Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Vrouwenleven in de Dessa
Author: Ovink-Soer, Marie C. E.
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Vrouwenleven in de Dessa" ***


                        VROUWENLEVEN IN DE DESSA


                                  DOOR
                          M. C. E. OVINK-SOER
                  Schrijfster van: „In het Zonneland”


                         L. J. VEEN--AMSTERDAM



INHOUD


                                          BLADZ.

        VROUWENLEVEN IN DE DESSA              1
        EEN ZENDELINGSVROUWTJE               38
        KARBOUWENJONGETJE                    86
        EEN AVONDWANDELING                  120
        EEN PROEFSNIT                       127
        DE EERSTE BUI                       133
        ALLEEN THUIS                        145
        BRAND IN DE KAMPONG                 159
        MARGO'S HELDENDAAD                  166



VROUWENLEVEN IN DE DESSA.


I.

Het was middernacht, de strandkampong lag in diepe rust; in de kleine
inlandsche woningen geen geluid of beweging, alles sliep. Hier en daar
schitterde een lichtpuntje door de bilikwanden der huisjes, waarmee de
palita, het primitieve olielampje, de duisternis in zijn naaste
omgeving verbrak.

Aan het eind van het dorp, door een vrij groot erf van de andere
gescheiden, lag een huisje, dat niet in de algemeene rost deelde. Een
zacht rumoer van stemmen drong naar buiten door, af en aanloopende
menschen, meest oudere vrouwen, traden de woning binnen of verlieten
haar en, bij het openen der deur, teekende zich even een helder
lichtvlak op den grond, dat de duisternis rondom nog zwarter deed
schijnen.

Er had een belangrijke gebeurtenis plaats gegrepen achter de vier
muren: er was een kindje geboren; een aardig, mollig meisje had er zoo
even haar intree gedaan. In een duister, beschut hoekje lag het jonge
moedertje, doodstil, met wijd geopende oogen, voor zich uit te staren.
Zij was zoo doodelijk vermoeid, de kleine Kamisah, het arme,
afgestreden lichaam verlangde zoo vurig naar rust. Maar zij mocht de
groote, donkere oogen niet sluiten, zij moest strijden tegen de alles
overweldigende begeerte, want als de slaap langer dan een oogenblik
haar de oogen look, dan kwamen de booze geesten om haar en heur kind in
het ongeluk te storten. Hardnekkig hing haar blik aan het flikkerend
licht van het lampje, terwijl zij trachtte te luisteren naar de
vermanende stem der over haar heengebogen vrouw. „Niet slapen, Kamisah,
denk aan het kindje, morgen kun je volop rusten, nu moet je waken, de
kwade geesten waren rond.”

„Ja, ja.” Kamisah wist het wel, zij kende haar plicht en gaarne wilde
zij haar kindje beschermen tegen booze invloeden. Met een korte
opflikkering van levenskracht strekte zij de hand uit naar het kleine
schepsel, dat men naast haar had neergelegd. Voor het eerst doortrilde
de jonge moeder een gelukkig, dankbaar gevoel: dat warme, levende
lichaampje aan heur zijde behoorde haar toe, ’t was haar eigen kindje,
dat zij, ten koste van veel smart en lijden, het leven had gegeven.

’t Moedertje betastte de teere leedjes, liefkoosde het ronde kopje,
toen zonk de hand machteloos neer, de lange wimpers daalden op de
vaalbleeke wangen. Doch daar klonk weer de waarschuwende stem aan haar
oor: „niet slapen, Kamisah, niet slapen.” Zij sloeg de oogen op met een
uitdrukking in den blik als van een gewonde ree. Naast moeder boog zich
nu ook haar man over Kamisah heen en wischte de groote zweetdroppels
af, die haar op het voorhoofd parelden.

Moeder drong hem op zijde, een trek van onrust vertoonde zich eensklaps
op het oud, gerimpeld gelaat en haastig wenkte zij de doekoen. Deze
scheen de onrust der oude wouw te deelen; diep over Kamisah
heengebogen, begon zij het roerlooze lichaam van het jonge vrouwtje te
streelen en te wrijven onder het prevelen van geheimzinnige woorden.

Op eens richtte de zieke zich op; greep met de bruine handjes om zich
heen, opende den mond als om te spreken en zonk kreunend neer........

De hanen kraaiden den morgen te gemoet, de vogels ontwaakten, de dag
werd geboren en, in het kleine huisje aan zee, lag het vijftienjarig
moedertje stijf en koud: zij had het leven van haar kindje met het hare
betaald.



Onbewust, dat zij, bij hare geboorte, het beste verloren had wat een
mensch in het leven wordt gegeven: moederliefde en moederzorg,
schreeuwde en kraaide kleine Wagini er lustig op los. Zij was een mooi,
sterk kindje, al moedertjes levenskracht had zij meegekregen.
Grootmoeder zorgde met trouwe toewijding voor ’t jonge leven, dat
geheel van haar afhing. De eerste dagen leefde Wagini van rijstwater
met suiker, maar zij was nog geen week oud, toen grootmoeder reeds
fijngeknede pisang met dunne rijstepap vermengd in het begeerige mondje
stopte. Het kleintje gedijde: vol trots vertoonde de oude vrouw haar
pleegkind; had men ooit flinker, aardiger meisje gezien voor haar
leeftijd?

Vader keek niet veel om naar zijn dochtertje; hij; was een stil, stug
man, die liefst alleen zijn gang ging. Wanneer hij zich den dood van
zijn jong, mooi vrouwtje had aangetrokken en haar betreurde, droeg hij
zijn leed in stilte. Hij uitte zich tegen niemand en, werd de naam der
doode genoemd, dan was er op zijn gelaat geen spoor van
gemoedsaandoeningen te lezen.

Wagini telde nog geen twee jaar, toen haar vader op zekeren dag aan
grootmoeder meedeelde, dat hij van plan was elders heen te trekken,
naar een of andere groote stad, om daar werk te zoeken. Nénéh verdiende
genoeg voor zich zelve en Wagini beiden, en naderhand zou de kleine
meid haar kunnen helpen.

Na een kalm afscheid van zijn familie, verliet Kerto-Sadji dus op
zekeren dag zijn woning en er zouden vele jaren voorbijgaan eer hij
haar weder betrad. Af en toe kreeg grootmoeder bericht, altijd bij
mondelinge boodschap, dat het haar schoonzoon goed ging; ook deed hij
haar nu en dan wat geld toekomen, dat door de oude vrouw steeds
dankbaar in ontvangst werd genomen. Zij dacht er niet over na, en het
ergerde haar dus ook niet, dat de vader in het geheel niet naar zijn
kind verlangde. Kerto-Sadji was altijd eenzelvig geweest, het kleine
meisje ontbeerde zijn liefde niet. Neen, Wagini wist niet beter of
Grootmoeder—„nénéh” zooals de inlander haar noemt—was de eenige
bloedverwant, die zij bezat.

Dat oude gerimpelde gezicht, die magere, bruine armen
vertegenwoordigden voor ’t kind àl wat zij aan ouderliefde en ouderzorg
behoefde. Van nénéh kreeg zij eten en drinken met menig snoeperijtje
bovendien; tot nénéh vluchtte zij bij denkbeeldige gevaren, nénéh
knorde en strafte, maar liefkoosde haar toch nog meer.

Van een lief, mollig kindje werd zij al gauw een bijdehand, klein ding,
wijs boven haar jaren, met een fijn gevormd, rank figuurtje en mooi
gezichtje. Heur zwart haar sprong en krulde om ’t effen voorhoofd, in
’t aardig nekje en beschaduwde de groote ernstige oogen, waaraan de
lange wimpers iets zwaarmoedigs gaven. Grootmoeder bedierf het mooie
kindje en schikte haar op wat zij kon. De fraaie zilveren bandjes om
hare polsjes, het halskettinkje van blauwe kralen, waar ze zoo grootsch
op was, het vergulde sieraad in de kleine kondeh, alles kwam van nénéh.
Maar, ze deed dan ook flink haar best, zesjarige dreumes die ze was, en
hielp reeds, met parmantige wijsheid aan allerlei in het huishouden.
Met een oud-vrouwtjesachtige bedrijvigheid liep ze af en aan, sjouwde
met de waterkruik, die zij verderop aan de rivier vulde, waschte de
rijst, zocht brandhout bijeen en spoelde het vaatwerk af.

Ze moest nu ook spoedig leeren batikken, had grootmoeder gezegd, doch
dit vooruitzicht leek Wagini verre van pleizierig. Zij hield niet van
stil zitten; met de vriendinnetjes spelen, hard loopen en springen, dat
was haar grootste lust. Als de anderen huisjes van karang [1] bouwden,
dan keek ze ongeduldig toe. Het was wel aardig om naderhand het lichtje
te zien blinken tusschen de openingen der karang muurtjes, maar het
loonde toch de moeite niet, zooveel tijd aan het opbouwen te besteden.

Van het onderwijs op de godsdienstschool, waar zij een uurtje per dag
heen ging, profiteerde Wagini niet bijster veel. Met groote moeite
leerde zij de arabische letterteekens van elkaar onderscheiden, de
kunst van lezen en schrijven werd zij nooit machtig. ’t Kon niet
anders, niemand lette er op of zij ál of niet naar school ging en
Wagini had dikwijls weken achtereen allerlei werk, dat haar veel
nuttiger en noodiger toescheen dan schoolbezoek. In een strandkampong
geboren, was zij bevoorrecht kind boven velen; aan het strand spelen
was zoo prettig. Het schoon der zee trok maar zelden haar aandacht, zij
lette er niet op of deze, in feesttooi gehuld, het heerlijk blauwe
kleed met goud en diamanten overdekt, hare golven zacht tegen het
strand stuwde, of wel diezelfde golven, met boos gebrul, hoog tegen den
oever opjoeg, zoo gulzig naar het land happend, als wilde zij het
verslinden. Wanneer het water zoo heel woest te keer ging, was zij
alleen wel eens bang, dat het de kampong zou binnenstormen en in
razende vaart alles meesleepen. Doch, daar Wagini dit nooit zag
gebeuren, verdween deze angst met de jaren en leerde zij den oceaan als
een kameraad beschouwen, die haar en den haren het noodige gaf om te
leven. Als dreumes van vijf, zes jaar, trok zij al voordeel van de zee
op hare wijze. De kleine sarong hoog opgeschort, liep zij het water in
om vischjes en garnalen te vangen, en verdiende daarmede menig
snoepduitje. Dikwijls stond Wagini aan het strand met een vuil handje
boven de oogen, zooals zij het de zeelui in hare omgeving zag doen. Dan
keek ze uit of de visschersprauwen in aantocht waren. Werden zij
spoedig verwacht, dan was het kleine ding in haar element. Naast
grootmoeder zat zij al lang van te voren aan het strand, gretig starend
naar de blanke zeilen, die achtereenvolgens aan den horizon opdoemden.
En, wierp de vloot haar zilveren zeebuit op het land, welk een genot om
de groote visschen te bewonderen, ze te helpen voortsleepen naar de
kampong, de mannen achterna te loopen, die de volle manden wegdroegen,
er bij te zitten als de voorraad verdeeld werd onder de koopers, bij
het eentonig tellen der vrouwen.

Vader had jaren geleden ook op een groote prauw gevaren, vertelde
grootmoeder.

„Net zoo een als van Roestiman?” vroeg Wagini.

„Nog veel grooter,” verzekerde nénéh, „zij was bemand met wel twintig
koppen en zoo mooi versierd met schelletjes, stukjes blik en
spiegeltjes, die helder in de zon fonkelden, tusschen het tuigwerk.”

Vader had altijd een goede verdienste gehad met de visscherij, maar hij
was ongedurig van aard, hij kon nooit lang bij hetzelfde werk blijven.

„Waar is die schuit nu?” vroeg Wagini, die meer belang stelde in de
prauw dan in vaders wedervaren.

„Gestrand, kind, daar ver weg bij poeloe padjang; een tegenwind dreef
haar op de karang, waar zij verging.” En de oude vrouw strekte den
dorren wijsvinger uit naar een witte plek in de verte, waar de golven
in heftige branding gistten en woelden tusschen de koraalriffen, die
mijlen ver in zee het vaarwater onveilig maakten.



Grootmoeder werd oud en sukkelend, de arbeid viel haar zwaar. Wagini
deed bijna al het werk in huis en hielp nénéh bovendien bij die
bezigheden, waar wel is waar weinig verdiensten op zat, als garen
spinnen, matten vlechten, batikken enz., doch die de nijvere, oude
handen bezighielden. Het jonge meisje droeg de zware vischmanden,
grootmoeder de lichte vracht als zij passarwaarts gingen.

’t Kostte het oudje veel inspanning ver te loopen, doch zij liet haar
kleindochter niet graag alleen gaan; Wagini telde bijna veertien jaar
en was het mooiste meisje uit de kampong.

„Kind,” sprak nénéh op zekeren dag, „ik zal niet lang meer leven, je
moet maar spoedig trouwen, dan kan je man voor je zorgen en grootmoeder
het hoofd rustig neerleggen.”



II.

Zacht en volgzaam van aard, sprak Wagini niet veel tegen; dat paste
haar niet tegenover de oude vrouw, doch het vooruitzicht van een
huwelijk vervulde het meisje met heftigen afkeer. Zij wist, dat moeder,
even vijftien jaar oud, bij hare geboorte gestorven was. Wat had die
arme moeder van het leven genoten? Neen, Wagini wilde niet, als zij,
jong sterven, ze had het veel te goed, ze was gezond en krachtig, het
leven lachte haar toe. Al moest zij flink de handen uitsteken, al viel
het sjouwen met de vischmanden haar wel eens zwaar, er was toch veel,
dat vergoeding gaf voor het harde werken, menig feestje in de kampong
of daar buiten kwam den eentonigen dagelijkschen arbeid afwisselen.

Daar had men inlandsch Nieuwjaar, wanneer niemand werkte en ieder in
zijn allerbesten pronk, vrienden en kennissen ging geluk wenschen,
terwijl er overal getrakteerd werd. Het was een genot op zich zelf voor
kleine, ijdele Wagini, om, bij die gelegenheid, de fraai gebatikte
sarong om de slanke heupen te plooien, en al wat zij aan sieraden
bezat, op de fluweelen kabaja te hechten.

En dan het aardig ketoepatfeest, na afloop der vasten, als men met
prauwen naar het naburig eiland voer, om de aan het feest geëigende
lekkernijen te genieten en de inlandsche spelen te bewonderen. Het
deerde Wagini niet, dat zij uren lang in de felle zon moest staan om de
grappig verkleede clowns hunne buitelingen te zien maken, de kleine
dansers gâ te slaan die, in meisjespakken gestoken, van blauwe brillen
en waaiertjes voorzien, hunne langzame, statige pasjes uitvoerden op de
maat van hun eigen zang. De nagebootste dieren waren ook een kijkje
waard: hoe hartelijk moest ’t meisje meelachen als zij de potsierlijke
krokodillen met hunne groote, klepperende bekken op de naastbijstaanden
zag toespringen, die in den eersten schrik angstig achteruitstoven
alsof er werkelijk gevaar dreigde.

Wanneer grootmoeder van naar huis gaan sprak, vleide Wagini steeds nog
een poosje te mogen blijven: het ketoepatfeest kwam maar eens in het
jaar.

Maar des te menigvuldiger waren de feestjes in de kampong: de sedekahs
en slametans bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen of die, als
zoenoffer, voor een gedane gelofte golden. Als jong meisje mocht Wagini
niet tegenwoordig zijn bij die gelegenheden, doch zij gluurde met de
vriendinnetjes om een hoekje, zag van verre het dansen der
tandakmeisjes en genoot van de lieflijke tonen der gamelang. Er leefde
niet veel poëzie in haar eenvoudig zieltje, maar zij had gevoel voor
muziek. Uren achtereen kon ze, met droomerig genot, zitten luisteren
naar de klanken van gamelang, rebab (een soort viool) of fluit, als
zij, op den adem van den avondwind gedragen, uit de verte tot haar
kwamen.

O, ze was zoo gehecht aan haar kampong, aan de gebruiken van haar eigen
volk, vreemden ging ze schuw uit den weg; doch onder haar kornuitjes
voelde zij zich vrij als een vroolijk, gelukkig kind.

Wanneer de maan vol en helder aan den hemel stond, heerschte er een
gezellige, opgewekte geest in de kampong. Zij lag dan als in
tooverlicht gehuld, al het leelijke der huisjes was verdwenen, men zag
de vuile muren, de sjofele daken niet meer in dien blauwen zilvergloed.
Oud en jong kwam naar buiten; hier zaten groepjes mannen
philosopheerend bijeen, onder het kalm genieten van een strootje
(cigaret), ginds behandelden de huismoeders, in druk en levendig
gesprek, de op de passar gehoorde nieuwtjes. De kleintjes bleven laat
buiten spelen en sprongen als lustige eekhorens heen en weer, terwijl
zij bij hunne vroolijke spelletjes de hoogste liedjes uitgalmden.

Het was bijna jammer ter ruste te gaan, nu het zoo helder licht bleef
en de frissche avondwind over de kampong heenstreek.

In den kring harer speelgenootjes zat Wagini druk mee te babbelen en te
lachen.

„Je wordt de bruid, Wagini, vóór de maan weer vol is,” plaagden de
vriendinnetjes, „ze zeggen dat je vader gauw thuis komt, dat je
grootmoeder hem liet roepen.”

Boos keerde het meisje zich af. “’k Wil niet,” sprak ze norsch, stond
eensklaps op en trad haar huisje binnen.

„Nénéh, het is immers niet waar, ik hoef toch nog niet te trouwen?”
vroeg ze gejaagd.

De oude vrouw zag haar kleinkind kalm in het angstige gezichtje.

„Grootmoeder en vader weten wat goed voor je is, kind,” sprak ze
bedaard, „maak je maar niet bezorgd en ga nu slapen, hartje.”

Wagini bleef echter langen tijd op haar matje heen en weer wentelen en
schreide zacht; zij wilde niet trouwen.

Doch naar haar wil wordt, in zake huwelijk, niet gevraagd bij het
inlandsche meisje. De ouders of naaste verwanten zoeken een geschikte
partij en het kind heeft te gehoorzamen.

Wanneer een klein kampongmeisje er aardig uitziet, ontbreekt het haar
niet aan huwelijkspretendenten. ’t Gebeurt dikwijls, dat er, vóór het
kind zes of zeven jaar oud is, reeds verscheidene keeren aanzoek om
haar hand is gedaan. Dit gaat echter buiten de beide hoofdpersonen om.
Heeft de jonge man, wanneer hij vijftien jaar of ouder is, al eenige
stem in het kapittel, het meisje wordt geheel behandeld als een stuk
koopwaar, dat van de eene hand in de andere overgaat.

Dit lot was ook Wagini beschoren. Wel is waar kwam de voorspelling
harer vriendinnetjes niet uit, de maan werd weer vol, terwijl het
meisje nog vrij en frank rondliep, doch zij had haar noodlot intusschen
met reuzenschreden nader zien komen.

Op zekeren dag, terwijl Wagini tegen het vallen van den avond buiten
zat te spinnen, zag zij een haar onbekend man grootmoeders huisje
binnentreden; even later stond het meisje vóór haar vader. De
ontmoeting tusschen vader en dochter was zeer kalm; wat kon het kind
voor dien, haar geheel vreemden man gevoelen? Onderdanig, zooals het
eene dochter betaamt, begroette zij hem, zonder grootmoeders blijdschap
te deelen, die Kerto-Sadji zeer hartelijk ontving.

Al spoedig bemerkte Wagini, dat vader alleen was thuis gekomen om haar
uit te huwelijken. Sinds een jaar had hij vast werk aan een fabriek van
mortions (vuurwerk) en wilde zoo spoedig mogelijk weer terug naar de
groote stad, waar hij vrouw en kinderen achterliet.

Daar zijne tegenwoordigheid echter bepaald vereischt werd hij het
huwelijk zijner dochter en de daaraan voorafgaande formaliteiten, was
hij op grootmoeders verzoek overgekomen; de oude vrouw wilde de zaak
met spoed tot een gewenscht einde brengen.

Met angst en schrik zag het jonge meisje haar huwelijksdag te gemoet;
al werd zij geheel buiten de voorafgaande onderhandelingen gehouden, al
had zij zich zelfs verstopt toen haar aanstaande een kijkje kwam nemen
naar zijne kleine bruid, zij wist wel, dat verzet haar niets zou baten.
De bruidsgeschenken waren gewisseld, er was rekening gehouden met
gunstige en ongunstige voorteekenen en eindelijk werd een
heilaanbrengende dag uitgezocht voor de huwelijksvoltrekking.

Tot het laatst toe bleef Wagini hopen, dat een of ander toeval het
onheil zou afwenden, doch, nu dit niet het geval bleek, berustte zij:
het was Gods wil.

Op den gewichtigen dag kwam nénéh reeds om vijf uur haar kleindochter
wekken, want het toilet eener inlandsche bruid kost veel tijd.

Terwijl men hiermede bezig was, begaf Wagini’s bruidegom zich met zijne
verwanten en vrienden naar de moskee, om het huwelijk door den priester
te laten voltrekken. Bij deze plechtigheid behoeft de vrouw niet
tegenwoordig te zijn; Wagini was dus reeds gehuwd vóór zij haar man
ooit ontmoette.

Intusschen liet het arme kind het lijdelijk toe, dat men haar in
bruidstooi kleedde. Onbeweeglijk bleef zij zitten, terwijl men haar
lief gezichtje met boreh insmeerde en ook hals en armen met deze gele
verfstof bedekte. Nu werd een fraai gebatikte kain (soort sarong) om
haar fijn middeltje gewonden en daarover een tweede kain of overkleed
van blauw satijn geworpen en in kunstigen wrong, onder de armen door,
op den rug bevestigd, zoodat schouders, armen en een groot gedeelte der
borst onbedekt bleven.

Het weelderige haar, in een komvormig kapsel opgestoken, versierde
grootmoeder met snoeren aan draden geregen bloemen, die langs het
voorhoofd tot op de wangen hingen. Vergulde en zilveren armbanden
schitterden aan bovenarm en polsen, terwijl de kleine, tengere vingers
bijna verloren gingen onder het aantal grof bewerkte ringen, waarin
groote, onechte steenen fonkelden. Grootmoeder had dit kostbaar
bruidsgewaad met al den daarbij behoorenden opschik natuurlijk niet
zelve kunnen bekostigen. Voor een rijksdaalder was al de pronk gehuurd,
waarmede Wagini de bewondering van vrienden en verwanten zou wekken.

Het toilet der bruid was nu voltooid en zij moest, als een stijf
aangekleede pop, stil blijven zitten tot de bruigom kwam.

Het huis vulde zich intusschen met gasten en toeschouwers, ieder kwam
de bruid bewonderen. Wagini’s hart klopte luid en angstig; had zij maar
durven wegloopen, het lot ontvluchten, dat haar wachtte! Maar waar
moest zij heen, wie zou haar helpen?

Om vier uur verkondigde een groot rumoer reeds van verre de komst van
den bruidegom. Vergezeld van een stoet vrienden en bloedverwanten en
door muziek begeleid, kwam hij te paard aanrijden en steeg af voor het
huis der bruid, waarna hij door twee personen plechtig werd
binnengeleid. Toen Wagini hem zag aankomen, had zij het wel willen
uitschreeuwen. In plaats daarvan liet zij zich gedwee bij de hand nemen
door de twee aangewezen vrouwen, die het bruidje haar man te gemoet
voerden. Wagini hield de oogen neergeslagen, slechts even wierp zij een
schuwen blik op Sakerto, toen zij vlak voor hem stond. Op het oogenblik
der eerste ontmoeting tusschen man en vrouw wil het gebruik, dat het
jonge paar elkaar met sirih werpt. Sakerto volbracht dezen plicht naar
den eisch, doch de hand van het vrouwtje beefde zoo sterk, dat het
dichtgevouwen blad naast het hoofd van haar man terecht kwam. Als
bruidegom was deze niet minder fraai uitgedost dan zijne bruid. Ook hij
droeg het bovenlijf naakt en met boreh besmeerd, zijne haren, eveneens
met snoeren bloemen versierd, zwierden hem los op den rug, een kostbare
kain omgaf zijne heupen en hing tot laag op de voeten neer, terwijl de
kris, het handvat fonkelend van kleine steentjes, met bloemen was
versierd. Sakerto had een vriendelijk, goedig uiterlijk en telde dubbel
zooveel jaren als Wagini.

Het feit dat hij reeds gehuwd was geweest, gaf aanleiding tot eene
nieuwe plechtigheid. Men reikte Wagini een kom water, die zij over een
stuk brandend hout moest leeg gieten: een zinnebeeldige voorstelling,
dat het vuur, in het eerste huwelijk onderhouden, nu was uitgebluscht.
Na afloop dezer ceremonie nam het bruidspaar naast elkander op een
matje plaats, er werd koffie en gebak rondgediend en het gevolg van den
bruidegom bracht de huwelijksgeschenken, meest smakelijke eetwaren, aan
de bruid; ook ontving zij eenig geld van haar man, waarvoor zij hem
onderdanig buigend dankte. Zonder een woord te wisselen zat het
bruidspaar naast elkaar, de gelukwenschers stroomden het huis uit en
in, men at en dronk en was vroolijk, er heerschte een drukte van
belang, een bedrijvigheid en heen- en weergeloop, die toenamen naarmate
de avond viel. De lampen werden ontstoken, de muziek liet hare tonen
hooren, op het erfje verdrongen zich de toeschouwers, aangetrokken door
de vroolijkheid en het helder verlichte huis, waar men bruiloft vierde.
Den geheelen nacht bleef het feest voortduren, niemand dacht aan
slapen. Wagini was doodmoe, zij kon de oogen bijna niet meer open
houden, het scheen haar toe, dat de lampen dof begonnen te branden, zij
verstond niet meer wat men tot haar sprak. Eindelijk nam haar lijden
een einde: toen het daglicht aanbrak vertrok de bruidegom met zijne
vrienden en Wagini mocht gaan rusten, haar statiegewaad afleggen, voor
eenige uren althans.



Den volgenden dag zat de jonggetrouwde vrouw in haar bruidstooi
gekleed, weer om vier uur klaar, wachtend op den bruigom, ditmaal om
met hem een rit door de stad te maken. Spoedig hield de fraaiversierde
bruidswagen, gevolgd door wel twintig karretjes, waarin Sakerto’s
vrienden hadden plaats genomen, voor Wagini’s woning stil. Door hare
verwanten begeleid, trad het bruidje naar buiten in den vollen
zonneschijn en daar stond zij, klein en tenger schepseltje, een vreemde
onnatuurlijke verschijning met haar saffraankleurig gezichtje en
getooid in dat bonte, opgeschikte gewaad. Zwijgend nam zij naast haar
man plaats en zoolang de rit duurde bleven beiden als beweginglooze
poppen strak voor zich uitstaren. Misschien ging Sakerto met hart en
ziel in de glorie op, als bruigom zoo deftig en met groot gevolg rond
te rijden en overal bekijks te wekken. Ieder week voor den bruidsstoet
uit, de kampongs liepen leeg om den optocht voorbij te zien komen. Maar
het bruidje kon hare tranen nauwelijks bedwingen en af en toe trilde
het verraderlijk om den kleinen, strakken mond. Eindelijk was ook deze
lijdenstocht volbracht en nu stapte de bruiloftsstoet af voor het huis
van den jongen man, waar deze met zijne moeder en zusters woonde, en
dat nu voortaan ook Wagini’s tehuis zou zijn. Nadat de nieuwe
schoondochter plechtig was ingehaald, met inachtneming van al de
ceremoniën, die de adat voorschrijft, trad de schoonmoeder uit het
binnenvertrek het jonge vrouwtje vriendelijk te gemoet. Er lag een
wereld van goedheid in de zachte, bruine oogen, toen zij op het
schepseltje rustten, dat voortaan een deel van haar gezin zou uitmaken.
Wagini was echter te ontdaan om dit op te merken.

Het bruidspaar vormde weer het midden van een aantal gasten en
toeschouwers, de drukte was nog grooter dan den vorigen dag. Gul werd
ieder uitgenoodigd zich te goed te doen aan den overvloed van spijzen,
die stonden opgedischt: vleesch en visch met gekruide sausen, rijst met
toespijzen, gebak in soorten en een overvloed van vruchten. Hartelijk
drong schoonmoeder Bok Djemilah het bruidje toe te tasten en zette haar
het beste en lekkerste voor, doch Wagini kon geen bete naar binnen
krijgen. Zij had nog geen woord met haar man gewisseld en deze nam
evenmin eenige notitie van zijn kind-vrouwtje; hij at en dronk en
onderhield zich met zijne vrienden. Was dit fijngevoeligheid, begreep
hij hoe beschaamd en verlegen zij zich voelde?

Grootmoeder liet het zich intusschen best smaken en keek vergenoegd
rond: zij had er niet het minste begrip van hoe het Wagini te moede was
en meende tot bestwil van het kind gehandeld te hebben. Haar
kleindochter ging een aangenaam leven te gemoet, want Sakerto verdiende
flink geld met timmeren, hij was een zachtzinnig, bedaard mensch en zou
zijn vrouwtje zeker goed behandelen. Wagini hoefde nu niet meer met de
zware vischmanden te sjouwen, want de dessa, waar haar man woonde, lag
niet aan zee. Zij had slechts hare plichten als huisvrouw te verrichten
en kon nog een aardig stuivertje bijverdienen in den tijd van den
padi-oogst. Op hare beurt kon zij grootmoeder nu steunen en het goede
kind zou nénéh op haar ouden dag het dagelijksch bordje rijst zeker
graag gunnen.

De feeststemming onder de bruiloftsgasten werd steeds grooter. Een paar
bont uitgedoste dansmeisjes wekte de bewondering en den luiden bijval
van het publiek, door de kunstige, lenige wijze, waarop zij hare
ledematen wisten te draaien en te wringen naar de eischen der
tandakkunst.

Het ging alles als in een roes aan Wagini voorbij, die moeite had om
wakker te blijven; het arme kind kon zich bijna niet meer rechtop
houden. Doch het werd weer morgen eer zij mocht opstaan om naar hare
kampong teruggeleid te worden (de eerste dagen nà haar huwelijk slaapt
de jonge vrouw nog in hare eigen woning). Bijna omvallend van
vermoeienis trad Wagini er binnen. Goddank, nu was het feestvieren
achter den rug.



Twee dagen later werd Wagini voorgoed in het huis van haar echtgenoot
opgenomen. Zij moest nu hare schoonmoeder in het huishouden helpen en
naast haar man, ook deze gehoorzamen. Dit laatste viel het jonge
vrouwtje gemakkelijk genoeg. Bok Djemilah was een goede vrouw, zij
verlangde niet te heerschen en te bevelen, haar stem klonk steeds zacht
en vriendelijk. Spoedig hield de nieuwe schoondochter bijna even veel
van haar als van grootmoeder, doch voor haar man bleef zij even angstig
en schuw als op den trouwdag. Weerspannige vrouwtjes worden bij den
inlander met de bamboe geregeerd, maar tot dit middel wilde Sakerto
vooralsnog zijn toevlucht niet nemen, al verdroot het hem geducht, dat
Wagini hem uit den weg ging waar zij kon en zich verstopte of vluchtte
als zij hem van verre zag aankomen. „Heb maar geduld, ze is nog zoo
jong, het zal wel terecht komen,” verzekerde Djemilah haar zoon, en zij
wees het jonge vrouwtje intusschen met liefderijke woorden op hare
plichten. Wagini luisterde onderdanig toe, prevelde: „ja, ja,” en bleef
onwillig haar man zelfs een hand te reiken. Als een stout kind
verschool zij zich nu eens onder een bank, dan weer in het kippenhok of
zij klom in een boom, waar de roode mieren het haar zoo lastig maakten
met hunne venijnige steken, dat zij zich wel naar beneden moest laten
glijden. In plaats van eenige genegenheid voor Sakerto op te vatten,
werd haar afkeer van hem steeds grooter. Die dwaze angst bezorgde
Wagini op zekeren avond een ernstig ongeluk.

Het was al laat en het jonge vrouwtje had zich juist tusschen hare
schoonzusters in, op haar matje gevlijd, toen zij op eens haar man zag
binnenkomen. Zij dacht, dat hij al lang sliep en, hoewel Sakerto niet
de minste acht op haar sloeg, werd zij eensklaps door zulk een grooten
angst aangegrepen, dat ze overeind vloog, vlug over de om haar liggende
gestalten heen wipte en naar de deur vluchtte.

Bij den drempel struikelde zij, viel en bezeerde zich zoo hevig aan
haar rechtervoet tegen een stuk ijzer, dat zij kreunend bleef liggen.

Weken lang moest Wagini voor hare dwaasheid boeten, de voet wilde
slechts langzaam genezen. Grootmoeder kwam haar kleinkind bezoeken en
bleef, om haar met Bok Djemilah te verplegen.

De beide vrouwen spraken hoofdschuddend over Wagini’s koppigheid en
kuren.

Waar moest dat heen? Straks verstootte Sakerto het ondeugende kind nog
en grootmoeder vouwde angstig de handen samen bij dit vreeselijk
vooruitzicht.

Maar het noodlot kwam Wagini te hulp.

Zij was nauwelijks hersteld en had zich voor den eersten keer met
langzame voorzichtige pasjes buiten gewaagd, toen zij voor hare oogen
het ongeluk zag gebeuren, dat haar, geheel onverwacht, hare vrijheid
teruggaf.

Een eindje van het huis stond een klapperaanplant en Sakerto was in een
hoogen boom geklommen, zooals hij reeds honderden malen gedaan had, om
de rijpe vruchten af te kappen.

Wagini luisterde onwillekeurig naar het regelmatig kloppen en den
harden plof, waarmee de vruchten achtereenvolgens naar beneden kwamen.
Op eens werd het geklop gestaakt, een rauwe gil weerklonk door de lucht
en tegelijkertijd stortte Sakerto naar omlaag. Een kleine
onvoorzichtigheid had hem het evenwicht doen verliezen, en, toen op
Wagini’s angstgeschreeuw, de huisgenooten kwamen toeloopen, bleek het,
dat de arme Sakerto zijn ruggegraat gebroken had, en onmiddellijk een
lijk was geweest.

Den volgenden morgen werd Sakerto begraven, diep betreurd door zijne
moeder en zusters, die weeklagend bijeen zaten. Wagini trachtte haar te
troosten, doch de oogen der weduwe zelve bleven droog.



Een jaar ruim is verloopen. Overal op de sawahs heerscht vroolijke
opgewektheid, men is in het volle getij van den padi-oogst. Vóór dag en
dauw tijgen mannen en vrouwen, meisjes en jongelingen naar de velden om
de rijpe halmen één voor één, met het scherpe mesje af te snijden en
tot bundels saam te binnen. Er wordt van ’s morgens tot ’s avonds
gearbeid en in de schemering ziet men overal menschen met welgevulde
bundels op den rug, tevreden huiswaarts gaan. Die niet op eigen grond
werkt, verhuurt zich bij zijn buurman en hoe vlijtiger de handen zich
reppen, hoe grooter de bos padi, die als welverdiend snijloon naar huis
wordt meegedragen.

Geen tijd in het jaar, waarop de jongelieden prettiger en vrijer met
elkaar verkeeren dan wanneer de gouden halmen vallen, die den Javaan
zijn levensbrood geven. Alle stijfheid en vormelijkheid wordt op zij
gezet, oud en jong werkt lustig en opgewekt.

De zon is zoo even herrezen en giet haar gouden gloed over de akkers,
zacht wiegelen de volle padihalmen op den adem van den morgenwind; ach
armen, ze weten niet hoe spoedig het gedaan zal zijn met hun jong
krachtig leven.

Zie, daar komen de snijdsters aan, achter elkaar loopend, op het smalle
pad. De meesten dragen het hoofd nog onbedekt, doch allen hebben den
grooten toedoeng of zonnehoed in de hand, die haar straks beschermen
moet tegen de al te vurige liefkoozingen der dagvorstin. Hoe vroolijk
steken de kleurige baadjes tegen de omgeving af, hoe veel lieve jonge
gezichten ziet men tusschen de oude, verweerde vrouwen in. Het zijn
hare dochters en kleindochters, die spoedig zullen worden als zij: hard
werken in zon en regen maakt vroeg oud.

Maar aan die toekomst denken de jongeren niet, nu is het leven nog
heerlijk en vol beloften en velen lachen stil voor zich heen bij een of
andere zoete herinnering. Onder de padisnijdsters is ook Wagini, een
mooie, tot haar vollen wasdom ontwikkelde vrouw, heerlijk om aan te
zien met haar krullend haar en donkere schitteroogen. Zij lacht
verstolen en slaat even de oogen op, als zij, druk aan het snijden,
denzelfden jongen man, die haar nu reeds drie dagen het hof maakt, over
het veld naar zich toe ziet komen. Wat een knap uiterlijk, wat een
prettig gezicht heeft hij, die slanke Ramidin! Daar komt hij haar op
zijde en lacht en Wagini, het schuwe preutsche vrouwtje, lacht terug en
laat van terzijde, van onder de lange wimpers, haar blik met
welgevallen op Ramidin rusten.

En nu begint tusschen dit paar het spelletje oud als de wereld: hij
lokt en vleit, en zij doet als weet ze niet waar hij heen wil. Ze laat
toe, dat hij de door haar gesneden halmen tot schooven bindt en ze voor
haar draagt. Den heelen dag blijft hij haar ter zijde en om het paartje
heen lacht en fluistert men: die twee worden het ééns.

In de schemering, als zij naast elkander huiswaarts gaan, zij met den
zwaren bundel padi, in de slendang op den rug gebonden, spreekt hij het
groote woord en Wagini, fier en gelukkig, dat zij nu, in vrije keuze,
de inspraak van haar hart mag volgen, reikt haar vriend de kleine,
tengere hand en belooft Ramidin, dat zij met hem door het leven wil
gaan.



EEN ZENDELINGSVROUWTJE.


I.

Zij hadden elkaar bijna drie jaar lang dagelijks gezien en gesproken,
elkander goed, heel goed leeren kennen vóór hij het beslissend woord
sprak, haar vroeg zijn vrouwtje te worden, en met hem mee te trekken
naar het verre, vreemde land. Als zij haar Johannes niet zoo innig had
lief gehad, de blonde, slanke Dina, met eene liefde, die langzamerhand
van kleinen knop tot een volle, heerlijke bloem was ontwikkeld, dan zou
zij zeker geaarzeld, hem haar jawoord niet zoo gemakkelijk gegeven
hebben, maar nu.... En toch hij vroeg zooveel; voor hem moest zij haar
„Heimat,” doch wat oneindig zwaarder woog, haar dierbaar tehuis, haar
„süsses Mütterchen,” verlaten. „Ach, waarom koos hij juist een
werkkring, die hem naar verre landen riep?” zuchtte zij, droef te moede
als zij aan de naderende scheiding dacht. Zij wist echter hoe lief haar
aanstaanden man zijne roeping was, hij vertelde het haar meer dan eens,
hoe reeds als kind het denkbeeld hem bezielde Christus’ zachtaardige
leer onder de onwetende heidenen te verspreiden en hun daarmede geluk
en zegen te brengen.

In hare dwepende meisjesliefde zag zij een apostel in haar Johannes,
even goed en zachtzinnig als de meest geliefde leerling van den Heer,
toen deze nog rond ging op aarde. En Dina peinsde en droomde over de
toekomst, doch menigmaal toefden hare gedachten ook in het verleden,
toen zij zelfs den naam niet kende van den man, die haar nu alles en
alles was. Hoe goed herinnerde zij zich den avond, waarop hij voor het
eerst hun huis betrad. Zij was een aankomend meisje, de zware blonde
vlechten nog hangend op haar rug en als een echt bakvischje blozend bij
iedere gelegenheid. Zoo was die lastige blos natuurlijk ook naar hare
wangen gestegen, toen zij kennis met hem maakte en voor het eerst den
blik ontmoette van zijne ernstige, donkere oogen.

Vriendelijk en goedig had hij in het geheel niet laten bemerken, hoe in
het oog vallend hare verlegenheid was geweest; dat had haar toen reeds
dadelijk voor hem ingenomen.

Het sprak vanzelf dat hij, de zoon van haar vaders besten vriend,
spoedig als kind bij hen aan huis kwam, al de uren, die hij niet aan
zijne studie wijdde, bij hen sleet.

Zij zag hoog tegen hem op in die dagen, als tot een zeer ontwikkeld,
knap man, die met haar vader over onderwerpen redeneerde, waarvan zij
nooit gehoord, veel minder over gedacht had.

Toch luisterde zij gretig toe, al begreep zij niet alles; het gebeurde
dikwijls, dat Johannes zich tot haar wendde, of, om harentwille, het
gesprek eene andere richting gaf; dit vervulde haar steeds heimelijk
met trotsche blijdschap. Die nieuwe huisgenoot bleek voor het geheele
gezin een groote aanwinst, spoedig kon hij niet meer gemist worden in
hun kring. Hij stal Dina’s hart door zijne vriendelijke attenties voor
„lieb Mütterchen,” zijne stille hulpvaardigheid en groote deelneming in
al wat de haren betrof. Aan alles kon zij bemerken, dat hij graag in
hun midden toefde; zelf stil en ernstig van aard, zich aangetrokken
voelde door den opgewekten toon, die bij hen heerschte. Zij was niets
ernstig, integendeel, zij kon den verpersoonlijkten levenslust
voorstellen, het leven bood haar tot nu toe enkel rozen.

Altijd gezond en opgewekt, geliefd kind in huis, ja zelfs wel een
beetje verwend en vertroeteld als eenige dochter en zuster, zou zij
haar lot met niemand hebben willen ruilen, en wenschte zij, dat het
maar immer zoo blijven mocht.

Doch het kind groeide op tot jonkvrouw en het uur kwam, waarin ook in
haar het stille, reine, heerlijke gevoel ontwaakte, dat liefde heet. ’t
Was ongemerkt en als vanzelf gekomen, dat de genegenheid en
vriendschap, die zij voor Johannes koesterde, langzamerhand in een
dieper en inniger gevoel veranderden. En zij wist, zij voelde het aan
duizend kleinigheden; een lange blik, een zachter klank in zijne stem
als hij tot haar sprak, een heimelijke handdruk, deze alle zeiden het
haar, dat hare liefde beantwoord werd. Haar eigen zoet geheim bewaarde
zij als een schat diep in haar hart, zelfs Mütterchen kon zij er niet
over spreken, en zoo wachtte zij vol geduldig, hoopvol vertrouwen, tot
Johannes tot haar komen zou om het woord te spreken, dat over hun
beider toekomst zou beslissen. Toen dat uur aanbrak, wie kon haar geluk
beseffen? Alles jubelde in haar en, nauw was zij alleen, het gelaat nog
nat van vreugdetranen of zij knielde neder en deed de stilte gelofte om
haar Johannes waarlijk een zegen te zijn, hem vol vertrouwen en
toewijding te volgen waarheen hij ook gezonden mocht worden, zijne
lasten lichter, zijne vreugde grooter te maken en hem zoo, in ieder
opzicht, te wezen een licht op zijn pad. Die heilige, goede voornemens
bleef zij trouw, ook toen zij de haren vaarwel moest zeggen. De
verloopen maanden waren Dina als in een droom voorbijgegleden; haar
korte engagementstijd, haar huwelijk, een verrukkelijk reisje langs den
Rijn, gevolgd door de niet minder heerlijke weken, die zij als jong
getrouwde vrouw bij haar ouders aan huis had doorgebracht. Maar nu
naderde het scheidingsuur met droevige snelheid en de arme Dina
ontwaakte uit haar gelukkigen droom en leed bijna meer dan zij dragen
kon. Ze wilde haar man geen verdriet doen en verborg hem haar strijd,
doch ’t viel het arme vrouwtje oneindig zwaar haar geliefd huis te
verlaten en dikwijls moest zij naar eenzame hoekjes vluchten om eens
flink uit te schreien. Vooral wanneer zij, Mütterchen aankijkend,
bedacht, dat de uren geteld waren, waarin zij dat lieve, dierbare
gelaat voor het laatst zou aanschouwen, was het haar of zij dit niet
kon overleven. Maar kost het strijd en bittere pijn, ook het zwaarste
leed wordt gedragen, en zoo kwam ook Dina door het vreeselijk
scheidingsoogenblik heen, en nam zij als troost naar het verre land de
herinnering aan moeders kussen en de vurige zegenbeden harer ouders
mede.—De tijd, de vele nieuwe gewaarwordingen op de reis, eerst over
land, naderhand over zee en vooral de groote liefde van haar trouwen
Johannes, zij deden het overige; toen het jonge paar Batavia bereikte,
had Dina hare aangeboren opgeruimdheid grootendeels herwonnen en
verlangde zij vol geestdrift den werkkring van haar man te deelen. Hoe
bewonderde zij hem in zijn vasten wil en doorzettingskracht; zoodra hij
zeker wist, dat zijn arbeidsveld op Java zou liggen, was hij aan het
moeielijk Javaansch begonnen, ieder vrij uur, met taaie volharding aan
die studie wijdend; Dina’s bewondering maakte echter ook wel eens voor
naijver plaats op die nare boeken welke al Johannes’ tijd in beslag
namen; slechts af en toe kon hij een uurtje aan vrouwlief wijden en zij
had altijd wat te vragen en te babbelen, wilde haar man immer naast
zich hebben om hem deelgenoot te maken van iedere gedachte. In die uren
van eenzaamheid overviel haar ein fürchtbares Heimweh, dat zij niet
altijd overwon, al streed zij er dapper tegen.

Wanneer zij maar eenmaal in haar eigen huisje zat, zoo sprak het jonge
vrouwtje zich zelve moed in, dan zou alles beter gaan, zij zou hare
vaste bezigheden hebben en trachten Mutter’s verzekering, „dat Dina
eene uitstekende huishoudster was,” niet te beschamen. Het duurde ook
zoo lang en de tijd kroop voorbij juist omdat zij zoo verlangde naar
haar eigen „Herd,” „doch endlich bleibt nicht ewig aus,” troostte zij
zich. Groot was hare vreugde toen Johannes met de welkome tijding tot
haar kwam: „Ik heb mijne aanstelling, Dina, wij gaan naar Soeka Slamat,
waar ik de kleine gemeente, die broeder J. vijftig jaar geleden
stichtte, zal voorgaan. Langen tijd hebben die Christenen geen leeraar
gehad, er staat ook nog geen kerkje, maar het geld er voor is al
grootendeels bijeen.”

Dina klapte in de handen. „O, Johannes, hoe heerlijk, dan zult gij de
kerk inwijden, niet waar? Krijgen we een lief huisje, man?”

„Dat is ook in aanbouw. We zullen daar heel stil wonen, kindlief,
zonder Europeanen in de buurt. ’k Hoor zelfs, dat in den regentijd de
weg naar de hoofdplaats der afdeeling onbegaanbaar moet wezen. Ziet ge
er niet tegen op, vrouwtje, in die eenzaamheid te leven met je stillen
man tot eenig gezelschap?”

Maar Dina sloeg de armen om zijn hals en betuigde vol nadruk: „Neen,
neen, ik zie er geen ziertje tegen op. Ik mag je helpen met je werk, hé
Johannes? Als de vrouw van onzen „pastor,” mag ik mij wijden aan de
vrouwen en kinderen der gemeente, niet waar? En dan hoe heerlijk om
mijn eigen huishouden te hebben, je lievelingskostjes te koken, alles
rein en net om ons heen te houden, o man!” Hij glimlachte over haar
enthusiasme.

„Nu beste, als dat vooruitzicht je bekoort, zul je je hart kunnen
ophalen, je zult de handen nog al eens moeten uitsteken, vrees ik. Wat
bedienden betreft zullen we daar, op dat afgelegen plekje, niet veel
keuze hebben en dan.... we moeten het zuinig overleggen, kind.”

„Of dàt mij schrik zou kunnen aanjagen,” lachte het jonge vrouwtje, „ik
heb thuis werken geleerd, dat verzeker ik je,” en hem met een vroolijk
gebaar hare niet kleine, doch welgevormde handen voorhoudend, voegde
zij er bij: „Deze twee verstaan de kunst van aanpakken, dat zult ge
eens zien.”

Hij kuste haar dankbaar. „Wanneer vertrekken we?” vroeg Dina, haar
oogen, met een blijden glans tot haar man opslaande.

„Zoo gauw je klaar kunt komen, kind.”

Dat hield zij zich voor gezegd. O! zij was het kofferleven zoo moede,
hoe goed en vriendelijk de menschen ook waren bij wie zij deze
verloopen maanden gastvrijheid hadden genoten, zij verlangde met heel
haar hart hun vaarwel te kunnen zeggen: „Eigener Herd ist Goldeswerth.”

Onder het pakken zong het zendelingsvrouwtje half haar repertoire
Duitsche liedjes af; zij was zoo innig gelukkig en Johannes niet
minder, al voelde hij niet, als zij, de behoefte om zich zoo luide te
uiten.



Op de hoofdplaats der afdeeling, waartoe de gemeente van Johannes
behoorde, kon het jonge paar maar één huis vinden, geschikt om te
bewonen, tot het hunne in de bergen gereed zou zijn. Ofschoon het oud
en vervallen was en zij er, als beiden hoopten, slechts kort in zouden
blijven, trachtte Dina het er toch zoo gezellig en aardig mogelijk in
te richten. Zij schikte hare huwelijksgeschenken op tafeltjes en
kasten, versierde de stoelen met de handwerkjes, haar door de
vriendinnen vereerd, en maakte zoo de plekjes, waar zij het meest
zouden zitten, bepaald „gemüthlich.” Hare vroolijke, optimistische
levensbeschouwing kwam haar nu te pas. O heden, wat een gesukkel was
dat met die inlandsche bedienden. Hoe hemelsbreed verschilden zij met
haar in opvatting van reinheid, zuinigheid en orde. De jonge vrouw had
tal van groote en kleine ergernissen, doch viel er wijselijk haar man
niet mede lastig. Aan de theetafel toonde zij hem slechts den grappigen
kant van hare beproevingen, en beschreef in kluchtige verhalen hare
ontzetting over de vuilheid van Sarina, de kokkin, die maar één baadje
scheen te bezitten en dat nacht en dag aan had. En schaterend van het
lachen vertelde zij verder, dat de huisjongen alles precies omgekeerd
deed als zij gelastte; haar gebroken Maleisch wilde hij maar niet
begrijpen. Nu dacht zij er over hare bevelen precies in omgekeerden zin
te geven, als zij ze wenschte uitgevoerd te zien, dan moest het immers
goed uitkomen? Neen, het smerige, luie stelletje bedienden, dat zij nu
had, nam zij zeker niet naar de bergen mee; kokkie had n. b. opslag
durven vragen ook.

„En die heb je haar zeker dadelijk beloofd,” plaagde Johannes, “’t
mensch kan dan een tweede baadje koopen.”

„Dat kun je zoo denken! Ik heb haar juist gezegd, dat ze direct gaan
kon, die luie slons, ik kan best zelf voor ons beidjes koken op onzen
„Herd”; hoe heerlijk toch, dat wij die uit Duitschland meenamen. Ik
verbeeld mij zoo, dat wij op Soeka Slamat betere bedienden zullen
vinden dan hier zijn te krijgen. Dat zij nooit bij Europeanen dienden
kan mij niet schelen, ik leer hun graag alles, mits zij maar zindelijk
en eerlijk zijn.”

Johannes was reeds eenige keeren naar Soeka Slamat geweest: tot hare
teleurstelling had Dina hem niet kunnen vergezellen. De reis was te
lastig nu, in den regentijd, meende Johannes; allerlei ongemakken, die
hij als man zoo erg niet telde, werden onoverkomelijke bezwaren waar
het eene dame gold; Dina moest geduld hebben tot hun huisje daarginds
gereed was.

Zes maanden na hunne aankomst te N. was het zoover. „Voor het laatst en
nu voorgoed,” juichte het zendelingsvrouwtje onder het inpakken. Alles
deed zij zelve bijna; het orgel waaraan zij zoovele genotrijke uren te
danken had, als zij er, geaccompagneerd door haar man, hare liederen
bij zong, emballeerde zij met bijzondere zorg en keek met een ongerust
hart de karbouwenkar na, die haar schat naar de nieuwe woning zou
brengen. Gelukkig, dat Johannes stemmen kon, want op dat schudden en
schokken op den bergachtigen weg had zij het niets begrepen, het orgel
leed er stellig van. Maar alle bekommernissen, de behouden overkomst
van haar meubilair betreffend, zette Dina ver van zich toen zij naast
haar man, in hunne nieuwe bendy gezeten, de reis aanvaardde naar het
plekje, dat voortaan hun eigen zou zijn. Zij klaagde over hitte noch
stof op den langen grootendeels onbeschaduwden weg, zij telde het niet
wanneer zij, af en toe, kleine einden te voet moesten gaan, omdat
Johannes de primitieve bruggen niet vertrouwde; aan het einde van dien
weg lag immers hun „tehuis?”

Toen zij het eindelijk bereikten en Johannes haar binnen leidde, kon
zijn vrouwtje niet spreken van vreugde. „Het is een verrukkelijk
huisje!” riep zij eindelijk vol blijdschap uit: drie galerijen en vier
kamers, niet groot, maar flink hoog, wat konden zij meer verlangen? En
alles blonk van nieuwheid; zij behoefde hier geen vuilgroene plekken
aan den muur te „cacheeren” of zich te ergeren aan het uitslaan van een
vochtigen grond.

Had Dina hare tijdelijke woning zooveel mogelijk gezellig trachten te
maken, hier was het haar een genot hun eigen huisje op te sieren en
wonderen te doen met de middelen, die haar ten dienste stonden. Toen
zij ten laatste alles geheel naar haar genoegen in orde had gebracht,
riep zij Johannes en wandelde zielstevreden met hem het heele huis
door, als een kind genietend bij zijne betuigingen van bewondering voor
haar goeden smaak en practischen zin. Het keurig nette keukentje was
haar grootste trots; daar stond „der Herd”, zoo glimmend gepoetst, dat
men zich er in kon spiegelen en het niet minder blinkend keukengerei,
keurig tegen den wand gerangschikt. „Ja, ja,” schertste Johannes, „dat
is het stokpaardje van de Duitsche vrouwen: Die Küche, die Küche.”
„Neen, niet alleen: die Küche, wir lieben drei K’s,” lachte Dina
vroolijk: “Küche, Kirche und Kinder.”



II.

Haar gelaat betrok terwijl zij het laatste woord uitsprak en er kwam
een droevige trek op. „Kinder,” ach zij had zoo vurig gehoopt spoedig
moedervreugde te zullen smaken en tot nu toe had zij er niet aan
behoeven te denken toebereidselen te maken voor een welkomen kleinen
gast. Haar eerst zoo hartstochtelijk verlangen was in de afgeloopen
twee jaren langzamerhand in een hopend wachten overgegaan.... maar
toch, het gemis van een kindje op haar schoot ontlokte haar menig
smartelijken zucht. „Niet mijn, maar uw wil, o Heer,” die ootmoedige
woorden wilden Dina niet over de lippen, wanneer haar man haar tot
berusten maande.

Dina kreeg nu een druk, werkzaam leven; spoedig leerde zij de taal een
weinig verstaan en kon er zich, zij het dan ook gebrekkig, in
uitdrukken. Vol ijver aanvaardde zij de haar vanzelf toegewezen taak
als raadsvrouw en onderwijzeres voor vrouwen en kinderen op te treden.
Zij vergezelde haar man op zijne huisbezoeken en, naarmate zij de
menschen beter leerde kennen, trad zij ook dikwijls zonder hem hunne
huisjes binnen of haastte zich, als men haar raad en hare hulp inriep,
deze in persoon te gaan brengen. In de dessa’s en kampongs der gemeente
zag men het vroolijke, vriendelijke zendelingsvrouwtje gaarne komen en
Dina van haar kant mocht hare “Christenleutchen” van harte lijden.
Vooral tot het opgroeiend geslacht voelde zij zich aangetrokken. Drie
keer in de week hield zij school voor groote en kleine meisjes, die zij
in het naaien en zingen onderwees. De anderen nam zij dikwijls mede
naar de keuken, niet zoo zeer om haar het koken te leeren, want de
meesten konden de inlandsche spijzen beter toebereiden dan zij zelve,
maar om haar aan het verstand te brengen, dat reinheid op handen en
keukengereedschap tot de hoofdvereischten behoort van eene goede
kokkin. De aanstaande huisvrouwtjes trachtte Dina te doen begrijpen hoe
veel aangenamer en gezonder zij hare huisjes konden maken, wanneer zij
deze zindelijk en frisch hielden en er alles een behoorlijke vaste
plaats gaven, en zoo gaf zij duizend kleine wenken meer die zij zich
ten nutte konden maken. En zij waren gewillig en volgzaam genoeg,
Dina’s groote zoowel als kleine leerlingen. Allen deden haar best om
het hare geduldige, altijd opgeruimde onderwijzeres naar den zin te
maken. Een verwijtende blik of een afkeurend hoofdschudden waren de
eenige strafmiddelen van de jonge vrouw en met beide deed zij wonderen.

Er verliep bijna geen dag of Dina ging minstens tweemaal met Johannes
naar het in aanbouw zijnde kerkje. Beiden zagen met groot verlangen de
voltooiing te gemoet. De oefeningen werden nu bij hen aan huis
gehouden, waar de noodige ruimte ontbrak en tal van andere bezwaren hen
ieder keer tot elkander deden zeggen: „wanneer zal het voor ’t laatst
zijn?”

„Ik heb heusch ons kerkje al lief,” betuigde het zendelingsvrouwtje af
en toe, terwijl zij vergenoegd het nette, ruime gebouw rondkeek. „Zie
eens hoe flink hoog de vensters zijn en hoe vele zijn er wel! Mij
dunkt, wij zullen het hier niet warm hebben, het dak is zoo hoog en er
staan overal boomen om het huis. Waar zullen we het orgel zetten,
Johannes? Dáár voor het podium?” Zij wipte vlug de steenen treden op,
en vervolgde: „Hier zult ge staan, hé, man, wanneer je preekt? Jammer,
dat er geen geld genoeg is voor een preekstoel, maar een kerkklok
krijgen we toch zeker, niet waar?” Toen Johannes niet dadelijk
antwoordde, verdween de vroolijke trek op Dina’s gezichtje en, hare
vraag herhalend, keek zij hem angstig aan.

„’k Vrees er voor, vrouwtje,” antwoordde de zendeling eindelijk, „het
spijt mij zoo, maar het is toch beter, dat ik het je maar ronduit zeg.
Ik geloof, neen ik weet zeker, dat wij onze kerk niet met klokgelui
zullen inwijden, de kosten zijn niet meegevallen en....” Hij zweeg,
want hij las op Dina’s gelaat zooveel teleurstelling, verslagenheid en
verdriet, dat het hem aan het hart ging en haar liefkoozend op den
schouder kloppend, troostte hij:

„Kom, mijn beste, trek het je zoo niet aan, later....”

Het jonge vrouwtje knikte maar eens, zij kon niet spreken, de tranen
zaten haar in de keel. „Glockengeläute,” zij kende geen liefelijker,
schooner muziek ter wereld; van kind af had het gelui der kerkklok een
onuitsprekelijk zoete aantrekkingskracht voor haar gehad, het riep tal
van geheimzinnige gewaarwordingen in hare ziel wakker, het maakte haar
vroom en goed, het deed haar dubbel erkentelijk zijn voor de zegeningen
in haar leven.

En nu zou die beminde roepstem ontbreken als hun eigen kerkje werd
ingewijd; zij zou niet over het land heenbeieren, om der geheele
gemeente in heldere metaalklanken te verkonden, dat de groote dag daar
was, waarop zij voor het eerst in haar eigen Godshuis kon vergaderen.
Het was heel hard, vond de arme Dina, en telkens als zij over de
inwijding spraken, zuchtte zij heimelijk, als zij bedacht, dat toch
eigenlijk het voornaamste zou ontbreken, om dien plechtigen dag voor
haar tot een dag van inwijding te maken.

Maar ter wille van Johannes, deed zijne vrouw haar best om hare
teleurstelling zoo goed mogelijk te dragen en hielp hem ijverig het
programma voor den inwijdingsdag opmaken. Deze naderde nu snel, „in het
begin der volgende week kwam de kerk zeker klaar,” had de opzichter
verzekerd; den daarop volgenden Zondag zou de inwijding plaats hebben.



Het was een heerlijk frissche morgen, „net een lentedag in mijn lief
Heimatland,” dacht Dina, toen zij buiten trad. „Was het haar eigen
opgewekte stemming, die alles om haar heen zulk een bijzonder
feestelijk aanzien gaf?” vroeg het zendelingsvrouwtje zich af, terwijl
zij beurtelings den blik richtte naar de stralende zon, de helder
blauwe lucht en den vollen bladerrijkdom der boomen, waar de wind
vroolijk doorheen speelde. Zongen de vogeltjes niet nog liefelijker dan
anders, verspreidden hare rozen geen heerlijker geuren dan gisteren?
Dina glimlachte om zich zelve. Dat alles was maar zoete verbeelding,
omdat zij zich zoo heel gelukkig voelde, omdat heden de blijde
Zondagmorgen was aangebroken, waarnaar zij, haar man en de geheele
gemeente met hen maanden lang verlangend hadden uitgezien, de
inwijdingsdag van hun eigen kerk. Om negen uur zou de plechtigheid
aanvangen, het was nu al zes uur geslagen en er viel nog veel te doen.
De jonge vrouw spoedde zich in huis en riep haar volkje bij elkaar.
Weldra waren alle handen in de weer om de kerk nog eens een extra beurt
te geven. De vloer en de banken werden geboend en afgewreven, hier en
daar knaapjes geplaatst om leege plekjes te vullen. Vóór het podium
stond het orgel juist op zijn plaats en er bleef ruimte genoeg over
voor de leden der gemeente, die er zich bij het gezang om heen zouden
scharen. Inmiddels hadden andere gedienstige handen het gebouw buiten
versierd, guirlandes van groen waren om de pilaren geslingerd en in
groote bogen voor de open vensters bevestigd. Dina offerde hare mooiste
rozen „met hart en ziel,” betuigde zij haar man. “Es musz überall
festlich geschmückt aussehen.”

Toen alles klaar was mocht zij met gewettigden trots op het werk
neêrzien.

De ruime zaal met drie rijen banken door twee flinke gangpaden
gescheiden, met de breede deuren, en vele hooge vensters bood een even
vriendelijken als gastvrijen indruk. Er is plaats voor velen, noodden
de lange banken, er is frissche lucht in overvloed voor iedereen,
beloofden de wijd geopende ramen en buiten suizelde de wind door het
frissche groen: de boomen en ik, wij beiden, zullen de onbescheiden zon
verhinderen het u lastig te maken.

Dina bleef maar ronddrentelen en Johannes moest haar wel driemaal
aanmanen om zich nu heusch te gaan kleeden, ten einde gereed te zijn
als hare gasten kwamen. Behalve het bestuur van de
afdeelingshoofdplaats, verwachtte Johannes de zendelingen in de
residentie werkzaam, benevens eenige goede vrienden en particulieren,
die van hunne belangstelling blijk wilden geven. „Van de gemeente zou
stellig niemand thuis blijven,” dacht Dina, terwijl zij vlug
voortmaakte; o de kerk zou vol genoeg zijn!

Met een aardig blosje en een hartelijk welkom in de heldere oogen,
ontving het zendelingsvrouwtje een half uur later hare gasten. Zij
voelde zich ietwat zenuwachtig, het was de eerste keer, dat Johannes
bepaald zou preeken voor zooveel menschen. Zou hij zich niet beklemd
gevoelen en op een gegeven oogenblik naar zijne woorden moeten zoeken?

Doch al die onrust verdween, toen de jonge vrouw, in de kerk gezeten,
haar man zoo kalm vooruit zag treden, en zich achter het hooge tafeltje
plaatsen van waar hij de gemeente zou toespreken. Geen plaatsje was
onbezet gebleven, de banken waren dicht gevuld en al die menschen zagen
tot haar Johannes op, vouwden op zijn voorbeeld de handen en bogen stil
het hoofd, terwijl hij God’s zegen over de bijeenkomst inriep. Dina
verstond slechts enkele woorden en van de aanspraak, die nu volgde, zou
zij ook veel gemist hebben, wanneer zij deze niet van te voren in het
Duitsch had gelezen. Nu kon zij den zin vrij goed volgen, Johannes
sprak langzaam en duidelijk; ieder moest hem verstaan en met
belangstelling luisteren, dacht zijn vrouwtje, waar hij over het
ontstaan der gemeente vertelde. Het eerste zaad, nu vijftig jaar
geleden uitgestrooid, was in vruchtbare aarde gevallen. Telde de
gemeente in den aanvang eenige tientallen, nu was zij zoovele
honderdtallen groot. Slechts enkelen werden afvallig of onwaardig
gekeurd langer tot haar te behooren, over het geheel kon de stichter
met vreugde neêrzien op zijn werk. Hier in dit stille hoekje tusschen
de bergen leefde de arbeidzame bevolking kalm en tevreden voort, trouw
hare godsdienstplichten vervullend, ook toen de gemeente langen tijd
zonder voorganger bleef. In hare dessa’s en kampongs waren roof en
diefstal onbekende voorvallen, het behoorde tot de uitzonderingen
wanneer het bestuur klachten kreeg over de Christengemeente van Soeka
Slamat. Daarom was het een vreugdedag voor hem geweest, toen hij
geroepen werd de open plaats te vervullen en hun voorganger te worden.
Hij wenschte niets liever dan lange jaren voor en met hen werkzaam te
zijn, daar gave God zijn zegen toe.

Een oogenblik later klonken de orgeltonen door de kerk. Dina stond op
en trad naast het orgel, terwijl de vrouwen en meisjes zich om haar
heen schaarden. Vol en schoon verhief zich het koor van mannen- en
vrouwenstemmen, de zendeling en zijn vrouwtje hadden voldoening van het
veelvuldig oefenen met hunne leerlingen. De tekst werd natuurlijk in
Javaansche woorden gezongen, maar het gezang klonk er niet minder
liefelijk om.

Toen orgel en koor zwegen, stond een oud man op, wien men zijn tachtig
jaren echter niet kon aanzien. Nog flink en ongebogen van houding, kalm
en duidelijk sprekend, vertelde hij, het eerst toegetreden lid der
gemeente, met hoeveel vreugde deze dag door hem verbeid was. Van de
lange toespraak begreep Dina overigens zeer weinig, evenmin als van de
verschillende kleine preeken door de broeders zendelingen
achtereenvolgens gehouden. Maar zij verveelde zich toch geen oogenblik.
Het deed haar hart goed de groote aandacht en belangstelling te zien,
waarmee de gemeente luisterde: mannen en vrouwen bogen zich naar voren,
om toch geen woord te verliezen; de kinderen zaten doodstil.

Af en toe klonk een schreiend stemmetje door de ruimte, want geen
moeder had thuis willen blijven, en velen brachten een zuigelingetje
mede. Maar de hongerige vogeltjes wilden niet zoet blijven slapen; wat
wisten de onnoozele schaapjes van plaats of tijd? De vrouwen susten
hare kleintjes op de beste wijze, menig geheimpje tusschen moeder en
kind werd achter de slendang afgehandeld.

Met een gretig verlangenden blik volgde Dina de bewegingen der moeders,
die met hare kindertjes bezig waren. „Ach, kon zij ook zulk een klein
schepseltje het hare noemen, het even teeder, als die vrouwen vóór
haar, aan haar warme borst vleien.” Zij boog het hoofd en, terwijl haar
man, de gemeente oproepend tot het laatste gebed, de handen vouwde,
smeekte zij uit het diepst van haar bewogen ziel: „Geef mij een kindje,
o Heer! als het Uw wil is, ik zal het zoo liefhebben en slechts het
goede leeren.”

De plechtigheid was afgeloopen; kalm en zonder gedruisch, als zij
gekomen was, ging de gemeente uiteen, geheel vervuld van hetgeen zij
gehoord had. Het was voor allen een dag van beteekenis geweest, dien
zij zich, als ouden van dagen, nog zouden herinneren.



Een klein half jaar was na den inwijdingsdag verloopen en de
west-moesson naderde, door Dina juist niet met genoegen te gemoet
gezien. „Wij verlangen nu wel naar regen,” gaf zij haar man toe, „maar
als ik denk aan verleden jaar, hoe wij hier als ’t ware op een eiland
zaten, van de buitenwereld afgestorven, terwijl wij vele dagen zelfs
geen voet buitenshuis konden zetten, neen, dan moet ik je ronduit
bekennen, dat ik wel wat opzie tegen de naderende maanden. Ik ben niet
bang mij te vervelen, vervolgde zij snel, dat is het niet, de dagen
vliegen om, ik kom nog tijd te kort. Maar ik houd zoo dol veel van de
zon en den blauwen hemel. Een sombere, donkere lucht, waaruit de regen
uren achtereen neerplast, stemt mij melancholiek.” De jonge vrouw wilde
er niet voor uitkomen, dat de hoofdoorzaak van haar afkeer voor de
west-moesson een andere was. Dat getijde bracht de tijgers mede en, al
noemde iedereen dit overdreven, zij was doodsbang voor die gevaarlijke
buren. Het vorig jaar waren twee lieden uit hunne dessa een offer van
de wilde dieren geworden. Zij hadden hun dood wel is waar drie kwart
aan eigen onvoorzichtigheid te wijten, daar, zij zich tegen
schemeravond ongewapend in het bosch hadden gewaagd, doch dat maakte de
zaak niet minder verschrikkelijk, oordeelde het zendelingsvrouwtje.

„Druk de menschen toch op het hart voorzichtig te zijn, Johannes,”
verzocht Dina meer dan eens, nadat het haar een poos later ter oore was
gekomen, dat het volk tijgersporen had gezien. „Spreek vooral eens
ernstig met Karsiman en Petrus, ze zijn zulke waaghalzen, en mij dunkt,
Petrus mag wel dubbel oppassen, nu hij zulk een lief, jong vrouwtje
thuis heeft en zij een kindje verwachten.”

„Ja, ja, je hebt Petrus en Maria nu eenmaal in het hart gesloten,”
schertste Johannes, „ik geloof, dat je wel drie keer naar hen toegaat
tegen éénmaal naar de andere gezinnen.”

„’t Is zoo,” bekende Dina gul, „maar man, ge moet niet vergeten, dat
Maria van het begin af mijn lievelingsleerling is geweest, dat ge het
paartje getrouwd hebt en het lieve vrouwtje mij dubbel aantrekt, nu zij
een kleintje te gemoet ziet. Zij gaat zoo vertrouwelijk met mij om en
is zoo dankbaar voor de kleinste gave. ’t Naaien van de kleertjes voor
haar popje, was een genot voor ons beiden. En Petrus is een
trouwhartige, beste vent, ik weet wel, dat gij hen ook graag moogt
lijden, al lacht ge mij uit, nu ik zoo opgewonden over hen spreek.”

„Dat doe ik volstrekt niet, wijfjelief. Wees maar gerust, kind, ik zal
de menschen de grootst mogelijke voorzichtigheid aanbevelen, maar tob
dan ook niet meer over denkbeeldige ongelukken. Wij zullen de tijgers
nu laten rusten en prettig gaan lezen; krijg je naaiwerk, lieve, dan
haal ik „Ekkehard” voor den dag.

„Hoe heerlijk!” betuigde Dina, „we hebben de laatste maanden
allerprettigste avonden, nu je niet meer zoo aanhoudend voor je zelf
zit te werken als je verleden jaar altijd deed.”

„Dat had zijn reden, vrouwtje.” En Dina met een geheimzinnigen glimlach
aankijkend, vroeg Johannes eensklaps: „Wie is er einde Januari jarig,
kind?”

„Dwaze man, of je dat niet weet,” lachte zijn vrouwtje en deftig voegde
zij er bij: „Den dertigsten Januari van het jaar onzes Heeren 1894
wordt Johannes’ huisvrouw: Everdina, Maria, Elizabeth, drie en twintig
jaar. En vertel mij eens waarom ik je dat zeggen moest?”

Doch Johannes schudde het hoofd met de bewering, dat hij Dina maar eens
had willen plagen, terwijl hij „Ekkehard” voor zich legde en de
bladzijde opsloeg, waar hij den vorigen avond gebleven was.



Geen vroolijke zonneschijn begroette Dina’s feestdag, integendeel, uit
de zwarte wolken ontlastte zich een zware regenvloed, die als gisteren,
zeker den geheelen dag zou aanhouden. De zendelingsvrouw stond voor het
venster van de gesloten binnengalerij naar de druipende boomen en
struiken te zien, waartusschen de heftige wind ruw huis hield. De
feestelijke stemming, waarmee zij straks Johannes’ warme gelukwenschen
had ontvangen, was geheel verdwenen; zij voelde zich lusteloos en
neêrslachtig, was dat nu ook een weer voor haar verjaardag?

Op dat oogenblik hoorde zij de stem van haar man uit de achtergalerij:
„Waar blijf je kind, gaan we niet ontbijten?”

Hij kwam haar halfweg te gemoet en trok haar arm door den zijne.
„Scheelt er wat aan, vrouwtje?” vroeg hij hartelijk, „je kijkt zoo
bedrukt.”

Zij legde hare wang even tegen zijn schouder en poogde te glimlachen.
“’t Is al over, beste, let er maar niet op,” antwoordde zij zacht en
wilde op hare plaats gaan zitten, toen zij verrast achteruit week.

„O lieve, beste man, wat een verrassing!”

Vóór haar bord stond een bouquet, verregend wel is waar, en slechts
bestaande uit wilde bloemen en grassen, maar zoo smaakvol geschikt en
zulk een welsprekende getuige van Johannes’ innige genegenheid, dat
zijn vrouwtje de tranen in de oogen sprongen. Als soldaatjes in het
gelid, waren verscheidene mailbrieven tegen de glazen en vingerkommen
overeind gezet. Daar zij in den loop der laatste week waren gekomen,
giste Johannes, dat zij gelukwenschen voor den 30sten zouden bevatten
en had hij de brieven stil verstopt om er zijn jarige nu dubbel mee te
verrassen. En dat hij zijn doel bereikt had, bewees de luide
juichkreet, waarmee Dina er de hand naar uitstrekte. Doch juist toen
zij Mutter’s brief wilde openbreken, zag zij een gesloten couvert op
haar bord liggen, dat haar adres droeg in het welbekende handschrift
van Johannes. Verrast keek zij hem aan, wat beteekende dat? Maar het
jonge vrouwtje kreeg geen ander antwoord dan een lachend hoofdschudden,
waarop zij moeder’s brief neêrlegde en den anderen greep; snel scheurde
zij het couvert open en hare oogen vlogen over de weinige regels. Wat
las zij? Wat deed haar op eens het papier neêrwerpen, om vol verrukking
hare armen om Johannes heen te slaan?

Als het meest welkome nieuws, dat zij op dezen dag kon hooren, deelde
de zendeling zijn vrouwtje mede: „De klok voor ons kerkje is in Europa
besteld en zal weldra hier zijn.”

„O Johannes, lieve man, is het heusch waar? ik kan het haast niet
gelooven,” sprak Dina, bijna schreiend van aandoening. „Hoe heb je die
groote som bijeen kunnen krijgen? En mij niets te vertellen, dat alles
buiten mij om te beredderen, ondeugende man, ik vergeef het je nooit
als je mij nu niet dadelijk mijne nieuwsgierigheid bevredigt.”

„Kom dan eens kalmpjes naast mij zitten, wijfje,” en toen Dina aan zijn
verzoek voldaan had, onthulde Johannes het geheim.

Al had hij er niet zoo over gesproken en gezucht als zij, het was hem
iederen Zondag ook telkens een stil verdriet, dat hun kerkje geen klok
rijk was. Hij had er veel en dikwijls over gedacht of er geen kans zou
zijn de benoodigde ƒ 300 bijeen te krijgen. Misschien, dat de gemeente
mettertijd wel in staat zou zijn de som samen te brengen, maar hoe lang
kon dat nog duren?

Toen had hij bedacht, dat hij in zijn vrijen tijd wel weer beproeven
kon met schrijven er wat bij te verdienen en zie! dat was boven
verwachting gelukt. Dien geheelen vorigen west-moesson, toen zij in
huis zaten opgesloten, had hij druk vertaald en geschreven: allerlei
stukken op godsdienstig en wetenschappelijk gebied, en deze, als vóór
zijn huwelijk, aan verscheidene Duitsche bladen ter opname gezonden.
Langzaam, bij kleine beetjes, waren de verschillende honoraria
binnengekomen, maar eindelijk was de som bijeen. Het had hem wel eens
moeite gekost een en ander voor zijn vrouwtje stil te houden, maar hij
wilde haar verrassen en was dus steeds op zijn hoede geweest, dat geen
woordje, het geheim betreffend, aan zijne lippen ontsnapte.

En Johannes had wil van zijne verrassing: Dina was een en al
opgetogenheid en verrukking. Zij moest alles weten: waar en wanneer de
klok besteld was, of deze haar eigendom bleef wanneer zij elders werden
heengezonden, waar wellicht ook een „Glocke” ontbrak, enz. enz. enz.
Zou er nu maar niet dadelijk een begin worden gemaakt met den
klokketoren?

„Een klokketoren zou het gebouw niet kunnen dragen,” meende de
zendeling. De klok zou, zooals hij dit wel elders had gezien, in een
hooge stellage worden opgehangen, naast de kerk natuurlijk.

Dienzelfden middag nog, toen het even droog was, wilde de jarige Dina
het plekje gaan uitzoeken waar de „Glocke” geplaatst zou worden en, in
hare verbeelding zag zij; haar cadeau er al hangen.

Het zendelingsvrouwtje vond, dat de dagen na haar feestdag
voorbijkropen, nimmer had zij vuriger naar „die Glockentöne” verlangd
dan nu zij wist, dat zij ze spoedig zou hooren. Doch juist toen
Johannes bericht had ontvangen dat de klok uit M. verzonden was, trad
een droevig voorval tusschenbeide, dat Dina’s gedachten een geheel
andere wending gaf.

De regenmoesson liep ten einde, en, hoewel er vele hongerige tijgers in
de buurt waren geweest, had geen enkel ongeval in de dessa’s der
christengemeente plaats gegrepen. Eenige karbouwen en paarden waren een
prooi der wilde dieren geworden, doch menschenlevens had men niet te
betreuren. Helaas! het zou niet zoo blijven.

Op een avond, toen de zendeling en zijne vrouw gezellig bijeen zaten en
juist een partij schaak zouden spelen, werden zij opgeschrikt door een
luid rumoer, dat van buiten tot hen doordrong. Johannes vloog op en
spoedde zich, door zijne vrouw gevolgd, naar de voorgalerij. Een koor
van verwarde stemmen steeg uit den zwarten menschenhoop op, die voor
het huis stond; de zendeling wenkte met de hand om stilte te verzoeken,
waarop men een jongentje naar voren drong, dat, nog bevend van angst en
het harde loopen, een vreeselijk nieuws aan het ontstelde echtpaar
vertelde. Hij was het karbouwenknechtje van Petrus en van avond met hem
de karbouwen van het veld gaan halen, zooals zij iederen dag deden. Zij
schenen zich echter verlaat te hebben, want in het bosch was het bijna
donker, en eensklaps had hij door het groen een paar vurige tijgeroogen
zien fonkelen. Met den kreet: een tijger, een tijger, was hij toen
weggevlucht, zoo snel als zijne voeten hem konden dragen en had in het
omkijken nog gezien hoe Petrus den karbouw vastgreep, dien hij zeker
niet in den steek wilde laten. Had hij het maar gedaan. Toen het volk
met flambouwen en lansen de plek van het ongeluk bereikte, was er van
Petrus niets meer te zien en de karbouw lag stervend aan den kant.

Nog vóór het knaapje zijn verhaal ten einde had gebracht, was Dina naar
buiten gevlogen; het hart overvloeiend van smart en deernis met die
arme Maria. Zij wist, dat het jonge vrouwtje iederen dag haar kindje
kon verwachten en allesbehalve flink en sterk was. Welke vreeselijke
gevolgen kon een onvoorzichtig woord in deze omstandigheden niet ten
gevolge hebben? De beklagenswaardige weduwe mocht nu nog niets weten
van den vreeselijken dood, dien haar man had gevonden.

Doch Dina kwam te laat; vóór het huisje stond een groepje vrouwen, in
wier midden een onheilspellende stilte ontstond, toen zij de vrouw van
den zendeling zagen naderen. Geen van haar zeide iets en Dina durfde
niets vragen. Men maakte plaats voor haar en zij trad de kleine woning
binnen, waar zij zoo menig uur vertoefd had. Een kapokpitje in een glas
met klapperolie brandde in een hoek en wierp zijn weifelend licht over
de balé-balé, waarop eene stille gedaante lag uitgestrekt. Door een
vreeselijk voorgevoel aangegrepen, trad Dina dichterbij, de handen als
afwerend voor zich uitgestrekt en, in plaats van het jonge zalig
glimlachende moedertje, dat zij zich zoo dikwijls had voorgesteld, daar
te zien liggen, aanschouwde zij een bleek, strak gelaat met gesloten
oogen en een roerloos lichaam, waaruit het leven gevloden was.

Als versuft en verdoofd stond zij een oogenblik op het gezicht te
staren, dat haar zoo menigmaal vriendelijk had toegelachen, toen hoorde
zij een klagend stemmetje, en wendde zich instinktmatig om.

„Leeft het kindje?” vroeg zij zacht.

Een der vrouwen trad met een bundeltje in de armen op Dina toe. De
jonge vrouw nam het weesje van haar over en terwijl zij zich over het
donkere kopje boog, begonnen hare tranen te vloeien, een stroom van
weldadige tranen, die haar verlichting schonken. Fluisterend vertelden
de vrouwen, hoe de arme Maria geheel onvoorbereid door de
verpletterende tijding getroffen was. Met de andere buren was zij naar
buiten geloopen, toen een ongewone drukte van druk sprekende en
dravende menschen hare opmerkzaamheid had getrokken. In het donker was
de tegenwoordigheid van Petrus’ vrouw niet opgemerkt, en zoo had deze
geheel onverwacht het wreede nieuws vernomen, dat haar tot weduwe
maakte.

De arme vrouw was bewusteloos ineengezakt, liefderijke handen hadden
haar naar huis gedragen en zoo goed mogelijk verzorgd, doch Maria
herkreeg haar bewustzijn niet meer en leefde slechts zoolang, tot haar
dochtertje geboren was.

Innig bewogen hoorde het zendelingsvrouwtje, naast Johannes, die zich
inmiddels bij haar had gevoegd, het treurig verhaal aan. Dina’s tranen
begonnen opnieuw te vloeien, doch ditmaal bedwong ze hare smart
terwille van het kleintje, dat zij aan hare borst in slaap trachtte te
sussen. Eensklaps vatte zij de hand van haar man en, terwijl de
vrouwen, met de doode bezig, niet op hen letten, trok zij hem naar een
hoekje en sprak fluisterend, de oogen met een innige bede tot hem
opslaande: „Johannes, mag ik dit weesje als kindje aannemen? Ge weet,
het heeft geen andere verwanten dan een ouden grootvader, die er niet
voor zorgen kan en het ons zeker gaarne wil afstaan. Ik heb zoo vurig
naar een kleintje verlangd, het is mij of God mij tot vergoeding en
troost dit weesje schenkt. Zeg „ja”, lieve man, ik zal voor kleine
Elizabeth—Maria wenschte, dat zij zoo zou heeten—een trouwe moeder
zijn.” Johannes zag zijne vrouw in het bleeke, bewogen gelaat en legde
zegenend de hand op het kinderhoofdje aan hare borst. „Met heel mijn
hart geef ik mijne toestemming, beste,” zeide hij hartelijk, „laat ons
het kindje van Petrus en Maria als ons eigen tot ons nemen, en trachten
zoo goed mogelijk de plaats harer arme ouders te vervullen.” Verheugd
en dankbaar drukte Dina Johannes de hand, toen dekte zij voorzichtig
Elizabeth’s gezichtje toe, wierp een laatsten liefdevollen blik op het
jong gestorven moedertje, terwijl ze even over haar bleef heengebogen,
als deed zij haar eene stille gelofte, en droeg toen haar schat
behoedzaam door de kille nachtlucht naar heur eigen huis.

Zij had zoo menig kindje zien geboren worden en helpen verplegen in de
eerste levensdagen, zij wist wel, hoe men met die brooze schepseltjes
moest omgaan en toen haar dochtertje, zooals zij Elizabeth in stilte
reeds noemde, rein en welverzorgd in haar bed lag, knielde zij er voor
neder en bad langen tijd, het kleine handje tegen hare lippen gedrukt.

Den volgenden dag werd het treurig overschot van Petrus’ lijk in de
wildernis gevonden en naast dat zijner vrouw ter aarde besteld.



Wederom is de kerk te Soeka Slamat feestelijk versierd, doch niet
alleen het Godshuis. Het gebouwtje er naast, een flinke hooge stellage,
waarin de kerkklok hangt, is eveneens van onder tot boven met groen en
bloemen omslingerd. Op Dina’s verzoek zal „die Glocke” heden worden
ingewijd. Daar komen de klokkenluiders aan; op een gegeven teeken
vatten zij de afhangende touwen en hoort! daar wordt de zondagsstilte
eensklaps door een geluid verbroken, dat nog nooit op dit plekje
tusschen de bergen weêrklonk. De kerkklok luidt haar eigen intreê in.
Vol en helder rollen de klanken over het heele naburige land en
verkonden in alle dessa’s en kampongs der gemeente, dat de vromen
gewacht worden in het bedehuis.

Verrukt heft de zendelingsvrouw het hoofd op, als de geliefde
„Glockentöne” voor het eerst, na zoovele jaren, wederom haar oor
treffen, en zij drukt het slapend kindje op haar schoot, vaster tegen
zich aan, het hart vervuld van stillen dank.

„Blijf maar slapen, mijn Elizabeth,” fluistert zij zacht, „het gewicht
van dit uur kunt ge toch niet beseffen; ge weet niet, dat uwe
pleegmoeder haar grootsten schat op dezen blijden dag ten doop zal
houden.”

Wanneer de laatste tonen verstommen, staat Dina op, strijkt Elizabeth’s
mooie doopjurk glad, legt een sluier over het gezichtje, om het tegen
den zonnegloed te beschermen en gaat met haar kindje kerkwaarts.

Hoe gelukkig en rijk voelt zij zich als zij, naast de andere moeders
gezeten, die hare zuigelingen ten doop zullen houden, vol stille weelde
op het wezentje neêrziet, dat haar toebehoort. Haar klein meiske slaapt
rustig door; voelt het reeds, dat ze in veilige handen is?

Het plechtig oogenblik is daar, het zendelingsvrouwtje staat behoedzaam
op en treedt vóór haar echtgenoot, door de Javaansche moedertjes
gevolgd. Als in een droom hoort zij de zachte, vriendelijke stem van
haar man ’s Hemels zegen afsmeeken op al die kinderhoofdjes. Nu
bevochtigt Johannes de vingers in het doopvont en beroert één voor één
de voorhoofdjes der kleinen, en wanneer de beurt aan haar dochtertje is
gekomen, klinkt het Dina dubbel plechtig tegen: „Ik doop u: Elizabeth
Maria, in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen geestes.”

Het doopwater vloeit Elizabeth langs het gelaat en blijft aan de lange,
donkere wimpers hangen. Dina buigt zich diep over het kindje heen om
hare tranen te verbergen, die er zich mede vermengen. Maar Elizabeth
schreit niet als de andere kleintjes, zij blijft zoet doorslapen en
lacht zoo zalig en vreedzaam in haar droom, „als speelt ze met
engeltjes in het paradijs,” denkt het gelukkig zendelingsvrouwtje.



KARBOUWENJONGETJE.


I.

Katjong was vier jaar toen zijn vader hem voor ’t eerst op een karbouw
zette. Ontelbare malen had de kleine kleuter hierom gesmeekt, en nu
zijn hartewensch eindelijk vervuld werd, gilde hij het uit van vreugde
en hield zich, zonder een zweem van angst te toonen, op den breeden rug
van den kolos in evenwicht.

Van zijn verheven zitplaats blikte Katjong fier op zijn, hem
bewonderende, verwanten neder. Hij voelde zich een man: nu zou hij wel
gauw met de andere jongens mee mogen naar de weideplaats en het
heerlijke vrije leven beginnen waarnaar hij reikhalzend uitzag.

Want, met de vrijheid, thuis bij moeder, was het, volgens Katjong,
treurig gesteld. Hij mocht nooit alleen den grooten weg op en werd
opgenomen als hij zich weerspannig toonde. Kon hij even ontsnappen,
dadelijk was moeder of een der zusjes hem op de hielen, vóór hij ’t
wist werd hij teruggesleurd en kreeg nog klappen toe. Nu, die kwamen
dikwijls hard genoeg aan; broekje noch buisje oefenden een
verzachtenden invloed uit. In dit stadium van zijn leven liet Katjong
de algeheele zorg voor zijn toilet aan moeder natuur over, hetgeen hem
zeer zeker veel tijd bespaarde, want van aan- en uitkleeden was nooit
de minste quaestie.

Moeders slendang voorzag in al de behoeften van de linnenkast, doch
meestal vervulde de lieve zon de rol van handdoek; zoo nat kon Katjong
niet wezen of zij had hem, in minder dan geen tijd, netjes opgedroogd.
Vuil en stof waren Katjong’s onafscheidelijke kameraden, die slechts
voor korten tijd afscheid namen, wanneer moeder haar zoon bij den put
afspoelde. In zijn allerprilste jeugd had het jongemensch zich steeds
ernstig verzet tegen dit, naar zijn opvatting, volkomen overbodig
reinigingsproces, doch mettertijd zich philosophisch leeren schikken in
het onafwendbare, daar op zijn gillen, stampvoeten en huilen hoegenaamd
geen acht werd geslagen.



Katjong’s vaste overtuiging dat hij nu mee uit weiden zou mogen gaan,
daar hij, op dien gedenkwaardigen dag in zijn leven, getoond had hoe
flink en kranig hij op „Possong” durfde zitten, werd onmiddellijk den
bodem ingeslagen. De over hem gestelde machten bleken een geheel andere
meening toegedaan en, al protesteerde de kleuter terdege, hij moest
zich onderwerpen. Vader en moeder zouden er over denken als Possong’s
jong geboren was, Katjong moest dus nog een groot half jaar geduld
hebben. In afwachting van die gulden dagen, bracht het kereltje den
tijd zoek met over het kleine erfje vóór vaders huis te drentelen, zich
in stof of modder te wentelen, vuil zwijntje als hij was, en buurmans
kippen op te jagen. Ter afwisseling gluurde hij eens door den pagger
en, dreigde het minste onraad, dan wist hij, met benijdenswaardige
vlugheid, zijn huisje binnen te schieten, en zich achter moeders sarong
te verschuilen, tot de kust weer veilig was.

In het donkere, benauwde vertrekje, waar de heele familie huisde, deed
Katjong niet anders dan slapen en voor den inwendigen mensch zorgen. Op
de eenige balé-balé was voor hem geen plaats, dus strekte hij zich
welbehaaglijk op den grond uit wanneer Klaas Vaak met zijn zandman rond
ging. Het ventje kon zich vrij naar alle kanten omwentelen, van de
meubels had hij geen last. Het kookgerei stond in een hoek geschoven
naast de oude, wrakke tafel; met de balé-balé maakte deze het eenige
meubilair uit.

Katjong had altijd honger en stopte alles naar binnen, wat hij maar
krijgen kon, vandaar zijn dik rijstbuikje, dat hij zoo parmantig droeg
als ware het een sieraad om trotsch op te wezen.

De ouders van onzen Katjong waren arme dessamenschen, vader bewerkte
een klein stukje grond achter zijn huisje en moeder bracht den oogst
naar de passar en moest daarvoor palen ver loopen. Behalve Katjong
waren er drie oudere zusjes, die zich, klein als zij waren, reeds
behulpzaam maakten in het huishouden: water aandroegen, hout zochten,
en ’s avonds het vuil bijeenveegden om het daarna te verbranden.
Broertje vond dit laatste proces gewichtig genoeg om het altijd met
zijne tegenwoordigheid te vereeren. Met een stokje roerde hij in de
vuilnis, om de vlam hoog te laten opschieten, of sprong in de dichte
rookkolom rond als een kleine, vette kabouter, proestend en blazend,
maar toch vol pret. Aan opvoedkunde werd bij Pak-Kastimah en
Bok-Kastimah (zoo heetten Katjong’s ouders) niets gedaan. Vader en
moeder regeerden hun kroost op dezelfde wijze als zij het de karbouwen
deden. Een duw of klap, een ruwe vermaning of booze blik moest de
geheele bende in het spoor houden. Bij de buffels had dit systeem meer
succes dan bij de kinderen, die met aangeboren slimheid, de oudelui
dikwijls wisten te foppen en te bedriegen, doch overigens even dom en
onwetend opgroeiden als het lieve vee.—Op den leeftijd, dat andere
kinderen geplaagd worden met de eerste beginselen der edele lees- en
schrijfkunst en, in plaats van buiten te mogen rennen en dollen, achter
hooge muren stil moeten zitten, ving Katjong zijne opvoeding aan in
Gods vrije natuur: even vijf jaar oud was hij Karbouwenjongen geworden.
Dat was me een leventje. ’s Morgens vóór dag en dauw, haalde het
kereltje „Possong” uit den stal, Oerip, het jong, volgde vanzelf.

Op den grooten weg kwamen de makkers, met de hun toevertrouwde beesten,
van alle kanten opzetten en zoo trok de bende kleuters van vijf, zes en
zeven jaar naar de groote weideplaats, waar de wakers het vlaggetje
reeds in den grond hadden gestoken om het verzamelpunt aan te duiden.
De meeste drijvertjes waren in zeer primitief toilet, slechts eenigen
droegen een sarong.

Ook Katjong’s moeder had haar zoontje een oude, verbleekte lap om de
heupen bevestigd, toen hij voor ’t eerst mee zou gaan. Hiermee en met
een zweepje, dat vader voor hem sneed, was zijne uitrusting als
Karbouwenjongetje voltooid. Evenals zijne kameraden, liet Katjong zijn
sarong zelden aan het voor dit kleedingstuk bestemde doel beantwoorden,
de vuile, lange lap hing hem meestal als een bandelier om den nek of,
als het erg zonnig was, werd zij om het hoofd geslagen. Nu, de coiffure
zou er niet van bederven, Katjong’s haarbos zag er op elk uur van den
dag steeds even verwaaid en woest uit: de zwarte haren hingen over
zijne oogen, zelden nam hij de moeite ze weg te strijken. Van een
molligen kabouter, was hij een schraal jongetje geworden met bolle
uitpuilende oogen in zijn koffiebruin gezichtje, waaraan de groote
altijd openstaande mond een onnoozele uitdrukking gaf. Doch onnoozel
was Katjong anders om den drommel niet. De makkertjes waren niet veel
mooier dan hij; in hun wereldje werd van het uiterlijk bovendien niet
de minste notitie genomen, het kwam er slechts op aan wie de vlugste,
wie de sterkste was, en daarin won Katjong het van al de anderen.

Waren de karbouwen eenmaal rustig aan het grazen, dan gingen hun kleine
meesters aan het pret maken, of zij vochten een robbertje als de
gevoelens al te sterk verdeeld bleken over de waarde der hun
toebehoorende beesten. En liegen en bluffen als ze konden!! op ’t
laatst geloofden zij hun eigen verzinsels door de veelvuldige herhaling
er van.

Rono’s karbouw was sterker dan een tijger, maar die van Sipin won het
verre van hem, volgens dezen jongenheer: hij had een tijger bevochten
en de overwinning behaald. Katjong bleef ook niet achter: Welke buffel
had zulke prachtige teekens als zijn Possong? wie had ooit grooter,
sterker jong gezien dan Oerip? dat zou een karbouw worden als er nog
nooit een geweest was! Kwam er een reiswagen aan, dan rende de heele
bende naar den grooten weg en, terwijl de schuwsten zich verdekt
opstelden, kwamen de brutaaltjes vlak naar voren en monsterden wagen en
paarden. Katjong was altijd haantje de voorste en gilde de loopers na
als zij de paarden tot spoed aanzetten. Aan den wagen en zijn inhoud
verspilde ons baasje zijn aandacht niet, maar de vier postpaarden, en
vooral den looper, daar kon hij nooit genoeg naar kijken. Wedden, dat
hij, evengoed als de looper, de galoppeerende paarden in vliegenden ren
kon bijhouden en de zweep even flink kon laten klappen? Wat een
heerlijk leven had zoo’n looper, maar karbouwenjongen te zijn was toch
nog prettiger.

Om negen uur ’s morgens en zes uur ’s avonds trokken de jongens met
hunne dieren naar de kali en nu begon de grootste pret. Wie had Katjong
ooit voorspeld, dat hij en het water zulke dikke vrienden zouden worden
op den duur? Maar het was ook heerlijk om, stoffig en bezweet, zich in
het koele nat te laten glijden, naar hartelust rond te plassen, het
water over de breede karbouwenschonken heen te gieten en de goedige
dieren zoo volop te zien genieten, vooral ’s middags als de zon
vuurstralen naar beneden zond en het vee amechtig, en met moeite
voortstrompelend, de kali bereikt had. Waren de buffels flink
gewasschen en afgewreven, dan mochten zij zich geheel onder water
dompelen; dikwijls zag men niets dan de horens en een klein stukje kop,
met de natte glimmende neusgaten, snuivend van genot, boven water
uitsteken. De kinderen speelden tusschen hen door, onbevreesd ooit door
stoot of schop getroffen te worden. Zij joegen elkander na, gooiden met
steentjes, zwommen en doken als echte waterrotten en lieten zich
naderhand in de zon drogen of door den koelen avondwind. In de
schemering draven zij hunne dieren huiswaarts, langzaam achteraan
slenterend, of schrijlings op hun beest gezeten, af en toe een kleine
vermaning met het zweepje uitdeelend aan een achterblijver, die even
een malsch hapje gras wilde verorberen. Thuis wachtte hun immers volop
voer en de kleine bazen hadden honger. En nadat zij zich behoorlijk te
goed hadden gedaan aan een portie roode rijst met een stukje gedroogde
visch of andere lekkernij, strekte het karbouwenjongentje zich slaperig
op zijn matje uit, om morgen vroeg zijn onbezorgd bestaan weer te
hervatten.

Zoo ging Katjong’s leven voort, als dat van een kleinen wilde; evenals
zijne makkertjes sprak hij geen andere taal dan het laag Javaansch en
wist niets van hormat of eerbewijzen, die de kleine man gewoon is zijn
meerderen te brengen.

Vrij en frank zwierf hij over de heuvels en ging slechts met zijns
gelijken om, die op denzelfden gespannen voet stonden met al wat naar
beschaving zweemde, als hij zelf. Katjong had nooit iets anders of
beters gekend en was volmaakt gelukkig.

Toen gebeurde er iets, dat een groote verandering in zijn gemoedsleven
bracht.

De suikervelden stonden in vollen bloei. Trotsch verhieven de
rietstokken, zwaar van sap, hunne pluimen, als wilden zij den
voorbijganger toeroepen: „bewonder ons nog eens terdege, het zal
spoedig gedaan zijn met ons jong, krachtig leven.” ’t Was een heerlijk
schoon gezicht die grijsgepluimde velden, welke zich tot op
onafzienbaren afstand uitstrekten, maar Katjong en zijne kameraden
vonden er geen bewonderenswaardigs aan. Hun zin was meer op het
materieele gericht: geen grooter lekkernij voor een Javaantje dan het
zoete sap uit den rietstok. Het stelen van ’t te veld staande riet is
echter streng verboden; wee den dief, die op heeterdaad betrapt wordt:
een flinke straf wacht hem. Wie zich echter door de vrees voor straf
laat weerhouden, een karbouwenjongen zeker niet. Hij weet de plekjes,
waar de rijpe stokken staan, te vinden, en zijn naakt, lenig lichaampje
wringt zich door openingen heen, waar een volwassen mensch hem moeilijk
volgen kan; ’t plukken van de verboden vrucht verhoogt bovendien het
genot. En dan, heeft de waker scherpe oogen en vlugge beenen, de
karbouwenjongen doet niet voor hem onder, integendeel.—Reeds menig
strooptochtje hadden de kleine deugnieten in de velden ondernomen,
zonder dat een van hen gesnapt was. In gezellig samenzitten werd de
buit opgesmikkeld en, even brutaal als onverschillig, namen de jongens
niet eens de moeite de uitgezogen vezels te verstoppen: hun
visitekaartje legden zij er niet naast en de doode vezels vertelden
niets na. Op zekeren dag besloot Katjong zijn geluk eens te beproeven;
hij had op een afgelegen plekje een vetten stok ontdekt, ’t was nog
vroeg in den morgen, van den waker heinde en ver niets te zien.



II.

Dat deze vlak in de buurt op de loer lag, kon Katjong niet weten, doch
het was wel dom van hem, dat hij het heuvelachtig terrein niet eerst
goed onderzocht, vóór hij de tuinen binnensloop.

Juist had het knaapje den rietstengel met zijn grasmes doorgekapt en
wilde hij zich ijlings uit de voeten maken, toen de arm der
gerechtigheid zijn loop stuitte. Katjong werd gegrepen, hard heen en
weer geschud en eindelijk met een ijzeren greep op zijn mager
schoudertje voortgedreven. „Ampon, Ampon!” schreeuwde het kind,
worstelend om los te komen. Maar de verbolgen waker duwde hem ruw
vooruit en onthaalde den kleinen dief op een woordenvloed, die alles
behalve complimenteus genoemd kon worden. Voort ging het, ’t veld door,
een glibberig karbouwenpad af, den grooten weg op naar de
naastbijzijnde dessa. Katjong wist niet wat er met hem gebeuren zou en
dit verhoogde zijn angst; ook was het tijd om Possong en Oerip te gaan
baden. Wat zou vader zeggen als hij de dieren niet thuis bracht om
negen uur? Het ventje uitte zijn ziels-angst in gillende tonen, terwijl
de tranen langs zijn besmoezeld gezichtje vloeiden, maar de
onbarmhartige waker dreef hem steeds sneller vooruit. Katjong’s
trillende beenen weigerden bijna hun dienst. Daar in de verte lag
vaders huisje, een eind verder aan den grooten weg het mooie huis van
den petinggi. O, wee, o, wee, de waker sleurde hem het erf op, wat zou
Katjong nu overkomen? In het kwartier, dat hij hier moest wachten, kwam
het kind een beetje op zijn verhaal; eindelijk verscheen de
dorpsburgemeester, de waker deed zijn verslag en nu ging het in
gezelschap van dien grooten mijnheer naar een nog veel voornamere
grootheid: den assistent-wedono ofte wel het onderdistrictshoofd. Ook
hier moest er geruimen tijd gewacht worden; Katjong was moe van het
huilen en gillen, den angst en de opwinding. Vóór den grooten heer
gebracht, hurkte hij bevend op den grond en herhaalde zijn smeekend:
„Ampon, Ampon!” Van wat er nu volgde, begreep hij niet veel; men vroeg
hem zijn naam, hij moest vertellen wat er was voorgevallen, hetgeen ’t
kereltje, onder de booze blikken van den waker, stamelend deed. Alles
wat hij vertelde, werd opgeschreven, toen hoorde hij iets van „rol” en
„kotta” en daarop zeide men hem aan, dat hij gaan kon.

„Vrij, vrij,” o heerlijk tooverwoordje, Katjong vertrouwde zijne ooren
niet, doch nauwelijks zag hij den waker, die hem tot dusver streng in
het oog had gehouden, zich onverschillig afwenden, of als een pijl van
den boog vloog het knaapje den weg op, terug naar de weideplaats.
Voort, voort, Katjong’s beenen leken wel geëlectriseerd, zijn adem
stokte van het snelle gaan, het stof vloog in dwarrelwolken om hem
heen, in zijn verwarde haren, tegen zijn mager lichaampje, hij
struikelde over zijn sarong en trok deze, al voortrennend, hooger op.
De menschen keken hem na, kleine, vieze verschijning die hij was, voort
vliegend als zat hem de stormwind op de hielen. Op de weideplaats was
het eenzaam en verlaten, van Possong en Oerip geen spoor te bekennen.
Natuurlijk, al de jongens waren naar huis, het was zeker al elf uur, en
Katjong keek naar den vurigen zonnebol en knipoogde met zijn pijnlijke,
rood geschreide oogen. Er zat niet anders op, hij moest ook naar huis
en zonder pak slaag zou het wel niet afloopen, al stonden de buffels
veilig op stal, door een van de makkertjes thuis gebracht.

Katjong sloop voorzichtig vaders erfje op en richtte zijn schreden
allereerst naar den stal ter zijde van het huis; o schrik, de stal was
leeg en Katjong’s angstige twijfel, onderweg door de hoop bestreden,
bleek zekerheid: Possong en Oerip waren gestolen. Wanhopig keek het
kind om zich heen, wat te doen? Hoe kon hij vader en moeder de
vreeselijke tijding meedeelen? Tot zijne verontschuldiging kon hij
niets bijbrengen: het was zijn schuld, hij had de karbouwen zonder
toezicht gelaten en zoo waren zij zeker ver afgedwaald en een welkome
buit voor de dieven geworden. Sipin’s dieren waren hem ook eens
ontvreemd geworden, doch toen had de kleine drijver voor de overmacht
moeten bukken; door een grooten kerel waren hem de oogen dichtgehouden,
terwijl diens kameraad het vee wegleidde. Was dit ongeval Katjong ook
maar overkomen, want Sipin had geen slaag gehad. O, als Possong, zijn
mooie, sterke karbouw, eens geslacht werd door de gemeene roovers!!
Katjong hield van niemand ter wereld zooveel als van dit dier, de
gedachte alleen maakte hem wanhopig. De liefde voor Possong deed den
knaap zijn vrees overwinnen; als er nog iets aan de zaak te verhelpen
viel, moest vader alles weten, doch over den rietdiefstal besloot
Katjong maar te zwijgen, hij zou het voorstellen alsof het ongeluk
gebeurd moest zijn toen hij ver weg aan het spelen was.

Den karbouwendieven is het meestal niet te doen om het ontvreemde vee
te behouden tot eigen nut of het te slachten; zij stelen om geldelijk
voordeel te behalen. Is een karbouw zoek, dan krijgt de bestolene
meestal een paar dagen later een geheimzinnige visite. De bezoeker weet
te vertellen, dat Kerto of Achmad zijn karbouw gezond en wel terug kan
bekomen, doch hij moet er voor betalen. Het is niets ongewoons, dat de
dieven twee derde van de waarde, die het beest heeft, eischen. Stemt de
eigenaar in de bedongen voorwaarden toe, dan moet hij zich naar eene of
andere afgelegen plek in bosch of wildernis begeven met het geld bij
zich. Hier wacht hem een onbekende, die de ƒ 20 of ƒ 30 in ontvangst
neemt en den bestolene toevoegt: „Volg deze of gene richting en ge zult
uw dier vinden.”

Het gebeurt zelden of nooit, dat er met deze transactie valsch spel
wordt gespeeld. Toen Katjong eindelijk besloot zijn huisje binnen te
gaan, vond hij vader noch moeder; de zusjes vertelden, dat moeder nog
niet van de passer was thuisgekomen en vader uit was om hem en de
dieren te zoeken. Doch dit gaf den kleinen zondaar slechts uitstel van
executie. Al heel spoedig verscheen vader en nu volgde er een zeer
pijnlijk tooneel. In plaats van zijn vreugde te kennen te geven, dat
zijn zoon ten minste niet verloren raakte, diende de verbolgen vader
dit jonge mensch eene tuchtiging toe, zooals hem nog nooit was te beurt
gevallen. Dien heelen dag kreeg Katjong geen goed woord en hield zich
wijselijk zooveel mogelijk uit den weg. Maar tot de eer van het ventje
dient gezegd, dat hij veel meer verdriet had over het verlies van
Possong en Oerip dan over de bekomen klappen. ’s Avonds, terwijl zijne
ouders bij het walmend oliepitje zaten te beraadslagen, vroeg hij
eensklaps in den angst van zijn hart: „Vader, zouden de dieven Possong
wel voer hebben gegeven?”

„Houd je mond,” snauwde moeder hem toe, „en ga slapen of ik zal je
krijgen.” Katjong kneep zijn oogen dicht, doch de gedachte aan den
leegen stal hield hem lang wakker. En hoe treurig was het, den
volgenden morgen zijne makkers met hunne karbouwen voorbij te zien
trekken en in druilerig nietsdoen den tijd door te brengen.

Tegen het vallen van den avond kwam een onbekende het erfje op, en nu
volgde de gewone comedie, waarop Pak-Kastimah en zijn vrouw reeds waren
voorbereid. Maar de handlanger vroeg meer dan waarop het echtpaar had
gerekend: voor ƒ 30, geen cent minder, kon hij de karbouwen slechts
terug bezorgen. Waar moest die groote som vandaan komen? Moeder zocht
bijeen wat eenigszins aan kleeren kon gemist worden, doch meer den ƒ 2,
ƒ 3 zou de pandjeshuishouder daar niet op geven.

Vader en moeder waren dadelijk besloten het middel om hunne karbouwen
terug te krijgen met beide handen aan te grijpen. Al had Pak-Kastimah
de zaak dadelijk aangegeven, het was gevaarlijk deze alleen aan de
politie over te laten. ’t Kon zijn, dat zij mettertijd de dieven te
pakken kreeg, doch van Possong en Oerip zouden de beenderen dan zeker
al lang verbleekt zijn. Zuchtend besloot vader zijn kris te beleenen,
daar kon hij zeker ƒ 25 op krijgen. Het was een poesaka (erfstuk), dat
hij van zijn vaders vader geërfd had, met echte steentjes aan het
handvat.

Maar de pandhuishouder wilde de kris hoogstens voor tien gulden in pand
nemen en op de kleeren gaf hij niet meer dan twee gulden.

Van de familie en een paar vrienden kreeg vader nog vijf gulden, de
rest bekwam hij tegen woekerrente van een oude vrouw, die gewoonlijk
hare dessagenooten uit den brand hielp, in gevallen als waarin
Pak-Kastimah nu verkeerde, doch zich hare hulp buitensporig hoog liet
betalen. Twintig procent was al het minste, waartegen zij hare kostbare
duitjes uitzette.

Met een verlicht hart kwam vader eindelijk thuis, het geld was bijeen,
morgen konden de dieren weer op stal staan. Met moeder werd de som nog
eens goed nageteld, in het zakje gedaan en onder vaders hoofdkussen
veilig verborgen.



Het was ongeveer middernacht; alles lag in diepe rust in Pak-Kastimah’s
woning. behalve Katjong, die telkens wakker schrikte als hij den slaap
al even vatte, door allerlei nare droomen achtervolgd. Nu eens zag hij
Possong met afgesneden hals in het bosch liggen; dan weder doorleefde
hij, half wakend, half droomend, het akelig tooneel toen hij als
rietdief werd opgepakt. De kameraadjes hadden zijne hoop dat die zaak
zou zijn afgeloopen, geheel den bodem ingeslagen. Spoedig zou hij, met
vader, naar de kotta worden opgeroepen en daar werd hij stellig in de
boei (gevangenis) gestopt in een donker hok, waar hij maanden lang
moest opgesloten blijven. Katjong zou zeker bleek zijn geworden van
ontzetting als zijn vel hiertoe in staat ware geweest, nu puilden hem
de oogen nog meer uit het hoofd dan anders; elke straf scheen het
natuurkind verkieselijk boven lange, eenzame afsluiting.

In de halve duisternis en stilte om hem heen, scheen Katjong dit
vooruitzicht nog veel verschrikkelijker; hij wentelde zich op zijn
matje heen en weer, wischte zich het angstzweet van het gezicht, opende
de oogen en ging rechtop zitten. Daar werd plotseling zijn blik door
iets ongewoons getroffen, het scheen wel of de grond bewoog dicht bij
de deur.

Het kind keek scherp toe en zag nu duidelijk korreltjes aarde ter zijde
rollen: zacht en onhoorbaar zakte de grond naar omlaag en daar dook
eensklaps uit de gemaakte opening een hoofd op. Het loerende knaapje
begreep dadelijk wat dit beduidde: een dief wist dat er veel geld in
huis was en trachtte dit door ondergraving van het huisje te
bemachtigen.

„Vader, vader, dieven,” gilde Katjong uit al zijn macht; hij sprong
overeind en trappelde met zijn magere beentjes om zich heen.
Slaapdronken rees Pak-Kastimah overeind en rukte de deur open, maar in
den pikdonkeren nacht viel er niets te onderscheiden. Een oogenblik
later was de heele kampong in opstand, de buren liepen toe, eenigen
brachten flambouwen en trachtten het spoor van den dief te ontdekken,
doch deze had in de duisternis een goed heenkomen gezocht en gevonden.

Moeder, die wijselijk het zakje met geld dadelijk tusschen hare kleeren
had verborgen, onderzocht met belangstellende buurvrouwen het gat,
waardoor de dief zou zijn binnengedrongen, als kleine Katjong hem niet
te vlug was geweest. ’t Ventje werd op eens tot held verheven,
ontelbare malen moest hij vertellen hoe hij den schurk ontdekt had en,
daar Katjong zich bij iedere herhaling een dichterlijke vrijheid meer
veroorloofde, werd de geschiedenis hoe langer hoe belangwekkender.
Vader klopte zijn zoon op den rug, moeder beloofde hem een duit en, had
de rietdiefstal met zijne gevolgen niet als een dreigend spook in de
verte gestaan, Katjong zou volmaakt tevreden zijn geweest.

Den volgenden dag stonden Possong en Oerip weer op stal, vermagerd door
verwaarloozing in die twee dagen, doch overigens gezond en wel. Katjong
kon zijne lievelingen niet genoeg bekijken. Hij liep ver weg om malsch
gras voor hen te snijden, baadde de dieren zoo dicht mogelijk bij huis
met buitengewone zorg en verloor ze op de weideplaats geen oogenblik
uit het oog. Ook bleef hij de eerste dagen vlak in de buurt van het
vlaggetje, want voor de wakers hadden de dieven respect.

Zoo verliepen er zes à zeven dagen en, met de zorgloosheid den Javaan
eigen, was Katjong bijna vergeten, dat hij zich voor rietdiefstal zou
te verantwoorden hebben, toen het noodlot, als een bliksemstraal uit
helderen hemel op hem neerviel. Een onbewust voorgevoel deed ons
vriendje dien dag bij het naar huis gaan al treuzelen, doch eindelijk
moest hij zijn erfje wel opstappen en, daar aan de deur stond het begin
van de hem wachtende ellende, in de gestalte van vader, die verwoed op
hem afkwam. Van den prins geen kwaad wetend, had Pak-Kastimah een
aanzegging gekregen, dat hij met zijn zoontje den volgenden dag voor
den politie-rechter op de kotta moest verschijnen ter zake van
rietdiefstal, waarvoor dit jonge mensch zich zou hebben te
verantwoorden. Zoo midden uit zijn werk dien verren tocht naar de kotta
te moeten ondernemen, stond Pak-Kastimah volstrekt niet aan. Bovendien
had hij, noch zijne familie ooit iets met de politie uitstaande gehad.
Geen wonder, dat er voor Katjong wat opzat. Deze zou verstandiger
hebben gedaan als hij vroeger maar alles te gelijk bekend had, dan was
hij er met één pak voor beide gelegenheden afgekomen. Nu vielen de
slagen opnieuw en geen: „Ampon, Ampon,” weerhield vader er duchtig op
los te kloppen. Met een nijdigen duw tot besluit kon Katjong zich
wegpakken, vol jammer bedenkend, dat dit pas het begin was van de
straf, die hem nog te wachten stond.

Vóór dag en dauw werd den volgenden morgen de tocht aanvaard; het was
twee uur loopen naar de kotta en om acht uur waren zij ontboden.
Katjong zag er even vuil en slordig uit als altijd; dien heelen langen
weg achter vader aan, waren zijne gedachten bij het lot, dat hem zeker
wachtte: eenige maanden zijne vrijheid kwijt—het was met recht een
lijdenstocht voor den armen Katjong. Eindelijk was de kotta bereikt en
voegden vader en zoon zich bij een grooten troep menschen, die vóór het
assistent-residentiekantoor in dubbele rij zaten neergehurkt. Het
kereltje kroop achteraan, dicht bij den muur, en keek met kloppend hart
naar de bedrijvigheid om zich heen. Oppassers liepen af en aan, de
menschen rondom hem stonden op wanneer de een of andere naam werd
afgeroepen, men sprak een taal, die hij niet verstond. Daarbinnen, waar
de gevreesde rechter zat, wisselden vragen en antwoorden elkander af;
hoog boven de andere uit sprak een bedaarde, ernstige stem. Daar klonk
Katjong’s naam, het knaapje gilde het uit en verschool zich achter de
ruggen der voor hem zittende menschen. Doch een oppasser trok den
kleinen dief bij den arm naar voren en dwong hem mee te gaan, terwijl
vader volgde; diens nabijheid gaf den armen jongen nog een beetje moed.

Toen Katjong wéér opkeek, zag hij een groote kamer, waarin verscheidene
menschen op den grond zaten; aan een groene tafel zetelde de rechter,
die het klein, onooglijk menschenkind een oogenblik heel ernstig en
bestraffend aankeek vóór hij begon te spreken. Katjong was blijven
staan, doch nu drukte een hand hem op den grond en, met gebogen hoofd,
wachtte hij de beslissing van zijn lot. De getuigen legden hunne
verklaring af, waarvan Katjong niets verstond, omdat hij het hoog
Javaansch niet kende; toen vroeg men hem of hij bekende den diefstal
gepleegd te hebben.

Wat hielp het te liegen, in de boei ging hij toch, had Sipin hem
verzekerd, en bevend riep Katjong dus maar: „Ja.”

Nu wendde de rechter zich tot zijn vader.

„Pak-Kastimah, gij zijt een eerlijk man en immers nooit met de politie
in aanraking gekomen?”

„Neen, heer.”

„Welnu, vindt ge het dan niet verschrikkelijk, dat uw zoontje zich nu
al vergrepen heeft aan een anders eigendom?”

„Ja, heer,” stemde de vader volmondig toe, „en ik heb hem dan ook reeds
flink gestraft.”

„Laat mij eens zien, Pak-Kastimah, hoe ge dat gedaan hebt,” klonk het
nu.

Pak-Kastimah wendde zich tot zijn zoon en, vóór deze er op verdacht kon
zijn, ontving hij een klap om de ooren, dat hem hooren en zien verging.
Afwerend hield Katjong de armen voor het hoofd en gilde alsof hij
vermoord werd.

Doch vader raakte hem ter dege, nu rechts dan links, tot de rechter
wenkte, dat het genoeg was. Een oogenblik later volgde Katjong vader
naar buiten, aldoor huilend en een keel opzettend alsof hij nog steeds
geslagen werd. Onder de strafoefening had de slimmerd intusschen zijne
ooren wijd opengezet, doch van het woordje boei niets gehoord. Zou de
rechter vaders tuchtiging voldoende achten als straf voor zijn
misdrijf? Goddank, dit scheen wel zoo, geen oppasser volgde hen en
vader sloeg den weg naar huis met hem in. Katjong hield op met gillen
en wreef zijn gezicht af; vader had hem niet zoo erg veel pijn gedaan,
misschien was hij ook wel blij, dat hij zijn kleinen vuilpoes weer mee
naar huis mocht nemen. Aan de eerste woning langs den weg mocht Katjong
zijn buikje vol eten en toen durfde hij eindelijk vragen of hij nu
heusch niet in de boei hoefde. En vader sprak niet onvriendelijk: „Voor
dezen keer ben je er nog goed afgekomen, rakkerd, pas maar op, dat je
nooit meer door de politie wordt opgepakt!”

Dit beloofde Katjong van ganscher harte; hij had te veel angst
uitgestaan om, voor het oogenblik althans, niet met de meest
boetvaardige gevoelens bezield te zijn.



Jaren zijn verloopen. Katjong is van een vuil, diefachtig
karbouwenjongetje, een knap, fatsoenlijk man geworden. Op zijn
vijftiende jaar trad hij in gouvernementsdienst en heeft als looper bij
de paardenposterij ordentelijk zijn brood. Hij heet nu ook niet langer
Katjong: bij de geboorte van zijn oudsten zoon Sipin, veranderde zijn
naam in dien van Pak-Sipin.

Al puilen zijn oogen nog steeds sterk naar voren, al wist moeder natuur
zijn grooten mond ook niet meer in behoorlijk fatsoen te brengen,
Pak-Sipin maakt een vrij wat behaaglijker indruk dan vroeger, nu hij
een net geplooiden hoofddoek draagt en een donker baadje met metalen
knoopen, die helder glinsteren.

In de uitoefening van zijn werk, naast den reiswagen, ziet hij er
meestal zeer bestoft of bemodderd uit, doch dit brengt zijn beroep nu
eenmaal mee en het strekt hem geenszins tot schande. Zijn stal mag ook
gezien worden, hij spaart den roskam niet en ziet goed toe, dat zijn
dieren het hun toekomend voer krijgen; hij stelt er een eer in, dat
zijn paarden er glanzend en weldoorvoed uitzien. Pak-Sipin is een
gewild looper op de lijn; niemand kan zoo vlug als hij de achterplank
van den reiswagen op- en afspringen, of, de paarden bijhoudend in
vliegenden ren, het tuig in orde brengen, wanneer er iets in het
ongereede is geraakt.

Krachtig en lustig laat hij de zweep knallen en, te midden van hooge
stofwolken of dikke modderspatten, die rondom hem opvliegen, reppen
zich zijn lenige voeten in onnavolgbare snelheid naast het galoppeerend
vierspan. Gaat het de hoogten op, dan klinkt zijn rrt rrt! zoo
uitlokkend en aanmoedigend, dat de paarden er een vaart inzetten alsof
zij het werk voor hun plezier doen. Dan is Pak-Sipin in zijn element en
zou zijn lot met niemand ter wereld willen ruilen. Hij voelt zich nog
net zoo jong en flink als toen hij, nu tien jaar geleden, voor het
eerst naast zijn dieren de heuvels opjoeg, en zoolang hij even frisch
en krachtig blijft, zal hij zijn werk zeker met denzelfden lust en
ijver uitoefenen als waarmee hij het begon.



EEN AVONDWANDELING.


Het is zes uur en wij stappen het hek van ons erf uit om onze gewone
avondwandeling te maken. Hoewel de zon onderging, is het nog niet
donker; we hebben eene korte schemering in dezen tijd van het jaar.
Verrukkelijk koel is het buiten, vooral als wij in het open veld komen,
van weerskanten door sawahs (rijstvelden) omringd, die een heerlijken
aanblik bieden in hun smaragd kleed, even frisch als jong.
Karbouwenhoedertjes baden hun vee in het stroompje langs den weg;
dikwijls zijn zij niet ouder dan drie of vier jaar, dreumesen, die eene
ons onverklaarbare macht uitoefenen op de logge dieren aan hunne zorgen
toevertrouwd. Vijf, zes karbouwen worden soms door zulk een kleuter in
bedwang gehouden; met een steenworp, een tik of schop van het handje of
voetje dwingt hij het logge, groote beest tot gehoorzaamheid, dat hem
met één slag van zijn poot zou kunnen vernietigen.

Zij zijn beste vrienden, de karbouwen zijn drijvertje, omdat zij naast
elkander opgroeiden, dezelfde woning deelen, dag in dag uit met
elkander doorbrengen; als een goedige reus laat de karbouw zich drillen
door een kinderhand. Behalve de landlieden, die van het werk huiswaarts
keeren, komen wij niet veel levende wezens tegen; af en toe zien wij
visschers, die tot aan het middel in het water staan en nog een maaltje
visch hopen te vangen in hunne groote kruisnetten. Deze bezigheid
verveelt hun niet, al duurt zij uren; een inlander houdt er van tijden
achtereen zich met nietsdoen te vermaken, strak voor zich uitstarend,
zonder te zien, misschien niet eens denkend.

De duisternis valt nu snel, maar de maan is opgekomen en staat vol en
helder aan den diep blauwen hemel. Haar zachte glans werpt een
geheimzinnig licht tusschen den bladerrijkdom der boomen door in de
donkere lanen. De schaduwen der bladeren worden in arabesken op den
grond geteekend, en bewegen zich phantastisch, wanneer een koeltje door
de takken vaart; zacht wuiven de kruinen der hooge palmen en
weerkaatsen op hunne breede bladen het maanlicht met blauwachtigen
gloed. In het geboomte liggen de kampongs verscholen; af en toe blinkt
een flauw lichtje (een walmend pitje in een blikje met olie of
petroleum gestoken) aan den ingang der erven; slechts onze voetstappen
weerklinken nauw op het begrinte pad, overigens is het stil om ons
heen.

Boven ons hoofd tintelen de sterren: het fonkelend Zuiderkruis, de
Groote Beer, die geheel anders op den horizon staat dan in Europa, de
Melkweg, Orion en hoe zij verder heeten mogen.

Haar gloed is niet zoo schitterend als anders, nu zij met het maanlicht
moeten wedijveren.

Wij slaan een zijweg in en te midden van de stilte bereikt een
eigenaardig gezang ons oor. ’t Doet mij aan een litanie in een R.C.
kerk denken en het is dan ook een gebed door den priester of een
geloovige opwaarts gezonden. Er ligt eene weemoedige aantrekkelijkheid
in dien zang, uit de duisternis tot ons komend; onwillekeurig blijven
we even staan en luisteren naar de geheimzinnige stem, die haar God
aanroept op hare wijze.

Als zwevende sterren dwalen de vuurvliegjes om ons heen, nu hoog, ver
buiten het bereik, dan vlak voor onze voeten, als wilden zij met hun
stralend lampje onze wegwijzer zijn. Bij eene bocht der laan staat een
groote tjemaraboom, die aan den lariks uit het noorden herinnert; met
tientallen hebben vuurvliegjes zich er op neergezet en hem het
voorkomen van een kerstboom gegeven, ’t is een eenig schoone aanblik,
die donkere boom, als met diamanten bezaaid, in zachten maanlichtglans.

Wij slaan den weg huiswaarts in en komen in meer bewoonde buurten; af
en toe glijden donkere gestalten ons voorbij, doch de meesten zwaaien,
hoewel de maan schijnt, groote obors (eene soort van fakkels) op en
neder, die een helder licht op den weg werpen, dat nog blijft schijnen,
wanneer de dragers reeds als schimmen in de duisternis verdwenen zijn.

Het veelstemmig insecten- en kikkerconcert, dat onze wandeling reeds
eenigen tijd begeleidde, wordt aanzienlijk versterkt naarmate de nacht
valt; er komen steeds meer muzikanten bij en ieder zingt zijn liedje op
verschillende, doch vrij eentonige wijs. Veel orde heeft de
kapelmeester er niet onder, want telkens zwijgt een instrument om zeer
ontijdig weer in te vallen.

Op de open aloen-aloen is het bijna dag, zwaarmoedig ruischt de
nachtwind door de zware tamarinden, over de groote grasvlakte, en
speelt met den bloesem der djowa-boomen, die aan „gouden regen” doet
denken.

De kotta (stad) is veel levendiger dan anders op dit uur, want de
inlander houdt van maneschijn; in groepjes zitten of staan zij bijeen,
zonder er behoefte aan te voelen het gesprek steeds gaande te houden.
De kleine warangs aan den weg doen goede zaken, zij gelijken op
kraampjes, zooals men die ’s avonds op een Hollandsche markt ziet, maar
de versnaperingen, welke er te koop worden geboden, zien er geheel
anders en juist niet smakelijk uit. Behalve de vruchten, biedt de
koopwaar een onooglijken aanblik; aan al de stalletjes wordt zoowat
hetzelfde verkocht. Vieze kleine bengels, bijna naakt, zwermen als
muggen om de tentoongestelde lekkernijen, en benijden het makkertje,
dat een paar duiten rijk is en daarvoor iets van die heerlijkheden
machtig kan worden. Menigeen koopt voor de waarde van eenige centen
zijn avondmaal: een portie rijst in een boomblad gewikkeld, met of
zonder een gebakken vischje, naar de financiën dit toelaten; kleine
meisjes draven met de bedrijvigheid van huismoedertjes huiswaarts, na
hare inkoopen te hebben gedaan.

Voorbij een Chineesch huis komend, zien wij een familie rond den disch
geschaard: vader, moeder en drie kinderen. In het midden, op de
ongedekte tafel staat een schaal rijst en allen grijpen met de vingers
toe, terwijl het meer dan eenvoudig maal hun best schijnt te smaken.

In de laan naar onze woning is het eenzaam en stil, vriendelijk wenkt
het licht van ons eigen huis tusschen de boomen door. Een sterke geur
van melatie en sedap-malem komt ons te gemoet als wij het erf opgaan en
in groote sprongen rent mijn hondje de verandatrappen af, vol
uitbundige vreugde ons weer te zien. Na de lange wandeling is het
heerlijk om uit te rusten: wij blijven nog wat buiten zitten, genietend
van de frissche geurige lucht in een zoet dolce far niente.



EEN PROEFSNIT.


„Hebt ge lust om morgen mee te gaan?” stelde mijn man mij voor, „ik ga
proefsnit houden, en dat hebt ge nog nooit bijgewoond.”

„Proefsnit houden, wat is dat?” vroeg ik nieuwsgierig.

„Wel, met de inlandsche hoofden moet ik controleeren hoeveel (padi)
rijst de een of andere akker opbrengt. Een vierde gedeelte van een bouw
(1 bouw = 7096 □ M.) wordt in ons bijzijn gesneden en afgewogen en naar
deze productie wordt de geheele oogst globaal berekend om de daarvoor
verschuldigde belasting vast te stellen, begrijpt ge? Wij moeten vroeg
van huis, want het is ver weg, en dan met een prauw de rivier op. Zorg
dus, dat ge bijtijds klaar zijt.”

Ik had veel lust in het tochtje; het programma stond mij bijzonder aan,
en ’t moest nog half zeven slaan, toen wij den volgenden morgen ’t erf
afreden in de meer dan koele morgenlucht. Ja, het was frisch, bij koud
af, de zon vertoefde nog in hare kleedkamer achter de wolken en
beloofde pas laat haar entrée te zullen maken. De postpaardjes draafden
lustig voort, spoedig lag de stad achter ons en waren wij op een
mooien, zwaar belommerden weg, die zich mijlen ver uitstrekte. Slechts
de kweelende vogelstemmetjes in de boomen hielden ons gezelschap; hier
en daar zaten inlanders, tot aan de schouders in hunne sarongs
gewikkeld, voor hunne huisjes. Zij hadden het zeker koud net als ik;
verlangend zagen wij naar de zon uit, maar deze vertoonde zich niet,
integendeel de wolken zakten al lager en lager, en weldra reden wij in
een dikken mist.

„In de bergen is het niets ongewoons, dat men door eene wolk rijdt,”
sprak mijn man, „maar hier in de vlakte heb ik het nog nooit gezien.”

„’t Lijkt wel een Hollandsche Novemberdag,” antwoordde ik, een warmen
doek dichter om mij heen trekkend, „ik hoop, dat het gauw zal
opklaren.”

Toen wij even moesten wachten bij het verwisselen van paarden, en ik
mij omkeerde om het landschap te overzien, kreeg ik nog sterker dan te
voren den indruk alsof ik mij op een laten najaarsdag in Holland
bevond. Honderden spinnewebben, hangend tusschen de stoppels der
afgesneden padi-velden, deden deze op met rijp bedekte akkers gelijken;
de dichte, laag hangende nevel verborg den horizon, en er lag zulk een
troostelooze eenzaamheid over het geheele veld, dat melancholieke
gedachten aan dood en winter bij mij opwelden. Langzamerhand trok de
mist op, en toen wij aan de plaats kwamen, waar wij de reis per prauw
zouden voortzetten, was het mooi weêr.

In de woning van den assistent-wedono (onderdistrictshoofd) bracht men
ons een kopje warme thee, dat mij, na den koelen rit, ook zonder melk,
uitstekend smaakte.

Terwijl mijn man zich met de inlandsche hoofden over dienstzaken
onderhield, ging ik even zitten, toen ik achter mijn schommelstoel
eenige beweging bespeurde. In de veronderstelling, dat een bediende
langs mij heenschoof, bleef ik kalm zitten, doch tot mijn verbazing zag
ik op eens een vrouw van den grond opstaan en mij zeer eerbiedig
begroeten. Het was eene knappe inlandsche, heel mooi aangekleed, met
een zwart satijnen baadje en groote juweelen op de borst en in de
ooren. ’k Begreep dadelijk, dat zij de Raden-Ajoe van den
assistent-wedono was, en maakte uit hare gebaren op, dat zij mij van de
taarten aanbood, die op tafel gereed stonden, want ik verstond geen
woord van wat zij in het Javaansch vertelde. Ook had ik niet veel trek
in het inlandsch gebak, dat meestal droog is of onaangename bijsmaakjes
heeft, maar beleefdheidshalve nam ik een stukje, dat ’k met groote
moeite naar binnen werkte, want het smaakte vreeselijk naar den rook en
was bovendien niet goed gaar. Nadat zij aan de plichten der
gastvrijheid voldaan had, ging de Raden-Ajoe weer deftig aan mijne
voeten zitten, en we namen beiden een bedachtzaam stilzwijgen in acht
tot mijn man gereed was.

Blijde stond ik op, in de meening verlost te zijn van de taart en het
benauwend gezelschap der inlandsche dame, doch dit laatste kwam anders
uit. De Raden-Ajoe verklaarde, dat zij mevrouw vergezellen wilde in de
prauw, greep mijn doek en taschje, en stapte vastberaden achter ons aan
naar het vaartuigje, dat er met zijne vroolijke vlaggen en bamboe
zonnetentje heel aardig uitzag. De prauw was keurig in orde, er lagen
dekens op de banken en een mat op den bodem. Wij gingen onder de
zonnetent zitten, de Raden-Ajoe plaatste zich op den grond. Dank zij
mijn man, die haar spoedig inlichtte, dat ik slechts Maleisch verstond,
vlotte de conversatie iets beter; we spraken over de kinderen, de
dieren, den prijs der levensmiddelen, enz. en keken ter afwisseling
naar de begroeide oevers der rivier, waarop de roeiers ons vrij vlug
voortpagaaiden. In andere prauwen volgden ons de inlandsche Hoofden,
zoodat wij eene aardige miniatuurvloot vormden, die lustig voortgleed.
Als we kampongs passeerden, stonden schreeuwende jongetjes ons op te
wachten, en draafden zoo ver mogelijk mee om langer te genieten van het
ongewone schouwspel, dat onze vloot hun bood. Vrouwen spoelden hare
wasch of baadden hare kinderen in het verre van heldere water; overal
was leven en bedrijvigheid.

„Wat zouden ze thuis vreemd opkijken, als zij mij hier eens konden
zien,” dacht ik bij mij zelve, „in dit primitieve vaartuig met zulk
eigenaardig gezelschap.”



DE EERSTE BUI.


De buitengewoon warme, ongezonde Oost-mousson loopt gelukkig ten einde.
Mensch, dier, gewas, alles snakt naar regen; maanden achtereen is er
geen droppeltje gevallen, al zijn wij in den drogen tijd, toch een
ongewoon verschijnsel. Iederen morgen staat de zon even helder aan den
wolkloozen hemel, en bestraalt met haar verzengenden gloed het gewas op
den akker, trekt het weinige water tot zich, dat nog in de stroompjes
overbleef, doet mensch en dier hijgen, zuchten, de koelst mogelijke
plekjes opzoeken.

„Lieve hemel wat is het warm!” Deze uitroep ontsnapt mij misschien wel
voor den derden keer, terwijl ik lusteloos op een luierstoel
uitgestrekt naar buiten lig te staren.

Alles ziet er even verlept en grauw uit, de bladeren der boomen met een
dikke stoflaag bedekt, hebben hun fraai groene kleur geheel verloren,
een nijdige rukwind, zoo warm alsof hij; uit de Sahara kwam, veegt af
en toe de kruinen der palmen schoon, maar die weelde duurt niet lang:
al heel spoedig hebben zij het oude onooglijke pakje weêr aan. De weg
is bijna onbegaanbaar, diep zakken de wielen der karretjes in het stof
en in hooge wolken verstuift het zand onder de hoeven der paarden.
Straks, toen ik even naar buiten ging om naar mijne bloemen te kijken,
kreeg ik een gevoel alsof ik voor een bakkersoven stond; zij zien er
niets fleurig uit, mijn arme bloemen, de rozen laten kwijnend blad en
knoppen hangen, te moe en uitgeput om veel op te frisschen van het
lauwe putwater, waarmee ik ze liet besproeien.

Logge karbouwen trekken hijgend ons erf voorbij, zij kunnen de zwaar
beladen karren suikerriet moeielijk voortkrijgen; ik zie den drijver
twee keer stilstaan, om hunne koppen met water te besproeien uit een
modderig riviertje, dat nog niet geheel is opgedroogd.

Overal hoort men van ziekte, in de kampongs zoowel als bij de
Europeanen; mijne bedienden komen ook telkens een van allen niet
binnen, en als ik naar hen ga kijken, liggen ze suf, met wezenlooze
oogen voor zich uitstarend, op de balé-balé, rillend van koorts en met
zware hoofdpijn.

Wij zelve zijn ook niet recht wel, alles vermoeit ons en maakt ons veel
warmer, mijn naaiwerk valt mij uit de hand, de pen wordt klam in mijne
vingers, hoe kan men ook werken bij zulk eene hitte!

De insecten alleen trekken zich niets aan van de onaangename
weêrsgesteldheid, vliegen en muskieten zijn dubbel zoo druk en
danslustig als anders en maken het mij zoo lastig, dat ik ze uit den
grond van mijn hart verwensch. Wat in het water leeft moet dubbel in
zijn element zijn op dagen als deze, ofschoon dit ook niet frisch kan
zijn; zelfs in mijn koele badkamer, waar geen zonnestraaltje
binnendringt, was het water lauw van morgen.

De hoofdpijn, waarmee ik opstond, wordt erger in plaats van beter, ik
ga naar mijn kamer om eau de cologne te halen en word op mijn weg
daarheen onaangenaam verrast door het gezicht van de wasch, die in de
achtergalerij ligt te wachten om nageteld en geborgen te worden. ’k Heb
veel meer lust om wat te gaan rusten, maar ik kan het goed toch niet
laten liggen, dus roep ik baboe om mij te helpen, doch zie haar niet
verschijnen.

„Baboe is ziek, mevrouw,” licht de huisjongen mij in.

„Weêr ziek,” zeg ik knorrig, „dat is nu al de derde keer van de week,
zoo kan het niet langer.” Al pruttelend ga ik naar haar kijken en moet
een zonnig stukje erf oversteken om hare kamer te bereiken. ’t Is er
donker en benauwd; mijn Ramé is een knappe meid, hare kondeh zit altijd
netjes, hare kleeren zijn steeds helder en zindelijk. Nu ziet zij er
echter al zeer onooglijk uit, met loshangende haren, een morsig baadje
aan en op haar voorhoofd een groen papje, dat van een zeker boomblad
gemaakt, een inlandsch geneesmiddel tegen de hoofdpijn is. Ik ben een
weinig ontstemd binnengekomen, maar als ik de arme meid goed aankijk,
krijg ik bepaald medelijden met haar, want zij ziet er ellendig uit.
Ziek als ze is, glijdt ze toch dadelijk van haar bed, omdat het niet
behoorlijk is mevrouw, anders dan op den grond gehurkt, te ontvangen.

„Ben je zoo ziek, baboe, zal ik den dokter djawa voor je laten komen?”
vraag ik.

„Och neen, mevrouw,” zegt ze met flauwe stem, „mevrouw heeft mij goede
medicijn gegeven, de koorts is nu weg, maar ik ben nog zoo moe, dat ik
niet op de been kan blijven; ’t is ook zoo warm, kwam er maar regen.”

„Ja, kwam er maar regen,” zucht ik eveneens, en na haar wat eau de
cologne te hebben gegeven, ofschoon overtuigd, dat zij veel meer
vertrouwen stelt in haar eigen groen mengseltje, ga ik naar binnen en
beredder de wasch alleen.

De waschbaas heeft erg vuil gewasschen: de bruine vlekken door het
stout er op achtergelaten, zitten nog in de tafellakens en de
vaatdoeken vertoonen overal vette plekken. „Dat kan ik zoo niet
gebruiken,” zeg ik bij mijzelf, een grooten hoop terzijde leggend, „dit
moet allemaal worden overgewasschen.” Maar dan bedenk ik, dat ik het
goed veel later thuis kreeg dan anders, omdat de waschbaas ook al ziek
was, het water is bovendien zeer schaarsch de laatste weken, de meeste
putten zijn droog. Daar de onze zeer diep zijn, hebben wij nog genoeg,
maar velen, niet zoo gelukkig, moeten het water van ver weg laten
halen.

Eindelijk hen ik klaar en ga naar de groote slaapkamer, waar het
betrekkelijk koel en heerlijk donker is. Pun, mijn poesje, komt mij
miauwend te gemoet, zij heeft zich achter in het zand gerold, haar wit
vel is groezelig, als ik haar streel voelt zij stoffig en kleverig aan.
Mooi is poesje niet met haar flauw blauwe oogen, haar grooten kop en
knoop in den staart, dien zij, zeer ongracieus, loodrecht omhoog
draagt. Wanneer ik haar buiten de deur zet, merk ik op dat het in de
binnengalerij niet veel lichter is dan in de slaapkamer, de zon is
schuil gegaan achter groote wolken. Doch dit doet zij bijna iederen dag
zonder dat er iets van komt; ik zal mij maar niet op een doode musch
verheugen. Een paar muskieten zijn binnen de klamboe gebleven, en hunne
bloeddorstige aanvallen op mijn gezicht en handen, maken het mij
onmogelijk in te dutten; ik lig dus maar stil, met de oogen dicht, zoo
zal de hoofdpijn misschien wel zakken, ofschoon het hier ook al warm
is, warm en drukkend. Zoo lig ik een half uur of langer te soezen als
ik opschrik door een ongewoon geluid, dat de stilte om mij heen
verbreekt.

Wat is dat? Zacht en onregelmatig tikt er iets tegen het raam, dan hoor
ik een vreemd geloei in de lucht, dat van verre, heel van verre schijnt
te komen en op eens.... een geplas en gekletter, dat hooren en zien mij
vergaat. Het regent! Goddank, Goddank, het regent.

In een oogenblik sta ik op mijn voeten en gooi ramen en zonneblinden
wijd open, een heerlijk tafereel treft mijn oog.

In volle, dikke stralen stroomt het zegen brengend nat uit den hemel op
de dorstige aarde, die het gretig, dankbaar inzuigt, op boom en struik,
hun leelijk pakje omtooverend in de fraaiste feestkleedij, op mijn
uitgeputte bloemen, rozen, viooltjes, melatie, die als dankend zich
opheffen en hare zoetste geuren omhoog zenden.

„Hoe is het met je hoofdpijn?” vraagt mijn man, die naast mij is komen
staan, en mij glimlachend aanziet.

„O die is weg, heelemaal weg, maar zie toch eens, man, hoe heerlijk
frisch alles er uitziet, is het niet goddelijk? Die struik ginds.... ik
dacht, dat zijn bladeren zwart waren, nu zie ik pas hoe beeldig
lichtrood zij zijn. Wat riekt de melatie sterk, hé, en hoe rein wit
zijn de bloempjes nu. Daar bij den uitgang van het erf is een flink
zeetje, waar gaat al dat water met zulk een vaart naar toe?”

Maar buiten kunnen we alles nog veel beter zien, we gaan dus naar de
voorgalerij. De regen is aan het verminderen, maar het water maakt een
verbazend geweld boven ons hoofd, waar het door de dakgoten bruist, en
aan het eind gekomen naar omlaag stort. De bedienden hebben overal
bakken gezet om het regenwater op te vangen, zij loopen lachend af en
aan en plassen met de bloote voeten door het nat. Van het achtererf
klinkt een verbazend gelach en geschater, ik ga eens kijken en
aanschouw een aardig tooneeltje onder een waterstraal, die van een
flinke hoogte naar beneden komt. Twee knaapjes, de kleintjes van den
koetsier, krijgen van moeder een bad uit de eerste hand. Met hun beiden
zijn ze misschien nog geen vijf jaar, mollig en gezond, met stevige
armen en beenen. Het water druipt langs hunne naakte leden, zij
spartelen en dansen gillend, half van angst, half van pret, als moeder
hen onder den waterstraal duwt, dan volgt een proesten, lachen en
schateren, dat men lust krijgt mee te doen. Hoe lief, onschuldig en
aanvallig zijn zij, net zoo aardig om te zien met hunne schitterende
oogjes, gladgeschoren kopjes en dikke rijstbuikjes, als blanke
kindertjes met rose wangen.

De regen heeft nu geheel opgehouden, het druipt en lekt uit de boomen,
maar we kunnen toch al weer wandelen op de begrinte paden. Hoe geurig
riekt het overal, hoe helder is de atmosfeer, geheel van stof
gezuiverd. ’k Werp het hoofd achterover om de kruidige lucht in te
ademen en geef er niets om, dat een regen zware druppels uit den
grooten mangaboom een treurige verwoesting in mijn poney aanricht. Pun
schijnt buiten door de bui verrast te zijn en zit zich nu uit alle
macht te poetsen; zij houdt niet van nat, maar had het ongewenschte bad
hoog noodig. Bij de badkamer vind ik baboe, die bezig is regenwater
door eene zeef te laten loopen, om er de waschkannen mee te vullen. Zij
heeft ook een geheel ander voorkomen dan daar straks, het vieze goedje
is van haar voorhoofd af, regendruppels glinsteren in haar net
opgemaakte kondeh, zij ziet er even frisch en helder uit als het water,
dat zij in de kannen giet.

„Weer beter, baboe?” vraag ik lachend. Zij lacht ook, en antwoordt
vroolijk:

„Heelemaal beter, mevrouw, ’t is nu ook zoo lekker buiten.”

De groote weg is één modderplas, wij kunnen onze gewone avondwandeling
niet maken, en genieten dus maar in de voorgalerij van de verfrischte
atmosfeer.

„Er zal van nacht nog heel wat regen vallen,” merkt mijn man op, met
een blik naar de lucht.

„Heerlijk,” roep ik, „wij kunnen nog veel gebruiken, de grond is
uitgedroogd.”

Ik kan mij nu niet voorstellen, dat de elken dag terugkeerende
regenvloed ons gauw zal gaan vervelen. Met genot volg ik de druppels,
die van de frissche bladeren glijden en met zacht getik omlaag vallen;
de donkere wolken aan den horizon zie ik veel liever dan den mooien
sterrenhemel van gisteren, ik voel mij verjongd, opgewekt,
levenslustig, een geheel ander mensch dan vóór de eerste bui.



ALLEEN THUIS.


Voor de eerste maal sinds mijne komst in Indië zal ik alleen thuis
blijven. Tot dusver heb ik mijn man steeds kunnen vergezellen op zijne
tournées; nu moet hij echter twee dagen te paard de bergen in, is
genoodzaakt in een slechte pasangrahan (soort logement) te overnachten,
en ik kan onmogelijk meegaan.

Nadat ik hem uitgeleide heb gedaan, stap ik zuchtend het huis weer
binnen. Wij wonen nog niet lang op dit kleine plaatsje in het
binnenland, en ik ken geen der families intiem genoeg om ze te bezoeken
in dien tijd, of te kunnen verwachten, dat zij het mij zullen doen.

Ach, hoe heerlijk toch in Holland te zijn, in een stad waar familie of
vrienden u omringen, waar men lang genoeg vertoeft om nauwe banden aan
te knoopen, intieme kennissen te maken, bij wie ge steeds even welkom
zijt als zij bij u.

Hier ziet men onophoudelijk nieuwe gezichten; pas zijt ge elkaar een
weinig nader gekomen, en hoopt eene gezellige conversatie te beginnen,
dáár leest ge de overplaatsing der familie of wel uw eigene in de
courant en een paar weken later zijt ge elkaar half vergeten. Enfin,
dit is nu eenmaal niet anders en men doet wijs er niet over te
pruttelen. Zijne huiselijke omgeving, zijn gezellig intérieurtje kan
een mensch toch overal meenemen, al trekt hij naar de eenzaamste
oorden, en, zoo ergens, dan is ’t in het binnenland een voorwaarde om
gelukkig te zijn, dat ge uw tehuis tot uw wereld weet te maken, want
buiten uw eigen kringetje moet ge niet veel afleiding verwachten. Men
komt er dan ook spoedig toe zich op eigen klein gebied aan te schaffen
wat het leven veraangenamen, en de eentonigheid er aan ontnemen kan.
Behalve de huisdieren, hebben we allerlei beesten op het erf: koeien,
paarden, kwakende eenden, kippen, duiven in soorten, konijnen,
marmotten, enz. en het is een eigenaardig genot voor mij ze in hun doen
en laten te bespieden, hen aan mij te gewennen en mak te maken.

Na het ontbijt is steeds mijn eerste werk naar de goedang of
provisiekamer te gaan, voeder (eten) uit te geven voor mijn vierbeenige
en gevederde lievelingen en last not least, voor ons zelve. ’k Besluit
dus hieraan te beginnen, neem mijn sleutelmandje, en begeef mij naar de
bijgebouwen.

Nog vlugger dan de bedienden, hebben de vogels het in ’t vizier, dat de
goedang geopend zal worden; de duiven zaten reeds op het dak te wachten
en fladderen nu in tientallen om mij heen. Zij zijn verzot op djagoeng
of Turksche tarwe, de schuwste laten zich door deze lekkernij verlokken
in mijne onmiddellijke nabijheid neer te strijken, doch dat zijn er
maar enkele, bijna allen laten zij zich streelen en met de hand pakken.
Daar komen de kippen en eenden aan, de hoenders als driftig trippelende
dametjes met veel onnoodige drukte, de eenden al onbevallig wat er aan
is, met hun schommelgang en snaterende bekken. Eén mama-eend waggelt
met haar kroost regelrecht de provisiekamer binnen; zij weet wel, dat
ik haar, ter wille der kleintjes, een beetje verwen en in de goedang
zelf laat eten. Al kwakend stapt zij naar het gewone plekje achter de
deur en helpt hare domme kinderen voort, die de eigenschap, welke men
hun soort toeschrijft, nog in hooger mate bezitten dan de oude lui.

De staljongen verschijnt nu op het tooneel en vraagt zout en rijst voor
de koeien om boeboer of brei te koken, en paddie voor de paarden; ik
geef kokkie het noodige voor het middag- en avondeten, de huisjongen
brengt de lampen die gevuld moeten worden. Petroleumkannen kennen wij
hier niet: uit het groote blik pompt men de olie op in het reservoir
van de lamp. Mijn Sastra morst nog al eens bij deze gelegenheid, maar
op den steenen vloer komt dit er minder op aan. Na een half uurtje ben
ik klaar en ga, vergezeld van Leeuwtje, mijn aardigen hond, naar den
stal om den apen vruchten te brengen en eens naar de paarden te zien.
De paarden kennen mijne stem en hinniken vroolijk als ik hen toespreek,
maar met de apen ben ik op geen goeden voet. Zij grijpen mij de
vruchten af, maken nijdige geluiden, rukken aan hun ketting en betoonen
niet de minste dankbaarheid. Een van de drie, Jim genaamd, was tot
dusver vrij mak, hij stak zijn snuitje vooruit als hij mij zag, legde
een harig handje op zijne borst, en nam heel netjes de vruchten aan,
die ik hem bood. Van morgen is hij echter uit zijn humeur en even
onvriendelijk als de anderen; ’k denk, dat het stalpersoneel de dieren
plaagt en zij daardoor valsch worden. Leeuwtje blijft op een afstand,
hij is bang en zij grijnzen en krijschen boosaardig tegen hem,
misschien beneden zij het dier zijn heerlijke vrijheid.

Mijn hondje is anders goedig genoeg, hij stoeit en speelt met Puzz,
mijn vinnige poes, zonder haar ooit pijn te doen, vernielt nooit iets,
is steeds gehoorzaam en bedaard.

Wij ontbeten vroeger dan anders: ’t is dan ook nog niet te warm om de
bloemen in oogenschouw te gaan nemen. Deze bestaan voornamelijk uit
rozen, die in potten zoowel als in den vollen grond, frisch en heerlijk
bloeien; ik bewonder en verzorg ze gaarne, maar zij zijn mij niet half
zoo lief als wilde viooltjes, die ik met veel moeite van één klein
plantje tot een flinke tobbe vol gekweekt heb. De bloempjes gaan nooit
geheel open, maar haar geur is even sterk als in Holland, en tal van
liefelijke herinneringen aan het verre vaderland komen mij in de
gedachte, als ik de paarsblauwe blaadjes tusschen het welig groen
ontdek, en de zoete geur tot mij opstijgt.

Het is iets opmerkelijks in dit immer groene land, dat men zoo weinig
bloemen ziet. Zij groeien niet tusschen het gras, in stilstaand water
of aan stroomende beekjes, evenmin als in de tuintjes der inlanders.
Eigenlijke veldbloemen komt men nooit tegen; wel bloeien hier en daar
de heggen met blauwe of paarse klokken en ziet men hooge struiken, die
roode bloempjes dragen, de z.g. Salièra, doch hiermede houdt het op,
ten minste in deze streek.

Het huis lijkt mij als uitgestorven wanneer ik er weer binnentreed; nu
is dit louter verbeelding, want ’s morgens is mijn man natuurlijk op
het kantoor aan zijn werk, maar de gedachte dat ik hem er nu niet
vinden zal als ik lust krijg even bij hem aan te wippen, maakt het
zeker zoo eenzaam om mij heen. Werk heb ik anders genoeg en lectuur
ook, in overvloed, maar de uren gaan niet zoo vlug voorbij als
anders—alleen met Leeuwtje tot gezelschap, die den baas eveneens mist.

Ik wil gaarne aannemen, dat een moeder met twee of meer kinderen het
hier volhandig kan hebben, maar wanneer de vrouw des huizes, zooals ik,
slechts voor haar man en zichzelve hoeft te zorgen, heeft zij het
stellig oneindig gemakkelijker dan de meeste dames van haar stand en
hare positie in Holland. De wasch behoeft zij slechts te bergen; het
reinigen van thee- of koffie-servies laat zij den huisjongen over; stof
afnemen, zelf eens meehelpen op drukke dagen om de dienstboden te
gemoet te komen, dit alles vervalt in Indië, omdat men er handen genoeg
heeft. Met mijne bedienden trof ik het zeer goed; zij gingen van de
vorige standplaats met ons mee, twee van hen met vrouw en kinderen.
Achter het huis, in de bijgebouwen, hebben zij hunne kamers, en ik merk
zeer weinig van hun huiselijk leven op dien afstand. Wel weet ik, dat
de vrouw van mijn huisjongen haar eerste kindje wacht, en de aanstaande
ouders daar recht mee in hun schik zijn. De koetsier heeft een
schoolgaand knaapje, hij wil er een geleerde van maken en betaalt 25
cents ’s maands voor zijne geestelijke vorming. Heel trotsch stapt die
zesjarige kleuter ’s morgens naar school, vader heeft hem geholpen
hoofddoek en sarong netjes aan te doen; met de lei onder den arm en
reeds iets statigs en deftigs in gang en houding, begeeft hij zich naar
den tempel der wijsheid. Toen hij de Javaansche letterteekens beet had,
vond bij onze witte buitenmuren zeer geschikt om zijne kunst op te
oefenen en, pas na eenige zeer ernstige vermaningen op dit punt, kwam
ik de vreemde figuren: puntjes, boogjes, streepjes, niet meer tegen.

Mijn verderen morgen aan schrijf- en naaiwerk bestedend, is deze zoo
wat om, als ik het houten hamertje en ’t eigenaardig zwiepend geluid
hoor, waarmee de klontong (koopman) zich en zijne waar aankondigt.

De muziek met het hamertje maakt hij zelf en het piepend geluid wordt
veroorzaakt door het heen en weerschuiven van den
bamboe—draagstok—waaraan de pakken met goederen hangen.

De dragers of koelies zijn gewoonlijk flinke, goed gebouwde menschen,
die voor gering loon uren en uren aaneen belast en beladen
voortsjokken. Een inlander kan onbegrijpelijk lang achtereen loopen op
een sukkeldrafje, slechts af en toe stilstaand om zijn last te
verplaatsen.

Diep in het binnenland, zooals hier, waar niet anders dan het hoog
noodige voorhanden is, maakt een klontong meestal goede zaken; iedereen
profiteert van de gelegenheid.

Deze koopman is een Chinees, die betrekkelijk al in goeden doen is,
want hij heeft 4 koelies, die elk twee met matten omgeven pakken
neerzetten. Toen deze zoon van het hemelsche rijk begon, droeg hij
ongetwijfeld zijn pakje zelf, spaarde, overlegde en leed half honger om
eindelijk zooveel bijeen te hebben gegaard, dat hij zich één, later
meer koelies kon aanschaffen, naarmate hij zijne zaken uitbreidde.
Vlijtig en werkzaam zijn de Chineezen, dit moet ieder hun nageven.

Zelden heb ik zulk een leelijk, bijdehand kereltje gezien als dit
exemplaar. In zijn vuil geel gezicht met uitstekende wangbeenderen,
blinken scherpe zwarte oogjes; voor zijn gemak had hij den langen
staart, die aan het achterhoofd slingert, om de kaalgeschoren kruin
gelegd, doch nu hij mij ziet aankomen laat hij hem uit beleefdheid weer
bengelen.

In Holland hebben de vischvrouwen den roep ongehoord te overvragen,
maar zij konden bij de kooplui hier een lesje nemen. In het begin was
ik dikwijls verstomd en besloot niet te bieden, maar door ondervinding
wijzer geworden, ding ik nu even brutaal af als zij durven eischen, en
krijg een en ander soms voor een derde of vierde van den gevraagden
prijs. De koopman is zelf overtuigd dat hij schromelijk overvraagt, en
zegt heel gemoedelijk af en toe: „boleh tawar,” hetgeen beduidt: „Je
mag afdingen.” Van deze vergunning ruimschoots gebruik makend, koop ik
mooie zijde, lint, kant, enz. voor matigen prijs, maar bewonder slechts
de juweelen, die hij in een geheimzinnig afzonderlijk trommeltje bij
zich heeft. Oorknoppen van ƒ 300, een armband van ƒ 500, ringen,
spelden, enz.

„Koop maar wat,” zegt vriend Baba, „boleh tawar.” Doch al schitteren de
steentjes nog zoo verleidelijk, wie weet hoe weinig zij misschien waard
zijn; ik ben geen deskundige en lach bij mijzelve, als ik den Chinees
slechts noode het trommeltje zie sluiten, nu ik niet eens wil bieden op
al dat fraais, en hem zeg, dat hij naar rijke njonja’s moet gaan met al
die dure zaakjes.

Baboe, die is komen kijken, vindt het jammer dat mevrouw niets koopt:
hare vingers zitten vol koperen ringen met valsche steentjes en in hare
ooren draagt zij verbazende oorknoppen, die mij aan groote radijzen
doen denken, meer in het oog vallend dan fraai.

De klontong heeft mij aardig opgehouden, het is ver over den gewonen
tijd als ik ga eten. Veel eer doe ik de rijsttafel niet aan, ofschoon
meest alles op zijn Europeesch wordt klaargemaakt, zonder klapperolie
of sterke kruiden, en nu sta ik nog vlugger op dan anders, zoo alleen.

Na het middagdutje, als ik in de voorgalerij thee zit te drinken, voel
ik dubbel, hoe stil wij toch wonen. Behalve af en toe een inlander,
komt er niemand voorbij, er passeeren geen rijtuigen op het
namiddagritje, ik zie geen jonge meisjes, zooals op onze vroegere
woonplaats, mij vroolijk toeknikken en even binnen wippen om te
groeten, geen mooi aangekleede kinderen aan de hand van baboes, of in
de slendang gedragen. ’k Denk er over een toertje te gaan maken, om de
zon aan zee te zien ondergaan, maar een blik naar de lucht doet mij op
dit voornemen terugkomen. De hemel is zwaar bewolkt, er dreigt regen,
die wel spoedig zal vallen ook.

Als ik echter na het avondeten buiten kom, is het nog droog, maar er
blinkt geen enkele ster, terwijl het mij ook benauwd en drukkender
toeschijnt dan daar straks.

Baboe zal van nacht in mijn kleedkamer slapen, haar bed is spoedig
gespreid: een matje om op te liggen, en een kussentje onder het hoofd.
Ik zou niet graag mijn klamboe (muskietennet) missen, want de heele
kamer suist van de muskieten, maar dat schijnt mijn Ramé niet te
hinderen.



BRAND IN DE KAMPONG.


Als iederen morgen is de zon in verrukkelijke schoonheid om zes uur
herrezen, en werpt haar vol, gouden licht over Java’s vruchtbare
velden, doorboort de nevelen, die zich legeren om de toppen der bergen
en schittert op de golven, die de stranden bespoelen. ’t Was vroeg dag
in de kampong aan het zeestrand, om vier uur toog het visschersvolk
reeds uit; pas tegen zonsondergang zouden zij huiswaarts keeren.
Vroolijk stak de kleine vloot in zee, met krachtige pagaaislagen werden
de prauwen naar buiten geroeid tot het zeil de stevige bries te pakken
kreeg en de booten in zwaluwvlucht over het water schoren. De
thuisgebleven vrouwen bezorgen de huishouding, de meeste gaan tegen een
uur of zeven passerwaarts om visch aan den man te brengen of zelve
inkoopen te doen. Ook de moeder van kleine Moersina is naar de passer
gegaan, het meisje heeft beloofd goed te zullen oppassen, terwijl
moeder uit is; zij zal niet met de kameraadjes buiten gaan spelen, maar
vlijtig hout bijeenzoeken om straks het water op te koken. Met de
bedrijvigheid van een huismoedertje, draaft Moersina af en aan, schort
de kleine sarong hooger op om niet in hare bewegingen belemmerd te
worden, draait de kondeh vaster, die telkens in het mollig nekje dreigt
te zakken, en beweegt de lenige vingertjes even vlug als handig.

Op den aarden vloer van het huisje heeft zij weldra het hout tot een
flink stapeltje gebouwd; nu zal zij moeder eens verrassen en zorgen,
dat zij bij hare thuiskomst het water kokend vindt. Fluks strijkt zij
een lucifer af, het hout is droog en ontvlamt dadelijk; het meisje
grijpt een pan en spoedt zich naar den put om water te halen. Zij heeft
er niet op gelet, het onnoozele schaapje, dat zij vlak bij den
bamboewand haar vuurtje bouwde. Vroolijk kringelen de vlammen omhoog,
vurige tongetjes lekken even den muur, dalen, rijzen, vangen een
spelletje aan, dat hoe langer hoe woester wordt; wat een grapje leek is
dra in vreeselijken ernst verkeerd. Ontzet wijkt Moersina terug als zij
haar huisje nadert; door de wanden licht een vuurzee.

„Brand, brand,” weerklinkt het spoedig alom; de weinige menschen, die
thuis bleven, loopen te hoop, gillen door elkander, gesticuleeren met
drukke gebaren en zien het angstig aan hoe de heftige wind de vonken
verspreidt en de vlammen naar de andere huizen jaagt. Zij weten allen
wat het beduidt, brand in hunne kampong met zulk een stormwind,
tusschen de opeengebouwde huisjes van bamboe, de meeste met atap
gedekt.

Het vuur grijpt om zich heen met veel armen, weldra staan zes, acht,
tien woningen in brand. Alles rent dooreen om te redden, wat te redden
valt, men sleept bultzak en kleerkist naar buiten, laat stoelen en
tafels verbranden om vischgerij en kleedingstukken aan den boozen
vijand te ontrukken.

Goddank, ditmaal eischt de vuurgod geen menschenlevens, doch des te
gretiger verslindt hij wat vele monden dagen lang had kunnen voeden.
Hier vallen volle garven padie hem ten buit, kort geleden in
verzengenden zonnegloed, aar voor aar, in het zweet haars aanschijns
door de snijdster gesneden; dáár worden in een oogenblik bakken vol
gedroogde visch vernietigd, ter waarde van honderd gulden of meer
wellicht.

De zwarte rookwolken over de stad heen trekkend, hebben van heinde en
ver lieden doen toestroomen; in drommen trekt het volk op naar het
tooneel van den brand.

Door Chineezen getrokken en bediend, komt nu ook de brandspuit aan,
tallooze handen worden uitgestoken om te helpen blusschen en, zoo van
alle kanten bestookt, moet het vuur wel wijken, na zijn tijd helaas
maar al te goed besteed te hebben: twee en dertig huizen zijn in
vlammen opgegaan.

Tegen zonsondergang wenden de visschers den steven huiswaarts. De zee
is glad als een spiegel, langzaam nijgt de zon ter kimme, haar
scheidend licht werpt een rozengloed over het groote, stille watervlak.
Aan den horizont schijnt de vuurbol weg te zinken tusschen twee
eilanden, die als reuzenbouquetten tegen lucht en water afsteken. Alles
ademt zoete vrede, kalme rust.

Met volle zeilen komen de prauwen uit zee aanzetten, notedopjes
gelijken zij, zoo uit de verte gezien, welker randen de golven bijna
raken.

Onbewust van hetgeen hun wacht, naderen de visschers het strand en
kijken uit, naar de plek waar hun thuis ligt, waar zij zullen landen.
Maar wat is dat? Zij onderscheiden hunne huizen niet in het landschap;
scherper turen zij met de hand boven de oogen en.... het gissen wordt
zekerheid wanneer zij dichterbij komen: er is brand geweest in de
kampong, de woningen van velen hunner zijn niet meer. Wat er in het
hart dier mannen omgaat? Op hunne trekken is niets te lezen, als zij
landend het droevig nieuws vernemen in zijn geheelen omvang, en de plek
betreden waar dezen morgen hunne huizen stonden. In plaats daarvan
vinden zij eene grijze aschvlakte, waaruit hier en daar nog kleine
vlammen sissend te voorschijn schieten. Tusschen de puinhoopen en naast
de verkoolde heggen zitten vrouwen en kinderen met het weinigje
huisraad, dat zij konden redden, om zich heen. Strak en onbeweeglijk
staren zij voor zich uit, ook op hun gelaat teekent zich ontroering
noch verdriet, als droegen zij maskers, waarachter iedere aandoening
der ziel verborgen blijft.

En over de aschvlakte speelt het stervend zonnelicht in laatsten
vriendelijken glans, als profeteerde het: Geduld, geduld, wanhoopt
niet; wat verloren ging, kan herwonnen worden, uit den dood zal nieuw
leven verrijzen.



MARGO’S HELDENDAAD.


Margo was bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen en zette een
snoeperig hoedje op de blonde krullen, terwijl mama en de zusters,
bewonderend toeziende, om haar heen stonden. Het was een groote dag in
het leven van het mooie blondje: voor het eerst zou zij zich, aan den
arm van haar galant, in het publiek vertoonen. Mama, Suze en Cato
hadden om strijd haar best gedaan het aardig persoontje voor den
spiegel op haar voordeeligst te doen uitkomen, hierin zelve een groot
genoegen vindend. Toch was dit niet onverdeeld geweest; de keeren waren
immers geteld dat zij haar mooi konden opschikken, haar, aller
lieveling, het verwende kind in huis.

Natuurlijk hadden hare ouders en zusters, lang vóór deze dag aanbrak,
geweten, dat zij Margo na korteren of langeren tijd zouden moeten
overgeven aan den boozen roover, die haar hartje zou stelen, maar zij
hadden nooit anders gedacht of zij zouden het kind niet voor goed
behoeven af te staan. Al volgde zij den roover naar eene andere stad,
af en toe zou zij haar ouderlijk huis toch bezoeken of hare familie bij
haar logeeren. Doch nu.... niets van dat alles, die prettige toekomst
kon niet verwezenlijkt worden, want ver over zee moest Margo den man
harer keuze volgen: hij was slechts tijdelijk met verlof in Holland,
zijn werkkring lag in Indië. In dat opzicht noemde hare familie Margo’s
keuze heel ongelukkig, ach! dat nu juist die man, heel van Java komend,
in hun stil stadje neer moest strijken en de ware Jozef blijken. „Het
was het noodlot,” zuchtte Suze tot Cato, en beiden moesten dubbel naar
Margo’s stralend gezichtje kijken, om door dien aanblik haar egoïst
verdriet naar den achtergrond te dringen.

Van den dag harer geboorte af, dus achttien jaar reeds, woonde Margo in
de vriendelijke, kleine stad, waar haar vader burgemeester was.

Papa en de zusters hadden er de jaargetijden al heel wat keeren meer
zien wisselen, want Margo was het eenig kind uit ’s burgemeesters
tweede huwelijk en scheelde wel een jaar of vijftien met hare jongste
stiefzuster. Prettiger, gelukkiger gezin dan dat van burgemeester
Wetters was er niet te vinden, vrede en vroolijkheid hadden er voor
goed hun intrek genomen. Toen haar vader nu bijna twintig jaar geleden
zijn half volwassen dochters eene tweede moeder thuis bracht, was er
van weerskanten dadelijk een bereidwillig streven geweest, om in vrede
en eensgezindheid te leven, om door wederzijdsch schikken en plooien
een vriendelijke verstandhouding in het leven te roepen; geen wonder
dus dat deze spoedig ontstond, en, toen twee jaar later Margootje belet
vroeg, werd het nieuwe zusje met groote vreugde ingehaald.

Natuurlijk werd zij het algemeene troetelpopje; haar moeder was
eigenlijk de eenige, die het verstand een ernstig woordje mee liet
spreken in Margo’s opvoeding. Wellicht was het hieraan te danken,
misschien ook aan Margo’s gelukkigen aanleg, dat zij, in plaats van een
onuitstaanbaar nufje te worden, opgroeide tot een allerliefst,
eenvoudig meisje, vroolijk en guitig van aard, met een warm, gevoelig
hart, en innig dankbaar voor al de zegeningen, die het leven haar
schonk. Het sprak vanzelf, dat het Margo niet aan aanbidders ontbrak.
Naarmate zij opgroeide veranderden deze van gewone schooljongens in
Gymnasiasten en Hoogere burgers. De zesde klasse van het gymnasium
bezong het mooiste meisje van de stad in het Latijn, de Hoogere burgers
deden het in gewoon Hollandsch, doch beide soorten van gedichten lieten
niets te wenschen over wat verhevenheid van stijl en bloemrijkheid van
inhoud betrof. Margo lachte en schertste met haar ridderstoet,
betuigde, dat zij de liederen aan haar gewijd, prachtig vond en
verdeelde hare gunsten zoo gelijk mogelijk. De leelijksten en
minstbevoorrechten onder de jongelui kregen de meeste, „want,” zei
Gootje tegen Cato, „die stakkerds moeten toch al zoo veel missen omdat
zij zoo verlegen en onbeholpen zijn.” Op zekeren dag stak mama een
stokje voor al die gekheid. „Je bent nu haast zeventien, Gootjelief, en
mij dunkt, dat het tijd wordt om het schoolmeisje voor de jonge dame
plaats te laten maken,” sprak zij.

Margo lachte eens en gaf moes een zoen. In het vervolg zond zij de
verzen en minnebrieven aan hare vereerders terug en wilde geen koek of
chocolade met kermis of St. Nicolaas meer cadeau hebben. Hare parasol
en andere pakjes droeg zij voortaan zelve, en wist haren aanbidders dus
in alle mogelijke opzichten aan het verstand te brengen, dat zij als
eene volwassen dame wenschte behandeld te worden.

Doch de Gymnasiasten en Hoogere burgers werden heeren studenten en,
kwamen zij met vacantie thuis, dan brachten zij, als vroeger, het
lieftallige burgemeestersdochtertje hunne hulde en maakten haar om
strijd het hof. Margo werd geplaagd door hare vriendinnen, terwijl Cato
en Suze elkaar toefluisterden: „We zullen onze lieve Go wel gauw
geëngageerd zien.” Nu, de zusters vergisten zich niet, maar tot hare
verbazing en tot innige verontwaardiging van haar trouwen ridderstoet,
koos zij niet een van hen, maar een vreemden musch, die een half jaar
geleden onder hen was komen neerstrijken. Als een vuurtje ging het door
de stad: „Heb je het al gehoord? Weet je het al? Margootje Wetters is
verloofd met Johan Graven, dien Indischen verlofganger, die bij den
ouden heer Spaat op Zomerlust logeert.” En wie het nog niet geloofde,
kon het den middag, waarop dit verhaal aanvangt, met eigen oogen zien,
toen Margo aan den arm van een forsch gebouwden, knappen man, door het
Indisch zonnetje flink bruin gebrand, al de voornaamste straten van
hare geboortestad door wandelde, de oogen schitterend van geluk in het
rose gezicht, dat vol kuiltjes en glimlachjes werd opgeheven naar de
vrienden en kennissen, die zij op hun weg ontmoetten. Zij vormden een
knap paar: de slanke blondine en de kloeke, donkere man aan hare zijde,
wien oprechtheid en wilskracht op het voorhoofd waren geschreven en in
de heldere oogen blonken. Vol liefde en trots rustte zijn blik op het
aanvallig meisje, dat zoo vertrouwend haar handje op zijn arm liet
rusten. Hij drukte die lieve, kleine hand dichter tegen zich aan en zij
fluisterde hem toe: „O Hans, gaat het jou als mij, voel je je ook zoo
onuitsprekelijk gelukkig, dat je de heele wereld wel aan het hart zou
willen drukken?” En hij plaagde terug:

„Neen kindje, die groote wereld heeft mij niet noodig, maar ik weet wel
wie ik aan het hart zou willen drukken, als hier niet zoo veel
nieuwsgierige oogen om ons heen waren. Het is me alsof ik droom. Ik kan
mij mijn geluk nog niet goed voorstellen. Heb ik nu heusch een meisje,
als God wil, heel gauw een eigen dierbaar vrouwtje, ik, arme jonggezel,
die jaren lang alleen moest voortsukkelen? Hoe vreemd is het leven
toch, hé, schat? Daar moest ik van ver over zee in deze kleine stad
aanlanden, omdat mijn oom hier bij toeval woonde en mij verzocht hem
eens op te zoeken. Eerst had ik er volstrekt geen lust in, moet je
weten, maar eene stille Voorzienigheid dreef mij hierheen opdat ik jou,
mijn ander ik, zou ontmoeten. Eén blik in je blauwe oogen had het hem
gedaan, dadelijk klonk het in mijn binnenste: Die en geen ander, al zou
je je leven lang ongetrouwd moeten blijven.... Nu Gootje, biecht eens
eerlijk op, hoe ging het jou?”

„Neen, zoo direct heb ik mijn hart niet aan je verloren, Hans, maar ik
moest toch veel meer aan je denken dan goed was voor mijn zielerust,”
bekende Margo openhartig. „En naderhand.... O Hans, als je alleen naar
Indië waart teruggekeerd, ik had mij dood geschreid van verdriet.”

„Heusch, kindje?”

Zij waren op een eenzaam plekje, ver van spiedende nieuwsgierige oogen
en.... Hans profiteerde van tijd en omstandigheden. Toen zij weer
voortwandelden, hervatte de jonge man: „Margolief, ik sprak er al eens
met je over, maar ik wilde, dat je het vooruit goed bedacht, kind, hoe
verschillend je leven in Indië zal zijn, vergeleken met dat wat je hier
leidt. Gisteren avond nam je het Cato een beetje kwalijk, toen zij je
plaagde en zei, dat Java nog drie kwart een woestenij was en dat je
conversatie zich tot zwarte of bruine dames zou bepalen. Zij overdreef
natuurlijk, maar in zoo verre had zij gelijk, dat je er veel meer dan
in Holland in je tehuis je wereld zult moeten zoeken. Wij kunnen op
plaatsen komen te wonen waar bijna of in het geheel geene conversatie
is, waar de menschen nooit iets hooren, dat naar een concert, opera of
comedie gelijkt, waar....”

„Dwaze Hans, houd toch op,” viel zijn meisje in, „alsof het gemis van
dat alles mij iets zal kunnen schelen, zoolang we het met ons beiden
moeten ontberen. Neen, ik werd verdrietig op Toos omdat zij over die
dieren begon. “’k Ging hier al op de vlucht voor eene spin,” plaagde
zij, „wat zou dat in Indië geven?” Weet je, vent, ik werd boos omdat
het waar is wat Toos zei; ik ben als de dood voor alles bijna wat
insect heet. En nu ik toch aan het biechten ben, wil ik je er nog bij
vertellen, dat ’k in alle opzichten een hazennatuur heb. ’t Is
vreeselijk, maar ik kan er niets aan doen, ’k durf niet alleen in het
donker loopen, ik schrik direct van ieder ongewoon geluid en stel mij
dan heel flauw en kinderachtig aan. Laatst zat ik in de schemering te
soezen, toen Suze stil de kamer binnenkwam en mij heel bedaard een kus
gaf. Verbeeld je, ik gilde het uit en begon te schreien.”

„Maar kindje....”

„Ja Hans, ik weet beet wat je zeggen wilt, het is bespottelijk, ik heb
er dikwijls knorren voor gehad als kind, en mama heeft haar best genoeg
gedaan om mij die malle schrikgewoonten af te leeren, doch ik vrees,
dat alles niet veel geholpen heeft.” Zij zweeg en zag half verlegen,
half lachend naar Johan op, die, haar ondeugend aankijkend, meewarig
het hoofd schudde. „O Gootje, Gootje, wat val je mij tegen,” sprak hij
in koddige wanhoop, „wat moet ik in vredesnaam met zulk een
„hazenvrouw” beginnen daarginds? ’k Weet er niets anders op, dan dat ik
maar altijd aan je groene zijde blijf zitten, om je voor ieder mogelijk
en onmogelijk gevaar te beschermen.”

„Spot jij maar,” klaagde Margo, „je zult zien, dat die malle bangheid
mij nog eens in groote ongelegenheid brengt.”

„Dat zullen we moeten afwachten, poesje, en laat ons nu over wat anders
praten. Kijk eens welke beeldige zaakjes hier uitgestald liggen,”
vervolgde Hans, en hield haar staande voor den grootsten winkel van
luxe-artikelen, dien de plaats rijk was. „Kies nu maar wat moois uit.”

Margo’s oogen schitterden, zij was dol op presentjes. „Ventjelief,”
vleide zij, „weet je wat ik verbazend graag van je cadeau zou hebben?
Een mooi kistje. En weet je waarvoor? Om jouw brieven in te bewaren;
zie, dat is een hartewensch van me: een elegant kistje voor mijne
minnebrieven.”

„Je zult het mooiste hebben, dat voor geld te krijgen is,” beloofde
Hans, „maar of het ooit kwart vol zal komen, lieverdje, dat betwijfel
ik zeer.”

„Ik heb in deze afgeloopen veertien dagen al zes brieven van je gehad,”
beweerde Margo ijverig, „dus....”

„Ja, ja,” viel haar galant een beetje verlegen in, „dat kwam zoo door
verschillende omstandigheden, het was in die dagen toen die zware
verkoudheid mij thuis hield. Maar zie je, kindje, ik moet al zoo veel
schrijven, mijne betrekking brengt dit mede, dat....”

Doch Margo was den winkel al binnen gestapt, en weldra stond het
paartje voor zulk eene collectie kistjes, dat zij terecht van „embarras
du choix” konden spreken. De winkelier had pas een nieuwen voorraad
ontpakt en kwam steeds met meer aandragen.

„O Hans,” riep Margo op eens, terwijl zij de hand uitstrekte naar een
lichtgrijs exemplaartje, dat de winkelier, als het laatste van zijne
collectie, voor haar neerzette, „mag ik dit hebben? Wil je mij dit
geven, als het ten minste niet te duur is, het is een prachtstuk.”

Het kistje was werkelijk een juweeltje in zijne soort, van
palissanderhout vervaardigd en keurig besneden, zoo fijn en elegant,
als het meest verwende dametje zich maar wenschen kon. Er zat een
verguld sleuteltje op en het bleek van binnen even mooi afgewerkt als
aan den buitenkant. Margo was een en al verrukking en Hans ging daar
zoo in op, dat hij niet naar den prijs vroeg, doch den winkelier
verzocht hem de rekening te zenden en het kistje onmiddellijk te willen
bezorgen bij den burgemeester.

Toen de jongelui thuiskwamen, stond Margo’s nieuw eigendom er dan ook
al. Hans kreeg zijn wel verdienden dank, het mooie cadeau werd door al
de huisgenooten bovenmate bewonderd en toen bracht de eigenares het
naar hare kamer. Met eene ernstige uitdrukking op het lief gelaat sloot
zij het kistje open, haalde een pakje brieven te voorschijn, alle met
dezelfde flinke mannenhand geschreven, en legde die er in, zoo zacht en
liefkoozend de velletjes aanrakend, als waren ze bezielde wezens.
Daarna draaide zij zorgvuldig het sleuteltje om en verborg dit aan een
koordje om haar hals. „Daar ligt ge nu veilig bewaard, mijn dierbare
brieven,” fluisterde Margo het kistje toe, „geen onbescheiden oogen
zullen u kunnen lezen, geen schennende handen u ooit aanraken.” En met
een laatsten, bewonderenden blik op haar nieuw verworven schat, keerde
zij naar de huiskamer terug, die kleine, dwaze, romantische Margo.



Een jaar ruim is verloopen en we vinden Margo Wetters terug als mevrouw
Graven op eene kleine plaats in Java’s binnenlanden. Het jonge vrouwtje
heeft juist haar man uitgeleide gedaan, die voor een dag naar het
naburige D. is vertrokken om er den landraad te presideeren. Het was
vooral voor Margo een erge tegenvaller geweest, dat haar man voorzitter
van twee landraden werd; hij moest nu telkens voor een of meer dagen
van huis en zij kon zijn gezelschap zoo moeielijk missen. Margootje was
innig gelukkig met haar Hans en had er nog geen oogenblik spijt van
gehad, dat zij, ter wille van hem, haar vaderland en haar dierbaar
tehuis verliet. Het leven in Indië was haar ook erg meegevallen wat de
warmte en de eentonige levenswijze betrof, en vooral de insectenwereld
bleek veel minder afschrikwekkend dan zij zich deze had voorgesteld. Of
was de jonge vrouw zooveel flinker geworden?

Aan boord reeds had zij haar afschuw voor de kakkerlakken leeren
bedwingen, ten minste uitte zij deze niet meer in luide gilletjes,
nadat haar goede Hans er eens ontdaan van wakker schrikte, toen hij
juist in een verkwikkenden slaap was gevallen, na een ellendig
doorgebrachten nacht, want hij was zeeziek voor hen beiden. Ook kon zij
er nu best tegen in het schemeruurtje geheel onverwachts een kus te
ontvangen. Het was wonderlijk, Margootje vloog volstrekt niet
verschrikt op bij zulke gelegenheden, integendeel zij bleef dood kalm
zitten en drukte haar zachte wang tegen de groote, trouwe hand, die
liefkoozend langs haar gezichtje streek. Wat de liefde al niet leert!

Innig dankbaar was het jonge paar, vooral ter wille van Hans, die bijna
onafgebroken zeeziek was geweest, toen zij eindelijk weer vasten grond
onder de voeten hadden. Al heel spoedig werd Graven tot president van
de landraden te K. en D. benoemd en konden zij hunne bestemming volgen.
Te K., hunne woonplaats, was het vrij stil en de conversatie bepaalde
zich tot een paar families. De assistent-resident, sinds jaren
weduwnaar, zonder kinderen, was een in zichzelf gekeerd mensch, die
volstrekt geen intiemen omgang zocht. Met het controleursvrouwtje kon
Margo dadelijk opschieten, zij was ook eene Hollandsche en een
vroolijke, opgeruimde ziel, hoewel zij veel met zieke kinderen tobde.
Margo zou nooit vergeten hoe Tommy, haar oudste dochtertje, aanleiding
had gegeven tot de eerste bittere tranen, die zij in haar huwelijk
stortte. Dit gebeurde bij de volgende gelegenheid.

Wanneer Hans druk werk had of uit was, haalde Margo kleine Tom dikwijls
bij zich, dan had hare moeder de handen vrij om zich geheel aan hare
ziekelijke tweelingen te wijden, en Gootje vond het een genot het
driejarig dreumesje, dat dol op haar was, om zich heen te hebben. Zoo
had zij op zekeren dag Tom weer laten halen en zat naast het kind, in
Hans’ kantoor te naaien. Zij had de kleine meid op de schrijftafel
gezet, dan kon zij beter het oog op haar houden. Johan was even
uitgegaan, hij had een geruimen tijd ijverig zitten schrijven.

Na een poosje kwam de naaister binnen om te vragen of mevrouw haar
wilde helpen de toorooks [2] voor den koetsier te knippen. „Breng het
goed maar hier,” zei het jonge vrouwtje, en op den grond knielend,
begon zij te passen en te meten, weldra zóó in haar werk verdiept, dat
zij in het geheel niet op Tommy lette.

„Daar komt mijnheer,” riep djait [3] op eens, die terecht vermoedde,
dat de heer des huizes dien kniprommel op het kantoor liever niet zien
zou.

Margo ruimde haastig op en was juist klaar toen haar man binnentrad.
Verbaasd zag zij op, daar zij hem op eens het vroolijke deuntje hoorde
afbreken, waarmede hij het vertrek was ingetreden, terwijl hij
stokstijf in het midden der kamer bleef stilstaan. Onwillekeurig volgde
zij zijn blik naar de schrijftafel.... ach, nu begreep zij de
uitdrukking van zijn strak, donker betrokken gelaat.

Op de tafel zat kleine Tom zielsvergenoegd vellen papier stuk te
knippen, als sneeuwvlokken lagen de snippers om haar heen. Maar de
couranten, die Margo haar voor dit doel gegeven had, waren ter zijde
geworpen; in plaats daarvan had het onnoozel schaapje het
proces-verbaal aan stukjes geknipt, waar Johan den geheelen morgen en
vorigen avond onafgebroken aan gewerkt had.

„Hans, lieve Hans,” riep zijne vrouw in vertwijfeling op hem
toetredend: „het is mijne schuld, knor maar flink op me....”

Doch Hans sprak geen woord, keerde zich om en ging den weg, dien hij
gekomen was.

„Breng nonnie Tom naar huis,” snikte arme Go tegen de naaister en vloog
naar de slaapkamer, waar zij hare tranen den vrijen loop liet. Zij
voelde zich rampzalig, Hans was boos en met reden, zij kon voor
zichzelve geen enkele verontschuldiging vinden, het was eenig en alleen
haar domme schuld.



Een poos later bedacht Margo Graven met een dankbaar hart, dat zij den
liefsten man ter wereld had. Al heel gauw was hij weer thuis gekomen en
had zij haar verdriet verder aan zijn hart kunnen uitschreien, terwijl
zijn vriendelijke, troostende stem haar spoedig tot bedaren bracht. Zij
mocht de zaak in het geheel niet meer aanroeren of er verder over
tobben, verzekerde Johan, hij was ook volstrekt niet boos meer, alles
was vergeven en vergeten.

„Maar waarom liep je dadelijk weg, Hans?” vroeg Margo, „ik had nog
liever gezien, dat je flink aan het brommen waart gegaan.”

„Nu kindje, om je de waarheid te zeggen, ik was op dat oogenblik
verbazend boos en driftig en, als ik er niet van door was gegaan,
geloof ik heusch, dat ik jou of Tommy een klap om de ooren had
gegeven.”

„Och, mannie, ik had het verdiend, veel meer dan Tom,” en toen barstte
Margo op eens in lachen uit bij de gedachte, dat Hans haar in eigen
persoon eene strafoefening had willen toedienen.

Zoo leefden die twee in volkomen harmonie en, kwam er al eens een
wolkje aan hun huwelijkshemel, het trok dadelijk weer weg om de zon des
te helderder te laten schijnen. Hans begreep, dat hij in zijn jong,
aanvallig vrouwtje geen ervaren huishoudster had getrouwd, dat haar
goede wil om het hem in alles naar den zin te maken, alleen niet
voldoende was om het huishouden als op rolletjes te doen gaan. Hij
verdroeg het zonder pruttelen, wanneer de tafel eens minder goed was,
als er een knoop of band aan zijn goed ontbrak, of wanneer zijn lieve
Go op zijn wekelijksche reizen bijna altijd een of ander kleedingstuk
vergat in te pakken, waar hij toch moeilijk buiten kon. Op zekeren dag
merkte hij goedig op: „Lieve kind, gisteren heb ik mij met één boord
moeten behelpen en vergat je ook sokken voor mij in te pakken. Ik
geloof dat wij, wat het vergeten betreft, nu zoowat mijne heele
garderobe zijn rond geweest. Zou je niet eens een lijstje maken,
lieverdje, van alles wat ik noodig heb en dit bij het pakken telkens
raadplegen?”

„Hoe dom, dat ik zelve daar niet aan dacht,” riep Margo, „natuurlijk,
alles vooruit opschrijven, dat is aangewezen voor een vergeetal als ik
ben.” En dienzelfden avond nog schreef Mevrouw Graven haar lijstje en,
daar zij het trouw gebruikte, was de zaak voortaan in orde. Het jonge
vrouwtje van haar kant, deed evenzoo haar best om haar man het leven
aangenaam te maken. Al was het haar een beetje een ergernis, dat zij
zijn kantoor zelden of nooit mocht laten schoonmaken en hij liever aan
een stoffige dan aan eene net opgeruimde schrijftafel zat, zij zocht
niet door dwingen of zeuren hierin verandering te brengen. Ook
achtervolgde zij haar echtvriend niet met eene lastige zucht tot orde,
die de vertrekken wel proper en net, doch niet gezellig maakt. Hans
pijp mocht vrij overal rondzwerven, de boeken uit de leestrommel
mochten op tafel en bank onder het bereik blijven liggen. Margo
huldigde den stelregel, dat ook een getrouwd man vrij moet blijven in
het volgen van zijn lievelingsgewoonten, vooral wanneer ze zoo weinig
lastig waren als die van haar Hans. Duurde de dag wel eens wat langer,
als haar man van huis was, over het geheel vloog de tijd Margo voorbij.
Eerst had zij een prettige drukte gehad met de inrichting van hare
woning: een mooi, groot huis. De rijke Chinees, die het indertijd voor
zichzelf liet bouwen, stierf voor het geheel af was. De erfgenamen
verhuurden de woning gaarne aan den nieuwen president van den Landraad,
terwijl de familie Graven niet minder blij was dadelijk een ruim, nieuw
huis te kunnen betrekken. De kamers, hoewel klein, waren vele in aantal
en liepen twee aan twee in elkaar. De galerijen daarentegen kwamen
Margo reusachtig voor, doch toen de overgordijnen en portières hingen,
bleken ze niets te groot of te hol om het er gezellig te maken. Naast
de slaapkamer had de vrouw des huizes een vroolijk, klein vertrekje tot
boudoir ingericht. Daar plaatste zij, tusschen groene planten, haar
Singapoorsch ameublementje, en al de schatten die zij van huis had
meegebracht, waren er neergezet of opgehangen.

Op een marmeren knaapje stond het palissanderhouten kistje, dat zich
nog steeds in Margo’s bijzondere voorliefde mocht verheugen. Haar
voornemen getrouw had zij er nooit andere brieven, dan die zij van haar
man ontving, in geborgen; het was dan ook een treurig dun stapeltje
gebleven.

Nadat Margo op dien Junimorgen haar man uitgeleide had gedaan, ging zij
eerst hare bloemen verzorgen en haar huishouden beredderen, en haalde
toen haar schrijfmap te voorschijn om een langen brief naar huis te
schrijven. Zij was innig aan haar ouderlijk huis gehecht gebleven, al
werd zij zelden of nooit door heimwee geplaagd, en, daar hare familie
ook trouw en veel schreef, bleven zij geheel met elkaar meeleven. Met
vreugde bedacht Margo dat het heden maildag was en vol verlangen
verwachtte zij de post, die slechts één keer ’s daags te K. bezorgd
werd. Toen zij om twaalf uur den besteller het erf zag opkomen, had zij
hem wel te gemoet willen gaan, en zat ongeduldig te wachten tot de
jongen binnen kwam. Hij bracht een heel pak „drie kwart nonsens-brieven
natuurlijk,” dacht Margo. Heel oneerbiedig gaf zij dien titel aan de
dienstbrieven van Hans.

Haastig doorzocht het jonge vrouwtje het pak, achteloos met de
couranten en dienstbrieven omspringend; zij vond slechts één mailbrief
waarvan het adres door Suze was geschreven. „Hoe vreemd, geen brief van
Moes,” zei Margo hardop, en haastig het couvert openscheurend, begon
zij te lezen. Suze bezat in het geheel geen correspondentie-gave, met
den besten wil kon zij geen velletje vol krijgen; mama daarentegen
vulde met gemak twaalf zijtjes, hare brieven vormden een dagboek in het
klein.

Doch niet alleen teleurgesteld liet Mevrouw Graven, na eenige
oogenblikken, het spoedig doorgelezen epistel in haar schoot vallen.
Met een angstige, verdrietige uitdrukking op het gelaat overdacht zij
den inhoud van Suze’s brief.

„Mama was bedlegerig,” schreef deze, „een verwaarloosde verkoudheid,
door een koortsaanval gevolgd, had den dokter de zaak eerst ernstig
doen inzien. Nu was alle gevaar geweken, maar mama moest nog heel
voorzichtig blijven en hare kamer houden. Zoo gauw zij hier toe in
staat was, zou zij haar lieve Gootje schrijven.”

Zelfs dit geruststellend slot vermocht Margo weinig op te beuren. Zij
zag mama in gedachte zwak en lijdend voor zich, hoe liefderijk ook door
Toos en Suze verpleegd, toch naar haar eigen kind verlangend, misschien
in de koorts wel om haar roepend.

De tranen der jonge vrouw begonnen te vloeien bij deze voorstelling;
was Hans er nu maar geweest, dan had zij bij hem troost en opbeuring
gezocht en ook zeker gevonden. Nu zat zij zich in hare eenzaamheid op
te winden en het gevolg daarvan was dat zij zich steeds zenuwachtiger
maakte. Aan de rijsttafel kon zij bijna geen hapje eten door de keel
krijgen en onverkwikt stond zij uit haar middagslaapje op. Hare
vriendin, de controleursche, was met de zieke tweelingen voor een maand
naar boven gegaan, anders had het Margo zeker afleiding gegeven eens
bij haar aan te loopen. Nu drentelde zij den geheelen verderen dag maar
op en neer, Suze’s brief herhaaldelijk overlezend, het hart vol onrust.
O, waarom scheidde die nare, groote zee haar van hare dierbaren te
huis! Uit een ander vreemd land, mits het slechts in Europa lag, zou
zij in deze omstandigheden haar lief moedertje spoedig kunnen bereiken,
maar nu waren zij onbereikbaar voor elkander.

Zoo tobde Margo en de tijd leek haar eindeloos lang, omdat zij geen
lust had geregelde bezigheid onderhanden te nemen en meer dan ooit naar
haar trouwen Hans verlangde. Zij ging vroeg ter ruste in de hoop haar
leed in den slaap te vergeten, doch de uren volgden elkander op en
rusteloos heen en weer woelend bleef zij wakker liggen. Hare baboe, die
in het boudoirtje haar matje had gespreid, scheen vast te slapen. Margo
riep haar twee keer, toen stond zij zelve maar op om een glas koud
water te vragen. Op de waschtafel zag zij een fleschje Hoffman’s
druppels staan en bedacht, dat zij zeker kalm in slaap zou vallen als
zij van dat goedje nam. Het nachtlampje verspreidde maar een flauw
licht, zij kon de druppels niet juist tellen en geloofde naderhand ook
wel wat veel te hebben genomen, want de medicijn smaakte erg sterk; dat
kwam er echter niet op aan, vergif was het niet. De jonge vrouw ging
weer te bed en spoedig voelde zij eene groote kalmte over zich komen;
onrust, zorg en angst losten zich op in een gewaarwording van droomend
waken, die haar aangenaam aandeed. Zoo had zij een half uur of langer
liggen soezen, toen het haar voorkwam, alsof zij in hare nabijheid
zacht fluisterende stemmen hoorde. In het geheel niet bang, alleen
nieuwsgierig ging Margo recht overeind zitten en keek naar het groote
scherm, waarachter het gerucht vandaan kwam. En nu zag zij ook heel
duidelijk, dat een plekje, waar een gouden vogel op het zwart satijn
was geborduurd, even bewogen werd, alsof er iemand achter stond. Zij
staarde nog naar de bewuste plek, toen op eens een zwartgemaakt gezicht
achter het schut uitkeek en een kruipende gedaante, langzaam en
voorzichtig geheel te voorschijn kwam.

„’k Weet nog niet,” vertelde Margo later aan haar man, „wat mij
bezielde, waar ik den moed vandaan haalde, maar ik werd er als het ware
toe gedreven mij uit bed te laten glijden, terwijl de gedachte mij
vliegensvlug door het hoofd ging: „dat is een dief en je moet hem
verjagen, anders steelt hij je brillanten oorknoppen van de
toilettafel, je moet!””

De dief had zich intusschen half opgericht met de bedoeling het
nachtlicht uit te blazen; in het donker kon hij veiliger zijn slag
slaan, toen hij eensklaps een slanke gedaante op zich zag toetreden.

Als zij hem, met een van angst verwrongen gelaat onder de oogen was
gekomen, zou de inbreker misschien brutaal zijn opgetreden; nu
ontstelde hij van die stille gedaante, wie het blonde haar tot aan de
heupen hing, terwijl de groote oogen hem strak aanzagen. Langzaam hief
de gestalte den wijsvinger omhoog en wees nadrukkelijk naar de deur,
terwijl een zachte, kalme stem tot driemaal toe dit enkele woord
herhaalde: „Pigi, pigi, pigi” (ga).



Langzaam, als onder hypnotischen invloed gebracht, schoof de dief, de
oogen onafgebroken op Margo gericht, naar de deur, die op de
buitengalerij uitkwam. Tot op het laatste oogenblik bleven de gloeiende
oogen het jonge vrouwtje aanstaren, dat hem langzaam volgde. Ruggelings
gooide hij de deur, die op een kier stond, geheel open en verdween in
de duisternis. Margo had nog de kracht de deur op het nachtslot te
draaien, toen viel zij als versuft op de bank neer en drukte de hand
tegen haar bonzend hart. Langzamerhand kwam haar denkkracht weer terug.
Zou zij de bedienden roepen, gillen, de buurt in rep en roer brengen?
Maar wat zou dat alles nu nog helpen? Zij had den dief voorgoed
verjaagd, de man had haar aangestaard, alsof hij een geest, geen levend
wezen in haar zag. Welke tooverkracht had haar bezield, hoe was zij ter
wereld in staat geweest dat zwarte monster te gemoet te treden? Deze
vragen bestormden de jonge vrouw te gelijk met een heerlijk
triomfantelijk gevoel. Nu kon Hans haar nooit meer plagen met haar
„hazenhart,” integendeel, hij moest hare dapperheid en haar moed
bewonderen tot aan zijn laatsten levensdag. Een tweeden keer zou zij
die heldhaftige rol echter onmogelijk kunnen spelen, bekende Margo
zichzelve. Angstig sprong zij op. Was hij wel voorgoed weg, die gemeene
dief, en hoe had hij binnen kunnen komen? Zij had de deuren zelve
gesloten. Zou baboe hem ingelaten hebben, zij vertrouwde die meid geen
zier. Zij ging naar het boudoir. Ja, baboe was weg; al lag haar matje
er nog, de zaak kwam hare meesteres zeer verdacht voor. „Morgen jaag ik
haar stellig weg,” besloot Margo, „en nooit neem ik zoo’n wezen in
mijne kamer, Hans raadde het mij nog wel aan, omdat hij het geruster
voor mij vond!” Ook de deur, die naar het boudoir leidde, sloot de
jonge vrouw stevig dicht, en, nadat zij alle deuren en vensters nog
eens nauwkeurig geïnspecteerd had, legde zij zich weer neer, ofschoon
zij klaar wakker en veel te opgewonden was om aan slapen te kunnen
denken, maar.... het was pas twee uur.



„En heeft de dief heusch niets meegepakt, kind?” vroeg Hans, nadat zijn
vrouwtje hem alles uitvoerig verteld en hij hare heldhaftigheid met
veel lof geprezen had, hoewel hij, heel ondeugend, niet kon nalaten nog
al eens te zinspelen op de voorname rol, die de Hoffman’s druppels in
de geschiedenis meegespeeld hadden.

„Neen, ik heb niets vermist,” betuigde Gootje, terwijl zij zich in
veilig welbehagen tegen haar man aanvlijde, en hare armen nauwer om hem
heenstrengelde. ’t Was zoo heerlijk haar steun en stut weer naast zich
te hebben. Ook haar angst over mama, waarvan zij hem dadelijk
deelgenoot maakte, was geheel verdwenen; terwijl zij samen Suze’s brief
overlazen, had Hans met kalm, verstandig redeneeren, zijn vrouwtje doen
inzien, dat zij zich geheel noodeloos ongerust maakte.

„Dus je mist niets?” vervolgde Hans, „nu, straks zullen wij een
nauwkeurig onderzoek in loco instellen. Ik kan de zaak wel aangeven,
maar dat zal ons niet veel helpen. Baboe zegt, dat zij nergens van
weet, zooals je mij vertelde, en den brutalen schavuit zou je volgens
je eigen getuigenis niet herkennen. In ieder geval zou ik baboe maar
wegzenden, lieverd, ’k ben er van overtuigd, dat zij den kerel binnen
heeft gelaten.”

„Ik ook, zij beweert echter om een uur of half twee naar haar jongetje
te zijn gaan kijken, dat den heelen dag niet wel was geweest, doch ik
geloof er geen zier van. Zij heeft met den dief achter het schut
gefluisterd, denkend dat ik in diepe rust was.”

„Juist, en wat zou je er nu van zeggen, kindje, als ik mij eens
„lekker” ging maken? Je hebt mij zoo dadelijk overvallen en je nieuws
was zoo belangrijk, dat ik voor niets anders gedachten had.”

„Dan ga ik maar zeggen, dat zij het eten opdragen; hè man, je bent toch
altijd in een ommezientje klaar.”

Maar Hans was nog niet geheel gereed, toen hij zijn vrouwtje op eens
een luiden kreet hoorde slaken in het boudoirtje.

„Wat is er, Go?” en haastig zijne jas dichtknoopend, liep hij haar te
gemoet.

„Hans,” kreet zij, met tranen in hare stem, „de dief heeft toch
gestolen, nu pas zie ik, dat mijn mooie kistje weg is, hoe vreeselijk!
hoe vreeselijk!”

„Bedaar, lieverd, en luister eens even,” troostte Hans. „We zullen je
schat zeker terug vinden, want denk eens na, wat heeft de kerel er aan?
Verkoopen kan hij het niet, dat is veel te gevaarlijk voor hem.
Natuurlijk heeft hij vermoed, dat er geld of iets anders van waarde in
zat; baboe heeft hem zeker een handje geholpen, zij weet, dat je het
sleuteltje altijd bij je draagt. Laat ons maar eens buiten gaan zoeken,
’k ben overtuigd, dat we het kistje vinden, geloof me, ik heb door
veeljarige ondervinding wel een beetje verstand van die zaken.”

Met deze woorden troonde Johan zijne vrouw mede en, met een pajong
gewapend tegen het brandend voormiddagzonnetje, gingen zij het erf op.

De huisbedienden werden den anderen kant uitgezonden, geen plekje van
het groote erf zou ondoorzocht blijven, beloofde Hans zijn bedroefd
vrouwtje. Al heel spoedig liep een der jongens hen achterop en riep
reeds uit de verte: „dapat toewan” (gevonden mijnheer).

„Waar, waar?” vroeg Margo en trok haar man haastig mede.

„Heel achteraan, in het pisangboschje, mevrouw,” en ja wel, een
oogenblik later stond Margo diep verslagen over haar geroofden schat
heengebogen. Daar lag het palissanderhouten kistje, ruw neergesmeten,
met uit elkaar gerukte scharnieren, door vuil bezoedeld, en er om heen
in stof en modder.... Margootje’s minnebrieven, door den nijdigen dief,
in teleurgestelde hebzucht, geheel aan flarden gescheurd.

„Hans, o Hans,” riep zijn vrouwtje, meer kon zij niet zeggen, toen
barstte zij in tranen uit. „Geen nieuwsgierige oogen zullen u ooit
aanraken,” hoe waren die woorden, eens zoo overmoedig uitgesproken, te
schande gemaakt! Met het lezen was het tot daaraan toe, daarmee zou de
inbreker zich wel niet hebben opgehouden, zelfs al waren zij in het
Javaansch geschreven, en hij de leeskunst machtig geweest; doch wat de
schennende hand betreft, zijne sporen waren maar al te merkbaar. „Dat
die booswicht mijn mooie kistje vernielde,” snikte Margo, „dat zou ik
hem niet zoo erg hebben aangerekend, maar dat hij mijne minnebrieven
als oud vuil heeft behandeld, dat vergeef ik hem nooit, nooit.”

Hans had erg te doen met Gootjes leed en om haar op andere gedachten te
brengen, sprak hij: „Maar schat, het waren toch niet alleen je
minnebrieven. Wat lees ik daar,” en hij bukte zich diep naar den grond:
„Geachte Mejuffrouw, en hier: om 8 uur mag ik u en uwe zuster dus....
en hier weer....”

„Och houd op, mannie,” en Margo kleurde tot in haar hals, terwijl zij
de stukjes papier, waar Hans zijn aandacht op gevestigd hield, onder
het zand trachtte te bedekken. „Plaag mij zoo niet,” en een beetje
verlegen bekende zij: „Zie, het stapeltje bleef zoo dun, toen voegde ik
er maar alle papiertjes en kleine briefjes bij, die je mij ooit
schreef, ook vóór onze verloving.”

„En al die onnoozele snippertjes hadt je trouw bewaard? O klein, dwaas
vrouwtje,” doch terwijl hij het hoofd over haar schudde, las Margo zulk
eene aanbiddende liefde in zijn blik, dat zij best begreep hoe hij
eigenlijk over hare dwaasheid dacht.

Het was heel stil in het pisangboschje, Hans had den jongen met het
vernielde kistje naar huis gezonden. Slechts de zon, die in lichtende
plekjes op het mos speelde tusschen het frissche groen der groote
bladeren, was er getuige van hoe Margo, de armen om haar mans hals
slaande, innig fluisterde: „Je hebt gelijk, mijn lieve man, ik stel mij
dwaas aan met te schreien en te zuchten over mijn verlies. Wat
beteekent het, dat deze brieven vernietigd en dood zijn, terwijl ik in
jou mijn levende liefde naast mij heb. Mijn beste Hans, hoe heerlijk,
dat wij nog jong zijn, dat het leven rijk aan beloften voor ons ligt en
wij in onze liefde den talisman bezitten, die ons smart en leed zal
helpen dragen, hè man?”

„Juist kindje, je spreekt mij geheel uit het hart,” antwoordde Hans
bewogen, maar toen kwam zijn spotzieke aard weer boven en hij plaagde
met een ondeugend gezicht: „Mevrouw Graven, je hebt je in de laatste
vierentwintig uur uitstekend gehouden, je bent eene groote heldin, en
ik geloof nu ook niet langer, dat het alleen de invloed van de
Hoffman’s druppels was, die je van nacht zoo stout en moedig maakte.”

„Hans, Hans, je bent onverbeterlijk,” en Margo dreigde haar man met den
vinger, maar deze vatte de kleine hand en trok haar onder zijn arm
door: „Kom, kind, laat ons nu aan tafel gaan. Schertsend en lachend
spoedde zich het paartje huiswaarts, terwijl de reusachtige bladeren
elkander in hunne eigenaardige taal toewuifden:

„Welk eene aardige afleiding was dat in ons eentonig leven, wij hebben
een gelukkig menschenpaar gezien.”



AANTEEKENINGEN


[1] Koraal.

[2] Soort livrei.

[3] Naaister.



*** End of this LibraryBlog Digital Book "Vrouwenleven in de Dessa" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home