen
persoon gezegd, dat wij tegenwoordig zouden zijn als deze geneesheer
voor hem verscheen."

De baron fluisterde met den kamerheer, waarschijnlijk om te weten of
de markies de waarheid sprak, en antwoordde toen: "Mijne heeren, zoo
gij u stil houden wilt, dan zijt gij welkom om met ons binnen te gaan;
maar wanneer gij door daden of bedreigingen dezen geleerden arts in
zijn plicht stoort, dan, weet ik, dat ik u, zonder acht op uwe hooge
waardigheid te slaan, zal dwingen, om Richard's tent te verlaten; want
ik moet u zeggen, dat ik zoo zeer van de kracht der geneesmiddelen
van dezen man overtuigd ben, dat, zoo Richard zelf weigerde die in te
nemen, ik bij onze heilige Maagd van Lanercost, het op mijn geweten
wil verantwoorden, zoo ik hem tegen wil en dank dwong, om de middelen
ter zijner genezing te gebruiken.--Treed binnen, El Hakim."

De laatste woorden sprak hij in de lingua franca, en de geneesheer
gehoorzaamde oogenblikkelijk. De grootmeester zag met toornigen blik
op den ruwen krijgsman, maar, zijn oog op de markies vestigende,
ontfronsde hij zijn voorhoofd zoo veel mogelijk, en beide volgden
de Vaux en den Arabier in het binnenste van de tent, waar Richard
hen met dat ongeduld verwachtte, waarmede de zieke den stap van
den geneesheer verbeidt. Sir Kenneth, wiens tegenwoordigheid noch
gevraagd noch verboden scheen, voelde zich in de omstandigheden,
waarin hij zich bevond, gerechtigd, om deze hooge personen te volgen,
maar, bewust van zijn minder aanzien en zijn geringen rang, bleef
hij gedurende het tooneel dat voorviel op eenigen afstand.

Richard riep, zoodra zij het vertrek binnentraden, uit: "ha! ha! een
heerlijk gezelschap, om Richard zijn sprong in het duister te zien
doen.--Edele bondgenooten, ik groet u als de vertegenwoordigers van
onze bondsvergadering; Richard zal op zijn vorigen voet weder onder
u verschijnen, of gij zult zijne overblijfselen ten grave dragen.--De
Vaux gij hebt den dank van uw Vorst, hij moge leven of sterven.--Daar
is immers nog een ander--maar deze koorts heeft het gezicht mijner
oogen verzwakt--hoe? de stoute Schot, die zonder ladder ten hemel
wilde stijgen?--Ook hij is welkom.--Kom aan, heer Hakim, aan het werk,
aan het werk."

De geneesheer, die reeds van de verschillende kenteekenen van de
ziekte des Konings onderricht was, voelde nu diens pols gedurende
eene lange poos en met groote aandacht; terwijl allen rondom hem
in stille, ademlooze verwachting stonden. Toen vulde de wijze een
beker met bronwater en doopte daarin de kleine roode beurs, die hij,
als de eerste maal uit zijne boezem trok. Toen hij dacht, dat het
water genoeg van het geneesmiddel opgezogen had, wilde hij den drank
aan den Koning aanbieden; maar deze voorkwam hem door te zeggen;
"wacht een oogenblik.--Gij hebt mijne pols gevoeld--laat mij mijne
vinger ook eens aan de uwe leggen.--Ik versta, zoo als het een goed
ridder past, ook iets van uwe kunst."

De Arabier gaf zijn hand zonder aarzeling over en zijne lange tengere,
donkere vingers waren voor een oogenblik in de groote hand van Richard
gesloten en bijna begraven.

"Zijn bloed klopt kalm als dat van een kind," zeide de Koning,
"zoo kloppen de aderen niet van hen, die vorsten vergiftigen. De
Vaux, hetzij wij leven of sterven, zorg dat deze Hakim met eer
en in veiligheid ons verlaat.--Groet den edelen Saladin van ons,
vriend. Sterf ik, dan is het zonder aan zijne goede trouw te
twijfelen--leef ik, dan zal ik hem mijn dank betuigen, zooals men
een krijgsman danken moet."

Hierop richtte hij zich op in bed, nam den beker in de hand, en
zeide, zich tot den markies en den grootmeester wendende: "Hoor,
wat ik zeg, en laten mijne koninklijke broeders mij met Cyprus wijn
bescheid doen op de onsterfelijke eer van den eersten kruisvaarder,
die lans of zwaard tegen de poort van Jeruzalem zal doen klinken;
en op de schande en den eeuwigen smaad van ieder, die zich afwenden
zal van den ploeg waaraan hij de hand gelegd heeft!"

Hij dronk den beker tot op den bodem ledig, gaf dien aan den Arabier
en zonk, als uitgeput, in de kussens, die voor hem terecht gelegd
waren. De geneesheer beval hierop met stille maar duidelijke teekenen,
dat allen de tent zouden verlaten, behalve hij en de Vaux, dien gene
vertoogen konden bewegen om zich te verwijderen. Dien ten gevolge
ontruimden zij de kamer.



HOOFDSTUK X.

                            'k Zal nu 't geheime boek ontsluiten,
                            En aan uw toorn, zoo licht ontvlambaar,
                            Een diep, gevaarlijk stuk ontvouwen.

                                                 Hendrik IV. I Gedeelte.


De markies van Montserrat en de grootmeester van de Tempelridders
stonden te zamen voor de koninklijke tent, waarin dit zonderling
tooneel was voorgevallen, en zagen eene sterke wacht met hellebaarden
en bogen, die rondom haar een kring vormde, om allen, welke den
stervenden Monarch mochten lastig zijn, op een afstand te houden. De
soldaten hadden de terneergeslagen, stille en sombere blikken,
waarmede zij bij een lijkstoet hunne wapenen dragen, en stapten met
zoo veel behoedzaamheid, dat men geen schild klinken, geen zwaard
kletteren hoorde, ofschoon zoo vele gewapende manschappen rondom de
tent in beweging waren. Zij lieten met grooten eerbied de wapens
zakken, toen de hooge personen langs hunne gelederen gingen, maar
met dezelfde diepe stilte.

"Er heeft eene verandering in de stemming van die eilandhonden plaats
gehad," zeide de grootmeester tot Koenraad, toen zij Richard's wachten
voorbij waren. "Welk een wild gedruisch en geraas placht er voor
deze tent te heerschen? Niets dan met stokken werpen, met den bal
slaan, worstelen, liederen uitbrullen, en flesschen ledigen onder
die stuursche boeren, als of zij eene dorpskermis vierden, met een
meiboom in hun midden, in plaats van den koninklijken standaard."

"Bulhonden zijn een trouw ras," zeide de markies; "en de Koning,
hun meester, heeft hunne liefde gewonnen, door gereed te zijn om het
eerst onder hen te worstelen, te schreeuwen of te jubelen, zoodra
dit hem in den zin kwam."

"Hij is een en al gril," hervatte de grootmeester. "Hebt gij den
dronk opgemerkt, dien hij ons in plaats van een gebed bij zijn beker
toebracht?"

"Hij zou de werking van dien beker eens voelen," hernam de Markies,
"als Saladin gelijk was aan ieder ander Turk, die ooit den tulband
droeg, of zich op de stem van den Muezzin naar Mekka wendde. Maar hij
veinst braafheid, eer en edelmoedigheid,--alsof het een ongedoopten
hond, gelijk hij is, paste het deugdzaam gedrag van een Christen
ridder na te volgen. Men zegt, dat hij zich tot Richard gewend heeft,
om in de ridderschap aangenomen te worden."

"Bij St. Bernard!" riep de grootmeester uit, "dan ware het tijd voor
ons, om onze zwaarden en sporen weg te werpen, Koenraad, onze wapens
uit te wisschen, en onze helmen af te leggen, wanneer de hoogste eer
van het Christendom verleend werd aan een ellendigen ongedoopten Turk,
die geen tien stuivers waard is."

"Gij schat den sultan niet hoog," hervatte de markies; "en toch,
schoon hij nog al het voorkomen van een flink man heeft, heb ik er
beteren voor veertig stuivers in de galeiën zien verkoopen."

Zij waren nu dicht bij hunne paarden, die op eenigen afstand
van de koninklijke tent stonden, en steigerden te midden van het
zwierige gevolg van schildknapen en pages, die hen begeleidden,
toen Koenraad, na een oogenblik zwijgen, voorstelde, om de koelheid
te genieten van den avondwind, die was opgestoken, en hunne paarden
en bedienden ontslaande, naar hunne eigen kwartieren te wandelen
door de uitgebreide liniën van het Christen leger. De grootmeester
stemde hierin toe, en zij wandelden dus te zamen verder, terwijl
zij, als bij onderlinge overeenkomst, de meer bewoonde gedeelten
van de linnen stad vermeden, en door de breede esplanaden gingen,
die tusschen de tent en de buitenste verdedigingswerken lagen, waar
zij in het geheim en onopgemerkt konden spreken, behalve wanneer zij
schildwachten voorbij moesten.

Zij spraken een tijdlang over de militaire aangelegenheden en de
middelen tot verdediging; maar dit onderwerp van gesprek, waarin geen
van beide veel belang scheen te stellen, raakte spoedig uitgeput,
en er ontstond eene lange stilte, die eindigde, door dat de markies
van Montserrat bleef staan, als iemand, die een plotseling besluit
genomen heeft, en eenige oogenblikken het somber, onbuigzaam gelaat van
den grootmeester aanschouwende, hem aldus toesprak: "Zoo het met uwe
dapperheid en heiligheid overeenkomt, eerwaarde ridder Giles Amaury,
dan wilde ik u wel verzoeken, om voor een enkele maal het donkere
vizier af te leggen, dat gij draagt, en u met een vriend met ontbloot
gelaat te onderhouden."

De Tempelier zeide half glimlachend: "er zijn zoo wel lichtgekleurde
maskers, als donkere vizieren, en de eerste verbergen de natuurlijke
trekken even volmaakt als de laatste."

"Het zij zoo," antwoordde de markies, de hand aan zijne kin leggende,
en die met de beweging van iemand, die zich ontmaskert, wegtrekkende,
"daar ligt mijne vermomming. En nu, wat dunkt u van de belangen van
uwe eigen orde, of de vooruitzichten van dezen kruistocht?"

"Dat noem ik den sluier van mijne gedachten afrukken, veeleer dan
de uwe blootleggen," hervatte de grootmeester; "nochtans wil ik
met eene gelijkenis antwoorden, die mij een santon uit de woestijn
heeft verteld.--Een landman bad den Hemel om regen, en morde, als die
niet naar zijne behoefte viel. Om zijn ongeduld te bestraffen, zond
Allah den Eufraat, over zijne landerijen, en hij verging met al zijne
bezittingen door de bevrediging van het geen hij zelf gewenscht had."

"Zeer waar gesproken", zeide markies Koenraad; "had toch de oceaan
negen tienden van de benden van deze vorsten verzwolgen! Het overschot
zou tot grooter voordeel der Christen edelen van Palestina, het
ellendig overschot van het Latijnsche koninkrijk van Jeruzalem, hebben
gestrekt. Aan ons zelven overgelaten, konden wij voor den storm gebukt,
of, matig met geld en troepen ondersteund, Saladin gedwongen hebben,
om onze dapperheid te eerbiedigen, en ons op voordeelige voorwaarden
vrede en bescherming te schenken. Maar wegens het groote gevaar,
waarmede deze kruistocht den Sultan bedreigt, kunnen wij niet hopen,
wanneer die zal afgeloopen zijn, dat de Sarraceen dulden zal, dat
een van ons bezittingen of vorstendommen in Syrië behoudt, en nog
veel minder het bestaan der krijgshaftige orden vergunnen, waarvan
zij zoo veel onheil ondervonden hebben."

"Ja maar," zeide de Tempelier, "deze ondernemende kruisvaarders
konden er wel eens in slagen, om het kruis weder op de wallen van
Sion te planten."

"En wat zou dit de orde der Tempeliers of Koenraad van Montserrat
baten?" vroeg de markies.

"U kan het voordeel aanbrengen," antwoordde de grootmeester. "Koenraad
van Montserrat zou Koning Koenraad van Jeruzalem kunnen worden."

"Dat klinkt naar iets," hervatte de markies, "en toch klinkt het
maar hol.--Godfried van Bouillon had wel reden om de doornenkroon
tot zijn zinnebeeld te kiezen. Grootmeester, ik wil u bekennen, dat
ik eenige liefde voor de Oostersche wijze van regeeren heb gekregen:
eene zuivere en eenvoudige alleenheerschappij moest alleen uit Koning
en onderdanen bestaan. Dit is het eenvoudige en oorspronkelijke
gebouw--een herder en zijne kudde. Deze geheele binnenlandsche keten
van leenroerige afhankelijkheid is kunstmatig en valsch, en ik wilde
liever den staf van mijn arm markgraafschap met vaste hand houden, en
hem naar welbehagen zwaaien, dan den scepter voeren van een monarch,
om in werkelijkheid in bedwang te worden gehouden door den wil van even
zoovele trotsche, leenroerige barons, als er land is onder het gebied
van Jeruzalem. Een Koning moet vrij voort kunnen gaan, grootmeester,
en niet belemmerd worden hier door eene gracht, en ginds door een
vestingwerk, hier door een leenroerig voorrecht, en daar door een
geharnasten baron met het zwaard in de hand om het te verdedigen. En
om het geheel volkomen te maken, ik begrijp zeer wel, dat de eischen
van Guy de Lusignan op den troon boven de mijne zouden gesteld worden,
als Richard herstelt en iets over de keus te zeggen heeft."

"Genoeg," hernam de grootmeester, "gij hebt mij wezenlijk van
uwe oprechtheid overtuigd. Anderen mogen dezelfde vermoedens
koesteren, maar weinigen op Koenraad van Montserrat na zouden
vrijuit durven bekennen, dat zij het herstel van het koninkrijk
Jeruzalem niet verlangen, maar liever meester van een brokstuk van
zijne overblijfselen zouden willen zijn; even als de onbeschaafde
eilanders, die niet voor de redding van een schoon, door de baren
geteisterd schip werken, daar zij veeleer hopen zich ten koste van
het wrak te verrijken."

"Gij zult toch mijn geheim niet willen verraden?" zeide Koenraad
met een achterdochtig en listig gelaat. "Houd u overtuigd, dat mijne
tong nooit mijn hoofd onrecht zal aandoen, en dat mijne hand nooit de
verdediging van beide zal verzuimen. Beschuldig mij, zoo gij wilt.--Ik
ben bereid, om mij in het strijdperk te verdedigen tegen den besten
Tempelier, die ooit een lans gevoerd heeft."

"Toch schrikt gij wat spoedig voor een zoo moedig ros," hernam de
grootmeester. "Maar ik zweer u bij den heiligen Tempel, dien onze
orde gezworen heeft te verdedigen, dat ik, als trouw kameraad, uw
geheim zal bewaren."

"Bij welken tempel?" vroeg de markies van Montserrat, wiens lust
voor spot dikwijls verder ging dan met zijn belang en bescheidenheid
overeenkwam. "Zweert gij bij dien op den heuvel van Sion, dien Koning
Salomo gebouwd heeft, of bij dat zinnebeeldig gebouw, waarvan men zegt,
dat in de raadsvergaderingen, die in de gewelven uwer preceptorijen
gehouden worden, over de vergrooting van uwe dappere en eerwaardige
orde gesproken wordt?"

De Tempelier zag hem met een verpletterenden blik aan, maar antwoordde
bedaard: "bij welken tempel ik ook moge zweren, wees verzekerd,
markies, dat mijn eed heilig is.--Ik wenschte dat ik wist, hoe ik u
door een eed van evenveel kracht kon verbinden."

"Ik wil u de waarheid zweren," hervatte de markies lachend, "bij
mijn kroontje, dat ik voor het einde van dezen oorlog tegen iets
beters hoop te verwisselen. Deze geringe kroon voelt koud op mijn
voorhoofd; een hertogshoed zou eene betere beschutting zijn tegen een
nachtwind, zoo als thans waait; en eene koningskroon zou nog verreweg
de voorkeur verdienen, daar deze behoorlijk met hermelijn en fluweel
gevoerd is. In één woord, ons eigen belang verbindt ons aan elkander;
want geloof niet, heer grootmeester, dat, zoo deze verbonden vorsten
Jeruzalem weder veroverden en daar een Koning van hunne keus plaatsten,
zij uwe orde meer dan mijn arm markgraafschap in zijne tegenwoordige
onafhankelijkheid dulden zouden. Neen, bij onze heilige Maagd! in dit
geval moeten de trotsche ridders van St. Jan weder in de hospitalen
pleisters smeren en pestzweren verbinden; en gij, zeer matige en
eerwaarde ridders van den Tempel, moet tot uw stand van eenvoudige
krijgslieden terugkeeren, met hun drieën op het stroo slapen, en
twee op één paard rijden, zoo als uw tegenwoordig zegel nog aanduidt,
dat uwe oude en zeer eenvoudige gewoonte geweest is."

"Rang, voorrechten en rijkdom van onze orde beletten zulk eene
vernedering, als waarmede gij ons bedreigt," zeide de Tempelier op
trotschen toon.

"Dat zal juist tot uw verderf strekken", antwoordde Koenraad van
Montserrat, "en gij weet even goed als ik, eerwaarde grootmeester,
dat, zoo de verbonden vorsten wel slaagden in Palestina, het
hun eerste staatkundige daad zou zijn, om de onafhankelijkheid
uwer orde te beperken, zoo als gij sedert lang zoudt ondervonden
hebben, zonder de bescherming van onzen heiligen Vader, den Paus,
en de noodzakelijkheid om van uwe dapperheid bij de verovering van
Palestina gebruik te maken. Bezorg hun een volkomen goeden uitslag,
en gij zult terzijde gezet worden, gelijk de splinters van eene
gebroken lans uit de toernooiplaats worden geworpen."

"Er kan waarheid zijn in hetgeen gij zegt," hernam de Tempelier met
een somberen glimlach, "maar wat zou onze toekomst zijn, indien de
verbondenen hunne macht terugtrokken en Palestina in het bezit lieten
van Saladin?"

"Groot en zeker," hervatte Koenraad; "de Sultan zou uitgestrekte
landstreken geven, om een schaar van goed geoefende Frankische
lansdragers ter zijner beschikking te hebben. In Egypte, in Perzië
zouden honderd zulke bondgenooten, gevoegd bij zijne eigen lichte
ruiters, de overwinning op de meest geduchte overmacht behalen. Deze
afhankelijkheid zou slechts een tijdlang duren--misschien gedurende
het leven van dezen ondernemenden Sultan--maar in het Oosten komen de
machtigen op als paddestoelen. Onderstel dat hij dood was, en dat wij
door eene voortdurende aanvulling van krachtige en ondernemende mannen
uit Europa versterkt werden, wat konden wij niet hopen te volbrengen,
bevrijd van den toestand van deze monarchen, wier waardigheid ons
thans in de schaduw stelt--en die, zoo zij hier bleven en in dezen
krijgstocht overwonnen, ons gaarne voor altijd tot vernedering en
afhankelijkheid zouden willen veroordeelen?"

"Goed gesproken, heer markies," hervatte de grootmeester; "en uwe
woorden vinden weerklank in mijn hart. Maar wij moeten voorzichtig
zijn; Filips van Frankrijk is even verstandig als dapper."

"Dat is waar, en des te eerder zal hij van een krijgstocht
kunnen afgebracht worden, waartoe hij zich in een oogenblik van
verbijstering, of op aandrang van zijne edelen, overijld verbonden
heeft. Hij is jaloersch op Koning Richard, zijn natuurlijken vijand,
en verlangt terug te keeren, ten einde eerzuchtige plannen ten uitvoer
te brengen, die nader bij Parijs dan bij Palestina liggen. Ieder
geschikt voorwendsel zal hem dienstig zijn, om zich van een tooneel te
verwijderen, waar hij bemerkte, dat hij de kracht van zijn koninkrijk
verspilt."

"En de hertog van Oostenrijk?" vroeg de Tempelier.

"O, wat den hertog betreft," antwoordde Koenraad, "zijn eigenwaan
en zijne dwaasheid brengen hem tot dezelfde gevolgtrekkingen,
als de staatkunde en wijsheid van Filips. Hij verbeeldt zich, God
helpe hem, dat hij ondankbaar behandeld wordt, omdat de monden der
menschen--zelfs die van zijne eigen minnezangers--vol zijn van den lof
van Koning Richard, dien hij vreest en haat, en in wiens ongeluk hij
zich verheugen zou, evenals die niet afgerichte bastaardhonden, die
als de voorste van den troep door een greep van den wolf lijdt, hem
veeleer van achteren zullen aanvallen, dan hem te hulp komen.--Maar
waarom zeg ik u dit, behalve om u te toonen, dat ik oprecht ben
in mijn wensch, dat dit verbond moge worden verbroken, en het land
bevrijd van deze groote monarchen met hunne legers? En gij hebt zelf
gezien, hoe al de Vorsten van invloed en macht, op een enkele na,
begeerig zijn om met den Sultan in onderhandeling te treden."

"Dit erken ik," hernam de Tempelier, "men moest blind zijn, zoo men
dit niet bij hunne laatste beraadslagingen bespeurd had. Maar licht uw
masker nog een duim hooger op, en zeg mij de ware reden, waarom gij
dien noordschen Engelschman of Schot, of hoe gij dien ridder van den
Luipaard noemt, aan den raad opgedrongen hebt, om hunne voorstellen
betreffende eene onderhandeling over te brengen?"

"Daar was staatkunde in," hervatte de Italiaan; "zijn karakter,
als inboorling van Brittannië, was voldoende, om de wenschen van
Saladin te gemoet te komen, daar hij wist, dat hij tot het leger
van Richard behoorde, terwijl zijn karakter van Schot en eenige
andere persoonlijke oneenigheden, waarvan ik kennis droeg, het zeer
onwaarschijnlijk maakten, dat onze afgevaardigde, bij zijne terugkomst,
eenige verbintenis met den zieken Richard zou houden, daar aan dezen
zijne tegenwoordigheid altijd onaangenaam was."

"Eene al te fijn gesponnen staatkunde," zeide de grootmeester, "geloof
mij, dat Italiaansche spinnewebben nooit dezen ongeschoren Simson van
het eiland binden zullen--goed, zoo gij zulks met nieuwe koorden, en
dat wel van de sterkste, doen kunt. Ziet gij niet, dat de afgezant,
dien gij met zoo veel zorg gekozen hebt, ons in dezen geneesheer
het middel heeft gebracht, om den leeuwenhartigen, stierkoppigen
Engelschman te doen herstellen, ten einde zijn kruistocht voort te
zetten; en zoo hij eens weder in staat is om voorwaarts te trekken,
wie van de vorsten zal hem durven terughouden? Zij moeten hem uit
schaamte wel volgen, al wilden zij ook even gaarne onder de banier
van Satan optrekken."

"Wees tevreden", antwoordde Koenraad van Montserrat, "eer deze
geneesheer, tenzij hij wonderen verrichten kan, Richard's genezing
kan voltooien, zal het mogelijk zijn om eene open breuk teweeg te
brengen tusschen den Franschman of ten minste den Oostenrijker,
en zijne Engelsche bondgenooten, zóó dat deze onherstelbaar zal
zijn; en Richard moge van zijn bed opstaan, misschien om zijne
eigen vaderlandsche troepen aan te voeren, maar nooit om door zijne
veerkracht alleen het geheele leger van kruisvaarders te leiden."

"Gij zijt een gewillig boogschutter", zeide de Tempelier; "maar,
Koenraad van Montserrat, uw boog is te slap om een pijl in het wit
te brengen."

Hij brak hier af, wierp een achterdochtigen blik om te zien, of iemand
hem ook hoorde, en Koenraad bij de hand vattende, drukte hij die
met kracht, terwijl hij den Italiaan in het gelaat zag en langzaam
herhaalde: "Richard van zijn bed opstaan, zegt gij?--Koenraad, hij
moet nooit weder opstaan!"

De markies van Montserrat schrikte.--"Hoe!--spraakt gij van Richard
van Engeland--van Leeuwenhart--den kampioen van het Christendom?"

Zijne wang verbleekte en zijne knieën sidderden, terwijl hij
dit zeide. De Tempelier zag hem aan, zijn ijzeren gelaat tot een
minachtenden glimlach samentrekkende.

"Weet gij, op wien gij gelijkt, heer Koenraad, op dit oogenblik? Niet
op den staatkundigen en dapperen markies van Montserrat--niet op den
man, die den raad van vorsten wilde bestieren en het lot der rijken
beslissen, maar op een nieuweling, die eene bezwering in het leerboek
van zijn leermeester ontmoetende, den duivel opgeroepen heeft, toen
hij er niet in het minst aan dacht, en nu verschrikt staat voor den
geest, die voor hem verrezen is."

"Ik geef u toe," hernam Koenraad zich herstellende, "dat--zoo men
geen veiligen weg kan vinden--gij dien hebt aangewezen, die het meest
rechtstreeks tot ons doel voert. Maar heilige Maria! wij zullen de
vervloeking van geheel Europa worden, de verwensching van ieder,
van den Paus op den troon tot den bedelaar bij de kerkdeur, die,
haveloos en melaatsch, tot het diepste van menschelijke ellende
gezonken, zich gezegend zal achten dat hij noch Giles Amaury noch
Koenraad van Montserrat is."

"Als gij het zoo neemt," hervatte de grootmeester met dezelfde kalmte,
die hem gedurende dit geheele merkwaardige gesprek gekenmerkt had,
"laat het ons er dan voor houden, dat er niets tusschen ons is
voorgevallen--dat wij in den slaap gesproken hebben--ontwaakt zijn,
en het visioen verdwenen is."

"Het kan nooit meer verdwijnen," antwoordde Koenraad.

"Visioenen van hertogelijke hoeden en koninklijke diademen houden
inderdaad hunne plaats in de verbeelding wat vaster," hervatte de
grootmeester.

"Goed," hernam Koenraad, "laat mij eerst slechts beproeven, om den
vrede tusschen Oostenrijk en Engeland te breken."

Zij scheidden.--Koenraad bleef nog op de plek staan, en zag den
zwevenden, witten mantel van den Tempelier na, terwijl deze langzaam
voortstapte, en allengs in de snel vallende duisternis van den
Oosterschen nacht verdween. Trotsch, eergierig, staatkundig en niet
zeer nauwgezet, was nochtans de markies van Montserrat niet wreed
van aard. Hij was wellustig en een vriend van een lekker leven,
en zoo als velen van deze gemoedsgesteldheid, was hij, zelfs uit
baatzuchtige oogmerken, afkeerig van iemand leed te doen of van wreede
daden getuige te zijn; ook koesterde hij een gevoel van achting voor
zijn naam, wat somtijds het gebrek van het betere beginsel, waardoor
een goede naam verkregen moet worden, vervangt.

"Ik heb," zeide hij, terwijl zijne oogen nog op het punt gevestigd
waren, waar hij het laatste wuiven van den mantel des Tempeliers
gezien had,--"ik heb in waarheid den duivel opgeroepen! Wie zou
gedacht hebben, dat deze sombere, ascetische grootmeester, wiens
geheel geluk en ongeluk in dat van zijne orde begrepen is, meer tot
bevordering daarvan zou willen doen, dan ik, die voor mijn eigen
belang werk? Dezen wilden kruistocht tegen te gaan was weliswaar
mijn oogmerk, maar ik durfde niet aan het eenvoudige middel denken,
dat deze vermetele priester heeft gewaagd aan de hand te geven--en
niettemin is dat het zekerste--en mogelijk zelfs het veiligste."

Zulke overpeinzingen hield de Markies bij zich zelf, toen zijne stille
alleenspraak afgebroken werd door eene stem op een kleinen afstand,
die op den luidklinkenden toon van een heraut riep: "Denk aan het
heilige graf!"

Deze kreet weergalmde van post tot post, want het was de plicht der
schildwachten, om deze woorden van tijd tot tijd op hunne wacht te
laten hooren, opdat het leger der kruisvaarders altijd het doel
zijner wapening mocht in de gedachten houden. Maar ofschoon deze
gewoonte zeer goed aan Koenraad bekend was, en hij de waarschuwende
stem bij alle vorige gelegenheden als iets gewoons vernomen had,
kwam zij echter voor het oogenblik zoo hevig in botsing met den loop
zijner eigen gedachten, dat het hem eene stem des Hemels toescheen,
die hem tegen zijne voorgenomen boosheid waarschuwde. Hij zag angstig
rond, alsof hij, gelijk de aartsvader in aloude tijden, hoewel in
zeer verschillende omstandigheden, een in de struiken gevangen ram
verwachtte--den eenen of anderen plaatsvervanger voor het offer,
dat zijn makker had voorgesteld, niet om hem het Opperste Wezen, maar
den Moloch van hunne eigen eerzucht te slachten. Terwijl hij rondzag,
viel zijn oog op de breede banen van het vaandel van Engeland, dat zich
met moeite in de zwakke nachtkoelte uitspreidde. Het vertoonde zich op
een met kunst opgeworpen wal, bijna in het midden van de legerplaats,
dien misschien voorheen een of ander Hebreeuwsch opperhoofd of strijder
tot gedenkplaats van zijne rustplaats uitgekozen had. Al was dit zoo,
de naam was thans vergeten, en de kruisvaarders hadden dien St. George
berg gedoopt, omdat van die gebiedende hoogte de banier van Engeland
zich verhief en uitspreidde, alsof zij een teeken van oppermacht
ware boven de vele uitstekende, edele, en zelfs koninklijke vaandels,
die op lagere standplaatsen fladderden.

Een vlug vernuft, gelijk de markies bezat, krijgt gedachten door
één blik. Een enkele blik van zijn oog op den standaard scheen de
onzekerheid van gemoed, die hem geschokt had, te verbannen. Hij begaf
zich naar zijne tent met de haastige en vaste schreden van iemand,
die een plan gemaakt heeft, dat hij besloten heeft ten uitvoer te
brengen, ontsloeg het bijna vorstelijke gevolg, dat gereed was hem op
te wachten, en terwijl hij zich op zijne legerstede ter nederlegde,
prevelde hij zijn veranderd besluit, dat de zachtere middelen moeten
beproefd worden, eer men tot de meer wanhopige overgaat.

"Morgen", zeide hij, "zit ik aan de tafel van den Aartshertog van
Oostenrijk,--wij zullen zien wat ter bevordering van ons plan kan
gedaan worden, eer wij de zwarte inblazingen van dezen Tempelier
volgen."



HOOFDSTUK XI.

                    Een ding is zeker in ons Noordsche land;
                    Moed, geest, geboorte, rijkdom en verstand
                    Geeft aan benijding zijn bezitter prijs;
                    Vervolgt hem als een speurhond op zijn baan,
                    En grijpt de kans tot zijn verdelging aan.

                                                      Sir David Lindsay.


Leopold, Aartshertog van Oostenrijk, was de eerste bezitter van
dat edele land, waaraan de vorstelijke rang toekwam. Hij was in
het Duitsche rijk door zijne nauwe bloedverwantschap met Keizer
Hendrik den Ernstige tot de hertogelijke waardigheid verheven, en had
onder zijn bestuur de schoonste landschappen, welke door den Donau
besproeid worden. Zijn karakter is in de geschiedenis door ééne daad
van geweld en trouweloosheid bevlekt geworden, die juist uit deze
gebeurtenissen in het heilige Land sproot en toch was de schande van
Richard gevangen genomen te hebben, toen hij zonder begeleiding en
verkleed door Leopold's staten trok, niet uit zijn natuurlijk karakter
voortgesproten. Hij was veeleer een zwak en ijdel dan eerzuchtig
of wreed vorst. De vermogens van zijn geest stemden overeen met de
eigenschappen van zijn lichaam. Hij was groot, krachtig en schoon,
met een gelaat, waarin rood en wit een sterk contrast vormden, en
had lange, fladderende lokken en mooi haar. Maar er was eene zekere
stijfheid in zijn gang, die scheen te getuigen, dat hij door geene
genoegzame veerkracht bezield werd, om zulk eene massa in beweging
te brengen; en ter zelfder tijd scheen hem ook de rijkste kleeding
niet goed te staan. Als vorst scheen hij te weinig met zijne eigen
waardigheid vertrouwd; en daar hij dikwijls verlegen was, hoe hij
zijn gezag zou handhaven, wanneer de omstandigheden dit vorderden,
rekende hij zich dikwijls verplicht, om door daden en uitdrukkingen van
ontijdig geweld den grond te herwinnen, dien hij op eene gemakkelijke
en zachte wijze door een weinig meer tegenwoordigheid van geest in
het begin van den strijd had kunnen behouden.

Niet alleen waren deze gebreken voor anderen blijkbaar, maar de
Aartshertog zelf kon somtijds niet nalaten een smartelijk besef
te gevoelen, dat hij niet geheel geschikt was, om den hoogen rang,
dien hij had verworven, te handhaven. Hierbij kwam nog het sterke en
somtijds zeer gegronde vermoeden, dat anderen hem daarom minachtten.

Toen hij zich in het eerst, met een zeer vorstelijk gevolg, bij den
kruistocht aansloot, had hij zeer gewenscht, Richard's vriendschap
en vertrouwen te verwerven, en had stappen gedaan, om diens achting
te winnen, die de Koning van Engeland uit verstandige staatkunde had
moeten aannemen en beantwoorden. Maar de Aartshertog, hoewel niet
ontbloot van moed, was zoo ver beneden Leeuwenhart in de vurigheid
van gemoed, welke het gevaar zoekt, als eene bruid, dat de Koning hem
weldra in zekere mate minachtte. Ook verachtte Richard, als Normandisch
vorst--een volk, dat de matigheid steeds betracht had--de neiging van
den Duitscher voor de genoegens van de tafel, en in het bijzonder diens
misbruik van wijn. Om deze en andere persoonlijke redenen, beschouwde
de Koning van Engeland den Oostenrijkschen vorst spoedig met een
gevoel van verachting, dat hij zich geen moeite gaf te verbergen of te
verzachten, en dat de achterdochtige Leopold dus weldra opmerkte en met
diepen haat beantwoordde. De oneenigheid tusschen hen werd aangeblazen
door de geheime en staatkundige kuiperijen van Filips van Frankrijk,
een der schranderste monarchen van dien tijd, die het vurig en trotsch
karakter van Richard vreesde, hem als zijn natuurlijken mededinger
beschouwde, en zich daarenboven beleedigd gevoelde door de gebiedende
wijze, waarop deze,--als vasal van Frankrijk, voor zijne bezittingen op
het vaste land,--zich tegen zijn landheer gedroeg, zijne eigen partij
zocht te versterken, en die van Richard te verzwakken, door dat hij
de vorsten van minderen rang, welke zich bij den kruistocht bevonden,
vereenigde tegen hetgeen hij het overweldigende gezag van den Koning
van Engeland noemde. Dit waren de staatkunde en de gevoelens, die de
Aartshertog van Oostenrijk koesterde, toen Koenraad van Montserrat
besloot, om zijne jaloezie tegen Engeland aan te wenden, als het
middel, om het verbond der kruisvaarders op te lossen of ten minste
losser te maken.

De tijd, dien hij voor zijn bezoek koos, was de middag, en het
voorwendsel, dat hij den Aartshertog eenige uitgezochte wijnen van
Cyprus, die onlangs in zijne handen gevallen waren, wilde aanbieden,
en de verdienste daarvan met die der wijnen van Hongarije en den Rijn
vergelijken wilde. Eene mededeeling van deze strekking werd natuurlijk
beantwoord door eene vriendelijke uitnoodiging, om aan de tafel van den
Aartshertog deel te nemen, en alles aangewend, om aan het gastmaal den
glans van een souvereinen vorst te geven. Nochtans zag de verfijnde
smaak van den Italiaan meer lastige verkwisting dan zwier of pracht
in de uitstalling der spijzen, waaronder de tafel zuchtte.

De Duitschers bezaten, weliswaar, nog steeds het krijgshaftig
en oprecht karakter van hunne voorouders, die het Romeinsche
rijk overweldigden; maar tevens hadden zij een groot gedeelte
van hunne barbaarschheid behouden. De gewoonten en beginselen der
ridderschap waren onder hen niet tot zulk een graad van verfijning
gebracht, als onder de Fransche en Engelsche ridders; ook namen
zij de voorgeschreven regelen der gezelligheid niet in acht,
die men bij deze natiën beschouwde als den hoogsten trap hunner
beschaving uit te drukken. Aan de tafel van den Aartshertog zittende,
werd Koenraad pijnlijk aangedaan en verlustigd door den klank van
Teutoonsche geluiden, die zijn oor van alle kanten troffen, ondanks
de plechtigheid van een vorstelijken maaltijd. Hunne kleeding scheen
hem even zonderling toe, daar verscheidene Oostenrijksche edelen hunne
lange baarden behouden hadden, en bijna allen korte, bonte wambuizen
droegen, die op eene in het westen van Europa geheel ongewone wijze
gesneden, versierd en bezet waren.

Een groot aantal bedienden, oud en jong, verrichtten hun dienst
in de tent, mengden zich nu en dan in het gesprek, ontvingen van
hun meester de overblijfselen van het gastmaal, en verslonden
die terwijl zij achter het gezelschap stonden. Narren, dwergen
en minnezangers bevonden zich daar in eene zeer groote menigte,
en maakten meer gedruisch, toonden zich meer indringend, dan men
hun in beter geordende gezelschappen vergunde te zijn. Daar zij
verlof hadden om wijn te drinken zooveel zij wilden, die in groote
hoeveelheid stroomde, werd hun losbandig gedruisch hoe langer hoe
erger. Gedurende al dien tijd en te midden van een geschreeuw en eene
verwarring, die beter voor eene Duitsche herberg bij eene kermis,
dan voor de tent van een regeerend Vorst zou gepast hebben, werd de
Aartshertog met in achtneming van alle vormen en met allen eerbied,
waaruit bleek, hoe angstvallig hij was, om den stand en het karakter,
waartoe zijn hooge rang hem het recht gaf, vol te houden. Hij werd
op de knieën en alleen door knapen van edel bloed bediend, at van
zilveren borden en dronk zijn Tokaijer en Rijnschen wijn uit een
gouden beker. Zijn hertogsmantel was prachtig met hermelijn versierd;
zijne kroon kon in waarde een koningskroon evenaren, en zijne voeten,
met fluweelen schoenen bekleed--wier lengte met de lange snebben twee
voet konden bedragen,--rustten op een voetschabel van echt zilver. Maar
het verried toch het karakter van den man, dat hij, ofschoon begeerig
om den markies van Montserrat, dien hij uit beleefdheid aan zijne
rechterhand geplaatst had, zijne opmerkzaamheid te betoonen, veel meer
aandacht schonk aan zijn spreukspreker, dat is, den persoon, die achter
den rechter schouder van den Hertog stond en het gesprek gaande hield.

Deze was goed gekleed in een mantel en een wambuis van zwart fluweel;
het laatste was met velerlei gouden en zilveren munten versierd,
die daar opgestoken waren als gedachtenissen van de Vorsten,
die hem deze geschonken hadden; voorts droeg hij een korten staf,
waaraan ook bundels zilveren munten met ringen waren vastgemaakt,
waarmede hij placht te schellen, om de aandacht tot zich te trekken,
wanneer hij op het punt was iets te zeggen, dat hij waardig keurde
gehoord te worden. De betrekking van dezen man in de huishouding
van den Aartshertog was eenigermate tusschen die van minnezanger en
raadgever; hij was beurtelings vleier, dichter en redenaar, en zij
die op goeden voet met den Hertog wenschten te staan, legden zich er
gewoonlijk op toe, om de gunst van den spreukspreker te winnen.

Opdat de al te groote wijsheid van dezen ambtenaar niet vervelend
mocht worden, was aan den anderen schouder van den Hertog zijn hofnar,
Jonas Schwanker, geplaatst, die bijna even veel gedruisch met zijne
zotskap, schelletjes en speeltuig maakte, als de redenaar of spreker
met zijn schellenstok.

Deze beide personen lieten afwisselend ernstigen en grappigen onzin
hooren, terwijl hun meester, die er om lachte of ze toejuichte, toch
het gelaat van zijn edelen gast zorgvuldig gadesloeg, om te ontdekken,
welken indruk deze vertooning van Oostenrijksche welsprekendheid en
geestigheid op een zoo volmaakten ridder maakte. Het is moeilijk te
beslissen, of de man van wijsheid of die van dwaasheid het meest tot
het vermaak van het gezelschap bijdroeg, of het hoogst in de achting
bij hun vorstelijken heer stond; maar de opmerkingen en invallen van
beide schenen uitstekend goed opgenomen te worden. Somtijds werden
zij mededingers in het gesprek, en lieten hunne schertsende wapenen
in bijna onrustwekkenden strijd tegen elkander kletteren; maar over
het algemeen schenen zij op een zoo goeden voet met elkander te
staan, en zoo gewoon te zijn om elkanders boert te verdragen, dat
de spreukspreker zich dikwijls verwaardigde om op de geestigheid van
den nar eene verklaring te laten volgen, ten einde die te beter onder
het verstand van de toehoorders te brengen; zoodat zijne wijsheid eene
soort van commentaar van de dwaasheid van den nar werd. En somtijds gaf
van zijne zijde de hofnar door eene pittige scherts aan het slot van
de vervelende voordracht van den redenaar daaraan nog zekeren nadruk.

Wat ook Koenraad's werkelijk oordeel mocht zijn, hij droeg zorg,
dat zijn gelaat niets dan tevredenheid teekende over hetgeen hij
hoorde, en hij lachte en klapte even ijverig, naar den schijn, als de
Aartshertog zelf, over de plechtige dwaasheid van den spreukspreker
of de snappende geestigheid van den nar. In werkelijkheid lette hij
zorgvuldig op, tot dat de een of de ander een onderwerp van gesprek
te berde mocht brengen, dat gunstig was voor het plan, hetwelk hem
het meest het hart vervulde.

Het duurde niet lang, of de hofnar bracht den Koning van Engeland ter
sprake, daar hij gewoon was om Richard van den braam (Dickon of the
broom) als een aangenaam en onuitputtelijk onderwerp van vroolijkheid
te beschouwen. De redenaar zweeg weliswaar, en slechts toen Koenraad
zich tot hem wendde, antwoordde hij: "de genista, of braam, is een
zinnebeeld der nederigheid; en het zou goed zijn, indien zij, die
het dragen, deze waarschuwing indachtig waren."

De toespeling op het beroemde symbool van Plantagenet werd hierdoor
duidelijk genoeg, en Jonas Schwanker merkte op, dat zij, die zich
vernederd hadden, verhoogd waren geworden.

"Eere wien eere toekomt," sprak de markies van Montserrat; "wij
hebben allen eenig deel in deze tochten en veldslagen gehad, en
mij dunkt andere vorsten mochten wel een weinig deelen in den roem,
waaraan Richard van Engeland alleen zich onder de minnezangers meester
maakt. Heeft niet een van de joyeuse science (vroolijke kunst) een
lied op den lof van den koninklijken Aartshertog van Oostenrijk,
onzen vorstelijken gastheer?"

Drie minnezangers traden naar voren en wedijverden met stem
en harp. Twee werden met moeite tot zwijgen gebracht door den
spreukspreker, die als opziener over de vermakelijkheden scheen te
fungeeren, en eindelijk verkreeg de bevoorrechte dichter gehoor,
die in het Hoog-duitsch coupletten zong, ongeveer aldus luidende:


Welk dapper hoofd geleidt de scharen
Die 't roode kruis te samen bracht?
De beste ruiters, beste paarden
Het fierste hoofd en vederpracht.


Hier viel de redenaar, met zijn staf schuddende, den zanger in de
reden, om het gezelschap te verstaan te geven, wat het misschien
anders niet zou begrepen hebben, dat hun koninklijke gastheer de
bedoelde held was, en een volle bekranste beker ging rond onder het
gejuich van: Hoch lebe der Herzog Leopold. Er volgde een ander couplet:


Vraag niet aan Oostenrijk waarom toch
Te midden van de vorstenschaar
Zijn vaan als 't hoogste en fierste wappert!--
Het hoogste toch stijgt de adelaar.


"De adelaar," zeide hij die de duistere spreuken toelichtte, "is het
zinnebeeld van onzen edelen heer den Aartshertog--van zijne koninklijke
Hoogheid, wilde ik zeggen--en de adelaar vliegt het hoogst en het
meest nabij de zon van de geheele gevederde schepping."

"De leeuw heeft een sprong boven den adelaar gedaan," zeide Koenraad
los weg.

De Aartshertog kleurde, en vestigde zijne oogen op den spreker terwijl
de redenaar na een oogenblik nadenken antwoordde: "de heer markies
zal mij vergeven--een leeuw kan niet boven een arend vliegen, daar
geen leeuw vleugels heeft."

"Behalve de leeuw van St. Markus," zeide de nar.

"Dat is de Venetiaansche banier," antwoordde de Hertog; "maar voorzeker
zal toch dit tweeslachtig ras van half-edelen en half-kooplieden niet
wagen, om zijn rang met den onzen in vergelijking te brengen."

"Neen, het was niet van den Venetiaanschen leeuw dat ik sprak,"
hervatte de markies van Montserrat; "maar van de drie stappende
leeuwen van Engeland--te voren waren het, zegt men, luipaarden,
maar nu zijn het in alle opzichten leeuwen geworden, en zij moeten
de voorkeur hebben boven dier, visch en vogel, of wee hem, die zich
daartegen verzet."

"Meent gij dat in ernst, genadige heer?" vroeg de Oostenrijker,
thans door den wijn verhit; "meent gij, dat Richard van Engeland zich
een voorrang boven de vrije Vorsten aanmatigt, die vrijwillig zijn
bondgenooten in dezen kruistocht geweest zijn?"

"Ik leid het slechts af uit de omstandigheden," antwoordde Koenraad;
"ginds hangt zijne banier alleen in het midden van onze legerplaats,
alsof hij Koning en opperveldheer van ons geheel Christenleger ware."

"En verdraagt gij dit zoo geduldig, en spreekt gij zoo koelbloedig
daarover?" vroeg de Aartshertog.

"Neen, uwe Hoogheid," antwoordde Koenraad, "het betaamt den armen
markies van Montserrat niet, om zich tegen eene beleediging te
verzetten, waaraan zich zulke machtige Vorsten, als Filips van
Frankrijk en Leopold van Oostenrijk, onderworpen hebben. Een hoon,
waaraan gij u verkiest te onderwerpen, kan geen schande voor mij zijn."

Leopold balde de vuist en sloeg met geweld op de tafel.

"Ik heb dit Filips al dikwijls gezegd," riep hij, "ik heb hem herhaalde
malen gezegd, dat het onze plicht was om de mindere Vorsten tegen de
aanmatigingen van dien eilander te beschermen.--Maar hij antwoordt mij
altijd met koele opmerkingen omtrent hunne betrekkingen tot elkander
als leenheer en vasal, en dat het onstaatkundig van zijn kant zou zijn,
indien hij juist in dezen tijd met hem wilde breken."

"De wereld weet, dat Filips wijs is," hernam Koenraad, "en zal zijne
onderwerping voor staatkunde houden.--Van de uwe kunt gij zelf alleen
rekenschap geven; maar ik twijfel er niet aan, of gij hebt goede
redenen om u aan de Engelsche heerschappij te onderwerpen."

"Ik mij onderwerpen!" riep Leopold verontwaardigd.--"Ik de Aartshertog
van Oostenrijk, een zoo gewichtig en edel lid van het heilige
Romeinsche rijk.--Ik mij onderwerpen aan dien Koning van een half
eiland--dezen kleinzoon van een Normandischen bastaard!--Neen, bij den
Hemel! Het leger en de geheele Christenheid zullen zien, dat ik mij
zelven recht weet te verschaffen, en of ik een duim breed gronds aan
den Engelschen bulhond wil afstaan.--Op! mijne leenslieden en lustige
knapen, op en volgt mij!--wij willen--en wel zonder een oogenblik te
verliezen--den Oostenrijkschen adelaar plaatsen, waar hij zoo hoog
zweven zal, als ooit het zinnebeeld van een Koning of Keizer wapperde."

Met deze woorden rees hij van zijn stoel op, en onder het luidruchtig
gejuich van zijne gasten en volgelingen, ging hij tot voor de deur
van zijne tent, en greep zijn eigen banier, die daarvoor geplant was.

"Neen, uwe Hoogheid," zeide Koenraad, veinzende dat hij tusschen
beide wilde komen; "het zal uwe wijsheid tot schande strekken, om in
dit uur een strijd in de legerplaats aan te vangen, en misschien is
het beter zich nog eenigen tijd aan de overweldiging van Engeland te
onderwerpen, dan te...."

"Geen uur--geen oogenblik langer," schreeuwde de hertog, en met zijne
banier in de hand, en gevolgd door zijn juichende gasten en dienaren,
begaf hij zich met snelle schreden naar de hoogte in het middelpunt,
waarop de banier van Engeland wapperde, en sloeg zijne hand aan den
vaandelstok, als of hij dien uit den grond wilde rukken.

"Mijn meester, mijn dierbare meester!" riep Jonas Schwanker, zijne
armen om den hertog slaande--"wacht u--leeuwen hebben tanden--"

"En arenden hebben klauwen," antwoordde de hertog, zonder den
vaandelstok los te laten, maar toch aarzelende om dien uit den grond
te rukken.

Maar de spreukspreker had, in weerwil van zijn beroep, somtijds
oogenblikken van gezond verstand. Hij schudde krachtig met zijn staf,
en Leopold wendde uit gewoonte zijn hoofd naar zijn raadsman.

"De adelaar is koning onder de vogels van de lucht," zeide hij,
"zoo als de leeuw onder de dieren des velds--ieder heeft zijn gebied,
even ver van een gescheiden als Engeland van Duitschland--doe, edele
adelaar, den vorstelijken leeuw geen schimp aan, maar laat uwe banieren
vreedzaam naast elkander wapperen."

Leopold trok zijne hand van den vaandelstok en zag naar Koenraad
van Montserrat om, maar hij bespeurde hem niet meer; want zoodra de
markies zag dat het onheil was gesticht, had hij zich uit het gedrang
verwijderd, terwijl hij eerst voorzichtig in tegenwoordigheid van
verscheidene onzijdige personen zijn leedwezen te kennen gaf, dat de
Aartshertog het uur na het middagmaal gekozen had, om een hoon te
wreken, waarover hij mocht meenen reden tot klagen te hebben. Zijn
gast niet ziende, tot wien hij zich meer bijzonder had wenschen te
richten, zeide de Aartshertog luid, dat, daar hij niet wenschte eenige
oneenigheid in het leger van het kruis te veroorzaken, hij slechts
zijne eigen voorrechten handhaafde, en het recht om op gelijken
voet met den Koning van Engeland te staan, zonder te verlangen, zoo
als hij had kunnen doen, dat zijne banier, die hij van de Keizers,
zijne voorouders, geërfd had, de voorkeur had boven die van een
eenvoudig afstammeling der graven van Anjou; te gelijker tijd liet
hij een vat wijn daarheen brengen en opensteken, om de omstanders te
onthalen, welke onder trommelgeslag en muziek menigen beker rondom
den Oostenrijkschen standaard ledigden.

Dit ongeregelde tooneel vond niet plaats zonder een gedruisch, die
de geheele legerplaats in oproer bracht.

Het beslissend uur was gekomen, waarop de geneesheer, volgens de
regelen zijn koninklijke lijder veilig kon gewekt worden, en met
dat doel de spons gebruikt. De geneesheer had nog niet veel meerdere
waarnemingen gemaakt, of hij verzekerde den baron van Gilsland, dat
de koorts zijn Koning geheel had verlaten, en dat de kracht van zijn
gestel zoo groot was, dat het niet eens, gelijk in de meeste gevallen,
noodig zou zijn, hem eene tweede dosis van het heilzame geneesmiddel
te geven. Richard zelf scheen van hetzelfde gevoelen te zijn, want,
terwijl hij zich in het bed oprichtte en zijne oogen wreef, vroeg hij
aan de Vaux, welke som gelds er voor het oogenblik in de koninklijke
kas was?

De baron kon hem dit niet juist zeggen.

"Het doet er niet toe," zeide Richard; "zij moge grooter of kleiner
zijn, schenk ze geheel aan dezen geleerden arts, die naar ik vertrouw,
mij aan den dienst van den kruistocht heeft teruggeschonken. Zoo het
minder is dan duizend byzantynen, geef hem dan juweelen, om dit bedrag
vol te maken."

"Ik verkoop de wijsheid niet, die Allah mij geschonken heeft,"
antwoordde de Arabische geneesheer; "en verneem, groote Koning,
dat de goddelijke artsenij, die gij gebruikt hebt, hare uitwerking
in mijne onwaardige hand zou verliezen, indien ik ze voor goud of
edelgesteenten weggaf."

"Hij weigert eene belooning!" zeide de Vaux bij zich zelven. "Dit is
meer te verwonderen dan dat hij honderd jaren oud is."

"Thomas de Vaux," zeide Richard, "gij kent geen anderen moed, dan
dien, welke tot het zwaard behoort, geene goedheid en deugd, dan die
welke in de ridderschap te pas komt. Ik zeg u, dat deze Moor in zijne
onafhankelijkheid, tot een voorbeeld zou kunnen strekken voor hen,
die zich de bloem der ridderschap achten te zijn."

"Het is belooning genoeg voor mij," zeide de Moor, zijne armen over
de borst vouwende, en te gelijk een eerbiedige en waardige houding
aannemende, "dat een zoo groot Koning, als Melek Ric, op deze wijze
van zijn dienaar spreekt.--Maar, laat ik u bidden, om u weder op uw
bed te leggen; want, ofschoon ik denk, dat de goddelijke drank niet
behoeft herhaald te worden, zou eene te vroege inspanning, eer nog
uwe krachten geheel hersteld zijn, nadeelig kunnen zijn."

"Ik moet u gehoorzamen, Hakim," antwoordde de Koning; "evenwel geloof
mij, mijn boezem gevoelt zich zoo vrij van het vernielende vuur, dat
zoo vele dagen lang hem verschroeid heeft, dat ik er niet om geef,
hoe spoedig ik die aan de hand van een braaf man blootstel.--Maar
luister! wat beteekent dat geschreeuw en die muziek in de verte in
het kamp? Ga, Thomas de Vaux, en verneem wat er gebeurt?"

"Het is de Aartshertog Leopold," zeide de Vaux, na eene afwezigheid
van een oogenblik terugkeerende, "die met zijne drinkgezellen een
optocht door het leger houdt."

"Die dronken dwaas!" riep Koning Richard, "kan hij zijne beestachtige
dronkenschap niet onder het zeil van zijne tent verbergen, en moet
hij zijne schande voor de geheele Christenheid tentoonspreiden? Wat
zegt gij daarvan, heer markies?" voegde hij er bij, zich tot Koenraad
van Montserrat wendende, die op dit oogenblik de tent binnentrad.

"Zoo veel, geëerde Vorst," antwoordde de markies, "dat ik uwe Majesteit
zoo wel en zoo ver hersteld vind; en dit is een lange redevoering voor
iemand, die aan de gastvrijheid van den Aartshertog van Oostenrijk
heeft deel genomen."

"Hoe! gij hebt met het Teutoonsche wijnvat gegeten", zeide de monarch;
"en welke lustige invallen hebben hem tot al deze rumoerige tooneelen
bewogen? Waarlijk, heer Koenraad, ik heb u altijd voor een zoo goeden
dischgenoot gehouden, dat ik mij verwonder, dat gij het spel verlaten
hebt."

De Vaux, die een weinig achter den Koning gegaan was, poogde nu den
markies door teekens en blikken te doen verstaan, dat hij Richard
niets zeggen moest van hetgeen er buiten voorviel. Maar Koenraad
begreep het verbod niet, of wilde er geen acht op slaan.

"Wat de Aartshertog doet," antwoordde hij, "is van weinig belang
voor iemand anders, en het minst voor hem zelven, daar hij denkelijk
niet weet, wat hij doet--evenwel, om de waarheid te zeggen, is het
een grap, waaraan ik niet gaarne deel zou willen nemen, daar hij de
banier van Engeland van den berg van St. George, ginds in het midden
van de legerplaats, rukt, en de zijne in hare plaats plant."

"Wat zegt gij?" vroeg de Koning op een toon, die de dooden had kunnen
opwekken.

"Neen," zeide de markies, "laat het uwe Majesteit niet vertoornen,
zoo een dwaas naar zijne dwaasheid handelt."

"Zeg mij niets," zeide Richard, van zijne legerstede opspringende,
en zijne kleederen met een spoed aantrekkende die wonderbaarlijk
scheen--"zeg mij niets, heer markies!--De Multon, ik beveel u mij
geen woord te zeggen--hij, die slechts eene syllabe over de lippen
laat komen, is geen vriend van Richard Plantagenet.--Hakim, zwijg,
ik gelast het u!"

Onder het uitspreken van die woorden kleedde de Koning zich haastig
aan, en bij het laatste woord greep hij zijn zwaard van de pilaar der
tent, en snelde naar buiten zonder eenig ander wapen te nemen, of eenig
gevolg te roepen. Koenraad, als ten prooi aan de hoogste verbazing
zijne handen ten hemel heffende, scheen voornemens met de Vaux een
gesprek te beginnen; maar sir Thomas snelde hem zonder omslag voorbij,
en zeide haastig, een der koninklijke stalmeesters roepende: "Vlieg
naar het kwartier van lord Salisbury, en laat hij zijne manschappen
verzamelen, en mij dadelijk naar den St. George's-berg volgen.--Zeg
hem, dat de koorts van den Koning zijn bloed heeft verlaten en in
zijne hersens is geslagen."

De verschrikte stalmeester, die deze haastige woorden van de Vaux
slechts onvolkomen gehoord had, en nog onvolkomener verstond,
vloog met zijne volgelingen haastig uit het koninklijk vertrek,
naar de tenten van de naburige edellieden, en verspreidde snel door
het geheele Britsche leger eene onrust, die even algemeen als de
oorzaak daarvan onbekend was. De Engelsche soldaten, verschrikt uit
de middagrust gewekt, die de hitte van het klimaat hen geleerd had
als eene soort van weelde te beschouwen, vroegen elkander haastig
naar de oorzaak van het gedruisch, en vulden, zonder een antwoord af
te wachten, door hunne eigen verbeeldingskracht het onvolledige van
de mededeeling aan. Eenigen zeiden, dat de Sarraceenen in het leger
waren; anderen, dat men een aanslag op het leven des Konings maakte;
sommigen, dat hij den vorigen nacht aan de koorts gestorven was;
verscheidenen, dat hij door den Hertog van Oostenrijk was vermoord. De
edellieden en officieren, even onthutst als de gemeenen, en buiten
staat om de ware oorzaak van de wanorde op te geven, trachtten slechts
hunne onderhoorigen onder de wapens in bedwang te krijgen, uit vrees
dat hunne onbezonnen drift het leger der kruisvaarders een of ander
groot ongeluk veroorzaken mocht. De Engelsche trompetten klonken luid,
schel en aanhoudend. De wapenkreet van "bogen en strijdbijlen--bogen en
strijdbijlen," liet zich van kwartier tot kwartier hooren, weergalmde
op nieuw en werd nogmaals beantwoord door de tegenwoordigheid der
slagvaardige krijgslieden en hun nationalen kreet: "St. George voor
het vroolijke Engeland."

Het alarm verspreidde zich door het aangrenzende gedeelte van het
leger, en er verzamelden zich mannen van al de verschillende natiën,
daar bijna ieder volk van de Christenheid zijne vertegenwoordigers
aldaar had, en alle trokken samen onder eene algemeene verwarring,
waarvan zij de reden noch het doel kenden. Het was echter gelukkig,
dat de Graaf van Salisbury te midden van een zoo dreigend tooneel,
en terwijl hij slechts met eenige weinigen van de vlugste Engelsche
gewapenden op bevel van de Vaux voortijlde, beval, dat het overige
van het Britsche leger in slagorde geschaard en onder de wapens
gehouden zou worden, om tot Richard's bijstand te kunnen aanrukken,
indien de nood dit vorderen mocht, maar onder behoorlijke aanvoering
en in eene gepaste orde, en niet met de onordelijke haast, die hunne
eigen ongerustheid en hun ijver voor de veiligheid des Konings hun
zou hebben kunnen ingeven.

Onderwijl vervolgde Richard, zonder in het minst acht te slaan op
het geschreeuw en geraas, dat rondom hem begon toe te nemen, met
zijne kleeding in de grootste wanorde en zijn ontbloot zwaard onder
den arm, zijn weg met de uiterste snelheid, alleen door de Vaux en
eenige dienaren van zijn huis gevolgd, naar den berg van St. George.

Hij kwam daar aan zelfs vóór den drom, die zijne onstuimigheid had
doen samenkomen, en trok door het kwartier van zijne eigen dappere
troepen van Normandië, Poitou, Gaskonje en Anjou, voor dat het alarm
hen bereikt had, ofschoon het getier, dat de Duitschers bij hun
maaltijd maakten, verscheidenen van de soldaten op de been gebracht
had, om daarnaar te luisteren. De kleine schaar van Schotten lag ook in
de nabijheid, en was evenmin door het oproer gestoord geworden. Maar
de ridder van den Luipaard bespeurde zoowel den persoon als de haast
van den Koning, en begrijpende, dat er gevaar op handen moest zijn,
en zich spoedende om daarin te deelen, greep hij schild en zwaard, en
voegde zich bij de Vaux, die met eenige moeite met zijn ongeduldigen
en vurigen meester gelijken tred hield. De Vaux beantwoordde een
nieuwsgierigen blik, dien de Schotsche ridder op hem wierp, door
zijne breede schouders op te halen, en zij volgden naast elkander de
schreden van den Koning.

Richard was spoedig aan den voet van den St. Georgeberg waarvan de
hellingen zoowel als de top thans omring en bezet waren, gedeeltelijk
door het gevolg van den Hertog van Oostenrijk, dat met een juichend
geschreeuw de daad prees, die het als eene verdediging hunner nationale
eer beschouwde; gedeeltelijk door omstanders van verschillende natiën,
die haat tegen de Engelschen of bloote nieuwsgierigheid bijeengebracht
had, om het einde van deze buitengewone gebeurtenis af te wachten. Door
dezen ongeregelden hoop baande Richard zich een weg, als een statig
schip met volle zeilen, dat de onstuimige baren doorklieft, en er
zich niet aan stoort, dat men zich achter zijn steven vereenigt en
in zijn weg voortbruist.

Op den top van den heuvel was eene kleine effen ruimte, waarop
de mededingende banieren geplant, en nog door de vrienden en het
gevolg van den Aartshertog omringd waren. In het midden van den
kring stond Leopold zelf, nog met zelfvoldoening de daad, die hij
verricht had, aanschouwende, en nog steeds naar de toejuiching en
het geschreeuw luisterende, waarbij zijne aanhangers hun adem niet
spaarden. Terwijl hij zich zelf aldus gelukwenschte, drong Richard
in den kring, weliswaar slechts door twee personen vergezeld, maar
door zijne eigen buitengewone kracht aan een onverwinlijk leger gelijk.

"Wie heeft," zeide hij, zijne hand aan den Oostenrijkschen standaard
slaande, en op een toon sprekende, als die, welke eene aardbeving
voorafgaat; "wie heeft dit ellendige vod naast de banier van Engeland
durven planten?"

Het ontbrak den Aartshertog niet aan persoonlijken moed, en hij kon
onmogelijk deze vraag hooren, zonder daarop te antwoorden. Maar hij
was zoo ontsteld en verrast door de onverwachte komst van Richard en
door den algemeenen schrik, dien zijn vurig en doortastend karakter
inboezemde, getroffen, dat de vraag tweemaal werd herhaald op een
toon, die hemel en aarde scheen uit te dagen, eer de Aartshertog
met zooveel vastheid, als waartoe hij in staat was antwoordde:
"Ik was het, Leopold van Oostenrijk."

"Dan zal Leopold van Oostenrijk," riep Richard, "dadelijk zien, op
welken prijs Richard van Engeland zijne banier en zijne eischen stelt."

Met deze woorden rukte hij den standaardstok uit, brak dien in
splinters, wierp de banier zelve op den grond, en zette zijn voet
er op.

"Zoo," riep hij, "treed ik op de banier van Oostenrijk. Is er een
ridder onder uwe Teutoonsche ridderschap, die het waagt, om mij wegens
mijne daad aan te klagen?"

Er ontstond eene kortstondige stilte; maar er zijn geene dapperder
mannen dan de Duitschers.

"Ik," en "ik", en "ik", riepen verscheiden ridders uit het gevolg
van den Hertog; en hij zelf voegde zijne stem bij diegene, welke de
uitdaging van den Koning van Engeland aannamen.

"Waarom dralen wij dan nog?" zeide Graaf Wallenrode, een reusachtig
krijgsman van de grenzen van Hongarije. "Broeders en edele heeren,
de voet van dezen man staat op de eer van uw vaderland.--Laat ons
die van het geweld bevrijden, weg met den hoogmoed van Engeland!"

Dit zeggende trok hij zijn zwaard, en deed een slag naar den Koning,
die noodlottig had kunnen worden, zoo de Schot dien niet met zijn
schild opgevangen had.

"Ik heb gezworen," riep Koning Richard--en zijne stem liet zich boven
al het gedruisch hooren, dat nu wild en luid begon te worden--"nooit
iemand met mijn zwaard te treffen, die het kruis op zijne schouders
zou dragen; daarom leef, Wallenrode--maar leef om aan Richard van
Engeland te denken."

Bij deze woorden greep hij den grooten Hongaar om het midden, en,
daar hij zoo min in het worstelen als in andere krijgsoefeningen zijn
gelijken had, slingerde hij hem met zulk een geweld van zich, alsof de
massa uit een krijgswerktuig geworpen werd, niet alleen door den kring
van toeschouwers, die getuigen van dit zonderling tooneel waren, maar
over den rand van den berg zelven, langs den steilen kant van welken
Wallenrode hals over kop naar beneden rolde, tot dat hij eindelijk
met zijn schouderbeen uit het lid neerkwam, en daar als dood liggen
bleef. Deze bijna bovennatuurlijke betooning van kracht moedigde noch
den Hertog noch een zijner volgelingen aan, om een persoonlijke strijd
te hernieuwen, die met zoo weinig goed gevolg begonnen was. Zij, die
het verst afstonden, sloegen wel op hunne schilden en schreeuwden:
"houwt den Engelschen bulhond in stukken!" maar degenen welke
naderbij waren, bewimpelden misschien hunne eigen vrees onder eene
geveinsde achting voor de orde, en riepen voor het grootste gedeelte:
"vrede! vrede! de vrede van het kruis--de vrede van het heilige
kruis--de vrede van de heilige kerk, en onzen vader den Paus!"

Dit verschillend geschreeuw der aanvallers, die elkander tegenspraken,
getuigde van hunne besluiteloosheid; terwijl Richard, met den voet nog
steeds op de Aartshertogelijke banier staande, om zich heen zag met
een oog, dat een vijand scheen te zoeken, en waarvoor de verbitterde
edelen vol schrik terugdeinsden, als voor den dreigenden greep van een
leeuw. De Vaux en de ridder van den Luipaard hielden hunne plaatsen
naast hem; en ofschoon hunne zwaarden nog in de schede rusten, was
het duidelijk, dat zij gereed stonden, om Richard's persoon tot op
het uiterste te verdedigen, en hunne grootte en aanzienlijke kracht
liet genoeg verwachten, dat die verdediging wanhopig zoude zijn.

Salisbury en zijne lieden rukten thans ook aan, met getrokken zwaarden,
opgeheven bijlen en reeds gespannen bogen.

Op dit oogenblik kwam Koning Filips van Frankrijk, vergezeld door
een of twee zijner edellieden, op de platte ruimte, om naar de
reden van deze ongeregeldheden te vernemen, en gaf alle teekenen
van verbazing, toen hij bevond, dat de Koning van Engeland van zijn
ziekbed was opgestaan, en in eene zoo dreigende en beleedigende
houding tegenover hun gemeenschappelijken bondgenoot, den Hertog van
Oostenrijk stond. Richard zelf bloosde, toen hij zoo door Filips,
wiens schranderheid hij even hoog achtte als hij zijn persoon haatte,
in eene houding betrapt werd, die voor hem noch als monarch noch
als kruisvaarder paste; en men bespeurde, dat hij zijn voet, als het
ware bij toeval, van de onteerde banier terugtrok, en zijn blik van
hevige ontroering in een van geveinsde bedaardheid en onverschilligheid
veranderde. Leopold beproefde evenzeer eenige kalmte te verkrijgen, hoe
gekrenkt hij ook was, dat men hem zich lijdzaam aan de beleedigingen
van den driftigen Koning van Engeland had zien onderwerpen.

Filips, in het bezit van vele van die koninklijke eigenschappen, waarom
zijne onderdanen hem den bijnaam van "l'Auguste", den verhevene,
gaven, kon de Ulysses van den kruistocht genoemd worden, zoo als
Richard ongetwijfeld de Achilles daarvan was. De Koning van Frankrijk
was scherpzinnig, wijs, bedachtzaam in den raad, vast en bedaard in
het handelen, de maatregelen ten nutte van zijn koninkrijk duidelijk
doorziende, en die standvastig doorzettende--waardig en koninklijk
in zijne houding, dapper van persoon, maar veeleer een staatsman dan
een krijgsman. De kruistocht was geene vrijwillige onderneming van
zijne zijde geweest, maar de geest was besmettelijk, en de onderneming
werd hem opgedrongen door de kerk en den algemeenen wensch van zijn
adel. Onder andere omstandigheden of in eene eeuw waarin zachter
reden heerschten, zou zijn karakter hooger gestaan hebben, dan dat
van den avontuurlijken Richard Leeuwenhart. Maar in den kruistocht,
op zich zelf eene zeer zinnelooze onderneming, was gezond verstand
de hoedanigheid, die het minst geacht werd, en aan de ridderlijke
dapperheid, die zoowel de eeuw als de onderneming eischte, werd meer en
meer te kort gedaan, zoo ze met den minsten zweem van bescheidenheid
vermengd was. Zoo vertoonde de verdienste van Filips, vergeleken bij
die van zijn trotschen mededinger, zich als de heldere, maar kleine
vlam eener lamp, geplaatst naast den glans van eene groote, flikkerende
toorts, die tien malen meer indruk op het oog maakt, ofschoon zij
niet de helft van het nut der eerste bezit. Filips gevoelde hoe hij
in de openbare meening beneden Richard werd gesteld en de hooghartige
vorst leed daaronder; het is daarom niet te verwonderen, dat hij elke
gelegenheid, die zich aanbood, aangreep, om zijn eigen karakter in
een voordeeliger licht met dat van zijn mededinger te plaatsen. De
tegenwoordige scheen eene dier gelegenheden, waarin voorzichtigheid
en kalmte met recht konden doen verwachten, dat zij de zegepraal over
hardnekkigheid en hevig geweld zouden behalen.

"Wat beduidt deze onbetamelijke twist tusschen broeders die trouw
gezworen hebben aan het kruis--zijne koninklijke Majesteit van Engeland
en den vorstelijken Leopold? Hoe is het mogelijk, dat zij, die de
opperhoofden en steunpilaren van dezen heiligen krijgstocht zijn...."

"Staak uwe vertoogen, Koning van Frankrijk," zeide Richard, inwendig
vergramd, omdat hij zich in zekere mate gelijkgesteld zag met Leopold,
en toch niet wetende, hoe zijne gevoeligheid te kennen te geven,--"deze
hertog of prins of pilaar, zoo als gij wilt, is onbeschoft geweest,
en ik heb hem getuchtigd--dat is alles.--Hier heeft een oploop plaats,
omdat men een jachthond een schop heeft gegeven."

"Uwe Majesteit van Frankrijk," hervatte de hertog, "ik beroep mij
op u en alle souvereine vorsten tegen de schandelijke beleediging,
die ik ondervonden heb. Deze Koning van Engeland heeft mijne banier
neergerukt--verscheurd en vertreden."

"Omdat hij de stoutheid gehad heeft, om die naast de mijne te planten,"
hernam Richard.

"Mijn rang gaf mij daar evenveel recht op als u de uwe," hervatte de
hertog, door de tegenwoordigheid van Filips stout geworden.

"Beweer zulk eene gelijkheid voor uw persoon," antwoordde Koning
Richard, "en bij St. George, ik zal uw persoon behandelen, zoo als
ik uw geborduurden doek behandeld heb, die slechts voor de minste
diensten geschikt is."

"Geduld maar, broeder van Engeland," zeide Filips; "en ik zal den
hertog van Oostenrijk dadelijk overtuigen, dat hij ongelijk in deze
zaak heeft.--Denk niet, edele hertog," vervolgde hij, "dat wij,
de onafhankelijke vorsten van de kruisvaart, eenige minderheid
beneden Koning Richard erkennen, door dat wij hem vergunnen, dat de
standaard van Engeland de hoogste plaats in het kamp inneemt. Het
zou dwaas zijn, dit te denken, daar zelfs de oriflamme, de groote
banier van Frankrijk, waarvan Koning Richard zelf wegens zijne Fransche
bezittingen slechts vasal is, voor het tegenwoordige aan de Leeuwen van
Engeland is onderworpen. Maar, als gezworen broeders van het kruis,
krijgshaftige pelgrims, die, met ter zijde stelling van de pracht
en praal der wereld, met onze zwaarden den weg naar het Heilige
Graf banen, hebben ik zelf en de andere vorsten aan Koning Richard,
uit hoofde van zijn naam en zijne groote wapenfeiten, dien voorrang
afgestaan, dien wij hem anders en om andere redenen niet zouden hebben
ingewilligd. Ik ben overtuigd, dat, wanneer uwe koninklijke Hoogheid
dit zal overwogen hebben, gij uw leedwezen zult verklaren voor het
planten van uwe banier op deze plek, en dat zijne Majesteit de Koning
van Engeland u dan voldoening voor de aangedane beleediging zal geven."

De spreukspreker en de nar hadden zich beide op veiligen afstand
begeven, toen het tot slagen scheen te komen, maar keerden terug,
toen woorden hunne eigene wapenen, weder aan de orde van den dag
schenen te komen. De man der spreuken scheen zoo voldaan over de
staatkundige redeneering van Filips, dat hij bij het slot ervan met
zijn stok rammelde, als het ware om hem kracht bij te zetten, en de
personen, in tegenwoordigheid van wie hij zich bevond, zoo ver scheen
uit het oog te verliezen, dat hij luid zeide, dat hij zelf in zijn
geheele leven niets verstandigers gezegd had.

"Dat kan zijn," fluisterde Jonas Schwanker, "maar wij zullen gegeeseld
worden, als gij zoo luid spreekt."

De hertog antwoordde norsch, dat hij zijn twist aan den algemeenen
raad van den kruistocht zou onderwerpen--een voorstel dat Filips ten
hoogste goedkeurde als meest geschikt om een schandaal uit den weg
te ruimen, dat allerschandelijkst voor het Christendom was.

Richard, dezelfde onverschillige houding bewarende, luisterde naar
Filips, totdat diens welsprekendheid uitgeput scheen, en zeide toen
luid: "Ik ben slaperig--deze koorts zit mij nog in de leden. Broeder
van Frankrijk, gij kent mijn karakter, en dat ik ten allen tijde maar
weinig woorden spreek--weet derhalve, eens en vooral, dat ik eene
zaak, die de eer van Engeland betreft, aan prins, paus noch raad wil
onderwerpen. Hier staat mijne banier--welk vaandel ook drie schreden
van daar zal opgericht worden--ja, al ware het de oriflamme zelve,
van welke gij, zoo als ik meen, zoo even gesproken hebt, zal als dat
onteerde vod behandeld worden. Ook zal ik geen andere voldoening geven,
dan die welke deze arme leden in het strijdperk aan ieder vermetel
uitdager kunnen verschaffen--ja, al ware het tegen vijf kampioenen
in plaats van tegen éénen."

"Nu," zeide de nar fluisterende tot zijne makker, "dat is een zoo
volkomen stuk van dwaasheid, alsof ik het zelf gezegd had--maar ik
geloof, dat er in deze zaak een nog grooter gek is dan Richard."

"En wie zou dat zijn?" vroeg de man der wijsheid.

"Filips," antwoordde de nar, "of onze eigen koninklijke hertog, zoo
een van beide de uitdaging aannam.--Maar o, allerwijste spreukspreker,
welke voortreffelijke koningen zouden wij beide geworden zijn, daar
zij, aan wier hoofd deze kroonen te beurt zijn gevallen, den redenaar
en den nar even volmaakt als wij kunnen spelen."

Terwijl deze waardige personen hunne ambten onder elkander vervulden,
antwoordde Filips bedaard op de bijna beleedigende uitdaging van
Richard: "Ik ben niet herwaarts gekomen om nieuwe twisten aan te
stoken, tegen den door ons gezworen eed en de heilige zaak, waartoe wij
ons verbonden hebben. Ik scheid van mijn broeder van Engeland zoo als
broeders scheiden moeten, en de eenige strijd tusschen de Leeuwen van
Engeland en de Leliën van Frankrijk zal voortaan zijn, welke van beide
het verst in de gelederen der ongeloovigen zullen gevoerd worden."

"Dat neem ik aan, mijn koninklijke broeder," zeide Richard, zijne hand
uitstrekkende met al de openhartigheid, die in zijn oploopend maar
edelmoedig karakter lag; "en mogen wij spoedig gelegenheid hebben,
om dezen dapperen en broederlijken twist te beslissen."

"Laat dezen edelen hertog ook in de vriendschap van dit oogenblik
deelen," zeide Filips; en de hertog naderde, half ontevreden, half
gewillig, om in eenige schikking te treden.

"Ik denk aan dwazen en hunne dwaasheid niet," zeide Richard
onverschillig, en de Aartshertog, hem den rug toekeerende, verwijderde
zich.

Richard zag hem na.

"Er is eene soort van glimworm en moed," zeide hij, "die zich slechts
in den nacht vertoont. Ik moet deze banier in de duisternis niet
onbewaakt laten--bij het daglicht zal de blik van den leeuw alleen
haar verdedigen. Hier Thomas van Gilsland, ik stel den standaard
onder uwe hoede--bewaak de eer van Engeland."

"Het behoud van Engeland is mij nog dierbaarder," antwoordde de Vaux,
"en het leven van Richard maakt het behoud ervan uit.--Ik moet uwe
Hoogheid in uwe tent terug hebben, en dat zonder verder talmen."

"Gij zijt een ruw en heerschzuchtig ziekenoppasser, de Vaux," hernam de
Koning glimlachend, en vervolgde toen, zich tot Sir Kenneth wendende:
"dappere Schot, ik ben u een dank schuldig, en zal dien rijkelijk
betalen. Daar staat de banier van Engeland--bewaak die, als een
nieuweling zijne wapenrusting, in den nacht, vóór dat hij tot ridder
geslagen wordt.--Ga geene drie speren er van af, en verdedig haar met
uw lichaam tegen alle beleediging en elken schimp.--Blaas op uw horen,
zoo gij door meer dan drie tegelijk aangevallen wordt. Neemt gij den
last op u?"

"Gaarne," antwoordde Kenneth; "en ik zal dien op straffe van het
verlies van mijn hoofd vervullen.--Ik wil mij slechts wapenen en
dadelijk hier terugkeeren."

Daarop namen de koningen van Frankrijk en Engeland een plechtstatig
afscheid van elkander, terwijl beide, onder een vriendelijk
voorkomen, de redenen tot klachten, die zij tegen elkander hadden,
verborgen--Richard tegen Filips wegens zijne, naar het hem voorkwam,
voorbarige tusschenkomst in zijn twist met den Hertog van Oostenrijk,
en Filips tegen Leeuwenhart wegens de minachtende wijze, waarop
door dezen zijne bemiddeling was ontvangen. Zij, welke deze
rumoerige tooneelen samengebracht hadden, verspreidden zich thans
in verschillende richtingen, en lieten den betwisten berg in zijne
eenzaamheid, die geheerscht had, totdat zij door de Oostenrijksche
pocherij verbroken werd. Ieder beoordeelde de voorvallen van den
dag naar zijn eigen partijdige inzichten. Terwijl de Engelschen den
Oostenrijker beschuldigden van de eerste aanleiding tot den twist te
hebben gegeven, stemden de mannen van andere natiën daarin overeen, om
den grootsten blaam op den trots van den eilander en het heerschzuchtig
karakter van Richard te werpen.

"Gij ziet," zeide de markies van Montserrat tot den grootmeester
der Tempeliers, "dat zachte wegen meer vermogen dan geweld. Ik heb
de banden losgemaakt, die dezen bundel van scepters en lansen aan
elkander hechten--gij zult ze binnen kort uit elkander zien vallen."

"Ik zou uw plan goedgekeurd hebben," hervatte de Tempelier, "zoo er
slechts één moedig man onder gindsche koudbloedige Oostenrijkers
ware geweest, om de banden, waarvan gij spreekt, met zijn zwaard
door te hakken;--een losgemaakte knoop kan weder vastgemaakt worden,
maar niet het koord, dat in stukken is gehouwen."



HOOFDSTUK XII.

            Het is de vrouw, die het gansche menschdom heeft verleid.

                                                                    Gay.


In de dagen der ridderschap was een gevaarlijke post of eene
gevaarvolle onderneming, eene belooning, die dikwijls aan de
krijgshaftige dapperheid als eene vergelding voor vroeger doorgestane
beproevingen aangewezen werd. Het was middernacht, en de maan stond
helder en hoog aan den hemel, toen Kenneth op zijne wacht stond op
den St. Georgeberg, naast de banier van Engeland, als een eenzame
schildwacht, om het zinnebeeld van die natie tegen de duizenden
te verdedigen, welke Richard's hoogmoed tot zijne vijanden had
gemaakt. Fiere gedachten rezen de eene na de andere in het gemoed van
den krijgsman op. Het scheen hem toe, alsof hij eenige gunst in de
oogen van den ridderlijken monarch verworven had, die hem tot nu toe
onder de schaar van dappere mannen, welke zijn roem onder zijne banier
had verzameld, niet onderscheiden had, en hij bekreunde er zich niet
om, dat de betooning van koninklijke achting daarin bestond, dat hij
hem op zulk een zoo gevaarlijken post plaatste. De gloed van zijne
eerzuchtige en hoog geplaatste liefde ontvlamde ook zijn geestdrift
als krijgsman. Hoe hopeloos die liefde ook was, in bijna alle denkbare
omstandigheden, had toch hetgeen zoo pas was voorgevallen den afstand
tusschen hem en Edith eenigermate verminderd. Hij, wien Richard de
onderscheiding bewezen had, die sir Kenneth thans genoot, was niet
langer een avonturier van geringe beteekenis, maar moest opgemerkt
worden en voor de prinses gebracht, ofschoon hij even zoover als
ooit van hare verheven plaats verwijderd was. Hij kon thans niet
meer onbekend en duister zijn.--Als hij op den hem aangewezen post
overvallen en gedood werd, zou zijn dood--en hij was overtuigd, dat
die roemrijk zou zijn--den lof van Leeuwenhart verwerven, zoowel als
zijne wraak na zich sleepen, en door de smart en zelfs de tranen der
edelgeborene schoonen van het Engelsche hof gevolgd worden. Hij had
thans geen reden meer om te vreezen, dat hij sterven zou, gelijk de
dwaas sterft.

Sir Kenneth had nu tijd in overvloed, om deze en soortgelijke
hooggestemde gedachten te koesteren, die gevoed werden door dien
wilden geest der ridderschap, die, te midden van zijne buitensporige en
hersenschimmige vluchten, steeds vrij was van alle baatzucht--moedig,
vol toewijding, en misschien alleen in zoover af te keuren, dat hij
zich doeleinden en daden voorstelde, die met de menschelijke zwakheden
en onvolmaaktheden onbestaanbaar zijn.

De geheele natuur rondom hem sliep in het kalme schijnsel der maan
of in diepe schaduw. De lange rijen tenten en paviljoenen, nu eens
verlicht dan in het donker gehuld, naarmate zij in het maanlicht of
in de schaduw lagen, waren stil en rustig als de straten van eene
verlaten stad. Naast de banier lag de reeds gemelde jachthond, de
eenige metgezel van Kenneth's wacht, op wiens waakzaamheid hij rekende,
om hem bijtijds te waarschuwen, als er een vijand naderde. Het edele
dier scheen het doel van hunne wacht te begrijpen, want het keek van
tijd tot tijd naar de rijke plooien van het zware vaandel, en als het
geroep der schildwachten zich van het kamp liet hooren, antwoordde
hij met een enkelen diepen blaf, als of hij wilde doen blijken, dat
ook hij waakzaam was. Van tijd tot tijd liet hij ook zijn hoogen
kop zinken en kwispelstaarte, als zijn meester hem voorbijging op
de korte baan, welke hij heen en weergaande aflegde; of wanneer de
ridder stil en peinzend stond, op zijne lans leunende, en ten hemel
geslagen oogen, waagde zijn getrouwe gezelschapper het somtijds, om
hem in zijne gedachten te storen en uit zijne droomerijen te wekken,
door zijne groote, ruige snuit te leggen in de hand van den ridder,
die met een ijzeren handschoen bekleed was, om dan eene kortstondige
liefkozing te ontvangen. Eensklaps echter, blafte hij woedend, en
scheen op het punt om vooruit te stuiven naar de plek, waar de schaduw
het donkerst was, hij wachtte echter, even alsof hij aan een touw lag,
tot dat hij den wil van zijn meester zou vernomen hebben.

"Wie is daar?" vroeg sir Kenneth, bespeurende, dat er iets op den in
schaduw gehulden grond voorwaarts kroop.

"In den naam van Merlin en Maugis," antwoordde eene heesche,
onaangename stem, "bind uw viervoetigen duivel daar vast, of ik kom
niet bij u."

"En wie zijt gij, dat gij mijn post zoudt willen naderen?" vervolgde
sir Kenneth, terwijl hij zijne oogen zoo scherp mogelijk op een
voorwerp richtte, dat hij slechts kon zien bewegen, zonder zijne
gedaante te kunnen onderscheiden. "Wees op uwe hoede--ik sta hier op
dood en leven."

"Neem uw langbeenigen satan bij u," zeide de stem, "of ik zal hem
met een pijl uit mijn handboog bezweren."

Op hetzelfde oogenblik hoorde hij het geluid, alsof er een handboog
gespannen werd.

"Ontspan uw handboog en kom in het maanlicht," riep de Schot, "of
bij St. Andreas, ik zal u aan den grond vastspijkeren, wat of wie
gij zijn moogt."

Terwijl hij zoo sprak, vatte hij zijne lange lans bij het midden, en,
zijn oog op het voorwerp vestigende, dat zich scheen te bewegen,
zwaaide hij het wapentuig, alsof hij het uit zijne hand wilde
werpen,--een gebruik, dat men somwijlen, ofschoon zelden, van dit
wapen maakte, wanneer men een werpspies noodig had. Hij schaamde zich
echter over zijn voornemen, en liet zijn wapen zinken, toen er uit
de schaduw, als een tooneelspeler, die op het tooneel verschijnt,
een mismaakt en ellendig schepsel in het maanlicht trad, dat hij
aan zijne zonderlinge kleeding en zijne wanstaltige vormen zelfs
op eenigen afstand voor den mannelijke der beide dwergen herkende,
die hij in de kapel van Engaddi had gezien. Op hetzelfde oogenblik
bracht hij zich de andere en zeer verschillende tafereelen van dien
buitengewonen nacht te binnen, gaf zijn hond een teeken, dat hij
dadelijk verstond, en deze, naar den standaard terugkeerende, legde
zich met een onderdrukt knorren daarnaast neder.

Het kleine, vergroeide miniatuurbeeld der menschheid, verzekerd van
zijne veiligheid ten opzichte van een zoo gevaarlijken vijand, kwam
hijgende tegen de hoogte op, wat de kortheid zijner beenen moeilijk
maakte, en toen hij boven op den platten top er van gekomen was,
nam hij in de linkerhand zijn kleinen handboog, die juist een stuk
speelgoed was, als waarmede de kinderen van dien tijd vogels mochten
schieten, en eene houding van groote waardigheid aannemende, strekte
hij zijne hand met bevalligheid naar sir Kenneth uit, alsof hij
verwachtte, dat hij deze kussen zoude. Maar, daar dit niet volgde,
vroeg hij op scherpen en vergramden toon: "krijgsman, waarom bewijst
gij Nebectamus de hulde niet, die aan zijne waardigheid verschuldigd
is?--Of is het mogelijk, dat gij hem vergeten kondt?"

"Groote Nebectamus," antwoordde de ridder, die de kwade luim van den
dwerg wilde doen bedaren, "dat zou moeilijk zijn voor iemand, die u
maar eens had aanschouwd. Vergeef mij echter, dat ik, een soldaat op
mijn post, met mijn wapen in de hand, aan iemand van uwe macht het
voordeel niet mag vergunnen, om binnen den omtrek van mijne wacht
te komen, of zich van mijn wapentuig meester te maken. Het zij u
voldoende, dat ik uwe waardigheid eerbiedig, en mij met zoo veel
onderdanigheid aan u onderwerp, als een krijgsman in mijne plaats
vermag."

"Dit zal voldoende zijn," hernam Nebectamus, "zoo gij mij dadelijk
vergezelt naar degene, die mij hierheen gezonden hebben, om u te
roepen."

"Groote heer," hervatte de ridder, "ook hierin kan ik u geen voldoening
geven, want mijne bevelen luiden, om tot aan het aanbreken van den
dag bij deze banier te blijven--dus verzoek ik u, om mij ook in deze
zaak te verontschuldigen."

Met deze woorden hervatte hij zijne wandeling op den platten top;
maar de dwerg liet hem zoo gemakkelijk niet aan zijn lastig verzoek
ontsnappen.

"Kom," zeide hij, zich voor sir Kenneth plaatsende, om hem den weg
te versperren, "gehoorzaam mij, heer ridder, zoo uw plicht van u
vordert, of ik zal u het bevel opleggen in den naam van een persoon,
wier schoonheid de geniussen uit hunne sfeer roepen, en wier grootheid
den onsterfelijken stam, waarvan zij afkomstig waren, beheerschen kon."

Een stout, onwaarschijnlijk vermoeden kwam in het gemoed des ridders
op, maar hij onderdrukte dit. Het was onmogelijk, dacht hij, dat
de dame zijner liefde hem zulk een last door zulk een boodschapper
zou zenden. Toch sidderde zijne stem, toen hij zeide: "Ga voort,
Nebectamus--zeg mij op eenmaal en als een oprecht man, of deze
verheven dame, van wie gij spreekt, eene andere is, dan de houri,
met wier bijstand ik u de kapel te Engaddi heb zien vegen?"

"Hoe! verwaand ridder," antwoordde de dwerg, "meent gij, dat de
meesteres van onze koninklijke liefde, de deelgenoote van onze
grootheid en onze aanvalligheid, zich zoo ver zou willen vernederen, om
een last te geven aan een vasal als u! Neen, hoe hoog gij ook vereerd
wordt, toch hebt gij nog de aandacht van haar niet verdiend, voor wier
hoogen zetel zelfs vorsten slechts als pygmeën verschijnen. Maar zie
hier, en wanneer gij dit teeken erkent of verloochent, zoo gehoorzaam
of weiger de bevelen van haar, die zich werkelijk verwaardigd heeft,
u die op te leggen."

Dit zeggende legde hij in des ridders hand een robijn-ring van hooge
waarde, dien hij zelfs in het maanlicht zeer gemakkelijk herkende voor
dien, welk gewoonlijk den vinger versierde van de hoog-edele dame,
aan wier dienst hij zich gewijd had. Zoo hij aan de waarheid van het
teeken had kunnen twijfelen, zou hij overtuigd geworden zijn door
den kleinen strik van vleeschkleurig lint, die aan den ring bevestigd
was. Dit was de geliefkoosde kleur van zijne dame, en meer dan eens
had hij zelf, de vleeschkleur voor zijne eigen livrei aannemende, die
doen zegepralen over andere kleuren in het tournooiveld en in den slag.

Hij stond bijna sprakeloos, toen hij zulk een teeken in zulke handen
zag, terwijl de dwerg op zegepralenden toon lachend en zijn groot,
wanstaltig hoofd schuddend uitriep: "Weiger nu mijne bevelen--laat nu
eens na om aan mijne oproeping te gehoorzamen--twijfel nu nog, dat
ik Arthur van Tintagel ben, die het recht heeft om over de geheele
Britsche ridderschap het bevel te voeren."

"In den naam van alles, wat heilig is, van wie brengt gij dit
teeken?" vroeg de ridder; "breng, zoo gij kunt, uw geschokten geest
voor een paar minuten tot behoorlijke kalmte, en noem mij de persoon,
door wie gij gezonden zijt, en den waren inhoud van uwe boodschap--en
let wel op hetgeen gij zegt, want dit is geen onderwerp van scherts."

"Verliefd en dwaas ridder," antwoordde de dwerg; "wilt gij meer van
deze zaak weten, dan dat gij met de bevelen eener prinses vereerd
wordt, die door een koning worden overgebracht?--Wij hebben geen lust
om verder met u te spreken, en bevelen u in den naam en uit kracht
van dien ring, om ons te volgen naar de eigenares ervan. Elke minuut
verwijl is eene misdaad tegen uw plicht van gehoorzaamheid."

"Goede Nebectamus, bedenk u," hernam de ridder, "kan mijne dame
weten, waar en op welken post ik dezen nacht sta?--Is zij bewust,
dat mijn leven--o, waarom van mijn leven te spreken--maar dat mijne
eer ervan afhangt, om deze banier tot het aanbreken van den dag te
bewaken--en kan het haar wensch zijn, dat ik die verlaten zou, al
was het dan ook om haar te bezoeken!--Het is onmogelijk, de prinses
gelieft met haar dienaar den spot te drijven, door hem zulk een last
te zenden; en ik moet dit zooveel te eer gelooven, daar zij zulk een
bode gekozen heeft."

"Nu, behoud uw geloof," hervatte Nebectamus, zich omkeerende alsof
hij de hoogte wilde verlaten, "er ligt mij weinig aan gelegen, of
gij een verrader of een getrouw ridder jegens deze koninklijke dame
zijt.... dus, vaarwel."

"Blijf, blijf--ik bid u, blijf," riep sir Kenneth; "beantwoord mij
slechts ééne vraag--is de dame, die u gezonden heeft, dicht bij
deze plaats?"

"Wat doet er dat toe?" antwoordde de dwerg; "moet men de trouw
berekenen naar vademen, of uren, of mijlen, even als de arme koerier,
die volgens den afstand, dien hij doorloopt, voor zijn werk betaald
wordt? Niettemin zeg ik u, achterdochtige ziel, dat de schoone
eigenares van den ring, die thans aan een zoo onwaardigen vasal
gezonden wordt, niet verder van deze plaats af is, dan zoover als
deze onze boog een pijl kan brengen."

De ridder staarde weder op den ring, alsof hij zich wilde overtuigen,
dat er met geen mogelijkheid bedrog in het teeken kon zijn.--"Zeg
mij," vroeg hij aan den dwerg; "wordt mijne tegenwoordigheid voor
een langen tijd vereischt?"

"Tijd!" antwoordde Nebectamus op zijne vluchtige wijze: "wat noemt
gij tijd? Ik zie dien niet, ik voel dien niet--het is slechts een
onbestemde naam--eene aaneenschakeling van ademhalingen, die des
nachts door den klank eener klok en des daags door de schaduw op een
zonnewijzer aangeduid wordt. Weet gij niet, dat de tijd van een waar
ridder slechts gerekend moet worden naar de daden, die hij voor God
en zijne dame verricht?"

"Woorden der waarheid ofschoon in den mond der dwaasheid," zeide de
ridder. "En roept mijne dame mij wezenlijk tot het verrichten van
eene daad in haar naam en om harentwille?--en kan die niet eens de
weinige uren tot na het aanbreken van den dageraad opgeschort worden?"

"Zij vordert uwe tegenwoordigheid oogenblikkelijk," antwoordde de
dwerg; "en zonder verlies van zooveel tijd als het afloopen van tien
zandkorrels in den zandlooper bedragen zouden.--Luister, koelbloedig
en achterdochtig ridder, dit zijn hare eigene woorden,--zeg hem,
dat de hand, die rozen liet vallen, ook lauweren kan schenken."

Deze toespeling op hunne ontmoeting in de kapel van Engaddi deed in
sir Kenneth's brein duizend herinneringen opkomen, en overtuigde hem,
dat de last, door den dwerg overgebracht, echt was. De rozeknoppen,
hoe verwelkt dan ook, waren onder zijn harnas verborgen, zoo dicht
mogelijk aan zijn hart. Hij zweeg eene poos, en kon er niet toe
besluiten om eene gelegenheid--misschien de eenige, die hem ooit zou
worden aangeboden--te laten voorbijgaan, om in de gunst te komen bij
haar, die hij tot meesteres van zijne genegenheid uitverkoren had. De
dwerg vermeerderde intusschen zijne verlegenheid, door er op te staan,
dat hij den ring zou teruggeven, of hem dadelijk vergezellen.

"Wacht, wacht nog een oogenblik," zeide de ridder, en prevelde toen
verder in zich zelven: "Ben ik de onderdaan of de slaaf van Koning
Richard meer dan een vrij ridder, die den dienst van den kruistocht
bezworen heeft, behoeft te zijn? En tot wiens eer ben ik hierheen
gekomen met lans en zwaard?--Tot eer van onze heilige Maagd en mijne
voortreffelijke dame."

"De ring, de ring," riep de dwerg ongeduldig; "valsch en traag ridder,
geef den ring terug, dien gij onwaardig zijt aan te raken of aan
te zien."

"Een oogenblik, een oogenblik, goede Nebectamus," hernam de ridder;
"stoor mij niet in mijne gedachten.--Zoo de Sarraceenen thans juist
onze liniën aanvielen--zou ik dan hier staan als een gezworen vasal
van Engeland, om te waken, dat zijn trots geen schimp aangedaan werd,
of zou ik mij naar de bres spoeden, om voor het kruis te strijden? En
naast de bevelen van God komen die van mijne gebiedende dame.--En
toch, Richard's last--mijne eigen belofte--Nebectamus, ik bezweer u
te zeggen, moet gij mij ver van hier geleiden."

"Slechts naar gindsche tent; en daar gij het dan toch weten moet,"
antwoordde Nebectamus, "de maan beschijnt den gouden kogel, die haar
dak kroont, en eens konings losgeld waard is."

"Ik kan in een oogenblik terugkeeren," zeide de ridder, zijne oogen
moedwillig voor alle verdere gevolgen sluitende. "Ik kan van daar
het blaffen van mijn hond hooren, zoo iemand den standaard nadert--ik
wil mij aan de voeten mijner dame werpen, en haar verlof verzoeken om
terug te keeren, ten einde mijne wacht te volbrengen. Hier, Roswell,
zeide hij, zijn hond roepende, en zijn mantel naast den vaandelstok
werpend; "houd hier de wacht en laat niemand naderen."

De majestueuse hond zag zijn meester in het gelaat, alsof hij hem
verzekeren wilde, dat hij zijn last verstond, ging toen naast den
mantel zitten, met opgestoken ooren en uitgestrekten kop, alsof hij
het doel waarvoor hij daar geplaatst was volmaakt wel begreep.

"Kom nu, goede Nebectamus," zeide de ridder, "laten wij ons spoeden
om de bevelen, die gij overgebracht heb te gehoorzamen."

"Laat zich haasten wie wil," antwoordde de dwerg barsch; "gij hebt u
geheel niet gehaast, om aan mijne uitnoodiging te voldoen, ook kan ik
niet snel genoeg gaan, om uwe groote schreden bij te houden--gij loopt
niet als een man, maar gij springt als een struisvogel in de woestijn."

Er waren slechts twee wegen, om de hardnekkigheid van Nebectamus te
overwinnen, die onder het spreken zijn gang tot het kruipen van eene
slak vertraagde--voor giften had sir Kenneth geene middelen--voor
vleien geen tijd--in zijn ongeduld nam hij den dwerg van den grond op,
en hem voortdragende ondanks zijn smeeken en zijne vrees, bereikte hij
weldra de tent, die hem de dwerg had aangewezen. Bij het naderbij komen
bespeurde hij echter, dat er eene kleine wacht soldaten op den grond
zat, die door de tusschenliggende tenten voor hem verborgen geweest
waren. Verwonderd, dat het kletteren van zijne wapenrusting hunne
aandacht nog niet getrokken had, en vermoedende, dat zijne daad bij
deze gelegenheid in het geheim moest volbracht worden, zette hij den
kleinen hijgenden geleider op den grond, om weder adem te scheppen, en
hem dan te zeggen, wat er nu vooreerst te doen was. Nebectamus was even
verschrikt als vertoornd; maar hij had zich zoo geheel in de macht van
den sterken ridder gevoeld, als een uil in de klauwen van een arend, en
hij wilde hem dus niet tot een nieuw bewijs van zijne kracht uittarten.

Hij beklaagde zich niet over de behandeling, die hij ondervonden
had, maar, door het doolhof van tenten voortgaande, leidde hij den
ridder zwijgend naar de tegenovergestelde zijde van de tent, die hem
dus aan het gezicht der wachten onttrok, welke òf te nalatig òf te
slaperig schenen, om hun plicht met groote zorg te vervullen. Toen
zij daar aangekomen waren, lichtte de dwerg het onderste gedeelte
van het linnen der tent op, en gaf sir Kenneth een teeken, dat
hij daar onderdoor in de tent zou kruipen. De ridder aarzelde--hij
achtte het onbetamelijk, zich zoo heimelijk in eene tent te dringen,
die zonder twijfel voor het genot van edele vrouwen was opgericht;
maar hij tracht zich de zekere teekens te binnen, die hem de dwerg
had getoond, en hij trok daaruit het besluit, dat het hem niet paste,
om het welgevallen zijner dame in twijfel te trekken.

Hij bukte zich derhalve, kroop onder de linnen omgeving der tent door,
en hoorde den dwerg fluisteren: "Blijf hier, tot dat ik u roep."



HOOFDSTUK XIII.

            Gij spreekt van vreugd en onschuld
            Op 't oogenblik, dat de noodlottige vrucht was gegeten.
            Scheidden zij om elkaar niet weer te zien; en de boosheid
            Was sinds dien tijd de metgezel der dart'le vreugd,
            Van de eerste stonde af, dat 't lachend kind
            De bloem of vlinder schond, waarmee het speelde,
            Tot aan den laatsten snik van den stervenden grijsaard,
            Die op zijn doodsbed lacht als hij verneemt,
            Dat zijn schatrijke buurman bankroet is gegaan.

                                                        Oud Tooneelstuk.


Sir Kenneth werd eenige oogenblikken in de duisternis alleen
gelaten. Dit was weder een oponthoud, dat de afwezigheid van
zijn post verlengen moest, en hij begon bijna berouw te gevoelen,
over de gemakkelijkheid waarmede hij zich had laten overhalen om
dien te verlaten. Maar terug te keeren, zonder lady Edith te zien,
daaraan viel niet te denken. Hij had eene inbreuk op de krijgstucht
gepleegd, en hij besloot nu ten minste de verwezenlijking af te
wachten van de verleidelijke verwachtingen, die hem bewogen hadden
om dit te doen. Intusschen was zijn toestand hoogst onaangenaam. Er
was geen licht, om hem te doen zien, in welk soort van vertrek
hij gebracht was--lady Edith was in het onmiddellijk gevolg van de
Koningin van Engeland--en de ontdekking, dat hij zich zoo heimelijk
in de koninklijke tent had ingedrongen, kon tot vele en gevaarlijke
vermoedens leiden. Terwijl hij zich aan deze onaangename overdenkingen
overgaf, en bijna begon te wenschen, dat hij den terugtocht onopgemerkt
kon aannemen, hoorde hij het geluid van vrouwelijke stemmen, die in
een aangrenzend vertrek lachten, fluisterden en spraken, waarvan
hij, zooals de klank hem reden gaf te oordeelen, slechts door een
linnen beschot kon gescheiden zijn. Er waren lampen aangestoken,
wat hij bespeuren kon door het schemerachtige licht, dat zich zelf
aan deze zijde van de afscheiding verspreidde, en hij kon de schaduw
van verscheiden gedaanten zien, die in het naaste vertrek zaten en
zich bewogen. Men kon het geen onbescheidenheid in sir Kenneth noemen,
dat hij in zijn toestand een gesprek beluisterde, waarin hij van zeer
nabij betrokken was.

"Roep haar--roep haar, om onzer, lieve Vrouwe wil!" zeide eene van
deze lachende onzichtbaren. "Nebectamus, gij zult gezant bij het hof
van Priester Jan gemaakt worden om hun te toonen, hoe slim gij u van
een last kwijten kunt."

Men hoorde de schelle stem van den dwerg, echter zoo zacht, dat sir
Kenneth niet verstaan kon, wat hij zeide.

"Maar hoe zullen wij ons van den geest ontslaan, dien Nebectamus
heeft opgeroepen, meisjes?"

"Hoor mij, koninklijke vrouw," sprak eene andere stem; "zoo de
wijze en koninklijke Nebectamus niet al te ijverzuchtig is op zijne
allerschitterendste bruid en Keizerin, laten wij deze dan zenden,
om ons van de onbeschaamden dolenden ridder te ontslaan, die zich
zoo lichtelijk laat wijsmaken, dat hooggeboren dames het gebruik van
zijne hooghartige en zich vrij wat aanmoedigende dapperheid kunnen
noodig hebben."

"Het ware niet meer dan billijk, dunkt mij," zeide weer eene andere,
"dat prinses Guenever met hoffelijkheid den man weder ontsloeg,
dien de slimheid van haar gemaal herwaarts heeft weten te lokken."

Sir Kenneth, getroffen tot in zijn binnenste door schaamte en toorn
over hetgeen hij gehoord had, was op het punt om, het koste wat
het wilde, zijne ontsnapping uit de tent tot stand te brengen, toen
hetgeen er verder volgde hem van dit voornemen deed afzien.

"Neen, waarlijk," zeide zij, die het eerst gesproken had; "onze
nicht Edith moet leeren, hoe deze zoo hoog geroemde jongeling zich
gedragen heeft, en wij moeten ons de macht voorbehouden, om haar
een oogenschijnlijk bewijs te geven, dat hij zijn plicht tekort
gedaan heeft. Het zal eene les zijn, die haar goed kan doen; want,
geloof mij, Calista, ik heb mij somtijds verbeeld, dat zij dien
noordschen avonturier nader tot haar hart heeft laten doordringen,
dan de voorzichtigheid kan goedkeuren."

Hij hoorde eene andere iets prevelen van de voorzichtigheid en wijsheid
van lady Edith.

"Voorzichtigheid, meisje?--Het is louter hoogmoed, en het verlangen
om voor strenger gehouden te worden dan eene van ons. Neen, ik wil
mijn klein voordeel niet prijsgeven. Gij weet wel, dat, wanneer zij
eene fout bij ons opmerkt, niemand op eene beleefder wijze ons beter
onze dwaling voorbehouden kan dan mylady Edith.--Maar daar komt zij."

Eene gedaante, die nu in de kamer trad, wierp eene schaduw op den
scheidsmuur, die langzaam daarlangs gleed, totdat zij zich met die
der anderen vermengde. Ondanks de bittere teleurstelling, die de
ridder ondervonden had, of een beleedigenden schimp, dien hem, naar
het scheen, door de boosaardigheid, of hoogstens door een ijdele gril
van Koningin Berengaria, was aangedaan--want hij was reeds tot het
besluit gekomen dat zij, die het luidst en op bevelenden toon sprak,
de gemalin van Richard was,--gevoelde hij iets zoo verzachtends,
toen hij vernam, dat Edith geen deel had in het hem gespeelde bedrog,
en iets zoo belangrijks voor zijne nieuwsgierigheid in het tooneel,
dat plaats moest grijpen, dat hij, in stede van zijn voorzichtiger plan
te volgen om zich terstond te verwijderen, integendeel begeerig naar
eene reet of opening zocht waardoor hij zoowel oog- als oorgetuige
worden kon van hetgeen er voorviel. "Voorzeker," zeide hij bij zich
zelven,--"zal de Koningin, wie het om eene ijdele scherts behaagd
heeft mijn goeden naam in gevaar te brengen, niet kunnen klagen zoo
ik van de kans gebruik maak, die de fortuin mij schijnt te willen
aanbieden, om kennis van hare verdere oogmerken te krijgen. Het scheen
intusschen, alsof Edith op de bevelen der Koningin wachtte, en alsof
deze aarzelde te spreken, uit vrees dat zij en hare gezellinnen zich
niet van lachen zouden kunnen onthouden; want sir Kenneth kon niets
hooren, dan een geluid van onderdrukt geschater en gelach.

"Uwe Majesteit," zeide Edith eindelijk, "schijnt in eene vroolijke
luim te zijn, ofschoon, naar het mij voorkomt, het uur van den nacht
veeleer eene slaperige medebrengt. Ik verlang zeer om mij te bed te
begeven, toen ik het bevel ontving, mij bij u te voegen."

"Ik wil u niet lang van uwe rust afhouden, nicht," antwoordde de
Koningin; "ofschoon ik vrees, dat gij minder vast zult slapen,
wanneer ik u zeg, dat uwe weddenschap verloren is."

"Neen, mijne Koningin," hernam Edith, "dit noem ik werkelijk slechts
eene scherts volhouden, die reeds versleten is. Ik heb niet gewed,
maar het was Uwer Majesteits welgevallen te onderstellen of er op te
staan, dat ik dit deed."

"Neen waarlijk, schoone nicht, in weerwil van onze bedevaart is
satan nog sterk in u, en geeft u leugens in--kunt gij ontkennen,
dat gij uw robijnen ring tegen mijn gouden armband verwed hebt, dat
die ridder van den Luipaard, of hoe gij hem anders noemt, niet van
zijn post kon af getroggeld worden?"

"Uwe Majesteit staat te hoog, dan dat ik haar tegenspreken mag,"
hervatte Edith; "maar deze dames kunnen, zoo zij willen, getuigen,
dat het Uwe Majesteit was, die zulk eene weddenschap voorstelde, en
den ring van mijn vinger nam, terwijl ik verklaarde, dat ik het niet
betamelijk voor een maagd rekende, om iets over zulk een onderwerp
te verwedden."

"Ja maar, mylady Edith," zeide een der jonge dames; "gij moet toch
toegeven, dat gij u met veel vertrouwen over de dapperheid van dien
ridder van den Luipaard uitliet."

"En zoo ik dit gedaan heb, freule," antwoordde Edith driftig,
"is dat dan eene gezonde rede, dat gij de gril van Hare Majesteit
verdedigen moet? Ik sprak niet anders van hem dan alle menschen,
die hem in het veld gezien hebben, en ik had niet meer reden om hem
te verdedigen dan gij om hem te verkleinen. Waarvan kunnen de dames
in een kamp anders spreken dan van krijgslieden en wapenfeiten?"

"De edele lady Edith," zeide een derde, "heeft het Calista en mij
nooit vergeven, dat wij aan Uwe Majesteit gezegd hebben, dat zij in
de kapel twee rozenknoppen heeft laten vallen."

"Indien Uwe Majesteit," zeide Edith op een toon, dien sir Kenneth voor
dien van een eerbiedig verwijt erkende, "geene andere bevelen voor
mij heeft, dan mij de spotternijen uwer hofdames te doen aanhooren,
dan moet ik verlof vragen, om mij te verwijderen."

"Stil, Florica," zeide de Koningin, "en vergeet door onze toegevendheid
den afstand niet tusschen u en de bloedverwante van den Koning van
Engeland.--Maar gij, waarde nicht," vervolgde zij, haar spottenden
toon hernemende, "hoe kunt gij, die zoo goedhartig zijt, ons armen
een paar minuten lachen benijden, daar wij zoo vele dagen achtereen
aan weenen en tandenknarsen gewijd hebben?"

"Groot zij uwe vroolijkheid, Koningin, antwoordde Edith; "maar ik
zou mijn geheele leven wel niet weder willen glimlachen, indien...."

Zij zweeg, naar het scheen, uit eerbied, maar sir Kenneth kon hooren,
dat zij aan een heftige gemoedsaandoening ten prooi was.

"Vergeef mij," hernam Berengaria, eene lichtzinnige maar goedhartige
prinses van het Keizerlijke huis, "maar wat is dan eigenlijk de
groote beleediging?--Een jong ridder is hierheen gelokt--heeft zich,
of liever is van zijn post verwijderd dien niemand in zijne afwezigheid
zal aanvallen, ter liefde van eene schoone dame--want, om uw kampioen
recht te doen wedervaren, lady, de wijsheid van Nebectamus kon hem
in geen anderen naam dan den uwen herwaarts bezweren."

"Goede Hemel! Dat zegt Uwe Majesteit toch niet?" zeide Edith, op
een toon van nog grooter ongerustheid dan zij tot hiertoe aan den
dag had gelegd; "gij kunt dat niet zeggen, uit achting voor uwe eer
en de mijne, die eene bloedverwante van uw gemaal ben--zeg, dat gij
met mij geschertst hebt, koninklijke meesteres, en vergeef mij, dat
ik ook slechts een oogenblik het voor mogelijk kon houden, dat gij
ernstig kondt spreken."

"Lady Edith," hernam de Koningin op ontevredenen toon, "misgunt ons
den ring, dien wij van haar gewonnen hebben.--Wij zullen u het pand
teruggeven, schoone nicht; alleen moet gij ons eene kleine zegepraal
niet benijden over de wijsheid, die zoo dikwijls over ons, als eene
banier over eene krijgsschaar, uitgebreid is."

"Eene zegepraal!" riep Edith verontwaardigd uit; "eene zegepraal!--De
zegepraal zal bij den ongeloovige zijn, wanneer hij hoort, dat de
Koningin van Engeland den goeden naam van de bloedverwante haars
gemaals tot het onderwerp van eene lichtvaardige scherts kan maken."

"Gij zijt boos, schoone nicht, dat gij uw geliefkoosde ring verliest,"
zeide de Koningin.--"Komaan, daar gij uw pand niet gaarne wilt
verliezen, willen wij van ons recht afstand doen; het was uw naam en
dit pand, die hem hier heen brachten, en wij geven niets meer om het
lokaas, nu de visch gevangen is."

"Mevrouw," hernam Edith wrevelig, "gij weet wel, dat Uwe Hoogheid
niets van het mijne kan wenschen, of het wordt dadelijk het uwe. Maar
ik wilde liever een schepel robijnen geven, dan dat een ring of naam
van mij gebruikt was, om een braaf man tot een misstap te brengen en
misschien wel tot schande en straf."

"O, het is voor de veiligheid van onzen getrouwen ridder, dat wij
vreezen," hervatte de Koningin. "Gij schat onze macht te laag, schoone
nicht, wanneer gij denkt, dat een leven door eene scherts van ons
kan verloren gaan. O, lady Edith, ook anderen hebben invloed op de
ijzeren borsten der krijgslieden, even goed als gij--het hart zelfs
van een leeuw is van vleesch en niet van steen gemaakt; en geloof
mij, ik heb macht genoeg over Richard, om dezen ridder, om wien lady
Edith zoo beangst is, van de straf van ongehoorzaamheid aan zijne
koninklijke bevelen te bevrijden."

"Uit liefde voor het heilige kruis, mijne koninklijke gebiedster,"
zeide Edith--en sir Kenneth hoorde met een gevoel dat moeilijk zou
zijn te verklaren, dat zij zich aan de voeten der Koningin wierp;
"uit liefde voor onze heilige Maagd, en elken anderen heilige in
den almanak, bedenk wat gij doet. Gij kent Koning Richard niet--gij
zijt nog niet lang met hem gehuwd--uw adem kon even goed den westewind
bestrijden, wanneer hij het wildst is, als uw woorden mijn koninklijken
bloedverwant zouden overreden om eene misdaad tegen den krijgsdienst te
vergeven. O! om Gods wil, ontsla dezen ridder, zoo gij hem inderdaad
hierheen hebt gelokt--ik zou bijna tevreden zijn, dat de schande van
hem genoodigd te hebben, op mij rustte, zoo ik wist, dat hij weder was,
waar zijn plicht hem roept."

"Sta op, nicht, sta op," zeide Koningin Berengaria, "en wees verzekerd,
dat alles beter zal gaan, dan gij denkt. Neen, sta op, dierbare Edith,
het spijt mij, dat ik een ridder, in wien gij zooveel belang stelt
in een scherts betrokken heb.--Neen, wring de handen niet.--Ik wil
gelooven, dat gij u niet aan hem gelegen laat zijn--alles, liever
dan een zoo jammerlijk gezicht van u te zien. Ik zeg u, dat ik bij
Koning Richard den blaam op mij zelve wil nemen ten voordeele van uw
Noordschen vriend--uw bekende, wilde ik zeggen, daar gij hem niet als
vriend erkent.--Neen, zie niet zoo boos--wij willen Nebectamus zenden,
om dezen ridder van den standaard naar zijn post terug te zenden. Hij
ligt, denk ik, te loeren in de eene of andere naburige tent."

"Bij mijne kroon van leliën en mijn scepter van uitmuntend riet,"
zeide de Nebectamus, "uwe Majesteit vergist zich--hij is naderbij
dan gij denkt--hij ligt achter gindschen linnen scheidsmuur verborgen."

"En heeft dus ieder woord kunnen hooren, dat wij gesproken
hebben!" riep de Koningin op haar beurt ten hoogste verrast en
ontroerd.

"Ga heen monster van dwaasheid en boosaardigheid!"

Terwijl zij deze woorden uitte, vlood Nebectamus uit de tent met zulk
een luiden gil, dat het nog twijfelachtig is, of Berengaria hare
mondelijke verwijtingen bij woorden bepaald, of eenige krachtiger
uitdrukking van haar ongenoegen er bij gevoegd had.

"Wat is er nu te doen?" vroeg de Koningin aan Edith op zachten toon,
maar met onverholen onrust.

"Hetgeen geschieden moet," antwoordde Edith met vaste stem. "Wij
moeten dezen ridder zien, en ons aan zijn genade overgeven."

Bij die woorden begon zij ijlings een gordijn los te maken, dat aan
den eenen kant een ingang bedekte.

"Om Hemels wil, laat af--bedenk," riep de Koningin, "mijn vertrek--onze
kleeding--het uur--mijne eer."

Maar vóór zij haar vertoog ten einde konde brengen, viel het gordijn,
en er bestond niet langer een scheidsmuur tusschen den gewapenden
ridder en het dames gezelschap. De warmte van een Oosterschen nacht
was oorzaak, dat de huiselijke kleeding van Koningin Berengaria
en haar gevolg eenvoudiger en minder verzorgd was, dan haar rang
en de tegenwoordigheid van een toeschouwer van rang toeliet. Dit
schoot de Koningin te binnen, en met een luiden gil vlood zij uit
het vertrek, waar sir Kenneth stond, naar eene andere afdeeling
van de ruime tent. De smart en aandoening van lady Edith, zoowel
als het groot belang dat zij stelde in eene haastige verklaring
met den Schotschen ridder, deed haar misschien vergeten, dat hare
lokken losser hingen en zij minder zorgvuldig gekleed was dan de
gewoonte was bij hooggeboren jonkvrouwen in eene eeuw, welke over
het geheel niet de meest kiesche en nauwgezetste van den ouden tijd
was. Een dun los kleed van bleekroode zijde maakte het voornaamste
gedeelte van hare kleeding uit, met Oostersche muilen, waarin zij
haastig hare bloote voeten gestoken had, en een rijke sjerp, die zij
in aller ijl los om haar schouders had geslingerd. Haar hoofd had
geen ander bekleedsel dan den sluier van rijke, loshangende lokken,
die van alle zijden er om heen hingen, en een gelaat half verborgen,
dat een gemengd gevoel van zedigheid en toorn, en andere diepe en
aandoenlijke gewaarwordingen met karmozijn overtogen hadden.

Maar ofschoon zij haar toestand met het teedere gevoel, dat de grootste
bekoorlijkheid van haar geslacht is, besefte, zoo scheen zij toch geen
oogenblik hare eigen beschroomdheid te tellen tegenover den plicht,
dien zij meende verschuldigd te zijn aan hem, die om harentwil in
dwaling en gevaar gebracht was. Zij trok, weliswaar, haar sjerp enger
om haar hals en boezem, en zette haastig eene lamp uit hare hand,
die te veel licht op hare gestalte wierp. Maar terwijl sir Kenneth
roerloos op dezelfde plek stond, waar hij het eerst ontdekt werd, ging
zij eer naar hem dan dat zij zich van hem verwijderde, en riep uit:
"Haast u naar uw post, dappere ridder, men heeft u misleid door u
herwaarts te lokken.--Doe mij geen vragen."

"Ik behoef er geene te doen," antwoordde de ridder, op de eene knie
vallende, met den godsdienstigen eerbied voor een heilige bij het
altaar, en de oogen naar den grond richtende, uit vrees dat zijne
blikken de verlegenheid der dame zouden vermeerderen.

"Hebt gij alles gehoord?" vroeg Edith ongeduldig.--"Genadige
heiligen! waarom toeft gij dan hier, terwijl elke minuut, die voorbij
vliegt, met schande beladen is."

"Ik heb gehoord, dat ik onteerd ben, prinses, en ik heb het van
u gehoord. Wat deert het mij, hoe spoedig de straf volgt. Ik heb
slechts een verzoek aan u, en dan zoek ik te midden van de zwaarden der
ongeloovigen, of de schande niet door bloed kan afgewasschen worden?"

"Doe dat ook niet," antwoordde de prinses. "Wees verstandig--draal
hier niet--alles kan nog goed zijn, indien gij u slechts spoeden wilt."

"Ik wacht slechts op uwe vergiffenis," hernam de ridder nog steeds
knielende, "voor mijne inbeelding, dat mijne geringe diensten door
u verlangd of op prijs gesteld konden worden."

"Ik vergeef u--o, ik heb niets te vergeven. Ik ben het werktuig geweest
waardoor gij beleedigd zijt. Maar o, vertrek--ik wil u vergeven--ik
wil u achten, als ik elken dapperen kruisvaarder acht zoo gij slechts
vertrekken wilt."

"Ontvang eerst dit kostbaar en zoo noodlottig pand," hernam de ridder
den ring aan Edith toereikende, die thans teekenen van ongeduld begon
te geven.

"O neen, neen," hervatte zij, weigerende dien aan te nemen. "Behoud
hem--behoud hem als een teeken van mijne achting--van mijn berouw
wilde ik zeggen. O, ga, zoo niet om uwent dan om mijnentwil."

Sir Kenneth, bijna zelfs voor het verlies der eer schadeloos gesteld,
dat hare stem hem had aangekondigd, door het belang, dat zij in
zijne redding scheen te stellen, stond van zijne knie op, en een
vluchtigen blik op Edith werpende, maakte hij eene diepe buiging en
verwijderde zich. Op hetzelfde oogenblik zegepraalde die maagdelijke
schroomvalligheid, welke de kracht van Edith's gevoel tot op dat
oogenblik beheerscht had, op hare beurt, zij ijlde uit het vertrek,
onder het gaan hare lamp uitblusschende, en liet sir Kenneth naar
lichaam en geest in duisternis achter. Zij moest gehoorzaamd worden,
dit was de eerste gedachte, die hem uit zijn droomerij opwekte,
en hij spoedde zich naar de plaats, waardoor hij in de tent gekomen
was. Onder het linnen door te kruipen, op de wijze, zooals hij er
in gekomen was, vorderde tijd en oplettendheid, en hij maakte eene
groote opening door er met zijn dolk een gat in te snijden. Toen hij
in de vrije lucht was, gevoelde hij zich bedwelmd en overmand door een
strijd van gewaarwordingen, en geheel onbekwaam om het met zichzelven
eens te worden, wat er werkelijk gebeurd was. Hij was verplicht om te
handelen, zich te bewegen, door de herinnering, dat lady Edith spoed
gevorderd had. Nochtans bij de verwarring van tenten en tentlijnen,
moest hij voorzichtig gaan, totdat hij het pad of de laan bereikt
had, waarlangs de dwerg hem geleid had, ten einde de aandacht van de
wachten voor de tent der Koningin te ontgaan, om geen gedruisch te
maken door te vallen of met zijne wapenen te kletteren. Eene dunne wolk
had bovendien de maan verduisterd, op hetzelfde oogenblik toen hij de
tent verliet, en hij had met deze bezwaren te worstelen op een tijd,
toen de duizeligheid van zijn hoofd en de volheid van zijn hart hem
nauwelijks genoegzame kracht tot overleg van zijne daden overliet. Maar
eensklaps troffen er klanken zijn oor, die hem plotseling tot de volle
veerkracht zijner vermogens terugriepen. Deze kwamen van den berg van
St. George. Hij hoorde eerst een enkelen woesten, toornigen blaf, die
oogenblikkelijk door een angstigen gil gevolgd werd. Geen wild sprong
ooit met woester vlucht op de stem van Roswal op, dan sir Kenneth
bij hetgeen hij vreesde, dat de doodsgil van dien edelen hond was,
wien geene gewone mishandeling zelfs het minste teeken van smart kon
doen uiten. Hij doorliep de ruimte, die hem van de laan scheidde, en
toen hij die bereikt had, richtte hij zich naar den heuvel. Ofschoon
hij met zijne wapenrusting beladen was, liep hij sneller dan andere
menschen hem konden begeleid hebben, zelfs al waren zij ongewapend
geweest. Hij vertraagde zelfs zijne schreden niet, toen hij aan de
steile wanden van den wal kwam, en in weinige minuten stond hij op
den top er van. De maan brak op dit oogenblik door de wolk, en toonde
hem, dat de standaard van Engeland verdwenen was, de speer, waarop die
wapperde, gebroken op den grond lag, en daarnaast zijn getrouwe hond,
naar het scheen in de stuiptrekkingen des doods.



HOOFDSTUK XIV.

            Weg is de roem, dien ik als jongling mocht vergaren.
            En die steeds toenam bij het klimmen mijner jaren.
            Werd dan de bron der eer verzwolgen door den stroom?
            Helaas! Zij werd 't. Thans kunnen ongeschoeide knapen
            De kiezelsteenen uit de opgedroogde bedding rapen.

                                                          Don Sebastian.


De smartelijkste gewaarwordingen overstelpten sir Kenneth. Toen
hij zich daaraan ontrukt had, was zijn eerste gedachte rond te
zien naar hen, die de banier van Engeland hadden gehoond, maar
waarheen hij zijn blikken ook richtte, er was geen spoor van hen te
ontdekken. Toen--wat menigeen bevreemden zal maar niet hem die van
honden houdt,--onderzocht hij den toestand van zijn trouwen Roswal,
die, naar het scheen, doodelijk gewond was bij de vervulling van den
plicht, dien men zijn meester verleid had te schenden. Hij liefkoosde
het stervende dier, dat getrouw tot op het laatst, zijn eigen smart
scheen te vergeten in de vreugde, die het over de tegenwoordigheid
zijns meesters gevoelde, en voortging met kwispelstaarten en zijne
handen te likken, zelfs terwijl het door een dof gekerm verried,
dat zijne pijn vermeerderd werd door sir Kenneth's pogingen om het
stuk van de lans of de werpspies, waarmede het gekwetst was geworden,
uit te trekken. Daarop verdubbelde het zijne zwakke liefkozingen, als
of het vreesde zijn meester beleedigd te hebben door zijn gevoel te
uiten over de smart, die hem diens hulpbetoon veroorzaakte. Er was iets
in die blijken van verkleefdheid van het stervende dier, dat nog het
gevoel van ongeluk en schande, waardoor sir Kenneth overstelpt was,
nog bitterder maakte. Zijn eenige vriend scheen van hem verwijderd
te worden, juist toen hij zich de verachting en den haat van alle
overige schepselen op den hals had gehaald. De zielskracht van den
ridder maakte plaats voor eene uitbarsting van naamlooze ellende,
en hij weende en hij weeklaagde luid.

Terwijl hij dus aan zijne smart zich overgaf, sprak eene heldere en
plechtige stem dicht bij hem de volgende woorden uit, in den vollen
luiden toon van de voorlezers in de moskee, en in de lingua franca,
die Christenen en Sarraceenen verstonden:

"De tegenspoed is gelijk aan het tijdvak van den vorigen en laatsten
regen,--koud, onvriendelijk en onaangenaam voor mensch en dier,
en toch komen van dien regen de bloesem en de vrucht, de dadel,
de roos en de granaatappel."

Sir Kenneth van den Luipaard wendde zich tot hem die hem aansprak,
en aanschouwde den Arabischen geneesheer, die, onhoorbaar was genaderd
en dicht achter hem met de beenen kruiselings over elkander was gaan
zitten, en met waardigheid, maar op een toon, waaruit zijn medelijden
bleek, de troostwoorden sprak, welke de koran en zijn uitleggers hem
aan de hand gaven; want in het Oosten wordt de wijsheid gehouden te
bestaan niet in eene vertoon van eigen vindingskracht van den wijze,
maar in zijn gereed geheugen, en zijne gelukkige toepassing van
zinspelingen op hetgeen geschreven staat.

Beschaamd van in eene onmanlijke uitbarsting van droefheid verrast te
worden, droogde sir Kenneth ontevreden over zich zelven zijne tranen,
en hield zich opnieuw met zijn stervenden lieveling bezig.

"De dichter heeft gezegd", vervolgde de Arabier, zonder zich over
de afgewende blikken en de droefgeestige stemming van den ridder te
bekommeren--"de os voor het veld en de kameel voor de woestijn. Zou
niet de hand van den wondheeler geschikter zijn dan die van den
krijgsman om wonden te genezen, ofschoon zij minder geschikt is,
om die te brengen?"

"Deze lijder, Hakim, is niet meer te helpen," zeide sir Kenneth;
"en bovendien is hij volgens uwe wet een onrein dier."

"Waar Allah zich verwaardigd heeft het leven en een gevoel voor leed
en vreugd in te planten," antwoordde de geneesheer; "daar zou het
een zondige hoogmoed zijn, indien de wijze, dien hij verlicht heeft,
weigerde het bestaan te verlengen, of de pijn te verzachten. Voor
den wijze maakt de genezing van een ellendigen stalknecht, van een
armen hond en van een veroverenden monarch weinig verschil. Laat ik
dat gekwetste dier onderzoeken."

Sir Kenneth gaf stilzwijgend toe, en de geneesheer onderzocht en
behandelde de wond van Roswal met evenveel zorg en oplettendheid,
alsof het een menschelijk wezen geweest ware. Hij haalde vervolgens
eene doos met instrumenten voor den dag, en trok door het verstandig
en behendig gebruik der tang uit den gewonden schouder het brok van
het wapen, en belette door bloedstillende middelen en een verstand
het stroomen van het bloed, dat daarop volgde. Het dier liet hem
intusschen alle deze goede diensten geduldig verrichten, alsof het
zijne vriendelijke bedoelingen begrepen had.

"De hond kan genezen worden", zeide El Hakim, zich tot sir Kenneth
wendende, "zoo gij mij vergunnen wilt hem in mijne tent te brengen,
en met die zorg te behandelen, die zijn edele aard verdient. Want gij
moet weten, dat uw dienaar Adonebec niet minder bekend is met het ras,
den stamboom en het onderscheid van goede honden en edele paarden,
dan met de ziekten, welke het menschelijk geslacht treffen."

"Neem hem mede", zeide de ridder. "Ik schenk hem u gaarne, als
hij herstelt. Ik ben u eene belooning verschuldigd voor uwe zorg
jegens mijn schildknaap, en ik bezit niets anders, om u daarvoor te
vergelden. Wat mij betreft, ik zal nooit weder op een hoorn blazen,
of een hond ter jacht aansporen."

De Arabier gaf geen antwoord, maar maakte een teeken door het klappen
in zijne handen, dat oogenblikkelijk door de verschijning van twee
zwarte slaven gevolgd werd. Hij gaf hun zijne bevelen in het Arabisch,
en kreeg ten antwoord dat "hooren en gehoorzamen een en hetzelfde
was." Hierop namen zij het dier in hunne armen, en droegen het weg,
zonder veel tegenstand van diens kant; want ofschoon het zijne oogen
naar zijn meester wendde, was het echter te zwak om zich er tegen
te verzetten.

"Vaarwel dan, Roswal", zeide sir Kenneth--"vaarwel, mijn laatste en
eenige vriend--gij zijt een te edel goed, om door iemand bezeten
te worden, zooals ik mij in het vervolg zal moeten noemen.--Ik
wenschte", zeide hij, toen de slaven zich verwijderd hadden, "dat
stervende, gelijk het edele dier, ik mijn toestand tegen den zijnen
kon verruilen."

"Er staat geschreven", antwoordde de Arabier, ofschoon die woorden
niet tot hem waren gericht geweest, "dat alle schepselen ten dienste
van den mensch geschapen zijn; en de heer der aarde spreekt dwaas,
wanneer hij, in zijn onschuld, zijne tegenwoordige en toekomstige hoop
tegen den slaafschen toestand van een geringer wezen wilde verruilen?"

"Een hond, die onder het vervullen van zijn plicht sterft," hervatte
de ridder ernstig, "is beter dan een man, die hem verzaakt. Verwijder
u van mij, Hakim; gij bezit, wat wonderen betreft, de wondervolste
wetenschap, die ooit een mensch bezat, maar de wonden van den geest
zijn boven uwe macht."

"Niet, zoo de lijder zijn kwaal wil meedeelen, en zich door den
geneesheer wil laten leiden," hernam Adonebec El Hakim.

"Verneem dan", zeide sir Kenneth, "daar gij zoo in mij dringt, dat in
den vorigen nacht de banier van Engeland op deze hoogte wapperde--ik
was tot haar bewaker aangesteld--de morgen breekt thans aan--daar
ligt de gebroken vaandelstok--de standaard zelf is verloren--en hier
zit ik en leef nog."

"Hoe!" riep El Hakim, een vorschenden blik op hem vestigend; "uwe
wapenrusting is ongeschonden--er is geen bloed aan uwe wapens, en
de maan noemt u als iemand, die niet waarschijnlijk in zulk een
toestand uit het gevecht zou terugkeeren.--Gij zijt van uw post
gelokt geworden--ja gelokt door de rozige wangen en de zwarte oogen
van eene dier houris, waaraan gij Nazareërs een dienst wijdt, die aan
Allah alleen toekomt, veeleer dan dat gij haar eene liefde bewijst,
die men wettig aan klompen leem, als wij zelven zijn, verschuldigd
is. Zoo is het zeker geweest; want zoo zijn de mannen steeds gevallen
sedert de dagen van sultan Adam."

"En indien het zoo ware, geneesheer", hervatte sir Kenneth somber,
"welk middel weet gij daartegen?"

"Kennis is de moeder der macht," antwoordde El Hakim, "zoo als de
dapperheid kracht verleent.--Luister naar mij. De mensch is niet
gelijk een boom, die aan eene plek gronds geworteld is--ook is
hij niet geboren, om aan eene barre rots vastgeklonken te zijn,
gelijk de nauwelijks bezielde schelpvisch. Uwe eigen christelijke
geschriften bevelen u, om van de eene stad naar de andere te vlieden,
wanneer gij vervolgd wordt; en wij Muzelmannen weten ook, dat Mahomed,
de profeet van Allah, uit de heiligste stad Mekka verdreven zijnde,
toevlucht en helpers te Medina vond."

"En wat raakt dat mij?" vroeg de Schot.

"Veel", antwoordde de geneesheer. "Zelfs de wijze ontvlucht den storm,
dien hij niet beteugelen kan. Spoed u derhalve, en vlucht voor de
wraak van Richard in de schaduw van de zegerijke banier van Saladin."

"Inderdaad mocht ik wel mijne schande in een leger van ongeloovige
Heidenen verbergen, waar die onbekend is," zeide sir Kenneth op
spottenden toon.--"Maar ware het niet beter, dat ik geheel en al hun
verachten toestand deelachtig werd? Strekt zich uw raad niet zoo ver
uit, dat gij mij aanbeveelt, den tulband aan te nemen? Mij dunkt er
ontbreekt mij niets dan afval, om mijne eerloosheid te voltooien."

"Laster niet, Nazareër", hervatte de geneesheer somber: "Saladin
bekeert niemand tot de wet van den profeet, behalve hen, die door
zijne leer overtuigd worden. Open uwe oogen voor het licht, en de
groote Sultan, wiens mildheid even onbegrensd is als zijne macht,
zal u een koninkrijk schenken; blijf blind, zoo gij wilt, en ofschoon
gij een dergenen zijt, wier tweede leven tot ellende gedoemd is,
zal niettemin Saladin, in deze tegenwoordige spanne tijd, u rijk en
gelukkig maken. Maar vrees niet, dat uw voorhoofd met den tulband
zal gedekt worden, behalve met uwe eigen, vrije keuze."

"Dan zou ik veeleer wenschen," antwoordde de ridder, "dat mijn
uitgeteerd gelaat bij het ondergaan van de zon mocht zwart worden,
zoo als waarschijnlijk is."

"Gij handelt niet verstandig, dat gij dit schoone aanbod van de hand
wijst, Nazareër," hernam El Hakim; "want ik heb invloed bij Saladin, en
kan u zijne gunst in een hooge mate verschaffen. Zie, mijn zoon--deze
kruistocht, zoo als gij uwe wilde onderneming noemt, is gelijk aan
een grooten Dromond [3], die in de golven vaneen splijt. Gij zelf
hebt voorwaarden tot een wapenstilstand van de Koningen en Vorsten,
die hier bijeen zijn, aan den machtigen Sultan overgebracht, en gij
kendet misschien den vollen inhoud van uw last niet."

"Ik kende dien niet, en het is mij ook geheel onverschillig," hervatte
de ridder ongeduldig; "wat baat het mij, dat ik kort geleden de
afgevaardigde van vorsten ben geweest, daar ik, vóór dat het nacht
wordt, als een veracht lijk aan de galg zal hangen?"

"Neen, ik zeg u, dat het zoo niet zal zijn," zeide de
geneesheer. "Saladin wordt van alle kanten gevleid; de verbonden
vorsten van deze tegen hem beraamde onderneming hebben hem zulke
voorstellen tot verzoening en vrede gedaan, dat het, in andere
omstandigheden, met zijne eer bestaanbaar geweest zou zijn, die aan te
nemen. Anderen hebben bijzondere aanbiedingen voor hunne eigen rekening
gedaan, om hunne troepen uit de legerplaats der koningen van Frangistan
te doen terugtrekken, en zelfs hunne armen ter verdediging van den
standaard des profeets te leenen. Maar Saladin wil van een dergelijken
baatzuchtigen en verraderlijken afval niet gediend zijn. De Koning
der Koningen wil alleen met den Leeuwenkoning onderhandelen. Saladin
wil alleen met Melek Ric een verdrag sluiten, en met hem zal hij
overeenkomen als met een vorst, of met hem vechten als met een
held. Aan Richard zal hij uit eigen beweging voorwaarden toestaan, die
alle zwaarden van geheel Europa hem noch door geweld noch door schrik
zouden afgedwongen hebben. Hij zal eene vrije bedevaart vergunnen naar
Jeruzalem en alle plaatsen, waar de Nazareërs voorwerpen tot vereering
vinden, ja hij zal in zoo verre zijn rijk met zijn broeder Richard
deelen, dat hij Christen bezettingen in de zes sterkste steden van
Palestina en zelfs eene in Jeruzalem zal toelaten, en die onder het
onmiddellijk bevel der officieren van Richard laten, wien hij vergunnen
zal den naam van Bescherm-Koning van Jeruzalem te dragen. Nog meer,
hoe vreemd en ongeloofelijk gij het ook moogt rekenen, verneem,
heer ridder--want aan uwe eer kan ik zelfs dat bijna ongeloofelijk
geheim toevertrouwen--verneem, dat Saladin een zegel wil drukken op
deze gelukkige vereeniging tusschen de dappersten en edelsten van
Frangistan en Azië door eene Christen maagd, eene bloedverwante van
Koning Richard, en bekend onder den naam van lady Edith van Plantagenet
[4], tot den rang van zijne koninklijke gemalin te verheffen."

"Ha!--wat zegt gij?" riep sir Kenneth uit, die met onverschilligheid en
gevoelloosheid naar het eerste gedeelte van El Hakim's mededeelingen
geluisterd had, maar door deze laatste woorden getroffen werd, zooals
eene onverwachte, geweldige prikkeling van eene zenuw zelfs in de
verstijving eener beroerte een gevoel van den doodsstrijd verwekken
kan. Maar hierop met veel inspanning zijn toon matigende, beteugelde
hij zijne verontwaardiging; en onder den schijn van een verachtelijken
twijfel verbergende, vervolgde hij het gesprek, ten einde zooveel
mogelijk van het complot te vernemen, dat naar hem voorkwam, tegen de
eer en het geluk van haar gesmeed was, die hij niets minder beminde,
al had zijne liefde voor haar hom waarschijnlijk zijn geluk en zijne
eer te gelijk ontroofd.--"En welk Christen," zeide hij met tamelijke
kalmte, "zou eene zoo onnatuurlijke verbintenis, als die tusschen
een Christen jonkvrouw en een ongeloovigen Sarraceen goedkeuren?"

"Gij zijt een onwetend, bijgeloovig Nazareër," antwoordde El
Hakim. "Ziet gij niet, hoe de Mahomedaansche vorsten dagelijks met
de edele Nazareesche maagden in Spanje huwen, zonder ergernis voor
Moor of Christen? En de edele Sultan zal, in zijn vol vertrouwen op
het bloed van Richard, aan de Engelsche dame al de vrijheid vergunnen
die uwe Frankische zeden der vrouwen hebben toegekend. Hij zal haar
de vrije uitoefening van haar godsdienst toestaan, daar hij volkomen
inziet, dat het van weinig belang is, welk geloof de vrouwen belijden;
en hij zal haar zoodanige plaats en zulk een rang over alle vrouwen
van zijn huis schenken, dat zij in ieder opzicht zijne eenige en
onbepaalde Koningin zijn zal."

"Hoe!" riep Kenneth, "durft ge denken, Muzelman, dat Richard zijne
bloedverwante--eene hooggeboren en deugdzame prinses--zou geven,
om hoogstens de eerste bijzit in den harem van een ongeloovige te
zijn! Weet dan, Hakim, dat de geringste onder de vrije Christen
edelen om zijns kinds wille zulk eene schitterende schande van de
hand zou wijzen."

"Gij vergist u," hernam Hakim, "Filips van Frankrijk en Hendrik van
Champagne en andere voorname bondgenooten van Richard hebben dit
voorstel zonder verwondering aangehoord, en voor zoo ver zij kunnen,
beloofd om eene verbintenis te bevorderen, die deze verwoestende
oorlogen kan ten einde brengen. De aartspriester van Tyrus heeft op
zich genomen om het voorstel aan Richard te doen, niet twijfelende, of
hij zal het plan tot stand brengen. De Sultan heeft in zijne wijsheid
tot nu toe zijn voornemen verborgen gehouden voor anderen, zoo als den
markies van Montserrat en den grootmeester der Tempeliers, omdat hij
weet, dat zij trachten groot te worden door Richard's dood of schande,
en niet door zijn leven en zijne eer. Op derhalve, heer ridder en te
paard. Ik zal u een brief geven, die u hoog in de gunst van den Sultan
zal doen stijgen; en geloof niet, dat gij uw vaderland, of zijn belang
of godsdienst verlaat, daar het belang der beide vorsten spoedig
hetzelfde zal zijn. Voor Saladin zal uw raad zeer aangenaam wezen,
daar gij hem van vele dingen kunt onderrichten omtrent de huwelijken
der Christenen, de behandeling hunner vrouwen en andere punten van
wetten en gebruiken, die hem in den loop van zulk eene onderhandeling
van veel gewicht zijn te weten. De rechterhand van den Sultan omspant
de schatten van het Oosten en is de bron der edelmoedigheid. Of, indien
gij dit begeert, wanneer Saladin met Engeland zal verbonden zijn,
dan zal het hem slechts weinig moeite kosten, om van Richard niet
alleen uwe vergiffenis en het herstel in zijne gunst te verkrijgen,
maar zelfs eene eervolle bevelhebbersplaats onder de troepen,
die de Koning van Engeland van zijn leger zal achterlaten, om hunne
vereenigde heerschappij in Palestina te beschermen. Op dan, te paard,
er ligt een effen pad voor u."

"Hakim," sprak de Schotsche ridder, "gij zijt een man des vredes--ook
hebt gij het leven van Richard van Engeland gered--en bovendien dat van
mijn eigen armen schildknaap Strauchan. Ik heb dus eene zaak ten einde
toe aangehoord, die ik, zoo een ander Muzelman die had voorgesteld,
met een dolksteek zou afgebroken hebben. Hakim, ter vergelding van
uwe vriendelijkheid, raad ik u om toe te zien, dat de Sarraceen, die
Richard het voorstel zal doen tot eene vermenging van het bloed van
Plantagenet en dat van zijn vervloekten stam, een helm op zette, die
in staat is om een zoo geweldigen slag met de heerbijl te doorstaan,
als die, welke de poort van Acre verpletterde. Anders zal hij zeker
in zulk een toestand gebracht worden, dat zelfs uwe kunst hem niet
zal kunnen baten."

"Gij hebt dus hardnekkig besloten, om niet naar het Sarraceensche
leger te vluchten?--Herinner u echter, dat u, zoo gij toeft, een
zeker verderf verwacht; en de voorschriften van uwe wet, zoowel als
de onze, verbieden den mensch om in de woning van zijn eigen leven
in te breken."

"God beware!" hernam de Schot, een kruis makende; "maar het is ons
eveneens verboden, de straf te vermijden, die onze misdaden verdiend
hebben; en daar uwe gedachten over getrouwheid zoo armzalig zijn,
doet het mij leed, dat ik u mijn goeden hond geschonken heb, daar
hij een meester krijgt, die zijne waarde niet kent."

"Een geschenk, dat men beklaagt, is reeds herroepen," antwoordde El
Hakim; "maar wij geneesheeren hebben gezworen, geen patiënt weg te
zenden, vóór dat hij genezen is. Zoo de hond herstelt, is hij wederom
de uwe."

"Ga voort, Hakim," hernam sir Kenneth; "men spreekt niet van valk of
jachthond, wanneer er slechts tusschen het aanbreken van den dag en
den dood één uur is. Laat mij mijne zonden herdenken, en mij met den
Hemel verzoenen."

"Ik laat u in uwe hardnekkigheid," zeide de geneesheer; "de nevel
verbergt den afgrond voor hem, die gedoemd is daarin te storten."

Hij verwijderde zich langzaam, terwijl hij van tijd tot tijd zijn hoofd
omwendde, als of hij zien wilde, of de ongelukkige ridder hem niet
door woord of teeken zou terugroepen. Eindelijk verloor zich zijne
gedaante, die zich door zijn tulband deed kennen in den doolhof van
tenten, die rondom uitgestrekt lag, schemerende in het bleeke licht
van den dageraad, waarvoor de maneschijn geweken was.

Maar ofschoon de woorden van den geneesheer Adonebec dien indruk
niet op den Schot gemaakt hadden, dien de wijze beoogde, hadden zij
in dezen toch de begeerte gewekt om het leven te behouden, dat hij,
onteerd gelijk hij meende te zijn, eerst bereid geweest was af te
leggen, als een bezoedeld gewaad, dat niet meer waard was gedragen te
worden. Velerlei omstandigheden, die tusschen hem en den kluizenaar
waren voorgevallen, en die hij tusschen den laatsten en Sheerkohf of
Ilderim had zien gebeuren, en die hij zich thans te binnen bracht,
bevestigden voor hem hetgeen Hakim van het geheim artikel van het
traktaat verhaald had.

"De eerwaarde bedrieger!" riep hij bij zich zelven uit: "de grijze
huichelaar! Hij sprak van een ongeloovig echtgenoot, bekeerd door
eene geloovige vrouw--en wat weet ik het, misschien liet de verrader
aan den door God vervloekten Sarraceen de schoonheid zien van Edith
van Plantagenet, opdat de hond oordeelen kon, of zij geschikt was
om in den harem van een ongeloovige te worden toegelaten? Zoo ik
dien ongeloovigen nog eens in mijne vuisten kreeg, zooals ik hem in
mijne macht had, gelijk de hond den haas, dan zou hij tenminste nooit
weder een last overbrengen, die schandelijk is voor de eer van een
Christen Koning of van een edele en deugdzame maagd. Maar ik--mijne
uren versmelten ras tot minuten--maar zoo lang ik leef en adem,
moet er iets geschieden, en dat wel spoedig."

Hij stond eenige minuten stil, wierp zijn helm af, stapte toen van
den heuvel, en sloeg den weg naar de tent van Koning Richard in.



HOOFDSTUK XV.

                        De bonte haan verheft zijn zang
                          Bij 't wijken van den nacht;
                        En wekt den nijv'ren landman, lang
                          Voor dat de morgen lacht,
                        De Koning ziet de bleeke straal,
                          Die door het duister schiet;
                        En hoort het noodlot in de taal
                          Van 't krassend ravenlied
                        "Ja," zegt hij, "'k zweer het, bij dien God,
                          Wiens troon het licht omstraalt:
                        De straf van Bouw'dwijn en zijn lot,
                          Wordt heden nog bepaald!"

                                                             Chatterton.


Op den avond, toen sir Kenneth zijne wacht aanvaardde, had Richard
zich, na de stormachtige gebeurtenis, die zijne rust verstoord had,
naar bed begeven in het volle vertrouwen, dat berustte op zijn
grenzeloozen moed en de meerderheid, welke hij betoond had, door in
tegenwoordigheid van het geheele Christenleger en zijn aanvoerders
zijn plan te volvoeren. Daar velen van hen, zoo als hij wel begreep,
in het binnenste van hunne ziel de beleediging van den Hertog van
Oostenrijk als eene zegepraal over hen zelven beschouwden, voelde
hij zijn hoogmoed bevredigd, daar hij door het vernietigen van één
vijand er honderd vernederd had.

Een ander monarch zou zijne wachten op den avond na zulk een tooneel
verdubbeld, en althans een gedeelte van zijne troepen onder de
wapenen gehouden hebben. Maar Richard Leeuwenhart ontsloeg, bij deze
gelegenheid, zelfs zijne gewone wacht, en schonk aan zijne soldaten
volop wijn, om zijn herstel te vieren en op de banier van St. George
te drinken. Een deel van het kamp zou het voorkomen hebben gekregen,
dat het onbewaakt was en alle weerbaarheid missen, zoo niet sir Thomas
de Vaux, de graaf van Salisbury en andere edelen voorzorgen genomen
hadden om de orde en tucht onder de losbandige troepen te bewaren.

De arts bleef bij den Koning van het oogenblik, dat hij te bed ging
tot na middernacht, en diende hem tot twee malen gedurende dien tijd
den drank toe, terwijl hij steeds te voren de hemelstreek gadesloeg,
waar de volle maan stond, daar hij den invloed daarvan als zeer
gunstig of hoogst nadeelig achtte. Het was drie uren na middernacht,
eer El Hakim zich uit de koninklijke tent verwijderde, en zich naar
die begaf, welke voor hem en zijn gevolg was opgeslagen. Op zijn weg
derwaarts bezocht hij de tent van sir Kenneth van den Luipaard, om
zijn eersten patiënt in het Christenleger, den ouden Strauchan, zooals
des ridders schildknaap heette, te zien. Toen El Hakim daar naar sir
Kenneth zelven vernam, hoorde hij, welken dienst hij te vervullen had,
en vermoedelijk leidde hem deze mededeeling naar de St. Georgeberg,
waar hij hem, dien hij zocht, in den noodlottigen toestand aantrof,
welken wij in het laatste hoofdstuk verhaald hebben.

Het was tegen zonsopgang, toen een langzame, zware tred de tent des
Konings naderde, en eer de Vaux, die naast zijn meesters bed zoo licht
sliep, als ooit een wachthond deed, meer tijd had dan noodig was om
op te staan en "werda?" te roepen, trad de ridder van den Luipaard in
de tent, met een diepe en berustende zwaarmoedigheid in zijne forsche,
mannelijke trekken.

"Vanwaar dit vermetel binnendringen, heer ridder?" vroeg de Vaux
ernstig, maar toch op een toon, die eerbied voor den slaap van zijn
meester verried.

"Stil, de Vaux," zeide Richard, op hetzelfde oogenblik ontwakende. "Sir
Kenneth komt als een goed soldaat rekenschap van zijne wacht
geven--voor de zoodanigen is de tent van den veldheer altijd
toegankelijk."--Toen uit zijne sluimerende houding zich verheffende
en op zijn elleboog leunende, vestigde hij zijne groote, schitterende
oogen op den ridder: "Spreek, heer Schot, gij komt om mij bericht te
geven van eene waakzame, veilige en eervolle wacht, niet waar? Het
geritsel van de plooien der banier van Engeland was voldoende, om
die te bewaken, zelfs zonder de tegenwoordigheid van zulk een ridder,
als waarvoor men u houdt."

"En waarvoor men mij niet langer houden zal," zeide sir
Kenneth.--"Mijne wacht is noch waakzaam, noch veilig, noch eervol
geweest. De banier van Engeland is geroofd."

"En gij leeft nog, om dit te verkondigen?" riep Richard op een toon
van schertsend ongeloof.--"Toch niet, dat kan niet wezen. Gij hebt
zelfs geen schram op uw gelaat. Waarom staat gij daar zoo stom? Spreek
de waarheid--het is slechts schertsen met een Koning, en toch zal ik
u vergeven, zoo gij gelogen hebt."

"Gelogen! mijn Koning!" hernam de ongelukkige ridder, met sterken
nadruk en een vurigen glans uit zijne oogen, flikkerend en
oogenblikkelijk als de vonk, die uit den kouden, harden keisteen
springt. "Maar dit moet ook verduurd worden! Ik heb de waarheid
gezegd."

"Bij God en St. George!" riep de Koning, in woede uitbarstend,
die hij echter terstond weder bedwong--"De Vaux, ga heen en neem de
plaats in oogenschouw.--Deze koorts heeft zijn brein verward.--Dit
kan niet zijn.--De moed van den man is bewezen.--Het kan niet zijn! Ga
spoedig--of zend er een man heen, zoo gij niet gaan wilt."

De Koning werd in de rede gevallen door sir Henry Neville, die ademloos
binnentrad, om te zeggen, dat de banier verdwenen, en de ridder,
die haar bewaakte, overmand en allerwaarschijnlijkst vermoord was,
daar er geen plas bloed op de plaats lag, waar de vaandelspeer in
splinters lag.

"Maar wien zie ik hier?" zeide Neville, terwijl zijne oogen plotseling
op sir Kenneth vielen.

"Een verrader!" riep de Koning opspringend en de heerbijl grijpende,
die altijd dicht bij zijn bed lag,--"een verrader! dien gij den dood
eens verraders zult zien sterven." Met deze woorden hief hij het
wapentuig op, alsof hij daarmede een slag wilde toebrengen.

Bleek, maar roerloos als een marmeren standbeeld, stond de Schot
vóór hem, met zijn ontbloot hoofd zonder eenige bescherming, de
oogen naar den grond gericht, de lippen nauwelijks bewegende,
maar toch waarschijnlijk in stilte een gebed prevelend. Recht
tegenover hem en juist ver genoeg om een slag te kunnen toebrengen,
stond Koning Richard. Zijne hooge gestalte was geheel in de plooien
van zijne camescia of witten langen linnen rok gewikkeld, behalve
op die plaats waar het geweld zijner beweging zijn rechter arm,
schouder en een gedeelte van zijne borst ontbloot had, en aan het
oog een lichaamsbouw vertoonde, die de benaming van zijn Saksischen
voorvader "met de ijzeren zijde" had kunnen verdienen. Hij stond een
oogenblik, gereed om toe te slaan; toen de punt van het wapen latende
zinken, riep hij uit: "Maar er lag bloed, Neville, er lag bloed op
de plaats. Luister, heer Schot, eens waart gij dapper, want ik heb
u zien vechten--zeg, dat gij twee van die honden bij de verdediging
van den standaard verslagen hebt--zeg, dat het maar één was--zeg,
dat gij slechts één goeden slag om onzentwille hebt toegebracht,
en verwijder u uit de legerplaats met uw leven en uwe eerloosheid."

"Gij hebt mij een leugenaar genoemd, mijn Koning," hervatte Kenneth op
vasten toon, "en daarin althans hebt gij mij onrecht gedaan.--Verneem,
dat er geen bloed tot verdediging van den standaard gestort is, dan dat
van een armen hond, die, trouwer dan zijn meester, het toevertrouwde
pand beschermde, toen deze het verliet."

"Nu, bij St. George!" riep Richard, andermaal zijn arm
oplichtende.--Maar de Vaux wierp zich tusschen den Koning en het
slachtoffer zijner wraak, en sprak met de ruwe rondheid van zijn
karakter: "Mijn Koning, dit moet niet hier, en ook niet door uwe eigen
hand geschieden. Het is dwaasheid genoeg voor een dag en een nacht
uwe banier aan den Schot toevertrouwd te hebben--heb ik niet gezegd,
dat zij altijd eerlijk en toch valsch waren?"

"Dat hebt gij, de Vaux; gij hebt gelijk, en ik beken het," zeide
Richard. "Ik had hem beter moeten kennen--ik had mij moeten herinneren,
hoe de vos Willem mij ten aanzien van dezen kruistocht misleidde."

"Mylord," hernam sir Kenneth, "Willem van Schotland heeft nooit bedrog
gepleegd; maar de omstandigheden hebben hem belet om zijne troepen
in het veld te brengen."

"Stil, onbeschaamde!" antwoordde de Koning; "gij bezoedelt den naam van
een vorst alleen door dien uit te spreken.--En toch, de Vaux, het is
zonderling," voegde hij er bij, "het gedrag van den man te zien. Hij
moet een lafaard of een verrader zijn; en nochtans zag hij den slag
van Richard Plantagenet te gemoet, als of onze arm opgelicht werd, om
de ridderlijke waardigheid op zijne schouders te leggen. Had hij het
minste teeken van vrees getoond, had slechts een lid gesidderd, of een
ooglid gebeefd, dan had ik zijne hersenpan verplet, als een kristallen
beker. Maar ik kan niet toeslaan, als er vrees noch tegenstand is."

Er ontstond eene stilte.

"Mylord," zeide sir Kenneth.

"Ha!" viel Richard hem in de rede, "hebt gij de spraak
wedergevonden? Vraag genade aan den Hemel, maar niet aan mij, want
Engeland is door uw schuld onteerd; en al waart gij mijn eigen en
eenige broeder, dan was er geene vergiffenis voor uw misslag."

"Ik spreek niet om genade voor een sterflijk mensch te vragen,"
hervatte de Schot, "het staat aan het welbehagen van Uw Majesteit,
om mij tijd voor de biecht toe te staan,--zoo de sterveling mij dit
weigert, dan moge God mij de vergiffenis schenken, die ik anders van
Zijne Kerk zou gevraagd hebben. Maar het zij ik op staanden voet sterf,
of een half uur later, zoo smeek ik uwe Majesteit in elk geval om een
oogenblik gelegenheid te hebben, iets met uw koninklijken persoon
te spreken, dat voor uw roem als Christen Koning van het hoogste
belang is."

"Spreek op," zeide de Koning, niet twijfelende, of hij zou de een of
andere bekentenis wegens het verlies van de banier hooren.

"Wat ik te zeggen heb," vervolgde sir Kenneth, "betreft de koninklijke
waardigheid van Engeland, en moet aan geene ooren, dan de uwe
toevertrouwd worden."

"Gaat henen, heeren," zeide de Koning tot Neville en de Vaux.

De eerste gehoorzaamde; maar de laatste wilde niet uit de nabijheid
des Konings wijken.

"Zoo gij mij gelijk gegeven hebt," antwoordde de Vaux zijn Vorst,
"dan wil ik ook behandeld worden als iemand, die gelijk heeft--dat
wil zeggen, ik wil mijn zin hebben. Ik laat u niet met dien valschen
Schot alleen."

"Hoe, de Vaux," riep de Koning vergramd en even met den voet stampende,
"durft gij onzen persoon niet bij één verrader vertrouwen?"

"Het is te vergeefs, dat gij het voorhoofd fronst en met de voeten
stampt, mylord," hervatte de Vaux "ik waag geen ziek mensch aan een
gezonde, noch een naakten aan een in staal gewapende."

"Het is onverschillig," zeide de Schotsche ridder; "ik zoek geene
verontschuldiging, om tijd te winnen--ik wil in tegenwoordigheid van
den lord van Gilsland spreken. Hij is een goed en braaf ridder."

"Nog slechts vóór een half uur," hernam de Vaux met een zucht waarin
kommer en ergernis vermengd waren, "zou ik hetzelfde van u gezegd
hebben."

"Er heerscht verraad om u, Koning van Engeland," vervolgde sir Kenneth.

"Dat is zeer mogelijk," hervatte Richard; "ik heb er een in het oog
vallend voorbeeld van."

"Een verraad, dat u meer schande zal aandoen dan het verlies van
honderd banieren in een veldslag. De--de--" sir Kenneth aarzelde,
en eindelijk vervolgde hij op zachteren toon: "Lady Edith--"

"Ha!" riep de Koning plotseling, een houding van trotsche aandacht
aannemende en zijn oog strak op den gewaanden schuldige richtende:
"Wat is het met haar?--Wat is het met haar?--Wat heeft zij met deze
zaak te doen?"

"Mylord," antwoordde de Schot, "er is een plan gesmeed om uw
koninklijken stam te onteeren, door de hand van lady Edith aan
den Sarraceenschen Sultan te schenken, en op die wijze door een
allerschandelijkste verbintenis voor Engeland een alleronteerendsten
vrede voor het Christendom te koopen."

Deze mededeeling had juist de tegenovergestelde werking van die,
welke sir Kenneth verwachtte. Richard Plantagenet was een van hen,
die in Jago's woorden, God juist daarom niet dienen wilden, omdat de
duivel het hun beval. Een raad of een mededeeling maakten dikwijls
minder door den werkelijken inhoud indruk op hem, dan door de kleur,
die zij van het vermoede karakter en de gewaande inzichten aannamen
van hem, die ze mededeelden. Ongelukkig vernieuwde het noemen van den
naam zijner bloedverwante de herinnering aan datgene, wat hij als de
hoogste aanmatiging in den ridder van den Luipaard beschouwd had, zelf
toen hij nog hoog in den rang der ridderschap stond, maar hetgeen,
in zijn tegenwoordigen toestand, eene voldoende beleediging scheen,
om den vurigen monarch in razende drift te brengen.

"Stil," zeide hij, "eerlooze en vermetele! Bij den Hemel, ik zal uwe
tong met gloeiende tangen laten uittrekken, alleen voor het noemen
van den naam eener Christen maagd! Verneem, ontaard verrader, dat ik
reeds bemerkte tot welk een hoogte gij uwe oogen hadt durven opheffen,
en ik verdroeg het, ofschoon het eene onbeschaamdheid van u was,
zelfs toen gij ons--want gij zijt niets dan bedrog--verleid hadt, om
u voor een man van naam en faam te houden. Maar dat gij thans, nu uwe
lippen door de bekentenis van uwe eigen schande gebrandmerkt zijn--dat
gij thans onze edele bloedverwante durft noemen, als iemand, in wier
lot gij deel of belang hebt! Wat raakt het u, of zij een Sarraceen of
een Christen huwt!--Wat raakt het u, zoo in eene legerplaats, waar de
vorsten bij dag in lafaards en bij nacht in roovers veranderen--waar
dappere ridders lafhartige wegloopers en verraders worden--wat raakt
het u, zeg ik, of iemand anders, zoo ik het goedvond, mij met de
oprechtheid en dapperheid in den persoon van Saladin te verbinden?"

"Mij zeer weinig voorwaar, daar de wereld voor mij weldra niet meer
zijn zal," antwoordde sir Kenneth stoutmoedig; "maar al was ik op dit
oogenblik op het rad uitgestrekt, dan zou ik u nog zeggen, dat wat
ik u gezegd heb van het hoogste belang voor uw eigen geweten en uw
eigen roem is. Ik zeg u, Koning, dat zoo gij slechts in uwe gedachte
het voornemen voedt, om uwe bloedverwante, lady Edith...."

"Noem haar niet--en denk voor een oogenblik niet aan haar," zeide
de Koning, en vatte de heerbijl weder met zulk een geweld, dat de
peezen van den forschen arm zichtbaar werden, als het weefsel, dat
de klimop om den stam van een eik vormt.

"Haar niet noemen--niet aan haar denken!" antwoordde sir Kenneth, daar
zijn geest, hoezeer die ook gedrukt was, door deze soort van strijd
zijne veerkracht begon te herkrijgen.--"Neen, bij het heilige kruis,
waarop ik mijne hoop vestig, haar naam zal het laatste woord in mijn
mond, haar beeld de laatste gedachte in mijn gemoed zijn. Beproef
uwe geroemde sterkte op dit ontbloote hoofd, en zie, of gij mij in
mijn voornemen kunt beletten."

"Hij zal mij nog tot waanzin brengen!" riep Richard, die, ten spijt
van zich zelven, door den onverschrokken moed van den schuldige in
zijn voornemen belemmerd werd.

Eer nog Thomas van Gilsland kon antwoorden, hoorde men buiten eenig
gedruisch, en de komst der Koningin werd van het buitenste gedeelte
der tent gemeld.

"Houd haar tegen--houd haar tegen, Neville," riep de Koning,
"dit is geen tooneel voor vrouwen.--Foei, dat ik mij door zulk een
ellendigen verrader zoo tot woede heb laten brengen!--Weg met hem,
de Vaux," fluisterde hij, "door den achtersten uitgang van onze
tent--sluit hem op, en sta met uw leven voor zijne zekere bewaring
borg.--En, luister--hij moet dadelijk sterven--bezorg hem een
priesterlijken vader--wij willen niet ziel en lichaam vermoorden.--En
wacht--luister--wij willen hem niet onteerd hebben--hij zal als ridder
sterven, met zwaard en sporen; want al is zijn verraad ook zoo zwart
als de hel, dan kon toch zijne stoutheid die van den duivel zelven
evenaren."

De Vaux, zeer verheugd, indien de waarheid zich liet gissen, dat
het tooneel afliep, zonder dat Richard zich verlaagd had tot de
onkoninklijke daad, om een weerloozen gevangene te dooden, haastte
zich, om sir Kenneth door een geheimen uitgang naar eene afgezonderde
tent te brengen, waar hij voor de veiligheid ontwapend en in boeien
geklonken werd. De Vaux zag hem met eene gestadige en droefgeestige
oplettendheid aan, terwijl de lieden van den provoost, aan welke sir
Kenneth thans werd overgegeven, deze gestrenge voorzorgen namen.

Toen deze geëindigd waren, zeide hij plechtig tot den ongelukkigen
misdadiger: "Het is Koning Richard's wil, dat gij in uwe volle
waardigheid sterft--zonder dat uw lichaam verminkt wordt of uw wapenen
schande wordt aangedaan--en dat uw hoofd door het zwaard van den
scherprechter van de romp zal gescheiden worden."

"Dat is goedertieren," zeide de ridder met eene zachte en onderworpen
stem, als iemand, die eene onverwachte gunst ontving; "mijne familie
zal dan het ergste van het verhaal niet hooren.--O mijn vader--mijn
vader!"

Deze zacht geprevelde woorden ontgingen den wel ruwen, maar
goedhartigen Engelschman niet, en hij streek met den rug van zijne
groote hand over zijn ruw gelaat, eer hij kon voortspreken.

"Het is voorts Richard van Engelands wil," zeide hij toen, "dat gij
met een heilig man zult spreken, en ik heb op den weg hierheen een
Karmeliter monnik ontmoet, die u op uwe reis kan voorbereiden. Hij
wacht buiten, totdat gij in eene gemoedsstemming zijt, om hem te
ontvangen."

"Laat dit oogenblikkelijk geschieden," antwoordde de ridder. "Ook
hierin bewijst Richard zijne goedheid. Ik kan op geen tijd beter
geschikt zijn, om den goeden vader te zien, dan thans; want het
leven en ik hebben elkander vaarwel toegezegd, als twee reizigers,
die aan den kruisweg zijn gekomen, waar hun pad zich scheidt."

"Het is wel," zeide de Vaux langzaam en plechtig; "want het drukte
mij zwaar u het slot van mijn last uit te spreken. Het is Koning
Richard's wil, dat gij u voor een oogenblikkelijken dood bereidt."

"De wil van God en den Koning geschiede," hernam de ridder
geduldig. "Ik betwist de rechtvaardigheid van het vonnis niet, en
verlang ook geen uitstel van de voltrekking."

De Vaux begon de tent te verlaten, maar zeer langzaam--bleef aan
de deur staan, en zag om naar den Schot, uit wiens gelaat alle
gedachten aan de wereld verbannen schenen, alsof hij zich tot een
ernstig gebed stemde. De moedige Engelsche baron behoorde niet tot de
fijngevoeligsten; toch overweldigde zijn medelijden hem op een geheel
ongewone wijze. Hij keerde haastig naar de bos stroo terug, waarop
de gevangene lag, nam eene van zijne geboeide handen, en zeide met
zooveel zachtheid, als zijne ruwe stem vermocht uit te drukken: "Sir
Kenneth, gij zijt nog jong--gij hebt een vader. Mijn Ralph, dien ik
verliet, terwijl hij zijne hit op de oevers van de Irthing africhtte,
kan eens uwe jaren bereiken--en, op den laatsten nacht na, zou ik
bidden dat het God mocht behagen, dat zijne jeugd zoo veel beloofde,
als de uwe.--Kan niets ten uwen behoeve gezegd of gedaan worden?"

"Niets," was het droefgeestig antwoord. "Ik heb mijn post verlaten--de
aan mij toevertrouwde banier is verloren.--Als de scherprechter en
het blok gereed zijn, dan zijn hoofd en romp bereid."

"Nu, dan ontferme God zich over u!" zeide de Vaux. "Toch wilde
ik wel mijn beste paard er voor geven, dat ik die wacht zelf op
mij genomen had. Daar schuilt een geheim achter, jongeling, een
eenvoudig man kan dit begrijpen, ofschoon hij het niet doorzien
kan. Lafhartigheid? Neen! Nooit vocht een lafaard, zoo als ik u heb
zien doen.--Verraad! Ik kan niet gelooven, dat verraders zoo kalm
onder hun verraad sterven. Gij zijt door eene diep verborgen list
van uw post gelokt--door eene wel overlegde krijgslist--de kreten van
eene jonkvrouw in nood hebben uw oor getroffen, of de lachende blik
van eene dartele maagd heeft uw oog bevangen. Bloos er niet om, wij
zijn allen door zulke verlokkingen verleid geworden. Kom, ik bid u,
beken het openhartig aan mij, in plaats van aan den priester.--Richard
is goedertieren, als zijn toorn bedaard is. Hebt gij mij niets toe
te vertrouwen?"

De ongelukkige ridder wendde zijn gelaat van den vriendelijken
krijgsman af en antwoordde: "Niets".

De Vaux, die nu al zijne overredingskunst had uitgeput, stond op en
verliet de tent met gekruiste armen en zwaarmoediger, dan hij dacht
dat de gelegenheid verdiende--zelfs verbitterd op zich zelven, omdat
zulk eene eenvoudige zaak, als de dood van een Schot, hem zoo diep
kon treffen.

"En toch," zeide hij bij zich zelven, "ofschoon de ruigvoetige kerels
onze vijanden in Cumberland zijn, beschouwt men hen in Palestina toch
bijna als broeders."



HOOFDSTUK XVI.

                                Niet haar verstand--want dit verdient
                                    Geen ongemeen vertrouwen;
                                En al haar geest is slechts geklap,
                                    Zooals bij alle vrouwen.

                                                               Een Lied.


De edelgeboren Berengaria, dochter van Sanchez, Koning van Navarre,
en gemalin van den heldhaftigen Richard, werd voor een der schoonste
vrouwen van dien tijd gehouden. Zij was klein van gestalte, maar zeer
teeder gebouwd. Zij had het voorrecht een voorkomen te bezitten,
dat in haar land niet algemeen was, een overvloed van schoon haar,
en zulke zeldzaam jeugdige gelaatstrekken, dat zij verscheidene jaren
jonger scheen, dan zij wezenlijk was; ofschoon zij inderdaad niet ouder
was dan een en twintig jaren. Misschien was het uit besef van dit zoo
jeugdig voorkomen, dat zij eene kleine kinderachtige grilligheid en
een zekeren moedwil veinsde, of ten minste ten toon spreidde, die,
zoo als zij zeker onderstelde, aan eene jonge bruid betaamde, wier
rang en leeftijd haar het recht gaven, om hare luimen op te volgen
en die te doen gehoorzamen. Zij was van natuur zeer goedhartig;
en zoo men haar haar bekoorlijk aandeel van bewondering en hulde,
dat in haar gevoel niet gering was, schonk, kon niemand een beter
karakter of een welwillender aard hebben; maar hoe meer macht men
haar toestond, zooveel te verder trachtte zij, als alle despoten,
haar scepter uit te strekken. Somtijds, zelfs wanneer hare eerzucht
geheel voldaan was, verkoos zij een weinig ziek naar lichaam en
ziel te zijn; en de geneesheeren moesten hun geest inspannen, om
namen voor ingebeelde ziekten te vinden, terwijl hare hofdames hare
verbeelding moesten uitputten, om nieuwe spelen, nieuwe hoofdsieraden
en nieuwe hofschandalen op te sporen, ten einde de onaangename uren
door te komen, waarin haar toestand juist niet zeer benijdenswaardig
was. Haar geliefkoosd hulpmiddel om deze ziekte af te wenden was
de eene of andere poets of streek, die zij elkander speelden. De
goede Koningin was bij het genot van haar levendigen geest, om de
waarheid te zeggen, wel wat onverschillig, of de scherts geheel
aan hare waardigheid paste, en of het verdriet van hen, die er het
slachtoffer van waren, niet grooter was dan het genot, dat zij zelve
er door smaakte. Zij vertrouwde op de gunst van haar gemaal, op haar
hoogen rang, en hare gewaande macht om alles weder goed te maken,
wat zulk eene scherts anderen kon kosten. In één woord, zij speelde
als een jonge leeuwin, die onbekend is met het gewicht der pooten,
die zij dengenen, met wie zij speelt, oplegt.

Koningin Berengaria beminde haar echtgenoot vurig, maar zij vreesde
de trotschheid en ruwheid van zijn karakter; en daar zij gevoelde,
dat zij hem in verstand niet evenaarde, was het haar volstrekt niet
aangenaam, dat hij dikwijls liever met Edith Plantagenet dan met haar
sprak, alleen omdat hij meer vermaak in een onderhoud met deze vond,
een vatbaarder verstand, en eene hoogere vlucht van gedachten en
gevoelens, dan zijne schoone echtgenoote aan den dag legde. Berengaria
haatte daarom Edith niet, en nog minder wenschte zij haar eenig leed
toe; want, op een weinig eigenliefde na, was haar karakter over het
geheel onschuldig en edelmoedig. Maar de dames van haar gevolg, die
voor dergelijke zaken een scherpen blik bezaten, hadden sinds eenigen
tijd ontdekt, dat een vergedreven scherts, ten koste van lady Edith,
een goed middel was, om Hare Majesteit de Koningin van Engeland van
hare neerslachtigheid te genezen, en deze ontdekking bespaarde hare
verbeelding vrij wat moeite.

Er lag iets onedelmoedigs hierin, omdat lady Edith als eene wees was
te beschouwen; en ofschoon zij Plantagenet, en de schoone maagd van
Anjou genoemd, en van Richard zekere voorrechten genoot, die alleen
de koninklijke familie toekwamen, en dien tengevolge hare plaats in
de hofkringen innam, wisten echter weinigen welke, en niemand, die bij
het hof van Engeland bekend was, waagde het te vragen, in welken graad
van verwantschap zij eigenlijk tot Richard stond. Zij was met Eleonora,
de beroemde Koningin moeder van Engeland, overgekomen, en had zich te
Messina bij Richard gevoegd, als eene der dames, die bestemd waren
tot gezelschap van Berengaria, wier trouwdag toen naderde. Richard
behandelde zijne bloedverwante met eene eerbiedige oplettendheid,
en de Koningin maakte haar tot hare bestendige gezellin, en zelfs,
ten spijt van de kleine ijverzucht, waarvan wij gewaagd hebben,
behandelde zij haar over het algemeen met verschuldigden eerbied.

De hofdames hadden in langen tijd geen verder voordeel op Edith dan
eene gelegenheid, om op een te eenvoudig hoofdtooisel, of slecht
passend kleed aanmerkingen te maken; want men rekende de lady
als niet ingewijd in deze geheimen. De stille aanbidding van den
Schotschen ridder bleef echter niet onopgemerkt; zijne livreien,
symbolen, wapenfeiten, motto's en deviezen werden nauwkeurig
gadegeslagen en nu en dan tot het onderwerp van eene voorbijgaande
scherts gemaakt. Maar toen kwam de bedevaart van de Koningin en hare
dames naar Engaddi, eene reis, die de Koningin ten gevolge van eene
gelofte voor het herstel van haar gemaal ondernomen, en waartoe de
Aartsbisschop van Tyrus haar met een staatkundig doel aangemoedigd
had. Het was toen in de kapel van die heilige plaats, die boven
den grond in verband stond met een klooster van Karmeliter nonnen
en beneden met de cel van de kluizenaar, dat eene der kamerjuffers
van de Koningin het geheime teeken van verstandhouding dat Edith
haar minnaar gegeven had, opmerkte en niet in gebreke bleef dit
dadelijk aan hare Majesteit mede te deelen. De Koningin kwam van hare
bedevaart terug met dit uitmuntend geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid
en verveling, terwijl haar gevolg tegelijk vermeerderd was door een
geschenk van twee ellendige dwergen van den onttroonden Koning van
Jeruzalem, zoo mismaakt en zwak van verstand--want hierin bestond
de voortreffelijkheid van dit ongelukkig geslacht--als ooit eene
Koningin had kunnen begeeren. Een van Berengaria's ijdele vermaken
was geweest, om de uitwerking van het plotseling verschijnen van
zulke verschrikkelijke wanstaltige schepsels op de zenuwen van den
ridder, toen hij alleen in de kapel gelaten was, te beproeven; maar de
scherts was door de kalmte van den Schot en de tusschenkomst van den
kluizenaar verijdeld geworden. Zij had er nu eene andere ondernomen,
waarvan het gevolg dreigde ernstiger te zullen worden.

De dames traden weder binnen, nadat sir Kenneth de tent had
verlaten. De Koningin, eerst weinig getroffen door de vertoornde
verwijten van Edith, antwoordde slechts door haar hare overdreven
eerbaarheid te verwijten, en hare geestigheid den teugel te vieren
ten koste van de kleeding, de natie en vooral de armoede van den
ridder van den Luipaard, waarbij zij eene groote hoeveelheid spottende
boosaardigheid ten beste gaf, die met aardigheden vermengd was. Zij
dreef het eindelijk zoo ver, dat Edith gedwongen werd, om met haar
angst in een afgezonderd vertrek te vluchten. Maar toen in den morgen
eene vrouw, die Edith belast had om onderzoek te doen, bericht bracht,
dat de standaard verloren, en zijn verdediger verdwenen was, drong
zij in het vertrek der Koningin, en smeekte haar om op te staan,
zonder verwijl naar de tent des Konings te gaan, en hare krachtdadige
bemiddeling te gebruiken, om de slechte gevolgen van hare scherts
te voorkomen.

De Koningin, op hare beurt verschrikt, wierp, gelijk het gewoonlijk
gaat, de schuld van hare eigen dwaasheid op diegenen, welke haar
omringden. Zij trachtte door duizend onsamenhangende redeneeringen
Edith in hare droefheid te troosten en haar ongenoegen te bedaren. Zij
was verzekerd, dat er geen kwaad gebeurd was--de ridder had na zijne
nachtwaken geslapen. Of hij was, uit vrees voor den Koning, met den
standaard gevlucht--het was slechts eene lap zijde, en hij slechts een
arm avonturier--of zoo hij voor een poos tijds in verzekerde bewaring
was genomen, zou zij den Koning spoedig bewegen, om hem vergiffenis
te schenken--men moest maar wachten, tot dat Richard's eerste drift
voorbij was.

Zoo ging zij voort met voort te praten, allerlei tegenstrijdigheden
opeen stapelende, met het ijdele doel, om Edith en zich zelve te
overtuigen, dat er geen kwaad van eene scherts kon komen, die haar
thans in haar hart bitter berouwde. Maar terwijl Edith te vergeefs
poogde, om dezen stroom van ijdel gesnap tegen te houden, vielen hare
oogen op eene der vrouwen, die in het vertrek der Koningin trad. In
haar starend oog las mij doodelijke schrik en vrees, en Edith zou,
bij den eersten aanblik van haar gelaat, ineen gezonken zijn, zoo niet
de strenge noodzakelijkheid en haar eigen fier karakter haar in staat
gesteld hadden, om ten minste uitwendig fier hare kalmte te bewaren.

"Mevrouw", zeide zij tot de Koningin, "verlies geen oogenblik meer met
spreken, maar red een leven--zoo inderdaad" voegde zij op sidderenden
toon er bij, "het leven nog te redden is."

"Dat is het nog--dat is het nog", antwoordde jonkvrouw Calista. "Ik
heb zoo even gehoord, dat hij voor den Koning is gebracht--alles
is nog niet voorbij, maar", voegde zij er bij, terwijl zij in een
hevigen stroom tranen uitbarstte, waarin persoonlijke vrees eenig
deel had--"maar het zal spoedig voorbij zijn--zoo er niet eenig middel
aangewend wordt."

"Ik beloof een gouden kandelaar aan het heilige graf--een zilveren
altaar aan onze Lieve Vrouw van Engaddi--een mantel, honderd
byzantynen waard, aan St. Thomas van Orthez...." zeide de Koningin
buiten zich zelve.

"Op, op, mevrouw", riep Edith; "roep de heiligen aan, zoo gij wilt,
maar wees zelve uw beste heilige."

"Wezenlijk, mevrouw", zeide de verschrikte kamerjuffer, "lady Edith
spreekt de waarheid. Op, mevrouw, en laat ons naar de tent van Koning
Richard ons spoeden en om het leven van den armen edelman smeeken."

"Ik wil gaan--ik wil oogenblikkelijk gaan", antwoordde de Koningin
opstaande en hevig sidderende, terwijl hare hofdames, in even groote
ontroering als zij zelve, niet in staat waren, om haar de diensten
te bewijzen, welke haar lever vereischte. Kalm, bedaard, maar bleek
als eene doode, hielp Edith de Koningin met hare eigen handen en
vergoedde alleen het gemis van hare talrijke dienaressen.

"Wat staat gij daar, meisjes", riep de Koningin uit, die toen zelfs
een beuzelachtig onderscheid niet vergeten kon. "Duldt gij, dat
lady Edith diensten verrichten, die tot uw plicht behooren?--Ziet
gij, Edith, zij kunnen niets doen.--Ik zal nooit bij tijds gekleed
zijn. Wij zullen naar den aartsbisschop van Tyrus zenden, en hem als
middelaar gebruiken."

"O, neen, neen!" riep Edith.--"Ga zelve, Mevrouw--gij hebt het kwaad
gepleegd, dien gij dus het middel van herstel toe."

"Ik zal gaan--ik zal gaan", antwoordde de Koningin; "maar zoo Richard
in zijne toornige luim is, dan durf ik niet tot hem spreken--hij zal
mij dooden."

"Toch moest gij gaan, genadigste Mevrouw", zeide lady Calista,
die het karakter van hare meesteres het best kende; "geen leeuw in
zijne woede zou zulk een gelaat en zulk eene gestalte kunnen zien,
en nog eene toornige gedachte behouden--en veel minder een waarachtig
ridder, zoo trouw in zijn liefde als Koning Richard, voor wien uw
minste woord een bevel zou zijn."

"Meent gij dat, Calista?" hervatte de Koningin. "Ach, gij kent hem
weinig--toch wil ik gaan.--Maar zie eens--wat beduidt dit? Gij hebt
mij in het groen gekleed; eene kleur, die hij verfoeit. Ziet gij,
geef mij een blauw kleed, en--zoek het tooisel van robijn, dat een
gedeelte van het losgeld van den Koning van Cyprus uitmaakt--het is
in het stalen kistje of ergens anders."

"Dit, terwijl een menschenleven op het spel staat!" riep Edith
verontwaardigd; "dit gaat het menschelijk geduld te boven. Houd uw
gemak, mevrouw--ik zal naar Koning Richard gaan--ik ben de betrokken
partij, of de eer van eene jonkvrouw van zijn bloed zoo ver bespot
mag worden, dat men haar naam misbruikt, om een braaf ridder van zijn
plicht te lokken, hem aan den rand van schande en dood te brengen;
en te gelijker tijd den roem van Engeland tot een voorwerp van spot
te maken voor het geheele Christenleger."

Deze onverwachte uitbarsting van drift hoorde Berengaria met een
bijna versteenden blik van vrees en verwondering aan. Maar toen Edith
op het punt stond, om de tent te verlaten, riep zij, ofschoon zwak:
"houd haar tegen--houd haar tegen."

"Voorwaar, edele lady Edith", zeide Calista, zachtkens haar
arm vattende; "en gij, Koningin, zult, vertrouw ik, gaan en wel
zonder aarzelen. Zoo lady Edith alleen naar den Koning gaat, zal
hij schrikkelijk vertoornd zijn, en dan zal één leven zijne woede
niet koelen."

"Ik wil gaan--ik wil gaan", zeide de Koningin, aan de noodzakelijkheid
toegevende; en Edith bleef tegen wil en dank staan, om hare bewegingen
gade te slaan.

Alles ging thans zoo schielijk, als zij slechts wenschen kon. De
Koningin wikkelde zich haastig in een ruimen, loshangenden mantel,
die alle tekortkomingen van de kaptafel bedekte, en, vergezeld door
Edith en hare vrouwen en voorafgegaan en gevolgd door eenige weinige
bedienden en gewapenden, spoedde zij zich naar de tent van haar gemaal
met het leeuwenhart.



HOOFDSTUK XVII.

            Al was elk haar op zijne kruin een leven,
            En elk bestaan door beden te behouden,
            Door beden, als zijn haren verviervuldigd,
            Toch zouden zij verdwijnen, als de sterren
            Voor d' ochtendstond--of als schitterende lampen
            Die ons haar licht bij 't feest'lijk nachtfeest schonken
            En die men, na 't vertrek der gasten bluschte.

                                                        Oud Tooneelstuk.


De kamerheeren, die in het buitenste gedeelte van Richard's tent de
wacht hielden, verzetten zich, hoewel op de eerbiedigste en meest
bescheiden wijze, tegen het binnentreden van Koningin Berengaria. Zij
kon het strenge bevel des Konings in de binnentent hooren, die haar
het binnentreden verbood.

"Gij ziet het", zeide de Koningin, zich tot Edith wendende, alsof zij
alle middelen van tusschenkomst, die in hare macht stonden, uitgeput
had--"ik wist het wel--de Koning wil ons niet ontvangen."

Tegelijkertijd hoorden zij Richard tot iemand in de tent zeggen:
"Ga, volbreng uw ambt spoedig, kerel--want hierin bestaat toch uwe
genade--tien byzantynen voor u, zoo gij hem in één slag er afhelpt.--En
hoort gij, knaap, geef acht, of zijn wangen verbleeken, of zijn oog
siddert--let op het geringste vertrekken van zijn gelaat, op iedere
beweging van het ooglid.--Ik wilde gaarne weten, hoe dappere mannen
den dood te gemoet gaan."

"Zoo hij mijn zwaard ziet zwaaien zonder terug te deinzen, dan is
hij de eerste, die dit ooit deed," antwoordde eene ruwe, zware stem,
die een gevoel van ongewonen eerbied tot een zachter toon gestemd had,
dan de gewone harde klank.

Edith kon niet langer zwijgen. "Als Uwe Majesteit", zeide zij tot
de Koningin, "zich zelve geen weg weet te banen, dan zal ik het
voor u doen; of zoo niet voor Uwe Majesteit, dan ten minste voor mij
zelve.--Kamerheeren, de Koningin vraagt om Koning Richard te zien--de
echtgenoote om met haren gemaal te spreken."

"Edele dame", antwoordde de beambte, terwijl hij zijn ambtsstaf liet
zinken; "het spijt mij, dat ik mij tegen u verzetten moet; maar zijne
Majesteit is bezig met zaken leven en dood betreffende."

"En wij wenschten hem ook over zaken van leven en dood te spreken",
antwoordde Edith.--"Ik zal Uwe Majesteit toegang verschaffen." En
den kamerheer met de eene hand op zijde schuivende, vatte zij het
gordijn met de andere.

"Ik durf mij tegen den wil van hare Majesteit niet verzetten", zeide
de kamerheer, terwijl hij voor het geweld der schoone smeekende week;
en daar hij ter zijde trad, vond de Koningin zich verplicht om in
het vertrek van Richard te treden.

De monarch lag op zijn bed, en op korten afstand stond een man,
wiens beroep het niet moeielijk was te gissen, blijkbaar zijne
verdere bevelen afwachtende. Hij droeg een wambuis van rood laken,
dat ternauwernood tot onder de schouders reikte, en de armen omtrent
half weg boven den elleboog bloot liet, en tot bovenkleed had hij,
wanneer hij, gelijk thans, op het punt was om zijn vreeselijk ambt
te verrichten, een rok zonder mouwen, bijna gelijk aan dien van een
heraut, van bereid stierenleer gemaakt en van voren met menige breede
plek en spat van donker karmozijn bezoedeld. Het wambuis en de rok
daarover reikte tot aan zijn knieën, en de keusen of beenbekleedsels
waren van hetzelfde leder als de rok. Eene muts van ruw pluis strekte
om het bovenste gedeelte van een gelaat te verbergen, dat, gelijk
aan dat van een nachtuil, verlangde het licht te ontwijken--daar het
benedenste gedeelte ervan door een grooten rooden baard verdonkerd
werd, die zich met ruw haar van dezelfde kleur vermengde. Al de
trekken, die zichtbaar waren, hadden eene stuursche en menschenhatende
uitdrukking. De gestalte van den man was kort, sterk gebouwd met
een hals als een stier, zeer breede schouders, armen van een groote
en onevenredige lengte, en een grooten, vierkanten romp met dikke,
kromme beenen. Deze barbaarsche dienaar leunde op een zwaard, waarvan
de kling bijna vier en een halven voet lang was, terwijl het gevest
van twintig duim, omringd door een kring van looden kogeltjes, om
tegen het gewicht van zulk eene kling op te wegen, zich ver boven
het hoofd van den man verhief, terwijl zijn arm op den greep rustte,
de verdere bevelen van Koning Richard verbeidende.

Bij het plotseling binnentreden der dames wierp zich Richard, die
toen op zijn bed lag met het gelaat naar den ingang gekeerd, en op
zijn elleboog rustte, terwijl hij met zijn verschrikkelijken dienaar
sprak, haastig op de andere zijde, alsof hij verwonderd en misnoegd
was. Hij keerde dus der Koningin en de dames van haar gevolg den
rug toe, terwijl hij het dek over zich heen trok. Dit bestond naar
zijn eigen keus of waarschijnlijker door de vleiende keuze van zijne
kamerheeren, uit twee groote leeuwenhuiden, die in Venetië met zulk
eene bewonderenswaardige bekwaamheid waren bewerkt, dat zij zachter
schenen dan een reevel.

Berengaria, zooals wij haar beschreven hebben, kende wel haar weg
tot de zegepraal--en welke vrouw kent dien niet? Na een haastigen
blik van ongeveinsd en onbewimpeld afgrijzen voor den geduchten
metgezel der geheime raadslagen van haar gemaal, ijlde zij op eens
naar het bed van Richard, viel op hare knieën, wierp haar mantel
van hare schouders, en vertoonde hare lange gouden lokken, die in
hunne volle lengte nederhingen. Haar gelaat geleek de zon, die door
eene wolk breekt, en toch nog op haar voorhoofd blijken draagt, dat
haar glans verduisterd is geweest. Zij greep de rechterhand van den
Koning, die zijne gewone ligging hernemende, bezig geweest was om
het dek terecht te trekken. Zij trok die met eene kracht, waaraan,
hoewel zwak, weerstand werd geboden, en stelde zich op die wijze in
het bezit van dien arm, den steun van het Christendom, en den schrik
van het heidendom, omvatte dien met hare beide schoone handjes,
boog haar voorhoofd er over heen, en drukte ze aan hare lippen.

"Waartoe dient dit, Berengaria?" vroeg Richard, zijn hoofd nog altijd
afgewend, maar zijne hand in hare macht latende.

"Zend dien man weg--zijn blik doodt mij", zeide Berengaria zachtjes.

"Vertrek, kerel", zeide Richard zonder nog om te zien--"waar wacht
gij op? Zijt gij een mensch om naar deze dames te zien?"

"Het welgevallen van uwe Majesteit omtrent het hoofd?" vroeg de man.

"Pak u weg, hond!" antwoordde Richard--"eene christelijke begrafenis!"

De man verdween, na een blik op de schoone Koningin in hare
verwaarloosde kleeding en natuurlijke bekoorlijkheid geworpen te hebben
met een glimlach van verwondering, die op zijn gelaatsuitdrukking
nog afschuwelijker was, dan zijn gewone norsche blik van lagen haat
tegen het menschelijk geslacht.

"En nu, kleine zottin, wat wenscht gij?" vroeg Richard, terwijl hij
zich langzaam en half onwillig naar de smeekende Koningin wendde.

Maar het was niemand mogelijk en allerminst een bewonderaar van
schoonheid, als Richard, die boven deze slechts aan den roem een
hoogeren rang toekende, om zonder aandoening op het gelaat en den
angst van zulk een schoon wezen als Berengaria te staren, of zonder
medelijden te voelen, dat hare lippen, haar voorhoofd op zijne
hand lagen, en dat deze door hare tranen bevochtigd werd. Langzaam
keerde hij zijn mannelijk gelaat naar haar toe, met de zachtste
uitdrukking, waartoe zijn groot, blauw oog, dat zoo dikwijls met een
onwederstaanbaar licht schitterde, in staat was. Hare schoone hand
kussende, en met zijne breede vingers in hare sierlijke, loshangende
lokken woelende, lichtte hij het engelachtig gelaat, dat zich in zijne
hand scheen te willen verbergen, op en kuste het teeder. De gespierde
gedaante, het breede, edele voorhoofd en de majestueuse blikken, de
bloote arm en schouder, de leeuwenhuiden, waarmede hij bedekt was,
en de schoone, zwakke vrouw die naast hem knielde, kon dienen voor
een model van Hercules, zich na een twist met zijne vrouw Dejanira
verzoenende.

"Nog eens, wat zoekt de dame van mijn hart in de tent van haar ridder,
op dit vroegtijdig en ongewoon uur?"

"Vergiffenis, mijn allergenadigste Koning, vergiffenis", antwoordde de
Koningin, wier vrees haar wederom voor den plicht van bemiddelaarster
begon ongeschikt te maken.

"Vergiffenis! waarvoor?" vroeg de Koning.

"Vooreerst, omdat ik te vermetel en onbezonnen in uwe Koninklijke
tegenwoordigheid getreden ben...."

Zij bleef steken.

"Gij te vermetel!--even goed kon de zon vergiffenis vragen, omdat
hare stralen door de vensters van het een of ander ellendig verblijf
drongen. Maar ik was met een werk bezig, dat niet voor uw bijzijn
paste, mijne lieve, en ik wilde bovendien niet, dat gij uwe kostbare
gezondheid zoudt wagen op eene plaats, waar de ziekte nog zoo kort
geleden heerschte."

"Maar gij zijt thans hersteld", zeide de Koningin, nog steeds de
mededeeling uitstellende, die zij vreesde te doen.

"Herstel genoeg om eene lans te breken tegen den stouten ridder, die
zou durven weigeren, om u voor de schoonste vrouw in het Christendom
te verklaren."

"Gij zult mij dan eene gift niet weigeren--slechts ééne--slechts één
gering leven?"

"Ha!--ga voort", zeide Koning Richard, zijn voorhoofd fronsende.

"Deze ongelukkige Schotsche ridder...." begon de Koningin.

"Spreek niet van hem, mevrouw", antwoordde Richard norsch; "hij
sterft--zijn vonnis is geveld."

"Neen, mijn koninklijke en hartelijk geliefde gemaal, het is slechts
eene zijden banier, die hij verwaarloosd heeft. Berengaria zal er u
eene andere geven, die met hare eigen hand geborduurd is, en zoo rijk
als er ooit eene in den wind fladderde. Iedere parel, die ik in mijn
vermogen heb, zal die versieren, en bij elke parel zal ik eene traan
van dankbaarheid voor mijne edelmoedigen ridder plengen."

"Gij weet niet wat gij zegt", viel de Koning haar driftig in
de rede.--"Paarlen! kunnen alle paarlen van het Oosten eene
smet uitwisschen op Engelands eer--alle tranen, die ooit het oog
zijner vrouw vergoot, eene vlek afwasschen op Richard's roem?--Ga,
mevrouw! ken uwe plaats, uw tijd en uw kring. Voor het tegenwoordige
hebben wij plichten, waarin gij niet kunt deelen.

"Gij hoort het, Edith", fluisterde de Koningin, "wij zullen hem
slechts toornig maken."

"Het zij zoo", sprak Edith, naar voren tredende.--"Mylord--ik, uwe arme
bloedverwante, smeek u om gerechtigheid, veeleer dan genade; en voor
de luide stem der rechtvaardigheid moesten de ooren van een Monarch
ten allen tijde, op elke plaats en in iedere omstandigheid open staan."

"Ha! onze nicht Edith?" zeide Richard, overeind op de zijde van zijn
bed gaande zitten, en gedekt door zijn lang gewaad--"zij spreekt
altijd koninklijk, en koninklijk zal ik haar altijd antwoorden,
indien zij geen verzoek brengt, dat harer of mijner onwaardig is."

Do schoonheid van Edith was van een meer geestelijken en minder
zinnelijken aard, dan die van de Koningin; maar het ongeduld en de
angst hadden aan haar gelaat een glans gegeven, die somtijds er aan
ontbrak, en haar voorkomen had een karakter van krachtige waarheid, die
voor een oogenblik stilzwijgen oplegde aan Richard zelven, die, naar
zijne blikken te oordeelen, haar gaarne in de rede zou gevallen zijn.

"Mylord", zeide zij, "deze goede ridder, wiens bloed gij op het punt
zijt te vergieten, heeft in zijn tijd diensten aan het Christendom
bewezen. Hij is in zijn plicht te kort gekomen door een strik, die
hem uit louter dwaasheid en ijdelheid van geest gespannen werd. Eene
boodschap, die hem in den naam van eene vrouw gezonden werd,--waarom
zou ik het niet zeggen?--het was in den mijnen--bewoog hem voor een
oogenblik zijn post te verlaten.--En welk ridder in het Christen
leger zou niet in dezelfde mate gezondigd hebben op bevel van eene
maagd, die, hoe arm ook in alle andere opzichten, toch het bloed van
Plantagenet in hare aderen heeft?"

"En gij hebt hem dus gezien, nicht?" hernam de Koning, zich op de
lippen bijtende, om zijne drift te onderdrukken.

"Dat heb ik, mijn Koning", antwoordde Edith. "Het is geen tijd om
te verklaren, waarom.--Ik ben hier noch om mij te verontschuldigen,
noch om anderen te beschuldigen."

"En waar beweest gij hem zulk eene gunst?"

"In de tent van hare Majesteit de Koningin."

"Van onze koninklijke gemalin!" riep Richard. "Nu, bij den Hemel, bij
St. George van Engeland, en iederen heilige, die den hemel bewoont,
dit is te vermetel! Ik heb de onbeschaamde bewondering van dezen
aanmatigenden krijgsman voor eene jonkvrouw, die zoo ver boven hem
was, opgemerkt en over het hoofd gezien, en ik misgunde het hem niet,
dat eene van mijn bloed uit hare hooge sfeer zulk een invloed op hem
uitoefende, als de zon aan de aarde beneden haar schenkt.--Maar hemel
en aarde! dat gij hem in den nacht en in de tent van onze Koninklijke
gemalin een bijeenkomst gaaft!--en dit voor eene verontschuldiging
van zijne ongehoorzaamheid en het verlaten van zijn post durft
aanvoeren! Bij de ziel van mijn vader! Edith, dit zult gij uw leven
lang in een klooster betreuren!"

"Mijn Koning", zeide Edith, "uwe grootheid geeft u geen recht op
dwingelandij. Mijne eer, heer en Koning, is even weinig gekrenkt
als de uwe, en mevrouw de Koningin kan dit getuigen, zoo het haar
behaagt.--Maar ik heb reeds gezegd, dat ik niet hier ben om mij te
verontschuldigen, of anderen te beschuldigen.--Ik verzoek u slechts
om tot een man, wiens misslag onder groote verzoeking bedreven werd,
die genade uit te strekken, waarom gij zelf, mijn Koning, eens bij
die hoogere rechtbank en misschien voor minder vergeeflijke zonden
smeeken moet."

"Kan dit Edith Plantagenet zijn?" riep de Koning bitter,--"Edith
Plantagenet, de wijze en edele!--of is het de eene of andere van
liefde zieke vrouw, die zich om haar eigen roem bekommert ter wille
van het leven van haar minnaar. Nu, bij de ziel van Koning Hendrik! het
scheelt weinig, of ik beveel, dat men het doodshoofd van uw lieveling
van de galg haalt, en als een eeuwigdurend sieraad naast het kruis
in uwe cel plaatst!"

"En al laat gij het van de galg voor altijd voor mijne oogen
plaatsen", hernam Edith, "dan zal ik nog steeds zeggen, dat het
de reliquie is van een goed ridder, die wreed en onwaardig ter
dood gebracht is door"--hier bedwong zij zich--"door iemand, van
wien ik alleen zeggen zal, dat hij de ridderschap beter had moeten
weten te beloonen.--Lieveling noemt gij hem?" vervolgde zij met
toenemende hevigheid; "hij was inderdaad mijn minnaar, en wel een zeer
getrouwe--maar nooit zocht hij door woord of blik mijne gunst--daar
hij tevreden was met den nederigen eerbied, dien men aan de heiligen
betoont--en de goede--de dappere--de getrouwe moet hiervoor sterven!"

"O zwijg, zwijg, om Gods wil", fluisterde de Koningin, "gij beleedigt
hem nog meer."

"Ik bekommer er mij niet om", zeide Edith, "de vlekkelooze maagd vreest
den woedenden leeuw niet. Laat hem zijn wil aan dezen waardigen ridder
voltrekken. Edith, voor wie hij sterft, zal zijne gedachtenis weten te
beweenen--tegen mij zal niemand meer van staatkundige verbintenissen
spreken, die met deze arme hand moeten bevestigd worden. Ik kon--ik
wilde zijne bruid bij zijn leven niet geweest zijn--de afstand tusschen
ons was te groot. Maar de dood vereenigt de hoogen en lagen.--Ik ben
van nu af de echtgenoote van den doode."

De Koning was op het punt om driftig te antwoorden, toen een Karmeliter
monnik haastig het vertrek binnen trad, zijn hoofd en lichaam in het
grove gewaad gewikkeld, dat zijne orde onderscheidde; en zich voor
den Koning op de knieën werpende, smeekte hij hem door alle heilige
woorden en teekens, de straf op te schorten.

"Bij mijn zwaard en mijn scepter!" riep Richard, "de wereld heeft
zich verbonden, om mij razend te maken!--gekken, vrouwen en monniken
verhinderen mij bij elke schrede. Hoe komt het, dat hij nog leeft?"

"Mijn genadige Koning", antwoordde de monnik, "ik verzocht den lord
van Gilsland, om de straf op te schorten, tot dat ik mij voor uwe
koninklijke...."

"En hij was gewillig genoeg, om u uw verzoek in te willigen", viel
de Koning hem in de rede; "maar dat is weder een trek van zijne
gewone stijfhoofdigheid.--En wat hebt gij mij te zeggen? Spreek,
in des duivels naam!"

"Mylord, er is een gewichtig geheim--maar het rust onder het zegel van
den biecht--ik durf het niet zeggen of zelfs niet fluisteren--maar
ik zweer u bij mijne heilige orde--bij het kleed dat ik draag,--bij
den heiligen Elia, onzen stichter, denzelfden die ten hemel gevoerd
werd, zonder het gewone lijden der sterfelijkheid te gevoelen--dat
deze jongeling mij een geheim ontdekt heeft, dat, zoo ik het u mocht
toevertrouwen, uw geheel van uw bloedig voornemen ten zijnen opzichte
zou afbrengen."

"Goede vader", antwoordde Richard, "dat ik de kerk eerbiedig, dit
getuigen de wapenen, die ik thans om harentwille draag. Deel mij
van dit geheim mede, en ik zal doen, wat mij in de zaak gepast zal
schijnen. Maar ik ben geen blinde Bayard, om, door priestersporen
aangezet, een sprong in het duister te doen."

"Mylord", hernam de heilige man, zijn kap en zijn mantel terugslaande,
en onder deze een gewaad van geitenvel ontblootende, en van onder
de eerste een gelaat, zoo zeer door klimaat, vasten en boetedoening
vermagerd, dat het veeleer op de verschijning van een levend geraamte
dan op een menschengezicht geleek; "gedurende twintig jaren heb ik dit
ellendig lichaam in de holen van Engaddi gefolterd, om eene groote
misdaad te boeten. Denkt gij, dat ik, die voor de wereld dood ben,
een leugen zou bedenken, om mijne eigen ziel in gevaar te brengen, of
dat een man, die door de heiligste eeden tot het tegendeel verbonden
is--een man, die, gelijk ik, slechts één vurigen aardschen wensch
meer heb, namelijk, de wederopbouwing van ons christelijk Sion,
de geheimen van den biechtstoel zou verraden? Beiden verfoei ik met
mijne geheele ziel."

"Dus", hervatte de Koning, "zijt gij die kluizenaar, van wien men
zooveel spreekt? Gij gelijkt, dit erken ik, vrij wel op die geesten,
die op woeste plaatsen rondwaren, maar Richard vreest geen spoken--en
gij zijt ook, als ik mij wel herinner diegene dien Christen Vorsten
dezen zelfden misdadiger gezonden hebben, om eene onderhandeling
met den Sultan aan te knoopen, terwijl ik, die eerst had moeten
geraadpleegd worden, op mijn ziekbed lag. Gij en zij kunnen u thans
met elkander tevreden stellen. Ik wil mijn hals niet in den strik
van een Karmeliter gordel steken.--En wat dezen afgezant betreft,
hij zal sterven te zekerder en te eerder, daar gij voor hem smeekt."

"Nu, zoo moge God u genadig zijn, heer Koning!" riep de kluizenaar
met groote aandoening--"gij richt een onheil aan, dat gij later zult
wenschen verhinderd te hebben, al had het u ook een lid van uw lichaam
gekost. Roekeloos verblind man, laat af!"

"Weg, weg!" riep de Koning, met den voet stampende, "de zon is over de
schande van Engeland opgegaan, en die is nog niet gewroken!--Vrouwen
en priester verwijdert u, zoo gij geen bevelen wilt hooren, die u
niet zouden behagen, want ik zweer bij St. George...."

"Zweer niet!" riep de stem van iemand, die zoo even in de tent
getreden was.

"Ha, mijn geleerde Hakim", zeide de Koning, "die, naar ik hoop komt
om onze edelmoedigheid op de proef te stellen."

"Ik kom om dadelijk een gesprek met u te houden--oogenblikkelijk en
over zaken van groot belang."

"Ziehier eerst mijne vrouw, Hakim, en laat haar in u den redder van
haar gemaal leeren kennen."

"Het betaamt mij niet", zeide de geneesheer, zijne armen met een
voorkomen van Oostersche zedigheid en eerbied kruisende en zijne
oogen naar den grond slaande--"het betaamt mij niet, eene ongesluierde
schoone te aanschouwen, die met haar glans gewapend is."

"Verwijder u dan, Berengaria," zeide de monarch; "en gij, Edith,
verwijder u ook; neen, vernieuwt uw lastig smeeken niet! Ik zal
die in zoover verhooren, dat de strafoefening niet voor den vollen
middag plaats hebben zal. Ga en wees stil--dierbaarste Berengaria. Ga,
Edith", voegde hij er bij met een blik, die zelfs in de moedige ziel
van zijne bloedverwanten schrik stortte, "ga, zoo gij verstandig zijt."

De vrouwen verwijderden zich of veeleer ijlden uit de tent, rang
en ceremonie vergetende, bijna zoo als een vlucht wilde vogels door
elkander stuift, waarop de valk een aanval heeft gedaan.

Zij keerden van daar naar de tent der Koningin terug, om zich even
vruchteloos aan droefheid en verwijten over te geven. Edith was de
eenige, die deze gewone uiting van smart scheen te verachten. Zonder
een zucht, zonder een verwijtend woord betoonde zij der Koningin haar
dienst, terwijl deze, tengevolge van haar zwak karakter, hare smart
in hevige hysterische kramptrekkingen en driftige hypochondrische
ontboezemingen deed hooren, gedurende welke Edith zich zorgvuldig en
zelfs liefderijk met haar bezig hield.

"Het is onmogelijk, dat zij dezen ridder bemind heeft," zeide Florise
tegen Calista, de oudste kamerjuffer der Koningin. "Wij hebben ons
vergist; zijn lot doet haar slechts aan, als dat van een vreemdeling,
die om harentwil in ongelegenheid is geraakt."

"Neen, neen," antwoordde hare meer ervaren en opmerkzame
mededienaresse; "zij is van dat trotsche huis van Plantagenet dat nooit
bekennen wil, dat hart bedroefd is. Terwijl zij zelve wegbloedden
onder eene doodelijke wonde, heeft men gezien, dat zij de schrammen
van hunne weekhartiger makkers verbonden.--Florise, wij hebben groot
onrecht gedaan; en ik wilde gaarne al mijne juweelen er voor geven,
dat ik onze noodlottige scherts ongedaan kon maken."



HOOFDSTUK XVIII.

                    Dit werk vereischt den invloed der planeten,
                    Van Jupiter en Sol; doch deze geesten
                    Zijn eigenzinnig trotsch. Het is een zware taak
                    Hen van 't bestuur te trekken hunner sferen
                    Om stervelingen hunne zorg te wijden.

                                                              Albumazar.


De kluizenaar volgde de dames uit Richard's tent, gelijk de schaduw
een zonnestraal volgt, wanneer de wolken voor het gelaat der zon
drijven. Maar hij keerde zich op den drempel om, en strekte zijne hand
in waarschuwende, of veeleer dreigende houding naar den Koning uit,
terwijl hij zeide: "Wee hem, die den raad der Kerk verwerpt, en zijne
toevlucht tot de goddelooze vergadering der ongeloovigen neemt. Koning
Richard, ik schud het stof nog niet van mijne voeten, en vertrek
nog niet uit uwe legerplaats--het zwaard valt niet--maar het hangt
slechts aan een haar.--Trotsche monarch, wij ontmoeten elkander weder."

"Het zij zoo, trotsche priester," antwoordde Richard, "trotscher in
uw geitenvel dan Vorsten in purper en fijn linnen."

De kluizenaar verliet de tent en de Koning wendde zich toen tot
den Arabier: "Zijn de dervischen van het Oosten, wijze Hakim, even
gemeenzaam jegens hunne vorsten?"

"De dervisch," antwoordde Adonbec, "moet òf een wijze òf een gek zijn;
er is geen middelweg voor hem, die de khirkhah [5] draagt, des nachts
waakt, en des daags vast. Van daar heeft hij òf wijsheid genoeg om zich
in de tegenwoordigheid van vorsten bescheiden te gedragen, òf, zoo hij
geen verstand bezit, is hij voor zijne daden niet verantwoordelijk."

"Mij dunkt, onze monniken hebben hoofdzakelijk het laatste karakter
aangenomen," hernam Richard.--"Maar ter zake.--Waarin kan ik u dienen,
mijn geleerde arts?"

"Groote Koning," antwoordde El Hakim, zijne diepe Oostersche buiging
makende, "laat uw dienaar één woord spreken, en toch leven. Ik wilde
u herinneren, dat gij niet aan mij, haar gering werktuig--maar aan
de machten, wier weldaden ik aan de stervelingen uitdeel, een leven
te danken hebt...."

"En ik sta er voor in, dat gij een ander tot vergelding wilt hebben,
niet waar?" viel de Koning hem in de rede.

"Dit is mijn nederig verzoek," zeide Hakim, "bij den grooten Melec
Ric--en wel het leven van dezen goeden ridder, die ter dood gedoemd
is, en dat slechts om eene schuld, gelijk die, welke Sultan Adam,
bijgenaamd Abulbeschar, of vader van alle menschen beging."

"En uwe wijsheid moest u herinneren, Hakim, dat Adam daarvoor stierf,"
hervatte de Koning eenigszins norsch, en toen doorliep hij de enge
ruimte van zijne tent met eenige aandoening en zeide daarop bij
zichzelven: "Rechtvaardige God--ik wist, wat hij begeerde, zoodra
hij de tent binnentrad!--Hier is één armzalig leven, dat met alle
rechtvaardigheid ter dood veroordeeld is, en ik, een koning en
krijgsman, die duizenden op mijn bevel heb doen ter dood brengen,
en eene menigte met mijne eigen hand gedood heb, ik zal geene macht
daarover hebben, ofschoon de eer van mijne wapenen, mijn huis, mijne
gemalin zelve door den misdadiger geschonden is.--Bij St. George
het doet mij lachen.--Bij St. Lodewijk het doet mij denken aan
Blondel's verhaal van een betooverd kasteel, waar de door het
noodlot vervolgde ridder achtereenvolgens in het binnentreden
verhinderd werd door de allerongelijksoortigste gedaanten en
verschijningen, maar die allen vijandig tegen zijne onderneming
waren. Nauwelijks was de eene verdwenen, of er verscheen eene
andere!--Echtgenoote--Bloedverwante--Kluizenaar--Geneesheer--ieder
van dezen verschijnt in het strijdperk, zoodra de ander verslagen
is!--Wel dit is een enkel ridder, die tegen de geheele menigte van
het toernooi strijdt--ha! ha! ha!"--en Richard lachte luid; want
hij was inderdaad begonnen van luim te veranderen, daar zijn toorn
gewoonlijk te hevig was, om lang te kunnen duren.

De geneesheer zag hem intusschen met een blik vol verbazing aan,
die niet vrij van minachting was, want de Oosterlingen dulden deze
kwikzilverachtige veranderingen van luim niet, en beschouwen een luid
gelach, bijna bij elke gelegenheid, als beneden de waardigheid van
een man, en als alleen aan vrouwen en kinderen passende. Eindelijk
wendde de wijze zich tot den Koning, toen hij dezen kalmer zag.

"Een doodvonnis moet over geen lachende lippen komen.--Laat uw dienaar
hopen, dat gij hem het leven van dezen man geschonken hebt."

"Neem de vrijheid van duizend slaven in zijne plaats," zeide Richard;
"schenk zoo veel van uwe landslieden aan hunne tenten en huisgezinnen
terug, en ik zal het bevel daartoe terstond uitvaardigen. Het leven
van dezen man kan u niets baten; het is verbeurd."

"Het leven van ons allen is verbeurd," hernam Hakim, de hand aan
zijne muts slaande. "Maar de groote schuldeischer is barmhartig,
en vordert het pand niet gestreng of ontijdig."

"Gij kunt mij niet bewijzen dat gij zelf eenig belang hebt," zeide
Richard, "om middelaar te worden tusschen mij en de voltrekking der
gerechtigheid, die ik als gekroond Koning bezworen heb."

"Gij hebt gezworen, zoowel om genade uit te deelen als recht," hervatte
El Hakim, "maar wat gij zoekt, groote Koning, is de vervulling van uw
eigen wil. En wat mijn belang bij dit verzoek betreft, verneem, dat het
leven van menig mensch er van afhangt, dat gij mij deze gunst schenkt."

"Verklaar uwe woorden," zeide Richard; "maar denk niet, dat gij mij
door valsche voorwendsels om den tuin kunt leiden."

"Dit zij verre van uw dienaar," hernam Adonbec, "Gij moet dan weten,
heer Koning, dat het geneesmiddel, waaraan gij en vele anderen hun
herstel te danken hebben, een Talisman is, die onder zekere aspecten
van den hemel is vervaardigd, wanneer de goddelijke machten het
gunstigst zijn. Ik ben slechts de arme uitdeeler van zijne kracht. Ik
doop het in een beker water, neem het geschikte uur in acht, om het
den lijder te geven, en de macht van den drank bewerkt de genezing."

"Eene zeer zonderlinge artsenij," zeide de Koning, "en tevens zeer
gemakkelijk! en daar de geneesheer die in zijne beurs kan dragen, zoo
kan hij de geheele karavaan van kameelen besparen, die noodig zijn om
drogerijen en heelende kruiden mede te brengen.--Het verwondert mij,
dat er nog eene andere in gebruik is."

"Er staat geschreven," antwoordde Hakim met onverstoorbaren ernst,
"mishandel het paard niet, dat u uit den slag gedragen heeft. Weet,
dat zulke Talismans wel konden gemaakt worden, maar dat het aantal
ingewijden klein is geweest, die de aanwending van hun kracht
hebben durven beproeven. Strenge onthoudingen, moeilijke oefeningen,
vasten en boete zijn noodig van den kant van den wijze, die van deze
soort van genezing gebruik maakt; en zoo hij door verzuim van deze
voorbereidingen, door zijne liefde voor gemak, of zijne bevrediging
van zinnelijke lusten nalaat, om steeds in den tijd van eene maand ten
minste twaalf personen te genezen, dan gaat de kracht van de goddelijke
gave van het amulet verloren, en zoowel de laatste patiënt als de
geneesheer zullen spoedig daarna aan een ongeluk blootgesteld zijn,
en geen van beide zal het dan overleven. Ik heb nog één leven noodig,
om het getal vol te maken."

"Ga in het leger, goede Hakim, waar gij er eene menigte zult
vinden," hernam de Koning; "en tracht niet mijn scherprechter van
zijne patiënten te berooven; het past niet aan een geneesheer zoo
voortreffelijk als gij, om zich in de practijk van een anderen
te mengen.--Bovendien kan ik niet inzien, hoe het bevrijden van
een misdadiger van den dood, dien hij verdient, het getal van uwe
wonderkuren zou kunnen volmaken."

"Wanneer gij aantoonen kunt, hoe een dronk koud water u genezen heeft,
terwijl de kostbaarste artsenijen krachteloos waren," zeide Hakim,
"dan moogt gij over de andere geheimen, die met deze zaak verbonden
zijn, redeneeren. Wat mij betreft, ik ben ongeschikt tot het groote
werk, daar ik dezen morgen een onrein dier aangeraakt heb. Doe dus
geen verdere vragen; het is genoeg, dat gij, groote Koning, door het
leven van dezen man op mijn verzoek te sparen, u zelven en uw dienaar
van een groot gevaar zult verlossen."

"Luister, Adonbec," hervatte de Koning; "ik heb er niets tegen, dat
de geneesheeren hunne woorden in het duister hullen, en voorgeven
kennis uit de sterren te trekken; maar, wanneer gij meent Richard
Plantagenet bevreesd te maken voor een onheil, dat hem uit een kwaad
voorteeken of eene verzuimde plechtigheid zou overkomen, dan schijnt
gij uit het oog te verliezen, dat gij niet tot een onkundigen Sakser
of eene zwakke oude vrouw spreekt, die van haar voornemen afziet,
omdat een haas over den weg loopt, een raaf krast, of eene kat niest."

"Ik kan u niet beletten om aan mijne woorden te twijfelen," hernam
Adonbec; "maar gesteld, mijn Koning en heer waren verzekerd, dat er
waarheid op de tong van zijn dienaar lag--zal hij het dan voor billijk
houden om de wereld en elken ellendige, die aan de smarten lijdt,
die hem nog zoo kort geleden op dit leger ketenden, van de weldaad
van dezen allerkrachtigsten Talisman te berooven, liever dan zijne
vergiffenis tot een armen misdadiger uit te strekken? Bedenk, heer
Koning, dat, ofschoon gij duizenden kunt verslaan, gij niet aan één de
gezondheid kunt terugschenken. De Koningen hebben de macht des satans
om te kwellen, de wijzen die van Allah om te genezen--wacht u, om het
goede jegens het menschdom te verhinderen, dat gij zelf niet bewijzen
kunt. Gij kunt het hoofd afhouwen, maar niet eens tandpijn genezen."

"Dit is al te onbeschaamd," riep de Koning uit, die zich verhardde,
naarmate Hakim een hoogeren en bijna bevelenden toon aannam. "Wij
hebben u voor onzen geneesheer, en niet voor onzen raadsman of
gewetensraad genomen."

"En is het op deze wijze dat de beroemdste Vorst van Frangistan
eene weldaad, die aan zijn koninklijken persoon bewezen werd,
vergeldt?" zeide El Hakim, de ootmoedige, gebogen houding, waarin hij
tot hiertoe den Koning gesmeekt had, in eene trotsche en gebiedende
veranderende. "Verneem dan, dat ik bij ieder hof van Europa en
Azië--bij Muzelman en Nazareër--bij ridder en dame--waar de harp
zich hooren laat en de zwaarden gedragen worden--in ieder oord van de
wereld u, Melec Ric, als ondankbaar en onedelmoedig zal beschuldigen;
en zelfs de landen--indien er nog zoodanige zijn--die nooit van uwen
roem gehoord hebben, zullen met uwe schande bekend worden!"

"Zijn dat woorden tegen mij, lage ongeloovige!" riep Richard, woedend
op hem los gaande.--"Zijt gij het leven moede?"

"Sla toe!" zeide El Hakim, "uwe eigen daad zal u dan uwe
nietswaardigheid duidelijker doen gevoelen, dan mijne woorden, al
had ook ieder daarvan den angel van een wesp."

Richard wendde zich woest van hem af, kruiste zijne armen, liep weder
door de tent, en riep toen uit: "Ondankbaarheid en onedelmoedig!--even
goed mocht men mij lafhartig en ongeloovig noemen!--Hakim, gij
hebt uw loon gekozen; en ofschoon ik liever had, dat gij mijne
kroonjuweelen gevraagd had, zoo mag ik echter als Koning u dat loon
niet weigeren. Neem dezen Schot dus onder uwe bewaring--de provoost
zal u hem tegen dit bevelschrift overgeven."

Hij schreef haastig een paar regels en gaf die aan den
geneesheer. "Gebruik hem als uw slaaf, en beschik naar uw goedvinden
over hem--laat hij er zich alleen voor wachten, weder vóór Richard's
oogen te verschijnen. Luister--gij zijt verstandig--hij heeft zich
al te vermetel gedragen jegens diegenen, aan wier schoone blikken en
zwak oordeel wij onze eer vertrouwen, zoo als gij in het Oosten uwe
schatten in vazen van zilverdraad bewaart, die zoo fijn en breekbaar
zijn als het weefsel der herfstdraden."

"Uwe dienaar verstaat het woord des Konings," hervatte de wijze,
op eens den eerbiedigen toon hernemende, waarmede hij het gesprek
begonnen had. "Wanneer het rijke tapijt bemorst is, wijst de dwaas
op de vlek--maar de wijze bedekt die met zijn mantel. Ik heb het
welbehagen van mijn heer en meester gehoord, en hem hooren is hem
gehoorzamen."

"Het is goed," zeide de Koning; "laat hij voor zijne veiligheid zorgen,
en nooit weder in mijne tegenwoordigheid verschijnen.--Is er nog iets,
waarin ik u van dienst kan zijn?"

"De goedheid des Konings heeft mijn kelk tot aan den rand gevuld"
antwoordde de wijze; "ja zij is overvloedig geweest, gelijk de fontein,
die te midden van het leger der kinderen Israëls ontsproot, toen de
rots getroffen werd door den staf van Moussa Ben Amran."

"Ja maar," hernam de Koning glimlachend, "het vorderde, even als in
de woestijn, een harden slag tegen de rots, eer deze hare schatten
schonk. Ik wenschte, dat ik iets wist, waarmede ik u genoegen kon
doen, dat ik u zoo vrijwillig schenken mocht, als de natuurlijke
fontein hare wateren geeft."

"Laat ik deze zegepralende hand aanraken," zeide de wijze, "ten teeken
dat, zoo Adonbec El Hakim in het vervolg eene gunst van Richard van
Engeland vraagt, hij zich op zijne belofte beroepen kan."

"Vriend, hier hebt gij hand en handschoen daarop," hervatte Richard
"slechts dan, wanneer gij uw getal patiënten behoorlijk vol maken
kunt zonder van mij te vorderen, dat ik hen, die in mijne macht zijn,
van de verdiende straf bevrijde, zou ik liever mijne schuld onder
een anderen vorm betalen."

"Mogen uwe dagen vermenigvuldigd worden," antwoordde El Hakim en
verliet het vertrek na de gewone diepe buiging. Koning Richard staarde
hem na, terwijl hij heenging, alsof hij slechts half tevreden was
met het voorgevallene.

"Eene zonderlinge hardnekkigheid," zeide hij, "bij dezen Hakim, en
een wonderbaar toeval dat hij als middelaar tusschen dezen vermetelen
Schot en zijne zoo wel verdiende straf moet treden. Doch, laat hij
leven! Dan is er een braaf man meer in de wereld.--En nu de beurt
van den Oostenrijker.--Hola, is de baron van Gilsland daarbuiten?"

Sir Thomas de Vaux aldus opgeroepen, verdonkerde spoedig met zijn
breede gestalte de opening van de tent, terwijl achter hem als een
spook de woeste gedaante van den kluizenaar van Engaddi, in zijn
mantel van geitenvel gewikkeld, binnentrad zonder aangediend te zijn,
maar nochtans zonder dat iemand zich daartegen verzette.

Richard, zonder op diens tegenwoordigheid acht te slaan, riep den baron
met luide stem toe: "Sir Thomas de Vaux, van Lanercost en Gilsland,
neem trompet en heraut, en begeef u dadelijk naar de tent van hem, dien
men den Aartshertog van Oostenrijk noemt, en zorg, dat dit geschiede,
terwijl de drom van ridders en vasallen zoo groot mogelijk is,--gelijk
thans waarschijnlijk het geval zal zijn, want het Duitsche zwijn
ontbijt, eer hij ter mis gaat. Treed in zijne tegenwoordigheid met den
minstmogelijken eerbied, en beschuldig hem, uit naam van Richard van
Engeland, dat hij dezen nacht met eigen hand of door die van anderen
de banier van Engeland van haar staf gestolen heeft. Breng hem mijn
eisch, dat hij binnen één uur na deze aanzegging genoemde banier met
allen eerbied teruggeve--terwijl zijne voornaamste barons met ontbloot
hoofd en zonder eerekleederen daarbij tegenwoordig zijn.--En dat hij
daarenboven aan den eenen kant zijne eigen Oostenrijksche banier het
onderste boven steke, als door diefstal en trouweloosheid onteerd
zijnde, en aan den anderen eene lans met het bloedige hoofd van
dengene, die zijn voornaamste raadsman of medestander in deze lage
beleediging geweest is.--En zeg, dat zoo deze onze bevelen stiptelijk
worden nagekomen, wij om onze gelofte en het welzijn van het heiligste
Land zijne andere snoode daden zullen vergeven."

"En zoo de Hertog van Oostenrijk alle deel aan dezen daad van
lafhartigheid en trouweloosheid ontkent?" vroeg Thomas de Vaux.

"Zeg hem," hervatte de Koning, "dat wij dit op zijn lichaam zullen
bewijzen--ja, al ware hij door twee zijner dapperste kampioenen
gedekt. Ridderlijk zullen wij dit bewijzen, te voet of te paard,
in de woestijn of in het veld, tijd, plaats en wapenen, alles ter
zijne eigene keuze."

"Denk, mijn Koning," zeide de baron van Gilsland, "aan den vrede Gods
en der Kerk, die gesloten is tusschen de vorsten, welk zich tot dezen
heiligen kruistocht verbonden hebben."

"Overleg hoe gij mijne bevelen zult ten uitvoer brengen, heer vasal,"
antwoordde Richard ongeduldig. "Mij dunkt, de menschen verwachten,
dat zij ons met hun adem van ons voornemen kunnen afbrengen, even als
kinderen veêren heen en weer blazen.--Vrede van de kerk!--Wie stoort
zich daaraan, bid ik u?--De vrede van de kerk onder kruisvaarders
sluit oorlog tegen de Sarraceenen in zich, met wie de vorsten een
wapenstilstand gesloten hebben, en de eene eindigt met den anderen. En
bovendien, ziet gij niet, hoe ieder der vorsten zijn eigen verschillend
doel zoekt te bereiken?--Ik wil het mijne ook zoeken--en dat is de
eer. Om de eer kwam ik herwaarts, en zoo ik die niet op de Sarraceenen
behalen kan, zoo wil ik toch geen jota van den mij verschuldigden
eerbied aan dezen armzaligen Hertog verliezen, al werd hij ook door
alle Vorsten van den kruistocht beschermd en gerugsteund."

De Vaux keerde zich om, ten einde des Konings last te volbrengen,
terwijl hij tevens de schouders ophaalde, daar de rondheid van zijn
karakter niet in staat was te verbergen, dat de inhoud met zijn
oordeel streed. Maar de kluizenaar van Engaddi trad voorwaarts en
nam het voorkomen aan van een man, wien hoogere bevelen dan die
van een bloot aardschen machthebber zijn gegeven. Werkelijk deden
zijne kleeding van ruige vellen, zijn ongekamd, wild neerhangend
haar en baard, zijne magere, woeste en zenuwachtige trekken, en het
bijna krankzinnige vuur, dat van onder zijne borstelige wenkbrauwen
fonkelde, hem sterk gelijken naar de voorstelling van een profeet uit
de heilige Schrift, die, met een hooge zending aan de zondige Koningen
van Juda of Israël belast, was nedergedaald van de rotsen en holen,
waar hij in afgetrokken eenzaamheid woonde, om de tirannen der aarde
te midden van hun hoogmoed te vernederen, door de vernietigende
aankondiging der majesteit Gods over hem uit te storten zooals de
wolk de bliksemstralen, waarmede zij is gevuld, op de tinnen en torens
van kasteelen en paleizen uitstort. Te midden van zijne onstuimigste
gemoedsgesteldheid, eerbiedigde Richard de kerk en hare dienaars;
en ofschoon hij over het indringen van den kluizenaar in zijne tent
gebelgd was, groette hij hem eerbiedig, tevens echter een teeken aan
sir Thomas de Vaux gevende om zich van zijn last te kwijten.

Maar de kluizenaar verbood den baron door gebaren, blikken en woorden,
om een stap voor zulk een boodschap te doen; zijn arm, mager door de
onthouding en geteekend met de slagen van zelfkastijding opheffende
zóó, dat zijn mantel van geitenvel door de heftigheid zijner gebaren
afviel.

"In den naam van God en den heiligen Vader, den stedehouder
van Christus in de kerk op aarde, verbied ik deze onheiligste,
bloeddorstige en roekelooze uitdaging tusschen twee Christen Vorsten,
wier schouders gesierd zijn met het gezegende teeken, onder hetwelk
zij broederschap gezworen hebben. Wee hem, door wien deze verbroken
is.--Richard van Engeland, herroep den alleronzaligsten last, dien
gij aan dezen baron hebt gegeven.--Gevaar en dood zijn nabij!--de
dolk schittert reeds aan uwe keel!--"

"Gevaar en dood zijn speelmakkers van Richard," antwoordde de monarch
op trotschen toon; "en hij heeft te veel zwaarden getrotseerd, om
een dolk te vreezen."

"Gevaar en dood zijn nabij," hervatte de ziener; en voegde hij er bij:
terwijl zijne stem diep zonk, "en na den dood het oordeel!"

"Goede en heilige vader," zeide Richard, "ik eerbiedig uw persoon en
uwe heiligheid...."

"Eerbiedig mij niet!" viel de kluizenaar hem in de rede; "eerbiedig
veeleer het laagste insect, dat aan de oevers van de Doode Zee kruipt
en van haar gevloekt slijk zich voedt. Maar eerbiedig Hem, wiens
bevelen ik verkondig. Eerbiedig Hem, wiens graf gij gezworen hebt te
bevrijden.--Eerbiedig den eed van eendracht, dien gij gezworen hebt,
en verbreek de zilveren snaar van eenheid en trouw niet, waarmede
gij u aan uw vorstelijke bondgenooten hebt verbonden."

"Goede vader," hernam de Koning, "gij heeren van de kerk schijnt mij
toe u vrij wat op de waardigheid van uw heilig ambt in te beelden,
als een leek dit zeggen mag. Zonder uw recht te bestrijden, om u met
ons geweten te belasten, kondt gij ons den last wel overlaten om voor
onze eer te waken, dunkt mij."

"U inbeeldt!"--herhaalde de kluizenaar--"ik zou mij iets kunnen
inbeelden, Koning Richard, ik, die slechts de klok in de hand van
den koster ben--slechts de ongevoelige en onwaardige trompet, die het
bevel overbrengt van dengene, die daar op blaast.--Zie, op mijne knieën
werp ik mij, u smeekende, om medelijden te hebben met het Christendom,
met Engeland en met u zelven."

"Sta op, sta op," zeide Richard, hem noodzakende om op te staan,
"het voegt niet, dat knieën, die zich zoo dikwijls voor de Godheid
gebogen hebben, den grond ter eer van een mensch zouden drukken.--Welk
gevaar staat ons te duchten, eerwaarde vader?--en wanneer stond het
met de macht van Engeland zóó slecht, dat het snoevend lawaai van
het ongenoegen van dezen nieuwbakken Hertog dit rijk of zijn Monarch
zou verontrusten?"

"Ik zag van mijn bergtoren naar het sterrenheer aan den hemel, terwijl
elk der sterren gedurende haar nachtelijken loop aan de andere wijsheid
en kennis verkondigde, voor de weinigen, die hare stem verstaan
kunnen. Er zit een vijand in het huis van uw leven, heer Koning, die
even boosaardig voor uw roem als uw voorspoed is--eene uitstrooming
van Saturnus, die u met dadelijk en bloedig gevaar dreigt, en die,
zoo gij niet uw trotschen wil voor den regel van uw plicht buigt,
te midden van uw hoogmoed u zal verpletteren."

"Weg--weg--dit is eene heidensche wetenschap," hernam de
Koning. "Christenen beoefenen die niet--wijzen gelooven daaraan
niet--oude man, gij raaskalt."

"Ik raaskal niet, Richard.--Ik ben zoo gelukkig niet. Ik ken mijn
toestand, en weet, dat mij nog eene zekere hoeveelheid verstand is
toegestaan, niet tot mijn eigen gebruik, maar tot dat van de kerk,
en ter bevordering van het Kruis. Ik ben de blinde, die anderen een
fakkel voorhoudt, ofschoon deze hem zelven geen licht geeft. Vraag mij
naar hetgeen het welzijn van het Christendom en van dezen kruistocht
betreft, en ik zal met u spreken, gelijk de verstandigste raadsman,
wiens tong ooit de kracht der overreding had. Spreek tot mij van
mijn eigen ellendig wezen, en mijne woorden zullen zijn die van den
krankzinnigen verstooteling, die ik ben."

"Ik zou de banden van eenheid tusschen de vorsten van den kruistocht
niet verbreken," antwoordde Richard op zachter toon en met kalmer
gebaren, "maar welke voldoening kunnen zij mij geven voor het onrecht
en de beleediging, die ik ondergaan heb?"

"Juist om hierover met u te spreken, ben ik voorbereid en belast
van wege den raad, die, haastig op bevel van Filips van Frankrijk
bijeengekomen is en voor dat doel maatregelen genomen heeft."

"Het is vreemd," hervatte Richard, "dat anderen beraadslagen over
hetgeen men aan de gekwetste majesteit van Engeland verschuldigd is!"

"Zij willen uwe eischen voorkomen, indien dit mogelijk is," antwoordde
de kluizenaar. "Zij zijn eenstemmig van oordeel, dat de banier van
Engeland weder op den St. Georgeberg geplant worde, en zij hebben
den vermetelen misdadiger, of de misdadigers, door wie deze beleedigd
werd, in den ban gedaan, en zullen een vorstelijken prijs toekennen
aan dengene, die den schuldige zal aanwijzen, en zijn vleesch aan de
wolven en raven overgeven."

"En Oostenrijk," zeide Richard--"op wien zulke zware vermoedens rusten,
dat hij de bewerker der daad is?"

"Om de tweedracht in het leger te voorkomen," hernam de kluizenaar,
"wil Oostenrijk zich van de verdenking zuiveren, door zich aan
ieder Godsoordeel te onderwerpen, dat de Patriarch van Jeruzalem
zal opleggen."

"Wil hij zich door de beslissing in een tweegevecht zuiveren?" vroeg
Koning Richard.

"Zijn eed verbiedt dat," antwoordde de kluizenaar; "en bovendien de
raad der vorsten...."

"Wil geen strijd tegen de Saraceenen, noch tegen iemand anders
toestaan," viel Richard hem in de rede. "Maar het is genoeg, vader--gij
hebt mij de dwaasheid onder het oog gebracht, van te handelen, zooals
ik in deze zaak voornemens was. Gij zult veeleer met uwe toorts den
regen in een poel doen vlam vatten, dan eene vonk uit een koudbloedigen
bloodaard trekken. Er is geene eer op Oostenrijk te verwerven, dus laat
het zoo loopen.--Maar ik zal hem meineedig doen worden: ik zal op het
Godsoordeel staan.--Wat zal ik lachen, wanneer zijne lompe vingers
sissen, terwijl zij den gloeienden ijzeren staf aanvatten! Of zijn
wijde mond zich openspalkt, en zijne keel tot stikken toe opzwelt,
terwijl hij poogt de heilige misouwel te slikken!"

"Zwijg Richard," zeide de hermiet--"o zwijg uit schaamte, zoo niet
uit christelijke liefde. Wie zal Vorsten prijzen of eeren, die
elkander beschimpen en lasteren? Helaas! dat in zulk een edel wezen,
als gij,--zoo volmaakt in vorstelijke gedachten en vorstelijken
moed--aangewezen, om de Christenheid door uwe daden te vereeren, en,
in uwe kalmer uren, haar door uwe wijsheid te regeeren, de woeste,
wilde woede van den leeuw met de waardigheid en den moed van dien
koning der wouden vermengd moet zijn."

Hij zweeg een oogenblik, terwijl hij met zijne oogen op den grond
staarde, en vervolgde toen: "Maar de Hemel, die onze onvolmaakte
natuur kent, neemt onze onvolkomen gehoorzaamheid aan, en heeft het
bloedige einde van uw ondernemend leven verschoven, ofschoon niet
afgewend. De engel der vernieling heeft stil gestaan, gelijk van ouds
bij den dorschvloer van Avannab, den Jebusiet, en het zwaard getrokken
in zijne hand, waarmede hij,--niet zeer ver is de tijd--Richard
Leeuwenhart met den geringsten boer gelijk zal maken."

"Moet het dan zoo spoedig zijn?"--zeide Richard. "Goed, laat het
dan zoo wezen. Laat mijne loopbaan kort zijn, zoo deze slechts
schitterend is!"

"Helaas! edele Koning," hernam de kluizenaar, en het scheen of een
traan--een ongewoon verschijnsel--in zijn droog, glinsterend oog
opkwam--"kort en droevig, door rampspoeden en nood en gevangenschap
geteekend, is de spanne tijds, die u van het voor u gapende graf
scheidt--een graf, waarin gij zult gelegd worden, zonder telg om u
op te volgen--zonder de tranen van een volk, door uwe onophoudelijke
oorlogen uitgeput, om u te betreuren--zonder de kennis uwer onderdanen
uitgebreid--zonder iets tot vermeerdering van hun geluk gedaan
te hebben."

"Maar niet zonder roem, monnik--niet zonder de tranen van de dame
mijner liefde! Deze vertroostingen, die gij noch kennen noch op prijs
stellen kunt, wachten Richard bij zijn graf."

"Ken ik die niet--kan ik niet op prijs stellen de waarde van
den lof der minnezangers en van de liefde der vrouw!" hervatte de
kluizenaar op een toon, die voor een oogenblik het vuur van Richard
zelven scheen te evenaren. "Koning van Engeland", vervolgde hij,
terwijl hij zijn vermagerden arm uitstrekte, "het bloed, dat in uwe
blauwe aderen bruist, is niet edeler dan dat, hetwelk in de mijne
verstijfd is. Hoe gering in getal en hoe koud de droppels ook zijn,
zoo zijn zij echter het bloed van den koninklijken Lusignan--van den
heldhaftigen en heiligen Godfried. Ik ben,--dat wil zeggen, ik was,
toen ik nog in de wereld leefde, Alberik Mortemar...."

"Wiens daden," viel Richard hem in de rede, "zoo dikwerf door de faam
zijn verkondigd! Is dit zoo--kan dit zoo zijn?--Kon zulk eene ster,
als de uwe, van den horizon der ridderschap vallen, en de wereld
onzeker zijn, waar uwe asch rustte?"

"Zoek een gevallen ster," antwoordde de kluizenaar, "en gij
zult slechts eene vuile stof vinden, die, terwijl zij langs den
horizon schoot, voor een korte poos een voorkomen van glans heeft
aangenomen. Richard, zoo ik dacht, dat ik, door het wegrukken
van den bloedigen sluier van mijn verschrikkelijk lot, uw trotsch
hart kon bewegen, om zich aan de tucht der kerk te onderwerpen,
dan zou ik in mijn hart eene stof kunnen vinden, die ik tot hiertoe
in het geheim aan de edelste deelen mijns levens heb laten knagen,
gelijk de jongeling in de heidensche wereld, die zich zelf den dood
wijdde.--Luister dan, Richard, en moge de smart en de wanhoop, die
dit treurig overblijfsel van hetgeen eens een man was, niets meer
kan baten, een krachtig voorbeeld zijn voor een zoo edel, maar zoo
wild schepsel, als gij zijt.--Ja--ik wil--ik wil de lang verborgen
wonden openscheuren, al moesten zij mij ook in uwe tegenwoordigheid
tot den dood toe doen bloeden."

Koning Richard, op wien de geschiedenis van Alberik van Mortemar een
diepen indruk gemaakt had in vroeger jaren, toen de minnezangers de
hallen zijns vaders op legenden uit het heilige Land onthaalden,
luisterde met eerbied naar de hoofdtrekken van eene geschiedenis,
die duister en onvolkomen geschetst, voldoende de oorzaak van de
halve krankzinnigheid van dit zonderling en allerongelukkigst wezen
verklaarde.

"Ik behoef u niet te zeggen," zeide hij, "dat ik van edele geboorte,
groot vermogen, dapper in de wapenen, wijs in den raad was. Dit alles
was ik; maar terwijl de edelste vrouwen in Palestina er om wedijveren,
wie van haar bloemenkransen voor mijn helm zou vlechten, was mijne
liefde gevestigd--onveranderlijk en hartstochtelijk gevestigd--op een
meisje van lagen rang. Haar vader, een oud strijder van het Kruis,
zag onzen hartstocht; het verschil tusschen ons kennende, kon hij geen
andere toevlucht voor de eer zijner dochter vinden, dan de schaduw van
een klooster. Ik kwam van een krijgstocht naar verafgelegen landen
terug, met buit en eer beladen, om te vinden, dat mijn geluk voor
altijd vernield was! Ik zocht toen ook een klooster op, en satan,
die mij tot zijne prooi had geteekend, ademde in mijn hart een damp
van geestelijken hoogmoed, die alleen in zijne helsche verblijven
zijn oorsprong kon hebben. Ik was even hoog gestegen in de kerk als te
voren in den staat.--Ik was inderdaad de wijze, de zelf-genoegzame, de
onfeilbare!--Ik was de raadsman van vergaderingen--ik was de bestierder
van prelaten--hoe kon ik struikelen--waarom zou ik de verzoeking
vreezen?--Helaas! ik werd de biechtvader van eene zusterschap, en onder
deze vond ik de lang beminde--de lang verlorene. Bespaar mij eene
verdere bekentenis!--Eene gevallen non, wier schuld door zelfmoord
geboet werd, slaapt vast in de gewelven van Engaddi, terwijl boven
haar graf een wezen klaagt, zucht en kermt, dat slechts rede genoeg
heeft overgehouden, om ten vollen zijn lot te gevoelen."

"Ongelukkige!" zeide Richard. "Ik verwonder mij niet langer over uwe
ellende. Hoe zijt gij aan de veroordeeling ontsnapt, die de geestelijke
wetten tegen uwe misdaad uitspreken?"

"Vraag een man, die nog de gal der wereldsche bitterheid proeft,"
hernam de kluizenaar, "en hij zal spreken van een leven, dat
gespaard werd om persoonlijke betrekkingen, uit aanmerking van eene
hooge geboorte. Maar, Richard, ik zeg u, dat de Voorzienigheid mij
bewaard heeft, om mij te verheffen als een licht en een baken,
wiens asch, wanneer deze aardsche brandstof verteerd is, nog in
het Tophet moet geworpen worden. Hoe vergaan en uitgeteerd deze
ellendige gestalte ook zij, zoo is zij toch nog door twee krachten
van den geest bezield--de eene werkzaam, schrander en doordringend,
om de zaak van de kerk van Jeruzalem te verdedigen--de andere laag,
verworpen en wanhopend, tusschen krankzinnigheid en ellende zwevende,
om over mijn eigen ongeluk te klagen, en de heilige reliquieën te
bewaren, waarop het de hoogste zonde zou zijn slechts mijne oogen te
werpen. Heb geen medelijden met mij!--het is reeds eene zonde om met
zulk een voorwerp medelijden te hebben--beklaag mij niet, maar trek
nut uit mijn voorbeeld. Gij staat op den hoogsten, en derhalve op den
gevaarlijksten top, dien eenig Christen Vorst bereikt heeft. Gij zijt
trotsch van hart, los van leven, bloedig van hand. Leg uwe zonden af,
die als dochters u aankleven--ofschoon deze aangenomen furiën den
zondigen Adam dierbaar zijn, verban die uit uwe borst--uw hoogmoed,
uwe weelderigheid, uw bloeddorst."

"Hij raaskalt," zeide Richard, zich van den kluizenaar tot de Vaux
wendende, als iemand, wien eene spotternij eenigszins smart, en die
zich toch daarover niet durft wreken--vervolgens keerde hij zich
kalm en met een weinig minachting tot den kluizenaar en ging voort:
"Gij hebt een zeer schoon drietal dochters gevonden voor iemand,
die slechts sinds weinig maanden gehuwd is, eerwaarde vader; maar
daar ik ze buiten 's huis moet zetten, zal het zijn als een vader,
die haar van goede partijen voorziet. Daarom wil ik mijn hoogmoed
afstaan aan de edele domheeren der kerk--mijne weelderigheid, zoo
als gij ze noemt, aan de orden der monniken--en mijn bloeddorst aan
de ridders van den tempel."

"O hart van staal en hand van ijzer," hervatte de kluizenaar, "voor
wien voorbeelden zoowel als raadgevingen verloren zijn!--Toch zult
gij nog voor een tijd gespaard worden, zoo gij u bekeert, en doet
hetgeen aangenaam is in het oog des hemels!--Wat mij betref, ik moet
naar mijne plaats terugkeeren.--Kyrie Eleison!--Ik ben degene, door
wien de stralen der hemelsche genade schieten gelijk de stralen van
de zon door een brandglas, deze op andere voorwerpen vereenigende,
tot dat zij ontbranden en in vlam slaan, terwijl het glas koud en
onveranderd blijft.--Kyrie Eleison!--De armen moeten geroepen worden,
want de rijken hebben den maaltijd geweigerd--Kyrie Eleison!"

Dit zeggende ijlde hij met luide kreten uit de tent.

"Een krankzinnig priester!"--riep Richard, uit wiens gemoed de
woeste kreten van den kluizenaar gedeeltelijk den indruk uitgewischt
hadden, dien de mededeeling van zijne eigen geschiedenis en rampen
teweeggebracht hadden. "Ga hem na, de Vaux, en zie toe, dat hem geen
leed overkomt; want hoewel wij kruisvaarders zijn, geniet toch een
goochelaar meer eerbied onder onze benden, dan een priester of heilige,
en misschien drijven zij den spot met hem."

De ridder gehoorzaamde en Richard gaf dadelijk toe aan de
gedachten, die de wilde voorspelling van den monnik hem ingeboezemd
had.--"Vroegtijdig sterven--zonder nakroost--zonder beweend te
worden!--een zwaar vonnis, en het is goed, dat het door geen bevoegden
rechter is uitgesproken. De Sarraceenen echter, die in de mystieke
wetenschappen ver gevorderd zijn, beweren dikwijls, dat Hij, in wiens
oog de wijsheid van den wijze slechts dwaasheid is, den krankzinnigen
wijsheid en de gave der voorspelling ingeeft. Men zegt ook, dat
die kluizenaar in de sterren leest, eene kunst, die algemeen in deze
landen beoefend wordt, waar het hemelheer van oudsher het voorwerp der
afgoderij was. Ik wenschte wel, dat ik hem over het verlies van mijne
banier ondervraagd had, want zelfs de heilige Tishbiet, de stichter van
zijne orde, kon in geen hooger graad van overspanning zijn, noch met
eene tong spreken, die meer naar die van een profeet gelijkt.--Welnu,
de Vaux, welke tijding brengt gij van den krankzinnigen priester?"

"Een krankzinnigen priester noemt gij hem, Mylord?" antwoordde de
Vaux. "Mij dunkt, hij gelijkt meer op den heiligen Johannes den Dooper
zelven, toen deze zoo rechtstreeks uit de woestijn kwam. Hij heeft
zich op een der oorlogswerktuigen geplaatst, en van daar preekt hij
tot de soldaten, zoo als nooit een man sedert Peter den kluizenaar
gepredikt heeft. Het leger, door zijn geschreeuw verontrust, schaart
zich bij duizenden om hem heen; en nu en dan den hoofddraad zijner
rede afbrekende, spreekt hij elk der onderscheiden natiën in hare
taal aan, en gebruikt bij ieder de best geschikte gronden, om hen
tot volharding in de verlossing van Palestina aan te sporen."

"Bij dit licht een edelkluizenaar!" zeide Koning Richard. "Maar
wat kon er anders van het bloed van Godfried komen! Hij wanhoopt
aan zijne zaligheid, omdat hij in vroeger dagen par amours geleefd
heeft? Ik wil hem van den Paus een onbeperkten aflaatbrief bezorgen,
al ware zijne belle amie eene abdis geweest."

Terwijl hij sprak, vroeg de aartsbisschop van Tyrus om gehoor, ten
einde Richard te verzoeken, om, zoo zijne gezondheid dit toeliet,
eene geheime vergadering van de hoofden van den kruistocht bij te
wonen, om de militaire en politieke gebeurtenissen, die gedurende
zijne ziekte plaats gehad hadden, te hooren mededeelen.



HOOFDSTUK XIX.

            Zoo moet het roemrijk zwaard dan in de scheede,
            De voet terug, die steeds, bij elke schrede,
            Langs 't roemrijkst spoor, op 's vijands nekken trad
            Het krijgskleed uit, hetwelk, met plechtige eeden,
            Wij, in Godshuis, om onze schouders deden,
            En 't bindend woord zoo onvervuld gespild,
            Als 't woord waarmeê de min het schreiend wichtje stilt

                                           De kruisvaart, een Treurspel.


De aartsbisschop van Tyrus was de best gekozen gezant, om Richard
tijdingen mede te deelen, die de Koning met het leeuwenhart niet
zou gedoogd hebben uit een anderen mond te hooren, zonder in felle
drift uit te barsten. Zelfs deze schrandere en eerwaardige prelaat
vond het moeielijk, om hem naar mededeelingen te doen luisteren,
die al zijne hoop vernietigden, om het heilige Graf door geweld van
wapenen te heroveren, en den roem te verwerven, dien de gandsche stem
van de Christenheid gereed stond hem te schenken, als den kampioen
van het kruis.

Volgens de mededeeling van den aartsbisschop bleek het, dat Saladin de
geheele macht van zijne honderd stammen verzamelde, en dat de monarchen
van Europa reeds uit verschillende beweegredenen een afkeer tegen den
krijgstocht hebbende, die zoo noodlottig geweest was en dit dagelijks
nog meer werd, besloten hadden van hun voornemen af te zien. Hierin
werden zij door het voorbeeld van den Koning van Frankrijk gesteund,
die met vele verzekeringen van zijne hoogachting, en betuigingen,
dat hij zijn broeder van Engeland eerst in veiligheid wilde zien,
zijn voornemen aan den dag legde om naar Europa terug te keeren. Zijn
eerste vasal, de graaf van Champagne, had hetzelfde besluit genomen
en het was niet te verwonderen, dat Leopold van Oostenrijk, door
Richard beleedigd, met vreugde eene gelegenheid aangreep, om eene zaak
te verlaten, waarin zijn trotsche tegenstander als opperhoofd moest
worden beschouwd. Anderen gaven hetzelfde voornemen te kennen, zoodat
het duidelijk was, dat de Koning van Engeland, indien hij verkoos te
blijven, alleen zou bijgestaan worden door zoodanige vrijwilligers,
als onder zulke ontmoedigende omstandigheden zich bij het Engelsche
leger zouden voegen; voorts door de dubbelzinnige hulp van Koenraad van
Montserrat, en de krijgshaftige orden van den tempel en van St. Jan,
die weliswaar gezworen hadden, om tegen de Sarraceenen te strijden,
maar ten minste even ijverzuchtig waren op ieder Europeesch vorst, die
de verovering van Palestina zou voltooien, waar zij uit kortzichtige
en baatzuchtige staatkunde voornemens waren, eigen onafhankelijke
rijken te vestigen.

Er waren niet veel redeneeringen noodig, om Richard zijn waren toestand
onder het oog te brengen; en werkelijk zat hij daar, na de eerste
uitbarsting van zijne drift, stil, met sombere blikken, gebogen hoofd,
en de armen over zijn borst gekruist, en luisterde naar de redeneering
van den aartsbisschop over de onmogelijkheid, dat hij den kruistocht
kon voortzetten, indien hij door zijne krijgsmakkers verlaten mocht
worden. Zelfs onthield hij zich, den prelaat in de rede te vallen,
toen deze in gematigde bewoordingen het waagde om er op te zinspelen,
dat Richard's eigen onstuimigheid eene hoofdoorzaak geweest was,
om de vorsten in den krijgstocht tegenzin te doen krijgen.

"Confiteor (ik beken)--" antwoordde Richard met terneergeslagen
blikken, en een droefgeestigen glimlach, "eerwaarde vader, dat ik in
zekere opzichten het culpa mea (mijn schuld) moest zingen. Maar is het
niet hard, dat de zwakheden van mijn karakter door zulk eene kastijding
bezocht worden, dat ik om een paar uitbarstingen van natuurlijke
drift veroordeeld word, om voor mijne oogen zulk een rijken oogst
van roem voor God en eer voor de ridderschap oningezameld te laten
verwelken?--Maar die zal niet verwelken.--Bij de ziel van Willem
de Veroveraar, ik wil het kruis op de torens van Jeruzalem planten,
of zij zullen het op Richard's graf zetten!"

"Dat moogt gij doen!" zeide de prelaat--"maar geen druppel
Christenbloed worde meer in den twist vergoten."

"Ha, gij spreekt van verdrag, heer prelaat--maar het bloed der
ongeloovige honden moet ook ophouden te stroomen", hervatte Richard.

"Het zal roem genoeg zijn", hernam de aartsbisschop, "van Saladin
door het geweld der wapenen en door den eerbied voor uw naam zulke
voorwaarden afgedwongen te hebben, om te gelijk het heilige Graf
te herstellen, het heilige Land voor de pelgrims te openen, hunne
veiligheid door sterke vestingen te verzekeren, en meer dan dit alles,
de veiligheid der heilige Stad te waarborgen door aan Richard den
titel van Beschermvorst van Jeruzalem te schenken."

"Hoe!" riep Richard, terwijl zijne oogen van een ongewonen glans
schitterden.--"Ik--ik--ik de Beschermvorst der heilige Stad! de
overwinning zelve--maar dit heet overwinnen! Ik kon niet meer
verwerven--nauwelijks zooveel, dat het met eene onwillige en
onverdeelde macht verworven is.--Maar Saladin wil zeker mijne belangen
in het heilige Land handhaven?"

"Als een verbonden vorst, de gezworen bondgenoot van den machtigen
Richard", antwoordde de prelaat--"zijn naastbestaande--zoo het mocht
toegestaan worden--door een huwelijk."

"Door een huwelijk!" zeide Richard verbaasd, echter minder dan de
prelaat verwacht had. "Ha!--ja--Edith Plantagenet. Heb ik hiervan
gedroomd?--of heeft iemand hierover met mij gesproken? Mijn hoofd is
nog zwak van die koorts en heeft veel geleden--was het de Schot, Hakim
of die heilige kluizenaar, die van zulk een onzinnige koop gewaagde?"

"Allerwaarschijnlijkst de kluizenaar van Engaddi", hervatte de
aartsbisschop; "want hij heeft veel in deze zaak gewerkt; en daar het
misnoegen der vorsten blijkbaar, en eene scheiding van hunne macht
onvermijdelijk is geworden, heeft hij verscheidene beraadslagingen
met Christenen en Heidenen gehouden, om zoodanigen vrede tot stand
te brengen, dat de Christenheid, ten minste voor een gedeelte, het
voorwerp van haar heiligen krijg bereikte."

"Mijne bloedverwante aan een ongeloovige.--Ha!" riep Richard uit,
terwijl zijne oogen begonnen te fonkelen.

De prelaat haastte zich om zijne gramschap af te wenden. "Men moet
zonder twijfel eerst de toestemming van den paus verkrijgen, en de
heilige hermiet, die wel bekend te Rome is, zal met den heiligen
vader onderhandelen."

"Hoe?--zonder dat wij eerst onze toestemming geven?" vroeg de Koning.

"Voorzeker niet", antwoordde de bisschop op geruststellenden, vleienden
toon, "alleen met en onder uwe bijzondere goedkeuring."

"Mijne goedkeuring om mijne bloedverwanten met een ongeloovige te doen
huwen?" zeide Richard, maar eer op een toon, die naar twijfel geleek,
dan als bepaald den voorgestelden maatregel afkeurende. "Kon ik van
zulk eene bevreding gedroomd hebben, toen ik van den voorsteven van
mijne galei op het Syrische strand sprong, gelijk een leeuw springt op
zijne prooi!--En nu.--Maar vervolg.--Ik zal met geduld toeluisteren."

De aartsbisschop, even verheugd als verbaasd, dat hij zijne taak zoo
veel lichter vond, dan hij gevreesd had, haastte zich, om Richard de
voorbeelden van zoodanige verbintenissen in Spanje op te sommen--niet
zonder toestemming van den heiligen stoel--de onberekenbare voordeelen,
die de geheele Christenheid van de vereeniging tusschen Richard en
Saladin door zulk een heiligen band zou plukken; en bovenal sprak
hij met groote geestdrift en zalving over de waarschijnlijkheid,
dat Saladin, in geval het voorgestelde huwelijk plaats vond, zijn
valsch geloof tegen het ware zou verwisselen.

"Heeft de Sultan eenige neiging getoond, om Christen te worden?" vroeg
Richard; "als dat zoo is, dan leeft er geen Koning op aarde, dien ik
de hand van eene bloedverwante, ja van eene zuster, liever dan aan den
edelen Saladin zou schenken--ja, al kwam er een die kroon en scepter
aan hare voeten legde, en de andere haar niets had aan te bieden dan
zijn goed zwaard en beter hart."

"Saladin heeft onze Christen leeraars gehoord," zeide de bisschop
eenigzins ontwijkend--"mijn onwaardigen persoon--en anderen--en daar
hij geduldig luistert, en bedaard antwoordt, is het bijna niet anders
mogelijk, of hij is als een brandhout gegrepen door het vuur. Magna est
veritas et praevalebit. [6]--Daarenboven is de kluizenaar van Engaddi,
van wiens woorden weinige nutteloos op aarde zijn gevallen, volkomen
doordrongen van het geloof, dat er eene roeping der Sarraceenen en
andere heidenen nadert, waartoe dit huwelijk de inleiding zal zijn. Hij
leest in den loop der sterren; daar hij, onder kastijding van het
vleesch, in die goddelijke oorden vertoeft, welke de heiligen oudtijds
betreden hebben, zoo is de geest van Elia, den Tishbiet, den stichter
van zijne heilige orde met hem geweest, gelijk met den profeet Eliza,
den zoon van Shaphant, toen hij zijn mantel over hem uitspreidde."

Koning Richard luisterde naar de redeneering van den prelaat met
neergeslagen oogen en verwarde blikken.

"Ik kan niet zeggen", zeide hij, "hoe het met mij gesteld is; maar ik
geloof, dat deze koude raadgevingen van de Christen vorsten mij ook met
eene slaapziekte van geest hebben besmet. Er is een tijd geweest, dat,
zoo een leek mij zulk een huwelijk had voorgesteld, ik hem ter neder
had gehouwen--en dat, zoo een geestelijke dit gedaan had, ik hem als
een renegaat en baalspriester in het gezicht gespogen had--maar thans
klinkt deze raad zoo vreemd niet in mijne ooren. Want waarom zou ik
geen broederschap en verbintenis met een dapperen, rechtvaardigen en
edelmoedigen Sarraceen zoeken,--die een waardigen vijand lief heeft en
vereert, alsof het een vriend ware,--terwijl de Christen vorsten van
de zijde van hun bondgenoot afdeinzen, en de zaak van den Hemel en van
eene brave ridderschap verlaten?--Maar ik wil geduldig blijven en niet
aan hem denken. Slechts nog ééne poging wil ik doen, om, zoo mogelijk,
deze dappere broederschap bijeen te houden; en zoo die mislukt, heer
aartsbisschop, dan zullen wij te zamen over uw raad spreken, dien ik
voor het tegenwoordige noch aanneem, noch geheel verwerpt. Laat ons
naar de raadsvergadering gaan, mylord--het uur roept ons. Gij zegt, dat
Richard driftig en trotsch is--gij zult zien, dat hij zich, even als de
bescheiden braamplant, waaraan hij zijn bijnaam ontleent, vernedert."

Met behulp van zijne kamerdienaars kleedde de Koning zich haastig
in een wambuis en een mantel van donkere en effen kleur; en zonder
eenig teeken van koninklijke waardigheid, behalve een gouden band om
zijn hoofd, spoedde hij zich met den aartsbisschop van Tyrus naar de
raadsvergadering, die slechts op zijne tegenwoordigheid wachtte om
hare zitting te beginnen.

Voor de raadsvergadering was eene ruime tent bestemd, vóór welke de
groote banier van het kruis ontplooid was. Daarenboven stond er nog
eene andere, waarop was afgebeeld eene knielende vrouw met loshangende
haren en onordelijke kleeding, die de verlaten en verdrukte kerk
van Jeruzalem verbeelden moest, met het opschrift: Affictae sponsae
ne obliviscaris. [7] Met zorg gekozen wachten stonden allen op een
afstand van deze tent, uit vrees, dat de woordenwisselingen, die
somtijds van luiden en stormigen aard waren, andere ooren mochten
bereiken, dan die, voor wie zij bestemd waren.

Hier waren dan de vorsten van den kruistocht vergaderd, en wachtten
Richard's komst. Zelfs dien korten tijd, dat hij wegbleef, strekten
hem bij zijne vijanden tot nadeel, daar er talrijke voorbeelden
van zijn hoogmoed en onbehoorlijke aanmatiging van macht ter tafel
gebracht werden, waarbij zelfs het korte verwijl, dat hij veroorzaakte
werd aangehaald. Men trachtte elkander in deze ongunstige meening
te versterken, en ieder haalde de door hem ondergane beleediging
aan, door de kleinste omstandigheden in den strengsten zin uit te
leggen. En dit alles geschiedde mogelijk alleen slechts, omdat zij
een instinktmatigen eerbied voor den Koning van Engeland gevoelden,
dien het de grootste inspanning kostte om te overwinnen.

Zij hadden daarom bepaald, dat zij hem bij zijn binnentreden met
weinig meer opmerkzaamheid zouden ontvangen en met niet meer achting
dan volstrekt noodzakelijk was, om binnen de grenzen van het koude
ceremoniëel te blijven. Maar toen zij die edele gestalte aanschouwden,
dat vorstelijk gelaat, dat door zijn laatste ziekte een weinig
verbleekt was--dat oog, dat de minnezangers de schitterde ster van
den strijd en de overwinning genoemd hadden, toen zij zijne daden, die
menschelijke kracht en dapperheid te boven gingen, in hunne gedachten
terug riepen, stonden zij allen--zelfs de naijverige Koning van
Frankrijk en de norsche en beleedigde hertog van Oostenrijk--te gelijk
op, en de vergaderde vorsten barstten eenstemmig uit in de kreet: "God
beware Koning Richard van Engeland!--Lang leve de dappere Leeuwenhart!"

Met een gelaat, vrij en open als de zomerzon, als zij boven de
kimmen rijst, dankte Richard naar alle zijden, en wenschte zich
zelven geluk, dat hij zich op nieuw te midden van zijne koninklijke
mede-kruisvaarders bevond.

"Slechts weinige woorden wensch ik te zeggen", aldus wendde hij
zich tot de vergadering, "ofschoon over een zoo onwaardig voorwerp,
als mij zelven, zelfs met gevaar, om voor eenige oogenblikken uwe
beraadslagingen over het welzijn van het Christendom en de bevordering
van uwe heilige onderneming op te houden."

De vergaderde vorsten hernamen hunne plaatsen en er ontstond eene
diepe stilte.

"Deze dag", vervolgde de Koning van Engeland, "is een hooge feestdag
voor de kerk; en het past alleszins aan de Christenen op zulk een
tijd, om zich met hunne broeders te verzoenen, en elkander hunne
misslagen te belijden. Edele vorsten, en vaders van deze heilige
onderneming, Richard is een krijgsman--zijne hand is altijd vlugger
dan zijn tong--en zijne tong is maar al te weinig aan de ruwe taal
van zijn beroep gewend. Maar ziet om Plantagenet's haastige gezegden
en onoverdachte daden niet van de edele zaak der verlossing van
Palestina af--werpt aardschen roem en eeuwig heil niet weg, die hier
te winnen zijn, zoo de mensch die ooit winnen kan, omdat de soldaat
haastig in het handelen, en zijne taal zoo hard is, als het zwaard,
dat hij van zijne kindsheid af gedragen heeft. Zoo Richard tegen een
van u lieden misdaan heeft, zal hij door woorden en daden voldoening
geven.--Edele broeder van Frankrijk, ben ik ongelukkig genoeg geweest,
om u te beleedigen?"

"Zijne Majesteit van Frankrijk heeft geene verzoening met die van
Engeland te zoeken", antwoordde Filips met koninklijke waardigheid;
"en welk besluit ik ook ten opzichte van de voortzetting dezer
onderneming moge nemen, dit zal van redenen afhangen, die met den
staat van mijn eigen koninkrijk in verband staan, en zeker niet van
ijverzucht of haat tegen mijn koninklijken en zeer dapperen broeder."

"Oostenrijk", vervolgde Richard, met eene vermenging van vrijmoedigheid
en waardigheid op den Aartshertog toegaande, terwijl Leopold,
als het ware onwillekeurig, van zijn zetel opstond, en als een
automaat, wiens bewegingen van een drijfveer buiten haar zelven
afhingen,--"Oostenrijk denkt, dat hij reden heeft, om op Engeland
vertoornd te zijn, Engeland, dat hij reden heeft, om over Oostenrijk
te klagen. Laten zij wederzijds hunne vergiffenis wisselen, opdat de
vrede van Europa en de eendracht van dit leger ongestoord blijve. Wij
zijn thans gezamenlijke verdedigers van eene roemrijker banier,
dan er ooit eene voor een aardschen vorst wapperde, de banier des
Heils zelve--laat er derhalve geen strijd tusschen ons zijn wegens het
zinnebeeld van onze bloot aardsche waardigheden; maar laat Leopold het
vaandel van Engeland teruggeven, indien hij het in zijne macht heeft,
en Richard zal, ofschoon om geene andere beweegreden dan zijne liefde
voor de heilige kerk, zeggen, dat hij berouw heeft over de drift,
waarmede hij den Oostenrijkschen standaard beschimpt heeft."

De Aartshertog stond stil, norsch en ontevreden, met zijne oogen op
den grond gevestigd, en zijn gelaat gerimpeld van onderdrukt misnoegen,
dat ontzag met ruwheid vermengd hem belette met woorden uit te drukken.

De Patriarch van Jeruzalem haastte zich, om het onrustbarende
stilzwijgen af te breken, en getuigenis namens den Aartshertog van
Oostenrijk af te leggen, dat hij zich door een plechtigen eed van
elke rechtstreeksche of zijdelingsche bekendheid met de aanranding
tegen de banier van Engeland gezuiverd had.

"Dan hebben wij den edelen Aartshertog te grooter onrecht aangedaan",
zeide Richard, "en terwijl wij hem vergiffenis vragen, omdat wij hem
eene zoo lafhartige beleediging te last gelegd hebben, strekken wij
de hand naar hem uit tot een teeken van vernieuwden vrede en herstelde
vriendschap.--Maar wat is dit? Oostenrijk weigert onze ontbloote hand,
even als te voren onzen ijzeren handschoen. Hoe! Zullen wij zijn
deelgenoot in vrede noch zijne tegenpartij in oorlog zijn? Welaan,
het zij zoo; wij zullen de minachting, waarmede hij ons behandelt,
beschouwen als eene boete voor al wat wij in de drift des bloeds tegen
hem gedaan hebben, en zullen dus de rekening tusschen ons beiden voor
vereffend houden."

Dit zeggende wendde hij zich van den Aartshertog af met een voorkomen
van waardigheid veeleer dan verachting, terwijl de Oostenrijker naar
het scheen, evenzeer door de verwijdering uit zijne oogen verlicht
werd, als een norsche ondeugende schoolknaap, als zich de blik van
zijn strengen schoolmeester van hem afwendt.

"Edele graaf van Champagne--vorstelijke markies van Montserrat--dappere
grootmeester der Tempeliers--ik sta hier als een boeteling in den
biechtstoel. Heeft iemand van u eene beschuldiging tegen mij in te
brengen, of voldoening van mij te vragen?"

"Ik weet niet, waarop wij er eenige zouden kunnen gronden", antwoordde
de welbespraakte Koenraad, "behalve dat de Koning van Engeland zijne
arme wapenbroeders al den krijgsroem ontrooft, dien zij gehoopt hadden,
in dezen krijgstocht te winnen."

"Mijne beschuldiging", zeide de grootmeester der Tempeliers, "zoo
ik geroepen wordt om er eene te doen, is ernstiger en ligt dieper,
dan die van den markies van Montserrat. Misschien wordt het mij,
als een krijgshaftigen monnik, kwalijk genomen, dat ik mijne stem
verhef, waar zoo vele edele vorsten het stilzwijgen bewaren; maar
het betreft ons geheele leger, en niet het minst dezen edelen Koning
van Engeland, dat hij voor zijn aangezicht die aantijgingen hoort,
waarmede hij meer dan genoeg gedurende zijne afwezigheid overladen
wordt. Wij prijzen en eeren den moed en de hooge voortreffelijkheid
van den Koning van Engeland; maar het smart ons, dat hij, bij alle
gelegenheden een voorrang en eene meerderheid boven ons aanneemt,
waaraan het onafhankelijken vorsten niet past zich te onderwerpen. Veel
konden wij vrijwillig aan zijne dapperheid, zijn ijver, zijn rijkdom
en zijne macht toegeven; maar hij, die alles als een recht grijpt,
en niets overlaat om uit inschikkelijkheid en gunst te schenken,
verlaagt ons van bondgenooten tot dienaars en vasallen, en bezoedelt,
in de oogen van onze soldaten en onderdanen, den glans van ons gezag,
dat wij niet langer onafhankelijk uitoefenen. Daar Koning Richard
de waarheid van ons gevraagd heeft, moet hij noch verwonderd noch
vertoornd worden, wanneer hij een man hoort, wien de wereldsche pracht
verboden en voor wien aardsch gezag niets is, behalve in zoover dit den
voorspoed van Gods tempel en de bestrijding bevordert van den leeuw,
die rondgaat, om te zoeken, wien hij kan verslinden,--wanneer hij zulk
een man, zeg ik, hem tot antwoord op zijne vraag de waarheid hoort
zeggen. En deze wordt, terwijl ik spreek, door het hart zelf van allen,
die mij hooren, bevestigd, al verstikt ook de eerbied hunne stem."

Richard bloosde sterk, terwijl de grootmeester dezen rechtstreekschen
en onbewimpelden aanval op zijn gedrag deed, en het goedkeurend gemor,
dat daarop volgde, toonde duidelijk, dat bijna allen, die tegenwoordig
waren, de juistheid van de beschuldiging erkenden. Verbitterd en
tevens verootmoedigd, voorzag hij echter, dat hij, door zich aan zijne
onstuimigen toorn over te geven, den koelen en listigen beschuldiger
het voordeel zou geven, hetwelk te verkrijgen het voornaamste doel
van den Tempelier was. Hij zweeg derhalve met groote inspanning,
totdat hij een pater noster had opgezegd, wat de weg was, dien zijn
biechtvader hem had aangewezen te volgen, wanneer de gramschap op het
punt was de overhand op hem te krijgen. De Koning sprak vervolgens
met kalmte, ofschoon op verbitterden toon, inzonderheid in den aanvang.

"En is het dan inderdaad zoo? En geven zich onze broeders zoo veel
moeite, om de zwakheden van ons aangeboren karakter en de onbeschaafde
driften van onzen ijver op te merken, die mij somtijds kunnen
aangespoord hebben, om bevelen te geven, wanneer er weinig tijd was om
te raadplegen. Ik kon niet denken, dat toevallige en onopzettelijke
beleedigingen, als de mijne, zulke diepe wortels schieten konden in
de harten van mijne bondgenooten in deze allerheiligste zaak, dat zij
om mijnentwil de hand van den ploeg zouden trekken, daar de vore bijna
aan het einde was; dat zij om mijnentwil zich van het rechtstreeksche
pad naar Jeruzalem zouden afwenden, dat hunne zwaarden hun geopend
hebben. Ik heb ten onrechte gedacht, dat mijne kleine diensten zwaarder
zouden gewogen hebben dan mijne onbedachte dwalingen--dat, zoo men zich
herinnerde, dat ik bij een aanval mij aan de spits stelde, men niet
vergeten zou, dat ik altijd de laatste bij een terugtocht was--dat,
zoo ik mijne banier op de veroverde velden plantte, dit al het voordeel
was, dat ik zocht, terwijl anderen den buit verdeelden. Ik mag dan
de veroverde stad naar mijn naam genoemd hebben, maar ik liet aan
anderen het gebied over. Zoo ik volhardend in het geven van stouten
raad geweest ben, heb ik, dunkt mij, noch mijn eigen bloed noch dat
van mijn volk gespaard, om even stout ten uitvoer te brengen. Of
indien ik, in de snelheid van den marsch of slag een bevel over de
soldaten van anderen op mij genomen heb, dan zijn zij ook altijd als
de mijne behandeld geworden, wanneer ik van mijn rijkdom de levens-
en geneesmiddelen kocht, die hunne eigen vorsten hun niet verschaffen
konden.--Maar ik schaam mij, u te herinneren aan hetgeen allen op mij
zelven na schijnen vergeten te hebben.--Laat ons liever voorwaarts
zien op de maatregelen in de toekomst te nemen; en gelooft mij, mijne
broederen", vervolgde hij, terwijl zijn gelaat van geestdrift gloeide,
"dan zult gij noch de trots, noch de gramschap, noch de eerzucht
van Richard als een struikelblok op het pad vinden, waar godsdienst
en roem u, als met de bazuin van den aartsengel, roepen. O, neen,
neen! Nooit zou ik de gedachten overleven, dat mijne gebreken en
zwakheden de middelen waren geweest, om deze schoone samenkomst van
vergaderde vorsten te doen uiteen gaan. Ik zou mij de linkerhand met
de rechter afhouwen, indien dit mijne oprechtheid kon bewijzen. Ik wil
vrijwillig van elk recht afzien om het bevel in het leger te voeren,
zelfs over mijne eigen onderdanen. Zij zullen door zoodanige vorsten,
als gij benoemen zult, aangevoerd worden, en hun Koning, die steeds
maar al te zeer genegen is, om den staf van aanvoerder met de lans van
den avonturier te verwisselen, zal onder de banier van Beau-Séant bij
de Tempeliers--ja, onder die van Oostenrijk dienen, zoo Oostenrijk een
dapper man tot aanvoerder van zijne troepen wil benoemen. Of, indien
gij zelf dezen oorlog moede zijt, en voelt, dat uwe wapenrusting
uwe teedere lichamen drukt, laat dan aan Richard slechts een tien
of vijftien duizend van uw soldaten, om uwe gelofte te vervullen,
en wanneer Sion veroverd is", riep hij uit, terwijl hij zijne hand
ophief, alsof hij de banier van het kruis over Jeruzalem uitbreidde,
"wanneer Sion veroverd is, dan zullen wij op zijne poorten niet den
naam van Richard Plantagenet schrijven, maar dien van de edelmoedige
vorsten, die hem de middelen ter verovering toevertrouwden!"

De ruwe welsprekendheid en duidelijke woorden van den krijgshaftigen
monarch wekten op eens den gezonken moed der kruisvaarders op,
verlevendigde hunne vroomheid, en hunne aandacht op het hoofddoel van
den krijgstocht vestigende, bloosden zij voor het meerendeel, omdat
zij door zulke geringe redenen van klagen, als hen eerst vervulden,
bewogen waren geworden. Het eene oog ontvlamde het andere, de eene
stem moedigde de andere aan. Zij hieven, als het ware eenstemmig,
den oorlogskreet weder aan, die bij de toespraak van Peter den
kluizenaar weergalmde, en zij riepen luid: "voer ons aan, dappere
Leeuwenhart--niemand is zoo waardig aan te voeren, waar dappere
mannen volgen. Voer ons aan--naar Jeruzalem--naar Jeruzalem--het
is Gods wil--het is Gods wil!--Gezegend is hij, die zijn arm tot de
vervulling zal leenen!"

Dit zoo plotseling en algemeen aangeheven geschreeuw liet zich
hooren tot buiten den kring van schildwachten, die de tent van de
raadsvergadering bewaakten, en verspreidde zich onder de soldaten van
het leger, die, traag geworden en ontmoedigd door ziekten en klimaat,
even als hunne opperhoofden, den moed begonnen te verliezen. Maar de
wederverschijning van Richard in hernieuwde kracht en de welbekende
kreet, die uit de vergadering der vorsten voortkwam, ontvlamde
eensklaps hunne geestdrift weder, en duizenden en tienduizenden
antwoordden met dezelfde kreten van: "Sion, Sion!--Oorlog,
oorlog!--Dadelijk ten strijde tegen de ongeloovigen! Het is Gods
wil--het is Gods wil!"

De kreten van buiten verhoogden op hare beurt het vuur, dat binnen
de tent heerschte. Zij, die niet in werkelijkheid door de vlam waren
aangetast, vreesden, ten minste voor dit oogenblik koeler te schijnen
dan anderen. Men sprak van niets anders meer dan van een stouten aanval
op Jeruzalem bij het einde van den wapenstilstand, en de maatregelen,
die men intusschen voor het verzorgen en voltallig maken van het
leger nemen moest. De raadsvergadering scheidde, alle leden ervan,
naar het scheen, met hetzelfde voornemen,--dat echter spoedig in den
boezem der meesten verdoofde, en nooit in dien van anderen bestond.

Onder de laatsten behoorden de markies Koenraad en de grootmeester der
Tempeliers, die zich, misnoegd en ontevreden over de gebeurtenissen
van den dag, te zamen naar hunne tenten begaven.

"Ik heb het u altijd wel gezegd," zeide de laatste, met den kouden
sardonischen glimlach, die hem eigen was, "dat Richard door de listige
netten, die gij hem gespannen hadt, zou heenbreken, als een leeuw
door een spinneweb. Gij ziet, dat hij slechts te spreken heeft,
en zijn adem beweegt deze loszinnige dwazen even gemakkelijk, als
de dwarrelwind verspreid stroo opneemt en naar zijn goedvinden bij
elkander werpt, of uiteen drijft."

"Wanneer de wind voorbij is", antwoordde Koenraad, "dan zal het stroo,
dat hij door zijn adem opjoeg, weder rustig op den grond gaan liggen."

"Maar weet gij bovendien niet," hernam de Tempelier, "dat, zoo dit
nieuwe voornemen van verovering zal opgegeven zijn en voorbijgegaan,
en ieder machtig vorst weder aan de eenige leiding zal overgegeven
worden, die zijn eigen bekrompen hersenen hem kunnen verschaffen,
toch Richard door verdrag Koning van Jeruzalem zal worden, en dat
vredesverdrag met den Sultan zal sluiten, hetwelk gij meendet, dat
hij zoo gereedelijk zou van de hand wijzen."

"Nu, bij Mahomed en Termagaunt, want Christen eeden zijn uit de
mode", zeide Koenraad, "zegt gij, dat de trotsche Koning van Engeland
zijn bloed met dat van een heidenschen Sultan zou vermengen?--Mijn
staatkundig doorzicht heeft dat hulpmiddel aangebracht om hem de
geheele onderhandeling tot een gruwel te maken.--Het zou even erg
voor ons zijn, zoo hij onze meester werd door een verdrag, als wanneer
hij dit door de overwinning werd."

"Uwe staatkunde heeft het verterings vermogen van Richard zeer slecht
berekend", antwoordde de Tempelier, "ik ken zijn gemoed door een
wenk van den aartsbisschop.--En dan uw meesterstreek met gindsche
banier--die is voorbijgegaan met niet meer eerbied, dan twee ellen
geborduurde zijde verdienden. Markies Koenraad, uw vernuft begint
te falen.--Ik zal niet langer op uwe fijn gesponnen maatregelen
vertrouwen, maar mijn eigen beproeven.--Kent gij de lieden niet,
welke de Sarraceenen Charegieten noemen?"

"Zeker ken ik die", antwoordde de markies; "het zijn wanhopende,
dolzinnige dwepers, die hun leven aan de bevordering van den Godsdienst
toewijden--ongeveer gelijk de Tempeliers--alleen weet men niet,
dat zij ooit halverwege hunne roeping blijven staan."

"Scherts niet", hernam de monnik ernstig. "Verneem, dat een van deze
lieden, in zijne bloedige gelofte, den naam van dien eiland-Keizer
heeft genoemd, om hem als den hoofdvijand van het Mahomedaansch geloof
neer te houwen."

"Een zeer oordeelkundig Heiden, zeide Koenraad. "Mahomed schenke hem
zijn paradijs tot belooning!"

"Hij werd door een van onze knapen in het kamp gevat, en, in een
bijzonder verhoor, bekende hij mij zijn vast en bepaald voornemen."

"Nu vergeve de Hemel degenen, welke het voornemen van dezen zeer
verstandigen Charegiet belet hebben", antwoordde Koenraad.

"Hij is mijn gevangene," voegde de Tempelier er bij, "en van allen
omgang met anderen afgesloten, zooals gij begrijpen kunt--maar de
gevangenissen zijn wel eens opengebroken."

"De ketenen afgeworpen, en gevangenen ontsnapt--" hervatte de
markies. "Er is een oud spreekwoord dat zegt: er is geene zekere
gevangenis, behalve het graf."

"Als hij los is, hervat hij zijn streven--want het is de aard van deze
soort van bloedhonden, dat zij nooit het spoor verlaten van de prooi,
die zij eens geroken nebben."

"Zeg er niets meer van", zeide de markies; "ik doorzie uwe
staatkunde--zij is verschrikkelijk, maar de nood is dringend."

"Ik heb u dit alleen gezegd, opdat gij op uwe hoede mocht zijn,
want het oproer zal verschrikkelijk wezen: en men weet niet, op
wien de Engelschen hunne woede zullen koelen.--En er is nog een
ander gevaar--mijn page is van de besluiten van dezen Charegiet
onderricht," vervolgde de Tempelier; "en bovendien is hij een
gevoelige, eigenzinnige gek, van wien ik wel wenschte ontslagen te
zijn, daar hij mij dwarsboomt, omdat hij door zijne eigen oogen
en niet door de mijne wil zien. Maar onze heilige orde geeft mij
de kracht om zulk een ongemak te verhelpen. Of wacht--de Sarraceen
kan een goede dolk in zijne cel vinden, en ik sta er voor in, dat
hij dien gebruikt, als hij uitbreekt, hetgeen zeker zal gebeuren,
zoodra de page met zijn voedsel binnentreedt."

"Het zal aan de zaak eene kleur geven", zeide Koenraad; "echter...."

"Echter en maar", hervatte de Tempelier, "zijn woorden voor dwazen;
wijze lieden aarzelen niet en treden niet terug; zij besluiten en
voeren uit."



HOOFDSTUK XX.

                    Als de leeuw, in de wetten der schoonheid gevangen
                    Deemoedig den kop buigt, zijn manen laat hangen
                    Zijn klauw zijne macht op den vijand verzaakt,
                    Wordt Hercules knots tot een spinrok gemaakt
                    En spint hij terwil van Omphale.

                                                                Anonymus


Toen Richard, die, zonder het te vermoeden, het voorwerp was van het
zwarte verraad, dat wij aan het einde van het vorige hoofdstuk verhaald
hebben, voor het oogenblik althans, de zegepralende vereeniging van
de ten kruistocht getrokken vorsten bewerkstelligd had, ten einde
den oorlog met kracht voort te zetten, was zijne eerste zorg om de
rust in zijn eigen huisgezin te herstellen. Nu hij bedaarder kon
oordeelen, wilde hij nauwkeurig de omstandigheden onderzoeken, die
tot het verlies van zijne banier aanleiding gegeven hadden, alsmede
den aard en de mate van verstandhouding tusschen zijne bloedverwante
Edith en den verbannen Schotschen avonturier.

Met dit doel werden de Koningin en hare hofdames door een bezoek van
sir Thomas de Vaux verschrikt, die verzocht, dat lady Calista van
Montgaillard, de eerste kamerdame der Koningin, terstond bij Koning
Richard zou verschijnen.

"Wat zal ik zeggen, Mevrouw?" vroeg de sidderende freule de
Koningin. "Hij zal ons allen vermoorden."

"Vrees niet freule," antwoordde de Vaux. "Zijne Majesteit heeft het
leven van den grootsten beleediger, den Schotschen ridder, gespaard en
hem aan den Moorschen geneesheer ten geschenke gegeven--hij zal niet
streng jegens eene dame zijn, al heeft zij ook een misslag begaan."

"Bedenk eenig listig verhaal meisje," zeide Berengaria. "Mijn gemaal
heeft te weinig tijd, om onderzoek naar de waarheid te doen."

"Verhaal het voorval, zoo als het werkelijk geschied is," zeide Edith,
"of ik verhaal het voor u."

"Met de genadige toestemming van Uwe Majesteit," hernam de Vaux,
"mij dunkt lady Edith geeft een goeden raad; want ofschoon Koning
Richard wel wil gelooven, al wat uwe Genade behaagt hem te zeggen,
betwijfel ik het toch, of hij dezelfde inschikkelijkheid voor lady
Calista zal hebben, en inzonderheid in deze zaak."

"Mylord van Gilsland heeft gelijk," hervatte lady Calista, zeer
ongerust over het onderzoek, dat plaats zou hebben; "en bovendien, al
had ik tegenwoordigheid van geest om eene waarschijnlijke geschiedenis
te smeden, toch zou ik, op mijn woord, den moed niet hebben, om die
te verhalen."

In deze oprechte stemming werd lady Calista door de Vaux naar den
Koning geleid, en hier legde zij, zoo als zij zich had voorgenomen,
eene volledige bekentenis af omtrent het middel waardoor de
ongelukkigen ridder van den Luipaard overgehaald was, om zijn post
te verlaten. Zij verontschuldigde lady Edith, die, zoo als zij wel
begreep, niet in gebreke zou blijven zich zelve te verschoonen,
en legde den vollen last op de Koningin, hare meesteres, wier deel
in de grap, zoo als zij wel wist, het meest vergeeflijk in de oogen
van Leeuwenhart zou schijnen. Inderdaad was Richard een liefhebbend,
ja bijna een verwijfd echtgenoot. De eerste uitbarsting van zijne
gramschap was sinds lang voorbij, en hij was niet genegen om streng te
berispen, wat niet meer veranderd kon worden. De listige lady Calista,
die van hare vroegste kindsheid af gewoon was om de intriges van
een hof op te diepen, en de blijken van den wil van een vorst gade
te slaan, ijlde met de snelheid van een kieviet naar de Koningin
terug, belast met des Konings bevelen, dat zij weldra een bezoek
van hem te verwachten had. Hierbij voegde de hofdame een verklaring,
op hare eigen opmerking gegrond, strekkende, om aan te toonen, dat
Richard juist zoo veel gestrengheid wenschte te behouden, dat het
zijne koninklijke gemalin tot berouw over hare scherts kon brengen,
en dan zijne genadige vergiffenis uit te strekken over haar en alle,
die daaraan deel genomen hadden.

"Waait de wind uit dien hoek, meisje," riep de Koningin, door deze
boodschap vrij wat verlicht, "geloof mij, dat, hoe groot veldheer
Richard ook is, hij het moeilijk zal vinden, om ons in deze zaak
schrik aan te jagen; en dat, zoo als de herders in de Pyreneën van
mijn vaderland gewoon zijn te zeggen, menig een om de wol komt,
en geschoren weder heen gaat."

Koningin Berengaria, na zich van al hetgeen Calista haar zeggen kon,
op de hoogte te hebben gesteld, kleedde zich in het gewaad, dat haar
het best stond, en wachtte met vertrouwen de komst van den heldhaftigen
Richard af.

Hij kwam en bevond zich in den toestand van een vorst, die in een
gewest komt, dat hem beleedigd heeft, in het vertrouwen, dat hij
slechts een verwijt zal behoeven uit te spreken, en de betuiging
van zijne onderwerping te ontvangen, wanneer hij het onverwacht in
een toestand van volkomen wantrouwen en oproer vindt. Berengaria
kende zeer goed de macht van hare bekoorlijkheden, en de grootheid
van Richard's liefde, en zij was zeker, dat zij een goed verdrag
sluiten zou, zoodra de eerste vreeselijke uitbarsting van zijn toorn
zonder nadeel zou doorstaan zijn. Wel verre van te luisteren naar het
voorgenomen verwijt van den Koning, dat de lichtvaardigheid van haar
gedrag met recht verdiend had, verontschuldigde, ja verdedigde zij
zelfs, als eene onschuldige grap, de daad waarvan zij beschuldigd
werd. Zij ontkende inderdaad, met vele fraaie wendingen, dat zij
Nebectamus bepaald bevolen had, om den ridder verder te lokken dan
tot den rand van den heuvel, waarop hij de wacht hield--en dit was
ook inderdaad in zoo ver waar, dat zij niet voornemens geweest was, om
sir Kenneth in hare tent te doen brengen.--Was zij reeds welsprekend
in het voordragen van hare verdediging, de Koningin was dit nog veel
meer, toen zij Richard onvriendelijkheid ten laste legde, omdat hij
haar zulk een gering geschenk, als het leven van een ongelukkigen
ridder geweigerd had, die, door hare ondoordachte grap, aan de straf
van de krijgswet was blootgesteld. Zij weende en snikte, terwijl
zij over de hardnekkigheid van haar gemaal in dit opzicht uitweidde,
als eene gestrengheid, die haar voor haar geheele leven ongelukkig
zou hebben gemaakt, zoo dikwijls zij er aan denken zou, dat zij
onopzettelijk van verre de aanleidende oorzaak tot zulk een treurspel
gegeven had. Het gezicht van het vermoorde slachtoffer zou haar in
hare droomen beangstigd hebben--zelfs kon, voor zoo ver zij wist,
daar zulke dingen dikwijls gebeurden, terwijl zij waakte, zijn geest
wezenlijk bij hare sponde gestaan hebben. Aan al deze kwellingen des
gemoeds was zij alleen blootgesteld door de gestrengheid van een man,
die, terwijl hij voorgaf door haar minsten blik betooverd te worden,
eene daad van ellendige wraak niet wilde nalaten, al moest de uitslag
haar dan ook ongelukkig maken.

Deze geheele stroom van vrouwelijke welsprekendheid ging met de gewone
argumenten van tranen en zuchten gepaard, en werd op zulk een toon en
met zulke gebaren geuit, dat zij schenen te bewijzen, dat de gramschap
van de Koningin noch uit hoogmoed noch uit kwade luim sproot, maar uit
het gekrenkt gevoel, dat zij door haar echtgenoot minder werd geschat,
dan zij verwacht had.

De goede Koning Richard was in de hoogste mate verlegen. Hij trachtte
te vergeefs met eene vrouw te redeneeren, die zooveel van hem hield,
dat zij niet in staat was, om naar bewijzen te luisteren. Ook kon
hij niet over zich verkrijgen om zijn wettig gezag te doen gelden
tegen zulk een schoon wezen, bij haar onverstandig misnoegen. Hij
werd daarom genoodzaakt, verdedigender wijze te werk te gaan; hij
trachtte door zachte woorden haar achterdocht uit den weg te ruimen,
en haar ongenoegen tot kalmte te brengen, en herinnerde haar, dat
zij niet op het verledene met gedachten van berouw of bovenmatige
vrees behoefde terug te zien, daar sir Kenneth leefde en behouden
was, en hij hem aan den grooten Arabischen geneesheer geschonken
had, die zeker beter dan eenig mensch zou weten hem in het leven te
houden. Maar dit scheen de felste wonde van allen, en de smart der
Koningin werd vernieuwd door het denkbeeld, dat een Sarraceen--een
geneesheer--een geschenk ontvangen had, waarvoor zij blootshoofds
en met gebogen knie haar gemaal te vergeefs gesmeekt had. Bij deze
nieuwe beschuldiging begon Richard bijna het geduld te verliezen,
en hij zeide op ernstigen toon: "Berengaria, die geneesheer redde mij
het leven. Zoo dit van eenige waarde in uwe oogen is, zult gij hem de
eenige belooning niet benijden, die ik hem bewegen kon aan te nemen."

De Koningin was bevredigd, daar zij haar misnoegen tot op de uiterste
grenzen van hare veiligheid gedreven had.

"Mijn Richard," zeide zij, "waarom hebt gij dien wijzen man niet bij
mij gebracht, opdat Engeland's Koningin toonen kon, hoe zij den man
achtte, die de lamp der ridderschap, den roem van Engeland en het licht
van het leven en de hoop der arme Berengaria van den dood kon redden?"

Hiermede was de huwelijkstwist ten einde; maar opdat de gerechtigheid
toch voldaan zou worden, kwamen de Koning en de Koningin overeen,
om de geheele schuld op den bode Nebectamus te leggen, die--daar de
Koningin zijne grappen moede begon te worden--met zijne koninklijke
echtgenoote Guenevra veroordeeld werd, om van het hof verbannen te
worden. De ongelukkige dwerg ontging eene andere kastijding alleen
door de verzekering der Koningin, dat hij reeds eene lichamelijke
straf ondergaan had. Er werd verder besloten, dat, daar er binnen kort
een afgevaardigde van den raad, om de vijandelijkheden te hervatten,
zoodra de wapenstilstand ten einde was, en Richard voornemens was den
Sultan een geschenk van waarde te zenden, uit erkentelijkheid voor de
hooge weldaad, die hij van de diensten van El Hakim ontvangen had,
de twee ongelukkige schepsels als rariteiten daarbij gevoegd zouden
worden. En inderdaad waren zij door hun zeer zonderling voorkomen
en den treurigen toestand van hun verstand, geschenken, die zeer wel
door den eenen vorst aan den anderen konden gedaan worden.

Richard had dien dag nog een anderen vrouwelijken storm te
doorstaan; maar hij ging dien in vergelijking met den vorigen
met onverschilligheid te gemoet. Want mocht Edith schoon zijn en
door haren koninklijken bloedverwant hoog geschat worden,--ja, had
zij door zijne onrechtvaardige vermoedens inderdaad de beleediging
geleden, waarover Berengaria slechts veinsde te klagen, zij was noch
Richard's gemalin noch zijne beminde, en hij vreesde hare verwijten,
ofschoon op rede gegrond, minder dan die der Koningin, al waren deze
onrechtvaardig en hersenschimmig. Toen hij haar het verzoek had doen
toekomen, om haar alleen te spreken, werd hij in haar vertrek geleid,
aan dat der Koningin grenzende, terwijl twee Koptische slavinnen
gedurende de bijeenkomst in den uitersten hoek op hare knieën bleven
liggen. Een dunne zwarte sluier hulde in zijne ruime plooi de ranke en
schoone gedaante der hooggeboren maagd, en zij droeg geen vrouwelijk
sieraad van welken aard ook. Zij stond op en maakte een diepe neiging,
toen Richard binnentrad, daarop hernam zij hare plaats op zijn bevel,
en wachtte, toen hij zich naast haar neergezet had, zonder een woord
te uiten, totdat hij haar daartoe verlof zou geven.

Richard, wiens gewoonte het was, vertrouwelijk met Edith te zijn,
zoo als hunne bloedverwantschap medebracht, voelde dat deze ontvangst
koel was, en opende het gesprek met eenige verlegenheid.

"Onze schoone nicht," zeide hij eindelijk, "is boos op ons; en wij
bekennen, dat ernstige omstandigheden ons bewogen hebben, om haar,
zonder grond, van een daad te verdenken, die geheel in strijd was met
het gedrag haar leven lang door haar gevolgd. Maar zoo lang wij in
dit nevelig dal der menschheid wandelen, zullen wij schaduwen voor
wezenlijke dingen houden. Kan mijne schoone nicht haar eenigszins
heftigen bloedverwant, Richard, niet vergeven?"

"Wie kan vergeving aan Richard weigeren," antwoordde Edith, "als
Richard vergiffenis van den Koning kan krijgen?"

"Kom, nicht," hernam Leeuwenhart, "dit is alles te plechtstatig. Bij
onze heilige Maagd, zulk een droefgeestig gelaat!--En deze ruime zwarte
sluier zou de menschen doen denken, dat gij eerst onlangs weduwe
geworden waart, of ten minste een verloofde verloren hadt. Schep
moed--gij hebt zeker gehoord, dat er geene wezenlijke reden tot
droefheid is.--Waarom draagt gij dan het kleed van rouw?"

"Voor de verloren eer van Plantagenet--voor den roem, die het huis
mijns vaders verlaten heeft."

Richard fronste het voorhoofd. "Verloren eer! Roem, die het huis
mijns vaders verlaten heeft!"--herhaalde hij toornig; "maar onze
nicht Edith heeft een vrijbrief. Ik heb haar te haastig beoordeeld;
zij heeft derhalve een recht om zeer streng over mij te oordeelen. Maar
zeg mij ten minste; waarin ik gefeild heb."

"Plantagenet," antwoordde Edith, "moest eene beleediging vergeven
of gestraft hebben. Het past hem niet vrije mannen, Christenen en
dappere ridders tot de boeien der ongeloovigen te veroordeelen. Het
past hem niet, het leven bij verdrag te schenken of te verruilen tegen
het verlies der vrijheid. Den ongelukkige ter dood veroordeeld te
hebben, kon gestrengheid geweest zijn, maar het had nog een zweem van
gerechtigheid gehad; hem tot slavernij en ballingschap te verwijzen,
was bepaalde dwingelandij."

"Ik zie, lieve nicht," hervatte Richard, "dat gij eene van die
schoonen zijt, die een afgewezen minnaar met geen of met een doode
gelijk stellen. Heb geduld; een tiental lichte ruiters kunnen hem
nog volgen en de dwaling goed maken, zoo uw minnaar nog een of ander
geheim in bewaring heeft, dat zijn dood wenschelijker mocht maken
dan zijne verbanning."

"Zwijg met uwe laffe scherts!" hernam Edith, hoog blozende.--"Bedenk
veeleer, dat gij, om uwe blinde drift voldoening te geven, een gezond
lid van deze groote onderneming afgesneden, het kruis van een zijner
dapperste verdedigers beroofd, en een dienaar van den waren God in
de handen der Heidenen geleverd hebt; dat gij aan gemoederen, die
even kwaaddenkend, als gij het uwe bij deze gelegenheid getoond hebt,
eenig recht hebt gegeven, om te zeggen, dat Richard Leeuwenhart den
dappersten krijgsman uit zijn leger verbannen heeft, uit vrees dat
die naam in den slag den zijnen mocht evenaren."

"Ik--ik!" riep Richard, nu inderdaad zeer ontroerd--"ben ik de man er
naar, om ijverzuchtig op roem te zijn?--Ik wilde, dat hij hier ware,
om zulk eene verzekering tegen mij vol te houden. Ik zou rang en kroon
er aan geven, en hem als man in het strijdperk ontmoeten, opdat het
blijken mocht, of Richard Plantagenet reden had de dapperheid van een
sterveling te vreezen of te benijden. Kom, Edith, gij denkt niet,
zooals gij spreekt. Laat toorn of verdriet over de afwezigheid van
uw minnaar u niet onbillijk maken jegens uw bloedverwant, die, in
weerwil van uw grilligheid, uwe goedkeuring even hoog schat als die
van eenig mensch ter wereld."

"De afwezigheid van mijn minnaar?" herhaalde lady Edith. "Maar
ja--hij mag wel mijn minnaar genoemd worden, daar hij dien naam zoo
duur betaald heeft. Hoe onwaardig ik die hulde ook was, toch was ik
voor hem, als een licht, dat hem voorwaarts leidde op het pad der
ridderschap; maar dat ik mijn rang vergat, of dat hij zijne eerzucht
boven den zijnen verhief, dit is valsch, al zeide het ook een Koning."

"Lieve nicht", antwoordde Richard, "leg mij geen woorden in den mond,
die ik niet gesproken heb. Ik zeide niet, dat gij dezen man meer
gunst hadt bewezen dan een goed ridder oogsten mag, zelfs van eene
prinses, welke dan ook zijn afkomst zij. Maar bij onze lieve Vrouw,
ik weet iets van de hoop der liefde--zij begint met stommen eerbied en
verwijderde betuiging van achting; maar, wanneer de gelegenheden zich
opdoen, neemt de vertrouwelijkheid toe, en zoo.... maar het baat niet
met iemand te spreken, die zich wijzer acht dan de geheele wereld."

"Ik luister gaarne naar den raad van mijn bloedverwant," hervatte
Edith, "wanneer deze geene beleediging voor mijn rang en mijn karakter
bevat."

"Koningen, schoone nicht, raden niet, maar bevelen veeleer," hernam
Richard.

"Sultans bevelen, zeker," zeide Edith, "maar het is, omdat zij over
slaven heerschen."

"Nu, gij kondt wel leeren, deze minachting van het Sultanschap af
te leggen, daar gij zoo veel van een Schot houdt," antwoordde de
Koning. "Ik houdt Saladin voor getrouwer aan zijn woord, dan dien
Willem van Schotland, die bepaald een Leeuw moet genoemd worden;--hij
heeft mij valschelijk bedrogen, door mij de beloofde hulptroepen niet
te zenden. Laat ik u zeggen, Edith, gij kunt nog beleven, dat gij de
voorkeur geeft aan een getrouwen Turk boven een valschen Schot."

"Neen--nooit," hernam Edith--"Richard zelf zou den valschen godsdienst
niet aannemen, tot welks verdelging uit Palestina hij over de zee
getrokken is."

"Gij wilt het laatste woord hebben," hervatte Richard, "en gij zult het
hebben. Denk van mij wat gij wilt, lieve Edith. Ik zal niet vergeten,
dat uw vader mijn broeder was."

Dit zeggende nam hij beleefd afscheid van haar, maar zeer weinig
voldaan over den uitslag van zijn bezoek.

Het was de vierde dag, nadat sir Kenneth uit het leger was ontslagen,
en Koning Richard zat in zijne tent, eene westelijke avondkoelte
genietende, die met ongewone frischheid op haar wieken, uit het
vroolijke Engeland scheen over te waaien tot verfrissching van zijn
avontuurlijken monarch, terwijl hij geleidelijk de volle kracht
terugkreeg, die noodig was om zijn reusachtig plan ten uitvoer te
brengen. Er was geen mensch bij hem, daar de Vaux naar Ascalon was
gezonden, om versterking en nieuwen voorraad van krijgsbehoeften te
halen, en de meeste van zijn overige volgelingen in verscheidene
betrekkingen bezig waren, daar allen zich voorbereidden op de
naderende heropening der vijandelijkheden, en voor eene groote daaraan
voorafgaande wapenschouwing van het leger der kruisvaarders, welke
den volgenden dag plaats zou hebben. De Koning zat te luisteren naar
het bedrijvig gedruisch der soldaten, het gekletter uit de smederijen,
waar de hoefijzers gemaakt werden, en uit de tenten der wapensmeden die
de wapenrustingen herstelden. De stem der soldaten was onder het heen-
en weergaan luid en vroolijk, en getuigde van hoogen en opgewekten
moed, en een voorteeken van naderende overwinning. Terwijl Richard
deze tonen met genot inzwolg en zich overgaf aan de vizioenen van
verovering en roem, die ze opleverden, zeide hem een stalbediende,
dat er buiten een bode van Saladin stond.

"Laat hem dadelijk binnen," sprak de Koning, "en met verschuldigde
eer, Joseline."

De Engelsche ridder voerde daarop een man binnen, die, naar het scheen,
van geen hoogeren rang scheen, dan een Nubischen slaaf, wiens voorkomen
echter hoogst belangwekkend was. Hij was van eene prachtige gestalte
en edel gevormd, en zijn trotsche trekken, ofschoon bijna gitzwart,
herinnerden in niets aan eene Neger-afkomst. Hij droeg over zijne
koolzwarte lokken een sneeuwwitten tulband, en over zijn schouders
een korten mantel van dezelfde kleur, open van voren en bij de mouwen,
waaronder een wambuis van bereide luipaarden-huid te voorschijn kwam,
dat een handbreed boven de knie reikte. Het overige van zijne gespierde
leden, zoowel beenen als armen, was bloot, behalve dat hij sandalen
aan de voeten, en een halsband en armbanden van zilver had. Een
recht, breed zwaard met een gevest van ebbenhout, en eene scheede,
die met eene slangenhuid bekleed was, hing om zijn middel. In zijne
rechterhand hield hij eene korte werpspies, met eenen breeden, stalen
kop, eene span lang, en in zijne linker leidde hij aan eene snoer
van zijde en goud gevlochten, een grooten, edelen jachthond.

De bode boog zich, terzelfder tijd zijne schouders tot een teeken
van vernedering gedeeltelijk ontblootende. Na den grond met zijn
voorhoofd aangeraakt te hebben, stond hij zoover op, dat hij op de
eene knie rustte, terwijl hij den Koning een zijden doek overhandigde,
waarin een andere van goudlaken was gewikkeld. Deze bevatte een brief
van Saladin in het oorspronkelijke Arabisch, met eene vertaling in
het Normandisch-Engelsch, die aldus in de hedendaagsche taal kan
overgebracht worden:

"Saladin, Koning der Koningen, aan Melec Ric, den Leeuw van
Engeland. Doordien wij door uwe laatste boodschap kennis hebben
bekomen, dat gij den oorlog boven den vrede verkozen hebt, en onze
vijandschap boven onze vriendschap, zoo houden wij u voor verblind
in deze zaak, en vertrouwen u spoedig van uwe dwaling te overtuigen,
door de hulp van onze onoverwinlijke macht van de duizend stemmen,
wanneer Mahomed, de Profeet van God, en Allah, de God van den Profeet,
den twist tusschen ons zullen beslissen. Voor het overige schatten
wij u hoog, alsmede de giften, die gij ons gezonden hebt, en vooral
de twee dwergen, zonderling in hunne mismaaktheid als Esophus, en
vroolijk als de luit van Isaäk. En tot vergelding van deze blijken
uit de schatkamer van uwe goedheid, hebben wij u een Nubischen slaaf,
Zohauk genaamd, gezonden, dien gij niet naar zijne kleur beoordeelen
moet, op de wijze van de dwazen der aarde, aangezien de vruchten met
zware schil de heerlijkste geur hebben. Verneem, dat hij sterk is, om
den wil van zijn meester te volvoeren, gelijk Rustan van Zablestan;
ook is hij wijs in het geven van raad, wanneer gij leeren zult, om
verkeering met hem te hebben, want de Heer der spraak heeft hem met
stilzwijgen getroffen tusschen de ivoren muren van zijn gehemelte. Wij
bevelen hem aan uwe zorg, hopende, dat het uur niet ver af moge zijn,
dat hij u een goeden dienst bewijst. En hiermede zeggen wij u vaarwel;
vertrouwende, dat onze allerheiligste Profeet u nog tot het aanschouwen
der waarheid zal roepen. En zoo deze verlichting niet mocht komen, dan
is onze wensch voor het spoedig herstel van uwe koninklijke gezondheid,
opdat Allah tusschen u en ons op een open terrein moge beslissen."

De brief was door de onderteekening en het zegel van den Sultan
bekrachtigd.

Richard wierp een zwijgenden blik op den Nubiër, die vóór hem
stond, met de oogen op den grond geslagen, de armen over zijne borst
gekruist, met het voorkomen van een zwart marmeren standbeeld van het
uitgezochtste maaksel, het leven van de aanraking van een Prometheus
verbiedende. De Koning van Engeland, die, zoo als men nadrukkelijk
van zijn opvolger, Hendrik VIII, zeide, gaarne een man mocht aanzien,
vond veel behagen in de spieren, zenuwen en geëvenredigden bouw van
den man, dien hij thans beschouwde, en vroeg hem in de Lingua Franca:
"Zijt gij een Heiden?"

De slaaf schudde het hoofd, en zijn vinger aan zijn voorhoofd
brengende, maakte hij een kruis ten teeken, dat hij Christen was;
daarop hernam hij zijne houding van onbewegelijke nederigheid.

"Een Nubisch Christen, zonder twijfel," zeide Richard, "en van het
spraakvermogen beroofd door deze heidensche honden?"

De stomme schudde wederom langzaam het hoofd, ten teeken van
ontkenning, wees met zijn voorsten vinger naar den Hemel, en legde
dien toen op zijn lippen.

"Ik versta u," zeide Richard, "gij lijdt onder de straf van God,
en niet door de wreedheid der menschen. Kunt gij eene wapenrusting
en een zwaardriem schoon maken, en in tijd van nood toegespen?"

De stomme knikte, en naar den maliënkolder stappende, welke met het
schild en den helm van den ridderlijken monarch, aan een pilaar van
de tent hing, behandelde hij deze voorwerpen met zulk eene netheid
en zoo behendig, dat genoegzaam bleek, dat hij het werk van een
wapendienaar volkomen verstond.

"Gij zijt een handige knaap," zeide de Koning, "en gij zult zeker
van nut zijn--gij zult in mijne kamer en bij mijn persoon de wacht
houden, als een bewijs, hoe hoog ik de gift van den koninklijken
sultan schat. Indien gij geen tong hebt, volgt daaruit, dat gij
geene vertelsels kunt overbrengen, en mij ook niet in drift zult doen
ontsteken door een niet passend antwoord."

De Nubiër boog zich andermaal, zóódat zijn voorhoofd de aarde
aanraakte, en bleef toen rechtop staan op eenige schreden afstand,
alsof hij op de bevelen van zijn nieuwen meester wachtte.

"Nu, gij zult uw dienst dadelijk beginnen," zeide Richard, "want ik
zie een vlek roest op dat schilt schemeren; en wanneer ik het in het
gelaat van Saladin zwaai, moet het schitterend en onbezoedeld zijn,
gelijk de eer zelve van den Sultan."

Er werd buiten op een horen geblazen, en dadelijk daarop kwam sir
Henry Neville met eenige dépêches binnen.--"Van Engeland, Mylord,"
zeide hij bij het overhandigen.

"Van Engeland--ons eigen Engeland!" antwoordde Richard op een toon
van droefgeestige verrukking.--"Helaas! zij denken er weinig aan,
hoeveel hun vorst door ziekte en smart te lijden heeft gehad--flauwe
vrienden en stoute vijanden." Toen, de dépêches openende, zeide hij
haastig: "Ha! dat komt uit geen vreedzaam land--zij hebben ook hunne
twisten.--Neville, ga heen.--Ik moet deze tijdingen alleen en op mijn
gemak doorlezen."

Neville verwijderde zich, en Richard was weldra verdiept in de
treurige tijdingen, die hem uit Engeland geworden waren, omtrent de
partijschappen, welke zijne erf-Staten verscheurden--de oneenigheid
tusschen zijne broeders, Jan en Godfried, en de geschillen van
beiden met den opperrichter, Longchamp, bisschop van Ely,--de
verdrukking der landlieden door de edelen en het oproer der eersten
tegen hunne meesters, wat overal tooneelen van tweedracht, en in
sommige gevallen bloedige botsingen veroorzaakt had. Berichten van
voorvallen, krenkend voor zijn hoogmoed, en ingrijpend in zijn gezag,
waren vermengd met den ernstigen raad van zijne verstandigste en het
meest aan hem gehechte raadslieden, dat hij dadelijk naar Engeland
moest terugkeeren, daar zijne vertegenwoordigheid het eenige redmiddel
was, om het koninkrijk van alle ijselijkheden van een burgeroorlog te
redden, waarvan Frankrijk en Schotland waarschijnlijk voordeel zouden
trekken. Vervuld met de pijnlijkste vrees, las en herlas Richard de
onheilspellende brieven, vergeleek de berichten, die eenige ervan
bevatten met dezelfde feiten, verschillend meegedeeld in andere, en
hij werd spoedig geheel ongevoelig voor hetgeen rondom hem voorviel,
ofschoon hij wegens de koelheid dicht nabij den ingang van zijne tent
zat, en de gordijnen had teruggetrokken, zoodat hij zien kon en gezien
worden door de wachten en anderen, die buiten stonden.

Dieper in de schaduw van de tent en bezig met de taak, die zijn
nieuwe meester hem opgedragen had, zat de Nubische slaaf, met den rug
naar den Koning gekeerd. Zoo even was hij met het in orde brengen,
en polijsten van het borstharnas en ander staalwerk gereed gekomen,
en was thans ijverig bezig met een breed schild van ongewone grootte,
en met stalen platen belegd, dat Richard dikwijls gebruikte bij het
verkennen of bestormen van versterkte plaatsen, als eene krachtiger
bescherming tegen werpspiesen, dan het smalle driehoekige schild,
dat te paard gebruikt werd. Dit schild droeg noch de koninklijke
leeuwen van Engeland noch eenig ander teeken, om niet de aandacht van
de verdedigers der muren, waartegen het gebruikt werd, te trekken;
de zorg van den wapensmid had zich daarom bepaald om de oppervlakte
ervan zoo helder als kristal te doen schitteren, en hierin scheen hij
bijzonder geslaagd te zijn. Naast den Nubiër, en nauwelijks zichtbaar
van buiten, lag de groote hond, die zijn medeslaaf kon genoemd worden,
en die als het ware beschroomd was nu hij een koninklijken eigenaar
had gekregen. Hij lag dicht aan de zijde van den stomme, met kop
en ooren op den grond, en zijne pooten en staart gebogen en onder
zich getrokken.

Terwijl de monarch en zijn nieuwe dienaar aldus bezig waren, trad
een nieuw medespeler op het tooneel, en mengde zich onder den troep
Engelsche landslieden, van wie ongeveer een twintigtal, uit achting
voor de niet gewone peinzende en zwijgende houding van hun Koning,
tegen hunne gewoonte in, stilte wacht vóór zijne tent hielden. Die
wacht was echter niet waakzamer dan gewoonlijk. Eenigen van hen
speelden hazard met keisteentjes, anderen fluisterden met elkander
over den naderenden strijd, en verscheidenen van hen lagen te slapen,
hunne half gekleede lichamen in hunne groene mantels gewikkeld.

Tusschen deze zorglooze wachters door gleed de onaanzienlijke gestalte
van een kleinen ouden Turk, armoedig gekleed, gelijk een marabout of
santon van de woestijn, eene soort van dwepers, die zich somtijds
in de legerplaats der kruisvaarders waagden, ofschoon zij altijd
met verachting, en somtijds met geweld behandeld werden. De weelde
en ongebonden toegevendheid der Christen aanvoerders had dan ook in
hunne tenten een bonten samenloop gelokt van muzikanten, kunstemakers
en Joodsche kooplieden, Kopten, Turken en allerlei uitvaagsel
der Oostersche natiën, zoodat de kaftan en de tulband volstrekt
geen ongewone verschijning in de legerplaats der kruisvaarders
waren, ofschoon het duidelijk voornemen van den krijgstocht was,
om beide uit het heilige Land te verdrijven. Toen echter de kleine,
onbeduidende gestalte, die wij beschreven hebben, zoo nabij kwam,
dat hij eenige belemmering van de wacht ontmoette, wierp hij zijn
morsigen groenen tulband van het hoofd, toonde, dat zijn baard en
zijne wenkbrauwen geschoren waren, als die van een nar van beroep,
en dat de uitdrukking van zijne zonderlinge en verweerde trekken,
zoowel als van zijne kleine zwarte oogen, die schitterden als gitten,
getuigden van een kranken geest.

"Dans, marabout," riepen de soldaten, bekend met de zeden van deze
zwervende dwepers--"dans, of wij zullen u met onze boogstangen
geeselen, totdat gij u ronddraait als een tol."--Zoo schreeuwden
de onbarmhartige wachten, even verheugd een voorwerp tot plagen te
hebben, als een kind, als het een vlinder vangt, of een schooljongen,
als hij een vogelnest ontdekt.

De marabout scheen gelukkig, hun genoegen te kunnen geven; hij
sprong van den grond op, en draaide duizelingwekkend voor hen rond
met eene ongekende behendigheid. Dit deed hem, in verband met zijn
ellendig en uitgeteerd voorkomen, en zijne kleine gestalte op een
verdord blad gelijken, dat naar welgevallen door een winterstorm
wordt rondgeslingerd. Zijn enkele bos haar vloog opwaarts van zijn
kaal geschoren hoofd, alsof geesten hem daarbij staande hielden,
en inderdaad scheen het of eene bovennatuurlijke kunst noodig was
tot de uitvoering van den wilden wervel dans, waarbij men nauwelijks
de punten van de teenen des dansers den grond zag raken. Onder de
rondzwervingen van zijne kunstvertooning vloog hij her- en derwaarts,
van de eene plek naar de andere, terwijl hij intusschen, ofschoon
bijna onmerkbaar, den ingang van de koninklijke tent naderde, zoodat,
toen hij eindelijk uitgeput ter aarde zonk, na twee of drie sprongen,
die nog hooger waren dan die, welke hij tot nog toe had gemaakt, hij
niet meer dan dertig meter van den persoon des Konings was verwijderd.

"Geef hem water," zeide de eene soldaat; "zij begeeren altijd een
dronk na hun luchtigen dans."

"Ei, water, zegt gij, Lange Allen?--" riep een ander boogschutter tot
antwoord; "hoe zoudt gij zelf zulk een drank vinden na zulk een dans?"

"Ik mag des duivels zijn, als hij hier een droppel water krijgt,"
zeide een derde. "Wij zullen den ouden ongeloovige met zijn lichte
voeten leeren, een goed Christen te worden en Cyprus wijn te drinken."

"Ja, ja," zeide een vierde; "en als hij koppig is, haal dan den horen
van Dick Hunter, waarmede hij zijne merrie drenkt."

Een kring vormde zich oogenblikkelijk rondom den liggenden en
uitgeputten dervisch, en terwijl een krachtig krijgsman zijn zwak
lichaam van den grond opbeurde, bood een ander hem eene groote flesch
wijn aan. De oude man, die niet in staat was om te spreken, schudde met
het hoofd, en wees met de hand den door den Profeet verboden drank af;
maar zijne kwelgeesten waren niet op die wijze te bevredigen.

"De horen, de horen!" riep een. "Er is weinig verschil tusschen een
Turk en een Turksch paard, en wij willen hem als zoodanig behandelen."

"Bij St. George, gij zult hem doen stikken!" zeide Lange Allen; "en
bovendien is het eene zonde aan een heidenschen hond zoo veel wijn
weg te werpen, als een goed Christen voor een drievoudige nachtdronk
zou dienen."

"Gij kent den aard van deze Turken en heidenen niet, Lange
Allen." hernam Hendrik Woodstall; "ik zeg u, man, dat deze flesch
Cypruswijn zijne hersens aan het draaien zal brengen, juist in de
tegenovergestelde richting, als zij onder het dansen dwarrelden,
en hem op die manier, als het ware, weder tot zich zelven zal
brengen.--Stikken? Hij zal er niet meer van stikken, als Benjamins
zwarte teef van het pond boter."

"En het hem te misgunnen," zeide Thomalin Blacklees, "waarom zoudt gij
den armen heidenschen duivel een droppel drinken op aarde misgunnen,
daar gij weet, dat hij geen droppel zal krijgen, om de punt van zijn
tong te verkoelen gedurende eene lange eeuwigheid."

"Dat zouden harde wetten zijn, ziet gij," zeide Lange Allen, "alleen
omdat hij een Turk is, zoo als zijn vader vóór hem was. Ware hij van
een Christen heiden geworden, dan stem ik u toe, dat de heetste hoek
een goed kwartier voor hem geweest was."

"Houd je stil, Lange Allen," zeide Hendrik Woodstall, "ik zeg je,
dat je tong niet het kortste lid van je is, en ik voorspel dat die
je in ongenade zal brengen bij vader Franciscus, zoo als eens bij de
zwartoogige Syrische meid.--Maar hier komt de horen.--Werk een weinig
mede, man, wilt gij, breek hem de tanden met het hecht van uw kleinen
dolk open."

"Kijk! Kijk!--hij schikt er zich in," zeide Thomalin; "zie, zie, hij
geeft een teeken voor den beker--maak ruimte jongens. "Op is het,"
zegt de Hollander--dat gaat naar binnen als zoet bier! Ja het zijn
ware zuipers, als zij beginnen--een Turk hoest nooit bij zijn beker,
en kent geen maat bij zijn drank."

Werkelijk dronk de dervisch, of wat hij dan ook was, de groote flesch
in een teug tot op den bodem leeg, of scheen die tenminste uit
te drinken, en toen hij die van zijn lippen nam, nadat de geheele
inhoud geledigd was, sprak hij slechts de woorden "Allah Kerim",
God is barmhartig, uit. Er ontstond zulk een luidruchtig gelach
onder de landlieden, die dezen meesterdronk zagen, dat des Konings
aandacht opgewekt werd en hij toornig zijn vinger opheffend, zeide:
"Hoe, schurken, is er geene achting, geen tucht?"

Alle zwegen plotseling stil, daar zij het karakter van Richard
wel kenden, die op sommige tijden veel militaire gemeenzaamheid
toeliet, en op andere tijden de stipste tucht vorderde, ofschoon de
laatste stemming veel zeldzamer voorkwam. Zij haastten zich om op
verderen afstand van den persoon des konings zich te verwijderen,
en trachtten den marabout met zich te trekken, die, waarschijnlijk
door voorafgaande vermoeienis afgemat, of door den machtigen dronk,
dien hij zooeven verzwolgen had, overmand, zich door worstelen en
steunen er zich tegen verzette, om van de plaats gebracht te worden.

"Laat hem stil liggen, gekken," fluisterde Lange Allen zijne makkers
toe. "Bij St. Christoffel, gij zult onzen Richard driftig maken, en
zijn dolk zal zoo dadelijk naar onze koppen geslingerd worden. Laat
hem liggen, binnen een minuut zal hij slapen als een marmot."

Op hetzelfde oogenblik wierp de monarch eene tweede ongeduldigen blik
naar de plek, en allen verwijderden zich in haast, den dervisch op den
grond latende, die, naar het scheen, niet in staat was, om eene enkele
lid van zijn lichaam te verroeren. Een oogenblik daarna was alles
zoo stil en rustig, als het vóór de komst van den Turk geweest was.



HOOFDSTUK XXI.

                    De ontvleesde moord, gewekt door 't huilen van
                    Zijn wacht, de wolf zweeft steeds met wijden tred.
                    Zoo als Tarquinius' schendstap, naar zijn doel.
                    Gelijk een spook.

                                                                Macbeth.


Gedurende een kwartier of langer na het voorgevallene bleef alles
volkomen rustig vóór het koninklijk verblijf. De Koning las en peinsde
aan den ingang van zijne tent--achter hem en met den rug naar den
ingang gewend, polijstte de Nubische slaaf nog het groote schild.--Op
den voorgrond, op een afstand van honderd schreden, stonden, zaten
of lagen de landlieden van de wacht op het gras uitgestrekt. Zij
waren met hunne eigen uitspanningen vervuld, maar speelden in stilte,
terwijl op het plein tusschen hen en het voorste gedeelte der tent,
het gevoellooze lichaam van den marabout lag, die nauwelijks van een
hoop vodden was te onderscheiden.

Maar de Nubiër was in het genot van een spiegel met schitterenden
glans: het fijn gepolijste schild, dat hij in zijn handen had. Door
middel van dezen bespeurde hij, tot zijn schrik en verbazing, dat
de marabout zijn hoofd zachtjes van den grond optilde, zoodat hij
alles om zich zien kon, terwijl hij zich met een goed berekende
voorzichtigheid bewoog, die met zijn beschonken toestand volstrekt
niet bestaanbaar scheen. Hij legde zijn hoofd dadelijk weder neder,
overtuigd dat hij niet werd opgemerkt, begon, met den minstmogelijken
schijn van vrijwillige poging, zich als bij toeval hoe langer hoe
nader bij den Koning te sleepen. Maar hij hield bij tusschenpoozen op
en bleef dan stil liggen, als eene spin, die haar prooi naderde, in
schijnbare levenloosheid verzinkt, wanneer zij meent, dat zij opgemerkt
wordt. Deze soort van beweging scheen den Ethiopiër verdacht toe,
die zich van zijn kant, zoo stil mogelijk voorbereidde om tusschen
beide te komen, zoodra die tusschenkomst noodzakelijk mocht blijken.

De marabout kroop intusschen langzamerhand en onbemerkbaar als eene
slang of liever als eene slak, totdat hij ongeveer tien ellen van
Richard's persoon af was. Toen sprong hij overeind, rende naar den
Koning met den sprong van een tijger, stond in minder dan een oogenblik
achter den Koning, en zwaaide den cangiar of dolk, dien hij in zijne
mouw verborgen had, boven zijn hoofd. Zelfs de tegenwoordigheid van
het geheele leger van den heldhaftigen monarch kon hem niet gered
hebben--maar de bewegingen van den Nubiër waren even goed berekend
geweest als die van den dweper, en eer de laatste kon toestooten,
vatte de eerste zijn opgeheven arm. De Charegiet, want dit was de
schijnbare marabout, zijne dweepzieke woede tegen den man richtende,
die zich zoo onverwachts tusschen hem en het voorwerp zijner wraak
plaatste, gaf den Nubiër een steek met zijn dolk, die echter alleen
diens arm schaafde, terwijl de veel grootere kracht van den Ethiopiër
hem gemakkelijk op den grond neder wierp. Richard, bespeurende, wat
er was voorgevallen, was nu opgestaan, en met weinig meer verbazing,
toorn of belangstelling van eenigen aard, dan een gewoon mensch
toonen zou in het afweren en verpletteren van een lastige wesp,
nam hij den stoel, waarop hij gezeten had, op en met de woorden
"Daar, hond!" verbrijzelde hij den schedel van den sluipmoordenaar,
die eenmaal luid en de tweedemaal met eene gebroken stem de woorden
"Allah ackbar" (God zegepraalt) uitsprak--en aan de voeten des Konings
den adem uitblies.

"Gij zijt zorgvuldige wachten," zeide Richard tot zijne boogschutters,
op een toon van minachtend verwijt, toen zij door het ontstane
gedruisch met schrik en verwarring zijne tent binnenstormden;--"gij
zijt waakzame schildwachten, om mij te noodzaken zulk beulenwerk
met eigen handen te verrichten.--Zwijgt allen stil, en houdt met
uw onverstandig geschreeuw op! Hebt gij nooit meer een dooden Turk
gezien?--Hier--werpt dat aas buiten het leger, slaat het hoofd van den
romp, en steekt het op eene lans, en draagt zorg het gelaat naar Mekka
te keeren, opdat hij den schandelijken belager, op wiens inblazing hij
herwaarts gekomen is, te gemakkelijker zeggen kan, hoe het hem met zijn
last gegaan is.--Wat u betreft, mijn zwarte, stomme vriend," voegde hij
er bij, zich tot den Ethiopiër wendende--"maar wat is dat?--gij zijt
gewond--en dat met een vergiftig wapen, daar sta ik voor in; want door
de kracht van een dolksteek kon zulk een zwak dier als dit, nauwelijks
hopen meer te doen, dan de huid van den leeuw te schrammen.--Een van
u zuige het vergif uit zijne wonde--het venijn is onschadelijk op de
lippen, al is het doodelijk, wanneer het zich met het bloed vermengt."

De landlieden zagen elkander verlegen en aarzelend aan, daar de
vrees voor zulk een zonderling gevaar de overhand kreeg bij mannen,
die voor geen ander gevaar schroomden.

"Hoe nu, knapen," vervolgde de Koning; "hebt gij zulke teedere lippen,
of vreest gij den dood, daar gij zoo talmt?"

"Niet den dood van een man," antwoordde Lange Allen, dien de Koning
onder het spreken aanzag, "maar mij dunkt, ik wilde niet gaarne als
een vergiftige rot sterven, althans niet voor een zwart stuk vee als
daar staat die op de markt als een gemeste os verkocht wordt."

"Zijne Majesteit spreekt tegen mannen van het uitzuigen van vergif,"
bromde een ander landman, "als of hij zeide, toe, slok die aalbes
door!"

"Neen," riep Richard, "ik heb nooit iemand bevolen iets te doen,
wat ik niet zelf zou doen."

En zonder verderen omslag, en in weerwil van de algemeene
tegenwerpingen der omstanders, en het eerbiedig verzet van den Nubiër
zelven, legde de Koning van Engeland zijne lippen op de wond van den
zwarten slaaf, alle vertoogen met spotternij bejegenende, en allen
tegenstand trotseerende. Hij had nauwelijks zijn zonderling werk
gestaakt, of de Nubiër sprong van hem af, sloeg een sjerp om zijn arm,
en gaf door teekens, die evenzeer zijn vast voornemen aanduidden,
als zij eerbiedig waren, zijn besluit te kennen, dat hij den Monarch
niet veroorloven zou, om zulk een vernederend werk te hervatten. Lange
Allen kwam ook tusschen beide, zeggende, dat, zoo het noodig ware om
den Koning te beletten, zijne handelwijs te herhalen, zijne eigene
lippen, tong en tanden ten dienste van den Neger (zoo als hij den
Ethiopiër noemde) waren, en dat hij hem liever heelhuids zou opeten,
dan dat de mond van Koning Richard hem weer zou naderen.

Neville, die met andere officieren binnentrad, voegde er zijne
betoogen bij.

"Maakt toch geen noodeloos geschreeuw over een hert, dat de honden
verloren hebben, of een gevaar, wanneer het over is," zeide de
Koning, "de wond is slechts een kleinigheid, want er is nauwelijks
bloed uitgekomen--eene nijdige kat zou een dieperen krap hebben
toegebracht--en wat mij betreft, ik behoef slechts een drachma orviëtan
te nemen, bij wijze van voorzichtigheid, hoewel het onnoodig is."

Zoo sprak Richard een weinig beschaamd misschien over zijn eigen
vernedering, ofschoon deze door menschlievendheid en dankbaarheid
geheiligd werd. Maar toen Neville voortging met betoogen over het
gevaar van zijn koninklijken persoon te maken, legde de Koning hem
het stilzwijgen op.

"Stil, bid ik u--spreek er niet meer over--ik deed het slechts om
deze onwetende, bevooroordeelde knapen te toonen, hoe zij elkander
helpen konden, als deze lafhartige honden ons met vergiftigde
pijlen aanvallen.--Maar", voegde hij er bij, "neem dezen Nubiër
in uw kwartier, Neville--ik ben van meening ten zijnen opzichte
veranderd--laat goed voor hem zorgen.--Maar luister wel--zie toe,
dat hij niet ontsnapt--er steekt meer in hem, dan hij schijnt. Laat
hem alle vrijheid genieten, maar zoo, dat hij het leger niet verlaten
kan.--En gij, vleeschvretende, wijnzwelgende Engelsche bulhonden,
gaat dadelijk weder op wacht, en zorgt dat gij waakzamer zijt. Denkt
niet, dat gij thans in uw eigen land zijt, waar gij een eerlijk
spel hebt, waar de menschen spreken, eer zij toeslaan, en elkander
de hand drukken, vóór dat zij elkander de keel afsnijden. Het gevaar
in ons land treedt openlijk op en met getrokken zwaard, en daagt den
vijand uit, dien het aanvallen wil. Maar hier geschiedt de uitdaging
met een zijden handschoen in plaats van met een stalen, snijdt men
de keel uit met de veder van eene tortelduif; doorsteekt u met de
tong van een priesterlijk kleinood, of worgt u met de snoer van
een keurslijf. Gaat--houdt uw oogen open, uw mond gesloten--drinkt
minder, en ziet scherper toe op hetgeen rondom u is; of ik zal uwe
groote magen op zulk een rantsoen zetten, dat het zelfs de maag van
een geduldigen Schot honger zou doen krijgen."

De landlieden keerden beschaamd en ootmoedig naar hun post terug,
en Neville begon weder zijn meester te onderhouden over het gevaar
van de verwaarloozing van hun plicht zoo lichtelijk over het hoofd
te zien, en de wenschelijkheid van een voorbeeld te stellen in
een geval, met zoo bijzonder bezwarende omstandigheden gepaard,
dat men zulk een zoo verdacht persoon als den marabout vergunde,
om op een dolklengte tot zijn persoon te naderen. Maar Richard viel
hem in de rede: "Spreek er niet van, Neville--zoudt gij willen, dat
ik een klein gevaar voor mijn eigen persoon strenger strafte dan het
verlies van de banier van Engeland? Deze is gestolen--gestolen door
een dief, of overgegeven door een verrader, en er is geen bloed om
gestort.--Mijn zwarte vriend, gij zijt een verklaarder van geheimen,
zegt de doorluchtige Sultan--nu zou ik u uw eigen gewicht in goud
geven, als gij, door een nog zwarteren, dan gij zelf zijt, of door
welke andere middelen gij ook wilt, mij den dief kondt aanwijzen,
die mijne eer dien schimp heeft aangedaan. Wat zegt gij, he?"

De stomme scheen verlangend te spreken, maar gaf slechts dien
onvolmaakten toon, eigen aan zijn treurigen toestand, kruiste daarop
de armen, zag den Koning met een blik aan, die zeide, dat hij hem
verstond, en knikte ten antwoord op zijne vraag.

"Hoe!" riep Richard met een vroolijk ongeduld. "Wilt gij het
ondernemen, deze zaak te ontdekken?"

De Nubische slaaf herhaalde dezelfde beweging.

"Maar hoe zullen wij elkander verstaan?" vroeg de Koning.--"Kunt gij
schrijven, beste kerel?"

De slaaf beaamde dit weder door een teeken.

"Geef hem schrijfgereedschap," zeide de Koning. "Dit was spoediger bij
de hand in de tent van mijn vader dan in de mijne--maar het zal wel
hier of daar zijn, wanneer dit verzengend klimaat de inkt niet heeft
verdroogd. Wel, deze man is een juweel--een zwarte diamant, Neville."

"Met verlof van uwe Majesteit," zeide Neville, "als ik met mijn
arm verstand mij daarover mag uitlaten, het is altijd gevaarlijk,
om met zulke waar om te gaan. De man moet een toovenaar zijn, en
toovenaars staan met den vijand in verband, die er het meeste belang
bij heeft om onkruid onder de tarwe te zaaien en oneenigheid in onze
raadsvergadering te brengen, en...."

"Zwijg, Neville," zeide Richard. "Roep uw Noordschen hond een halloo
toe, wanneer hij het wild te dicht op de hielen zit, en hoop hem
terug te roepen, maar tracht niet, Plantagenet tegen te houden,
als hij hoop heeft, zijne eer te herstellen."

De slaaf, die gedurende deze woordenwisseling geschreven had, in welke
kunst hij zeer vaardig scheen, stond nu op, drukte het geschrevene
tegen zijn voorhoofd, en boog zich, als naar gewoonte, eer hij het
in handen van den Koning overgaf. Het geschrift was in het Fransch,
ofschoon hun onderhoud tot hiertoe door Richard in de Lingua Franca
gehouden werd.

"Aan Richard, den overwinnenden en onverwinlijken Koning van Engeland,
dit van den minsten zijner slaven. Geheimen zijn de verzegelde kisten
des hemels; maar de wijsheid kan middelen vinden, om het slot te
openen. Zoo uw slaaf geplaatst werd daar, waar de aanvoerders van het
leger in orde voor hem voorbij moesten trekken, twijfel dan niet,
of, wanneer diegene, die den smaad, waarover mijn Koning klaagt,
bedreven heeft, zich onder hun getal bevindt, hij in zijne boosheid
ontdekt zal worden, al is hij ook onder zeven sluiers verborgen."

"Nu, bij St. George!" zeide Koning Richard, "gij hebt geheel ter
gelegener tijd gesproken.--Neville, gij weet, dat wanneer wij
morgen onze troepen monsteren, de vorsten overeengekomen zijn,
dat, ten einde den schimp, Engeland door het stelen van de banier
aangedaan, weder goed maken, de aanvoerders bij onzen nieuwen
standaard zullen voorbijtrekken, die op den St. Georgeberg wappert,
en hem met plechtigen eerbied zullen groeten. Geloof mij, de geheime
verrader zal het niet wagen, zich aan zulk eene plechtige zuivering
te onttrekken, uit vrees dat zijne afwezigheid alleen reeds reden
tot achterdocht zou geven.--Daar zullen wij onzen zwarten raadsman
plaatsen, en indien zijne kunst den schurk kan ontdekken, laat mij
dan maar met hem omspringen."

"Mijn Koning," antwoordde Neville met de vrijmoedigheid van een
Engelsch baron, "zie toe, welk werk gij begint. De eendracht tusschen
ons heilig verbond is onverwacht vernieuwd--wilt gij op vermoedens, die
een Negerslaaf u inboezemt, wonden openrijten, die eerst sedert kort
gesloten zijn.--Of wilt gij den plechtigen stoet, die voor het herstel
uwer eer, en voor de bevestiging van eensgezindheid onder de oneenige
vorsten bepaald is, als een middel gebruiken, om nieuwe redenen tot
beleediging te vinden, of oude twisten te doen herleven? Het zon
nauwelijks te sterk gezegd zijn, dat dit een inbreuk zou wezen op
de verklaring, die uwe Majesteit aan den vergaderden raad van den
kruistocht gedaan heeft."

"Neville," viel de Koning hem barsch in de rede, "uw ijver maakt u
onbescheiden en lomp. Nooit heb ik beloofd, mij te onthouden, alle
middelen in het werk te stellen, die het dienstigst konden zijn, om
den schandelijken aanrander van mijne eer te ontdekken. Liever dan dit
te doen, zou ik van mijn koninkrijk--ja van mijn leven afstand gedaan
hebben. Al mijne verklaringen geschiedden onder deze noodzakelijke en
volstrekte voorwaarde,--alleen, indien de aartshertog van Oostenrijk
als een man ware voorgetreden en de beleediging erkend had, betuigde
ik, dat ik hem, uit liefde voor het Christendom vergeven zou."

"Maar," vervolgde de baron met nadruk, "welke hoop bestaat er, dat
deze goochelende slaaf van Saladin den spot niet met uw Majesteit
zal drijven?"

"Zwijg, Neville," antwoordde de Koning; "gij houdt u voor zeer wijs
en zijt maar een dwaas. Denk gij om mijn last ten opzichte van dezen
knaap--er steekt meer in hem, dan uw Westmorelandsch vernuft kan
doorgronden.--En gij, zwijgende zwarte, bereid u voor om het werk
te verrichten, dat ge beloofd hebt, en, op het waar woord van een
Koning, gij zult uwe eigen belooning kunnen kiezen. Zie, hij schrijft
al weder."

De stomme schreef en overhandigde den Koning met dezelfde plechtigheid
als de eerste maal een ander stuk papier dat deze woorden bevatte:
"de wil des Konings is de wet voor zijn slaaf--ook betaamt het hem
niet om een loon voor de vervulling van zijn plicht te vragen."

"Loon en plicht!" riep de Koning, het lezen afbrekende, en tot Neville
in het Engelsch sprekende met eenigen nadruk op de woorden.--"Deze
Oostersche volken zullen van de kruisvaarders leeren--zij nemen reeds
de taal der ridderschap aan.--En zie, Neville, hoe ontroerd de man er
uitziet--als zijne kleur het niet verhinderde, zou hij blozen. Het
zou mij niet verwonderen, zoo hij verstond wat ik zeg--het zijn
gevaarlijke taalkenners."

"De arme slaaf kan den blik van het oog uwer Majesteit niet verdragen,"
zeide Neville, "anders is het niets."

"Goed, maar," vervolgde de Koning, terwijl hij onder het spreken op
het papier wees, "dit stoute geschrift zegt verder, dat onze getrouwe
stomme belast is met eene boodschap van Saladin aan lady Edith
Plantagenet, en hij verzoekt een middel en gelegenheid, om die over
te brengen. Wat dunkt u van zulk een bescheiden verzoek--zeg, Neville?"

"Ik kan niet zeggen," antwoordde Neville, "hoe zulk eene vrijheid
uwe Majesteit behagen zal; maar de afgezant, die zulk een verzoek
van wege uwe Majesteit aan den Sultan zou overbrengen, zou spoedig
een hoofd kleiner zijn."

"Nu, ik dank den Hemel, dat ik geen van zijne door de zon verzengde
schoonen begeer," zeide Richard; "en dezen man te straffen, omdat
hij den last van zijn meester overbrengt, en nu hij juist mijn leven
gered heeft--mij dunkt, dit zou toch al te streng zijn. Ik wil u een
geheim mededeelen, Neville--want hoewel onze zwarte en stomme dienaar
tegenwoordig is, weet gij toch, dat hij het niet over vertellen
kan, al verstond hij ons toevallig ook--ik zeg u, dat ik sedert een
veertien dagen onder eene zonderlinge betoovering gestaan heb, en
ik wenschte, dat ik onttooverd ware. Er heeft mij nauwelijks iemand
een goeden dienst bewezen, of zie, hij wischt zijn dienst tegenover
mij door eene diepe beleediging uit; en van den anderen kant, hij,
die den dood van mijne handen door eenig verraad of eenige beleediging
verdiend heeft, is voorzeker juist degene, boven alle anderen, die mij
eene verplichting oplegt, zwaarder dan zijne misdaden weegt, en mij
in weerwil van zijne veroordeeling met het oog op mijne eer tot zijn
schuldenaar maakt. Dus ziet gij, dat ik van het beste gedeelte van mijn
koninklijk ambt beroofd ben, daar ik de menschen noch straffen noch
beloonen kan. Tot dat de invloed van deze noodlottige planeet voorbij
is, wil ik niets zeggen over het verzoek van onzen zwarten dienaar,
behalve dat het hoogst vermetel is, en dat zijn beste kans, om genade
in onze oogen te vinden, daarin bestaat, dat hij tracht de ontdekking
te doen, die hij ten onzen behoeve voorgenomen heeft. Intusschen,
Neville, let goed op hem, en laat voor hem zorgen met inachtneming
van alle goede vormen.--En luister nog eens," zeide hij fluisterende,
"zoek gindschen kluizenaar van Engaddi op, en breng hem dadelijk
bij mij, hij moge een heilige of een wilde, een zinnelooze of een
verstandig mensch zijn. Laat ik hem in het geheim zien."

Neville verwijderde zich uit de koninklijke tent, en gaf den Nubiër
een teeken om hem te volgen, terwijl hij zeer verbaasd was over
hetgeen hij gezien en gehoord had, en bijzonder over het ongewone
gedrag des Konings. Over het algemeen was het geen gemakkelijke taak
Richard's gezindheid en bepaalde meeningen te ontdekken, ofschoon
het in sommige gevallen moeilijk was den duur ervan te berekenen;
want geen weerhaan gehoorzaamde den veranderlijken wind gereeder
dan de Koning zijne aanvallen van drift. Maar in de tegenwoordige
omstandigheden scheen zijn gedrag ongemeen gedwongen en geheimzinnig,
en het was niet licht te gissen, of er misnoegen dan vriendelijkheid
lag in zijne handelwijze jegens zijn nieuwen dienaar of in de blikken,
waarmede hij van tijd tot tijd dien beschouwde. De gereede dienst,
dien de Koning hem bewezen had, om de nadeelige werking van de wond
van den Nubiër tegen te gaan, kon den schijn hebben van op te wegen
tegen de verplichting, die de slaaf hem had opgelegd, toen hij den slag
van den sluipmoordenaar afweerde. Maar het scheen of er veel grooter
rekening tusschen hen te vereffenen bleef; de Koning twijfelde, of de
balans hem ten slotte schuldeischer of schuldenaar zou laten, en het
scheen of hij intusschen een onzijdig gedrag aannam, dat voor beide
toestanden zou passen. Wat den Nubiër betrof, en door welke middelen
hij ook de kunst om de Europeesche talen te schrijven verkregen had, de
baron was overtuigd, dat althans de Engelsche taal hem vreemd was, daar
hij hem gedurende het laatste gedeelte van de bijeenkomst oplettend
had gadegeslagen, en hij het voor onmogelijk hield voor iemand,
die een gesprek verstond, waarvan hij zelf het onderwerp was, zoo
volkomen den schijn te kunnen vermijden, dat hij belang daarin stelde.



HOOFDSTUK XXII.

                                Wie daar?--Treed nader--wel gedaan--
                                Mijn geleerde dokter en een vriend.

                                                           Eustace Grey.


Ons verhaal keert tot een tijdvak terug, dat aan de laatst beschreven
gebeurtenissen kort voorafging, toen, zoo als de lezer zich herinneren
zal, de ongelukkige ridder van den Luipaard, dien Koning Richard den
Arabischen geneesheer geschonken had, veeleer als slaaf dan in eenige
andere betrekking, verbannen werd uit het kamp der kruisvaarders,
in welke gelederen hij zoo dikwijls en zoo schitterend zich had
onderscheiden. Hij volgde zijn nieuwen meester, want zoo moeten wij nu
den Hakim noemen, naar de Moorsche tenten, die zijn gevolg en eigendom
bevatten, met het verstompte gevoel van iemand, die, van den top van
een steilen berg in een afgrond nedergevallen, tegen zijne verwachting
het levend er heeft afgebracht en nog maar juist in staat is, om zich
van de noodlottige plek weg te slepen, maar zonder de mate van de
ontvangen wonden te kunnen beoordeelen. Toen hij in de tent gekomen
was, wierp hij zich, geheel sprakeloos, op eene legerstede van bereide
buffelshuiden, die zijn leidsman hem aanwees, en zijn gelaat in zijne
handen verbergende, zuchtte hij zwaar, alsof zijn hart op het punt
was te barstten. De geneesheer hoorde hem, terwijl hij zijne bevelen
aan zijn talrijke bedienden gaf, ten einde zich voor hun vertrek tegen
den volgenden morgen vóór het aanbreken van den dag gereed te maken,
en door medelijden bewogen, staakte hij zijne bezigheid, legde de
beenen kruiselings over elkander, en ging naast zijn leger zitten,
om hem troost toe te spreken volgens de Oostersche wijze.

"Mijn vriend", zeide hij, "wees getroost--want wat zegt de dichter? Het
is beter, dat een mensch de slaaf van een goed meester is, dan de slaaf
van zijne eigen wilde driften. Nog eens, houd goeden moed, omdat,
gelijk Isoef Ben Jagoebe door zijne broeders aan een Koning, en wel
aan Farao, Koning van Egypte, verkocht werd, uw Koning u daarentegen
aan iemand geschonken heeft, die voor u zijn zal als een broeder."

Sir Kenneth deed een poging om den Hakim te danken, maar zijn hart was
te vol, en de onverstaanbare woorden, die zijne mislukte pogingen tot
een antwoord vergezelden, bewogen den vriendelijken meester, om van
zijne te voorbarige moeite tot vertroosting af te zien. Hij liet zijn
nieuwen bediende of gast in rust, opdat hij zich aan zijne smart mocht
overgeven, en toen hij de noodige voorbereidingen voor hun vertrek op
den volgenden morgen bevolen had, zette hij zich op het tapijt neder,
en gebruikte een soberen maaltijd. Nadat hij zich aldus verfrischt had,
werden den Schotschen ridder gelijke spijzen aangeboden; maar, ofschoon
de slaven sir Kenneth te verstaan gaven, dat de volgende dag reeds ver
gevorderd moet zijn eer zij zouden stilhouden, om zich te ververschen,
kon hij den tegenzin tegen alle voedsel niet te boven komen, en men kon
hem niet overreden om iets anders te gebruiken dan een teug koud water.

Hij was nog wakker, lang nadat zijn Arabische gastheer zijne gewone
godsdienstoefeningen verricht, en zich ter rust begeven had. De
slaap had hem nog niet eens te middernacht bezocht, toen er eene
beweging onder de bedienden plaats greep, die, ofschoon er niets bij
gesproken en zeer weinig gedruisch gemaakt werd, hem deed bespeuren,
dat zij de kameelen laadden en zich tot het vertrek voorbereidden. Bij
deze voorbereidingen was de persoon, die het laatst gestoord werd,
op den geneesheer zelven na, de Schotsche ridder, wien eene soort van
huis-hofmeester tegen drie uren des morgens verwittigde, dat hij moest
opstaan. Hij deed dit zonder verder antwoord en volgde hem in het
maanlicht, waar de kameelen stonden, die voor het grootste gedeelte
reeds beladen waren, en waarvan nog slechts een op de knieën lag,
totdat hij zijne volle lading zou hebben.

Op eenigen afstand van de kameelen stonden een aantal paarden, die
getoomd en gezadeld waren, en de Hakim zelf te voorschijn komende,
besteeg er een van met zoo veel vlugheid, als de ernstige deftigheid
van zijn karakter toeliet, en hij wees op een ander met bevel om het
aan sir Kenneth te brengen. Er was een Engelsch officier tegenwoordig,
om hen door de legerplaats der kruisvaarders te geleiden, en hunne
veiligheid te verzekeren, en alles was gereed voor hun vertrek. De
tent, die zij verlaten hadden, werd midderlerwijl afgebroken, en
de tentstukken en het bekleedsel maakten den last van den laatsten
kameel uit.--Hierop sprak de geneesheer plechtig het vers uit den
koran uit: "God zij onze leidsman, en Mahomed onze beschermer zoowel
in de woestijn als in het door water bevochtigde veld." Toen was de
geheele troep oogenblikkelijk in beweging.

Onder het doortrekken van het kamp werden zij door verscheidene
schildwachten aangeroepen, die hen zwijgend lieten voorbijtrekken,
of een vloek tegen hun profeet bromden, terwijl zij den post van den
een of anderen meer ijverigen kruisvaarder voorbijreden. Eindelijk
lieten zij de laatste barrières achter zich, en de troep stelde
zich voor den marsch op met voorbehoedende maatregelen, die uit
een krijgskundig oogpunt noodig waren. Twee of drie ruiters trokken
als voorhoede vooruit; een of twee bleven een boogschotslengte in
de achterhoede; en overal waar de grond dat toeliet, werden anderen
afgezonden om op de flanken een waakzaam oog te houden. Op deze wijze
trokken zij voorwaarts, terwijl sir Kenneth, thans op het door de
maan verlichte kamp terugziende, werkelijk verbannen kon schijnen,
daar hij te gelijkertijd van de eer en vrijheid beroofd was, en tevens
van de schitterende banieren, waaronder hij gehoopt had nog meer roem
te verwerven, en van de tenten der ridderschap, van de Christenheid
en--van Edith Plantagenet.

De Hakim, die naast hem reed, poogde op zijne gewone wijze hem door
spreuken te troosten, "het is onverstandig achterwaarts te zien,
wanneer de weg vóór ons ligt", en terwijl hij sprak, deed het paard
des ridders zulk een gevaarlijken misstap, dat het dreigde eene
practische zedeles bij het verhaal te voegen.

Door dezen wenk werd de ridder verplicht meer acht te slaan op het
bestieren van zijn paard, dat meer dan eens de hulp en den steun
van toom en teugel vereischte, ofschoon in andere opzichten niets
gemakkelijker en tevens sneller kon zijn, dan de telgang, waarmede
het dier voortstapte.

"Het is met het paard gesteld als met het menschelijk geslacht",
merkte de spreukrijke geneesheer aan, "daar, te midden van zijn
snelsten en gemakkelijksten gang, de ruiter zich voor een val moet
hoeden, en, wanneer de voorspoed het hoogst is, onze voorzichtigheid
het waakzaamst en ijverigst moet zijn, om het ongeluk te voorkomen."

De overladen eetlust heeft zelfs van de honigraat een afkeer, en
het is niet te verwonderen, dat de ridder, gekweld en vermoeid door
rampen en vernedering, eenigermate ongeduldig werd, toen hij hoorde,
dat zijne ellende, bij elke wending, de aanleiding tot spreekwoorden
en zinspreuken werd, hoe billijk en juist ter snede die ook waren.

"Mij dunkt", zeide hij een weinig gevoelig, "dat ik geen verdere
opheldering van de onstandvastigheid der fortuin behoefde, ofschoon
ik u danken zou, heer Hakim, voor de keus van een paard voor mij,
zoo het slechts eens zoo flink struikelen wilde, dat het mijn hals
te gelijk met den zijnen brak."

"Broeder", antwoordde de Arabische wijze, met onverstoorbare
deftigheid, "gij spreekt als een der dwazen. Gij zegt in uw hart,
dat de wijze aan zijn gast het jongste en beste paard had moeten
geven, en het oude voor zich behouden; maar verneem, dat de gebreken
van het oudere paard door de kracht van den jongeren ruiter kunnen
vergoed worden, terwijl de drift van het jonge paard door het bedaarde
karakter van den ouderen moet worden bekoeld."

Zoo sprak de wijze; maar ook op deze aanmerking gaf sir Kenneth
geen antwoord, dat tot eene voortzetting van hun gesprek kon leiden;
en de geneesheer, die het misschien moede werd iemand te troosten,
die niet getroost wilde zijn, gaf een teeken aan een van zijn gevolg.

"Hassan", zeide hij, "hebt gij niets om den weg te verkorten?"

Hassan, een sprookverteller en een dichter van beroep, naderde bij
deze uitnoodiging, om zijn ambt uit te oefenen.--"Heer van het paleis
des levens", zeide hij, zich tot den geneesheer wendende, "gij,
voor wien de engel Azraël zijne wieken uitspreidt, om de vlucht te
nemen--gij, wijzer dan Soliman Ben Daved, op wiens zegelring de ware
naam geschreven stond, die de geesten van de elementen beteugelt--de
Hemel verhoede, dat, terwijl gij op den weg der weldadigheid wandelt,
en genezing en hoop brengt, overal waar gij verschijnt, uwe eigen reis
door gebrek aan verhalen en gezang onaangenaam zou gemaakt worden. Zie,
zoolang uw dienaar aan uwe zijde is, zal hij de schatten van zijn
geheugen uitstorten, gelijk de fontein haar stroom langs het pad zendt,
ter verversching van hen, die daarop wandelt."

Na deze inleiding verhief Hassan zijne stem, en begon een verhaal van
liefde en tooverij, met daden van krijgsroem doormengd, en versierd
met overvloedige aanhalingen uit de Persische dichters, met wier
werken de redenaar gemeenzaam bekend scheen te zijn. Het gevolg van
den geneesheer, behalve diegenen, welke noodzakelijk op de kameelen
moeten passen, drongen zich om den verhaler, en kwamen zoo nabij, als
de eerbied voor hun meester toeliet, om het genot te smaken, welke de
Oosterschen altijd in deze soort van kunstbeoefeningen gevonden hebben.

Op een anderen tijd zou sir Kenneth, ondanks zijne gebrekkige
kennis van de taal, in de voordracht belang gesteld hebben, daar
deze ofschoon zij door een meer weelderige verbeelding ingegeven
en in eene meer buitensporigen en figuurlijken stijl geuit werd,
toch eene sterke gelijkenis had met de romancen der ridderschap,
die toen in Europa zoozeer in zwang waren. Maar zoo als de zaken voor
hem stonden, bespeurde hij nauwelijks, dat een man in het midden van
den troep, ongeveer twee uren lang op een zachten toon iets opzeide
en zong, terwijl hij zijne stem naar de verschillende aandoeningen
van hartstocht, die in het verhaal te pas kwamen, veranderde, en
tot belooning dan eens een zacht geprevelde goedkeuring, dan weder
uitdrukkingen van verwondering ontving, dan eens zuchten en tranen,
en somtijds, hetgeen veel moeilijker van zulk een gehoor te verkrijgen
is, den zweem van een stillen glimlach, ja, zelfs van gelach.

Onder het verhalen werd de aandacht van den balling, hoe afgetrokken
ook door zijne eigen diepe smart, nu en dan opgewekt door het dof
gehuil van een hond, die in een hok, dat op een der kameelen hing,
was opgesloten. Als ervaren jager kon hij er niet aan twijfelen, of
het was dat van zijn eigen trouwen hond; en uit den klagenden toon van
het dier begreep hij, dat het de nabijheid van zijn meester bespeurde,
en op zijne wijze diens bijstand vroeg, om hem te bevrijden.

"Helaas! arme Roswal", zeide hij, "gij roept iemand om hulp en
medelijden aan, die in een strenger slavernij is dan gij zelf. Ik wil
mij houden, of ik u niet bemerk, en uwe liefde niet beantwoorden, daar
dit slechts dienen zou, om onze scheiding nog te grievender te maken."

Zoo gingen de uren van den nacht voorbij, en de tijd van den grijzen
nevel, die het schemerlicht van een Syrischen morgen vormt. Maar toen
de eerste omtrek van de zonneschijf boven den gezichteinder begon te
rijzen, en de eerste straal door den dauw langs de oppervlakte van
de woestijn schoot, die de reizigers thans bereikt hadden, verhief
El Hakim zelf zijne luidklinkende stem, waarmede hij het verhaal van
den spreukverteller afbrak, terwijl hij over de woestijn de plechtige
oproeping deed weergalmen, die de muezzins des morgens van den minaret
van elke moskee doen hooren.

"Ten gebede--ten gebede! God is de eenige God.--Ten gebede--ten
gebede! Mahomed is de profeet Gods.--Ten gebede--ten gebede! de tijd
ontvliedt u.--Ten gebede--ten gebede! Het oordeel nadert u met rasse
schreden."

In een oogwenk wierp ieder Muzelman zich van zijn paard, wendde het
gelaat naar Mekka, en verrichtte met zand eene nabootsing van die
afwasschingen, die anders met water moesten geschieden, terwijl ieder
in het bijzonder, in korte maar vurige uitroepen, zich zelven aan
de zorg, en zijne zonden aan de vergiffenis van God en den profeet
aanbeval.

Zelfs sir Kenneth, wiens rede en vooroordeelen tevens gekrenkt werden,
door dat hij zijne reismakkers iets zag verrichten, dat hij als eene
daad van afgoderij beschouwde, kon niet nalaten de oprechtheid van
hun verkeerden ijver te eerbiedigen. Door hunne geestdrift opgewekt,
richtte hij in zuiverder vorm gebeden tot den Hemel. Tevens verwonderde
hij zich, welk nieuw geboren gevoel hem kon leeren, om zich in het
gebed te vereenigen met diezelfde Sarraceenen, wier heidenschen
eeredienst hij als eene onteerende misdaad beschouwde voor het land,
waarin groote wonderen geschied waren, en de ster der verlossing
was opgekomen.

In welk vreemd gezelschap zijn gebed dan ook geuit werd, het sproot
zuiver voort uit zijn natuurlijk gevoel omtrent godsdienstplicht, en
het had zijne gewone uitwerking, namelijk den geest, die door eene zoo
snelle opvolging van rampen was geschokt, tot kalmte te brengen. De
oprechte en ernstige toenadering van den Christen tot den troon van
den Almachtige is de beste aansporing tot geduld in droefheid; want
waarom zouden wij met God door onze gebeden spotten, wanneer wij Hem
door het morren tegen zijne bedoelingen beleedigen?--Of hoe zouden wij,
terwijl onze gebeden bij ieder woord de ijdelheid en nietigheid van
de vergankelijke goederen in vergelijking met de eeuwige erkennen,
hopen den Doorgronder der harten te bedriegen, door toe te laten, dat
de wereld en wereldsche driften hare onstuimige heerschappij over onze
harten hernemen op hetzelfde oogenblik, dat onze godsdienstoefening
geëindigd is?--Er zijn zulke met zich zelf in strijd zijnde menschen
geweest, en misschien zijn zij er nog, die toelaten, dat aardsche
driften de teugels hernemen, terstond nadat zij zich in een ernstig
gebed tot den Hemel hebben gericht; maar sir Kenneth behoorde niet tot
deze. Hij gevoelde zich vertroost en versterkt, en beter voorbereid,
om alles, waartoe zijn toestand hem mocht verplichten, te doen en te
lijden en te volvoeren of zich daaraan te onderwerpen.

Intusschen had de troep Sarraceenen zich weder in de zadels geworpen,
en zij vervolgden hun weg, terwijl de verhaler, Hassan, den draad
van zijn vertelsel weer opnam; maar hij deed dit niet langer voor
dezelfde aandachtige toehoorders. Een ruiter, die eene hoogte aan de
rechterhand van de kleine bende bestegen had, was in snellen galop naar
El Hakim teruggekeerd en had met hem gesproken. Daarop waren vier of
vijf andere ruiters afgezonden, en de kleine troep, die uit ongeveer
twintig of dertig personen bestond, begon hen met de oogen te volgen,
als mannen van wier gebaren, nadering of terugtocht zij zich goed
of kwaad konden voorspellen. Hassan, ziende, dat zijne toehoorders
geen aandacht meer hadden, of zelf door de onzekere gebeurtenissen op
de flank aangetrokken, hield met zijn zang op, en de marsch werd in
stilte voortgezet, behalve wanneer een kameeldrijver zijn geduldig
lastdier toeriep, of de een of andere beangste volgeling van den
Hakim met zijn nevenman op gejaagden en zeer zachten toon sprak.

Deze onzekere toestand duurde voort, totdat zij rondom eene
kleine hoogte kwamen, uit heuveltjes zand bestaande, die voor het
hoofdkorps het voorwerp verborgen, dat onder hunne veldwachten zulk
eene onrust had verwekt. Sir Kenneth kon thans op den afstand van
eene (Engelsche) mijl of iets meer een zwart voorwerp zien, dat zich
snel over de woestijn bewoog, en dat zijn geoefend oog als een troep
ruiterij herkende. Zij was veel talrijker dan de hunne, en, uit de
sterke en voortdurende flikkeringen, die de stralen der opgaande
zon weerkaatsten, bleek het dat het Europeanen in hunne volkomen
wapenrusting waren.

De angstige blikken, die de ruiters van El Hakim thans op hun
aanvoerder wierpen, schenen van groote vrees te getuigen. Deze
intusschen zond met dezelfde kalmte, waarmede hij zijn volgelingen tot
het gebed opgeroepen had, twee van zijne bereden ruiters af, met last
om zoo dicht, als de voorzichtigheid toeliet, deze woestijn-reizigers
te naderen, en hun getal, hun stand, en, zoo mogelijk, hun voornemen
nauwkeurig op te nemen. De nadering van het gevaar, of van hetgeen als
zoodanig gevreesd wordt, is als een prikkelende drank voor iemand,
die tot onverschilligheid gezonken is, en zij riep sir Kenneth tot
zich zelven en de bewustheid van zijn toestand terug.

"Wat vreest gij van deze Christen ruiters, want dit schijnen zij te
zijn?" vroeg hij aan El Hakim.

"Vreezen!" hervatte deze, het woord minachtend herhalende--"de wijze
vreest niets dan den Hemel--maar verwacht altijd van goddelooze
menschen het ergste, dat zij doen kunnen."

"Het zijn Christenen", hernam sir Kenneth, "en het is een tijd van
wapenstilstand--waarom zoudt gij eene inbreuk op de goede trouw
duchten?"

"Het zijn de priesterlijke soldaten van den Tempel", antwoordde El
Hakim, "wier gelofte hen voorschrijft, noch wapenstilstand noch goede
trouw met de vereerders van den Islam te kennen. Moge de profeet hen
met wortel, takken en twijgen uitroeien!--Hunne vrede is oorlog, en
hunne trouw is valschheid. Andere aanvallers van Palestina hebben hunne
tijden en wijzen van ridderlijkheid. De leeuw Richard spaart, wanneer
hij overwonnen heeft--de arend Filips sluit zijne vleugelen, wanneer
hij een prooi heeft gegrepen--zelfs de Oostenrijksche beer slaapt,
wanneer hij doorvoed is; maar deze horde van altijd hongerige wolven
kent, geen stilstand noch verzadiging in hare roofzucht.--Ziet gij
niet, dat zij een troep van hun hoofdkorps afzenden, en eene oostelijke
richting nemen? Ginds zijn hunne pages en schildknapen, die zij in
hunne vervloekte geheimen opvoeden, en die zij, als lichter gewapend,
afzenden, om ons van onze drinkplaats af te snijden. Maar zij zullen
bedrogen worden. Ik ken den oorlog in de woestijn nog beter dan zij."

Hij sprak eenige weinige woorden tot zijn voornaamsten officier,
en zijn geheel gedrag en uiterlijk was eensklaps veranderd van de
plechtstatige rust van een Oosterschen wijze, meer aan bespiegeling
dan werkzaamheid gewoon, in het koen en stout voorkomen van een dapper
krijgsman, wiens veerkracht door de snelle nadering van een gevaar,
dat hij te gelijk voorziet en veracht, wordt opgewekt.

In sir Kenneth's oogen had de naderende crisis een verschillend
karakter, en toen Adonbec hem zeide: "gij moet u dicht aan mijne
zijde houden", antwoordde hij plechtig in het ontkennende.

"Ginds", zeide hij, "zijn mijne wapenbroeders--de mannen, in wier
gezelschap ik beloofd heb te vechten, of te sneven. Op hunne banier
schittert het teeken van onze allergezegendste verlossing.--Ik kan
niet in gezelschap van de halve maan het Kruis ontvlieden."

"Dwaas!" zeide de Hakim; "hunne eerste daad zou zijn u ter dood
te doemen, al ware het ook slechts om hunne schending van den
wapenstilstand te verbergen."

"Daarop moet ik het laten aankomen", hervatte sir Kenneth, "maar ik
draag de boeien der ongeloovigen geen oogenblik langer dan dat ik ze
van mij kan afwerpen."

"Dan zal ik u dwingen om mij te volgen," zeide El Hakim.

"Dwingen!" antwoordde sir Kenneth toornig: "waart gij niet mijn
weldoener, of iemand, die den goeden wil getoond heeft om dit te
zijn, en zoo ik niet aan uw vertrouwen de vrijheid van deze handen
verschuldigd was, dan zou ik u toonen, dat, hoewel ik ongewapend ben,
dwang geene gemakkelijke zaak was."

"Genoeg, genoeg", hernam de Arabische geneesheer, "wij verliezen den
tijd, terwijl die kostbaar begint te worden."

Dit zeggende verhief hij zijn arm, en gaf een luiden en schelle gil,
als een teeken aan zijn gevolg, dat zich oogenblikkelijk over de
vlakte van de woestijn verspreidde, in even veel richtingen als
een rozenkrans, wanneer de snoer gebroken is. Sir Kenneth had den
tijd niet om op te merken wat er verder volgde; want tegelijkertijd
vatte de Hakim den toom van zijn paard, liet het aan zijn eigen
vuur over, en beide renden eensklaps voort met de snelheid van het
licht, en met eene vlugheid, die den Schotschen ridder bijna van
zijne ademhaling beroofde, en hem geheel buiten staats stelde, om,
al had hij ook gewild, den loop van zijn gids tegen te houden. Hoe
geoefend sir Kenneth ook van zijne vroegste jeugd in de rijkunst was,
was het snelste paard, dat hij ooit gereden had, eene schildpad
in vergelijking met dat van den Arabischen wijze. Zij wierpen
het zand achter zich--zij schenen de woestijn, die vóór hen lag,
te verslinden--mijlen vlogen weg in minuten, en toch scheen hunne
kracht onverminderd, en hunne ademhaling even vrij, als toen zij den
wonderbaarlijken rit begonnen. De beweging, die even gemakkelijk als
snel was, geleek meer naar vliegen door de lucht dan naar rijden over
de aarde, en ging met geen onaangenaam gevoel gepaard, behalve de
vrees, die natuurlijk degene voelt, die zich met zulk eene verbazende
snelheid beweegt, en de moeielijkheid door de zoo geweldige zuiging
van de lucht veroorzaakt.

Eerst een uur na deze vreeselijke beweging, en toen alle menschelijke
vervolging verre, verre achter hen was, vertraagde de Hakim eindelijk
zijn vaart, en deed hun loop in een handgalop veranderen. Hierna begon
hij met eene even bedaarde stem, alsof hij sedert het laatste uur
gewandeld had, tot den Schot eene lofspraak op de voortreffelijkheid
van zijne renners te houden, terwijl deze, ademloos, half blind, half
doof, en geheel duizelig door de snelheid van dezen zonderlingen rit,
nauwelijks de woorden verstond, die zijn metgezel zoo ruimschoots
ontstroomden.

"Deze paarden zijn van het ras, dat men het gevleugelde noemt,
die alles in spoed evenaren, behalve den Borak van den Profeet. Zij
worden gevoed met den gouden garst van Jemen, gemengd met specerijen
en met eene kleine hoeveelheid gedroogd schapenvleesch. Koningen
hebben provinciën gegeven, om ze in hun bezit te krijgen, en zij
zijn in hun ouderdom even vlug als in hunne jeugd. Gij, Nazareër,
zijt de eerste die, behalve ware geloovigen, ooit een dier van dit
edel ras onder zich gehad heeft, een geschenk van den Profeet aan
den gezegenden Ali, zijn bloedverwant en plaatsvervanger, te recht
de Leeuw Gods genaamd. De tijd treft deze edele rossen zoo weinig,
dat de merrie, die gij thans berijdt, reeds vijf maal vijf jaren heeft
zien verloopen, en toch hare eerste snelheid en hare jeugdige kracht
behoudt, behalve dat in den loop de steun van een toom, die door eene
meer ervarene hand dan de uwe bestuurd wordt, thans noodzakelijk
geworden is. De Profeet zij gezegend, dat hij de ware geloovigen
de middelen tot vooruit- of achteruittrekken heeft geschonken,
terwijl hunne in ijzer gekleede vijanden door hun eigen ontzaglijk
gewicht afgemat worden! Wat moeten de paarden van gindsche honden
van Tempeliers gesnoven en geblazen hebben, nadat zij tot aan de
knieën toe in de woestijn voor een twintigste gedeelte van de ruimte
hadden gearbeid, die deze brave paarden achter zich gelaten hebben,
zonder eene enkele hartklopping of een droppel vocht op hunne gladde,
fluweelen huid!"

De Schotsche ridder, die nu zijne ademhaling en zijn vermogen tot
luisteren herkregen had, kon niet nalaten in zijn hart het voordeel
te erkennen, dat deze Oostersche krijgslieden bezaten in een ras van
dieren, dat evenzeer tot het voor- als achteruittrekken geschikt
was, en zoo verwonderlijk bij de vlakte en zandige woestijnen van
Arabië en Syrië paste. Maar hij verkoos niet, om den hoogmoed van den
Muzelman nog grooter te maken, zijn trotschen eisch op meerderheid
toe te stemmen. Hij zag dus rond, en kon, bij den bedaarder stap,
waarmede zij zich bewogen, onderscheiden, dat hij in eene hem niet
onbekende landstreek was.

De woeste oevers en het sombere water van de Doode Zee, de oneffen
en steile keten bergen, die zich aan de linkerhand verhief, de twee
of drie palmboomen, die bijeenstonden en de enkele groene plek op de
uitgestrekte wildernis vormden--voorwerpen, die men niet licht vergat,
wanneer men die slechts eenmaal gezien had,--bewezen sir Kenneth,
dat zij de fontein, de Diamant der woestijn genoemd, naderden, die
bij eene vorige gelegenheid het tooneel van zijne samenkomst met den
Sarraceenschen emir Sheerkohf of Ilderim was geweest. Weinige minuten
daarna hielden zij hunne paarden bij de bron op, en de Hakim verzocht
sir Kenneth om van het paard te stijgen, en uit te rusten als op
eene plaats van veiligheid. Zij onttoomden hunne paarden, terwijl El
Hakim opmerkte, dat er verder geene zorg voor hen behoefde gedragen te
worden, daar eenige van zijne slaven, die de snelste paarden hadden;
hen spoedig zouden inhalen en het verder noodige verrichten.

"Intusschen," zeide hij, eenig voedsel op het gras uitspreidende,
"eet en drink, en wees niet ontmoedigd. De fortuin kan den gewonen
sterveling verheffen of vernederen, maar de wijze en de krijgsman
moeten zielen hebben, die boven hare maatschappij verheven zijn."

De Schotsche ridder trachtte zijn dank te betuigen, door te doen
wat van hem verlangd werd; maar ofschoon hij uit welwillendheid
trachtte te eten, kwam de zonderlinge tegenstrijdigheid tusschen zijn
tegenwoordigen toestand en dien, waarin hij de eerste maal op dezelfde
plek geweest was, toen hij de afgezant van vorsten en de overwinnaar
in den strijd was, gelijk een nevel voor zijn geest, en vasten,
vermoeidheid en uitgeputheid onderdrukten zijne lichaamskrachten. El
Hakim sloeg zijn snel jagenden pols, zijn rood en ontvlamd oog,
zijne heete handen en zijne korte ademhaling gade.

"De geest", zeide hij, "wordt verstandig door het waken, maar zijn
broeder, het lichaam, dat uit grove stoffen bestaat, heeft den steun
der rust noodig. Gij moet slapen; en opdat gij zulks ter verfrissching
moogt doen, moet gij een dronk nemen, met dit elixer gemengd."

Hij trok uit zijn boezem een klein kristallen fleschje, dat in een
koker van gevlochten zilverwerk vervat was, en liet in een gouden
drinkbeker een kleine hoeveelheid van een donker vocht druppelen.

"Dit", zeide hij, "is een van die voortbrengselen, die Allah ten zegen
op de aarde gezonden heeft, ofschoon de zwakheid, en verdorvenheid
der menschen ze somtijds in een vloek hebben veranderd. Het is
krachtig, gelijk de wijnbeker van den Nazareër, om het gordijn voor
het slapeloos oog te trekken, en den last van den te zwaar beladen
boezem te verlichten; maar wanneer het tot oogmerken van vermaak en
losbandigheid gebruikt wordt, verscheurt het de zenuwen, vernielt de
kracht, verzwakt het verstand en ondermijnt het leven. Maar vrees niet,
zijne deugden in tijd van nood te gebruiken; want de wijze verwarmt
zich bij hetzelfde hout, waarmede de razende de tent afbrandt."

"Ik heb te veel van uwe bekwaamheid gezien, wijze Hakim", zeide
sir Kenneth, "om tegen uw voorschrift mij te verzetten"; en
hierop slikte hij den slaapdrank in, gemengd met eenig water uit
de bron. Vervolgens wikkelde hij zich in zijn haik, of Arabischen
mantel, die aan zijn zadelknop hing, en strekte zich, volgens het
voorschrift van den geneesheer, op zijn gemak in de schaduw uit, om de
beloofde rust te verbeiden. In den beginne kwam er geen slaap, maar
in plaats daarvan eene reeks van aangename, en toch niet opwekkende,
gewaarwordingen. Hierop volgde een toestand, waarin de ridder, hoewel
bewust van zijn eigen bestaan en zijn eigen toestand, zich in staat
gevoelde, om die niet alleen zonder onrust en smart, maar even kalm
te beschouwen, alsof hij de geschiedenis zijner rampen op een tooneel
zag vertoonen, of veeleer als een lichaamlooze geest de voorvallen van
zijn vorig bestaan zou aanschouwd hebben. Uit dezen staat van rust,
die bijna tot onverschilligheid omtrent het verledene steeg, werden
zijne gedachten in de toekomst voortgedreven; en deze schitterde,
in weerwil van alles wat het vooruitzicht kon benevelen, met zulke
kleuren, dat zelfs bij veel gelukkiger voorteekens zijne verbeelding,
zonder geprikkeld te zijn, in haar meest gespannen toestand niet
had kunnen voortbrengen. Vrijheid, roem, gelukkige liefde schenen
het zekere en niet ver verwijderde vooruitzicht van den verbannen
slaaf, den onteerden ridder, zelfs van den wanhopenden minnaar, die
zijne hoop op geluk zoo verre geplaatst had boven de verwachting van
gelukkige toevallige gebeurtenissen, als zich de meest teugelooze
verbeelding voorspiegelen kan. Allengs, terwijl het verstandelijk
licht beneveld werd, werden ook deze vroolijke visioenen duister, als
de wegstervende kleuren van de ondergaande zon, totdat zij eindelijk
volkomen uitgewischt werden; en sir Kenneth lag, naar allen schijn,
op zijne diepe ademhaling na, als een levenloos lichaam aan de voeten
van El Hakim uitgestrekt.



HOOFDSTUK XXIII.

                    Betoov'ring wenkt--en door haar sterke hand
                    Verandert straks 't gelaat van 't gansche land:
                    Totdat het wild tooneel rondom ons heen,
                    Als 't ijdel beeld eens droomgezichts verdween.

                                                  Astolpho eene Romance.


Toen de ridder van den Luipaard uit zijn langen en diepen slaap
ontwaakte, bevond hij zich in omstandigheden, die zoo geheel
verschillende waren van die, waarin hij zich ter rust had begeven,
dat hij er aan twijfelde, of hij niet nog droomde, dan wel het tooneel
door tooverij was veranderd geworden. In plaats van op het vochtige
gras, lag hij op een legerstede van meer dan Oostersche weelde, en
gedienstige handen hadden hem, gedurende zijn slaap, van den rok van
gemsleêr, dien hij onder zijne wapenrusting droeg, ontdaan, en hem
in plaats daarvan een nachtgewaad aangetrokken. Slechts palmen der
woestijn hadden hem overschaduwd; maar thans lag hij onder eene zijden
tent, die met de schitterendste kleuren van het chineesche weefgetouw
prijkte, terwijl een licht gazen voorhangsel, dat rondom zijn bed hing,
hem tegen de insecten moest beschermen, waarvan hij sedert zijne komst
in deze hemelstreek de bestendige en geduldige prooi geweest was. Hij
zag om zich heen, alsof hij zich wilde overtuigen, dat hij werkelijk
waakte, en alles wat hem in de oogen viel, was in overeenstemming met
den luister van zijne slaapstede. Een draagbaar bad van cederhout,
met zilver ingelegd, stond gereed voor het gebruik en verspreidde de
liefelijkste geuren, die tot de bereiding ervan waren gebruikt. Op
een tafeltje van ebbenhout naast zijne ligplaats stond eene zilveren
vaas, met sorbet van de heerlijkste soort, koud als sneeuw, en dat
de dorst, die op het gebruik van het sterke slaapmiddel volgde,
bijzonder aangenaam maakte. Om de laatste nog overgebleven dampen
der bedwelming te verdrijven, besloot de ridder het bad te gebruiken,
en voelde hierdoor zich heerlijk verfrischt. Na zich met handdoeken
van Indische wol gedroogd te hebben, wilde hij zijn eigen grove
kleeding weder aantrekken, om naar buiten te gaan en te zien, of de
wereld buiten evenzeer als binnen de plaats van zijne rust veranderd
was. Die was echter nergens te zien, maar in hare plaats vond hij een
Saraceensch gewaad van zijden stoffen, met zwaard en dolk, zooals het
voor een aanzienlijken emir paste. Hij kon geene andere reden voor
deze groote zorg vinden, dan een vermoeden, dat deze bewijzen van
oplettendheid bestemd waren, om hem in zijne godsdienstige overtuiging
te doen wankelen, zooals wel bekend was, dat de hooge achting voor
de Europeesche kunde en moed den sultan onbeperkt deed zijn in zijne
geschenken jegens diegenen, die, na zijne gevangenen te zijn geworden,
overgehaald waren om den tulband aan te nemen. Sir Kenneth sloeg
daarom eerbiedig een kruis, en besloot al dergelijke strikken te
trotseeren; en ten einde dit met te meer standvastigheid te kunnen
doen, besloot hij vast om zoo matig mogelijk van de weelde gebruik
te maken, waarmede hij zoo mildelijk overstelpt werd. Toch voelde hij
zijn hoofd nog zwaar en slaperig, en daar hij ook begreep, dat zijne
lichte kleeding niet geschikt was om buiten te verschijnen, legde hij
zich weder op zijn leger en opnieuw omvingen hem de armen des slaaps.

Maar ditmaal was zijne rust niet ongestoord; want hij werd door de
stem van den geneesheer aan de opening van de tent gewekt, die vroeg
naar zijne gezondheid en of hij voldoende gerust had.

"Mag ik uwe tent binnentreden?" zeide hij ten laatste, "want het
gordijn is voor den ingang getrokken."

"De meester," hervatte sir Kenneth, die besloten had te toonen, dat
hij zijn toestand niet vergeten had, "behoeft geen verlof te vragen,
om de tent van den slaaf binnen te treden."

"Maar indien ik niet als meester kom?" vroeg El Hakim, nog altijd
zonder binnentreden.

"De geneesheer," antwoordde sir Kenneth, "heeft vrijen toegang tot
het bed van zijn patiënt."

"Ik kom evenmin als geneesheer," hernam El Hakim, "en daarom wil ik
verlof vragen, eer ik onder het bekleedsel van uwe tent treed."

"Al wie als vriend komt," zeide sir Kenneth, "en als zoodanig hebt
gij u tot hiertoe jegens mij betoond, voor dien is de woning des
vriends steeds open."

"En nog eens," zeide de Oostersche wijze in den omslachtigen trant
van zijne landslieden, "gesteld dat ik niet als vriend kom?"

"Kom zoo als gij wilt," hernam de Schotsche ridder, eenigszins
ongeduldig over dezen omslag,--"wees wat gij wilt--gij weet wel,
dat het noch in mijne macht noch in mijne neiging ligt, om u den
toegang te weigeren."

"Ik kom dan," zeide El Hakim, "als uw oude vijand, maar als een
eerlijk en edelmoedig vijand."

Onder het uiten van deze woorden trad hij binnen; en toen hij voor
het bed van sir Kenneth stond, bleef de stem die van Adonbec, den
Arabischen geneesheer; maar de gestalte, kleeding en trekken waren die
van Ilderim van Kurdistan, Sheerkohf genaamd. Sir Kenneth staarde hem
aan, als of hij verwachtte, dat de verschijning, die hij als slechts
door zijne verbeelding voortgebracht waande, zou verdwijnen.

"Verbaast u dit zoo", vroeg Ilderim, "en dat wel een beproefd
krijgsman, te zien, dat een soldaat iets van de heelkunst verstaat?--Ik
zeg u, Nazareër, dat een volmaakt ruiter zijn ros evengoed moet weten
te zadelen, als te berijden; het zwaard op het aanbeeld te smeden,
zoowel als in den slag te gebruiken; zijne wapenen te polijsten zoowel
als te dragen, en vooral wonden te heelen, zoowel als toe te brengen."

Terwijl hij zoo sprak, sloot de Christen ridder herhaalde malen zijne
oogen; en zoo lang deze gesloten bleven, was de gedachte aan den Hakim
met zijn lang, wapperend, donker gewaad, zijne hooge Tartaarsche
muts en deftige gebaren voor zijn geest tegenwoordig. Maar zoodra
hij ze opende, verkondigde de zwierige en rijk met edelgesteenten
versierde tulband, het lichte pantser van stalen ringen, met zilver
doorvlochten, dat helder schitterde, zich voegende naar elke beweging
van het lichaam, en de gelaatstrekken, die thans hun ernstig karakter
verloren hadden, minder donker en niet langer door het rijke haar,
dat thans uit een welgekamden baard bestond, overschaduwd waren,
den krijgsman en niet den wijze.

"Zijt gij nog zoo verbaasd?" vroeg de emir, "en hebt gij met zoo weinig
opmerkzaamheid de wereld doorkruist, dat gij er u over verwondert,
dat de menschen niet altijd zijn wat zij schijnen?--Gij zelf--zijt
gij wat gij schijnt?"

"Neen, bij St. Andries!" riep de ridder uit, "want het geheele
Christenleger schijn ik een verrader toe, en ik ben overtuigd, dat
ik een eerlijk man ben, hoewel ik gedwaald heb."

"Zoo beoordeelde ik u ook," antwoordde Ilderim, "en daar wij zout te
zamen gegeten hadden, achtte ik mij gebonden, om u van schande en dood
te redden.--Maar waarom ligt gij nog op uw bed, daar de zon reeds hoog
aan den hemel staat? of zijn de kleederen, die mijne lastkameelen u
verschaft hebben niet waard om door u gedragen te worden?"

"Niet onwaard, maar ongeschikt daarvoor", antwoordde de Schot;
"geef mij de kleeding van een slaaf, edele Ilderim, en ik zal ze met
genoegen dragen; maar ik kan het niet over mij verkrijgen, om het
gewaad van een vrijen Oosterschen krijgsman met den tulband van den
Muzelman te dragen."

"Nazareër," antwoordde de emir, "uw volk koestert zoo schielijk
verdenking, dat dit hen lichtelijk zelven verdacht kan maken. Heb
ik u niet gezegd, dat Saladin geene bekeerden verlangt, dan die,
welke de heilige Profeet zal bewegen, om zich aan zijne wet te
onderwerpen? Geweld en omkooping zijn even vreemd aan zijn plan,
om het ware geloof uit te breiden. Luister naar mij, broeder. Toen
de blinde op wonderdadige wijze het gezicht had teruggekregen,
vielen de schellen door Gods welbehagen van zijne oogen--meent gij,
dat eenig wereldsch geneesheer die had kunnen verwijderen? Neen. Zulk
een heelmeester had den lijder met zijne instrumenten kunnen kwellen,
of hem mogelijk met zijne balsems of hartversterkende middelen eenige
verzachting kunnen geven, maar de blinde had even blind moeten blijven;
en met de verblindheid van den geest is het even zoo gesteld. Zoo er
onder de Franken sommigen zijn, die om aardsch gewin den tulband van
den Profeet hebben aangenomen, en de wetten van den Islam gevolgd,
dan ruste de blaam op hun eigen geweten. Zij zochten zelven het
lokaas. De Sultan heeft hun het niet voorgehouden. En wanneer zij
hier namaals, als huichelaars, tot de diepste kolk der hel, beneden
Christen en Jood, toovenaar en afgodendienaar, zullen verdoemd worden,
en veroordeeld om van de vrucht te eten, van den boom Yacourn, die
het hoofd der duivelen is--dan zullen hunne schuld en straf niet aan
den Sultan, maar aan hen zelven te wijten zijn.--Draag daarom, zonder
te twijfelen of te aarzelen, het voor u bereide gewaad, daar uw eigen
gewone kleeding, zoo gij naar het kamp van Saladin gaat, u aan lastige
nieuwsgierigheid en misschien aan beleediging blootstellen zal."

"Zoo ik naar het kamp van Saladin ga?" vroeg sir Kenneth, de woorden
van den emir herhalende. "Helaas! Ben ik dan vrij in mijne daden, en
moet ik niet veeleer heengaan, waarheen uw goedvinden mij heenzendt?"

"Uw eigen wil kan uwe bewegingen leiden", zeide de Emir, "even vrij
als de wind, die het stof van de woestijn beweegt in de richting, die
hij goedvindt. De edele vijand, die met mij gestreden en mij bijna
overwonnen heeft, kan mijn slaaf niet worden zoo als hij, die onder
mijn zwaard bezweken is. Wanneer rijkdom en macht u in verzoeking
konden brengen om u bij ons volk te voegen, dan zou ik u het bezit
ervan kunnen verzekeren; maar de man, die de gunstbewijzen van den
Sultan weigerde, toen de bijl aan zijn hals was, zal meen ik, die
thans niet aannemen, nu ik hem zeg, dat hij zijne vrije keus heeft."

"Voltooi uwe edelmoedigheid, edele emir", zeide sir Kenneth, "door
niet langer mij eene wijze van vergelding voor te houden, die mijn
geweten mij verbiedt aan te nemen. Vergun mij veeleer om, gelijk de
beleefdheid vordert, mijne dankbaarheid voor deze ridderlijke goedheid,
deze onverdiende grootmoedigheid uit te drukken."

"Zeg niet onverdiend," hervatte de emir Ilderim; "was het niet door
uw gesprek en uw verhaal omtrent de schoonheden, die het hof van
Melec Ric tot sieraad strekken, dat ik mij verkleed derwaarts begaf,
en waart gij het niet, die mij daardoor het heerlijkste tafereel
deed aanschouwen, dat ik ooit genoten heb--dat ik ooit zal genieten,
totdat de pracht van het paradijs voor mijne oogen zal schitteren?"

"Ik begrijp u niet", antwoordde sir Kenneth, beurtelings rood en
bleek wordende, als een man, die gevoelde, dat het gesprek een zeer
kiesche wending nam die hem tevens hoogst pijnlijk aandeed.

"Mij niet begrijpen!" riep de emir uit. "Zoo hetgeen ik in de tent van
Koning Richard aantrof, aan uwe aandacht ontsnapt is, dan wil ik die
voor stomper houden, dan het houten zwaard van een potsenmaker. Het
is zoo, over u was op dat oogenblik het doodvonnis uitgesproken;
maar als ik in het geval geweest ware, en al ware mijn hoofd van den
romp gevallen, dan zouden nog de laatste kwijnende blikken van mijne
oogappels met genot zulk een aanminnig gelaat aanschouwd hebben, en
het hoofd zou van zelf naar de onvergelijkelijke houri zijn gewenteld,
om met zijne bevende lippen den zoom van haar gewaad te kussen.--Die
Koningin van Engeland, die om hare uitnemende schoonheid verdient,
Koningin van het heelal te zijn--welk eene teederheid in haar blauw
oog--welk een glans in hare loshangende, gouden lokken!--Bij het
graf van den profeet, ik geloof nauwelijks, dat de houri, die mij den
diamanten beker der onsterfelijkheid zal aanbieden, zulk eene warme
liefkozing zal verdienen!"

"Sarraceen", zeide sir Kenneth ernstig, "gij spreekt van de gemalin
van Richard van Engeland, aan wie de mannen niet denken en van wie zij
niet spreken, als eene vrouw, die te winnen, maar als eene Koningin,
die te eerbiedigen is."

"Ik vraag u vergiffenis", hernam de Sarraceen. "Ik had uw bijgeloovigen
eerbied voor de vrouwen vergeten, die gij veeleer beschouwt als
geschikt om bewonderd en vereerd, dan gezocht en bezeten te worden. Ik
sta er u borg voor, dat, daar gij zulk eene diepe achting voor dat
teedere, zwakke schepsel eischt, waarvan elke beweging, elke stap en
elke blik de vrouw aanduidt, aan haar niet minder dan eene algeheele
aanbidding aan hare donkere lokken en edel, sprekend oog moet gebracht
worden. Zij, inderdaad, dit wil ik bekennen, heeft in haar edelen gang
en haar statig voorkomen iets, dat even rein als krachtig is.--Maar zij
zelve, zoo de gelegenheid en een stout minnaar haar drongen, zou hem,
ik verzeker het u, in haar hart danken, dat hij haar veeleer als eene
stervelinge dan als eene godin behandelde."

"Eerbiedig de bloedverwante van Richard Leeuwenhart", zeide sir
Kenneth op een toon van onbedwongen toorn.

"Haar eerbiedigen!" antwoordde de emir spottend--"bij de Kaaba,
en als ik dat doe, zal dit vooral zijn als de bruid van Saladin."

"De ongeloovige Sultan is niet waardig, zelfs de plek te kussen,
die Edith Plantagenet met haar voet gedrukt heeft!" riep de Christen,
van zijn leger opspringende.

"Ha! wat zegt de Giaour?" riep de emir, de hand aan het gevest van
zijn dolk slaande, terwijl zijn voorhoofd, als blinkend koper gloeide,
en de spieren van zijne lippen en wangen zich bewogen, totdat ieder
lok van zijn baard zich scheen saam te vlechten en te persen, alsof
ze door instinktmatige drift bezield werd. Maar de Schotsche ridder,
die den leeuwentoorn van Richard had doorstaan, was onbedeesd bij
den tijgerblik van den vergramden Sarraceen.

"Wat ik gezegd heb", hervatte hij, met gekruiste armen en
onverschrokken blikken, "zou ik te voet of te paard tegen alle
stervelingen staande houden, en ik zou het niet de merkwaardigste
daad van mijn leven achten, om het met mijn goed breed zwaard tegen
een twintigtal van deze sikkels en naalden te handhaven", en hierbij
wees hij op het zwaard en den dolk van den emir.

De Sarraceen herkreeg zijne bedaardheid, terwijl de Christen sprak,
in zoo ver, dat hij de hand van zijn wapentuig terug trok, als of de
beweging zonder bedoeling geweest was; maar hij verkeerde nog steeds
in groote drift.

"Bij het zwaard van den Profeet", zeide hij, "dat de sleutel is zoowel
van den hemel als van de hel, hij stelt zijn leven op geringen prijs,
broeder, die zulk eene taal als gij gebruikt! Geloof mij, zoo uwe
handen los waren, gelijk gij het noemt, een enkel waar geloovige die
zóó veel te doen zou geven, dat gij spoedig wenschen zoudt, dat ze
weder in ijzeren boeien geklonken waren."

"Liever zou ik wenschen, dat ze bij de schouders afgehouwen werden",
sprak sir Kenneth.

"Goed. Uwe handen zijn thans gebonden", zeide de Sarraceen
op vriendelijker toon, "gebonden door uw eigen edelen zin van
rechtschapenheid, en ik heb ook voor het oogenblik niet het minste
plan om ze in vrijheid te stellen. Wij hebben elkander reeds vroeger
onze kracht en onzen moed getoond, en wij kunnen elkander wel weder
in het open veld ontmoeten!--En schande kome over hem, die het eerst
zijn vijand zal loslaten! Maar thans zijn wij vrienden, en ik zie
om hulp tot u op, veeleer dan dat ik harde uitdrukkingen of eene
uitdaging van u verwacht."

"Wij zijn vrienden" herhaalde de ridder; en er ontstond eene stilte,
gedurende welke de vurige Sarraceen door de tent stapte als een leeuw,
van wien men zegt, dat hij na eene geweldige prikkeling, dit middel
gebruikt, om de drift van zijn bloed te verkoelen, eer hij zich in
zijn hol ter rust uitstrekt. De kalmer Westerling bleef onveranderd
in houding en voorkomen; evenwel was hij zonder twijfel ook bezig,
om de gevoelens van gramschap, die zoo onverwachts waren opgewekt,
te doen bedaren.

"Laat ons hierover bedaard spreken", zeide de Sarraceen; "ik ben
geneesheer, zoo als gij weet, en er staat geschreven, dat hij, die
zijne wond wil genezen hebben, niet moet terugdeinzen, als de wondarts
haar onderzoekt en peilt. Ziet gij, ik ben op het punt om mijn vinger
op de gekwetste plek te leggen. Gij bemint deze bloedverwante van
Melec Ric--ontplooi den sluier, die uwe gedachten bedekt--of ontplooi
dien niet, zoo gij dit verkiest, want mijne oogen zien door het
bekleedsel heen."

"Ik beminde haar", antwoordde sir Kenneth na eene poos, "zoo als
de mensch de hemelsche genade bemint, en smeekte hare gunst om de
hemelsche vergiffenis."

"En gij bemint haar niet langer?" vroeg de Sarraceen.

"Helaas!" antwoordde sir Kenneth, "ik ben niet langer waardig haar
te beminnen.--Ik bid u, houd met dit gesprek op--uwe woorden zijn
dolken voor mij."

"Vergeef mij slechts een oogenblik, vervolgde Ilderim. "Toen gij,
een arm en verborgen krijgsman, uwe genegenheid zoo stout en zoo hoog
vestigdet, zeg mij, had gij toen hoop op een goeden uitslag?"

"Liefde bestaat niet zonder hoop!" hernam de ridder; "maar de mijne
grensde bijna even na aan wanhoop, als die van den zeeman, die om zijn
leven zwemt, die baar op baar te boven komt, en bij tusschenpoozen
een glimp van den verafgelegene baken opvangt, die hem toont, dat er
land in het gezicht is, ofschoon zijn zinkend hart en zijne vermoeide
leden hem overtuigen, dat hij het nooit zal bereiken."

"En nu", zeide Ilderim, "is deze hoop gezonken--is dat eenzame licht
voor altijd uitgebluscht?"

"Voor altijd," antwoordde sir Kenneth op den toon van een echo uit
het binnenste van een verwoest graf.

"Mij dunkt", zeide de Sarraceen, "wanneer alles, wat u ontbreekt,
slechts zulk een verwijderde, nevelachtige glans van geluk is, als
gij te voren hadt, dan zou het licht van uw baken wel eens weder
ontstoken, uwe hoop uit de oceaan, waarin het verzonken is weder
opgevischt kunnen worden, en gij zelf, goede ridder, de bezigheid en
het genot weder verkrijgen, om de liefde met eene zoo weinig voedzame
kost, als het maanlicht, te voeden; want zoo gij morgen in een even
goeden naam als ooit stondt, zou zij, die gij bemindt, niet minder
de dochter van vorsten, en de uitverkoren bruid van Saladin zijn."

"Ik wenschte, dat het zoo ware," zeide de Schot, "en zoo ik dan
niet...."

Hij hield op, als een man, die vreest te snoeven onder omstandigheden,
die niet toelieten, dat hij op de proef gesteld werd. De Sarraceen
glimlachte, terwijl hij den afgebroken zin voltooide:

"Dan zoudt gij den sultan tot een tweegevecht uitdagen?--"

"En indien ik dit deed", zeide Sir Kenneth op fieren toon, "dan zou
hij noch de eerste noch de beste tulband zijn, tegen welke ik mijne
lans heb geveld."

"Ja, maar mij dunkt, dat hij het als eene te ongelijke wijze zou
beschouwen, om de kans van een koninklijke bruid en den uitslag van
een grooten oorlog te wagen", zeide de emir.

"Men zou hem aan de spits van den slag kunnen aantreffen", hernam
de ridder, terwijl zijne oogen schitterden bij de visioenen, die hem
zulk eene gedachte inboezemde.

"Men heeft hem dáár steeds gevonden," hervatte Ilderim; "ook is
het zijne gewoonte niet, om den kop van zijn paard van een dapperen
strijd af te wenden.--Maar het was niet van den Sultan, dat ik meende
te spreken. In één woord, zoo het u genoegen kan geven, om zulk een
naam te verwerven,--als verkregen kan worden door de ontdekking van
den dief, die de banier van Engeland gestolen heeft dan kan ik u op
een goeden weg leiden, om die taak ten uitvoer te brengen--dat is,
zoo gij u wilt laten besturen; want wat zegt Lokman: Zoo het kind
wil loopen, moet de min het leiden--zoo de onkundige wil verstaan,
moet de wijze hem onderrichten."

"En gij zijt wijs, Ilderim", zeide de Schot, "wijs ofschoon gij een
Sarraceen zijt, en edelmoedig, hoewel gij een ongeloovige zijt. Ik
ben van beide getuige geweest. Neem dan de leiding van deze zaak op u,
en indien gij niets van mij vordert, dat in strijd is met mijne trouw
en mijn christelijk geloof, dan wil ik u stipt gehoorzamen. Doe wat
gij gezegd hebt, en neem mijn leven, wanneer het volbracht is."

"Luister dan naar mij", zeide de Sarraceen. "Uw edele hond is thans
hersteld door den zegen van dat goddelijke geneesmiddel, hetwelk
mensch en dier geneest, en door zijn schranderheid zullen degenen,
die hem aangevallen hebben, ontdekt worden."

"Ha!" riep de ridder uit--"mij dunkt, ik begrijp u--het was dom van
mij, dat ik hieraan niet dacht!--"

"Maar zegt mij", voegde de emir erbij, "hebt gij eenige volgelingen of
bedienden in het leger, door wie het dier zou kunnen herkend worden?"

"Ik heb mijn ouden wapendienaar, uw patiënt, met een knecht, die
hem oppaste, ontslagen", antwoordde sir Kenneth, "op het oogenblik,
dat ik de doodstraf verwachtte, en hem brieven voor mijne vrienden in
Schotland medegegeven--er is geen ander, aan wien de hond nauwkeurig
bekend is. Maar mijn eigen persoon is welbekend--mijne spraak zelve
zal mij verraden in een kamp, waar ik verscheiden maanden lang geene
geringe rol gespeeld heb."

"Gij zult in beide opzichten zoodanig vermomd worden, dat gij zelfs het
nauwkeurigst onderzoek zult ontgaan.--Ik zeg u", zeide de Sarraceen,
"dat niet uw wapenbroeder--niet uw broeder in den bloede--u zal
herkennen, zoo gij u door mijn raad leiden laat. Gij hebt mij moeilijke
dingen zien verrichten--hij, die de stervenden uit de duisternis van
de schaduw des doods kan terugroepen, kan gemakkelijk een nevel voor
de oogen der levenden brengen. Maar let wel op--aan dezen dienst is
nog deze voorwaarde verbonden, dat gij een brief van Saladin aan de
nicht van Melec Ric overhandigt, wier naam even moeilijk is voor onze
Oostersche tong en lippen, als hare schoonheid verrukkelijk is voor
onze oogen."

Sir Kenneth zweeg eene poos eer hij antwoordde, en de Sarraceen,
zijne aarzeling bemerkende, vroeg hem: "zijt gij bevreesd u met deze
boodschap te belasten?"

"Dat niet, al was ook de dood met de uitvoering gemoeid", zeide sir
Kenneth; "ik overwoog slechts, of het met mijne eer bestaanbaar was,
om den brief van den Sultan over te brengen, of met die van jonkvrouw
Edith, om dezen van een heidenschen vorst aan te nemen."

"Bij het hoofd van Mahomed, en bij de eer van een krijgsman--bij
het graf te Mekka en bij de ziel van mijn vader", hernam de emir,
"zweer ik u, dat de brief in alle eer en achting geschreven is. Het
gezang van den nachtegaal zal eer het rozenpriëel, dat hij bemint,
schenden, dan dat de woorden van den Sultan de ooren van de bevallige
bloedverwante van Engeland zouden beleedigen."

"In dat geval", zeide de ridder, "zal ik den brief van den Sultan
zoo getrouw overbrengen, alsof ik zijn geboren vasal was, met dien
verstande echter, dat hij, behalve dezen eenvoudigen dienst, dien ik
trouw zal vervullen, het minst van mij onder alle menschen bemiddeling
of raad in dezen zonderlingen liefdehandel verwachten moet."

"Saladin is edel", antwoordde de emir, "en zal een moedig paard niet
tot een sprong aanzetten, dien het niet kan volbrengen.--Kom met
mij naar mijne tent," voegde hij er bij, "en gij zult terstond op
eene wijze vermomd worden, dat gij even onherkenbaar zult zijn als
de middernacht. En zoo kunt gij door het leger der Nazareërs gaan,
als of gij den ring van Giougi droegt."



HOOFDSTUK XXIV.

                                        Een enkel stofje,
                Hetwelk den purp'ren beker nauw bezoedelt
                Baart afkeer van den drank, waarnaar wij smachten;
                Een roestig staal, bij 't trouw kompas geplaatst
                Leidt af de naald en doet soms schipbreuk lijden.
                Zoo breekt een klein geschil, de minste veete,
                't Verbond van trouw en vriendschap tusschen vorste,
                En doet hun edelst plan in rook verdwijnen.

                                                          De kruistocht.


Voor den lezer kan thans weinig twijfel bestaan, wie de Ethiopische
slaaf werkelijk was; met welk voornemen hij Richard's kamp had
opgezocht, en waarom en met welke hoop hij nu dicht bij den persoon
van den monarch stond, terwijl Leeuwenhart, omringd door zijne dappere
pairs van Engeland en Normandië, op den top van den St. Georgeberg
stond, met de banier van Engeland naast zich, die door den dappersten
in het leger gedragen werd, door zijn natuurlijken broeder namelijk,
Willem met het lange zwaard, Graaf van Salisbury, de telg van de
liefde van Hendrik den Tweeden met de beroemde Rosamunde van Woodstock.

Uit verschillende uitdrukkingen in het gesprek van den Koning met
Neville, den vorigen dag gehouden, was de Nubiër in grooten twijfel
gebleven, of zijne vermomming niet doorgrond was, vooral daar de Koning
scheen te begrijpen, op welke wijze de hond den dief, die de banier
gestolen had, zou ontdekken, ofschoon de omstandigheid, dat zulk
een dier bij die gelegenheid gekwetst was, nauwelijks in Richard's
tegenwoordigheid was vermeld. Evenwel, daar de Koning voortging hem
op geene andere wijze te behandelen, dan zijn uiterlijk eischte,
bleef hij onzeker, of hij al dan niet ontdekt was, en hij besloot
zijne vermomming niet vrijwillig af te werpen.

Intusschen vereenigden zich de troepen der verschillende vorsten,
die zich bij den kruistocht gevoegd hadden, onder het bevel van hunne
koninklijke en vorstelijke aanvoerders geschaard, in lange rijen aan
den voet van de kleine hoogte; en terwijl die van de onderscheidene
natiën voorbijtrokken, stegen hunne bevelhebbers een of twee schreden
tegen den heuvel op, en betuigden aan Richard en aan den standaard van
Engeland hun eerbied, "tot een teeken van achting en vriendschap", zoo
als het protokol van de plechtigheid dit voorzichtig uitdrukte, "niet
van onderwerping of vasalschap." De geestelijke waardigheidsbekleeders,
welke in die dagen hunne mutsen niet voor stervelingen afnamen,
schonken den Koning en het zinnebeeld van zijn opperbevel hun zegen,
in plaats van eene buiging.

Zoo trokken de lange rijen voorbij, en ofschoon zij reeds door
velerlei oorzaken verzwakt waren, scheen het nog een ijzeren leger,
voor hetwelk de verovering van Palestina eene gemakkelijke taak kon
schijnen. De soldaten, bezield met het bewustzijn van vereenigde
kracht, zaten reeds op hunne stalen zadels, terwijl het scheen, dat
de trompetten vroolijker en scheller klonken, de rossen, door rust en
goed voeder verkwikt, knabbelden op hun gebit, trappelden ongeduldig
op den grond. Voorwaarts trokken ze, het eene korps na de andere,
met wapperende banieren, schitterende speren, wuivende vederbossen,
in een lange eindelooze reeks--een leger, bestaande uit verschillende
natiën, kleuren, talen, wapenen en kleederdrachten; maar allen voor
het oogenblik met het heilige en echt romantische voornemen bezield,
om de treurende dochter van Sion uit hare slavernij te bevrijden en
de heilige aarde, die door Een hooger dan alle sterfelijken betreden
was, van het juk der ongeloovigen Heidenen te verlossen. En men moet
erkennen, dat, zoo onder andere omstandigheden, de soort van hulde,
welke zoo vele krijgslieden aan den Koning van Engeland bewezen,
van wie hij geene verplichte gehoorzaamheid had te vorderen, in
schijn iets vernederends had, dan was toch de aard en oorzaak van
den oorlog zoo geschikt voor zijn uitstekend ridderlijk karakter en
zijne beroemde wapenfeiten, dat eischen, die men elders had kunnen
doen gelden, hier vergeten werden, en de dappere gewillig hulde aan
den dappersten betoonde in een kruistocht, waar de onverschrokkenste
en veerkrachtigste moed tot een goeden uitslag noodig was.

De goede Koning, te paard gezeten, had eene plaats ingenomen op
de helft der helling van den berg. Hij droeg een helm op het hoofd
met eene kroon daarboven, die zijne mannelijke trekken voor ieder
zichtbaar deden zijn, terwijl hij met een kalm en rustig oog, elke
rij, die hem voorbijtrok, monsterde en de begroeting der aanvoerders
beantwoordde. Zijn onderkleed was van hemelsblauw fluweel, met zilveren
platen bedekt, en zijne broek van karmozijn roode zijde, met goudstof
afgezet. Naast hem stond de gewaande Ethiopische slaaf, den edelen
hond aan een riem vasthoudend, zoo als bij de jagers gebruik was. Deze
omstandigheid viel volstrekt niet in het oog, want verscheiden vorsten
van den kruistocht hadden zwarte slaven in hunne huishouding ingevoerd,
in navolging van de heidensche pracht der Sarraceenen. Boven het hoofd
des Konings wapperde de banier in breede plooien, en terwijl hij van
tijd tot tijd daarop een blik wierp, scheen hij eene plechtigheid,
die, als hem persoonlijk betreffende, onverschillig was, gewichtig te
achten, wanneer die beschouwd werd als de boete voor eene beleediging,
jegens het koninkrijk, dat hij beheerschte. Op den achtergrond,
op den top zelven, stond een houten torentje, voor deze gelegenheid
opgericht, waarin de Koningin Berengaria en de voornaamste hofdames
zich bevonden. Daarheen zag de Koning van tijd tot tijd, en nu en dan
waren zijne oogen op den Nubiër en zijn hond gevestigd, maar alleen
dan, wanneer zulke aanvoerders naderden, die hij wegens vroegere
bewijzen van kwaadwilligheid vermoedde, dat zij deel aan den roof van
den standaard gehad hadden, of die hij tot zulk een lage misdaad in
staat oordeelde.

Zoo, bij voorbeeld, zag hij niet in die richting, toen Filips Augustus
van Frankrijk aan het hoofd van zijne prachtige korpsen van Gallische
ridders naderde--zelfs voorkwam hij de bewegingen van den Franschen
Koning, door van den berg af te dalen, terwijl de laatste er opsteeg,
zoodat zij elkander in het midden ontmoetten, en hunne begroeting
zoo vriendelijk wisselden, dat het scheen, of zij in broederlijke
gelijkheid waren bijeengekomen. Het tooneel van de twee grootste
vorsten van Europa, in rang zoowel als macht, die hunne eensgezindheid
zoo openlijk betuigden, verwekte eene uitbarsting van donderende
toejuichingen van het leger der kruisvaarders op verscheiden mijlen,
afstands, die de rondzwervende benden Arabieren van de woestijn
het kamp van Saladin deden vreezen, dat het leger der Christenen
in beweging was. Maar wie anders dan de Koning der Koningen kan
in het hart der Monarchen lezen? Onder dezen vleienden schijn van
hoffelijkheid koesterde Richard wrevel en verdenking tegen Filips,
en deze was er op bedacht om zich met zijne troepen van het leger van
het Kruis te verwijderen, en Richard achter te laten, om met zijne
eigen troepen de onderneming ten einde te brengen, of daarbij ten
gronde te gaan.

Richard's gedrag was geheel verschillend, toen de in het zwart
uitgeruste ridders en knapen van de Tempeliers naderden--mannen,
wier gelaat door de zon van Palestina tot eene Aziatische bronskleur
verbrand was; en de bewonderenswaardige toestand van wier paarden
en uitrusting zelfs die van de uitgezochtste troepen van Frankrijk
en Engeland overtrof. De Koning wierp een vluchtigen blik ter zijde,
maar de Nubiër stond pal, en zijn trouwe hond zat aan zijne voeten,
met een schranderen en toch tevreden blik de rijen, die hen thans
voorbijtrokken, beschouwende. De blik des Konings wendde zich weder
naar de ridderlijke Tempeliers, terwijl de Grootmeester, zich van
zijn tweeslachtig karakter bedienende, Richard zijn zegen schonk,
als priester, in plaats van hem zijn eerbied, als aanvoerder van een
legerkorps, te betoonen.

"De hoogmoedige, dubbelhartige schurk zendt den monnik op mij af",
zeide Richard tot den Graaf van Salisbury. "Maar, Langzwaard, wij
zullen het door de vingers zien. Te grootte gevoeligheid moet het
Christendom de diensten van deze ervaren lansen niet doen verliezen,
omdat hunne overwinningen hen trotsch gemaakt hebben.--Zie, daar komt
onze dappere tegenstander, de Hertog van Oostenrijk,--let op zijne
houding en wijze van zich te gedragen, Langzwaard--en gij, Nubiër,
laat den hond hem goed in het oog vatten. Bij den Hemel, hij brengt
zijne narren met zich!"

Inderdaad was Leopold, hetzij uit gewoonte, of, wat waarschijnlijker
is, om zijn geringschatting te kennen te geven voor de plechtigheid,
die hij op het punt was te verrichten, door zijn spreukspreker en
hofnar vergezeld; en terwijl hij Richard naderde, floot hij, als het
ware om zijne onverschilligheid te toonen, ofschoon zijne grove trekken
de norschheid, met vrees vermengd, verrieden, waarmede een ondeugende
schooljongen zijn leermeester nadert. Toen de onwillige vorst met
verstoorde en norsche blikken de geëischte buiging maakte, schudde
de spreukspreker met zijn stok, en riep als een heraut uit, dat de
Aartshertog van Oostenrijk, in hetgeen hij thans deed, niet geacht kon
worden, iets van den rang en de voorrechten van een souvereinen vorst
prijs te geven; waarop de nar met een luidklinkend amen antwoordde,
wat een schaterend gelach bij de omstanders teweegbracht.

Koning Richard zag meer dan eens naar den Nubiër en zijn hond,
maar de eerste bewoog zich niet, en de laatste trok geheel niet aan
den riem, zoodat Richard met eenige minachting tot den slaaf zeide:
"Uw uitslag in deze onderneming, mijn zwarte vriend, zal, ofschoon
gij de schranderheid van uw hond tot steun van de uwe gebruikt,
naar ik vrees, u niet zeer hoog in den rang der toovenaars plaatsen,
of uwe verdiensten jegens onzen persoon veel vermeerderen."

De Nubiër antwoordde, als naar gewoonte, slechts met eene diepe
buiging.

Intusschen trokken de troepen van den markies van Montserrat in orde
langs den Koning van Engeland. Die machtige en listige baron had,
om eene grootere vertooning met zijne troepen te maken, deze in twee
deelen gesplitst. Aan het hoofd van den eersten, bestaande uit zijne
vasallen en volgelingen, en gelicht uit zijne Syrische bezittingen,
reed zijn broeder Enguerran, en hij zelf volgde aan het hoofd van
eene dappere schaar van twaalf honderd Stradioten, eene soort van
lichte ruiterij, die de Venetiërs in hunne Dalmatische bezittingen
hadden gelicht, en waarvan zij het bevel aan den markies toevertrouwd
hadden, met wien de republiek op verschillende wijzen in verbintenis
stond. Deze Stradioten waren gedeeltelijk in Europeesch, maar
hoofdzakelijk in Oostersch gewaad gekleed. Zij droegen, weliswaar,
korte borstharnassen, maar hadden daarover bonte onderkleederen
van rijke stoffen, met wijde broeken en halve laarzen. Op hunne
hoofden droegen zij rechtopstaande mutsen, zooals die der Grieken,
en verder hadden zij kleine, ronde schilden, bogen en pijlen, sabels
en dolken. Zij zaten op met zorg gekozen paarden, die voor rekening
van de Republiek van Venetië goed onderhouden werden; hunne zadels
en hun tuig geleken naar die der Turken, en zij reden op dezelfde
wijze met korte stijgbeugels en op hooge zadels. Deze troepen waren
van groot nut in het schermutselen met de Arabieren, ofschoon zij
niet in staat waren, aan een strijd man tegen man deel te nemen,
gelijk de in ijzer gekleede krijgslieden van West- en Noord-Europa.

Aan het hoofd van deze schoone bende reed Koenraad in hetzelfde gewaad
als de Stradioten, maar van zulke rijke stoffen, dat hij van goud en
zilver scheen te schitteren, en de sneeuwwitte pluim, die aan zijne
muts met eene diamanten gesp bevestigd was, scheen bijna de wolken
te raken. Het edele ros, dat hij bereed, sprong en steigerde en legde
zijn vuur en zijne behendigheid aan den dag, op eene wijze welke een
minder voortreffelijken ruiter dan den markies had kunnen verlegen
maken, die het bevallig met de eene hand bestierde, terwijl hij in de
andere den staf hield, die schijnbaar getuigde van een even volstrekt
gezag over de rijen, die hij aanvoerde. Nochtans was zijn gezag over
de Stradioten meer in schijn dan in wezenlijkheid; want er reed naast
hem op een paard van de makste soort een klein oud man, geheel in
het zwart gekleed, zonder baard of knevels, en met een geheel gewoon
en onbeduidend voorkomen, wanneer men hem met de pracht en den glans
rondom hem vergeleek. Maar deze man, die er zoo onbeduidend uitzag,
was een van die afgevaardigden, welke de Venetiaansche regeering in
de kampen zond, om te letten op het gedrag der generaals, aan wie het
bevel toevertrouwd was, om dat ijverzuchtig stelsel van bespieding
en toezicht te handhaven dat van oudsher de staatkunde der republiek
onderscheiden had.

Koenraad, die door Richard's luim te vleien een zekere mate van gunst
bij hem verworven had, was hem nauwelijks in het oog gekomen, of de
Koning van Engeland daalde een paar schreden van den berg om hem te
gemoet te gaan, te gelijker tijd uitroepende: "Zoo, heer markies, gij
aan het hoofd der vlugge Stradioten, en uwe zwarte schaduw vergezelt
u als gewoonlijk, hetzij de zon schijnt of niet!--Mag men u vragen,
of de bestiering der troepen bij de schaduw of bij het wezen berust?"

Koenraad wilde met een glimlach antwoorden, toen Roswal met een
woedend en wild gehuil vooruit sprong. De Nubiër liet te gelijker
tijd het riem los, en de hond, voortijlende, sprong op het edele
ros van Koenraad, en den markies bij de keel vattende, scheurde hij
hem van het zadel. De gevederde ruiter wentelde in het zand, en het
verschrikte paard vloog in wilden loop door de legerplaats.

"Ik wed, dat uw hond het rechte wild heeft geveld," zeide de Koning
tot den Nubiër, "en ik zweer bij St. George, dat het een hert van tien
takken is!--Scheur den hond van hem af, anders zal hij hem worgen."

De Ethiopiër maakte op dit bevel, ofschoon niet zonder moeite, den
hond van Koenraad los, en bond hem vast, terwijl het dier nog steeds
woedend zich van het riem trachtte los te maken. Intusschen liep er
een groote hoop naar de plek te zamen, voornamelijk volgelingen van
Koenraad en officieren der Stradioten, die, toen zij hun aanvoerder
daar zagen liggen, wild ten hemel starende, hem ophieven onder het
heftig geschreeuw van: "Houwt den slaaf en zijn hond in stukken!"

Maar de stem van Richard, luid en krachtig klinkend, liet zich
duidelijk boven al het ander geschreeuw hooren.--"Hij is des doods,
die zich aan den hond vergrijpt! Hij heeft niets gedaan dan zijn
plicht, volgens de schranderheid, die God en de natuur het brave dier
geschonken hebben.--Treed voor als een valsch verrader, gij Koenraad,
graaf van Montserrat! Ik klaag u aan van verraad."

Verscheiden Syrische aanvoerders waren er nu bij gekomen, en Koenraad,
bij wien ergernis en schaamte en verwarring met drift in zijne
houding en stem kampten, riep uit: "Wat beteekent dit?--Waarvan word
ik beschuldigd?--Waarom deez lage behandeling en deze verwijtende
woorden?--Is dit het verbond van eendracht, dat Engeland eerst zoo
kort geleden vernieuwd heeft?"

"Zijn de vorsten van den kruistocht hazen of herten geworden in de
oogen van Koning Richard, dat hij de honden tegen hen loslaat?" vroeg
de ruwe stem van den grootmeester der Tempeliers.

"Het moet eenig boos voorval--eenige ongelukkige misvatting zijn--"
zeide Filips van Frankrijk, die op dit oogenblik kwam aanrijden.

"Eenig bedrog van den vijand," zeide de aartsbisschop van Tyrus.

"Een krijgslist van de Sarraceenen," riep Hendrik van Champagne.--"Het
zou goed zijn, den hond op te hangen, en den slaaf op de pijnbank
te leggen."

"Laat niemand de hand naar hem uitsteken," zeide Richard, "zoo hij
zijn eigen leven lief heeft.--Koenraad, treed voorwaarts, zoo gij
durft, en ontken de beschuldiging, die dit stomme dier in zijn edel
instinkt tegen u aangevoerd heeft, door u de aangedane beleediging
en den smadelijken hoon tegen Engeland ten laste te leggen."

"Ik heb de banier nooit aangeraakt," zeide Koenraad haastig.

"Uwe woorden verraden u, Koenraad!" hernam Richard, "want hoe wist
gij, behalve door de bewustheid van uwe schuld, dat de vraag de
banier betreft?"

"Hebt gij het leger om deze en geene andere reden in beweging
gebracht!" antwoordde Koenraad; "en verwijt gij aan een vorst en
bondgenoot eene misdaad, die, ten slotte, waarschijnlijk door den een
of anderen lagen dief om het gouddraad begaan werd? of zoudt gij een
bondgenoot op gezag van een hond willen beschuldigen?"

Op dit oogenblik werd het oproer algemeen, zoodat Filips van Frankrijk
tusschen beide kwam.

"Vorsten en edelen," zeide hij, "gij spreekt in tegenwoordigheid
van diegenen, wier zwaarden weldra tegen elkander zullen getrokken
zijn, als zij hunne aanvoerders zulke woorden hooren wisselen. In des
Hemels naam, laat ons elk zijne eigen troepen naar hunne bijzondere
kwartieren wegvoeren, en wij zelven binnen een uur in de tent van den
raad bijeenkomen, om op dezen nieuwen toestand van verwarring eenige
orde te stellen."

"Toegestaan," hernam Koning Richard; "ofschoon ik gaarne dezen
ellendeling verhoord had, terwijl zijn bont jak nog met zand bemorst
was.--Maar de wil van Frankrijk zal in deze zaak de onze zijn."

De aanvoerders scheidden dus, zoo als voorgesteld was, terwijl ieder
vorst zich aan het hoofd van zijne eigen troepen plaatste. Toen
hoorde men van alle zijden het krijgsgeschreeuw, en de signalen
tot verzameling van horens en trompetten, welke de verschillende
verstrooide soldaten onder de banier van hun vorst terugriepen; en
binnen korten tijd zag men de troepen in beweging, terwijl ieder
een verschillenden weg door het kamp naar zijn eigen kwartier
nam. Maar ofschoon men op deze wijze elke onmiddellijke daad van
geweld voorkwam, bleef de indruk van 't geen plaats gehad had in
aller gemoederen heerschen; en de vreemdelingen, welke dien morgen
Richard als den waardigsten bevelhebber van het leger begroet
hadden, vatten thans hunne vooroordeelen tegen zijn hoogmoed en
zijne onverdraagzaamheid weder op, terwijl de Engelschen, die
begrepen, dat de eer van hun vaderland gemengd was bij den twist,
waaromtrent verschillende geruchten in omloop waren, de inboorlingen
van andere landen beschouwden als naijverig op den roem van Engeland
en zijn Koning, en genegen, om dezen door de laagste kuiperijen te
ondermijnen. Veelvuldig en velerlei waren de geruchten, die bij deze
gelegenheid verspreid werden; en er was er een, hetwelk bevestigde,
dat de Koningin en hare dames door het rumoer zeer verontrust waren,
en dat eene van haar in zwijm was gevallen.

De raad vergaderde op het bepaalde uur. Koenraad had intusschen zijn
bezoedeld gewaad afgelegd, en daarmede de schaamte en verwarring,
welke hem, in weerwil van zijne vlugheid en bekwaamheden, in het
eerst overstelpt hadden, en door het zonderlinge van het voorval
en het plotselinge van de beschuldiging veroorzaakt waren. Hij was
thans als prins gekleed, en trad in de raadkamer, vergezeld door
den aartshertog van Oostenrijk, den grootmeester van de Tempeliers
en dien van de orde van St. Jan en verscheidene andere grooten,
die zich hoofdzakelijk misschien om staatkundige beweegredenen,
of uit persoonlijke vijandschap tegen Richard, het aanzien gaven,
dat zij hem ondersteunden of het met zijne zaak hielden.

Deze schijn van eensgezindheid ten gunste van Koenraad was ver van
eenigen invloed op den Koning van Engeland te hebben. Hij trad in den
raad met zijne gewone onverschilligheid van manieren, en in dezelfde
kleeding, waarin hij zoo even van het paard gestegen was. Hij wierp een
zorgeloozen en eenigszins verachtelijken blik op de aanvoerders, die
zich met in het oog vallend vertoon rondom Koenraad geschaard hadden,
alsof zij zijne zaak als de hunne beschouwden, en beschuldigde in de
duidelijkste bewoordingen Koenraad van Montserrat, dat hij de banier
van Engeland gestolen, en het getrouwe dier, dat zijn verdediging
had beproefd, gekwetst had.

Koenraad stond vermetel op om te antwoorden, en ten spijt, zoo als
hij zich uitdrukte, van man en dier, Koning of hond, betuigde hij
zijne onschuld aan de hem aangetijgde misdaad.

"Broeder van Engeland," zeide Filips, die gaarne de rol van bemiddelaar
der vergadering op zich nam, "dit is een ongewone aanklager. Wij
hooren niet, dat gij uwe eigen kennis van de zaak betuigt, maar dat
uw geloof in het gedrag van dezen jachthond tegen den markies van
Montserrat berust. Voorwaar, het woord van een ridder en vorst moest
meer dan het geblaf van een gemeenen hond gelden."

"Koninklijke broeder," hernam Richard, "herinner u, dat de Almachtige,
die ons den hond tot metgezel van onze vermaken en moeilijkheden
gegeven heeft, hem eene edele natuur heeft geschonken, die niet tot
bedriegen in staat is. Hij vergeet vriend noch vijand--herinnert zich,
met de grootste nauwkeurigheid, weldaden en beleedigingen. Hij heeft
een deel van het verstand der menschen, zonder hunne valschheid
te deelen. Gij kunt een soldaat omkoopen, om iemand met zijn
zwaard te vermoorden, of een getuige, om hem het leven door eene
valsche beschuldiging te benemen; maar gij kunt niet maken, dat een
hond zijn weldoener bijt--hij is de vriend des menschen, behalve
wanneer deze terecht zich zijne vijandschap op den hals haalt. Kleed
gindschen markies in welke pauwenveeren gij ook wilt--vermom zijn
voorkomen--verander zijn vel door kruiden en blanketsel--verberg
hem onder honderd anderen--en ik wil nog mijn scepter verwedden, dat
de hond hem ontdekt en zijne gramschap op dezelfde wijze als heden
uit. Dit is geen nieuw voorval, ofschoon het vreemd is. Moordenaars
en roovers zijn voor langen tijd reeds door zulke bewijzen overtuigd
geworden, en hebben de doodstraf ondergaan, en men zeide, dat de
vinger Gods daarin te zien was. In uw eigen land, koninklijke broeder,
en bij eene dergelijke gelegenheid, werd de zaak beslist door een
plechtig tweegevecht tusschen den man en den hond, als beschuldiger
en verweerder in eene zaak van moord. De hond zegepraalde, de man
bekende de misdaad en werd gestraft. Geloof mij, koninklijke broeder,
dat verborgen misdaden dikwijls aan het licht gebracht zijn door het
getuigenis zelfs van onbezielde dingen, om niet te spreken van dieren,
welke in natuurlijke schranderheid ver beneden den hond zijn, die de
vriend en metgezel is van ons geslacht."

"Zulk een tweegevecht heeft inderdaad plaats gehad, koninklijke
broeder," antwoordde Filips, "en dat onder de regeering van een onzer
voorgangers, dien God genadig zij. Maar het was in den ouden tijd, en
wij kunnen het voor geen voorbeeld houden, dat voor deze gelegenheid
past. De verweerder in dat geval was een bijzonder man, van geringen
rang en weinig aanzien; zijne wapenen tot aanval waren slechts eene
knots, die tot verdediging een lederen wambuis. Maar wij kunnen een
vorst tot zulke ruwe wapenen of zulk een gevecht niet vernederen."

"Dat was ook nooit mijne meening," hervatte Koning Richard; "het
zou een boos spel zijn, het leven van den goeden hond te wagen tegen
dat van zulk eenen dubbeltongigen verrader, als deze Koenraad zich
betoond heeft. Maar hier ligt onze eigen handschoen--wij dagen hem
ten strijd uit, ter handhaving van de beschuldiging, die wij tegen
hem ingebracht hebben.--Een Koning, ten minste, is geen te geringe
partij voor een markies."

Koenraad maakte geen haast, om het pand op te vatten, dat Richard in
het midden van de vergadering wierp, en Filips had den tijd om te
antwoorden, eer de markies eene beweging maakte, om den handschoen
op te nemen.

"Een Koning," zeide hij, "is eene partij zoo veel verheven boven
den markies Koenraad, als een hond beneden hem zou zijn. Koninklijke
Richard, dit kan niet toegestaan worden. Gij zijt de aanvoerder van
onzen krijgstocht--het zwaard en het schild van het Christendom."

"Ik protesteer tegen zulk een strijd," zeide de Venetiaansche
proveditore, "tot dat de Koning van Engeland de vijftigduizend
byzantynen zal betaald hebben, die hij der republiek schuldig is. Het
is genoeg, zoo wij bedreigd worden met het verlies van onze schuld,
wanneer onze schuldenaar door de hand der Heidenen valt, zonder het
bijkomende gevaar, dat hij in twisten onder Christenen over honden
en banieren doodgeslagen wordt."

"En ik," zeide Willem met het lange zwaard, graaf van Salisbury,
"protesteer op mijne beurt er tegen, dat mijn koninklijke broeder zijn
leven in zulk eene zaak in gevaar begeeft, daar dit het eigendom van
het volk van Engeland is.--Hier, edele broeder, neem uw handschoen
weder terug, en denk slechts, dat de wind u dien van de hand had
geblazen. De mijne zal in zijne plaats liggen. Een Konings zoon,
ofschoon hij de balk op zijn schild aan de linkerzijde heeft, is ten
minste eene partij voor deze meerkat van een markies."

"Vorsten en edelen," zeide Koenraad, "ik zal de uitdaging van
Koning Richard niet aannemen. Hij is tot onzen bevelhebber tegen
de Sarraceenen gekozen; en indien zijn geweten de beschuldiging
verantwoorden kan, een bondgenoot om zulk eene beuzelachtige reden
uitgedaagd te hebben, zoo kan het mijne, ten minste, het verwijt
van den strijd aangenomen te hebben, niet verdragen. Maar wat zijn
bastaardbroeder, Willem van Woodstock betreft, of ieder ander,
die deze allervalschste aanklacht zal durven aannemen of verdedigen,
tegen dien zal ik mijne eer in het strijdperk beschermen, en bewijzen,
dat elk, die mij deze aanwrijft, een valsch leugenaar is."

"De markies van Montserrat," zeide de Aartsbisschop van Tyrus, "heeft
gesproken als een wijs en bedaard edelman; en mij dunkt dat deze twist,
zonder schande voor eene van beide partijen, hier wel kon eindigen."

"Mij dunkt, zij kon zoo ten einde gebracht worden," zeide de Koning
van Frankrijk, "mits Koning Richard zijne beschuldiging wil herroepen,
als op al te lichtvaardigen grond gedaan."

"Filips van Frankrijk," antwoordde Leeuwenhart, "mijne woorden
zullen mijne gedachten nooit zoo veel oneer aandoen. Ik heb alleen
Koenraad van diefstal beschuldigd, omdat hij onder begunstiging van
den nacht het teeken van Engeland's waardigheid van zijne plaats heeft
gestolen. Ik geloof en klaag hem nog als zoodanig aan; en indien er
een dag voor den strijd bepaald wordt, twijfel niet, daar Koenraad
weigert om met ons te strijden, of ik zal een kampvechter vinden,
die verschijnt, om aan mijne uitdaging gevolg te geven; want gij,
Willem, moet uw lang zwaard niet zonder ons bijzonder verlof in dezen
twist gebruiken."

"Daar mijn rang mij tot scheidsman in deze allerongelukkigste zaak
maakt," antwoordde Filips van Frankrijk, "zoo bepaal ik dat heden over
vijf dagen tot beslissing ervan, bij wijze van tweegevecht, volgens
ridderlijk gebruik--Richard, Koning van Engeland, zal verschijnen
vertegenwoordigd door zijn kampvechter als aanklager, en Koenraad,
markies van Montserrat, in zijn eigenen persoon, als aangeklaagde. Maar
ik beken, dat ik geen onzijdigen grond weet te vinden, waar zulk een
twist kan bevochten worden; want het moet niet in de nabijheid van
dit kamp zijn, waar de soldaten van beide zijden partij zouden kiezen."

"Het ware goed," hernam Richard, "zoo wij een beroep deden op de
edelmoedigheid van den koninklijken Saladin, daar ik, hoewel hij een
heiden is, nooit een ridder gekend heb, die rijker is aan waren adel,
of op wiens trouw wij ons zoo onvoorwaardelijk verlaten kunnen. Ik
spreek hier voor hen, welke eenig ongeluk mochten vreezen--wat mij
zelven betreft, overal, waar ik mijn vijand zie, is mijn strijdperk."

"Het zij zoo," hervatte Filips; "wij zullen Saladin met deze zaak in
kennis stellen, ofschoon wij daardoor aan een vijand den ongelukkigen
geest van tweedracht verraden, dien wij gaarne, zoo het mogelijk was,
onder ons zelven zouden willen verbergen. Intusschen sluit ik onze
vergadering, en belast u allen, als Christenen en edele ridders,
om te zorgen, dat deze ongelukkige twist geen verderen strijd in
de legerplaats verwekke; maar dat gij het als eene zaak beschouwt,
die eerbiedig aan het Godsoordeel is overgelaten. Elk van u bidde
den Heer, dat Hij de overwinning in den strijd naar waarheid van den
twist beschikke; en hiermede geschiedde zijn heilige wil!"

"Amen, amen!" antwoordde men van alle zijden; terwijl de tempelier
den markies toefluisterde: "Koenraad, zult gij er niet eene bede
bijvoegen, dat gij van het geweld van den hond moogt bevrijd worden,
zooals de Psalmist zegt?"

"Zwijg stil," antwoordde de markies, "er is een duivel opgestaan,
die, onder andere dingen u kan berichten, hoever gij het motto van
uw orde moet drijven--Feriatur leo (dat de leeuw geveld worde!)"

"Zult gij op de uitdaging verschijnen?" vroeg de Tempelier.

"Twijfel niet aan mij," antwoordde Koenraad. "Ik zou inderdaad niet
gaarne tegen den ijzeren arm van Richard zelven opgetreden zijn, en
ik schaam mij niet te bekennen, dat ik blijde ben, hiervan ontslagen
te zijn. Maar van zijn bastaardbroeder af, is er geen man in zijne
gelederen, dien ik vrees onder de oogen te zien."

"Het is goed, dat gij zoo veel vertrouwen hebt," vervolgde de
tempelier; "en in dat geval hebben de klauwen van dien hond meer
gedaan, om dit verbond van vorsten te ontbinden, dan uwe kunstgrepen,
of de dolk van den Charegiet. Ziet gij hoe, onder een gedwongen somber
gelaat, Filips de voldoening niet kan verbergen, die hij gevoelt over
het vooruitzicht van oplossing van het verbond, dat zoo zwaar op
zijn nek drukte? Let op, hoe Hendrik van Champagne bij zich zelven
glimlacht, gelijk een fonkelende beker van zijn eigen wijn--en zie
het blijkbaar genot van den Hertog van Oostenrijk, die denkt, dat
zijn geschil op het punt is van gewroken te worden, zonder gevaar of
last voor zijn eigen persoon. Stil, hij nadert.--Een zeer ongelukkig
toeval, mijn koninklijke aartshertog, dat deze inbreuken op de muren
van ons Sion...."

"Zoo gij dezen kruistocht bedoelt," antwoordde de hertog, "zoo wenschte
ik, dat die geëindigd ware, en ieder veilig in huis was.--Ik zeg dit
in vertrouwen."

"Maar," zeide de markies van Montserrat, "te denken, dat deze
oneenigheid door de handen van Koning Richard ontstaan is, ten wiens
wil wij ons vergenoegd hebben zooveel te verduren, en jegens wien
wij zoo onderdanig zijn geweest, als slaven jegens een meester, in
de hoop, dat hij zijne dapperheid tegen onze vijanden zou aanwenden,
in plaats van ze tegen onze vrienden uit te oefenen!"

"Ik zie niet, dat hij zoo veel dapperder is dan anderen," hernam de
aartshertog. "Ik geloof, dat zoo de edele markies hem in het strijdperk
ontmoet had, deze overwinnaar zou geworden zijn; want ofschoon de
eilander zware slagen met de strijdbijl uitdeelt, is hij toch met
de lans zoo behendig niet. Het zou mij weinig bekommerd hebben;
om hem wegens onze oude twist te bevechten, indien het welzijn van
het Christendom aan twee oppermachtige vorsten vergund had, om tegen
elkander in het strijdperk te verschijnen.--En zoo gij het begeert,
edele markies, dan wil ik zelf uw getuige in dezen strijd zijn."

"En ik ook," zeide de grootmeester.

"Komt aan en houdt uw middagmaal in onze tent, edele heeren," zeide
de hertog, "en wij zullen bij een glas echten Niersteiner over deze
zaak spreken."

Zij gingen dien ten gevolge te zamen binnen.

"Wat spraken onze beschermer en die groote lieden met elkaar?" vroeg
Jonas Schwanker aan zijn metgezel, den spreukspreker, die de vrijheid
genomen had, om in de nabijheid van zijn meester te dringen, toen de
raad uitging, terwijl de nar op meer eerbiedigen afstand wachtte.

"Dienaar der dwaasheid," zeide de spreukspreker, "matig uwe
nieuwsgierigheid--het past niet, dat ik u de beraadslagingen van
onzen meester verhale."

"Man der wijsheid, gij vergist u," antwoordde Jonas; "wij zijn beide
bestendige begeleiders van onzen beschermer, en er is ons beiden
even veel aan gelegen, om ze te weten--hetzij gij of ik--wijsheid of
dwaasheid--het meest bij hem gelden."

"Hij zeide tot den markies," hernam de spreukspreker, "en den
grootmeester, dat hij deze oorlogen moede was, en blijde zou zijn,
als hij veilig te huis was."

"Dat is een worp, die voor niets in het spel geldt," hervatte de nar;
"het was zeer wijs dit te denken, maar groote dwaasheid het aan
anderen te zeggen--ga voort."

"Ja, zoo!" zeide de spreukspreker; "hij zeide hun vervolgens, dat
Richard niet dapperder was dan anderen, of bijzonder behendig in
het strijdperk."

"O dwaasheid boven dwaasheid," antwoordde Schwanker; "dat behoort
tot mij. Wat meer?"

"Wel, ik ben een weinig vergeetachtig;" hernam de man der
wijsheid--"hij noodigde hen op een beker Niersteiner."

"Dit heeft een schijn van wijsheid," zeide Jonas; "gij, kunt dit
intusschen op uw credit zetten; maar zoo hij te veel drinkt, gelijk
zeer waarschijnlijk is, dan komt het op het mijne. Nog iets meer?"

"Niets merkwaardigs," antwoordde de redenaar; "alleen wenschte hij,
dat hij de gelegenheid aangegrepen had, om Richard in het strijdperk
te ontmoeten."

"Weg daarmede--weg daarmede!" riep Jonas uit--"dit is zulk eene
overmaat van dwaasheid, dat ik mij bijna schaam, het spel daardoor
te winnen.--Evenwel, hoe zot hij ook is, wij zullen hem volgen,
zeer wijze spreukspreker, en ons deel van den Niersteiner nemen."



HOOFDSTUK XXV.

                                Zoo groot is zijn standvastigheid
                                Dat gij hem ook vereeren zult;
                                Ja, ik beminde u niet zoo teer,
                                Beminde ik nog mijne eer niet meer.

                                                               Montrose.


Toen Koning Richard in zijne tent terugkeerde, liet hij den Nubiër
voor zich brengen. Deze trad met zijne gewone eerbiedige en plechtige
buiging binnen, en na zich gebogen te hebben, bleef hij voor den Koning
staan, in de houding van een slaaf, die op de bevelen van zijn meester
wacht. Het was misschien een geluk voor hem, dat het volhouden van
zijne rol van hem vorderde, dat hij de oogen op den grond vestigde,
daar de scherpe blik, waarmede Richard hem gedurende eenigen tijd in
stilte beschouwde, moeilijk door te staan zou geweest zijn, indien
hij dien ten volle ontmoet had.

"Gij hebt goed verstand van de jachtkunst," zeide de Koning na een
oogenblik zwijgen; "en gij hebt uw wild opgejaagd en in het nauw
gedreven, zoo behendig, als of Tristrem zelf u onderwezen had. Maar dit
is niet genoeg--het moet met geweld ter neder geworpen worden. Ik zelf
zou gaarne mijn jachtspeer tegen hem geveld hebben. Er zijn echter,
naar het schijnt, omstandigheden, die dit verhinderen. Gij staat op het
punt van naar het kamp van den Sultan terug te keeren, met een brief,
waarin van zijne welwillendheid verzocht wordt, een onzijdigen grond
voor dit ridderlijk feit aan te wijzen, en zoo het hem behaagde, dit
met ons te aanschouwen. Nu slechts ons vermoeden te kennen gevende,
gelooven wij, dat gij in die legerplaats wel een ridder zoudt kunnen
vinden, die, ter liefde voor de waarheid, en de verhooging van zijn
eigen roem, tegen dezen verrader van Montserrat zou willen strijden."

De Nubiër sloeg zijne oogen op en vestigde die op den Koning met
innige geestdrift: vervolgens richtte hij ze ten hemel met zulk eene
plechtige dankbaarheid, dat de tranen er in doorblonken--hierop boog
hij het hoofd, alsof hij bevestigde, wat Richard vroeg, en hernam
zijne gewone houding van onderworpen gehoorzaamheid.

"Het is goed", zeide de Koning; "en ik zie uwe begeerte om mij
in deze zaak van dienst te zijn. En hierin, dit moet ik zeggen,
bestaat de voortreffelijkheid van zulk een dienaar als gij, daar gij
geene spraak bezit om ons voornemen te betwisten, of verklaring te
vragen van hetgeen wij besloten hebben. Een Engelsche dienaar zou
mij in uwe plaats zijne ruwe meening gezegd hebben, om het gevecht
aan de eene of andere goede lans van mijn hofstoet te vertrouwen,
daar allen, van mijn broeder Langzwaard af, wedijveren om voor mij
te strijden. Een praatziek Franschman zou duizend pogingen aangewend
hebben, om te ontdekken, waarom ik een kampvechter in het kamp der
ongeloovigen zoek. Maar gij, mijn zwijgende zaakbezorger, gij kunt
mijn last volvoeren zonder er naar te vragen of hem te begrijpen;
bij u heet hooren gehoorzamen."

Eene buiging met het lichaam en de knie waren het passend antwoord
van den Ethiopiër op deze aanmerkingen.

"En nu iets anders", zeide de Koning op haastigen en snellen
toon;--"hebt gij Edith Plantagenet reeds gezien?"

De stomme zag op, alsof hij op het punt stond te spreken,--ja, zijne
lippen waren begonnen een duidelijk neen uit te spreken,--toen de
mislukte poging in het onvolmaakt gebrom van een stomme wegstierf.

"Ei, zie eens!" riep de Koning, "de klank alleen van den naam van
een koninklijke maagd, van zulk eene uitstekende schoonheid, als
die van onze beminnelijke nicht, schijnt bijna kracht genoeg te
hebben, om een stomme te doen spreken. Welke wonderen zouden dan
hare oogen op zulk een voorwerp uitwerken! Ik wil de proef nemen,
vriend slaaf. Gij zult deze uitgelezen schoonheid van ons hof zien,
en den last van den vorstelijken Sultan overbrengen."

Wederom een blijde blik--wederom eene kniebuiging--maar toen
hij oprees, legde de Koning zijne hand zwaar op zijn schouder, en
vervolgde dus met statige majesteit en ernst:--"laat ik u voor ééne
zaak waarschuwen, mijn zwarte zendeling. Zelfs zoo gij voelen mocht,
dat de vriendelijke invloed van haar, die gij welhaast zult zien,
de banden van uwe tong mocht losmaken, die tegenwoordig gevangen zit,
zoo als de goede Sultan het uitdrukt, binnen de ivoren muren van haar
kasteel, zoo wacht u, uw stilzwijgend karakter te veranderen, of een
woord in hare tegenwoordigheid te uiten, zelfs zoo uw spraakvermogen
op eene wonderdadige wijze hersteld werd. Geloof mij, dat ik u de
tong bij den wortel zou laten uitrukken, en haar ivoren paleis,
dat is, gelijk ik vermoed, de rij tanden, de eene na de andere,
uittrekken. Derhalve wees verstandig en dood stil."

Zoodra de Koning zijne zware hand van den schouder van den Nubiër
genomen had, boog deze zijn hoofd, en legde zijne hand op zijne lippen,
tot een teeken van stille gehoorzaamheid.

Maar Richard legde zijne hand weder, ofschoon zachter, op hem,
en voegde er bij: "dit gebod leggen wij u als slaaf op. Waart gij
een ridder en edelman, dan zouden wij uwe eer tot borg voor uwe
stilzwijgendheid vorderen, daar deze eene bijzondere voorwaarde van
ons tegenwoordig vertrouwen is."

De Ethiopiër verhief zijn lichaam fier, zag den Koning open in het
gelaat, en legde zijne rechterhand op zijn hart.

Hierop riep Richard zijn kamerheer.

"Ga, Neville", zeide hij, "met dezen slaaf naar de tent van onze
koninklijke gemalin, en zeg, dat het ons welbehagen is, dat hij een
gehoor--een geheim gehoor--bij onze nicht Edith hebbe. Hij is met
eene boodschap aan haar belast. Gij kunt hem den weg ook wijzen, zoo
hij uwe leiding noodig heeft, ofschoon gij misschien opgemerkt hebt,
dat het verwonderlijk is, hoe vertrouwd hij reeds schijnt te zijn met
den omtrek van onze legerplaats.--En gij, mijn vriend de Ethiopiër",
vervolgde de Koning, "doe snel, wat gij doet, en keer binnen een half
uur hier terug."

"Ik ben ontdekt", dacht de gewaande Nubiër, terwijl hij, met ter
neergeslagen blikken en gekruiste armen, den haastigen tred van
Neville naar de tent van Koningin Berengaria volgde,--"ik ben zonder
twijfel ontdekt en doorgrond door Koning Richard; evenwel kan ik
niet bespeuren, dat zijn toorn groot tegen mij is. Indien ik zijne
woorden begrijp, en voorzeker is het mogelijk, om die verkeerd uit te
leggen, dan geeft hij mij eene edele kans, om mijne eer te herwinnen
op den vederbos van dien valschen markies, wiens schuld ik in zijn
verschrikten blik en zijne bevende lippen las, toen de beschuldiging
tegen hem werd aangevoerd.--Roswal, trouw hebt gij uw meester gediend,
en zeer duur zal het u aangedane leed gewroken worden.--Maar wat
zal het tegenwoordig verlof beduiden, om haar te aanschouwen, die
ik gewanhoopt had ooit weder te zien?--En, waarom of hoe kan de
koninklijke Plantagenet er in bewilligen, dat ik zijne aangebeden
bloedverwante zou zien, hetzij als de bode van den heidenschen
Saladin, of als de schuldige balling, dien hij nog zoo kort geleden
uit zijne legerplaats verdreven heeft--daar zijne stoute bekentenis
van de liefde, waarin hij zijn roem stelt, zijn schuld het grootst
maakt? Dat Richard er in zou toestemmen, dat zij een brief van een
ongeloovigen minnaar uit de handen van iemand van zoo ongeëvenredigden
rang zou ontvangen, zijn beide omstandigheden, die even ongelooflijk,
als tevens onbestaanbaar met elkander zijn. Maar wanneer Richard niet
door zijne onwederstaanbare hartstochten bewogen wordt, is hij mild,
grootmoedig en waarlijk edel, en als zoodanig wil ik hem behandelen,
en mij naar zijne rechtstreeksche of onmiddellijke voorschriften
gedragen, en trachten niet meer te weten, dan zich geleidelijk zonder
scherp onderzoek van mijn kant ontwikkelen zal. Hem, die mij zulk
eene schoone gelegenheid gegeven heeft, om mijne bevlekte eer te
herstellen, ben ik onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd;
en hoe smartelijk het ook zij, de schuld zal betaald worden. En
toch,"--zoo sprak de stem, van zijn fier hart, dat in verzet kwam,
"en toch kon Leeuwenhart, zoo als hij genoemd wordt, het gevoel van
anderen naar het zijne afgemeten hebben. Ik een aanzoek bij zijne
bloedverwante bevorderen! Ik, die nooit een woord tegen haar gesproken
heb, dan toen ik een koninklijken prijs uit hare hand ontving--toen
ik niet voor den geringste in ridderdaden onder de verdedigers van
het Kruis gerekend werd! Ik haar naderen in eene lage vermomming en
in een slaafsch kleed--en helaas! daar mijn tegenwoordige toestand die
is van een slaaf, met eene vlek van schande op datgene, wat eens mijn
schild was! Ik dat doen! Hij kent mij weinig. Toch dank ik hem voor
de gelegenheid, die ons allen beter met elkander bekend kan maken!"

Toen hij tot dit besluit gekomen was, stonden zij voor den ingang
van de tent der Koningin.

Zij werden dadelijk door de wachten toegelaten, en Neville, den
Nubiër in een klein voorvertrek latende, dat hij zich maar al te
wel herinnerde, ging in dat, hetwelk tot gehoorzaal der Koningin was
ingericht. Hij deelde het verlangen van zijn koninklijken meester op
zachten en eerbiedigen toon mede, die zeer verschilde van de barschheid
van Thomas de Vaux, voor wien Richard alles, en het overige Hof,
Berengaria zelve niet uitgezonderd, niets was. Eene uitbarsting van
gelach volgde op de mededeeling van zijn last.

"En hoe ziet de Nubische slaaf er uit, die met zulk een last als gezant
van den Sultan komt?--het is een neger, niet waar, Neville?" zeide
eene vrouwelijke stem, die men gemakkelijk als die van Berengaria
herkennen kon. "Het is toch een neger, de Neville, met een zwart
vel, een hoofd met kroes haar als dat van een ram, eene platte neus,
en vooruitstekende lippen--niet zoo, waardige sir Henry?"

"Uwe Majesteit vergete de schenen niet," zeide eene andere stem,
"naar buiten gebogen, als het scherp van eene Sarraceensche sabel."

"Veeleer gelijk de boog van een Cupido, daar hij met een minnebrief
komt," hernam de Koningin. "Goede Neville, gij zijt altijd gereed,
om ons arme vrouwen genoegen te doen, daar wij zoo weinig hebben
om onze ledige oogenblikken mede door te brengen. Wij moeten dezen
minnebode zien. Turken en Moren heb ik in menigte gezien, maar nog
nooit een neger."

"Ik ben geschapen om de bevelen van uwe Majesteit te voorkomen;
dus zult gij het bij mijn Koning weder goed maken, als ik dit doe,"
antwoordde de onderdanige ridder. "Evenwel laat ik uwe Majesteit
verzekeren, dat gij iets zult zien, dat eenigszins verschilt van
hetgeen gij verwacht."

"Zoo veel te beter--nog leelijker, dan mijne verbeelding zich hem
voorstellen kan, en nochtans de uitverkoren liefdebode van dezen
hoffelijken Sultan!"

"Genadige mevrouw," zeide lady Calista, "mag ik u bidden, den goeden
ridder te vergunnen, dezen bode rechtstreeks aan lady Edith over te
brengen, daar zijne geloofsbrieven aan haar gericht zijn? Wij zijn
slechts ternauwernood de ernstige gevolgen van zulk eene zoodanige
scherts ontkomen."

"Ontkomen?"--herhaalde de Koningin minachtend. "Maar toch gij kunt
gelijk hebben, Calista, met uwe voorzichtigheid--laat dezen Nubiër, zoo
als gij hem noemt, eerst zijne boodschap bij onze nicht doen. Bovendien
is hij ook stom--niet waar?"

"Ja, uwe Majesteit," antwoordde de ridder.

"Een vorstelijk genoegen hebben deze Oostersche dames," zeide
Berengaria, "daar zij door wezens bediend worden, tot wie zij alles
kunnen zeggen, en die toch niets kunnen overbrengen; terwijl in
onze legerplaats, zooals de prelaat van St. Juda pleegt te zeggen,
een vogel uit de lucht de zaak verder brengt."

"Omdat," zeide De Neville, "uwe Majesteit vergeet, dat gij binnen
linnen muren spreekt."

Bij deze opmerking zonken de stemmen, en na een weinig gefluister
keerde de Engelsche ridder naar den Ethiopiër terug, en gaf hem een
teeken hem te volgen. Hij deed dit, en Neville geleidde hem naar eene
tent, die een weinig van die der Koningin verwijderd was, en, naar het
scheen, ten dienste van Edith en hare bedienden was opgericht. Eene van
hare Koptische dienaressen nam de door sir Henry Neville medegedeelde
boodschap aan, en na verloop van zeer weinige minuten werd de Nubiër in
Edith's tegenwoordigheid gevoerd, terwijl Neville aan de buitenzijde
van de tent bleef. De slavin, die hem binnenleidde, verwijderde zich
op een teeken van hare meesteres, en het was met diepen ootmoed,
niet alleen van zijne houding, maar van het binnenste zijner ziel,
dat de zoo zonderling vermomde, ongelukkige ridder zich op eene knie
wierp, met ter neder geslagen blikken, en gekruiste armen, gelijk een
misdadiger, die zijn vonnis verwacht. Edith was op dezelfde wijze
gekleed, als toen zij Koning Richard ontving, terwijl haar lange,
doorschijnende sluier om haar hing, als de schaduw van een zomernacht
over een schoon landschap, en de schoonheden, die hij niet verbergen
kon, bedekte en verduisterde. Zij had in hare hand een zilveren lamp,
met geurigen spiritus gevuld, die ongemeen helder brandde.

Toen Edith weinige schreden van den knielenden en onbeweeglijken slaaf
stond, hield zij het licht naar zijn gelaat toegekeerd, alsof zij
zijne trekken nauwkeuriger wilde onderzoeken; daarop wendde zij zich
van hem af, en plaatste hare lamp zoodanig, dat de schaduw van zijn
gelaat in profil viel op het gordijn, dat aan de zijde hing. Eindelijk
zeide zij op bedaarden en toch diep bedroefden toon:

"Zijt gij het?--Zijt gij het inderdaad, dappere ridder van
den Luipaard--dappere sir Kenneth van Schotland--zijt gij het
wezenlijk?--als slaaf vermomd--aldus door honderd gevaren omringd?"

Toen de ridder zoo onverwacht de klank hoorde van de stem zijner
dame, wier woorden tot hem gericht waren, en dat wel op een toon
van medelijden, die aan teederheid grensde, vloog er een daarmede
overeenstemmend antwoord op zijne lippen; en nauwelijks konden
Richard's bevelen en zijne beloofde stilzwijgendheid hem beletten
te antwoorden, dat het gezicht, hetwelk hij zag, de klanken, die
hij zoo even gehoord had, voldoende waren om de slavernij van een
geheel leven, en alle gevaren, welke dit leven elk uur bedreigden,
te vergelden. Hij bedacht zich echter nog, en een diepe en vurige
zucht was zijn eenig antwoord op de vraag der hooggeboren Edith.

"Ik zie--ik weet, dat ik goed gegist heb--" vervolgde Edith. "Ik heb u
van het oogenblik, dat gij u voor de eerste maal hebt vertoond nabij
het platform, waarop ik met de Koningin stond, opgemerkt. Ik kende
ook uw dapperen hond. Geene trouwe dame zou zij zijn, en de dienst
van zulk een ridder, als gij zijt, onwaardig, zoo eenig vermomming of
kleeding of kleur een trouw dienaar voor haar kon verbergen. Spreek
dus, zonder vrees, tot Edith Plantagenet. Zij weet in het ongeluk den
ridder te achten, die haar diende en eerde en dappere wapenfeiten in
haar naam bedreef, toen de fortuin hem begunstigde.--Nog zwijgt gij? Is
dit de schuld van vrees of schaamte? De vrees moest u onbekend zijn;
en de schaamte, laat die aan hen, welke u onrecht gedaan hebben."

De ridder, wanhopend dat hij verplicht was, den stomme bij eene zoo
belangrijke bijeenkomst te spelen, kon zijne smart alleen uitdrukken
door eene diepen zucht, en den vinger op de lippen te leggen. Edith
trad een weinig terug, alsof zij eenigszins ontevreden was.

"Hoe!" zeide zij, "de Aziatische stomme in daden, zoo wel als
gewaad. Dit verwachtte ik niet--of misschien veracht gij mij, nu ik
zoo stoutmoedig beken, dat ik de hulde, die gij mij betoond hebt, heb
opgemerkt? Koester daarom geene onwaardige gedachten van Edith. Zij
kent de grenzen wel, die ingetogenheid en zedigheid aan hooggeboren
vrouwen voorschrijven, en zij weet, wanneer en hoe ver die voor de
dankbaarheid moeten wijken.... voor eene oprechte begeerte, dat het
in hare macht mocht zijn, om diensten te beloonen en beleedigingen
te vergoeden, die uit de genegenheid, welke een goed ridder voor haar
had, ontsproten.... waarom uwe handen gevouwen, en met zulk eene drift
gewrongen? Kan het zijn," voegde zij er bij, bij dit denkbeeld van
schrik terugdeinzende, "dat hunne wreedheid u wezenlijk van de spraak
beroofd heeft? Gij schudt met het hoofd. Het zij eene betoovering--het
zij stijfhoofdigheid, ik ondervraag u niet verder, maar wil u uw last
op uwe eigen manier laten overbrengen. Ook ik kan stom zijn."

De vermomde ridder maakte eene beweging, alsof hij te gelijk zijn
eigen toestand betreurde, en haar misnoegen bezweren wilde, terwijl
hij haar te gelijker tijd, zoo als gewoonlijk, in fijne zijde en
goudlaken gewikkeld, den brief van den Sultan overreikte. Zij nam dien
aan, beschouwde hem onverschillig, legde hem toen ter zijde, en hare
oogen nogmaals op den ridder vestigende, zeide zij op zachten toon:
"Zelfs geen woord, bij uwe boodschap aan mij?"

Hij drukte beide handen tegen het voorhoofd, alsof hij de smart te
kennen wilde geven, die hij gevoelde, omdat hij niet bij machte was
haar te gehoorzamen, maar zij wendde zich toornig van hem af.

"Vertrek!" riep zij, "ik heb genoeg--te veel gesproken tot iemand,
die geen woord tot antwoord tegen mij verliezen wil. Vertrek! en zeg,
dat, zoo ik u onrecht heb aangedaan, ik ook geboet heb; want ik ben het
ongelukkige werktuig geweest om u van een eervollen post te ontrukken;
ik heb, bij deze bijeenkomst, mijne eigen waarde vergeten, en mij in
uwe oogen en mijne eigene vernedert."

Zij bedekte hare oogen met de hand, en scheen diep ontroerd. Sir
Kenneth wilde naderen, maar zij gaf hem een teeken, om op een afstand
te blijven.

"Terug! gij, wiens ziel de Hemel voor haar nieuwen toestand heeft
geschikt gemaakt! Ieder, die minder dom en vreesachtig dan een stomme
slaaf geweest ware, zou een woord van dankbaarheid gesproken hebben,
al ware het slechts om mij met mijne vernedering te verzoenen. Waarom
draalt gij nog?--Vertrek."

De vermomde ridder zag bijna onwillekeurig naar den brief, als eene
verontschuldiging voor langer vertoef. Zij nam dien op terwijl zij
op een toon van spot en verachting zeide: "Ik had het vergeten--de
gehoorzame slaaf wacht op een antwoord op zijne boodschap.--Wat is
dat--van den Sultan!"

Zij doorlas schielijk den inhoud, die in het Arabisch en Fransch was
opgesteld, en toen zij geëindigd had, lachte zij met bittere gramschap.

"Nu, dit gaat alle verbeelding te boven!" zeide zij; "geen goochelaar
kan eene zoo spoedige verandering vertoonen. Hij kan zechynen en
byzantynen in duiten en marevadi veranderen; maar kan zijne kunst
een Christen ridder, die altijd onder de dappersten van den heiligen
kruistocht gerekend werd, in den het stof kussenden slaaf van een
heidenschen Sultan veranderen--den overbrenger van zijne onbeschaamde
voorstellen aan eene Christenmaagd--ja, hem zelfs de wetten der
ridderschap zoowel als van den Godsdienst doen vergeten! Maar het
baat niets, om tegen den gewilligen slaaf van een heidenschen hond
te spreken. Zeg aan uw meester, wanneer zijn geesel u eene tong zal
hebben doen vinden, wat gij mij hebt zien doen."--Dit zeggende wierp
zij den brief van den Sultan op den grond, en zette er haar voet
op.--"En zeg hem, dat Edith Plantagenet de hulde van een ongedoopten
Heiden versmaadt."

Met deze woorden was zij op het punt om zich snel van den ridder
te verwijderen, toen deze in bitteren zieleangst aan hare voeten
knielende, het waagde, zijne hand op haar gewaad te leggen en zich
tegen haar vertrek te verzetten.

"Hebt gij niet gehoord, wat ik gezegd heb, domme slaaf?" vroeg zij,
zich snel van hem afwendende, en met nadruk sprekende: "Zeg den
heidenschen Sultan, uw meester, dat ik zijn aanzoek even zeer veracht,
als ik het knielen van een onwaardigen afvallige van Godsdienst en
ridderschap--van God en zijne dame versmaad!"

Dit zeggende scheurde zij zich van hem los, rukte haar gewaad uit
zijne handen, en verliet de tent.

Buiten riep hem op hetzelfde oogenblik de stem van Neville. Uitgeput
en verstompt door de smart, die hij gedurende deze bijeenkomst
geleden had, en waarvan hij zich alleen door eene inbreuk op de met
Koning Richard aangegane overeenkomst had kunnen redden, waggelde
de ongelukkige ridder veeleer den Engelschen baron na, dan dat hij
hem naging, tot dat ze de koninklijke tent bereikten, waarvoor juist
een troep ruiters was afgestegen. Er was licht en beweging binnen
de tent, en toen Neville met zijn vermomden begeleider binnentrad,
vonden zij den Koning met verscheidene zijner edelen bezig om de pas
aangekomenen te verwelkomen.



HOOFDSTUK XXVI.

                           "Mijn tranenvloed moet eeuwig duren!
                            Geen minnaars afzijn doet ze vloeien;
                            Want mooglijk zullen blijder uren
                            Ons mingenot op nieuw doen bloeien.

                            'k Beween geen afgestorven vrinden:
                            Hun smart en zorgen zijn verdwenen;
                            En weldra zal 'k hen wedervinden,
                            De bleeke dood zal ons hereenen."

                            Maar zwaarder kamp verbleekt haar kaken:
                            Haar minnaar heeft zijne eer verloren;
                            En krijgsroem deed haar hart steeds blaken,
                            Zij was in eedlen stand geboren--

                                                                Ballade.


Men hoorde de gulle en krachtige stem van Richard in vroolijke
begroeting.

"Thomas de Vaux! dappere Toms van de Gills! bij het hoofd van Koning
Hendrik, gij zijt mij zoo welkom, als ooit eene flesch wijn aan een
lustigen drinkebroer! Ik zou nauwelijks mijn leger in slagorde hebben
weten te schikken, zoo ik niet uwe zwaarlijvige gedaante voor mijn oog
gehad had als een paal, om mijne gelederen daarnaar te richten. Wij
zullen spoedig slagen krijgen, Thomas, zoo de heiligen ons genadig
zijn; en indien wij in uwe afwezigheid gevochten hadden, dan zou ik
het bericht tegemoet gezien hebben, dat men u aan een vlierboom had
opgehangen gevonden."

"Ik zou mijne teleurstelling met meer christelijk geduld gedragen
hebben, vertrouw ik," antwoordde Thomas de Vaux, "dan dat ik
den dood van een afvalligen zou gestorven zijn. Maar ik dank uwe
Majesteit voor mijne verwelkoming, die te edelmoediger is, daar zij
een gastmaal van slagen betreft, waarvan gij, met uw verlof gezegd,
altijd genegen zijt om u het grootste deel toe te eigenen; maar hier
heb ik iemand medegebracht, wien, zooals ik zeker weet, uwe Majesteit
een nog hartelijker welkom zal toeroepen."

De persoon, die thans voorwaarts trad, om voor Richard zijne buiging te
maken, was een jongeling van kleine gestalte en tengere vormen. Zijne
kleeding was even zedig als zijn voorkomen onbeduidend was; maar hij
droeg op zijne muts eene gouden gesp met een edelgesteente, waarvan
de glans kon geëvenaard worden door het schitterende oog, dat door
de muts overschaduwd werd. Het was de eenige sprekende trek in zijn
gelaat; maar wanneer men dien eenmaal opmerkte, dan maakte hij een
onwederstaanbaren indruk op den aanschouwer. Om zijn hals hing in eene
sjerp van hemelsblauwe zijde een stemhamer voor de harp van echt goud.

Deze man wilde eerbiedig voor Richard nederknielen; maar de monarch
hief hem vroolijk en ijlings op, drukte hem vurig aan zijn hart,
en kuste hem op beide wangen.

"Blondel de Nesle!" riep hij vol blijdschap uit--"welkom van Cyprus,
mijn koning der minnezangers! welkom bij den Koning van Engeland,
die zijne eigen waardigheid niet hooger dan de uwe acht. Ik ben ziek
geweest, man, en bij mijne ziel, ik geloof dat het kwam, omdat ik
u miste; want, al ware ik halfweg naar de hemelpoort, mij dunkt uwe
liederen zouden mij terugroepen.--En wat nieuws, mijn lieve meester,
van het land der lier? Iets nieuws van de Trouveurs van Provence?--iets
van de minnezangers van het vroolijke Normandië?--En bovenal, zijt
gij zelf aan 't werk geweest?--Maar ik behoef u niet te vragen--gij
kunt niet lui zijn, al wildet gij het--uwe edele hoedanigheden zijn
gelijk aan een inwendig brandend vuur, en dwingen om u in muziek en
zang uit te storten."

"Iets heb ik geleerd, en iets heb ik gedaan, edele Koning," antwoordde
de beroemde Blondel met zedige bescheidenheid, die alle geestdriftige
bewondering van zijne bekwaamheid niet in staat geweest was te
verbannen.

"Wij zullen u hooren, man--wij zullen u dadelijk hooren," zeide
de Koning;--daarna Blondel vriendelijk op den schouder kloppende,
voegde hij er bij, "dat is te zeggen, als gij niet door uwe reis
vermoeid zijt; want ik wilde liever mijn beste paard dood rijden,
dan eene noot van uwe stem te schenden."

"Mijne stem is, als altijd, ten dienste van mijn koninklijken
beschermer," hervatte Blondel; "maar uwe Majesteit," voegde hij er
bij, met een blik op eenige papieren op tafel, "schijnt gewichtiger
bezigheden te hebben, en het wordt reeds laat."

"Niet in het minst, man, niet in het minste, mijn dierbaarste
Blondel. Ik heb slechts een slagorde tegen de Sarraceenen ontworpen,
de zaak van een oogenblik--bijna even zoo schielijk gedaan als hen
op de vlucht gejaagd."

"Mij dunkt evenwel," zeide Thomas de Vaux, "dat het niet ongeschikt
ware, om te onderzoeken, welke soldaten uwe Majesteit in slagorde te
stellen heeft. Ik breng te dien opzichte berichten van Ascalon."

"Gij zijt een muilezel, Thomas," hernam de Koning--"een ware muilezel
in domheid en stijfhoofdigheid!--Komt, edelen,--plaatst u rondom
hem. Geef Blondel den zetel--waar is zijn harpdrager?--of neen,--leent
hem mijne harp, de zijne kan door de reis geleden hebben."

"Ik wenschte, dat uwe Majesteit mijn bericht wilde aanhooren," zeide
Thomas de Vaux. "Ik heb een verren rit gedaan, en heb meer zin naar
mijn bed, dan om mij de ooren te doen kittelen."

"Uwe ooren gekitteld!" riep de Koning uit; "dat moet met eene
snippeveer geschieden, en niet met zachte klanken. Luister, Thomas,
kunnen uwe ooren het gezang van Blondel van het gebalk van een ezel
onderscheiden?"

"Waarlijk, mijn Koning," hervatte Thomas, "ik kan het niet juist
zeggen; maar Blondel, die een geboren edelman is, en zonder twijfel
groote talenten bezit, uitgezonderd, zal ik in het vervolg wegens de
vraag van uwe Genade, nooit een minnezanger aanzien, of ik zal aan
een ezel denken."

"En kon uwe beleefdheid," zeide Richard, "ook mij uitgezonderd hebben,
daar ik zoo wel een geboren edelman ben als Blondel, en even als hij
een gildebroeder van de vroolijke kunst?"

"Uwe Majesteit moet zich herinneren," antwoordde de Vaux glimlachende,
"dat het nutteloos is, beleefdheid bij een muilezel te zoeken."

"Zeer waar gesproken," hervatte de Koning; "en een slecht geschapen
dier zijt gij.--Maar kom hier, meester muilezel, en ontlaad u,
opdat gij naar uw leger kunt gaan, zonder dat er eenige muziek aan
u verkwist wordt.--Intusschen, goede broeder van Salisbury, gaat gij
naar de tent van onze gemalin, en zeg haar, dat Blondel is gekomen,
met een zak vol van de nieuwste minnezangers kunst.--Verzoek haar
om dadelijk te komen, en begeleid haar, en zie toe, dat onze nicht,
Edith Plantagenet, niet achterblijve."

Zijn oog rustte toen voor een oogenblik op den Nubiër, met die
uitdrukking van twijfel, die zijn gelaat gewoonlijk aan den dag legde,
wanneer hij hem aanzag.

"Ha, onze stilzwijgende en geheime lastdrager is teruggekeerd?--Neem
plaats, slaaf, achter de Neville, en gij zult zoo terstond klanken
hooren, die u God zullen doen zegenen, dat Hij u liever met stomheid
dan met doofheid bezocht heeft."

Dit zeggende, wendde hij zich van het overige gezelschap af naar de
Vaux, en verdiepte zich dadelijk in de berichten, omtrent militaire
aangelegenheden, welke de baron hem voorlegde.

Tegen den tijd, dat het gehoor van den lord van Gilsland geëindigd was,
kondigde een bode aan, dat de Koningin en haar gevolg de koninklijke
tent naderden.--"Een flesch wijn, hola!" riep de Koning; "van den
langgespaarden Cypruswijn van den ouden Koning Izaäk, dien wij buit
gemaakt hebben bij het bestormen van Famagusta--vult den dapperen
lord van Gilsland een beker--nooit had een Vorst een meer zorgvollen
en getrouwen dienaar."

"Het verheugt mij," antwoordde Thomas de Vaux, "dat uwe Majesteit den
muilezel een nuttigen slaaf acht, ofschoon zijne stem minder muzikaal
is dan paardenhaar of koperdraad."

"Hoe, kunt gij die scherts omtrent een muilezel nog niet
verdragen?" hervatte Richard. "Wasch die met een bruisenden beker
af, man, of gij zult er nog in stikken.--Goed geledigd!--en nu zal
ik u zeggen, gij zijt een krijgsman, zoowel als ik, en wij moeten
elkanders schertsen in de zaal verdragen, zoowel als elkanders
stooten in het toernooi, en elkander des te meer liefhebben, hoe
harder wij treffen. Op mijn woord, zoo gij mij in onzen laatsten
strijd niet even hard getroffen hebt, als ik u, dan hebt gij toch al
uw verstand bij den stoot verbruikt. Maar hier ligt het onderscheid
tusschen u en Blondel. Gij zijt slechts mijn makker--mijn kweekeling
zou ik kunnen zeggen--in de krijgskunst, Blondel is mijn meester in
de kunst der minnezangers en de muziek. U vergun ik de vrijheid der
vertrouwelijkheid--hem moet ik eerbied bewijzen, als mijn meerdere
in zijne kunst. Kom, man, wees niet verdrietig, maar blijf en hoor
ons gezang."

"Uwe Majesteit, in een zoo vroolijken luim te zien," hernam de lord
van Gilsland, "op mijn woord, dit zou er mij toe kunnen brengen, dat
ik bleef, totdat Blondel de groote romance geëindigd had van Koning
Arthur, die drie dagen duurt."

"We willen uw geduld niet op zoo harde proef stellen," hervatte
de Koning. "Maar zie, die toortsglans daar buiten bewijst, dat
onze gemalin nadert.--Ga schielijk heen om haar te ontvangen,
vriend, en verwerf goede gunst in de schitterendste oogen van
het Christendom.--Neen, houd u niet op, om uw mantel in orde te
brengen. Zie, gij hebt Neville tusschen den wind en de zeilen uwer
gallei laten komen."

"Hij was op het slagveld mij nooit vóór," zeide de Vaux, niet
bijzonder tevreden, dat hij door den grooten dienstijver van den
kamerheer voorkomen was.

"Neen, noch hij noch iemand anders is u daar voorgekomen, mijn goede
Tom van Gills," zeide de Koning, "zoo niet wij zelven het tusschen
beide waren."

"Ja, mijn Koning," hernam de Vaux, "en laat ons den ongelukkigen
recht laten wedervaren;--de ongelukkige ridder van den Luipaard is
ook eens vóór mij geweest; want, ziet gij, hij weegt minder te paard,
en dus...."

"Stil!" zeide de Koning hem op bevelenden toon in de rede vallende,
"geen woord van hem," en hij stapte terstond voorwaarts, om zijne
koninklijke gemalin te begroeten; en na dit gedaan te hebben, stelde
hij haar Blondel als Koning der minnezangers en zijn meester in de
vroolijke wetenschap voor. Berengaria, die wel wist, dat de neiging
van haar gemaal voor dichtkunst en muziek bijna zijne zucht naar
krijgsroem evenaarde, en dat Blondel zijn bijzondere gunsteling was,
droeg de grootste zorg om hem met al de vleiende onderscheiding te
ontvangen, die zij verschuldigd was aan hem, dien het den Koning
een genoegen was te eeren. Toch was het blijkbaar, dat, ofschoon
Blondel naar behooren bij de komplimenten, waarmede hij wat te ruim
door de Koningin overstelpt werd, antwoordde, hij met dieper eerbied
en nederiger dankbaarheid de eenvoudige en aanvallige verwelkoming
van Edith erkende, daar hare korte begroeting hem misschien in
evenredigheid van de kortheid en eenvoudigheid oprechter toescheen.

Zoowel de Koningin als de Koning bemerkten dit onderscheid, en Richard
ziende, dat zijne gemalin eenigszins boos was over de voorkeur, die
aan zijne nicht betoond werd, en die hem misschien zelf niet zeer
aangenaam was, zeide, zoodat beide het hoorden,--"en minnezangers,
Berengaria, zoo als gij aan het gedrag van onzen meester Blondel zien
kunt, betoonen een grooter eerbied aan een gestrengen rechter, zooals
onze bloedverwante, dan aan een welwillenden, partijdigen vriend,
gelijk gij, die hunne waarde wel op goed geloof wil aannemen."

Edith werd door deze schijnbare spotternij van haar koninklijken
bloedverwant getroffen, en aarzelde niet te antwoorden: "een hard
en gestreng rechter te zijn, is eene eigenschap, die niet mij alleen
onder de Plantagenets eigen is."

Zij had misschien meer gezegd, daar zij iets van het karakter
van dit Huis had, dat, zijn naam en zijn wapen van de lage braam
(Planta Genista), als een teeken van nederigheid aangenomen hebbende,
misschien eene der meest trotsche familiën was, die ooit in Engeland
regeerden. Maar haar oog, dat reeds tot een antwoord ontvlamde,
viel eensklaps op dat van den Nubiër, ofschoon hij zich achter de
edelen trachtte te verbergen, en zij zonk op een stoel, zoo bleek,
dat Koningin Berengaria zich verplicht achtte, water en welriekende
olie te vragen, en de verdere gebruikelijke middelen aan te wenden,
die bij de flauwte eener dame van dienst zijn. Richard, die Edith's
geestkracht beter op prijs wist te stellen, riep Blondel toe,
zijne zitplaats te nemen, en zijn gezang te beginnen, en verklaarde,
dat de minnezangerskunst ieder ander geneesmiddel overtrof, om eene
Plantagenet in het leven terug te roepen.--"Zing voor ons," zeide hij,
"dat lied van het Bloedige Gewaad, waarvan gij mij vroeger den inhoud
verteld hebt, eer ik Cyprus verliet; gij moet er thans wel volkomen
in zijn, of, zoo als onze landlieden zeggen, uw boog is gebroken."

Met bezorgdheid rustte het oog van den minnezanger echter op Edith,
en eerst toen hij bemerkte, dat hare kleur terugkeerde, gehoorzaamde
hij aan het herhaald bevel des Konings. Hierop zijne stem met de harp
begeleidende, zoodat hij den zin van hetgeen hij zong verhoogde en
niet verdoofde, zong hij in eene soort van recitatief, een van die oude
avonturen van liefde en ridderschap, die in vroeger eeuwen de algemeene
aandacht plachten te trekken. Zoodra hij begon voort te spelen, scheen
het onbeduidende van zijn persoonlijk voorkomen te verdwijnen, en zijn
gelaat gloeide van geestdrift en bezieling. Zijne volle, mannelijke,
welluidende stem, zoo geheel onder bedwang van den zuiversten
smaak, trof ieder oor en ieder hart. Richard, verheugd als na eene
overwinning, riep om tot stilzwijgen te vermanen: "Luistert, heeren,
in tuin en zaal." Te gelijk zorgde hij voor orde en stilte in de kring
rondom hem met den ijver van een beschermer en een leerling tevens. Hij
zelf zette zich neder met een gelaat van ingespannen belangstelling,
niet geheel ontbloot van den ernst van den bevoegden beoordeelaar. De
hovelingen richtten hunne oogen naar den Koning, om gereed te zijn,
de aandoeningen, die zijne trekken zouden uitdrukken te bespieden en
na te volgen, en Thomas de Vaux geeuwde verschrikkelijk, als iemand,
die zich tegen zijn wil aan een strenge boete onderwerpt. Het gezang
van Blondel was natuurlijk in de Normandische taal; maar de volgende
verzen geven den inhoud er van weder.



    HET BLOEDIGE KLEED.


    I.

    't Was de avond vóór 't groote toernooi van St. Jan.
    Door ridders en knapen verlangend verbeid;--
    De duisternis viel reeds, toen schreed door het kamp
    Een page, een knaap nog te jong voor den strijd;
    Hem zond de prinses van het schoon Benevent
    Om te zoeken den Engelschman, Thomas à Kent.



    Niet spoedig te vinden is hij, dien hij zoekt,
    En schamel blijkt 's ridders verblijfplaats te zijn.
    Geen dienaren maken zijn rusting gereed.
    Hijzelf staat aan 't aanbeeld en poetst alles rein;
    Want ter eer van zijn schoone en ter eer van St. Jan
    Dekt op morgen die rusting den dapperen man.



    "Dus", zoo zeide de knaap, "spreekt een eed'le prinses
    Tot u, onder ridders zoo need'rig in rang:"
    --"Hoor gij, die tot mij uwe blikken verheft,
    Welk blijk van uw moed en uw trouw ik verlang.
    Rechtvaardig uw eerzucht door ridderlijkheid
    En gedempt is de klove, zoo breed, die ons scheidt.



    Leg op morgen, zoo wil 't Beneventums prinses
    Uw rusting terzij en neem daarvoor dit kleed;
    Een linnen gewaad voor 't beschermende staal!
    't Is meer dan tevoren een ridder ooit deed;
    En strijd als van ouds, voor geen slagen vervaard,
    Dat met roem ge overwint of een graf vindt in de aard."



    "De wil van mijn vrouwe is voor mij een bevel."
    Sprak de ridder en kuste eerbiedig de stof:
    "Dit nachtgewaad schenkt me verdubbelde kracht,
    En geen slag velt mij neer, die niet dood'lijk mij trof--
    Maar blijf ik in 't leven, zeg dat uw vorstin.
    Dan geef ze op haar beurt mij 't bewijs van haar min."



    II.

    't St. Jans-feest getuigde van dappere daân
    En veel roem werd behaald en er stroomde veel bloed;
    Maar één ridder blonk ver boven d'and'ren toch uit
    En vervulde elk met ontzag voor zijn moed;
    Want geen pantser van staal was 't waarin hij verscheen,
    Het gewaad van een jonkvrouw slechts dekte zijn leên.



    Wel trof hem van sommigen menige slag,
    Doch anderen spaarden hem, waar het slechts kon:
    Een gelofte, als de zijne was, diende geëerd,
    Dat gevoelde ook de vorst, die niet lang zich bezon,
    Toen het teeken hij gaf tot het eind van den slag,
    Om te noemen dien ridder, als held van den dag.



    Eer het gastmaal, ja zelfs eer de hoogmis begon,
    Boog diep voor de schoone prinses zich een knaap;
    Vol steken en kerven, doortrokken van bloed
    Bracht hij haar het gewaad, dat ze eens droeg in haar slaap.
    Geen plekje zóó klein, dat haar pink het bedekt,
    Bleef door stof en door modder dien dag onbevlekt.



    "Dit teeken zendt de edele Thomas à Kent
    Als bewijs, dat het al naar uw wil is geschied.
    Wie hoog in een boom klimt, heeft recht op de vrucht;
    Wie zijn leven gewaagd heeft, verstoote men niet;
    Want van haar, die ons uitzond in bloedigen strijd,
    Verwachten we, dat ze ook haar voorkeur belijdt."



    --"Ik hergeef", "spreekt mijn meester,"--"dit kleed dat ik droeg,
    Opdat mijn prinsesse het drage op haar beurt.
    Geen schande bezoedelt het, hoe ook bevlekt."--
    En zij kuste het, waar 't door zijn bloed was gekleurd;
    "Zeg mijn ridder, dat hij en heel 't hof nu zal zien
    Of ik waarlijk zijn trouwe en zijn hulde verdien."



    Toen de vorst'lijke stoet naar de kerk zich begaf,
    Ging vooraan de prinses in haar statie-gewaad
    Maar daarover geworpen was 't bloedige hemd--
    Was ooit tot zooiets wel een jonkvrouw in staat?
    En toen voor haar vader ze aan 't gastmaal verscheen
    Droeg zij weer over zijde en juweelen het heen.



    Een gefluister ontstond en de vorst zag haar aan
    En sprak: "Veel gevergd is het, dat ik dit duld;
    Maar sinds gij uw dwaasheid tot schouwspel dus maakt
    Zult het bloed ge betalen, gevloeid door uw schuld.
    Als zijn egade voere deez' ridder u weg.
    Daar ik beide u 't verblijf in mijn prinsdom ontzeg."



    Hem antwoordde Thomas, die stond in de zaal,
    Verzwakt door zijn wonden, maar vol toch van moed;
    "Om te winnen uw dochter, mij 't liefste op aard'.
    En haar met mij te voeren gaf 'k gaarne mijn bloed;
    En niet lang zal ze treuren om 't schoon Benevent
    Wordt ze in Eng'land geëerd als gravinne van Kent.



Van alle zijden klonken luide toejuichingen waartoe het voorbeeld
was gegeven door Richard zelf, die zijn geliefkoosden minnezanger met
loftuitingen overlaadde, en hem ten slotte een ring van aanzienlijke
waarde aanbood. De Koningin haastte zich den gunsteling door een
rijken armband te onderscheiden, en vele van de tegenwoordige edelen
volgden dit koninklijk voorbeeld.

"Is onze nicht Edith," vroeg de Koning, "voor den klank der harp dien
zij eens beminde, ongevoelig geworden?"

"Zij dankt Blondel voor zijn lied," antwoordde Edith, "maar dubbel
de goedheid van den bloedverwant, die het aangaf."

"Gij zijt boos, nicht," hernam de Koning; "boos omdat gij gehoord
hebt van een nog eigenzinniger vrouw dan gij zelve zijt. Maar gij
ontsnapt mij niet.--Ik wil een eindwegs met u huiswaarts naar de tent
der Koningin wandelen--wij moeten met elkander spreken, eer de nacht
in morgen is veranderd."

De Koningin en haar gevolg stonden nu op, en de andere gasten
verwijderden zich uit de koninklijke tent. Een troep met brandende
toortsen en een geleide van boogschutters wachtten Berengaria buiten de
tent, en zij was weldra op weg huiswaarts. Richard wandelde zooals hij
zich had voorgenomen, naast zijne bloedverwante, en dwong haar zijn
arm tot steun aan te nemen, zoodat zij met elkander spreken konden,
zonder gehoord te worden.

"Welk antwoord moet ik den edelen Sultan geven?" vroeg Richard. "De
Koningen en Vorsten vallen mij af, Edith; deze nieuwe twist heeft hen
op nieuw vervreemd. Ik wilde gaarne iets voor het heilige Graf doen,
zoo niet door de overwinning, dan door een verdrag; en mijne kans om
dat ten uitvoer te brengen, hangt, helaas af, van de grillen eener
vrouw. Ik wilde mijne oude speer tegen tien van de beste lansen in
het Christendom opheffen, liever dan tegen een eigenzinnig meisje
redeneeren, die niet weet wat tot haar eigen best dient--Welk antwoord,
nicht, moet ik den Sultan geven? Het moet beslissend zijn."

"Zeg hem," antwoordde Edith, "dat de armste der Plantagenets eer een
huwelijk met de ellende dan met het ongeloof wil aangaan."

"Zal ik zeggen met de slavernij, Edith?" zeide de Koning.--"Mij dunkt
dit komt nader bij uw meening."

"Er bestaat geene reden," hernam Edith, "voor den achterdocht,
dien gij zoo ruw te kennen geeft. Met de slavernij des lichaams
had men medelijden kunnen hebben, maar die der ziel is slechts te
verachten. Schaam u, Koning van het vroolijke Engeland, gij hebt de
leden en den geest van een ridder in slavernij gebracht, die eenmaal
nauwelijks minder beroemd was dan gij zelf."

"Zou ik mijne naastbestaanden niet beletten om vergif te drinken,
door de vaas te bezoedelen, waarin het zich bevond, zoo ik geen ander
middel zag, om haar den noodlottigen drank tegen te maken?" hervatte
de Koning.

"Gij zijt het zelf, die mij dwingen wildet om het vergif te drinken,
omdat het in een gouden beker aangeboden wordt," antwoordde Edith.

"Edith," hernam Richard, "ik kan uw besluit niet dwingen; maar pas
op, dat gij de deur niet sluit, die de Hemel opent. De kluizenaar
van Engaddi, hij, dien pausen en kerkvergaderingen als een profeet
beschouwd hebben, heeft in sterren gelezen, dat uw huwelijk mij met
een machtigen vijand zal verzoenen, en dat uw gemaal een Christen
zal zijn. Ik heb dus allen grond om te hopen, dat de bekeering van
den Sultan, en de opneming van de zonen Ismaël's in den schoot der
kerk een gevolg van uwe verbintenis met Saladin zullen zijn. Kom, gij
moet een klein offer brengen liever dan zulke gelukkige vooruitzichten
te belemmeren."

"Men kan rammen en geiten offeren," zeide Edith, "maar eer en geweten
niet. Ik heb gehoord, dat het de schande van eene Christenmaagd was,
die de Sarraceenen in Spanje bracht--de schande eener andere is geen
waarschijnlijk middel om hen uit Palestina te verdrijven."

"Noemt gij het eene schande om Keizerin te worden?" vroeg de Koning.

"Ik noem het schande en onteering een christelijk sacrament te
ontheiligen, door het aan te gaan met een ongeloovige, dien het
niet binden kan; en ik noem het eene lage beschimping, dat ik, de
afstammelinge van een Christen vorstin, vrijwillig het hoofd van een
harem van heidensche bijwijven zou worden."

"Welaan, nicht," antwoordde de Koning na een poos, "ik mag niet met
u twisten, ofschoon het mij voorkomt, dat uw afhankelijke toestand
meer toegevendheid zou voorgeschreven hebben."

"Mijn Koning," hervatte Edith, "uwe Majesteit is waardig opgevolgd in
alle rijkdom, titels en rechten van het huis van Plantagenet,--misgun
derhalve uwe bloedverwante geen klein aandeel van zijn hoogmoed."

"Op mijn woord, meisje," hernam de Koning, "gij hebt mij met dit
eene woord uit den zadel gelicht; dus willen wij elkander kussen en
vrienden zijn. Ik zal dadelijk uw antwoord aan Saladin zenden. Maar,
zou het evenwel niet beter zijn, nicht, om uw antwoord uit te stellen,
totdat gij hem gezien hebt? Men zegt, dat hij uitstekend schoon is."

"Er is geen kans, dat wij elkander ontmoeten, Mylord," zeide Edith.

"Bij St. George, daar is bijna zekerheid van," antwoordde de Koning;
"want Saladin zal ons zonder twijfel een open veld geven, om dezen
nieuwen strijd voor de banier te voeren, en hij zelf zal ervan getuige
zijn. Berengaria brandt van begeerte om dien ook bij te wonen, en ik
durf wedden, dat geen enkele van u zal achterblijven--en het minst
van allen, gij zelve, schoone nicht. Maar kom, wij hebben de tent
bereikt, en moeten scheiden--niet in onmin evenwel--neen, gij moet
het met den mond zoo wel als met de hand bezegelen, beste Edith--het
is mijn recht als souverein, om mijne schoone onderdanen te kussen."

Hij omhelsde haar eerbiedig en hartelijk, en keerde in den maneschijn
door het kamp terug, de fragmenten uit Blondel's lied, die hij zich
herinneren kon, bij zich zelven neuriënde.

Bij zijne aankomst liet hij geen tijd voorbijgaan, om zijne dépêches
gereed te maken, en gaf die aan den Nubiër over, met bevel om met
het aanbreken van den dag naar den Sultan terug te keeren.



HOOFDSTUK XXVII.

                    Den Tekbir hoorden wij--zoo noemen de Arabieren
                    Hun aanvalskreet, als zij met luid geschreeuw
                    Den Hemel smeeken om de zege--

                                                     Beleg van Damascus.


Den volgenden morgen werd Richard door Filips van Frankrijk tot een
onderhoud genoodigd; en toen deelde deze hem met veel betuigingen
van zijne hooge achting voor zijn broeder van Engeland, in hoogst
beleefde, maar te duidelijke bewoordingen om misverstaan te worden,
zijn stellig voornemen mede, om naar Europa en tot de zorg voor zijn
koninkrijk terug te keeren, daar hij geheel aan den verderen uitslag
van hunne onderneming bij de vermindering hunner macht en hunne
onderlinge oneenigheid wanhoopte. Richard deed vergeefsche vertoogen,
en toen de bijeenkomst geëindigd was, ontving hij zonder verwondering
eene verklaring van den hertog van Oostenrijk en verscheidene
andere vorsten, een gelijk besluit als dat van Filips bevattende,
en in onbewimpelde woorden als reden van hun afval van het Kruis
de onbeteugelde eerzucht en het willekeurig beheer van Richard van
Engeland aanvoerende. Alle hoop om den oorlog met eenig vooruitzicht
op goeden uitslag voort te zetten werd nu vaarwel gezegd, en Richard,
bittere tranen over zijne teleurgestelde hoop op roem stortende,
vond weinig troost in de overweging, dat de mislukking eenigermate
aan de voordeelen was toe te schrijven, die hij zijn vijanden door
zijn driftig en onvoorzichtig karakter verschaft had.

"Zij hadden mijn vader niet zoo durven verlaten," zeide hij tot de
Vaux in de bitterheid zijner gramschap.--"Geen smaadredenen, die zij
tegen zulk een wijs Koning konden uitgebraakt hebben, had men in het
Christendom geloofd; terwijl ik,--dwaas die ik ben!--hun niet alleen
een voorwendsel aan de hand gegeven heb, om mij te verlaten, maar
zelfs den schijn, om al den blaam van de breuk op mijne ongelukkige
zwakheden te werpen."

Deze gedachten waren zoo bitter pijnigend voor den Koning, dat de
Vaux zich verheugde, toen de aankomst van een gezant van Saladin
zijne gedachten op een ander voorwerp leidde.

Deze nieuwe gezant was een emir, die in hooge achting stond bij
den Sultan, en wiens naam Abdallah el Hadji was. Hij leidde zijn
oorsprong af van het geslacht des profeets en van den stam Hashem
en tot teeken van deze afstamming droeg hij een groenen tulband
van buitengewone grootte. Hij had ook drie malen de reis naar Mekka
gedaan, en hiervan had hij zijn bijnaam van Hadji, of pelgrim. Ondanks
deze verschillende aanspraken op heiligheid, was Abdallah, voor een
Arabier, een lustig gezel, die vermaak vond in een vroolijk verhaal,
en zijne deftigheid zóó ver aflegde, dat hij eene goede flesch ledigde,
wanneer geheimhouding hem tegen schandaal waarborgde. Hij was tevens
een staatsman, van wiens bekwaamheden Saladin gebruik gemaakt had in
onderscheidene onderhandelingen met de Christen Vorsten en bijzonder
met Richard, bij wien El Hadji persoonlijk bekend en aangenaam
was. Aangespoord door de gereede vergunning, waarmede de gezant van
Saladin een vrij veld schonk, tot een strijdperk en een vrijgeleide
voor allen, die er getuige van wenschten te zijn, en zijn eigen persoon
als borg voor zijne getrouwheid aanbood, vergat Richard spoedig zijne
bedrogen hoop, en de naderende ontbinding van het Christen verbond,
door de aangename beraadslaging, die een gevecht op het toernooiveld
voorafging.

De plek, de diamant van de woestijn genoemd, werd voor de strijdplaats
aangewezen, daar deze ongeveer op gelijken afstand tusschen de
Christen en de Sarraceensche legerplaats lag. Men kwam overeen,
dat Koenraad van Montserrat, de aangeklaagde, met zijne secondanten,
den aartshertog van Oostenrijk en den grootmeester der Tempeliers,
aldaar op den bepaalden dag met honderd gewapenden en niet meer zou
verschijnen; dat Richard van Engeland en zijn broeder Salisbury, die
de beschuldiging staande hielden, met hetzelfde getal zouden komen,
om des Konings kampioen te beschermen; en dat de Sultan eene wacht
van vijfhonderd uitgelezen krijgslieden zou medebrengen, een korps,
dat men als niet meer dan aan tweehonderd Christen lansen geëvenredigd
oordeelde. Zoodanige personen van aanzien, welke beide partijen zouden
noodigen, om den strijd bij te wonen, zouden geene andere aanvallende
wapenen dan hunne zwaarden dragen, en zonder wapenen ter verdediging
komen. De Sultan nam op zich het strijdperk gereed te maken, en
gemakken en ververschingen van allerlei aard te bereiden voor allen,
die bij deze plechtigheid zouden tegenwoordig zijn. Zijn brief drukte
met veel hoffelijkheid het genoegen uit, dat hij zich beloofde van
het vooruitzicht op eene persoonlijke en vreedzame ontmoeting met
Melec Ric en zijne groote begeerte, om zijne ontvangst zoo aangenaam
mogelijk te maken.

Toen alle voorafgaande punten geregeld en aan den aangeklaagden en
zijne secondanten medegedeeld waren, werd Abdallah el Hadji tot eene
meer geheime bijeenkomst toegelaten, waar hij met genoegen de gezangen
van Blondel hoorde. Na eerst zorgvuldig zijn groenen tulband buiten
het gezicht gelegd, en in de plaats daarvan eene Grieksche muts
opgezet te hebben, beantwoordde hij de muziek met een drinklied in
het Perzisch, en dronk een fijne flesch Cyprus wijn, om te toonen,
dat zijne practijk met zijne beginselen overeenkwamen. Den volgenden
dag, deftig en nuchter als de waterdrinker Minlip, boog hij zijn
voorhoofd tot den grond voor de voetschabel van Saladin, en gaf den
Sultan bericht van zijn gezantschap.

Op den dag vóór dien tot het gevecht bestemd, vertrokken Koenraad en
zijne vrienden bij het aanbreken van den dag om zich naar de aangewezen
plaats te begeven, en Richard verliet de legerplaats op hetzelfde
uur en met hetzelfde voornemen. Maar, zooals men overeengekomen
was, nam hij een verschillenden weg, eene voorzorg, die men noodig
geoordeeld had, om de mogelijkheid van een twist tusschen hunne
gewapende begeleiders te voorkomen.

De goede Koning zelf had geen lust om met iemand te twisten. Niets
had zijne aangename verwachtingen van een bloedig gevecht op leven
en dood in het strijdperk kunnen verhoogen, behalve dat zijn eigen
koninklijken persoon deelgenoot in den strijd had kunnen zijn; en hij
was zelfs half met Koenraad van Montserrat verzoend. Licht gewapend,
rijk gekleed en vroolijk als een bruidegom op den bruiloftsavond,
steigerde Richard naast den draagstoel van Koningin Berengaria,
haar de verschillende oorden, waar zij doortrokken, aanwijzende,
terwijl hij den tocht door de ongastvrije wildernis met verhalen
en gezang vervroolijkte. De vorige weg, dien de Koningin bij hare
bedevaart naar Engaddi gevolgd had, liep langs de andere zijde van
de bergketen, zoodat haar de tafereelen der woestijn vreemd waren; en
ofschoon Berengaria het karakter van haar gemaal te wèl kende, om niet
te trachten het voorkomen van belangstelling aan te nemen in hetgeen
hem behaagde te zeggen of te zingen, kon zij toch eenige vrouwelijke
vrees niet weren, toen zij zich in de vreeselijke wildernis bevond,
bijna in het midden der zandvlakte, met zulk een klein geleide, dat
er als een stip uitzag. Tevens wist zij, dat zij niet zoo ver van
de legerplaats van den Sultan waren, of zij konden in een oogenblik
door eene grootere macht van zijne vlugge ruiterij overvallen en
weggevoerd worden, als de Heiden trouweloos genoeg was om van zulk
eene verleidelijke gelegenheid partij te trekken. Maar toen zij deze
vermoedens aan Koning Richard liet bespeuren, bejegende hij die met
misnoegen en verachting. "Het zou meer dan ondankbaarheid zijn,"
zeide hij, "zoo men aan de goede trouw van den grootmoedigen Sultan
twijfelde."

Toch kwam deze gedachte meer dan eens weder op, niet alleen in het
vreesachtig gemoed der Koningin, maar in den krachtiger en openhartiger
geest van Edith Plantagenet, die niet zulk een onwankelbaar vertrouwen
op de goede trouw van den Muzelman had, dat zij volmaakt gerust was,
nu zij zoo geheel in diens macht was; en hare verbazing zou minder
groot dan haar schrik geweest zijn, zoo de woestijn plotseling van
het geschreeuw van "Allah hu!" weergalmd had, en eene bende Arabische
ruiterij als gieren op hunne prooi ware gestort. Deze achterdocht werd
niet verminderd, toen zij bij het vallen van den avond een enkelen
Arabischen ruiter bespeurden, dien men aan zijn tulband en zijne
lange lans onderscheiden kon, en die boven den rand van eene kleine
hoogte scheen te zweven, gelijk een havik zich in de lucht beweegt,
en bij de verschijning van den koninklijken trein met den spoed van
denzelfden vogel wegschoot, wanneer die voor den wind afvliegt en
aan den gezichteinder verdwijnt.

"Wij moeten nabij de kampplaats zijn," zeide Koning Richard; "en
gindsche ruiter is een van Saladin's buitenposten--mij dunkt, ik hoor
het gedruisch der Moorsche horens en cymbalen. Schaart u in orde,
vrienden, en omringt de dames op militaire wijze en aaneengesloten."

Terwijl hij sprak, drong elk ridder, schildknaap en boogschutter
haastig naar de hem aangewezen plaats, en zij trokken in de meest
gesloten orde voorwaarts, zoodat hun getal nog geringer scheen. Om
de waarheid te zeggen, ofschoon er mogelijk geene vrees bij hen
heerschte, was angst zoowel als nieuwsgierigheid te bespeuren in
de aandacht, waarmede zij naar het woeste gedruisch van de Moorsche
muziek luisterden, die hoe langer hoe duidelijker zich hooren liet
in de richting, waar men den Arabischen ruiter had zien verdwijnen.

De Vaux fluisterde den Koning toe: "Zou het niet goed zijn, mijn Vorst,
een page naar den top van dien heuvel te zenden? Of behaagt het u,
dat ik er heen rijd? Mij dunkt, naar al dat geraas en gedruisch te
oordeelen, dat, zoo er niet meer dan vijfhonderd man aan de andere
zijde van de heuvels zijn, de helft van het gevolg van den Sultan uit
trommel- en cymbalenslagers bestaan moet.... Zal ik er heen rijden?"

De baron hield zijn paard goed in den toom en wilde juist de sporen
geven, toen de Koning uitriep: "Om alles in de wereld, doe het
niet. Zulk eene voorzorg zou achterdocht verraden, en zou van weinig
nut zijn, om eene verrassing te voorkomen, die ik evenwel niet vrees."

Zij trokken dientengevolge in gesloten en vaste orde voorwaarts,
totdat zij over de rij lage heuvels en in het gezicht van de bestemde
kampplaats kwamen, toen een prachtig maar tegelijkertijd ontzagwekkend
schouwspel hen verraste. De Diamant van de woestijn, kort geleden eene
eenzame fontein, die alleen te midden van de wildernis door enkele
groepen palmboomen onderscheiden werd, was thans het middelpunt van
eene legerplaats, waarvan de geborduurde vlaggen en de vergulde
sieraden heinde en ver schitterden, en de duizend rijke tinten
de ondergaande zon zich weerkaatsten. Het linnen der groote tenten
was van de vroolijkste kleuren, scharlaken, hoog geel, bleek blauw,
en andere levendige en schitterende verwen, en de spitsen van hunne
tentpalen waren met gouden granaatappels en kleine zijden wimpels
versierd. Maar behalve deze versierde tenten was er, zooals Thomas
de Vaux meende, een ontzaglijk aantal van de gewone zwarte tenten
der Arabieren, daar deze, naar zijn oordeel, toereikend waren om
volgens Oostersche wijze, een leger van vijfduizend man gemakkelijk
in zich op te nemen. Een aantal Arabieren en Kurden, evenredig aan
de uitgebreidheid van de legerplaats, vereenigde zich spoedig, ieder
zijn paard aan de hand leidende, en hunne revue ging gepaard met een
oorverdoovend gedruisch van schelklinkende krijgsinstrumenten, waardoor
ten allen tijde de krijgsverrichtingen der Arabieren zich kenmerkten.

Zij vormden weldra een donkeren en verwarden hoop afgestegen ruiterij
in het front van hun leger; daarop sprong, op een schel signaal,
dat zich ver boven den klank der muziek verhief, ieder ruiter in het
zadel. Eene wolk van stof, die bij deze beweging ontstond, verborg
voor Richard en zijn gevolg het kamp, de palmboomen en de verafgelegen
bergketen, zoowel als de benden, wier plotselinge beweging de wolk
had veroorzaakt, welke, zich hoog boven hunne hoofden verheffende,
de fantastische vormen van zuilen, koepels en minarets aannam. Men
hoorde een tweede schel signaal uit dezen wolksluier klinken. Het was
een sein voor de ruiters, om voort te rukken, wat zij in vollen galop
deden, terwijl zij zich onder het voortrukken zoodanig rangschikten,
dat zij op eenmaal voor het front, op zijde en in de achterhoede van
Richard's kleine lijfwacht kwamen, die aldus omringd was en bijna
stikte in de dikke wolken stof, die hen van alle kanten omgaven. Door
deze heen zag en verloor men bij afwisseling de woeste gestalten
en wilde gezichten der Sarraceenen, die onder een woest geschreeuw,
hunne lansen in alle mogelijke richtingen rondzwaaiden en voor zich
uit stootten, en dikwijls hunne paarden eerst tegenhielden, wanneer
zij op eene speerlengte van de Christenen verwijderd waren, terwijl
die van de achterhoede dichte wolken pijlen over de hoofden der beide
partijen schoten. Een ervan trof den draagstoel, waarin de Koningin
zat, die luid gilde, en op dat oogenblik kleurde Richard's voorhoofd.

"Ha, St. George!" riep hij uit, "wij moeten wat orde onder dit
ongeloovige schuim stellen!"

Maar Edith, wier draagstoel nabij was, stak haar hoofd naar buiten,
en in hare hand een der pijlen houdende, riep zij hem toe: "Koninklijke
Richard, wacht u, wat gij doet. Zie, deze pijlen hebben geene punten!"

"Edel, gevoelvol meisje!" zeide Richard; "bij den hemel, gij beschaamt
ons allen door uwe snelheid van gedachten en uw blik.--Verontrust u
niet, mijne goede landslieden," riep hij zijn volgelingen toe--"hunne
pijlen hebben geene spitsen--en aan hunne speren ontbreken ook de
stalen punten. Het is slechts eene woeste verwelkoming, volgens hun
wild gebruik, ofschoon zij ons zonder twijfel gaarne verschrikt of
in verwarring zouden zien. Rukt voorwaarts, langzaam en vast!"

De kleine phalanx trok dus voort, van alle zijden door de Arabieren
vergezeld onder het schelste en doordringende geschreeuw, terwijl de
boogschutters intusschen hunne vaardigheid betoonden, daar zij zoo
dicht mogelijk langs de helmen der Christenen schoten, zonder hen te
treffen, terwijl de lansdragers elkander met zulke ruwe stooten van
hunne plompe wapenen aanvielen, dat meer dan een van hen uit het zadel
geraakte en bijna zijn leven in dit gevaarlijke spel verloor. Dit
alles, ofschoon het bestemd was om eene verwelkoming aan te duiden,
had toch eenig bedenkelijk aanzien in het oog der Westerlingen.

Toen zij omtrent halfweg het kamp waren, terwijl Koning Richard en zijn
gevolg, als het ware, den kern vormden, waarom heen deze luidruchtige
bende ruiters huilde, schreeuwde, schermutselde, galoppeerde en een
tooneel van onbeschrijfelijke wanorde vormde, hoorde men nog eenmaal
een schellen gil, waarop al deze onregelmatige benden, die in de
voorhoede en op de zijden van den kleinen troep Europeanen waren,
terugweken, en eene lange en breede kolom uitmakende, in stille orde
de achterhoede, van Richard's troep volgden. Het stof begon thans
voor het front te verdwijnen, toen er hun door dien donkeren sluier
eene bende ruiterij tegemoet trok van geheel verschillenden en meer
geregelden aard, volkomen met wapenen van aanval uitgerust en die wel
tot lijfwacht bij den meest verhevenen van alle Oostersche Monarchen
had kunnen dienen. Elk paard van dien troep, die uit vijfhonderd
man bestond, was het losgeld van een graaf waard. De ruiters waren
Georgische en Circassische slaven in den bloei des levens. Hunne
helmen en borstharnassen waren uit stalen ringen vervaardigd,
die zoo sterk schitterden, alsof zij van zilver waren; hunne
kleeding was van de levendigste kleuren en van sommigen van goud-
of zilverstof. De sjerpen waren met zijde en goud doorwerkt, hunne
rijke tulbanden met vederbossen en juweelen bezet, en hunne sabels
en dolken van Damascener staal, en aan het gevest en de scheede met
goud en edelgesteenten versierd.

Dit prachtige korps rukte onder de tonen van krijgsmuziek voorwaarts,
en toen zij bij den stoet der Christenen kwamen, openden zij hunne
rijen ter rechter- en linkerzijde, en lieten hen tusschen hunne
gelederen doortrekken. Richard nam nu de voorste plaats bij zijn troep
in, daar hij begreep, dat Saladin zelf naderde. Het duurde dan ook
niet lang of de Sultan kwam, te midden van zijn lijfwacht, omringd
door de officieren van zijn huis, en die afschuwelijke Negers, die een
Oosterschen harem bewaken, en wier mismaakte gedaante door een rijkdom
hunner kleeding nog afzichtelijker werd. Hij naderde met den blik en
de houding van een man, op wiens voorhoofd de natuur geschreven had:
"deze is een Koning!" In zijn sneeuwwitten tulband en een gewaad van
dezelfde kleur en zijne wijde Oostersche broek met eene scharlaken
roode sjerp zonder eenig ander sieraad, kon Saladin de eenvoudigste
onder zijne lijfwacht geschenen hebben. Maar een nauwgezetter
onderzoek deed in zijn tulband dat onwaardeerbaar juweel ontdekken,
dat de dichters de "Zee van Licht" noemden; de diamant, waarop zijn
wapen was gesneden, en dien hij in een ring droeg, had waarschijnlijk
dezelfde waarde als alle kostbare steenen van de Engelsche kroon te
samen, en een saffier, aan het uiteinde van het hecht van zijn dolk,
was bijna even kostbaar. Hierbij moet men nog voegen, dat de Sultan,
om zich voor het stof te behoeden, dat in de nabijheid der Doode Zee
aan de fijnste asch gelijk is, of misschien uit Oosterschen hoogmoed,
eene soort van sluier droeg, die aan zijn tulband was vastgemaakt,
en eene lichte schaduw wierp op zijne edele gelaatstrekken. Hij reed
op een melkwit Arabisch paard, dat hem droeg, alsof het wist, welken
edelen last het op zijn rug had, en trotsch daarop was.

Zonder eenige voorbereidende ceremonie stegen onmiddellijk de
twee vorstelijke helden, want dien naam verdienden zij ten volle,
gelijktijdig van hun paard; en terwijl de troepen staan bleven en de
muziek eensklaps ophield, naderden zij, het diepste stilzwijgen in
acht nemende, elkander, en na eene beleefde buiging van weerszijden,
omhelsden zij elkander als broeders en elkaars gelijken. De praal en
pracht van beide zijden verloor zijn luister--niemand zag iets anders
dan Richard en Saladin, en ook zij zagen niet dan elkander. De blik,
waarmede Richard Saladin beschouwde, was echter vorschender dan die,
welke de Sultan op hem vestigde; ook was deze de eerste, die het
stilzwijgen afbrak.

"Melec Ric is Saladin even welkom, als het water dezer woestijn. Ik
vertrouw, dat hij geen wantrouwen tegen deze talrijke schaar
heeft. Behalve deze gewapende slaven van mijn huis, zijn degenen,
welke u met oogen van verwondering en verwelkoming omringden, zelfs
de nederigsten van hen, de bevoorrechte edelen van mijne duizend
stammen; want wie, die aanspraak kon maken om tegenwoordig te zijn,
zou te huis willen blijven, nu er zulk een Vorst als Richard te zien
was, met den schrik voor wiens naam zelfs te midden van het zand van
Jemen, de voedster haar kind tot stilte brengt, en de vrije Arabier
zijn wederspannig ros beteugelt." [8]

"En dit zijn allen Arabische edelen?" vroeg Richard, om zich heen
ziende naar de woeste gedaanten, wier gelaat verzengd was door de
zonnestralen, wier tanden het ivoor in witheid evenaarden, terwijl
hunne zwarte oogen van onder de schaduw hunner tulbanden met fieren
en bovennatuurlijken glans schitterden, en hunne kleeding over het
algemeen eenvoudig, zelfs armelijk was.

"Zij maken aanspraak op dien rang," antwoordde Saladin; "maar hoe
talrijk ook, toch zijn zij onder de voorwaarden van het verdrag, en
dragen geene wapenen behalve de sabel--zelfs het ijzer hunner lansen
hebben zij achtergelaten."

"Ik vrees," mompelde de Vaux in het Engelsch, "dat zij het op eene
plaats gelaten hebben, waar zij het schielijk kunnen vinden. Een zeer
bloeiend huis van Pairs, dat beken ik, en zij zouden Westminster-Hall
nog te klein voor zich achten."

"Stil, de Vaux," antwoordde Richard, "ik beveel het u.--Edele
Saladin," sprak hij, "achterdocht en gij, kunnen niet op denzelfden
grond bestaan. Ziet gij," op den draagstoel wijzende,--"ik heb ook
eenige kampioenen medegebracht, ofschoon zij, misschien met inbreuk
op het verdrag, gewapend zijn, want schitterende oogen en schoone
gelaatstrekken zijn wapenen, die men niet achterlaten kan."

De Sultan, zich naar den draagstoel wendende, maakte eene even diepe
buiging, of hij de oogen op Mekka gericht had, en kuste het zand ten
teeken van eerbied.

"Neen, broeder," zeide Richard, "zij vreezen eene andere ontmoeting
niet; wilt gij niet naar hare draagstoelen rijden, en de gordijnen
zullen dadelijk weggetrokken worden."

"Dat verhoede Allah!" antwoordde Saladin; "want elk Arabier die er
getuige van is, zou het voor een schande houden, dat de edele vrouwen
met ontbloot gelaat gezien werden."

"Gij zult haar zien als wij alleen zijn, broeder," hernam Richard.

"Waartoe?" hervatte Saladin treurig. "Uw laatste brief was voor de
hoop, die ik koesterde, gelijk water voor het vuur; en waarom zou ik
opnieuw eene vlam doen ontbranden, die mij kan verteren, maar niet
verwarmen?--Maar wil mijn broeder niet in den tent gaan, die zijn
dienaar voor hem bereid heeft? Mijn voornaamste zwarte slaaf heeft
bevel voor de ontvangst der prinsessen--de officieren van mijn huis
zullen voor uw gevolg zorgen; en wij zelf zullen de kamerheer van
Koning Richard zijn."

Hij wees bij die woorden den weg naar eene prachtige tent, waarin
zich alles bevond, wat koninklijke weelde kon bedenken. De Vaux, die
den Koning bediende, nam hem toen de capa of langen reismantel af,
dien Richard droeg, en deze stond voor Saladin in de eng sluitende
kleeding, welke de kracht en de wel gevormde leden van zijn persoon
voordeelig deed uitkomen, terwijl zij een sterk contrast vormde met
het fladderende gewaad, dat de magere gestalte van den Oosterschen
Monarch bedekte. Maar het was Richard's ontzaglijk zwaard, dat vooral
de aandacht van den Sarraceen trok, eene breede, rechte kling,
waarvan de schijnbaar niet te hanteeren lengte zich bijna van den
schouder tot de hiel van den drager reikte.

"Had ik dit staal niet in het front van den slag zien schitteren,"
zeide Saladin, "gelijk dat van Azraël, dan zou ik moeilijk geloofd
hebben, dat een menschenarm het kon bestieren. Mag ik verzoeken,
om Melec Ric in vrede en alleen tot eene proef van zijne kracht een
slag daarmede te zien doen?"

"Gaarne, edele Saladin," antwoordde Richard, en rondziende naar iets,
waarop hij zijne kracht kon uitoefenen, zag hij eene stalen knots, die
een der wachten hield, waarvan de steel van hetzelfde metaal en omtrent
anderhalf duim in doorsnede was--deze legde hij op een houten blok.

De bezorgdheid van de Vaux voor de eer zijns meesters deed hem in het
Engelsch fluisteren: "om der heiligen Maagd's wille, mijn Koning, zie
toe wat gij onderneemt. Uwe volle kracht is nog niet teruggekeerd--geef
den ongeloovigen geen gelegenheid tot zegepraal."

"Zwijg, dwaas!" zeide Richard, vast op zijne plaats staande, en een
fieren blik om zich heen werpende,--sprak hij, "denkt gij, dat het
in zijne tegenwoordigheid missen kan?"

Het blinkende zwaard, door zijne beide handen bestierd, verhief zich
tot boven zijn linker schouder, draaide om zijn hoofd, viel met den
zwaai van een ontzaglijk werktuig neder, en de ijzeren stang rolde
in twee stukken op den grond, zooals een houthakker een jong boompje
met een groot snoeimes zou afhouwen.

"Bij het hoofd van den Profeet, een allermerkwaardigste houw!" riep de
Sultan, terwijl hij met het oog eens kenners de in stukken gehouwen
ijzeren stang nauwkeurig onderzocht. De kling van het zwaard was
zóó gehard, dat zij niet het minste blijk vertoonde, dat zij door
de verrichte daad van kracht geleden had. Hierop nam hij des Konings
hand, en de groote en gespierde kracht, die duidelijk eraan te zien
was, beschouwende, lachte hij, terwijl hij de zijne er naast legde,
die zoo rank en dun en zooveel minder in vleesch en spieren was.

"Ja, zie goed toe," zeide de Vaux in het Engelsch, "het zal lang duren,
eer uwe lange apenvingers met uwe schoone, vergulde sikkel zulk een
daad verrichten."

"Stil, de Vaux," zeide Richard; "bij onze lieve Vrouw, hij verstaat
of gist uwe meening--wees niet zoo onbeschoft, bid ik u."

De Sultan zeide inderdaad op hetzelfde oogenblik: "iets wilde ik
gaarne beproeven--maar waarom zouden de zwakken hunne minderheid
in tegenwoordigheid der sterken laten zien? Intusschen, ieder land
heeft zijne eigen oefeningen, en mogelijk is dit nieuw voor Melec
Ric."--Bij deze woorden nam hij een kussen van zijde en dons van de
vloer, en zette het op het eene einde rechtop.--"Kan uw wapen dit
kussen splijten?" vroeg hij aan Koning Richard.

"Neen, zeker niet," antwoordde de Koning, "geen zwaard op aarde,
al ware het de Excalibur van Koning Arthur, kan iets doorsnijden,
dat geen vasten tegenstand biedt."

"Pas dan op," zeide Saladin; en de mouw van zijn gewaad optrekkende,
liet hij zijn arm zien, die wel is waar lang en mager was, maar die
door gedurige oefening verhard was tot eene massa, die uit niets
dan peezen en zenuwen bestond. Hij trok zijn sabel uit de scheede;
het was eene kromme smalle kling, die niet, gelijk de zwaarden der
Franken schitterde, maar integendeel van eene matte, blauwe kleur was,
met millioenen slangswijze loopende lijnen geteekend, welke toonden,
hoe het metaal door den wapensmid bewerkt was geworden. Met dit wapen,
dat in schijn zoo weinig kon uitrichten, als het met dat van Richard
vergeleken werd, stond de Sultan, steunend op zijn linker voet, die
een weinig voorwaarts stond; hij balanceerde een oogenblik, alsof
hij zijn doel goed wilde vatten; toen plotseling voorwaarts tredende,
trok hij de sabel dwars door het kussen, terwijl hij het lemmet zoo
behendig en tevens met zoo weinig zichtbare inspanning gebruikte,
dat het kussen eer uiteen scheen te vallen, dan dat het door geweld
vaneen gescheiden werd.

"Dit is een goochelaarskunstje," zeide de Vaux, vooruitspringende en
het stuk van het kussen, dat afgesneden was, opvattende, alsof hij zich
van de werkelijkheid der zaak wilde overtuigen--"daar is tooverij bij."

De Sultan scheen hem te begrijpen; want hij maakte de soort van
sluier, dien hij tot hiertoe om gehad had, los, legde dien dubbel
over het lemmet van zijn sabel, strekte die in de lucht, en trok ze
eensklaps door den sluier, ofschoon die geheel los om de kling hing,
en scheidde ook dezen in twee deelen, die naar verschillende zijden
der tent vlogen, aldus evenzeer de buitengemeene hardheid en scherpte
toonende van het wapen als de uitstekende behendigheid van hem,
die het hanteerde.

"Nu, in vollen ernst, broeder," zeide Richard, "gij zijt zonder
wederga in de hanteering van het zwaard, en het zou zeer gevaarlijk
zijn met u te vechten. Intusschen, ik stel eenig vertrouwen in een
goeden Engelschen slag, en wat wij niet door list vermogen, vergoeden
wij door sterkte. Niettemin zijt gij in waarheid even ervaren in het
toebrengen van wonden, als mijn wijze Hakim in het genezen ervan. Ik
hoop toch, dat ik den geleerden arts zal zien.--Ik heb hem veel te
danken, en bracht eenige kleine geschenken mede."

Terwijl hij sprak, verwisselde Saladin zijn tulband met eene
Tartaarsche muts. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de Vaux opende
eensklaps zijn breeden mond en zijne groote, ronde oogen, en Richard
staarde met niet minder verwondering, terwijl de Sultan op ernstigen
en veranderden toon zeide:

"De zieke," zegt de dichter, "kent den geneesheer aan zijn stap;
maar wanneer hij hersteld is, kent hij niet eens zijn gelaat, als
hij hem aanziet."

"Een wonder!--een wonder!" riep Richard uit.

"Zonder twijfel door Mahomed bewerkt," zeide Thomas de Vaux.

"Dat ik mijn geleerden Hakim alleen door het afleggen van zijne muts
en zijn tulband zou verliezen, en hem in mijn koninklijken broeder
Saladin mag wedervinden!"

"Zoo gaat het in de wereld," antwoordde de Sultan; "het gescheurde
kleed maakt niet altijd den dervisch uit."

"En het was op uwe voorspraak," vroeg Richard, "dat de ridder van
den Luipaard van den dood gered werd--en door uwe list, dat hij mijne
legerplaats weder vermomd bezocht?"

"Zoo is het," hervatte Saladin; "ik was bekwaam genoeg als geneesheer
om te weten, dat, zoo de wonden van zijne bloedende eer niet gestild
werden, de dagen zijns levens weinig zouden zijn. Zijne vermomming
werd lichter doorgrond, dan ik van den goeden uitslag van de mijne
verwacht had."

"Een toeval," antwoordde Richard,--waarschijnlijk doelende op de
omstandigheid, dat hij met zijne lippen de wond van den gewaanden
Nubiër had uitgezogen,--"deed mij eerst ontdekken, dat zijn vel door
kunst gekleurd was; en toen ik eenmaal die aanwijzing had, werd de
ontdekking zeer gemakkelijk, want zijne gestalte en zijn voorkomen
zijn niet zoo licht te vergeten. Ik vertrouw vast, dat hij morgen
zal strijden."

"Hij bereidt zich reeds voor en is vol hoop," zeide de Sultan. "Ik
heb hem wapens en een paard verschaft, daar ik eene hooge gedachte
van hem heb, voor zoover ik hem in verschillende vermommingen heb
gadegeslagen."

"Weet hij thans," vroeg Richard, "aan wien hij die groote verplichting
heeft?"

"Ja," antwoordde de Sarraceen--"ik was verplicht te bekennen, wie ik
was, toen ik hem mijn plan mededeelde."

"En bekende hij u iets?" vroeg de Koning van Engeland.

"Rechtstreeks niets," zeide de Sultan; "maar uit vele dingen, die
tusschen ons voorgevallen zijn, maak ik op, dat zijne liefde te hoog
geplaatst is, om tot een gelukkig einde te leiden."

"En gij wist, dat zijne vermetele, onbeschaamde hartstocht uwe eigen
wenschen in den weg stond?" vroeg Richard.

"Dit kon ik gissen," hernam Saladin; "maar zijn hartstocht heeft
bestaan, eer mijne wenschen gevormd waren--en dit moet ik er thans
bijvoegen: zij zal die ook wel overleven.--Ik kan het met mijne
eer niet overeenbrengen om mijne teleurstelling te wreken op hem,
die er geen deel in had. Of, zoo deze hooggeboren dame hem meer dan
mij beminde, wie kan zeggen, dat zij geen recht liet wedervaren aan
een ridder, die zoo edel is?"

"Maar van te geringe afkomst, om zich het bloed van Plantagenet te
vermengen," zeide Richard op trotschen toon.

"Dat kunnen uwe beginselen in Frangistan zijn," hervatte de
Sultan. "Onze dichters in de Oostersche landen zeggen, dat een dapper
kameeldrijver waardig is de lippen te kussen eener schoone koningin,
terwijl een lafhartig prins niet waardig is, den zoom van haar kleed te
kussen. Maar met uw verlof, edele broeder, ik moet voor het oogenblik
afscheid van u nemen, om den hertog van Oostenrijk en dien anderen
Nazareenschen ridder te ontvangen, die mijner gastvrijheid veel minder
waardig zijn, en toch behoorlijk moeten onthaald worden, niet om hunnen
't wil, maar om mijne eigen eer--want wat zegt de wijze Lokman? Zeg
niet, dat het voedsel, hetwelk gij aan den vreemdeling geeft voor u
verloren is--want indien zijn lichaam daardoor versterkt en gevoed
wordt, zoo wordt niet minder uwe eigen eer en uw goede naam daardoor
bevorderd en verhoogd."

De Sarraceensche monarch verliet Koning Richard's tent, en hem meer
door teekens dan door woorden aangeduid hebbende, waar die van de
Koningin en haar gevolg opgeslagen was, ging hij den markies van
Montserrat en zijne begeleiders ontvangen, voor wie de prachtlievende
Sultan met even veel luister, ofschoon met minder welwillendheid,
toebereidselen had laten maken. De heerlijkste ververschingen,
zoo wel naar den Oosterschen als den Europeeschen smaak, werden
den koninklijken en vorstelijken gasten van Saladin, elk in zijne
bijzondere tent, aangeboden; en zoo oplettend was de Sultan op de
gewoonten en den smaak zijner bezoekers, dat Grieksche slaven bij
de hand waren, om hun den beker aan te bieden, die voor de sekte van
Mahomed een gruwel is. Eer Richard zijn maal geëindigd had, trad de
oude omrah, die den brief des Sultans naar de Christelijke legerplaats
gebracht had, binnen met een programma van de plechtigheden, die
den volgenden dag moesten in acht genomen worden. Richard, die op de
hoogte was van den smaak van zijn ouden bekende, noodigde hem uit,
hem met een flesch Schiras wijn bescheid te doen; maar Abdallah gaf
hem met een treurig gelaat te verstaan, dat zelfverloochening in
de tegenwoordige omstandigheden eene zaak was, waarbij zijn leven
was betrokken; want dat Saladin, in vele opzichten verdraagzaam,
de wetten van den profeet zoowel zelf in acht nam, als de vervulling
ervan bij anderen door zware straffen zocht af te dwingen.

"Welnu dan," zeide Richard, "indien hij niet houdt van wijn, die het
menschelijk hart vervroolijkt, is zijne bekeering niet te wenschen,
en de voorspelling van den krankzinnigen priester van Engaddi verstuift
als kaf voor den wind."

Hierop stelde de Koning de voorwaarden van het gevecht vast, wat vrij
veel tijd kostte, daar men over sommige punten zoowel de tegenpartij
als den Sultan raadplegen moest.

Eindelijk werd men het daaromtrent geheel eens, en zij werden in het
Fransch en Arabisch in het protocol opgenomen, en dit door Saladin,
als scheidsrechter van het strijdperk en door Richard en Leopold,
als borgen voor de twee strijders, onderteekend. Toen de omrah voor
dien avond afscheid bij den Koning nam, trad de Vaux binnen.

"De goede ridder," zeide hij, "die morgen zal strijden, wenscht te
weten, of hij dezen avond zijne opwachting bij zijn koninklijken
getuige maken mag."

"Hebt gij hem gezien, de Vaux?" vroeg de Koning glimlachend; "en hebt
gij een ouden bekende gevonden?"

"Bij onze lieve Vrouw van Lanercost," antwoordde de Vaux, "er zijn
zoo vele verrassingen en gedaantewisselingen in dit land, dat mijne
arme hersens daarvan duizelen. Nauwelijks had ik sir Kenneth van
Schotland herkend, of zijn goede hond, die gedurende eene korte poos
onder mijne zorg geweest was, kwam mij liefkozen; en zelfs toen kende
ik het dier alleen aan de breedte van zijne borst, zijn ronde pooten,
en zijne wijze van blaffen, want het arme dier was beschilderd als
eene Venetiaansche dame."

"Gij hebt meer verstand van dieren dan van menschen, de Vaux," zeide
de Koning.

"Ik wil niet ontkennen," zeide de Vaux, "dat ik dieren dikwijls beter
dan menschen bevonden heb. Ook behaagt het uwe Majesteit mij somtijds
een dier te noemen; bovendien ben ik in dienst van den Leeuw, die
alle menschen voor den Koning der dieren erkennen."

"Waarlijk, daar hebt gij met uwe lans schoon tegen mijn voorhoofd
gestooten," hervatte de Koning. "Ik heb altijd gezegd, dat gij
eenig vernuft hebt, de Vaux--maar bij mijne ziel, men moet u met
een smidshamer slaan, eer men het vonken kan doen schieten. Maar ter
zake--is de goede ridder behoorlijk gewapend en uitgerust?"

"Volkomen en behoorlijk," antwoordde de Vaux; "ik ken de wapenrusting
wel--het is die, welke de Venetiaansche commissaris uwe Majesteit voor
vijfhonderd byzantynen aanbood, juist vóór dat gij ziek geworden zijt."

"En hij heeft die, daar sta ik voor in, voor een paar dukaten meer
en kontante betaling verkocht? Deze Venetianen zouden het heilige
Graf zelf verkoopen!"

"Deze zal nooit in een edeler zaak gedragen worden," hernam de Vaux.

"Dank der edelmoedigheid van den Sarraceen," hervatte de Koning,
"niet der gierigheid van de Venetiaan."

"Ik wilde om Gods wil, dat uwe Majesteit voorzichtiger ware," zeide
de angstvallige de Vaux.--"Hier worden wij door al onze bondgenooten
verlaten wegens de beleedigingen, die den een of ander zijn aangedaan:
wij kunnen niet hopen op het land te slagen, en wij moeten slechts
nog met de amphibie-republiek onderhandelen, om de middelen tot onzen
terugtocht over zee niet te verliezen."

"Ik zal mij in acht nemen," hervatte Richard ongeduldig; "maar houd
geen boetpredikaties meer. Zeg mij liever, want dit is van belang,
heeft de ridder een biechtvader?"

"Ja," antwoordde de Vaux; "de kluizenaar van Engaddi, die dezen
plicht bij hem vervuld heeft, toen hij zich ter dood bereidde, is
bij de tegenwoordige gelegenheid ook bij hem, daar het gerucht van
den tweestrijd hem herwaarts gebracht heeft."

"Het is goed," zeide Richard, "en nu het verzoek van den ridder. Zeg
hem, dat Richard hem zal ontvangen, als hij door het vervullen
van zijn plicht bij den Diamant der woestijn zijne schuld bij den
St. Georgeberg weder zal goed gemaakt hebben. En als gij door het kamp
gaat, zeg dan aan de Koningin, dat ik haar in hare tent zal bezoeken,
en zeg aan Blondel, dat hij mij daar moet opzoeken."

De Vaux vertrok, en ongeveer een uur daarna wandelde Richard, in
zijn mantel gehuld, en zijne gitaar in de hand, naar de tent der
Koningin. Verscheiden Arabieren gingen hem voorbij, maar altijd
met het hoofd van hem afgewend, en de oogen naar den grond gericht,
ofschoon hij bemerken kon, dat allen hem ernstig nazagen, wanneer
hij voorbij was. Dit deed hem met reden vermoeden, dat zijn persoon
bij hen bekend was; maar dat óf de bevelen van den Sultan, óf de hun
eigene Oostersche beleefdheid hen verbood, om acht te slaan op een
vorst, die incognito wenschte te blijven.

Toen de Koning de tent der Koningin bereikte, vond hij deze door die
ongelukkige dienaars bewaakt, welke de Oostersche jaloezie om de Zenana
plaatst. Blondel wandelde voor de ingang heen en weder en tokkelde
van tijd tot tijd zijne snaren op eene wijze, dat de Afrikanen hunne
ivoren tanden lieten zien, en hem met hunne zonderlinge gebaren en
schelle, onnatuurlijke stemmen begeleidden.

"Wat wilt gij met deze kudde zwart vee, Blondel?" vroeg de Koning;
"waarom gaat ge niet in de tent?"

"Omdat mijn beroep noch het hoofd noch de vingers kan missen,"
antwoordde Blondel, "en deze eerlijke Negers dreigden, om mij lid
voor lid af te houwen, als ik verder ging."

"Nu, ga dan met mij binnen," zeide de Koning, "ik zal uw vrijgeleide
zijn."

De zwarten lieten nu hunne pieken en sabels voor Koning Richard
zinken, en sloegen hunne oogen naar den grond, alsof zij onwaardig
waren hem aan te zien. In het binnenste van de tent vonden zij de
Koningin. Terwijl Berengaria Blondel verwelkomde, sprak Richard
eenigen tijd in het geheim en ter zijde met zijne schoone nicht.

Eindelijk zeide hij fluisterend tot haar: "zijn wij nog vijanden,
schoone Edith?"

"Neen, mijn Koning," antwoordde Edith op een toon, juist zacht genoeg
om de muziek niet te hinderen--"niemand kan vijandschap tegen Koning
Richard houden, wanneer hij zich toonen wil, zooals hij wezenlijk
is! grootmoedig en edel, zoo wel als dapper en eervol."

Dit zeggende, reikte zij hem hare hand. De Koning kuste die ten
teeken van verzoening en vervolgde toen: "gij meent, schoone nicht,
dat mijn toorn in deze zaak geveinsd was; maar gij vergist u. De straf,
die ik dezen ridder opgelegd heb, was billijk; want hij had--het doet
er niet toe voor welken verleidenden omkoopprijs, schoone nicht--het
hem toevertrouwde verraden. Maar ik verheug mij misschien evenzeer als
gij, dat de dag van morgen hem de kans geeft, om overwinnaar in den
strijd te worden, en de smet uit te wisschen, die eenigen tijd op hem,
als op een wezenlijken dief en verrader, gekleefd heeft. Neen! het
nageslacht moge Richard wegens zijne onstuimige dwaasheid laken; maar
het zal zeggen, dat hij, in het vellen van vonnis rechtvaardig was,
wanneer hij moest, en genadig, wanneer hij kon!"

"Prijs niet u zelven, Richard," hernam Edith. "Zij kunnen uwe
gerechtigheid wreedheid--uwe genade gril noemen."

"En wees gij niet hoovaardig," hervatte de Koning, "alsof uw ridder,
die zijne wapenrusting nog niet aangegespt heeft, die reeds in
zegepraal aflegde.--Koenraad van Montserrat wordt voor eene goede
lans gehouden, zoo eens de Schot den strijd verloor?"

"Dat is onmogelijk!" antwoordde Edith op vasten toon.--"Mijne eigen
oogen hebben dien Koenraad, als een lagen dief zien sidderen en
verbleeken. Hij is schuldig--en de kampstrijd is een beroep op de
rechtvaardigheid Gods.--Ik zelve zou, in zulk eene zaak, zonder vrees
met hem durven strijden."

"Bij de heilige mis, ik geloof, dat gij het doen zoudt, meisje,"
zeide de Koning, "en hem bovendien ter neer werpen; want er is geen
echter Plantagenet op aarde dan gij."

Hier zweeg hij, maar ging na eenige oogenblikken op zeer ernstigen
toon voort: "Zorg, dat gij u blijft herinneren, wat gij uwer geboorte
verschuldigd zijt."

"Wat beduidt deze raad, dien gij mij op dit oogenblik zoo ernstig
geeft?" vroeg Edith. "Ben ik zoo lichtzinnig, dat ik mijn naam en
stand vergeten zou?"

"Ik wil ronduit spreken, Edith," antwoordde de Koning, "en als tot
eene vriendin.--Wat zal deze ridder voor u zijn, zoo hij uit dien
strijd als overwinnaar optreedt?"

"Voor mij?" hervatte Edith, van schaamte en misnoegen hoog blozende;
"wat kan hij voor mij meer zijn, dan een geëerd ridder, zulke gunst
waardig, als Koningin Berengaria hem zou schenken, indien hij haar
voor zijne dame gekozen had, in plaats van eene onwaardiger keus te
doen? De geringste kan zich aan den dienst eener Keizerin wijden,
maar de roem van zijne keus," dit zeide zij op fieren toon, "moet
zijne belooning zijn."

"Nochtans, hij heeft veel voor u gedaan en geleden," hernam de Koning.

"Ik heb zijne diensten met eer en toejuiching en zijn lijden met tranen
betaald," antwoordde Edith. "Zoo hij eenig ander loon verwachtte,
dan moest hij eene dame van zijn eigen stand bemind hebben."

"Gij zoudt dus het bloedige nachtkleed niet om zijnentwille
aantrekken?" vroeg Koning Richard.

"Evenmin," antwoordde Edith, "als ik van hem zou gevorderd hebben, zijn
leven bloot te stellen door eene daad, die meer dolheid dan eer was."

"De vrouwen spreken altijd zoo," zeide de Koning, "maar wanneer de
begunstigde minnaar met zijn aanzoek bij een dame aandringt, dan zegt
zij met een zucht, dat haar gesternte het anders besloten had."

"Uwe Majesteit heeft mij nu reeds voor de tweede maal met den invloed
van mijn horoskoop bedreigd," hervatte Edith met waardigheid. "Vertrouw
er op, mijn Koning, dat, hoe groot ook de macht der sterren is, uwe
arme bloedverwante nooit een ongeloovige of een avonturier zonder
afkomst zal huwen!--Vergun mij, dat ik naar de muziek van Blondel
luister, want de toon van uwe koninklijke vermaningen is op verre na
niet zoo aangenaam voor mijne ooren."

Het verdere van den avond leverde niets merkwaardigs meer op.



HOOFDSTUK XXVIII.

                            Hoort gij het gekletter van den strijd
                            Lans tegen lans, ros tegen ros?

                                                                   Gray.


Men was overeengekomen, wegens de hitte van het klimaat, dat het
godsoordeel, dat thans de verschillende volken bij den Diamant
der woestijn had bijeengebracht, een uur na zonsopgang plaats zou
hebben. Het groote strijdperk, dat onder toezicht van den ridder van
den Luipaard was ingericht, omvatte eene ruimte van hard zand die
honderd zestig ellen lang en ruim vijftig breed was. Het strekte zich
in de lengte van het noorden naar het zuiden uit, zoodat beide partijen
gelijk voordeel van de opgaande zon hadden. Saladin's koninklijke
zetel was aan de westelijke zijde van de omheining opgericht, vlak in
het midden, waar men verwachtte, dat de strijders elkander ontmoeten
zouden. Daar tegenover was eene galerij met gesloten vensters,
zoo ingericht, dat de dames, voor wie deze plaats bestemd was, het
gevecht konden aanschouwen, zonder zelven gezien te worden. Er waren
ook tronen opgericht; maar de aartshertog, die bemerkte, dat de zijne
lager was dan die van Koning Richard, weigerde daarop plaats te nemen;
en Leeuwenhart, die zich veel zou hebben laten welgevallen, eer eene
formaliteit den strijd zou verhinderd hebben, gaf gereedelijk zijne
toestemming, dat de borgen, zoo als zij genoemd werden, gedurende
het gevecht te paard zouden blijven. Aan den eenen kant van het
strijdperk werd het gevolg van Richard geplaatst, en tegen hen over
stonden de begeleiders van den aangeklaagde, Koenraad. Rondom den
troon, voor den Sultan bestemd, waren zijne prachtige Georgische
wachten opgesteld, en verder was het de omheining door Christen en
Mahomedaansche aanschouwers bezet.

Lang vóór het aanbreken van den dag was het strijdperk door een
nog grooter aantal Sarraceenen omringd, dan Richard den vorigen dag
gezien had. Toen de eerste stralen van de schitterende zonneschijf
zich boven de woestijn verspreidden, klonk de kreet: "ten gebede--ten
gebede!" door den Sultan zelven aangeheven, en door anderen beantwoord,
wier rang en ijver hun het recht gaven, als muezzins op te treden. Het
was een treffend schouwspel, hen allen op den grond te zien neerzinken,
om hun gebed te doen, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Maar toen
zij van den grond opstonden, schenen de zonnestralen, die nu sterker
werden, de meening van den lord van Gilsland van den vorigen avond
te bevestigen. Zij werden door tal van speerspitsen weerkaatst, want
de lansen zonder punten van den vorigen dag waren er niet meer. De
Vaux maakte hierop zijn meester opmerkzaam, die ongeduldig antwoordde,
dat hij een onbepaald vertrouwen in de rechtschapenheid van den Sultan
stelde; maar dat, zoo de Vaux voor zijn zwaarlijvig lichaam bevreesd
was, hij zich kon verwijderen.

Kort daarop hoorde men het gedreun der pauken, op wier klank al de
Sarraceensche ruiters van hun paard sprongen, en zich nederbogen,
alsof zij een tweede morgengebed wilden verrichten. Dit geschiedde
om der Koningin met Edith en haar gevolg gelegenheid te geven, van
de tent naar de voor haar bestemde galerij te gaan. Vijftig wachten
van Saladin's harem met onbloote sabels begeleidden haar, met bevel,
om ieder neder te sabelen, hij mocht prins of boer zijn, die het
mocht wagen de dames bij het voorbijgaan aan te zien, of zelfs het
hoofd durfden oprichten, voor dat het ophouden der muziek allen zou
verkondigen, dat zij in hare galerij waren aangekomen, waar zij door
geen nieuwsgierig oog konden worden aanschouwd.

Deze bijgeloovige inachtneming van Oosterschen eerbied voor het schoone
geslacht deden bij Koningin Berengaria eenige aanmerkingen rijzen,
die voor Saladin en zijn vaderland niet zeer gunstig waren. Maar
toen haar hol, zooals de koninklijke schoone het geliefde te noemen,
door hare zwarte wachters veilig gesloten was en bewaakt, was zij in
de noodzakelijkheid om zich te vergenoegen met te zien, en voor het
tegenwoordige het nog heerlijker genoegen van gezien te worden ter
zijde te stellen.

Intusschen stelden de getuigen van beide kampvechters, zoo als hun
plicht voorschreef, een onderzoek in, of deze behoorlijk gewapend
en voor het gevecht bereid waren. De aartshertog van Oostenrijk had
geen haast om dit deel van de plechtigheid te vervullen, daar hij
den vorigen avond een goeden roes van Schiras wijn gehad had. Maar
de grootmeester der Tempeliers, die meer belang bij den uitslag
van den strijd had, was al spoedig voor de tent van Koenraad van
Montserrat. Tot zijne groote verbazing weigerden de bedienden hem
binnen te laten.

"Kent gij mij niet, kerels?" vroeg de grootmeester in de hoogste
mate vertoornd.

"Zeer goed, zeer dapper en eerwaardig heer," antwoordde Koenraad's
schildknaap; "maar zelfs gij moogt voor het oogenblik niet binnen--de
markies is gereed om te biechten."

"Te biechten!" riep de Tempelier op een toon uit, waarin schrik met
verbazing en minachting vermengd was--"en bij wien, vraag ik u?"

"Mijn meester heeft mij stilzwijgendheid geboden," hernam de
schildknaap; waarop de grootmeester hem voorbijsnelde en de tent
binnentrad.

De markies van Montserrat knielde aan de voeten van den kluizenaar
van Engaddi, en was op het punt, zijne biecht te beginnen.

"Wat beteekent dit, markies?" vroeg de grootmeester; "sta op, schaam
u--of zoo gij volstrekt moet biechten, ben ik niet hier?"

"Ik heb reeds te dikwijls bij u gebiecht," antwoordde Koenraad met
bleeke wangen en sidderende stem. "Om Gods wil, grootmeester, ga heen,
en laat ik mijn geweten aan dien heiligen man ontlasten."

"Waarin is hij heiliger dan ik?" zeide de grootmeester.--"Kluizenaar,
profeet, zinnelooze--zeg, zoo gij durft, waarin gij mij overtreft?"

"Stout en verdorven man," antwoordde de kluizenaar, "weet, dat ik
gelijk ben aan het getraliede venster, en het goddelijk licht gaat
er doorhenen, ofschoon het, helaas! mij zelven niet baat. Gij gelijkt
ijzeren staven, die noch zelven licht ontvangen, noch het aan iemand
mededeelen."

"Praat niet tegen mij, maar verlaat deze tent," zeide de grootmeester,
"de markies zal dezen morgen niet biechten, of het moet bij mij zijn,
want ik verlaat zijne zijde niet."

"Is dit uw welgevallen," zeide de kluizenaar tot Koenraad, "want
meen niet, dat ik dezen trotschen man zal gehoorzamen, zoo gij mijn
bijstand blijft begeeren."

"Helaas!" zeide Koenraad besluiteloos, "wat wilt gij dat ik zeggen
zal?--Vaarwel voor het oogenblik--wij zullen later met elkander
spreken."

"O uitstel!" riep de hermiet uit, "gij zijt een
zielemoorder! Ongelukkige, vaarwel--niet voor een tijdlang, maar
tot dat wij elkander ontmoeten zullen--onverschillig waar. En wat
u betreft," voegde hij er bij, zich tot den grootmeester wendende,
"sidder!"

"Sidderen," hervatte de Tempelier verachtelijk, "ik kan niet, al
wilde ik ook."

De kluizenaar hoorde zijn antwoord niet, daar hij de tent reeds
had verlaten.

"Welaan, schielijk ter zake," zeide de grootmeester, "daar gij die
dwaasheid toch verrichten wilt.--Luister--ik geloof, dat ik uwe
meeste zwakheden ken, dus kunnen wij de bijzonderheden daarlaten,
daar deze wat te lang zouden duren, en met den aflaat beginnen. Wat
beduidt het om de vlekken modder te tellen, wanneer wij op het punt
zijn, die van onze handen te wisschen!"

"Daar gij weet, wat gij zelf zijt," zeide Koenraad, "is het
godlasterend er van te spreken, een ander te willen vergeven."

"Dat is niet naar den regel, heer markies," antwoordde de Tempelier,
"gij zijt meer nauwgezet dan rechtgeloovig. De aflaat van den slechten
priester is van even veel kracht, als die van een heilige--anders
moge God den armen boeteling helpen! Welk gekwetste vraagt er naar,
of de wondarts, die zijne wonden onderzoekt, schoone handen heeft of
niet?--Kom, zullen wij het spel beginnen?"

"Neen," antwoordde Koenraad, "ik wil liever sterven zonder te biechten,
dan met het sacrament te spotten."

"Kom, edele markies," hernam de Tempelier, "vat moed, en spreek niet
aldus. Binnen een uur zult gij zegevierende in het strijdperk staan,
of in uw helm biechten, gelijk een dapper ridder."

"Helaas, grootmeester!" hervatte Koenraad, "alles voorspelt kwaad
in deze zaak. De merkwaardige ontdekking door het instinkt van een
hond--het herleven van dezen Schotschen ridder, die optreedt als een
spook--alles slechte voorteekens."

"Ba," zeide de Tempelier, "ik heb u moedig uwe lans uit scherts
tegen hem zien zwaaien, en dat wel met gelijke kans van goeden
uitslag--verbeeld u, dat gij slechts in het toernooi zijt, en wie staat
hem beter in het toernooiveld dan gij?--Komt, knapen en wapendragers,
uw meester moet voor den strijd uitgerust worden."

De dienaren traden nu binnen, en begonnen den markies te wapenen.

"Welk weer is het buiten?" vroeg Koenraad.

"De zon gaat donker op," antwoordde een schildknaap.

"Gij ziet, grootmeester," vervolgde Koenraad, "niets lacht ons toe."

"Gij zult des te koelbloediger vechten, mijn zoon," antwoordde de
Tempelier, "dank den Hemel, dat Hij de zon dezen morgen getemperd
heeft, om u ter wille te zijn."

Zoo schertste de grootmeester; maar zijne spotternijen hadden haar
invloed op het gemoed van den markies verloren, en, in weerwil van
zijne pogingen om opgewekt te schijnen, deelde de droefgeestigheid
zich aan den grootmeester mede.

"Deze lafaard," dacht hij, "zal uit louter flauwheid en lamheid in
den strijd bezwijken, en dat noemt hij een gevoelig geweten. Ik, wien
visioenen en voorteekenen niet schokken--ik, die vast ben in mijn
voornemen, als de levende rots--ik zelf moest den strijd gestreden
hebben.--Gave God, dat de Schot hem op de plek doodde; dit zou het
beste zijn, zoo hij de overwinning niet behalen kan. Maar er kome
wat er wil, hij moet geen anderen biechtvader hebben dan mij--onze
zonden zijn te gemeenschappelijk, en hij kon wel eens mijn deel te
gelijk met het zijne biechten."

Terwijl deze gedachten hem door zijn hoofd speelden, ging hij voort met
den markies bij het wapenen te helpen, maar het geschiedde zwijgend.

Het uur was eindelijk daar, de trompetten klonken, de ridders reden het
strijdperk binnen, van top tot teen naar behooren gewapend, en gelijk
mannen, die voor de eer van een koninkrijk zouden strijden. Zij hadden
hunne vizieren open, en, drie malen het strijdperk rond rijdende,
vertoonden zij zich aan de toeschouwers. Beide waren aanzienlijke
mannen en met een edel gelaat. Maar er stond op het voorhoofd van
den Schot mannelijk vertrouwen te lezen, eene straal van hoop, die
zelfs naar vroolijkheid zweemde. Op Koenraad's gelaat integendeel,
ofschoon trots en herhaalde pogingen veel van zijn natuurlijken
moed teruggeroepen hadden, zweefde nog eene wolk van onheilspellende
moedeloosheid. Zelfs zijn paard scheen niet zoo licht en vurig op het
trompetgeschal te trappelen, als de edele Arabier, dien sir Kenneth
bereed; en de spreukspreker schudde het hoofd, terwijl hij opmerkte,
dat de uitdager om het strijdperk reed volgens den loop der zon,
dat is van de rechterhand naar de linker, maar de aangeklaagde dit
van de linker naar de rechter deed, wat men in de meeste landen als
een slecht voorteeken beschouwt.

Een altaar was voor deze gelegenheid opgericht, juist beneden de
galerij, waarop de Koningin gezeten was, en daarnaast stond de
kluizenaar in de kleeding zijner orde als karmeliter monnik. Er
waren ook andere geestelijken tegenwoordig. Naar dit altaar werden
de aanklager en de aangeklaagde achtereenvolgens door hunne getuigen
geleid. Beide ridders stegen af, en ieder bezwoer de rechtvaardigheid
zijner zaak door een plechtigen eed op het Evangelie, en zij baden,
dat de uitslag van den strijd mocht overeenstemmen met de waarheid of
valschheid van hetgeen zij bezworen hadden. Zij zwoeren ook, dat zij
naar ridder wijze en met de gewone wapens kwamen strijden, en zich
het gebruik van tooverspreuken, betooveringen of magische kunsten,
ten einde de zege op hunne zijde te brengen, ontzegden. De aanklager
deed zijn eed met vaste mannelijke stem en een stout en opgeruimd
gelaat. Toen de plechtigheid ten einde was, zag hij naar de galerij
op, en boog het hoofd, als ter eere van die onzichtbare schoonheden,
die daarin verborgen waren; hierop sprong hij, geheel gewapend zoo als
hij was, in den zadel, zonder een stijgbeugel te gebruiken en liet zich
door zijn paard in huppelende sprongen naar zijne standplaats brengen
aan het oostelijke einde van het strijdperk. Koenraad verscheen ook met
genoegzame driestheid voor het altaar; maar toen hij den eed aflegde,
klonk het hol, alsof die in zijn helm verstikt werd. De lippen,
waarmede hij zich op den hemel beriep, ten einde de overwinning aan de
zaak te verleenen, verbleekten, terwijl zij den goddeloozen meineed
uitten. Toen hij zich omwendde om zijn paard te bestijgen, naderde
de grootmeester dichter tot hem, alsof hij iets aan zijn halskraag
verhelpen wilde, en fluisterde hem toe: "Dwaze bloodaard! roep uw
moed terug, en vecht dapper in dezen strijd, anders, bij den hemel,
zoo gij hem al mocht ontkomen, zult gij mij niet ontgaan!"

De woeste toon, waarop hem dit gezegd werd, voltooide misschien de
verwarring van den markies, want hij struikelde, toen hij te paard
wilde stijgen; en ofschoon hij staan bleef, met zijne gewone vlugheid
in den zadel sprong, en zijne behendigheid in het paardrijden aan
den dag legde, toen hij zijne plaats tegenover den aanklager innam,
ontging dit voorval evenwel niet aan hen, welke op voorteekens letten,
die het lot van den dag konden voorspellen. De priesters, na een
plechtig gebed, dat God de rechtvaardigheid van den strijd mocht
aan den dag brengen, verlieten het strijdperk. De trompetten van den
aanklager lieten zich toen luid hooren, en een wapenheraut riep aan
het oostelijke uiteinde van het strijdperk uit: "Hier staat een goed
ridder, sir Kenneth van Schotland, kampvechter van zijne Majesteit den
Koning Richard van Engeland, die Koenraad, markies van Montserrat,
van schandelijk verraad en beschimping, genoemden Koning aangedaan,
beschuldigt."

Toen de woorden "Kenneth van Schotland" den naam van den kampioen, die
tot hiertoe nog niet algemeen bekend was, gehoord werden, weerklonken
luide kreten van toejuiching onder het gevolg van Koning Richard,
en nauwelijks kon men, trots de herhaalde bevelen tot stilzwijgen,
het antwoord van den aangeklaagde hooren. Deze beweerde natuurlijk
zijne onschuld, en verklaarde zich bereid daarvoor met zijn lichaam
in te staan. De schildknapen der strijders naderden thans, en gaven
elk zijn schild en zijne lans, hen helpende om het eerste om den hals
te hangen, opdat de beide handen, vrij mochten blijven,--de eene om
den teugel te bestieren, de andere om de lans te kunnen hanteeren.

Het schild van den Schot vertoonde zijn oud wapen, den Luipaard, maar
er waren een halsband en eene gebroken keten bijgevoegd, als toespeling
op zijne onlangs geleden slavernij. Het schild van den markies droeg,
in verband met zijn titel, een zaagsgewijze gescheurden en rotsachtigen
berg. Ieder zwaaide zijne lans boven het hoofd, alsof hij het gewicht
en de sterkte van het zware wapen wilde beproeven, en legde ze toen
in de rust. De getuigen, herauten en schildknapen trokken zich thans
naar de barrière terug, en de strijdenden waren tegenover elkander
gezeten, gelaat tegen gelaat, met gevelde lans en gesloten vizier,
terwijl de menschelijke gedaante zoo volkomen verborgen was, dat zij
er eer als standbeelden van gegoten ijzer, dan wezens van vleesch en
bloed uitzagen. De stilte der verwachting was thans algemeen--ieder
ademde zwaarder, en de ziel van elk scheen in zijne oogen te zitten,
terwijl er geen geluid te hooren was, dan het gebriesch en gestamp der
edele rossen, die, gevoelende, wat er gebeuren zou, ongeduldig waren
om vooruit te schieten. Zij stonden aldus ongeveer drie minuten lang,
toen, op een door den Sultan gegeven teeken, honderd instrumenten de
lucht door hun metalen geluid vervulden; en elke kampioen zijn paard
de sporen gevende, en den teugel vierende, renden de paarden in vollen
galop voorwaarts, en de ridders ontmoetten elkander in het midden van
het strijdperk met een schok, aan een donderslag gelijk. De overwinning
was niet twijfelachtig,--neen zelfs geen oogenblik. Koenraad toonde
inderdaad, dat hij een geoefend krijgsman was; want hij trof zijne
tegenpartij ridderlijk midden in zijn schild, terwijl hij zijne lans
zoo recht en krachtig hield, dat ze tot aan zijn ijzeren handschoen in
splinters vloog. Sir Kenneth's paard deinsde eenige ellen achteruit,
en viel op zijne schenkels, maar de ruiter hielp het gemakkelijk met
hand en teugel op. Maar voor Koenraad was er geen herstellen aan. De
lans van Sir Kenneth was door zijn schild gedrongen, en verder door
een borstharnas met Milaneesch staal beslagen, en door een geweven
maliënkolder, die onder het borstharnas gedragen werd, hij had hem
diep in den boezem gewond en hem uit den zadel gelicht, terwijl de
punt van de lans in de wond bleef zitten. De getuigen, herauten en
Saladin zelf drongen om den gekwetsten ridder; terwijl sir Kenneth,
die reeds zijn zwaard getrokken had, eer hij nog ontdekte, dat zijn
tegenstander geheel hulpeloos was, hem thans beval zijne schuld te
bekennen. De helm werd in allerijl losgemaakt, en de gewonde, wild
ten hemel ziende, hernam: "Wat wilt gij meer?--God heeft rechtvaardig
beslist--ik ben schuldig--maar er zijn erger verraders in het kamp
dan ik.--Uit medelijden voor mijne ziel, brengt mij een biechtvader!"

Onder het uitspreken dezer woorden kwam hij weder bij.

"Den talisman--het krachtig geneesmiddel, koninklijke broeder,"
zeide Koning Richard tegen Saladin.

"De verrader," antwoordde Saladin, "is veeleer waard, om uit het
strijdperk bij de hielen naar den galg gesleept te worden, dan de
kracht van den talisman hier toe te passen;--en er spreekt zulk een
noodlot uit zijne blikken," voegde hij er bij, na den gewonden strak
te hebben aangezien; "dat, al kon zijne wond genezen, Azraël's zegel
op het voorhoofd van den ellendeling niet verdwijnen zal."

"Niettemin," hervatte Richard, "bid ik u, om voor hem te doen wat gij
kunt, opdat hij ten minste tijd tot biechten moge hebben.--Vermoord
niet ziel en lichaam te gelijk! Voor hem kan een half uur levens
tienduizend malen meer waard zijn, dan het leven van den oudsten
aartsvader."

"Aan den wensch van mijn koninklijken broeder zal voldaan worden,"
hernam Saladin. "Slaven, draagt dien gekwetsten man naar onze tent."

"Doet dat niet," zeide de Tempelier, die tot hiertoe somber en
stilzwijgend toegezien had. "De koninklijke hertog van Oostenrijk
en ik zelf zullen niet toelaten, dat deze ongelukkige vorst aan de
Sarraceenen overgegeven worde, opdat zij hunne toovermiddelen aan
hem beproeven. Wij zijn zijne getuigen, en verlangen, dat hij aan
onze zorgen toevertrouwd worden."

"Dat wil zeggen, gij weigert de zekere middelen, die tot zijn herstel
aangeboden worden?" vroeg Richard.

"Dat niet," hervatte de grootmeester zich herstellende.--"Indien de
Sultan behoorlijke geneesmiddelen gebruikt, kan hij den patiënt in
mijne tent behandelen."

"Doe dat, bid ik u, goede broeder," zeide Richard tot Saladin,
"ofschoon het verlof ongaarne is toegestaan.--Maar nu tot een
vroolijker werk.--Klinkt, trompetten--schettert ter eere van Engeland
en Engelands kampvechter!"

Trommels, klaroenen, trompetten en cymbalen lieten zich te gelijk
hooren, en het zware en regelmatige gejuich, dat sedert eeuwen de
kreet van de Engelschen geweest is, klonk te midden van het schel
en regelmatig gegil der Arabieren, als het donderen van een orgel te
midden van een huilenden storm. Ten laatste ontstond er stilte.

"Dappere ridder van den Luipaard," vervolgde Leeuwenhart, "gij hebt
getoond, dat de Neger zijne huid kan veranderen, en de Luipaard zijne
vlekken, hoewel de geestelijken zich op de heilige Schrift voor de
onmogelijkheid daarvan beroepen. Maar ik heb u nog meer te zeggen,
wanneer ik u zal geleid hebben in tegenwoordigheid der dames, de
beste rechters en belooners van ridderlijke daden."

De ridder van den Luipaard gaf door eene buiging zijne toestemming
te kennen.

"En ook gij, vorstelijke Saladin, zult u naar deze begeven. Ik
verzeker u, dat onze gemalin meenen zal niet welkom te zijn geweest,
indien haar de gelegenheid ontbreekt, om haar koninklijken gastheer
voor het allervorstelijkst onthaal te danken."

Saladin boog het hoofd beleefd, maar wees de uitnoodiging van de hand.

"Ik moet mij bij den gekwetste vervoegen," zeide hij. "De geneesheer
verlaat zijn patiënt evenmin als de kampvechter het strijdperk, al
werd hij ook in een lustoord als het paradijs, geroepen. En voorts,
koninklijke Richard, moet gij weten, dat het Oostersche bloed in
tegenwoordigheid van de schoonheid niet zoo kalm vloeit, als dat
van uw land. Wat zegt het Boek zelf?--Haar oog is als het scherp van
het zwaard des Profeets; wie zal het aanzien? Hij, die niet verbrand
wil worden, zorgt, dat hij niet op gloeiende asch treedt--de wijzen
spreiden het vlas niet uit voor eene flikkerende toorts.--Hij,
zegt de wijze, die een schat verloren heeft, handelt onverstandig,
wanneer hij zijn hoofd omwendt, om er naar te zien."

Men mag aannemen dat Richard de redenen van kieschheid eerbiedigde,
die voortsproten uit zeden, zoo verschillend van de zijne, en drong
niet verder met zijn verzoek bij hem aan.

"Deze middag," zeide de Sultan heengaande, "hoop ik, dat gij een koude
maaltijd onder de zwarte kameelhuid van een opperhoofd uit Kurdistan
zult willen aannemen."

Dezelfde uitnoodiging werd aan alle andere Christenen gedaan, die
aanzienlijk genoeg waren, om aan een feest, dat voor Vorsten bereid
was, deel te nemen.

"Luister," zeide Richard; "de pauken kondigen aan, dat onze gemalin
en haar gevolg de galerij verlaten--en zie, de tulbanden buigen ter
aarde, of zij door een vernielenden engel werden neder-geworpen. Allen
liggen daar, alsof de blik van het oog eens Arabier's den glans
van eene vrouwenwang kon bezoedelen! Kom, wij willen naar de tent,
en onzen overwinnaar in zegepraal daarheen geleiden.--Hoe beklaag
ik dezen edelen Sultan, die niets meer van de liefde kent, dan van
wezens van mindere natuur."

Blondel stemde zijne harp tot hare meestverheven accoorden, om de
intrede van den overwinnaar in de tent van Koningin Berengaria te
begroeten. Hij trad binnen, aan iedere zijde met een zijner getuigen,
Richard en Willem Langzwaard, en knielde bevallig voor de Koningin
neder, ofschoon zijne hulde grootendeels zwijgende, bewezen werd aan
Edith, die aan hare rechterhand was gezeten.

"Ontwapen hem dames," zeide de Koning, wiens grootste genot bestond
in de uitoefening van dergelijke ridderlijke gebruiken.--"Laat de
Schoonheid de Ridderschap vereeren! Maak zijne sporen los, Berengaria,
hoewel eene Koningin, zijt gij hem alle blijken van gunst verschuldigd,
die gij in staat zijt te geven,--ontdoe hem van zijn helm, Edith;--met
deze hand moet gij het doen, al waart gij de meest trotsche Plantagenet
van den geheelen stam, en hij de armste ridder op aarde!"

Beide dames gehoorzaamden aan het koninklijk bevel, Berengaria met
driftigen ijver, alsof zij begeerig was, aan den wil van haar gemaal
te voldoen, en Edith, beurtelings blozende en verbleekende, terwijl
zij langzaam en onhandig met den bijstand van Langzwaard de banden
losmaakte, die den helm aan den halskraag bevestigden.

"En wat verwacht gij onder dat metalen bekleedsel?" zeide Richard,
toen de weggenomen helm het edele gelaat van sir Kenneth vertoonde,
terwijl het gloeide door de laatste inspanning en niet minder van
aandoening. "Wat denkt gij van hem, gij dapperen en schoonen?" vroeg
Richard. "Gelijkt hij op een Ethiopischen slaaf, of vertoont hij het
gelaat van een gelukzoeker zonder afkomst of naam? Neen bij mijn goed
zwaard!--Hier eindigen zijne verschillende vermommingen. Hij heeft voor
u geknield, onbekend behalve door zijne eigen waarde--hij rijst op,
evenzeer hoogverheven door zijne geboorte en door zijn vermogen. De
avontuurlijke ridder, Kenneth, staat op als David Graaf van Huntingdon,
Kroonprins van Schotland."

Eene algemeene kreet van verbazing werd gehoord, en Edith liet den
helm, dien zij zoo even afgenomen had, uit hare hand vallen.

"Ja, mijne heeren," ging de Koning voort, "zoo is het. Gij weet, hoe
Schotland ons misleidde, toen het ons beloofde, dezen moedigen graaf
met een dapper korps van de besten en edelsten te zenden, om onze
wapenen in het veroveren van Palestina te steunen, maar in gebreke
bleef, zijne verbintenissen na te komen. Deze edele jongeling, onder
wiens aanvoering de Schotsche kruisvaarders ten strijde hadden moeten
trekken, hield het voor laaghartig, dat zijn arm aan den heiligen
oorlog zou onttrokken worden, en vereenigde zich in Sicilië met een
klein gevolg van aan hem gehechte trouwe dienaars, dat door vele
zijner landslieden, aan wie de rang van hun bevelhebber bekend was,
vermeerderd werd. De vertrouwden van den koninklijken prins waren
allen, op een ouden schildknaap na, door den dood weggerukt, toen
zijn maar al te goed bewaard geheim, mij bijna in den persoon van een
Schotschen avonturier een jong vorst van de schoonste verwachting
had doen opofferen.--Waarom hebt gij uwe rang verzwegen, edele
Huntingdon, toen die door mijn haastig en driftig vonnis in gevaar
gebracht werd?--Was dit, omdat gij Richard in staat hieldt, om van
het voordeel misbruik te maken, dat ik toen had op den erfgenaam van
een Koning, dien ik zoo menigmaal vijandig bevonden had?"

"Dit onrecht deed ik u niet, koninklijke Richard," antwoordde de graaf
van Huntingdon; "maar mijn hoogmoed gedoogde niet, dat ik mij als prins
van Schotland zou doen kennen, om mijn leven te redden, dat door een
gebrek van trouw aan mijn plicht in gevaar was gebracht. En bovendien
had ik eene gelofte gedaan om mijn rang onbekend te doen blijven,
totdat de kruistocht zou geëindigd zijn. Ook heb ik er geene melding
van gemaakt, behalve in articulo mortis (in het oogenblik des doods)
en onder het zegel der biecht, aan gindschen eerwaardigen kluizenaar."

"Het was dus de bekendheid met dit geheim, dat den goeden man zoo
bij mij deed aandringen, om mijn gestreng vonnis te herroepen?" zeide
Richard. "Terecht zeide hij, dat, zoo deze brave ridder op mijn bevel
ware ter dood gebracht geworden, ik de daad ongedaan zou gewenscht
hebben, al had mij dit ook een lid mijns lichaams gekost.--Een lid!--Ik
zou het ongedaan gewenscht hebben, al had mij dit mijn leven gekost;
daar de wereld zou gezegd hebben, dat Richard misbruik had gemaakt
van den toestand, waarin de erfgenaam van Schotland zich door zijn
vertrouwen in zijn edelmoedigheid had geplaatst."

"Maar mogen wij van uwe Majesteit vernemen, door welk vreemd en
gelukkig toeval dit raadsel eindelijk is opgelost?" vroeg Koningin
Berengaria.

"Er werden ons brieven uit Engeland overgebracht," zeide de Koning,
"waaruit wij vernamen, onder andere onaangename tijdingen, dat de
Koning van Schotland drie van onze edelen, die op eene bedevaart
naar St. Ninian waren, gevat, en als reden opgegeven had, dat
zijn erfgenaam, dien hij veronderstelde, in de rijen der Duitsche
ridders tegen de heidenen in Pruisen te vechten, inderdaad in onze
legerplaats en in onze macht was; en daarom was Willem voornemens,
deze edelen als gijzelaars voor zijne veiligheid te houden. Dit gaf
mij het eerste licht omtrent den wezenlijken rang van den ridder van
den Luipaard, en mijne vermoedens werden door de Vaux bevestigd,
die bij zijne terugkomst uit Askalon, den eenigen dienaar van den
graaf van Huntingdon had teruggebracht. Deze, een domme slaaf, was
dertig mijlen ver gereisd, om de Vaux een geheim mede te deelen,
dat hij mij had moeten toevertrouwen."

"Den oude Strauchan moet men niet te hard vallen," zeide de lord van
Gilsland. "Hij wist bij ondervinding, dat mijn hart wat zachter is,
dan wanneer ik mij Plantagenet noemde."

"Uw hart zacht! Gij stuk oud ijzer--gij Cumberlandsche keisteen!" riep
de Koning uit.--"Wij Plantagenets kunnen op zachte en gevoelvolle
harten roemen. Edith," ging hij voort zich tot zijne nicht wendende
met eene uitdrukking, die het bloed in hare wangen deed stijgen, "geef
mij uwe hand, schoone nicht, en geef mij de uwe, prins van Schotland."

"Laat af, mylord," antwoordde Edith, terugtredende, en trachtende hare
verwarring te verbergen, onder eene poging om over de lichtgeloovigheid
van haar koninklijken broeder te spotten. "Herinnert gij u niet,
dat mijne hand het teeken moest zijn, om de Sarraceenen en Arabieren,
Saladin en zijne geheele getulbande bende tot Christenen te bekeeren?"

"Ja, maar de wind der profetie is gedraaid, en waait nu uit een
anderen hoek," zeide Richard.

"Spot niet, vrees dat uwe banden nog krachtiger zullen worden,"
zeide de kluizenaar, vooruit tredende. "De hemel schrijft niets dan
waarheid in zijne oorkonden. Het zijn de oogen van den mensch, die te
zwak zijn, om het schrift goed te lezen. "Weet, dat, toen Saladin en
Kenneth van Schotland in mijne grot sliepen, ik in de sterren las,
dat er onder mijn dak een vorst rustte, die de geboren vijand van
Richard was, en met wien het noodlot van Edith Plantagenet moest
verbonden worden. Kon ik twijfelen, dat dit Saladin moest zijn,
wiens rang mij wel bekend was, daar hij mijne cel dikwijls bezocht,
om over de wentelingen der hemelsche lichamen te spreken?--Voorts, de
lichten aan het uitspansel verkondigden, dat deze Vorst, de gemaal van
Edith Plantagenet, een Christen moest zijn; en ik--zwak en onbezonnen
uitlegger!--leidde daaruit de bekeering af van den edelen Sultan,
wiens goede hoedanigheden hem dikwijls tot het betere geloof deden
neigen. Het gevoel mijner zwakheid heeft mij tot het stof vernederd,
maar in het stof heb ik troost gevonden! Ik heb het lot van anderen
niet goed gelezen--wie kan mij verzekeren, dat ik mij niet in mijn
eigen lot misrekend heb? God wil niet, dat wij in het huis van zijnen
raad dringen of zijne verholen geheimen bespieden. Wij moeten zijn
tijd met waken en gebed--met vrees en hoop afwachten. Ik kwam hierheen
als de ernstige ziener--de trotsche profeet--ervaren genoeg, naar ik
meende, om vorsten te onderwijzen, en zelfs met bovennatuurlijke kracht
begaafd, maar met een last bezwaard, dien ik dacht, dat alleen mijne
schouders hadden kunnen dragen. Maar mijne banden zijn verbroken! Ik
ga van hier vernederd in mijne onwetendheid, boetvaardig--maar niet
zonder hoop."

Met deze woorden verwijderde hij zich uit de bijeenzijnden, en men
verhaalt, dat van dit tijdstip af zijne aanvallen van zinneloosheid
zelden terugkeerden, en zijne boetedoeningen van zachteren aard waren,
en met beter hoop op de toekomst gepaard gingen. Zoo veel eigenwaan
ligt er zelfs in de krankzinnigheid opgesloten, dat het besef, dat
hij eene ongegronde voorspelling met zoo veel overtuiging gekoesterd
en uitgedrukt had, scheen te werken als het verlies van bloed op
het menschelijk lichaam, om den gespannen toestand der hersenen te
wijzigen en te doen verminderen.

Het is onnoodig, de gesprekken in de koninklijke tent verder te
volgen, of te onderzoeken, of David, graaf van Huntingdon, even stom
in tegenwoordigheid van Edith Plantagenet was, als toen hij verplicht
was in het karakter van een avonturier zonder afkomst of naam te
handelen. Men mag vrij gelooven, dat hij daar met behoorlijken ernst
den hartstocht openbaarde, waaraan hij het te voren zoo dikwijls
moeilijk gevonden had, woorden te geven.

Het middaguur naderde thans en Saladin wachtte om de Christen vorsten
in eene tent te ontvangen, welke, behalve hare ruime uitgestrektheid,
weinig van het gewone verblijf van den Kurd of Arabier verschilde;
evenwel was onder haar wijd en donker bekleedsel een gastmaal naar
de overvloedigste Oostersche gewoonte bereid, dat op tapijten
van de rijkste stoffen uitgespreid was, terwijl er kussens voor
de gasten gelegd waren. Maar wij kunnen ons niet bezighouden, het
goud- en zilverlaken--het krachtig Arabisch borduursel, de shawls van
kasjmir--en het Indisch neteldoek, te beschrijven, die hier in al hun
glans ten toon gespreid waren; noch veel minder het verschillende
suikerwerk, ragouts met rijst van verschillende kleuren omgeven,
met al de andere lekkernijen van de Oostersche kookkunst op te
noemen; en hunne geheel gebraden lammeren, en wild en gevogelte als
pasteien toebereid, waren in gouden, zilveren en porceleinen vazen
opgedischt en afgewisseld met groote bekers sorbet, die in sneeuw en
ijs uit de holen van den berg Libanon verkoeld waren. Een prachtige
stapel kussens boven aan de tafel scheen bestemd voor den aanlegger
van het feest en zulke hooge personen, die hij mocht uitnoodigen,
om deze plaats van onderscheiding te deelen, terwijl, van boven van
de tent in alle richtingen, maar boven deze verheven plaats in het
bijzonder, menige banier en menig vaandel wapperde, de zegeteekenen
van gewonnen veldslagen en onderworpen koninkrijken. Maar onder en
boven deze stak aan eene lange lans een lijklaken, de banier des
doods, met dit veelzeggend opschrift: "Saladin, Koning der Koningen,
de overwinnaar der overwinnaars--Saladin moet sterven." Te midden
van deze toebereidselen stonden de slaven, welke deze ververschingen
opgebracht hadden, met gebogen hoofden en gekruiste armen, stom en
roerloos als gedenkteekenen van overledenen, of als automaten, die de
aanraking van den kunstenaar afwachtten, om hen in beweging te brengen.

Terwijl de Sultan, die, gelijk de meesten, met de bijgeloovigheden
van zijn tijd behebt was, de komst van zijne vorstelijke gasten
afwachtte, stond hij peinzend gebogen over een horoskoop en eene
daarmede verbonden perkamentrol, die hem de kluizenaar van Engaddi
bij zijn vertrek uit het leger gezonden had.

"Zonderlinge en geheimzinnige wetenschap," zeide hij in zich zelven,
"die, voorwendende den sluier der toekomst op te lichten, diegene
misleidt, die zij schijnt te leiden, en het tooneel verduistert,
dat zij voorgeeft te verlichten! Wie zou niet gezegd hebben, dat ik
die gevaarlijkste vijand voor Richard was, wiens vijandschap door
de verbintenis met zijne nicht eindigen moest? Toch blijkt het nu,
dat eene vereeniging tusschen dezen dapperen graaf en de dame eene
verzoening tusschen Richard en Schotland zal teweeg brengen, een
gevaarlijker vijand dan ik, zooals eene wilde kat in de kamer meer
te vreezen is, dan een leeuw in een afgelegen woestijn.--Maar toch,"
vervolgde hij bij zich zelven, "de berekening toonde aan, dat deze
echtgenoot een Christen moest zijn.--Christen?" herhaalde hij na
eene poos zwijgen,--"dat gaf den zinneloozen dweper de hoop, dat
ik mijn geloof zou afzweren! maar mij, den getrouwen aanhanger van
den Profeet--mij moest het uit den droom geholpen hebben. "Ziedaar,
geheimzinnige rol," voegde hij er bij, die onder den stapel kussens
werpende; "vreemd en noodlottig zijn uw voorspellingen, daar zij,
zelfs wanneer zij op zich zelven waarheid behelzen, bij hem, die de
meening trachten te ontcijferen, al de uitwerkselen der valschheid
hebben.... Hoe nu! wat beteekent die stoornis!"

Hij sprak tot den dwerg Nebectamus, die zeer ontroerd in de tent
stortte, terwijl ieder van zijne vreemde en ongeëvenredigde trekken
door den schrik tot nog grooter leelijkheid verwrongen waren,--zijne
oogen stijf, zijn mond open, zijne handen met de rimpelige en mismaakte
vingers wild uitgestrekt.

"Wat is er nu?" vroeg de Sultan op gestrengen toon.

"Accipe hoc! (Neem dat)" kermde de dwerg:

"Ha! wat zegt gij?" vroeg Saladin op nieuw.

"Accipe hoc!" hernam het door schrik getroffen schepsel, misschien
zonder te weten, dat hij dezelfde woorden als te voren herhaalde.

"Vertrek, ik heb geen lust voor zotternijen!"

"Ook ik ben niet langer een gek," hervatte de dwerg, "dan om mijne
zotheid en mijn vernuft te helpen, om mijn brood te verdienen, arm,
ellendig schepsel dat ik ben.--Hoor, hoor mij, groote Sultan!"

"Welnu, zoo gij over wezenlijk onrecht te klagen hebt," antwoordde
Saladin, "gek of wijs, dan hebt gij recht op het oor des Konings--Kom
herwaarts met mij." Hierop geleidde hij hem in het binnenste der tent.

Wat ook het onderwerp van hun gesprek was, het werd spoedig afgebroken
door het schetteren der trompetten, dat de komst van de Christen
vorsten aankondigde, die Saladin koninklijk in zijne tent verwelkomde,
zoo als aan hun rang en den zijnen betaamde. Maar vooral begroette hij
den jongen graaf van Huntingdon, en wenschte hem edelmoedig geluk met
zijne vooruitzichten, ofschoon zij die, welke hij zelf gekoesterd had,
schenen te hebben belemmerd en verijdeld.

"Maar meen niet, edel jongeling," zeide de Sultan, "dat de prins
van Schotland meer welkom bij Saladin is, dan Kenneth het den
eenzamen Ilderim was, toen zij elkander in de woestijn ontmoetten,
of de ongelukkige Ethiopiër den Hakim Adonbec. Een braaf en edel
karakter, gelijk het uwe, heeft eene waarde, die van stand en geboorte
onafhankelijk is, gelijk de koele dronk, dien ik u hier aanbied,
even aangenaam uit een aarden vaas, als uit een gouden beker smaakt."

De graaf van Huntingdon gaf een gepast antwoord, en betuigde zijne
erkentelijkheid voor de verschillende gewichtige diensten, die hij
van den edelmoedigen Sultan ontvangen had; maar toen hij Saladin met
den beker sorbet, dien de Sultan hem had aangeboden, bescheid gedaan
had, kon hij zich niet weerhouden, om glimlachend op te merken:
"de dappere ridder Ilderim kende den ijsvorm niet, maar de milde
Sultan verkoelt zijn sorbet met sneeuw."

"Verlangt gij, dat een Arabier of Kurd even verstandig als een Hakim
zou zijn?" vroeg de Sultan. "Hij, die eene vermomming aanneemt,
moet het gevoel van zijn hart en de geleerdheid van zijn hoofd met
zijn aangenomen gewaad doen overeenstemmen. Ik wenschte te zien,
hoe een dapper en eerzaam ridder uit Frangistan in een strijd met een
opperhoofd, als ik toen scheen, zich zou gedragen; en ik betwijfelde
de waarheid van een bekend feit, om te zien, door welke bewijsgronden
gij uw gezegde zoudt staven."

Terwijl zij spraken, werd de aartshertog van Oostenrijk, die een
weinig ter zijde stond getroffen, door deze opmerking over den door
ijs verkoelden sorbet, en vatte met een glans van genoegen op zijn
gelaat en eenige ongemanierdheid den grooten beker, toen de Graaf
van Huntingdon op het punt stond, dien weder neer te zetten.

"Allerheerlijkst!" riep hij na eene diepe teug uit, die het heete
weêr en de koortsachtigheid, een gevolg van den vorigen dag, dubbel
aangenaam had gemaakt. Hij zuchtte, toen hij den beker aan den
grootmeester der Tempeliers overhandigde. Saladin gaf den dwerg een
teeken; deze trad vooruit, sprak met luide stem de woorden: "accipe
hoc!" De Tempelier schrikte terug, doch herstelde zich spoedig, en,
misschien om zijne verlegenheid te verbergen, bracht hij den beker
aan zijne lippen--maar deze lippen raakten slechts den rand van dien
beker. Saladin's sabel verliet zijne scheede, als de bliksem de wolk
verlaat. Hij zwaaide die in de lucht--en het hoofd van den Grootmeester
rolde naar het uiterste einde der tent.

Er ontstond een algemeene kreet van verraad, en de aartshertog,
die het naast aan Saladin met de bloedige sabel in de hand stond,
deinsde terug, alsof hij vreesde, dat hij nu aan de beurt was. Richard
en anderen sloegen de handen aan hun zwaard.

"Vrees niets, edele hertog," zeide Saladin even bedaard, alsof er
niets ware voorgevallen, "en gij, koninklijke broeder van Engeland,
wees niet vertoornd over hetgeen gij gezien hebt. Niet wegens zijn
menigvuldig verraad en niet wegens den aanslag, dien hij, volgens
getuigenis van zijn eigen schildknaap, tegen het leven van Koning
Richard maakte;--niet, omdat hij den prins van Schotland en mij
zelven in de woestijn vervolgde, en ons noodzaakte, om het leger door
de snelheid onzer paarden te redden;--niet, omdat hij de Maronieten
opgestookt had, om ons bij diezelfde gelegenheid aan te vallen, wier
plan ik echter verijdelde, door onverwacht een groot getal Arabieren
tegen hem aan te voeren;--niet om eene van al deze misdaden ligt
hij thans daar, ofschoon die wel zulk eene straf verdienden;--maar
omdat hij, nauwelijks een half uur vóór hij onze tegenwoordigheid
vergalden, gelijk de samoen den dampkring vergiftigt, zijn makker en
medeplichtige, Koenraad van Montserrat, heeft doorstoken, uit vrees,
dat deze de schandelijke samenzweringen, waarin zij beide gewikkeld
waren, mocht bekennen."

"Hoe! Koenraad vermoord?--en wel door den grootmeester, zijn getuige
en meest vertrouwden vriend?" riep Richard uit. "Edele Sultan--ik
wilde gaarne uwe woorden niet in twijfel trekken--dit evenwel moet
bewezen worden--anders...."

"Hier staat de getuige," antwoordde Saladin, op den verschrikten dwerg
wijzende. "Allah die den glimworm zendt om den nacht te verlichten,
kan door de verachtelijkste middelen geheime misdaden doen ontdekken."

De Sultan begon nu de geschiedenis van den dwerg te verhalen, die
hierop nederkwam.--In zijne dwaze nieuwsgierigheid, of, zooals hij
gedeeltelijk bekende, met het onbestemd plan om een kleinigheid te
stelen, was Nebectamus in de tent van Koenraad geraakt, die zijne
volgelingen verlaten hadden; eenige hadden ijlings het kamp verlaten,
om de tijding zijner nederlaag aan zijn broeder mede te deelen;
anderen bedienden zich van de gelegenheid tot smullen, die Saladin
hun verschaft had. De gekwetste sliep onder den invloed van Saladin's
verwonderlijken talisman, zoodat de dwerg gelegenheid had, om naar
welgevallen rond te zoeken, totdat de schrik bij het hooren van een
zwaren tred hem bewoog, zich te verbergen. Hij verschool zich achter
een gordijn, maar kon de bewegingen zien, en de woorden hooren van den
Grootmeester, die binnentrad, en den ingang van de tent zorgvuldig
achter zich dicht maakte. Zijn slachtoffer schrikte uit den slaap
op, en het scheen, dat hij dadelijk het voornemen van zijn ouden
bondgenoot vermoedde; want het was op een toon van ongerustheid,
dat hij hem vroeg, waarom hij hem stoorde?

"Ik kom om u de biecht te doen afleggen; en dan den aflaat te geven,"
antwoordde de grootmeester.

Van hun verder gesprek herinnerde zich de verschrikte dwerg weinig,
behalve dat Koenraad den grootmeester smeekte, een geknakt riet niet
te breken, en dat de Tempelier hem met een Turkschen dolk het hart
doorstak, met de woorden: "accipe hoc"--woorden, die nog lang daarnaar
de verschrikte verbeelding van den verscholen getuige kwelden.

"Ik heb mij van de waarheid van het verhaal overtuigd," zeide
Saladin, "door het lijk te doen onderzoeken; ik deed dit rampzalige
wezen, dat Allah tot ontdekker van de misdaad gemaakt heeft, in uwe
tegenwoordigheid de door den moordenaar gesproken woorden herhalen;
en gij zelf hebt de uitwerking gezien, die ze op zijn geweten teweeg
brachten."

Hier zweeg de Sultan, en de Koning van Engeland was de eerste die
het stilzwijgen afbrak:

"Indien dit de waarheid is, waaraan ik niet twijfel, hebben wij eene
groote daad van gerechtigheid aanschouwd, ofschoon die een geheel ander
karakter scheen te hebben. Maar waarom in dit gezelschap? waarom met
uwe eigen hand?"

"Ik was voornemens het anders te doen geschieden," antwoordde Saladin;
"maar had ik zijne straf niet verhaast, dan zou die geheel afgewend
geworden zijn, indien ik hem vergund had om uit mijn beker te
drinken, zoo als hij op het punt was te doen, en daar ik dan, zonder
de gastvrijheid geschonden te hebben, hem, gelijk hij verdiende, den
dood niet had kunnen doen ondergaan. Al had hij mijn vader vermoord,
en daarna mijn beker met mij gedeeld, dan had ik geen haar van zijn
hoofd durven krenken. Maar genoeg van hem--laat zijn lijk en zijne
gedachtenis uit ons midden verwijderd worden."

Het lijk werd weggebracht, en de sporen van de terechtstelling
vernietigd of verborgen met eene vaardigheid die bewees, dat het
voorval niet zoo geheel ongewoon was, dat het de dienaren en officieren
van het huis des Sultans in verlegenheid kon brengen.

Maar de Christen vorsten gevoelden, dat het tooneel, hetwelk zij
aanschouwd hadden, zwaar op hun geest drukte; en ofschoon zij, op
vriendelijk verzoek van den Sultan, hunne plaats bij het gastmaal
weder innamen, geschiedde dit echter met het stilzwijgen van twijfel
en verbazing. Het gemoed van Richard alleen overwon allen argwaan en
verlegenheid. Hij scheen evenwel ook over een voorslag na te denken,
alsof hij begeerde, die in de vleiendste en aangenaamste wijze te doen,
welke hem mogelijk was. Eindelijk dronk hij een grooten beker wijn
ledig, en zich tot den Sultan wendende, wenschte hij te weten, of het
niet waar was, dat hij den graaf van Huntingdon met een persoonlijk
gevecht had vereerd.

Saladin antwoordde glimlachend, dat hij zijn paard en zijne wapenen
tegen den erfgenaam van Schotland beproefd had, zoo als de ridders
gewoon zijn te doen, wanneer zij elkander in de woestijn ontmoeten--en
voegde hij er op bescheiden toon bij, dat, ofschoon de strijd niet
geheel beslissend geweest was, hij evenwel van zijn kant niet veel
reden had om op den uitslag te roemen. De Schot, van den anderen kant,
wees de hem toegekende meerderheid af, en wenschte die aan den Sultan
te geven.

"Gij hebt eer genoeg in die ontmoeting behaald," zeide Richard,
"en ik benijd u hierom meer, dan om de lonken van Edith Plantagenet,
ofschoon een paar daarvan voldoende zouden zijn, om een bloedig dagwerk
te betalen.--Maar wat zegt gij, edele vorsten, past het, dat zulk een
koninklijke kring van ridderschap opbreke, zonder dat er iets gedaan
wordt, waarvan toekomende tijden kunnen spreken? Wat is de nederlaag
en dood van een verrader voor eene zoo schoone kring van edele mannen,
als hier vergaderd zijn, en die niet scheiden moeten, zonder iets
aanschouwd te hebben, dat hunner achting waardiger is. Wat zegt gij,
vorstelijke Sultan--zoo wij beide thans en in tegenwoordigheid van dit
edel gezelschap den lang gevoerden strijd om dit land van Palestina
beslisten, en in eens dezen lastigen oorlog eindigden? Ginds is het
strijdperk gereed, en nooit kan het Heidendom een beteren kampvechter
verwachten, dan u. Ik wil, zoo zich niet een waardiger aanbiedt,
mijn handschoen ten voordeele van het Christendom neerleggen, en
in alle liefde en eer zullen wij met elkander den strijd op dood en
leven aangaan om het bezit van Jeruzalem."

Er volgde een diep stilzwijgen, vol verwachting op hetgeen de Sultan
zou antwoorden. Zijne wang en zijn voorhoofd kleurden sterk, en vele
van de aanwezenden waren van meening, dat hij aarzelde, of hij de
uitdaging zou aannemen, ja dan neen. Eindelijk zeide hij: "Zoo ik
voor de heilige stad vocht tegen hen, welke wij als afgodendienaars en
aanbidders van blokken en steenen en gesneden beelden beschouwen, zou
ik kunnen vertrouwen, dat Allah mijn arm kracht zou verleenen; of zoo
ik onder het zwaard van Melec Ric viel, kon ik door geen roemrijker
arm in het paradijs komen. Maar Allah heeft Jeruzalem reeds aan de
ware geloovigen gegeven, en het zou eene verzoeking van den God des
Profeets zijn, zoo ik met mijne persoonlijke kracht en behendigheid
datgene op het spel zette, wat ik door mijne groote macht bezit."

"Indien dan niet om Jeruzalem," hernam Richard op den toon van
iemand, die eene gunst van een boezemvriend verzoekt, "laat ons dan
ter liefde voor de eer ten minste drie uitvallen met scherpe lansen
tegen elkander doen."

"Zelfs dit," hernam Saladin, half glimlachende over den driftigen
ernst van Richard Leeuwenhart voor den strijd, "zelfs dit mag ik
volgens de wet niet doen. De meester stelt den herder over de kudde
aan, niet om des herders wil, maar om de schapen. Had ik een zoon, die
den scepter kon voeren, wanneer ik viel, dan zou ik de vrijheid gehad
hebben, even als ik den wil heb, om dit stoute gevecht te ondernemen;
maar uw eigen schrift zegt, dat, wanneer de herder verslagen is,
de schapen verstrooid worden."

"Gij hebt al het geluk gehad," zeide Richard, zich met een zucht tot
den Graaf van Huntingdon wendende. "Ik zou het beste jaar van mijn
leven voor dat ééne halve uur in de nabijheid van den Diamant der
woestijn gegeven hebben."

De ridderlijke opgewondenheid van Richard deed de vroolijkheid van het
gezelschap ontwaken, en toen zij eindelijk opstonden, om te vertrekken,
trad Saladin voorwaarts, en greep Richard's hand.

"Edele Koning van Engeland," zeide hij, "wij scheiden thans, om
elkander nooit weder te ontmoeten. Dat uw verbond verbroken is,
om nooit weder hersteld te worden, en dat uw eigen macht veel te
gering is om u in staat te stellen uwe onderneming voort te zetten,
is u even goed als mij bekend. Ik mag u dat Jeruzalem, hetwelk gij
zoo zeer wenscht te bezitten, niet afstaan. Het is voor ons, even als
voor u, eene heilige stad. Maar welke andere voorwaarden Richard van
Saladin vordert, die zullen hem even welwillend toegestaan worden
als gindsche fontein haar water schenkt. Ja, het zou even oprecht
toegestaan worden, zoo Richard met slechts twee boogschutters bij
hem in de woestijn stond!"

De volgende dag zag Richard naar zijne eigene legerplaats terugkeeren,
en korten tijd daarna huwde de jonge Graaf van Huntingdon met Edith
Plantagenet. De Sultan zond tot geschenk bij deze gelegenheid, den
beroemden Talisman; maar, ofschoon er vele genezingen in Europa mede
geschiedden, evenaarde toch geene in goeden uitslag en vermaardheid
die, welke de Sultan zelf verricht had. Deze is nog in aanwezen, daar
de Graaf van Huntingdon hem aan een dapper Schotsch ridder, Sir Mungo
of the Lee vermaakt had, in wiens oud en zeer geëerd geslacht deze nog
wordt bewaard; en ofschoon betooverde steenen uit de hedendaagsche
pharmacopoea verbannen zijn, worden de krachten ervan nog voor het
stillen van het bloed in gevallen van hondsdolheid gebruikt.

Hier eindigt onze geschiedenis, daar de voorwaarden, waarop Richard
zijne veroveringen prijsgaf, in elke geschiedenis van dat tijdvak te
vinden zijn.


                                 EINDE.



AANTEEKENINGEN


[1] Zoo deze mannen niet in het schip blijven, kunt gij niet gered
worden!

[2] De zegen des Heeren zij met u.

[3] De grootste soort van toen bekende schepen heette Dromonds of
dromedarissen.

[4] Dit kan een zoo buitengewone en onwaarschijnlijke voorslag
schijnen, dat het noodig is te zeggen, dat er wezenlijk zulk een
gemaakt werd. De geschiedschrijvers stellen echter de Koningin
Douairière van Napels, zuster van Richard, voor de bruid en Saladin's
broeder voor den bruidegom. Zij schijnen van het bestaan van Edith
van Plantagenet onbewust te zijn.--Zie Mill's geschiedenis der
kruisvaarten, II. Deel. p. 61.

[5] Woordelijk de gescheurde rok. Zoo wordt het gewaad der dervischen
genoemd.

[6] Groot is de waarheid en zij zal zegevieren.

[7] Vergeet de bedrukte bruid niet.

[8] Inderdaad bleef bij de Sarraceenen lang na des Konings aftocht
een spreekwoord dat Richard in het bosch zat.





*** End of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "De Talisman - of Richard Leeuwenhard in Palestina" ***

Doctrine Publishing Corporation provides digitized public domain materials.
Public domain books belong to the public and we are merely their custodians.
This effort is time consuming and expensive, so in order to keep providing
this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties,
including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Doctrine Publishing
Corporation's ISYS search for use by individuals, and we request that you
use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort
to Doctrine Publishing's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a
large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of
public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Keep it legal -  Whatever your use, remember that you are responsible for
ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because
we believe a book is in the public domain for users in the United States,
that the work is also in the public domain for users in other countries.
Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we
can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is
allowed. Please do not assume that a book's appearance in Doctrine Publishing
ISYS search  means it can be used in any manner anywhere in the world.
Copyright infringement liability can be quite severe.

About ISYS® Search Software
Established in 1988, ISYS Search Software is a global supplier of enterprise
search solutions for business and government.  The company's award-winning
software suite offers a broad range of search, navigation and discovery
solutions for desktop search, intranet search, SharePoint search and embedded
search applications.  ISYS has been deployed by thousands of organizations
operating in a variety of industries, including government, legal, law
enforcement, financial services, healthcare and recruitment.



Home