Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Aspasia
Author: Hamerling, Robert
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.
Copyright Status: Not copyrighted in the United States. If you live elsewhere check the laws of your country before downloading this ebook. See comments about copyright issues at end of book.

*** Start of this Doctrine Publishing Corporation Digital Book "Aspasia" ***

This book is indexed by ISYS Web Indexing system to allow the reader find any word or number within the document.



                                    ASPASIA

                                      DOOR
                                ROBERT HAMERLING

                            VOLLEDIGE VERTALING DOOR
                                W. F. P. ENKLAAR

                         VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE

                             MET ILLUSTRATIE’S VAN
                                   A. POUSSIN



                                  Uitgave van
                      Gebroeders E. & M. COHEN, AMSTERDAM
                                Heerengracht 326



VOORREDE.


Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen
tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de
cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den
werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet
schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan
iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?

Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die
beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk
ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En
moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en
natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het
geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op
de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven
anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de
schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den
Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid?
Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat
reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het
hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die
der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende
geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig
doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende
zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn
oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich
te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar
de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.

En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de
geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke
samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van
een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in
natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een
roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de
schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst,
bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk
levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel
persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van
enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven
mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting,
als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet
alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het
algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene
episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail
zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel,
levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.

Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld
niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij
voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad
verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene
uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste
tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid,
in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.

Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de
meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het
verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of
verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en
streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen.
Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer
dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke
uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het
heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De
wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de
werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt
haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op
een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld
vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der
stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine,
onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer
ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare
reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de
vlammen overgeeft.

    R. H.

                                                   Gräz, November 1875.



ASPASIA

I.

DE SCHAT VAN DELOS [1].


Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke,
jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der
Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer
vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg
ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld
haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in
de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men
eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de
straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte
van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.

Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of
achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de
verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.

Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard
reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die
van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit,
alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen,
bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van
verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een
spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen
blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee
aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten,
waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het
voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de
gemoederen.

De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel
van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare
dansen uitvoeren.

Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich
trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen.
Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de
een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch
niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger,
bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den
ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige
oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast
Agamemnon, den gebieder der volken.

De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de
oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet
voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó
diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag
onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.

Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen,
stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde.

Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden
over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn
oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip,
dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag
het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van
het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den
adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te
beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de
verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem
van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip
in snelle vaart doen naderen.

Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen
betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden
muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige
strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men
een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van
den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden
rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was,
daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen
hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.

Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde
zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar
beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare
gebouwen, als met een beschuttenden arm.

Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen
vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een
oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de
verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de
eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker
wendend:

„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de
Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou
het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het
eindelijk der voltooiing nabij.”

„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste,
terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.

„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker
muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand
der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd
uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad
Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der
Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden
geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken,
zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”

De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de
Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel
echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias
geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in
de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8]
wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de
naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met
blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van
het „met violen omkranste Athenen.”

Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van
arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel
beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen
van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de
muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte
dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de
haven.

Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks
groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf
overwaaiend, ritselde.

Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus [9] van het hoofd en
liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër
echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de
galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de
haven naderde.

Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt.
Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt,
bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog
voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede,
statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen
omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus,
van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde,
over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den
versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op den top van den
heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis [10].
Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar
ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa [11] van Pericles, daar
de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot
verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de
haven, de handelsbeurs, het „Deigma” [12] waar schippers en handelaars
hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.

Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als
op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het
algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij
uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven
van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus [13],
van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim
vaneenspatten.

Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone
donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte
marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter
nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half
mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische
schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen.
Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van
stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen
vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als
personen in het treurspel.

Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte,
heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich
te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor
overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de
wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en
wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo
neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent
de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te
halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten
uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij
weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen
werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de
makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.

De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen.
Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio [14], menige Simo, menige
Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en
gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem
contracten. Hij geeft twee talenten [15], zonder van gelaat te
veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men
die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze
gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt
op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als
niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar
gebrachten naam zijner eerlijkheid.

Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen
klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de
diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der
zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde
den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting
ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden.
In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige
handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel
bedekt met de hooge triëren [16] der Atheensche vloot, naar de gewoonte
der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere
omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken,
met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich
verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische
schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige
zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter
strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde
schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar
onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen
gebouwd worden.

Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus
zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het
Atheensche staatsschip „Amphitrite.”

Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op
alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.

„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de
Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme
Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen!
Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren
naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de
bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.”

De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op
de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de
riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de
roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen
geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het
beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon
beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het
gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere,
vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde
zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.

De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het
schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van
kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt
uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever
naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor
aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en
spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs,
iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu.
Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de
volksvergadering op de Pnyx [17]. Maar allen hoorden, allen kennen
zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de
trappen aan boord van het schip.

Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer
beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een
span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch [18]
komt aan land en spreekt met Pericles.

Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het
vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven
aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos,
de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van
Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst
genomen als cijnsen der steden en eilanden.

Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een
adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste
angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt
wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder
iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den
anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van
de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er
meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw
voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks
daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit
deze Aeölusharp zullen waaien?

„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas
[19] kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles
omgaven.

„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië
en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht
de Triërarch.

„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen
betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.

„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste
standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde
van Pericles.

En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen,
waren alle deze gedachten vereenigd....

Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven
naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners
verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook
Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het
volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus
tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.

Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van
den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek
verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid
van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne
vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette
Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de
andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit
vijandige oogen toe.

Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een
jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om
zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na
te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige,
juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar
den grond.

„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn
metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder
klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke
knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den
volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne
gewoonte.”

Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg
ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De
goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar
echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een
scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.

Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en
uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te
voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag
het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos” [20], in den glans
der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de
opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte.
Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden
Gorgonenhoofd [21], dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had
geplaatst.

Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het
wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van
rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar
de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte
gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna
onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op
den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik
onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel
bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik
zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem
eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen
gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende
makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige
zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de
door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat:
dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het
zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van
onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel
vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij
veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend
zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis
zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen
wilde vragen.

„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder
wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep
met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de
Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg,
of woont zij ook bij andere menschen?”

„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich
op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”

„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.

„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de
bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest
gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs
waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden
brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar
een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp
vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom
gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden
aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel
een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde.
Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en
plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”

Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide
mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich
na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:

„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij
weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus
op den burg te plaatsen?”

„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische
strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken
op de Acropolis der Atheners!”

„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest
ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der
Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen
en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de
Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus
weder op!”

Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar
hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende
Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem
sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in
Syracuse leefde.

„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide
hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven
mij heftig aan te vallen.”

„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.

„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was
onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte
luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij
haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren,
de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der
makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal,
wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude
Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het
stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.

„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend,
voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte
der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe
gehelmde, lansslingerende Promachos?”

„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is
sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene
des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend
metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend
Gorgonenschild [22] de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu
mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar
dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk,
schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den
fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van
verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de
feestelijke optocht der Panathenaeën [23] henen trekt. Maar vrees niet,
dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer
voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar
in gedachten—maak u niet ongerust!”

„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles,
bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet
niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij
vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn
en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten
ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren
lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur
gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te
richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans
zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand,
die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”

Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op
Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een
verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn
vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een
vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik
niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”

„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende.
„Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen
der schoone Chrysilla....”

„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen
toon:

„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en
nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij
hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de
vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten
wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone
evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen
geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te
brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb
ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten
minste gelenigd is geworden.”

De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier
schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den
Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.

Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij
tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog
even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne
werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”

„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.

„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het
Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze
onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in
Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het
slagveld van Marathon [24] in onze handen viel. Na menige omzwerving
kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend
is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de
Cyprische Godin [25] gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te
versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat
Agoracritus van Paros [26], om door de voltooiing van zulk een beeld
zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen,
het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd
heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige
Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en
waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem
noemt, een marmeren beeld van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het
beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende
mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen
wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en
ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de
ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!”

Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend
en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.

Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder
anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de
bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de
bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus [27], een bouwmeester
van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van
Phidias.

Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet,
bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.

Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee
hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het
witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren,
daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias,
het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun
machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die
daar vóór bijeen stonden.

De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide
beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende
indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige
verscheidenheid der beelden hen getroffen had.

Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid
en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in
breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der
beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng:
niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de
ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het
was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was
Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de
later geboren Chariten [28] en boschnymfen van den Ida [29] de Goden
omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen
glimlach plooide nog hare lippen.

Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een
door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet
in den geest der Grieken gerijpt.

Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van
Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.

Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik
gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust
aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren,
was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij
den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was
geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog
konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet,
of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het
vorige daarnaast thans minder voldeed.

Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van
Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef
hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke
betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling,
van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters
tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.

Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen,
welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.

„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het
standbeeld van Pygmalion [30]; het schijnt bezield te zijn en juist op
het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed
in de aderen, te verkeeren.”

„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den
geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld
van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde
smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”

„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles
uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks
kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien?
Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit
een beeld heeft vermocht?”

Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene
plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van
Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den
invloed dier gedachte te bestudeeren.

„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer
belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke
werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe
langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch
weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige
fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen
handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne
herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben
gezien.”

„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de
Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij
tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het
beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld;
het is de Milesische.”

„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.

„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens
gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans
harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”

„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is
zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende
Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen?
Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar
als gast in zijn huis gehuisvest.”

„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.

„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.

„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den
mond eener vrouw vernomen heb.”

„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.

„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk
tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische
in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen
zwerm gevaren.”

„Hoe dat?” vorschte Pericles.

„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat
aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog
veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot
diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis
aantrof, vanwaar men in het peristylium [31] van het aangrenzende huis
neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder
voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de
avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen,
het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het
snarenspel der Milesische te kunnen hooren.”

„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare
bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”

„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien
heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een
vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch
heeft zich voorgenomen een Eros [32] te beitelen en houdt het voor dit
doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en
zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne
manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun
begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij
hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans
streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door
zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.

„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens
een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien
spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van
het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook
voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van
schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”

„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op
deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de
berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het
toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”

„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt
gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”

Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.

„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet
weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw
werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te
leggen.”

Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een
gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.

Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:

„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar
Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat
ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste
het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen [33] of der
Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.”

„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide
Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had;
„maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het
werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk
bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van
de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend
oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan
de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde
hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm
gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de
bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid
ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge
afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den
vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en
zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken,
dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van
gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone
ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende,
de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”

Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem
gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de
Milesische.

„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst
dezer vrouw heeft hare grenzen.... Vraagt het maar eens aan dien
droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”

Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de
straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels
teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op
deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij
vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de
vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en
zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is
waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en
wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren,
keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.

„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en
Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het,
dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes
eene schoone vrouw gebeiteld heeft.

„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet
alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen,
omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer
zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot
in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers
toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te
vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te
staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat
dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het
menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene
samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en
vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw
droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening
daaromtrent te zeggen.”

„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den
mensch goddelijk?”

„Wat Homerus en Hesiodus [34] betreft, en de andere dichters,” zeide de
droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle
mogelijke dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen,
wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en
aderen goddelijk was. Pindarus [35] schijnt mij zelfs nog verder te
gaan, wanneer hij zingt: „Eén is van den beginne af het geslacht der
Goden en der stervelingen!” En ik herinner mij dat ik eens den wijsgeer
Anaxagoras [36] kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend
is en wat leeft goddelijk is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet
hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.”

„Ik geloof,” hernam Pericles, „dat wij allen niet ongezind zouden zijn
dezen raad te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden
krijgen, om de Milesische tot beslechting dezer zaak hier te doen
komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen, of wil Alcamenes ons
het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen wij
tot den droomer ons wenden?”

„Ja, tot den droomer!” riep Alcamenes levendig. „Ik wed, dat deze, als
hij wil, ons de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als
eene slang uit hare schuilplaats door tooverzangen en bezweringen,
hierheen zal lokken!”

„Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,” zeide Pericles, „zoo is
hij wel de rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan
helpen. Maar wat kunnen we den man beloven, opdat hij medelijden met
ons moge hebben en heenga, om de Milesische tot ons te lokken?”

„Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,” hernam de droomer, „iemand
te bewegen hier binnen te treden, die reeds als ’t ware wachtende,
achter de deur staat.”

„Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?” vroeg Pericles.

„Toen ik straks,” vervolgde de droomer, „van mijne wandeling naar den
Piraeus terugkeerde, en, door de achterdeur dit huis binnen willende
treden, vlak langs de heining van den tuin van Hipponicus kwam, zag ik
de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende struiken staan,
terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken
held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij
zeide, dat hij bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste
leerlingen van Phidias, die heden, naar de uitspraak van kunstrechters,
als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn treden. „Gij wilt
derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?” zei ik,
„zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!”—„Goed,”
hervatte de Milesische, „men moet ook medelijden hebben met den
overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.”—„Eene roos,” hernam
ik, „is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar
den overwonnene niet benijdt?”—„Zoo moge de overwinnaar kiezen,” riep
zij; „daar, neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.”—„Zoudt
gij ze hem niet liever zelve overhandigen?” vroeg ik. „Meent ge dat
waarlijk,” hernam zij. „Voorzeker,” zei ik. „Nu welaan dan,” hervatte
zij; „zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar mij toe aan de
tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich
verwijderd hebben.”—„Weet derhalve,” zoo besloot de droomer zijn
verhaal, „dat de Milesische met den lauwertak en de roos achter de
tuinheining van Hipponicus staat.”

„Goed,” zeide Pericles, „ga en haal ze hier heen.”

„Hoe kan ik dat?” hernam de andere. „Hoe zal ik haar overhalen, dat zij
hier kome in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?”

„Mij om ’t even, hoe gij het beproeft,” zeide Phidias; „dat behoort tot
uw geheime koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen.
Ga ze maar halen, omdat Pericles het zoozeer verlangt.”

De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met
eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke
weelderigheid van vormen op eene wonderlijke wijze vereenigd waren.
Pericles herkende aanstonds in haar de schoone, die hij vluchtig had
gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar de haven wilde
begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste
volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk.
Haar gekruld, zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was
van eene onvergelijkelijke schoonheid. Het betooverendste echter aan
haar was een vochtige glans, een zachte onweêrstaanbare gloed in de
heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts even haar
aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus [37],
sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels.
Bovenaan was het voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de
schouders met fraaie gespen aan het achtergedeelte bevestigd. Daarover
viel van de schouders eene soort van oppergewaad in schoone plooien af
tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen liet de
edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den
jonkvrouwelijken, teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het
was de gewone chiton [38] der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg,
maar rijk en veelkleurig, zooals men dien zag bij de Ionische en
Lydische vrouwen der Aziatische kusten. De kleur van het gewaad was
glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel rijkelijk versierd.

Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een
purperen band, die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met
een metalen ingesneden plaat versierd was, hield de weelderige lokken
bijeen.

Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer
binnentrad en eene zoo groote schare van aanzienlijke mannen zag en
onder hen zelfs den machtigen Pericles, aarzelde zij een weinig. Doch
Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand en sprak:

„Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te
zien.”

„Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo
gevierde vrouw te zien,” zeide Pericles, „verzwijgt gij toch ten
onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk door de verlegenheid, waarin de
beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus ons plaatste,
op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone
Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het
geoorloofd is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche
vrouw voor te stellen. Bij de Atheners, vroom en aan de Goden nauw
verknocht, als zij zijn, begint het geweten zijne stem te doen hooren,
of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen afgunstig
maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of
hunne beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat
is?”

„De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de
Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was,
als de glans van haar oog, „wordt overal geroemd en de lichaamsgestalte
der Grieken door de barbaren [39] zelven, als het meest op de Goden
gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich niet op den Athener
vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en verheven
als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden
voor hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte
blijft van hen, welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land
is, zoo is de tempel, zooals de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens,
bewijzen dan ook niet de Olympiërs [40] zelf, dat het hun lust en wil
is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben zij hun niet
boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den
Attischen grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot
bouwkunde en beeldende kunst gegeven?”

„Inderdaad,” viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, „alles
bezitten wij; alleen nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij
arbeiden kunnen!—Waarachtig, mij en ons allen jeuken reeds de vingers,
en de beitel in onze handen wordt gloeiend van ongeduld.”

Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het
gesprek de geheele werkplaats van Phidias.

„Troost u, Alcamenes,” zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord
leggende; „Athene is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs
is de gouden schat van Delos over de zee tot u overgezwommen.”

De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op
Pericles. Deze had, terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende,
bruine, zachte lokken onafgebroken gevestigd, en zeide nu onhoorbaar
tot zich zelven: „Bij de Goden, het blonde haar dezer vrouw zelf is een
schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte goud zou dit
ongemunte niet te duur betaald zijn....”

Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst
zinken, terwijl aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon
hij:

„Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende
kunst, dat de schat van Delos niet te vergeefs naar Attica’s strand is
overgekomen. En, wanneer ik slechts naar de inspraak van mijn hart,
niet naar de eischen van het algemeen belang had te vragen, waarlijk,
ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats van
Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem,
aan wien de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de
Pers, met zijne drommen het land overheerschend, tot ons was gekomen en
het gemeenschappelijk gevaar alle Hellenen vereenigd had, toen hij
echter verslagen afgetrokken en de groote les, die de strijd ons had
gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder de
eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, ’t geen
wij, door den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs
vreedzamen weg voort te zetten. Op mijn raad noodigde het Atheensche
volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers naar Athene te zenden, om
over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen.
Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande
tempels en heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de
Hellenen, van toen af aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op
alle Grieksche kusten kunnen verkeeren; er zouden borgen worden
gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede de
gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien.
Twintig mannen kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt
hadden in de groote slagen tegen de Perzen. En welke antwoorden
brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende, onverholen
afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van
het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit
te strooien. Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring,
dat het niet op de eendracht der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst
zijner mededingers niet sluimerde. Was mijn welgemeend plan gelukt, dan
had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud aan de kunsten des
vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen
ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere
macht, naar steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en
steeds zooals nu onaantastbaar uitgerust gereed te staan. Deze eerste
noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te houden met onze middelen,
hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt nu
zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van
onzen voorrang in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de
gouden gaven van het geluk nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen
offeren.”

Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch,
naar hij meende op te merken, niet zonder verborgen weerzin,
aanhoorden, ging hij voort: „overdenkt de zaak, of geeft ze den droomer
hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen ook in politieke
zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.”

„Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,” begon de
droomer op zijne omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven
zwijgen, „zoo heeft de groote staatsman het als eene vaststaande zaak
vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang onder de Grieksche
staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd kan
worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij
ook de tot nu toe algemeen heerschende meening, dat de voorrang van een
staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht moet
steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij
zich van alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere
middelen mogelijk schijnt te achten; want, als hij die niet mogelijk
achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht hebben daarnaar onderzoek te
doen?”

„Kunt gij ons,” zeide Pericles, „zulke andere middelen aanwijzen, zoo
spreek!”

„Men moet,” hernam de droomer, „om deze middelen te weten, zulken
lieden vragen, die bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang
af te winnen, en de menschen, zonder gebruik te maken van geweld, het
schoonst en het best kunnen onderwerpen en beheerschen. Men moest dan
juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.”

De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op
zijn gewonen trant zich tot haar wendende voort:

„Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door
krijgsmacht en schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door
iets anders in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone
en goede en geestelijke voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot
diegenen, die er zich op verstaan, anderen den voorrang af te winnen en
de menschen, als van zelven, het schoonst en het best te beheerschen.
Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?”

„Wat ons vrouwen betreft,” hernam de Milesische glimlachende, „zoo kan
ik slechts zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone
gestalte aankomt, en op de kunst zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk
te dansen of betooverend de cither te bespelen en wat men verder
verleidelijke kunsten moge noemen.”

„Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?” zeide
Pericles. „Maar hoe? Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle
eilandbewoners en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te
onderwerpen en beheerschen door schitterend gewaad en schoone gestalte,
door bekoorlijke dansen en citherspel?”

„Ja, zeker,” hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de
mannen. De bekoorlijke vrouw echter ging voort:

„Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar
men het bekoorlijkst weet te dansen, het schoonst de cither te
bespelen, het best te bouwen, te beitelen en te schilderen en waar de
voortreffelijkste dichters gevonden worden!”

„Gij schertst!” riepen eenige der mannen.

„Volstrekt niet!” hernam de schoone glimlachende.

„Wanneer men het nader beschouwd,” zeide Hippodamus, „dan schijnt de
schoone Milesische met hare stoute bewering, die ons in het eerste
oogenblik deed glimlachen, nog zoo geheel geen ongelijk te hebben.
Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de zegevierende macht
in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de
bekoorlijkheid van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem,
bewondering, liefde, onberekenbaren invloed verwerven, even goed als
eene schoone vrouw?”

„Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,” hernam
Pericles, „de gemoederen weekelijk en verwijfd maakte!”

„Week en verwijfd?” riep de Milesische; „gij Atheners zijt het maar al
te weinig. Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de
sombere en ruwe wijze der Spartanen zouden willen inrichten? Het is
onbillijk te zeggen, dat het schoone den mensch bederft. Het schoone
maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend, vol gloed
en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig
volk, naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen?
Laat de sombere, ruwe Spartanen zich gehaat maken; Athene zal, naar
balsem riekende, en met bloemen bekranst, als eene bruid, zich de
harten veroveren!”

„Gij meent dus,” zeide Pericles, „dat nu reeds de tijd is gekomen,
waarop wij het zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone
en aan alle kunsten des vredes te wijden?”

„Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,” vroeg de
vreemde, „wanneer het naar mijne meening de tijd is, het schoone te
scheppen?”

„Spreek het uit!” hernam de staatsman.

„De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,” zeide de
Milesische, „is dan gekomen, naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig
zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!—Nu hebt gij uw Phidias en de
andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten talmen, tot
zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het
schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!”

Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden.

Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene
menschenziel doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik
en zulk een woord te gelijk getroffen geworden.

De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend
woord van de betooverendste lippen gekomen. De macht van het woord was
Pericles zich bewust; de overweldigende kracht van den blik drong tot
in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem meer dan hij wist
in het hart.

Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de
woorden der vreemde:

„De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen
aanwezig zijn, welke in staat zijn het te scheppen.—Ik moet bekennen,”
ging hij voort, „dit woord is een der treffendste en gelukkigste, die
er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo duidelijk, alsof men zeide:
„de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar
is, die in staat is de liefde te ontvlammen.” Een beteren verdediger
kon datgene, wat ons allen ter harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat
gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd. Inmiddels zou het u
niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer
datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten
gesluimerd had. Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet
geheel en al overwonnen geef? Wilt gij in der minne met mij een
vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons Athene
strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt
gelijk, dat wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat
te doen, waarvoor de tijd nu is gekomen, omdat, zooals gij ons
herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze heengegaan zijn, nimmer
zullen terugkeeren!—Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer mijn
bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes
zeide, de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen
uit den weg te helpen ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig
leger, uit moogt trekken, om het vernielde weder te herstellen en uwe
schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader te brengen.

„Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De
havenstad is nieuw gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang
was het mijn voornemen eene ruime worstelschool voor de Atheensche
jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten der Muzen, de toon- en
dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende
tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende
wijze het werk der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus
begonnen is geworden.”

Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op,
uit de rijen der beeldhouwers en overige aanwezige mannen.

„Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,” vervolgde
Pericles, „die Pisistratus [41] begonnen is voor den Olympischen Zeus
te bouwen en waaraan sedert den val van den geweldigen man niemand
weder de handen heeft geslagen. Zou het niet billijk zijn, dezen eerst
te voltooien?”

„Neen!” riep levendig de volksvriend Ephialtes. „Dat zou zijn den roem
van den vijand der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran [42]
voltooien, wat een tyran begonnen heeft! Het vrije volk der Atheners
laat het gedenkteeken van Pisistratus in zijne puinhoopen liggen, tot
een teeken, dat de zegen der Goden niet rust op het werk van despoten!”

„Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,” zeide Pericles, „en
wanneer gij Ephialtes gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der
Atheners gehoord. Bovenop de Acropolis staat het overoude, eerwaardige
heiligdom van Erechtheüs [43] en de stedegodin Athene, half vernield en
slechts gebrekkig na den Perzischen krijg weder voor den dienst der
Goden hersteld.”

„Daar huizen de uilen;” riep de vrijzinnige Callicrates. „Oud en somber
zijn daar de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn
door de sombere atmosfeer vermolmd.”

„Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,” zeide
Pericles.

„Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,” hernam Callicrates; „gij
weet, nooit mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten
schild van Athene Polias [44] in den tempel van Erechtheüs door een
ander vervangen worden—nooit mag het in zijne leelijkheid veranderd,
maar steeds met een of ander voorwerp omhangen worden!”

„Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude
tempels huizen,” hernam Pericles, „en we beraadslagen met Phidias: laat
hij ons vertellen, wat hij wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de
Acropolis vestigt!”

Phidias stond in gedachten verzonken.

Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn
schouder legde: „houd op met mijmeren—schud de grootsche gedachten,
welke gij in uw hoofd koestert, wakker, want haar tijd is gekomen!”

Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen:

„Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de
burghoogte en hare rotsterrassen met hem heb afgemeten—hoe wij
cijferden en rekenden en geheime plannen smeedden, niet wetende,
wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.”

„En welke plannen waren dat?” vroegen de mannen. Phidias deelde mede,
wat in stilte reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol
geestdrift luisterden zij naar hem.

„En zal niet,” vroeg een der mannen, „een zoodanig werk, evenals reeds
eens is geschied, verijdeld worden door de afgunst der priesters van
Erechtheüs op den burg?”

„Wij zullen over die afgunst zegevieren!” riep Ephialtes uit.

„De schat van Delos,” zeide Pericles, „zal nedergelegd worden aan de
voeten der Godin—in het achterste gedeelte van den tempel zal hij
geborgen worden: en zoo zal op de schitterende hoogte van de burgrots
dezelfde tempel de onderpanden van Athene’s macht en grootheid
vereenigen!”

Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles
toe. Hij echter ging voort, alsof hij zich plotseling bezon, met een
blik op den lauwertak en de roos in de handen van de schoone vrouw:

„Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen
Alcamenes en Agoracritus. Aan wien van deze twee Aphrodite’s geeft wel
de schoone en schrandere vreemdelinge de voorkeur?”

„Is dezen hier ook eene Aphrodite?” vroeg de Milesische, op het beeld
van Agoracritus het oog vestigende; „Ik heb haar voor eene strengere
Godin gehouden, voor eene Nemesis [45] bijvoorbeeld.”—

Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend
ter zijde op een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend,
toen hij dit woord hoorde.

„Eene Nemesis?” herhaalde Pericles, „inderdaad, die beteekenis is
treffend. Is Nemesis niet de strenge Godin der maat, wier
overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in dit werk van Agoracritus
schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van ’t geheele
wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna
dreigend, bijna schrik aanjagend. Voor ’t overige, zijn Cypris, de
Godin van de liefelijke maat, en Nemesis, de wreekster van de
overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins verwant?
Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de
omheining der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene
Aphrodite gebeiteld heeft, dan kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen
eene plaats geven. Het werk van Agoracritus echter, ’t welk eene
heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming, naar ik
meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de
kunstenaar haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen
toevoegen.”

„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik.
„Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.”

„Wien derhalve, schoone vreemdelinge,” zeide Pericles, „zult gij nu den
lauwertak en wien de roos overreiken?”

„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen
overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle
kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken
hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te
dingen!”

Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De
schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en
bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht.

„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen
verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij
zelven.”

Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de
beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat
ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt
mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor
zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?”

„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone
Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de
beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat
een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft,
heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk
geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het
geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de
innerlijke voortreffelijkheid.”

„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het
schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in
strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.”

„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer.

„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor
bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.”

„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende
gelegenheid uitstellen.”

De zonderling haalde de schouders op en ging heen.

„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel
tevreden gesteld,” merkte Pericles op.

„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat
hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de
leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn
tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne
ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht
tot verzoening geneigd.”

„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles.

„Socrates [46], de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes.

„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben;
hoe heet zij?” vervolgde Pericles.

„Aspasia!” zeide Alcamenes.

„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op
de lippen als een kus.”



II.

TELESIPPE.


Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en
peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds
bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der
Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias
gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om
aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan
verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld
der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende
oogen drong door tot in het diepst zijner ziel.

Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’
gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en
besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende
knoppen schieten.

Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend
Anaxagoras hem kwam bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den
wijzen Clazomeniër [47] door vriendschap verbonden, was Pericles nog
steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe onderzoekingen, welke
Anaxagoras’ heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen. Nieuwe
meeningen waren het, welke die stoute denkers—en Anaxagoras nam onder
hen eene eerste plaats in—verheven boven de kinderlijke beschouwingen
der vaderen, uit de diepte van hun nadenkenden geest, begonnen te
verbreiden.

Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het
binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend
bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman
opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in
gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft.

„Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den
heuvel de Pnyx [48] samen geroepen?” vroeg de grijsaard, den Olympiër
in ’t gelaat ziende; „ik herinner mij dat ik u slechts bij zulke
gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.”

„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het
zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees
of ik het zal kunnen doorzetten....”

„Gij zijt strateeg” [49] hernam Anaxagoras, „gij zijt bestuurder der
openbare inkomsten, gij regelt de openbare feesten, gij zijt—de Goden
mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke de Atheners u
met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen
heeten; om ’t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in
een vrijen staat—gij zijt de grootste redenaar, die men den „Olympiër”
noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht
is verbonden, evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?”

„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den
steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat
geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik
vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe
ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens
weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten
langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu
heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest
gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer
weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van
deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland
verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe
met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met
vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak
begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht
vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.”

„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en
kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos
overgekomen?”

„Ik vrees het wantrouwen,” hernam Pericles, „’t welk geheime en
openbare tegenstanders uitzaaien. De oligarchische partij is niet
geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er vrienden der Laconiërs zijn en
dezulken, die het licht en het reine en het schoone haten. Hebt gij het
zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der Agora
zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit
den geest geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden
eene troef uitspelen, die voorloopig de menigte ten volle op mijne hand
zal brengen. Er zijn arme burgers, die van de hand op den tand leven en
die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden hun arbeid staken
en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering
gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen [50] uit de staatskas
schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels,
die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar
het entreé-geld niet kunnen betalen. Zij zullen er van staatswege heen
mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te doen
vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te
jagen. En die goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het
lot worden gekozen om aan de vele gerechtshoven als assessoren te
worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet meer zonder
schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen
hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten.

„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich
van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo
is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de
toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede
komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden
daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner
zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon,
benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de
Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.”

„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift
gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt
mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.”

„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in
het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van
uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u
toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met
het altijd overijlde en soms ondankbare volk?”

„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij
niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een
Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het
onmetelijk heelal.”

„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der
staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal
uitloopen.”

„Daarvoor zal ik mij in acht nemen!” riep Anaxagoras. „Niet alleen de
dichters, maar ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken
wenk, zijn door een daemon [51] bezeten, die hen bezielt, en hen schier
onbewust tot datgene drijft, wat voor het oogenblik waarlijk
noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras
oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid
bezielde mannen. Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur
verdiept en overal daarin een besturende Geest gevonden; de geest
echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen en werken dan
in het oordeelen...”

Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van
Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de
echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden.

Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de
meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen
van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op
genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld
gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst,
aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds
naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu
noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge
dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen.

Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot
zijn vriend:

„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te
beschouwen.”

Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.

Zij begaven zich naar het peristylium [52] van het huis.

Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker
versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.

Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene
republiek moet de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich
tegen het wantrouwen zijner medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder
berekening en bedoeling zal een man, die zich rusteloos aan het welzijn
van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds een weinig
verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in
Pericles’ huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die
met dat eigenaardige en liefelijkste deel van het huis, met dezen door
zuilen omgevene opene plaats, op de wijze van eene zaal gebouwd, overal
gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het binnenste der woning en
tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van alle
gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met
frissche lucht van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon,
maan en sterren, die onbelemmerd hare gouden stralen uit de hoogte op
de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen vertrouwelijk tjilpend
uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten. Niet
aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het
woonhuis, als ’t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te
verschaffen aan den vrijen, en toch vertrouwelijken, bekoorlijken
familiekring. Hier zat men, hier wachtte men ook wel bezoekers af. Hier
nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook de huisoffers
ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het
altaar van den haard-beschermenden Zeus [53].

Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf,
strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der
kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten
en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met
bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het
vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed
omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang,
die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde
van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de
vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die
tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek
afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium
opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene
voorzaal, vormde.

In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door
eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van
het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen.

Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat
ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar
uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de
boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare
ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een
grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen
niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles,
was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van
haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij
er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen
minder ongunstig uitkomen.

Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren
echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen,
maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier
dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken.

Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het
grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had,
en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en
raadsman van haar echtgenoot op.

Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener
Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken
beducht.”

Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener
binnen, die aanstonds door den langen gang naderde.

De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus [54]
gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek
[55] toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam.
Hij droeg, om uiterlijk zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om
het voorhoofd, en daarover den Apollonischen lauwerkrans [56] op het
hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag,
door een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en
een schuwen, zwervenden blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de
aarde ontrukt, met goddelijke zaken vervuld was.

„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed
geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste
waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan
als een noodlottig moeten beschouwen.”

Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.

Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit
het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool.

„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder
hevig knetteren.”

Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne
wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts
van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met
een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek,
een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het
kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige
bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te
vinden.

De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige
trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde,
zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn
naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.

„Heil u, Alcmaeönide,” riep Lampon; „heil u, zoon van Xantippus,
overwinnaar der Perzen bij Mycale [57], edele spruit uit het geslacht
der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers [58]! Heil u, overwinnaars
van Thracië [59], van Phocis [60], van Euboea! Vroeger bezat de ram
Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen Thucydides, en
Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter zal de ram Athene
slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der
oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met
wijsheid en fierheid de lotgevallen der Atheners!”

Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak
zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers
te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht
zullen vergezellen.”

„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe.

„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna
aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een
geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken
toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij
gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet
ongevallig.”

Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in
ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken
achteloos golfden en vertrok.

„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch
tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel
aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene
te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne
holen krassen!”

Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze
met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam.

Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen
volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende
de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan
de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar
ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen
ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden
de bovenlip.

„Elpinice, de zuster van Cimon!” [61] fluisterde Pericles Anaxagoras in
het oor. „Laten wij naar de Agora gaan; want tegen deze beide vrouwen
te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.”

Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij
en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den
drempel van het huis de straat op.

Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de
dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder
beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste
schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk
geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken.
Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige
luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de
liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen
verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele
leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het
gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een
uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare
Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten
veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te
hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde
bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig
talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor
haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor
haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker
Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en
Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op.

Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos [62] bracht
Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar
Athene. Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem
lief gekregen en wenschte aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger
veld te openen. Hij bewerkte, dat aan Polygnotus door de Atheners
opgedragen werd om den tempel van Theseus [63] met schilderijen te
versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij, die juist
naar deze pracht van kleuren de „bonte” of de „beschilderde” [64]
genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje [65]. Daar het huis
van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde de
jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der
Grieksche helden over de gewelddadige behandeling, door Aiax Cassandra
[66] aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de
schoonste van Priamus’ dochters, onder de Trojaansche gevangenen, de
trekken van Cimon’s zuster. Zij weigerde den kunstenaar hart en hand;
doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren
vervlogen, maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds
voort, nadat Cimon gestorven en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was
geworden.

Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een
korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar
geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene
zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele
wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt.
Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten,
als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den
weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar
onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze
vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor
de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van
het belachelijke op het wezen.

Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te
bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de
hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard
had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen
datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande,
dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de
schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen
echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige,
eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was
een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende
hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog
onveranderd hart.

Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners
verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn
terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van
Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering
van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.

Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds
stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal
beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette
zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad
en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet
ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem
vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die
Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar
Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner
welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken,
wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.

Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende
vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het
gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart
gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar
te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam
bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar
die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen
hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken!

Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte
vrouw met een knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak
rekende, hem, den vriend van het schoone te betooveren, dat maakte,
naar Cronion’s [67] raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik
tot een wreedaard.

Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos
nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm
tot haar:

„Elpinice, gij zijt oud geworden!”

Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij
boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van
Pericles, den Olympiër, meldt.

Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige
woord had gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die
woorden was, wier gevolgen Clio’s [68] stift moest opteekenen. Het
woord: „Elpinice, gij zijt oud geworden!” kon het begin zijn van eene
lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland...
burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van
elken aard; de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord
voortspruiten. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd
heeft: gij zijt oud?

En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden
gesproken!

Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging
weg.

Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette
Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door
zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen
was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed
te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot
terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag,
verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij
integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte
ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de
Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog
knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is
zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed
toegehapt—toegehapt in den rotten appel!”

„Arme Pericles!”

Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook
zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den
nieuwen tijd nog meer.

Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon
placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of
„mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.”

Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne
sympathieën voor Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen
den naam „Lacedaemonius” [69] gaf, en die in zijn geheele wezen meer
van een Spartaanschen houwdegen, dan van een beschaafd opgevoed en
levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen, dat
zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het
belachelijke overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije
en opgeruimde levensopvatting der Atheners afkeerig was, en bevorderde
die door den ijver, waarmede zij het huiselijke leven van hare
tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die
vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor
Telesippe, Pericles’ gade.

Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd,
deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in
alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk
boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig,
belachelijk en eerwaardig.

Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend,
den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen
zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen.

Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation [70]
waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij
over straat ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot
op mond en oogen, placht te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe
eene stoel voor haar en verzocht haar te gaan zitten. Elpinice was zeer
netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed. Met niet
minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen
met haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een
omgeslagen en bevallig dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden „saccus”
[71] omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane [72] versierd was,
dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem het
voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de
beide kanten van het gezicht der eerwaardige Elpinice.

„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan
gewoonlijk. Hoe komt dat?”

„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij
hebben toch van daag een wonder in huis gehad.”

„Wat zegt gij?” riep Elpinice. „Is olie of wijn bij het plengen
gestort? Of hebben de balken zonder bekende oorzaak gekraakt? Of is er
een zwarte hond [73] in huis geloopen?”

„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het
voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de
opzichter hem in de stad.”

„Een ram met één hoorn?” riep Elpinice uit. „Bij Artemis [74]! het
verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den
Brilessus [75] moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de
lucht zijn gevallen. Sommigen willen ook eene staartster in den vorm
van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene godenbeelden moeten
onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden moet
zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi [76] hebben
neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met
zijn snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van
alles—verbeeld u: de priesteres der Eumeniden [77] te Orchomenus [78]
moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!—Gij hebt toch een
waarzegger laten roepen?”

„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe.

„Lampon is goed!” hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. „Hij
is de beste van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden
voorspellen, maar men moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei
boven het vuur houdt en uit de barsten zijne waarzeggingen put, of
wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt, geheele
woorden en letters opmaakt, dan er hoenders bijzet en er op let, wat
zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand, uit helder water uit wat men
wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is een knap man, op
wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven,
alsof het de priesteres [79] op den drievoet te Delphi gezegd had.—Maar
gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken heeft uitgelegd!”

„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de
heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok
den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon.

„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de
goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram
slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den
vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van
staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u
voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om
mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar
niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze
niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich
in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch
nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.”

„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder
dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn
vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich
zelfs spottende aanmerkingen.”

„Sedert den dood van mijn broeder Cimon,” riep Elpinice uit, „hebben we
de Sophisten [80] in het land gekregen, die Godenverachters!”

„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de
godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het
huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van
den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus [81]
kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in
den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige
priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst
door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en
tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu
beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een
huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken
steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn
huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke
aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik
waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst
mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s
morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat
ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk
mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken
Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft
hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats
van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt,
hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen
naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer
heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting
eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf
Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en
ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een
slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van
huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft
versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens
die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae
verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat
hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet
bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar
genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden
aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in
mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en
raadslieden van Pericles!”

Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare
bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere
slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor
den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde
het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van
een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij
aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te
naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was.

Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek
voort te zetten.

„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was
het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds
Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades [82], den zoon van
Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid
in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed.
Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen
goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en
zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens
Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in
behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in
een hoek en de paedagoog [83] viel bij hen in slaap zoo weinig moeite
veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef
hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter
zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon
wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden
niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het
wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of
„Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus
niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus.
En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de
Mormo [84] komt” of daar is de „Empusa” [85] of de „Acco” [86] of „de
wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee
als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel
van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en
allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al
dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus
bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden
en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede
onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium
rond, alsof hij in de renbaan te Olympia [87] was. Weldra had hij
genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja
eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals
hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium,
kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen.

„In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen
kameraad met eene soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand
echter werden zij er aan gewoon, sloten zich bij hem aan, als hij weer
’t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met alle aandacht toe.
Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs, al wat
de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard
openbaarde zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken
bedachten. Zij deden alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval.
Toen ik nu van de Mormo, de Empusa, de Acco, den wolf of het bijtende
paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen Xanthippus en Paralus
Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo, de
Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik
mijne macht over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De
paedagoog is een oud man, een slaaf in den dienst van ons huis
vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn been brak en dien
Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht
over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer
deugde. Nu is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker;
zij vernielen en breken alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij
klouteren op, waar zij maar kunnen, en vallen er af, dat het mij
verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen in huis worden
geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen en afgeranseld. Kom ik dan
eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal [88] dan
kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en
Alcibiades kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het
peristylium op tot aan de kroonlijst. En Pericles? Wanneer ik hem mijn
nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades in
bescherming tegen de „suffers.”....

Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die
schreiend binnen kwam stuiven.

De beide andere knapen volgden hem op den voet.

„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax,
die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen
voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader
Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus
de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.”

„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte
Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te
troosten.

Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen
Alcibiades.

„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige
oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”—

„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de
bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben.
Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen.
„Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen
afranselde?” snauwde zij hem toe.

„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds
klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde
trekken.”

Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.

„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat
ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug
te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge
hond”—

„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades
beleedigd uit.

„O Zeus en Apollo,” bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna
den jongen tot zich trekkende, ging zij vleiend voort: „Gij zijt zeker
een moedige knaap en zoo ge onder den grooten Cimon, mijn broeder,
geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen hebben om de Perzen te
verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen heel anders
dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En
zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes,
zonder de beenen te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te
nemen. In de worstelschool strekten zij, wanneer zij op het zand zaten,
de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet door beleedigd werd, en
stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne jeugdige
ledematen in het zand uit. ’s Morgens zag men hen dun en licht gekleed,
ook wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij
leerde daar oude, degelijke stukken, zooals „Pallas, de
Stedebedwingster” of een gezang van Simonides [89], niet zulke
weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen,
waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven.
Bedenk, zoon van Clinias, weldra zult gij ook met uwe makkers naar de
school gezonden worden, gij zult de spraakkunst leeren en gymnastiek en
de lier bespelen en op de fluit blazen.”

„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat
staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij
blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon.

„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.

Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies
Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht
uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg.

Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich
oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg
den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren
en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij
het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen
dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het
gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over
den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing.

„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield,
„gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien
ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om
bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had
kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de
heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!”

„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe
tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het
eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er
aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer
wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de
raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude
spoor lichten!”



III.

DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.


Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het
huis van Pericles hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den
grooten schouwburg van Dionysus naar den voet der zuidelijke helling
van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts de straat in, die
tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van den
Areopagus [90] tot aan de Agora doorliep.

Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt
van het Atheensche leven en verkeer ligt in den Ceramicus [91]. Het
ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene:
naar het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de
westzijde den Nymphen-heuvel, waaraan in zuidelijke richting de
beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar het noorden ligt eene
middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in het
noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte Coloneüs [92].

Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op
de Agora neder.

Op het midden daarvan verheft zich het altaar der twaalf groote
Olympische Goden. Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien
door sagen verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In
de nabijheid van deze standbeelden der stamhelden is aan ieder der
negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene, zijne openbare
werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel der
gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het
„bouleuterion” en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den
Tholus [93].

Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze
verzamelplaatsen; men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus
begeven, die mannen, welke behooren tot de afdeeling van den Raad,
welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen ziet men
over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt
Pericles, de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij
neemt afscheid van zijn geleider Anaxagoras en begeeft zich in den
Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze mannen, die de onderwerpen,
welke in de volksvergadering zullen behandeld worden, vooraf bespreken
en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te
overleggen.

Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der
Atheners en fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken
zich daar uit.

Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van
tinnen en zuilengaanderijen, die in de stralen der zon schitteren, het
groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig, steeds in dankbare
herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen en
weldadig het druk gewoel beschaduwen.

Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in
tallooze winkels de bonte, welriekende en veelvuldige rijkdom der
Atheensche markt uitgestald.

Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en
visch, gevogelte en wild—verdienen zij onze vluchtige beschouwing,
omdat ze zich op de markt van het oude Athene aan ons oog vertoonen?
Waarom niet? Wat onder Attica’s hemel is gerijpt, is edeler dan andere
streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere sappen
gekruid.

Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze
zachte, sappige groenten heeft Megara [94] gezonden. Deze ganzen, die
heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het vette Boeötische
land.

Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige
bewoners der zee. Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die
toch met olie besmeerd, in gekruide bladeren gewikkeld en in heete asch
gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen en duurste
lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles
uitgestald, wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche
kusten heerlijks wemelt. Deze sardijnen daar uit de naburige baai van
Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om zoo te zeggen, het vuur maar
behoeven te zien om gebraden te zijn.

Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te
dragen, kan op de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur
te oordeelen, is zelfs het sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden;
de verkooper ten minste roemt het lendestuk als eene lekkernij. Zijn
buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne
welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de
voorkeur verdient en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten
is, een ware „athletenkost.”

Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken—evenwel de
Olympiërs zelven hebben een welgevallen daarin en versmaden geenszins
de offers—en begeert ge aan fijnere en edeler geuren u te vergasten,
begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche blikken van een
meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener
houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg
tot aan het graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem,
de liefde, de dood, de vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet
slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd, ja zijn geheele lichaam met
kransen bij het symposion [95], ook de magistraat zet zich den krans op
’t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt, en eveneens de
redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde
volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen;
den klimop en zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet;
hyacinthen woelt het gaarne door het groen der myrthen; maar bij
voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje lief te hebben, want
zijne dichters spreken van „het met violen omkranste Athene.” Nu echter
bevinden we ons op de pottebakkersmarkt, den trots van den Atheenschen
kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude tijden deze
geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de
voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk
gezegend, naar alle wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn
geboortegrond, evenals zijn Attisch marmer, met den fijnen
kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij zijne
voortreffelijke klei en marmer verleende.

Zie toch van de kleine, platte phiale [96] zonder hengsels en voeten,
tot aan den reusachtigen pithos [97],  die honderd amphoren wijns
bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles eene zekere
netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele
hengsels, deze hydriën [98], deze reukfleschjes, met nauwen hals,
waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze en met klokkend geluid
vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze bekers, van
allerlei vorm, zij zijn alle schoon.

Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het
gebruik moest dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja
zelfs het vat, waarin de Griek zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de
spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart, is schoon. Het mist
noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de
goedberekende omtrekken.

Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te
midden van waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die
het betaalt, het doet ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer
de omgeving van den mensch den hartverheffenden stempel der schoonheid
draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den besten zin
het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt.

Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de
kleerenmarkt, waar, met de inheemsche dracht modes van het buitenland,
als mantels uit Megara, Thessalische hoeden, schoenen uit Amyclea [99],
en Sicyon [100] liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we
de boekenrollen beschouwen, die daar meest in cylindervormige kasten
ten toon staan. Gaarne zouden we de breede bladen van beschreven
papyros ontvouwen, die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden
met elpenbeenen of metalen knoppen versierd zijn, door ronde of gele
perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw der roepers,
het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen
verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners.

Een kolenbrander uit Acharnae [101] en een marskramer uit Halimus
prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren aan. Bij hen sluit
zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke
lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten:
„koopt olie!” „koopt azijn!” en daartusschen maken stadsomroepers
bekend, dat deze en gene waren gelost zijn, of kondigen den prijs aan,
die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal of het
terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het
marktgewoel mist, zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of
dochter naar de markt. Hij stuurt zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen
persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal.

Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus [102] een
tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot
koopsters op de markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters
en koopwaren tegelijk. Daaronder zijn fluitspeelsters en danseressen,
die zich laten huren voor de symposiën der rijken, om vroolijke gasten
te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als in den
Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en
bankiers, om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen.

De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de
Agora te bezoeken, en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan
gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen.
Aanhoudende omgang met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal
heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid: in de winkels, in de
gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de
werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de
Athener ternauwernood, of laat ze over aan de heffe des volks.

Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het
midden der bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de
duizend Scythische boogschutters, die als huurlingen de markt der
Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van stads- en
politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit
het verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch
koeterwaalsch, zooals ze het Grieksch radbraken en door—den onlesbaren
dorst hunner kelen.

Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die
ongunstig afsteken bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken,
vol uitdrukking, der inboorlingen. Die buitenlanders zijn plomp en
onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn gebouwd en alles is
vuur en spier in hen.

De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als
zij zich haasten; in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets
edels. Zelfs die kolenbrander uit Acharnae houdt zich recht en die
marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen gewaad met moeite
voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen glans
heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort
van trots om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt,
zijne armen heen en weer; doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust.
In de oogen van al deze mannen staat de spreekwoordelijk geworden
„Attische blik” te lezen. Wat deze blik beduidt? Het is moeilijk te
zeggen. De „Attische blik” is, als het geheele wezen der Atheners, een
spiegel van zeer verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke
eigenschappen. Ieder oogenblik is deze Attische blik gereed in Attisch
gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De Athener schijnt
ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch
gezegde, als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren
geestigheid en weet die te gebruiken.

Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een
man, wiens gewaad en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden,
terwijl hij echter met de oogen van een onbekende rondom zich ziet.
Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven, heeft naar den
prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij
bezwaren te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren.

Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij.

„Ik kan niet wijs worden,” zegt de vreemdeling tot den bandkramer,
misschien aangemoedigd door den blik van nieuwsgierigheid of
deelneming, welke deze op hem sloeg, „ik kan niet wijs worden uit de
bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil afzetten...”

„Zijt gij dan een vreemdeling?” vroeg de bandkramer.

„Ja zeker,” hernam deze. „Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen
en dat wel vóór pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil
in ’t vervolg liever een vreemde te Athene zijn, dan burger te Sicyon,
waar ik het van mijne vijanden hard te verduren gehad heb.”

Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch
burger, maar een vreemdeling was—hij had hem voor een raadsheer
aangezien—hief hij ’t hoofd nog meer op en zeide met eene soort van
welwillendheid:

„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren
onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t
mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl
hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de
vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het
daarboven uit Laurion [103] delven. In de geheele wereld vindt ge zulk
fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons
kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene
kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge
slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan
krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier
obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes
obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge
daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en
den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen.
Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels;
voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een
schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge
u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt
ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve
mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer
klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig
zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze
wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor
weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt,
dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden
met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige,
inlandsche knoflook kauwen.”

Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene
geweldige stem, die over de markt klonk. Het was de stem van den
heraut, die nu mondeling de schriftelijke oproeping aan de Atheners,
welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde, om zich op de
Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou
geopend worden.

Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen,
welke als teeken der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad
wapperde, heinde en verre zichtbaar.

Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van
gisting onder de menigte.

Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal,
waar zich menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig
gesprek, dat niet zelden zeer hoog liep. De stem van den heraut
wakkerde het vuur van het politieke gesprek tot een nieuwen en
helderder gloed aan.

„Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het
staatsschip van Delos is overgebracht!” riep er een uit het midden van
eene groep burgers.

„Drieduizend talenten zijn het!” riep een tweede.

„Zesduizend!” viel levendig een derde in. „Zesduizend talenten zeg ik
u, zijn van Delos overgekomen—zesduizend talenten, baar geld.”

„Hoezee!” riep een vierde en sprong op van blijdschap. „Waar geld is,
zegt het spreekwoord, daar blaast de wind lustig in de zeilen!”

„Wat de nieuwe gebouwen betreft,” sprak een vijfde uit de groep met een
bedenkelijk gezicht, „vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den
burg, daar heb ik vrede mee; maar wat het rechterloon betreft en vooral
de gelden voor den schouwburg—”

„Wat? Gunt gij die dan het volk niet?” klonk eene stem uit de groep der
arme burgers den spreker tegen.

„Ja wel!” hernam gene. „Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal
gaan. De oligarchen zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het
volk? Dat zullen de vele Laconer vrienden niet toestaan. Neen stellig
niet!”

„Ik geloof integendeel,” meende een ander, „dat de schouwburggelden
gemakkelijk zullen doorgedreven worden, want de menigte volks is immers
op Pnyx tegenover de oligarchen in de meerderheid. Maar wat betreft de
bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van Pallas Athene...”

„Hoe?” vielen verscheidenen den spreker in de rede, „wilt ge dat we
niet bouwen zullen?”

„Dat niet,” hernam gene. „Ik meen slechts...”

„Kom, wacht toch!” viel hem iemand in de rede, „laten we eerst Pericles
hooren!”

„Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!” klonk het in den kring.
Alleen de worsthandelaar Pamphilus trok den neus op en zeide:

„Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?”

„Waarom niet?” gaf men hem ten antwoord, „Pericles is
verstandig—Pericles meent het goed met ons—Pericles is de man, aan wien
de Atheners het vet op de soep te danken hebben—Pericles is hier de
eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads weten te
zeggen.”

„Wat?” riep de dwarsdrijver; „niets kwaads? zeggen dat niet alle
ouderen van jaren dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft
met Pisistratus, den tyran?”

„Dat is waar,” hernam Phamphilus. „Ook heeft hij, wat niet allen bekend
is, een zoogenaamden uienkop.”

„Wat? Een uienkop?” riepen de toehoorders.

„Wel zeker, een uienkop!” hervatte de ander. „Weet toch,” vervolgde hij
geheimzinnig, „dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een
knobbeltje heeft, zoodat zijn hoofd eenigermate spits toeloopt, niet
ongelijk aan een ui.”

„Malligheid!” riepen de anderen. „Heeft een uwer dezen uienkop van
Pericles ooit gezien?”

„Niemand!” vervolgde de andere levendig. „Niemand heeft hem gezien! Dat
is zeker. Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In
het veld draagt Pericles zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt
hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede. En waar het niet voegt, nu
daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte
b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en
gewoonlijk heeft hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op.
En zoo is het volkomen waar, dat niemand nauwkeurig het hoofd van
Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand het gezien heeft, ligt
het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is; want wanneer
het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo
zorgvuldig te verbergen?”—„Ja zeker, natuurlijk,” zeiden vele
toehoorders, met goedkeurend gebaar; „het lijdt geen twijfel, dat
Pericles’ hoofd een uienkop is.”

„Wanneer dat zoo is,” merkte lachend een van de oligarchische partij
op, die zich in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen
blik op eenige armoedig gekleede mannen, die ook naar het gesprek
luisterden: „wanneer de volksvriend Pericles een uienkop heeft, dan mag
hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste vrienden en
aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.” Sommigen lachten om de
geestigheid van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende,
zijdelingsche blik getroffen had, bevond zich ook de marskramer uit
Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal uit zijn donker oog
schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een scherp
woord naar het hoofd te slingeren.

Op dit oogenblik naderde hem een man, die ’t geen hij op de markt
gekocht had, in de plooien van zijn gewaad droeg.

„Hei daar, Phidippides!” riep een van hen hem toe, „hebt ge weer een
half uur staan pingelen, oude schacheraar?”

„Ja zeker!” hernam Phidippides: „voor deze beide nietige vischjes vroeg
het wijf twee obolen!”

„En ge kreegt ze ten laatste—?”

„Voor één,” hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er
aanstonds bij: „ongetwijfeld deugt het goed niet, anders had het wijf
het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt altijd bedot.”

De toehoorders lachten. „Phidippides,” vervolgde de man van zoo straks,
„gij zijt een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de
verkwisting van Pericles, die nu hebben wil, dat wij den bondsschat,
die hierheen gekomen is, voor allerlei loon- en tooneelgelden en voor
een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis zullen
besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?”

„Pallas Athene beware mij daarvoor!” riep deze uit. „Moge de zegen van
alle Goden komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles!
Ik heb daar niets, niemendal tegen in te brengen, integendeel, ik zeg:
wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom van Athene op den burg
moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen zou
verslinden.”

„Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en
met de staatsgelden zijt gij zoo mild?” vroegen eenigen.

„Ja zie,” hernam Phidippides, „in huis, daar loont het de moeite niet
vrijgevig te zijn of op een weelderigen voet zich in te richten.
Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer veroorlooven de bezigheden het den
Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet hij naar de markt, dan
weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner wijk
of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of
eene club, of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te
gaan zien—wanneer dan, vraag ik, is de Atheensche burger thuis? De
Atheensche burger behoort aan den staat en de staat behoort aan hem;
daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard, maar
royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen
huis verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en
misschien brengt mijn zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik
daarboven op de Acropolis help bouwen, dat blijft en dat laat ik na aan
mijne verste nazaten!”

„Phidippides heeft gelijk!” zeiden de mannen, terwijl ze elkander met
een goedkeurenden knik aanzagen.

Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten
koste van het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw.

„Alles met mate,” zeide hij. „Men moet met de hand en niet met den zak
zaaien. Als we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het
trotsche gebouw der Atheensche macht en grootheid komt smadelijk ten
val!”

„Moge het u op den neus vallen!” riep de nog altijd verstoorde
marskramer van Halimus, terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde.

De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: „Ziet toch eens de
rijkste mannen van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten
roem kunnen behalen: niet door prachtige huizen voor zich te bouwen,
maar door schepen voor den staat uit te rusten, door koren uit de
openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere
dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar
waarin zij onder elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen,
door meer te doen, dan wat van hen gevorderd wordt. Is er iets,
waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan hiervoor, hoewel zij
er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl zij zich
zelven bijna tot armoede brengen?”

„Inderdaad,” viel de oligarch in, „zoo handelen de rijken. Ongelukkig
echter komt het thans bij die diensten meer op uiterlijken praal aan,
dan op het degelijke en waarlijk belangrijke. De Triërarchen gaan
dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets anders
dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor
voor een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze
choreuten [104] tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen
tijd op met allerlei zoetigheden en lekkernijen, en moeten het
bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd overwonnen
wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen
ons verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het
voorbeeld der mannelijke, krijgshaftige Spartanen.”

„Hij is een vriend der Laconiërs!” riepen sommigen uit den kring op
spottenden toon.

„Ja, zeker een vriend der Laconiërs!” zeide de oligarch. „Ik herhaal
het, wij moeten het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze
heerlijkheid niet lang duren, vooral als wij voortgaan met de teugels
van den staat hoe langer zoo meer in de handen van onbemiddelde,
hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.”

De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze
woorden van den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een
zijner kameraden tot bedaren.

„Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,” ving thans een
uit den kring der mannen aan, „en ik zou wel willen weten, wat die
beteekende. Ik zag eerst een groote duisternis rondom mij uitgebreid.
Toen zag ik een man komen—hij had de trekken van Pericles—en eene
fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste als
eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom
in een helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door
hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken—deze
werden al dichter en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten
laatste verdween de fakkel geheel en al achter deze en werd het weer
even donker als te voren. Het was eene zeldzame afwisseling van licht
en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?”

„Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,” hernam een der
toehoorders.

„Gij dwaalt,” zei de oligarch. „Droomen hebben steeds eene beteekenis.
Ik zelf ben eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op
een schip wilde begeven, dat later met man en muis in de golven
verdween. De Goden hebben niet gewild, dat ik op zulk eene wijze zou
omkomen.”

„Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!” schreeuwde de kramer van
Halimus, die zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen.

De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had.
Het scheen, dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde
zetten.

Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men
het met den spotter eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem
toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige vuisten te lijf wilde,
achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen. Het
volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te
slaan, want het uur van de volksvergadering was gekomen.

Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds
gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne
nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat
zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het
gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm
is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben
slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood
een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt
uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede
een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas,
ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook
niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht
van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug
zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren
willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten,
als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond
te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan
eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen
aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne
bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als
parasiet [105] of sycophant [106] te leven, wel bekome het hun. Ik
echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil
drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer
van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe
wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag
op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik
Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van
Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon
mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te
wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn
hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons,
kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad
of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot
één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch
toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene
zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn
nu eenmaal autochthonen [107] en hebben onbetwist het zuiverste, meest
onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat
het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te
helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat
hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen
van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig,
zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de
bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden
ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg.
Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles
toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat
wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat
wij eene volksregeering hier in Athene hebben....”

Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een
Atheensch burger was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij
naar den winkel van zijn vriend, den barbier Sporgilus, liet zich door
hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne medeburgers in de
volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne
mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn
teruggekomen.

Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door
een der zoogenaamde Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo,
dat alleen die straat vrij bleef, welke naar den heuvel der Pnyx
leidde—een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners, die
gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te
herinneren, dien zij moesten inslaan. En daar het touw met menie
bestreken was, om hen, die er over heen sprongen rood te verven, zoo
liep de achterblijver groote kans zich aan gelach der spottende menigte
bloot te stellen.

De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de
Pnyx in. De kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander
van hem te zullen hooren. Tot aan de afsluiting van de plaats der
volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen.

De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde
van de stad zich uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof
van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel, ten zuiden eene nog diepere
kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt, van den
Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile
hoogten. Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de
vlakte af, op de oostelijke helling echter, in de richting van de
Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in een halven cirkel, den
grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne
oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst
gebaande wegen voeren tot deze deels door de natuur, deels door
menschenhanden gemaakte hoogvlakte heen, die in overoude tijden het in
rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God droeg.

De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte
bereikt. De slagboomen waren geopend, doch aan den ingang stonden de
Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren met de lijsten der
Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde in de
vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter
zijde.

Het volk stroomde het wijde, omheinde perk binnen, waarover alleen de
blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den vreemdeling,
die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met
nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de
ruimte, die zich met de dichte massa’s van het aandringende volk vulde.
Hij zag den achtergrond van den heuvel door een rotswand afgesloten,
waaruit een hooge steen zich verhief, in den vorm van een dobbelsteen.
Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar de redenaars tot
het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen. In
oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar
van den oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten
zich achter elkaar een aantal steenen banken uit, waarop een deel der
vergaderden plaats konden nemen.

Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en
liet zijn blik van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden.
Hij zag vóór zich de geheele stad der Atheners, in een kring om den
heiligen berg der Acropolis gelegen, die op geringen afstand juist
tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde
rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den
berg der Acropolis verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een
reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend, de Aresheuvel, de gewijde
plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende heiligdom der
Eumeniden [108].

Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de
Lexiarchen stonden, bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier,
evenals op de Agora, de aard der Atheners. Ieder oogenblik weerklonken
de kreten van den Lexiarch: „Vooruit, Eubulides! praat niet zoo lang
bij den slagboom!” „Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het
gedrang. Maak plaats voor de volgenden!”

De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge
ambtenaars het bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het
gedrang der toestroomenden enkele personen te wijzen, die hem tot de
eene of andere aanmerking aanleiding gaven.

„Ziet ge,” zeide hij, „daar ginds de beide mannen, met hun lange
ongekamde baarden en hunne sombere gezichten, met die korte en grove
mantels en een dikken stok in de hand? Hunne ooren staan plat tegen het
hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander met hunne ijzeren vuisten
om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die minstens
eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen,
welke wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen
en hier gaarne alles zoo zouden willen zien, als het daar is...”

Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: „die daar is
Phidias—Phidias, de beeldhouwer, die de groote Athene Promachos op den
burg heeft gemaakt—de schaar, die hem omstuwt, zijn zijne jongeren,
zijne leerlingen en helpers—die stemmen allen voor Pericles.”

Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra
stootte hij hem harder aan: „Zie daar, dat is Pericles! De strateeg
Pericles!”

„En die hem vergezellen?” vroeg de Sicyoniër.

„Dat zijn ook strategen,” hernam de marskramer.

„Hoe heeten zij?” vroeg hij.

„Dat mogen de Goden weten!” antwoordde de kramer. „Ik geloof, dat er
tien strategen te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.”

„En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?”
vervolgde de Sicyoniër.

„Dat zijn de negen Archonten!” zeide de marskramer.

„Zijn deze niet,” hernam de Sicyoniër, „van alle overheidspersonen bij
u het meest in aanzien?”

„Ja wel in aanzien,” hernam de marskramer, „maar toch wij stellen de
strategen hooger.”

„Hoe zoo?” vroeg hij.

„Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,” antwoordde de kramer met
een beteekenend gezicht. „Bij de Archonten zien wij op ouderdom,
onbesmetten naam en een eerwaardig uiterlijk. Groote eer geniet zulk
een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen; zijn persoon
wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem
uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem
geweest zijn. Wij veroordeelen hem—raad eens waartoe? Om een
levensgroot standbeeld uit zuiver goud den God te Delphi te wijden.”

„Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?” riep de Sicyoniër
verbaasd uit, „dat kan immers niemand betalen.”

„Juist daarom!” hernam de marskramer. „Een schuldenaar van den staat,
die niet betalen kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid
gestraft. Zulk een Archont blijft derhalve zijn geheele leven lang
eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote eer genoten, zoo moet
hij nu ook groote schande daarvoor dragen.”

„Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den
bedelzak op den schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den
ingang de volksvergadering tracht binnen te dringen?”

„Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?” sprak de bandkramer.
„Dat overal bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn
heer gefolterd geworden en van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft
er ook zijn verstand half bij verloren en begaat nu, als bedelaar
rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen, waar Atheensche
burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds
wordt hij hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met
smaadredenen en scheldt op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij
dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs met steenen is geworpen, wanneer
de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming neemt, die zich
gaarne over den „dollen Meno”—zoo noemt men hem—ontfermt en dien gij
ook nu weder in zijne nabijheid ziet.”

Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners
de ophanden zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was
een teeken, dat de vergadering geopend was. Nu haastte zich ook de
kramer van Halimus de omheining binnen te gaan, terwijl hij met een
mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam, die
voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol
vogelnest klonken de verschillende stemmen der Atheners, die zich de
groote ruimte binnen drongen.

Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver
over de heuvels. En het werd stil.

De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den
kramer uit Halimus had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte
mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen die wijd uitgestrekte ruimte,
door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld, geschiedde. Zijne
standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte kon
heenzien.

Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als
reinigingsoffer geslacht, onder begeleiding van een priester werd
rondgedragen, en dat met het bloed daarvan de grond en de banken werden
besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder vuur werd ontstoken en
dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam hij de
stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit
het midden der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het
voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het
volk gedane voorstellen van den strateeg Pericles en de toelichtingen
van den Raad bevatte, hoe toen wederom de heraut zich verhief, om te
vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij zag, hoe nu de
redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik,
zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk
spraken; hij zag hoe het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf,
nu eens met ingehouden adem luisterde, dan onrustig werd, eerst zacht,
als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen wordt, dan weder
onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat door
den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten
der Prytanen stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der
meeningen in de volksmassa tot een handenstrijd dreigde te ontaarden,
hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist tegen een oligarch
balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder luide
verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote
volksmassa, als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen,
terwijl de oligarchen morden of verstoord zwegen; dan zag hij weder
dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen hunne tevredenheid aan
den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring lucht
geven.

Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en
gemoedsstemmingen eenige uren voorbij.

Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele
woorden tot het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte
beklimmen. Wederom heerschte er eene volkomene stilte onder de schare
der Atheners.

Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den
Olympiër noemden, te midden van het volk. Hij maakte geene levendige
gebaren; zijne hand hield hij rustig in zijn opperkleed. Maar zijne
stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen
der luisterende schare. ’t Geluid dier stem drong door tot den
Sicyoniër, die zonder zelfs de woorden te verstaan, als door eene
betoovering bevangen naar de klanken luisterde, die zoet en liefelijk
waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als de
rollende donder in de lucht.

Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn
oppergewaad te voorschijn halen en ze recht vóór zich uitstrekken,
heenwijzende naar de naburige, zich tegenover hem verheffende hoogte
van de Acropolis.

Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne
hoofden en blikken in de richting der uitgestrekte hand van den
redenaar, naar de heilige hoogte van de Acropolis, die schitterde in de
stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het was alsof die heilige
hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen,
geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die
van de Acropolis afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend
starende Atheners af te spiegelen. Het was als zagen zij daar bij den
klank van Pericles’ stem voor de oogen van hun geest iets opstijgen,
wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het scheen
alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele
heerscherskronen zou overleven en vele menschengeslachten voorbij zou
zien gaan en in heerlijken luister rustig zou blijven schitteren tot
aan het einde der dagen.

De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër
wegsterven; hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe
hij van het spreekgestoelte afsteeg onder de jubelende kreten der
Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk tot stemmen uitnoodigde,
hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde, hoe
de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den
Prytaan door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd.

Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte
stemming daalde het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde
de Sicyoniër zijn vriend Halimus te gemoet en riep hem reeds uit de
verte toe:

„Hoe is het afgeloopen, kameraad?”

„Wij hebben alles toegestaan!” riep de man uit Halimus met fonkelende
oogen.

„Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,” ging
hij voort, „en de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden
toegestaan. Stel u de blijdschap van het arme volk voor, toen wij, ten
spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze schoone zaken hebben
weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van Pallas
op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en
met het groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige
gaanderijen, door welke de feestelijke optocht der Panathenaeën
voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds door Phidias
ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar
thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner
bezitting zou willen geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel
voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles dien ons geschilderd en,
ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts eenigen van
die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels—gij kent ze
wel—maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe
worstelschool en het Odeon [109] was men ook al reeds begonnen; men kon
met den grooten marmeren tempel op den burg nog best wat wachten; het
bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad Pericles op.

„Wanneer gij Atheners,” sprak hij, „dit heerlijk werk naar het plan van
Phidias en Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben
reeds Hippias en Hipponicus en Dionysodorus en Pyrilampes en vele
andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte gedaan, den bouw op
eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het
Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!”
Dit was genoeg. Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder
luide kreten de handen op te steken en toe te staan, wat Pericles en
Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist met den grootsten
ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door
Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk
uiteen te zetten, en zegt: „Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene
zoo en zooveel kosten; uit marmer of brons echter slechts
zooveel.”—Toen klonk het van alle kanten; „uit goud en ivoor! Geen
karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!”

Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn
nieuwen vriend uit Sicyon.

Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx
komenden overal verspreidden.

Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen,
prachtige tempels, schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over
dit alles verheugende, als stond het reeds voltooid daar en als ware
het eene versiering van zijn eigen huis, ging de marskramer van Halimus
door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan allen, die hij
ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in zijn
vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van
zijn huis met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de
woorden: „Wij hebben alles toegestaan!”



IV.

DE PANSGROT.


Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des
vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht
scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een
onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het
rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van
Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland
stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er
waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het
fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een
niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de
metopen [110] en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen
gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de
beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de
opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te
plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen
datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk
te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der
groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de
werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans
een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met
muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van
den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de
kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige
marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het
marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit
naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke
kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun
kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en
allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De
steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het
ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten
gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen
vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te
vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en
wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten
wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles
werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor
den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche
helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige,
taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen
land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok
met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip
ééne groote kunstenaarswerkplaats.

Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den
Goden welgevallig streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte
hoogte van de Acropolis daar, als een oud heiligdom en een sterke burg
der Atheners te gelijker tijd, om wier voet de woningen in den omtrek
zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot een „burg”
maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige
muren, die haar ten noorden en zuiden beschutten.

Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en
ons op dit oogenblik de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich
de breede hoogvlakte aan ons voor. Overoud puin ligt er verspreid,
overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog bruikbare is
uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk
uitgegraven en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen
fondament, grootendeels op oude overblijfsels rustend, tot aan de
oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen. De overige vlakte is
bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden.
Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van
allerlei aard vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het
kloppen van hamers gehoord en het knarsen der touwen en het doffe
dreunen van steenen en balken en het roepen der opzichters, die het
heir van arbeiders leiden en aansporen.

Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand
gebracht werd op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig
gedenkteeken van den ouden tijd, evenals een grauwe, half vervallen
toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven aanrollen,
als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te
stuwen. Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der
Atheners; het geheimzinnige, sombere heiligdom van den „slangvoetigen”
Erechtheüs, den Attischen Stamheros,—tevens de vereering van den zeegod
Poseidon [111], van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene
Polias in zijne gewelven omvattende,—half verwoest in den Perzischen
oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld.

Zonderling klonken de sagen van Erechtheüs uit de overoude tijden van
het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas Athene aan de
dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas
geboren „slangvoetige” kind van onzekere afkomst had overgegeven, met
het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop’s
dochters—zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse—door nieuwsgierigheid
gedreven, de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke
slang omkronkeld, hoe daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van
ontzetting over dien aanblik, zich van den hoogen rotswand van de
Acropolis nederstortten. De jonge Erechtheüs echter groeide op onder de
hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer der Atheners.
Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod
wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd.

De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der
Atheners voort in eene slang die altijd in het heiligdom wordt
verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige beschermster des tempels
geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer.

Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is
zout, alsof het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij
het waaien van den zuidenwind, zeggen de Atheners, bemerkt men daarin
het zachte bruischen der zeegolven. En geen wonder; want, naar de
bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag van zijn
geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen,
toen hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land.
Nog zijn in den rotsachtigen grond de sporen van den drietand des Gods
aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen aanschouwen. Pallas Athene
echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien, den olijfboom,
waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen
van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde
de wijze Pallas Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning
op den machtigen drietandzwaaier. Ook dezen overouden heiligen
olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had hem
verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden
weder herrezen en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste
monument echter in het gebied van het Erechtheüm is het overoude beeld
van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand gesneden,
maar uit den hemel gevallen. Erechtheüs zelf had het opgericht en
onveranderd—zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom van
Erechtheüs den dienst verricht—moet het op die plaats bewaard blijven,
tot in de verste tijden. Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de
donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige wijgeschenken zijn daar te
vinden: een houten Hermesbeeld [112], voortdurend, sedert den tijd van
Cecrops, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst,
een eigenaardig gevormde zetel, dien de kunstenaar Daedalus [113] in
overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische
oorlogen: buitgemaakte wapenrustingen en zwaarden van overwonnen
Perzische aanvoerders.

Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus.

Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd
worden; alleen offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht.

Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde
„huis van Erechtheüs,” hetwelk verscheiden tempelzalen voor de
vereering der bovengemelde godheden bevat en aan de noordelijke helling
van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak daartegenover
zal men het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten.

Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel
verricht.

Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias
gereinigd en op nieuw bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige
wijze te geschieden. Het is een godsdienstig feest als een ander, en
dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne sieradiën en
gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe
aangewezene personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat
niemand ongeroepen dezen tempel zou binnentreden is er een koord voor
gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt.

De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het
haar—want haar hoofd is met golvende lokken voorzien—wordt zorgvuldig
gekamd en opgemaakt, haar lichaam op nieuw getooid met kransen,
diademen, halskettingen en oorbellen.

De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen,
verwijderen zich. Weldra ziet men nog maar twee mannen op de trappen
vóór den ingang van den tempel staan en zich samen onderhouden. De een
van hen is de priester van den Erechtheüs-tempel, Diopithes. Zijn
gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des
tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als
eene snoode verstoring van de heilige plechtigheid voorkomt.

Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de
priester van Erechtheüs en de hem ter zijde staande priesteres van
Athene Polias stamden, was het oudste en geruimen tijd het
aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere tijden
hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter [114]
te Eleusis [115], met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden
waren, als Hiërophanten of opperpriesters van deze geheimzinnige
feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische hiërarchie
[116] zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de
Eteobutaden deze vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die
het gemoed van Diopithes, den tegenwoordigen priester in het heiligdom
van Erechtheüs op den burg, verduisterde.

Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande,
begon hij tot den man, die met het onderworpen gelaat van een
vertrouwde en helper naast hem stond en die niemand anders was dan
Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles was geroepen om
het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren.

„De vrede,” zei hij, „is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op
haar de woelige schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou
mij niet verwonderen, wanneer de Goden zelve weldra van het gedruisch
van die dwaze en goddelooze menschen zich terugtrekken. Want dwaas en
goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den Goden behagen. In
plaats van vooreerst het overoude heiligdom van Erechtheüs in
heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood
der tijden, toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen,
is hersteld geworden, beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel
nieuwen, onnutten prachttempel vlak tegenover dat oude, eerwaarde
heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd van deze
plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze
prachttempel als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen,
die heimelijke godloochenaars. Zij willen dezen ouden eerwaardigen
tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen eeredienst
willen zij verdelgen en met hem de echte vroomheid; zij willen op de
plaats der oude tempels en der oude godenbeelden zulke oprichten, die
door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar geen
gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden,
dit „huis der jonkvrouw”, die Parthenon? Een tempel zonder priesters,
zonder eeredienst, een praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor
de schitterende feesten der Panathenaeën, en daarnevens—doch neen, niet
daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene schatkamer, eene
bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of
oneerlijke wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van
dit goud plaatsen zij in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat
beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor? Een maaksel zal het zijn
van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke
tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings
vervaardigd—goddelijk is zijn oorsprong en door goddelijke genade is
het den Atheners ten deel gevallen!”

Zoo sprak Diopithes.

„Het is een booze tijd,” zeide Lampon met goedkeurenden knik. „Het
eenvoudige, het oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet
meer geacht en weldra zal het menschelijke in laatdunkenden trots zich
boven het goddelijke willen verheffen.”

Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan:

„Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw
hebben overreed, weten toch één ding niet, wat wij Erechtheüs-priesters
weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere
menschen kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den
prachtigen gevel en den hoofdingang van hun nieuwen tempel willen
oprichten, tot die plaatsen behoort, die men de „onderaardsche” noemt,
tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht neerstrijkt, of
hij, die het doet, valt dood neder, als door een giftigen adem
getroffen. Laat ze maar bouwen, de Atheners, op die ongeluksplaats; zij
zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek daarmede op zich laden! Het
is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen weten, van
waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den
kampstrijd met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de
Atheners voor alle tijden tot onverstandigen raad!”

„Onverstandig zijn zij,” hernam Lampon, „en onverstandig zijn hunne
leidslieden, omdat zij naar de leer luisteren van hen, die zich
wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen. Naar Pericles hooren de
Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër, die
de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil
terug brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd
ik in het huis van Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren,
dat zich daar had vertoond. Er was namelijk op Pericles’ landgoed een
ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren. Ik deed wat men
verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne
prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles
zweeg geheel stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte,
alsof mijn werk ijdel en mijne uitspraak dwaas was!”

„Ik ken hem,” hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne
oogen, „ik ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar
den Piraeus een gesprek met hem over Goden en goddelijke zaken en ik
zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke is. Zulke mannen mogen in
onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons gekomen, dat
de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars?
Neen, nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen
naam!”

Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den rechterkant een scherpen
blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig gesprek
gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde,
over de westelijke helling opgingen.

„Mij dunkt,” zeide Diopithes, „ik zie daar den onverstandigen raadsman
van het Atheensche volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist
aankomen. Aan zijne zijde gaat, wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een
van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die den eerwaarden Aeschylus
[117] meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die
fijne, slanke jongelingsgestalte, die aan de andere zijde van Pericles
gaat?”

„Dat is zeker,” antwoordde Lampon, „die jonge citherspeler uit Milete,
dien Pericles, naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem
gezien wordt.”

„Een jong citherspeler uit Milete?” vroeg Diopithes, de goedgebouwde
gestalte van den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, „ik
heb tot dusverre slechts geweten, dat Pericles een kenner en
bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne, nu zie ik dat
hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij de
Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër,
maar den beheerscher zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als
schenker te dienen. Het verwondert mij echter, dat deze zoogenaamde
Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg is om zich openlijk
voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.”

Terwijl de Erechtheüs-priester zoo den jongeling, die met Pericles was,
te gelijk met afgunstige en wellustige blikken beschouwde, waren de
drie mannen genaderd.

Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan
Diopithes als een citherspeler uit Milete had doen kennen. De
treurspeldichter, die zich eveneens in gezelschap van Pericles bevond,
wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken jongeling, en richtte
bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was schoon en
van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een
vroolijken, hemelschen glans omstraald.

Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te
gemoet, de wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van
datgene wat Phidias en Ictinus in de eenzaamheid hadden overpeinsd en
ontworpen. Men kon het den man wel aanzien, dat het zijn werk was
onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen de
steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de
Acropolis. Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af
bij den donkeren baard, die het omgaf. Het niet minder donker,
doordringend en bliksemend oog scheen geheel vervuld van den gloed der
zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd. Zijn gewaad
onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden.
Achteloos hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was,
dien hij zijn chiton noemde, om zijne gebruinde ledematen. En evenals
hij nu onder de schare der werklieden arbeidde, zoo had hij reeds menig
jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en die hij
onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan
het nut zijner medeburgers gewijd.

Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen
der werken. Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde
grondvesten, die samengevoegd waren uit reusachtige, vierkantige
steenen.

„Gij ziet,” zeide hij, „dat het fundament gereed is, benevens de drie
groote marmeren trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna
over den geheelen zuidelijken kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn
ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken en eveneens de omtrekken
der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld der Godin,
en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen
wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in
het ruwe bearbeid; want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het
geheel in algemeene trekken samengevoegd daarstaat, en gij moogt
voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen is. Gij
zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias
eveneens...”

„Ik kan mij best voorstellen,” hernam Pericles, „dat de nauwgezette
Ictinus nooit over zich zelven te vreden is.”

„En Phidias evenzoo,” herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. „Dagen
lang zitten zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en
bladen vóór zich, en rekenen en passen, peinzende over de juiste
tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten en kapiteelen;
dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken van
zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de
balken wat te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot
bevinden en wenschen dat het hier beter zal worden. En dan rekenen en
meten zij weer en zijn het onderling niet eens en nemen proeven om te
zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de andere, en
hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan
de afstand der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en
onder moet verdunnen, hoeveel hier van den Dorischen, daar van den
Ionischen stijl [118] moet ontleend worden, en hoeveel strepen de
uitwijking van dien balk of van die kroonlijst of van dat kapiteel of
fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene tot nu toe
onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.”

„Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en
kunstenaarsblik benijden!” riep Pericles.

„Hij heeft het oog van een valk,” hernam Callicrates. „Gij kunt u niet
voorstellen, hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien
man is. Hij heeft den duimstok altijd in de hand, maar hij gebruikt hem
zelden, want zien is hem even zeker als meten en uitrekenen. Het
aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend, dat hij
kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip
heeft. Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en
hij tast en voelt met een vinger, die ziet. En met Phidias is het
evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij hebt het zeker wel uit zijn mond
gehoord: „geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar den heelen
leeuw vormen!”—Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn
kunstgevoel voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.”

„Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen
worden, als hun oor?” zeide de dichter. „Wij dichters en
toonkunstenaars” en hij wierp bij deze woorden een blik op den jongen
citherspeler—„wij voelen de kleinste fijnheden en afwisselingen in den
rhythmus [119] en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den
leek niet merkbaar zijn.”

„Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,” vervolgde Callicrates
glimlachend, „dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en
teekens op het papier brengen. Maar begrijp wel, dat al dat fijn
gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen op het papier, ook
uitgevoerd moet worden—uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof. Zie
hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft
opgegeven, zooals hij het verlangt te hebben—die moet ik nu in harden
steen ten uitvoer leggen op eene reusachtige schaal, en toch zoo
nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof ik het met een
fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.”

„Het is gemakkelijk te begrijpen,” zeide de dichter, „dat het moeite
moet kosten die fijne evenredigheden en rechte lijnen in het
reuzenschrift der marmerblokken, bij de verschillende vormen, overal in
acht te nemen.”

„Rechte lijnen zegt ge!” riep Callicrates met een bijna spottenden
glimlach uit. „Rechte lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan
een stumper ook wel klaar komen. Maar zulke komen er niet voor in de
ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat Ictinus zegt? „Om recht
te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in de
werkelijkheid zijn.”—Zie maar eens hier naar die fundamenten en de
trappen, die naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze
oppervlakte werkelijk zoo recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet?
Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte verheft zich naar het
midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor het
gezicht berekende kromming. En diezelfde zachte, onmerkbare kromming
zult ge later ook bij het groote werk, schoon in geringere mate, terug
vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel wil
Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de
fundamenten er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij
evenmin iets volkomen loodrechts dulden, maar de naar boven krom
oploopende lijnen moeten even zacht weder naar beneden afloopen. Zonder
deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking
gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou
het, in plaats van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof
het in den grond weg wilde zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven
van deze en dergelijke kunstgeheimen der beide meesters, maar bedenk
eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet aanleggen, om
in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare
afdalingen naar beneden, de blokken, de steenmassa’s, de zuilbrokken,
naar die fijne berekeningen, toch haarfijn en vast en stevig in elkaar
te voegen?”

„Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,” viel
Pericles levendig in: „ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en
Phidias maar laten meten en berekenen; het is toch in den grond der
zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang, welken die
mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken
weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver
kunnen doen genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.”

„Zoo lang hier een steen op den ander blijft,” zeide de dichter
goedkeurend, „zal wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze
beiden, eerst in hunne ziel hebben aanschouwd, en dan in getallen en
berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel der toeschouwers met
overweldigende kracht aangrijpen.”

„Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,” viel
Callicrates lachend in, nadat hij een poos met scherpen blik den
Erechtheüs-priester en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden
loerend en luisterend nog steeds aan den ingang van het Erechtheüm
stonden.

„Met blikken van verbeten woede,” vervolgde Callicrates, „ziet die
Erechtheüs-priester steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn
blik beantwoorden. Wij plagen elkander en tusschen mijne lieden en
zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.”

„Het kan ons ook niet verwonderen,” zeide Pericles, „dat de
Erechtheüs-priester vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn
oud heiligdom te herstellen, vlak voor zijne oogen een nieuwen tempel
op. Want wie toch zou het wagen de schennende hand aan de eerwaardige
geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?”

„Ja, waarlijk,” hernam Callicrates, „het is veel beter de uilen daar te
laten nestelen. Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die
mannen daarginds willen niets weten van de nieuwe godenbeelden van
Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen en kammen de oude
en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo
eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog
met een uilenkop afgebeeld zien.”

„Daar naderen Phidias en Ictinus,” zeide de dichter, naar den anderen
kant heenziende, „wij zullen nu hen zelven hooren.”

„Gij zult niet veel hooren,” hernam Callicrates. „Phidias is stil,
zooals ge weet, en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken
over zijn vak te spreken. Beide mannen zijn slechts onder elkander, met
niemand anders, spraakzaam.”

Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een
onaanzienlijk gebogen mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne
gelaatskleur vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en
gepeinsd. In zijn gang echter had hij iets haastigs, iets onrustigs,
dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed denken.

Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter
die bij hem was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en
teedere vormen sloeg hij een zonderlingen blik. Hij scheen hem te
kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus had het voorkomen van
iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en hij scheen
voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen.

Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had
gezegd, en wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: „Meester
Ictinus, wilt ge niet als een deskundige de vraag beslissen, die
Pericles en mij en den jongen citherspeler straks een geruimen tijd
heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u, bouwmeesters,
konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht te
doen rusten, maar een ietwat breed gelid, ’t zij in den vorm van het
Dorische kapiteel of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven.
Sommigen beweren, dat dit geschiedt, om het te doen voorkomen alsof de
last van het taflement de zuilen uiteen houdt—en den top als ’t ware
naar beneden drukt—”

Ictinus lachte bij zich zelven. „Zuilen dus van leem, van deeg of
boter?” antwoordde hij op sarkastischen toon. „Mooie zuilen
voorzeker—zuilen van leem, die zich plat laten drukken—ha, ha, ha—mooie
zuilen.”

„Gij lacht dus om deze verklaring?” riep de dichter: „zeg dan zelf,
waarom doet gij het?”

„Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou
zijn!”

Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen
blik uit zijne grijze oogen en ijlde weg.

De mannen lachten.

„Ik zie,” vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, „dat de werken
goed vorderen. Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig
voortwerken. Wij moeten gebruik maken van de gunstige omstandigheden,
die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote oorlog zou alles
stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene
te voltooien.”

„Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke
gevelgroepen en van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen
ijverig bezig,” hernam Phidias.

„Denkt ge er niet aan,” vroeg Pericles, „Polygnotus te ontbieden, opdat
ook hier, evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel
in de uitvoering van de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch,
ik herinner het mij, gij koestert geene hooge gedachten van de
zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen, nog een weinig
onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van den
beitel.”

„Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,” hernam
Phidias; „maar het voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik
datgene wat ik in mijn geest zag, voorstellen, en dat kon ik alleen met
den beitel.”

„Welaan,” zeide Pericles, „dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas
alleen de rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een
gedenkteeken worde van het beste, wat wij vermogen. Wij zullen
Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos te stellen.
Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor
het oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch
onvoltooid tempeltje, dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere
van de ongevleugelde zegegodin. Mocht toch, als ik eens van het
wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te wenschen
overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene
pijnlijke gedachte. Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige,
gestrenge Phidias alleen zich zelven voldoen.”

„Dat is juist het moeilijkste,” hernam Phidias.

„Vreest ge niet de tegenstanders?” vervolgde Pericles. „Geef acht, wij
hebben overvloed van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt,
is niet allen welgevallig.”

„Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!” [120] hernam Phidias met de
woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige
beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het
oude en het nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen
aether zich verhief.

Toen verwijderde Phidias zich om Ictinus weder op te zoeken.

Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne
wandeling over de hoogte van de Acropolis voort.

De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den
jongen citherspeler. Hij zelf toch was ook een voortreffelijk
beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en scherpzinnig wist de
jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd zeide:

„Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog
niet, dat zij zoo wijs tevens zijn.”

„En ik,” hervatte de jongeling, „heb de treurspeldichters der Atheners
altijd voor zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo
beminnelijk konden zijn. Ik beoordeelde namelijk onberaden uit de
dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het, dat uwe tragische
dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere
aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles,
verheven, niet zelden huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch
tevens den machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet,
die haar toekomt. Anacreon [121] toch en Sappho [122] weten, de een op
vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen;
waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen
het grootsche en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere,
echt menschelijke aandoening aan te slaan?”

„Jonge vriend,” zeide de dichter glimlachend, „geen waardiger
verdediger had de teedere, met pijlen gewapende God [123] kunnen
vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel
opgekomen, waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene
plaats zal worden ingeruimd. Ik weet niet, of die vluchtige gedachte
tot ernst zou zijn geworden; maar het treft heel goed, dat ik er door u
aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu werkelijk te
schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten
gunste der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.”

„Voortreffelijk,” hernam de jongeling; „ik zal den geurigsten krans
voor den dag uwer zegepraal voor u vlechten”—

„Een krans van roode rozen,” riep de dichter, „daar ik toch in mijn
gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.”

„Voorzeker,” hernam de jongeling, „en ziedaar, de dankbare, gevleugelde
God schijnt te willen, dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.”
De teedere slanke jongelingsgestalte ijlde tegelijkertijd op een
vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht eeuwen-oude
heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was.

„Wees voorzichtig, jonge vriend,” zeide de dichter, „gij weet niet op
welk eene noodlottige plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een
koning der Atheners [124] zich in de zee neergestort, omdat zijn
beroemde zoon, van de bestrijding van den Minotaurus [125]
terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken
zijner overwinning het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan
op deze gewijde hoogte geene plaats betreden, waar niet vonken uit het
verleden uit den grond opspatten en overoude sagen den wandelaar
omruischen.”

„En toch,” hernam Pericles, „terwijl de voet in het stof van het
verleden ronddoolt, zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het
verschiet en baden zich in de volle schoonheid en frischheid van het
heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg ons dan
over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der
Acropolis op uitloopt.”

Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op
de verheven sterkte.

„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische
strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne
bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw
verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem
Aegina [126] op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven
verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter
verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van
een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen [127] Zeus,
welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts,
korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der
helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken
held te blozen, die van daar tegen Ilium [128] optrok? Werd niet juist
daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door
ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de
Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor
Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand
reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de
woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne
harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en
leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die
geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld
van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn
geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren
uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig
delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke
Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus
bijen. Daar achter de Acrocorinthus [129] verheft zich het geweldige
Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier
in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe
[130] uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen
groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige
Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile
hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik
over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar
gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo
zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet
leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon
verhief en dreigend daarover heen blikte.”

„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het
verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats
van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te
genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet
verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig
u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land
daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u
toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo
mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden
zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en
zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen
tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der
Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den
Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst
echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der
mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren
populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad
zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de
kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad
ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn
tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te
bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te
verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen
aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke
oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het
heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus
klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne
geboorteplaats, de heuvel van Colonos [131]. Uw krijgszuchtige vriend
Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen
geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos
waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft
uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe
winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar,
bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes
en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop...”

De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere
oogen van den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn
geboorteland prees. Eindelijk vatte hij zijn hand en zeide: „Kom toch
zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met
mij en breng den dag door in mijne landelijke woning aan den
Cephissus-oever; ik zal u mijne cithers en lyren laten zien en we
zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van Arcadische herders,
een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.”

De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: „Ik zelf zal
weldra den jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning
geleiden; gij hebt ook voor uw wedstrijd in gezang en snarenspel wel
een kamprechter noodig”—

„Dus heet de jongeling Aspasius?” riep de dichter uit; „die naam
herinnerd mij aan een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten
tijd veel heb hooren spreken”—

De citherspeler bloosde.

Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid
gereikte hand van den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit
oogenblik werd een gevoel in hem levend, dat hij ongetwijfeld vroeger
reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust te zijn.

Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen
Milesiër zeer fijn, zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later
was hij overtuigd, dat de hand te fijn, te warm en te zacht was, om aan
een mannelijken arm, al was die ook nog zoo jong en teer, toe te
behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de purperen
kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om
zoo te zeggen, in zijne hand....

De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was
niet die van een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia.

Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die
eerste ontmoeting ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den
goedhartigen gastronoom, die met Pericles bevriend was, wedergezien.
Zij ontmoetten elkander dikwijls en ten laatste zouden zij het liefst
niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia kleedde zich in
mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van den
„citherspeler van Milete.” Zoo was zij ook heden met hem naar de
Acropolis gegaan. Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen
aangesloten. En zijne ontvankelijke en gevoelige ziel was zonderling
getroffen geworden. Door eene betoovering was de dichter in dit
gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij
dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand
glippen. Weldra echter greep hij ze weder en zeide met een veel
beteekenenden glimlach tot zijn vriend Pericles: „ik bemerk dat Apollo,
de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig is. Hij heeft
mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke
sluimering heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den
droom te verschijnen; maar plotseling heeft hij mij de gave verleend,
onbedriegelijk uit de hand des menschen te voorspellen, en vooral
daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het nog zoozeer
wil verbergen”—

„Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,” zeide Pericles, „en
voor u hebben de Olympiërs geene geheimen”—

„Daar doen ze wèl aan,” hernam de dichter. „Ik reken onder hen ook den
Olympiër Pericles”—

„Wat uwe chiromantiek [132] u ook over het geslacht van den Milesischen
citherspeler moge verraden hebben,” zeide Pericles, „zeker is het, dat
hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam aan te nemen.
De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze
daarentegen is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij
kunt hem niet naderen, zonder dat hij invloed op u oefent en een
zaadkorrel in uw ziel achterlaat.”

„Ik kan u verklaren,” zeide de dichter, „ook in mij heeft hij zooeven
eene dichterlijke vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot
eene heldere vlam aangeblazen. Het is zonderling, welk eene kracht
wijze gedachten, door een schoone mond geuit, op ons hebben!—Hoe
verleidelijk is het, zich aan zoo’n gewenschte macht nog langer over te
geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten
ondergang. In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof,
uit het vlek Colonos over is gevlogen, om mij te vermanen naar huis
terug te keeren. Van den hoogsten top der Acropolis tot gindsche hoeve,
die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door de wateren van
den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is
een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en
niettegenstaande de veranderingen, die inmiddels hebben plaats
gegrepen, en welke bekoorlijker zijn, dan alle die de mythen ons
verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek van
Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te
drukkend wordt, en breng daar een dag door in de eenzaamheid.”

„We zullen uwe woorden niet vergeten!” zeide Pericles. „Doch laat uwe
Muze u volgen in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten
moet ook de tragische naar den hoogsten trap streven. Gij hebt ze van
de stroeve strengheid van uw voorganger [133] tot zachtheid en reiner
menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper der
„Electra” waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en
rijpste vrucht van Sophocles’ Muze moge prijzen en genieten.”

„Mocht slechts,” hernam de dichter, „de geest van dezen citherspeler,
van wien ik nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds
betooverd heeft, mij omzweven. Het schijnt, dat hij de harten der
staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen. om zijne melodieën
daarop te spelen...”

Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde,
vriendelijke oogen; hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de
verkleede Milesische en verwijderde zich langzaam, evenwel niet zonder
nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af.

„Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,” zeide
Pericles tot Aspasia.

„Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen”, hernam Aspasia glimlachende.

„Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?”
vroeg Pericles.

„Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van
den Cephissus,” antwoordde Aspasia. „Maar laat ons nu ook de helling
afdalen, want ik gevoel mij door den zwoelen zomeravond vermoeid en
mijne lippen smachten naar een verfrisschenden dronk”—

„Welaan dan,” zei Pericles, „we gaan slechts eenige schreden rechtsaf
buiten dien muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren
vlak voor ons, die onmiddellijk uwe lippen de gewenschte lafenis zal
bieden.”

Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen
gehouwen waren, af. Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór
uit den grond ontsprong. Het was de bron Clepsydra, wier wateren soms
in den grond verdwenen en dan weer plotseling opborrelden.

Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk.

Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend
water met dartele vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water
glimlachend uit hare holle hand.

„Geen koning der Perzen,” zeide hij, „heeft ooit uit eene zoo kostbare
schaal gedronken! Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet,
haar met den dronk in te slikken.”

Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, doch op hetzelfde
oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat, dat uit
den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen,
boerschen glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat
het een vrij ruw bewerkt beeld van den God Pan [134] was, aan wien de
grot was gewijd.

„Vrees niets,” zeide Pericles, „de herdersgod is goedaardig van
karakter.”

„Soms ook van een boozen aard,” hernam Aspasia; „de verhalen der
herders omtrent hem loopen uiteen.”

„Voor ons Atheners ten minste,” hervatte Pericles, „heeft hij zich
bovenmate goed betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta
ijlde, om de Spartanen ten spoedigste tot hulp tegen de Perzen op te
roepen [135], verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen
Argolis [136] en Arcadië[136], waar hij inheemsch is; het beviel hem,
dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos over de Argolische
bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over wie hij
zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen
naar Marathon en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare
Atheners verzuimden niet, hem na de overwinning dit kleine heiligdom in
de grot op de Acropolis op te richten.”

„Pan mag zoo goed zijn als hij wil,” zeide Aspasia, „deze grot is
echter te bekoorlijk voor den boeren- en herdersgod.”

„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles, „en nog meer dan gij zelve denkt:
wanneer het namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze
grot de plaats is geweest van de belangrijkste bruiloft, die er ooit in
de Grieksche wereld gevierd is geworden—dat hier in de vertrouwelijke
schemering der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor
de rozenvingerige dochter van Erechtheüs Creüsa, zich met haar verbond
en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van onzen Ioninischen
stam!”

„Hoe?” riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, „is dit
hier de bakermat van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in
de landouwen van Attica en op de kusten van mijn geboorteland? En de
Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden dezer grot niet dag aan dag met
kransen van rozen en leliën? En in plaats van den schitterenden God
Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër,
een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?”

„Waarom,” antwoordde haar Pericles glimlachende, „waarom vaart gij zoo
heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen, onder
wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan
onder dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde”—

„Nu,” riep Aspasia, „voor één ding althans, voor de schaduwrijke
koelte, die hij hier in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.”

Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette
dien op het hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken
golfden van hare schouders af.

„Och, mocht ik toch weldra,” vervolgde zij glimlachend, „het geheele
gewaad van den citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit
hoofddeksel! Waarlijk, het wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder
dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners, wanneer zult gij het der vrouw
vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles, gij Atheners
zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd.
Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. Gij moet het
hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die
op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben
ontwikkeld”—

„En doen wij dat niet?” zeide Pericles met een veel beteekenenden
glimlach zich tot Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met
mos begroeid rotsblok zich had neergezet. „Doen wij dat niet?”
herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen zijne borst.

„Pan is luimig,” riep Aspasia. „Hij beloofde mij verkwikking in zijne
grot, maar hij schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog
drukkender te maken”—

„In der daad,” zeide Pericles, „bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht,
zwanger van den geur van de thym en wilde rozen.”

Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in
een gloeiend rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt
in den rozenkleurigen gloed. Langzaam was de zon achter Arcadië’s
bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen van den Brilessus
flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele lucht
een matte bliksemstraal.

„Aspasia,” riep Pericles, „de boodschap, die gij als Grieksche uit het
vroolijke Ionië den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het
weerlicht in die zwangere wolk, zwoel en rijk aan zegen, in mijne ziel
en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid worden, deze
boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van
geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een
nieuw vuur in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar
zijne hoogste ontwikkeling!”

Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van
Aspasia. Het was dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de
kiem van dezelfde levensvolheid en levensschoonheid, welke de vuist van
den strijder bij Marathon, den beitel van Phidias, de stift van
Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en zijn
brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde....

Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen
tot den reinsten, weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een
kus elkander beroeren, dan is dit de hoogste zaligheid van het leven en
eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk het hart der wereld van
de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken met dien
bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den Brilessus.

Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken.

Maar de wolken ontlasten zich—de menschelijke ziel voedt den gloed.
Dronken was de ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van
den berg bij het schitterend licht der fonkelende avondster afdaalde.
Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst, en zeide, met het oog op
het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van Phidias:

„O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen
der Cephissus-valleien daarin te nestelen!”



V.

DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.


Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de
rijke en aanzienlijke burgers van Athene twee mannen, die voor het
eerst trachtten, niet slechts, zooals het gewoonte was, door de
schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene tot hiertoe
ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen.

De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning
Aspasia zich ophield, een man van adellijk geslacht. De andere was
Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit den Piraeus.

Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder
dan van Triptolemus [137], den lieveling van Demeter, den stichter der
Eleusinische mysteriën, den uitvinder van den ploeg, den beschermer van
den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel had het geslacht
van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus
[138] priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was.

Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld
bekommerde zich daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het
jaar, ten tijde der groote mysteriën, was hij verplicht zich voor
korten tijd naar Eleusis te begeven.

Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin
gelegen, dat de stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus
heetten. Ieder Callias noemde zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder
Hipponicus den zijne Callias [139].

De lotgevallen van al deze verschillende Calliassen en Hipponicussen
waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan hunne
rijkdommen kwamen.

Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon [140] leefde, en een
persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den
grond tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te
maken van eene vertrouwelijke mededeeling van dien beroemden man. Ten
tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen den moed de goederen
van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische oorlogen
velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds
rijker. Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër [141],
Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij
den eersten inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had
gemaakt. Bij den tweeden inval voerden de Perzen, zooals bekend is,
alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk weg, en zijne
schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een
Callias, dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in ’t
geheim naar een plaats voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden
begraven. Callias nam de voorzorg, den Pers, nadat hij hem de plaats
gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat hij niets van het
geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had
gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te
brengen.

Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat
geslacht erfelijke talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van
zelf spreekt, geraakten de nakomelingen tot het grootste aanzien in den
staat.

Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar
den Perzischen koning of anders in gezantschappen over vrede; voor
sommigen hunner richtte men van staatswege eene eerezuil op.

Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer
aan. Hij was goedhartig van karakter en bij het volk zeer bemind.
Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas Athene eene volledige
Hecatombe [142], onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar
stammen en geslachten, en bij de groote Dionysia richtte hij voor
allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag aan in de open
lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten
plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend
te bezoeken en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door
zijne schuldeischers gegijzeld te worden, zond hij een bode met het
noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden te stellen, omdat
het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend
in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde
zich, zooals gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere
Atheners.

Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te
evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als
dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in
alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van
Melitaeïsche [143] ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid,
aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde
ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met
een nieuwen Laconischen, Molossischen [144] of Cretensischen hond, die
om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes
niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een
reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich
kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg,
’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals
vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en
twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de
kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere
personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der
letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten,
en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich
vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop
de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was
beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon
overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal
zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd
veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een
schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer
bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van
Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen
en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij
Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den
slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van
Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos [145] een paar van die
prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera
[146] waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren.
Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig
op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren
pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot
verwondering en genoegen der voorbijgangers.

Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven
uit het veld. In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners
toe, om de pauwen van Pyrilampes te bekijken. Men sprak een tijdlang
bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes.

De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles
hem beloofd had zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe,
vergezeld van Aspasia, die zich ook nu weder als Milesische
citherspeler had verkleed.

Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder
aangenaam geschenk wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes’ jonge
pauwen en schonk haar die.

Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels
en Pericles meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een
sieraad zij zulk een vogel in het peristilium harer woning achtte, dat
hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde te nemen en hem heimelijk
last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia, die in
een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen
bezorgen. Voor zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar
door het geschenk te verrassen.

Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede
Milesische volgde, trad Hipponicus onverwachts het vertrek zijner
schoone gast binnen. Hipponicus was een vrij gezet man. Zijn gezicht
was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden goedaardig
en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen
glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij
Hipponicus mogelijk was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia:

„Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed bevalt in de stad der
Atheners”—

„Daarvan komt u de verdienste toe,” hernam Aspasia.

„Niet geheel en al,” antwoordde Hipponicus. „Gij hebt in den beginne
reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en
later ook met mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem
somstijds uit zedigheid onder de vermomming van een citherspeler
vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen u de
Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij
liever met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te
bewonderen”—

„Die pauwen zijn prachtig,” zeide Aspasia onbeschroomd, „en gij moet ze
zelf eens gaan zien.”

„Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,” hernam
Hipponicus, „en ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg
aan. Nu, ieder zijn smaak; ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar
hij het vindt. Een genot, dat men t’huis heeft, verveelt gauw. En, naar
ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand aangenaam
onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.”—

Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij
iets zeggen zou.

Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: „Gij weet, Aspasia, dat ik u te
Megara uit onaangename verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar
Athene gevoerd; ik heb u gastvrij ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan.
En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor in? Verstaat ge mij,
Aspasia? Welken dank oogst ik daarvoor in?”

„Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,” hernam Aspasia, „die wil
betaling, geen dank. Ook gij verlangt betaald te worden, zooals ik zie,
voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben, naar het schijnt,
een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs
uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een
vischwijf op de markt, omdat deze prijs den kooper  te hoog is!”

„Verdraai de zaken niet, Aspasia,” hernam Hipponicus rood wordende,
„gij weet het, ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor
alles, wat ge begeert wilde koopen”—

„Zoo ben ik de koopwaar?” riep Aspasia uit; „het zij zoo, ik ben
koopwaar, als ge wilt en heb een bepaalden prijs”—

„En deze prijs—?” vroeg Hipponicus.

„Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!” wierp Aspasia hem
snel tegen.

Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel.

„Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een
goedhartige uitdrukking aan. „Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is
alles.—Een ander heeft u gekocht. Voor welken prijs—dat is zijne zaak.
Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem noch op u boos. Ik
houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een
grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij
heeft mij van eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke
Telesippe afgeholpen. Mogen de Goden hem er voor beloonen!”

Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam
te spreken, stond Hipponicus op en ging heen.

Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia’s eerste gedachte, dat het
haar nu niet langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven
genieten.

Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen
beladen, om die naar een Milesische vriendin te brengen, eene
eerwaardige dame, die sedert jaren te Athene woonde. Met Aspasia’s
moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en koesterde zelve
eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote.

Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen
gastvrijheid en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten
mededeelen, verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en
ging op weg, begeleid door een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning
op te zoeken.

Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare
verkleeding. Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld
gelegenheid te zoeken haar vriend te spreken en met hem te overleggen,
wat zij nu na hare verwijdering uit het huis van Hipponicus verder zou
aanvangen.

Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende
gemeld, dat er een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen
pauw had gebracht voor de Milesische, die in het bijgebouw woonde.

Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van
Pyrilampes, en had hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan
zou hij den vogel onmiddellijk den hals hebben doen omdraaien, echter
stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen te zeggen:

„De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den
pauw naar het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel
gekocht.”—

Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen.

Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende
menschen spoedde, ontmoette haar plotseling Alcamenes.

De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen
aan en zeide toen met een spottend lachje: „Waarheen gaat ge, schoone
citherspeler? Zeker naar Pericles?—Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne
aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger zijn dan de oude!”

„Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?” vroeg Aspasia.

„Onder anderen ook aan mij,” hernam Alcamenes.

„Aan u?” zeide Aspasia. „Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den
beeldhouwer onmisbaar was. Niets meer en niets minder.”

„Eene vrouw moet niets of alles geven,” hernam Alcamenes.

„Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,” riep Aspasia en verdween
in het gedrang.

Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en
sarcastisch. Aspasia vervolgde haar weg met spoed.

In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome
plechtigheid bezig.

Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar
zij meende, in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de
gunst van Zeus Ktesios [147] den beschermer van de huiselijke have, die
door alle vrome Atheners door huiselijken eeredienst pleegde vereerd te
worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke
gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter
schouder met wollen draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot,
van deksel voorzien, omwoelde het hengsel met witte wol, deed in den
pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder water en olie en
plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer.

Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de
portier een slaaf binnen liet, die een grooten vreemden vogel met
langen, prachtigen staart, de pooten samengebonden, op zijn armen
droeg.

De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en
ging zijns weegs.

Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende.

Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor
den maaltijd geplukt en gebraden worden?

Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke
aangelegenheden te bemoeien.

Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig
liet ze den vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen.

Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de
buitendeur binnen, en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het
himation het welbekende hoofd van hare vriendin Elpinice.

De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij
was opgewonden, hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden
heen en weder en hare lippen trilden als van ongeduld om iets te
zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten.

„Telesippe,” zeide zij, „verwijder alle getuigen of begeef u met mij in
een uwer binnenvertrekken.”

De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een
opgewonden toestand bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel
verkeering en vormde, om zoo te zeggen, het middelpunt van de
vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes brachten
groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een
binnenvertrek alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de
zuster van Cimon op een plechtigen toon:

„Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?”

Telesippe wist op ’t oogenblik niet wat zij zeggen zou.

„Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het
algemeen?” vervolgde Elpinice.

„Ach,” antwoordde zij: „zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken...”

„Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?” viel de
zuster van Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend,
spottenden glimlach. „Natuurlijk!” ging zij vorschend voort, „gij moet
het vóór allen weten, als zijne echte gade en wettige bedgenoote.”

„Ja zeker,” hernam de vrouw van Pericles argeloos.

Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide
toen:

„Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk
toch eens even na. Herinner u de schoone Chrysilla—de geliefde van den
treurspeldichter Ion, aan wie uw man, zooals iedereen weet, een
geruimen tijd het hof heeft gemaakt.”

„Maar dat is nu al lang geleden,” antwoordde Telesippe.

„Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u
opgekomen? Heeft niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen?
Niets uwe ziel met booze voorgevoelens vervuld?”

Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd.

„Arme vriendin!” riep Elpinice uit. „Zoo treft u de slag dan
onvoorbereid en verneemt ge alles op eens.”

„Spreek,” zeide de vrouw van Pericles.

„Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?” vroeg
Elpinice.

„Die naam is mij niet bekend,” antwoordde zij.

„Nu, hoor dan,” zeide de zuster van Cimon. „Aspasia is de naam van eene
jonge Milesische vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten
en avonturen, te Megara aangeland en van daar door uw voormaligen
echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik denk, dat het u niet
ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde zij zijn,
die Milesische vrouwen, de Ionische over ’t algemeen, die vrouwen van
de overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten [148], die zich over
Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen
in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de
gevaarlijkste, de doortraptste, de sluwste, de vermetelste!  ... In de
strikken van deze vrouw is uw man gevallen!”

„Wat zegt ge?” riep de vrouw van Pericles getroffen uit. „Waar ontmoet
hij die vreemde vrouw dan?”

„In het huis van Hipponicus,” hernam Elpinice. „Want zij woont in het
huis van Hipponicus. Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar
worden orgiën [149] gevierd, orgiën, Telesippe—het is verschrikkelijk
wat er gefluisterd wordt van de orgiën in het huis van Hipponicus! En
uw echtgenoot te midden daarvan!—Maar dat is nog niet het ergste. Let
wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster! Hij
vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en
alles wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de
geheele stad bekend! Tot heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu
verbreidt het zich in de stad als een loopend vuurtje, want gisteren
heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet. Gisteren heeft
hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de
Milesische Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En
van morgen is de vogel door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van
Hipponicus gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den
slaaf den pauw op de armen hadden zien dragen. Maar denk eens!
Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus den pauw niet heeft
aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge, hoe
dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En
wie heeft dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man
Pericles!—Wat staart ge me zoo peinzend aan?”

„Ik denk na,” zeide Telesippe, „over dien vreemden vogel, waarvan ge
mij vertelt. Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde
vogel door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat
Pericles hem gekocht had.”

„Waar is de vogel?” riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar
den hoenderhof, waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te
spartelen; want men had hem de pooten nog niet losgemaakt.

„Dat is de pauw!” zeide Elpinice; „juist zoo heb ik de pauwen van
Pyrilampes hooren beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten
huize van Hipponicus niet aangenomen geworden; de slaaf wilde of konde
de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht den vogel gemakshalve
naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe. Breng
toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den
huwelijksband!”

„Rampzalige vogel!” riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het
dier, „ge zult niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!”

„Slacht hem!” riep de zuster van Cimon, „slacht hem en braad hem op het
vuur en bereid uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal
[150]!”

„Dat zal ik,” hernam Telesippe, „en Pericles kan er mij geen verwijt
van maken. Om een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is
onze hoenderhof veel te klein voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft,
zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt en gebraden en opgegeten
moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij kan tegen
deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte
bersten van spijt, wanneer ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst
als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd heeft, zal ik mijn mond
open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten te
werpen.”

„Daar doet ge wel aan,” zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen.
„Ziet ge nu wel,” ging zij voort, „van welken aard de staatsbezigheden
zijn, die uw gemaal van zijne rechtmatige, wettige bedgenoote
vervreemden?”

„Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,” zeide
Telesippe. „Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen
indruk. De omgang met godloochenaars heeft hem goddeloos gemaakt. Ja,
hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst verricht hij met
een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil.
Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt
mij een amulet om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische
teekens of een stuk perkament met wonderkrachtige spreuken beschreven,
in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een amulet en hing het den zieke
om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette er niet op. Weldra
echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze het
amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter
zijde. Pericles ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot
hem, zooals mij een slaaf verhaalde, die juist in het vertrek was: „De
vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen; ik ben een verlicht
man en heb het ding weggenomen!”—„Het is goed,” hernam Pericles, „maar
ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het
hadt laten hangen.”

„Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,” zeide
Elpinice. „Ik heb nooit veel van Pericles gehouden—hoe had ik ook met
den tegenstander van mijn voortreffelijken en onvergelijkelijken
broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden, sedert
hij geheel en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias,
Ictinus, Callicrates en al die menschen geworden is, die nu met hun
eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en die iedere ware verdienste
op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al deze mannen
met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele
Polygnotus, de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo
hoog schatte, ledig moet loopen?”

Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten
laatste op, om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het
Peristylium. Daar onderhielden de beide vrouwen, naar de gewoonte dier
kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk het laatste woord kan
vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote nieuws
van den dag.

Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen.

De jonkman was van eene in ’t oog loopende schoonheid.

De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man,
volgens de strenge Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren
als aan den grond genageld.

En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling,
dien zij zagen?

Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden
als innemend tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het
hem gelegen kwam het bezoek van een vreemdeling te ontvangen.

„Mijn man is uit,” antwoordde Telesippe.

„Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen
zien?” zeide de jongeling. „Ik ben,” vervolgde hij, de harde namen met
opzet nog scherper uitsprekende, „Pasicompsus, de zoon van Execestides
uit—,” hij durfde niet zeggen, uit Milete, want een enkele oogopslag op
de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem gevoelen,
dat hij met het noemen van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder
gunstigen indruk zou maken. Den minsten argwaan wekte hij zeker,
wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen.

„Ik ben,” zeide hij derhalve, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit
Sparta. Mijn grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles
door banden van gastvriendschap verbonden.

Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit
Sparta kwam, was zij in de wolken.

„Welkom, vreemdeling,” zeide ze, „wanneer gij uit het land, der goede,
oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest, dat gij, een telg van
het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en slanke
gestalte zijt?”

„Ik sloeg uit den aard,” hernam de jongeling. „Men heeft mij ginds te
Sparta steeds voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor
iemand gebeefd, die met mij wilde vechten. Ik heb menigeen voor mij in
het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij hielden mij toch steeds
voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters te
ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het
ruwe Sparta terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou
gekregen hebben. Vooreerst denk ik mij hier te Athene aan de schoone
kunsten, die hier bloeien, te wijden.”

„Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,”
zeide Elpinice. „Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een
van die steenhouwers, welke hier te lande zoo talrijk en overmoedig
zijn.”

„Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,” hernam de jongeling;
„maar van het kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als
iemand van ons geslacht; hoewel ik die kunst niet behoef uit te
oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den Goden zij dank, van
mijne eigen middelen—”

„En hoe bevalt u Athene?” ging Elpinice voort, „en hoe bevallen u zijne
bewoners?”

„Zij zouden mij best bevallen,” zeide de jongeling, „wanneer zij allen
zoo eerwaardig en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo
spoedig na mijne aankomst in dit huis deden ontmoeten.”

„Jongeling!” riep Elpinice verrukt uit, „gij doet uw land eer aan! Ach,
dat onze Atheensche jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O,
gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche moeders en vrouwen en maagden!”

„Is het waar,” vroeg nu Telesippe, „dat de Spartaansche vrouwen de
schoonste van geheel Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren
verzekeren.”

De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden.
Zijne neusvleugels bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een
weinig, toen hij minachtend zeide:

„Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan
zijn de Spartaansche vrouwen de schoonste.—Maar wanneer fijnheid en
adel van vormen beslist,” voegde hij er na eene kleine pauze bij,
terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de gestalte en het
gelaat van Elpinice liet weiden, „dan is het billijk den prijs der
schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.”

„Jongeling uit Sparta,” zeide Elpinice, „gij spreekt als de meester
Polygnotus sprak, toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen
kwam; en mij verzocht of hij voor de schoonste dochter van Priamus op
de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde versieren, mijne
trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte
galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.”

„Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?” riep de jonge man uit met
levendige gebaren van verbazing. „Wees gegroet! Van u en uw broeder
Cimon, den vriend der Laconiërs, vertelde mij telkens mijn grootvader
Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een knaap op zijne knie
speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor mij! En
thans herinner ik mij de schoonste van Priamus’ dochteren op de
schilderij van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de
bonte galerij ging, en ik weet niet of ik meer de schilderij van
Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij zoo op u gelijkt, dan u, dat
gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus’ dochter!”

De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare
waardigheid. Doch een traan welde op in haar oog en zij moest hem
wegpinken. Haar hart was ontroerd. Zooals deze jonge Spartaan tot haar
sprak, had in geen dertig jaren een jongeling uit haar eigen vaderland
tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen
willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar
stond, naar den drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij
beloonde hem met een teederen blik.

„Amycle,” zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om
eenige huiselijke bezigheid in het peristylium kwam, „hier kunt ge een
landsman begroeten: deze jonge man komt uit Sparta.”

Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: „Deze vrouw
was de min van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als
bloedverwant en vaderloozen zoon van Clinias, in huis heeft genomen. De
gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn als voedsters overal
gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij ons als
huishoudster.”

De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe,
roodwangige vrouw in den breeden tongval van haar land hem begroette,
met een spottend lachje, terwijl de min van haar kant met blikken van
twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna weelderige vormen van
haar zoogenaamden landsman beschouwde.

„Zulke forsche, krachtige gestalten,” zeide Telesippe, de huishoudster,
die zich verwijderde, nastarende, „worden uwe Laconische vrouwen.”

„Hadden zij niet den vollen boezem,” zeide de jongeling, „dan zou men
ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het geoorloofd is
van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes
u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met
den discus [151] en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den
wedloop meten. Zij zijn forsch en stout en dragen haar rokje kort, ter
nauwernood tot aan de knie en dan nog met een split.”

Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het
Peristylium binnen geslopen, had den vreemden, schoonen jongeling
nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden opgevangen.

„Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?” vroeg hij; terwijl
hij plotseling achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne
prachtige donkere oogen den vreemdeling strak aankeek.

Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen
knaap.

„Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,” zeide Telesippe.

„Alcibiades,” vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, „doe uw
opvoeder geen schande aan door onbescheiden te zijn. Het is een
Spartaansch jongeling die daar voor u staat.”

De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het
voorhoofd te geven.

„Zonder schoenen,” zeide hij daarop tot hem, „loopen de jongens in
Sparta, zij slapen op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden
jaarlijks voor het altaar van Artimis [152] tot op het bloed toe
gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht in alle
soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in
de kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den anderen kant
behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk
verboden, zich meer dan eens of twee maal in ’t jaar te baden en te
zalven.”

„Bah,” riep de kleine Alcibiades.

„Overigens,” vervolgde de vreemdeling, „zijn zij in klassen verdeeld en
de jongeren hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds
zoeken te leeren, wier goedkeuring zij trachten te verwerven en die zij
met hart en ziel zijn toegedaan.”

„Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,”
sprak de knaap met fonkelende oogen, „dan zou ik u kiezen.”

De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een
zoen te geven.

Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot
dusverre kalm, dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene
geweldige ontroering. ’t Was alsof eene huivering hare leden
doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde en fluisterde haar
zacht in het oor:

„Telesippe, deze jonge man—”

„Welnu?” vroeg zij even zacht.

„O Zeus en Apollo!” zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem.

„Wat is er dan toch?” vroeg Telesippe in spanning.

Wederom boog zich Elpinice naar het oor harer vriendin.

„Telesippe,” fluisterde zij, „ik zag straks—”

„Wat zaagt gij?” vroeg Pericles’ vrouw beangst.

„Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van
den chiton aan zijn borst een weinig openging, toen zag ik”—en weder
stokte hare stem van ontroering in de keel.

„Wat hebt ge gezien?” vroeg nogmaals Telesippe.

„Eene vrouw!” bracht Elpinice er met moeite uit.

„Eene vrouw?”

„Ja, eene vrouw!—Het is de Milesische. Zend den jongen weg en laat het
overige aan mij over.”

Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde
echter niet; hij wilde liever bij zijn „vriend” blijven. Telesippe
moest Amycle roepen om den weerbarstigen jongen weg te brengen.

Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel
beteekenenden blik toe, richtte zich fier en streng op, trad op den
vreemdeling toe en keek hem een tijdlang met doordringend oog aan.

De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon’s zuster uit te
houden.

Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den
gerechtsdienaar welke met doorborenden blik den betrapten misdadiger
aanstaart. Onwillekeurig poogde zij, harer schuld zich bewust, zich aan
dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.—Thans eerst nu Elpinice haar
met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen en
zeide op snijdenden toon:

„Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal
er heden een op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen
zijn?”

„Ja,” sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog
meer verachting en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; „Ja, het is
een pauw van Pyrilampes! Een pauw, dien Pericles gisteren gekocht
heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster ten geschenke geven,
doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten”.

„Knaap,” riep Elpinice van den anderen kant, „is het waar dat uwe
landgenooten aan den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk,
dat ook te Athene menschen zijn, die beweren, dat gij geen man zijt,
maar—eene hetaere van Milete!”

„Ellendige!” riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve
niet meer meester, „is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis
in uwe netten lokt? Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den
huiselijken haard binnendringen? Hebt ge geen ontzag voor de
godenbeelden van dit huis, die met gramstorige blikken neerzien op
haar, die den heiligen, huiselijken haard verstoort en ontwijdt?—Ga
gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan en trek de
voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!—Hoe? Waagt ge het nog mij
aan te zien? Gaat ge nog niet weg?”

„Roep Amycle hier,” zeide Cimon’s zuster tot hare opstuivende vriendin,
„om met hare echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze
wellustige Milesische hetaere de deur uit te werpen.”

„Vooraf,” riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt
was, al heftiger en heftiger werd, „vooraf zal ik met deze vingers haar
de oogen uit het gezicht krabben—en haar dat geleende, valsche gewaad
van het lichaam scheuren.”

Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene
rechts van de verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging
alle perken te buiten.

Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden
uitvloeden, totdat de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte
van de zwaar beleedigde, een oogenblik verstomden.

Toen echter nam zij het woord en sprak:

„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik
heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten
gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij
in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij
ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om
mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit
huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en
dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die
niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan
Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo
harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb
ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den
roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en
blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik
schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles
was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit
waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om
het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het
nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet
u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik
naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te
hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche
vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen
bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen,
verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt
boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan
een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te
verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen.
Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen
dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt
alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven
alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met
alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij
alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de
verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed
roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet
beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te
maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen
liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend
werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den
onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met
hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van
het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of
knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen,
geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te
weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel,
want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De
vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis,
noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt,
want Hymen [153] is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op
nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan,
des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd
weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als
ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze
kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten
in te oogsten!”

Zoo sprak Aspasia.

Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar
mond in een verachtelijken plooi.

„Behoud de wijsheid uwer boeleerkunst voor u zelve,” zeide zij, „gij
zult ze noodig hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de
liefde en hoogachting van een man moet zoeken te winnen, mij, die de
Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent gij toch met uwe
kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster? Gij
kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis,
zijn haard blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt
ge toch zijne wettige gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen
erfgenaam baren, want gij zijt eene vreemdelinge, gij zijt geen
Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige liefde gedreven
smacht of niet, om ’t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard;
ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: „ga!” en gij moet
gehoorzamen.”

„Ik gehoorzaam en ga,” hernam Aspasia—„Wij hebben eerlijk gedeeld,”
voegde zij er scherp bij. „U zijn huis en haard, mij zijn hart!—Laat
ieder het hare behouden!—Vaarwel, Telesippe.”

Met deze woorden verwijderde zich Aspasia.

Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de
fierheid harer vriendin en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge
had gegeven.

Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van
Pericles aan hare huiselijke bezigheden ging.

De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn „Spartaanschen
vriend”, tot ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en
zeide:

„Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.”

Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in
tegenwoordigheid van Pericles.

De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen.

Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan
tafel.

Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen
van den kleinen Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms
ook een woord tot Telesippe, die echter in een half somber, half
hoonend stilzwijgen verzonken bleef.

Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd.

Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust.

Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw.

„Wat is dat?” vroeg hij.

„Dat is de pauw,” antwoordde Telesippe, „die hedenmorgen op uw last
hier is gebracht.”

Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den
samenloop der omstandigheden zocht helder te maken, vroeg hij op een
toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd klonk:

„Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?”

„Wat anders?” hernam Telesippe. „Om een zoo groot dier te houden en
vrij te laten rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht
dus, dat gij den pauw op de markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel
te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk en lekker gebraden. Proef
maar eens!”

Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar
echtgenoot.

Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde
veldheer, de machtige redenaar, de bestuurder van Athene’s lot, die met
waardige standvastigheid de opgeruide schare der Atheners, evenals de
legerbenden der aanrukkende vijanden op het slagveld onder de oogen
durfde zien—hij sloeg de oogen neer voor het stukje pauw, dat zijn
wettige echtgenoote op zijn bord legde.

Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de
verontschuldiging, dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken
wilde begeven.

Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades:

„Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze
pauw?”

En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij:

„Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche
vriend nooit door den Eurotas heeft gezwommen.”

Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij
eerst den knaap en vervolgens Telesippe met een vragenden blik aan.

„Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?” vroeg hij eindelijk.

Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord.

Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem.

Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen
toon tot haar man:

„Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken,
opdat zij ook niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die
boeleerster, o Pericles, als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij
niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij wilt; hier echter in dit huis,
aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik meesteres, ik
alleen.”

Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet
de stem van een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots
van de meesteres van het huis, de wettige gade.

Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm:

„Het zij zooals gij zegt, Telesippe!”

Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene
schriftelijke boodschap.

Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia’s
hand:

„Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen.
Bezoek mij, als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.”

Pericles antwoordde als volgt:

„Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den
Cephissus-oever. Daar zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw
gewone gewaad in een draagstoel daarheen brengen.”



VI.

IN HET CEPHISSUS-DAL.


Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een
weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de
tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie [154] zijn weg
vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad
aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde
Cephissus-dal.

Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een
ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een
groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom
zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der
smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook
taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men
niets dan een groen tapijt zag.

Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de
kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend
witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in
de rozen- en laurierboschjes zich verschuilend.

Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den
niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel
Colonos.

Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het
olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van
den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem eene bekoorlijke
landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog
gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die
bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde
strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze
toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende,
maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden,
waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant
uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend,
en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin
de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.

In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden
Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen
omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en
rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook
de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen
van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar
het andere voerende, omzoomden dezen tuin.

Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de
donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke
woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen
wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde
woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en
boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich
voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.

Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig
was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen
crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde
jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen,
maar talloos bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen
bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters
prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen
verfrischt door den reinsten hemeldauw.

Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de
namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is
het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit
weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den
Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was
zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke
wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke
boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade [155] uit de wateren
van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in
de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met
bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden
[156] hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene
ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van
den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar
ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.

Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was
niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der
Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die
hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en
Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde
hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit
het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen
den eeuwigen slaap.

Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem
verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker
oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen
griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het
stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze
hem niet ten volle bevredigde.

Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig
man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.

„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar
schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”

Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den
liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den
ingang van den tuin.

Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide
hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en
alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit
Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen
doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en
weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”

„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles
verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik
u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de
rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u
ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder
en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat
het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en
vliegende manen naar buiten naar de weide rent...” [157]

„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends.
„Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend
in de morgenkoelte op mij werkten.”

„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?”
zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”

„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk
als eene Laconische,” hernam Pericles.

„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te
benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.

„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is
onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze
dan van eene Charis heeft.”

„Wellicht is zij voor u eene Parce [158],” zeide Sophocles, „zij kan u
goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”

„Waarom ook niet Lamia [159] en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware
het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze
zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe [160] te
rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—

„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles
voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte,
„ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige
ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en
haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—

„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt,
om te beminnen. Op den heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf
niets anders doen dan beminnen.”

„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte
Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij
ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men
vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille
myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—

„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het
heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend
uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men
met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat
over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne
willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het
goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van
Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der
liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot
de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de
Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde
overstelpen u met dichterlijke gedachten.”

„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde
geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken
en te scheppen gedreven worden, weten dat.”

Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei
hunner jaren.

Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.

Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.

Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de
lommerrijke, geurige boschjes.

Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het
himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders
glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke randen, het
krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het
hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de
kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de
hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel,
die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder
bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.

Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van
verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het
Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare
verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom
bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren
van haag en bloemen verre overtrof.

Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke
lanen en zeide:

„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord
heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in
het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij
Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan
te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij
voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch
aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners,
gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder
opschik schoon is.”

„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide
Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer
tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen.
Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder
hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich
een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer
hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten met den
lusthof der Hesperiden [161] of met den tuin van Phoebus aan de
uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en
Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten
minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der
Phaeken op het eiland Scheria.”

„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait
in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en
laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden
en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan
verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne
stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne
weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij
opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in
den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd,
in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch
niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het
liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest
gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes,
dezer myrthen- en rozenpriëelen.”

„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes
voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot
volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere
licht der wereld en des levens treden?”

„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets
anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen, totdat men ontdekt,
dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen
hangen onder de schaduw der dichtste bladeren. En al mocht gij in
twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker
zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge
wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der
vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen
dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en
Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij
mede.”

Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden,
tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den
hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de
beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep de
oever niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de
oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed
genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het
groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden
wandelen.

De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte
het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de
vogels het liefelijkst, daar speelden als dartele geesten schaduw en
licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een
weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de
verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten.
Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door
bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die
tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.

Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en
voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te
zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op
de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom
uitliep. Bonte, schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen
der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige
onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den
kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige
kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een
zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die
weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.

„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier
dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”

„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen
zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het,
uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij
die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch
zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn,
wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht
zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede
bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen
der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel
raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke
libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne
bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden,
maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van
rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van
de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus
werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn
huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”

„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.

„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep
Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage
meldt, zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans
eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed
voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch
haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik
geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide,
dien zij als een nieuwen Argus [162] beschouwde, haar door haar
geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen
de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene
vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”

Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.

„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera,
de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de
gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—

„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de
toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet,
dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook,
evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik,
zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede
behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts,
dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te
kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene
bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde
in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een
onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik
werd door deze beide Harpyen [163] uitgescholden, met smaadwoorden
overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard
van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge,
eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat
zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou
prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij
de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw,
die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te
vallen?”

„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche
vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij
eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis...”

„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen
heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten... Hoe zonderling! Gij
maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot
slaven van die slavinnen.”

„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.

„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht
beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—

„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles;
„echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de
wet.”—

„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk
alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat
de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—

„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar
tegen.

„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt
niets.”

„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn
vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede
brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele
staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”

„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige
Aspasia het beste en heerlijkste deel van den mensch, de rede, zou
kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het
ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen
leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te
kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de
Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich
op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moeten aangorden,
voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot
onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten
liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden
eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken
onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil
en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat
wij...”—

„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat
wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe
verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen
kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan
we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het
algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor,
Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de
uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld
te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van
het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”

„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had,
„valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten,
vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en
even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd
daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne Aspasia
dreigend met een brandhout te gemoet...”

„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend,
„en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de
aangelegenheden van minnenden te mengen. Ik word nu bespot en bijna met
verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo
onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu
mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid
overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe
zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den
geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En
wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche
laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar
dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en
de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus
[164] beluister...”

„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis
spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.

„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een
slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte
van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”

„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.

„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.

Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud
terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds
aangeroerd hadden.

Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval
is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar
een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden hunne
ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden
bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de
geurige lucht der weiden in met volle teugen, plukten hier en daar een
bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode,
sappige vrucht van den boom.

Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte
haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een
aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de
aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt.
Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan
Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor
de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den
krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de
eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen
de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de
kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te
leiden.

Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de
hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in
het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen,
beiden trachtten toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen.
Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten
volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles
haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun
omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over
niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste
ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van
Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste
kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan
was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen de verwijten zijner vrienden
had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden
verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die
nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het
schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen
laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter
aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer
beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht
van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw
evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om
gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wist of hij haar dit
mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de
komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.

Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen
naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat
van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige
ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden
voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de
linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die
aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder
aanligbed een afzonderlijke.

Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en
strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was
aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen,
noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden
[165].

„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen
gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich
niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen
braden.”

„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,”
smeekte Sophocles.

„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in
staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te
plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas
gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der
Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het
heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”

„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide
Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en
daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de
laatste.”

„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik
niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de
overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand
de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart
der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van
morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht
der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik
de Haemon, de zoon van koning Creon [166] vrijwillig in den Hades [167]
doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen...”

„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die
eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te
hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der
dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en
moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene
menschelijke ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen
alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke
hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde
bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij...”

„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij
daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik
zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en
wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een
offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk
liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen.
Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en
beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en
overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God
is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder
op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij
slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig
stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den
jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is
eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der
stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede
besturend in den raad der hoogste machten.”

„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!”
herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de
spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”

„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik
die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in
mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder
gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in
dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier niet gaan, vóór ik den hymne
opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”

„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.

„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets
aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon
u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij,
hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich
op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en
met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”

„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de
wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets
dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en
breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van
Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als
onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot
kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen
toehoorders meer hebt.”—

„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam
Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”

Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers
terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.

Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen
ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den
vuursteen.

En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door
den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van
Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha [168] en daaronder
ook iets nieuws van eigen vinding.

Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:


    „Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?
      Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot
    Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:
      Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”


Bezield antwoordde Aspasia:


    „Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt
                                                                    ons
      Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!
    Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan
      Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het
                                                               morgen!”


Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:


    „Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite
      Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!
    Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten
      In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”


Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:


    „Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de
                                                                 heupen
      Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.
    Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,
      Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”


„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan
Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.

„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem
vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de
schoone Philaenion zingen.”

„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij
moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men
verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde
gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk
oord hebben verjaagd.”

„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam
Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”

En hij zong:


    „Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker
      Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.
    Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;
      Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.
    Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris
      Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”


„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend
knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met
de woorden:

„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.

„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een
loflied op de schoonste:


    „Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen
      Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem,
    Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’
      Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.” [169]


„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der
dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”

Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog
veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis
aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische [170] en
Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van
de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in
verbazing ten laatste uitriep:

„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe
prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”

„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de
geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”

„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult
gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en
Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet
behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”

„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van
Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het
genoegen ze te hooren met een ander moest deelen, ze niet half zoo lang
zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner
ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik
Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en
zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die
gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag,
waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend
paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo
verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet
verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van
hem ten deel viel.”

Met deze woorden verwijderde zich de dichter.

Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren
zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.

Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen
alleen aan zich zelven overgelaten.

Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en
het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten
zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien
zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in
geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den
geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen,
in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—

De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen
kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden.
Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep
op de takken hooren.

In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit,
zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men
zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder
ritselende boomen, de levensgeesten niet weten of het eene zoete
afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning
hunner veerkracht.

De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop
zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige
twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk
paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te
beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.

Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta
ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun
vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal
der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.

Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn
en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij
niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar
haar verhaal.

Eindelijk kwam zij aan het woord:

„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een
lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt
het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van
welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden.
Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien
ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles
te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t
geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest
beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij
is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die
hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de
ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het
levenslicht heeft aanschouwd.

„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik ooit weder met een man in
zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene
verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij
telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde
jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.

„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd
ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen.
Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens
vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste
grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet
niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een
jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen
des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.

„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten,
lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het
licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en
cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van
zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem
betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het
oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne
lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig
sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen
verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede
deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in
uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van
welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met
gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren
beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der poëzie,
der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en
bezield, toen hij ze nog eens met het kind genoot. Hij zeide, dat hij
tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen
verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.

„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje
van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel.
Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de
Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met
verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.

„En toch was ik niet gelukkig.

„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk
geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook
omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.

„Ik miste iets.

„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst,
ik verachtte hen.

„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren
in de wijde wereld.

„Toen zag mij een Perzisch satraap [171] en aanstonds vatte hij het
plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis [172] te
voeren, naar den grooten koning [173]. Mijne dwaze meisjesziel werd
ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis [174], die den koning van Aegypte, aan
mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot
echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de
machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle
mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en
geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor
mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te
Persepolis aangekomen, werd ik rijkelijk opgesierd en toen naar den
koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van
deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend
uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij
met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de
hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten
wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen.
Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij
spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der
Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid
der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor
mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in
zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen.
De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven
gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen
doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het
Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den
beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering
overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde
beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.

„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het
Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van
eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder
begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van
Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een
koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen.
Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken,
waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin
aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde
scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in
zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik
nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de
voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat
hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn
opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene
gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd.
Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning
zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef
en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te
verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De
vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de
jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu,
terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil
geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd
aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd
door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de
gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en
verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide
mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te
houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de
pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in
Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die,
losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het
machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische
afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden
meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij
schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich
van hen meester maakt; want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun
heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de
gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en
vriendelijkheid is uitgespreid.

„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men
mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn
goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het
huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op
straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.

„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene
Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik
weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde,
toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom
mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte,
achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor
mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden,
opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van
verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord
tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij
bij de armen en het gewaad.

„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg
langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man,
door slaven gevolgd.

„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de
vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen
stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen
reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span
mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en
onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”

„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in
strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt
wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”

„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara
aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”

„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan
Hipponicus?”

„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.

„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische
karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara
leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop
ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is
van de verzoening en de harmonie der uitersten.”

„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het
toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die
plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen
geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—

„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof
van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen,
waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen
Alcamenes...”

„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van
Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te
geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te
hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester
Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den
waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen
vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog
ontbrak mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien
ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou aarzelen toe te vertrouwen.
Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de
echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader
gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”

„En waar was dat?” vroeg Pericles.

„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam
Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden
blik aan de borst van den geliefden man.

Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna
sprak hij:

„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht
nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar
nooit tegen had gedrukt!”—

Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.

De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen
hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren,
lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen
glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus [175] spreidde zijn
glans uit aan den hemel.

Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit
te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk
versierde tuinhuis.

„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik
van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u
niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”

Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit
Philaenion lachend te voorschijn trad.

Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar
van een betooverende, evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van
leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de
zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste
haar in krullende lokken.

Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne
bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk
schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er
aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn [176] onder
opgeruimden, geestigen kout en gelach.

Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den
onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”

In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel
der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van
hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—

Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied
als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang
met de bekoorlijkste, innemendste dansen.

Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?

Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.

Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde,
om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de
scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in
de duisternis.

En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan
in dien nacht.

„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een
blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den
reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:


        „God der liefde, nooit bedwongen,
          Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
        Waar uw pijl is ingedrongen,
          Voor uw almagt buigen doet;
        Die uw zetel hebt gekozen
          Op het liefelijk gelaat
        Van de teedre maagd, wier bloozen
          Wat haar harte wenscht verraadt!” [177]


Zij zingen allen:


            „Alle wezens kunt gij dwingen,
            Land en zee is uw gebied;
          ’t Broos geslacht der stervelingen,
            De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.
        Ach, met onbegrensd vermogen
          Heerscht de teedre, zwakke maagd,
        Als de gloed der schitterende oogen
          Zoete drift in ’t harte jaagt,
        Onverwinbaar neemt de min
          Spelend aller zielen in.”— —



VII

DE DISCUS-WORP.


Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale
uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars
ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den
zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn
kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen
vervaardigd, te bewonderen.

Maar weldra volgde op de voltooiing van het Odeon die van het Lyceüm
[178] en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der
Atheners ook oostwaarts naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige
worstelschool, die haar wedergade niet had, te bezichtigen.

Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar
met vleiende opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen
knaap verkondigen. Want niet de scheppende beeldhouwers alleen, voor
wie de welgemaakte gestalte der jongelingen, die bij de vele
lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school
is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de
kunstliefhebbers komen hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde
jeugdige kracht hun hart op te halen. Met hun vurigen kennersblik
wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader, die met fieren
trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne
krachtsinspanning en ijver met levendige gebaren, met luide kreten
aansporen. Overigens zijn er nog dweepende liefhebbers der gymnastische
kunsten, voor wie zoo’n schouwspel eene verkwikking is en die, met
hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen en
oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja
zelfs tot op zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke
liefhebbers hun ingeschapen lust, dat zij zich niet tevreden stellen
met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm en de Palaestren
[179] zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen
drijft, zich onder de jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel
te nemen of een hunner tijdgenooten tot een kleinen worstelstrijd in
het gymnasium uit te dagen. „Hei daar Charisius,” luidt het, „willen
wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen
gelukkigen ephebentijd [180] plachten te doen? Wat jonge Herculessen
waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche jongens!” Zoo
klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner
bloeiende jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet
verleerde regels der kunst ten aanschouwe van een menigte, die hen
aanmoedigt.

Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is
eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval,
dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium
achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige
gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend
aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten
elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen.
Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in
die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met
geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende
taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet
talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen,
kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige
dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds
kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin
hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen,
herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.

Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te
sporen en met terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische
Goden de eeuwige wetten van het natuurlijk ontstaan der dingen na te
vorschen. Maar velen zijn er nog, die in hem een godloochenaar en
Magiër [181] meenen te zien.

„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend
tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer
omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij
de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon
helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat
vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen
dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte
toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand
anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek
verstaat?”

„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling.

De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras.
„Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken
mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen
hemel en zonneschijn?”

„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde
hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u,
evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif
van den Erymanthus.”

„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de
Athener.

„De Erymanthus,” hernam Anaxagoras „staat daar als een hooge berg op de
grenzen van Arcadië, Achaje en Elis [182]. Ziet men nu van Olympia uit
eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en Noordoostenwind met
een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur een
onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien uitgiet
over de Pisatische [183] velden.”

En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het
ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend
dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen
elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt
geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld,
dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de
Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.

Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders
rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en
nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene,
zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een
paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt
te onderhouden.

Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man,
wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn
makker.

Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef
staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het
oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan.

Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden
den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de
gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker
gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou
toonen.

Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de
betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten
had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der
lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te
bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot
leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met
Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al
te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen,
wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.

Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de
worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en
jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver
zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de
ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter
zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de
jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de
wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den
Ilissus-oever.

Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’
werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van
zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook
vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon
met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was,
dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten
blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en
ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en
steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen,
geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven
gevoelden, dat te verwezenlijken.

En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds
te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen.
Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der
minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn
lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt
te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht
onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne
inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip
en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit,
dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:

„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor
anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.”

Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men
bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint
Pericles.

Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven,
Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit
Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de
verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch
alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem
zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den
geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En
handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de
verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige
liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder
twee.

De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit
onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige
volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen.

„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons
uit de verlegenheid te redden.”

„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest
schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen
vraagt?”

Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij opwandelde en soms
een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders uiteen
te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel
gelijke, deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond,
zoo bestond het heelal uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door
de overal heerschende rede den eersten stoot tot vorm en harmonie
erlangden. Deze rede die hij den „nous” [184], dat is den geest noemde,
was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook in de
schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol
zielen.

Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was,
waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf,
zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een
vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen.
Socrates stond op en zeide:

„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen
dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron
kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de
twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en
kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst
opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en
wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken.
Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich
zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden,
waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij
medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?”

„In den beginne,” hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd
oogpunt opvatte en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde,
„in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde
wanorde dooreen gemengd. Toen was alles chaos [185], nacht en „erebos”
[186]. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht,
door den wind bevrucht, het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter
wereld kwam of de gevleugelde Eros, zooals de dichters zeggen, door
wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd en tweedracht der
dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde
samensmolt, tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in
afzonderlijke gestalten en vormen uit den schoot der alles bevruchtende
natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn traden...”

„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den
wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald,
voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den
Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de
overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde
zijn?”

„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een
zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de
andere blind...”

„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het
zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte
oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan
is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—”

„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras
lachende.

„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en
dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk
onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer
wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons
gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij
ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei
zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht
wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die
gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar
vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te
hebben?”

„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot
eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene
bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot
een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich
getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig
zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene
hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens
verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de
meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook
wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele
bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die
hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet
erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden,
omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel
te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag
vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte
doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons
dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde
verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en
ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den
besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een
verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders
heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en
steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is
en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben
doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.”

Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een
vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras
met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding
aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik
toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.

Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had
opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp
zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.

„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge
man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch
is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te
houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het
menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.”

„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een
uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de
liefde.”

„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?”
vroeg Pericles.

„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang
en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe
vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke
levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag
ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht...”

„Hij zeide,” viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, „dat
wanneer iemand den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die
hij bemint, aan de zijde van een anderen, schoonen of leelijken man
mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt niet voor noodig moet
houden de Olympische [187] wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche
vloot in Aulis [188] te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren
te verdelgen en steden te verwoesten...”

Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte [189] van den
waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van
de verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in
het eerst bevreemd Aspasia hier te vinden en zijne Olympische
wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig gefronst; maar nu schaamde
hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde niet aan de
bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne
voegde, vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool
te verwijderen. Hij hield het echter voor raadzaam haar door eene
zijdelingsche vermaning er aan te herinneren, dat die tijd naderde en
dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken. Hij
liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij
voegde er bij, dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was,
hier aanwezig te zijn, daar zijne beide zonen Xantippus en Paralus,
benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat zij eerst de gymnastische
voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het eerst aan de
openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine
Alcibiades was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van
de kinderachtige palaestra hooren en brandde van begeerte zich op het
open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten te meten.

Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige
belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van
den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong
hij ook was, reeds begonnen te spreken.

Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en
verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen
wegbrengen.

Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde,
nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als
droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij
haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en
juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen
en knapen wedijverden.

Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die
Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van
den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen.

Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend
zwijgen.

In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom
ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich
naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te
zetten, als volgt:

„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon
zijne stem in mij heeft doen hooren?”

„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia.

„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene
goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld,
geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als
men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt
zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren.
Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn
dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en
zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik
doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik
die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.”

Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker
zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke
persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was.

„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende.

„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u
naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar
duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch
die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar
hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben
ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij
mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend
geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn
volkomen vertrouwen verdient.”

„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij
voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is
te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u
en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende
schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan
de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.”

„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een
Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling
met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek
een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”—

Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van
verbaasdheid en medelijden.

Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en
tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds
onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus
hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne
medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de
belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe
gedachte, aan een nieuwen tijd? ...

Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen
niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine
gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader
aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar
contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”.

Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en
open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij
dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat
het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn
daemon.

Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de
onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts
een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven,
tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem
richtte.—

Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de
verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”—

En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de
toekomst.

Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal,
dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.——

Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener
ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over
zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde...

Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was
een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij
toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den
Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit
worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit
kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo
meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook
tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker
drinkt, als zijne ure is gekomen...

Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven
schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de
grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de
steenhouwer uit Phidias’ werkplaats...

Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.

Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht
van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen.

Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de
macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.

„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op
den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan
heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te
bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de
toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever
schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te
zijn?”

„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de
Chariten te offeren.”

„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme
waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan
zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.”

Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het
hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal
uit haar oog wilde opvangen.

Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij
het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den
bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden.

„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg...

Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den
zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en
verborg in zijn mantel zijne naakte leden.

De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige
Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene
schuilplaats zocht.

Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op
hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen...

De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem
aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou
verbergen en beschermen.

„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?”
vroeg Socrates den knaap.

„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet
Alcibiades,” antwoordde hij.

Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van
Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van
Socrates te verbergen.

Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de
oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten
van het Lyceüm begonnen.

Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de
worstelplaats der knapen.

Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe,
teedere en toch reeds door de oefeningen der palaestra krachtige,
bloeiende gestalten, na zich ontdaan te hebben van de chlamys [190], in
het zand der worstelschool te zien wedijveren.

Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten,
was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets
overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd
getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen
naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende
spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch
harmonische vormen te bewonderen.

Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne
beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de
kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades
reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken
Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.

De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks
afwachten.

Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben [191] de
kampstrijd.

De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun
adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste
ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast
zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het
kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden
zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne
meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen
bevorderden.

Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij
meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde,
leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen
strijd.

Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend
in het geschil, streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte
om de bevallige schoonheid in beweging en houding steeds in acht te
nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid dier bewegingen aan te
toonen, op het voorbeeld der Mauretanische [192] struisvogels, die door
het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken, hun
vluggen loop versnelden.

De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider
werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen
werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij
den eindpaal.

Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen
in de hoogte, in de breedte en in de diepte.

De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die
zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te
belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze
gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde
weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen
moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden
verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van
Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers
getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn
toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten
der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers
overtrof.

Thans werden de knapen door de alipten [193] met olie ingesmeerd voor
den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog doen, maar toen
men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid der
gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die
bezoedeling. Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar
de grillen van den knaap: hier gold de strenge wet van het gymnasium,
het zoontje van Clinias moest zich daarnaar voegen.

Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een
zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te
brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te
strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te
trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders
beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging
steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen
de paedotriben aan de knapen.

Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op
den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo
omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en
alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere
kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de
schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en
opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en
vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten
toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van
de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.

De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp
hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken
had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het
zand.

Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof
van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder
van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide
voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als
anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De
discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der
kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan
te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een
beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan
de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de
kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht,
den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden,
eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de
laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den
anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind
en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den
discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond
door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen
hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog
zijne schijf verre die der anderen voorbij.

Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus
eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en
zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij
den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar
bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen
evenver van die der anderen.

Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning
met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp
hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren,
dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van
Alcibiades.

Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke
woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht
den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders.
Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter
aarde.

Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest
weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades
een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden
tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen,
herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.

Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen
gymnasiarch [194] naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde
aangrijpen, wegvoeren, wellicht op eene smadelijke wijze kastijden,
keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring der omstanders heen,
waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid, waardoor
hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven.

Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen
zijner achtervolgers verdwenen.

In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en
was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend
zich in zijn mantel verscholen.

„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen
toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht
had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of
berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de
voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie
gij door geboorte verwant zijt?”

„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier.
„Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”—

„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet
kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt
gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen
met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?”

„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit.
„De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen
weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.”

„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen
had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het
Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt
weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt
teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch
niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken,
die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen,
om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om
roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al
vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt
afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem
overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.”

Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener
doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van
buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn
eigen wezen innig verbonden was.

Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij
gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den
man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke,
bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna
onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen
mensch gevoeld had.

Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles
en den gymnasiarch.

Opnieuw begon de knaap te sidderen.

„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u
met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.

De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation
gewikkeld, den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles
[195], in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den
goedigen Centaur.

Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht
op Socrates toetraden, zeide deze:

„Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn
smeekeling, zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens
mijn plicht, naar mijne beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij
mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich te onderscheiden, wat hem
daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam zich met
bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers naar
het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die
hij eigenlijk gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft,
bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk ongeluk of vergrijp, zooals gij
het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd; want, zooals gij
weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus [196] en de held
Perseus zijn grootvader Acrisius [197] met een discus-worp gedood. Het
is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap, met zijne vurige
oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden.

De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden
knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte
tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap,
welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval
daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar
huis te brengen.

Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen
spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en
gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van
Clinias zich vertoonden.

Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet
eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen
van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen.

Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen
Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle
Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den
„waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde
oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam
zoeken...



VIII.

HET OFFER AAN DE CHARITEN.


Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk
op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die
tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne
nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen,
zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en
in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij
zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene
zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon
beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de
helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in
zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand
van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.

Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de
klare spiegel van zijn geest.

Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen
van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken,
te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen
en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig
kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en
later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking
toevertrouwd. Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar
een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch
niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping
geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van
een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een
geheel te worden.

En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde
alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in
bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.

Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem
bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had
gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten
ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in
zijn geheugen en deelde het later weder mede.

Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier
arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte
hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen
was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en
metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.

„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand
uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig
geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig,
de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij
spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij
niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof
men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee
vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius,
is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij
soms ook tot die beeldhouwers, wier Heracles [198] alleen aan de knots
kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend
te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare
harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”

Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die
steigerende rossen optoomden.

„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren
gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt
gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou
zelfs Argeladas [199] niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te
werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur
geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem
dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.

Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling
tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed
naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.

Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar
menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.

Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en
dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche
ontwerpen?

Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner
leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide
werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder
spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan
ooit te voren.

Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en
opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te
verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten
doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite
om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde.
Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke
bezoekers.

Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den
woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel
het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia
sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was,
als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de
kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en
kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en
metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs
de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.

Onverholen sprak zij haar meening uit.

„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen,
dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als
zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht
zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het
alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het
goddelijke voor te stellen en te belichamen.”

„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich
datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil
laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende
kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke
schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en
laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling;
datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk
aandoet en verkwikt, moet dus een weinig aan deze zijde van dien
hoogsten trap, niet daarop liggen.”

„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het
sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw
kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de
juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want
zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te
weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op
toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij
langzaam zijt, maar de weg is lang.”

„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek
eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich
beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van
Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid
en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder
weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen
wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”

„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van
zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok,
dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij
zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’
woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene
met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene
verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven.
En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der
ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen,
dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit
alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch
de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal
slaan, deze les gedachtig te zijn, in ’t bijzonder als ik de hand leg
aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op
den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te
dragen.”

„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij
scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”

„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes
mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om
het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken
verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien
spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus,
ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden
vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon
geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te
plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog
rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de
kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet
altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als
een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk
scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder,
rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”

„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in
het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.

„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers
niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het
werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien
hebt, als heden daarvan te zien is.”

Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien,
wat gereed was. Phidias echter zeide:

„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, want zooeven werd het
kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in
goud en ivoor.”

Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit
mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en
Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten
voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals
vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig
waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men
anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte,
zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk
weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model
uit te maken.

Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken
van den doorgezaagden Colossus.

Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze
was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij
dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge
gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige
trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde...

Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was
het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.

„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar
tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die
niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van
haar vader Zeus.”

„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der
dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in
het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas,
die uit het hoofd haars vaders voortgekomen is, anders dan de bezielde
en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk
gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de
gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn
leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit
het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende
vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts
een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen
ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik
het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de
gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de
gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de
schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne
verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters
over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van
Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij
maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke
natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die
niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone
gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie
echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en
vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der
sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts
haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op
in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd,
’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas
Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den
overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar
schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel onderhevig, dat Phidias
de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen
zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het
hoofd is van de Godin Pallas Athene...”

De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel
den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de
schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:

„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle
gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze
schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—

„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.

„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den
denker aanziende.

„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste
vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun
lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds
trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er
over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der
liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het
zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft
belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen
teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke
God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle,
en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een
zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God
eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden,
ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de
menschen rondgegaan.”—

„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en
op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest,
dan hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene
bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als
een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne
gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit.
Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug.
Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel,
mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen
noemt?”

„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook
niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel,
en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk
veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—

„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel
niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop,
als ik mij uit de werkplaats verwijder?”

„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts
een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist
rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—

Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:

„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte
genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met
artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de
geestvervoering der dichters of de verrukking der Delphische
priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene
knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig
of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk,
ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de
liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats
van Phidias.”

„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia.
„De liefde is een gevoel, en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom
wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van
de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het
schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en
tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst
lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen,
maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en
bekoorlijkst aandoet.”

Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:

„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen
en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu
weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de
eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid. Aphrodite is wel
is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en
veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met
de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op
zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare
goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk
aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de
liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken.
Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het
„eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”

„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei
Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de
schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”

„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid
harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de
Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen
verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, haar welsprekendste lofredenaar
en vriend?”

„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste
bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking,
kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien
en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot
dit genot openstellen.”

Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid
tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’
vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene
andere vrouw.

De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes
van Corinthe naar Athene overgekomen.

De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.

Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia,
waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door
eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia
aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan
dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven
was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk
liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld,
in de plaats te stellen.

Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer
opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het
voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over
de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef
Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar
wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou
hem gegeven worden.

Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den
Corinthiër het volgende terug:

„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange
tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden
zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt
bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te
Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar
Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij
uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”

De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen
later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres
Theodota, te Athene bij Alcamenes.

Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang
in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken
Corinthiër.

Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota
ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij
had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.

Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en
roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van
Hellas.

Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de
alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door
schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.

Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof
van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van
den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare
ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in
de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en
gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare
gedachten geregeld en haar besluit genomen.

Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan
waren, was ook deze geweest, welken indruk wel de door Alcamenes
gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden
gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de
schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen
zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid
Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht
was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist
wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat
Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te
kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke
plagerijen gaf.

Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij
zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische
schoone te zien.

Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve
zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.

Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:

„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het
schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan
ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u
hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te
noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”

„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia,
zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates,
hebt gesproken.”

Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij
geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,”
zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om
zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande
strekken.”

„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en
koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en
naar zijn Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust
meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den
kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone
Theodota te voeren.”

„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is
onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw
afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de
nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning
van Theodota niet ver—laat ons gaan!”

Het huis van Theodota was weldra bereikt.

Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam.
Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij
keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.

Hij voerde hen in de binnenvertrekken van Theodota. Deze waren met
overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte
aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten
bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed
met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen.
Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid.
Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen,
zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk
versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en
veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden
daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van
Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en
frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte
mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de
binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het
vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon
versierde hetaere zelve opstond, om haar gasten welkom te heeten.

Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig.
De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig
afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij
droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen.
Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een
vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en
kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja
zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen,
flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor
prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had
zij een met paarlen bezaaiden metalen band.

„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld,
waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”

„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend, „dat hij zoo opeens
zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen
tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”

„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers
steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe
bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor
u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u
te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man,
Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat
heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia
uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van
uwe beroemde kunst te overtuigen.”

„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard
staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt
alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid overtreft, moet ik het
wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel
van zulke rechters onderwerpen?”

„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u
geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”

„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een
zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het
eerst.”—

„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor
wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te
spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen,
gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen.
Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin
zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of
geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze
echter antwoordde:

„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met
bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de
voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig,
Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”

„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken
nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets
beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen [200] om
den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”

„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en
Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde
en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen den herder op den
Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand
trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou
ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota
noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel
verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—

Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad
en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den
dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:

„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste
schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij
ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft,
ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea
[201] over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar
huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet
verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons,
behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—

Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de
meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een
knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen
en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die
klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen
en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te
dansen.

Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om
den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en
vervolgens die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en
toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter
der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig
was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige
bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist
te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet
vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene
belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust
bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen
soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan
de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere
bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en
gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende
trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist
men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de
afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk
gebaar en iederen trek.

Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen
vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier
onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het
doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne
handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.

Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof
toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich
van hare taak gekweten had.

„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes,
„was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen
tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen
de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het
noodig is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van
het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”

„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als
die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het
alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke
lenige en teedere ledematen uit te drukken.”

„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates
op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de
danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe
gedachten verzonken.

„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts
eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene
wijsheid der handen en voeten is.”

De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone ironie
sprak. Doch Socrates ging voort:

„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus
van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s
menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat
vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat
plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den
schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”

„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien
schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen
kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te
verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland
moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone
natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat
wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen
aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een
bekoorlijk lachje bij, „hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken
moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste,
en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”

„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die
slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is
verliefden of minnenden te noemen.”

„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet.
Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij
haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij
mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te
zwaarmoedig geworden was.”

„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen
met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der
liefde, maar een dochter der vreugde!”

„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet
alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen
gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota,
welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den
beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den
huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te
stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen
van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet
afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk
der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde
behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas
te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs
met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche [202] fierheid, de
toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet
onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch
staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende
boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de
bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van
voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems
voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een
zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de
Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”

Zoo sprak Socrates.

Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te
goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan
dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.

„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.

„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.

„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.

Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de
anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en
Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan,
menig veel beteekenend woord tot hem te richten.

Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover
vrouwen eigen was.

Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de
hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de
boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de
slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde.
Bovendien wist zij, dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren
was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar
scheidde.

Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming.
Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden.
Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de
zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.

Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der
menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd
bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije
opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te
betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had
weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was
onuitputtelijk.

Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij
hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en
voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in
hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische
bleef niet zonder gevolg.

Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota
hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:

„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij
den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”

„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat
de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen
te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want
het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten
spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd,
wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat.
Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg
hebt geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en
wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”



IX.

ANTIGONE [203]


Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion [204] van het vierde jaar der
vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene
voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor
een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het
huis voorkomende, tot op de straat doordrong.

Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes
en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de
huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof
de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van
fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die
de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus,
de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de
Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met
de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.

De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den
tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen
die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de
opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op
staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor
ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten
oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke
Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de
rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides [205], de rijke Midas
voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van
Cratinus [206] en wederom anderen voor andere stukken. Naar de
gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er
een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen [207] ontstaan
en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander
in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren
te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks
minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia en Pytho [208].

Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit
het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de
straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een
muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne
blikken in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis
zoekt.

Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus
in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei
tot den slaaf:

„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van
Hipponicus.”

Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur
kloppen.

Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de
straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van
Hipponicus.

Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam
verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad,
boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de
borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof
hij reeds den cothurnus [209] aanhad, met volle stem de woorden:


        „Zoo mijn geest niet dwaalt,
        En ’t voorgevoel mij niet bedriegt,
        En heldere blik mij niet ontbreekt,”—


dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den
drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den
treurspeldichter Sophocles.”

Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk
schudde.

„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt
gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het
geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en
klinkende munt bovendien?”

„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier en daar eer bewezen,
waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar
steeds toch weerklonk het in mijn hart:


        „Daar wild’ ik heen.
        Waar dicht begroeid ’t gebergt’
        Tot aan de baren reikt, waar
        Sunions vlakke grond gelegen is.
        Om Pallas’ heilge stad
        Met blijden mond te groeten.”—


En toen mij nu te Halicarnassus [210] de boodschap gewerd van uw
Archont, die mij voor de Lenaeën [211] naar Athene riep en mij elk loon
beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar
uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht,
snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want
nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene
en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend
en grooten meester Sophocles.”

Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.

„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.

„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de
choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide
medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op
dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de
rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan
zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus
binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”

De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus
verwelkomde Polus met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den
tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.

„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans
hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”

„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware,
zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als
gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de
Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de
noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze
allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe
gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet
ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg
kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog
de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten
en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij
geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is
aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet
dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou
zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker
Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den
vrouwenhater [212] Euripides de overwinning zoekt te bereiken.
Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die
kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den
Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten
afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk
geld geboden, om de koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was
hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde
waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te
overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker
dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees,
liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht
het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te
steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”


        „Getroost, getroost, mijn waarde!”


declameerde Polus met hoog pathos.


        „Nog leeft hij in den hemel,
        „Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht.
        Vertrouw hem toe uw bittre smart,
        En haat noch vergeet in uw toorn,
        Hen die u leed berokkenen!”


„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man
en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent
beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle
middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van
Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote
som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de
tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als
Philoctetes [213] toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog
naar Ilium wilde voeren:


        „Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd,
        Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem
        Mij met zijn gloed mocht verteren!”—


„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus, „dat een man als gij, zoo
getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk
zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen,
fluiten en sissen de Atheners.”

„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus,
die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers
voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan
maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun
ongenoegen te kennen te geven.”

Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de
tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus
vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal
in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.

„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de
„Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”

„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is
al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we
niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen.
Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol
ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist” [214]. Deze,
evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf
sprak.

Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:

„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”

Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar
deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken,
mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan. Ik had met haar
een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen
te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest
toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de
maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den
schouwburg.”

Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit, „toen
ik als Electra [215] optrad en aanhief:


                O heilig licht,
        O aether, die de aard omgeeft!”—


heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede
masker voortkwam, de vrouw gemist?”

„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.

„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders [216]
hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:


        „Dierbaarst overschot, mij blijvend,
        Van den liefsten aller menschen.”—


„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei
Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde
Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan
de uwe!”

„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne
stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u,
denk ik, mijn Aiax [217] nog wel:


        „Ha, wee mij dat ik hen liet glippen,
        Die snoodaards, die verwenschte schurken,
        En in hun plaats, door waanzin aangegrepen
        Onschuldige schapen en gehoornde stieren
        Deed sneven door het flikkerend staal,
        Hun donker bloed vergietend.”—


De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel
veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de
toehoorders in verrukking uit.

„Hoe? en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste
smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier
verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—

En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke
toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”

„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:


        „Welaan, het uur van scheiden is gekomen.
        Weest mij gegroet gij lachende dreven,
        Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”


„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het
schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als
Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”

„Gij bedoelt,” viel Polus hem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot
vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak
[218]:


        „Het moordend zwaard staat in den grond geplant,
        Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—


„Juist,” riep Hipponicus uit, „en toen gij eerst Zeus aanriept en dan
de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.” [219]—

„O Helios,” viel Polus in,


        „O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt,
        Houd dan uw goudgetooiden teugel in,
        En breng de mare van mijn droeven dood.”—


„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw
geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard
aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant
Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners
van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde
allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held
ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte
geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u
gold en Sophocles en den Salaminischen held!”

„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles, „prijst gij Polus, maar
vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te
erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland;
ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene
mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor
ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene
[220]. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even
op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den
eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”

„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is
bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen,
als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder
het masker kan men elke rol vervullen.”

„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar van Antigone,” zeide
Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is
geleid.”

„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.

„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener
Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze
beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel
altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is
vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken,
uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen
zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op
dergelijke wijs opgetreden.”

De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd
waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was
er recht blijde om.

„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide
Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der
tragedie ten tooneele.”

„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.

„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het
tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de
Eurydice te spelen.”

De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de
geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij
weigerde nadere inlichting te geven.

Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand,
gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en
regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.

Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den
koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.

Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den
plechtigen danspas, ter eere van den God [221] omdat de beteekenisvolle
dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden
zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij
zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het
voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend
van geestdrift gaf de didaskalos [222] de maat aan met de handen en
voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het
geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had
ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de
dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den
fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor,
om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.

Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed
Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat
van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als
veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig
om den Dionysischen zegeprijs te behalen.

De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene
gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad
verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne
verwante familiën betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De
spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche
volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar
Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om
zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er
tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag in
handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood
voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de
zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist
eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die
dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en
Pyrilampes.

Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op
vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de
vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en
Anaxagoras.

„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend;
„koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult
eene schoone vrouw uw hoofd?”

„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men
een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de
staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te
kunnen wijden!”

„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras
met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar
men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van
te voren van alles afstand te doen.

Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte
duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was
geworden.

„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw
niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe,
toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer
van haar?”

„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij
is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze.
Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van
gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze vrouw is altijd
weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet
zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger
meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets
bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte,
dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:

„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij
noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u
ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken?
Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren
geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of
den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren?
In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd
die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt.
Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in
het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet
tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich
naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een
gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid
kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met
het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen
heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer
kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare
vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en
noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene
moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige
vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met
nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de
aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij
alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet
gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk voor de kinderen
nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat
natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van
het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—

„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,”
merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone
franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet
wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en
verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een
vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle
dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”

„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid
op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——

Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles
toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou
hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid
der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner
bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en
walm zou hebben uitgedoofd.

Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de
Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den
dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de
schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.

Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door
een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor
Pericles hielden.

Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een
oogenblik stil. Overwegen zij soms of de begeleider den drempel zou
overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne
zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:

„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—

„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste
is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even
raadselachtige wijze beantwoordende.—

Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en
keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.

Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon
naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de
Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.

Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had
ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en
veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.

Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen
praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.

„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon
Lampon.

„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.

„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den
avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër
sluipt.”—

„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is
die andere?”

„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich
gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het
vlek Colonos.”

„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude
liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij
daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien
dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia
heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend
voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden lag dus voor
de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien?
Wie zal het op zijn woord getuigen?”

„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in
het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden
getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”

„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.

„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de
Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en
goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de
groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht
worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—

„’t Beste zou Theodota dat kunnen,” meent Diopithes. „Deze vrouw heeft
sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor
den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het
bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst
verdringen en hare plaats innemen.”

„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als
gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is
reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de
deur wordt gezet.”

„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die
Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere
schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder
gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was
in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en
belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in
haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”

„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice.
„Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het.
Hij is reeds eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der
Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—

„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.

„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de
Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd,
vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de
vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het
voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den
gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen
tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu
Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om
het plan te volvoeren?”—

Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:

„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om
de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische
te brengen.”—

Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar
ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.

Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus,
Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap
van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias
over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche
schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere
vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.

In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou
worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten
man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste
plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden God
Erechtheüs op den burg.——

De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste
dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.

Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van Cratinus onder
de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus
af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar
voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden
versierden zetel in de orchestra [223] zat, voelde een regendroppel op
zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus
tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het
luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn
Attisch vernuft afschoot.

„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman
Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”

„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.

Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman
zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles
lachte mede.

Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen
Olympischen Zeus, de Milesische Omphale [224] en den Atheenschen
Heracles...

Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet
meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende
pijl had Aspasia getroffen...

Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste
gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich,
om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De
gegoeden lieten zich door hunne slaven wijn, ooft en koeken tot
verkwikking brengen.

Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend
Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de
omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde,
marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die
zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met
eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag
moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich
als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote
geleerdheid over Sophocles en Ion en Euripides en keken eens met
turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de
feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.

Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de
ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was
de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld;
het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater.
Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer
te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.

In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend
tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen
Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der
beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich
te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en
tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.

Onophoudelijk waren de agonotheten [225] en mastigophoren [226] in de
weer; telkens vlogen zij de trappen, die dwars door de zitplaatsen
liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot
rust te brengen.

De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit
Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de
schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne
handelingen na te denken.

„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij
in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te
hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten
roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes
luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij
verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch
wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het
verdichte?”——

De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het
sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den
strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet
onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te
beantwoorden.

Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem
van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht
bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut
zich hooren:

„Het koor van Ion trede op!”

Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht,
geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een
tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed
niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor,
snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen
en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de
spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische
Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich lucht in de kunstige
rhythmen.

Toen trad het koor van Euripides op.

Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren
geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept
door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het
ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen
weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende
pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien.
Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes
en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker
van de overwinning.

In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel
en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf
den zetel van Pericles en reikte hem een toegevouwen blad papier.

Pericles opende het en las deze woorden:

„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”

Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van
Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge
bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—

Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van
den heraut, die zich wederom deed hooren:

„Het koor van Sophocles trede op!”

En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken
opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin
zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de
zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar
geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid
sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—

Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge gestalte van Oedipus’
dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten,
zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te
zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene
prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij
vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.

Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste
reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de
hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig
aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:


        „Straal der zonne, wees gegroet.”


Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het
voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop
een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man
verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het
masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst
verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den
gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele
jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart
gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder
met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt,
geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:


        „Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”


En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der
levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een
ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en
zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der
Labdaciden [227]; Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader
om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt
streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:


        „Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”


klinkt het harde antwoord:


        „Ook andere velden nog beloven vrucht.”


Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en
nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t
welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den
lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:


        „God der liefde, nooit bedwongen,
          Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
        Waar uw pijl is ingedrongen,
          Voor uw almacht buigen doet!”


Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht
van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de
groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit
glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende
Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op
haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:


        „Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon
        Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten,
        Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—


Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene
ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk
buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een
vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept
het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus,
aan:


        „Lievling der Thebaansche maagd
        Zoon van Zeus, wiens donderslagen
        Raatlend door het luchtruim jagen;
        Kom, terwijl we in blijden zin
        ’t Feestlied door uw stad doen schallen,
        Zegenbrengend Theben in!”


Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch
plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het
grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven
beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal
geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.

En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij
verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond
van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in
de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt
haar moederhart.

Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen
aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der
koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.

Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden
van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter
aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven
slotaccoord.

Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie
liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de
gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de
strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó
menschelijk was het verhevene, zóó verheven was het menschelijke door
niemand ooit uitgesproken.

Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke
gezangen, zoo rijk en beteekenisvol over de toehoorders uitgestort; zoo
harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog
geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog
nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.

Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische
wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten
onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder
beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten
aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak
verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen.
Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het
tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den
zegekrans te ontvangen.

Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen,
onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.

Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke
menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne
zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den
verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd.
Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.

Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.

De inhoud was als volgt:

„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot
Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs
een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”

Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou
aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van
Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.

Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner
vrienden en snelde hem te gemoet.

Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar
eveneens van harte geluk.

„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij,
maar als kunstrechter.”

Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde,
van zich zettende, sprak Pericles:

„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven?
Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de
banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig
zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met
gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te
zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik
niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”

Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:

„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat
aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt
voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de
woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van
deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk
aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij
als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij
Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen
weergeven?”

„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van
nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze
voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen
menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de
eerste maal, sedert Thespis [228] zijn kar in beweging bracht, heeft
heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken.
Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor
alle volgende tijden bewaard blijven.”

„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t
ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede
oude zeden te trotseeren?”

„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een
oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht
omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.

Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij
volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte.
Daarop sprak hij:

„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te
herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van
haar geslacht?”

Pericles was getroffen.

„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen
toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en
Pericles stond tegenover Aspasia.

Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen
dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder
zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute
plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den
edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar
geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.

Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, las Aspasia duidelijk
op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren
blik zijner oogen.

En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid
beantwoordende, sprak zij:

„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet
op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid
begaan.”

„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede,
„want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger
is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”

„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia,
„en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder
belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren
beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te
vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was
ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven
voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u
op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene
ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit
uw gemoed, o Pericles!”

Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel
te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte
te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de
zijnen te vieren.

De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van
Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.

Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had
gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de
liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.

Maar ook voor hem zelve niet.

„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is
misschien niet goed een langen tijd onafgebroken zich aan één vrouw
over te geven.”

De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen
overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.

Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij
dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte.
Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles
veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar
zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?

Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en
voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een
klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van
Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De
nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.

Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat
hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al
ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf,
dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen.
Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame
schreden en vervolgde zijn weg.—

De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In
haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen
van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op
eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den
heerlijken reizang uit de Antigone:


        „God der liefde, nooit bedwongen,
          Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
        Waar uw pijl is ingedrongen,
          Voor uw almacht buigen doet!”


Pericles in ’t oor.

Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die
beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte
avondkoelte.

Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles
en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en
Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden
gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen
gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om
schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos
toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al
peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van
de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen
Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.

Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den
eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den
Dionysus-schouwburg zich verhieven in de diepte, aan den anderen de
rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus
tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg
heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo
bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der
Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.

Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder
richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de
tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot
verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef
voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die
hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den
roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven
scheen er te zweven over zijn hoofd.



X.

DE KONINGIN VAN HET FEEST.


Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd
gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de
vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd
telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke
uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw
mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld
van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije
fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen,
dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den
vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe
opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was
deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven
te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet
ontbreken.

Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en
de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat
Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te
zullen komen.

Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de
uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den
Atheenschen roem vereenigd.

Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks
binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien.
Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne
baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne
vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame
vogels, zijne hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om
ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij
voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had
opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol
gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel
spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij
spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij
voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel
te vereenigen.”

Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet
zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar
in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij
die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met
allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste
mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door
de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude
liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op
na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp
zijner hulde was.

Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje
Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om
zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan
Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier
schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie
hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de
schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk
zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid
betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat
hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld
worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb
hem een paar maal in de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust
beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de
meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen
verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide
knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog
tijd genoeg, om daarover te spreken.”

Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de
groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de
aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het
behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide
tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men
den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de
zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels
meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de
aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren
opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht
vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust
en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin
tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en
musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten
aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van
vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes,
broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van
overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader
beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt
door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone
beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van
de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een
met bloemen bekranst altaar, waarop eene vlam brandde, die de
welriekendste geuren verspreidde.

Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden
neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met
schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het
maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens
onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren
kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen
wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en
essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne
doeken afgedroogd.

De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den
gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het
toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne
naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats
genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn
vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den
tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras [229] naast den geneesheer
Hippocrates [230].

De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek
genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had
groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland
van dag tot dag. Hij was een geboren Abderiet [231] derhalve een
Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der
Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men
zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot
ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit
de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel
van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle
mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de
dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de
ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen
toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen,
om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige
verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning,
ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner
welsprekendheid.

Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en
scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.

Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken
Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen
blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen.
Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één
punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren
de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap
behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om
uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te
danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem
gelijk, het liefst de hoogst uitstekende punten trof. Hij had immers in
zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet
gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een
heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en
Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op
uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen
nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der
vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het
kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus
vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene
vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten
dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de
schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de
macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als
het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is
waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste
oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij
hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.

Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk aanligbed eene kleine tafel
geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en
het maal begon.

Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus
eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou
ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.

„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de
heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid,
zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen,
dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen.
Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen
gebracht hebben, in de kunst van goed te eten staan wij nog zeer ten
achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen
zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer
ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig
prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een
hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden
glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat
ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is
in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze
kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als
gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en
dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook
zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de
krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de
kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het
Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet
ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen
olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist
daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te
vinden.

„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er
een uit Sicilië heb moeten ontbieden.

„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van
onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles
der kookkunst noemen.

„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te
prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever,
de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den
fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het
uithalen van tonijnen [232], alen, muraenen [233] en speenvarkentjes en
ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met
lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf
genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten
zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig
toebereid en met allerlei vruchten gevuld.

„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen
voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel
bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds
te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te
proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen.
Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke
lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van
die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans
kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat
ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig
en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat
heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een
ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij
de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of
met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de
spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij
de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe
keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles
aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil
overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen
van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer
eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in
zich zelven een begrip, in plaats van den patrijs, dien hij op zijn
bord heeft.”

Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk
om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.

Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer
met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger
kon ten toon spreiden.

„Aan den goeden Geest gewijd!” [234] sprak hij en goot eenige droppels
ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den
beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan.
Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts
twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.

Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd [235].

Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en
het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den
drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van
rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten
hunne hoofden omwonden, werd de Paëan [236] ter eere van Dionysus
aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van
vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.

„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het
oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch
[237] kiezen of wel hem door het lot benoemen?”

Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er
tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen,
naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig
roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.

„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan
weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan
den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten
Pericles.”

Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates.
Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook
geen symposion kunnen besturen?”

Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken
kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit
werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou
wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, de moeilijke
taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne
leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen
genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een
symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet,
wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus
verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij
hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch
eene symposiarche.”

Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft,
doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.

„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand
tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”

„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers
gevuld?”

„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus, „Thasische wijn van de
beste soort, zooals hij geplengd wordt in het Prytaneüm [238] te
Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den
zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een
voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”

„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt
waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier
overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe
bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den
gelauwerden dichter der Antigone!”

Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers,
die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.

„Thrax” [239], riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng
de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef
ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen
en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen.
Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u
juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een
wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”

„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als
symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming
en de harmonie aangeven.”

Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en
ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam
ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:


    „Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus,
      Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid,
    Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden,
      Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”


Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.

Deze echter zeide:

„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten
genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia
onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij
daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals
zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft
gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk
raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij
inderdaad eene Sphinx [240] toe, met een afgrond naast zich, waarin zij
ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe
benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch
zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des
levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van
Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat
iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen
onderwijzen.”

Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen
gevende, riepen allen:

„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den
lust des levens te onderrichten.”

„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van alle dingen bij dit
symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een
schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit
en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals
Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij
herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het
verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de
kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan
hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling
uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de
menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook
bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het
aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of
godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de
Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of
verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij
verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en
jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt
van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te
Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en
niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als
de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en
kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en
schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne
zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat
het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de
Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.

„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil;
de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er
eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden
even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen
vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus
Herkeios [241] heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis
achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den
deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje [242], en de
kegelvormige zuil van Apollo Agyieus [243] den God der straten en
daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen
tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene
Pyanepsiën-feest [244] tot het andere de olijftak, symbool der
overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den
Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan
opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden
stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant,
die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke
godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch
de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten
te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen
gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit
te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben
en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een
vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals
betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der
aarde. Want in den Tartarus [245] zijn er velen, die om verschillende
overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet,
dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en
man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele!
Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te
vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die
mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische
gouden dariken [246] zouden kunnen ontrooven.”

Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden
van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:

„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op
den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal
een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in
veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven
in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks
toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—

„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best
doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de
Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan
toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden
hebt.”

Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en
zijne rede.

Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den
gastronoom:

„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar
alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt
gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens
goed leven? En van het pootje, dat, zooals ik helaas bij ondervinding
weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden
te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt
geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij
wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”

„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik
mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op
een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over te beslissen of het
pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men
noemt „het vette der aarde genieten.”

„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is
waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een
goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken
kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere
begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een
zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd
worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en
zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de
ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen
drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle
levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen
van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt.
Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik
niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij
geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te
vinden.”

Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en
alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een
anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.

„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten
volle gerust gesteld. Nu is het mij helder: hoe had ik, dien zij een
vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie
geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor
vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden
kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo
niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been
had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone
vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden
Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk
een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den
grooten Hippocrates!”

„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus
een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk
wijden ter eere van Hippocrates!”

Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus
zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:

„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken
worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het
treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode
vernomen hebt:


        „Des menschen leven past het nooit te roemen,
        Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen.
        Want die het meest door rampen werd bezocht,
        Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op,
        En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof.
        Geen ziener die des stervelings einde kent.
        Doch alles is voorbij. Want als de vreugd
        Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer,
        Als een bezielde doode doolt hij rond.
        Al is zijn huis met schatten opgevuld,
        Al praalt hij in een vorstelijk gewaad.
        Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles
        Niet hooger dan de schaduw van den rook!”


„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het
leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des
levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de
vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu
echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne
verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen
der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens,
die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens
mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien
kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil
zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte
is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk
besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te
worden, zij der Hellenen trots!”

„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.

„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch
ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden
moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den
dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—

„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.

„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een
wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”

„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er
spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal
bouwen?”

„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.

„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u
op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene,
wat ik als triërarch zal uitrusten.”

„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige
stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest.
Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen
overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het
genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”

„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik
u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat
het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u
te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de
rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke
men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is
niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de
dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat.
Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den
eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der
rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder
begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs
tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”

De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles
hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de
uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd
echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras.
Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen,
wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den
zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen
de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne
woorden kracht en gloed te geven.

„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit
Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van
vroolijke skoliën [247] het feestelijk genot om het met bloemen
bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel
op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s
menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen
voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele
namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne
zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming
der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone
gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is
eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken
in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die
drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene,
maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer
verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en
schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van
Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone
heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei
ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer
de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons
bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te
zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en
rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is
roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij
haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons
verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie
verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der
zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin
maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de
omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen.
En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt
gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot
en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het
tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of
naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd
spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig
aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan
in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de
diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns,
handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns
onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen.
Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel
opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig,
verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon
[248] en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd,
ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:

Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”

Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en
verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar
gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne
goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou
opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden,
aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen
geest te kunnen regelen.

„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien
het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van
welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed
begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij
de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te
beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak
kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”

„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat
de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter
wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”

„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van
nemen...”

„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout
Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten,
wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’
plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die
middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner
laatste tegenwerping ten dienste staan.”

„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het
vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”

Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater [249] gemengd en den
gasten in andere, grootere bekers geschonken.

„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok.
Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog
aangenamer.”

„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote
Sappho,” riep Protagoras, even met zijne lippen het vocht in de beker
proevende.

De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en
hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de
oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.

„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed
staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen
naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze
echter niet.”

Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen,
allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren
besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.

Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de
danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had
bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van
bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst
aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters
volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij
den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de
hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een
pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der
jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja
bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden
zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt
naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen
en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen,
toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met
huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke
meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen
vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende
in eene bevallige kromming naar achteren de voeten over den rug en het
hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een
beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het
hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet
het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl
van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende
vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de
hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde
schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’
gasten in eene soort van zwijmel bracht.

Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen,
kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen
der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:

„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan
en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij
toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens
konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet,
Socrates, is derhalve genomen—”

„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter
wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding
aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene
soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een
goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een
hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en
ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch,
zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door
het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond
of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”

Glimlachend zei Aspasia:

„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de engte drijft: doch het is
mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds
sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den
strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op
hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem
des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het
algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels
op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en
gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik
opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus
zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus,
overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene
geheele verandering in de plaatsen brengen.”

„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne
gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”

„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op
te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus
neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den
zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet
met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates?
Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel
ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat
blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in
te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast
Socrates zal zetten.”

Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het
aanligbed, waarop Socrates aanlag.

Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de
symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide
Socrates zijne gezellin.

Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene
eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals
Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de
bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.

„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans
beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat
geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste
vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch,
ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het,
Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—

Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door
den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij
ieder harer bewegingen, antwoordde:

„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed
gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de
beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen,
zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden
breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind
op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”

Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen
den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo
smadelijk de wapens strekte.

„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene
goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het
zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd
dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”

„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker
genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude
Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te
verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”

„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te
spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der
tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten
aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk
druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”

Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen
rondschenken.

De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap,
die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich
niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.

Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken
over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.

Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem
zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.

Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij
begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.

Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken
en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.

Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.

„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der
strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”

„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge
wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man
ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden
grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden
nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden nederleggen
en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid
begraven.”

De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het
hoofd van den wijze onder bloemen begraven.

Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft
de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te
kunnen fluisteren.

De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij
hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het
Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit
en zei tot zijn buurman Sophocles:

„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat
mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang
ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij
duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn
buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit
eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei
de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening,
„Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den
innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de
toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog
het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want
ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn
vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En
als uw pleegzoon Alcibiades grooter is... mijn dochtertje Hipparete...
de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen...

„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.

Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien Bacchus zijne
macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had,
maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel zacht. Hij sprak
met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de
volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de
mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was
verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone
Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door
het aanheffen van een paeän op Dionysus, die toen door allen in koor
gezongen werd.

Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene
feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke
gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die
er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd
door de bloem van den Helleenschen geest.

Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost
in:

„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats
afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij
hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten
dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der
tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij
het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid
der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door
Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan
weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand
gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den
waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard,
dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft
ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder
gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet
verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw
slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede
wij verkoelend ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden,
ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze
koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”

Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk
met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd
waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene
groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van
Oud-Hellas fonkelden!—

En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een
warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van
Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.

„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de
symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen
bevond.

„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet,
dat ik wat minder liefheb?”

„Waarom?” vroeg Aspasia.

„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt
gij dan over voor Pericles?”

„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.

Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de
volheid van haar geluk.

„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou
van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten
of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in
idyllische rust doorleven.”

„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of
het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”

De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het
bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij
dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest
verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar
waande en onschendbaar in hare heerschappij aan den huiselijken
haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen
der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou
triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het
veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor
eeuwig zou planten.



XI.

SAMOS.


„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene
der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs
bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht,
toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de
speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent
vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is
kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx
geloopen—”

„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.

„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,”
hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het
kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een
algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt,
veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de
Milesiërs Priëne [250] bezitten?”

„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man
heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd
oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het bond hunne
geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te
laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de
Samiërs ontstoken.”

„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten
Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.

„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan.
Leve Sophocles!”

„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien
de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven
had gedreven. „Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe
dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”

„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een
van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera
verhandeld heeft.”

„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus,
„als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia,
de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert
slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen
was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om
zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar
kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt
gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen
dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel
degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik
ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel
mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de
Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en
beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun
gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van
de Milesische binnen. Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben
met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles
bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”

„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus
werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles
met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw
ambt.”

In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille
plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk
gesprek verdiept.

„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde,
dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan
hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken
des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de
liefde voor de schoone Aspasia...”

„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te
verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met
truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik
beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en
gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende
mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden,
die mij omstrengelden.”

„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider
zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt,
slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde
gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”

„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven
mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider
zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar
het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der
eerzucht, dat rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”

„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de
dichter na eene kleine pauze.

„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en
sloeg een scherpen blik op zijn vriend.

Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op
te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg
moest verkozen worden—”

„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles
glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen,
welke de gewichtigste is?”—

„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos
nemen?” vroeg de dichter.

Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost
u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen,
een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige
tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te
denken. Samos [251] is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal;
Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover
ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische [252]
school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als
wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen,
den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust
woont.”

„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij
niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone
Chrysilla zijt geweest.”

„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit
aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor
hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten
inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den
tragischen wedstrijd geweest zijt.”

„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de
schoone Chrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap
houdt.”

„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.

De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over
datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.

Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was
het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros
of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen,
welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest
als triërarchen hunne schepen te leveren en ze uit te rusten.

Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen Cephissus-dal zag hij
zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en
Munichia, in het rumoer van den Piraeüs, waar de vreeselijke zeedraken
der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in
het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van
gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den
smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden
van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk
hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het
hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle
fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door
schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed
was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om
te onderzoeken, welk schip het beste en snelste zeilde.

Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun
drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen
gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud
schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend
toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over
de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene
plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme
van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van
de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand
deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe
morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers
dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in
beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag
van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen,
vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de
open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg
geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen
Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers
zette naar Samos.—

Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van
Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De
bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde
heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den
strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd
was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.

De brief luidde als volgt:

„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder
klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij
voelde. Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de
Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen
een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had
wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren?
Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen
het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te
lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was
bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot
onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit
eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende,
aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het
rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.

„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over
het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die
zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.

„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid.
Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen
weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar
Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der
middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de
overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die
bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te
Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel
hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de
mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede
ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik
uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed
uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.

„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, die zeker te Athene op
aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger
verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op
dit oogenblik van het vuur van Ares [253]. Ik heb hem naar Chios en
Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere
versterkingen zijn in aantocht.

„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij
bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u
overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij
naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des
oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste
vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen
de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”

Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische
beantwoordde dien in dier voege:

„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen,
dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door
Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet
verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u
voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des
oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet
onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede
waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u
echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De
begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het
sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees,
dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe
langer ze duurt en ten laatste, evenals Agamemnon vóór Troje, in steeds
toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.

„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd,
daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij
hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij
hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden
Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen
Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn
gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen
zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en
overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die
bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter
Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn
onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij
zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit
is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet
weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij
over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides
onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een
boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft
daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle
dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk
lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat
alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n
invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.

„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de
voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop,
dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een
herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet
gij weten, dat hij juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis
op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”

„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.

„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden
oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”

„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten
raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader
in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens
als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn
vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te
Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de
gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds
als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had
langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en
werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet
een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.

„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u
zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen
voor een vrouwenhater houdt?”

„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.

„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met
wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”

„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn
vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die
mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg
voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan
kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”

„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.

„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe
ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand
geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand,
die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”

„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het
afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en
welks stilte alleen door de welluidende trimeters [254] van haar
dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen
meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof
de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en
zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op
Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.

„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:

„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote
Themistocles [255] mij gaarne hoorde vertellen.”

„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats
te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten,
weggejaagd had.

„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen
der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te
zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek
gedoopte vuurpijlen van den Areopagus naar de Acropolis slingerden, tot
alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van
zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad
verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand
onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen
weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het
heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond
Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar
de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat
weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde
priester van den Erechtheüs-tempel op den burg, die verkondigde, dat er
een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van
zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de
schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren
gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op
zee, op de schepen der vloot van Themistocles.

„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk
gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in
de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de
straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte
vluchtelingen niet konden dragen.

„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij
stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters,
zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst
zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche
schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op
de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht
was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om
Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip
tot schip den geheelen nacht door het geroep der zeelieden, zoodat
zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist
toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God
in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen
optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles
had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou
nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam
het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden
[256] van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de
geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden
aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog
heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere
vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde
schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der
fakkels en de geheele Euripus [257] wemelde en de groote vloot der
Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron
aanzeilen.

„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot
terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag
ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen,
die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle
vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en
vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het
hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en
smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een
paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk
het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.

„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich
stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak
der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds
dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe
lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen,
kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn
bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis
en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had
kunnen wezen.

„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van
vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat
ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de
jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand
van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man
herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de
bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij
het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich
op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen
en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de
rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de
bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen
onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man
Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam
binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer
het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar
verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte,
pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam
het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne
uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met
het kind naar de zee en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij
water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat
bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.

„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd.
Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en
met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar
het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op
zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle
Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den
strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak
vernam zei hij:

„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog
gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het
vaderland gevallen zijn!”

„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te
betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde
den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag
der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”

„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het
hier voor u neergeschreven heb.”—

Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was,
kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor
Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:

„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval
of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief
dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe
brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik
reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw
moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den
aanval.

„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van
dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede
gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor
den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te
pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch
het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te
land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen:
maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet,
aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden
gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons
beiden gehaat zijn.

„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw
moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.

„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond,
die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën
dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie
treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van
Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste
heeft toen geboren te zijn geworden.

„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar
het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over
diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen
slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en
ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van
haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of
slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om
Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal
kosten.”

Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:

„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den Atheners reden gegeven tot
groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde;
alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe
bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht
hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe
brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot
datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist
deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf
het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord.
Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld
van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.

„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke
snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates
pleegt te zeggen, goed bouwen.

„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad,
dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd
doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die
Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had,
heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in
beweging gebracht.

„Zegepralend wijst de onverzoenlijke Erechtheüs-priester op zijne
vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst;
hetgeen de Goden mogen verhoeden!

„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en
toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek
toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den
onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn
tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al
te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene
stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen opdwarrelen, die den
priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van
zijn tempel de wijk te nemen.

„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken
geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig
zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven,
steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een,
dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het
vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid
geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten
staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet
zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert
zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook
onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag
en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt,
daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere
dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de
Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het
Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die
daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat
Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog
meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke
verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.

„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het
moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia.
Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te
snellen, als gij het wilt.”—

Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:

„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving van het
zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien
heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag
misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik
beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met
den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij
geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het
schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen
voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de
bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf
verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd
der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die
voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal
zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.

„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische
vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste
stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat
steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke
schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te
tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige
positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene
geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats
te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens
medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische
vloot te verbreken.

„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels
tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich
buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.

„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne
voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het
daarachter staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring
eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de
schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte
rijen naderde.

„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx [258] onze
voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met
hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen
riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons
toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van
den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide
schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer
gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.

„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid
geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en
die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig
naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar
twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend
vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te
vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten
rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht
opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige
krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen [259]
slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen [260] lange balken
met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke
vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast
verpletterden of het verdek verbrijzelden en als met ijzeren klauwen
het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En
terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van
pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden,
voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning
met bijlen zijne riemen vernielde.

„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog
uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden
de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden
met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De
vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke
vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de
vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te
nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te
dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de
Atheensche over te brengen.

„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook
openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds
op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel
mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te
doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door
stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?

„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen
toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken,
dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een
burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de
Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten,
doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te
gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.

„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke schepen in den grond
te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden.
Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben,
benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de
door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen” [261] voortreffelijke
diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld
hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen
elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van
splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een
vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig
als dorre takken deed breken.

„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog
niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd,
wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs
geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om
het overschot der weerbarstige Samische vloot te verbranden, toen
plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd
geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die
oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel.
Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles
wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het
admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de
Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde.
Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder
dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het
schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander
vaartuig, de „Pharthenos” [262], en terwijl het Samische admiraalschip
mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als
krijgsgevangene, naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te
voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër,
zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den
waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der
weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen
zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich
redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.

Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber,
Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de
vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen,
dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze
aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was,
maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was
een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht
en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes
aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en
hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te
ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden
leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den
diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem
den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en
dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide
golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel
Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik
weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en
onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij
mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets
is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en
het waarachtig eeuwige, één en oneindig, alles in zich omvatte; want
als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen
en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf
gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan
bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet
bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de
zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den
geest.—

„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen,
die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer
vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische
vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de
oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel
verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij
nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut
tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp
verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield,
te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische
stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden
ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven
en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen
strijd aangenomen.

„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid
namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze
taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één
geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig
belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”

„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog
van den Samiër.

„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt
gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en
hen goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”

„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel
warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik
waardeerde het.

„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en
gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen,
die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met
ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart
opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan
zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige
bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en
bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid.
Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den
arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte,
waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten
ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts
op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren
bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en
daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen
geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven,
licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het
schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof
niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige
eenheid van het Zijn.

„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene
en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert.
Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene
wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid
veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder
mij daarvoor te schamen.

„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft
getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige
uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb
Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te
behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te
beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia [263]
een altaar op de Acropolis op te richten.

„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van
meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den
staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te
voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb
ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem
lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich
daarvan toeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”

Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van
Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem,
die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger
vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te
gemoet was getrokken.

Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan
Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:

„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog
steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger
begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen
der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij
in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het
leger juist bezig aan Zeus, den Redder [264] een offer te brengen. In
den kring, die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag
ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg
wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden,
moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan
het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den
Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen
plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil
van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en
verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was,
dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij
daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken
van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren,
af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan
onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil [265] in
te branden.

„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde
met stormrammen en werpgeschut.

„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den
jongen Alcibiades”—

Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:

„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste
brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen
juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene
voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over
de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze
wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te
duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte,
zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn woorden en
hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik
gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van
Sappho bij de klank der snaren zing.

„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen
en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts
met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring,
elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef het hen: want ook zij
arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.

„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij
begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er
velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om
hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht
omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog
begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in
den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij
nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den
kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de
been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn
de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven,
komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van
Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit
de held van den dag is.

„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster
van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken
met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin
samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon [266] en
afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar
dragen, het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met
hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts
verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en
sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de
wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen
baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden
denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet
bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.” [267]

„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles
eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds
tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice
loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en
vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik
openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en
houden mij voor eene lichte en zekere prooi.

„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw
vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber,
knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van
Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene
schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u
niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den
treurspeldichter het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe.
Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit
ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden
en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt,
voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk
een mannelijk besluit van den dichter?”—

Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:

„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij
toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik
zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne
hardnekkigheid doen boeten.

„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde
Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens
als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten
dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar
en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem
voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want
zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen
geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de
verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen
oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten
de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk
vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht
nog bij ons Atheensch volk te doen valt.

„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat,
of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering
zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak
van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij
voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren
te brengen.

„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen
uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog
mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij
zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling
mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”

Zóó schreef Pericles.

Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad hardnekkigen weerstand
en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar
Aspasia gezonden.

Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische
vriendin:

„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de
vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de
muren.

„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren.
Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te
regelen zijn.

„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken
elkander wederzien.

„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich
over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen,
van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene
naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd,
na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu
op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het
schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige
dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend
Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het
schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander
liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.

„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”

Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos
na.

Daarop nam zij een stout besluit.

Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar
den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit
de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.



XII.

UREN VAN ZALIGHEID.


Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar
Milete gemaakt.

De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus.
Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder
zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.

Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van
Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.

De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met
schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden
lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.

Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij
Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden
met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche
schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten
vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het
zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het
land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door
orgiastische [268] woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich
kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus,
die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van
gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken
haardos door eene lydische mitra [269] getooid, in veelkleurig, wijd
gewaad, als Klein-Azië’s echte zoon zich betoonde.

En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele
adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke,
prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en
de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers en
Corinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten
wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch
smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke,
weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan
de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van
de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in
vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van
Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van
Syrische zalven.

Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de
gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger,
Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de
nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een
myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte,
bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin
Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.

In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten.
Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad
schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van
sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er
bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee
geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen
bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer
anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels
in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis
rijkelijk versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den
Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.

„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,”
zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke
tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische
schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de
hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”

Pericles glimlachte.

„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een
brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja
zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen,
Thales [270], Herodotus [271] en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen,
ook den grooten Homerus [272] hebben geschonken.”

„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van
den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de
weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”

„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender ontwikkelt, dan juist
daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en
volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”

Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het
myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de
wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als
geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus
mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere
oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.

Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en
Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het
groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op
verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een
heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als
een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen
liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden,
Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan,
om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke
toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus
met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.

De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en
daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als
Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke
vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open
grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de
Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze
geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de
zinnen meester maakten.

Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten
uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten
zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op
rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare
zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van
gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die
allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem
en wenschte een orakel van hem te vernemen.

„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij
lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij
niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”

Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de
volgende orakelspreuk mede:


    „Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren
    Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk!
    Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij
                                                                  doet!
    Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”


Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit
onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij
liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom
tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten
hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en
papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en
bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch,
kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort.
Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een
geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong
een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen,
tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen.
En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het
aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde
Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere
tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij
dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en
daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets
schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van
tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld,
verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En
in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen
een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende
liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.

Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks
reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu
duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en
verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist
van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen
doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het
bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.

Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden
vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne
zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een
gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der
schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij
naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd,
de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met
rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween.
Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had
medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in
hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor,
dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.

Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met
rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden
op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der
kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide,
terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij
van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.

Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen
lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel
binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den
vreemdeling, om haar te bevrijden.

Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die
het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende
oogen van Aspasia schitterden hem tegen...

Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester
maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter
werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest
opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de
omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.

Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide
met hare zacht betooverende, zilveren stem:

„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon
heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat
ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw
laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat
Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te
vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast
onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet
meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het
schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen
te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw
gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone
Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze
gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de
maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus
genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden
Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit
tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat
de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben
overgeleverd.”

„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning
der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin
der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit
er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”

„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia.

Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een
geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle
gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.

Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering
inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te
voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten
hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.

„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en
voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij
is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat,
weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch
halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven.
Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw
vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke
Corinthische met hare vurige oogen!”

Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid,
vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles
wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook
Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia
eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën
[278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween.
De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen
de nachtegalen en geurden de rozen.

En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt
had bij de Corinthische met hare vurige oogen.

Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste
maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van
het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding,
na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing
is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen
rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander
wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder
ongehinderd opwaarts.

Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit
het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden,
geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden
morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der
vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken
verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten
verkoeld.

Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had
op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met
palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord
zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet
en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken
uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen
der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche
triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos
lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met
mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder
zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare
vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest
harer bewoners.

„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam
Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd,
toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en
weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne
koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze
tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen
voor het machtige, bloeiende Athene.”

„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar
bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn
geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar
de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En
hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een
Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet
verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze
kusten houdt uitgestrekt.”

„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te
zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”

Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:

„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den
aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”

„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch
strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats,
die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste
wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd
is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht
worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?”

„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks
lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese”
onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten
mag.”

„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia
in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn.
Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis
heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de
weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden
echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen,
dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een
lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades
mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”

Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam
Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had
ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij
hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den
overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de
Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet
omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de
schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich
over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk
eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein
paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en
kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.

Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en
wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van
den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd
verstoord.

Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was
niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de
overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone
landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om
haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de
afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te
kruiden.

En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van
diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus
in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.

Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze
beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en
groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en
onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk
van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het
schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander
liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen
konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich
omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten,
mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de
zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het
menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te
verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete
beiden zelven als het beste deel hunner bestemming...

Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het
geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste
wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de
bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van
Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen
van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene
kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen,
die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden,
en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een
tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld
onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor
de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier
genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de
benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven
zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en
verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de
eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven,
vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat
met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de
pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen,
hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in
haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem
bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de
betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot
zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische
sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan
weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen
doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch
rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene
vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der
zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de
gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en
door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in
verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.

Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan
weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel
gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante
te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking,
gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op
verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met
deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en
bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon
had gespreid.

Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles
niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die
deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg
om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk
beloofden en hem aanrieden:


    „Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans
                                                              mij doet!
    „Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”


„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante
verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen
ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.

„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de
Milesische.

„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.

„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?”
vroeg Aspasia.

„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.

„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in
uw huis pleegt te noemen.”

„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen
Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”

De Milesische antwoordde met een glimlach.

Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in
de ziel van Pericles overdacht te worden.

Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s
afwezigheid, over haar sprak.

„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van
tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone
vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard
smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug.
Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den
sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang
aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de
geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de
banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of
haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde
op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een
vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo
zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze
vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”

„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets
bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen,
waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van
diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door
geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren,
waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs
stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is
in weerwil van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen
doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds
vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit
gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen:
die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid,
vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der
Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die
Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken
verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te
verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde
blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door
haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund
en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die
oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen
charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij
spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet,
hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”

„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls
ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is
niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de
tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te
vullen.”

„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene
schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als
een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende
oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder
inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar
van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De
zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met
doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene op, wat
aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”

De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar
Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos
te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles
gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te
volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste
deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke
onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn
innerlijk geluk had kunnen wijden.

De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek
een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.

Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:

„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij
heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene
gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij,
Grieken van deze kust, nabij de vurige Phoeniciërs woont, die het eerst
de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die
weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas
de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de
feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden,
van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en
van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd
en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot.
Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der
weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de
duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs,
zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen
van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de
een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten
zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd
en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der
Corybanten had gadegeslagen.”

Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van
Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat
Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.

„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen
gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb,
verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden
waren.”

Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen
Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:

„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne
onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te
doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te
verlangen. Welnu, luister:

„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten
jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven
des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte
verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek
gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door
de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige
nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking
zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te
sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort
pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke
zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou
afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte
aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in
het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag
er uit, alsof hij door een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd
verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen
en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden
bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij
zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling,
ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke
zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het
heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner
steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op
eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem
mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de
mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn
gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling
voor elk gevaar beveiligd zijn.

„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij
bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag
droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik
af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou
bestijgen.

„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede
begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en
omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven
van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder
uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles
voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.

„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een
dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering
de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij
hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn
van haar dolle waanzin.

„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer
Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het
ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een
tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed
hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of
hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen
elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en
muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat
een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling
Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea,
moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij,
maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende
teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook
in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar
werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels
in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die
zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer
menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen
onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend
geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.

„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met
donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te
zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden
zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit
vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen
een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme
dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met
zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen
zagen wij met slangen, die zij opgeraapt hadden, in de handen en
speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.

„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen
Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij
zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle
feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de
razenden opmerkte, onbewust na te doen.

„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren,
strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen
ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil,
doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte
dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich
daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.

„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den
panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de
handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de
overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven [286],
als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken
en cymbalen [287] en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de
groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende
teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld
voor hunne oogen werd ten toon gesteld.

„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste
schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij
en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het
rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het
geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de
wildste onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning.
Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te
rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele
uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar
reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los
en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat
alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden
onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo
verzwolg hem de dolle schaar.

„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.

„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten
als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.

„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en
wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top
was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten
hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig
verstaanbaars tot mijn oor doordrong.

„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep
zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende
klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht
voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.

„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans
opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het
tympanon [288] klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder,
die in de verte ratelt.

„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap
Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn
Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden verloren zoon
mocht kunnen terugvinden.

„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de
pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.

„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor
mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den
Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles
voortbrengende Godin...”

Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.

De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.

Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond,
zeide hij:

„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering
aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken,
niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den
voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en
mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen
in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”



XIII.

DIOPITHES EN HIPPARETE.


Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den
Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de
triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen
der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik
naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en
langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend
neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de
verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van
het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht
had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de
betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den
gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles
staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van
Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne
onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs [289] uit de
aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot
overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.

„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in
Milete gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet
bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij
voer?”

„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen;
slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te
vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de
schoone vrijheid van alle knellende banden.”—

Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.

„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de
staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt
gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering
gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de
vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben
weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de
hetaere van Milete.”—

Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het
gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij
niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek
van den Athener als eene gevangenis?”

„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij
werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan
dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”

„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze
voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”

„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere
zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de
echtgenoote van een Athener.”

Pericles was getroffen.

„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus
niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg
mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden
is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”

„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te
vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”

„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt
te verwezenlijken?” vroeg Pericles.

„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet
zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”

„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te
verwezenlijken?”

„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde
Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe
aan de geliefde hebt gegund.”

„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare
plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij
begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk.
Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”

„Boven alles het recht om tusschen mij en u geene andere wet te
erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik
dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de
slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de
mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest
in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige
eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”

„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en
kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen
zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat
uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken
kan?”

„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.

„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,”
zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het
oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde
zelve?”

„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam
Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het
voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te
spreken.—

De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige
beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene
triëre, om naar Chios te zeilen.

„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe
vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den
dichter Ion op Chios leeft?”

Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.

Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet
weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip
van Pericles terug te zien.

Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens geheim slechts aan
weinige ingewijden bekend was.

Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel
rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten
werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met
zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen.
Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door
eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van
zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig
gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste
mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed
op zijn vaderland uit.

Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen
mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter
was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste
de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn
geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed
van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios
eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat
de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg
zou staan.

Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand
tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter
der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die
poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles
benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de
beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.

Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios
vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke
onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld,
zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.

Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun
Chiïschen gastheer.

Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend
ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf,
naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in
zijne nabijheid te blijven.

De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de
vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk
te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone
van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia
gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene
vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te
leeren kennen.

Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst
steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die
beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de
koesterende zon.

Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste
vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden
zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in
dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk
gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden
gegund werd.

Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne
oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij hen
zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met
kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren
bekers.

Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de
bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot
zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den
Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene
trotsche, volle roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste,
niet de schoonste der bloemen.

Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van
het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met
ongeveinsde hartelijkheid.

Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden
wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles
en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.

Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen
prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden
verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die
onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.

„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van
Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn,
als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet
bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de
roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die
eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren
kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte
deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest
ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft,
weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs,
die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor
zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de
sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de
hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den
grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter
zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij
was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot
de soldaten heb hooren zeggen, dat, als het van hem afhing, zij eeuwig
zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat
de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij
weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat
hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een
oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer,
zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel
verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne
geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen
thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus,
een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door
zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen
zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het
leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was
en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te
verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en
voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als
strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof,
maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo
dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft
betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en
eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft
gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”

Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van
Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn
vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:

„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik
hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te
tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen,
omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan
tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te
kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de
krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort
verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang
veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden [290] der zee onthouden,
dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche
triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een
prachtigen paeän op Asclepius [291] gedicht, die op de geheele vloot
gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten
verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten
heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de
Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met
zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest
verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te
doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel
is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de
Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen,
naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den
Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond
opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den
droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn
medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den
Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel
verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”

Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde
hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend,
elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van
vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone
terras van Ion.

„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als
Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en
onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in
de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof,
dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone
ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”

„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die
schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet
vergeten.”—

„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.

„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij
Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel
wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de
wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan
beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”

„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles, „hoe opgeruimd
en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne
treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te
houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek,
overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en
dergelijke akeligheden meer...”

„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles,
„verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden
het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde
machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij
kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te
bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne
triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf
opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op
zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of
onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft
beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een
reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van
zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de
fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de
rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij,
niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit
eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke
gevoelens misdreven hebben.”

„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt
spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want
daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—

„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken
in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik
geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben
opgelost.”

„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij
toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de
bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude
schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der
heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft
niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes,
voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij
allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van
den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage meldt,
dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen [292] vloed
zich hebben neergestort.”—

Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme
gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen
gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof
omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen
de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen
overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de
zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der
ondergaande zon zich afspiegelde.

Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn
slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid
waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige
aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den
jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van
schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en
met kennelijke vreugde liet welgevallen.

„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.

„En welke is die?” vroeg Pericles.

„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de
dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om
zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere
beschouwing overwaard zijn.”

De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller
blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den
knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:


    „Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”


„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus [293]? Hoe bevallen u die
purperwangen?”

„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne
tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de
dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid
volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt
purper geverfd, leelijk zou zijn.”—

„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos
[294] bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”

„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als
rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het
sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan
wasschen.”

„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep
Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu
eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.

Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door
den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te
midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een
klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden.
Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen
slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt
van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van
haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat Chrysilla’s blikken die van
Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang
op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten.
Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den
beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke
nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog
iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.

Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door
haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op
gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden.
Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna
geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven
werd hij door Sophocles krachtig geholpen.

Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen
Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag
ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne
vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan
zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk
liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen
jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.

Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de
hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des
bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:

„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend
genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein
pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”

Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de
plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen.
Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:

„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met
den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden
gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich
glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te
blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den
jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve
raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den
boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit
opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het
gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist
op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond
aangeroerd was.

Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde
Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om
zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”

„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu
inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze
allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt
uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het
mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner
groote talenten laten zal.”

Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze
hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog
laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een
vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van
Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar
nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers
op Chios.

Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige
schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden.
Ieder wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen.
Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen,
ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den
wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten
afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken
en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en
niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond
het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de
verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te
dienen, heerschte zij toch...

Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan
zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf
verkoopen wilde.

„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te
geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het
laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen
verklaar ik hem vrij!”—

Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te
kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en
zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.

Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het
einde ernstig en nadenkend geworden.

„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen,
„mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen
trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”

„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer
mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”

„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de
vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te
vernederen.”

„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.

Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en
onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te
zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.

Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels
getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij
het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader
uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om
na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.

„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun
vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op
den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult
overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de
Attische lucht noodig hebt.”

„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel
geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds
klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond
van Sophocles gehoord heb:


    „Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,
    Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,
    Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,
    Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,
    Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte
    Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”


De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een
onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de
beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een zalig genot. Wat
zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend
doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die
in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als
in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende
zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast
met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden
dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed
doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten
staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren,
scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende
lichamen in de golven te begraven.

Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren.
Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der
zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether
fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden
brug over de zee.

Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles
rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.

Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.

„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia:
„Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische [295] dochters
van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”

De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.

Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij
zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd,
de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de
dochters van Nereus op, rijdend op zeemonsters, en Tritons, die
schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te
midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen
gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als
een zeil boven zich heen golven.

Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling
den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus
[296], die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had
gevonden, door de Maenaden [297] in de zee geworpen en door den vloed
verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de
zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel
vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van
Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot
zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen
naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in
beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de
uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te
brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner
vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne
terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de
verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden,
die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange
tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.

Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee
verlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der
zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware
gekust door de stralen van den God, aan wien het geheiligd was. Niet
zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude
eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een
geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene
binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet
zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der
geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van
Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde
over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der
morgenzon.

Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen;
eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het
vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte
kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door
de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het
zilte sop te doorklieven.

De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij
gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden
van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en
breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen
begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te
bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.

Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den
achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de
diepten der zee Attica’s gewijde kust.

Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de
afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen
gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil
zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den
marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige zuilen eene
lichtende stip is voor den zeevaarder.

In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke,
zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische
golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende
tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de
zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een
gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee
en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der
laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud.
Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt.
Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen
van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven
zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de
lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon,
de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.

Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare
hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller
blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige
hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen,
schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der
ondergaande zon.

Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der
reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche
schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte,
maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die
door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—

En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het
Parthenon!”——

Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de
hoogte van de Acropolis waren gericht, greep juist daar, in het
eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon,
eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.

Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der
Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de
schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar
oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos
[298] ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve,
in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het
oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog
kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene
gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige
maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde
onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den
ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg
samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden
nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis
zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets
geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de
priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den
Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs,
onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te
brengen.

Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want
zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van
Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus
gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere
zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig
reeds aan den schoonen Alcibiades te verloven. Inderdaad was Hipparete
het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken
knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en
waardigs ten toon spreidde.

Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin
geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het
tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den
tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich
door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had
het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van
Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van
Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene
Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van
het Erechtheüm.

Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en
het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar
boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds
boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige
gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden
en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met
de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of
haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer
ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide,
dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.

„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke
trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.

De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als
vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert
dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt geworden.
Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand
was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de
echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de
omgeving van zijn tegenstander voorviel.

De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was
aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden
uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare
vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij
gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.

Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het
heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres
in tegenwoordigheid van den Erechtheüs-priester, benevens diegenen, die
gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te
vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze
van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te
dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst,
in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg
begaven, gaf de Erechtheüs-priester haar nauwkeurige aanwijzingen over
hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige
nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te
verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht
ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen.
Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich
bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier
heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al
mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in
vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen
dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht
niet stipt verrichtten, hadden zij den toorn van den God te duchten. In
elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te
wachten.

De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk
geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was
vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere
Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af,
waarin vele trappen gehouwen waren. Angstig zag Lysiske om zich heen,
Hipparete sprak haar moed in.

Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken
verborgen mocht zijn.

„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij
voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht
dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”

„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.

„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven
dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar
beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor
en droog is het op den bergtop.”

„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten
uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het
Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de
slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”

„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in
hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut
en ons zegent op dezen tocht.”

De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel
van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen
poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die,
vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam
brandde.

Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, legden de beide meisjes
hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande,
eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.

Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot;
daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold
liggen, met den kop half opgeheven.

Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete
hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst
en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere
kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den
achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete
en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het
pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen,
zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke
stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken
te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.

„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de
God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste
geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”

Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden
en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte
op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij
verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd.
Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die
schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren
waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine
knoppen zijn gebroken.

„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke
genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij
nooit gehoord van Alcmene en Semele, van Danaë?”

De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden
sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd
van het meisje streelde.

„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die
uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet
verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”

Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte;
maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het
reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting
eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te
gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.

Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:

„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel
kleiner van gestalte...”

Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste
aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op
haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat
daaronder de zegen aanbrengende God Erechtheüs zich verborg. Zij had
die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere
vreezen?

De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche Erechtheüs begon te
sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar
dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het
vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij
onder de hoede stond van den God Erechtheüs; de God zelf echter
sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden
aardworm...

Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene
volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den
Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De vloot van
Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de
Olympiër”.

Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om
zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn
wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.

Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot
weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht
denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij
de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de
geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt
verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat
zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan
alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.

Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik
neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de
verschijning van den God.

En Diopithes?

Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan
ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—

Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel,
was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte
drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden
te zien en te begroeten.

Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van
fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den
schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op
de golven kwamen aandrijven.

Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide
fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de vergulde Pallasbeelden en
de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden
getooid, met de sieradiën van vernielde vijandelijke schepen en andere
tropaeën rijkelijk omhangen.

Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in
’t oor.

De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong
alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en
velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen
overlaadden.

Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de
uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn,
met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken
gastronoom in den Piraeüs wachtte.

Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte
haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de
stad gevoerd werd.

Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de
zee, de kusten en de stad.

Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen
verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming
van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den
Acropolis.

Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden.
Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de
schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der
maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de
pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van
Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.

En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de
eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athene staat,
doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.



XIV.

DE PANATHENAEËN.


Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert,
wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen,
dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,
waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen
ontmoeten.

En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner
familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.

Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen
hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren
klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning
betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook
hem eene heimelijk mokkende gade.

De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete
geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had
bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer
vriendin had Telesippe het vernomen.

De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden
echtgenoot te wreken, zooals Clytaemnestra [299] op den terugkeerenden
Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed [300] hem in het
verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan.
Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar
haat en kleingeestig ook haar wraak.

Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den
vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem
tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen?
Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis
de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van
Telesippe verdragen.

En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na
zijn terugkeer ontmoette:

„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over
barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u
verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—

Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in
den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet
Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart
had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne
gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde
gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve
dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere
neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd
maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten,
haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des
huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?

Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij
geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard
was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.

De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude
worden, waren teruggekeerd.

De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het
feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de
gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd
verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde
en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit
geheel Griekenland kwamen de gasten.

Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en
vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde
zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds
had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste
maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de
Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.

Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór
den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den
Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den
prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste
jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den
Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook
ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners,
Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe, die den knaap haatte,
omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus
en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.

Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar,
terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter
tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den
prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van
Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den
Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den
dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in
de hippische [301] kunst, staande op den met vurige rossen bespannen
wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende
strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan
stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t
hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht
te komen!

En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der
jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte
spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei
krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van
ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den
rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de
opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het
metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van
krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook
bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door
deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na
te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te
mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus denken en aan
het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus
plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk,
dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben
kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier
niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.

Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede
de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus [302], Prometheus en
Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste
jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er
op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts
onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om
de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het
volk tot spoed gedreven.

De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de
statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren
en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de
jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon
bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen
en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele
vormen te toonen.

Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.

Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met
gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en
fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had
opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde,
behoorde ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.

Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde
peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het Erechtheüm
gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het
nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk
der Ceramicus in orde geschaard.

De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de
vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echter een
even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier
stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle
kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere
rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag.
Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen
met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren
hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te
beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen,
aan beelden van kracht en welgemaaktheid.

Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te
scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van
trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de
hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen,
bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en
vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen,
sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen
eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits
voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen,
die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen.
Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone
horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,
offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere
offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen,
deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.

Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen,
in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige
pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde
plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden
gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk,
droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden.
Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig,
bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder
oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en
bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den
dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die
gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste
der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn
gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke
feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde,
ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God
der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van
bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige
ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die
hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.

Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker
wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans:
prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten
van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de
hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde
oogverblindend in de stralen der zon.

Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog
kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien
zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en
onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.

Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die
aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden
steden en eilanden gebracht werden.

Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het
glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige
weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een
zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den
feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van
buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de
Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter
zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens
eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien van
Erechtheüs en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het
prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën,
herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas
Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier [303]. Het aandeel
door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten
[304] genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op
den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven
den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van
dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel
voorgesteld, die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en
verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.

Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de
Panathenaeïsche wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en
fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den
fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud
gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis
werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens,
met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm
en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone,
eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke
welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele
voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met
hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van
lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde
de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten,
donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende
ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen [305] aangevoerd,
marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de
zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen [306] in schitterende
wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen
de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het
veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden
aan het hoofd; het volk naar gemeenten [307] ingedeeld, mannen en
vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers
de vreemdelingen, die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen
met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God
der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen
achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en
droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende
zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning,
klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden
neer laten.

Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste
straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid,
overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien
dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron
der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de
ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste
deel van de geheele feestviering uitmaakten.

Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van
de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om
vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het
andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.

Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de
hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook
verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste
heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door
offers of door het aanheffen van een paeän.

Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de
Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat
langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op
de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben.
Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met
hunne moedige paarden toch in den trein bleven, terwijl zij zich
zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar
door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als
voor raderen, verminderd was.

Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm
en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het
Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het
aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de
oostzijde van het Parthenon.

Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het
Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met
bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos,
ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte
zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich
heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.

De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was
onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der
grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen
marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of
heldere kleurenpracht.

Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien
vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het
zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne
afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met
wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De
grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven
zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met
zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner
rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die
de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten
bevolkten, stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar
den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen
van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich
te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.

Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog
des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen
voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden.
Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij
rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar
als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn
aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne
lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk
der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden
de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend
leven in zinrijke vorm afgebeeld.

De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de
geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de
Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de
Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten
heenspoedend met de blijde boodschap Nike [308] en Iris [309], haar
tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding
vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden
opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in
de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas
Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land,
bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende
godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de
heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene
en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende
span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich
bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van
deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld,
dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de
zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der
Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen,
die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen
fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door
het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te
stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen
beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën
en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige
jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier
stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen [310] het
overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone,
Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten
nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo
onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte,
dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende
tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds
in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid
bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de
werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”

Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer
der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste
overheidspersonen van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden
zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en
de Archon Basileus.

Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het
inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en
Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al
zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan
het volk der Atheners.

Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin.
Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en
sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:

„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche
zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de
geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste
goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had
gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch
ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen,
waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de
Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner
macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het
over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene
Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en
diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer
zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij
zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in
welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier
voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun
van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit
den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld, een Pallas
Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het
nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis
voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin
zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen,
losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren.
Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van
haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo
wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het
overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude,
heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het
feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden
van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der
kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de
beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om
die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen,
zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van
de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden
zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in
steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al
het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den
Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken
waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven
had opgericht.”

Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door
duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der
jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten
en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den
wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de
stoet der jonkvrouwen de trappen en ging door de geopende poorten van
het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der
maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden
de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel
ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden,
onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die
wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de
geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder
blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen
des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche
wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij,
die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.

Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de
paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin
onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en
steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken
gericht.

Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale
godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al
het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone
hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken
neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende
uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke
opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het
schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was
niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen
verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte
rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif
of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud
stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde
zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, door de
Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der
Godin hing het Aegispantser [311] met het versteenend Gorgonenhoofd.
Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene
Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan
griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en
waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van
de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de
strijd tegen de wilde Amazonen [312], op den binnenkant de trotsche
Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal
strijd tegen de woeste, donkere machten.

Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der
Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met
bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie
schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede
zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang.
Eene groote, vierkante opening was er in het midden van het platte dak,
dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel
viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin
bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere
aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het
gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den
blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den
overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De
valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van
Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en
schaduw, nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit
zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen
het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter
van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was
niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar
terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken
tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en
verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen
hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig
stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het
reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.

Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk
onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der
Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare
voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de
overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden
door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende
knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen
uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias,
Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas
geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving
uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel
eene prachtig gevormde amphora [313] ten deel, waarop in schitterende
kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen
verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige
olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke
eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de overige agonen; hun
echter, die in de musische [314] wedstrijden de zege hadden behaald,
werden gouden kransen toegekend.

Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog
onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat
naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede
omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting
aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder
vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar
geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van
Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en
pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan
bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het
Atheensche volk.

Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich
her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het
Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde
waren gekomen.

Onder hen ook een Spartaan.

Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een
Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende
blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem
toeduwde:

„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”

Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen
stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans
tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze
orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om den Spartaan
drong en de Atheensche jongeling de schampere woorden herhaalde, trok
alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te
verlaten.

Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor
een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de
beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde,
onheilspellend in het zwerk...

Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch,
dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst
neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester van Erechtheüs.

Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het
Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias
opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht
geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis
van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend.
Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de
Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden
de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas
Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken
nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun
priester met hen...

Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in
gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden
gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans
zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde
aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met
Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag
hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de
hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus,
Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende
Atheensche mannen, die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne
banier hadden geschreven:


    „Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”


Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij
het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels
der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden,
bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die
uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het
voltooide werk in oogenschouw te nemen.

Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders;
een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.

Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het
allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene
afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid
werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde
hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en
als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.

Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de
duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden
gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één
hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen
bezielde.

Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid
der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne
gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in
gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch
zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars
beschouwen.

Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de
mannen, en hij sprak eindelijk met den hem eigen ernstigen glimlach,
zich tot Aspasia wendend:

„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone
Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in
alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij
herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het,
dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”

Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte
voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.

„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene
vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij,
mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en
geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel
toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige
van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te
denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel,
groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van
het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en
onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig
in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat
ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste
tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der
vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne
hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets
anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp
richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen,
in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle
Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden
wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet
den toorn der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds
slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in
menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet
toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone
niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort,
het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid
van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters
het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt
gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel
zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros,
hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij
dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe
bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen
zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas
Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”

„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en
Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas
Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet
weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o
Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der
jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet
aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de
Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde
Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te
vervaardigen.”

„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij
over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter
verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het
volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze
houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene Promachos en van
deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat
ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van
het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij
schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de
„vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal
zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende
manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu
overig dan de vrouw?”

„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg
afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik
niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”

„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,”
vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid,
en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk:
„alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten
veroveren!”

Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met
Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken,
die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden
opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en
prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af
aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de
beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of
anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden
beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo
ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit
meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.

Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het
werk van den peinzenden zoon van Sophroniscus, naar de groep der
Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had
vervaardigd.

Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander
omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een
verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en
gestreng de andere, peinzend de derde.

Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide
de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:

„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen,
integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou
men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk
waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van
deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende
eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het
gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende
bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone
Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen
de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en
Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het
lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone
naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter
van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer
ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het
volkomen wezen der Charis uit te drukken...

„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij
daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in
een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te
stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou
deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het marmer
bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter,
o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken;
want ik lees het in uw blik!”

„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.

„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige
vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil
van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in
plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als
wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken
slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als
het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het
gemoed en het leven der Atheners!”

„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin
als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping
is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet
niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan
door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de
schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam,
gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten
bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken,
waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en
scheppingskracht!

„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot
vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het,
naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele
Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft
volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den
gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk
ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een
lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws en
schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want
zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met
der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der
schoonheid!—

„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort:
„het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende
regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van
Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds
bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men
ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag
beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige
gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe
vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als
meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met
onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche
vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den
spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert.
Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van
geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den
echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet
niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit
verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten
tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom
zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene
wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die
het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd
een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en
geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te
gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke
leven. Hier, evenals daar, is de drijvende geest, gemoed en gedachte
dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op
gelijke wijze openbaren!”

Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van
Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven,
greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:

„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords
noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u
iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging,
die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was
zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben
ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de
vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe
mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van
barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw
van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van
het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den
Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven
verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden
van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik
inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden
en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der
beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan
zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een
openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke
onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde
levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal,
naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij
zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”

Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol
aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.

Ook de Erechtheüs-priester vernam die woorden in het schemerlicht,
achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot
een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in
zijn oog en viel op de Milesische.

In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen
en prezen de voornemens van het edele paar.

Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed,
wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.

Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:

„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe
zijner Chariten is gesloten?”

„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus,
„dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde
wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij
willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden
vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”



XV.

UILEN OP DE ACROPOLIS.


Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der
Euminiden [315] meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de
gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft
plaats gehad, dan is het niet te verwonderen, dat bij het noemen van
den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest
zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren
tinnen van het Parthenon.

Doch er waren ook uilen op de Acropolis....

Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen
naar Athene zenden” [316] de beteekenis kon krijgen van een overbodigen
arbeid.

En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden
bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen
nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en
beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het
wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets
zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, dat uit hem geboren wordt,
en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.

Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van
het licht geworden zijn.

Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij
nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine
dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen,
muizen en slangen.

Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den Erechtheüs-priester
Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het
Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich
tevens eenigszins zonderling beweegt.

Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere
opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang
des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de
breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt
Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare
stem uit.

En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal
der trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:

„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door
den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is
vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer
trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste
trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”

„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.

„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit
Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede
voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is
even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden
met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben:
wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik
voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is
in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene
beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij
zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen
weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het
verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel,
zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt;
opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd
mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag
aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste
deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die
inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en
misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome
woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”

Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester
zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te
zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der
gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede
van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle
inlichtingen, die hij kon geven.

„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de
vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij
dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in
vredestijd.”

„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.

„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare
tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en
gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort
voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder
grootsch dan het Parthenon zelf—”

„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem
in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die
overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het
heiligdom van Erechtheüs vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve
waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt
met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van
Phidias.”

„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat
niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners,
zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles
daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne
oppermacht zich staande houdt?”

„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien de Atheners den tijd
laten hen zelven te gronde te richten.”

„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig
man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”

„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak
in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest
der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik
heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de
hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet.
Ja, gij zijt een Lacedaemoniër en als gij zegt, dat gij den Atheners
alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets
van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele
Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te
Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude
tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”

Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den Erechtheüs-priester
de hand.

„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op
Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik
zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm,
onverzoende wraakgeesten zweven.”

Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand
van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand
naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den
burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan
deze zich verhief.

„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen
handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de
rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze
plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene
diepe, donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof
staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met
slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de
verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven
ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen
rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen
toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en
heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en
waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat
de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd
heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het
doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers
worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters
beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen
tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de
strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij,
nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de
urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te
vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid,
nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen,
behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het
familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen
misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij
straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig
dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die
meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te
teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het
te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots
van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers
van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles
was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare
voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen
invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals
over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den
burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen
heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten,
zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—

„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de
Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der
volksheerschappij.”

„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een
oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in
geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij.
Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige
menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich
in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen
hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle
volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner
eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden
schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over,
dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op
een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en
aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op
voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin
Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene
kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”

Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei
hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den
grond voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning
met Lacedaemon ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”

Zoo sprak de Erechtheüs-priester en verdween weldra met de man uit
Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een
tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.

Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door
minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal
verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen
geleid.

Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar
met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor
zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had
durven hopen.

Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den
Archon Basileus kunnen wezen!”

Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was,
kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den
indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne
gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon
Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus
bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk
gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en
vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus
was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in
het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem
opdeed.

„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als
gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van
die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze
beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die
strengheid, van die deftige waardigheid, die een ernstig man, met het
priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik
sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer
gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een
beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou
vinden, wat zij in mijn huis miste.”

De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend
waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met
eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te
beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de
schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de
Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het
huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade
binnen te leiden.

Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar
te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen
huwen.

Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel
woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar
echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot
zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij
Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij
de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij
voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van
hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij
scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot
huis verjaagd....

Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht!
Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja,
waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven,
niet der moeder. Door den dwazen trots der vrouw heen voelde zij altijd
door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.

En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van
haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den
laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook
Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen
hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten
had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed
daarmede vergoten werd.

Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne
gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en
heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die
zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel
gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden
hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan
helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.

Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar
afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de
moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe
reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in
gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene
menschelijke wijsheid ooit zal oplossen....

Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne
rechten met elkander in strijd....

Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.

Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals
bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe
volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk
de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij
verspreidde licht en glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia
kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche
lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.

De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia
bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken
Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden
beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden
aanvoerder der Muzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de
Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo
lang was geweigerd.

De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde,
begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was
dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks,
niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade
vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel.
Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken
haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met
bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan
niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar
ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.

Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem
dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het
verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man
versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter
wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne
beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der
schoonheid herscheppen.

Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het
smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare
sieradiën, in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo
ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares
bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als
alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder
verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot
heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De
geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te
verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet
had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest?
Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten
arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in
zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring,
verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het
reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen
fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en
iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne
ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring
op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat
een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood,
het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte
groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare
schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.

De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog
zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat,
bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft,
evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich
te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de
zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook
het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,
is benijdenswaard.

Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—

Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn
eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was
Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des
morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene [317], zoete
sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem
den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar
zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te
ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe
als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde,
waarmede men een kind liefheeft.

Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems,
schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen,
in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk
verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de
muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van
bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze
bronnen weten te scheppen en te putten!

Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk
zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist
hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen
geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las,
of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met
kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei
telkens afwisselde...

De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden
buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.

Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van
Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten
goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.

Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het
geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet
de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten
volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden
gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het
verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.

Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke
stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in
alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der
handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat
Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom
als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de
witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de
nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak
van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had
plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen,
waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering
van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken
zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide [318], gene
met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares,
weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met
de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.

Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles
voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd
gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende,
dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia
bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms
bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van
stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij
met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men
veel leeren kon.

Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht
te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat
zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook
gelukt was de gade van een koning te worden.

Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier
nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van
Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den
kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf.
Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles
koesterde en jegens den jongen Alcibiades.

Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van Paralus en Xanthippus
hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet
aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen
Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van
Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.

Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden
pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar
des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de
evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?

Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van
Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van
Pericles behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon
worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene
gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon
van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat
hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was
en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne
deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen
uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar
Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam
was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en
adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de
Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon,
bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was
stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig
karakter.

Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te
nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet.
Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan
den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap,
die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden.
Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem
zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne
spotternijen en overmoedige scherts.

Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans
meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met
opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van
haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk
van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige
oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om
later dubbel gelukkig elkander weder te vinden.

Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den
achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die
zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche,
onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een
natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het,
dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht:
hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn
vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat
hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te
moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw
zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet
onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder
talrijk maakten....

Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar
vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op
het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam
Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De
belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van
Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap
niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te
leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder
kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij
wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond
Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de
richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne
stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.

Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der
vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.

Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich
zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef
zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij
werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier,
om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over
te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.

Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had
gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:

„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij
de schoone natuur ter schole wil gaan?”

„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen
eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het
is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en
lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”

„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen,
om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron
te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan
oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen,
naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou
ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u
vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”

„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel
haar eigen meester is.”

„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar
eigen meester is?” vroeg Pericles.

„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten
wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot
haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”

„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou
kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de
blikken van een ander prijs te geven?”

„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in
staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”

„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De
Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan
de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen
ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is,
moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde
omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen
onteert.”

„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist.
De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen
afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe
vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het
dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de
eerbaarheid niet de voornaamste reden is en dat niet elke ontsluiering
op zich zelve onzedig is.”

Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij
plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier
gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.

De beide mannen waren Protagoras en Socrates.

„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting,
„dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij
Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over
zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis
betreden?”

„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het
volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander
van verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij
stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden,
omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene
gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik
daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras
van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar
hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met
opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether
liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende
Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer
van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den
andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we
elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod
wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te
zamen het huis binnen te treden.”

Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting
een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van
wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag
bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende
meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel
het hunne konden bijdragen.

Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was,
maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te
zetten.

„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn
de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog
eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia
echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de
oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het dan ook in onze
eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere
gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het
toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze
mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”

„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan
de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der
zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia
reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst
worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des
beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen
tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft
geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone
toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat
zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid,
volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor
het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de
nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat
de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade
van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des
lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver
mogelijk, overlevert.”

„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als
gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag
bezitten?”

„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras.
„Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en
wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder
het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de
vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de
kunst, op een aard en wijze en onder omstandigheden plaats grijpen, die
het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”

„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.

„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit
te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat
gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene
vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den
hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden,
doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks,
als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens
en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man
zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs
geven...”

„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw,
wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was,
alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog
de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal
geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de
eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt,
om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen.
Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen
koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval
kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen [319]? Als ik mij
goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den
gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet rustte, tot hij
bezat wat hem zoozeer had verrukt.”—

„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met
andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte,
als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als
hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist
zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt
daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn
gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen,
heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere
bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den
ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene
door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die
alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat
is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—

„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren
wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat
denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van
een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”

„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de
wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is
juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten
op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus
weder werd afgebroken.”—

„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede,
„gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van
afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig
vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou
hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles in de
wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles
in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn
wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene
zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van
den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het
voor heden laten berusten.”

„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt,
alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en
schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op
zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute
waarheid.”

De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige
uitdrukking aan en hij zeide:

„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en
gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de
meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”

„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter
dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch
altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—

„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij
echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken
arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst
hebben begonnen?”

„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en
harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden
beschouwing te willen vervangen.”

„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij
de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te
sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar
hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen het
alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner
toehoorders werken.”

„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken
geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden
eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel
en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest
zal zoeken.”—

„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die
hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel
gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam
zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—

„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der
werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich
in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in
de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er
zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat
hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen
ontzegd werd.”—

„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken,
omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven
is.”

„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de
deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op
terugkomen.”—

„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de
deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer
eener schoone liederlijkheid te geraken.”—

„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam
Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die
op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den
angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij zelven niet tot schoonheid en
genot geroepen zijn.”—

„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras,
schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene
willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”

„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij
met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot
beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een
onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”

Socrates zeide:

„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”

Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor
van opgewondenheid in zijne trekken.

Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens
zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben
gegeven.

„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij
volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te
lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te
zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”

Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen
gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer
wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven
en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel
snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart
van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen
woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone
Milesische welgevallig zou zijn.

Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in
Aspasia een toenemend gevoel van afkeer en bijna zonder zich er van
bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke
arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte”
altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan
hem zelven te schande te maken.



XVI.

DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST [320].


„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn
nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden,
voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners
onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel
Athene.

Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had
voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.

Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken
om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon
was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen
gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen
waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm.
De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts
licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het
de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.

Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste
schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne
bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest
gediend hebben.

Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.

Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene
kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen
daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze
verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had,
zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten
toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven
waren Pericles en Phidias geweest.

De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te
geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.

In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote
natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende
kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia
drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met
kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar
eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.

Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze
Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de
vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het
betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.

Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem
vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten.
Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote
meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.

Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was Aspasia, maar verheven tot
eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een
ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste
beeldhouwersziel.

Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke
wijze:

„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias
kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone
Aspasia.”

Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de
Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig
maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk
wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf
geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half
onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen
was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust
zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem
opgewekt was geworden.

Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren.
Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de
beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner
ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden.
Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op
een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te
gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te
verwezenlijken.

De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas
bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin
van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem
niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger
ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen,
dat hij zijn tijd tusschen die Pallas en haar levend model verdeelde.
Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles
richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te
ontmoeten.

Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende,
zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste
onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in een labyrinth van
straten, scheen hij een labyrinth van gevoelens te doorkruisen, waar
hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats
terugbracht.

Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar
die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks
gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een
inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras,
zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets
van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens
zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert
dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is
toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die
vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere
woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van
die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.

En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en
innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen
teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was,
des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.

Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen
den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid?
Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling,
welke Socrates met Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en
Aspasia gehouden had.

Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van
zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in
hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin
zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles
glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne
moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de
schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem
aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd,
vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en
ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de
schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.

Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater
Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid
geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd
weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de
onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene
ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring
opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn
geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem
open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets
toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten
vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het
Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te
verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde
dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was
en niet het volk de onderwijzer van den dichter.

Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den
toon, dien hij aansloeg, met haar over de vrouwen te spreken.

Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit,
dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw
overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.

Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak
te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat
zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem
naar zijne nieuwe gade.

„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig,
„maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde
gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene
huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die
door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik
ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al
het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”

„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en
beminnelijk is.”—

„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het
natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte
eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—

„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg
Aspasia.

„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan
den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij
hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te
staan en op straat te gluren.”

„Is dat alles?” vroeg Aspasia.

„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij
is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is vol veinzerij, zij is valsch,
zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij
is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig,
zij is dwaas, zij is sluw, zij is babbelziek, zij is jaloersch, zij is
ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is
zielloos...”

„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit
alles afzonderlijk te bewijzen.”

„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.

„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t
midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”

„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de
vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt
geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juist het
tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik
mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen
behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij
door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang
men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar
aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar
één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare
liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit
middel bestaat hierin, dat men haar verwaarloost. Wee den man, die
zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den
voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon
in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke
koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar
bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die
wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met
de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt
vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt
roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat
vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder en verliefd, dan zou hij
haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij
veracht en in een jaar dood gekweld.”

Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon
uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken
wrevelen ernst en nadruk:

„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden
spint—zwarte of gouden.”

Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.

„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo
afhankelijk is van de vrouw.”

„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik
voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het
toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert
overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld,
eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De
Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk
zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam
is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”

„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia,
„als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het
grootsche verleent?”

„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering
wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want
de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf
roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter
komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven
zwakheid.”

„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden
triomfeeren!” zeide Aspasia.

„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar te gemoet. „De dag der wrake
komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht,
de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal
uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de
vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar
slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met
onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets
meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen
kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf
behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is
niet goed...”

Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde
dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het
en zeide:

„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”

„Tot Aspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar niet van Aspasia. Ik
spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn
geen Aspasia’s...”

Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’
gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon
van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen,
dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke
geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met
bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates
omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia
afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.

En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover
den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:

„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk feit voor, dat ieder
man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts
zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan
zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken,
die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te
zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter
zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van
grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook
gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die
geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel
gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en
ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke
blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde,
als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den
goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de
troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een
pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom
harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van
haar wezen...” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen
beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en
een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn
omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen,
maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet
liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet
haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve
de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid
ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de
verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf
onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet ontwikkelen! Hoevele
zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door
hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat
zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch
daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe
heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en
het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting
het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de
aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd
ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar
streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen
van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone
en het goede te maken!”

„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep
Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het
overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen
uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk
geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u
echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van
haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel
berust!”

„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of
het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden,
dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte
ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—

Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia
zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele
punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening
overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het
masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar een lesje te
geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van
haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.

Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de
gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de
gade van Pericles geworden was?

Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en
al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.

Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te
krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen
bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot
aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.

Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij
verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer
deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De
Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten;
maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar
argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.

Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is,
de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het
bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij
opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en
voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet
door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en
opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den
gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen,
en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van
haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te
boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat
eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst door een
verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen
inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men
gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf
het geval zijn.

Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet
gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor
hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en
plannen meer openlijk voor den dag gekomen.

Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van
Pericles in een tal van partijen verdeeld.

Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van
vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar
verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke
genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te
vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de
persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een
innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in
vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel
en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet
alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden
tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.

Tot de onverzoenlijkste en nog steeds gevaarlijkste vijandinnen van
Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin
van Pericles en de zuster van Cimon.

Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de
handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot
andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden
verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen
de gade van Pericles op te hitsen.

Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde
vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het
jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk
der liefde en van den echt berustte.

Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen
redeneertrant te beproeven.

„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner
kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”

„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.

„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,”
vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”

„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.

„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de
voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”

De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag.
Aspasia echter zei glimlachend:

„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de
man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg
voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog
zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van
haar man de beste aller vrouwen te zijn. Velen vorderen van anderen de
liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te
verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”

Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker
niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den
mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge
echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men
vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor onwankelbaar
echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste
aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest
houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in
tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man
boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter
beviel.

Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het
vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten,
met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van
Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken
aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te
ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen
dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen
dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve
de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van
vermakelijk genot verschafte.

Zoo drong zich op een goeden dag een zekere Clitagora met geveinsde
bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de
clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.

Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar
echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?

„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den
argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien
kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is
eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd,
alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar
meesterstuk is de zachte en lichte sesamee [321], die zij uit
sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde
gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet
er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om,
besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en
lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is,
laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en
andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de
verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die
met de zoogenaamde Cappadocische [322] koeken dweepen. Men kneedt ze
het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan
maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en
moeten geheel heet op tafel komen.”

Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken
uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en
tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond,
wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den
roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te
bewijzen.

De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de
vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te
liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar
verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij
zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en
ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene
vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia
geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten
over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en
persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school,
waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia, die
tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot
overwinning zou helpen voeren.

Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver
reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden
rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te
bereiken.

Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der
heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare
macht te brengen.

Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een,
dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe
geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van
Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als
die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen
van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.

De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde
priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de
verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren
moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest
voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef
het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot
deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De
viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den
Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder
ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.

Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het
kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van
Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene
terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot
aan den avond in den Thesmophoriën-tempel vergaderd. Demeter en
Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere
dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere
kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en
plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden
gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich
voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede
den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.

Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge
omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en
nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven
overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen
houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige
gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar
hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal
licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke
tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en
hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.

Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.

Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en
de feestzangen te babbelen op kuischlam in den Thesmophoriën-tempel.
Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd
al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond
zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten
harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er
over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en
uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de
beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden
elkander van toovermiddelen, om in het kraambed te gebruiken, of
deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van
liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor
fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den
echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden
elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of
sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog
anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het
levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.

„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch
uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der
meesten rondom haar uitkwam.

„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te
behandelen, als Pericles Aspasia doet.”

„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij
moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in
te richten als Pericles met Aspasia doet.”

„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige,
kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds
aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te
geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”

„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook
tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen
het meest verlept en geblanket waren.

„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het
toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en
onze mannen dwingen het goed te vinden.”

„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster
met een boosaardigen lach.

„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die
vrouw plaatste, met hare handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik
mijn man tot een hoorndrager maak?”

„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uwe
leermeesteres Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!”

Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw
van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar,
die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf
vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden
blik op haar.

„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en
er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich
voortplantte. De geheele Thesmophoriën-tempel geraakte in oproer. „Wat
is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man
binnengeslopen?”

„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”

Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond
zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.

Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden
van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de
oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.

Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht
omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de
vermetele vestigde.

Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare
partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden
toe:

„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest
dat weten! Ik ken u precies! Gij zijt Critylla, die door uw eersten man
Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk
uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom
die het altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—

Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij
maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door
den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:

„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat
hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne
gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als
Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne
vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den
mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht,
hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het
voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”

„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij
elkander aanzagen. „Critylla heeft zich vergrepen, door Pericles en
Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als
deze!”

„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft
het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke
geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die
macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens
hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den
titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan
slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de
markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”

„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man
heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het
vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijn cachet
verzegeld.”

„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten Molosser-hond gekocht,
die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne
afwezigheid binnen moge sluipen.”

„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging
Aspasia voort.

„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man
draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”

„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te
koopen?” riep eene tweede.

„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen
gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het
Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien
pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar
huis.”—

„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben
gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te
verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare
aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar
over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd
krijgen te vragen, wat daar beslist is?”

„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan.
„Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”

„En als gij niet zwijgt?”

„Dan is het nog erger!”

„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die
oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is
stilzwijgen!”

„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!”
klonk het in den kring.

„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde
er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”

De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder
elkaar.

Aspasia echter ging voort:

„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult zijn; want dan alleen
kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig
en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk
geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit
met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw
huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op
let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan
den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand
uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een
crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met
zalfdoosjes en eenige cinnaber [323] dit doel te zullen bereiken. Maar
alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is
lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk
wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest
noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de
mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg
veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der
vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten
werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in
u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed
uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden,
vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de
wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het
huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de
kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het
ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten,
eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat
wij met alles wat in ons is, voor het recht van ons geslacht willen
strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping
behoort.”

Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den
kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een
luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer
onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met
heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken.
’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels
zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.

Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en
krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen
zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia
stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook
het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon
herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en
haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende
men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.

Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare
geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare
bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom
ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van
Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:

„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in
den kring van geboren Atheensche vrouwen?”

Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele
der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat
deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.

Elpinice echter vervolgde:

„Hoe durft de Milesische het wagen ons de les te willen lezen? Wil zij
zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid?
Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van
kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben
op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij
hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen,
wij zijn bij het Braurons feest [324] als bloeiende jonkvrouwen aan die
zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der
Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen,
door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster,
misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat
zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar
tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”

Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:

„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van
een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in
saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën
eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den
hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe
Adonis-feesten [325]. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot
Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”

„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger
vertoornd uit, „waagt gij het onze tempel te betreden, onze
heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”

Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes
op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die
zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene
dreigende houding aan.

Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar
leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal
dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’
gade kozen.

Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig
woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te
wakkeren.

Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te
verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.

„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe
deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche,
wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar
echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de
boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de
mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het
gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—

„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar
een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in
rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de
tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare
kinderen!”—

De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s
blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op
eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia
blikte.

Elpinice echter ging voort:

„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te
zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas,
voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en
genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots
zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de
schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende
Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen
meten!”

Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele
vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in
de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.

Elpinice nam opnieuw het woord:

„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van
haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander
herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige
beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij,
als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”

Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige
sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met
woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter
stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op;
zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke
minachting:

„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! Bedaart
wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij
zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en
te bijten?”

De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen
zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene
vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s partij maakten
aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen
trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede
dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming
dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den
Thesmophoriën-tempel.

Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den
geest te bevrijden.



XVII.

HET MEISJE UIT ARCADIË [326].


Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden,
maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het
onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend
geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle
omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens
ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van
haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige
uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.

Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij
dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte,
maar zalige, eenzaamheid aan het Ionische strand had gesmaakt. Soms
maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de
zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene,
waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen,
die als het gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.

Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en
ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste
en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld
om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar
Aspasia scheen de tocht al te moeilijk door het bergland van Argos en
Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de
gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide
ter sprake gebracht werd.

In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van
Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier
lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te
kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke
plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren
dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen.
De uitgelatene blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van
Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de
Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en
scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch
zij verborg ook een scherpen angel.

Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.

Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van
Aspasia toegeschreven.

„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden
zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”

En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen
der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.

Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, bijna
vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia
kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig
op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de
voeten der Milesische...

Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene
uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het
Pelops-schiereiland [327] te betreden, dan op den brandenden bodem van
Athene te vertoeven.

Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en
nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest
en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden
van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel
van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al
uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.

Snel werden de voorbereidingsmaatregelen voor de reis genomen, en
weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de
hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t
punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne
beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede
zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren
velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen
echter waren er ook, die het in stilte benijdden....

Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus [328].
Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om
vandaar in de reis over de moeilijke wegen van de Peloponnesus
behulpzaam te zijn.

Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter
zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware
vluchtend, het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel
bespoedigden...

Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling
zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den
weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles
voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.

Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome,
menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden
vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige
zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden
ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens
gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het
niet.

„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia.
„Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken
van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed
gezorgd.”

Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke
bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron
overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit
te storten, eene spreuk of een vers gesneden, soms ook een wijgeschenk
aan de takken opgehangen.

Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich
aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad
der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai
gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de
stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename
herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij
zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar
een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:

„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat
het misdeed!”

Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich
naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met
de hoogste eerbewijzen ontving.

Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd
uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door
bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de
stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin
schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want
evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van
de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke,
genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende
Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de
beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van
de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee,
tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen
der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in
het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen,
zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene
zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen
was.

Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en
zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig
gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij
zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder
oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet
geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte
van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte
opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië.
Zij zagen tusschen de tallooze bergen en dalen de blinkende zeeboezems
en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de
bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.

In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord
door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied
in de zuilengangen en priëelen omzwierven.

„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar
vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles,
„gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht
in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat
prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk
priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze
gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich
in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij
offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de
feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter
eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin,
de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt
meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat
vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is
een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door
handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet
naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet
aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij
leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de
individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn,
zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons
nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons
brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de
liefde voor de aangenaamheden des levens gepaard gaat.”

Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles,
zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de
bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten
glimlach, zich tot Aspasia richtend:

„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel
van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste
weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen
gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke
Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door
verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel
staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en
die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een
onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? Dat tegenover
die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan
genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende
Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke
kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een
worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die
strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd
uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten
tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en
Perseus hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed
in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt
niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op
den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den
prijs? Stroomen niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den
lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt deze
Peloponnesus, en de wateren van den Styx [329] besproeien niet te
vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen
trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij
weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken
in die ruwere lucht.”

„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een
bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van
gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend!
Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne
sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het
zegevierende licht van Pallas Athene!”—

Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van
Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over
de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den
draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor
haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de
moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de
voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En
zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende
bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven
nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de
vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en
lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun
schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.

Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een
angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de
donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn zou springen. Dan
glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de
wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het
gebergte had medegenomen:

„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze
paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis
[330], de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en
dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier
zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het
knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen
Thebe” [331], op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”

Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin
van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den
in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden
wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn
rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het
Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige
berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan
den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte
gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de
stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het
„paardenvoedende Argos” [332] schitterde de blauwe zeeboezem van
Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt,
hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met
groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende
golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.

Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester.
Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen
van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere
onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven,
muren en gewelven van den voortijd.

Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen.
Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit
reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en
klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich
verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de
woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en
schier uitgestorven heerscherstad der Atriden [333] nog woonden.
Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van
deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te
brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte
zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen
tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden
Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere
maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge
opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het
woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de
huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de
sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam
over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen
vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn
onsterfelijk heldenlied. Het licht der volle maan, dat rondom op Argos’
bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van
den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege
der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg
van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar
minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden
Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En
binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de
doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken.
Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts
gekeerden heerscher der volkeren...

Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van
den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij
bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang
van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel
prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de
binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig
leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke
vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten
verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het
eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de
grafkelder tevens der Pelopiden was.

Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, verschikte hen de
gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de
nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde
hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken
slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond
konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte
woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden
bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn
donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó
wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben,
op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte,
nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe,
zilte nat zijn leden had geteisterd.

De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den
schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort
van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij
te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd
verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen,
tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den
Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.

Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude
tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle
Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang
naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch
trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.

„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde
Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de
bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze
hulde te bewijzen.”

Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op
wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te
oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche
hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter
zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar
zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door
de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het diep
in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.

Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en
Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone
wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de
steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig
gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan
de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt.
Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen
wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar
gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed
grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde
kringen den beschouwer tegen.

Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort
in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen
was.

Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het
sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.

„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in
deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”

Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte
zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de
huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om
een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te
rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.

Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute
gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer
van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger
gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te
slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.

Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in het huiveringwekkend,
geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den
grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze
rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was
werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.

„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de
gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke
gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig
schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des
tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon
zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien de onzichtbare atomen
van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die
menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht
ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren
zullen inademen!”—

„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het
onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige
leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen,
maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare
stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de
steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven
ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen
kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch
eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots
en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar
vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”

„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en
vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode
beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen
afwisseling is leven.”

„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend
helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze
verliefde paren opnieuw gevoeld?”

„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige
verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit
komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht
verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de
steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is
waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van
Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen,
maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus
een weinig ingekrompen zijn.”

„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald
worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich
vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd
en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon
gebeiteld!”

„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen
eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van
Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend,
met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan
zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of
zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van
onsterfelijke bouwvallen?”

„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.

„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd
gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich
hernieuwt?”

„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.

„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de
liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde
levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”

„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden
glimlach in de rede.

„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van
schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs
één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar
schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den
heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit
van de schoonste Helleensche vrouw!”—

De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming
met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het
den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich
te vreden te stellen met het geluk van Paris.—

Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia
de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles
oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere
rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het
geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had
geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den
vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps
vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der
schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu
in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en
der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der
vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—

Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en
uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met
zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar
’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en
doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier
zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in
de blauwe lucht.

Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den
wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor
een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd
had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.

„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom
midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb
Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor
oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen
jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het
volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart
en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets
Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon
klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van
jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna
bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen
staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet
alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”

„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de
Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden;
integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet
zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig
wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die
mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen
heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van
Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter
Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen
zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte
trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te
maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar
vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg
of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde
terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor
het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de
plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de
maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende
blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En
juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den
droom gezien.”

Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun
verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half
schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin
in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.

Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de
Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om
hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de
Arcadische aan te vangen.

Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af
te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het
groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.

Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te
rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op
mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij
zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op
bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus
bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen
daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze
zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen
bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien,
begrepen zij den dichter eerst ten volle.

Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles
al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees,
terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den
tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.

„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te
vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand
mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die
menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het
zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en
dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog
niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons
in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij
schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het
menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije
Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke
te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast.
Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door
menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en
hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt,
menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de
reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen,
helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de
verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”

Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.

„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet
onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult
willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten
minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias
waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in
volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk,
vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er
zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in
rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne
welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334]
bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord,
dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun
verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht
der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”

„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.

„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik
verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst
daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen
eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de
natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”

Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers
zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland
Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun
niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen
gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de
eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen
andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen
onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels,
spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der
bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de
diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de
handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen
des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad.
Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden
bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in
de zon zich koesterden.

Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij
het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands
meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden,
onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden
schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen
zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te
gemoet.—

Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden
de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid
van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen
van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór
het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht
gehulde gebergte.

„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die
huiverde.

„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde
zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem
wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”

Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden
wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar
werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere
afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak
zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel.
Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige
duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als
die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in
de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de
morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar
werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten,
dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien
hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden,
beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.

„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!”
zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas
ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in
eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het
hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”

„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al
het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”

Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het
boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich
talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder
zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de
weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend
groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de
beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen
omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal
bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden
God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing,
ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed
schuimde uit de harige borst van den ram.

Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den
olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een
borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar
het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een
beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de
herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.

Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en
ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en
waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde,
lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen
grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op
dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.

Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun
weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de
takken.

„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch
gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke
ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit
woud waar wij thans doortrekken.”

De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen,
verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel
was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel
helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De
Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten
hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te
bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging
het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen
te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken
joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks
nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog
schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten
rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend
voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige
oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met
hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers
onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling
deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af
volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken
schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De
rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte
zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en
bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen
neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte
weerklonk het gehuil van den wolf.

Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats
onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen
van alle kanten woedde.

Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven
den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste
boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam
zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot
den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de
knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den
brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen
en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen
beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij
zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij
zich, hunne gidsen volgend.

Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het
doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich
nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en
rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met
zich sleepend.

Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud
in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de
wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over
het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden
strijd der elementen.

Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene
met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar
beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de
stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich
de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der
maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder
beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog
had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden
droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld.
Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder.
Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun
plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt
was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van
wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan
zijne zijde.

Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij
verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde
de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust
had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve
omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur
brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette
de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel
hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het
onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.

Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun
nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij
de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een
helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den
grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek
gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.

De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de
ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats
van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en
gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en
uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe
kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.

Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den
herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van
Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei
der runderen uit de dampende stallen....

„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen
zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen
hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons
midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de
avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft
ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door
ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn
kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”

Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden
en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den
ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten
zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met
eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep
haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan
eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag.
Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem
met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en
trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met
steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte
van het water spiegelde.

Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen:
vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de
kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met
kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld.
Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan
loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde
hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in
donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs
wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”

De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin
meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die
een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in
het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht,
waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter
nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat
haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter
nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan
haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze
oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in
deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van
kinderlijke verbazing rond te staren.

De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op.
Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand
van het meisje.

Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje
geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en
Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter
was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu
verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een
ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.

Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag
lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den
laatsten tocht zeer vermoeid waren.

Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw
en zeide met geheimzinnig gebaar:

„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze
hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en
schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe,
zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen.
Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”

„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”

„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar
die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”

Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond,
toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne
gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en
de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten
achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte tanden, prees
hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en
roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid
was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een
gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte
daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen
merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de
stervelingen vereischten.

Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den
hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale
opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden,
ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven
overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in.
In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen,
glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen
schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen
klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek
op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even
haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de
verwijderde bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De
valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld,
die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden
schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen
zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de
rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx [338], alsmede
gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant
vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de
ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en
vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken
fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der
luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde
meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de
schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom
stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter
hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide,
dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis,
door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden
gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver
dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne
gemalin het rechtersambt te vervullen.

Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der
herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde
menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook
gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.

Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met
elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen,
een slanken knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half
koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij
verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist
voor te stellen.

„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?”
vroeg Aspasia den knaap.

„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met
zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.

„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge
van Cora? Cora wil niets van u weten!”

De knaap zuchtte en sloop weg.

Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die
aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier
vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge
witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om
Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat
met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene
schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone,
heldere en schrandere oogen aankeek.

„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia
genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering
verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor
haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote,
ronde, kinderlijke oogen en zeide:

„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen.
Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar
hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk
uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude
Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich
verbergt. Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets
geheimzinnigs in zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het
bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en
gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”

Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich
gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar
zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het
herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan
vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen
weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij
verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden
doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend
vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een
brandend hout verjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had
genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden
ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter
een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin
geslagen en is voor altijd verloren.

De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en
sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen
en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in
het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin
booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen
van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de
verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk
beangstigde oogen open.

„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de
doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles [339] ze had
geveld. Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan
marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode
Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de
menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met
hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat
zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”

Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch
kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen,
dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx,
dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen
neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden
en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter
verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige
ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een
roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen
nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten
afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide
gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit
het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te
vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het
zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit
den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen
en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar
zijner bespringers.

Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en
belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het
herdersmeisje sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof
en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders
ruimte scheen overgelaten.

„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet
ongaarne deel zoudt willen nemen.”

„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen,
overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde
bespringen, met een brandend hout verjaagd.”

„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in
dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het
Arcadische land, Atalante [340] die, door haar vader als kind te
vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben,
door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in
de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik
der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen
zachtere aandoening iets weten wilde.”

„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er
niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”

„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk
verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze
schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die
misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te
spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij
altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende,
ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun
geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren
kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo
statig door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de
grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd
vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter
heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon
hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne
toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het
witte maanlicht omschenen.”

Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw
hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van
zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere
aandoeningen.”

Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:

„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten,
dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in
een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene
verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die
beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en
die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”

„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.

Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel
van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even
eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon
Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van
toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van
Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek
te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg
vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag
geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het
struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op
de open weiden in het woud en in de houtspleten stonden hoog
opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s
van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten.
Van cicaden [341] wemelde het hout onder de brandende zon.

Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen
ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven
hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken;
het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over
hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.

„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van
een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen
afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering.
Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit
naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik
verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te
willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden
draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat
blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren
weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert
ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men
gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder
dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”

„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt,
zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch
herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene
liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de
geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds welriekender,
dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”

„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige
woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der
rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik
voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij
eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod
den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens
zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam
geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze
voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan
schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel,
tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”

„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de
gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze
menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij
huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het
mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die
hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist
geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en
dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven,
bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die
oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid
ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen
achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen
wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo
deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te
begeven en kudden te weiden [342]. Blijf hier! Gij kunt dan als eene
cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig
werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken
behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met
steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de
zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij
naar Athene zal vergezellen.”

Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u
te nemen?”

„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij
uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”

Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet
geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”

„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische
meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare
groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”

’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken,
zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het
bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het
plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.

De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag
de gast van den herder te blijven.

Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van
het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, vertelde
herdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge,
kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:


        Het beekje komt van ’t rotsgebergt’
        En stort zich in het woud;
        Er grazen reeën in het dal,
        Het lachend ze aanschouwt.

        ’t Besprenkelt bloem en blad met dauw
        En lescht der dieren dorst,
        En komt de barre winter aan,
        Wordt het met ijs omkorst.


Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis [343], die van
zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren
betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij
luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en
teekenen van afkeuring...

Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden
omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich
daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde
haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen
plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van
eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.

Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende
middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij
wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of
andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam
van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s
verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat
Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij
bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid
was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter
berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde
voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener
spin verward had.

Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar
opnieuw van Athene begon te vertellen.

Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in
den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in
verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische
natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit
kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene
wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten
verzonken.

Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij
Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter
daar een gelukkig lot zou verbeiden.

„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden
geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls
Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd
dit ééne:

„Dat mogen de Goden geven!”

Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun
eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten
gaan.

Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat
zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en
langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en
Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de
helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had
namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van
Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in
eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij
plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der
slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde
oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en
bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en
Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare
ontsteltenis.

„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met
u naar Athene zou gaan.”

„Hoe dan?” vroegen beiden.

„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan
geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in
de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets
geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in
het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht,
totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan
trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men
verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de
vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”

„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg
Aspasia.

„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.

„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.

„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia
glimlachend.

De ouders van Cora kwamen nader.

„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen,
maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de
grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.

De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen
elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon
dan het meisje, de woorden:

„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—

Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en
kusten het.

„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei
Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken
van haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij
zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”

„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de
herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de
kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar
beneden is gevallen.”

Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te
bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart,
voegde het zich in den wil van den God.

Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden
herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het
landelijk erf ronddoolde.

Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te
brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische
bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te
breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen
hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.



XVIII.

DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.


Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen,
niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten,
niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te
hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en
vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in
den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen.
Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den
glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den
heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle
wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de
Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het
Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige
feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over
de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste
schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.

Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der
feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven;
geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een
gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong
zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en
allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad,
bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet
zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was,
ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het
talrijke geleide.

Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover
den ingang van het woud, bevond zich eene groote
beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden
Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere
zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust
alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord,
het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het
vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht
zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen
trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt,
onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.

Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever
van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.

In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker
is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen
beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen
geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein
trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het
liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was
Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende
omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.

Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier
onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener
geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd
aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den
Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met
zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste
kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier
Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem
zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone
zijne mededingers kon overvleugelen...

Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van
den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van
Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne
over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene
toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen
kunstbroeder had aangeknoopt.

Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne
school zonder eenige hartstochtelijke bitterheid naar den eerepalm
dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom deze
zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene,
ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.

„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste
leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de
overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij
nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag
beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te
arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet
zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop
of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met
Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen
uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet
meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan.
Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea [344] hem
heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij
zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep,
zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God
der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar
mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn
wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in
staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te
arbeiden.”

„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke
groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet
gemakkelijk kunnen volgen.”

„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te
Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van
den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en
Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels
over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over
zijn Olympischen beheerscher der Goden.”

Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen
plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die
zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar
iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening
te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:

„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van
eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel
een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne
gade, de schoone Milesische Aspasia.”

„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem
vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel
vreemd.”

„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte
Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet
haten, zonder haar te beminnen.”

Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het
Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander
hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.

„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet
om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid
al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien,
maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den
grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te
gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne
begeleiden.”

„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas
voltooiden tempel van Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders
opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk
gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der
menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al
zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal
de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier
menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven,
in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan
te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”

„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet
Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij
begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien.
Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van
den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang
van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen
genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in
de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn
volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”

„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen
wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor
het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met
mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te
huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren
beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het
heilige woud u toeblinken.”

Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide
der beide groote kunstenaars aan.

Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije
ruimte, die zich uitstrekte tusschen den schaduwrijken oever van den
Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den
Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en
marmeren beelden.

Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot
den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre
na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de
strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen
en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk
zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.

Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het
feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens
die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een
groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de
verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent
van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides
uit Orchomenus [345], gene van den rijken Pauson van Eretria. De
bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige
gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen
uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten.
Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten
met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van
den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude
gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich
bij de bonte tentenrij aan.

De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche
tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de
vrij harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de
platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische
tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige,
vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen.
Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.

Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien
rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en
hunne overwinningen.

Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en
Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn
grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar
de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging
van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat
hij met lang haar [346] en een purperen kleed te Olympia gekomen was.
Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich
te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke
gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap
vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen!
Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de
Hellanodiken.” [347]

Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de
opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend
groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier
openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden [348], of om een man, die,
op een spreekgestoelte staande, aan het luisterend Helleensche volk de
door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden
voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in
trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte
gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen
wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende
rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een
onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende
zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een
sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde
berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.

Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en
onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.

„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde,
„toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag
leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene
vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen
ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare
levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als
sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen
opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van
Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne
verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds
meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en
ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het
overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen
van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van
het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef
zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met
iets pronken, ieder opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige
Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om
toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”

„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone,
bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken.
Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te
brengen...”

Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de
populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.

Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem
van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel
van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een
oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der
Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen
[349] en de Leontiërs [350] deelen plechtig allen Hellenen mede, dat
zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een
minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs
[351] geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs [352] en
Demetriërs [353] een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging
hebben aangegaan.”

Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs[353] betuigen
ten aanschouwe van het geheele Helleensche volk den Phliasiërs[353] hun
dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs[353].”—

„Dat was wel de moeite waard!” riep een Kenchraeër met een spottenden
glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de
Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende
Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren
doen!”

„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van
hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de
geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”

„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van
alle Lechaeërs aan te spietsen!”

„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult
gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief
hij dreigend de vuist op.

Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met
rust, of gij hebt met mij te doen!”—

„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich
om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs
in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne
vriendelijkheden op uitloopt!”—

„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert
eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder
veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van
den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”

„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een
grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met
zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud
en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk
ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te
breiden?”

„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers reeds vooruit
gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de
werkplaats van Phidias wijzend.

De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten
welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.

Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo
wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.

„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die
daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners?
Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van
den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert
eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij
ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de
maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche
volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen;
hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van
den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der
Panhellenen [354]. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen!
Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen
metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die
tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden
van alle oorden elkander herkennen!”—

De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte:
„Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne
jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te
voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne
donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche
Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de
harten der bewegelijke, licht ontvlambare Hellenen. Kreten van
toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den
stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.

Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne
vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor
tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de
standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der
olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den
nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen,
tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij
beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar
den strijd der Lapithen [355] en Centauren voorgesteld en daarin zijne
voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding
en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.

Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia
daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.

Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts
naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den
zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion [356] uit.
Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers
van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden
wijgeschenken bewaarden.

Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden
Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van
den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op Olympia. Zij zagen
onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in
zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den
majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij
zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen
ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen
ter linker zijde het stadion en den hippodromos [357], de plaatsen voor
de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van
den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij
gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en
waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld
van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios [358], de
wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te
zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige
feestterrein van Olympia lag.

Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia
echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen,
die haar kwelden.

„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten
wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei
van den Alpheüs hebben gekozen?”

„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes
lachend.

„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar
nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven,
Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”

Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij
de standbeelden van Polycletus.

Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en
de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des
avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag
de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit
een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste
schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het
overoude beroemde aschaltaar van Zeus.

De verrichtingen van deze heilige plechtigheden duurden tot diep in den
nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die
bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene
schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst
werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste
vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een
niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene
goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het
begin der spelen af te wachten.

Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den
Cronos-heuvel.

Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte
zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken
Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het
genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf
te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het
oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja
schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende
hitte ten toon werd gespreid.

„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende
menigte dwalen?” vroeg Pericles.

„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk,
zoo groot geworden in vele dingen, die waarachtig schoon en heerlijk
zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia
bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der
voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”

„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der
vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner
maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”

„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is
zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander
woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik
haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar
schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat
de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe
langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering
en ruwheid terug zal voeren.”

„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.

De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en
Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door
een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.

Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag,
vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion
wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t
dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te
rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden
genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich
deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd.
De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden
en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die
overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders
hen onder gekregen hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had
gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen
de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun
doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden
verduren.

„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar
dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit,
met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een
lantaarnpaal.”

„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en
vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een
in olie gedoopten doek had omwonden.

„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been
kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik,
een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten
eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst
zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint
mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen,
waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”

„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij
nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch
is, de rug echter het teerste!”

„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar
zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze
uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn
verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen
geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in
de maag met zich te dragen.”

„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Een athletenmaag moet
ook tanden kunnen verduwen.”

„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen
als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een
oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en
lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door
vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde
borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op
zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de
stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.

„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een
weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een
hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin
omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht
beven—blijf ik nog staan!”

Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond, ging er op staan en
vervolgde:

„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”

Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne
kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten,
zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne
stelling.

Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze
vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de
pink van de overige vingers los te trekken!”—

Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere
vingers gesmeed te zijn.

„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik
houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand
in de spaken te grijpen!”

„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de
hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”

„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het
mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden
hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”

„Hoe?” riep de Spartaan Anactor, „de Thessalische hardlooper zal
tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe
snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”

„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de
Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten
hier uit het zand bijeen rapen!”

„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals
de kok den inktvisch!”

„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u
bij kruimels kunnen wegdragen!”

„Gij vecht met woorden,” riep de Boeötiër Cnemon daar tusschen in. „Dat
is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden
bewijzen.”

„Dat willen wij doen!” riepen beiden.

„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt
gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat
zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het
meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij
hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein
bevinden?”

„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.

„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over
zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan
Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch
hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik
mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles
beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort bleef?—maar toch een
grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet
hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerst den dienst weigert, die moet
zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”

„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote
athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel
halen en hem aan het spit braden.”

Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden
zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.

Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden
gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons
gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische
wedstrijden aan te zien!”—

Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen
met Aspasia den weg naar huis in.

„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes,
„schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene
vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke
en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die
krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien
zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De
ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich
omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken?
Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij
deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide
bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”

„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven
blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en
onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed
ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in
zoo verre, dat daardoor het Helleensche volk ten levendigste er aan
herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des
geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is
het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke
gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en
werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en
door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn
lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf
daartoe wordt aangespoord.”

Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en
stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars,
gebeiteld door de hand van Polycletus.

Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:

„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij,
dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de
bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen
heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden
en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde
gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de
voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als
Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft,
die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het
verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze
heeft nagebootst.”

Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak
op Polycletus.

„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en
behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas
alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden,
schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia
ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den
inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en
ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te
vervaardigen.”

Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare
ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet
lang daarna onder het een of ander voorwendsel.

„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een
spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus
van Olympia waardig zij.”

„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand
brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne
Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg
naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den
Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel
weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt
niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de
verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten
ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en
te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom
godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen
Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht
verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts
en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte
eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn
zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen
voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de
draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien
heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de
beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u
over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom ontsluit ook het
leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe
scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”

De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.

„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw
lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot
Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen
naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen
nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke
pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan
volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den
fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn
kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel
liet.”

„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der
koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die
uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”

Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia
in het hart van Alcamenes.

Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne
plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en
zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.

Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia
een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes,
Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden,
achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de
mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone
levendigheid voortzette.

Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger
zijne blikken.

Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk tegenover de
gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg
ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die
eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem
daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin
bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had,
hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?

Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van
gekrenkten trots.

De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de
vormen van haar vroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak
daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men
bijzonder vertrouwd is.

Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.

Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de
bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron
was voor zijn kennis op het gebied der kunst.

Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder
onuitputtelijk was in dit opzicht, door hare bekoorlijkheden.

„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.

„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij
vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb
ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te
koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan
te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van
Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de
liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”

„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar
zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog
gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u
heb misdreven! Wat gij mijn haat noemt, het was de wraak der liefde!”

„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u
reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen
geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”

„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik
herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een
werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder
hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik
het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes
hebt geprezen!”

Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger
hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.

De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot
bezinning bracht.

Op dat oogenblik trad Pericles binnen.

Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.

Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde
gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.

Pericles was bleek.

„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de
trekken van Alcamenes gelezen.”—

„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft,
zooals men eene vrouw doet, die men...”

„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.

„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de
opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon.
Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen
tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij
over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar
men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar
de uwe beoordeelen. Gij kent het niet onedel maar hartstochtelijk
karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij
zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”

„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten
bondgenoot!” zei Aspasia.

Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het
vertrek van Aspasia.

Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.

„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij
onheil aan.”

Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht
zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt.
Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de
verkoeling.

Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende
vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde
alles wat zij vergeeft?—

Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij
had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats
ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar.
Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van
zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen
omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de
eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het
grootste werk zijner handen zou onthullen.

De met spanning verwachte ure was genaderd.

Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd.
Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de
hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis
heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem
opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te
geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het
meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige
woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen
zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel
trilde door de toppen der boomen.

Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen
het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins
hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten.
Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en
liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel
neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het
tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.

Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia
en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der
duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge,
schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het
tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en
zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van
den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij
zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat
verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner
lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet
daveren [359].

Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden
mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel
des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel;
met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne
oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van
den Olympiër een olijfkrans gedrukt. In de linkerhand hield hij den uit
verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter.
Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde
stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier
zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief
zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans
van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke
voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans
van het goud en het ivoor te beter uitkomen.

Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den
God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden
leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher
der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel,
zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion [360]. Op
de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus
geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den
beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede
de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.

Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich
verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite,
uit het schuim der zee.

Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol
onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge
kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was
de uitdrukking der hoogste majesteit.

Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles.
Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende,
overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer onder het
goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke
Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den
beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.

Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem
doorvlijmde...

Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld:
spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God
met het vertrouwen van een kind.

Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de
opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men
hoorde uit de verte den rollenden donder.

Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme
verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon
van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter
zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het
was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.

Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.

Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.

Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.

Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene
marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische
Goden en reliëf waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en
gebarsten...

Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik
eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne
hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had
verbrijzeld...

Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit,
zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en
verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem slechts
als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.

„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is
te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd
opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige...”

Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend
verzoek.

Zij zochten Phidias op.

Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij
voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.

Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te
onttrekken.

Hij bleef voor hen verborgen.

Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning
waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen,
verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende
regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.

Niet alzoo Pericles.

Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn
voorhoofd had verdreven.

Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid
van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de
bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne
ontroerde ziel de overhand.

Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van
Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den
gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen
bliksem.

Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had
gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte
had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had
gestooten.

Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.

Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters
neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der
gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte...



XIX.

HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.


Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en
deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan
Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar
zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van
statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in
velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in
Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige
huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels
van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen
zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen. Hier
werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich
aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden,
in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek
gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de
overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens
eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der
herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven
gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat
beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den
ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een
grauwen, eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen.
Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den
Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping
gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig
schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig
bezegeld.

Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens,
die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk,
en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend.
Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende;
Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de
echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne
edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk
gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk
en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze
invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis,
wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia
onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar
karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust
en de alverwinnende kracht van het schoone.

Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden
onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone
harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten
toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?

Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde
schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken
toovergeur te verspreiden.

Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende,
Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.

In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet
zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening
overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste
bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en
stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering,
die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al
van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren
tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing.
Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder
hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het
Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan,
waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.

Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t
voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de
nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den
gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk
voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.

Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van
Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de
hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen
hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—

In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige
schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde
ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar
Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde
niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het
bereiken van hun doel wachtte.

Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk
hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had
gebeiteld, was zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische
mysteriënstad Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om
een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote
mysteriën.

Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren,
bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht
erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar
hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de
omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet
ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit
eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote
tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij
stonden.

Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te
Eleusis zou vertoeven.

De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten,
door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën
ingericht, vele onderaardsche vertrekken en labyrinthische gangen van
ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor
die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden
veroorloofd was te aanschouwen.

De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia
zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar
geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht
onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het
geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag
zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht
strevenden geest der Hellenen.

Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze
mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen
de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken geest in
’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne
eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke
geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”

„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia.
„De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone
menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders
zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen
vast aan het schoone, vroolijke heden!”—

Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan
deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos
zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van
dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar
zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot
hen, die de inwijding der mysten [361] voltrokken.

Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en
dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening
waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,”
zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige
geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud
gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden
gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt,
dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige
Hipponicus,” voegde Aspasia er bij, „schijnt mij tot deze laatste soort
te behooren.”

Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan
inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat
overigens er mede gepaard ging en wat ze van hem eischte, daartoe
gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift
gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de
omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de
daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te
beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.

Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene
zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel
aan gelegen te laten liggen.

Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met
Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal
versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het
bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht.
De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de
bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.
[362]

Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als
ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten
op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot
Aspasia.

„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige
licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des
„erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig
versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de
deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”

Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten
inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene
overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te
Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen:
terwijl daarentegen den niet ingewijden beschoren is ten eeuwigen tijde
in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.

„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij
steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither
onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig
ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche
ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij
’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden,
en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit
heil deelachtig te doen worden.”

„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde
en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle
andere u mede te deelen.”—

„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor
de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te
laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als
vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding
deelachtig te worden?”

„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende
jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan,
gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere
wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen
feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding
deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te
aanschouwen.”

„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen?
Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien
verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij
niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst
niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de
grootere ontvang?”

„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.

„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.

„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige
gebruik,” antwoordde de daduchus.

„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in
het midden.

„De hiërophantes [363] is een van die strenge en ernstige mannen,
zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn
van dien opperpriester op den hals willen halen?”

Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde
zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen en
moeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche
Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield
van vrede en behagelijke rust.

Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis.
Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als
toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den
heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over
de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der
mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en
akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten
doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den
Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte
menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van
Telesippe.

Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw
tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de
Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche
priesters en overheidspersonen; Telesippe stapte als Basilissa [364] en
deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met
fier opgericht hoofd aan zijne zijde.

Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al
den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter
rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de
Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en
een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo
plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het
Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van
Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige
gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en
waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van
stilzwijgendheid afnam.

Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer
priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit
hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de
bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—

„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar
praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe!
Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij
nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij
echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan
een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want
voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”

Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s
oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener
Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals
zij, op Pericles alsmede op de Milesische in ’t voorbijgaan scherpe en
loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte
verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende
gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd
in de drie gekrenkte gemoederen op.

In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem
de feestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts.
Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide
dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem
stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met
den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In
tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels.
Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische
fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als
een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.

Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering
een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats
grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften,
gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.

Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch
hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden
ingewijd.

Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het
toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe,
en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de
Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van
Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.

Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen:
en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van
Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover de gade van
Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde
hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd.
Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op
hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een
gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen
zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij
wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde het met te
grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den
minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw
opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar
vurig verlangen zou inwilligen.

En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de
kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen
hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog
[365] voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere
Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den
„tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de
reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus
geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere
gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te
bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot
het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk
liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der
groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor
eeuwig zou in acht nemen.

Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle
mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.

Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden
zich Pericles en Aspasia.

Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar,
geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den
Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in
schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de
vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards,
eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen
ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de
hand.

En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige
heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch,
dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen,
alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig
voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen
ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen
te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd
ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de
myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den
vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige
hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.

En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van
Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren
binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond
werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der
zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens
aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den
mond van den Hiërophantes uitgelegd.

En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen
der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de
geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke
tonen van fluit- en snarenspel.

Nu echter werd de schare van mysten langs trappen naar onderaardsche
gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen
duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol,
doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den
Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke
spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen
zwerftocht.

Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde
trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en
geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige
schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te
sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het
voorhoofd.

Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel
van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond
sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend
was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een
vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende
Echidnen [366], vreeselijke Chimaeren [367], die de gestalten van een
leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende
Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met
hondenkoppen, blaffende Scylla’s [368] en het huiveringwekkende beeld
van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen.
Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods,
zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd
omkranst met affodil [369], met eene omlaag gehouden fakkel in de hand,
naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke
afstanden aflegt.

Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der
vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het
vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn
aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het
weeke vleesch.

Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke,
uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke,
hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de
noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.

Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker
en haar gelaat marmerwit...

Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne
fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds
huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor
klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische
[370] dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als
van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een
driekoppigen hond [371].

Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden,
zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor
zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en
omgeven door somber vlietende stroomen.

Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf
van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door
de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone [372] waar in het
vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk
met treurig neerhangende twijgen.

Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige
doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels
wiegelden.

Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen
en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar,
zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de
uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half
bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle
bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend
offerbloed.

Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en
spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de
visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld.
Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de
stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus [373], de
vuurstroom Pyriphlegeton [374] en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.

Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de
mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat
plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders
vóór hen opensprong.

Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats
van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half
sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide
te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren
in den dieperen jammervollen afgrond van den Hades.

Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn [375]—door eeuwig
dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig
terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde
begeerte de handen uit te strekken [376]—met eeuwig vergeefsche
krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te
wentelen [377]—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende
inspanning in een bodemloos vat te scheppen [378]—de steeds
aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier [379] en de ledematen
aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een
speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische
schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten
op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.

Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het
talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk
worstelen en streven.—

Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het
lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel
was met angst en siddering vervuld.

Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen
en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.

Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al
luider het geween en gesteun der boetelingen.

De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele
schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten;
maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren,
scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te
vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—

Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste
duisternis:

Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen:
liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de
heerlijke velden.

Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van
het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige
mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige
zaken.

Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen,
waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner
sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—

Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans,
verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche,
niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over
Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium [380] zich verheffend naar den
haar verwanten, goddelijken aether.—

Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te
worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der
geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de
eigen kracht zijner oogen, in luisterrijken glans: het volle, heilige
licht van Eleusis.—

Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische
geheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel
der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde,
eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering
aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In
een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en
gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te
verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn en ander nachtgebroedsel,
wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet
kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des
lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en
verwante element wel bevinden en niet in de donkere afgronden van den
nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de
duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht
voor, en wat zich het heilige licht van Eleusis noemde, scheen haar
geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was
somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht
alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat
schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille,
spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht,
dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen,
scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht.
Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende
phantastische kunsten der Eleusinische priesters.

Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke
onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.

’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners,
wemelende Eleusis geen geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van
haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de
bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe
oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel
spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw
beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet
zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen
en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te
winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die
zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw
en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon
weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia
tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem
werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.

Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van
deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd
van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de
heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.

Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in
kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een
onaangenaam geval van gansch anderen aard.

Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt.
Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën
eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den
ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën
op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan
aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig
aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren,
terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen ernst der mysteriën te
velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het
sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens
en der vreugde plaatste.

Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis
bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.

Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar
verwijtingen toe te voegen.

„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb
ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn
loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in
gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote
mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank
inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo
vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest
gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht?
Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet
jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij
heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles
altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals
Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont
dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje!
Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij
dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het
ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult
zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”

Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen
werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:

„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht
dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer
wilt gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige
matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder
eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—

Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen
beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel
haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar
echtgenoot Pericles te gemoet.

Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van
Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.

Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was
aangekomen.

Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het
eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij
onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het
heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij
thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het
verderf zouden kunnen storten.

Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij,
was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer
aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend
vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet
veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij
aangeklaagd en veroordeeld was.

„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige
Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo
al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan
wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden,
hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die
betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak,
als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag
noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende
bedreiging boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat
wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf
te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in
alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles
liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of
verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig,
zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn
rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van
onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluwe
Erechtheüs-priester tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van
Hipponicus.

De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond
hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van
hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.

Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem
ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op
eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had
binnengeleid.

Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij
bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn
tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als
eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.

„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij
wilt, zij verdient het!”—

Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap
tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op
eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had
doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van
plan waren hem in staat van beschuldiging te stellen, bereid waren zich
in het geheim met hem te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging
aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in
onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en
beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen.
Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het
onderhoud vastgesteld.

Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde
Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar
snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet
anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het
voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in
verlegenheid en verwarring bracht.

De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen
van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De
geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk.
Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat
Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat
zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat
reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was.
Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte,
over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs
verbittering in de gemoederen.

Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade
van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te
verschaffen.

’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden
volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden
lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.

„Wat is er voor nieuws in Athene?”—

„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen
verwijfd zijn.”—

„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door eene vrouw bestuurd
wordt.”—

„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—

„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra
haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—

„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is
immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met
hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—

„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in
Klein-Azië heeft rondgezworven?”—

„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar
den onderrok van de heldenbedwingende Omphale [381], welke rok, zooals
men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—

„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met
zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk
recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag
zacht.”

„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest
zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder
zullen aanstaan.”—

„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—

„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s [382] nest, die van hunne jeugd
af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare
smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam,
geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte
Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—

Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, met opzet gesproken, in
het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.

Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling
stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat
bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een
kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom
haar.

Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar
omringend en haar aangapend volk:

„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s
straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig
vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik
beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij
drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen
aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij
aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd
rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels
Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch,
welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het
ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt.
Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan?
Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent
gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en
volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het
licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor
licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere
tweetal Godinnen [383] van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe
schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige
beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden,
vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw
burg!”—

Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend
oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de
mannen elkander aan, zeggende:

„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter
wille daarvan moet men haar veel vergeven!” [384]—

Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg
kon vervolgen.—

Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden,
waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar den
Erechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd
voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige
plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.

Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus
genoodigd had, was gekomen.

Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders
van Pericles, waren bij den priester verzameld.

De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle
zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen
tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes
hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.

Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten
hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,
als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van
Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de
vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het
geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder
oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van
goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.

Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat
men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de
Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar
dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij
wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat
hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door
zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom
gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk
geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de
willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen
meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de
eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat.
Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te
spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men
trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders
van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook
de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.

De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen.
Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.

„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of
te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor
ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten
wij heimelijk naar een vast plan te werk gaan, om ’t verderf dier
schuldigen voor te bereiden.”

Zoo sprak de Erechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en
gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.

Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd;
alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen
hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar
den daduchus.

Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die
hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne
dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans
zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en
gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld
had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het
gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige
inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.

Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne
bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.

Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de
daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde
zijn ouden vriend in ’t oor:

„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de
schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want
het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem
onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en
u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die
ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles
wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen
verscheuren, den Erechtheüs-priester en zijne geheelen aanhang!”



XX.

DE SCHOOL VAN ASPASIA.


Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen
makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.

De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn
achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de
andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de
volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het
heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar
den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich
aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan
te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te
strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den
Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan
de nakomelingen achter te laten, de wetten door het volk gegeven te
gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af
te schaffen.

Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw
zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver
en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde
Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten
voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden
eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.

De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de
genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias
opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge
Demus, de om zijn schoonheid beroemde zoon van Pyrilampes, die
insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne
rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus
werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave
knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek
meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol
vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan
geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als
die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van
Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn
vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.

Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat,
den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg
had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van
Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van
Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen
jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.

Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge
soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende
opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige
neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of
maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag
verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten
oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het
plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met
gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even
onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden
knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men
begon van dit oogenblik af hem met een zekeren afschuw te aanschouwen,
als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.

Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners
getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken,
toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”.
Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij
vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen
deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs,
wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het
hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog
dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem
heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde
beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig
tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen
mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef
altijd geliefd.

’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste
jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht
worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich
daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen
Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem
bijna met de teederheid van een vader.

Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter
wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem
Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel.
Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende
woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden
schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt
gezonden.”—Hipponicus lachte dat zijn buik schudde, en roemde bij de
heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—

De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door haar vader reeds
geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te
beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed
ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij
echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het
oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de
stad der Atheners gedurig toenam.

Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de
mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was
ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken
Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had
bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de
bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.

Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de
weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot.
Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen
hoe langer hoe wijder uitbreidde.

Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt
gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—

Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid
zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades
bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de
wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen
moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale
gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk
als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling
wil schilderen.

Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den
beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar
hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De
ongelukkige! Zoo zeker als het ’t meest benijdenswaardig geluk scheen,
door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk
hem te beminnen!—

De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den
terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats
gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk
erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de
gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig
op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van
het huis, waarin hij opgevoed was.

Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde
wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene
soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd
had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den
onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in
’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de
buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor
de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist,
dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou
kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het
twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en
bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te
wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve
niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte,
tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in
jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere
vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te
zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig
door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met
moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.
Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten
veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die
hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel
zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was.
Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar
de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest
was te zoeken.

Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen
streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de
aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd
namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de
besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar
onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje
geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene
verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der
Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.

Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge
van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de
naburige Dorische stad zouden uitbreken.

Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak
volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis
uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin
Aspasia.

„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de
landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine
afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te
loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes
van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.

„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus
nogmaals een klein zeetochtje voor eenige dagen te ondernemen. Wij
hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot
pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms
ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische
meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en
zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten
en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en
hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte
van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danste lustig op de
golven.

„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep,
waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast
hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De
bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij
praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de
fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal,
zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid
weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop
moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht
omver wierpen of vernielden.

„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een
van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het
bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk.
De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de
sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het
terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging
het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten
ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze
eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon
gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en zeilen getooid, de met
purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het
heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in
de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de
ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het
Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en
eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener
herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van
runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en
vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die
wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige
wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.

„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de
richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht,
dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet
onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een
bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje
deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de
ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de
Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en
verdween uit onze oogen.

„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte.
Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds
doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen
naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te
worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de
nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het
bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf
voortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De
honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze
verschrikt uit elkander vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden.
Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een
scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der
honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die
alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.

„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas
loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze
echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen,
toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel
maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan.
Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen
landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer
beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in
dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te
spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij
volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig
aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed,
verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist
dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die
wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het
gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken.
De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners,
antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte
ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar
hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp
der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord
waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend,
waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige
voldoening de plaats te verlaten.

„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet
verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog
steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en
schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde
ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen
Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte
lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in
de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop
het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou
bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.

„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid.
Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt,
aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in
vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.

„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den
liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van
de Megarische kusten.”

„En het meisje?” vroeg Aspasia.

„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals
wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij
geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha [385] is
haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet
der Helleensche vrouwen, maar toch zeker de bekoorlijkste der
Helleensche jonkvrouwen!”

Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met
onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den
koenen jongeling aangehoord.

Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar de eigenschappen van het
meisje. Alcibiades schilderde haar schi