Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Majesteit
Author: Couperus, Louis
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Majesteit" ***


                               MAJESTEIT

                                  DOOR
                             LOUIS COUPERUS


                              ZEVENDE DRUK


                L. J. VEEN’S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ N.V.
                               AMSTERDAM



EERSTE DEEL.


EERSTE HOOFDSTUK.


I.

Over Lipara, anders eene stad als marmer wit; lange witte villa-reien
aan zuidblauwe zee; eindelooze elegante wandelkaden daarvoor, met
palmen, die groen verlakt aftrilden op een atmosfeer van levend blauwen
ether;—dreef, zwaar, van onweêr zwoel en van tragedie, eene sombere
lucht vol grauw, als een gevaarte aan den hemel. En die grauwe lucht
was vol geheim, was vol van toekomst, van vreemde toekomst; ze stortte
geen onweêr uit, maar bleef hangen over de stad; ze sloeg alleen vale
schaduwen neêr over de blankheid harer paleizen, over de breedte harer
pleinen en straten, over de blauwte van hare zee, heure haven, waar de
schepen recht, stil, angstig, opboomden naar omhoog.

Wit, vierkant, massief, in het groen der Elizabethparken, in het
intimere mysterie van zijn eigen groot platanenpark—het park der
beroemde platanen van Lipara, boomen van roem—lag het Imperiaal, het
keizerlijk paleis, quasi Moorsch met witte arcaden van puntbogen, lag
het als de stedekroon zelve der hoofdstad; éen groot juweel van
architectuur, van die stad, al lag het er midden in, afgesloten door al
dat parkengroen.

De keizerin, Elizabeth van Liparië, zat in den intimen salon harer
vertrekken aan den rechtervleugel; ze zat met eene hofdame: gravin
Hélène van Thesbia. De vensters waren open; ze openden op het park; de
beroemde platanen rezen daar, knoestig-oud, breed, angstig, roerloos
met hunne uitgeknipte bladeren, waartusschen eene dofgroene schemering
zeefde op de gazons neêr, die liepen, zacht en gelijk gerold, naar de
verte weg, als strak-gespannen, einde- en eindeloos uitgemeten fluweel,
weg naar eene violette verschiet-verte; met, ergens, als ééne gillend
witte vlek, éen beeld.

Een groot zwijgen suisde uit het park zijne vreemde hoorbaarheid van
stilte naar binnen; het suisde rond om de keizerin. Zij zat daar,
glimlachend; zij luisterde naar Hélène, die las; zij poogde te
luisteren, zij verstond niet altijd. Eene nerveuze vrees was in haar,
omving haar geheel als met een niet zichtbaar net van mazen,
onbreekbaar. Die vrees was om haren man, hare kinderen: haren oudsten
zoon, hare dochters, haren jongsten jongen. Die vrees, ze kroop over
het tapijt, onder hare voeten; ze hing van het plafond, boven haar
hoofd; sloop om haar rond, door geheel de kamer. Die vrees was in het
park; ze kwam van ver, uit de violette verschieten; langs de gazons
streek ze en over de open vensters klom ze naar binnen; ze viel uit de
boomen; uit de lucht, de grauwe lucht van onweêr, viel ze neêr. Door
Lipara, door heel Liparië, het geheele rijk, trilde die vrees, trilde
ze naar binnen, in de keizerin, vulde ze haar geheel...

Toen haalde Elizabeth diep adem, en glimlachte. Hélène had, bij een
zin, tot haar opgekeken, met een licht effect van stem en oogen voor
den dialoog in den roman; daarom glimlachte de keizerin en luisterde ze
nu weêr. De angst bleef in haar, maar ze doofde dien met veel
berusting, berusting in wat zijn zoû, zijn moest.

De roman, dien Hélène las, was Daniële Cortis, een werk, dat opgang
maakte aan het hof, omdat de prinses Thera het mooi had gevonden.
Zorgvuldig en vol intonatie las de gravin voor; de arabesken van het
Italiaansch ontspitsten aan hare lippen met eene elegance van heel
puntig Venetiaansch glaswerk, bloemerig en doorglanzend. En de keizerin
verwonderde zich er om, dat Hélène zoo mooi kon lezen en niet scheen te
voelen dien angst, die toch overal omsloop, als een spook.

Er werd geklopt aan de deur van de antichambre, een lakei opende en
eene hofdame verscheen tusschen de portière, met eene buiging.

—Zijne Hoogheid, prins Herman... diende zij aan met eene stem, die wat
weifelde, als wist zij, dat dit namiddaguur van de keizerin bijna
heilig was.

—Verzoek den prins hier te komen! antwoordde de keizerin; hare stem
klonk hoog vriendelijk en toch innemend sympathiek;—wij wachten den
prins al zoo lang...

De deur bleef open, de hofdame ging, de lakei wachtte bij de portière,
onbewegelijk, tot de prins komen zoû. Zijn stevige tred klonk, gauw
naderend aan, door de antichambre en aangenaam kwam hij binnen,
vriendelijkheid op zijn gezond rood gezicht, pleizier van weêrzien in
zijn groote grijze oogen, waarin een zwarte pupil blonk. De lakei deed
de deur achter hem toe.

—Tante!

De prins trad, met zijne beide handen toegestoken, naar de keizerin;
zij was opgestaan, evenals Hélène, en zij kwam hem een pas tegemoet,
zij nam zijne beide handen aan en duldde, dat hij haar op beide wangen
hartelijk zoende.

Hélène boog.

—Freule van Thesbia... groette de prins.

—Eindelijk dus! zei de keizerin, schertsend ontevreden; ze schudde haar
hoofd, maar ze kon niet anders dan vriendelijk blijven kijken naar zijn
prettig mooi, gezond gezicht. Waarom heb je niet zéker willen
telegrafeeren wanneer je kwam? Othomar was dan aan het station geweest,
maar nu...

Ze haalde, ongelukkig glimlachend, hare schouders op, als om te zeggen
dat het nu niet anders had kunnen zijn, of zijne ontvangst was maar tel
quel geweest...

—Tante! sprak Herman; de klank van zijne stem wilde zeggen, dat hij dit
nooit van Othomar zoû willen eischen; ik ben uitstekend ontvangen
geworden: de generaal Ducardi, Leoni, Fasti, onze waarde ambassadeur en
Siridsen...

—Het zal Othomar toch spijten; zei de keizerin; hij is nu gaan toeren
met Thera; Thera ment haar nieuwe vossen. Ik begrijp niet, dat ze
gegaan zijn; ze zullen regen krijgen!

De keizerin was weêr gaan zitten met een angstigen blik naar het weêr
buiten; de prins en Hélène zetten zich eveneens. Een kruisvuur van
vragen naar de beide families ontvonkte tusschen de keizerin en haren
neef; men had in enkele maanden elkaâr niet gezien; er was veel te
bespreken; het waren tijden vol ramp en de keizerin toonde een lang
telegram, dat de keizer uit Altara gezonden had, omtrent de
overstroomingen. Hare vingers, die het papier bleven vasthouden,
trilden.

Zij was eene vrouw van bijzondere schoonheid nog, niettegenstaande hare
groote kinderen. Maar de charme van hare schoonheid zagen maar
weinigen; in het publiek kreeg die schoonheid iets straks als van een
camee; mooie fijne lijnen, groote koude bruine oogen, zonder expressie;
een kouden mond van geslotenheid; voor de menschen kreeg haar rank
figuur iets stijfs en automatisch; zelfs vertoonde zij zich zoo voor de
intimere kringen van het hof. Maar zag men haar als nu in het geheim
van haar eigen salon, met niemand samen dan met haren neef, wien zij
bijna even liefhad als hare eigen kinderen, en éen hofdametje, dat zij
bedierf, dan was zij, trots den angst, dien zij terugduwde diep in haar
hart, als eene andere vrouw; in haar eenvoudig grijs zijden toilet—een
lichten rouw voor een bloedverwant—werd het stijf automatische van haar
figuur verbogen tot eene gracieuze lenigheid van zich houden en
bewegen, even spontaan, als dat andere bestudeerd was; de camee van
haar gelaat bezielde zich; in de oogen kwam bijna weemoed en een lach
vooral om dien kouden mond van strakheid was als een glans van
sympathie, waarin zij onherkenbaar scheen voor wie haar eerst gezien
had, koud, stijf en strak.

Prins Herman van Gothland was de tweede zoon harer zuster, de koningin
van Gothland. Een groote soliede jongen in zijn klein-uniform van
luitenant-ter-zee met het gezond Germaansch blonde van het Huis van
Gothland: een stevige nek, breede schouders, de gebombeerde borst van
een gymnast, de besliste levendigheid van beweging eener vitale natuur,
meer dan genoeg verstand in zijn groote grijze oogen met de zwarte
pupil, en met nu en dan een enkelen, prettig zachten toon in zijn
baritonstem: een toon, die even lichtjes verwonderde om haar geklank en
hem sympathiek maakte, als ze week was in zijne viriliteit. En nu hij
daar zat, gemakkelijk, eenvoudig, aangenaam, en toch met iets van
gezag, dat al te groote jovialiteit in zichzelven niet duldde, nu hij
met zijne lieve stem sprak over zijn vader, zijne moeder, zijne broêrs
en zusters, vroeg naar zijn oom, keizer Oscar van Liparië, vroeg naar
Othomar, Thera, nu, o nu wekte hij bij de keizerin een fijn gevoel op
van het sympathieke van familie, iets van een geheimen band van bloed,
een zeer stevigen steun van verwantschap, in het izolement hunner
onderlinge hoogheden, de hoogheden van Liparië en van Gothland; zij
voelde daar, aan het andere einde van Europa, vér, vér van haar en toch
zoo nabij door het magnetisme van dit fijne gevoel, dat Gothland liggen
als éen groót veld van liefde, waarna zij hare gedachten kon laten
toedrijven; zij duizelde niet meer van weemoed en van angst, dat zij
zoo hoog was met die haar lief waren, haar man en hare kinderen, want
zij was niet alleén hoog: in hare hoogte steunde zij tegen een andere
hoogte, Liparië tegen Gothland, Gothland tegen Liparië; iets vochtigs
van tranen kwam er om over haren blik, een weemoed van geluk klom er om
op haren adem; het spook van angst was verdwenen; zij had haren neef
kunnen omhelzen; zij had hem dit willen zeggen: alleen zijne
aanwezigheid reeds gaf haar dit gevoel, gevoel van troost en van
kracht; in maanden had zij het gemist.



II.

De deur werd geopend; de lakei wachtte stijfrecht met een strakken
blik, die voor zich uitzag, in de schemering der portière. Prinses
Thera en Othomar traden binnen; de prinses kwam blij en vriendelijk
naar haren neef toe, zij kusten elkaâr; ook Othomar omhelsde Herman met
een enkel woord. Maar tegen de natuurlijke uitingen van de keizerin en
van Thera, klonk dit enkel woord van den hertog van Xara bestudeerd en
glimlachend koud aan, niet intiem en als met een zweem van etiquette,
die niet noodig was. Het verborg niet eene doorglanzende onoprechtheid,
een doorzichtbaar vertoon, dat zich geene moeite gaf sympathie te
huichelen, maar eenvoudig-weg scheen, wat het op dit oogenblik niet
anders kon dan schijnen: een groet van gemaakte vriendelijkheid
tusschen neven van gelijke jaren. Prins Herman was dit gewend; tusschen
Othomar en hem bestond geen innigheid, en vooral den eersten keer, dat
zij elkaâr weêr ontmoeteden na maanden, trof dit: het deed de keizerin
onaangenaam scherp aan.

Opnieuw ging het gesprek door over de overstroomingen in het Noorden.
De keizerin toonde haren kinderen het laatste telegram, dat zij Herman
getoond had; het vermeldde nieuwe rampen: weêr nieuwe dorpen
weggespoeld, steden geteisterd door de gezwollene en overvloeiende
rivieren, na een maand van regen, die als een zondvloed was geweest. De
keizer was er om, drie dagen geleden, naar de Noordelijke
gouvernementen gegaan, maar ieder oogenblik verwachtte men nu aan het
hof zijn wensch, dat de kroonprins er hem vervangen zoû, daar hij zelve
naar Lipara terug zoû keeren, om de crizis in het Kabinet.

De kroonprins sprak hierover steeds een beetje vormelijk en koudweg.
Hij was een jonge man van een-en-twintig jaren, klein van gestalte,
slank, heel fijn van bouw, met een delicaat weemoedig gelaat en
stil-zwarte oogen, die meestal strak voor zich uitzagen; een jong
snorretje tinte zijn bovenlip als met een streep Oost-Indischen inkt.
Hij droeg het hoofd wat voorover op de borst en blikte dan zoo door
zijne wimpers onder-op; meestal zat hij zeer stil; zijne handen, die
klein en breed maar fijn waren, beide in eene gelijke houding op zijne
knieën, en hij had den tic zich de linkerhand soms onder het oog te
brengen en—hij was wat bijziende,—dan even te turen naar zijn ring. Hij
was strak omvangen in zijne blauw- en witte uniform van kapitein der
lanciers; uniform, waarin hij zich meestal vertoonde in het publiek, en
waarvan de zilveren brandebourgs eenige breedte leenden aan zijn
tengerheid; om den rechterpols droeg hij een smallen armband van dof
goud.

—Deze brief kwam eerst, sprak de keizerin; lees eens voor, Thera...

De prinses nam het epistel; de keizer schreef:

—“Het hart breekt mij dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
doen; de geheele streek ten Zuiden van den Zanthos, van Altara tot
Lycilië toe, is ééne watervlakte; waar dorpen waren, drijven nu de
ruïnes van bruggen en huizen, boomen, opeenstapelingen van daken, dood
vee, karren en huisraad, en terwijl wij over den Therezia-dijk gingen,
die God zij geloofd! bij Altara nog niet bezweek, spoelde een klomp van
lijken langzaam aan, vlak voor onze voeten, in één reuzenomhelzing van
den dood...”

De kroonprins was plotseling bleek geworden; hij bleef zitten in zijne
gewone houding: hij tuurde naar zijn ring, met den tic, die hem eigen
was. Thera las verder. Toen de kroonprins opzag, ontmoette zijn blik
den blik zijner moeder. Zij knikte hem, zonder dat de anderen, die
luisterden, het zagen, met de wimpers toe; hij glimlachte: een glimlach
vol navranten weemoed en knikte als zij hem geknikt had, met die zelfde
onzichtbare trilling der wimpers; het was of hij dien zachten groet
begreep en er een vleugje troost uit putte voor een geheimzinnig
verdriet, dat hem stil drukte in hemzelven, dat op zijne borst lag, als
een beklemming van adem, als een cauchemar in het wakende leven.

Maar prins Herman sprak reeds over de ministerieele crizis; men
verwachtte ieder oogenblik, dat het autoritaire ministerie, na de
nieuwe verkiezingen onmachtig in het voor het meerendeel
constitutioneele Huis der Standen, den keizer zijn ontslag zoû bieden.
De quaestie liep als altijd over de Grondwetherziening, die de
constitutioneelen begeerden, de autoritairen,—op de hand van den
keizer—niet. Keizerin Elizabeth zuchtte er om met een zucht van
afmatting, hoe dikwijls was deze quaestie van Grondwetherziening,—in
Liparië altijd grondwetuitbreiding en beperking van het keizerlijk
gezag, in hunne regeering van meer dan twintig jaren al niet komen
opdoemen als een aanval tegen haren man zelven! Zijne lange reeks
Liparische voorouders gelijk, hereditair autocratisch, kon Oscar het
zijn vader, Othomar XI, nooit vergeven, dat onder diens liberale
regeering een Grondwet tot stand had kùnnen komen. En nu, in deze
crizis, ze wilden niet weinig, de constitutioneelen. Het Huis van Adel,
erfelijk autoritair, het Lichaam van den keizer zelve, dat alle te
constitutioneele wetsvoorstellen, komende uit het Huis der Standen, te
niet deed, ze wilden het niet meer boven zich, erfelijk en daardoor in
zijn erfrecht altijd autoritair; ze wilden het: gekozen! Zelfs Othomar
XI, modern, vóor een constitutie, zoû nooit hebben kunnen dulden dezen
aanval op eene der aloudste instellingen van het rijk, aanval, die
Liparië schudden zou in zijn fondament...

Terwijl Herman hierover sprak, ter loops, met zijne woorden deze hoogst
gewichtige quaestie vluchtig aanrakende, scheen het Othomar, alsof het
hem duizelde. Een wereld ging door zijn hoofd, als joeg het met snelle
wolken door zijne verbeelding heen, en uit die wolken doemden hem
vizioenen op, rossig, vaag, bliksemsnel, verschrikkelijk als iets van
een Apocalypse, einde van het heelal in eene ontploffing van dynamiet.
Uit die wolken flitste, gedurende eene seconde, op: een tafreel,
herinnering uit de historie van zijn erfrijk: een der keizers van
Liparië, eeuwen geleden vermoord door zijn gunsteling op een hoffeest.
Revoluties in andere landen van Europa, de Fransche omwenteling, ze
flikkerden met een weerschijn van bloedrood omhoog; de werkstakingen in
de kwikzilvermijnen der Oostelijke gouvernementen grijnsden hem er uit
aan, uit de wolk, de wereld van wolk, die stormde door zijne gedachte
heen... En nog zooveel, nog zooveel, alles zoo snel, met de snelheid
van hunne bliksems; hij kon ze niet grijpen, de rossige bliksems; het
flikkerde maar door hem heen en dan weg, weg was het verflikkerd,
ver!... En vreemd was het hem, dat hij daar zat, in den salon zijner
moeder, het prachtige park wemelend achter de spiegelruiten met tinten
van oud, middeneeuwsch goudleêr, nu in het lager schijnen der
zonnestralen; zijne moeder over hem, zoo lief, zoo delicaat zacht in
het intime van dit even alleen samen zijn; zijn neef, die sprak, en
zijne zuster, die antwoordde, en het hofdametje, dat toehoorde met een
glimlach... Hoe vreemd zoo te zijn, zoo gemakkelijk, zoo stil, zoo
rustig, in het geheim van hun paleis, of Liparië niet trilde als een
oude, wankele toren? O, ze spraken er over, over de crizis, Herman en
Thera, maar wat was spreken? Woorden, altijd woorden! Waarom altijd
aaneenschakelingen van woorden, mooie leêge woorden, die een vorst moet
samenschakelen en dan zeggen aan zijne onderdanen, nu bij deze
gelegenheid, dan bij gene! Neen, neen, hij had ze niet, redevoeringen!
Want wat moesten ze dan toch uitdrukken, dit of dat? Wat was het goede,
het ware, het goed-ware voor hun rijk, dit of dat? Hoe het te weten,
hoe zeker te zijn, hoe niet meer te weifelen, te zoeken, te tasten,
geblinddoekt! Had hij dan duizend oogen door het geheele rijk heen, zoû
hij alles kunnen zien, wat gebeuren zoû, en was hij alwetend: zoû hij
alles kunnen weten wat goed zoû zijn? De grondwet... was het dan goed
voor een rijk een grondwet te hebben, of niet? In Rusland... was het in
Rusland goed? Een republiek, zou een republiek beter zijn? En wie had
gelijk; had zijn vader gelijk, die absoluut wilde regeeren, met zijn
erfelijk Huis van Adel, waarin hij, Othomar, zich nu zijne intrede
herinnerde als hertog van Xara, achttien jaren oud, met de hertogelijke
kroon, en den mantel en de keten van de Orde van den Rijksappel. Of had
het Huis der Standen gelijk: zoû het goed zijn, beperking van het
absolutisme? Het was wel moeilijk te beslissen... De overstroomingen:
“Het hart breekt me dit alles te zien en er zoo weinig aan te kunnen
doen... tot Lycilië toe eene watervlakte, een klomp van lijken, in
omhelzing van den dood...”

Het lichtte.

Zwaar doffe rommelingen gingen door de lucht; dikke druppelen vielen
hard als liquide hagel neêr op de bladeren der platanen; het geheele
park scheen te sidderen, angstig voor de wolkbreuk, die komen zoû.
Hélène was opgestaan en sloot het open venster.

Toen hoorde Othomar een vreemde klank: Syrië... Spraken zij al niet
meer over het Huis van Adel? Syrië, Syrië...

—De koning en koningin zouden de volgende week gekomen zijn, maar ze
hebben nu hun bezoek uitgesteld, zei de keizerin.

—Om de overstroomingen, vulde Thera aan. Ze gaan nu eerst naar
Constantinopel. Ik woû, dat ze maar bij den Sultan bleven...

—Die visite lijkt me tenminste nog al een corvée, lachte Herman, en hoe
lang blijven ze, tante?

Keizerin Elizabeth haalde hare schouders op, om te zeggen, dat ze niet
wist: het aanstaand bezoek van den koning en de koningin van Syrië was
haar, zoowel als den keizer, tegen, maar het was niet te ontduiken...
Om Hélène echter wilde zij er niet veel over spreken en zeide:

—Alle hoffeesten zijn nu, zooals je weet, uitgesteld, Herman, alles om
die ontzettende ramp. Je zal het stil hebben, mijn jongen. Ga van avond
met Othomar meê naar graaf Myxila...

Graaf Myxila, de Rijkskanselier, vierde dien dag zijn zestigsten
verjaardag. Hij was de voornaamste gunsteling van den keizer; dien
morgen was hij bij de keizerin zijne gelukwenschen komen ontvangen; de
kroonprins, op verlangen van den keizer, zoû dien avond een oogenblik
op het feest in het Kanselarij-paleis verschijnen.

Prins Herman zag naar Othomar, vragend, als verwachtte hij ook een
woord van dezen:

—Natuurlijk... haastte de hertog van Xara zich te zeggen; Myxila zal er
wel op rekenen Herman te zien...



III.

Toen Othomar en Herman des avonds, in een stortregen, om half-elf uit
het Kanselarij-paleis terug kwamen, wist men ook bij de keizerin, dat
het ministerie zijn ontslag had aangeboden; de prinsen hadden bij graaf
Myxila de ministers ontmoet; de crizis had onder de uiterlijke
mondainiteit der soirée getrild als eene dreigende huivering. Ook was
er een telegram van den keizer aan den hertog van Xara:


    “Ik draag uwe Keizerlijke Hoogheid op zich morgen naar
    Altara te begeven.

                                                        Oscar.”


Het telegram was geene verrassing, maar het natuurlijk gevolg van het
ontslag der ministers, en de terugkomst van den keizer, want de keizer
wilde het terrein van de ramp niet verlaten zonder den troost, dat de
troonopvolger hem er vervangen zoû.

Othomar trok zich, na een oogenblik bij de keizerin, terug in zijne
eigen kamers. Hij ontbood zijn adjudant, prins Dutri, en hield met dien
een paar woorden van korte beraadslaging; de adjudant haastte zich
daarna met veel drukte weg. In de kleedkamer vond Othomar zijn
kamerdienaar, Andro, door een der kamerheeren gewaarschuwd, al bezig
met pakken.

—Pak niet te veel in, Andro, sprak hij, terwijl de kamerdienaar
eerbiedig van voor een koffer oprees; dat is maar ballast...

Zoodra hij dit gezegd had, wist hij eigenlijk niet waarom. De
kamerdienaar scheen er zich ook niet aan te storen; opnieuw geknield
voor den koffer pakte hij in, wat hem goed dacht. Het zoû wel goed zijn
zoo als Andro het deed, dacht Othomar.

En hij wierp zich neêr in een stoel van zijn kabinet. Een venster was
open; een enkele staande lamp, in een hoek, gaf niet veel licht. Buiten
stortte de woedende kletregen neêr; een vochtige adem van natte
bladeren dreef naar binnen.

De prins was moê, te moê, dan dat hij Andro zoû roepen om zijne
nauwsluitende verlakte laarzen uit te trekken. Hij droeg, wit met goud,
zijn uniform van kolonel der Garde van den Troon, de keizerlijke
lijfgarde; de keten van de Orde van den Rijksappel hing om zijn hals,
andere ridderorden bestarrelden hem hier en daar de borst. Voor zijn
oogen dwarrelde nog het feest van den Rijkskanselier; in zijne hersens
ruischten, tegelijk met den regen, de noodzakelijke gesprekken over de
crizis, het ministerie, het Huis van Adel. Hij zag zichzelven voor
zich: de kroonprins, altijd de kroonprins, altijd te neêrbuigend, te
minzaam, niet vrij genoeg, niet eenvoudig, niet gemakkelijk, als
Herman, en hij zag Herman, die zich met gemak bewoog in de zalen van
het Kanselarij-paleis, die zich, eenvoudig weg, liet voorstellen aan de
dames, nu eens door graaf Myxila, dan door een adjudant. En hij
benijdde zijn neef, die tweede zoon was. Herman deed niet als hijzelve,
de atmosfeer om zich heen bevriezen, aanstonds bevriezen, door den koud
keizerlijken glans van zijn kroonprinsschap.

Hij zag de ministers voor zich. De ministers, die zouden aftreden, elk
van hen met, in zijn hart, zijne eigen belangen, in plaats van Liparië;
hij vermoedde dit om hunne nederige wijze van zijn, tegenover hem, den
kroonprins, toen hij ze allen had aangesproken, allen... Hij voelde,
dat ze zich maar voordeden, dat er veel in hen was, dat ze niet
schijnen lieten en hij vroeg zich in eens af: waarom, waarom dit alles
zoo, waarom zooveel schijn, alles schijn...? Pijn deed het hem nu, diep
in zijne borst; de strakte van zijne bestarrelde uniform benauwde
hem...

De oude gravin Myxila zag hij voor zich en enkele andere dames die hij
had zien nijgen in het geknak harer slepen en het plotseling
neêrgeschitter harer diamanten; die hij had zien kleur krijgen van
genot, omdat de hertog van Xara haar had opgemerkt. Ook de vrouw van
den opperhofmaarschalk, de hertogin van Yemena, die zoo langen tijd van
het hof afwezig geweest was, in eene zelfverbanning op haar goed in
Vaza, hij zag ze voor zich, zooals ze naar hem toe was gekomen, geleid
door Prins Dutri. Want hij kende haar niet; toen zij vroeger aan het
hof geweest was, was hij een jongen geweest van vijftien jaar; streng,
militair opgevoed, weinig bij de keizerin en nooit op de feesten van
het hof, hij had toen de hertogin nooit gezien.

Nu, in de schemering van die éene lamp, met de woede van het weêr daar
buiten, zag hij haar weêr en ze werd als transparant in de stralen van
den regen; vreemd scheen ze door den regen heen, als door een gordijn
van natte mousseline. Eene groote vrouw, met hare rijke vormen, half
naakt onder het witte gevlam der rivière, zoo kwam ze naar hem toe, het
haar blauwzwart met glans er over, het gelaat wat bleek onder een licht
waas van roze poeier; zoo kwam ze nader, langzaam, weifelend, in haar
goudgeel broché satijn met zwaar sabelbont omzoomd; zoo boog ze voor
hem, in nederig diepe neiging voor keizerlijkheid; het hoofd knakte
haar op de borst, de tiara in het zwarte haar schoot stralen, haar
geheele gestalte golfde met ééne slangelijn van gratie naar beneden, in
de stof van goudglans, die haar boezem omglinsterd hield en op de dikke
plooien van den sleep scheen te breken met kantlijnen van licht. Hij
had tot haar gesproken. Ze was gerezen uit de golving harer gratie van
nederigheid; ze had hem geantwoord, hij wist niet meer wat; hare oogen
hadden als zwarte sterren geschitterd op de zijne. Zij had indruk op
hem gemaakt. Hij meende, omdat hij veel van haar had hooren spreken,
als van eene vrouw met een leven vol passie: iets, dat hem raadsel was.
Zijne opvoeding was militair en streng zuiver geweest, zijne
jongelingsjaren waren kuisch gebleven te midden der gemakkelijke zeden
van het hof, misschien omdat zijne ouders, na eene lange scheiding,
voor henzelven, in stil geheim, weêr tot elkaâr gekomen waren, in eene
behoefte aan familieleven en steun op elkaâr; keizerin Elizabeth had
keizer Oscar vergeven en zich geschikt in zijn ontrouw als in een
noodlot. Om zich heen had Othomar niet gezien het leven der zinnen. Aan
de universiteit te Altara, waar hij gestudeerd had, had hij zich niet
dan officieel gemengd in de genoegens der studenten; hij was altijd de
kroonprins gebleven, niet uit hoogheid, maar uit niet anders kunnen,
uit gebrek aan gemakkelijkheid en tact.

En, als het onbekende, had iets in de hertogin indruk op hem gemaakt.
Hij voelde in deze vrouw, die met haar sfinxe-lach zoo diep voor hem
neeg, een wereld van gevoel en wetenschap, die niet in hem was; hij had
zich tegenover haar arm gevoeld, klein en onbeduidend. Wat was dat, dat
in haar was en niet in hem? Was het een raadsel der ziel? Waren er
zulke dingen, zieleraadsels, en was het de moeite waard zich er in te
verdiepen? Zoo eene vrouw als zij, was die niet geheel anders dan zijne
moeder en zijne zusters? Of spraken zijne adjudanten, onder hen, ook
over zijne zusters, zooals ze over de hertogin spraken? En dat leven
van passie, dat leven van liefde voor zoo velen, was dat eene waarheid?
Lasterden zij niet, de adjudanten, of minstens, lieten zij de waarheid
niet anders schijnen dan ze was, zooals ze altijd deden, in alles?
alsof om een vorst de waarheid altijd anders schijnen moest dan om een
onderdaan?

Hij voelde zich moê. En hij bleef zitten, de dwarreling der vreemde
beelden van dat feest door eene transparantheid van regen uit zich
pogende voort te drijven en tevergeefs. Voor hem, als in zijne kamer,
liepen daar allen door elkaâr, de ministers, de adjudanten, graaf
Myxila en de hertogin.

Een klop, een kamerheer.

—Prins Herman vraagt of hij Uwe Hoogheid even storen mag.

Hij knikte van ja. Prins Herman kwam na een oogenblik binnen.

—Je bent altijd welkom, Herman! sprak Othomar, en zijne stem klonk,
ondanks hemzelven, koud.

—Ik kom je even iets vragen, sprak Herman van Gothland. Ik zoû gaarne
met je meêgaan naar Altara, morgen. Maar ik wil verzekerd zijn, dat je
het goed vindt. Ik zoû het ook uit mezelven niet gevraagd hebben, als
tante er niet over gesproken had. Wat vindt je?

Othomar zag Herman aan; zijne koele stem mishaagde Othomar.

—Als je het doet uit belangstelling, omdat je nu toch te Lipara bent,
zeker... begon hij.

—Laat me je nog eens zeggen: ik doe het voornamelijk om... tante.

Zijne stem klonk zeer nadrukkelijk.

—Doe het dan om haar, antwoordde Othomar zacht. Het zal mij heel
aangenaam zijn, als je meêgaat terwille van mijn moeder.

Herman was zich bewust onnoodig koel en nadrukkelijk te zijn geweest.
Hij had er spijt van. De keizerin had hem verzocht Othomar te
vergezellen. Hij had eerst geaarzeld, wetende, dat er sympathie ontbrak
tusschen Othomar en hem. Toen had hij toegegeven, maar niet geweten hoe
het Othomar te vragen. Zijne gewone gemakkelijkheid had hem in den
steek gelaten, zooals altijd, tegenover Othomar.

—Goed dan... stamelde Herman onhandig.

Othomar stak zijne hand uit:

—Ik begrijp je bedoeling heel goed. Mama heeft gaarne, dat je met me
meê gaat, omdat ze dan weet, dat er iemand bij me is, dien ik álles zoû
kunnen vertrouwen. Niet waar?

Herman drukte zijne hand.

—Ja! sprak hij, blij, prettig; zonder afgunst, dat Othomar in dit
gesprek meester bleef, zeer verheugd, dat zijn neef het zoo opnam. Ja,
juist. Zoo is het. Laat me je nu niet meer ophouden, het is al laat.
Adieu...

—Adieu...

Herman ging. Het stortregende steeds. Othomar was weêr gaan zitten; de
kilte van den regennacht drong koud naar binnen en viel op zijne
schouders. Roerloos bleef hij staren op de punten zijner laarzen.

Andro kwam zacht binnen.

—Verlangt Uwe Hoogheid...?

Othomar knikte. De kamerdienaar sloot eerst het raam toe, liet den
gordijn vallen en knielde toen voor den prins, die hem met een gebaar
van afmatting, den voet toestak, en de hak van zijn laars rusten deed
op zijne knie.



IV.

Des nachts hield de stortvloed op; des morgens regende het weêr. Het
was zeven uur; een zwoele vochtdamp sloeg tegen den kolossalen glasboog
van het station aan, als werd die geheel beädemd. De express stond
gereed; de locomotief snoof met kort krachtige hijgingen, als een
ontevreden, moê beest. Eene groote menigte, gonzende opeenpakking van
vage menschen in den onduidelijken nevelmorgen, vulde den glazen hall;
een detachement der infanterie,—twee gelederen, links en rechts; de
uniformen, donkerrood, lichtgrijs; daarboven zwak geschitter van
bajonetten,—veegde twee lange striemen van kleur dwars door het grauwe
station heen, sneed de menigte in tweeën en hield voor de deur der
keizerlijke wachtkamer een breede plek leêg.

Door de menigte huiverde ontevredenheid; er flitsten booze blikken;
ruwe woorden knetterden kort door de lucht, vloeken; een minachtend
lachen deed zich even in een hoek hooren.

Men wachtte lang; toen klonk buiten gejuich; de prins was aangekomen,
vóór het station. De wachtkamer vulde zich met uniformen, flauw
schitterend in den morgen; korte zachte gesprekken gingen om.

Othomar trad binnen, met Herman, en den markies van Dazzara, den
gouverneur der rezidentie,—hoogste militaire autoriteit,—wiens rijke
uniform afstak tegen de eenvoudigere der anderen, zelfs die der
prinsen; adjudanten-generaal, Liparische en Gothlandsche adjudanten,
ordonnans-officieren volgden hem. De burgemeester der stad, de
directeur van het spoorwezen traden Othomar tegemoet, begroetteden hem;
de burgemeester verloor zich in lange frazen voor de beide prinsen.

—Waarom is de toegang tot het perron niet verboden aan het publiek?
vroeg generaal Ducardi aan den directeur; de adjudant-generaal toch had
door de kanten gordijnen even op het perron gezien, nieuwsgierig om het
gegons daarbuiten.

De directeur haalde zijn schouders op.

—Dat was ook het eerste plan; het is ook zoo geweest toen de keizer
wegging, antwoordde hij. Maar een speciale boodschap uit het Imperiaal
liet ons dringend verzoeken, het perron niet af te sluiten; het was het
verlangen van den hertog van Xara.

—En al die soldaten dan?

—Op bevel van den gouverneur van de rezidentie; een ordonnans-officier
kwam ons zeggen, dat er een detachement infanterie zoû aanrukken, als
eerewacht.

—Kwam die ordonnans-officier ook uit het Imperiaal?

—Neen, van het Gouvernementspaleis...

Ducardi haalde de schouders op; een nijdig gebrom deed zijn groote
grijze snor trillen. Hij ging recht op den kroonprins af.

—Weet Uwe Hoogheid, dat er een detachement infanterie buiten staat?
brak hij de lange zinnen van den burgemeester af. De gouverneur hoorde
hem en trad nader.

—Een detachement...? Neen... sprak Othomar verbaasd.

—Had Uwe Hoogheid dan niet bevolen? ging Ducardi voort.

—Ik? Neen... herhaalde Othomar weêr.

De gouverneur boog diep; hij werd zenuwachtig door de forsche stem van
den generaal, die luid sprak.

—Ik meende! sprak hij netjes, maar mompelend, stotterend,—en hij poogde
te zijn nederig voor den prins en tegelijk hoog voor den generaal—ik
meende, dat het goed zoû zijn Uwe Hoogheid te vrijwaren tegen
mogelijke... mogelijke onaangenaamheden, vooral omdat Uwe Hoogheid
wenschte... wenschte, dat het perron voor het publiek toegankelijk zoû
zijn...

Othomar had, als Ducardi, naar buiten gezien: de infanterie en haïe, de
menigte daarachter, boos, gonzend, grijs, dreigend.

—Maar Excellentie! sprak hij hoog tegen den gouverneur! dan was het nog
maar beter geweest het perron te laten afsluiten! Dit is geheel
verkeerd! De stadspolitie zoû voldoende zijn geweest om wat te dicht
bij dringen tegen te houden.

—Ik was bang voor... voor onaangenaamheden, Hoogheid! Onrustige tijden,
het volk zoo ontevreden, fluisterde de gouverneur, bang gehoord te
worden door de adjudanten.

—Geheel verkeerd! herhaalde Othomar driftig, zenuwachtig opgewonden.
Laat de infanterie oprukken!

—Onmogelijk nu, Hoogheid! haastte Ducardi zich te zeggen, met een
ongelukkige glimlach. U begrijpt, dat dàt niet kan.

Het gesprek was terzijde gevoerd, in een half fluisterenden toon; toch
scheen men te luisteren; alle oogen tuurden naar de groep om de
prinsen; alle anderen zwegen.

—Laat ons dan dien treurigen toestand zoo min mogelijk rekken; we
kunnen zeker gaan! sprak Othomar en zijne stem trilde hoog, jong,
zenuwachtig in zijne heldere keel.

De deuren openden zich; Othomar in zijn haast, trad het eerst naar
buiten; de adjudanten en ordonnans-officieren volgden hem niet
dadelijk, daar zij moesten uitwijken voor prins Herman, die zich
toevallig wat achteraf bevond. Herman haastte zich bij Othomar; de
anderen volgden.

De prinsen maakten links en rechts eene hoofdbeweging, als wilden zij
groeten; maar hunne oogen ontmoeten de strakke ronde oogen der
soldaten, die in één flits het geweer prezenteerden; ze salueerden en
liepen door naar den coupé, een beetje vlug, met een onaangenaam gevoel
over den rug.

Onder den reusachtigen glazen boog van het station achter de gelederen
der soldaten, zweeg de menigte doodstil, want het gonsen verstomde
bijna; vloek, noch minachtend lachen werd meer gehoord, maar ook geen
gejuich, geen leve, dat zoet is aan het oor der vorsten.

En de gezichten van dat vage volk, door uniformen en bajonetten
afgesloten van hun toekomstigen beheerscher, bleven strak, met doffe,
haatdragende oogen, met opeengesloten monden, vol ingehoudenheid,
turen, hem als wegkijkende in den keizerlijken coupé.

Uit de vensters wuifden de prinsen met de hand de autoriteiten toe, die
op het perron stonden, buigend, salueerend. De locomotief floot,
krijschte, verscheurde de nauwe vocht-atmosfeer onder den koepel; de
trein verliet het station, reed den vroegen morgen in, die lichter was
buiten den glasboog; gleed als over de regenstad heen op viaducten;
kanalen, straten, pleinen onder zich; verder op de tinnen en spitsen
der paleizen en kerken; de twee marmeren torens van den Dom—met de
duiven die nestelen in de Renaissance-arabesken van het kantwerk zijner
spitsen,—reeds vaal wit op wat blauw wordende lucht; dan, midden in de
stad,—groen, wijd, éene oaze—de Elizabethperken, de blanke massa van
het Imperiaal, en daarachter de reuzenbocht der kaden, de haven met
haar mastenwoud, de ovale bocht van den horizont der zee, alles nat,
glinsterend, verregend.

Somber zag Othomar voor zich, Herman glimlachte hem toe.

—Kom, denk er niet meer aan, ried hij aan; en, lachend:

—Onze arme gouverneur zal er slecht van dineeren vanmiddag!

Generaal Ducardi bromde een vloek binnen-in:

—Allerstomst... hoorde Herman hem mompelen.

—Ik wilde ze toonen, sprak Othomar in eens...; hij had willen zeggen:
dat ik niet bang voor ze ben; hij sloeg een blik om zich heen, zag de
oogen van prins Dutri, zijn adjudant, als bazilisken op hem gevestigd,
en liet zijne stem van trotsch, weekhartig worden; treurig weg besloot
hij:

—... dat ik ze liefheb en zoo geheel en al vertrouw: waarom moest het
nu zoo uitvallen...

De weekheid zijner stem had geklonken om prins Dutri te behagen; maar
ze mishaagde den generaal; hij zag eerst zijn kroonprins van terzijde
aan en toen naar den prins van Gothland; hij vergeleek: zijn oog bleef,
waardeerend, goedkeurend, met soldatesk pleizier hangen aan den flinken
luitenant-ter-zee, breed en sterk, de handen op de dijen, een beetje
voorover gebogen, de witte rezidentie nakijkend, die voor zijne oogen
achterweg werd getrokken door de schuine stralen van regen heen...

Na vier uur sporen, Novi, in het gouvernement van Xara. De trein staat
stil; de prinsen, hun gevolg stappen uit, raadplegen klokken, horloges.
Men verwondert zich, men wandelt op en neêr over het perron, een half
uur, een uur lang; prins Herman gaat in druk gesprek met den
stationschef. Het regent steeds.

Eindelijk wordt de express van Altara geseind. Zij glijdt binnen, staat
stil; uit den keizerlijken coupé treedt keizer Oscar; generaals,
adjudanten volgen hem; hunne uniformen, ook die van den keizer, hebben
iets van hare strakheid verloren en plooien wat moê om hunne schouders
heen, als kleederen lang gedragen. De keizer, nog jong, breed en
stevig, en maar even grijzend, gaat met een flinken stap, hij omhelst
zijn zoon, zijn neef, kortaf gauw. De vorstelijke personen verdwijnen
in de wachtkamer; Ducardi en een der Gothlandsche officieren volgen
hen. Het onderhoud duurt echter kort; na tien minuten komen zij weder
op het perron; haastige woorden, handdrukken worden gewisseld; de
keizer stapt opnieuw in zijn coupé; de kroonprins in den zijne. De
trein van den prins wacht, tot die zijns vaders—met éene laatste
wuifhand,—kruist; daarna spoort ook die weg...

Zorg ligt als een wolk op Othomars voorhoofd. Hij herinnert zich zijn
vaders woorden: wanhopig onze mooie, oude stad; de Therezia-dijk
misschien aan het zwichten; zoo weinig energie bij het gemeentebestuur;
duizenden menschen zonder dak, vluchtende, overnachtende in kerken,
publieke gebouwen. En zijn laatste woord:

—Laat er naar St. Ladislas gaan...

Othomar denkt na; een ieder zwijgt om hem heen, gedrukt door den
naklank der keizerlijke woorden, die de ramp weêr opnieuw schilderen,
weêr frisch hen voor de oogen brachten; de oogen van Ducardi, die zich
beter vechtmajoor weet dan trooster in watersnood, de oogen van Dutri,
nog vol van den mondainen glans der onvergelijkbare rezidentie. Iets
van hun eigenbelang begint te zwijgen; gedachte aan wat zij zien
zullen, trekt door hen heen.

En Othomar denkt na. Wat zal hij doen, wat kàn hij doen? Is het niet te
veel wat men van hem vergt? Kàn hij den drang der wateren tegengaan?

—Oh, die regen, die regen! mompelt hij, en balt zijne vuist, stil.

Nog vijf uur sporens, de torens der stad, de gekartelde lijnen en
titanische vlakken van het sterke St. Ladislas schieten aan den
horizont op, schuiven op zij naderbij. De trein staat stil, in het
land, bij een kleine halte, de prinsen weten, dat het Centraal Station
overstroomd is; aan de halte is de geheele spoordirectie overgebracht.
En eensklaps staan zij voor de gladde, groene vlakte van water; voor
den Zanthos, die zich uitgestort heeft; éene zee van water, breed en
effen, nauwelijks gerimpeld, als eene, al gestilde gramschap. Een pont
wacht, die hen overbrengt tusschen ruïnes van huizen, drijvend
huisraad. Een dood paard haakt aan die pont vast, een muffe lucht van
vochtig bederf waart om. Bij een ingestort huis zijn ponteniers bezig
een lijk op te visschen, het hangt aan hunne haken, met slappe armen en
lange natte haren, het vale lijkhoofd achterover; het is een vrouw.
Herman ziet Othomars lippen trillen.

Nu varen zij door een straat, verlaten hooge huizen eener arme
voorstad. Dit gedeelte is reeds dagen overstroomd. Zij landen aan een
plein; het volk is daar; het juicht. Luider en luider juichen zij;
geroerd om hun prins, die over het water komt, naar hen toe, om hen te
redden. Een troep studenten schreeuwen, roepen zijn naam en leve, en
zwaaien hunne kleurige petten.

Othomar drukt den burgemeester, den minister van waterstaat, den
gouverneur van Altara, andere autoriteiten de hand. Zijn hart is vol;
hij voelt eene snik onder zijne borst wellen.

Uit den troep studenten treedt een te voorschijn, een groote, lange
jongen.

—Hoogheid! roept hij; mogen wij Uw lijfwacht zijn?

De etiquette bestaat hier nauwelijks, al kijken ook de autoriteiten
boos. Othomar herinnert zich zijne studentenjaren, nog zoo lang niet
geleden, drukt den student de hand; prins Herman ook, en de studenten
zijn opgewonden en roepen weêr leve, leve, en leve Othomar en leve
Gothland!

Achter het plein raadt men de stad in nood, stillen nood van nog
grooter dreigend gevaar; de oude kroningsstad, de tweede van het rijk,
stad van geleerdheid en traditie, somber monument der middeneeuwen;
grauw steekt ze af tegen het blanke Lipara, dat daar ginds lacht en
mooi is van nieuw marmer aan hare blauwe zee, maar dat zijne vorsten
niet heeft zoo lief als zij, de onttroonde hoofdstad met haren
Romaanschen reuzendom, waar de heilige keizerskroon met het kruis van
St. Ladislas gedrukt wordt om de slapen van iederen keizer van Liparië.
Zijn hare gebieders haar ook ontrouw en wonen zij sedert eeuwen in hun
wit Imperiaal daarginds, en niet meer op den ouden gekartelden burcht
van den schutsheilige van het rijk, zij, de oude stad, de moeder van
het land, blijft ze trouw in hare moederliefde, en niet om den eed: om
het bloed, om het hart, om geheel haar leven, dat hare oude traditie
is...

Maar, als zijn vader, zoû Othomar dezen keer niet naar den slotburcht
van St. Ladislas gaan; het kasteel lag te hoog, en te ver van de stad,
te ver van de ramp. Open hofrijtuigen wachtten; zij stegen in, de
studenten slingerden zich te paard; de prinsen zouden hun intrek nemen
in het paleis van den Aartsbisschop-kardinaal, den Primaat van Liparië,
in het Episcopaal, dat met den Dom en het Oude Paleis éene kolossale,
oude grauwe massa vormde, een stad op zichzelve, het hart zelve der
stad.

Zij reden vlug voort. Het volk juichte; zij zagen hen als een stoet van
verlossers, van wie ze meenden, dat eindelijk het heil zoû komen.
Tusschen het vertrek van den keizer en de aankomst van den prins was
eene neêrslachtigheid geweest die zich bij het zien van Othomar tot
ziekelijk enthouziasme omhoog wond.

Het werd in eens donker, maar nog niet om het zinken der zon—vijf uur
in Maart in het Zuiden;—het werd donker om de wolken, de gevaarten aan
de lucht, die in bol gespannen reuzenzeilen water meevoerden, dat ze
reeds weêr in druppels neêr lieten sijpelen. Onder die grauwe lucht
klonk het volksgejuich op als in mineur, toen, op eens als barsteden de
gezwollen wolken in éen scheur open, een zondvloed neêrstortte, als met
éen enkel loodrecht vlak van water.

Othomar was met Herman en Ducardi in het eerste rijtuig gezeten.

Zoû Uwe Hoogheid het rijtuig niet dicht willen hebben? vroeg de oude
generaal, die den prins hielp zijn burnous omslaan.

Othomar weifelde; hij had geen tijd den generaal te antwoorden; de
menigte groeide aan, werd dichter, juichte, en hij boog terug,
salueerde, knikte. Zwaarrecht kletste de regen neêr. De straffe stralen
liepen de prinsen en de generaal over den rug, in den hals, doorweekten
hunne knieën. De menigte school onder een brokkelend dak van
parapluies, als onder natte zwarte sterren te zamen, vulde de nauwe
straten der oude stad, drong zich tusschen de voorrijders en het
rijtuig; de koetsier moest langzamer rijden.

—Wil je het rijtuig niet dicht laten maken? vroeg Herman Ducardi na.
Othomar weifelde nog. Toen, en zelve vond hij zijne woorden wat
theatraal, en wist hij niet hoe ze zouden klinken, luid op:

—Neen, laat ons niet bang zijn voor water; zij hebben immers allen door
het water geleden, hier.

Maar Ducardi zag hem aan: hij voelde iets in zich voor zijn prins
trillen...

Het rijtuig bleef open. In een der volgende landauers zag prins Dutri
woedend naar voren om, of de hertog van Xara zich, en achter zich zijne
adjudanten, nog langer zoû laten nat regenen. In de nauwe hooge straten
bij den Dom werd bijna stapvoets gereden, dwars door het gejubel van
het dringende volk door. Tot op de huid nat, kwam de kroonprins van
Liparië met de zijnen bij den Aartsbisschop-Kardinaal aan; een spoor
van water lieten zij achter op de trappen en corridors van het
Episcopaal.



V.

In andere uniformen een kort diner bij den hoogen prelaat; eenige
domheeren en abten zitten meê aan. De zaal is groot, somber, met
zwakken schijn van kaarsen nauwelijks verlicht; het zilver glimt dof op
de oude, zwart eikenhouten dressoiren; de fresco’s aan den muur,
heilige tafereelen, zijn naulijks te onderscheiden. Een stille haast
doet de monden reppen; men spreekt gedempt; de lakeien, in sombere
liverei, gaan als op de teenen rond. De kardinaal, aan wiens zijden de
prinsen gezeten zijn, is lang, mager, met een fijn, ascetisch gezicht
en de staalblauwe oogen van een dweper; zijne stem komt diep uit zijn
keel als een orakel; hij zegt iets van den wil des Heeren en maakt een
berustend gebaar met beide handen, de vingers even uitgespreid, zooals
Jezus doet op oude schilderijen. Een der abten, secretaris van den
kardinaal, een jonge man met een rond, roze gezicht en mollige witte
handen, lacht even nog al luid op om een grap van prins Dutri, die,
naast hem gezeten, iets vertelt van een gravin uit Lipara, die zij
beiden kennen. De kardinaal kijkt den dartelen secretaris streng aan.

Na een haastig diner, gaan de prinsen en hun gevolg te paard de stad
in, toegejuicht waar zij komen. Tot dicht bij den Dom en het
Aartsbisschoppelijk paleis staat het water al. Groepen mannen, vrouwen,
kinderen snikkend, vloeien te zamen, den prins te gemoet, die over de
donkere pleinen rijdt; men draagt flambouwen om hem heen, daar de
gaslantaarns niet overal branden; de rosse vlammen doen vreemd,
romantisch over de oude donkere murenmassa’s, spiegelen zich als met
lange bloedrimpels in het water, dat in de nauwe stegen staat. Een
groot huis met vele verdiepingen en rissen kleine ramen, schijnt
eensklaps ondergeloopen te zijn; geheimzinnig plotselinge druk der
wateren, door het metselwerk der kelders, uit de fondamenten
opsijpelend, zich verraderlijk weg banend door de minste voege of
barst. De bewoners redden zich in kleine booten, die met roode lichtjes
door de zwarte waterstad heen varen; een kind huilt luidkeels. Het zijn
arme menschen, honderden, die daar te zamen wonen, als opgestapeld in
doozen. De prinsen zijn afgestegen, gaan in een bootje, varen er heen
en men weet wie ze zijn; zelve helpen ze een oude vrouw en drie
kinderen, nat tot aan het middel, klimmen op een vlot; zelve geven ze
geld, roepen ze bevelen. En den ouden burcht van St. Ladislas wijzen ze
aan als toevlucht...

Maar is er een roep opgegaan, verder, eerst in den donkeren avond
onduidelijk vernomen, dan eindelijk duidelijker hoorbaar:

—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...

De prinsen willen er heen; te paard is het niet mogelijk; in bootjes is
de eenige manier. Prins Herman zelve grijpt de roeispanen; in het
volgende bootje beweert Dutri tegen Von Fest, een der Gothlandsche
adjudanten, dat Venetië toch nog comfortabeler is...

—De Therezia-dijk, de Therezia-dijk...

De dijk ligt als de zwarte rug van een groot, lang dier even buiten de
stad, aan den linkeroever van den Zanthos, en beschermt er, meestal in
het voorjaar, voor opwellingen der rivier de geheele wijk van St.
Therezia, het Oostelijk gedeelte der stad, dat nog al hoog ligt. Over
de waterstraten glijden de bootjes voort; op het Therezia-plein is het
mogelijk te landen: er branden lantarens, fakkels walmen, rosse
vlamspelingen krinkelen over het water. Het plein is groot, breed;
zwart staan de huizen er om heen en begrenzen het in den nacht met
hunne onregelmatige lijnen van dakspitsen en schoorsteenen, met de
massieve massa van de kerk van St. Therezia, waarvan de torens zich in
de donkere lucht verliezen; in het midden van het plein rijst een groot
ruiterstandbeeld van een Liparisch keizer, reusachtig in bronzen
onbeweeglijkheid over het kleine dwarrelen der menigte den arm
uitzwaaiend, een zwaard in de vuist.

Othomar en Herman hebben hunne drie adjudanten, Dutri, Leoni en Von
Fest, wien men paarden gezocht en gezadeld heeft, weggezonden, naar den
dijk toe; eene geheele buitenstad van villa’s, fabrieken en het station
van St. Therezia beschermt die daar tegen het water van den Zanthos,
die zijn rechteroever reeds over het land heeft uitgestort en dat
verdrinkt. De prinsen staan in het midden van het plein op de trappen
van het voetstuk des standbeelds; zij hebben verder voort willen gaan
maar de burgemeester zelve heeft hen verzocht daar te blijven; verderop
dreigt er ieder oogenblik levensgevaar... Wat men kon, heeft men reeds
gedaan; er is niets meer te doen dan te wachten.

Er verloopen kwartieren, halve uren. Het wachten op het
verschrikkelijke maakt kalm; men hoopt weêr. De officieren rijden af en
aan; de villa’s en fabrieken daar ginds zijn verlaten; een geheele stad
ligt er leêg, ontvlucht. Prins Dutri verzekerd, draaiend met zijn
paard, dat hij buiten adem heeft gereden, dat de dijk houden zal; nadat
hij met de prinsen gesproken heeft, omringt men hem, het zijn de
bewoners der villa’s, de fabrikanten, die hem met vragen overstelpen,
gesterkt door de zelfbewustheid van den keizerlijken adjudant. Nog eens
galoppeert Dutri weg.

Daar gaan de deuren van de kerk geheel, wijd open: in het einde van
perspectief, tusschen de zuilen, schitteren de lichtjes op het altaar;
eene processie vloeit langzaam naar buiten; een gemyterde bisschop,
priesters, choorkinderen, die zingen en vanen dragen en hooge kaarsen
en wolken zwaaien uit hunne wierookvaten; achter het omhoog geheven
crucifix, de reliquie van St. Therezia in haren antieken schrijn van
middeneeuwsch goud en kristal en kostbare steenen, ruw geslepen of
rond; ze wordt gedragen onder een baldakijn en in den dwarrelenden
kaarsenschemer schittert en straalt ze als een heilig juweel, als een
star, over dat sombere plein, door dien zwarten nacht van onheil heen;
flikkeren de reuzensmaragden, flonkert het kostelijk gedreven goud, en
voor het Zeer Heilige wijkt de opeengedrongen menigte terzijde en valt
ze neêr, geknield. De vijfde maal is het, dat dien dag de processie
ommegaat, de reliquie gedragen wordt, ter bezwering van de ramp. Ze
gaat voorbij het standbeeld; de prinsen knielen neêr; het Latijn van
den zang, de glans van de reliquie in haar schrijn, de walm van den
wierook gaat over hen heen met den zegen van den bisschop...

Om de processie is het stil geworden op het plein, maar men hoort nu
een geruisen als van verre... Als met éen golfslag schijnt de menigte
te deinen, men knielt niet meer; de processie zelfs wordt verbroken en
verwart zich. Door het gedrang gaat de mare: de dijk is gezwicht...

Men kán nog niet gelooven, maar eensklaps dondert van boven het fort
van St. Ladislas, dat zijne wallen om den burcht breid, een schot en
dreunt over de zwarte stad, en davert door de zwarte lucht alsof zijn
weerslag breekt tegen de lage wolken aan. Een tweede schot dondert na,
als met reuzen-cymbalen van catastrofe, een derde... de geheele stad
weet, dat de Zanthos den dijk heeft verbroken.

Het geheele plein is in warrelende beweging: éen mierenhoop; hoopen
laatste vluchtelingen komen nog aan in drommen, armen, haveloozen nu,
die niet eerder hadden kunnen vluchten, die nog altijd hoopten; door
het gedrang poogt, hijgende, vloekende, te paard, den angst in zijne
oogen, prins Dutri het standbeeld te bereiken; het verre geruisch als
van zee komt nader en nader. Men vlucht in alle straten, te voet of in
bootjes; de processie in wanorde, met het geschitter van haren
reliquie-schrijn, die als schijnt te wankelen op de golven eener
menschenzee, verspreidt zich naar de kerk...

—Is het plein zelfs niet veilig? vraagt Othomar: hij kan bijna niet
spreken; zijne borst is geklemd als in ijzer, zijne oogen vullen zich
met tranen, een onmetelijke wanhoop van machteloosheid en medelijden
verdrinkt zijne ziel.

De burgemeester schudt van neen.

—Het plein ligt lager dan de buitenwijken, Hoogheid; U kan hier niet
meer blijven. Gaat U in Godsnaam terug, met een boot, naar het
Episcopaal...

Maar de prinsen willen blijven, ook al ruischt het meer en meer.

—Gaat U dan in de kerk, Hoogheden; daar is dan nog de eenige veilige
plaats, smeekt de burgemeester. In Gods naam, ik bid U!!

Het plein is reeds als schoon geveegd, de flambouwen geleiden de
prinsen naar de trappen der kerk; als een zachte donder, die over den
grond strijkt, golft de Zanthos aan.

In de kerk galmt het orgel, zingt men, bidt men... den geheelen nacht.
En den geheelen nacht blijft het daar buiten chaotisch zwart, zacht
ruischend...

Als de eerste schemeringen bleeken over de lucht, die in de verte roze
en grijs, flauw opaal en parelmoêr begint op te tinten, treedt Othomar
met Herman en de adjudanten naar buiten, op de treden der kerk.

Het plein staat onder water; de huizen rijzen uit het water op; het
standbeeld van Othomar III zwaait zijn bronzen arm en zwaard over een
meer uit, dat rimpelt in de morgenbries.

Van het Therezia-plein tot de Domplaats staat alles onder.



VI.

        Aan Hare Allergenadigste Keizerlijke Majesteit Elizabeth,
        Keizerin van Liparië. Altara, Episcopaal, Maart 18...


    Mijn aangebeden moeder!

Uw brief verwijt me, dat ik U niet dadelijk eergisteren geschreven heb;
vergeef me, want zoo dikwijls zijn mijne gedachten toch vol van U
geweest. Maar ik voelde mij gisteren zoo moê na een drukken dag, en
miste ’s avonds kracht tot schrijven. Laat mij U nu het een en ander
van mij melden.

U beschrijft mij den vreeselijken indruk, die het te Lipara maakte,
toen men des nachts van hier de doorbraak van den Thereziadijk seinde,
en hoe U allen waakten in het Imperiaal. Ook wij sliepen dien nacht
niet, maar waakten in de Therezia-kerk. Men herinnert zich, sedert
vijftig jaren, niet eene zoo verschrikkelijke overstrooming; tijdens
die, welke mijn Vader zich herinnert uit zijne kinderjaren, was het
Thereziaplein niet overstroomd en stond het water slechts tot de groote
ijzerfabriek, naar men zegt.

Hoe U te beschrijven, wat ik voelde in dien nacht, terwijl wij hoopten
en wachtten, beurtelings hoopten, dat God en Zijne Heilige Moeder dit
onheil van ons zouden afwenden, en wachtten tot de catastrofe zoû
losbarsten. Wij stonden op het voetstuk van het ruiterbeeld en er was
niets meer te doen. O, die onmacht om mij heen, die onmacht in
mij-zelven. Telkens vroeg ik mij af, wat ik daar deed, zoo ik niets kon
doen om mijn volk te helpen. Nooit nog, liefste moeder, heb ik dit
gevoel van onmacht, van niets kunnen tegen wat moet gebeuren, zoo wijd
zich in mijne ziel voelen uitbreiden, tot ze haar geheel en al met
wanhoop vulde, maar ook nooit voelde ik zóo waarachtig, dat alle dingen
van het leven twee zijden hebben, dat de grootste ramp zoowel zijne
zwarte schaduw als zijn helderen lichtkant heeft, want nooit, o nooit,
voelde ik zóo sterk en innig door mijne wanhoop heen, liefde voor ons
volk; iets, wat ik nog niet wist, dat zoo als waarheid in ons hart kon
bestaan, als ik het toen voelde huiveren door mij heen; en die liefde
gaf mij een onmetelijken weemoed bij de gedachte, dat zij niet allen,
de millioenen zielen van ons rijk, ooit zullen weten, of zoo ze wisten,
gelooven, dat ik ze zoo liefhad, liefhad alsof er bloed van mij in hen
was. Nu wil ik mijzelven niet bedriegen en weet ik heel goed, dat ik
dit gevoel nooit zoû gevoelen te Lipara, maar hier voel ik het, in onze
oude stad, die ons hare geheele sympathie geeft. Hier voel ik het, dat
ikzelve ben, als onze Altariërs, meer Slavisch dan Romaansch, zooals
onze zuidelingen in Lipara en Thracyna, hier voel ik mij van hun bloed,
wat ik mij ginds niet voel! Er zal natuurlijk veel gesproken en
geschreven zijn in de couranten over de onhandigheid van den markies
van Dazzara met zijn dwaze eerewacht aan het station, bij ons vertrek;
hoe het ook zij, ik voelde in den trein groote treurigheid, dat,
terwijl ze daar toch waren om mij te zien weggaan, ze mij niet schenen
lief te hebben; ik weet wel, dat U dit als een verkeerd sensitivisme
weêr in mij zal afkeuren, maar ik kan het niet helpen; mijn lieve
moeder; ik ben zoo, en zoo overgevoelig voor sympathie in het algemeen
en voor de uitingen van ons volk in het bizonder. En daarom ook heb ik
ze hier lief: misschien heel eenvoudig en kinderachtig wel, omdat ze
mij toonen lief te hebben: overal enthouziasme, en dat oprecht gemeend,
waar wij ook komen; en toch wat kunnen wij doen, dan wat geld geven?
Die sympathie zie ik bij het laagste volk; arbeiders en werklieden, die
ik toch nooit gezien had met weten, en nauwelijks drie, vier woorden
van troost kon zeggen—en, ik weet dan nooit veel anders te zeggen, het
is altijd het zelfde; bij de soldaten, die toch wel instinctmatig
voelen, al zien ze mij ook nooit anders, dan in uniform, dat ik geen
militair in mijn hart ben; bij de studenten, bij de geestelijkheid, bij
het gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten. Gisteren zijn wij
overal rond geweest op de plaatsen, die ter herberging zijn aangewezen:
behalve in de barakken, in magazijnen en fabrieken, zelfs in enkele
zalen van departementen en het Paleis van Justitie, in twee theaters,
en in de gevangenis, arme menschen! Ook op St. Ladislas. Wij hadden van
den Ronden Toren een uitzicht over het omliggende land: in het Oosten
niets dan water en water, als een zee. Het hart werd mij
dichtgeschroefd in de borst.

Wij gingen ook naar de Hoogeschool: de meeste professoren kende ik nog
van twee jaren geleden, toen ik er studeerde.

Een verschrikkelijk schouwspel was buiten de stad; o, mama, waren het
honderden, waren het duizenden lijken, als in een Morgue naast elkander
neêrgespreid op een weiland; een kort oogenblik vóor de ter
aarde-bestelling, om de identiteit vast te stellen! Navrante tooneelen
heb ik gezien; mijn hart werd er onder verscheurd; troepen van
bloedverwanten, die zochten, of snikkend, hadden gevonden. Een
verschrikkelijk weeë lucht vervulde de geheele atmosfeer. Ik voelde mij
onwel worden, en zag ook zeer wit, ik had al mijn energie noodig om
niet te willen flauw vallen, maar Herman stak zijn arm onder den mijne
en steunde mij zooveel mogelijk zonder ostensatie, terwijl een paar
doktoren uit de groep der geneesheeren, met wie ik sprak, me iets gaven
om aan te ruiken. O, mama, het was een verschrikkelijk schouwspel, al
die vale, misvormde, opgezwollen lijken op het groene gras en daarboven
de hemel, die weêr diep blauw was geworden!

In den gemeenteraad heb ik volgens Uw verlangen en dat van mijn Vader
doen weten, dat U beiden ieder een personeele gift van een millioen
florijnen aanbiedt en heb ik tevens de mijne aangeboden. De geheele
wereld schijnt met ons meê te voelen; van alle oorden stroomt het geld
toe, maar de schade schijnt een put, die niet te dempen is. Zooals u
mij meldt, is de gift van onze Syrische vrienden waarlijk Oostersch
vorstelijk.

Wat heb ik U meer te vertellen? Ik weet het waarlijk niet; in mijn
hersenen draait een cauchemar van akelige vizioenen rond en ik kan
ternauwernood recht logisch doordenken. Maar ik beloof U, mijn lieve
moeder, te doen wat ik kan, en dat naar mijn beste krachten, en wat ik
U vraag is alleen éen enkel woord, dat mij zegt, dat U niet al te
ontevreden is over Uw jongen.

Zooals mijn Vader verlangt, blijf ik hier nog een week: het schijnt de
bevolking, die ons zoo lief heeft, toch goed te doen ons te zien. Men
was zeer opgetogen, dat er was aangezegd, dat U en Thera na mijn
vertrek te Altara zouden komen. U zal met Uwe zachte hand nog zooveel
kunnen doen, wat wij over het hoofd zagen. Wat hebben ze ons hier toch
lief en waarom zijn wij maar niet altijd op St. Ladislas; al is de
burcht somber, het is er helder van hunne sympathie.

Maar laat mij U niet zoo poëtisch schrijven in deze dagen van nood,
waarin wij practisch moeten zijn. Hermans gezelschap doet mij veel goed
en ik kan meer doen als hij naast mij staat. Generaal Ducardi is als
altijd een flinke, onvermoeide kerel. De anderen zijn allemaal zeer
bereidvaardig en practisch geweest, en zoo ik het mag zeggen in
eerbiedige tegenspraak van mijn Vader, ik geloof toch wel, dat het
gemeentebestuur doet wat het kan. Een Engelsch ingenieur zeide wel, dat
met betere voorzorgsmaatregelen en meerdere nauwkeurigheid van
nakijken, de Therezia-dijk het misschien had uitgehouden: enfin, dat
weet ik niet.

Herman zal met mij meêgaan op mijn reis door de gouvernementen. Wij
zullen naar Lycilië en Vaza gaan en zooveel mogelijk naar het
platteland. Dat is er natuurlijk het ergste aan toe.—Ik krijg juist de
telegrammen; de markies van Dazzara ontslagen, de hertog van
Mena-Doni—ik hoû niet van dien man—gouverneur der rezidentie!

Lipara in staat van beleg! Mijn Vader zal ons Huis van Adel dus weten
te behouden, door die ontbinding van het Huis der Standen?

Liefste moeder, Zijne Eminentie laat juist verzoeken mij zijne
opwachting te komen maken. Ik wil hem niet laten wachten en eindig dus
in der haast mijn epistel; met mijn beide armen om U heen, noem ik mij
vol innigheid en eerbied,

U, met héel zijn ziel, liefhebbende Zoon,

    Uw jongen,

        Othomar.



TWEEDE HOOFDSTUK.


I.

Ook het gouvernement van Vaza, ten Noorden van het hooggebergte van
Altara, de alpenketen der Giganten was ten deele geteisterd door den
Zanthos. De hoofdstad, Vaza, was overstroomd. Tegen de hellingen der
bergen aan was de provincie gespaard gebleven. Daar waren uitgebreide
terrassen van wijngaarden, dan wouden van kastanjes en noteboomen en
olijven. De schitterend blanke sneeuwlijn der bergtoppen golfde tegen
eene, weêr blauwe, lucht aan, kartelde er hare kammen en beet als met
happende lijnen het intens azuur brokken uit; scheen er een muil van
schitterend witte ijstanden te wetten tegen het staalglanzend metaal
van den luchtdom aan.

Daar, twaalf mijlen van de stad, troonde op zijne rotsen het oude
Castel Vaza, kasteel der hertogen van Yemena en graven van Vaza, parken
en woud er om heen, half fort, half burcht, krachtig, eenvoudig,
middeneeuws, ruw van lijnen, met zijne vier torens en rechte vlakken
van tinnen, aan alle zijden den horizont om zich heen cirkelend en vèr
houdend van zich af. Dicht bij eene warreling van dorpjes; in de verte
de torens en spitsen, het dakengewoel van Vaza; nog verder, in den
cirkel van panorama, die de torens wijd ommetrokken, de Zanthos, die,
breed aanslingerend, zich stortte in zee, en Lycilië, wit in de zon met
hare rechte vierkantjes van huizen, schitterend neêrgeplekt aan het
blauw van het water; dan, eene tweede zee: de bergtoppen, die sneeuwig
golfden in verschieten weg en nevelen van afstand. En, schitterend ook
in de zon, die vreemde meren aan den Zanthos, als plakkaten metaal: het
water, dat de volle rivier had uitgestort; de overstroomingen.

Het vierkante slot, dat om een hof zijne vier vleugels trekt, heeft nog
twee bijgebouwde vleugels van achteren, in nieuweren stijl van
elegantere Renaissance, en uitziende op het park, waarin de vijvers
liggen, als ovale bekkens van liquide zilver, gevat in smaragd van
gazons. De damherten grazen er, bijna mijmerend en bevallig, langzaam
omdwalend op fijne pooten; soms, in eens, gestrekt, de koppen
achterover, de oogen wild, rennen zij, vele te zamen, een eind weg in
vlucht voor onzichtbare verschrikking; andere, kalmer, grazen door,
laconiek, filozofisch.

De hertogen van Yemena en graven van Vaza zijn van een der oudste
geslachten des rijks, en laten hun stamboom wortelen in eeuwen, vóór
den eersten keizer van Liparië. De tegenwoordige hertog,
opperhofmaarschalk en connétable van Liparië, heeft drie kinderen uit
zijn eerste huwelijk; de erfgenaam van zijn titel, de jonge markies van
Xardi, adjudant van den keizer, en twee dochters, jongere meisjes nog,
in een klooster.

De hertogin is in het kasteel alleen. Zij zit in een groot boudoir, dat
met driekantige loggia uitgebouwd, ziet op het park, de vijvers, de
herten. Een bries waait buiten en de vluchtige wolken, die elkaâr als
vlokkige schimmen, doorzichtige sluiers aan flarden, najagen aan de
ijlblauwe lucht, slepen hare schaduwen, als vluchtige somberheden, over
het park heen, tinten het even met voorbijgaande donkerte, die ook de
herten donker maakt, en ze dan weêr bruin laat glanzen in zon. Stil is
het daarbuiten; stil in het kasteel. Afgelegen ligt er het slot; binnen
hebben de bedienden een zacht geloop door zalen en gangen, een
fluisterenden toon, in afwachting van het hooge bezoek.

Het is na het lunch. De hertogin ligt half op een divan en tuurt naar
de herten. Zij is nog niet gekleed en draagt een robe d’intérieur, los,
met vele plooien; vieux rose broché, zalmkleurig peluche en antieke
kant. Als zij alleen is, houdt zij van veel licht, in eene gezonde
behoefte aan ruimte van atmosfeer; voor de hooge boogramen zijn de
gordijnen weggetrokken en valt de schelte van den voorjaarshemel
bedwelmend in. Maar het licht doet aan hare schoonheid geen goed, want
al is het haar ook nog blauwig ravenzwart, heur teint heeft de matheid
van verwelkende witte rozen; hare oogen, die mooi kunnen zijn, groot en
als liquide donker, turen vol moêheid met een zweem van lichtgelen
kring, en zeer duidelijk zijn zichtbaar de striempjes op zij, de
groefjes, die etsen om den fijnen neus; de lijnen, die den mond
verlengd hebben en trekken naar omlaag.

De hertogin staat langzaam op; ze gaat door een deur, die tot hare
slaap- en kleedkamers toegang geeft, en blijft eenige oogenblikken weg.
Daarna komt ze terug; met beide handen, tegen zich aangedrukt, met
moeite, draagt ze een zichtbaar zwaar kistje en zet het op de tafel
voor den divan. Het kistje is van oud gedreven zilver met vergulde
cizeleeringen en groote blauwe turkooizen, van dat kostbare
Renaissance-werk, zooals men niet meer doet. Aan haren armband zoekt
zij een klein, recht, gouden sleuteltje en ontsluit de kist. De
juweelen schitteren: parelen, brillanten, saffieren, smaragden, en
vangen op hunne facetten al het voorjaarslicht van den hemel op, blauw,
wit, geel. Maar de hertogin drukt op een veer, ontsluit alzoo een
onzichtbaar laadje en haalt er uit twee pakketten brieven, enkele
portretten.

De portretten vertoonen het zelfde gelaat; een niet zeer jongen man,
een vreemd gezicht, half droomerig, en half sensueel, met veel mysterie
en veel charme. De portretten vertoonen hem in de elaborate uniform van
een officier der Garde van den Troon, in een ridderkostuum van een
gekostumeerd bal, in een flanellen tennis-pak en in gewoon politiek.
Langzaam gaan de oogen der hertogin van het eene naar het andere,
vergelijkt ze de beeltenissen, een treurigen glimlach om haren mond,
weemoed in hare oogen. Dan strikt ze de linten los om de brieven, neemt
ze uit de, zorgvuldig bewaarde, enveloppen, vouwt ze open, en leest
hier en daar, en herleest, en vouwt ze weêr dicht...

Zij kent die zinnen van buiten, die haar nog vertellen van eene vreemde
passie, de innigste, de waarste, de eenvoudigste en daarom misschien de
vreemdste, die zij ooit gevoeld heeft, haar omvangen heeft in
toovermazen van vuur. Zien hare oogen nu weêr naar de herten—de
zonneschijn drijft als vloeiend goud over het park—tusschen haar en het
stille landschap rijzen, doorzichtig, in teêr glanzende
fantasmagorieën, de herinneringen op van het verleden, de tafereelen
dier liefde en het is haar alsof vonken haar voor de oogen spelen, als
dwarrelen er fonkelende arabesken, tintelingen van licht. Wat gebeurd
is, doorleeft zij in enkele minuten; dan sluit zij de oogen, strijkt
met de hand over het voorhoofd en bedenkt hoe treurig het is, dat het
verleden niets is dan wat herinnering, die als asch stuift door onze
ziel, en die wij soms verzamelen willen in een kostbare urn, te
vergeefs. Hoe treurig het is, dat men niet kan blijven treuren, al wil
men, omdat het leven niet wil. Niets dan die asch in hare ziel, en die
brieven, portretten...

Ze sluit ze weêr weg en kijkt naar de juweelen nu. En goed ziet ze in
haar eigen hart, ziet ze zich geheel als ze is, want ze weet, dat ze
eerlijk is geweest, altijd. Altijd voor hem en voor zichzelve. Eerlijk,
toen hunne liefde brak als een glazen regenboog van tintelkleuren aan
een uitspansel van wijdte, en zij niet meer wilde zien en wilde zijn en
zich terugtrok van het hof op dit slot en de mare liet gaan, dat eene
slepende ziekte haar kwijnen liet, en zij treurde, en treurde, eerst
snikkend en wringend de handen, toen kalmer van wanhoop, toen... De
herten hadden daar altijd doorgegraasd, als bleven zij altijd de
zelfde. Maar zij...

Eerlijk was ze geweest, altijd. In haar wanhoop, en ook in wat volgde.
In de verflauwing dier wanhoop. Toen was ze het treurigst geweest,
omdat wanhoop verflauwen kòn. Toen treurig, omdat ze nog leefde en
voelde vitaliteit in zich. Toen... omdat ze zich begon te vervelen. Om
dat alles had groote wanhoop, als met morbide bloesems van vreemde
orchideeën, hare vreemde ziel doorwoekerd. Zij haatte, verachtte,
vervloekte zichzelve. Maar in haar werd het niet anders. Ze verveelde
zich.

Eenzaam leefde zij op het slot. Haar man en haar stiefzoon waren te
Lipara; hare stiefdochters, van wie ze veel hield, voltooiden hare
opvoeding in een klooster, waar eene keizerlijke prinses, zuster des
keizers, abdis was.

Ze was alleen, ze zag nooit iemand. En ze verveelde zich. In haar
ontwaakte weêr het leven, dat slechts gesluimerd had, en dat zij had
doodgewaand, had willen begraven in een sepulker, waarom hare
herinneringen als standbeelden zouden staan. In zich voelde ze zich,
die ze altijd, trots hoeveel liefde ook, geweest was: vrouw van de
wereld, hakende naar dien glans der omgeving van keizerlijkheid, die
splendeur van het hof, die noodlottig weêr aantrekt en onmisbaar is,
wie ze van geboorte, als hunne levensatmosfeer, hebben ingeademd. En de
oogenblikken, dat zij niet dacht aan hare wanhoop, dacht zij aan het
Imperiaal, zag zij er zich, schitterend in hare rijpe schoonheid,
gevierd en aanbeden als zij altijd geweest was.

Toen liet ze haren stiefzoon, den markies van Xardi, de mare doen
verspreiden, dat zij herstellende was. Een maand later, in het midden
van het winterseizoen, nà een groot hoffeest, maar vóór een intime
réunie in de eigen salons der keizerin, vroeg zij audiëntie aan bij
Elizabeth.

Zoo zag ze zich in ware, klare waarheid en diep treurig in haar arme
ziel van liefdeverlangen en wereldverlangen en menschelijkheid was ze,
dat zoo wreed het leven voort wilde gaan, als in een dollen triomftocht
van zichzelve, verpletterend onder zijne raderen hare herinneringen,
klaterend van schettermuziek door haren weemoed heen, doende haar
voelen de weinigheid van den mensch, het minime van zijn gevoel, de
kleinheid van zijne ziel, die toch nog het eenige aan hem is...

De hertogin heeft de dubbel kostbare kist weêr weggesloten. Ze vergeet
wat om haar heen is, wat haar wacht; ze tuurt, droomt, en leeft weêr in
het verleden met dat genot, dat men in verleden krijgt, als men jeugd
verliest.

Er wordt geklopt op de deur, een lakei verschijnt en buigt:

—Excellentie, de kok vraagt u dringend zelf te spreken.

—De kok...?

Ze heft haar mooi gezicht op, droomend, half lachend, als met een
profiel van Cleopatra, zoo Egyptisch fijn en recht, richt zich op den
divan wat hooger, en leunt op hare hand.

—Laat hem binnen...

Alles komt tot haar terug, de werkelijkheid, de dag van heden, en ze
glimlacht er om en haalt de schouders op; zoo is het leven.

De lakei gaat, de kok komt binnen in zijn wit schort en witte baret;
hij is zenuwachtig en nu zijne meesteres al de wenkbrauwen fronst om
zijn oneerbiedig kostuum, begint hij te stamelen:

—Vergeef me, Excellentie; en hij wijst, ongelukkig van gezicht, naar
zijn voorschoot, zijne witte mouwen...

En hij klaagt, dat de opperjager niet gezorgd heeft voor genoeg
ortolanen. Hij kan zijn pastei niet maken; hij durft het niet op zich
nemen, Excellentie.

Ze ziet hem aan met hare raadselachtige oogen; ze heeft grooten lust in
lachen uit te barsten om zijn kluchtig gezicht, zijn wanhopig gebaar
van wijde armen, te lachen en te huilen ook, ook woest en luid.

—Wat moeten we doen, Excellentie, wat moeten we doen?! De stad is te
ver; daar kan niet heengezonden worden vóór etenstijd en trouwens, daar
hebben ze ook nooit iets. Het is ook eigenlijk de schuld van den
hofmeester, Excellentie; de hofmeester had hare Excellentie moeten
waarschuwen...

—Er zijn leeuwerikken, zegt ze.

Die moeten morgen naar Lipara gezonden worden, Excellentie; naar zijne
Excellentie, den hertog!

De hertogin haalt de schouders op, een beetje lachend.

—Het kan niet anders, mijn beste. Zijne Keizerlijke Hoogheid, de Hertog
van Xara, gaat vóór zijne Excellentie, niet waar? Maak een chaufroid
van leeuwerikken.

—Ja, dat is ook zijn idee geweest, maar hij zelve had het niet durven
opperen. Ja, dat is zeker goed, uitstekend, Excellentie.

Zij lacht nog even en knikt daarna, dat hij kan gaan. De kok, zichtbaar
verlicht, buigt en verdwijnt. Zij staat op, ziet zich lang-uit voor
zich staan in een spiegel in haar lui verkreukt geplooi van roos- en
zalmkleur en oude kant, rekt de armen lang uit met een in-moê gebaar,
en belt hare kamenier, waarna ze hare kleedkamer ingaat. Wil ze nog
lachen? Of nog huilen? Ze weet het niet, maar ze weet wel, dat ze zich
kleeden moet... Wat er met of om een mensch gebeurt, liefde of pastei
van ortolanen, kleeden moet hij zich, kleeden, eten en slapen, en
daarna weêr het zelfde, kleeden... en eten... en slapen...



II.

Drie rijtuigen, à la Daumont, voeren Othomar, Herman en de anderen
langs den breeden, slingerenden, op- en afgaanden weg naar Castel Vaza.
Het is vijf uur, ’s namiddags, nog zacht zonnig, maar niet warm meer;
er waait een frissche bries. Het landschap is wijd en grootsch; de
bergen wisselen bij het verschieten van den weg hunne golvende
sneeuwlijnen van panorama. De streek is bloeiend mooi; de dorpjes, die
zij doorgaan, zijn welvarend—bezittingen van den hertog—; tusschen Vaza
en het kasteel is het land gespaard van water; de uitstortingen van den
Zanthos drenken meer het Oosten. Het is moeilijk hier onafgebroken door
te blijven denken aan die ontzettende ramp van water, en aan den
toestand van Lipara, daar ginds in staat van beleg door den keizer
verklaard, het is hier zoo mooi, zoo vol leven van voorjaar, en het
zinken van de zon na een mooien zomerdag is er zonder weemoed. De
kastanjes wuiven hunne frischgroene waaiers en de lucht is nog als
parelmoêr, al zeeft er ook al asch van schemering over heen. Een
vroolijk gesprek gaat om tusschen de prinsen, Ducardi en Von Fest, die
in het eerste rijtuig zitten; zij praten opgewonden, lachen, en zijn er
vroolijk om, dat de dorpelingen, nu ja, hen soms wel groeten als visite
voor het kasteel, met een tik aan een pet of een goedigen knik, maar
niet weten wie ze zijn. Prins Herman knikt een mooie jonge boerenmeid
toe, die met open mond na blijft kijken, en herinnert zich de heerlijke
jacht op grof wild, verleden jaar, toen hij met den keizer en Othomar
de gast was geweest van den hertog. De hertogin hadden zij toen niet
gezien; ze was lijdende... Generaal Ducardi vertelt anecdoten uit den
oorlog van vijftien jaar geleden.

En zij hebben allen eenige moeite hunne gezichten in de officieele
plooi te zetten als zij door de oude, geblazoeneerde poort over de
neêrgelaten ophaalbrug de minutenlange inrijlaan oprijden, en door den
hoofdintendant worden ontvangen, in den binnenhof van het kasteel. Dit
wil de etiquette. De hertogin mag zich niet vertoonen, voor de
hoofdintendant, te midden van het geheele personeel des hertogen, den
Hertog van Xara welkom heet uit naam zijns afwezigen meesters en den
kroonprins een draadbericht aanbied uit Lipara, dat de hofmeester op
een zilveren schaal reikt. Dit telegram is van den hertog van Yemena,
het meldt, dat zijn dienst en die van zijn zoon, den markies van Xardi,
bij zijne Majesteit den keizer, des Hertogen van Xara Allergenadigsten
Vader, hen weêrhouden hun geliefden kroonprins in hun kasteel te
ontvangen, maar dat zij Zijne Keizerlijke Hoogheid verzoeken, dit huis
als het Hare te beschouwen. De prins leest het telegram en reikt het
aan den ordonnans-officier, graaf van Thesbia, over. Daarna gaat hij,
door den intendant geleid, de trappen op, de vestibule in.

In weêrwil van den dag daarbuiten nog, is de vestibule hel verlicht, en
lijkt een woud vol palmen en breedbladige sierplanten. De hertogin
treedt den kroonprins te gemoet, en breekt hare gratie in een diepe
buiging neêr. Zoo heeft hij haar reeds zien buigen. Maar schooner
misschien nog is zij in dit effen toilet van zwart fluweel en
Venetiaansche kant, haren prachtigen boezem, wit met het grein van
Carrarisch, laag ontbloot, hare sculpturale armen bloot, een zwaren
sleep achter zich, als een golf van inkt; een klein hertogelijk
kroontje van brillant en smaragd in het haar, dat zwart ook is met
goudblauwigen ravengloed.

Zij heet de prinsen welkom; Othomar buigt haar den arm toe; prins
Herman, de adjudanten volgen hen de kolossale trap op, door de haie der
lakeien heen, die onbewegelijk staan, met strakke oogen, die niet
schijnen te zien. Dan door een ris van verlichte zalen en galerijen
naar een grooten ontvangsalon, schitterend van het licht der kostbare
rotskristallen kroon, waar het kaarslicht in regenboogt, en breed
neêrglanst en watert op het marmermozaïek van den vloer, en langs de
ornamentale spiegels in lijsten van zwaar Louis-XV-gekrul, schilderijen
van meesters der Renaissance aan den wand.

Een oogenblik daar een staande receptie, een kleine cour; in hunne
schitterendste uniformen—want van Vaza was het een heerlijke, al dan
ook lange rijtoer, en de heeren hebben tijd gehad zich in de stad in
groot uniform te steken—komen de adjudanten en ordonnansofficieren, de
een na den ander, der hertogin de hand kussen; zij kent ze, behalve de
Gothlandsche officieren, allen, bijna allen intiem; ieder weet ze een
bijna gemeenzaam woord te zeggen, terwijl het goud van hare stem
tusschen hare lachende lippen smelt en hare groote Egyptische oogen
vreemd droomend kijken. Zoo blijft zij een oogenblik alleraanminnigste
gastvrouw, tusschen de beide prinsen, zij vrouw alleen te midden dier
officieren, die hen omringen, tusschen een kort snel vuurwerk van
compliment en geestigheid, dat tintelt tusschen hen om. Dan verschijnt
de hofmeester, terwijl de deuren openschuiven en de tafel hel
glinsterend zichtbaar wordt, en hij buigt voor zijne meesteres, ten
teeken, dat zij gediend is. De hertogin neemt den arm van den
kroonprins; de heeren volgen.

Het is aan tafel zeer vroolijk. Men is in een intiemen kring; menschen,
die gewoon zijn elkaâr iederen dag te zien; de hertogin zorgt voor een
gemakkelijken toon, een lichte familiariteit, die zich om den
kroonprins inhoudt, maar aanzweemt de, eenigszins sportachtige, ruwheid
en ongegeneerdheid in woord en in gebaar, die de modetoon is aan het
hof. De Gothlandsche officieren zijn hier blijkbaar niet mede
vertrouwd; Von Fest, een reus van een vent, kijkt rechts en links, en
glimlacht. De hertogin heeft dien chic van onverschilligheid anders
zeer sterk, maar tempert zich nu, al zit ze ook wel eens met hare beide
mooie ellebogen op tafel. De kroonprins heeft weêr dat onzegbare van
strakheid, dat iets om hem bevriezen doet; de natuurlijkheid, die hij
te Altara had, heeft opnieuw plaats gemaakt voor iets bijna gedwongens
en tevens hoogs; zijn glimlach tegen de hertogin is gemaakt, en de
schoone gastvrouw vindt haren hoogen gast, in stilten haars harten: een
onuitstaanbaren jongen!

Misschien is Othomar zoo door de gesprekken, die alle weven om de
hertogin heen als middenpunt en de kleinere nieuwtjes van het Imperiaal
behandelen; van de overstroomingen is hier nauwlijks sprake, nauwlijks
ook van den staat van beleg der rezidentie; slechts een enkel woord nu
en dan herinnert er aan. Maar voor het meerendeel schijnt men dat alles
te vergeten, hier in dit heerlijk interieur, aan dit uitstekende diner,
onder het parelen van dien zacht gouden Lyciliër, uit den eigen
hertogelijken wijngaard. Deze Lyciliër is beroemd, en men roemt ze dan
ook; de kroonprins zelve klinkt de hertogin er meê toe met een paar
hoffelijke woorden, die hij zelve heel gewoon geuit heeft, maar die men
een allergeestigst compliment schijnt te vinden, want ze lachen allen
vleierig goedkeurend, terwijl ze hem in verstandhouding van begrijpen
aanzien, en de hertogin zelve vindt hem niet zoo onuitstaanbaar meer,
maar straalt hem met haren vollen glanslach toe. Wat heeft hij dan toch
gezegd? Verbaasd is hij over zichzelven en over hun gelach. Hij meende
niets dan een banaliteit, en...

Maar hij herinnert zich: het is altijd zoo en hij begrijpt het nu. En
hij vindt ze flauw en wendt zich tot Ducardi en Von Fest; hij forceert
het gesprek en spreekt in eens druk over den toestand der stad Vaza,
die ook veel te lijden heeft gehad. Dan over Altara. Hij doet der
hertogin een lang verhaal van het doorbreken van den Therezia-dijk. De
hertogin vindt hem een vreemden jongen; even meent ze, dat hij
coquetteert; daarna besluit ze, dat hij om de eene of andere reden wat
zenuwachtig is: dan vindt ze, dat hij mooie, zachte oogen heeft, zoo
kijkend onder-op door zijne wimpers, en dat hij aardig vertelt. Ze
wendt zich heelemaal tot hem, vergeet de officieren om haar heen,
vraagt, en, met de ellebogen op de tafel, een kelk Lyciliër in de hand,
luistert ze aandachtig, hangt aan de jong-keizerlijke lippen en voelt
eene emotie. Die emotie is, omdat hij zoo jong, en hoog is, en zulke
oogen heeft en zoo eene stem. Zij vindt zijne handen sympathiek, in
dien breed-fijnen vorm, als van een oude kracht van ras, dat zich
enerveert; ze let op, dat hij nu en dan naar zijn ring kijkt. En,
ernstig geworden, praat ze van de vreeselijke tijden, al die duizende
arme menschen, zonder dak, zonder iets... Het is echter het tweede
oogenblik, dat zij aan die duizenden denkt; het eerste, was dat half
uurtje, toen de aalmoezenier van den hertog haar om geld vroeg, en hoe
zij het wilde besteed hebben... Zij herinnert zich, dat tijdens dit
gesprek met den aalmoezenier, eene coupeuze van Worth haar wachtte voor
hetzelfde toilet, dat ze nu draagt, en ze vindt de toevalligheden van
het leven toch zéer interessant. Ze weet, door haar zelf-inzicht, dat
deze filozofie is als schuim van champagne, en glimlacht er ook zelve
om. Dan luistert ze weêr aandachtig naar Othomar, die nog van de
nachtwake verhaalt in de kerk van St. Therezia. De officieren zijn stil
geworden en luisteren ook. Zijne Keizerlijke Hoogheid heeft zichzelven
middenpunt van gesprek gemaakt en de hertogin onttroond. Ze heeft dit
ook opgemerkt, vindt hem er vreemd maar aardig om, weet vooral niet wat
ze aan hem heeft, en is geboeid.



III.

Na het diner een gezellige reunie in een paar kleine salons; in een
ervan staat een biljart en de hertogin zelve, gracieuzelijk hare keu
richtend en ze houdend tusschen hare bejuweelde vingers, speelt er een
partij met prins Herman, Leoni en den jongen Thesbia. Soms hangt zij,
al mikkend, over de groene tafel heen, met eene onbegrijpelijke
lenigheid in hare zware vormen, en hare mooie Carrarische borst glooit
door heure snelle bewegingen op en neêr in de Venetiaansche kant en het
zwarte fluweel. In den anderen salon zijn Othomar en generaal Ducardi
en de Gothlandsche adjudanten aandachtig bezig op een nauwkeurig
gedetailleerde militaire kaart, onder een lamp van gedrapeerde kant, de
route te bestudeeren, die zij morgen te paard zullen afleggen naar de
overstroomde dorpen. De hofmeester en een lakei gaan rond met koffie en
likeur.

Na de partij biljart komt de hertogin met hare heeren vroolijk lachende
in den anderen salon. De prins en zijne officieren zien beleefd
glimlachend op van hunne kaart, maar zij, betooverend:

—O, laat mij U niet storen, Hoogheid...

Zij heeft den arm van Dutri genomen voor een kleine wandeling op het
terras buiten. De deuren staan open, het weêr is heerlijk: een beetje
koel. De hofmeester slaat haar een bonten mantel om den blooten hals.
Op het lange terras, buiten, gaat zij met Dutri op en neêr, op en neêr,
telkens voorbij de open deuren: telkens dan ook slaat zij een blik naar
de groep onder de lamp: gebogen hoofden en vingers, die met een potlood
wijzen. Haar stap is luchtig aan den arm van den eleganten adjudant;
hare sleep golft haar vroolijk achterna. Druk praat ze, vraagt ze
Dutri:

—Hoe bevalt je de tournée?

—Aller-insipide! Niets of niemand was amuzant, dan de secretaris van
den Primaat!... Die Gothlanders zijn vervelend en zoo vreeselijk weinig
cosmopolitisch! En het is vermoeiend ook, altijd dat sjouwen! Zie je,
ik beschouw het als oorlog en zoo maak ik het door; als ik het
beschouwen ging als vredestijd, kwam ik er nooit door heen! De
ontvangst is gelukkig overal nog al hebbelijk. O, de kroonprins maakt
zich bepaald populair...

—Een aardige jongen... valt ze hem in de rede. Ik had hem in langen
tijd niet gezien; hij studeerde toen te Altara en daarna herinner ik me
hem maar een paar maal in het Imperiaal gezien te hebben, in eens van
kind opgeschoten als een asperge, en heelemaal nog een jongen. Ik
herinner me nog: hij kreeg een kleur, toen ik voor hem boog. Toen
verleden, bij Myxila...

Dutri is zeer familiaar met de hertogin; hij noemt haar bij den
voornaam, flirt altijd een beetje met haar voor amuzement en
aanstellerij, zonder verdere gunsten; zij kennen elkaâr te goed, te
lang, zijn te veel in elkaârs confidentie, en zij beschouwt hem meer
als een cavalier-servant, voor kleinere diensten en hofintriguetjes,
dan als iemand, voor wien het ooit mogelijk zoû zijn, dat ze eene
“emotie” zoû kunnen voelen.

—Ma chère Alexa, pas op...! spreekt hij en dreigt met den vinger.

—Waarvoor? vraagt ze terug, tartend.

—Alsof ik het niet zie...

Ze lacht luid.

—Zie wat je wilt! roept ze onverschillig uit, met hare stem van ruw
sans-gêne, die in de mode is. Neen, beste Dutri, mij hoef je niet te
waarschuwen, hoor! God, lieve jongen, ik heb twee meisjes, die ik over
een jaar lanceeren moet. Over twee jaar ben ik misschien grootmama. Ik
doe er niet meer aan, hoor! Ik begrijp niet, dat er van die malle
vrouwen zijn die altijd zoo iets moeten hebben. En dan, het maakt zoo
gauw oud...

Dutri schatert het uit; hij kan zich niet inhouden en stikt van het
lachen...

—Waarom lach je zoo? vraagt ze.

Hij ziet haar aan; schudt zijn hoofd, als weet hij wel.

—Tegenover mij hoef je heusch zoo niet verstoppertje te spelen, Alexa.
Ik weet zoo goed als jij... dat jijzelf een van die malle vrouwen
bent...!

Hij schatert weêr en zij nu ook.

—Ik?

—Ach kom! Je hebt er evenveel behoefte aan als aan eten en slapen op
zijn tijd. Je zoû al lang dood zijn, als je niet bij geregelde
tusschenpoozen, chronisch, je “geëmotioneerd” hadt. En dat oud worden,
je weet heel goed, dat je dat miserabel vindt!

—Ach neen. Ik doe wat ik kan om jong te blijven, omdat je dat aan
jezelve verplicht bent. Maar vechten er tegen doe ik niet. En je zal
zien hoe netjes ik later mijn oude jaren draag...

—Zoo als je alles draagt.

—Merci. Zie je, als ik grijs begin te worden, gooi ik iets over mijn
haar, dat me heelemaal grijs maakt, en poeier ik me, begrijp je. Voilà
tout!

—Een goed idee...

—Dutri...

Hij zag haar aan, merkte, dat ze hem iets vragen wilde. Zij gingen een
oogenblik zwijgend voort, in den donker; bij hunne, telkens herhaalde,
wandeling gingen zij, telkens tweemaal door het licht heen, dat in twee
breede plekken door de deuren op het terras viel. Het park was vol
zwarte schaduw en vaag wit schemerden de groote vazen op het terras;
boven stond de lucht vol sterren.

—Wat woû je me vragen? vroeg de adjudant.

Zij wachtte, tot zij door het licht heen waren en weêr in het donker
liepen.

—Hoor je nog wel eens wat van hem?

—Verleden had Thesbia een brief van hem uit Parijs. Niet veel nieuws.
Hij verveelt er zich, geloof ik, en maakt zijn geld op. Het domste wat
je doen kan: je geld opmaken in Parijs! Ik vind Parijs een afgesleten
boel. Trouwens, hoe kan dat anders. Een republiek is een onding. Iets
primitiefs en onbeschaafds. Vóór de monarchieën waren er republieken:
het Paradijs met Adam en Eva was een republiek van dieren en beesten:
Adam was prezident...

—Wees niet idioot. Wat schreef hij?

—Niet veel bizonders. Toch een dolle streek van hem zijn ontslag te
vragen als kapitein van de Garde. Hoe kwam hij er op? Zeg, wat is er
tusschen jullie gebeurd?

Zij liepen weêr door het licht, ze zweeg even; toen, in het
donker:—Niets, antwoordde ze en hare stem had niet meer dien aangenomen
chic van brutaliteit en sans-gêne, maar versmolt in een klaagtoon van
melancholie.

—Niets? antwoordde Dutri. En waarom dan...

—Ik weet het niet. We hadden veel met elkaâr gesproken, en zoo
langzamerhand begonnen we te voelen, dat we elkaâr niet meer gelukkig
konden maken. Nu weet ik het niet meer waarom, heusch niet.

—Psychologie dus. Dat komt van al dat gevoel. Jullie zijn beiden heel
dwaas. Aan psychologie te doen, als je verliefd bent is heel
onvoorzichtig, omdat je dan psychologizeert op je eigen en je liefde in
stukjes snijdt, als een taart, waarvan je bang bent niet genoeg te
kunnen eten. Oefen psychologie uit op een ander, dat is aardig, zooals
ik doe op jou, Alexa.

—Kom praat geen dwaasheid, Dutri. Weet je anders niets van hem af?

—Niets anders, dan dat hij zich onmogelijk heeft gemaakt voor onze
sociëteit. En dat misschien wel door jouw schuld, Alexa, en door je
psychologie.

Zij liep zwijgend aan zijn arm door; haar mond trilde, hare Egyptische
oogen werden vochtig.

—O... zeide zij, en ze hield den adjudant in eens staande, klemde zijn
arm, zag hem vol met hare natte oogen aan:

—Ik hield van hem, ik hield van hem, als ik nooit van iemand heb
gehouden! Ik... ik hoû nog van hem! Als hij me één woord schreef, zoû
ik vergeten wie ik ben, mijn man, mijn pozitie, zou ik naar hem toe
gaan, naar hem toe gaan... O, Dutri, weet je wat het is, in ons factice
leven, waarin alle dingen zoo valsch om je heen zijn, als, als...
heusch van iemand gehoúden te hebben? En dat gevoel als loutere
waarheid in je hart te weten? O, zie je, ik aanbid hem, ik aanbid hem
nog, en één woord van hem, één woord...

—Gelukkig dat hij verstandiger is dan jij, Alexa, en dat woord nooit
zeggen zal. Daarbij heeft hij geen geld: wat zoû je met hem moeten
beginnen? Samen op de planken gaan? Wat een vulkaan ben je toch, Alexa,
wat een vulkaan!

Hij schudde afkeurend met zijn fatterigen krullekop, schikte even de
zware kwasten van zijn uniform. Zij nam zijne hand, ernstig nog, nog
niet hervallen in hun toon van blague:

—Dutri, als je van hem hoort, beloof je me dan iets te zeggen? Ik heb
soms hònger naar nieuws van hem...

Zij zag hem aan met zulk een intens hevig verlangen, met zulken honger,
dat hij ervan ontstelde. Hij zag haar vrouw, die alles doen zoû, om een
passie. Toen glimlachte hij, blagueerend als altijd:

—Gekke wezens zijn jullie toch allemaal! Nu goed, ik beloof het je.
Maar laten we nu naar binnen gaan, want de geografische studiën
schijnen afgeloopen en ik smacht naar een kop thee...

Zij gingen naar binnen; bezig aan hare theetafel, gracelijk de vingers
latende gaan over de antieke Chineesche kopjes, vroeg zij den
kroonprins dadelijk den weg, die Zijne Hoogheid nemen zoû, zeer begaan
met de overstroomde dorpen, de arme boeren... het in alles geheel en al
eens met den hertog van Xara, zich badende in de sympathie, die zij
opving uit zijne lieve, zwarte, melancholieke oogen,—oogen, om er alle
melancholie van weg te zoenen! zich badende in zijn jeugdigen glans van
keizerlijkheid...

Dutri hielp haar suiker in de kopjes doen. Hij zag haar belangstellend
aan; hij kende haar nog al goed, zij was hem weinig raadsel meer; toch
amuzeerde ze hem altijd en was ze nooit-uitbestudeerd, meende hij.



IV.

Het was een der historische vertrekken van Castel Vaza: een antieke,
sombere zaal, waar de keizers van Liparië, zoo ze gast der hertogen van
Yemena waren geweest, steeds geslapen hadden op een oud verguld
paradebed, vijf treden hoog, waarboven, uit een, door cherubs getorste,
keizerskroon, de zware gordijnen van donker blauw brokaat en fluweel
neêrhingen. Er hingen al de portretten der keizers en keizerinnen, die
daar gerust hadden: de hertogen van Yemena waren steeds zeer door hunne
vorsten geliefd, en de trots der hertogelijke familie was, dat ieder
Liparisch keizer minstens één nacht hun gast geweest was. Aan ieder
meubel, ieder ornament aan het vergulde bekken en de vergulde
lampetkan, aan alles waren historische souvenirs verbonden en de
legenden van zijn Huis kwamen, een voor een, bij Othomar op, toen hij
zich uitstrekte.

Hij was zeer moê en had toch geen slaap. In zijne gewrichten voelde hij
een looden stijfte, als een koû, die hij zoû gevat hebben, en door zijn
geheele lichaam ging eene voortdurende trilling, eene geheimzinnige
siddering van zenuwen, als was hij een gespannen snaar, die men
aanroert. De acht dagen te Altara, de volgende vijf dagen te Vaza, de
tochten in de omstreken hadden hem zeer afgemat. Over dag vond hij geen
oogenblik tijd aan die vermoeidheid toe te geven, maar des avonds,
uitgestrekt ter ruste, brak ze hem neêr, zonder dat een gezonde slaap
volgde.

Hij was gewend aan zijn klein veldbed, waarop hij sliep in zijn strenge
slaapkamer van het Imperiaal, bed, waarop hij van kind af geslapen had.
De paradebedden, in het Episcopaal, te Vaza, en hier deden hem zich
vreemd, neêrgegooid en ongemakkelijk voelen. Zijne oogen bleven ook nu
open en volgden de plooien der hooge gordijnen, doorzochten de
schaduwen, die het flauwe licht eener zilveren lamp in de hoeken terug
deed kruipen. Zwaar begon het in zijne ooren te suizen.

En zonderling vond hij het daar te liggen op dat bed, waar al zijne
voorouders ook eens gelegen hadden. Ze tuurden hem allen aan van de
acht vakken der wanden. Wat was hij? Atoom van leven, stofje van
vorstelijkheid, uit hen allen geboren; een der laatste schakels uit
hunne lange ketting, die door de eeuwen terugslingerde en leidde tot
dien geheimzinnigen, mystieken oorsprong, half heilig, legendarisch,
tot St. Ladislas zelven... Zoû er na hem ook dàt komen: eene tweede
ketting, die zich voort zoû slingeren in de toekomst? Of... En waartoe
telkens de terugkomende, eindeloos eeuwige wedergeboorte van het leven?
Wat zoû het einde zijn, het groote Einde...?

In eens kwam, als een vizioen, tot hem-terug de nacht op het
Therezia-plein, het donderend schot van het fort, driemaal herhaald, en
het krachtig aanruischen van eene naderende zwartte, die als eene zee
was. Suiste het maar in zijne ooren, of... of ruischte het waarlijk
weêr aan? Ruischte, op zijn vraag naar het einde, het groote Einde, de
zwarte toekomst aan met dat zelfde geluid van dreigend water, dat door
niets te weêrhouden zoû zijn? Dijken drong het door; alles wat tot
bescherming werd opgeworpen, sleepte het meê, onverbiddelijk, met zijn
zwarte frons van ernstig noodlot, en de sombere plooien van zijne
overstrooming, die als een voortgesleept lijkkleed was over alles wat
eindigen moet, trok het voort, tot waar zij waren, de zijnen, op hun
hoog standpunt van Majesteit bij de gratie Gods en van St. Ladislas;
zijn vader, op hun eeuwenouden troon, gekroond en gescepterd en den
appel van het rijk in de keizerlijke palm, en het scheen niet te weten,
dat ze goddelijk waren en heilig onschendbaar; het scheen om niets te
geven in zijne ruwe, sombere, onverschillige, aan niets geloovende,
aanruischende profanatie, want over hen heen slierde het, in eens,
woest, zijne zwarte golven, slierde hen meê, zijn vader, zijne moeder,
hen allen, en zij waren geweest, de keizerlijken, werden legende in het
gloren van den nieuwen dag, die over de zwarte zee rees...

Zijne voorouders zagen hem aan, en ze schenen hem schimmen toe,
legenden ook, onwaarheid, waarvan de traditie niet meer beschermen zoû.
Ze schenen hem spoken, vijanden... Ronder opende hij zijne brandende
oogen op hunne stijve, gesleepmantelde of geharnaste figuren, die van
de acht vakken der wanden naar hem toe schenen aan te stappen, om hem
in hun midden te stikken, neêr te drukken in een engen kring van
nachtmerrie op zijne hijgende borst, met ijzeren knieën de lucht uit
zijne longen persend, met ijzeren handen vermorselend zijn hoofd,
waaruit het zweet tappelings liep langs de slapen.

Toen voelde hij zich bang, als een klein kind, dat verteld is geworden
van akelige dingen. Bang voor die spoken van keizers, bang voor de
flitsen van vizioenen, die tafereelen der overstrooming weêr voor hem
deden bliksemen—het weiland met de lijken; de ponteniers, die de vrouw
opvischten. De lijken begonnen in eens te leven, te schateren met
spleten van monden en holle oogen, als hadden zij hem voor den gek
gehouden, als waren er geene overstroomingen geweest en de
kamerschemering der slaapzaal, die vol was van de keizers, drukte op
hem neêr als met atmosfeeren stikstof.

—Andro! Andro! riep hij, gesmoord in zijne keel en toen, als in
doodsangst:

—Andro!! Andro...

De deur aan het eind der kamer werd opengerukt; de kamerdienaar kwam
binnen, ontsteld, in zijne nachtkleêren. Zijne reëele verschijning
verbrak den toover van den nacht en immobilizeerde de spoken weêr tot
portretten.

—Hoogheid...!!

—Andro, kom hier...

—Hoogheid, wat is er...? Wat heeft U me doen schrikken, Hoogheid! Wat
heeft U... Ik dacht...

—Wat, Andro?

—Niets, Hoogheid, Uw stem klonk zoo verschrikkelijk heesch! wat heeft U
toch...

—Ik weet het niet, Andro; ik ben ziek, geloof ik; ik kan niet slapen...

De man wischte met een zakdoek Othomars klam voorhoofd af.

—Wil U iets hebben, Hoogheid? Wil U water...?

—Neen, dank je, dank je... Andro, kun je hier komen slapen?

—Als U het wil, Hoogheid...

—Ja, hier, onder aan mijn bed. Ik geloof, dat ik nog al ziek ben,
Andro... Haal je kussen hier.

De man zag hem aan. Hij was niet veel ouder dan zijn prins. Hij had hem
van kind af aan bediend en aanbad hem met eene aanbidding van lagere
voor majesteit; hij voelde zich geheel en al aan hem gebonden,
verknocht; hij wist, dat de prins niet sterk was, maar ook, dat hij
nooit klaagde...

Boos, in eens, draaide hij zich om, om naar zijn kamer te gaan en zijn
kussen te halen.

—Natuurlijk, als ze U ook zoo afbeulen! riep hij met eene woede, die
hij niet meer kon inhouden. Generaal Ducardi denkt zeker, dat U ook in
zoo een robbenhuid steekt als hij!

In zijn snor mopperend, kwam hij terug, met het kussen, legde het neêr
op de trede van het praalbed.

—Heeft U koorts? vroeg hij.

—Neen... ja, misschien; een beetje. Het zal wel overgaan, Andro. Ik...
ik ben...

Hij dorst het niet zeggen.

—Ik ben wat onrustig, ging hij door, en angstig gingen zijne oogen door
de kamer heen, waar de keizers weêr stil stonden.

—Wil U een dokter uit Vaza hebben?

—Neen, neen, Andro, zeker niet; ben je nu mal, zoo een opschudding in
den nacht. Ga nu maar slapen, hier onder...

—Zal U dan ook probeeren te slapen... mijn “prinsje”? vroeg hij, met
dat teedere verkleinwoord, dat, in zijne taal, als een liefkoozing
klonk.

Othomar knikte hem lachend toe, en duldde, dat hij, met iets van een
voedster, de kussens voor hem opschudde.

—Wat een bed, mopperde Andro. Het lijkt wel een grafmonument...

Daarna legde hij zich neêr, maar sliep niet; hij bleef wakker. En toen
Othomar na eene pooze vroeg:

—Slaap je al, Andro? antwoordde hij:

—Ja, Uw Hoogheid, bijna.

—Suist er iets in de verte, is dat water of... of verbeeld ik het me?

De man luisterde.

—Ik hoor niets, Hoogheid... U zal wat koortsig zijn.

—Neem een stoel en kom hier zitten, aan mijn hoofdeind...

De man deed zoo.

—En laat je me voelen, je hand, zoo...

Eindelijk look Othomar zijne oogen. In zijne ooren ruischte het door,
steeds door... Maar onder het geruisch zelve, terwijl de lichtheid uit
zijn hoofd nevelde, sliep de kroonprins van Liparië in, zijne klamme
hand in de harde handen van zijn knecht, die den onrustigen slaap van
zijn meester bespiedde in de trillingen om den mond, de schokken van
het lichaam, tot, om te stillen, hij met zijne andere hand zacht over
het kloppend voorhoofd streelde, meêlijdend mompelend, met zijn
vreemden, nationalen klank van liefkoozing.

—Mijn arm prinsje...

Buiten begon het te dagen; het licht scheen de venstergordijnen even
van elkaâr te schuiven.



V.

Den volgenden morgen zoû de hertogin aan de ontbijttafel prezideeren;
zij was reeds met al de heeren in de eetzaal, toen Othomar binnenkwam,
het laatste. Dutri begeleidde hem. Strak kleedde hem zijne uniform,
blauw, wit en zilver, en hij groette, glimlachend, maar eenigszins
stijf, terwijl Herman hem de hand gaf en de andere bogen, de hertogin
diep neeg.

—Wat ziet de prins bleek! sprak Leoni tot Ducardi.

Het was zoo, de prins zag zeer bleek; zijne oogen stonden dof, maar hij
hield zich goed, at iets van visch, proefde aan een salmis van wild.
Toch was de vermoeidheid van den prins zoo zichtbaar, dat Ducardi zelve
over tafel zacht tot hem zei:

—Voelt Uwe Hoogheid zich niet wel?...

Aller oogen zagen Othomar aan, en hij wilde hunne belangstelling
logenstraffen.

—Ik heb niets, antwoordde hij.

—Heeft Uwe Hoogheid niet goed geslapen? ging Ducardi voort.

—Niet zoo heel goed... moest Othomar bekennen, met een glimlach.

Het gesprek ging door, de hertogin wendde het af; maar na het ontbijt,
op het punt van te gaan—de paarden stonden gezadeld in den
binnenhof—zei Ducardi kortaf:

—We zouden beter doen niet te gaan, Hoogheid!

Othomar verbaasde zich, wilde niet begrijpen.

—U schijnt wat moê, Hoogheid! hernam Ducardi kort, en, zachter,
verontschuldigend:

—En het is ook niet te verwonderen, dat de laatste dagen U hebben
aangegrepen. Als Uwe Hoogheid het mij vergunt, zoû ik haar aanraden
vandaag rust te nemen.

Een zacht gevoel van ontspanning kwam reeds over den prins heen; hij
voelde zich te gestreeld door dit denkbeeld van rust, om langer tegen
te strijden, maar toch stak hem zijn geweten, bij de gedachte aan zijn
vader: eene schaamte, zoo deze hooren mocht van afmatting, die zoo
duidelijk zichtbaar scheen.

En hij wilde volstrekt niet, dat men in het geheel niet zoû gaan. Hij
gaf in zoo verre dan toe aan Ducardi, dat hijzelve niet gaan zoû en
rust zoû nemen, indien men meende, dat hij die behoefde, maar prins
Herman en de anderen verzocht hij dringend de voorgenomen route van
heden te nemen, en te gaan. En hij zeide dit met jeugdige hoogheid, in
zichzelven reeds ontspannen door den dag van rust, die komen zoû, een
geheelen dag, onverwachts! maar vooral bang dit genot te laten merken
en daarom een beetje boudeerend doende, of hij wèl meê wilde, of hij
generaal Ducardi dwaas vond, met zijn raad...

De heeren gingen. De hertogin zelve leidde Othomar naar den westelijken
zijvleugel, drong hem zeer rust te nemen in haar eigen boudoir. Door de
vensters der galerij zag Othomar Herman en de anderen wegrijden; hij
volgde hen een oogenblik met de oogen, ging toen verder met de
hertogin, en zag over den binnenhof een groom het paard dat men
hemzelven gezadeld had, het kloppende aan den hals, terugbrengen naar
stal. Verschillend gevoel woelde nog in hem: streeling van rust, een
beetje angst zich te verraden, schaamte...

In het boudoir liet de hertogin hem alleen. Het was er stil; buiten,
vredig voornaam, graasden de damherten. De rust van het boudoir eener
vrouw van de wereld, met het rijke zwijgend gedrapeer van zijden
stoffen, de afwachtende weekheid van zachte meubels, de kalme
schittering van ornamenten, allen voorwerpen van kunst en kostbaar,
viel met eene suizelooze ademloosheid over hem heen, als een waas van
tulle, geurig van eene onnoembare, zachte emanatie: het parfum zelve
dier vrouw. De werkeloosheid van dit oogenblik van heden sloeg, in
eens, een beetje vreemd, op Othomar neêr en verijlde zijne gedachten in
eene lichte verwondering. Hij was als een hollend paard, dat in eens
wordt stil gerukt, tot staan.

Hij zette zich een oogenblik, keek naar de herten. Toen stond hij op,
bedacht of hij bellen zoû, maar vond het beter zelve even te zoeken. Op
de kleine schrijftafel der hertogin—Japansch verlakt met parelmoêren
landschappen ingelegd en ivoren ooievaren—vond hij een stuk papier, een
potlood.

En hij schreef:


Aan Hare Allergenadigste Majesteit, Elizabeth, Keizerin van Liparië.

Castel Vaza, April 18..


Wil U niet verontrusten, als de couranten overdrijven, en melden, dat
ik ziek ben. Ik was een weinig vermoeid en generaal Ducardi ried mij
aan heden rust te nemen. Herman en de anderen zijn gegaan; morgen hoop
ik van hier uit, onze tweede route te leiden. Overmorgen gaan wij naar
Lycilië.


Othomar.


Toen belde hij en aan den lakei, die verscheen:

—Mijn kamerdienaar, Andro.

Deze verscheen na eenige oogenblikken.

—Andro, zeide Othomar; vraag een paard, ga naar Vaza en bezorg zoo gauw
mogelijk dit telegram aan Hare Majesteit, de keizerin...

Andro ging heen en de vreemd ijle ledigheid viel weêr over Othomar
neêr. Over het park scheen de zon, de herten glansden als van havana
satijnen vellen. De laatste veertien dagen trokken Othomar weêr
voorbij. En het was of hij in het perspectief van dat heele kleine
verleden, de ellende, die hij gezien had en had pogen te troosten, als
éen groot geheel, éene schilderij van menschelijke ramp, zich zag
uitbreiden. En voor het groote leed, dat zijn land vervulde, voelde hij
zijn hart vol medelijden kloppen. Een week gevoel van weemoed, dat er
was zooveel leed, en dat hij was zoo machteloos, klom weêr in hem op,
als het altijd deed, wanneer hij alleen was en kon nadenken. Dan voelde
hij zich klein, onbeduidend, niets kunnende en iets in zijne ziel
duizelde en viel als slap, spierloos neêr van eene opgeschroefde
hoogte, zonder energie en zonder wil. Dan lag dat daar in wanhoop en er
òp drukte, zwaar van al zijn leed, het geheele keizerrijk en
verpletterde het met zijn gewicht van centenaren.

Er waren belangrijke werkstakingen uitgebroken in de Oostelijke
kwikzilvermijnen, aan de andere zijden der Giganten. Hij herinnerde
zich eens een tocht aldaar en te hebben geleden om de vreemd, vaal
bleeke gezichten der arbeiders, die hem met groote holle oogen
aanstaarden, en er langzaam gesloopt werden door hun eigen broodwerk in
een atmosfeer vol gif. En hij wist wel, dat wat hij toen nog gezien
had, iets Zondags was, het welvarendste, dat men vertoonen kon; dat hij
de zwarte diepte hunner ellende nooit zien zoû, omdat hij kroonprins
was. En niets kon hij voor ze doen en als ze nog woester het hoofd
opstaken, dan ze nu reeds deden, zouden de troepen, die er reeds heen
waren, op ze schieten, als op honden.

Hij hijgde luid, als om de centenaren op zijn borst weg te hijgen, maar
ze vielen weêr terug. Het beeld van zijn vader kwam hem voor den geest,
hoog, zeker, bewust van zichzelven, zonder weifeling altijd wetend wat
hij doen zoû, vol vertrouwen, dat majesteit niet feilen kon,
handteekeningen zettend met groote, vaste letters, kortaf: Oscar...
Alles wat zoo geteekend werd: Oscar, was vlekkeloos van
rechtvaardigheid, als het noodlot zelve. Hoe anders was hij, zijn zoon,
en begon met hem dan het oude ras van kracht en gezag te kwijnen, als
met een plotselingen knak in den rug, eene uitputting van merg?

Toen zag hij zijne moeder, Rumeensche prinses, zoo innig beminnend de
haren; vrouwelijkheid, moederlijkheid zelve in hun kleinen kring; voor
het volk trotsch, ongenaakbaar, zonder tact, als hij zelve, niet
bemind, als ook hij niet, tenminste niet in Lipara en het Zuiden van
het rijk. Hij wist het: onder die strakke ongenaakbaarheid verborg zij
haren angst, angst, als zij zat in een open rijtuig, in de comedie, bij
plechtigheden en in de kerk, zelfs bij bezoek aan liefdadige
instellingen; die angst had in haar gedood de groote liefde voor het
algemeen, en ziekelijk overspannen de liefde voor den kleinen kring,
tegen hare, van natuur wijd om zich heen ziende, ziel in. En door dien
angst heen hare berusting, hare afwachting van de catastrofe, de
uitbarsting, waarin zij met de haren zoû omkomen...!

Hij was hun zoon, de opvolger op hun troon: van waar had hij dan zijne
weifeling van niet-kunnen, die zijn vader niet had, en de liefde voor
hun volk, die zijne moeder niet meer had? Zijne voorouders kende hij
alleen uit de historie; in de eerste middeneeuwen barbaarsch, wreed,
later verfijnd sensueel, genotziek; één vorst, zwakkeling, geheel door
hovelingen geregeerd, een roi-fainéant, onder wien het rijk ten prooi
was geworden aan binnenlandsche verdeeldheid en buitenlandsche
hebzucht; daarna beschaafder, eene resurrectie van kracht, reactie van
opkomst na verval, en de roem en de grootheid van het rijk tot nu
toe... Tot nu toe; aan hém was deze erfenis van grootheid en roem; hoe
zoû hij met ze doen, hoe ze eens overgeven aan zijn eigen zoon?

Toen voelde hij zich zoo klein, zoo bang, dat hij wel ergens weg had
willen loopen, uit de, hem aangapende, oogen zijner toekomstige
verplichtingen weg...



VI.

Het lunch had al de intimiteit van een allerbekoorlijkst tête-à-tête,
gediend in de kleine eetkamer; de hofmeester alleen achter tafel. De
hertogin vroeg zeer belangstellend hoe Othomar het maakte; de prins
voelde zich waarlijk al uitgerust, had goeden eetlust, was vroolijk,
prees den kok en den beroemden Lyciliër. Toen de hertogin hem na het
lunch voorstelde een kleinen toer te maken in den omtrek, vond hij dit
een uitstekend idee. Hijzelve wilde te paard—hij wist, dat de hertogin
eene uitstekende amazone was,—maar Alexa ried dit lachend af; zei, dat
ze bang was voor generaal Ducardi, die den prins rust had aanbevolen,
en meende, dat een kleine rijtoer in open rijtuig minder afmattend zijn
zoû. Zij had zich bijtijds herinnerd, dat eene amazone haar zwaar en
oud maakte, en was heel blij, dat de prins toegaf.

Het was heerlijk weer gebleven; zachte zon in blauwe lucht. Het
landschap deinde zich wijd uit; de bergen stonden schril en steil met
hunne ijskammen in den ether. De toer had het bekoorlijke van een
incognito zonder etiquette; de prins in zijn klein uniform naast de
hertogin, in een eenvoudig somber toilet van mauve velours-de-chasse,
in de elegante, lichte victoria, waarop de koetsier alleen zat, zonder
palfrenier, vlug de twee slanke goudvossen aanzettend. De zon
glansplekte over de gladde robes der paarden, spiegelde in het verlakt
van het rijtuig, en in de facetten der geslepen lantarens, op den
hoogen hoed van den koetsier en in de knoopen van Othomars uniform. Al
dit vonken wisselde in kort straalgeflits, en zoo, flonkerend,
luchtigjes, gleed het rijtuig over den weg, door een paar dorpjes,
waarvan de bewoners hunne landvrouw groeteden, maar niet wisten wie was
de eenvoudige jonge officier, die naast haar zat. Een bries had de
vocht der vroegere dagen droog gewaaid, en lichte wolkjes van stof
stuivelden zelfs onder de snel raderende wielen op.

De hertogin sprak veel, over Lipara, den keizer, de keizerin. Zij had
dien tact van instinctmatig te voelen wat te zeggen en waarover te
spreken, als zij behagen wilde. Hare stem was een charme. Zij kon soms
een grooten eenvoud en natuurlijkheid hebben, meestal als ze er niet
aan dacht hoe zich voor te doen. Instinctmatig, tegenover den prins, om
hem sympathiek te zijn, nam ze dien zelfden eenvoud aan, die hare
natuur was. Ze werd er jaren jonger om; de brutale chic van de mode
flatteerde haar veel minder, en maakte haar ouder, zelfs vulgair.
Zooals nu affineerde ze zich in de natuurlijke distinctie van een oud
geslacht. De zwarte voilette om den kleinen hoed verborg de leelijke
rimpeltjes en hare oogen glansden als sterren er door heen.

De prins herinnerde zich verhalen van zijne adjudanten,—van Dutri niet
uitgezonderd—over de hertogin: hij herinnerde zich namen, die
fluisterend genoemd werden. Hij geloofde op dit oogenblik niet aan dien
laster, zooals hij meende. Gevoelig als hij was voor sympathie,
streelde hem de hare, die hij bij intuïtie in haar ried, en deed hem
goed en lief van haar denken, zooals hij dacht van allen, die van hèm
hielden.

Het rijtuig was tusschen hellingen en wijngaarden gegaan, toen het
opeens als bij verrassing langs een kasteel reed, half zichtbaar
tusschen heel oude kastanjeboomen.

—“Wat is dit goed?” vroeg de prins. Wie zijn hier uw buren, mevrouw?

—Niemand minder dan Zanti, Hoogheid, antwoordde de hertogin; zij
huiverde, maar poogde te schertsen. Balthazar Zanti woont hier met zijn
dochter.

—Zanti! Balthazar Zanti?! riep Othomar verbaasd; hij richtte zich op,
keek nieuwsgierig naar het slot, dat zich verborg achter de kastanjes.
Maar hoe komt het dan, mevrouw, dat ik verleden jaar, toen ik met den
keizer bij mijnheer den hertog jaagde, nooit van prins Zanti gehoord
heb, en dat hij hier woonde?

De hertogin lachte.

—Denkelijk, Hoogheid, omdat de jacht van den hertog een anderen kant op
ligt—zij maakte met de hand eene vage beweging—en U hier dus niet
voorbij kwam, en omdat Zijne Majesteit den naam van Balthazar Zanti
niet hooren wil.

—Maar door niemand van de adjudanten...!

De hertogin lachte nog vroolijker, zag den prins, schertslachend ook,
aan en sprak:

—Het is zeker onvergeeflijk van ze U niet beter in te lichten omtrent
de merkwaardigheden van het gouvernement van Vaza. Maar... ik bedenk me
nu, het is heel natuurlijk, Hoogheid. Het kasteel stond verleden jaar
leêg; Zanti reisde door het rijk en hield redevoeringen. U herinnert
zich, ze zijn later gerechtelijk verboden. Zijn naam was dus toen hier
nog geen locale klank...

De prins zag nog altijd naar het slot, dat maar niet geheel zichtbaar
werd, toen het rijtuig, met een bocht van den weg, bijna rakelings reed
voorbij een kleine groep, aan de helling van een wijngaardheuvel: een
oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje, teêr, tenger,
bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog eene
zekere morbide elegance behield; ze zat op het gras, een donker bonten
toque op het zilverblonde haar; hare lange, witte hand, ongeschoeid,
klopte tot kalmte manend op den kroeskop van den retriever, die het
rijtuig aanblafte; en naast haar stond, hoog, een groote, oude man,
vreemd in een ruimen, grauwen kiel; een grijze reus, met zwaren baard
en sombere oogen, zwart schemerend onder den rand van een slappen
vilten hoed. De hond blafte; het meisje groette even—ze herkende de
hertogin als bure—zonder den prins te kennen; de oude man echter zag
strak fronsend, en groette niet. Het rijtuig ratelde voorbij.

—Dat was Zanti... fluisterde de hertogin.

—Zanti...! herhaalde de prins. En sedert wanneer woont hij hier?

—Sedert heel kort; ik geloof, dat de doktoren de lucht van Vaza gezond
achtten voor zijn dochter.

—Dat meisje, was dat zijn dochter?

—Ja, Hoogheid, ik heb haar al eens meer gezien; ze schijnt ziekelijk te
zijn.

—Prins Zanti, niet waar?

—Zeker, Hoogheid, maar op eigen verlangen Zanti tout court... Titels
zijn dwaasheid, Hoogheid, in de negentiende eeuw.

Zij schertste en toch voelde zij eene stille huivering, ze wist niet
waarom. Dat Zanti daar zoo dicht bij Castel Vaza was komen wonen, vond
ze onheilspellend. Den kroonprins zag zij even snel, huiverend, van ter
zijde aan. Zij bespeurde hoe een vreemd nadenken over zijn gelaat trok
als een schaduw. Toen, om het gesprek te wenden, niet meer te denken
aan dien akeligen man:

—U ziet er veel beter uit, Hoogheid, dan van morgen! De lucht heeft U
goed gedaan...

Zij schudde haren huiver af. De prins echter bleef vreemd; een
plotselinge emotie scheen in hem te woelen. Toen zij terug waren in het
kasteel, in het boudoir, wilde de hertogin zelve den prins een kop thee
schenken. Hij stond te kijken naar buiten, naar de herten, maar,
terwijl ze met het geblazoeneerd vergulde gerei van hare theetafel
bezig was, zag ze hem bleek worden, krijtwit,—zooals dien morgen—,
zijne oogen vergrooten, vreemd...

—Wat heeft U, Hoogheid... riep ze verschrikt en trad nader.

Hij wendde zich tot haar, poogde te lachen.

—Pardon, mevrouw, ik ben al heel onhoffelijk... zoo te zijn, maar...
maar die man daar heeft me verrast...—hij lachte—, ik wist niet, dat
hij hier was, en dan de lucht... die ijle lucht...

Hij bracht de hand naar zijn voorhoofd; witter zag ze hem worden, het
bloed scheen uit hem weg te loopen, en hij duizelde...

—Hoogheid...!! riep ze.

Maar Othomar, de hand vaag bewegend als tot steun, was tegen haar
aangevallen; zij ving hem op, in haren arm, aan hare borst, doodelijk
verschrikt, en ze zag, dat hij flauw lag. Een fijn zweet stond op zijn
voorhoofd; zijne oogen loken zich met moede leden, als stierven ze;
zijn mond was open, zonder adem.

De hertogin ontstelde hevig; doodsbang was ze, dat den hertog van Xara
iets ernstigs overkomen zoû, in het kasteel, alleen bij haar; ze voelde
in eens, dat Liparië’s toekomst aan den steun harer armen was
toevertrouwd; ze zag den prins reeds dood, zichzelve in ongenade, aan
het Imperiaal... Dit alles stoof door hare hersenen heen, in het
allereerste oogenblik. Maar zij beschouwde hem lang na, eene zachte
uitdrukking kwam op haar gelaat. Trots, dat de hertog van Xara daar
half flauw op haren schouder lag, en plotselinge passie waarin veel
moederlijkheid en medelijden, mengden zich samen tot een vreemd gevoel
in hare ziel. Zij streek hem zacht het haar weg, veegde zijn bepareld
voorhoofd af met haren zakdoek... En het vreemde gevoel werd vreemder
nog in haar, intenser in zijne beide elementen: intenser in trots,
intenser in medelijdende liefde: die eener minnares en moeder te zamen.
Toen met een glimlach, drukte zij den zakdoek, éven nat van het
keizerlijke zweet, aan hare sidderende lippen. De zachte geur van het
vocht scheen haar te bedwelmen, met een aroom van virile jeugd... Zij
dacht aan de brieven en portretten in het zilveren kistje met de
turkooizen. Een diepe weemoed om het leven vlijmde door hare ziel; nog
meerdere harer herinneringen schenen weg te stuiven als asch. Toen,
zich niet meer willende geven aan dien weemoed, boog ze haar hoofd, en
ernstig nu, zich gevende aan het heden, dat haar van nieuw geluk deed
opleven, drukte zij die lippen, sidderender nog, op Othomars mond. Even
verwijlde zij er; hare oogen sloten zich; toen gaf zij haar zoen.

Zij openden hunne oogen, te gelijkertijd, zagen elkaâr aan. Ernstig
somber, tragisch bijna flitste zij hare blikken in de zijne. Hij zeide
niets, bleef haar aanstaren, nog half in hare armen. De kleur welde
onder zijne wangen terug. Hunne oogen dronken elkaâr in. Hij voelde het
onbekende voor hem openwijken, zich ingewijd worden in de wereld van
kennis, die hij in haar ried en zelve niet wist. Maar hij voelde geene
vreugde er om: hare oogen bleven somber. Toen nam hij alleen hare hand,
drukte die even als eenige tegenliefkoozing, en sprak, de oogen,
onafgewend, in hare groote, stille, zwarte passieblikken, zijn gezicht
nog van verrassing strak:

—Ik was wat duizelig, zoo even...? Ik vraag u excuus, mevrouw...

Ze bleef hem ook aanzien, somber, nu glimlachend nederig. Haar trots
roeide in éen wiekslag op naar het heel hooge: den mond van haren
toekomstigen keizer zegelde nog haar zoen! Hare liefde aanraakte haar
in-leven zooals een waaiende bries over een meer strijkt, het met éen
enkel frisch geblaas geheel zilver rimpelend en bewegend tot in diepte
toe; zij aanbad hem om zijne jonge hoogheid, die zoo genadig aannam
haar zoen, zonder dien verder te erkennen, om zijne keizerlijke
naïviteit, zijne jongensstem, zijne jongensoogen, zijn handdruk: het
eenige, dat hij haar gegeven had; en het was in haar een zeer vreemd
trotsche wellust: het genot die naïve jeugd, die mannelijke
maagdelijkheid aan te zweemen, te beginnen in te drinken met hare
oogen, hare lippen en hare ziel, als tooverdrank, die haarzelve weêr
zoû geven hare jeugd.



VII.

Men dineerde dien middag laat, daar men gewacht had op Herman en de
anderen. De gesprekken aan tafel liepen over den toestand van het
platteland, over de boeren, die van alles beroofd waren. De hertogin
was stil; de conversatie interesseerde haar niet, maar hare stilte had
iets glimlachend rustigs.

Dien avond bestudeerde Othomar met Ducardi weder de kaart, onder de
kanten lamp. De avond was koud geworden, de deuren van het terras waren
toe. De hertogin had geen lust tot biljarten, maar zij zat in den
tweeden salon zacht met Dutri te praten. Zij zag er prachtig uit,
placide als een beeld, in haar licht geel getint antiek kanten toilet,
de bloote borst regelmatig golvend over eene gelijke ademhaling; een
enkele star van brillanten in het haar van voren.

Othomar wees met het potlood over de kaart.

—Zoo kunnen we dan gaan, langs dien weg... Zie, generaal Ducardi, ziet
u eens hier, kolonel Von Fest, hier heb ik van middag getoerd met
mevrouw de hertogin en hier, geloof ik, woont Zanti. Wist u dat?

De heeren keken op, zagen naar het punt, dat de kroonprins aanwees,
verwonderden zich.

—Ik dacht, dat hij in het Zuiden woonde, in Thracyna! meende de jonge
graaf van Thesbia. Othomar vertelde, wat de hertogin hem gezegd had.

—Zanti! riep Herman; Balthazar Zanti? O, maar dan is hij het...! Ik
sprak van middag met een troep boeren; ze vertelden me van de nieuwe
barakken, die een nieuw landeigenaar uit de buurt had laten opslaan,
maar ze spraken dialect, ik verstond ze niet goed; ik dacht, dat ze
Xanti zeiden, en dan dacht ik er niet aan, dat het Balthazar Zanti kon
zijn. Maar dan is hij het!

—Barakken? vroeg Othomar.

—Ja, een dorp van barakken, naar het scheen; ze spraken er van, dat hij
zoo rijk en zoo genereus was, en ik weet niet hoeveel boeren
huisvestte, die alles verloren hadden.

—Ik meen nu wel in de couranten gelezen te hebben, dat Zanti in Vaza
was gaan wonen, zei Leoni.

—Ik zoû die barakken wel willen zien, we kunnen er morgen aangaan, zei
Othomar.

Generaal Ducardi fronste zijne borstelige brauwen.

—U weet, Hoogheid, dat Zijne Majesteit allesbehalve op Zanti gesteld
is, en er zelfs over denkt hem te verbannen. Het zoû misschien meer in
den geest van Zijne Majesteit zijn, om wat Zanti hier doet, op dit
oogenblik maar te niëeren.

Othomar voelde echter geen lust den generaal toe te geven; een jonge
strijdlust borrelde in hem op.

—Maar generaal, iemands weldaden te niëeren in deze tijden, is noch
dankbaar, noch diplomatiek.

—Ik ben overtuigd, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zijn kasteel
hier bewoonde, Zij Uwe Hoogheid speciaal zoû verzocht hebben zich
volstrekt niet in gemeenschap met dien man te stellen! sprak Ducardi
nadrukkelijk.

—Ik ben hier zoo zeker niet van, generaal! sprak Othomar droog, en
geloof integendeel, dat zoo Zijne Majesteit wist, dat Zanti zóo veel
deed voor de slachtoffers van de overstrooming, Zijne Majesteit hem wel
wat liefhebberen in communisme vergeven zoû.

Ducardi beet op zijn snor met een schuinen glimlach.

—Uwe Hoogheid spreekt wel wat luchthartig over dat liefhebberen in
communisme. Zanti’s theorieën en praktijken zijn meer dan
dilettantisme...

—Maar generaal, hernam Othomar zacht; ik begrijp heusch niet waarom
Zanti’s socialisme, op dit oogenblik, verhinderen moet, dat wij,—ik
herhaal op dit oogenblik—apprecieeren hetgeen hij doet, en ons moet
tegenhouden zijn barakken te bezoeken, terwijl we in Vaza komen om
alles omtrent de overstroomingen op te nemen...

Ducardi keek hem aan, boos. Hij was het niet gewend, dat Zijne Hoogheid
zoo tegensprak. De anderen luisterden toe. De hertogin zelve, gelokt
door de discussie, waarin zij Othomars stem hoog op hoorde klinken met
jong gezag, was met Dutri nader gekomen, nieuwsgierig...

—Het zoû toch minstens genomen geen kwaad kunnen die barakken even te
zien, dit moet ik mijn neef toegeven, generaal! sprak Herman van
Gothland, die plezier in Othomar kreeg.

Ook Von Fest sloot zich overtuigend hierbij aan, rondweg, eerlijk,
meende het niet anders dan verplicht te zijn aan de slachtoffers, die
Zanti geborgen had. Iedereen zeide nu zijn opinie: Leoni vond het
onmogelijk, dat de kroonprins Vaza bezoeken zoû en die barakken niet;
het zoû zijn alsof Zijne Hoogheid bang was voor zoo een bullebak van
een Zanti. Dat Othomar Ducardi tegensprak, gaf hun allen grond om zich
schrap te zetten tegen den ouden generaal, die den tocht totnogtoe
geleid had met iets van militair autocratisme, dat hen vaak had
gehinderd. Zelfs Dutri, anders nog al onverschillig, voegde zich bij
hen, blagueerend, met glinsterende oogen, omdat Ducardi eens op zijn
plaats werd gezet. Hij knipoogde tegen de hertogin.

En het waren alleen Siridsen en Thesbia, die op de hand van Ducardi
waren, weifelend, omdat de generaal zoo zeker wist, dat de wil des
keizers anders zoû luiden dan het verlangen van zijn zoon; Thesbia
vooral:

—Ik begrijp niet, dat de prins zoo aandringt, fluisterde hij ontsteld
tot de hertogin. Ducardi heeft gelijk: u weet zelve toch, hoe de keizer
op Zanti gebeten is...

De hertogin haalde glimlachend hare mooie schouders op, luisterend naar
Othomar, dien zij zich hoorde verdedigen, gesteund door uitroepen,
hoofdgeknik der anderen.

—Nu, hoorde zij Ducardi droog antwoorden; als Uwe Hoogheid dan
volstrekt wil, dat wij er heen gaan, zullen wij gaan; ik hoop alleen,
dat Uwe Hoogheid zich altijd herinneren zal, dat ik het in dezen niet
eens met haar was...

De hertog van Xara nu antwoordde hem lachend, na deze overwinning het
eerst den vrede aanbiedend, en was het in het geheele verdere plan, dat
op de kaart tot aan Lycilië werd voortgezet, geheel met den generaal
eens, met kleine vleiende intonaties van goedkeuring en hoogschatting
voor zijn doorzicht en practische blik...

—Hij mag niet l’étoffe hebben voor een groot veldheer, fluisterde Dutri
tot de hertogin: er zal een aardig diplomaatje van hem groeien...

Maar Ducardi was innerlijk zeer boos. Een oogenblik dacht hij er over
den keizer per geheime depêche zijn verlangen te vragen, maar verwierp
dit denkbeeld, daar het in het Imperiaal geen goeden indruk zoû maken,
zoo, in zulk eene schijnbare, kleinigheid, den hertog van Xara geene
vrijheid werd gelaten. Hij poogde dus slechts den volgenden morgen
Othomar nog eens het bezoek te ontraden, de prins echter bleef er bij.

—Is u dan zoo tegen dat bezoek, generaal? vroeg Von Fest. Is het dan
eigenlijk niet meer dan redelijk?

—U kent niet de antipathie van Zijne Majesteit voor dien man, kolonel!
antwoordde de generaal. Zooals ik u al zei, Zijne Majesteit denkt er
over hem te verbannen en zal dat zeker doen, als Zij hoort, dat hij
zich nu op zijn kasteel heeft opgesloten, zeker met het doel de boeren
op te ruien, zooals hij, in de steden, de arbeiders heeft opgeruid. Die
man is een gevaarlijk dweper, kolonel, gevaarlijk vooral, omdat hij
geld heeft om zijn utopieën in praktijk te brengen. Hij stookt den
minderen man op, zijne militaire verplichtingen niet na te komen, omdat
er staat geschreven:—“Gij zult niet doodslaan.” Het huwelijk vindt hij
een onnoodig sacrament, en ik heb gehoord, dat zijne volgelingen
eenvoudig bij hem komen, en hij ze zelve trouwt, met een soort van
zegen, die ook alweêr steunt op een tekst... ik weet niet meer welken.
Telkens schrijft hij socialistische brochures, die aangehouden worden,
en houdt hij opruiende redevoeringen. En die man is zelfs candidaat
gesteld voor het Huis der Standen.

—Iemand, die zijn titel afzweert, lid van het Huis der Standen!
glimlachte Von Fest.

—O, die inconsequenties wemelen in zijn leer, bromde Ducardi. Hij zal u
natuurlijk zeggen, dat zoolang er niets beters is dan het Huis der
Standen, hij dan maar van het Huis der Standen lid wil zijn! En van wat
zoo een man doet, wil de kroonprins notitie nemen!

Von Fest haalde zijn schouders op.

—Laat hem, generaal. De prins is jong. Hij wil weten en zien. Dat
bewijst voor hem.

—Maar... de keizer zal het nooit goed vinden, kolonel! donderde de
generaal met een vloek.

Weêr haalde Von Fest de schouders op.

—Ik zoû het hem toch niet meer afraden, generaal. Als de prins iets
wil, laat hem dan maar willen, dat zal hem goed doen... En krijgt hij
daarna een standje van zijn vader, dan zal hem dat ook goed doen,
bijwijze van reactie.

Ducardi zag hem vlak aan.

—Wat vindt u van onzen prins? vroeg hij op den man af.

Von Fest zag den generaal, glimlachend, terug aan vlak in de zoekende
oogen. Hij was eerlijk van natuur en oprecht, maar genoeg hoveling om
zich te kunnen verbergen, als hij dit noodig oordeelde.

—Een allercharmantste jongen, antwoordde hij. Maar het leven, of liever
hijzelf, zal nog veel aan hem moeten vervormen, om hem straf te doen
staan... voor later.

De officieren begrepen elkaâr. Ducardi blies een zwaren zucht uit.

—Ja, er zullen moeilijke tijden komen, sprak hij, met een vloek.

—Ja, antwoordde de Gothlandsche kolonel eenvoudig.

De prinsen waren in den binnenhof opgestegen; men reed langs den
zelfden weg, dien Othomar den vorigen middag met de hertogin getoerd
had en langs het kasteel van Zanti. Leoni was te weten gekomen waar de
barakken lagen; zij reden nog een half uur; de bergen begonnen te
wijken, de weg slingerde zich met bocht op bocht onder de trappelende
hoeven der paarden. Eensklaps breidde aan den horizont de Zanthos zich
uit: het breede vlak van uitgestort water, éen groot meer onder de
wijde tintellucht van voorjaar.

—Daar zullen ze zijn! wees Leoni.

Zijn vinger wees een gehucht aan van lange houten gebouwen,
klaarblijkelijk frisch gebouwd, naar nieuw hout riekend in de
aanwaaiende morgenbries. Toen zij nader reden, zagen zij timmerlieden,
metselaars: eene geheele werkplaats vol bedrijvigheid vertoonde zich,
hoopen roode baksteen, stapels lange planken. Er klonk gezang, met
vromen klank, als van psalmen.

Ducardi, steeds gewend vóór te rijden, aan de linkerzijde van den
kroonprins, hield zijn paard met bedoeling in, liet de anderen hem
inhalen; Othomar merkte, dat hij hier niet door wilde. Hij vond den
generaal kleingeestig en, tot Thesbia:

—Vraag of Zanti hier is...

De ordonnans-officier wendde zich met de vraag tot een soort opzichter.
Niemand der werklieden had gegroet; de adjudanten weifelden of zij den
kroonprins herkend hadden. Ja, Zanti was er. Eenvoudig “Zanti”. Goed,
hij zoû hem roepen.

De man ging. Het duurde lang. Othomar, te paard wachtende met de
anderen, begon zijne houding reeds moeilijk te vinden, verloor zijn
tact, nam zijne stijve strakheid aan, praatte gedwongen met Herman. Hij
vond, dat het moeilijk was te wachten, als men dit totnogtoe nooit
gedaan had. Hij werd er zenuwachtig van, maakte ook zijn paard, met
coquette kopbeweging aan de teugels trekkend, zenuwachtig en dacht er
al aan, maar voort te gaan...

Maar Zanti, met den opzichter, die hem geroepen had, kwam juist aan,
langzaam, zich volstrekt niet haastende. Hij keek uit de verte onder
zijne hand naar de groep officieren te paard, die schitterden; bleef
staan; vroeg nog iets, aan den opzichter; keek weêr.

—Onhebbelijke vent! mompelde Thesbia.

De ordonnans-officier reed hem driftig tegemoet, sprak hoog van zijne
Keizerlijke Hoogheid, den Hertog van Xara; de hertog wenschte de
barakken te zien.

—Het zijn geen barakken, sprak Zanti norsch tegen.

—Wat dan? vroeg de ordonnans-officier uit de hoogte.

—Woningen, antwoordde Zanti droog.

Thesbia haalde geërgerd de schouders op. Maar de kroonprins zelve was
nadergereden, salueerde Zanti, zonder dat deze hem eenigen groet gegund
had.

—Vergunt Uwe Excellentie, dat wij een blik slaan op wat Zij doet voor
de slachtoffers der overstroomingen? vroeg hij beleefd, zacht,
innemend.

—Ik ben geen Excellentie, mopperde de grijsaard; maar als u wil kijken,
mij goed.

—Heel gaarne, antwoordde Othomar een beetje hoog; maar niet anders dan
met geheel uw goedvinden. U staat als meester op uw grond en zoo ons
bezoek u niet welkom is, zullen wij u niet onze aanwezigheid opdringen.

Zanti zag hem aan.

—Ik herhaal het, als u kijken wil, is het goed. Maar er is niet veel te
kijken. Alles is zoo eenvoudig. Wij maken geen geheim van wat we doen.
En de grond behoort mij niet toe, die is eigendom van hun allen.

Othomar steeg af, de anderen volgden; Leoni en Thesbia vonden met
moeite, voor een fooi, een paar jongens, die op de paarden zouden
passen.

Othomar en Herman waren reeds met den ouden man voortgegaan.

—Ik hoor, dat u veel goed doet, om de ellende van de overstroomingen te
lenigen, sprak Othomar.

—De overstrooming is geen ellende.

—Geen ellende! vroeg Herman verbaasd. Wat dan?

—Een gerechte straf des hemels. En er zullen meerdere straffen komen.
De tijden zijn zondig.

De prinsen zagen elkaâr aan, met een snellen blik; zij begrepen, dat
het gesprek niet zeer vlot zoû gaan.

—Maar de zondigen die de hemel straft, helpt u toch, meneer Zanti!
sprak Herman. Want al die barakken...!

—Zijn geen barakken. Schuren, werkplaatsen, ook tijdelijke woningen.
Het wordt hier een nederzetting, zoo God het wil. Om eenvoudig te leven
in den arbeid. Het leven is zoo eenvoudig, maar de menschen hebben het
zoo vreemd en ingewikkeld gemaakt.

—Maar u neemt toch boeren op, die alles verloren hebben door de
overstrooming? hield Herman vol.

—Ik neem ze niet op. Als ze hunne zonden voelen, komen ze naar me toe
en ik red ze van den ondergang.

—En komen ze ook niet naar u toe, zonder hun zonden te voelen, maar
omdat ze voelen, dat ze eten en logies zullen krijgen voor niets?

—Ze krijgen geen eten en logies voor niets, ze werken hier, meneer!
sprak de oude man; en misschien beter dan u, die met een uniform
rondloopt... Ze krijgen hun loon naarmate ze werken, uit de
gemeenschappelijke kas. Ze bouwen hier en ik bouw met ze meê. Ziet u
dien boom hier en die bijl; dien boom was ik bezig te hakken, toen u me
storen kwam.

—Een flinke lichaamsbeweging! zei Herman; u lijkt me een krasse man!

—U zegt dus, dat u hier een nederzetting vormt? vroeg Othomar.

—Ja meneer. De steden zijn het verderf, het landleven maakt rein. Hier
kunnen ze wonen; verder-op ligt bouwland, dat ik ze geef, en weiland;
vee zal ik voor ze koopen.

—Dus u poogt hier eenvoudig boeren te werven, sprak Herman.

—Neen meneer! antwoordde de grijsaard barsch. Ik werf hier geen boeren:
ze zijn mijn boeren niet. Ze zijn hun eigen boeren. Ze werken voor hun
eigen, en ik ben eenvoudig boer, zooals zij. We zijn allen gelijk...

—U is eenvoudig boer, herhaalde hem de prins Herman; maar u woont toch
in een kasteel.

—Neen, jonge man, antwoordde Zanti; ik woon in geen kasteel; ik woon
hier; mijn dochter woont daar alleen. Ze is ziek... Ze zoû niet kunnen
tegen een verandering van levenswijze, tegen ontbering. Maar lang zal
ze niet leven, mijn kind...

Hij hield even op, zag de prinsen beurtelings schuin, bijna angstig,
aan.

—Ze is mijn eenige zwakte, geloof ik, verontschuldigde hij zich met een
weeke stem. Ze is mijn zonde: voor haar heb ik dokters genomen en
vertrouw ik op wat ze zeggen en voorschrijven. Ziet u, ze zoû niet
kunnen: mij volgen in alles; want ze heeft het verleden te veel in haar
arm bloed. Ze heeft behoefte, levensbehoefte, aan een kasteel, aan
gemak. Daarom laat ik haar daar... Maar ze zal niet lang leven... En
dan verkoop ik het en deel ik mijn geld, geheel en al, onder hen
allen... Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar een
mensch...

De prinsen zagen hem geroerd worden; zijne handen trilden. Toen meende
hij zeker, dat hij al te veel, te lang, met hen gesproken had over wat
hem ’t innigste aan zijn hart lag: zijne zonde. En hij wees hun de
gebouwen, verklaarde ze hun...

—Ik las enkele van uw brochures, meneer Zanti, sprak de kroonprins.
Brengt u hier in toepassing uw idee omtrent het huwelijk?

—Ik breng niets in toepassing, bromde de grijsaard weêr tegen. Ik laat
ze allen vrij. Willen ze voor uw wet trouwen, dan kunnen ze het doen,
maar komen ze bij mij, dan zegen ik ze, en laat ze gaan in vrede, omdat
er geschreven staat: Wederom zeg ik u: indien er twee van u
samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen
begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in de
Hemelen is... Want wanneer twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam,
daar ben ik in het midden van hen...

—En waarmeê beheerscht u zoo veel volgelingen? vroeg Herman.

—Ik beheersch niet, meneer! donderde de oude man, zijn vuisten ballend,
zijn gezicht rood van woede. Ik ben niet meer dan zij allen. De vader
heeft het gezag in zijn eigen huisgezin, en de oude mannen geven raad,
omdat ze ondervinding hebben, en dat is alles. Het leven is zoo
eenvoudig...

—Zooals u het zich voorstelt, maar niet zooals het in werkelijkheid is,
wierp Herman tegen.

Zanti zag hem boos aan, stond stil om beter te kunnen praten en
driftig, hevig, riep hij uit:

—En vindt u het in werkelijkheid beter, dan ik het me voorstel? Ik
niet, meneer, en ik hoop mijn voorstelling werkelijkheid te zullen
maken. U en de uwen hebben ook eens, eeuwen geleden, uwe voorstelling
werkelijkheid gemaakt: nu is de beurt aan anderen, uw werkelijkheid
heeft lang genoeg geduurd...

Othomar, hoog, wilde iets tegen zeggen: de oude man wendde zich echter
in eens tot hem, zacht maar stroef, met zijne doordringende
dwepersstem, die Othomar huiveren deed:

—Met u, meneer, heb ik medelijden! Ik haat u niet, al denkt u dit
misschien. Ik haat niemand. Hoe ouder ik geworden ben, hoe minder ik
heb leeren haten, hoe meer zachtheid er in mij gekomen is. Ziet u, ik
hoor iets in uw stem en ik zie iets in uw oogen, dat me... aantrekt,
meneer. Ik zeg het u ronduit; het is misschien heel dwaas van me zoo
iets te zeggen tot mijn aanstaanden keizer. Maar het is zoo: iets in u
trekt me aan. En ik heb medelijden met u. Weet u waarom? Omdat de
tijden zullen komen!

Hij wees met den vinger in eens naar boven, verrassend plechtig;
vervolgde:

—De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt, als
uw vader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal
ze! En daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde
hebben voor uw volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: Ik ben als jullie
allen en niets meer. Ik wil niets meer bezitten dan jullie allen, want
ik wil geen overvloed als jij honger lijdt. Ik wil niet over je
heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie allen en niet
menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was dàn zoû u
mogen heerschen, ja dan, dan... Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u
nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer.
Heerschen zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden
zullen komen! Daarom heb ik medelijden met u,... al moest ik het ook
niet hebben.

Othomar was bleek geworden; zelfs Herman huiverde even. Het was meer om
de orakelstem van den man, die hunner vorstelijkheid het noodlot
voorspelde, dan om zijne woorden. Maar Herman schudde zijne huivering
af en boos, hoog:

—Ik kan niet zeggen, dat u hoffelijk is tegen uw gasten, meneer Zanti,
ik zal maar niet eens spreken van Zijne Keizerlijke Hoogheid...

Zanti zag Othomar aan.

—Vergeef me, sprak hij. Ik sprak zoo om uw bestwil. Uw oogen zijn als
die van mijn dochter. Daarom sprak ik zoo.

Herman schaterde.

—Dat is zeker een geldige reden, meneer Zanti!

Othomar echter knikte hem, niet verder op gekscherenden toon door te
gaan en deed ook met een blik de adjudanten zich bedwingen, die in
woordelooze verontwaardiging Zanti’s orakel hadden opgevangen: de man
had bijna fluisterend tot Othomar gesproken. Zijn laatste woorden,
waarin emotie klonk, brachten die verontwaardiging echter in
verwarring, stilden hunne boosheid, deden hun den profeet beschouwen,
als een halven gek, wien de kroonprins zoo genadig was zijne
majesteitschennis niet kwalijk te nemen. En de officieren zagen elkaâr
aan, trokken de wenkbrauwen op, de schouders. Dutri grinnikte. Othomar
vroeg kalm aan Zanti of zij niet door zouden gaan.

De nederzetting was zeer in den beginne; toch begonnen enkele kleine
boerenwoningen te verrijzen; kastanjeboomen werden omgekapt; er waren
honderde boeren bezig.

De groep van officieren wekte groote nieuwsgierigheid; men had de
prinsen herkend. Bijna overal staakte het volk hun werk, zag het de
uniformen na.

De prinsen en hun gevolg voelden instinctmatig, dat er een vijandige
stemming door de boeren van Zanti voer. Deden zij hier en daar een
vraag, naar de geleden ellende, het antwoord klonk ruw, kort, met eene
verwijzing naar den wil Gods, en was steeds als een naklank van Zanti’s
eigen woorden. Geldelijke hulp was hier niet te verleenen. Te laten
zien had Zanti eigenlijk niets. De nederzetting viel Othomar tegen,
misschien om iets van gekrenkte vorstelijkheid; gewend steeds met
eerbied genaderd te worden als toekomstige majesteit, kwetste de
ruwheid van Zanti, de stuurschheid zijner boeren zijne teêrgevoeligheid
meer, dan hij zich wilde bekennen. Hij voelde, dat men op deze plek den
kroonprins niet in hem zag, die zijn volk liefhad en wilde leeren
bijstaan, maar wel den zoon van een dwingeland, die op zijne beurt eens
dwingen zoû. Hij voelde, dat al noemde Zanti zich den apostel van den
vrede, die vrede niet was onder zijne discipelen; en toen hij zag in
hunne ruwe, sombere gezichten, zag hij de haat rood opflikkeren uit
holle, diepe oogen, als met plotselinge bliksems...

Zwaar vielen de centenaren hem op zijne borst, drukte zijn onmacht hem
met een wereld van, niet te ledigen, ellende en ontroostbare smart op
de schouders als naar den grond toe. De ellende en smart niet van een,
maar van duizenden, millioenen. De haatdragende oogen vermenigvuldigden
zich in een gewemel van haat om hem heen; ieder van zijn volk, die het
geluk van hem vroeg, van hem eischte, en niet ontving, scheen hem daar
met zulke groote oogen aan te staren...

In eene wijde, onmetelijke hopeloosheid voelde hij zich duizelen. Hij
verwachtte niets meer, het was het einde. En het verwonderde hem niet
wat er gebeurde. De man met het verwrongen, harigbruine gezicht, die,
als een nachtmerrie, op hem toestortte, hem aangreep, vol haat. Een
vuile tabaksadem zwalmde over zijn gezicht, een grof mes blikkerde in
een grove vuist naar zijn hals toe...

Een geroep was opgegaan. Een schot knalde, kort, beslist, zonder zweem
van aarzeling. De man vloekte een schorren kreet uit, knarsende van
onwil, en spartelde tegen, stervend. Zijne hersens spatteden uiteen,
over Othomar heen, bezoedelden den prins de uniform. En aan zijne
voeten was de man reeds op den grond neêrgekwakt, oogenblikkelijk slap,
spierloos, het mes nog in de kramp van de harige vingers geklemd; dat
was alles gebeurd in één oogenblik.

Het was Von Fest, die met een revolver het schot gelost had. De kolonel
richtte zijn breede figuur op, zag om zich heen, den revolver nog
schuin geheven, dreigend in de vuist. Het volk staarde, bewoog zich
niet, verwezen door de plotselinge werkelijkheid vóór hen.

Zanti, wezenloos, tuurde naar het lijk; toen sprak hij—de officieren
ontsteld, druk, in verwarring om den prins heen—:

—Gaat nu, en zoo het kan, gaat in vrede...!

Vol bitterheid wees hij op het lijk. Hij schudde het hoofd met de
grijze manen onder den vilten hoed; tranen sprongen in zijne ooghoeken
op.

—“Gij zult niet doodslaan...” hoorden zij hem mompelen. Zij schijnen
dat nog niet te weten; niemand nog weet het...!

Een vreemde blik, vol krankzinnigheid, werd troebel in zijne, anders
heldergrauwe, oogen, hij scheen een oogenblik niet te weten wat hij
doen zoû. Toen liep hij naar een boom, nam de bijl op, en zonder op de
prinsen meer acht te slaan, begon hij te hakken, als een razende, slag
op slag...

De officieren hadden zich naar hunne paarden gehaast. Dutri keek nog
achterom; bij het lijk, waar de boeren nu om heen kwamen staan, zag hij
een vrouw; ze snikte, wierp hare armen vol wanhoop uit naar den hemel,
brulde, balde de vuist tegen het omgewende gelaat van den adjudant,
schreeuwend.

Othomar had niets gezegd. Achter hem hoorde hij de vrouw brullen. Hij
trilde in iedere zenuw. Op den weg, klaar om op te stijgen, vroeg
Ducardi hem ontroerd:

—Wil u naar Castel Vaza terug, Hoogheid?

De prins zag den generaal hoog aan. Vlug door hem heen schoot de
gedachte, dat de generaal er zeer tegen was geweest hier te komen. Hij
knikte van neen. Toen zochten zijne oogen Von Fest; onder door de
wimpers op keken ze den kolonel aan, diep zwart, vochtig, bijna met
verwijt.

Maar hij stak de hand uit.

—Ik dank u, kolonel, sprak hij met een heesche stem.

De kolonel drukte de hand van den prins.

—Tot Uw dienst, Hoogheid! antwoordde hij, militair kort.

—En nu, laat ons nu doorgaan naar den Zanthos, sprak Othomar en naderde
zijn paard.

Maar de oude generaal was zich niet meer meester. In deze laatste
oogenblikken had hij gevoeld heel de hartstochtelijke liefde—hem
erfelijk in het bloed gekiemd, één met hem, zijne ziel zelve, en die
ziel alleen, uit één stuk—voor zijn vorstenhuis. Zijne vaders waren er
voor gesneuveld, zonder aarzeling. En met de dolwijde omhelzing zijner
lange, krachtige oude armen, liep hij op Othomar toe, dankbaar, dat hij
leefde, drukte hem aan zijn borst te pletter, tot zijne uniformknoopen
schramden aan Othomars wang, en riep, snikkend, onder zijn trillende
snorbaard, uit:

—Mijn prins, mijn prins, mijn prins...!



VIII.

De aanslag op Othomar was op Castel Vaza reeds bekend, vóor de prinsen
terug waren, door boeren van den hertog, die aan de bedienden van het
kasteel lange verhalen hadden gedaan, dat de prins zwaar gewond was. De
hertogin had eerst niet willen gelooven; toen, in stijgenden angst, in
de grootste spanning en onzekerheid rondgeloopen door de galerijen. Zij
had zich eerst willen wijs maken, dat het volk wel overdrijven zoû.
Toen zij bedacht, dat de prinsen en de adjudanten in het geval, dat
Othomar verwond was, dadelijk zouden terug zijn gekomen, werd zij
rustiger en wachtte af.

De intendant echter, die naar Vaza geweest was, kwam ontzet terug: in
de stad maakte men zich zeer ongerust, verdrong men zich aan de deuren
der courantenbureaux, voor de bulletins, die den aanslag kort
vermeldden, met de tergende bijvoeging, dat bizonderheden nog
ontbraken. De hertogin begreep, dat op dit oogenblik het bulletin ook
naar Lipara geseind was, en zij vreesde zoowel, dat Othomar een onheil
was overkomen, als dat zij zelve in ongenade zoû vallen bij de
keizerin...

Toen de hertogin eindelijk, lang turende, uit een venster der
westelijke galerij, de prinsen en hun gevolg op den verren weg, klein,
zag aandraven, kon zij zich niet inhouden, ging zij hen tegemoet in den
hof. Zij zag echter Othomar ongedeerd. De hertog van Xara steeg af, gaf
haar de hand, glimlachte; zij kuste die, nijgend, met vuur; hare tranen
vielen op ze neêr. De opperintendant trad nader, betuigde Othomar uit
naam van alle dienaren van den hertog, hunne innige dankbaarheid, dat
de Hertog van Xara gespaard was gebleven, door de genade Gods en den
bijstand van St. Ladislas.

Ducardi had nergens eerder kunnen telegrafeeren, maar zond nu ijlings
naar Vaza, eene depêche aan den keizer, tevens vermeldend, dat de prins
dadelijk na den aanslag kalm den voorgenomen tocht vervolgd had. Het
diner werd in een gewar van stemgeluid gebruikt; de hertogin was zeer
opgewonden, vroeg naar de minste bizonderheid, en omhelsde bijna Von
Fest. De kroonprins dronk op zijn redder en allen brachten hem hulde.

Daarna ried Ducardi,—in stilte—den kroonprins aan zich vroeg ter ruste
te begeven. De generaal sprak met eene teedere stem, het scheen of de
gedachte, dat hij zijn kroonprins verliezen kon, hem dezen meer had
doen liefhebben. Ook Herman drong er bij Othomar op aan.

Hij zelve was kalm geworden, maar had iets mats over geheel zijn wezen;
met eene vreemde stem van matheid zelfs had hij Von Fest toegeklonken.
Hij volgde nu hun raad op, trok zich terug, kleedde zich uit; zijn
bezoedelde uniform, die hij vóór het diner reeds verwisseld had, hing
nog over den stoel; hij huiverde ervan die een geheelen middag gedragen
te hebben.

—Dat ding! sprak hij tot Andro, die nog geheel in de war was, en, van
zenuwachtigheid schreiend, opruimde; verbrand het of gooi het weg, gooi
het weg...

In zijn kamerrok wierp Othomar zich neêr op een bank in den salon, die
grensde aan zijne slaapkamer. Eveneens een historisch vertrek; gobelins
aan den wand met tafereelen uit Liparië’s historie: keizer Berengar I
zegevierend Jeruzalem binnenrijdend met zijne, witte vanen heffende,
kruisvaarders; keizerin Xaveria, goudgeharnast te paard voor Altara’s
muren, stervende vallend achterover, getroffen door een Turkschen
pijl...

De prins lag naar ze te staren. Eene doodkalmte scheen hem niets te
doen voelen, zich niets te doen aantrekken. Bij zichzelve ging hij
geheel de geschiedenis na van Berengar tot Xaveria toe. Hij wist de
jaartallen; de tafereelen wolkten voor hem als schoven er gobelins,
caleidoscopisch, met de verbleekte kleuren van oud kunstwerk. Hij zag
zichzelven terug, een kleine jongen, in het Imperiaal, in een strenge
kamer, ijverig leerende; hij zag zijne meesters, die zich afwisselden:
talen, historie, staathuishoudkunde, volkenrecht, strategie; het had
zich alles gehoopt op zijne jonge hersenen, zich opgestapeld, zich
opgebouwd als een toren. Tot afwisseling zijne militaire opvoeding:
exerceeren, paardrijden, schermen, geleid door generaal Ducardi, die
hem prees of op hem bromde, of mopperde op de onder-officieren, die hem
leerden. Rekenen had hij nooit kunnen leeren, van algebra nooit iets
begrepen; in vele vakken was hij altijd zwak gebleven; in natuurkunde
en scheikunde bijvoorbeeld. Veel pleizier had hij een tijd gehad in
mineralogie, in zoölogie en botanie, en later had hij gedweept met
sterrenkunde. Daarna de hoogeschool en zijne juridische studiën...

Hij herinnerde zich zijne kleine trotsjes van kind en van jongen, toen
hij, negen jaar oud, luitenant was geworden van de Garde van den Troon;
toen hij later de Orde van den Kouseband had gekregen van de koningin
van Engeland en den Zwarten Adelaar van den Duitschen keizer, en het
Gulden Vlies van de Regentes van Spanje. In zulken kleinen trots had
zich dan altijd zekere angst gemengd, van mogelijke verplichtingen, die
de Kouseband of de Adelaar zouden meêbrengen: verplichtingen, die hem
vaag voor oogen warrelden, die hij niet dorst uitbeelden en nog minder
vragen aan Ducardi, of zijn vader. Langzamerhand was die dreiging van
verplichtingen zoo zwaar geworden, en nu, nu waren het de centenaren.

De centenaren. Maar hij bewoog zich niet, vreemd kalm. Toen dacht hij
terug aan Von Fest, aan de hertogin... Gisteren haar zoen... Flauw had
hij gelegen op haren schouder en ze had hem gezoend en lang aangezien
met hare passieblikken. Wat vertelden de adjudanten al niet...

Toen kwam het als met een woeste golf tot hem, bruisend over zijne
doodkalmte heen...!

Waarom had die man hem gehaat, hem willen vermoorden, hem willen
slachten als een beest...? Trots trilde in hem op, trots en wanhoop.
Die man had hem aangeraakt, bezoedeld met zijn adem, hem, den
kroonprins, den Hertog van Xara. Hij knarste met de tanden van woede...
Dàt zoû Berengar I zich niet hebben laten doen! Den kop af, den kop
af... O, dat plebs, dat niet wist, dat niet voelde, dat tegen hem
opdrong, als schuim warrelde aan hun troon, dat zijne moeder beängstte,
hoe trotsch ze ook er over heen zag, keizerlijk kalm, in de verte...

Hoe hij het haatte, het haatte, met al den haat, oh! van zijn ras voor
wie nu vrij waren en eens toch hunne slaven! Hoe hij er onder zoû laten
schieten, later zoû laten schieten...

Hij zag naar Xaveria; zelve werd ze geschoten, de fiere strijdster;
achterover viel ze, verwond door den pijl van een Turksch soldaat. En
hij, dien morgen, als niet Von Fest...

Woest gooide hij zich achterover, begroef hij zijn gezicht in zijne
handen en snikte. Neen, neen, o neen! Niet schieten, niet dooden, niet
haten! Zóó was hij niet, zoo kon hij misschien één oogenblik zijn, maar
zoo wàs hij niet! Hij hield van zijn volk: hij was zoo dankbaar als het
jubelde, als hij het helpen kon. Hij zoû immers nooit op ze laten
schieten! Hij wond zich nu maar op. Wat was er in zijne ziel iets
anders voor hen allen, voor die millioenen, waarvan hij er misschien
maar duizenden gezien had en maar honderden kende, dan éene groote
liefde, die overal armen naar hen uitsloeg, om ze te omhelzen? Had hij
dit niet gevoeld, daar in den zwarten nacht op het Therezia-plein?
Waren haat en geweld voor hem? Neen, o neen; week was hij, misschien tè
week, te weifelend, maar hij zoû ouder, hij zoû sterker worden; hij zoû
willen willen, àllen zoû hij gelukkig maken. O, zoo ze maar van hem
hielden, hem liefhadden met hunne groote massa van deinende, zwarte,
schuimende menschenmenigte: zwarte melkweg van krioelende zielen,
iedere ziel een vonk als zijne eigene; o, zoo ze hem maar liefhadden!
Maar zij moesten hem niet haten, niet aanzien met zulke
bloeddoorschoten oogen van haat, niet zulke grove, harige vingers slaan
aan zijn hals, hem niet willen vermoorden, o God, willen slachten als
een rund, met een gemeen mes, hem, hun aanstaanden vorst...!

En hij voelde, dat ze hem niet hoorden en niet kenden en niet begrepen
en niet liefhadden, die allen, en dat ze hem haatten, alleen uit
instinct, omdat hij op hun troon geboren was!

En zijne wanhoop, hierover, mat zich uit, grenzenloos, woestijn van
zwarten nacht, die hij eeuwigheden ver om zich heen ried, en hij
snikte, snikte, als een ontroostbaar kind, omdat dit zoo was, en
wanhopiger worden zoû, iederen dag, die hem nader brengen zoû zijn
toekomst van keizer en hùn toekomst: de treurige dag, die over eene
verwoesting van oude wereld lichten zoû...

Toen werd er geklopt aan eene kleine deur, die deur zacht
opengemaakt...

—Wie is daar? vroeg hij, verschrikt, voelende den inbreuk op etiquette;
niet begrijpende, dat Andro door de antichambre niet kwam aankondigen,
wie het ook zijn mocht.

—Als Uwe Hoogheid vergunt...

Hij herkende de zachte stem der hertogin, stond op, ging naar de deur.

—Kom binnen, mevrouw...

Zij kwam binnen aarzelend; voor de kille gangen van het kasteel had zij
over haar gedecolleteerde borst een langen mantel omgeslagen...

—Vergeef mij, Hoogheid, als ik inbreuk maak... als ik U stoor...

Hij glimlachte, zeide van neen, verontschuldigde zijn kostuum, verrast,
gestreeld...

Zij zag, dat zijne oogen nat dreven.

—Ik ben onbescheiden, sprak ze: maar ik kon het niet laten; ik wilde
voor mij zelve weten, hoe U was, Hoogheid... Misschien heb ik U ook
willen verrassen, ik weet het zelf niet. Iets drong mij... ik kon niet
nalaten naar U toe te gaan. U is mijn gast en mijn kroonprins; ik
smachtte er naar zelf te zien, hoe U was... Aan het diner hield Uwe
Hoogheid zich goed, maar ik voelde...

Hare stem vloeide zacht eentonig voort, als in druppelen van balsem.
Hij vroeg haar te gaan zitten; zij deed zoo, hij zette zich naast haar;
de donkere mantel gleed af en zij was prachtig, de borst bloot, sirene
in haar parelmoêrachtig lichtgroen moiré. Het trof hem, dat zij de
juweelen, die zij aan het diner gedragen had, al had afgelegd.

—Ik woû stil tot U komen, door die deur daar, hernam zij; om U nog
eens, tot U alleen, te zeggen hoe innig dankbaar ik ben, dat Uwe
Hoogheid behouden bleef...

Hare stem trilde; hare zwarte blikken werden vochtig; de schijn der
groote kaarsen op zilveren luchters waterde over de zijde van haar
toilet, speelde met zacht licht en dommelige schaduw in de modelleering
van haar gelaat, in de glooiing van hare borst.

Hij drukte hare hand; zij hield die vast.

—Uw Hoogheid schreide, toen ik binnenkwam? vroeg ze zacht.

Zijne tranen liepen nog; een snik schokte nog zijn lichaam omhoog.

—Waarom? vroeg zij verder. Of ben ik onbescheiden...?

Hij zag haar aan; in dit oogenblik had hij haar alles kunnen zeggen. En
zoo hij zich inhield, gaf hij haar toch de essence zijner smart.

—Ik was treurig, sprak hij, omdat ze mij schijnen te haten. Niets maakt
mij zoo treurig, als hun haat.

Zij zag hem lang aan, voelde zijn verdriet, begreep hem met haren tact
van vrouw, met haar begrip van hovelinge, dat gerijpt was in de
onmiddellijke nabijheid harer vorsten. Zij begreep hem: hij was de
kroonprins, hij moest lijden zijn bizonder kroonprinselijk leed; een
keizerskelk van smart moest hij ledigen. Het heugde haar, dat zij zelve
geleden had, zoovele malen en zoo hevig, om liefde, vrouw van passie,
die ze was; ze begreep, dat zijn leed anders was dan het hare, maar
ontzettender zeker, daar het hem zoo jong al aangreep, en daar het niet
was om zijn eigen éene ziel, maar om de millioenen zielen van zijn
rijk! Ook zij had geleden, dat men haar niet liefhad; ook hij leed zoo.
En zoo begreep ze hem, in éen oogwenk geheel en al, met geheel haar
vreemd vrouwehart.

Een trillend medelijden klom als nog niet gekende wellust haar op de
borst, en als een innig zacht orakel sprak ze de woorden:

—Ze haten U niet allen...

Hij herkende hare sombere passieblikken van gisteren. Hij herinnerde
zich haar zoen. Hij zag haar lang aan, even weifelend nog voor het
onbekende. Toen breidde hij zijne armen uit, en als met een doffen
schreeuw van wanhoop, schor van honger naar troost, riep hij haar tot
zich in radeloosheid...

—O, Alexa...

Zij glimlachte eerst, glansde, wierp zich toen geheel in zijne jonge
armen, verpletterde hem daarna aan hare bloote borst. Zij voelde zich
als een maagd en als eene moeder samen. Maar toen hij zich vastklampte
in wilde wanhoopspassie aan haar, voelde zij zich niets dan minnares.
Ze wist, dat hij hare laatste liefde zoû zijn. Ze was er trots
weemoedig om en helsch gelukkig. Als hagel kletterden hare zoenen op
zijne oogen neêr...

En in hunne liefde, dien nacht, mengden zij samen den alsem van wat zij
beiden leden: elk zoekende den troost voor het leven in den ander.



IX.

                    Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid
                    Othomar, Hertog van Xara, te Lycilië.

                                          Lipara, Imperiaal, April 18..

    Mijn lieve Broêr!

Voor die vervelende couranten het je vertellen, wil ik je zeggen, dat
onze geëerbiedigde Vader en Keizer, mij van morgen, op mijn tienden
verjaardag, tot ridder van St. Ladislas geslagen heeft in de Ridderzaal
van het paleis. Je begrijpt, hoe trotsch ik er op ben. Van de
plechtigheid zal ik je maar niets vertellen, omdat je je die nog wel
herinneren zal. Ik was zeer aangedaan, zoo tusschen al die groote
ridders met hun lange, blauwe mantels, naar onzen Vader toe te wandelen
en te knielen voor zijn troon; ik had mijn nieuwe uniform aan van
luitenant van de Garde. De wapenkoning, de markies van Ezzera, hield de
ridderwet voor op een kussen, waarop ik den eed zwoer. Ik zal wel wat
klein geweest zijn, met mijn kleinen mantel—het kruis van St. Ladislas
was er echter even groot op als bij alle anderen—ik voelde dat zij
allen zoo op mij neêrkeken, en dat is geen prettig gevoel, als je de
held van den dag bent. Maar ik ben natuurlijk ook de jongste ridder,
dus mag ik wel wat kleiner zijn. Den degen, dien onze Vader mij gaf, is
dan ook wat kleiner dan die van de andere ridders, maar het gevest is
nog al mooi en schittert van kostbare steenen. Ik geloof echter, dat ik
de scheede van jouw degen mooier gecizeleerd vind, maar als ik achttien
jaar ben,—dat is dus over acht jaar!—krijg ik toch een anderen degen en
natuurlijk een anderen mantel ook.

Mama was vreeslijk ontsteld en zenuwachtig, toen zij van dien man
hoorde, die je heeft aangevallen, en ze woû hebben, dat je dadelijk
terugkwam, omdat het daar niet veilig scheen te zijn; en ze begreep
maar niet, dat dat niet kon. Maar veilig, wat is er nu veilig! In den
oorlog ben je toch ook niet veilig, en hier in het Imperiaal zelfs ook
niet. Aan die veiligheid moet je maar niet zooveel denken, vind ik,
maar natuurlijk: Mama is een vrouw, en daarom denkt ze anders dan wij.
De standjes en de staat van beleg maken haar ook zenuwachtig, maar ik
vind het wel aardig; het is nu alles militair, weet je? Die Von Fest is
een flinke vent; het zoû me plezier doen, hem eens de hand te schudden
en hem zelf te bedanken; nu ik dat niet kan doen, verzoek ik je
nadrukkelijk het voor mij te doen, en het vooral niet te laten. Je weet
zeker wel, door generaal Ducardi, dat Papa hem Commandeur van den
Rijksappel wil maken; wat jammer, dat we hem niet ridder van St.
Ladislas kunnen slaan, maar dan zoû hij natuurlijk Lipariër en geen
Gothlander moeten zijn.

Nu, lieve broêr, moet ik eindigen, want kolonel Fasti wacht mij voor de
schermles. Doe mijn beste groeten aan Herman en generaal Ducardi, en
groet de anderen voor mij; en wees zelf innig omhelsd door je
liefhebbenden broêr


    Berengar.
        Markies van Thracyna,
        (Ridder van St. Ladislas.)



DERDE HOOFDSTUK.


I.

Het was na de opening van het nieuwe Parlement; de zon vloeide als met
rechte vakken gesmolten goud langs de witte paleizen der stad en
blauwde alleen wat schaduw was, in de hoeken.

In twee maal twee gelederen, opgesteld langs de trottoirs der
hoofdstraten, die voerden van het Paleis der Parlementen tot het
Imperiaal toe, stonden twee regimenten der infanterie, grenadiers, rood
en blauw. Achter ze drong en woelde, joelde de menigte; alle vensters,
open, wemelden vol gezichten; van alle balkons zag men toe. Een schot
daverde van Wenceslasfort aan zee; de keizer keerde terug; compagnie na
compagnie prezenteerde de infanterie het geweer...

De lanciers voorop, blauw en wit, wemelend met wimpels aan de punt van
de lans, zes escadrons. De geheele Garde van den Troon; wit, met
kurassen van spiegelend goud, zonneflitsend boven het satijnzwart der
hengsten, de hellebaard op de dij, omstuwend de zacht wiegelende
galakoetsen, zwaar verguld en spiegelkristal, flonkerend en twee
gekeizerkroond, met zes- en achtspannen van gepluimkopte schimmels. De
paarden schuimen op hunne gebitten, ongeduldig, pezig gebogen de
pooten, trappelend om den langzamen stap van ceremonie, over de
verblindend vierkant geplaveide straten heen. In de eerste koets, de
opperceremoniemeester, graaf de Threma; in de tweede met de kroon en
het achtspan—en het gegons van gejuich stijgt op achter de haie der
soldaten—de keizer, de uniform éen goud, den mantel hermelijn en
scharlaken, de kroon op het hoofd. Het is de eenige maal, dat het volk
hun keizer gekroond ziet.

En het juicht. Maar de keizer groet niet terug; links en rechts,
beurtelings, ziet hij door het kristal van de koets naar de menigte met
een trotschen glimlach van zelfbewustheid en overwinning, en zijn
gelaat, vol ras, vol kracht, koud van wil, trotsch van gezag, is
ongenaakbaar in zijn glimlach als van een imperator, op zijn zegetocht.

Zegetocht is ze, die gang van het Paleis der Parlementen naar zijn
Imperiaal terug; zege over wat men hem betwistte, en waarop hij nu zijn
zware hand gelegd heeft, hun allen toonende, dat de wil van hem alleen
hen buigen kan naar zijn woord en wensch. En het gejuich stijgt luider
op en luider uit die grillige menigte, bedwongen als een vrouw door een
heerscher, dien zij nu aanbidt om zijn kracht, bewondert om zijne
keizermacht, welke hij steunt van het Parlement tot zijn eigen paleis
toe, als met een geheel leger, dat leeft op zijn wenk; en luider en
luider, luider en luider, galmt het leve door den zonmiddag de marmeren
huizen te boven, en de keizer glimlacht, glimlacht altijd, of zijn
glimlach meent: juicht, ge kunt wel niet ànders dan juichen...!

In de volgende koets de hertog van Xara, gemanteld, gekroond; strak
staart hij over het galmend gewoel met den zelfden blik van zijne
moeder over de volksmenigte. In de daarop volgende de nieuwe
gouverneur-generaal der rezidentie, chef van het Militaire Huis van den
keizer, de hertog van Mena-Doni, ruwer soldaat en minder hofman dan de
Markies van Dazzara, en onder wiens militaire vuist de blanke
rezidentie, als een geranselde slavin, krom heeft gekropen tijdens den
staat van beleg, afgekondigd na éen enkel uur van ongeregeldheid, dat
had durven volgen op het besluit van den keizer om het Huis der Standen
te ontbinden. Zijn grove, zinnelijke mond glimlacht ook met den zelfden
glimlach van den keizer, wiens ruwe kracht hij schijnt te
verpersoonlijken, en ook hij schijnt te zeggen: juicht maar toe, roept
maar: leve!

Dan de volgende koetsen: De Rijkskanselier, graaf Myxila; de ministers;
zeven onder hen de zelfde der twaalf, die hadden willen heengaan, de
anderen onder de autoritairsten van den ouden adel van het Huis van
Adel zelve gekozen!

Juicht maar toe, roept maar leve...

Achter de koetsen der opperhofdignitarissen de kurassiers van Xara, het
eigen regiment van den kroonprins; daarachter een regiment der
Colonialen: Afrikanen; moorwit als glimmend ebbenhout, de oogen kralen,
de monden dik vooruit, in het mousseline-achtige sneeuw der burnoussen;
achter hen twee regimenten huzaren op zware paarden, in hun lange
groene jassen met gouden brandebourgs en hooge kolbakken.

Is ooit het Parlement zoo geopend geworden, met zulk vertoon van
strijdbare macht? En buiten de stad, op het hooge Marsveld, weet het
volk niet, dat er troepen uit alle gouvernementen zijn samengetrokken,
en er kampeeren, om de manoeuvres, die vervroegd zijn? En de sterkere
bezetting der forten, het eskader in de haven? Voelt het volk zelve,
dat het niet anders dan juichen kàn, en juicht het nu maar ook, zelve
weêr gelukkig om zijn gejuich, met Romaansche buigzaamheid en
zuidelijke inschikkelijkheid, en verliefd op den keizer om het gewicht
van zijn pletterende vuist, den kroonprins beminnend om de sympathieke
innemendheid van zijn doen in het Noorden; misschien wel: omdat zij hem
interessant vinden na een mislukten aanslag op zijn leven?

En het schijnt hun niet te deeren, dat zij door de, geweer
prezenteerende, grenadiers heen noch den keizer, noch den kroonprins,
groeten zien; zij juichen, hen, ondanks, òm hunne koelheid misschien
beminnend; zij juichen als dollen...

Langzaam gaat de stoet van ceremonie door de eindeloos lange
hoofdstraten voort. De geheele stad, trots haar marmer, dreunt van den
hoefslag der paarden, op het vierkant plaveisel. Tusschen de voorhoede
en de eindelooze achterhoede schemeren de galakoetsen met hare
schitterende Troongarde als iets van juweel, klein, weinig, zorgvuldig
bewaakt. De cavalerie is op dit oogenblik de ziel van Lipara; de
daverende stap haar hartslag, en tusschen de grenadiers en de hooge
huizen, schijnt het samengedrongen, dóórjuichende volk nauwelijks
ruimte te hebben tot ademen.

De stoet nadert het Imperiaal. Langs het kolossale marmeren voorplein
scharen zich de lanciers en kurassiers aan drie zijden, voor de
zijvleugels en langs de facade. Vóór hen schaart zich de Garde. De
Afrikanen sluiten het plein af...

De koetsen rijden voor; de keizer is uitgestapt. Met den kroonprins aan
zijne zijde, gaat hij door de vestibule, de trappen op. De galerijen
van het paleis wemelen van gouden uniformen, een dicht gevolg stuwt
zich achter Oscar en Othomar. De grootmeester van de garderobe met
twaalf kamerjonkers treedt den keizer tegemoet, die, evenals de prins,
de kroon aflegt; de mantels worden hun losgehaakt.

Zij gaan naar de groote Witte Zaal, wit van de Corinthische zuilen, met
vergulde kapiteelen; de keizerin, de prinses Thera, te midden van hare
dames zijn daar. Het is een groote dag; de monarchie triomfeert met die
zonne-apotheoze van parlementsopening over de dreiging van toekomst
heen en duwt die toekomst zelve terug. De keizerin, in haar slepend
licht violet fluweel, treed haar gemaal tegemoet en nijgt voor hem, in
ceremonie. De prinses, de grootmeesteres, de dames nijgen...

Buiten, vóór, is het plein nu gevuld met de menigte; een opgewonden
volksgeschreeuw schalmeit tegen het onwrikbaar paleis op, als eene zee
tegen een rots. De deuren van het middelbalkon worden geopend. De
keizer en de prins zullen zich vertoonen...

—Groet maar héel even, fluistert de keizer streng tot zijn zoon.

De zon regent buiten goud neêr op het gewoel, kleurt het dwarrelig,
bewegelijk, zuidelijke bont tusschen de witte, onbewegelijke
voor-zijvleugels van het Imperiaal, waarvan de kariatyden roerloos
neêrzien. De vorsten stappen op het balkon. De hoeden zwaaien naar hen
op; het geschreeuw bulkt met éen luidruchtig vulgairen keelgalm naar
boven en schoot door de open deuren tegen het verguld plafond en de
zuilen der Witte Zaal aan. De keizerin verschrikt er om, verbleekt;
hare adem stokt...

Op het balkon groet de keizer van Liparië met een enkele wuiving van
hand zijn opgetogen volk tegen, de hertog van Xara buigt licht het
hoofd.



II.

Van Grondwetherziening en hervorming van het erfelijk Huis van Adel was
geen sprake meer. De drie kwart constitutioneele meerderheid, door de
Grondwet vereischt in het Huis der Standen om zulk een voorstel in
overweging te kunnen nemen,—in den aanvang aanwezig,—bestond niet meer
na de nieuwe verkiezingen. Oscar, aanstonds na zijne terugkomst uit
Altara, had hun zijn durvende kracht getoond. De troepen verzameld om
Lipara; nu goed, voor de manoeuvres, om den koning van Syrië, die komen
zoû. De forten versterkt. Het eskader in de haven. Toen het keizerlijk
besluit, dat het Huis der Standen eenvoudig... zoû worden ontbonden.
Hoe ze geschreeuwd hadden, na de afkondiging van dat besluit, in
couranten en op straat! Een oogenblik ’s avonds iets van een oproer.
Maar de keizer, woedend, over het niet onmiddellijk krachtdadig
optreden van den markies van Dazzara, had dezen den volgenden morgen
zijne hooge ontevredenheid betuigd. De markies voelde, dat er met de
ongenade van den keizer op zekere oogenblikken niet te spotten viel; de
keizer deelde hem zelve op staanden voet zijn ontslag mede, en zeide,
dat hij gaan kon. Verpletterd, de wanhoop in de oogen, verliet de
markies het Imperiaal; op het voorplein kruiste zijn rijtuig dat van
den hertog van Mena-Doni, luitenant-generaal der huzaren; hij zag den
sensueelen Nerokop van den hertog, begeerlijk van ambitie, opgluren
naar de façade van het paleis. De markies had zich in den hoek van zijn
rijtuig teruggegooid en handen gewrongen, geweend als een kind...

Dien zelfden morgen werd Lipara in staat van beleg verklaard; de hertog
van Mena-Doni tot gouverneur der rezidentie benoemd. Met groot militair
vertoon en drie woorden toespraak ontbond de keizer het Huis der
Standen. Het volk trilde, afgezweept, neêrgeranseld, tot kruipen
gebracht aan de keizerlijke voeten. De nieuwe verkiezingen werden
uitgeschreven. Moest het volk getuchtigd worden om zijn keizer lief te
krijgen? Was het om de tallooze artikels in de couranten der
Noordelijke gouvernementen, Altara, Vaza en Lycilië, die geheel hare
sympathie schonken aan hun allerinnemendsten, weldoenden kroonprins,
onvermoeid overal zijnde en lenigend wat hij kon? Was het om de
kolossale fabelachtige giften van millioenen uit de keizerlijke kas
zelve geschonken voor de slachtoffers van de ramp? De uitslag der
verkiezingen werd bekend; het Nieuwe Huis der Standen telde eene
machtelooze luttele meerderheid van constitutioneelen. Wat hielp het of
de liberale bladen schreeuwden van geknoei en pressie! Buiten en binnen
de stad lag het leger; iederen dag vertoonde zich de keizer, en aan
zijne zijde, de hertog van Mena-Doni...

De keizer verzocht het oude Ministerie te blijven, maar ontsloeg de,
niet volstrekt autoritaire, ministers.

De crizis was ten einde. Op het Marsveld zouden de groote
voorjaarsmanoeuvres plaats hebben, zoodra de koning en de koningin van
Syrië te Lipara waren.

In Othomar rees eene hooge bewondering voor zijn vader. Hij had hem
niet lief, met de teederheid, de vertrouwelijkheid, bijna nog
kinderlijke aanhankelijkheid, waarmeê hij de keizerin liefhad; hij had
altijd tegen hem opgezien, was als kind bang voor hem geweest. Nu, na
den persoonlijken moed, dien hij den keizer had zien betoonen, de
heerscherskracht, die hij had uitgeoefend, rees zijne Majesteit voor
Othomars oogen hooger als met de gestalte van een halfgod. Zichzelven
voelde hij daar klein mensch bij, als hij dacht: wat zoû ik gedaan
hebben, als ik hierin had moeten doen? Had ik dadelijk het besluit
durven nemen van eene ontbinding der Standen, en zoû ik niet gevreesd
hebben voor een onmiddellijke revolutie in alle deelen des lands? Zoû
ik, na de ongeregeldheden, dadelijk den markies van Dazzara hebben
kunnen ontslaan, als een lakei hebben durven wegzenden, verknocht als
hij was aan ons Huis, en stammende uit onzen roemrijksten adel! Zoû ik
dien hertog, dien condottiere, met zijn wreeden kop, nog vóor ik den
markies had ontslagen, reeds tot mij hebben durven roepen, zoodat de
een kwam, toen de ander wegging!

En, in zijne verbeelding, zag hij zich reeds weifelen; niet weten, wat
het beste, vooral niet wat het rechtvaardigst zoû zijn; stelde hij
zichzelven voor: geraden door den ouden graaf Myxila, ten laatste dan
besluiten de Standen te ontbinden, maar den markies niet ontslaan.
Lipara niet in staat van beleg verklaren, en de troepen te laat
verzamelen, en de revolutie tegelijkertijd overal zien ontknallen als
met bom op bom...

Het rechtvaardigste, dit scheen hem het allermoeilijkst te doen voor
een vorst.

Maar de monarchale zege van den keizer maakte dat, hoe waar hij ook in
zichzelven zijne zwakte zag, een weêrschijn van kracht en beslistheid
op hem afstraalde van zijn vader zelven, aan wiens zijde hij stond.
Daarbij had hij niet veel tijd tot peinzen. Iedere dag bracht zijne
eigenaardige plichten meê. Nauwelijks éen enkel uur eenzame rust kon
hij zich maken. Hij was gewend aan dit leven van zich altijd bewegen,
zich altijd voordoen, nu hier, dan daar, er zoo aan gewend dat hij niet
voelde de vermoeienis, die hem reeds vóór de tournée in het Noorden
afmatte, en zich als ingekankerd had in zijn merg en zijne zenuwen. Hij
dacht over die vermoeienis niet na, beschouwde ze misschien als eene
organische loomte, iets tijdelijks, dat wel zoû overgaan. En iedere dag
bracht het zijne. Zoo was hij gewend vroeg op te staan, altijd om zeven
uur; Lipara lag dan nog in haren rozen sluimer van morgenlicht, stil
wit; hij reed dan op zijn volbloed Arabier, zwarten Emiro,—even achter
zich zijn lievelings-Schotschen-herdershond, meê galoppeerend, den
spitsen snuit gestrekt, den kraag van haren hoog opgezet—; zonder
adjudanten ging hij het park van het Imperiaal door, naar de
Elizabethparken—des middags het rendez-vous der elegante equipages en
cavaliers,—des morgens stil en wijd verlaten, met nauwelijks éen
enkelen vroegen ruiter, die eerbiedig voor den prins front maakte en
den hoed diep afnam. Dan reed hij langs de witte kaden met hare villa’s
en palmen, hare terrassen en aloë’s en de onvergelijkbare haven lag
voor hem, steeds intenser opblauwend onder het roze licht van den
morgen, dat straffer werd. Verder op, de dokken, de schepen; daar
gonsde er al de werkzaamheid. Langzaam stapte hij de haven langs; in de
portieken der villa’s zag hij soms iets van de figuur eener vrouw, en
hare oogen hem nakijken door rozen en clematis heen. Die rit was hem
lief, om de zachte frissche lucht, om zijn paard, zijn hond, om de
eenzaamheid met hen beiden, om de lange stille kaden, den wijden
stillen hemel, den verren horizont, die nog even nevelde in laatsten
morgenmist. De morgenbries aanwaaide zijn voorhoofd onder zijn
uniformpet; de gedachten dwaalden doelloos door zijn brein. Dan schudde
hij zich los uit dien wellust, reed terug naar de stad en ging naar de
Xaveriuskazerne, die der lanciers, naar de Wenceslaskazerne, der
grenadiers of naar de Berengarkazerne, die der huzaren. Hier vroeg hij,
onderzocht hij, inspecteerde hij, en vond er zijne adjudanten, Dutri en
Leoni; met hen reed hij terug naar het paleis, en begaf zich naar het
kabinet van zijn vader; het was het uur, dat graaf Myxila bij den
keizer kwam, en de staatszaken met den Rijkskanselier behandeld werden;
de kroonprins was daarbij den laatsten tijd tegenwoordig. Dan zocht hij
de keizerin op, die hem wachtte; het was meestal een allerliefst
moment, dat zij samen vertrouwelijk waren vóór het lunch; vol charme
van intimiteit. Dicht zat hij naast haar op een lagen stoel, nam hij
hare hand, stortte de bezwaren van zijn hart bij haar uit, deelde haar
mede zijn onrust over de toekomst, over zichzelven als hij later zoû
dragen de kroon. Zijne oogen tuurden dan onder op door hunne wimpers,
met hunne zwarte melancholie; zijne stem klaagde en vroeg om troost. En
zij bemoedigde hem; zij zeide, dat niets gebeurde, dan wat gebeuren
moest, dat alles noodzakelijk was in de groote, schalm aan schalm
aaneengeschakelde, wereldorde; dat hij af moest wachten, maar
tegelijkertijd naar zijn eigen gevoel zijn plicht moest doen, en dat
hij zich niet ontzenuwen moest, door zulk eindeloos, niets oplossend
gepeins. Hij zeide haar, dat hij zoo bang was voor zijne eigen
weifelingen, en hoe hij vermoedde, dat zijne besluitnemingen altijd te
laat zouden komen en zij antwoordde hem zacht lachend, dat zoo hij zóo
goed zijne eigen gebreken kende, hij zich moest trainen in beslissen;
hij vroeg haar naar de rechtvaardigheid—de onmogelijkheid voor hem op
aarde—zij wees hem op zijn eigen gevoel van menschelijke ziel. Maar
toch, hoe innig zoet deze uren waren, hij voelde, dat hij de zelfde
bleef onder hun gewissel van woorden, en dat, zoo de woorden gewisseld
waren, er niets in hem veranderd was. Hierom vond hij zich slecht en
meende hij, dat hij zijne moeder niet genoeg liefhad, met niet genoeg
overtuiging. Dan zag hij haar aan, zag haar glimlachen, ried onder
haren glimlach dien nerveuzen angst, die haar nooit meer los zoû laten,
en voelde, dat zij zoo alleen sprak om hèm, om hem op te beuren en niet
uit overtuiging. En de gedachten dwaalden niet meer losjes door hem
heen, als op zijn morgenrit aan de kaden: ze vielen als fijne nevels op
elkaâr in zijn verbeelden en vormden zijn weemoed.

Het lunch was intiem. Na het lunch pozeerde hij een uur voor Thera, die
schilderde en zijn portret maakte. In den namiddag waren er altijd
verschillende bezigheden; tentoonstellingen, liefdadige instellingen,
inrichtingen van allerlei aard te bezoeken, den steen te leggen van een
gebouw, een oorlogschip te laten loopen van stapel. Iedere minuut was
gevuld, en iederen dag vulde zijne minuten anders dan de vorigen. Het
diner werd altijd met groote etiquette en splendeur gebruikt; iederen
dag waren er talrijke genoodigden, diplomaten, hooge ambtenaren,
officieren. Het duurde lang, was iederen dag het ceremonieel gastmaal
van een keizer. Dan des avonds de feesten aan het hof, of ten huize der
ambassadeurs of dignitarissen; de comedies en concerten. De prins bleef
echter nooit laat. In zijn eigen kabinet zat hij dan nog een paar uur
te lezen, te werken; hij ging om twaalf uur naar bed.

Aan dit leven van eentonige afwisseling was hij gewend, er in gegroeid.
Zoodra hij van Lycilië terug was te Lipara—de stad toen nog in staat
van beleg—wachtte het hem drukker dan ooit; de opening van het
Parlement was gauw op zijne terugkomst gevolgd. De keizer was tevreden
geweest over de houding van den kroonprins in het Noorden, misschien om
den lof, die de Noordelijke couranten den hertog van Xara, vol
sympathie, schonken; om zijn oogenblik van populariteit. Hij wilde zijn
zoon meer en meer laten deelen in de staatszaken en sprak meer met hem
over ze, alleen of met den Rijkskanselier. De strenge maatregelen
echter van ruw geweld, die de hertog van Mena-Doni genomen
had,—hijzelve te Lipara, en zijne officieren te Thracyna: hevige
charges der huzaren op de dringende menigte—waren Othomar tegen
geweest: hij had ze met wanhoop en smart vernomen, en toch geweten, dat
met zachtheid niets ware verkregen. En in zijn opzien tegen den keizer,
als tegen een halfgod van wil en van kracht, mengde zich iets van
antipathie en onwil, dat hem van zijn vader stiet, en moeilijk maakte
gedachtewisseling tusschen hen beiden.

Nu, na de opening van het Parlement, was de stad, het geheele land,
kalm geworden; de troepen echter bleven op het Marsveld, voor de
aanstaande manoeuvres. De komst der Syrische vorsten was bepaald.
Othomars dagen volgden zich weêr op als vroeger. Verschillende diners
werden hem aangeboden, door de officieren der Garde van den Troon, en
der andere corpsen, waarin hij zijn rang bekleedde. Ja, het was zijn
oogenblik van populariteit. Men citeerde reeds, dat zijn bijnaam later
zoû klinken als Othomar de Weldadige. In deze dagen legde hij den
eersten steen van een groot Huis der Armen, tot welker stichting de
erfenis van een schatrijken, kinderloozen hertog—een der oudste
geslachten van Liparië, dat uitstierf,— millioenen had bijgedragen.

Othomars zachtheid maakte een innemend contrast met de, juist
uitgeoefende, ruwe kracht van Oscar. Hijzelve was echter innerlijk zeer
verbaasd over zijn roep van weldadigheid; hij deed gaarne goed, maar
voelde zucht tot goed-doen niet als hoofdtrek van zijn karakter in
zich. Hij voelde integendeel géen hoofdtrek in zich.

Na het diner hem door de officieren van den Staf aangeboden, zoû
Othomar des avonds met Ducardi, Dutri en Leonie gaan naar den hertog
van Yemena, om den opperhofmaarschalk officieel dank te zeggen voor de
gastvrijheid hem op Castel Vaza betoond. De hertog bewoonde in Lipara
een groot nieuw hôtel; zijn oud familiehôtel was te Altara.

Het was negen uur. De kroonprins werd nog niet verwacht. De hertog en
de hertogin echter ontvingen reeds hunne invité’s; de hertogin had,
toen Othomar zijn bezoek had doen aankondigen, talrijke uitnoodigingen
gedaan. De ruime receptiesalons vulden zich. Bijna geheel het corps
diplomatique was tegenwoordig; enkele der ministers en groote charges
van het hof, met hunne dames; de oude gravin Myxila en hare dochters,
tal van officieren. Het was de intime kring van het Imperiaal; eene
brutale gemeenzaamheid ging onder hen om, met het sans-gêne, dat in de
mode was.

Bij de hertogin stonden Lady Danbury, de vrouw van den eersten
Engelschen secretaris en de markies van Xardi, de zoon van den hertog.
Zij praatten druk over de Dazzara’s.

—Ik heb ze gezien, zei Lady Danbury. Het is verschrikkelijk,
verschrikkelijk. Ze wonen nu op Castel Dazzara, die oude ruïne in
Thracyna, met hun vijf dochters, poor things! De plafonds vallen in.
Drie kromme oude bedienden in liverei, en de liverei ouder nog dan de
bedienden. En schulden, naar men zegt, schulden! Ik stond verbaasd, dat
de markiezin zóo oud was geworden: ze heeft het zich vreeselijk
aangetrokken, schijnt het.

—Oud geworden? vroeg de hertogin. Ik vond haar nog zeer jong, den
laatsten keer, dat ik haar zag...

Ze haatte Lady Danbury, die lang, mager en spits van trekken was, en
iets had van een gracieuze adder. En ze vervolgde:

—Ze zag er nog zoo goed uit; ze is tenger, maar ze heeft een prachtigen
hals... Ik begrijp heusch niet, dat ze zóo oud kan zijn geworden...

En als peinzende over dit raadsel, tuurt de hertogin naar de te magere
schouders van Lady Danbury.

De oogen van Xardi schitteren; hij vermoedt een schermutseling.

—Men zegt, dat de markies un de vos intimes was, vroeger, niet waar?
insinueert de Engelsche. Het hatelijke “vroeger” valt Xardi echter
tegen.

—Ik hoû veel van de Dazzara’s, zegt de hertogin; maar... en ze lacht
geheimzinnig met bedoeling; hij is altijd een ongeluksvogel geweest...

—Zijne Excellentie, den hertog van Mena-Doni! kondigt de hofmeester
aan.

—De opgaande zon! fluistert Xardi tot Lady Danbury.

Mena-Doni buigt zich reeds voor de hertogin, die hem tegenlacht. Lady
Danbury, aan de zijde van Xardi, is doorgegaan.

—En de geluksvogel, denkt u? vraagt ze.

—O neen! zegt Xardi beslist. Ten minste, niet heelemaal...

Ze zien elkaâr aan, en lachen.

Keizerlijke adelaren blijven toch de mooiste vogels, niet waar?
schertst Lady Danbury.

—Wat weet u daarvan?

—Helaas, mijn nederige persoon niets. Eer ik het zoover in zoölogie
breng...!

—Maar wat heeft u dan gehoord?

—Wat iedereen hoort, als Dutri niet zijn mond kan houden.

—Omtrent wat?

—Omtrent zeker teeder afscheid op Castel Vaza...

De markies van Xardi schatert van het lachen. Lady Danbury klemt in
eens zijn arm.

—Zeg, Xardi, ik weet wel mindere tengere personen, dan de markiezin van
Dazzara, die zouden vervallen om de keizerlijke disgrâce. Et toi?

De markies lacht luid meê, en:

—Zelfs maar een kroonprinselijke... fluistert hij, achter den
Watteau-waaier van Lady Danbury; ze proesten van het lachen samen.

—Zijn Keizerlijke Hoogheid, de Hertog van Xara; hunne Excellenties,
graaf Ducardi, prins Dutri, de markies van Leoni! luidt het plechtig,
langzaam aangekondigd.

Er ontstaat eene lichte emotie in de groepen. Men schaart zich en haie
door de zaal; een paar dames verwarren zich in hare slepen en lachen.
Zoo wacht men.

Othomar verschijnt aan de opene deur; Ducardi, Dutri en Leoni zijn
achter hem. De oude hertog haast zich den prins tegemoet; de markies
van Xardi heeft Lady Danbury haastig haren waaier in de hand geduwd, en
voegt zich bij zijnen vader.

De oude hertog is een fijne magere man, vol geäffineerd ras, met geheel
gladgeschoren gelaat; hij is eenvoudig in rok, met het breede groene
Commandeurslint van den Rijksappel dwars over de borst, en het
grootkruis van St. Ladislas om den hals.

Othomar draagt zijn groot-uniform van chef van het regiment der
kurassiers van Xara: zilver, rood en wit. Zijn helm met vederbos houdt
hij onder den arm. Hij drukt den hertog de hand, spreekt hartelijke
woorden tot hem. Maar in de naïveteit zijner jongensziel voelt hij
bittere wroeging knagen aan iets van geweten, nu hij zoo spreekt van
Castel Vaza, nu hij de innige betuigingen van den hertog aanhoort. Ook
den markies van Xardi drukt Othomar de hand.

Nu is ook de hertogin nader gekomen en begroet zij den kroonprins met
hare beroemde nijging. Lady Danbury benijdt heure gratie en vraagt zich
af, hoe ze mogelijk is met die sculpturale vormen: ze kan zich niet
ontkennen, dat de hertogin van Yemana een splendide vrouw is...
Tusschen den hertog en de hertogin gaat de prins door de haie der
gasten, die buigen; de markies van Xardi volgt met de adjudanten.

Othomar heeft de hertogin na zijn terugkeer in Lipara wel eenige malen
in het Imperiaal gezien, maar niet alleen. Zij wisselen nu hoffelijke
woorden, met officieele stembuiging en klank. De groepen vormen zich
weêr, als op een intimen raôut.

De hertogin is met Othomar verder gegaan, tot de lange serre toe,
weinig verlicht, groen schemerend, met het voornaam palmgeblader der
groote planten, met het fijn gewemel der bamboezen, die tegen de
vierkante ruiten parelen dauw aanademen. Zij zwijgen een oogenblik,
zien elkaâr aan. En Othomar voelt, dat zijne aandoeningen om deze vrouw
niets zijn dan vluchtende momenten, wolkjes in zijne ziel. Het
onbekende is voor hem opengegaan, maar werd hem désilluzie. Toch is hij
haar dankbaar voor wat zij hem gaf: den troost harer passie, toen zijne
oogen nog nat van verdriet waren. Zij heeft hem gesterkt door dien
troost en hem man gemaakt. Maar alles in het leven is dubbel en zijne
dankbaarheid heeft eene weêrzijde van zonde; hij ziet den hertog ginds
een druk gesprek, onderlijnd met fijne, prezieze gebaren, houden met
Ducardi; en de wroeging vlijmt zacht zijne jongensziel.

En naast zijne dankbaarheid, voelt hij zijne désilluzie. Liefde, is dit
liefde...? Hij voelt niets; in zijne ziel is niets nieuws gekomen. Hij
ziet hoe heerlijk mooi de hertogin is, in haar ivoorkleurig broché, den
sleep met donker bont omzet, de borst vierkant ontbloot, een ris
parelen om den hals. Het half-licht zweemt door de planten
sprookjesachtig groen langs haar heen met zachte dommeling en schaduw
vol geheim; haar gelaat is fijn glimlachend op den achtergrond van
gedoezeld donker. Hij herinnert zich haar zoen en de dolle omhelzing
harer armen. Ja, het was een zalige ontzenuwing, een dronkenschap van
het vleesch, nog niet gekende bedwelming, fyzieke troost. Maar liefde,
was het liefde...? En hij moest wel besluiten: misschien is het liefde,
en al voelt hij het gemis in zijne ziel, hij besluit toch: ja,
misschien is het dat... liefde.

—En wanneer zie ik Uwe Hoogheid weêr? fluistert ze.

De vraag is ruw gedaan en verwondert hem. Maar deze enkele seconde van
even-alleen-zijn is der hertogin zoo kostbaar, dat zij wel niet anders
kan. Ze ziet zijne verwondering en aanbidt hem om zijne naïveteit. En
hare oogen zien hem zoo dringend aan, dat hij antwoordt:

—Morgen dineer ik bij den Franschen gezant; daarna ga ik naar de
opera... Kan ik u om elf uur hier vinden?

Hij verwondert zich om den logischen gang zijner gedachten, om zijn
vraag, die hem zoo vreemd in de ooren klinkt. Maar zij antwoordt,
verlegen lachend:

—In Godsnaam, Hoogheid; hier niet, om elf uur! Hoe zoû dat kunnen...!
Maar... kom bij... Dutri...

Ze stamelt het; ze herinnert zich het weelderige appartement van den
adjudant en ziet er zich terug... met anderen. En in hare verwarring
merkt ze niet, dat ze hem zeer pijn heeft gedaan en zijne
teêrgevoeligheid als met scherpe nagels gekrast heeft; vooral merkt ze
dit niet, omdat hij antwoordt, verward:

—Goed...

Zij komen lachend, met hunne officieele, blanke stemmen terug, wandelen
langzaam; hij, zoo jong in zijn gezilverde uniform, den helm, waaraan
de veeren hangen, onder zijn natuurlijk bevallig geronden arm; zij,
opluikend in glans, den ivoorkleurigen sleep lang slepend achter haar
aan, den waaier van pluimen en brillant op en neêr slaand op haar borst
met het grein van Carrarisch. Alle oogen zien naar ze en letten den
triomf der hertogin op...

En Othomar weet nu, dat zijne “liefde” zal worden, wat men een liaison
noemt, en waarvan hij hoorde van die en van die, en waarvan hij las in
romans. Hij had zich deze regeling zoo nog niet voorgesteld. Hij weet
niet hoe hij aan Dutri zeggen zal, dat hij der hertogin ten zijnent
rendez-vous heeft gegeven, en als hij denkt aan den adjudant, brokkelt
iets van zijn ingeboren vorstelijkheid af als met kleine stukjes marmer
of albast van een tengere zuil...

Den hertog en den generaal naderend, spreekt hij over de aanstaande
manoeuvres. De hertogin ziet hij nu op een afstand en Mena-Doni buigt
zijn Nero-kop tot vlak bij haar gelaat. In zijne groote antipathie voor
dien man mengt zich jaloezie. En terwijl hij glimlachend naar den
hertog van Yemena hoort, meent hij nu zeker te weten, dat zijne liefde
toch wel liefde is, omdat er jaloezie bijkomt.



III.

Den volgenden morgen, toen Othomar alleen paard reed, dacht hij den
geheelen tijd aan Dutri. De moeilijkheid van een gesprek met zijn
adjudant, scheen hem iets onoverkomelijks. Zijn hart klopte nu hij
Dutri ontmoette, die hem wachtte in de Xaverius-kazerne. Maar de jonge
officier wist hem in te fluisteren, zóo kalm hoffelijk, alsof dit alles
de eenvoudigste zaak ter wereld was:

—Ik sprak de hertogin van Yemena, Hoogheid... Hare Excellentie zei me,
dat Uwe Hoogheid haar in het geheim wilde spreken, en mij de eer
aandeed... Neemt Uwe Hoogheid dezen sleutel...

Othomar nam werktuigelijk den sleutel aan. Zijn gelaat bleef strak,
ernstig, maar inwendig voelde hij zich zeer verstoord op de hertogin,
en begreep hij niet, hoe en waarom zij Dutri in hun geheim haalde. De
eenvoud en gemakkelijkheid, waarmeê zij dit blijkbaar gedaan had,
bliksemde hem als iets ontzettends toe. Eene wanorde scheen door zijn
hoofd te dwarrelen, alsof de hertogin en Dutri er allerlei vastgezette
denkbeelden van zijn jeugdig nadenken, met éen adem, hadden door elkaâr
geblazen. Hij dacht aan den ouden hertog. Hij vond dit alles slecht.
Hij wist, dat Dutri een jonge losbol was; hij hoorde door hem de
geheele chronique-scandaleuze van het hof, maar hij had nooit de helft
geloofd van wat Dutri vertelde, en den adjudant dikwijls stroef gezegd,
dat hij er niet van hield zoo te hooren kwaad spreken van menschen, die
zij iederen dag zagen en die verknocht waren aan zijn Huis. Nu scheen
het hem toe, dat alles wat Dutri verteld had, waar kon zijn, en dat er
nòg erger dingen konden gebeuren. Deze sleutel, met zulken hoffelijken
eenvoud, met dit gemak van libertijn aangeboden, scheen hem een
voorwerp van schroeiende schande. Hij schaamde zich het ding reeds in
zijn zak te hebben gestoken...

Hij ging echter verder. De sleutel brandde hem, terwijl hij sprak met
generaal Ducardi, en, terug, in het Imperiaal, met zijn vader en
Myxila. Vóor hij de keizerin op zoû zoeken, die hem reeds wachtte,
sloot hij den sleutel weg in zijne schrijftafel; langzaam, een schaduw
over zijn voorhoofd, ging hij daarna pas voor pas, de lange galerijen
door, naar de appartementen der keizerin. In de antichambre rees de
hofdame op, boog, klopte aan de deur en ontsloot die:

—Zijne Hoogheid, de Hertog van Xara...

Stil sloeg Othomar een kruis, als kwam hij een kerk binnen.

—Moge God en Zijne Moeder mij vergeven! mompelde hij tusschen zijne
lippen; toen trad hij binnen bij de keizerin.

In het groote vertrek zat zij alleen, bij een der open ramen, die op
het park zagen; zij droeg een zeer eenvoudigen, gladden donkeren japon.
Het trof hem hoe jong zij er uitzag, en hij dacht er aan, dat zij
jonger was dan de hertogin. Een aureool van delicate reinheid scheen om
hare tengerlange gestalte te trillen als een atmosfeer van licht, en
gaf haar eene hoogheid, die niet om andere vrouwen scheen. Zij
glimlachte hem toe en hij kwam langzaam nader en kuste haar de hand.

Zij had hem dien dag nog niet gezien, nam zijn hoofd tusschen hare
slanke, koele handen en kuste hem.

Hij zette zich naast haar op een lagen stoel.

Toen streek zij met de hand over zijn voorhoofd.

—Wat is er? vroeg ze.

Hij zag haar aan en zeide, dat er niets bizonders was. Verder zag ze
niet: hij bracht haar wel meer een bewolkt voorhoofd mede. Nog eens
streek ze er over heen.

—Ik heb papa beloofd ernstig met je te praten, Othomar, sprak ze.

Hij keek tot haar op.

—Hij vond het beter, dat ik met je sprak, omdat hij zelve oordeelde,
dat ik gemakkelijker met je kon spreken. Hij is anders heel tevreden
over je, mijn jongen, en verheugt er zich in, dat je zoo een klaar
oordeel hebt, soms, over sommige staatszaken.

Dit oordeel zijns vaders verbaasde hem.

—En waarover beloofde u met me te spreken?

—Over iets heel, heel gewichtigs, sprak ze met een zachten glimlach.
Over je huwelijk, Othomar.

—Mijn huwelijk...?

—Ja, mijn jongen... Je wordt twee-en-twintig. Papa is wel veel later
getrouwd, maar hij had veel broêrs. Ze zijn gestorven. Oom Xaverius is
in zijn klooster. En wij... papa en ik, we zullen wel geen kinderen
meer krijgen, Othomar.

Ze had hare armen om zijn hals gelegd en trok hem naar zich toe: ze
fluisterde:

—We hebben niemand dan jou, mijn jongen en onzen kleinen Berengar.
En... papa vindt, dat je daarom trouwen moet. We moeten een erfprins
hebben, een Graaf van Lycilië...

Zijne oogen werden vochtig; hij legde zijn hoofd tegen haar aan.

—Twee om keizer te worden; Berengar, als ik er niet meer zijn mocht; is
dat niet genoeg, mama?

Ze schudde glimlachend het hoofd van neen. Neen, dat was niet genoeg
zekerheid voor het Huis van Czyrkiski-Xanantria.

—Mama, zeide hij zacht; als sociologen spreken over de sociale
quaestie, betreuren zij het, dat er onder het proletariaat zooveel
kinderen worden geboren en noemen zij de arme ouders, die niets hebben
dan hunne liefde, zelf verantwoordelijk voor de meerdere ellende, die
zij met die kinderen in de maatschappij veroorzaken. Treft dit verwijt
eigenlijk ook ons niet? Of vindt u een keizer zoo gelukkig?

Haar voorhoofd betrok.

—Je bent in een van je sombere buien, Othomar. In Godsnaam, mijn
jongen, geef je daar toch niet aan toe. Filozofeer zoo niet, neem het
leven op, zooals het je gegeven is. Dit is de eenige manier, om het te
dragen. Denk er niet over na of je later gelukkig zal zijn als keizer,
maar neem aan, dat je keizer worden moet.

—Goed, ik, maar waarom kinderen, mama?

—Welke vorst laat zijn huis uitsterven, Othomar! Wees niet dwaas. Hecht
aan traditie, dat is voor ons alles. Heb over die quaestie niet zulke
vreemde denkbeelden. Ze zijn niet die van een aanstaanden—ik had bijna
gezegd—alleenheerscher; ze zijn niet die van een vorst. Niet waar,
Othomar, je begrijpt, je móet, je móet trouwen...

Hare stem klonk beslister dan gewoonlijk, bijna hard.

—En, beste jongen, ging zij door; zegen de omstandigheden en trouw nu,
zoo gauw mogelijk. De politiek met het buitenland staat op het
oogenblik zóo, dat er geen bizondere aanwijzingen voor je huwelijk
zijn. Je kan zoo iets als kiezen. Want je bent de kroonprins van een
groot rijk, mijn jongen, van een van de grootste rijken van Europa...

Hij wilde spreken, ze ging haastig voort:

—Ik herhaal je: je kan—bijna—kiezen. Je weet niet, hoeveel dit is.
Apprecieer dat, apprecieer de omstandigheden. Reis naar de hoven van
Europa, die in aanmerking komen. Zie uit je oogen, doe je keuze. Er
zijn lieve prinsessen van Engeland, van Oostenrijk...

Othomar sloot zijne oogen even, of eene vermoeidheid hem afmatte.

—Later, mama... fluisterde hij.

—Neen, mijn jongen, zei de keizerin: niet spreken van later, niet
uitstellen. Denk er nu over na. Denk hoe je je reis nemen wilt en wie
je meê wilt nemen en praat er over met papa en Myxila. Beloof je me
dat?

Hij drukte zijn hoofd even tegen haar aan en beloofde het, met een
glimlach vol moêheid.

—Wat is er toch, mijn jongen? vroeg ze. Zeg dan, wat is er toch?

Zijne oogen werden vochtig.

—Ik weet het niet, mama. Ik ben soms zoo moê...

—Ben je niet wel?

—Jawel, dat wel, maar ik ben zoo moê...

—Maar waarvan dan toch, mijn kind?

Hij begon zacht te snikken.

—Van... van alles... mama.

Zij zag hem lang aan, schudde langzaam, afkeurend haar hoofd.

—Vergeef me, mama, stamelde hij en hij veegde zijne oogen af; ik zal er
niet meer aan toegeven...

—Dat heb je me al eens meer beloofd, Othomar.

Als een kind drukte hij weêr zijn hoofd tegen haar aan.

—Neen, heusch, betuigde hij, vleiend; ik zal er me heusch tegen
verzetten. Het is niet goed van me, mama. Ik zal me meer ophouden: ik
zal sterker worden, ik zweer het u, voor ú zal ik sterker worden...

Ze zag hem weêr lang in de oogen, met haren reinen glimlach. Innige
teederheid ging van haar uit op hem; hij voelde, dat hij nooit iemand
zóo zoû liefhebben als die moeder. Toen nam zij hem in beide hare armen
en drukte hem tegen zich aan.

—Ik neem je belofte aan, en ik dank je... mijn arme jongen! fluisterde
zij in haren zoen.

Op dit oogenblik klonk er een jong gegons van stemmen, als van
losgelaten vogels, uit het park, door de open ramen heen. Getrippel van
vele kleine voeten knarste op het grint. Een hooge schelle kinderstem
klonk op eens met woedende woorden uit de anderen op; de anderen
zwegen...

De keizerin was met een electrischen schok opgeschrikt. Zij richtte
zich haastig omhoog, doodsbleek.

—Berengar! riep ze, en hare stem bestierf.

—En ik zal het zeggen aan Zijne Majesteit, wat voor een vlegel je bent,
en dan zullen we eens zien! Dan zullen we wel eens zien, dan zullen we
wel eens zien...

De keizerin had zich bevende uit het venster gebogen, ze zag een
tiental kleine jongens; ze keken beteuterd.

—Waar is Zijne Hoogheid? vroeg ze.

—Zijne Hoogheid is daar, Mevrouw! antwoordde een klein graafje verlegen
en wees met een vingertje naar het achterplein, dat de keizerin niet
zien kon.

—Maar wat gebeurt er toch? Is dat een leven maken! Laat Zijne Hoogheid
dadelijk hier komen! Berengar! Berengar!

Zijne Hoogheid, Berengar, geroepen, kwam aan. Hij ging tusschen de
kleine hertogjes en graafjes door, en zag naar het venster op, waaruit
zijne moeder zich boog. Hij was een klein, flink gebouwd, pittig
ventje; zijn gezicht was rood van verontwaardiging, met twee kleine
woedende oogjes er in, als zwarte vonkjes.

—Berengar, kom hier! riep de keizerin. Wat is er toch? Waarom kan je
niet spelen, zonder te vechten?

—Ik vecht niet, mama, maar... maar, ik zal het aan papa zeggen... en en
dan zullen we wel eens zien...! Dàn zullen...

—Berengar, kom dadelijk door het paleis hier binnen, dadelijk! beval de
keizerin.

Othomar, achter de keizerin, zag naar de groep jongens. Hij zag, hoe
Berengar met een enkel woord zich verontschuldigde bij het grootste
hertogje en langs het achterplein verdween.

Na een oogenblik kwam het kind de kamer in.

—Berengar, sprak de keizerin; het is heel ongemanierd zoo een leven te
maken in het park, en dat wel vlak achter het paleis.

Het kind zag haar aan, met ernstig rood gezichtje.

—Ja mama, beaamde het zacht.

—Wat is er gebeurd?

Berengars lippen beginnen te trillen.

—Het is die lamme schildwacht... begon hij.

—Wat is er met dien schildwacht?

Hij... hij prezenteerde niet voor me!

—Prezenteerde de schildwacht niet voor je? Waarom niet?

—Ik weet het niet! riep Berengar verontwaardigd.

—Maar hij prezenteert toch altijd?

—Ja maar, nu deed hij het niet. Wel den eersten keer, toen wij voorbij
kwamen, maar niet den tweeden keer... We speelden krijgertje, en toen
we voor de tweede maal voorbij hem liepen, prezenteerde hij niet!!

Othomar begon te schateren.

—Je hoeft er niet om te lachen! riep Berengar boos; en ik zal het aan
papa zeggen, en dan zal je wel zien.

—Maar woû je hebben, Berengar, zei de keizerin; dat iederen keer, als
jij met krijgertje spelen voorbij liep, die man zijn geweer
prezenteerde?

Berengar bedacht zich.

—Hij kon het toch minstens wel de tweede maal gedaan hebben. Als het nu
drie, vier, vijf malen was geweest. Maar de twéede maal pas...! Wat
moeten al die jongens wel van me denken?!

—Hoor eens, Berengar, zei de keizerin; wat er ook gebeurt, het komt in
het geheel niet te pas, dat je, wien het ook zij, met leelijke namen
noemt en ook niet, dat je zoo een leven maakt in het park, vlak achter
het paleis. Uitschelden, dat doet een kind van een keizer niet, zelfs
niet een schildwacht. Ga daarom dus nu dadelijk naar dien schildwacht
toe en zeg, dat het je spijt, je zoo driftig gemaakt te hebben.

—Mama! riep het kind ontzet.

Het gezicht van de keizerin stond strak.

—Ik wil het, Berengar.

De jongen zag haar met de grootste verbazing aan.

—Moet ik dat zeggen... aan dien schildwacht, mama?!

-Ja.

Blijkbaar begreep Berengar op dit moment de wereldorde niet; hij
vermoedde een oogenblik, dat de revolutie was uitgebroken.

—Maar, mama, dat kan ik niet!!

—Het moet, Berengar, en dadelijk.

—Maar mama, zal papa dat goed vinden?!

—Zeker, Berengar, zei Othomar; wat mama je zegt te doen, vindt papa
natuurlijk goed.

In radeloosheid zag de jongen naar Othomar op; zijn gezichtje trok
lang, zijn stevige vuistjes trilden. Toen barstte hij in een wanhopig
snikken uit.

—Kom Berengar, ga, zei de keizerin weêr.

Het kind ontstelde nog meer om hare strakte; zoo zag hij altijd haar
staren op de menigte, maar niet op hare kinderen. En hij wierp zich met
de kleine wijdte zijner radelooze armpjes in hare rokken, omklemde haar
en snikte met groote klokken van snikken.

—Ik kàn dat niet doen, mama!!

—Het moet, Berengar...

—En... en... en ik wil het niet, ik wil niet!!! knarste de jongen in
eens woedend, stampvoetend.

De keizerin deed niets dan hem aanzien, heel lang, héel lang. Het
verwijt van haren blik brak het kind. Het snikte luid op, en scheen er
niet meer aan te denken, dat zijne vriendjes daarbuiten Zijne Hoogheid
zeker zouden hooren snikken. Hij zag, dat er niets aan te doen was, dat
het moest. Het moest!! Zijne Keizerlijke Hoogheid, Berengar, markies
van Thracyna, (Ridder van St. Ladislas), mòest zijn spijt betuigen aan
een schildwacht, die hèm, Zijne Hoogheid, nog wel te kort had gedaan.

Zijn middeneeuwsch kinderzieltje was er geheel door in omwenteling. Hij
begreep niets meer. Hij zag alleen maar, dat het moest, omdat zijne
moeder hem met zoo een treurigen blik aanzag.

—Othomar! snikte hij zijne wanhoop uit; Othomar! Wil... jij... dan met
me... meêgaan!!! Maar hoe zal ik het doen, hoe zal ik het doen!

Othomar glimlachte hem medelijdend toe, en stak zijne hand naar hem
uit. De keizerin knikte, dat de prinsen zouden gaan.

—Hoe zal ik het doen! O God, hoe zal ik het doen! hoorde zij Berengars
stem nog uit de antichambre in wanhoop opsnikken.

Elizabeth was doodsbleek geworden. Zoodra zij alleen was, zonk zij in
een stoel, het hoofd achterover. Hélène van Thesbia kwam juist binnen.

—Mevrouw! riep de jonge gravin. Wat heeft U?

De keizerin greep hare hand; Hélène voelde die ijskoud.

—Niets, Hélène, antwoordde zij; maar Berengar heeft me zoo
verschrikkelijk laten schrikken. Ik dacht... ik dacht, dat ze hem
vermoordden!!!

En in een zenuwbui van stootende snikken stortte zij zich in de armen
der gravin.



IV.

Dien avond, vóor Othomar met zijne adjudanten naar het diner bij den
Franschen gezant zoû gaan, hield hij Dutri staande:

—Ik zie, dat hare Excellentie, de hertogin, u zeer vertrouwt, prins,
sprak hij kort. Ik wil niet betwijfelen of haar vertrouwen misplaatst
is. Maar ik verzeker u dit: dat zóo het ooit mocht blijken, dàt het
misplaatst was, ik dit nooit—noch nu, noch later vergeten zal...

Dutri zag vreemd op: hij hoorde daar zijn aanstaanden keizer spreken.
Toen maakte hij een moue als een boudeerend kind en sprak:

—Ik kan niet zeggen, dat Uwe Hoogheid zeer dankbaar is voor de
gastvrijheid, die ik Haar heb aangeboden.

Othomar glimlachte pijnlijk, reikte hem nu de hand...

—Of dat het vriendelijk is van Uwe Hoogheid mij van dàag met Hare
ongenade te bedreigen, ging Dutri voort.

—Ik ken je, Dutri, sprak de prins aan zijn oor. Ik ken je tong. Daarom
alleen waarschuw ik je... En, nu in Gods naam, zwijg hier verder over,
want dit... dit alles doet me pijn...

Dutri zweeg en vond hem een kind en een vorst tegelijk. Hij haalde in
stilte zijne schouders op om Othomars weêrgâlooze naïviteit, maar hij
huiverde als hij dacht aan eene mogelijke ongenade. Hij had geen
fortuin; zijne pozitie bij den kroonprins was zijn leven, zijne
ambitie, zijn alles, voor nu en voor later: als de prins keizer zijn
zoû...! Hoe blij was hij eerst geweest, dat Alexa hem alles verteld
had, dat hij een geheim wist van zijn prins, die nooit geheimen scheen
te hebben! Eene vage vreugde, dat dit geheim hem macht zoû geven over
zijn toekomstigen keizer, was reeds door zijn hoofd vol luchthartige
berekening gefladderd. En nu, nu dreigde de prins hém, ontzenuwde dus
die macht al in den aanvang! Dutri had nu bijna spijt, dat hij in dit
geheim was opgenomen; hij vreesde zelfs, dat de keizer er iets van zoû
hooren, dat hem de ongenade van den vader al treffen zoû, voor die van
den zoon...

—Had Alexa me er dan ook maar nooit ingehaald! klaagde hij nu bij
zichzelven met zijne oppervlakkige wisselvalligheid van gedachte.

Maar hoewel Dutri zweeg, en zelfs tegensprak, werd er over de liaison
van den kroonprins gesproken, misschien alleen naar aanleiding van de
zegevierende blikken van Alexa, als Othomar, op een soirée, op een bal,
een oogenblik tot haar sprak. De tegenspraak van Dutri, die men kende
als een klap-uit, bracht echter verwarring, en men wist niet waaraan
men zich te houden had en wat de waarheid was.

Gelukkig om die liefde voelde Othomar zich echter niet; de woeste
passie van die vrouw met haar brandende blikken, die hem het eene
oogenblik overweldigde door hare zoenen, het andere voor hem neêrkroop
als een slavin en aan zijne voeten brak in nederigheid voor haar
aanstaanden heerscher, verbaasde hem eerst, sleepte hem in sommige
wanhoopsbuien meê, maar wekte in hem op den duur een gevoel van onwil
en tegenkanting. In het geparfumeerde appartement van den jongen
adjudant, waar zij elkander zagen, en dat coquet was, als het boudoir
van een jong meisje, gecapitonneerd als een bijouteriekist, kreeg hij
soms lust die vrouw, die hem toch met hare vreemde ziel liefhad en hare
liefde niet veinsde, van zich af te stooten, haar te trappen, te slaan.
Zijn temperament was niet voor zoo brutalen hartstocht. Het was of zij
schudde aan zijne zenuwen. Hij walgde soms van haar. En toch, een enkel
woord van hem, en ze bedwong hare woestheid, zonk nederig naast hem
neêr, streelde zacht zijne hand, zijn hoofd, en hij kon er niet aan
twijfelen, dat zij hem aanbad, misschien wel een weinig omdat hij de
kroonprins was, maar toch ook veel om hemzelven.

Zoo was het April geworden, en bijna reeds zomer; de Syrische vorsten
zouden komen. Ze waren eerst bij den Sultan geweest en daarna aan het
hof te Althene. Door Liparië zouden zij naar de Noordelijke rijken van
Europa gaan. Op den dag hunner aankomst fladderde Lipara van vlaggen;
de, al zoo straffe, zuidezon regende goud over de witte stad; de haven
azuurde in lichte rimpeling. Eene gonzende menigte: gebruinde
gezichten—vele nog bont nationaal gekleede landlieden uit
Thracyna—wemelde en drong over de kaden. Op het azuur van het water,
als op liquide metaal, dreven de pantserschepen, welke de vorsten,
verwelkomende, zouden binnen halen, naar den mond van de haven uit.
Daar, op de Xaveria, waren met hun gevolg van admiralen en
schouten-bij-nacht, de beide prinsen Othomar en Berengar, en hun
schoonbroêr, de aartshertog van Karinthië. Tallooze kleine bootjes
gleden snel over de zee heen, als waterspinnen.

Een schot van Wenceslas-fort, den straffen ether verscheurend, meldde
het oogenblik, dat de kleine vloot het Syrische yacht ontmoette, en de
Oostersche vorsten dit verlieten voor de Xaveria. Uit de villa’s aan de
kaden, uit de bootjes met toeschouwers, richtten zich de binocles naar
het verschiet van in licht zwijmelende blauwte, waarop de schepen nog
zichtbaar trilden. Een half uur daarna golfde, als van het Imperiaal
af, het gejuich der menigte aan en golfde luider op en luider naar de
haven toe. Door de haie der grenadiers, die stonden van het paleis tot
het paviljoen, waar de hooge gasten zouden aan wal komen, reden de,
door jockey’s bereden, landauers, aan, waarin Hunne Majesteiten zaten.
Hen volgden de equipages der beide zusters, de aartshertogin van
Karinthië en Thera, en van het gevolg.

De vloot, het Syrische yacht omringend, was de haven weêr binnen
gedreven. Door de eerewacht der Troongarde heen, tusschen de draperieën
van purper en vlaggen, zag de menigte iets van begroeting der vorsten
in het paviljoen. Men galmde leve’s!; daarna reed de stoet naar het
Imperiaal, de keizer met den koning van Syrië in het eerste, de
keizerin met de koningin in het volgende rijtuig; daarachter de
landauers met de prinsen en prinsessen en het gevolg.

Een roes van feesten en vertoon volgde. Na de tragedies der
overstroomingen en der Parlementscrizis woei eene vroolijkheid van
humor over de, in de zon glinsterende, rezidentie heen en duurde laat
tot in de verlichte zalen en parken van het Imperiaal toe. Die humor
was om de Oostersche vorstin. Den koning van Syrië vloeide misschien
nog een paar druppelen van het bloed van Salomo door de aderen. Maar de
koningin was niet van vorstelijke afkomst. Zij was de dochter van een
der Syrische grooten en de naam van hare moeder werd niet genoemd in
den Almanach de Gotha. Die moeder was zeker een favorite van
twijfelachtig adellijke herkomst, maar wat zij precies geweest was,
wist niemand. Een demi-mondaine uit Parijs of Weenen, die in het Oosten
was gestrand en er fortuin had gemaakt in den harem van een grooten
Syriër? Eene half Europeesche, half Egyptische danseuze uit een
danshuis van Caïro of Alexandrië? Wat ook, hare gelukkige dochter, de
koningin van Syrië, vertoonde onloochenbaar eene mengeling van bloed,
iets Oostersch’ en Europeesch’ samen. Naast den echt Semitischen type
van den koning, die iets nerveus deftigs had in zijne half Europeesche,
half Orientalische uniform, waarop de diamanten schitterden, had de
vorstin, dik, klein, mollig, zachtbruin, het exuberant glimlachende, en
bewegelijk wiegende van ledematen, het draaiende van hoofd en werkende
van oogen eener kleurlinge. Hare eerste verschijning al, in het
rijtuig, naast de delicate figuur van keizerin Elizabeth, in kleurig
reistoilet en hoed met groote pluimen, overvloeiend vriendelijk buigend
en lachend naar alle zijden, had de Lipariërs, gewend aan de koele
hoogheid hunner vorsten, met eene vroolijkheid doortinteld, die
onuitbluschbaar scheen. De Syrische vorstin werd het topic van alle
gesprekken en om haar tintten alle gesprekken zich met een glimlach van
ondeugd. Daarbij scheen zij zoo in-goed, dat men onmogelijk kwaad van
haar wist te vertellen en zich alleen maar om haar amuzeerde. Men
herinnerde zich, dat de Syrische potentaten fabelachtig groote giften
om de overstroomingen hadden geschonken. En de humor, die over Lipara
woei, was een zuidelijke humor, zonder kwaadmeenen en alleen maar
goedlachs of schaterend van pleizier, omdat de Lipariërs nog nooit zoo
een grappige koningin gezien hadden.

De groote manoeuvres hadden plaats op het Marsveld. De koning
vergezelde den keizer en de prinsen te paard met hun zwerm van
Europeesche en Oostersche adjudanten. De vorstinnen en haar gevolg
wachtten de défilé’s in landauers af. Berengar marcheerde dapper in
zijne compagnie grenadiers, waarin hij luitenant was, meê, wat zijne
korte beentjes marcheeren konden, en hield zijn gezichtje strak, om de
moeite niet te verraden, die hij had de lange stapbeenen bij te houden.
De huzaren verbaasden den Syrischen vorst om hun één-zijn met hunne
paarden, als zij in woesten rit zich half afwierpen naar den grond toe,
en raapten in stormender vaart een vlag van den grond, zich weêr
zwaaiden met éen kreet op en wuifden het doek. De Afrikanen voerden hun
zwierige fantazia’s uit, drilden de speren, die bliksemden als
losrakende bundels stralen, en wapperden aan in wolken van witte
burnousen en stof, waarin hunne negerkoppen met tallooze zwarte vlekken
wemeldonkerden en vonkten van oogen.

Verder een tornooi, garden-party’s, races, regatta’s, volksspelen en
vuurwerk. Lipara was éene stad van pleizier. Iederen dag gingen door
haar heen gangen van vorstelijkheid, flikkerde de stoet van uniformen
als levend goud, ratelden de keizerlijke landauers in de zon als met
wielen van schitterende spaken door de lichte stof, die van het
vierkant plaveisel der stad opstuivelde. Als druppelen wit vuur
flonkerden het meest de diamanten, die de Syrische monarchen zelfs
droegen op straat. Des avonds, als de zon niet meer schitterde,
schitterden over de vaag witte avondstad aan hare violette haven,
salamander-festoenen en kleurige vuurbrugketens factice hel onder de
stille zilverblikken der sterren; bouquetten vuur vielen sissend in het
water, waarop de bootjes zwart werden; ze lieten een lichte benauwdheid
van kruitdamp na, in den nacht.

In de groote Zuilenzaal volgden de ceremonieele gastmalen elkander op,
met een vertoon van fabelachtig kostbaar gouden vaatwerk. De koningin
van Syrië sleepte er hare curieuze theaterkostuums heen, den breeden
boezem steeds overdwarst door een blauw ordelint vol plaques; hooge
pluimen, waaraan diamantjes hingen, in het haar. Ze praatte druk,
dankbaar voor de liefheid harer Liparische Vrienden, voor het genot en
het gejuich. Hare overvloeiende gebaren maakten ieder vroolijk,
brachten humor in de Liparische statie, vol etiquette. Elizabeth zelve
moest er om glimlachen. De koningin speelde hare vorstelijke rol met
het aplomb eener slechte actrice, die goedig is. Zij sprak ieder aan,
strooide de minzaamheid harer klein-mollige, bruine majesteit over
ieder in kleine atoompjes heen. Naast haar bleef de koning deftig, wijs
kijkend als Salomo. De keizer prees hem als een verstandig vorst, met
ruimen blik; de koning was reeds meermalen in Europa geweest. De
Syrische adjudanten waren ook deftig, kalm, een beetje stijf, zich
vormend naar westelijke zeden; de hofdames der koningin droegen wat
vreemd hare Parijsche of Londensche sleeptoiletten, maar bleven er
tenger in, bevallig bruin, met kroeskopjes en lange gespleten oogen: ze
zouden toch mooier geweest zijn in wat gedrapeerd goudgaas.

Twaalf dagen bleven de Syriërs, vóor ze naar Italië zouden gaan. Het
was de voorlaatste avond: in het Imperiaal was een suite van veertien
zalen om de groote danszaal verlicht voor een bal. Er waren drieduizend
invitaties gedaan. Op het voorplein en in de aangrenzende hoofdstraten
stonden de grenadiers.

De danszaal was aan de achterzijde van het paleis; de hooge
balkonvensters waren open en zagen over de balustraden heen in de
donkerten van het platanenpark. Uit de palmengroepen der galerij
schalmde het orkest. De quadrille d’honneur had zich gevormd, in het
midden der zaal; de keizer en de koningin, de koning en de keizerin, de
aartshertog van Karinthië met Thera, en Othomar met de aartshertogin.
De andere officieele quadrille’s vormden hare figuren om ze heen. De
honderden gasten zagen toe.

Van het regenbogende rotskristal der kronen vloeide electrisch licht in
witte lichtvakken uit de koepelende hoogte, gleed langs de marmeren
mozaïek-wanden en porfieren zuilen der zaal en drupte in millioenen
flikkeringen op de gladde facetten der juweelen, op het goud der
uniformen en galarokken, op de waterende witte brokaten der slepen
neêr; want het wit was voorgeschreven; alle dames waren in het wit en
de sneeuw der fluweelen, de lelieglans der satijnen zilverden van het
licht. Eén verblindend gewemel van glans doorleefde de immense zaal met
zijne flonkerwisselingen. Want het licht bleef nooit, wisselde
onophoudelijk zijn helste punt, maakte het bal tot éen caleidoscoop van
schittering. Het licht guldde op iedere galon, liet zich vangen in
elken brillant, bleef aan iedere parel hangen. De muziek scheen met dat
licht éen te zijn; het koper weêrgalmde als goud.

De hertogin van Yemena stond in een groep van diplomaten en adjudanten;
hoog op rees ze in hare schoonheid, die in dit gewissel van
lichtvonkeling sculpturaal prachtig was. Zij scheen kolossaal groot
door den zwaren pli-Watteau, die van haren rug af sleepte, in wit
broché. Zij droeg hare tiara van smaragd en brillant, en dezelfde
groene steenen sparkelden in een groote juweelen bloemtak, die over
haar corsage heen bloeide.

De keizer naderde haar; ze knakte in hare beroemde nijging neêr, en
Oscar sprak een oogenblik schertsende met haar. Toen de keizer verder
was gegaan, zag zij den kroonprins naderen. Zij neeg weêr, hij boog
glimlachend en bood haar den arm. Langzaam gingen zij door de zaal
heen.

—Ik heb u iets belangrijks te zeggen, fluisterde hij in een stem van
conversatieklank.

Hij kon zich niet met haar verwijderen; men zoû hen missen. Ze bleven
dus door de zalen wandelen.

—Ik heb U in zoolang niet gezien... alleen! fluisterde zij verwijtend
terug, met die zelfde stem. En wat had... Uwe Hoogheid mij te zeggen?

Voorzichtig spraken ze, den glimlach van koele conversatie op de
lippen, het geluid van hunne stemmen dempende tusschen hen in,
schijnbaar onverschillige blikken werpende om hen heen, of men ze niet
hooren kon.

—Iets,... dat ik u al lang had willen zeggen... Een besluit, dat ik
nemen moet...

De woorden kwamen hem telkens afgebrokkeld over de lippen, en niet
klinkende met hun waar accent, uit voorzichtigheid. Zij merkte, dat hij
haar een groot nieuws mede zoû deelen. Zonder dat ze wist waarom,
beefde ze... Hijzelve wist niet of wat hij deed, wreed was of niet: zoo
kende hij deze vrouw niet. Maar hij wist wel, dat hij met opzet dit
moeielijke oogenblik gekozen had voor zijn onderhoud, omdat hij niet
wist, hoe zij het dragen zoû. Hoe zij het dragen zoû in een
tête-à-tête, als zij toe kon geven aan hartstochtelijkheid. Hier wist
hij het, hoe zij het dragen zoû: glimlachend, als vrouw van de wereld,
zelfs al werd het haar tot smart. Misschien was hij toch wèl wreed...
Maar het was nu te laat: hij moest doorgaan.

Zij zag tot hem op, de pluimen van den waaier bewegend. Hij vervolgde:

—Een besluit... Als onze Syrische gasten weg zijn... ga... ik op
reis...

—Waarheen, Hoogheid?

—Naar... verschillende hoven... van Europa...

Zij vroeg niet meer; haar glimlach bestierf; toen glimlachte ze weêr
als een automaat. Zij vroeg niet meer, omdat zij wel wist wat het
beteekende als een kroonprins een reis ging doen naar verschillende
hoven van Europa. Dat beteekende een bruidvaart. En ze zeide alleen, en
haar stem kon niet anders klinken dan als een klaagtoon:

—Zoo gauw al...

Zoo gauw al... Zóó kort zoû haar keizerlijke roman duren! Zij had wel
geweten, dat zoo het einde zoû kunnen zijn, want zij wist hem te rein
om haar te laten naast eene jonge gemalin. Zij had zich ook al zoo een
einde voorgesteld over een jaar, twee jaar misschien, zij zich
terugtrekkende, en ze had zich voorgesteld, dat ze het doen zoû zonder
rancune voor hare jonge, aanstaande keizerin. Maar nu al! Zoo gauw!
Nauwelijks eenige weken! Zoo kort had nog géen roman in haar
liefdeleven geduurd! Zij voelde er een smartelijken weemoed om, vocht
waasde over hare oogen en de lichtwisselingen van het bal trilden voor
haar heen als door water. Telkens vergat zij te glimlachen, maar zoodra
zij er aan dacht, glimlachte zij weêr.

—Zoo gauw al...?

—Het moet...

Ja, het moest, het kon niet anders. Voor haar was het het einde van
haar leven. Wanhoop voelde ze er niet om, om dat einde; alleen maar
smartelijken weemoed. Het zoû gedaan zijn. Na dezen keizerlijken roman
geen andere. O, neen, nooit meer. Ze zoû hare jeugd er aan geven; hare
stiefdochters zoû ze in de wereld brengen. Ze zoû dankbaar zijn, dat ze
geleefd had, en nu oud worden. Maar oud... Ze was nog zoo jong, ze
voelde zich nog zoo jong. Ze merkte nu eerst hoe ze haren kroonprins
liefhad. En ze had gaarne weg willen zijn, uit de schittering van dat
feest, om, alleen, hem nog eens te omhelzen, voor het laatst... O, die
weemoed van alles, wat eindigen moet, alsof alles niets meer is dan
geur, die vervliegt...

—Ik vertrouw op u, mevrouw... sprak hij nu; ik hoop, dat u van die reis
niets zeggen zal. U begrijpt, het is alles nog een geheim; er is nog
geen keuze gedaan... er is alleen maar even over gesproken geworden met
Hunne Majesteiten en Myxila. Niet waar, ik vertrouw op u?

Zij knikte glimlachend van ja, ja...

—Maar ik wilde het u toch nu al zeggen, ging hij voort.

Zij glimlachte weêr. Op dit oogenblik scheen achter het paleis, onder
het paleis, waar...? een vreemd onweêr uit te barsten. Door het gegalm
der muziek en het getril van het licht heen, daverde een donderslag en
rommelde door. Het was of de bliksem was ingeslagen, want door de open
ramen, dadelijk na, hoorde men van een der achterzijvleugels van het
paleis een ratelenden warrelval van steenen, die in de lucht geslingerd
schenen, van groote balken, die onbehouwen neêrstommelden, van
glasscherven, die schel naar alle zijden schenen uit elkaâr te
springen...

De muziek was in eens verstomd. De uniformen, de sleeptoiletten storten
zich naar de open balkons, die op het park zagen, maar de nacht was
donker, het park was stil. Een paar laatste balken schenen nog na te
rollen, met een laatst afgruizelen van steen...

In de schelle tinteling van het electrische licht waren de gezichten
doods wit geworden als van cadavers. In verschrikking staarden de oogen
elkaâr aan. De hertogin was half tegen Othomar aangezonken, toen zij
Elizabeth met dolle, wezenlooze oogen voorbij hen zagen ijlen, een deur
uit; hare lange, witte fluweelen sleep slierde haar radeloos, den hoek
om, achterna. De grootmeesteres volgde haar, en Hélène van Thesbia. De
keizer scheen haastig den ceremoniemeesters bevelen te geven, verliet
toen ook het bal, met eenige officieren.

Kort daarop echter klaterde weêr de muziek van de loggia der galerij
af. Men zag vele adjudanten en ordonnans-officieren voor hunne dames
buigen; de dames bevende rijzen. Het bal werd vervolgd; in de wendingen
van den wals namen de uniformen en slepen weder de vorige schitteringen
aan. De glimlachen schenen echter als weggeveegd te zijn van de
gelaatstrekken, en de doodsbleeke gezichten der walsers maakten van het
bal een macabere ommegang.

Leonie, sidderend, boog voor Othomar.

—Een dynamiet-ontploffing, onder in de kelders van den westelijken
achterzijvleugel. De antichambres van het appartement van Zijne
Majesteit zijn vernield. Zijne Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid alles in
het werk te stellen, om het bal te laten voortgaan. Alle officieren en
hofdames zijn bevolen te dansen.

De hertogin klemde Othomar’s arm, viel bijna flauw. Rondom hen heen
ging de mare. De adjudanten sleepten hunne dames meê als half
zwijmende. Men zag er een paar flauw weggebracht worden. De koningin
van Syrië stond wezenloos aan de zijde van den aartshertog van
Karinthië, die zijn arm om haar zwaar middel sloeg ten dans. Ze scheen
nog niet tot besluit te kunnen komen.

Othomar rondde zijn arm om de hertogin.

—God, ik kàn niet... stamelde zij. In Gods naam, Hoogheid, ik kan
niet...!

—Het moet, sprak hij. Zijne Majesteit wil het...

—Zijne Majesteit wil het... herhaalde zij.

Hare beenen trilden onder haar als met electrische sidderingen. Toen
liet zij hem haar nemen en zij dansten. Allen dansten.

De keizerin was de trappen en galerijen naar de slaapverdieping
opgehold. Zij zag niet, dat een paar dames haar volgden: zij rukte een
deur open.

—Berengar!! kreet zij uit.

De slaapkamer van den jongen prins was verlicht. Het kind had zich, in
zijn hemdje, al half van zijn veldbed gericht. Zijn kamerdienaar en een
kamenier stonden ontzet in het midden van de kamer.

—Berengar!! hokte de keizerin juichend, toen zij hem ongedeerd zag.

Zij sloeg hare armen om hem heen, drukte hem aan hare borst.

—O, mama, u doet me pijn! riep het kind geërgerd.

Hare juweelen hadden hem even bloed geschramd aan zijne kleine bloote
borst. Zij omhelsde hem nu zachter, met zenuwachtige snikken, die
stokten in hare keel. Een touffe van brillanten struisveêren viel op
den grond; de kamenier raapte ze op, met vingers, die niet grijpen
konden.

—Mama, laten ze het paleis in de lucht springen?!

—Neen, Berengar, neen, er is niets...

—Mama, ik wil er naar toe!! Ik moet zien, wat er van is.

—Berengar...

De deur was open gebleven; de keizer kwam binnen, rustig. De dames
stonden op den corridor, te wachten op de keizerin...

—Papa, mag ik meê, met u, kijken?

—Neen, Berengar, er is niets te zien. Ga slapen...

Toen boog hij zijn arm tot Elizabeth.

—Mevrouw... sprak hij koel.

Zij sloeg een smeekenden blik naar hem op. Hij bleef haar den arm
bieden. Toen kuste zij nog eens den jongen, vleide hem nu zacht aan tot
slapen.

—Wacht even... stamelde zij tot Oscar.

Zij ging naar den spiegel; de kamenier met hare onhandige vingers
bevestigde de juweelen touffe aan den rand van het open corsage,
plooide den vierkanten sleep uit.

—Ik ben klaar, sprak de keizerin tot Oscar met eene doode stem.

Zij nam zijn arm, de keizer drukte haar even de hand, en zij knikte
Berengar nog eens toe, en gingen.

Geärmd verschenen de vorsten ten tweeden male op het bal. De keizerin
was bleek maar glimlachte. Zij was prachtig, delicaat van teedere
majesteit in het uitslepende witte fluweel, waarop aan het corsage en
over den rok van voren, touffes van brillanten struisveêren, in den
vorm van fleurs-de-lys, flonkerden. Een kleine keizerinnekroon van
brillanten kroonde haar klein rond hoofd.

Het was twee uur. Meestal waren de vorsten gewoon tot één uur op de
hofbals te blijven. De koningin van Syrië echter in haren exuberanten
levenslust, had hen verzocht langer te blijven. Zij hadden toegegeven.
Waren zij om éen uur gegaan, dan had de ontploffing plaats gehad op het
oogenblik, dat Oscar waarschijnlijk zijn appartement juist binnen zoû
gegaan zijn. Men had eerst gesproken over de antichambres alleen: het
scheen nu toch, dat er ook groote schade veroorzaakt was aan het
kabinet zelve van den keizer.

Het souper begon. Men soupeerde in eene groote zaal; uit iedere tafel
rees een palmboom, en de zaal was er een woud van palmen door. De grond
was met een gouden zand bestrooid, dat, met het loopen, over de slepen
heen poeierde. Electrisch licht scheen door de lange bladeren heen als
maneschijn. In dien maneschijn bleven de gezichten doodwit, als vlakken
van krijt, boven het glinsterend kristal en al het gouden vaatwerk. De
muziek klaterde met zware cymbelslagen van koper.



V.

        Aan Hare Koninklijke Majesteit Olga,
        Koningin van Gothland.

                                            Lipara, Imperiaal, Mei 18..


    Mijn liefste zuster.

Eindelijk kan ik u den brief schrijven, dien ik al sedert lang in
gedachten aan u schreef. De drukte van onze goede Syriërs is voorbij en
Lipara weêr kalm. Ik kan tot nadenken komen. Maar mijn nadenken is
niets dan treurigheid. Ziehier waarom, Olga.

Ik geloof, dat Othomar zieker is, dan de doktoren het inzien. Hij is
magerder geworden en ziet er zeer slecht uit. Hij klaagt nooit veel,
maar verleden zei hij me toch, dat hij zich dikwijls moê voelde. De
doktoren meenen, dat hij eenigen tijd rust noodig heeft en raden een
lange zeereis aan. Zijne reis door Europa, waarover ik u verleden
schreef, zal dus uitgesteld moeten worden. En nu kom ik met het
volgende verzoek tot u.

Ik weet, dat Herman spoedig een groote vaart op den Viking gaat doen
naar Oost-Indië, Japan en Amerika, en het zoû op dit oogenblik mijn
liefste verlangen zijn als Othomar hem zoû mogen vergezellen. Toen de
doktoren een zeereis aanrieden, sprak ik er met Oscar over, maar wij
kwamen tot geen besluit. Mijn kind namelijk heeft geene vrienden van
zijne jaren, Olga, en dat maakte me zoo treurig, en we wisten, niet
hoe, en met wie, we hem de reis zouden laten doen op eene wijze, die
genoegen voor hem zoû zijn en geene eenzame verbanning uit ons midden.
Hij is heel wel met zijne adjudanten, maar dat is toch niet wat ik zoû
wenschen: een hartelijke, gemeenzame, vertrouwelijke vriendschap met
iemand van zijne jaren, met wien hij eenigen tijd samen zoû zijn,
geheel voor genoegen en ontspanning.

Ik weet wel, dat het een beetje aan mijn kind zelve ligt, aan dat zeker
gemis van gemakkelijkheid om open te zijn en tot zich te trekken. Maar
hij heeft toch eigenschappen, waarom men hem zeer zoû kunnen beminnen,
zoo men ze wist, zoo hij ze liet uit komen. Niet waar, u houdt toch ook
van hem, Olga, en het is niet alleen mijn eigen blinde moederliefde,
die mijn kind beminnelijk en sympathiek ziet? En daarom zoû ik zoo
ingaarne hebben, dat Herman hem wilde meênemen en hem beter leerde
kennen; wie weet of zij dan elkaâr niet zouden leeren liefhebben.
Othomar vertelde mij al, dat ze op hunnen tocht in het Noorden van ons
land, elkaâr meer genaderd waren dan zij ooit dachten te zullen doen,
maar het was een drukke tijd; ieder oogenblik was met plichten en
bezigheid gevuld en zij hadden geen tijd om met elkaâr te spreken en
elkaâr te leeren kennen. Maar toch, in zulk een moeilijken tijd van
samendoen kan men elkaâr ook leeren kennen zónder spreken; hoe het ook
zij, zij zijn elkander reeds vriendschappelijker geworden; vroeger was
het, tot mijn innig verdriet, Olga, antipathie; ze wilden elkaâr zelfs
niet ontmoeten, zelfs uiterlijk was er niets dan koelheid tusschen hen;
o, wat heeft mij dit alles leed gedaan, als ik onze jongens zoo tegen
elkaâr zag doen en mij herinnerde hoe wij waren, Olga, toen wij jonge
meisjes waren op ons mooi oud slot bij Boekarest. Hoe leefden wij niet
geheel met elkaâr! Olga, Olga, wat is dat alles treurig lang geleden!
Onze ouders zijn nu dood, onze broêrs verspreid, het slot is verlaten,
en wij zijn gescheiden: wanneer zien we elkaâr? Nauwlijks een paar
dagen nu en dan, als wij ergens samentreffen voor een huwelijk van
bloedverwanten: rustelooze dagen altijd, waarin we toch niets aan
elkaâr hebben. Dan, soms, niet eens ieder jaar, een paar weken, of in
Gothland, of hier. U verwijt mij wel eens, dat ik, die zooveel van
Gothland hoû, zoo weinig bij u kom, maar het is altijd de zelfde reden.
Oscar verlaat niet gaarne Liparië, en ik kan mijn man niet verlaten. Ik
kan sterk zijn naast hem, maar alleen ben ik zoo zwak, Olga. Dat hèm
iets zoû kunnen overkomen, waarin ik niet deelen zoû, vermeerdert mijn
angst ondragelijk. Ik heb het nog onlangs zoo gevoeld, toen ik met
Thera te Altara was; ons bezoek was aangezegd en verplichtend, niet
waar, en hoe ongaarne ik Oscar verliet, het moest. Het was juist in
dien moeilijken tijd; Lipara in staat van beleg! Maar Oscar wilde het
en ik ben gegaan. O, wat ik toen geleden heb!

—Maar ik wen mij aan mijn angst, ik klaag niet en neem het leven op,
zooals het ons gegeven wordt; ik hoop alleen maar, dat mijn jongen het
ook zoo zal leeren opnemen. Misschien zal hij dit leeren. Het is wel
moeilijker voor hem, want hij zal meer moeten handelen dan zijne
moeder, die veel passiever zijn kan als vrouw, en het is gemakkelijker
passief te leeren berusten, dan handelend. Maar, de Heiligen zullen hem
zeker later kracht geven zijn lot te dragen en zijn kroon; hier
vertrouw ik op. En toch, o Olga, onmetelijk is de weemoed in mij, dat
wij vorsten zijn! Maar laat mij hier niet verder over doorgaan: het
maakt zwak, het is niet goed, het is niet goed...

Er is nog een geheime reden, dat ik Othomar gaarne weg zoû hebben van
Lipara, al kost het mij ook altijd zoo veel, te scheiden van mijn
lieveling. Er schijnt toch iets waar te zijn van die geruchten over de
hertogin van Yemena: Oscar heeft er Myxila naar gevraagd, en die kon
het niet loochenen, en zeide zelfs, dat het algemeen bekend was. Ik doe
mijn best er maar niet te veel verdriet over te hebben, Olga, maar ik
vind het een vreeselijke zaak. O God, laat mij er maar niet verder over
denken of schrijven; het gaat mij anders zoo warren in mijn arm hoofd.
Wat kan mijn kind zien in een vrouw, die ouder is dan zijne moeder! Wat
zijn die dingen toch vreeslijk in de wereld, Olga, en wat zijn er toch
vrouwen, die wij nooit zullen begrijpen, want temperament is toch niet
álles: iedere vrouw heeft toch haar hart, en daarin moesten wij toch
allen elkaâr weêrvinden, maar het schijnt zoo niet te zijn. Ik neem, in
mijn verdriet hierover, maar aan, dat die vrouw mijn jongen liefheeft
en daarom haar man bedriegt. O, het is ook zoo slecht van mijn kind;
waarom moet hij zoo zijn, hij is anders zoo goed! Ik neem dat nu maar
aan, dat ze hem liefheeft; verleden was het mijn laatste Handkus, de
cour, waarmeê, zooals je weet, alle winterfeesten eindigen, en toen ze
me naderde en voor me boog en op mijn hand hare lippen drukte, voelde
ze zeker mijn afkeer en mijn verdriet van mijne vingers afstralen, want
ze richtte zich uit hare buiging op, met een wanhopigen angst in hare
oogen en iets van een snik in hare keel! Ik bleef haar koel aanzien,
maar ik had toch medelijden met haar, Olga, want als een vrouw van onze
wereld zich zóo slecht kan beheerschen op een ceremonieel oogenblik
voor hare vorstin, moet hare ziel wel zeer geschokt geweest zijn:
gelooft u dit ook niet met mij?

Wij hebben nu rust. Over een week gaan we onze zomerkwartieren
betrekken in Xara, op Castel Xaveria; het wordt hier al zeer warm. Voor
dat wij gaan, zoû ik zoo gaarne een antwoord van u ontvangen hebben en
weten hoe Herman mijn verzoek opneemt. Ik weet, dat hij veel van mij
houdt, en het zeker gaarne zal inwilligen, niet waar, en dat hij om mij
zal probeeren Othomar lief te hebben; en laat me toch haasten er bij te
voegen, dat het ook de innigste wensch van Othomar is met Herman mede
te gaan. De zeereis lokte hem eerst in het geheel niet toe, omdat hij
niemand wist om meê te nemen en hij zeide, met ons maar naar Castel
Xaveria te willen gaan, maar toen ik van Herman sprak, vereenigde hij
zich geheel en al met mijn plan.

Olga, wat zal ons de zomer geven? Rust of niet? Ik durf het maar niet
hopen. De winter is gruwelijk geweest; onze Noordelijke gouvernementen
zijn nog niet de ramp te boven. De ellende is er niet te lenigen. Er
heerschen gevaarlijke tyfeuze koortsen, en vele gevallen van cholera
zijn voorgekomen. De grèves in het Oosten zijn nu gedaan, maar ik ben
zoo bang voor dat bedwingen met ruw geweld. O, als alles maar met
zachtheid kon gebeuren! Die aanslag op Othomar en de ontploffing
tijdens het laatste bal hebben mij ook zoo ziek gemaakt. Wat zoû ik u
gaarne eens zien en in mijn armen drukken: kunt gij niet te Castel
Xaveria komen van den zomer? U zoû er mij zoo innig, innig blij meê
maken!!

Kus Siegfried en alle de uwen van mij. Antwoord mij gauw, niet waar? Ik
omhels u in beide mijne armen.


    Elizabeth.



TWEEDE DEEL.


EERSTE HOOFDSTUK.


I.

Augustus, aan de Oostzee. De grijze golven krullen tegen de klippen op
met hooge, ronde kammen dik schuim. De lucht is daarboven éen wijde
koepel, waardoor groote gebergten van wolken drijven, grijs-wit. Zij
komen langzaam aan, vullen den hemeldom met hunne wisselende
schijnmassa’s, als van rots- en alpenketen, die zouden zweven op
atmosfeer, en drijven langzaam weêr voort, weg. De zee heeft er een
smal strand, met veel verbrokkeld klip; zeer nabij donkert zwart-groen
dennenbosch. Half als tegen de klippen aan, op de duisternis van het
bosch als achtergrond, rijst het oude Altseeborgen. Het is een verweerd
kasteel, waaraan de opkrullende golven schijnen te knagen; zijne drie
hooge, ongelijke torens bouwen zich zwaar rond de lucht in. De weg naar
het kasteel loopt van uit het bosch terrasachtig op, opglooiend, breed,
leidt naar het achterplein, waar de hoofdingang is. Om het kasteel,
breed heen, traptreden zich de granieten terrassen, met hunne ruwe
balustrades, waarvan de hardsteen opgegeten is door de zoute lucht. Die
terrassen zien, naarmate ze stijgen, wijder uit over de zee; van af het
hoogste terras ligt de zee als éen groot segment van vreemde
bewegelijkheid, levend element, aan tegen het strand links, en rechts.
Over de zee zwaaien de Zuidewinden op het kasteel aan; het dennenbosch
beschermt het veel voor de Noordelijke vlagen.

Van den hoogsten toren flappert een ontzachlijk zeil van dundoek uit,
en doet er vroolijk in de lucht: twee banen geel en er tusschen een
witte baan, waarop de donkere vlak van den gekanteelden burcht, die het
wapen van Gothland is. Het is er op den zonloozen morgen een glimlach
aan den hemel; het zwelt en valt weêr slap en laat zich hoog op weêr
blazen door den wind, die frisch aanwappert over het water.

Een jonge man en een jong meisje loopen aan het strand; ze praten,
glimlachen, zien elkander aan. Zij is grooter dan hij, zeer blank;
onder den kleinen matrozenhoed waaien enkele harer, even rosgoudbruine,
haren, verward door den wind, om haar gezicht; onophoudelijk strijkt
zij ze weg. Zij draagt een eenvoudigen blauwen serge rok en witte
blouse, een breeden leêren ceintuur om het middel. Hare elegante
voetjes zijn telkens door den wind geheel zichtbaar, in de zwart zijden
kousen en gele leêren schoenen. Een paar handschoenen zwaait ze
luchtigjes in de hand.

De jonge man draagt een licht, geruit zomerpak, en een strooien hoed.
Hij is klein, tenger; zijne oogen hebben een zwarten blik van zachte
melancholie. Hij schijnt aan het meisje naast hem een verhaal te doen
van reizen; zij luistert met haren glimlach toe.

Om hen heen, trots den wind, is de atmosfeer die eener wijde rust.
Langs het strand loopende, komen zij voorbij het kasteel, gaan het
achterom en zien naar boven. Uit een der vensters wuift iemand vroolijk
met de hand, en roept iets. Zij pogen te hooren, de hand aan het oor,
maar halen de schouders op: de wind waaide de woorden weg. Nog eens
wuiven zij, en gaan door.

Zij gaan echter niet ver, altijd langs het strand. Ginds ligt het
visschersdorp, liggen een paar kleine villa’s, optrekjes. Een ervan
schijnt juist, voor een vacantie-maand zeker, bewoond door eene groote
familie; drukte van stemmen gonst naar buiten, kinderen rennen elkaâr
aan het strand na; een klein meisje bonst in haar vaart tegen den
jongen man aan.

—Hola, zegt hij vriendelijk, en lacht; lachende gaan zij door.

De kinderen rennen verder. Een visscher komt met zijn netten aan,
grinnikt goedig en mompelt een groet. Een dikke dame in de verandah
heeft de jongelieden nieuwsgierig nagekeken; ze ziet den visscher
groeten, houdt hem staande.

—Wie is die dame met dien heer?

De visscher wijst goedig naar Altseeborgen.

—Van het kasteel.

—Maar wie dan? zegt de dame verschrikt.

—Wel, die meneer is de prins van Liparië en de juffrouw is een
Oostenrijksche prinses, zegt de visscher, alsof iets anders onmogelijk
ware.

De dame ziet het vorstelijke paar ontzet na en kijkt dan in wanhoop
naar hare rennende kinderen. De jongelieden keeren juist terug op hunne
heen-en-weêr-wandeling; ze lachen nog vroolijker nu en haasten zich een
beetje vlugger naar het kasteel, alsof ze zich verlaat hebben. De dame,
bleek nog, durft geene excuzes maken, maar maakt eene diepe buiging;
zij krijgt een vriendelijken groet terug.



II.

De koninklijke familie van Gothland was gewoon den geheelen zomer te
Altseeborgen te blijven. Het strand leende zich bizonder tot badplaats
om het visschersdorp heen, maar koning Siegfried had hier nooit van
willen hooren: het strand en het dorp waren koninklijk domein; slechts
een paar nederige optrekjes hadden mogen verrijzen. Meestal kwamen daar
des zomers enkele burgerfamilies met kinderen. Een moderne badplaats
zoû Altseeborgen nooit worden, al vond de elegante wereld de
gelegenheid ook uitstekend om te zomerschitteren, zoo vlak in de
nabijheid van het koninklijk kasteel.

Maar de Gothlandsche familie bewaakte ook zorgvuldig de vrijheid van
haar zomerleven. Vier maanden leefden zij daar, zonder de etiquette der
paleizen, in den grootsten eenvoud. Zij vormden een talrijke familie en
er waren altijd vele logé’s. De koning deed de staatszaken
huishoudelijk op het kasteel af. Zijne kleinkinderen liepen soms zijn
kabinet in, als hij met den minister-prezident, die sommige dagen naar
Altseeborgen kwam, in gewichtige bespreking was. Hij klopte ze even op
de blonde krullebollen en zond ze met een liefkoozing weêr weg, om te
spelen. Er waren daar de kroonprins Gunther, en de kroonprinses Sofie,
Duitsche vorstin, hertog en hertogin van Wendeholm; zij hadden vier
kinderen, een meisje en drie jongens. Op den hertog volgde prins
Herman, na hem de prinses Wanda, twintig jaar; na haar de jongere
prinsen Olaf en Christofel. Verder waren er ook altijd twee oude
prinsessen, zusters van den koning, douairières van Duitsche vorsten.
Van alle hoven van Europa, die als éene groote familie zijn, kwamen nu
en dan verschillende leden logeeren en brachten er hunne nuance van
verschillende nationaliteit mede, iets exotisch in klank van stem en in
zijn van zede, voor zoover dit niet in hun cosmopolitisme weggesmolten
was.

Othomar was met Herman drie maanden op zee geweest; zij hadden
Voor-Indië, China, Japan en Amerika aangedaan. De reis was incognito
geweest om alle officieele ontvangst te ontloopen, en Othomar had geen
anderen titel gedragen dan dien van prins Czyrkiski. De reis had
Othomar veel goed gedaan; hij voelde zich zelfs zoo wel, dat hij
keizerin Elizabeth geschreven had nog eenigen tijd in den familiekring
te Altseeborgen te willen blijven, maar daarna zijne, reeds vroeger
voorgenomen, reis aan de Europeesche hoven te ondernemen.

Het gemakkelijke samenzijn had de neven zeer tot elkaâr gebracht.
Herman had Othomar onder zijn strakheid en gemis aan gemakkelijkheid
leeren kennen als een jongen kroonprins, die zeer tegen zijne toekomst
opzag, maar veel redelijkheid in zich had, wilde leeren berusten in het
leven en zich reeds sterk maken voor zijn aanstaand zwaar juk van
keizergrootheid. Hij begreep Othomar en had medelijden met hem.
Hijzelve zag in het leven een vitaal genot; te ademen alleen reeds was
genieten; zijn bestaan van tweeden zoon, met alleen zijne
marineplichten, die hij liefhad, zooals een afstammeling van oude
zeekoningen ze erfelijk lief kon hebben, hoorde een perspectief voor
hem heen van niets dan éene verre onbewolkte zorgeloosheid; dat hij
koningszoon was, gaf hem niets dan gemak, dan genot en hij waardeerde
zijne hoogheid van omstandigheden met jolig pleizier, hij schepte zich
den room af van een kelk, waaruit Othomar later alsem zoû drinken.
Vergeleek hij ook eerst Othomar met zijn broêr, den hertog van
Weldeholm, en kroonprins ook, hij van Gothland, Herman vergeleek nu
niet meer; zijn oordeel was redelijker geworden; hij begreep, dat geene
vergelijking mogelijk was. Liparië was een ontzachlijk bijna
autocratisch keizerrijk; het volk, vooral in het Zuiden, zeer
wisselvallig, altijd met kracht in toom gehouden om zijn kinderlijk
nooit zelf weten wat het doen zoû van grilligheid; de Gothlanders, van
temperament kalm liberaal, zonder schreeuwerigheid, hielden zich met
hunne, reeds lang verkregen, uitgebreide constitutie, rustig om koning
Siegfried, dien zij den vader van het land noemden. Dat Gunther er niet
tegen opzag eenmaal de kroon te moeten dragen, was dat reden, dat
Othomar zonder die vreeze hoefde te zijn? Bezat Othomar niet eerder de
teedere eigenschappen, die in den nauwen cirkel van een intiemen kring
gewaardeerd worden en beminnelijk maken bij enkele sympathieken, dan
dien felleren glans van hoedanigheid, die op een hoog standpunt hel
doet uitkomen en relief, en opzien wekt bij de menigte? Was die jongen
met zijne ziel vol scrupule, zijn heimwee naar rechtvaardigheid, zijn
in-verlangen naar liefde, zijn dadelijk gekwetste teêrgevoeligheid, was
hij de zoon zijner vaderen, afstammeling van Berengar den Sterke,
Wenceslas den Wreede, zoon der strijdbare Xaveria, of was hij niet
eerder het kind maar zijner zachte moeder alleen?

Het was niet in Herman hier veel en lang over na te denken, maar het
kwam plotseling tot hem, bruskweg, als een nieuw uitzicht, dat geopend
wordt in een klaarder licht. En wat antipathie in hem geweest was, werd
medelijden, vriendschap en verwondering over het willen van de
wereldorde, omdat ze met een ziel als die van Othomar niets anders wist
te doen dan ze neêr te drukken onder een kroon.

Het eenvoudige familieleven te Altseeborgen was voor Othomar als een
kuur. Hij voelde er zich in natuurlijkheid opleven, zijne
menschelijkheid zich er zonder boei wijder ontplooien. Gewend aan het
ceremonieele hofleven van het Imperiaal, aan welks etiquette keizer
Oscar streng de hand hield, verwonderde de, bijna burgerlijke, eenvoud
zijner Gothlandsche familie hem eerst, maar verheugde hem later. Vorige
jaren was hij wel nu en dan korten tijd te Altseeborgen geweest, maar
nooit zóo lang gebleven, om zich, zooals nu, geheel en al tot de hunnen
te kunnen rekenen.

Behalve Othomar waren er op dit oogenblik geene andere logés dan de
aartshertogin Valérie, nicht van den Oostenrijkschen keizer. Vermoedden
de jongelieden iets of niet? Werden hunne namen samen genoemd door de
jongere prinsen en prinsessen? Uiterlijk scheen het niet; een enkelen
keer maar hadden de prinses Sofie of Wanda noodig de jongere broêrs met
een blik te doen zwijgen. En toch was het met gewichtige bedoeling, dat
de koningin van Gothland, in samenstemming met den keizer van Liparië
en de ouders van Valérie—aartshertog Albrecht en aartshertogin Eudoxie,
die het slot te Sigismundingen bewoonden—de jonge lieden samen had
gebracht. Keizer Oscar zoû zeker liever eene der jeugdige Russische
grootvorstinnen, nicht van den Czaar, tot schoondochter hebben willen
kiezen, maar het verschil van godsdienst was altijd een onoverkomelijke
hinderpaal; bezwaren had de keizer, trots zijn voorkeur, tegen de
Oostenrijksche verbintenis intusschen niet.

Misschien rieden Othomar en Valérie iets van deze bedoeling, maar het
geheim ervan wekte geene gedwongenheid tusschen hen; zij waren, van
beider kant, zoozeer gewend telkens bekende vorsten of prinsessen met
hen samen genoemd te hooren, te zien zelfs vermeld in couranten:
verlovingsberichten, die kort daarop weêr tegengesproken werden; ze
hadden zelfs samen geschertst over de vele malen, die de publieke
opinie hen had uitgehuwelijkt, telkens weêr met anderen; soms waren het
zelfs voor henzelve verrassingen geweest, die zij vonden in de
nieuwsbladen, en waarover zij jolig pleizier hadden gemaakt. Zij
stoorden zich dus niet aan een heel enkel ondeugend woord van prins
Olaf of prins Christofel; flinke jongens van zeventien en vijftien
jaar, die het gezellig vonden te plagen. En daarbij oefende koningin
Olga, verstandig en redelijk, niet den minsten invloed op hen uit. Zij
had ze samen genoodigd, maar meer deed ze niet. Misschien lette zij
stil op hoe zij waren met elkaâr, en schreef ze hiervan een enkel woord
aan hare zuster, maar zij hield zich geheel buiten de mazen, die zich
tusschen hunne kroonlevens moesten samen weven. Toch was het haar
moeilijk zoo te doen. Zij hield van Valérie, en meende, dat dit
huwelijk in allen deele goed zoû zijn. Maar daarbij kwamen er dringende
brieven van Sigismundingen, en zelfs van Weenen, waar men niets liever
wenschte, dan de jonge aartshertogin, hertogin van Xara te zien. Er
waren hier, behalve dat men aan het Oostenrijksche hof een hernieuwde
verbintenis met Liparië op prijs stelde, nog andere redenen voor, van
intimer aard.



III.

De zon was in den namiddag doorgebroken en deed het grijs van de lucht
en het water opblauwen met de wazige blauwte van Noordelijken zomer. De
zee gloeide en schubde zich goud; het verweerde kasteel stond zijn
breeden granietstapel, als een oude man zijn rug, te blakeren in de
warmte. Op het hoogste terras, dat met drie glazen deuren tot den
grooten hall toegang had, was het gestreepte linnen zeil neêrgelaten.
Er lagen matten over den grond. In groote rieten stoelen zaten prinses
Sofie en aartshertogin Valérie; beiden schilderden met waterverf. Uit
den hall klonken, eentonig, de zachte gamma’s van prinses Elizabeth,
het oudste dochtertje der kroonprinses, dat studeerde. Prinses Wanda
zat op den grond en stoeide nog al wild met hare twee jongste neefjes,
Erik en Karel. Op een langen rieten stoel lag prins Herman, met beide
beenen uitgestrekt; naast hem een tafeltje vol couranten en
tijdschriften, waarvan er eenige op den grond gevallen waren; een
groote bel sherry-cobbler in den rieten glashouder van zijn stoel, een
blauwtjes wolkende cigarette tusschen zijne vingers.

Sofie en Valérie vergeleken hare studiën en lachten. Ze keken naar de
lucht, die het neêrgelaten zeil recht afsneed; de wolken, wollig wit,
schuimden er op elkaâr; de zee was verblindend van gouden schubben, als
een reuzenpantser.

—Wat teekenen jullie toch? vroeg Herman, die in een geïllustreerd
tijdschrift bladerde.

—Wolken, antwoordde Valérie; niets dan wolken. Ik heb Sofie overgehaald
samen wolkstudies te maken. Je moet straks, als je niet te lui bent,
mijn album eens komen zien—ze lachte even—het zijn niets dan wolken!

—Hé! zei Herman, lang uitgerekt. Hoe vreemd...

—Ja, zei Sofie droomerig; wolken zijn wel aardig, maar je weet nooit ze
te treffen: ze veranderen ieder oogenblik.

—Erik, vraag eens aan tante Valérie haar album voor me, vroeg Herman.

—Wel neen, riep Wanda; ga het zelf halen, hoor luilak...

Maar Erik wilde toch gaan; er ontstond een schermutseling. Wanda hield
den kleinen jongen in beide armen vast, Karel deed meê, zij stoeiden,
en Wanda viel lachend, schuin over den grond.

—Maar Wanda! berispte Sofie.

Valérie stond op en ging naar Herman toe.

—Met dat al zie je mijn wolken niet, luie jongen. Ik zal maar genadig
zijn. Kijk eens...

Herman richtte zich nu, in eens, op, nam het album aan.

—Hoe grappig, zei hij. Geel, en wit en violet en roze! Allemaal
zonsondergangen!

—En zonsopgangen. Ik zie er misschien meer dan jij!

—Wat jij toch al niet in wolken ziet, Valérie! Het is verbazend. Wat
verschilt de eene mensch toch van den anderen. Ik zoû het nooit in mijn
hoofd krijgen wolken te gaan uitteekenen. Je moet eens met me meêgaan
op reis; dan zoû je heele verzamelingen van wolken kunnen maken.

—Had me die propozitie maar eerder gedaan! schertste Valérie. Dan had
ik met Xara meê kunnen gaan.

—Maar waar is Othomar! zei Herman.

Valérie zei, dat ze het niet wist...

Herman dronk aan zijn sherry-cobbler, Wanda wilde ook proeven, maar
Herman zei, dat ze zelve maar om een glas moest bellen en weigerde.
Wanda wilde toch; hij greep haar de polsen.

—Maar Wanda! berispte Sofie weêr, loom; zij streek de hand over het
voorhoofd en legde haar penseel neer.

Wanda lachte vroolijk.

—Maar Wanda! deed ze Sofie na, en ze lachten allen Sofie uit; Sofie
lachte meê.

—Sprak ik zoo? vroeg ze, met hare loome stem. Ik weet het ook niet, ik
word hier zoo slaperig, zoo lui...

Zij waren nog allen vroolijk om Sofie, toen stemmen klonken uit den
hall, schelle oude stemmen. Het waren de twee douairières met Othomar;
de oude dames minaudeerden hoffelijk tegen den jongen prins, die heur
stoelen aanbood. De tantes hadden na het lunch een slaapje gemaakt; ze
kwamen nu weêr te voorschijn, met tapisseriewerken in groote réticules.
Iedereen begroette haar met veel eerbied, waarin een schalksch tintje
school.

—Pardon, lieber Herzog, murmelde de oude prinses Elza, de oudste; ik
heb liever dat kleine stoeltje...

Ook prinses Marianne wilde een klein recht stoeltje; de oude dames
bedankten Othomar met eene révérence voor zijne galanterie, zetten zich
stijf recht, begonnen te handwerken: groote blazoenen voor
stoelbekleedsels. Zij waren zeer deftig, met fijne maar uitgerimpelde
gezichten, grijze tours en een zwart kanten kapsel; ze droegen krakende
moiré japonnen, van ouderwetschen snit. Nu en dan wisselden ze een
snel, vinnig, woord, met eene, plotselinge kakelende, beweging van hare
fijne kakatoeprofielen, ze keken even aandachtig naar de zee, als kon
het niet anders of ze zouden iets belangrijks zien aankomen uit het
onbestemde; dan werkten ze weêr door... Hare ouderwetsche, deftige,
stijf in keurs geregen, schrale figuren deden vreemd samen met de
losheid der jonge lieden in hunne eenvoudige serge zomerpakken: de
verwarde haren en de opgesjorde blouse van prinses Wanda werden er zeer
ongegeneerd om.

Een derde oude dame kwam statieus aan, zij had eenige overeenkomst met
de douairières; zij was echter gravin Von Altenburg, vroegere
grootmeesteres der prinses Elsa; achter haar brachten twee lakeien
bladen, waarop koffie en gebak, het goûter der oude prinsessen. De
gravin maakte eene ceremonieele nijging voor de jonge vorsten.

—Het terrein is ingenomen! fluisterde Herman tot Valérie. Zij waren
weêr gaan zitten en onder hen plaagden zij, zonder dat de tantes, of de
gravin, die eenigszins doof was, het hooren konden. Othomar met zijne
drie Nornen, zooals zij schertsten. Een drukke taalwarrel ging om: de
tantes spraken Duitsch en schreeuwden, om zich te doen verstaan, iets
over de kalmte van de zee in de arme ooren der koffieschenkende gravin,
die knikte, dat ze begreep. De jongere vorsten spraken meestal
Engelsch; Herman soms met Othomar een paar woorden Liparisch, en de
kinderen, die op een lager terras waren gaan spelen, joedelden
Gothlands en Fransch luidruchtig door elkaâr.

De lakeien hadden de afternoon-tea gebracht en voor prinses Sofie
geplaatst, toen eene hofdame verscheen. Zij boog voor de jonge
kroonprinses, en, in het Gothlandsch:

—Hare Majesteit verzoekt Uwe Hoogheid in den kleinen salon te komen.

—Mama vraagt me bij haar te komen, zei prinses Sofie in het Engelsch,
terwijl ze opstond. Wanda, schenk jij thee? Kinderen, zullen jullie
naar boven gaan om je te kleeden? Wanda, zeg het hun nog eens, niet
waar?

De kroonprinses ging door den hall, een groote, ronde koepelvormige
zaal, vol hertengeweien, elandkoppen, jachttrofeeën; daarna een trap
op. In de antichambre der Koningin, deed de lakei de deur voor haar
open. Koningin Olga zat alleen; zij was eenige jaren ouder dan hare
zuster, de keizerin van Liparië, grooter en zwaarder van bouw; hare
trekken hadden echter veel overeenkomst met die van Elizabeth, maar
waren meer aangedikt.

—Sofie, sprak ze dadelijk, in het Duitsch; ik heb een brief uit
Sigismundingen...

De hertogin van Wendeholm was gaan zitten.

—Iets over Valérie? vroeg ze verschrikt.

—Ja... begon de koningin, met een nadenken in haar blik. Arm kind...

—Maar wat dan, mama?

—Daar, lees zelf...

De koningin reikte den brief aan haar schoondochter over. Deze las
haastig. De brief was van de aartshertogin Eudoxie, de moeder van
Valérie, met een beverige opgewonden hand geschreven, en vermeldde in
termen, die onverschillig wilden zijn maar eene groote voldoening
verrieden, dat prins Leopold von Lohe-Obkowitz in Nice was met de
beroemde actrice Estelle Desvaux; dat hij afstand van zijne heerlijke
rechten zoû doen ten gunste van zijn jongeren broeder, en daarna
trouwen zoû met zijne maitresse. De brief verzocht aan de koningin of
aan de kroonprinses dit te willen meêdeelen aan Valérie, in de hoop,
dat zij er niet te zeer door geschokt zoû worden. Verder eindigde de
brief met hevige aanvallen tegen prins Leopold, die zich zoo te schande
maakte, maar tevens met onverholen blijdschap, dat Valérie er nu
misschien nooit weêr over denken zoû vrouwe te willen worden van een
gebied, dat zes meter in het vierkant mat! De aartshertog Albrecht
schreef er onder, dat dit nieuws geen vaag gerucht was maar zekerheid;
en dat prins Leopold het zelve aan hunne eigen verwanten te Nice
verteld had, die het geschreven hadden naar Sigismundingen.

—Heeft Valérie wel eens met je over prins Lohe gesproken? vroeg de
koningin.

—Een enkelen keer, mama, antwoordde de hertogin van Wendeholm, terwijl
zij het epistel terug gaf; maar wij weten allen genoeg, dat dit bericht
haar zeer zal schokken. Zoû zij er in het minst op zijn voorbereid?

—Waarschijnlijk niet; we hadden er toch geen van allen nog iets van
gehoord of gelezen. Zal ik het haar zeggen? Arm kind...

—Wil ik het doen, mama? Zooals ik u zeg, een enkelen keer heeft Valérie
met me gesproken...

—Goed, doe jij het dan...

De hertogin bedacht zich, zag naar de pendule.

—Het is al zoo laat, ik zal het doen na het diner; we waren nog geen
van allen gekleed... Wat vindt u?

—Goed dan, na het diner...

De kroonprinses ging, ze moest zich haasten met haar toilet. Toen het
zeven uur was, luidde een klinkende bel, lang door. Men kwam in den
hall te zamen; de eetzaal zag met groote bogen op het dennenbosch uit.
Het was een lange tafel: koning Siegfried, een krasse oude vorst met
vollen, grijzenden baard; koningin Olga; kroonprins Gunther, lang,
blond, twee-en-dertig jaren; prinses Sofie en hunne kinderen; Othomar
tusschen zijne tante en Valérie, Herman en Wanda, Olaf en Christofel,
de twee douairières met gravin Von Altenburg, adjudanten, hofdames,
kamerheeren, de gouvernante van prinses Elizabeth, de gouverneurs der
kleine prinsen...

De ongedwongenheid van vroolijke gesprekken ging om. Men droeg
eenvoudig toilette-de-ville; de koning gekleede jas, de jongere prinsen
en adjudanten smokings. De jonge prinsessen droegen lichte
zomer-toiletten van wit serge of roze mousseline de-laine; ze hadden
een paar bloemen uit de serres zich gestoken in de ceintuurs.

Valérie praatte vroolijk, Herman plaagde haar nog eens met hare
wolkstudies, maar Othomar zei, dat hij ze zeer bewonderde. Koningin
Olga en prinses Sofie wisselden een blik en waren stiller dan anders.
De koning zag ook zeer aandachtig naar de jonge lieden. Na het diner
verspreidde zich de familie; de kroonprins en Herman gingen met de
jongere prinsen en de kinderen roeien op zee, in twee booten. Wanda en
Valérie liepen, de armen om elkaârs middel, op en neêr, op het lange
voorterras, het zeil was voor den avond reeds omhoog getrokken. De zee
was nog blauw; de lucht parelkleurig en niet zoo hel meer: boven den
horizont brandde de zon nog blakende scheuren in de wijd uitstralende
wolken.

De jonge meisjes liepen, lachten, zagen naar de twee bootjes op zee en
wuifden ze toe. Heel ver weg ging een steamer fijn gepenteekend, met
een vuil streepje rook. De jonge prinsen riepen: hoera! hoera! en
heeschen hunne kleine vlag op.

—Zie toch die couranten van Herman, zei Valérie. Tante Olga houdt niet
van dien rommel...

Ze wees naar al de tijdschriften en nieuwsbladen, die de lakeien zeker
vergeten hadden op te ruimen. Ze lagen over den langen, rieten
reisstoel, op het tafeltje, over den grond.

—Wil ik bellen, dat zij ze opruimen? vroeg Wanda.

—Och, laat maar, zei Valérie.

Ze raapte zelve een paar couranten op, vouwde ze, schikte ze te zamen,
Wanda wuifde weêr naar de bootjes, met een zakdoek.

—Mijn God! hoorde zij in eens Valérie dof mompelen.

Ze zag om; de jonge aartshertogin bleek, was op een stoel neêrgezonken.
Zij had de couranten weêr laten vallen; een ervan hield ze krampachtig,
kreukelend, vast, ze zag er op neêr, met oogen, wezenloos van schrik.

—Het is niet waar... stamelde zij. Ze liegen altijd... ze liegen!

—Wat is er, Valérie? riep Wanda verschrikt.

Op dit oogenblik kwam de hertogin van Wendeholm door den hall aan.

—Valérie! riep ze.

Het jonge meisje hoorde niet. De hertogin kwam nader.

—Valérie! herhaalde ze. Zoû ik je even kunnen spreken, alleen?

De aartshertogin hief haar bleek gezichtje op. Ze scheen niet te
hooren, niet te begrijpen.

—Mijn God! fluisterde de hertogin tot Wanda; weet ze het al?

—Wat toch? vroeg Wanda.

Maar een lakei kwam door den hall ook; hij droeg een zilveren blad met
brieven. Er waren een paar brieven voor de hertogin; hij bood ze haar
eerst; toen éen, aan Valérie. De aartshertogin scheen met hare
verblinde oogen dien brief toch wel te zien; gulzig greep zij er naar.
De lakei ging.

—O... God...! stamelde zij eindelijk.

Zij rukte den brief open uit de enveloppe, verscheurde hem half in hare
drift en las met krankzinnige oogen. Sofie en Wanda zagen haar ontzet
aan.

—O... God...! kreet de aartshertogin smartelijk. Het is waar... het is
waar... het is waar!!! Oh...

Zij stond trillende op, zag met dolle oogen om zich heen, stortte zich
als gek in de armen der hertogin. Een luide snik stiet uit hare keel,
als schoot een pistoolschot door haar hart heen.

—Hij schrijft het me zelf! kreet zij uit. Zelf! Het is waar, wat in de
courant staat... Oh!!!...

En zij knakte met haar hoofd op Sofie’s schouder neer. Sofie voerde
haar mee den hall in; Valérie liet zich meeslepen als een kind. Wanda
volgde, weenende, wringende haar handen zonder te weten waarom.

Uit de bootjes, die al heel ver waren, wuifden de jonge prinsen nog
eens; prinsesje Elizabeth poogde zelfs iets te roepen; zij begreep niet
waarom Wanda en Valérie zoo flauw waren niet meer terug te wuiven.

Aan den horizont ging de zon onder; de gloeiende wolken waren allen
verdommeld in schuimend goud-roze neveltjes met blinkende randen; maar
het werd avond; de lucht donkerde; een voor een smolten de roze wolkjes
weg; éen laatste wolk nog, als met twee stralenvleugels van laatste
zonneschichten, flikkerde nog even op, of ze wilde vliegen, en verzonk
toen, in eens, de vleugels geknakt, weg in de violette donkerte. De
eerste sterren twinkelden op, hel zichtbaar.



IV.

Het was den volgenden morgen nog heel vroeg, half zes, toen de
aartshertogin Valérie de terrassen van Altseeborgen afging. Zij had de
kamenier alleen gezegd, dat zij vóor het eerste ontbijt, dat
gezamenlijk gebruikt werd, terug zoû zijn. Beslist als met eene
impulzie, ging zij het eene terras na het andere af. Zij ontmoette
niemand dan een paar bedienden en schildwachten. Het onderste terras
liep zij naar zee om; daar was een kleine vierkante haven in het
graniet uitgehouwen, waar, in een bootenhuis, de roei- en zeilbooten
gemeerd lagen. Zij koos zich een lange, smalle giek, en haakte die van
de ijzeren ketting los. Met handigheid zette zij zich en greep zij de
riemen: enkele korte slagen brachten haar het haventje uit, en in zee.

Over de zee woei een Zuidwestenwind. De zee was vreemd grijs, als
spiegelde ze in haar ovaal de onzekere lucht boven zich af: een
dofblanke lucht, waarin vuile rafels hingen van, uit elkaâr gewaaide,
wolken. De horizont was niet zichtbaar; er dreven lichte nevels, die er
de afscheiding tusschen zee en lucht uitdoezelden met smoezelige tint.
Sterk woei de wind aan.

Valérie had den kleinen matrozenhoed afgezet en heure haren warrelden
om haar gezicht. Zij had naar het visschersdorp heen willen roeien,
maar ze voelde aanstonds, dat het boven hare krachten ging op te werken
tegen den wind. Zij liet zich dus gaan met den wind meê. Een oogenblik
dacht zij aan het weêr, de lucht, den wind; toen wierp zij die gedachte
van zich. Stevig bewoog zij de riemen.

Hoewel de zee betrekkelijk kalm was, wipte het bootje telkens over den
gladden rug van een golf heen en daalde dan weêr. Schuimspatten vlogen
op. Toen Valérie na korten tijd omzag, verschrikte zij een weinig,
omdat Altseeborgen zich zoo ver van haar terugtrok. Zij aarzelde nog
eens, maar liet zich weêr gaan...

Toen zij het kasteel verlaten had, was geene gedachte in haar geweest;
alleen eene impulzie om te handelen. Nu, onder de handeling zelve, rees
de gedachte bij haar op, als werd die door den wind uit eene lethargie
gewekt. Valérie’s oogen staarden brandend groot, zonder tranen, voor
zich uit.

Het was waar, reëel. Dit was het wiel, dat telkens terugdraaide in hare
gedachte. Het was waar, reëel. In de couranten—de zelfde, die Herman
urenlang doorbladerd had—stond het: Sofie had het haar gezegd; zijn
eigen brief meldde het haar.

Zij had dien brief niet meer, hij was verscheurd. Maar ieder woord
brandmerkte nog haar verbeelden.

Het was zijn brief geweest; zijn eigene woorden waren het geweest, zijn
stijl. Hoe had ze met woorden van hem gedweept, eens. Maar deze, waren
het wel de zijne? Schreef hij zoo? Kon zij zich voorstellen, dat hij
ooit zóó tot haar spreken zoû:

Hij zoû haar niet ongelukkig willen maken door haar lief te hebben
tegen den wil harer ouders, harer keizerlijke familie. Het was immers
waar, dat hij niet haar evenboortige was. Zijn huis was van ouden adel,
maar meer niet. Zij was van keizerlijken en koninklijken bloede. Hij
was haar dankbaar, dat zij tot hem neêr had gebogen en hem tot haar had
willen heffen. Maar het was niet goed dit te doen. De tradities der
menschen moesten onschendbaar zijn: het was, vooral voor hen, grooten
der aarde, niet goed tegen traditie te doen. Zij moesten dankbaar zijn
voor de liefde, die hunne zielen had gelukkig gemaakt, maar meer
mochten zij niet verlangen. Te Weenen wilde men niet, dat zij elkander
lief hadden. Zoû hij haar ooit geheel gelukkig kunnen maken—zoû zij,
zoo ze huwden en zich met hunne liefde terugtrokken in het buitenland,
nooit terug verlangen en heimwee voelen naar den splendeur, waaruit hij
haar tot zich had neêrgehaald? Want, zóo zij huwden, zoû hij nog minder
hare gelijke zijn, dan hij nu reeds was, door de ongenade van zijn
keizer. Neen, neen, het mocht niet. Zij moesten scheiden. Zij waren
niet voor elkaâr geboren. Een kort oogenblik hadden zij de heerlijke
illuzie gebeeld, dat zij wél voor elkaâr geboren waren; dat was alles.
Voor die herinnering zoû hij dankbaar blijven, zijn leven lang.

Met een brekend hart nam hij afscheid van haar, vaarwel, vaarwel. Het
was gedaan, zijn hooge carrière, zijn leven, zijn alles. Hij vroeg haar
om vergeving. Hij wist, dat hij te zwak was, om haar lief te hebben
tegen den wil van zijn vorst in. En hij vroeg haar vergeving daarvoor.
Zij zoû den naam van eene vrouw hooren, samen met de zijnen; ook hier
vroeg hij vergeving voor. Hij had die vrouw niet lief, maar zij wilde
hem troosten in zijne smart...

De wind, strafweg, was feller opgestoken, met een zwaren gelijken
blaasadem. De lucht stond donker. Woester rolden de golven op het
bootje aan en wipten het op hunne ruggen als van gladde waterbeesten.
Het schuim had Valérie nat gemaakt. Zij zag om. Altseeborgen lag zeer
ver, nauwelijks zichtbaar; de vlag zag zij nog teekenen in de lucht,
als een lintje.

—Ik ben gek, dacht ze. Waar ga ik naar toe...? Ik moet terug...

Maar het was moeilijk de boot te keeren! Telkens sloeg de wind haar
weêr af en dreef haar verder. Een wanhoop kwam over Valérie’s lichaam
en ziel, moreele en fyzieke wanhoop.

—Nu, laat dan maar, dacht ze.

Ze liet de riemen los, dreef verder, weg, weg. Waarom ook niet? Waarom
zoû ze zich niet laten wegdrijven? Zonder hem, zonder hem... kon ze
niet leven! Haar geluk was gebroken; wat was het leven, zonder geluk?
Want zij wilde geluk, het was haar broodnoodig...

Ze was half ingezonken in de boot. De riemen klapperden tegen de wanden
aan. Een golf kletste over haar heen. Hare oogen staarden brandend voor
zich uit, in het verre.

Een tweede golf kletste, hare voeten waren doornat. Zij richtte zich
langzaam op, zag naar de booze zee, naar de donkere lucht. Toen greep
zij de riemen weêr, met een zucht van smart.

—Kom aan! dacht ze.

Hooger rees en lager daalde ze. Maar met een dolle poging deed zij de
boot wenden...

—Het moet! knarste zij tusschen de tanden.

Zij hield de smalle boot tegen den wind in en begon te roeien. Het
moest. Haar voorhoofd fronste zich, hare kakebeenen knarsten, hare
tanden schrijnden over elkaâr. Zij voelde hare spieren rekken. En ze
roeide door, tegen den wind op. Met haar heele lichaam schokte zij op
tegen den straffen adem. Het moest. Het zoû. En zij wende zich aan hare
krachtsinspanning; werktuigelijk roeide zij door. Zóó wende zij aan ze,
dat ze begon te snikken, terwijl ze roeide...

O God, hoe lief had ze hem gehad, met heel hare ziel! Waaròm, wist ze
het? O, zoo hij maar wat sterker ware geweest, zij zoû het wel geweest
zijn! Wat deed hun de ongenade van haar oom, den keizer, zoo ze elkaâr
liefhadden? Wat de woede van hare ouders, zoo ze elkaâr liefhadden? Wat
kon hun Europa schelen, zoo ze elkaâr liefhadden! Niets, alles niets...
Zoo hij hun geluk maar had durven grijpen, toen het voor hen fladderde,
zooals het maar ééns voor eene ziel uitfladdert! Maar hij had niet
gedurfd, hij voelde zich te zwak dien greep te wagen, hij bekende het
haar zelve... En nu... was het gedaan, gedaan, gedaan...

Al snikkende roeide zij door. Hare armen schenen te zwellen, te
springen uit elkaâr. Enkele dikke druppels van regen vielen neer.
Waarom eigenlijk roeide zij door? De zee was de dood, verlossing van
het leven, vergetelheid, blussching van schroeiende pijn. Waarom roeide
ze dan door?

—O God! ik weet het niet! antwoordde zij zichzelve hardop; maar het
moet! Het moet!...

En met de schokken van haar sterk vorstinnelijf werkte zij zich terug,
naar het leven...

Maar op Altseeborgen was men in groote onrust. Het was drie uur
geleden, dat Valérie gegaan was. De kamenier wist niet anders te
zeggen, dan dat Hare Hoogheid verzekerd had voor het ontbijt terug te
zullen zijn. De schildwachten hadden haar de terrassen zien afgaan,
maar verder geen acht geslagen welken kant Hare Hoogheid was uitgegaan.
Zij meenden naar het bosch, maar wisten niet zeker...

Iedere minuut steeg de angst; geen vermoeden werd uitgesproken, maar
men las het elkander in de oogen. Koning Siegfried beval zelve stil te
gaan zoeken, om geen opzien te baren bij de hofhouding en het volk van
het dorp. Van verdwalen kon geen sprake zijn: het dennenbosch was niet
groot en Valérie kende Altseeborgen goed. Trouwens, er was niets dan
het bosch en het strand en het dorp.

De koning en de kroonprins gingen zelve het bosch in met een adjudant.
Herman en zijn jongere broêr Olaf gingen het dorp in links; Othomar en
Christofel langs de zee, rechts. De koningin bleef met de prinsessen in
hartkloppende onzekerheid achter. Hoe men ook had pogen zich goed te
houden en te ontbijten, iets van een gerucht waarde reeds door het
kasteel heen.

Othomar was met Christofel langs het klippige strand gegaan; de regen
begon te druppelen, dik hard.

—Wat zoeken we hier eigenlijk! zei Othomar radeloos.

—Ze zal zich misschien in zee hebben gegooid! antwoordde de jonge prins
en, voor het eerst van zijn leven, was hij bang voor de diepte, die de
dood was. Zonder te weten gingen zij door, door...

—Laat ons terugkeeren, sprak Othomar.

Zij gingen echter nog eenigen tijd voort; ze konden niet opgeven...

Daar klonk een kreet over het water; zij schrikten op, maar zagen eerst
niets.

—Hoorde je? vroeg Christofel bleek, die aan spooklegenden van de zee
dacht.

—Een zeemeeuw zeker! zei Othomar, maar luisterde toch. De kreet klonk
weêr.

—Daar, zie je niets! wees Christofel.

Hij wees een lange vlak, die deinde over het water aan.

Othomar schudde van neen.

—Neen, dat kan niet! zei hij; dat is een visschersjongen.

—Wel neen, het is een giek! riep Christofel.

Zij zeiden niets meer, liepen op een draf door. De vlak werd
duidelijker: een giek, de kreet klonk, doordringend.

—Mijn God, Valérie! schreeuwde Othomar.

Zij schreeuwde eenige woorden terug; hij verstond maar ten deele. Zij
roeide niet ver van het strand af, naar het kasteel toe. Othomar deed
zijn jas, zijne schoenen uit, stroopte zijn broek op, de mouwen van
zijn hemd.

—Neem dat meê, riep hij tot Christofel; en ga terug naar het kasteel,
zeg het hun...

Hij liep met bloote voeten over de klippen heen, de zee in, wierp zich
in het water, zwom naar de boot. Het was zeer moeilijk voor hem in het
bootje te komen, zonder het te doen omslaan. Het kantelde dol links en
rechts; met éene beweging van lichte vlugheid slaagde Othomar echter er
in te springen.

—Ik kan niet meer... sprak Valérie mat.

Ze liet de riemen los; hij greep ze en roeierde op. Ze viel even tegen
hem aan, maar hield zich toen recht om hem niet te belemmeren.



V.

De jonge aartshertogin verscheen niet aan het lunch; zij sliep. Even
voor het diner,—het regende en de koningin dronk in den hall thee, met
de prinsessen, de tantes, de kinderen,—verscheen zij. Zij zag wat
bleek; haar gezicht was een weinig uitgetrokken; hare oogen vreemd
groot, brandend. Zij droeg een eenvoudig zomertoilet van zacht lila
soupele stof, met een paar witte linten om den leest gestrikt; de kleur
stond haar goed bij het vreemde haar, dat nu eens bruin was en dan weêr
rossiger scheen. De koningin strekte de hand naar Valérie uit; ze
schudde het hoofd en zei:

—Ondeugend kind! Wat heb je ons bang gemaakt.

Valérie kuste het voorhoofd der koningin.

—Vergeef me, tante. De wind was zoo sterk, ik kon er bijna niet tegen
op. Ik had niet moeten gaan. Maar ik had, ik had behoefte... aan
beweging.

De koningin zag haar angstig aan.

—Hoe voel je je?

—O, goed tante. Wat stijf; een beetje hoofdpijn ook. Het is niets. Mijn
handen alleen hebben een paar groote blâren, ziet u eens...

En ze lachte.

De oude dames vroegen uitvoerig naar het gebeurde: het was heel
moeielijk ze het aan haar verstand te brengen. Wanda zette zich
tusschen haarbeiden, deed haar het verhaal; de fijne kakatoe-profielen
bogen telkens ontzet op en neêr naar Wanda toe. De tantes legden de
hand op het hart en zagen Valérie in verschrikking aan; vriendelijk
glimlachte zij ze toe. Toen de gravin Von Altenburg verscheen, namen de
tantes de oude grootmeesteres tusschen haar in en deden, op hare beurt,
het verhaal, krijschende aan de arme ooren der gravin. Koning Siegfried
kwam binnen; hij ging naar Valérie toe, die opstond, nam haar het hoofd
tusschen de handen, zag haar aan en schudde zijn grijzen kop; toch
glimlachte hij. Toen zag hij naar zijne zusters; hij amuzeerde zich
altijd om ze; ze waren nog midden in haar verhaal tegen de gravin,
namen elkaâr telkens het woord uit den mond:

—Nu, zoo verschrikkelijk was het niet! viel de koning ze in de rede;
zoo te roeien is wel eens prettig en een goed middel tegen migraine. Je
moest het ook eens doen, Elsa, als je migraine hebt.

De oude prinses zag hem zoetsappig glimlachend aan: ze wist nooit of
haar broêr zoo iets meende of niet. Ze schudde haar deftig hoofd
langzaam heen en weêr:

—Neen, lieber Siegfried, dat kunnen wij niet meer doen. Unsere liebe
Erzherzogin is nog een jong ding...!

Othomar, Gunther en Herman kwamen binnen; ze hadden gebiljart; de
jongere prinsen volgden hen. Valérie sidderde even, stond op en ging
naar Othomar.

—Ik dank je, Xara, sprak ze. Duizend-, duizendmaal!

—Maar waarom, Valérie! antwoordde Othomar eenvoudig. Ik heb niets
gedaan dan je een eind teruggeroeid. Er was geen gevaar. Want, als je
zoo moê was geweest, dat je niet meer hadt gekund, hadt je immers in
zee kunnen springen en kunnen zwemmen naar land. Je bent een goede
zwemster. Je hadt alleen de boot er aan geofferd.

Zij zag hem aan.

—Het is zoo, zei ze. Maar ik dacht daar niet aan. Ik was misschien...
verbijsterd. Ik zoû het niet gedaan hebben; ik had een idee-fixe om
terug te roeien. Als ik niet meer had kunnen roeien, was ik zeker...
Weiger mijn dank niet, ik verzoek het je: neem hem aan.

Zij stak hare hand uit, hij drukte ze. Met verwondering zag hij stil
tot haar op, en begreep haar niet. Hij dacht niet anders dan dat zij
dien morgen het kasteel verlaten had met een plan van zelfmoord. Had
zij op het water berouw gevoeld of niet gedurfd; had zij willen
doorleven en was zij teruggekeerd? Was zij zoo oppervlakkig, dat zij
het groote leed, dat haar gisteren avond verpletterd had, nu reeds te
boven was? Voelde zij, dat het leven over alles wat van ons is, geluk
of smart, heenradert met zijn onverschillige jubelkarren en dat het
maar het beste is om niets te geven en te voelen, ook niets? Wat van
dit alles was er in haar? Hij kon het niet doorgronden. En opnieuw zag
hij zich weer vreemd staan voor de vraag van de liefde. Wat was dit
gevoel waard, zoo het zóó weinig maar woog in een vrouweziel? Wat woog
het bij hemzelven voor Alexa? Wat was het dan... of was het dan nog
iets... anders?

Aan het diner praatte Valérie als gewoonlijk en hij bleef haar niet
begrijpen. Het ergerde hem, zijn gebrek aan doorzicht in menschehart:
hoe kon hij het ontwikkelen? Een aanstaande vorst moest toch met éen
enkelen blik kunnen zien... En in eens, misschien alleen òm zijn wensch
naar menschekennis, kwam het in hem op, dat ze zich verborg, dat ze
misschien nog zeer leed, maar zich voordeed, zich ophield; ze was
immers een vorstenkind: zij leerden dat allen, vorstenkinderen, zich
ophouden, zich voordoen! Het zat hun in het bloed. Schuin zag hij haar
aan, waar hij naast haar zat; kalm praatte zij over hem heen met de
koningin. Hij wist niet of hij goed geraden had en hij weifelde nog
tusschen die twee: houdt ze zich op, of is ze oppervlakkig? Maar toch
was hij gelukkig omtrent haar te kunnen weifelen en dat eerste
vermoeden van oppervlakkigheid te ontzenuwen door zijne tweede
gedachte. Hij was hier gelukkig om, niet geheel en al om Valérie
alleen, dat zij beter zoû zijn, dan hij eerst meende; hij was er vooral
gelukkig om, om den algemeenen regel, waartoe hij er om besloot: dat
een mensch meestal beter is, dieper denkt, edeler voelt dan hij
schijnen laat in de iederen-daagsche banaliteit van het leven, die hem
dwingt zich te bemoeien met nietsjes en woorden, ieder oogenblik. Een
teêr gevoel van vreugde kwam over hem, dat hij dit zoo had bedacht. Een
rust, dat hij iets mooi in het leven geraden had: een mooi geheim.
Iedereen wist het misschien, maar niemand liet het blijken. O ja, de
menschen waren goed; de wereld was goed, in hare essence. Een vreemd
mysterie alleen dwong anders te schijnen, een vreemde dwang der
wereldorde. Hij zag om zich heen over de lange tafel. Alle gezichten
hadden vriendelijkheid en sympathie over zich. Hij hield van zijn oom,
den koning; zoo kalm, zacht, flink, met het schijnbaar stug
stilzwijgende van zijn Noordsch karakter, met zijn rustigen glimlach en
nu en dan een kleine vonk van scherts, tegen de oude tantes vooral,
maar ook tegen de kinderen en zelfs tegen de adjudanten, de hofdames.
Hij wist, dat zijn oom een denker was, een wijsgeer; hij zoû gaarne
eens lang met hem hebben willen spreken over punten van filozofie. Ook
van zijne tante hield hij: een flinke vorstin; hoeveel deed zij niet
voor haar land, hoeveel liefdadige instellingen riep ze niet op; een
flinke moeder, hoe verstandig kwijtte zij zich niet van hare moeilijke
taak; vorstenkinderen op te voeden. Zij was in haar land meer bemind
dan zijne moeder, die hij toch aanbad, in het hare; zij had meer tact,
minder angst, minder hoogheid ook tegen de menigte. Het had misschien
omgekeerd moeten zijn: zij koningin hier, hare zuster keizerin
daarginds...

En de kroonprins met zijne eenvoudige mannelijkheid; Herman met zijne
joligheid; de jongere broêrs met hunne stevige jongensblague; hoeveel
hield hij niet van ze! Sofie, Wanda, de kinderen, hoeveel hield hij
niet van ze! De tantes, de oude, zich wijdende grootmeesteres, hij vond
ze zelfs sympathiek. O de wereld was goed, de menschen waren goed! En
Valérie was niet onverschillig, maar leed in stille stilte, zooals een
vorstenkind lijden moet, met kalme oogen en een glimlach!

Toen het diner gedaan was, nam koningin Olga Othomars arm.

—Kom even meê, sprak ze.

De regen had opgehouden, een lakei opende de boogdeuren. Er was daar
het lange achterterras, achter de eetzaal; het zag uit op het bosch. De
koningin had haren arm onder dien van Othomar gestoken, en begon met
hem op en neêr te wandelen.

—En je gaat ons dus verlaten? vroeg ze.

Hij zag haar glimlachend aan.

—U weet het, tante: met veel spijt. Ik zal nog dikwijls heimwee naar
Altseeborgen hebben, naar u allen. Ik voel mij zoo geheel thuis in uw
kring. Maar ik verlang toch ook Mama terug te zien; het is nu bijna
vier maanden geleden, dat ik haar zag.

—En voel je je beter?

—Hoe zoû het anders kunnen, tante. De reis met Herman had me al
opgesterkt, en het leven hier bij u is een heerlijke nakuur geweest.
Een heerlijke vacantie.

—Maar nu zal het uit zijn met die vacantie: zal je nu weêr kunnen
handelen?

Hij glimlachte met een kalme berusting in zijne melancholieke oogen.

—Zeker tante, het mag niet altijd vacantie blijven. Me dunkt, ik heb
het er van genomen; zes weken niets gedaan dan liggen in het zand, of
in het bosch, of op die heel gemakkelijke rieten bank van Herman.

—Heb je niets meer gedaan? vroeg zij schalk.

—Wat meent u?

—Niet het leven gered... van Valérie?

Hij maakte een kleine beweging van zacht ongeduld.

—Maar tante, heusch niet. De couranten zullen dat nu wel gaan
vertellen, maar het is heusch geen redding geweest. Valérie kan immers
zwemmen en ze was vlak bij het land.

—Ik heb een brief van papa, Othomar.

—Van papa?

—Ja... Heb je nooit gedacht aan... Valérie?

Hij bedacht zich even.

—Misschien, lachte hij.

—Voel je geen genegenheid voor haar?

—Zeker tante... Ik dacht, dat papa liever de grootvorstin Xenia wilde?

De koningin haalde hare schouders op.

—De godsdienstkwestie, niet waar? Papa heeft toch ook gaarne een
Oostenrijksche verbintenis. Hoe denk je de reis te nemen? En wanneer ga
je?

—Ducardi en de anderen komen nog deze week hier. Aan het einde van de
week. Eerst Kopenhagen, Londen, Brussel, Berlijn en dan naar Weenen.

—En naar Sigismundingen.

—Ja, naar Sigismundingen, als papa wil.

—Maar wat wil jij, Othomar?

Hij zag haar zacht aan, glimlachend, haalde de schouders op.

—Maar tante, wat heb ik te willen?

—Zoû je van Valérie kunnen houden?

—Ik geloof het wel, tante: ik geloof, dat ze heel lief is en heel
flink.

—Ja, dat is ze zeker, Othomar. Zoû je niet, voor je wegging, dan met
haar praten?

—Tante...

—Waarom niet?

—Tante, dàt kan ik niet doen. Ik blijf nog maar enkele dagen hier,
en...

—En?

—Valérie heeft een groot verdriet gehad. Het kan niet anders of zij
moet er nu nog zeer onder lijden. Bedenk, tante, het was gisteren. Mijn
God, gisteren...! En vandaag was ze zoo kalm, zoo eenvoudig... Maar het
kan niet anders, niet waar, of ze lijdt nog heel erg. Zij is van morgen
met dat weêr op zee gegaan... we weten niets, niet waar, tante, maar we
denken allen het zelfde! Misschien vergissen we ons, eenvoudig weg. De
dingen, die schijnen, zijn dikwijls anders. Maar hoe het ook zij,
verdriet heeft ze zeker. Ik kan haar dat dus niet vragen, nu...

—Het is jammer; jullie zijn nu samen. Dikwijls wordt zoo iets beslist
uit de verte. Je zoû, als het hier in orde kwam, de reis misschien niet
hoeven te maken.

—Tante, papa stond toch op die reis...

—Dat is zoo; omdat nog niets beslist was.

—Neen, tante, laat mij die reis doen. Want in orde komen, hier, dat kan
het toch niet. Als papa het me zelve vroeg zoû ik zeggen... dat het
niet kan.

—Papa vraagt het je, Othomar, in dien brief aan mij.

Hij greep hare handen.

—Tante, schrijf u het dan terug, aan papa, dat het niet kan, nu. O,
onmogelijk, onmogelijk. Laat ons haar sparen, tante. Als ze mijn vrouw
wordt, wordt ze het toch, terwijl ze een ander liefheeft. Is dat al
niet vreeslijk genoeg voor haar, als het later beslist wordt, na
maanden? Laat ons haar daarom nu dus sparen. U voelt dat toch ook als
vrouw, niet waar? Er zijn geen staatszaken, waarom mijn huwelijk zoo
dringend zoû moeten worden gesloten.

—Toch wil papa, dat je zoo gauw mogelijk trouwt, Othomar. Hij wenscht
een kleinzoon...

Hij antwoordde niet: een lijden trok over zijn gelaat. De koningin zag
het.

—Maar je hebt gelijk, antwoordde zij, hem toegevend. Het zoû te wreed
zijn. Valérie houdt zich anders goed. Zoo moet een aanstaande keizerin
van Liparië zijn...

Hij antwoordde nog niet, liep stil naast haar; nog steeds lag hare hand
op zijn arm; zij voelde dien trillen.

—Kom, zij ze zacht; laat ons naar binnen gaan; zoo een wandeling op en
neêr maakt nog moê ook...



VI.

Ducardi, Dutri, Leonie en Thesbia waren te Altseeborgen aangekomen; zij
zouden Othomar vergezellen op zijn officieele reis door Europa. Het was
een der laatste dagen, dat Othomar met Herman samen wandelde, des
morgens, naar het bosch.

De zon scheen, het bosch was geurig, de voet gleed uit over de gladde
naalden. De prinsen lieten zich op den grond neêr, bij een groote plas
water; om hen heen verrezen de rechte dennestammen met hunne knoestige
pieken van zijtakken; de lucht week, met blauwe plekken, tusschen het
uitstekende naaldenloover, weg naar de ruimte.

Herman leunde tegen een stam aan; Othomar strekte zich uit op den rug,
de handen onder het hoofd.

—Het is nu gauw uit, zeide hij zacht.

Herman antwoordde niet, maar streek met zijne hand de naalden
werktuigelijk bij elkaâr. En ook Othomar sprak niet meer; hij dronk
zijn laatste oogenblik van ontspannen rust als met voorzichtige teugen
in: iedere teug was een wellust, die nooit terug zoû komen.

In het bosch was het doodstil, als was de aarde onbewoond; de weemoed
van wat eindigt hing tusschen de boomen.

In eens nam Othomar Hermans hand en drukte die.

—Ik dank je, zei hij.

—Waarvoor? vroeg Herman.

—Voor het genot, dat wij samen hebben gehad. Mama had gelijk: ik kende
je niet, Herman...

—Maar ik jou ook niet, beste jongen.

—Het zijn mooie dagen geweest. Hoe heerlijk hebben we samen gereisd,
als twee touristen. Hoe heerlijk grootsch was Voor-Indië, niet waar, en
Japan, hoe curieus. Ik hoû anders niet van jagen, maar met jou begreep
ik het en voelde ik de emotie er van: ik zal onze tijgerjacht nooit
vergeten! Die oogen van dat beest, het gevaar in het gezicht: dat
sterkt. In zoo een oogenblik voel je je primitief worden als de eerste
mensch. Zoo een tijger kijkt een boel geweifel uit je weg. Dat is een
ander gevaar, dan waar mama altijd bang voor is; o dat enerveert zoo,
dat eet al je energie op... En de nachten op den Indischen Oceaan, op
onzen Viking. Die kolossale ruime cirkel om je heen, al die sterren
boven je! Wat hebben we dikwijls zitten kijken, met onze beenen op de
verschansing... Het is misschien niet goed lang zoo te droomen, maar
het rust zoo uit, het rust zoo uit. Ik zal het nooit vergeten, nooit...

—Nu maar, kerel, we zullen het nog wel eens over doen.

—Neen, je doet iets nooit over. Wat gedaan is, is gedaan. Niets komt
terug, geen oogenblik. Het is later altijd wat anders...

Hij zag even om zich heen, alsof er iets beluisteren kon, fluisterde
toen:

—Herman, ik moet je iets zeggen.

—Wat dan?

—Iets toevertrouwen. Maar zeg eerst: toen met dien tijger, toen vond je
me niet laf, niet waar?

—Neen, zeker niet!

—Nu, ik ben het toch, laf. Ik ben bang, altijd bang. Ze weten het niet,
de dokters, omdat ik het hun nooit zeg. Maar ik ben het altijd...

—Maar waarvoor dan toch, kerel?

—Voor iets in mezelven. Zie je, Herman, ik ben zoo bang... dat ik het
niet vol zal kunnen houden. Dat ik op een oogenblik te zwak zal zijn.
Dat ik het in éens niet meer zal kunnen doen, en dan, dan...

Hij huiverde; zij zagen elkaâr aan.

—Het is niet goed, vervolgde hij werktuigelijk, als gesterkt door
Hermans blik. Ik zal er tegen strijden, tegen dien angst... Geloof je
aan voorgevoelens?

—Ja, aan het omgekeerde van ze: de mijne komen altijd omgekeerd uit!

—Ik hoop dan, dat het mijne ook niet zal uitkomen.

—Maar wat is het?

—Dat er binnen het jaar... iemand van ons... dood zal zijn... te
Lipara.

Herman bleef hem star aanzien. Trotsch zijne flinkheid en zijne fyzieke
kracht van spieren, school er in hem eene lichte overerving van het
bijgeloof, dat in de zee aanruischt als met stemmen van verre profetie;
bijgeloof, gewiegeld door de mooie legenden van hunne Gothlandsche zee,
die als eene sirene vreemde sprookjes zingt van mystiek. Hij wist het
misschien zelve niet, dat er hem iets van vloeide door zijn rijk bloed,
vóor hij het voelde op dit oogenblik, en hij wilde het weg uit zich
schudden, als nonsens.

—Maar Othomar, wees toch verstandig!

—Ik kan er niets tegen doen, Herman; ik denk er niet over, maar het
zijn heele kleine prikjes, als gedachten, die plotseling opkomen. En
verleden... o verleden, toen was het meer; toen werd het een droom, een
nachtmerrie. Ik liep door de winkelstraten van Lipara en uit alle
winkels kwamen zwarte menschen, en die maten hoopen zwart krip uit, met
meters, en zóoveel, dat de straten zich er mee vulden en dat het krip
als met wolken in de stad lag, en als een hoop van floers boven de stad
steeg. Het werd er donker om; de zon scheen er niet meer door heen, en
over alles lag de schaduw. De menschen schenen mij niet te herkennen,
en toen ik vroeg, waarvoor al dat krip was, fluisterden ze aan mijn
ooren: stil, stil, het is... voor het Imperiaal!... O, Herman, toen
werd ik wakker, en ik was nat van zweet en het was of ik het nog altijd
hoorde naklinken: voor het Imperiaal, het is voor het Imperiaal!

Herman was opgestaan, hij werd een beetje zenuwachtig.

—Kom, zei hij, willen we gaan?... Droomen, hecht toch niet aan droomen,
Othomar!

Othomar stond ook op.

—Neen, ik moest ook niet aan ze hechten, herhaalde hij vreemd; ik heb
het vroeger ook nooit gedaan.

—Othomar... begon Herman, beslist, als wilde hij spreken.

—Zeg even niets tegen me; laat me een oogenblik stil! viel hij in de
rede, snel, angstig.

Zij liepen door het bosch, zwijgend. Othomar zag vreemd om zich heen,
over den grond. Herman sloot de lippen dicht op elkaâr, en fronste zijn
voorhoofd: hij was boos. Maar hij sprak niet. Na enkele minuten werden
Othomars vreemde blikken kalmer; ze stilden zich tot hunne gewone,
zachte melancholie.

Toen zuchtte hij licht, als weêr komende op adem.

—Wees niet boos, sprak hij, zijn arm stekend onder dien van Herman.

Zijne stem had weêr den gewonen klank.

—Het zal misschien goed zijn, dat ik je dat gezegd heb: nu zal het
misschien uit me weggaan. Wees dus niet boos, Herman... Ik beloof het
je, voortaan zal ik niet meer zoo spreken en ook mijn best doen niet
meer zoo te denken. Maar wat me hindert, moet ik zeggen. En dat is toch
ook veel beter, dan het eeuwig te verzwijgen! Zie je, ik zal gauw ook
geen tijd meer hebben aan zulke dingen te denken—morgenavond zijn wij
te Kopenhagen, en dan neemt het leven weêr zijn gewonen loop. Hoe heb
ik toch zoo vreemd gesproken, hoe ben ik er op gekomen? Ik weet het
zelf niet meer... Het lijkt me nu zelf heel dwaas.

Hij lachte even en toen, ernstig:

—Ik ben toch blij, dat we alleen gesproken hebben, dat ik je heb kunnen
danken. Niet waar, we zijn nu vrienden?

—Ja, we zijn vrienden, antwoordde Herman lachend, úit zijne boosheid;
maar ik zal jou toch nooit heelemaal kennen!

—Zeg dat nu niet alleen om een enkel voorgevoelen, dat ik zelf dwaas
vind. Wat is er anders voor raadselachtigs in me...!

Herman zag hem aan.

—Neen, anders ook niet! gaf hij toe. Je bent een goede jongen. Ik weet
niet, hoe het gekomen is, maar ik hoû veel van je...

Zij gingen het bosch uit; de zee lag voor hen. Als het leven zelve, lag
ze voor hen, met het mysterie harer diepte, waarin eene veelvuldige
ziel scheen te bewegen en golf te ronden na golf. Onnoembaar en
ontelbaar waren hare wisselingen van kleur: hare stemmingen van
onophoudelijke beweging, en hoog spuwde zij op de kammen harer
woestheid een schuim van passie uit. Maar die passie was hare
oppervlakkigste openbaring: al het overvloedige van hare eindelooze
vitaliteit: uit hare diepte ruischte, in de onnazingbare melodieën
harer millioenen stemmen, de mystiek op van hare ziel, als het geheim,
dat de hemel alleen wist, bóven haar.



VII.

                     Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke
                     Hoogheid Othomar, Hertog van Xara,

                        te

                     Osborne House Wight. Lipara, Imperiaal. Sept. 18..


    Dierbare Zoon.

Wij ontvingen met veel genoegen Uw brief, die ons meldde de hartelijke
ontvangst, die U eerst te Kopenhagen ten deel viel en nu in Engeland.
Wij moeten U echter onze bevreemding doen opmerken omtrent hetgeen
Tante Olga ons schreef, en ons leed betuigen, dat Gij U niet naar ons
verlangen gedragen hebt; dit zelfde leed betuigen, door middel van
brieven aan ons, de Keizer van Oostenrijk en de Aartshertog Albrecht.
Wij hebben ons zeker in ons schrijven aan Tante Olga niet dringend
genoeg uitgelaten: in het andere geval zouden wij ons niet kunnen
voorstellen, dat zij er niet meer bij U op zoû hebben aangedrongen, aan
de Aartshertogin Valérie een onderhoud te verzoeken en haar te spreken
over de gewichtige zaak, die ons allen op dit oogenblik zoo zeer ter
harte gaat. Gij hadt dan reeds aan de hoven, die Gij nu bezoekt, Uwe
verloving sous-cachet kunnen mededeelen, en zij zoû aan het einde van
Uwe reis te Sigismundingen gevierd hebben kunnen worden. Terwijl Gij U
nu zeker bij onze Vrienden, Hunne Majesteiten van Denemarken en van
Engeland, in een scheeve positie plaatst, daar er immers in alle
nieuwsbladen over eene mogelijke verloving met de Aartshertogin Valérie
gesproken wordt en de pers zoo goedgunstig is het voor en tegen van
deze verbintenis reeds met luider stemme te bespreken. Uwe reis had
echter toch in alle geval plaats moeten hebben, daar ze al zoo lang
geleden was aangekondigd—Uwe ziekte kwam daar tusschen beiden,—en daar
ze dus niet meer is dan eene beleefdheid jegens onze Vrienden.

Nog eens, dat Gij U hierin niet naar ons verlangen gedragen hebt, doet
ons veel verdriet. Wij zien er in zekere neiging tot een burgerlijke
overgevoeligheid, Othomar, die wij hopen, dat Gij zult leeren
beheerschen met al de kracht, die in U is. Een verdriet, als prins Von
Lohe-Obkowitz Uwe aanstaande bruid heeft aangedaan, heeft ons allen wel
eens in ons leven getroffen, en kan zeker een korten tijd groote smart
veroorzaken, maar het blijft geheel en al een personeel en
ondergeschikt gevoelen, en het mag zich in het minst niet dringen vóor
zaken van zulk groot staatsbelang als het huwelijk van een aanstaanden
Keizer van Liparië. De Aartshertogin Valérie zal dit zeker ook zoo
leeren beschouwen, als zij ouder is, en wij hopen, dat zij reeds
spoedig zal inzien, dat hare genegenheid voor de prins Lohe nooit haar
geluk had kunnen zijn, daar ze haar in disharmonie had gebracht met
Zijne Majesteit, haar Oom, en met alle hare verwanten.

Beheersch U, Othomar; wij vragen U dit dringend. Gij hebt somtijds
ideeën en maakt U voorstellingen, die niet van een vorst zijn. Wij
hebben dit reeds meermalen opgemerkt onder anderen, toen Gij, in Vaza,
Zanti bezocht hebt. Wij hebben U dit niet willen verwijten, omdat wij
overigens zeer tevreden over U geweest zijn. Uw liefste wensch zal
zeker zijn, dat wij dit altijd zullen blijven.

Wij hopen U dus over drie weken terug te zien te Sigismundingen, waar
de Aartshertogin Valérie dan van Altseeborgen teruggekeerd zal zijn, om
met U samen te treffen, en waar wij ook den Keizer van Oostenrijk
ontmoeten zullen.

Wij hopen van harte, dat de lange reis met Herman U veel goed zal
gedaan hebben, en dat Uw huwelijk zoo spoedig mogelijk te Altara zal
kunnen plaats grijpen. Dit blijde vooruitzicht is ons eene aangename
afleiding voor de beslommeringen omtrent de Legerwet, die in het Huis
der Standen zoo halsstarrige tegenkanting vindt, maar die wij toch
hopen te zullen doordrijven, daar ons Leger noodzakelijke vermeerdering
vereischt.

Wij omhelzen U van harte.


    Oscar.



TWEEDE HOOFDSTUK.


I.

Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de
keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de
verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te
vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den
avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.

Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen
ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de
balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in
een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de
rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog
was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van
toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van
electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond
somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn
sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward
in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein
geel licht.

De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de
aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de
keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van
Oostenrijk, Othomar met Valérie... Even drukte Valérie Othomars arm en
trok zich met hem uit den stoet terug.

—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars
zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer
Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin
door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de
adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke
verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.

Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.

—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.

Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het
avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van het regiment dat hij
in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen
mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen
ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden
avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een
dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den
sleep.

—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.

Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie
scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.

—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn
gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê...

Zij stak hem in eens hare hand toe:

—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in
eens, met een grooten snik.

En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met
een paar oogen, als van een verwonde ree. Een onbedwingbaar gevoel van
medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte
hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.

Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van
hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder
hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap
uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne
harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen
de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in
werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met
elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk
peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig
tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in
elkanders hart, naakt.

Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een
stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van
angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat
spook kwam voor hen uit het leven zelve: het leven zelve werd hun een
spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met
lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en
deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij
bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat
er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer,
maar in hunne sfeer bestonden zij niet...

Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem
lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het
ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer
vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en
opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.

—Kijk, zeide hij.

Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten
hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park
van Sigismundingen.

Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden
eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed,
in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den
Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren
om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere
talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd.
Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van
staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun
huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders
willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den
huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers
elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de
zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der
aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had
gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer
Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van
Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar
hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon... En het artikel
eindigde, dat het huwelijk in October in het oude paleis te Altara zoû
voltrokken worden.

Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote
strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel.
Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij
glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde
hij het tijdschrift weêr neêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte,
waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:

—Othomar, heb jij niemand... lief?

Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?

—Ik heb wel gedacht, dat ik... iemand lief heb gehad, bekende hij; maar
ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik
het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel
voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest,
die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets
wijs te maken... Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel
ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel,
een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van
me...

Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat
algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.

—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan
bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor
ons volk...

—Voel je dàt? vroeg ze, in bevreemding.

—Ja...

Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van
licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het
verschiet was zoo ver, zoó ver...

—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te
voelen!

Hij haalde de schouders op.

—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is...
onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal
gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom
is er dan iets moois aan?

Zij lachte even.

—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit
over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en...
en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn
instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.

Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een
glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden
hen, en zij huiverde.

—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat
hier koû.

Zij voelde even aan haren blooten hals.

—Dadelijk, sprak ze.

Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van
den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen
mousseline.

—Kom, drong hij.

—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?

Hij zag naar beneden.

—Ja, antwoordde hij.

—Voel je geen duizeling? vroeg ze.

Hij keek haar angstig aan.

—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk...

—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten.
Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets
dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was
de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb
zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me
geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden.
Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als... als mijn groot
verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo
overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed
geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest
het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die
zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te
kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig... Eindelijk dacht ik,
dat ik het besluit genomen had: om me te gooien naar beneden... Ik zag
me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen...
Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om... hèm, Othomar. Ik had hem
nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem
niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû
hem zijn leven lang vervolgd hebben...! Toen... toen, Othomar, ben ik
weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!

Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik.
Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik
vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend
bruiste...

—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan.
Het is hier te koud, en, en...

Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.

—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we
hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze
aderen...

Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres
zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even
staande:

—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara
terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken...

—Waarvoor? vroeg hij.

—Voor... iets, dat tante Olga me zei. Voor..., dat je me gespaard
hebt... te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar...

Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste
haar.

En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.



II.

Den volgenden dag reisde de keizerlijke familie van Liparië van
Sigismundingen terug naar Lipara. De ontvangst aan het Centraal Station
was zeer hartelijk; de stad vlagde: des avonds hadden er volksfeesten
plaats.

De officieren der verschillende legercorpsen boden den kroonprins
gastmalen aan, zijne verloving ter eere. De portretten der
aartshertogin Valérie lagen voor de ramen van alle platenwinkels; de
couranten schreven lange artikelen, vol jubel.

Het was enkele uren vóór het diner, dat de officieren der Troongarde
boden aan hun vorstelijken kolonel, toen aan Othomar, als ware het in
eens, een vreemd gevoel overkwam. Hij was in zijn kabinet, voelde zich
eenigszins duizelig en moest gaan zitten. De duizeling was licht, maar
duurde lang; lang scheen de kamer langzaam om hem heen te willen
draaien en niet te kunnen, wat iets pijnlijks gaf als van tegenkanting
dier levenlooze meubels. Othomars eene hand steunde op zijne dij, de
andere op den kraaghals van den colley, die den kop op zijn knie had
gelegd. Voorover gebogen bleef hij zitten.

Toen de duizeling voorbij was, behield hij eene vreemde lichtheid in
het hoofd, als was er iets uit weggenomen. Hij liet zich voorzichtig
achterover vallen; de colley, die half soesde in slaap, opende
droomerig de oogen en soesde weêr in, zijn kop op de knie, onder
Othomars hand. Een onweêrstaanbare moêheid kroop Othomars ledematen op,
als verdronken zij in eene weeke modder. Het bevreemdde hem zeer, dit
gevoel, en op de pendule schuin kijkend, zonder het hoofd te bewegen—om
de duizeling niet weêr te wekken—rekende hij uit, dat hij nog ruim
anderhalf uur had vóor het diner. Deze lengte van tijd stelde hem
gerust en stil bleef hij zitten, als wegende zijne moêheid, of ze over
zoû gaan, wegtrekken zoû uit zijn lichaam.

Het duurde lang, zoo lang zelfs, dat hij weifelde of hij zoû kunnen
gaan of niet. Toen er drie kwartier voorbij waren, drukte zijne hand op
eene schel, die dicht bij hem stond op tafel. Andro kwam binnen.

Andro... begon hij, maar zweeg verder.

—Verlangt Uwe Hoogheid zich te kleeden? Alles ligt klaar...

Othomar klopte even op den kop van den hond, die nog steeds
onbeweeglijk op zijn knie lag te soezen...

—Is Uwe Hoogheid niet wel?

—Een beetje duizelig, Andro; het gaat al over.

—Maar zoû Uwe Hoogheid dan wel gaan: wil ik dan niet om prins Dutri
zenden?

Othomar schudde beslist van neen en stond op.

—Neen, het is al te laat, Andro. Kom, help me...

En hij ging zijne kleedkamer in.

Hij verscheen op het diner, maar verontschuldigde zich toch bij zijne
officieren over zijne zichtbare matheid. De toasten dankte hij alleen
met eene heffing van het glas, met een glimlach. Het trof hen allen,
dat hij er zeer slecht uitzag, vermagerd, met holle oogen, krijtwit in
zijn wit- en gouden uniform. Dadelijk na het diner keerde hij terug
naar het Imperiaal, zonder hen te vergezellen naar den Keizerlijken
Sportclub, de societeit der jeunesse dorée.

Hij sliep zwaar; een vage nevel van gedroom trok door zijn nacht heen.
De man, die hem bij Zanti had willen vermoorden, grijnsde hem aan, met
ballende vuisten; toen werd het de Gothlandsche zee en hij roeide
Valérie voort, maar hoe hij ook roeide, de drie torens van het kasteel
trokken altijd door verder weg, onbereikbaar...

Toen hij wakker werd, was het reeds over achten. Hij bedacht, dat het
te laat was voor zijn gewoonlijken morgenrit en bleef liggen. Hij belde
Andro.

—Waarom heb je me niet om zeven uur wakker gemaakt?

—Uwe Hoogheid sliep nog zoo vast; ik dorst niet; Uwe Hoogheid was
gisteren niet wel...

—Zoo, heb je me maar laten slapen? Nu goed dan... Laat aan Hare
Majesteit zeggen, dat... dat ik niet wel ben.

De man zag hem angstig aan.

—Wat scheelt Uwe Hoogheid?

—Ik weet het niet, Andro...... Een beetje moê. Waar is Djalo?

—Hier, Hoogheid...

De colley kwam luidruchtig binnen, zette de groote pooten op het
veldbed, schudde, om te kwispelstaarten, het achterlijf woest heen en
weêr... Toen, in eens, ging hij kalm liggen, voor het bed.

De keizerin liet terug zeggen, dat zij dadelijk komen zoû; ze was nog
niet gekleed... Met stille open oogen bleef Othomar op haar wachten.

In eene lichte emotie van angst kwam zij eindelijk binnen. Zij vroeg
hem, maar leerde niets uit zijne vage, glimlachende antwoorden. Zij
legde de hand op zijn voorhoofd, voelde hem den pols, en kon niet
besluiten, dat hij koorts zoû hebben. Er heerschten tyfeuze koortsen:
zij was er bang voor...

De lijfartsen, die geroepen waren, stelden haar gerust: het was geene
koorts. De prins scheen algemeen vermoeid te zijn, hij had zich zeker
overspannen in den laatsten tijd. Hij moest rust nemen...

De keizer verwonderde zich: de prins had pas rust gehad en was weken
lang te Altseeborgen gebleven. Waar had dit dan voor gediend!

De mare ging door het paleis, de stad, het land, Europa, dat de hertog
van Xara zijne kamer hield, om eene lichte ongesteldheid. Een
eenvoudig, zeer geruststellend bulletin werd door de geneesheeren
uitgegeven.

Des middags stond Othomar echter op, kleedde zich zelfs aan, maar niet
in uniform. Hij had wat geluncht in zijne kamer en ging nu naar de
appartementen der prinses Thera. Zij zat te teekenen; bij haar eene
hofdame; de jonge markiezin van Ezzera.

De prinses was verwonderd haar broêr te zien.

—Zoo, ben je daar? Ik dacht, dat je in bed lag...

—Neen, het gaat wat beter...

Hij groette de markiezin, die was opgestaan en neeg.

—Wil je niet schilderen? vroeg Othomar.

Thera zag hem aan.

—Je ziet zoo witjes, arme jongen. Het is misschien beter maar niet. Het
vermoeit ook, dat pozeeren, niet waar?

—Ja, soms, een beetje...

Zij stonden nu voor het portret; de markiezin had zich teruggetrokken,
zooals zij altijd deed bij dit samenzijn van zuster en broêr. De
schilderij was half bedekt door een zijden lap, dien Thera opsloeg: het
was reeds een expressieve jonge kop, waarin het leven begon te tintelen
achter de zwarte oogen van weemoed; breed en vast van penseelstreek
gedaan, met veel reflect van buitenlicht, dat op de eene zijde van het
gelaat viel, en het en relief deed komen, de achterschaduw uit, naar
voren.

—Het is bijna af? vroeg Othomar.

—Ja, maar voor den laatsten toets heb je me al zoo lang in den steek
gelaten; denk maar, je bent vier maanden weg geweest. Ik heb er al dien
tijd niets aan kunnen doen. Maar weet je... je bent veranderd. Als ik
het maar niet zoo zal moeten laten! Het lijkt niet meer...

—Het zal wel weêr gaan lijken, als ik er wat beter ga uitzien!
antwoordde Othomar, maar de prinses was licht nerveus geworden; ze trok
er den zijden lap in eens weêr over heen...

Othomar verscheen niet aan het diner: hij ging zeer vroeg naar bed. Den
volgenden morgen vonden de geneesheeren hem in eene groote
lusteloosheid. Hij was opgestaan maar had zich niet gekleed; in zijn
kamerrok lag hij op de bank in zijn kabinet, de colley aan zijne
voeten. Aan de keizerin klaagde hij, dat hij zich zoo vreemd in zijn
hoofd voelde, als zoû het opengaan en alles er uit weg wolken. Bij den
keizer, die hem zien kwam, verontschuldigde hij zich met zijn
souffranten glimlach over zijne ongesteldheid...

Dagen lang bleef deze toestand de zelfde: een totale lusteloosheid,
totaal gebrek aan eetlust, een zichtbare afmatting... De keizerin zat
bij hem, waar hij lag op zijn bank, te staren door de open ramen in de
groene diepte van het platanenpark. De vogels sjirpten er; soms klonk
er Berengars schel stemmetje, die met een paar vriendjes speelde. De
keizerin las voor, maar het vermoeide Othomar, het gaf hem hoofdpijn...

Na een lang gesprek, dat de drie doktoren met den keizer en de keizerin
gehouden hadden, werd professor Barzia, uit Altara, ontboden voor een
consult; de professor was een Europeesche specialiteit voor
zenuwziekten.

In het kabinet van den keizer wachtten de keizer, de keizerin en graaf
Myxila den uitslag van het onderzoek en het, daarop gevolgde, consult
af. Het duurde lang. In hunne afwachting spraken zij niet; de keizerin
zat met haar stil berustend gelaat te turen voor zich; de keizer,
geïrriteerd, liep heen en weer. De oude Rijkskanselier, met zijn streng
hoog gezicht en kalen schedel, stond bedenkend bij het venster.

Toen lieten de doktoren zich aandienen. Ze verschenen, professor Barzia
het eerst; de lijfartsen volgden. De keizerin meende het ergste te
lezen op de strakke, blanke gelaatstrekken van den professor; een der
artsen echter, als meêlijdend, knikte achter hem haar met zijn goeden,
dikken kop stil geruststellend toe.

—Welnu? vroeg de keizer.

—Wij hebben Zijne Keizerlijke Hoogheid nauwkeurig onderzocht, Sire,
begon de professor. Van organische gebreken is de prins geheel vrij, al
is hij over het algemeen van een teêre constitutie.

—Maar wat dan? vroeg Oscar.

—Het zenuwgestel van den prins dunkt ons verontrustend afgemat te zijn,
Sire.

—Zijn zenuwen? Maar hij is nooit zenuwachtig, hij is altijd kalm, riep
de keizer uit, onwillig.

—Des te meer moeten wij de zelfbeheersching van den prins waardeeren,
Sire. Zijne Hoogheid heeft zich klaarblijkelijk lang opgehouden en deze
inspanning verraadt Haar op dit oogenblik. Zij is nu ook kalm, zooals
uwe Majesteit zegt. Maar deze kalmte neemt niet weg, dat Hare zenuwen
volslagen afgewonden zijn. Zijne Hoogheid heeft klaarblijkelijk te veel
van zich gevergd in den laatsten tijd.

—En waarin zoû dat te veel dan bestaan hebben? vroeg de keizer hoog.

De professor maakte een vage beweging van niet weten.

—Dat zal men aan het hof zeker beter weten, dan ik het doe, die uit
mijn studeerkamer en mijn hospitalen kom, Sire. Uwe Majesteit zelve zal
zich daarop het antwoord kunnen zeggen. Ik kan Haar alleen eenige
aanwijzingen geven. Zijne Hoogheid zei mij, zich te herinneren, dat Zij
reeds voor de groote overstroomingen in het Noorden, zulke afmattingen
en duizelingen soms gevoelde. Dat was Maart. Het is nu September. Ik
stel mij voor, dat Zijne Hoogheid in dien tusschentijd een veelbewogen
leven geleid heeft?

De keizer maakte niet begrijpende bewegingen met de wenkbrauwen: lichte
trillingen van zijn energieken kop met het vlies van grauwend haar.

—De reis in het Noorden kàn Zijne Hoogheid inderdaad aangedaan hebben,
professor... begon de keizerin.

Zij zat recht, hoog, in haar eenvoudigen donkeren japon. Haar gelaat
was zonder uitdrukking; hare oogen stonden koud. Zij sprak zakelijk,
als ware zij niet eene moeder.

—Zijne Hoogheid is zeer gevoelig voor indrukken, ging zij voort; en Zij
heeft er indertijd te Altara zeker schokkende ontvangen.

De professor boog even het hoofd.

—Ik herinner mij Zijne Hoogheid bij de lijkschouwing op het weiland,
Mevrouw, sprak hij; Zijne Hoogheid wàs werkelijk bizonder aangedaan...

—Maar wat beduidt dat? vroeg de keizer, steeds onwillig.

—Dat Zijne Hoogheid sedert dien tijd denkelijk zich geen rust heeft
gegund, Sire...

—Zijne Hoogheid heeft zich máanden rust gegund! riep de keizer uit.

—Vergunt Uwe Majesteit ons eens terug te gaan. Na de zeer vermoeiende
reis in het Noorden is de prins dadelijk gekomen in emoties van
staatsgewicht—Lipara was destijds in staat van beleg—en daarna in de
drukte van een feesttijd, toen de Syrische vorsten hier waren...

De keizer haalde zijne schouders op.

—De prins is daarna al voor herstel van gezondheid op aanraden van
mijne geachte collega’s een zeereis gaan ondernemen. Zijne Hoogheid zal
toen zeker dagen van rust gehad hebben, maar de groote jachten, die Zij
met prins Herman samen deed, zijn Haar ongetwijfeld te zwaar geweest.
Nu onlangs is Zijne Hoogheid verloofd geworden; dit kan Haar emotie
gegeven hebben. Ik tel terloops eenige groote feiten op Sire. Ik weet
niets van het gemoedsleven van den prins; als ik hiervan iets wist, zoû
het mij zeker vele dingen gemakkelijker maken. Maar dit is zeker: Zijne
hoogheid heeft dag aan dag een te schokkend bestaan gehad, wat het dan
ook waren, groote of kleine schokken. Dat Zijne Hoogheid niet eerder in
elkaâr is gevallen, is zeker te danken aan een buitengewone
zelfbeheersching, die mij aan den prins zelven onbewust schijnt te
zijn, en een buitengewoon plichtbesef, dat ook geheel spontaan in Zijne
Hoogheid is. Het zijn hooge kwaliteiten, Sire, in een aanstaand
heerscher...

Der keizerin was eene lichte blos over de wangen gegaan; een zachtere
uitdrukking wasemde over de koudheid van haar gelaat.

—En wat is uw raad, professor; vroeg ze.

—Dat Zijne Hoogheid een onbepaalde rust neemt, Mevrouw.

—Het huwelijk van Zijne Hoogheid was voor de volgende maand bepaald?
hernam de keizerin, vragend.

De gelaatstrekken van professor Barzia werden geheel blank en strak.

—Het zoû eenvoudig-weg onverantwoordelijk zijn, zoo het huwelijk van
Zijne Hoogheid de volgende maand plaats greep, orakelde hij met zijne
effen stem.

—Uitstellen dus? vroeg de keizer met ingehouden woede.

—Zonder twijfel, Sire, antwoordde de professor beslist koel.

—Mijn waarde professor... knarste de keizer quasi vriendelijk tusschen
zijne tanden. U spreekt van rust, en nog eens rust. Mijn God, ik zeg u,
de prins heeft gerust, maanden lang, maanden lang... Rust ik ooit zoo
lang? Het leven is bewegen en regeeren is ook bewegen. Wij kunnen niet
aan rust doen. Waarom moet een jonge man als de prins telkens rusten?
Ik herinner me niet óoit zoo gerust te hebben, toen ik kroonprins was!
Hij mag niet zoo sterk zijn als ik, hij is toch van ons geslacht!
Emoties, zegt u! Mijn God, wat voor emoties? Emoties van staatsgewicht?
Die heb ik gehad, maar de prins niet! En ik had er geen rust na noodig.
En moet een vorst gaan uitrusten als hij verloofd is? Waarlijk,
professor, dat is de hygiene te ver gedreven!

—Sire, Uwe Majesteit heeft mij de eer aan gedaan mijn oordeel te willen
weten over den toestand van den prins. Ik heb dat oordeel uitgesproken,
naar mijn beste weten.

—Dus rusten?

—Ongetwijfeld, Sire.

—Maar hoe lang wil u hebben, dat hij rust?

—Ik kan hier geen datum voor stellen, Sire.

—Hoe lang wil u hebben, dat zijn huwelijk uitgesteld wordt?

—Onbepaald, Sire.

De keizer liep het vertrek op en neêr: iets vreemds trilde over zijn
energieken kop: angst...

—Dat is onmogelijk, mompelde hij kort.

Allen zwegen.

—Dat is onmogelijk, herhaalde hij dof.

—Dan zal Zijne Hoogheid trouwen, Sire, sprak Barzia.

De keizer stond stil.

—Hoe meent u? vroeg hij barsch.

—Dat niets Uwe Majesteit in deze hoogst gewichtige zaak een wet kan
stellen... behalve Haar eigen gevoel en redelijkheid.

Hijgend ging de adem van den keizer tusschen zijne volle lippen van
zinnelijkheid; de aderen zwollen dik op zijn laag Romeinsch voorhoofd;
zijne sterke vuisten balden zich. Niemand had Oscar nog ooit zoo
gezien; niemand ook had nog zoo tot hem durven spreken...

—Verklaar u dan nader... donderde hij in het strakke gelaat van den
professor.

Deze verroerde geen trek:

—Als Zijne Hoogheid de volgende maand trouwt... is het Hare dood.

De keizerin bleef stijfrecht zitten, maar zij was zeer bleek geworden,
rilde, sloot de oogen of het haar duizelde.

—Zijn dood? herhaalde de keizer verplet.

—Of erger, hernam Barzia.

—Erger?!

—De ondergang van Uwer Majesteits nageslacht.

De keizer vloekte een woesten kreet uit en sloeg met de vuist op de
kolossale schrijftafel. De bronzen ornamenten ervan rinkelden. Myxila
trad een pas nader.

—Sire, sprak hij; er is niets verloren. Heb ik den heer professor wel
begrepen, zoo is de ongesteldheid van Zijne Hoogheid een tijdelijke, en
geneeslijk.

—Zeker, Excellentie, antwoordde Barzia. Zoo men ze niet ongeneeslijk en
niet tijdelijk dwingt te zijn.

Oscar beet zich krampachtig de lippen. Zijne flonkerende oogen stonden
klein, wreed. Het trof Myxila, hoe hij op dit oogenblik geleek op een
portret van Wenceslas den Wreede.

—Professor, siste hij. Wij danken u. Blijf nog tot morgen te Lipara,
opdat u Zijne Hoogheid nog eens kunt observeeren.

—Ik gehoorzaam aan het bevel van Uwe Majesteit, sprak Barzia.

Hij boog, de geneesheeren bogen, zij trokken zich terug. Alleen met de
keizerin en den Rijkskanselier hield Oscar niet langer zijne woede in.
Als een schuimbekkend dier, wild, liep hij op en neêr met zware
stappen, krijschte hij als kon de adem niet door zijne geschroefde keel
komen.

—Oh! knarste hij tusschen zijne kaken, barstte hij eindelijk los. Die
jongen, die jongen... Niet éens kan die trouwen! Met zijn hertogin,
dàar kon die meê trouwen! En die jongen! O, die jongen moet mij
opvolgen, mij...

Eene woedende lach stiet zich minachtend tusschen zijne groote witte
tanden uit, als vlijmende ironie.

De keizerin rees op.

—Graaf Myxila, sprak ze sidderend. Mag ik uwe Excellentie verzoeken mij
te volgen?

Zij begaf zich naar de deur; Myxila, aarzelend, volgde reeds.

—Waarom? brulde de keizer. Wat hoeft dat? Ik heb nog met Myxila te
spreken...

De keizerin zag den keizer ijskoud aan.

—Het is mijn uitdrukkelijk verlangen, Sire, dat graaf Myxila mij volgt,
sprak ze, steeds met hare sidderende stem. Ik geloof, dat Uwe Majesteit
eenzaamheid behoeft. Uwe Majesteit zegt dingen, die een vader zelfs
niet mag dènken, en een vorst zeker niet mag zeggen in de prezentie van
een zijner onderdanen, zelfs niet van een zijner hoogste onderdanen.

De keizer wilde haar in de rede vallen.

—Uwe Majesteit,—ging de keizerin trillend hoog voort, hem het woord met
hare ijskoude sidderende stem afsnijdende als met een mes—zegt die
dingen van den toekomstigen keizer van Liparië... en ik wensch, dat
géen onderdaan, zelfs niet graaf Myxila, uit Haren mond van den
toekomstigen keizer zulke dingen hoort, en Uwe Majesteit zegt die
dingen tevens van mijn zoon: ik wensch ze daarom zelve niet te hooren,
Sire! Excellentie, ik verzoek u nog eens: volg mij.

—Ga dan, brulde de keizer dol uit. Ga dan allebei, laat me dan ook
alleen, laát me ook alleen!

Razend liep hij op en neêr, smeet de stoelen door elkaâr, brieschte als
een aangehitste leeuw in een kooi. Een bronzen beeld nam hij op van de
console, voor een hoogen spiegel, die tot het plafond in vergulde
krullen omhoog steeg.

—Daar dan! striemde zijne stem, en zijne drift scheen ziedend rond te
wolken in zijn verward brein, rood te bliksemen uit zijn
bloeddoorschoten oogen, hem krankzinnig te maken om zijne
krachteloosheid tegenover de domme noodlotsmachten der logische
omstandigheden.

Als een athleet zwierde zijn arm het zware beeld door de lucht; als een
kind wierp hij het in den grooten spiegel, die kletterend in een
flikkering van scherven viel.

De keizerin en Myxila hadden het vertrek verlaten.



III.

Het gewone hofleven ging voort; de eerste handkus der keizerin had
plaats. In de salons bij de groote audientiezaal, verlicht, hoewel het
dag was, kwamen de dames binnen, boden zij den opperkamerheer hare
kaarten, teekenden zij hare namen, en zij wachtten tot hare titels door
de ceremoniemeesters afgeroepen werden. Zij stonden gedecolleteerd, de
slepen over den arm; de lange witte sluiers vielen uit de pluimen en
juweelen tiara’s in wazige gaaskreuken neêr. Het was de eerste
vertooning der nieuwe toiletten van het seizoen: de mode, die zich
bezield had en liep en zich bewoog: maar de volle salons schenen
slechts de wachtkamers dier vertooning, en de opgenomen slepen gaven
een indruk van voorbereiding tot het plechtige moment: die seconde van
verschijning vóor Hare Majesteit.

De hertogin van Yemena stond, den sleep ook over den arm, te wachten
met de twee markiezinnen hare stiefdochters, die zij aan de keizerin
zoû voorstellen, toen zij Dutri zag, buigende, zich verontschuldigende,
tusschen de wachtende dames doordraaiende, om zich een weg te banen
door den vollen salon.

—Dutri, wenkte ze, omdat hij haar niet scheen op te merken.

Hij bereikte haar na eenige moeite, boog, maakte zijn compliment aan de
markiezinnetjes. Zij stonden met strakke gezichtjes, angstig ronde
oogen, en gesloten monden, en hare jonge figuurtjes teekenden zich met
eene schuchterheid van nieuwelingen; telkens, gracieus onhandig,
verschikten zij hare zwarte manteaux-de-cour over den arm. Even
glimlachten zij bij de woorden van Dutri: toen keken zij weêr strak,
vergeleken de toiletten van andere dames bij de hare.

—Dutri, fluisterde de hertogin, hoe gaat het met den prins?

—Altijd het zelfde, fluisterde de adjudant terug; vreeslijke
melancholie...

—Dutri, murmelde zij nog zachter; zoû er geen mogelijkheid zijn hem te
zien?

Dutri verschrikte.

—Hoe dat, Alexa? Wanneer?

—Straks, na den Handkus...

—Maar dat is onmogelijk, Alexa! De prins ziet niemand dan Hunne
Majesteiten en de prinses; hij spreekt met niemand, zelfs met zijn
kamerheeren niet, zelfs met òns niet...

—Dutri, drong ze aan, met hare hand op zijn arm. Doe je best. Help me.
Vraag een onderhoud voor me. Als je me helpt... zal ik je ook helpen...

Hij zag haar afwachtend aan.

—Hoe vindt je Hélène? vroeg ze.

—Ik vind Eleonore mooier, glimlachte hij.

—Nu, kom dan meer bij ons, op mijn intime réunies; we zien je ook
nooit. Ik zal den hertog prepareeren...

Zij liet het rijke huwelijk schitteren voor zijne oogen: hij knipte ze,
bleef haar glimlachend aanzien.

—Maar help me dan ook... ging ze voort, met een lichte dreiging.

—Ik zal mijn best doen, Alexa, maar ik kan niets beloven..., had hij
nog juist tijd te antwoorden.

—Wacht me na den Handkus, in de andere salons, fluisterde hij nog,
gaande eenige passen met haar meê.

Den geheelen tijd, plechtig, langzaam, waren de titels afgeroepen,
gingen de dames, lieten zij de slepen vallen, ontloken zij.

—Hare Excellentie, de hertogin van Yemena, gravin van Vaza; Hare
Excellenties, de markiezinnen van Yemena...

De hertogin ging, de meisjes volgden haar, hoogrood met kloppende
harten. Zij gingen door eene galerij, lieten de slepen vallen aan de
deur der audiëntiezaal, voor zij binnen zouden treden, plooiden lakeien
de zware hofmantels uit.

—Hare Excellentie, de hertogin... klonk het ten tweede male, nu door de
audientiezaal heen, met een timbre van meerderen eerbied, omdat de
titels klonken aan de luisterende ooren van ontvangende majesteit.

De hertogin en de markiezinnen traden binnen. Tusschen de wijde
golvingen van donkerblauw fluweel, waarop het kruis van St. Ladislas
wemelde, onder den, door vergulde zuilen geschraagden troonhemel, zat
de keizerin, als een idool, de schaduw uitschitterend in haar waterend
zilverbrokaat, den hermelijnen keizerinnemantel zwaar kreukbrekende
voor hare voeten, een kleinen diadeem flonkerend op het hoofd. Aan de
rechterzijde van den troon zat de prinses Thera op een lagen tabouret;
aan de linkerzijde stond de grootmeesteres, gravin de Threma; er om
heen, aan beide zijden eene foule van dames du palais, grootofficieren,
adjudanten, hofdames, kamerjonkers...

De hertogin neeg hare nijging, naderde den troon, zweemde in grooten
eerbied, als met nauwlijks durvende lippen, de juweelen vingertippen
aan, die de keizerin bood, als een levende reliquie. Toen ging de
hertogin twee passen terug; de markiezinnen, de eene na de andere,
volgden haar voorbeeld, verrasten iedereen door de aanvallige
frischheid harer eerste hofbewegingen, waarin een tikje linkschheid
charme werd. Toen de buigingen, in langzame ceremonie van terugwijken,
achteruit. Door andere deuren verdwenen zij, ze bevonden zich in eene
andere galerij, kwamen in andere salons, waar men op de rijtuigen
wachtte. En de jonge meisjes zagen elkaâr aan, zoekende elkanders
indruk, nog hoogrood van de emotie harer ijdele hartjes en vreemd
verrast door de ongrijpbare kortheid van dit eerste allergewichtigste
moment van hun leven als groote menschen; als dames, die met hare mama
meêgingen naar het Imperiaal, waar zij voortaan hare existenties zouden
ademen. Hoe hadden zij niet maanden van te voren gedacht en gedroomd
aan dit oogenblik; nu, in eens was het voorbij, verrassend vlug...

De hertogin tikte aan Hélène’s kin, schikte even de voile van Eleonore,
zei, dat ze keurig gebogen hadden, dat zij zelve zelfs had opgelet hoe
de gravin de Threma schik in ze gehad had. Zij sprak daarop druk met de
andere dames, stelde de markiezinnetjes voor, beloofde visites. Toen
wendde zij zich tot een lakei.

—Ga, zien, waar mijn rijtuig staat, en laat het uit de file gaan en het
laatst voorkomen. Hier...

Zij gaf een klein goudstuk, de lakei ging. Eene zenuwachtige
gejaagdheid kwam over de hertogin; angstig zag zij naar Dutri uit.
Eindelijk kreeg zij hem in het oog; met zijn fattige drukte kwam hij op
haar af...

—Alexa, onmogelijk...

—Heb je het aan den prins gevraagd?

—Neen, nog niet; ten eerste het is de vraag of hij mij wel zien wil.
Maar dan: hoe breng ik je bij hem; op de portalen loopen altijd lakeien
rond, en staan de gardes en de hellebaardiers; in de antichambres kan
je telkens een kamerheer tegenkomen. Heusch, het is onmogelijk.

Zij werd boos.

—Vraag het hem nu maar eerst. We zullen later wel zien, hoe we bij hem
komen.

Dutri maakte gracieuze bewegingen van wanhoop.

—Maar Alexa, je wilt heusch niet begrijpen, dat... het onmógelijk is...

Zij antwoordde niet, niet willende nadenken, met haar star idee-fixe in
het hoofd om den prins te zien, te willen zien. En in eens, zich
wendende tot hem:

—Goed, als je dan niets voor me over hebt, hoef je niet te denken, dat
ik je in iéts helpen zal.

Luider dan hun eerst gefluisterde woorden, klonk hare nerveus booze
stem, de beide meisjes hoorden haar.

—Alexa, smeekte hij zacht.

—Neen, neen, weerde zij af, kort.

Hij dacht aan zijne schulden en aan Eleonore.

—Ik zal het probeeren, fluisterde hij radeloos.

Zij beloonde hem dadelijk met een glimlach; hij ging, repte zich weêr
heen, als in eeuwige drukte van gewichtigheid, om zijn jongen,
keizerlijken meester, die zoo treurig ziek was. In de antichambre vond
hij den kamerheer van dienst.

—Zoû de prins me willen zien?

De kamerheer haalde de schouders op.

—Ik zal het vragen, sprak hij.

Spoedig kwam hij terug; de prins vergunde Dutri te komen.

Dutri trad binnen. Othomar lag op een divan van tijgervellen voor zijne
schrijftafel. Hij was vermagerd; hol stonden zijne oogen, zijn tint was
mat: tenger slank stak zijn hals uit den lossen omgeslagen kraag van
het zijden hemd, waarover hij een fluweelen buis droeg. Hij had een
boek in de hand, opengeslagen. Djalo, de colley, lag op den grond.

Dutri, als goed prater, begon met vlugge zinnen, die elkaâr op de
hielen zaten, zijn verzoek voor te dragen...

—De hertogin? herhaalde Othomar mat. Neen, neen...

Dutri praatte door, werd weemoedig, gebruikte woorden van zachte,
insinueerende treurigheid. Over Othomars gelaat trok eene uitdrukking
op, die daar vreemd was en nieuw, den laatsten tijd: het was of de
weemoed van zijn gelaat zich verhardde in eene strakke koppigheid; eene
stilzwijgende onverzettelijkheid.

—Neen, sprak hij nogmaals, en onverzettelijk koppig ook klonk zijne
stem; excuzeer me bij hare Excellentie, Dutri. En waar... waar zoû ze
me willen zien?

—Ik bracht die moeilijkheid ook onder de oogen van hare Excellentie,
maar misschien als Uwe Hoogheid zoo genadig was... zoû men toch...

Othomar sloot de oogen en wierp het hoofd achterover; zijne hand viel
slap op den kop van den colley. Hij antwoordde niet meer, en zijne
lippen waren vast op elkaâr geklemd.

Dutri aarzelde nog: wat kon hij doen, wat zoû hij Alexa zeggen...

Maar de deur ging open; de keizerin kwam binnen. De Handkus was
geëindigd; den mantel en de kroon had zij afgelegd, maar zij droeg nog
het stijfzware toilet van zilverbroché. Koud zag ze Dutri aan en boog
even het hoofd, dat hij gaan zoû; de adjudant maakte zich verward uit
de voeten, zonder zijn gewonen tact.

Othomar was half opgerezen.

—Mama!...

Zij zette zich bij hem, streek met de hand over zijn hoofd.

—Hoe gaat het?

Hij glimlachte, knipte met de oogen zònder te antwoorden.

—Wat deed Dutri hier?

—Hij vroeg me... och mama, laat dat, vraag er niet naar...

—Wat is u mooi! Mag ik u ook mijn Handkus geven?

Aanhalig, schertsend nam hij hare hand en kuste ze. Zij nam hem het
boek uit de vingers, las den majesteitschennenden titel.

—Lees je weêr, Othomar... Je weet, je mag zooveel niet lezen. En waarom
al die vreemde boeken...?

Op tafel lagen Lasalle, Marx, werken van Russische nihillisten, een
brochure van Bakounine, brochures van Zanti... Het werkje, dat hij las,
was van een bekenden Liparischen anarchist, getiteld: “Het onrecht bij
de gratie Gods”; het wierp alles omver: het geloof en den staat; het
richtte zich rechtstreeks tot de gekroonde machthebbende dwingelanden;
rechtstreeks sprak het Oscar aan.

—Is het om beter te worden, dat je zulke dingen leest, Othomar? vroeg
ze met een smartelijk verwijt.

—Mama, ik moet toch zien wat ze willen...

—En wat willen ze?

Hij zag peinzend voor zich.

—Ik weet niet wat ze willen, ik begrijp ze niet. Ze zeggen heele lange
zinnen, en altijd weêr de zelfde, met altijd weêr de zelfde woorden. Ik
begrijp alleen dat ze, alles wat bestaat afkeuren en iets anders
willen. Maar soms toch...!

—Wat soms?

—Soms zeggen ze vreeselijke dingen, vreeslijk omdat ze wáarheid
schijnen, mama. Als ze over God spreken, mama, en bewijzen, dat hij
niet bestaat, als ze onze geheele staatsinrichting een onding vinden,
alle gezag verwerpen, het onze ook... Ze spreken soms als kinderen, die
in éens zouden kunnen praten en oordeelen, en dan spreken ze soms in
eens klaar en dan komen er heele primitieve gedachten bij me op: als
God bestaat, waarom onrecht en ellende en ons gezag, om welk recht? O
God, mama, welk recht hebben wij te heerschen over anderen, over
millioenen?! Zeg het me, maar redeneer van het begin, redeneer niet van
achteren af; begin niet bij ons, begin bij onze éerste heerschers, onze
geweldenaren; welk recht hadden zij, en vloeit het onze alleen voort
uit het hunne? O, die raadsels, die eenvoudige raadsels, wie lost ze
op, mijn God, wie lost ze op...

Elizabeth was bleek geworden: ze zag hem aan of hij krankzinnig ware
geworden.

—Wie geeft je die boeken? vroeg ze hard, heesch, angstig.

—Dutri, Leonie; Andro heeft er mij ook gehaald.

—Ze zijn gek! riep de keizerin uit, opstaande. Waarom vraag je ze?

—Ik wil weten, mama...

—Othomar, riep ze. Wil je doen wat ik vraag?

—Ja mama, antwoordde hij zacht; maar ga weêr zitten, en... en wees niet
boos. En... en zeg niet Othomar. En... en ga u verkleeden, o, ik kan u
niet zien in dit toilet: u is zoo ver van me af; uw stem klinkt niet
tot me toe, en ik durf u niet omhelzen, u is mijn moeder niet; u is de
keizerin. Mama, o mama...

Zijne stem riep om haar. Eene machtige aandoening werd in haar wakker.

—O mijn jongen! riep ze uit; een halve snik brak in hare keel.

—Ja, ja, noem me zoo... Mama, laat ons elkaâr weêr gauw terugvinden,
laten wij elkaâr niet verliezen. Wat is uw verzoek?

—Geef mij al die boeken.

—Ik zal ze u geven; ze maken me toch niet gelukkiger!

—Maar waarom ben je ongelukkig, mijn jongen, mijn jongen!

—Mama, kijk de wereld, kijk ons land, zie ze lijden, zie ze verdrukt
worden! Wat zal ik ooit voor ze kunnen doen! Machteloos zal ik altijd
zijn, niettegenstaande àl onze macht. O, het wordt zoo donker voor me,
ik zie niets meer, ik heb geen hoop, alleen utopisten hopen nog, maar
ik... ik hoop niet meer, want ik kan niets, ik kan niets...! O God,
mama, het heele land valt op me neêr en het verplettert me: en ik kan
niets, ik kan niets, ik kan niets... Ik zal moeten regeeren; ik zal het
niet kunnen, mama. Wat ben ik? Een arme zieke jongen: hoe kan ik keizer
worden? Ik weet niet waarom het is, mama en hoe het komt, maar ik voel
me niet als een aanstaande keizer, ik voel me als een zwak kind! Ik
voel me als uw kind, als uw jongen, en niets meer...

Hij scheen zich te willen werpen in hare armen, maar wierp zich
integendeel achteruit, alsof hij schrikte van haar schitterend toilet;
mat knakte zijn hoofd hem op de borst, vielen zijne armen slap. Zij zag
zijne beweging; haar eerste gevoel was spijt in haar hoftoilet bij hem
te zijn gekomen, verlangend als zij was geweest hem te zien en zich
niet gunnende den tijd zich te verkleeden. Maar deze spijt ging als
eene vluchtige emotie door haar heen, want het duizelde haar hevig na,
alsof een afgrond aan hare voeten gapend openging, of de aarde week, en
het zwarte niets zich uitbreidde. Een wanhoop van volslagen
machteloosheid verdronk hare ziel. Vaag strekte zij de armen uit en
sloeg ze als tastende om zijn hals, met dwalende oogen.

—Mijn jongen, spreek zoo niet meer, want... als je zoo spreekt, ontneem
je mij ook mijn kracht! fluisterde zij bang. Want wat is er aan te
doen: je moet, wij moeten allemaal...

—Vergeef me, mama, maar ik, ik zal niet kunnen. O, ik zie het nu helder
in. Ik ben niet opgewonden, ik ben kalm. Ik zie het: ik voorspel u, dat
het nooit gaan zal...

—Maar papa is nog zoo jong en zoo sterk, mijn jongen; en als je ouder
wordt...

—Hoe ouder ik word, hoe minder het zal gaan, mama. Ik ben er altijd als
kind bang voor geweest, maar ik heb het nog nóoit zoo wanhopig ingezien
als nu. Neen, mama, het zal niet gaan. Ik heb, nu ik ziek ben, allen
tijd over om er over na te denken en ik zie nu het slot van al onze
moeite voor me...

Wanhopig tuurden zijne oogen op den grond; zij, radeloos, hing nog half
aan hem; eene dreigende huivering scheen door de kamer te ademen.

—Mama...

Zij antwoordde niet.

—Ik moet u mijn besluit meêdeelen...

—Welk besluit...

—Wil u het aan papa zeggen?

—Wat, wat, Othomar, mijn jongen?

—Dat ik niet trouwen kan... met Valérie, omdat...

—Later, later, je hòeft niet nu te trouwen...

—Neen, mama, het kan nóoit, omdat ik...

Zij zag hem smeekend aan, vragend.

—Omdat ik afstand wil doen... van mijn rechten... ten behoeve van
Berengar...

Zij antwoordde niet; slap zakte ze tegen hem aan, niet wetende hoe te
troosten en op te beuren en zacht klagend begon ze te snikken. Het was
of hare ziel, langzaam, maar aanhoudend, tot ze overvloeide, vol smart
gegoten werd. Zij verweet zichzelve alles. Hij was haar kind: zij had
den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren. En de
openbaring van dit smartelijk mysterie der herediteit voor hare
radelooze oogen, ontnam haar al hare kracht, al haren moed, al hare
macht van berusting.

—Mama... herhaalde hij.

Zij snikte door.

—Wees niet zoo wanhopig... Berengar zal beter zijn dan ik... U zal het
aan papa zeggen, niet waar... Of neen, laat het, als het u zooveel
kost: ik zal het zelf doen...

Zij schrikte zenuwachtig uit hare radeloosheid op.

—O God, neen; Othomar, neen, spreek er hem niet over, hij is zoo
driftig; hij zoû je... hij zoû je vermoorden! Beloof me, dat je er hem
niet over spreken zal! Ik zal het doen, o mijn God, ik zal het doen...

Maar eene resurrectie trilde in haar op.

—Maar, Othomar, ik bid je, waarom moet het? Je bent nu ziek, maar je
zal beter worden en dan... dan zal je anders denken!?

Hij tuurde voor zich uit; zijn voorgevoel doorsidderde hem: hij zag
zijn droom weêr; de straten van Lipara, die zich vulden met krip, tot
aan den hemel, waar zij het zonlicht floersden. En over zijn gelaat
kwam weêr de nieuwe trek van verharding, van onverzettelijke
koppigheid, die haar hem niet herkennen deed; hij schudde het hoofd
langzaam heen en weêr, heen en weêr.

—Neen, mama, ik zal nooit anders denken. Geloof me, het zal zoo beter
zijn.

Toen zij hem zoo zag, stortte hare nieuwe hoop weêr in en zij snikte
weêr. Snikkend stond zij op; in haar verdriet groef zich eene leêgte;
zij verloor iets: haar zoon.

—Gaat u weg? vroeg hij.

Zij knikte van ja, snikkend.

—Vergeeft u me?

Zij knikte nog eens van ja. Toen lachte zij hem even toe, een lach vol
wanhoop, de kracht missende hem te kussen, en zij ging, steeds
snikkende.

Hij bleef alleen, en stond op. Midden in de kamer bleef Othomar staan;
strak zagen zijne oogen op den colley.

—Waarom moet ik haar verdriet doen! dacht hij.

Alles in zijne ziel deed hem pijn.

—Waarom ben ik met Herman op reis gegaan? vroeg hij zich weêr af. In
die eerste dagen van rust ben ik zoo gaan denken. En professor Barzia
zegt toch: rust... Wat weet hij van me af? Wat weet de eene mensch van
den andere af...

—Djalo! riep hij.

De colley kwam, schuddende, aan, blij.

—Djalo, wat is goed, hoe moet de wereld zijn? Moeten er koningen en
keizers zijn, Djalo,... of moeten we maar allemaal weggaan?

De hond zag hem aan, heftig kwispelstaartend; in eens sprong hij op,
likte hem in het gezicht.

—En waarom, Djalo, moet de eene mensch den andere altijd verdriet doen?
Waarom moeten vorsten hun volk verdriet doen? Blijft het leven dan
altijd het zelfde, eeuwen door...!

Othomar was op den divan in-een gezakt; zijne hand viel over den hond
neêr, die haar hartstochtelijk likte.

—O! snikte hij. Mijn volk, mijn volk...!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Op het voorplein van het Imperiaal reden op dit oogenblik de laatste
rijtuigen weg; de kijkende menigte, achter de grenadiers, zag
nieuwsgierig naar het even schitterende der mooie dames door de glazen
der equipages heen. Die van de hertogin van Yemena was het allerlaatst.



IV.

Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten
van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem
en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te
hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten
zouden plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen
gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom,
officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die
van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de
kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden
die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der
keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de
keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van
den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een
kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur...

Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort
geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch
neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort,
alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in
een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der
strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn
principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van
Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn
energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van
het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet
ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te
irriteeren.

Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig
geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist
hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets
gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren
zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand
doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van
zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van
Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn
vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich
geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had
kúnnen besparen, wat zoû zij er niet voor willen opofferen! Maar was
hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen, en zich fier op te
richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem
maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen
kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs
had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen
verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem
had doen neêrzakken... En toch voelde zij, dat er eene geheime veer
bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel
hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de
reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat
aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence
van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele
druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van
neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne
ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in
hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid
van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den
aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen
twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of
schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als
zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had,
was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóo neêrgeslagen als
zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van
eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo
hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit
monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die
gebaard heeft?

Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met
Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop.
De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van
het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij
daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om
klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk
mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met
zulke overtuiging, kwam, als eene uitstorting van heiligen geest, eene
berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond
haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet
en goed is... Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de
vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand
deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde,
ondoorzienbare goedheid...!

Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den
keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich
terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar
zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar
weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid
zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem
in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen
zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was
niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element,
dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht
Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne
Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid,
iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament,
héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te
bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid
terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing,
totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht
gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend.
Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en
hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste
vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door
fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het
delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen.
Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze
fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor
vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat
hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in
eens zoo lief was geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze
periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht,
onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem
onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen,
of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren,
Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo
hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem
genezen kon...

Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, noch over zijn bloed: hij
dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur
aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust
den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de
professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad.
Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de
prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op
aan...

Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel
niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en
zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde
kunnen beoordeelen.

En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin
over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de
keizerin sprak er ook niet over en hoopte.

Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een
wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het
niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn
kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden...

De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij
zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een
miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.

Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een
wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie?
Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden
hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St.
Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn
ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit
een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was
er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel
geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk
geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat
hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû
het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig
weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het
een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van
zich wierp, en achterdocht koesteren...

Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar
voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes,
hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende
Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur
bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van
zijne lessen, die begonnen.

En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem
te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en
wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen,
dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper
had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van
een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende
werken over historie en sociologie...



V.

Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw
van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen
over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog
heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken
der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur,
half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte
uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in
straten en op pleinen.

Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden een kou
gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer
en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de
kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen
tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de
ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera
en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag.
Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest,
met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen
indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate,
fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het
onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen
opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs
ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die
zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden
hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook,
men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad,
dan door het land.

Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de
keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de
doktoren, die hem in zijn bedje hielden.

Eens dat de kroonprins Berengar kwam zien, waren zij bij hem, de
doktoren; de koorts was gestegen, maar het prinsje wilde uit zijn bed;
hij was stout, schold, had zelfs den goedigen dokter met zijn dikken
kop, geslagen, geranseld met de kleine gebalde vuist.

—Zoodra je beter bent, Berengar, sprak Othomar, die hem eerst bestraft
had; zal ik je iets geven.

—Wat dan? vroeg de jongen begeerig. Maar ik ben nu al beter.

—Neen, neen, je moet doen wat de doktoren zeggen en niet
tegenstribbelen.

—En wat krijg ik dan?

Othomar zag hem lang aan.

—Wat krijg ik dan? herhaalde het kind.

—Dat mag ik nog niet zeggen, Berengar; eigenlijk is het nu nog wel wat
groot voor je.

—Wat dan; een paard?

—Neen, het is niet zoo groot als een paard, maar zwaarder; vraag er
niet meer naar, en raad er ook niet naar, maar wees gehoorzaam; dan
wordt je beter en dan krijg je het.

—Zwaarder dan een paard en niet zoo groot... peinsde Berengar met
gloeiende wangen.

Het hoofd gebogen op de borst, slepend, keerde Othomar naar zijne kamer
terug. Uren bleef hij er stil, zwaarmoedig zitten in dezelfde houding;
als gewoonlijk verscheen hij niet aan het diner en at nauwelijks van
wat Andro hem diende. Toen wilde hij zich uitstrekken op de bank, nam
een boek om te lezen, maar legde het weêr neêr en hief zich op, als met
een plotselinge impulsie.

—Waarom niet nu? dacht hij! waarom altijd uitstellen...

De avond viel, maar de bovengalerijen van het paleis waren nog niet
verlicht; door die duisterende schaduw heen zijne matheid
voortslepende, ging Othomar naar de antichambres van den keizer. De
kamerheer diende hem aan.

Oscar zat aan zijne schrijftafel, een pen in de hand.

—Stoor ik u, papa? Of kan ik u spreken.

—Neen, je stoort me niet... Ben je bij mama geweest?

—Ja, van middag; ze was nog al wel, maar Berengar had koorts.

De keizer zag hem aan.

—Erger dan van morgen?

—Ik weet niet; hij gloeide nog al...

De keizer stond op.

—Heb je me te spreken?

—Ja papa.

—Wacht dan even. Ik ben na van morgen nog niet bij Berengar geweest.

Hij ging, liet de deur aanstaan.

Othomar bleef alleen. Hij was gaan zitten. Hij zag rond in het groote
kabinet, dat hij zoo goed kende van hunne ochtendberaadslagingen met
den Rijkskanselier. In den laatsten tijd had hij ze echter niet meer
bijgewoond. Hij bedacht wat hij zeggen zoû; intusschen dwaalden zijne
oogen om; ze vielen op den grooten spiegel met vergulde krullen; iets
bevreemde hem. Toen stond hij op en ging naar het glas toe.

—Ik dacht toch, dat het daarboven verweerd was, meende hij; ik kan me
toch zoo niet vergissen. Zoû het vernieuwd zijn geworden?

Hij stond nog bij den spiegel, toen Oscar terugkwam.

—Berengar is niets wel; de koorts neemt toe, sprak hij, en de klank van
zijne stem weifelde. Mama is bij hem...

In de suggestie zijner eigene overdenkingen viel het Othomar niet op,
dat de kleine prins zeker moest zijn zieker geworden, zoo de keizerin,
zelve lijdende, bij hem was.

—En waarover hadt je me te spreken? vroeg de keizer, toen de prins
zwijgen bleef.

—Over Berengar, papa.

—Over Berengar?

—Over Berengar en mij. Ik heb ons vergeleken, papa. Wij zijn broêrs,
wij zijn beiden uw zonen. Wie van ons, gelooft u, dat het meeste heeft
van... u... en van onze voorvaderen?

—Waar wil je naar toe, Othomar?

—Naar het recht, papa. Naar rechtvaardigheid. De natuur is soms
onrechtvaardig en blind; ze had Berengar eerst moeten laten geboren
worden en dan mij... of mij maar zelfs niet.

—Nog eens, waar wil je naar toe, Othomar?

—Ziet u dat niet in, papa? Ik zal het u zeggen. Is Berengar niet meer
vorst dan ik? Is hij daarom niet uw lieveling? En zoû ik hem van zijn
natuurlijk recht moeten ontrooven, ter wille van mijn traditioneel
recht? Ik wil afstand voor hem doen, papa. Afstand van alles, van al
mijn rechten.

—De jongen is gek, mompelde Oscar.

—Van al mijn rechten, herhaalde Othomar, droomerig, als zag hij de
toekomst: zijn kleinen broêr, gekroond.

—Othomar, ijl je? vroeg de keizer.

—Papa, ik ijl niet. Wat ik zeg, heb ik dagen, weken misschien
overdacht; ik weet het niet: de tijd gaat voorbij... Wat ik u zeg, heb
ik met Mama overwogen; ze heeft er om gesnikt, maar mij niet
tegengesproken. Ze ziet het ook zoo in... En wat ik u zeg staat vast;
ik ben er toe besloten en niets zal er mij van terugbrengen... Ik hoû
van Berengar; ik sta hem gaarne alles af en ik zal bidden, dat hij
gelukkig wordt door mijn geschenk. Ik ben overtuigd—en u is het ook—dat
Berengar een beter keizer zal zijn dan ik. Wat bezit ik er voor
talenten voor...?

Hij haalde radeloos zijne schouders op met eene zenuwachtige siddering,
die ze schokte.

—Geene, antwoordde hij zichzelven. Ik heb er geene, ik kan niets. Ik
kan niet beslissen—als nu—, ik kan niet handelen, ik zal altijd iemand
zijn van gedachte. En waarom zoû ik dan keizer zijn en hij niets meer
dan de opperbevelhebber van mijn leger of mijn vloot? Dat kan immers
niet goed zijn; dat kan zoo niet bedoeld zijn door de natuur... Papa,
ik geef het hem, mijn recht van eerstgeborene en ik... ik zal wel leven
als het moet...

De keizer, de ellebogen op de tafel, de handen onder de kin, had hem
aangehoord, staarde hem aan met zijne kleine toegeknepen oogen.

—Je meent dat alles? vroeg hij.

—Ja papa.

—Je ijlt niet?

—Neen papa, ik ijl niet.

—Dan ben je gek.

De keizer stond op.

—Dan ben je gek, zeg ik je. Othomar, zie in, dat je gek bent en kom tot
je verstand terug; wordt niet geheel krankzinnig.

—Waarom noemt u me krankzinnig, papa? Kàn u het niet met me eens zijn,
dat Berengar beter zou zijn dan ik?

De wreede blikken van zijn vader doorpriemden Othomar.

—Neen, daarin ben je niet krankzinnig; daarin heb je gelijk...

—En waarom ben ik dan krankzinnig, omdat ik, om die reden, afstand wil
doen, ten behoeve van hem?

—Omdat dat niet gebeuren kan, Othomar.

—Welke is de wet, die het verbiedt?

—Mijn wil, Othomar.

De prins hief zich hoog op.

—Uw wil? riep hij; uw wil? U erkent, dat ik niet meer vorst ben, dan
alleen van geboorte? U erkent, dat Berengar wel uw eigen keizerkracht
heeft en u wilt, u wilt niet, dat ik afstand doe? En u denkt, dat ik me
neêr zal leggen bij dien wil...?

Hij stiet een heeschen lach uit.

—Neen, papa, ik zal me niet aan dien wil storen. In alles kan u uw wil
doorzetten, maar hierin niet. Al riep u uw heele leger bij elkaâr, dan
kon u dit toch niet dwingen. Er is een einde aan menschelijken wil,
papa, en niets, niets, niets kan mij beletten, dat ik mijzelven
ongeschikt vind tot regeeren en dat ik geen kroon dragen wil!

De keizer had Othomars polsen gegrepen; zijn heete adem siste in
Othomars gezicht.

—Verdomde jongen! knarstte hij tusschen zijne groote witte tanden.
Lammeling! Je hebt gelijk, je hebt niets van een keizer; je zal er
nooit iets van hebben. Als ik niet beter wist, zoû ik zeggen, dat je de
zoon was van een lakei. Je hebt gelijk, je bent ongeschikt. Je bent
niets, jou past onze kroon niet. En toch, al moest ik je opsluiten in
een gevangenis, zoodat niemand je laagheden hooren kon, je zùlt geen
afstand doen. Het einde van mijn wil is verder dan jij het ziet. Hoor
je? Je zult het niet doen, je zult geen afstand doen, al moest ik je
van dit oogenblik af, als een schande, verbergen voor de wereld. Jouw
verslapte hersenen begrijpen dat niet, niet waar? Je begrijpt niet,
waarom ik meer hoû van Berengar, dan van een lafbek als jij, en hem
toch niet in jouw plaats mijn opvolger wil zien? Dan zal ik het je
moeten zeggen. Ik wil dat niet, om de wereld geen getuige te maken van
de ontaarding van ons geslacht. Ik wil niet, dat ze ziet, hoe ellendig
het verzwakt is in jou, en ik zoû je eerder... je eerder kunnen
vermoorden, dan dulden, dat je afstand deed!

Woest had Oscar den prins bij de schouders genomen, hem achteruit
geduwd op een bank, waarop hij, zittende, neêrzonk; als een prooi bleef
hij hem omknellen in zijn greep van sterke handen.

—Maar ik zeg je, ging de keizer voort; ik zeg je, je bent de zoon niet
van een lakei: je bent mijn zoon, en ik zal je niet vermoorden, omdat
ik je vader ben. Alleen dit wil ik je zeggen, Othomar: je had me
hiervoor kunnen sparen. Ik geloof, dat je hoog denkt van je
fijngevoeligheid, maar je bezit zelfs niet het eenvoudigste gevoel. Je
voelt zelfs niet, dat je een laagheid hebt bedacht, de laagheid van een
proletariër, een slaaf, een paria, een ellendeling. Je hebt zelfs geen
oogenblik gevoeld, wat voor een leed je mij zoû doen met die laagheid.
Je zag, dat ik meer hield van je broêr; je dacht, dat ik je laf plan
goed zoû vinden. Geen oogenblik kwam het in je op, dat je mij met die
lafheid het grootste verdriet zoû doen, dat ik ooit kon ondervinden...!

Verpletterd was Othomar op de bank ineengezakt. Hij kon niet meer
onderscheiden wat recht was en wat waar; hij kende zichzelven niet meer
op dit oogenblik; als geesels striemden de woorden van zijn vader hem
de ziel. En hij voelde zich geene kracht er tegen op te komen; de
beleedigende verwijtingen hielden hem afgeranseld neêr. Laagheid en
schande, krankzinnigheid en ontaarding, hij ging er in onder; hij zwolg
de modder er van in, tot hij er in stikte. En dat hij er niet in stikte
en ademen bleef, leven bleef, dat de dag klaar om hem heen was, de
dingen onveranderd waren, de wereld daarbuiten niets wist, dit alles
werd hem wanhoop. Een oogenblik dacht hij aan zijne moeder. Maar hij
wilde het zwart, den dood, om zich te verbergen, zichzelven en zijne
schande, zijne ontaarding, de melaatschheid van zijn paria-gemoed...
Het flitste door hem heen in de seconde na dien laatsten striem van
verwijt over zijne ineengezonken ziel. Hij wist, dat Oscar altijd een
revolver geladen had in een open loket van zijne schrijftafel. Zijne
hersenen spanden zich in bedenken, hoe dit wapen te bereiken. Hij was
opgestaan, had het loket genaderd: in eens sprong hij er op af, strekte
zijne hand uit en greep het pistool...

Dacht Oscar, dat zijn zoon verbijsterd was door zijne laatste woorden
en nu het leven wenschte van zijn vader? Doorzag hij die extaze naar
zelfvernietiging in zijn kind, ging door zijn sidderend brein heen die
gruwel van gedachte, dat zelfvernietiging... het laatste heil voor den
paria zoû zijn? Wat ook, instinctmatig toch stortte hij op Othomar toe.
Maar de prins, licht, ontsprong hem, richtte de revolver, de oogen dol,
het gelaat verwrongen, in wezenlooze wanhoop opzichzelven, op zijn
eigen voorhoofd, waarop de aderen blauw zwollen...

—Othomar! brulde de keizer.

Op dit oogenblik ijlden stappen buiten aan, klonken verwarde woorden in
de antichambre en de markies van Xardi, adjudant van den keizer,
ontzet, in verwarring, smeet de deur wijd open...

—Sire! riep hij uit; de keizerin vraagt of Uwe Majesteit
oogenblikkelijk bij prins Berengar komt...

Het schot was afgegaan, in den muur. Het bloed drupte van Othomars oor.
De keizer had den prins beetgepakt en hem het nog vijfmaal geladen
pistool ontrukt; ook het tweede schot ging in dat korte oogenblik van
strijd af, in het plafond. Wezenloos bleef Othomar staan.

—Markies! beet de keizer Xardi toe; weet niet wat u denkt, maar ik zeg
u dit: u heeft niets gezien, u denkt niets. Wat hier gebeurde vóór u
binnenkwam... is niet gebeurd.

Dreigend strekte hij den vinger naar Xardi uit.

—Mocht u óoit vergeten, markies, dat het niet gebeurd is, dan zal ik
ook vergeten wie u is, al laat u ook uw stamboom opklimmen tot voor den
onze!

Doodsbleek stond Xardi voor zijn keizer.

—Mijn God! Sire...

—Wat doet u het kabinet van uw vorst op die onhebbelijke manier
binnenkomen? De hertog van Xara laat zich zelfs aandienen, markies!

—Sire...

—Wat? Spreek op!

—Hare Majesteit...

—Wat, Hare Majesteit?

—Prins Berengar... de koorts is gestegen: hij ijlt, Sire en de
doktoren...

De keizer was verbleekt.

—Hij is dood? vroeg hij woest. Zeg het in eens.

—Niet dood, Sire, maar...

—Maar wat?

—Maar de doktoren... hebben geen hoop...

Met een vloek van smart duwde de keizer den adjudant weg en stortte
zich voort, de kamer uit.

De kroonprins was blijven staan. Het leven kwam tot hem terug; eene
werkelijkheid van smart, uit nachtmerrie geboren. Zijne oogen liepen
vol tranen.

—Xardi... smeekte hij; je Huis was altijd trouw aan ons Huis; zweer me,
dat je zwijgen zal.

In ontzetting zag de markies den kroonprins aan.

—Hoogheid...

—Zweer me, Xardi.

—Ik zweer het U, Hoogheid, sprak de adjudant gedempt, en strekte zijne
vingers uit naar het crucifix, aan den muur.

Othomar drukte zijne hand.

—Is prins Berengar...

Hij kon nauwelijks spreken.

—Is prins Berengar in eens zoo ziek geworden...?

—De koorts stijgt ieder oogenblik, Hoogheid, en hij ijlt...

—Ik ga er heen, sprak Othomar.

Hij sponsde zich met den zakdoek het bloed van het oor en hield het,
dadelijk doorweekte, batist er tegen aan.

In de laatste antichambre ging hij voorbij den kamerheer en zag schuin
naar hem. Xardi stond even stil.

—De hertog van Xara heeft zich licht verwond, sprak hij. Hij onderzocht
iets aan de revolver van den keizer, toen ik binnenkwam en hij
schrikte: twee schoten gingen af.

—Ik heb ze gehoord, fluisterde de kamerheer bleek.

—Er was bijna een ongeluk gebeurd...

Zij zwegen even, hunne blikken begrepen elkaâr. Eene huivering liep
over hunne ruggen. De nacht scheen als met wolken van onheil kil te
dalen over het paleis.

—En... de kleine prins...? vroeg de kamerheer rillende.

Xardi haalde de schouders op; zijne oogen werden vochtig om ingeboren
liefde, eeuwen oud, voor zijne vorsten.

—Sterft... sprak hij dof.



VI.

De kroonprins ging door de antichambre: een der doktoren stond er
kompressen te weeken in een kom met ijs; nieuw ijs werd juist door een
kamerdienaar in een emmer aangebracht. De deur van de slaapkamer was
open en aan de deur bleef Othomar staan. Op zijn veldbed lag de kleine
prins en praatte zacht, zangerig door; de keizerin, bleek, lijdende,
zich ophoudende ondanks alles, zat met de prinses Thera naast hem.

De keizer wisselde korte woorden met de twee andere doktoren, over wier
trekken eene strakke hopeloosheid lag, bijtende smart verwrong Oscars
gelaat, dat trok van diepe rimpels.

—Mijn God, hij herkent me niet, hij herkent mij niet! hoorde Othomar
den keizer klagen.

—Mij ook niet, murmelde de keizerin.

—Wat zoû het zijn; wat, wat, wat zoû het zijn, zong het prinsje en zijn
anders schel stemmetje klonk zacht als het melodietje van een vogel:
het was of hij wat speelde in zichzelven.

—Ik krijg wat van mijn broêrtje, van mijn broêrtje, wat moois! zong hij
door; en de keizerin verstond zijne woorden, maar ze begreep niet, en
toen hij verder zong: den naam van den kroonprins, met zijn titel:

—Othomar, o Othomar van Xara, van Xara... smeekte ze zacht naar de
deur;

—Othomar, hij zegt je naam; kom, misschien herkent hij jou!

Othomar kwam nader; hij ging voorbij den keizer, hij knielde neêr aan
het bed; een glimlach lichtte over Berengars gezichtje.

—Hij wordt kalmer, zei de goedige dokter, wien de tranen over het
gezicht liepen, tot Oscar; ziet Uwe Majesteit: de prins herkent Zijne
Hoogheid, den Hertog...

Eene blijdschap klonk door zijne stem.

Een hevige jaloezie verwrong de trekken van den keizer.

—Neen, neen, sprak hij.

—Zeker, Sire, zie maar, drong de dokter aan, oplevende in hoop.

—o Othomar, o Othomar van Xara, zong het prinsje: hij had zijn broêr
herkend, maar zag hem niet in het leven, zag hem alleen in zijn
wakenden droom, door de glazigheid van zijn koorts.

—Wat breng je me voor moois? Kleiner dan een paard, maar zwaarder?
Zwaarder? O wat is het zwaar, zwaar, zwaar...

Zijn stemmetje klonk als in inspanning, als lichtte hij iets op; zijn
kramptrekkende, kleine, breede handen maakten het gebaar van moeilijk
beuren.

—Berengar, sprak de kroonprins en zijne stem brak, zijn hart kromp
ineen...

—Othomar, antwoordde het kind.

Een smartelijke kreet ontsnapte den keizer.

—Ja, je bent altijd zoo aardig voor me, ging de kleine prins zangerig
voort. Je geeft me altijd van die mooie dingen. Je weet wel, die mooie
kanonnen, op mijn verjaardag? En dat pistool? Maar daar is mama zoo
bang voor... Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed, aan je oor... Wat
bloedt, gaat toch dood? Ga je dood, Othomar? Kijk, bloed op je jas...

De keizerin bleef strak zitten; zij zag van Berengar naar de bloedende
wond van haar oudsten zoon...

—Bloed, bloed, bloed! zong het kind. Othomar gaat dood! Ja, hij geeft
me altijd zooveel moois, Othomar. Ik heb al zooveel, veel meer dan àlle
àndere kinderen van Liparië! En wat krijg ik nu... nog meer? Dat mooie
ding? Wat is het? Ik voel het wel: het is zoo zwaar, maar ik zie het
niet...

De dokter was uit de antichambre gekomen en naderde met de kompressen.

—Ik zie het niet... ik zie het niet...!! zong het kind pijnlijk, mat.

Toen de dokter de kompressen aanlegde, woelde het tegen, begon het te
huilen, alsof een groot verdriet in zijn hartje opwelde.

—Ik zie het niet!! snikte het; ik zal het noóit zien...!!!!

Een heftige bui volgde het snikken; woest sloeg hij met de armen rond,
trok de kompressen af, wierp zich het ijs van het hoofd, richtte zich
met dolle oogjes staande in zijn bed, gooide de dekens weg... Othomar
was opgerezen, de keizerin ook. Oscar zat in een stoel, het gezicht met
de handen bedekt, en snikte tegen prinses Thera aan. De doktoren traden
bij het bed, poogden Berengar te bedaren, maar hij sloeg ze; de koorts
steeg in krankzinnigheid naar zijn klein brein.

Op dit oogenblik kwam professor Barzia binnen; hij woonde niet in het
paleis; men had hem ontboden uit zijn hôtel.

—Wat doet Uwe Hoogheid hier? richtte hij zich aanstonds tot Othomar.

De kroonprins antwoordde niet.

—Trekt Uwe Hoogheid zich dadelijk terug in Haar eigen appartement,
beval de professor.

—Red mijn jongen! riep de keizer uit, gebroken, snikkende.

—Ik red den kroonprins eerst, Sire: hij vermoordt zich hier!

—Goed, goed, maar red hèm dan! schreeuwde Oscar woest.

De andere doktoren hadden bevelen gegeven; een kuip werd
binnengebracht; vol gegoten met lauw water, geregeld naar een
thermometer... Maar Othomar zag niet meer, hij ijlde weg, voortgedreven
door Barzia’s strenge blikken. Over de galerijen ijlde hij, door een
groep van officieren en kamerheeren, die angstig met elkaâr stonden te
fluisteren en voor hem uitweken. Hij stortte zijn eigen kabinet in, dat
niet verlicht was. In den donker dacht hij zich neêr te gooien op de
bank, maar bonsde op den grond. Daar bleef hij liggen. Zoo, als
verpletterd door de duisternis, begon hij te kreunen, te steenen, luid
op te snikken met scherpe gillen van zenuwtoeval.

Andro was binnen gekomen; zijn voet stiet tegen den prins aan. Hij stak
het gas aan, poogde zijn meester op te beuren. Maar Othomar hield zich
als loodzwaar; snerpend lang stieten zich de zenuwgillen uit zijne
keel. Andro belde, twee-, driemaal; lang luidde hij door; eindelijk
verschenen een lakei en een kamerheer tegelijkertijd aan verschillende
deuren.

—Roep professor Barzia! riep Andro tot den lakei. Excellentie, helpt u
me Zijne Hoogheid oplichten...! smeekte hij den kamerheer. Maar de
lakei liep, toen hij zich omkeerde, tegen den professor aan, die bij
den kleinen prins niets doen kon en den kroonprins gevolgd was. Hij zag
Othomar liggen op den grond, kreunend, gillend...

—Laat mij met Zijne Hoogheid alleen, beval hij met een blik rondom
zich.

De kamerheer, Andro, de lakei volgden zijn bevel.

De professor was een groote, oude man, zwaar gebouwd en sterk: hij
naderde den prins en hief hem, niettegenstaande zijne loodzwaarte van
nervoziteit, op in zijne armen. Zoo hield hij hem eenvoudig omklemd, op
de bank, en zag hem aan, diep in de oogen, met blikken van suggestie.
In eens zweeg Othomar zijn gillen stil; zijne keel verstomde. Mat
knikte zijn hoofd neêr op den schouder van Barzia. Deze hield hem
steeds in zijne armen. De prins werd kalm, als een gesust kind, zonder
dat Barzia éen woord geuit had.

—Mag ik Uwe Hoogheid verzoeken naar bed te gaan, sprak de professor met
zijne zachte stem van dwang.

Hij hielp Othomar opstaan, stak zelve het licht aan in zijne
slaapkamer, hielp den prins zijn jas uittrekken.

—Waarom bloedt Uw Hoogheid aan het oor? vroeg Barzia, wien geronnen
bloed de vingers bezoedelde.

—Een schot... begon Othomar dof; het wegwenden van zijn gelaat, het
sluiten van zijne oogen zeiden het overige.

De professor sprak niet meer; als ware Othomar een kind, hielp hij hem
verder, waschte hij hem het oor, den hals, de handen, met de zachtheid
eener moeder. Toen deed hij hem zich neêrleggen in bed, dekte hem toe,
ordende de kamer als een knecht. Toen ging hij naast het bed zitten,
waarin Othomar lag, met groote vreemde oogen, starend: hij nam de hand
van den prins en bleef zoo, lang, zacht ziende op hem neêr. Het half
neêrgedraaide licht, achter, hield den grooten kop van Barzia in het
donker en glansde alleen wat op zijn kalen schedel, waaraan tot op den
hals eenige grijze manen hingen. Eindelijk sprak hij zacht:

—Uwe Hoogheid wil beter worden, niet waar?

—Ja, sprak Othomar, zijns ondanks.

—Hoe zal Uwe Hoogheid dat doen? vroeg de professor.

De prins antwoordde niet.

—Weet Uwe Hoogheid niet? Dan moet Zij er maar eens over denken. Maar
Zij moet zich heel kalm houden, niet waar, héel kalm...

En hij streelde Othomars hand met zachte, gelijke bewegingen, als
balsemde hij ze.

—Want Uwe Hoogheid mag zich nooit meer toegeven aan zenuwtoevallen. Uwe
Hoogheid moet bedenken, hoe ze tegen te houden. Ik geef Uwe Hoogheid
wel veel te bedenken, ging Barzia glimlachend door. Dat doe ik, omdat
ik Uwe Hoogheid aan andere dingen wil laten denken, dan waaraan Ze
denkt. Er moet wat klaarheid komen in Hare hersenen. Is Zij moê en wil
Ze slapen, of mag ik nog praten?

—Ja, praat maar, fluisterde de prins.

—Er komen dagen van groote smart voor het Imperiaal... begon de dokter
weêr, zacht. Uwe Hoogheid moet aan die dagen denken, zonder zich te
laten meêsleepen door de smart ervan... De kleine prins zal
waarschijnlijk niet blijven leven, Hoogheid. Zal Zij daaraan denken en
denken aan Hare ouders, Hunne arme Majesteiten? Er zijn van die dagen
voor een land of voor een enkele familie, waarin de smart zich schijnt
opeen te stapelen. Want deze dag, deze nacht schijnt die niet het einde
van Uw geslacht, mijn prins? Stil, stil en beweeg U niet; laat mij maar
praten, als een oude man, die zeurt... Weet Uwe Hoogheid, dat de keizer
vandaag voor het eerst van zijn heele leven geweend heeft, gesnikt?
Zijn jongste zoon sterft. Tusschen dit kind en den vader is een oudste
zoon, die zwaar, zwaar ziek is... Is dit alles niet het einde?

—Als God het dan zoo wil... fluisterde Othomar.

—Is het goed te berusten, sprak Barzia. Maar wil God het zoo?

—Wie zal het ons zeggen...

—Vraagt het eens aan Uzelven, maar nu niet, Hoogheid, morgen, morgen...
Na de smartelijkste nachten... komen weêr de morgens...

De professor was opgestaan en had een poeier in een glas water gemengd.

—Drink eens, Hoogheid...

Othomar dronk.

—En ga nu stil liggen en sluit die groote oogen.

—Ik kan toch niet slapen...

—Dat hoeft ook niet, maar sluit die oogen...

Barzia streek met de hand over ze heen; de prins hield ze toe. Zijne
hand lag weêr in de hand van den professor.

Eene suizelooze stilte daalde neêr in de kamer. Buiten, in de galerijen
en corridors, kwamen soms radelooze stappen aan, als uit de verte, in
nuttelooze haast; dan verklonken ze weêr weg, in wanhoop. Eene wereld
van smart scheen zich in het paleis, daar buiten die kamer, uit te
breiden, tot ze alle ruimten er van vulde met haar donker, nachtelijk
wee. Maar in deze ééne kamer verroerde zich niets. De professor zat
stil en staarde vol nadenken: de kroonprins was als een kind
ingeslapen.



VII.

Den volgenden morgen ging de dag op over den rouw van een keizerrijk.
Prins Berengar was in dien nacht bezweken.

Othomar had lang geslapen en werd laat wakker, als in eene vreemde
kalmte. Toen professor Barzia hem het einde van den kleinen prins
vertelde,—de apathie der laatste oogenblikken na eene woede van
koorts—scheen het hem toe, dat hij dit reeds wist. De groote smart, die
hij voelde, was zonderling rustig, zonder oproer in zijn hart en
verbaasde hemzelven. Kalm bleef hij liggen, toen de professor hem
verbood op te staan. Als zonder emotie stelde hij zich voor: den
kleinen jongen, roerloos, de oogen gesloten, op zijn veldbed.
Werktuigelijk vouwde hij zijne handen en bad hij voor het zieltje van
zijn broêr.

Hij mocht dien dag zijne kamer niet verlaten en zag alleen even de
keizerin, die bij hem kwam. Het verbaasde hem niets, dat ook zij kalm
was, met droge oogen: zij had nog geen traan gestort. Zelfs toen hij
zich oprichtte uit zijne kussens en haar omhelsde, weende zij niet. Hij
ook weende niet, maar alleen zijne eigene kalmte verwonderde hem: niet
de hare. Zij bleef maar een oogenblik; toen ging zij terug als met
werktuigelijke passen en hij bleef alleen. Hij zag dien dag anders
niemand dan Barzia: zelfs Andro kwam niet in zijne kamer binnen.

Buiten die kamer ried de prins, aan zekere passen door de gangen,
zekere klanken van stem—het weinige, dat tot hem doordrong—de smart van
het paleis; stelde hij zich voor de treurmare gaande door het land,
Europa, en de menschen ontzet doende staan voor den dood, die verrast
had. Het leven was niet zeker: wie wist of hij morgen leefde! IJdel
waren de plannen der menschen, wie wist het uur, dat volgen zoû! En
kalm steeds bleef hij hierover denken, in de zonderlinge rust van zijne
ziel, waarin hij als eene nutteloosheid zag om te strijden tegen het
leven en tegen den dood.

Den volgenden dag eerst vergunde Barzia hem op te staan, laat in den
middag. Na zijne douche kleedde hij zich kalm aan, in zijne
lanciersuniform, een krip om de mouw. Toen hij zich in een spiegel zag,
verwonderde het hem hoe hij leek op zijne moeder, hoe hij nu ging met
hare zelfde machinale pas. Barzia vergunde hem naar den salon der
keizerin te gaan. Hij vond er haar, den keizer, Thera, en den
aartshertog en de aartshertogin van Karinthië, die den vorigen avond te
Lipara waren aangekomen. Men zat stil bij elkaâr; nu en dan ging een
zacht woord om.

Othomar ging naar den keizer en wilde hem omhelzen: Oscar echter drukte
hem slechts de hand. Daarna omhelsde Othomar zijne zusters, zijn
schoonbroêr. Toen zette hij zich neêr bij de keizerin en nam hare hand
en zat stil. Zij was vermagerd en krijtwit in hare zwarte japon. Zij
weende niet: alleen de twee prinsessen begonnen telkens te snikken en
telkens weêr.

De familie gebruikte het diner alleen in de kleine eetzaal, zonder
gevolg. Eene verplettering was als neêrgezonken op het paleis, dat
geheel scheen te zwijgen op dit uur, met alleen nu en dan het zachte
geloop door galerijen van een ordonnans-officier, die ging, een
lijkkrans in de hand, van een lakei, die bracht een blad vol
telegrammen. Na het korte diner trok de familie zich weêr terug in den
salon der keizerin. De uren sleepten zich voort. De avond was geheel
gevallen. Toen werd de aartsbisschop van Lipara aangekondigd.

De keizerlijke familie stond op; door de galerijen ging zij, zonder
gevolg, naar de groote Ridderzaal. Hellebaardiers stonden bij de deur.
Zij traden binnen. De keizer reikte de keizerin de hand en geleidde
haar naar den troon, waarvan de kroon en de draperiën omfloersd waren.
Aan beide zijden waren zetels voor Othomar, de prinsessen, den
aartshertog.

In het midden der zaal, voor den troon, rees de katafalk op onder een
hemel van zwart en hermelijn. In uniform lag er de kleine prins neêr.
Over zijne voeten hing een kleine blauwe riddermantel met een groot wit
kruis; een kinderdegen lag hem op de borst, en zijne handjes waren om
het juweelen gevest heengevouwen. Aan zijn hoofdje, en wat hooger,
blonk, op een kussen, een kleine markiezenkroon. Zes vergulde luchters
glansden met vele hooge kaarsen stil op het kind neêr en ze lieten de
groote zaal verder in schaduw: alleen rees, buiten, de maan in verre
nachtblauwe lucht; hier en daar tintte ze met een witte glansplek de
wapenrustingen, de trofeeën, die hingen en, als ijzeren geesten,
stonden in nissen en aan den muur. Aan het voeteneind der katafalk
breidde, op een tafel, met wit fluweelen kleed, als altaar, een groot,
verguld crucifix, tusschen luchters, ontfermend, twee kruisarmen uit.

Den degen in den arm, roerloos als de wapenrustingen aan den muur,
stonden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, twee aan
twee, aan iedere zijde van de katafalk.

Een zachte geur van bloemen woei om. Om de katafalk heen stapelden zich
de kransen op in cirkels van alles wat wit bloesemt; de aroom van
violen geurde het hoogst.

Zij waren gezeten: de keizer, de keizerin en hunne vier kinderen.
Langzaam kwam de aartsbisschop binnen met zijne priesters en
koorknapen. Toen knielden de vorsten op kussens voor hunne zetels neêr.
De prelaat las de lijkmis en het Latijn van het Kyrie-Eleison en het
Agnus Dei smeekte voor Berengars kleine ziel te midden der zielen van
het vagevuur, trilde zacht door de immense zaal, wolkte met den geur
der bloemen mede over het roerlooze, ooggeslotene gezicht van het
keizerlijke kind...

De dienst was geëindigd; de prelaat sprenkelde het wijwater, ging
sprenkelend om de katafalk heen. De vorsten verlieten de zaal, maar
Othomar bleef.

—Ik wil mijn krans neêrleggen... sprak hij zacht tot de keizerin.

Ook de priesters, langzaam, vertrokken; den vier ridders, die door
anderen vervangen zouden worden, zeide de kroonprins zijn verlangen een
oogenblik alleen te willen blijven. Ook zij gingen. Toen zag hij aan de
deur Thesbia verschijnen, een grooten witten krans in de hand. Hij ging
den ordonnans-officier tegemoet en nam den krans aan.

Othomar bleef alleen. Lang, breed, met duistere einden, strekte zich de
zaal uit. De maan was hooger gestegen, scheen blanker, spookte op de
wapenrustingen. In het midden, als met heiligheid, tusschen den vromen
glans der lange kaarsen—rees de katafalk, lag de prins.

De kroonprins ging twee treden de katafalk op en legde den krans neêr.
Toen zag hij naar Berengars gelaat; geene koorts verwrong het meer;
rustig lag het, blank, als sliep het. Alle geluiden in de zaal waren
weggestorven; eene doodstilte hing neêr. Hier scheen de wereld van
smart, die het paleis en het land vervuld hadden, zich geheiligd te
hebben in verhevene kalmte. En Othomar zag zich alleen met zijne ziel.
Het onzekere van het leven, het ijdele van menschenvoornemen kwam tot
hem weêr, maar in klaarheid; het was geen zwart mysterie en werd
harmonie. Het was of hij geheel de harmonie zag van het verleden; in
geheel Liparië’s verleden van historie, in geheel het verleden der
wereld klonk geen enkele valsche toon. Alle smart was heilig en
harmonisch, bracht nader tot het hooge Einde, dat weêr Begin zoû zijn,
en nooit iets anders dan harmonie. Eene berusting daalde als een
heilige geest in zijn gemoed; zijne vreemde kalmte werd berusting. Het
was of zijne zenuwen zich ontspanden in éene groote leniging.

En in zijne berusting was alleen de weemoed, dat hij nooit meer zoû
hooren het hoog-bevelende stemmetje van het kind, dat hij lief had
gehad. Dat dit kleine leven uitgeleefd had, zoo gauw, en voor altijd.
In zijne berusting was alleen éven de verwondering, dat het zoo moest
zijn en niet als hij het zich gedacht had. Hij zoû zelve moeten dragen
zijne kroon, die hij aan Berengar had willen afstaan. En het was hem
nu, of hij die terug ontving van den kleinen doode zelven. Hierom zeker
voelde hij zoo niets geen opstand in zijne ziel, voelde hij die rust,
dat besef van harmonie. Als eene erfenis kwam zijn geschenk tot
hemzelven weêr terug.

Lang stond hij zoo, denkende, starende op zijn roerloos broêrtje en
eenvoudig werd zijne gedachte in hem; recht voor zich uit zag hij een
weg, dien hij volgen zoû...

Toen hoorde hij zijn naam:

—Othomar...

Hij keek op en zag de keizerin aan de deur. Zij kwam nader.

—Barzia vroeg naar je, fluisterde ze; hij maakte zich ongerust over
je...

Hij glimlachte haar toe en schudde het hoofd van neen: dat hij kalm
was.

Zij was nu geheel genaderd, trad op de treden van de katafalk en vlijde
zich aan zijn arm.

—Hoe stil is zijn gezichtje... murmelde ze. O, Othomar, ik heb hem nog
niet eens mijn laatsten zoen gegeven. En morgen behoort hij me niet
meer toe: dan defileert hier al dat volk!

—Maar hij is nú nog van ons, mama, van u...

—Othomar...

—Mama...

—Zal ik jou ook niet hoeven... te verliezen?

—Neen mama, mij niet... Ik zal blijven leven... voor u...

Hij omhelsde haar; zij zag tot hem op, verwonderd om zijne stem. Toen
keek ze weêr naar het kind. Ze maakte zich los uit de armen van haar
zoon, hief zich nog hooger, boog zich over het witte gezichtje en kuste
het voorhoofd. Maar zoodra de steenkoude van het doode vleesch in hare
lippen trok, trok zij zich terug, staarde wezenloos op het lijkje, of
zij nu eerst begreep. Een kramp verstijfde hare armen, verwrong hare
vingers; recht viel zij achterover tegen Othomar aan.

En hare oogen werden vochtig met de eerste tranen, die zij om Berengars
dood vergoot, en zij verborg haar hoofd in Othomars armen en snikte,
snikte...

Toen voerde hij haar voorzichtig, langzaam de treden van de katafalk
af, geleidde haar uit de zaal. In de galerij kwam hij Barzia tegen; het
stil kalme gelaat van den prins, die zijne moeder ondersteunde, stelde
den professor gerust...

Zoodra de keizerin en de kroonprins de Ridderzaal verlaten hadden,
traden vier ridders van St. Ladislas, den blauwen mantel om, binnen.
Zij namen hunne plaats in aan beide zijden van de katafalk en zij
bleven er roerloos staan in den kaarsenglans, starende voor zich uit,
wakende in den rouwnacht over het keizerlijke lijkje, waarover nu de
blauwte van de maan viel... Ook de priesters waren binnengekomen, en
baden...

Het paleis was stil. Toen Othomar aan de deur van haar appartement
zijne moeder had overgegeven aan Hélène van Thesbia, ging hij de
galerijen door naar zijne eigen kamers. Maar bij eene wending der
gangen schrikte hij. De groote ceremonietrap gaapte, flauw verlicht aan
zijne voeten, met de holte der kolossale vestibule onder aan. Behangers
waren daar bezig de balustrades der trap te drapeeren met floers van
krip, voor het oogenblik, dat de kist naar beneden gedragen zoû worden.
Zij maten met wijde armen de nevels van zwart uit, wierpen zwarte wolk
op wolk; de wolken krip stapelden zich met eene droeve luchtigheid op,
en op en op, schenen de geheele trap te vullen en treê na treê hooger
te stijgen of ze het geheele paleis zouden veroveren met hun zwart...

De behangers zagen den kroonprins niet, en werkten door, zwijgend, in
het flauwe licht. Maar eene koude rilling ging over Othomar heen.
Doodsbleek staarde hij naar de mannen, die daar aan zijne voeten het
krip uitmaten en het wolken deden naar hem toe. Hij herinnerde zich
zijn droom: de straten van Lipara, zich vullende met krip tot de zon
zwijmde... Zijn bloed scheen hem te bevriezen in zijne aderen...

Toen sloeg hij een kruis.

—O God, geef me kracht! bad hij in ontzetting...



VIII.

Den volgenden morgen ging tusschen de paradewachten door der grenadiers
het volk voorbij het lijk van den kleinen prins. Den daarop volgenden
werd het vervoerd naar Altara en bijgezet in den keizerlijken
grafkelder in den Dom van St. Ladislas. De prinsen Gunther en Herman
van Gothland waren voor de plechtigheid overgekomen, maar den hertog
van Xara was door professor Barzia verboden aan de ceremonie deel te
nemen: hij bleef te Lipara.

De Gothlandsche prinsen en hun gevolg kwamen met keizer Oscar terug
naar de rezidentie, waar, op het dringend verlangen van hare zuster,
ook koningin Olga met prinses Wanda gekomen was. En in de rouwstilte
van het Imperiaal trok de familie zich bij elkaâr in een nauwen cirkel
van intimiteit. Keizerin Elizabeth had, na hare eerste tranen, die
onnatuurlijke kalmte verloren; telkens onderging zij hevige aanvallen
van verdriet, die de koningin Olga of Othomar nauwlijks wisten te
bedaren. De keizer was ontroostbaar, gaf zich met eene kinderlijke
hevigheid over aan zijne smart. Men had hem nooit zoo gezien, men kende
hem zoo niet. Dat hij zijn lieveling verloren had, bracht zijne ziel in
opstand tegen de wereld en tegen God. Daarbij kwam, dat hij zich zeer
had aangetrokken zijn laatste gesprek met Othomar, waarin deze hem van
afstand-doen gesproken had. De keizer was er niet meer op terug
gekomen, maar hij dacht er telkens aan. Hij vreesde er weêr met Othomar
over te moeten spreken. Met woede voelde hij zijn onmacht, den
kroonprins dit besluit van wanhoop te verbieden. En hij verbeeldde zich
wat er volgens de wetten gebeuren zoû, zoo de prins volhardde: de
aartshertogin van Karinthië keizerin, de aartshertog prins-gemaal en
het geslacht van Czyrkiski niet meer heerschende op den troon van
Liparië in de mannelijke lijn. Dat dit zoû kunnen gebeuren, deed,
tegelijkertijd met zijn leed over Berengars dood, keizer Oscar lijden
met dat zeer bijzondere leed van den vorst, in wiens bloed nog vloeit
geheel de geërfde gehechtheid aan de grootheid zijner vaderen, en die
ze voort wil laten duren tot den laatsten dag. En was hij ook
ontroostbaar over het verlies van het kind, dat hij het meeste liefhad,
zwaarder, maar stiller, in grooter geheim—daar hij er niet over
sprak—en hierom wellicht smartelijker, voelde hij zijn leed over dit
idee, over deze toekomst, die hij zich beeldde. Zelfs met de keizerin
had hij er niet over gesproken, uit zekere vrees en bijgeloovigheid.

En bij dit denk-verdriet,—dat zijne ziel van kracht, waarin altijd een
zweem van kinderlijkheid gebleven was, zich zwak deed gevoelen, of zij
de ziel ware van ieder ander mensch in plaats van de zijne: die van een
vorst—mengde zich de zakelijke ergernis over de legerwet. Er zouden
driehonderd millioen noodig zijn; honderd millioen waren reeds
toegestaan voor de versterking der infanterie; de twee andere honderd,
voor de artillerie, had de Minister van Oorlog, graaf Marcella, nog
niet weten te verwinnen. De meerderheid der legercommissie was tegen
die kolossale wapening der grensforten; in het Huis der Standen ried de
minister reeds heftige tegenkanting, vermoedde hij zijn val. Noch
Oscar, Myxila noch Marcella, wilden het minste toegeven. En Oscar zoû
zijn minister daarenboven willen handhaven tot in het onmogelijke toe.

Het was in deze dagen, dat Othomar zich door generaal Ducardi geheel op
de hoogte der questie liet brengen, de stafkaarten en legerstaten en
verslagen der commissie bestudeerde, de parlementaire discussies van
uit zijne afzondering volgde. Hij hield lange overwegingen met den
generaal. Hij had echter in maanden niet meer de ochtendberaadslagingen
in het kabinet van zijn vader bijgewoond. Maar op een morgen kleedde
hij zich—wat hij niet altijd deed—in uniform en liet door een kamerheer
aan Oscar verzoeken of de keizer hem vergunde tegenwoordig te zijn bij
de ontvangst van graaf Marcella. De keizer was verwonderd, haalde de
schouders op, maar bestreed zijne antipathie, en liet zijn zoon zeggen,
dat hij komen kon. Zoodra de Rijkskanselier en de minister bij den
keizer waren, vervoegde Othomar zich bij hen. Hij was tengerder nog
geworden en de zilveren brandebourgs van zijn lanciersuniform konden
nauwlijks aan zijne slankte eenige breedte leenen; hij was bleek en wat
hol van wangen, maar de blik in zijne oogen had die vroegere
koortsachtige onrust verloren en zijne melancholieke kalmte
teruggewonnen, tegelijk met iets straks van hoogheid. Hij mengde zich
eerst niet in de discussie, liet den keizer vloeken, den Rijkskanselier
zijne schouders ophalen en berusten in het onmogelijke, den minister
verklaren, dat hij nooit toe zoû geven. Toen vroeg hij echter aan Oscar
vergunning een woord in het midden te brengen. Hij had een potlood in
de hand genomen; hij toonde met enkele kort besliste lijnen van
aanwijzing over de kaarten, met enkele direct juiste aanduidingen op de
staten, met enkele cijfers, die hij uit zijn hoofd, en nauwkeurig
opnoemde, dat hij geheel op de hoogte was. Hij meende, dat, voor zoover
hij kon nagaan uit de verslagen der commissie, uit de stemming in het
Huis der Standen, het ongetwijfeld vast zoû staan, dat de tweehonderd
millioen geweigerd zouden worden. Dat de minister vallen zoû. Hij
herhaalde deze laatste woorden nadrukkelijk en zag toen vast zijn vader
eerst aan en daarna graaf Marcella. Toen, met zijne zachte stem, die
logisch in klank na klank zich verhief en daalde met rustige woorden
van overtuiging, vroeg hij, waarom men zich niet voegen zoû naar de
omstandigheden en van ze maken wat van ze te maken was. Waarom men niet
de honderd millioen voor de infanterie zoû aanvaarden als het gewonnene
en—hetgeen, zonder o ogenblikkelijk gevaar, toch zoû kunnen—de
tweehonderd anderen zoû pogen te verdeden over eene tijdlengte van vier
of vijf jaar. Hij meende zeker te zijn, dat een twintig millioen ’s
jaars meer, niet zoo heftige tegenkanting zoû vinden. Met zulke eene
schikking zoû graaf Marcella zichzelven kunnen handhaven en door den
keizer gehandhaafd kunnen worden...

Toen hij zweeg, volgde eene stilte zijne woorden. Zijn raad was, zoo
niet geniaal, practisch geweest, makende van dit oogenblik van crizis
wat er van te maken zoû zijn. Graaf Myxila knikte zijn hoofd langzaam,
goedkeurend. De keizer en graaf Marcella konden Othomars denkbeeld niet
dadelijk aanhangen, halsstarrig, als ze doordrijven wilden de legerwet
in hare eerste onveranderde conceptie. Maar de Rijkskanselier voegde
zich bij den kroonprins, deed nog nadrukkelijker uitkomen, dat eene
zoodanige schikking de eenige zijn zoû, waarmeê Zijne Majesteit graaf
Marcella zoû kunnen behouden. En de beraadslaging eindigde, dat het
voorstel van den hertog van Xara in overweging zoû genomen worden. Toen
Myxila en Marcella gegaan waren, vroeg de keizer den prins nog een
oogenblik te blijven.

—Othomar, sprak hij: het doet mij groot genoegen, dat je je weêr met de
zaken van ons land bezig houdt...

Hij weifelde even, bijna angstig.

—Welke concluzie kan ik daaruit trekken... voor de toekomst? ging hij
eindelijk langzaam voort.

De kroonprins begreep hem.

—Papa, sprak hij zacht. Ik heb mijne moedelooze oogenblikken gehad. Ik
zal ze misschien nog wel hebben. Maar vergeet... wat er zoo kort voor
Berengars dood tusschen ons besproken is geworden. Ik denk er niet meer
over afstand te doen...

De keizer haalde diep adem.

—Ik ben vroom, papa, en geloovig, ging de prins voort. Misschien
bijgeloovig. Ik zie duidelijk in wat er gebeurd is, de hand van God...

Hij streek met de hand over het voorhoofd, peinzende voor zich heen.

—De hand van God, herhaalde hij. Ik heb een voorgevoel gehad van den
dood van éen onzer binnen dit jaar. Ik dacht dat ik het zelf zoû zijn,
die sterven zoû. Daarom papa, zag ik misschien niet in, dat het
monsterachtig van mij was, waartoe ik besloten had. Ik dacht niet aan
mijzelven, die toch zoû dood gaan; ik dacht alleen aan Berengar. Ik
zag, dat hij meer vorst was dan ik. Maar nu is hij dood en ik leef, en
ik zal nu aan mijzelven denken. Want ik voel het, dat ik mijzelven niet
behoor. En ik voel, dat het dit is, wat ons staande moet houden in het
leven: dit gevoel, dat wij niet aan onszelven behooren, maar aan
anderen. Ik heb altijd van ons volk gehouden en ik woû het helpen in
het vage, in het abstracte; ik sloeg mijn handen uit, zonder te weten
wat en als ik niet volbracht, was ik er wanhopig om...

Hij hield in eens op, zag schichtig naar zijn vader, als had hij zich
te ver laten gaan in het uitspreken zijner gedachten. Maar Oscar zat
hem kalm aan te hooren, en hij ging voort:

—En ik weet nu, dat zulke wanhoop niet goed is, omdat wij met zulke
wanhoop ons aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan
anderen. U ziet—en hij stond op en glimlachte—ik kan maar niet genezen
van mijn filozofie, maar ik hoop nu, dat ze mij zal leeren sterken in
plaats van mij te ontzenuwen, omdat ze nu uit een geheel ander principe
voortvloeit.—De keizer haalde licht de schouders op.

—Ieder moet zich zijn eigen levenswijsheid maken, Othomar; ik kan je
alleen dezen raad geven: dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer
jezelven niet te veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt
toch weêr later oude rechten. Ik denk zooveel niet na; ik ben meer
spontaan en impulsief. Maar ik wil niet over je oordeelen, omdat jij
anders bent; je kan er niets tegen. Je bent misschien meer van dezen
tijd dan ik. Ik wil alleen naar het rezultaat zien van je
overpeinzingen en dat rezultaat is: dat je jezelven teruggeeft aan het
gewone leven en aan de belangen van je land. En hierom verheug ik me,
Othomar. Ik wil ook niet te ver in de toekomst zien; ik vermoed, dat je
ook later niet mijn ideeën zult hebben; ik vermoed, dat je later zult
regeeren met een constitutie van A tot Z, met een gekozen Hooger-Huis.
Ik vermoed, dat je van de autoritair adellijke partij veel tegenkanting
zult hebben... Maar zooals ik zeg, ik wil daar niet te ver in doorgaan
en mij alleen verheugen over je moreele beterschap. En ik ben je heel
dankbaar voor den raad, dien je ons zoo even gegeven hebt. Ze was
eenvoudig, maar uit onszelve waren wij er zeker niet toe gekomen. Wij
zijn daartoe te vasthoudend. Ik geloof nu wel, dat wat je voorstelde,
het beste zal zijn; dat het wel niet anders zal kunnen...

Hij stak zijne hand uit, Othomar greep die.

—En, vervolgde hij, met de groote loyaliteit, die ondanks zijne
tirannieke hoogheid het fond van zijne ziel was; laat geene rancune bij
je blijven over... woorden, die ik je gezegd heb, Othomar. Ik ben hevig
en driftig, dat weet je. Ik hield meer van Berengar dan van jou. Maar
jijzelf hield van dat kind. Hoû me geen rancune na, terwille van hem...
Je bent toch mijn zoon ook en ik hoû van je, alleen al om het feit, dàt
je mijn zoon bent, en de laatste van mijn geslacht... Vergeef me mijn
eerlijkheid.

Toen drukte hij Othomar in zijne armen. Het trof hem pijnlijk de
tengerheid van den prins te voelen in zijne stevige omhelzing, zoo
dadelijk na zijne woorden: de laatste van mijn geslacht... Een vreemde,
bittere wanhoop ging er om door zijne ziel, maar tevens vermoedde hij
duidelijk het mysterie in die tengerheid: een onbekende, moreele
drijfveer, die hij zelve in zijn weinig complexen eenvoud zeker miste,
maar, vol verwondering, voelde in zijn zoon. Toen de prins gegaan was
en Oscar, alleen, hierover dacht, en die drijfveer zocht in hetgeen hem
in zijn kind bekend was, vond hij niet, maar voelde toch, dat wat ze
ook ware, ze iets benijdenswaardigs was: een kracht, die taaier was dan
spierkracht. Hij zag om zich heen: zijn oog viel op het portret van de
keizerin op zijne schrijftafel. Hoe dikwijls had hij er niet op getuurd
met ergernis, om hun troonopvolger, die zoo geheel haar eigen zoon was.
Maar alsof eene schemering van glans voor zijne oogen opging, zag hij
nu naar het delicate gelaat, zonder dien ouden wrevel en eene dankbare
warmte begon in hem op te stralen. Wat ze ook ware, Othomar had die
geheimzinnige kracht van zijne moeder. Ze redde hem en behield hem voor
zijn land, voor zijn geslacht. En— wie wist het—misschien was dit
mysterie, wat dan ook, het element, dat hun geslacht behoefde, eene
noodige essence voor zijne nieuwe levensvatbaarheid... Hij drong daar
verder niet in door; de toekomst—ook al klaarde ze nu op uit hare
eerste duisternis—was hem niet lief. Hij had het verleden lief, die
ijzeren eeuwen met hare helden van keizers. Maar hij voelde, dat niet
alles verloren was. In zijn vroom geloof aan het Hoogste, dacht hij als
zijn zoon, aan de hand van God. Zoo het zoo moest, zoû het zoo goed
zijn. De wil van God was ondoorgrondelijk...

En dankbaar aan de keizerin, dankbaar, dat het licht voor hem werd,
boog hij de knieën voor het crucifix aan den muur, en bad hij voor
zijne beide zonen, bad hij lang voor den zoon, die zijne kroon zoû
dragen, maar langer voor de ziel van het kind van zijn éigen bloed, en
welks gemis de smart zijn zoû, die altijd alsem zoû blijven op den
grond van zijne, nu uitgestorte, ziel...



IX.

Uit het Dagboek van Alexa, Hertogin van Yemena. Gravin van Vaza.


                                                             Nov. 18...

De kroonprins is niet met den keizer meêgekomen. Professor Barzia heeft
het hem verboden, omdat hij meende, dat de groote jachten, waarmeê de
hertog Zijne Majesteit verstrooien wil, in zijn verdriet om onzen
kleinen prins, te vermoeiend zouden zijn voor mijn lieven zieke. Ik
hoor toch van Dutri, dat hij aanmerkelijk in beterschap toeneemt, en
zijne dagelijkschen morgenrit reeds hervat heeft.

Het is gedaan voor mij. Arm zondig hart, in mij zelve, sterf. Want na
deze laatste bloem van passie, die in u ontlook, wil ik dat ge sterft,
voor de wereld. Om de reinheid van mijn keizerlijke bloem, wil ik, dat
ge nu sterft. Niets hierna, niets, dan het nieuwe Leven, dat ik voor
mij zie lichten...

En toch, ik ben nog jong; ik zie mij in mijn spiegel niet ouder dan een
jaar geleden. Ik zoû, als ik niet wilde, geen afstand behoeven te doen
van mijne vrouwelijke machten. En zoo beschouwt iedereen het, want ik
weet, dat men fluistert over den Hertog van Mena-Doni, als zoû hij in
mijn hart mijn aangebeden kroonprins vervangen hebben. Maar het is niet
waar, het is niet waar. En ik ben er zoo blij om, dat ze mij niet
kennen en het niet weten. Dat ze het niet begrijpen, dat ik rein wil
laten verwelken mijne keizerlijke liefde en na haar geene aardsche
liefde koesteren wil.

Lieve liefde van mijn hart, gij hebt mij verheven tot mijn nieuw Leven!
Gij waart nog zonde, maar ge louterdet toch, omdat ge zelve gelouterd
waart door de aanraking van het heilige, dat in vorstelijkheid is. O,
ge waart de laatste zonde, maar ge waart reeds reiner dan de vorige.
Want groote zondaresse ben ik geweest; heel mijn zondig leven van vrouw
offerde ik aan verterende passie en wat liet het anders na dan asch in
mijn hart! Groote, blakende liefde van mijn leven voor hem, die nu dood
is—zijne ziel ruste in vrede—ik wil u niet verloochenen, omdat gij
geweest zijt mijn meest intense aardsche genot, omdat ik door u het
eerste heb leeren weten, dat ik een ziel had, en omdat ge zóo nader
bracht tot wat ik nu voor mij zie; maar toch, wat waart ge anders dan
aardschheid! En mijne reinere keizerlijke liefde, wat waart ook gij
anders dan aardschheid! Zachte vorst van mijn ziel, wat wil God anders,
dat ge zijn zult dan aardsch. Een rijk wacht u, eene kroon, een
scepter, eene keizerin. God wil het zoo, en daarom is het goed, dat ge
aardsch zijt, terwijl uwe aardschheid toch tevens gewijd wordt door uw
vroom geloof. Maar ik, ik ben minder geweest dan aardsch alleen: ik was
zondig. En nu wil ik, dat mijn hart geheel en al sterft in mij, omdat
het niets is dan zonde. Dan zal mijn hart herboren worden, in nieuw
Leven...

Ik heb geleden. Uren heb ik gelegen op het koude marmer van de kapel,
tot mijne knieën me pijn deden en mijne leden stijf waren. Mijn zondig
leven heb ik gebiecht aan mijn heiligen biechtvader, Monseigneur van
Vaza. O, de zoetheid van absolutie en de extaze van gebed! Waarom
voelen wij niet eerder dien zaligen troost, die er is in de waarneming
van onze godsdienstige plichten! O, als ik mij geheel kon storten in
het zoete mysterie, in God; als ik gaan kon in een klooster! Maar ik
heb mijne twee stiefdochters. Ik moet ze brengen in de wereld; het is
mijn taak. En Monseigneur meent, dat het mijne boete is en mijn straf:
me niet terug te kunnen trekken in heiligende afzondering, maar te
moeten blijven ademen, de zondige atmosfeer van de wereld.

Mijn kasteel in Lycilië, waar we nooit komen, mijn eigen kasteel en
erfgoed, wil ik geven aan onze Heilige Kerk voor een klooster van
jonkvrouwen Ursulinnen. Onlangs ben ik er geweest, met Monseigneur. O,
de groote sombere zalen, de fresco’s in schaduw, het donkere park! En
de kapel, als er de nieuwe glazen zullen gekomen zijn, waardoor het
licht in mystieke kleurenwemeling zal neêrvallen! Mijn dierbaarste
wensch is het, daar oud te kunnen worden en er geheel af te kunnen
sterven van de wereld: maar zal het ooit mogen, Heilige Moeder Gods,
zal het ooit mogen!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ben ik eerlijk? Wie weet het, wat weet ikzelve? Voel ik die loutering
van mijne ziel in waarheid of blijf ik toch, die ik ben? Een
vreeselijke twijfel rijst in mij op; het is Satan, die in mij komt! Ik
wil bidden: Heilige Maagd, bid voor mij!

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Ik ben kalmer geworden; het gebed heeft mij gesterkt. O, smartelijk
zijn de twijfelingen, die mij rukken uit mijne overtuiging. Dan zegt
Satan, dat ik mij die overtuiging wijs maak, om mij te troosten in
mijne verlatenheid en dat ik vroom ben geworden uit gemis aan
bezigheid. Ik zie mij zelve dan in den spiegel, jong; eene jonge vrouw.
Maar als ik bid, wijken de twijfelingen weêr uit mijn zondig gemoed en
blik ik met huivering terug naar mijn slecht verleden. En dan klaart
het nieuwe Leven van mijne toekomst weêr voor mij op...

Dierbare prins, vorst van mijne ziel, hier op deze bladen, die niemand
ooit lezen zal, neem ik afscheid van U, omdat het mij niet gegeven
werd, afscheid van U te nemen op een oogenblik van tastbare
werkelijkheid. O, dikwijls, dag aan dag misschien, zal ik U nog zien in
het wemelen van de wereld, in de ceremonie der paleizen, maar u zal mij
niet meer behooren en daarom neem ik afscheid van U. Wat ik ook
ben,—dubbele zondares misschien, die alleen naar den hemel verlangt,
omdat de aarde haar niet meer boeit—waàr ben ik voor U geweest, als ik
altijd was, in liefde. Ik heb U gebukt gezien, U, zoo tenger, onder Uw
zwaar juk van keizerlijkheid en ik heb mijn hart voor U voelen
overvloeien van medelijden. Ik heb U mijn armzaligen zondigen troost
willen geven, zooals ik dat kon. Moge de Hemel mij vergeven! Ik heb U
getroffen op een oogenblik, dat de tranen aan Uwe lieve oogen
ontvloeiden uit bitterheid, dat men U haatte en de schennende hand had
durven slaan aan Uw vorstelijk lichaam, en ik heb u willen geven wat
zoets ik kon, om U die bitterheid te doen vergeten. O, misschien was ik
toen zelfs niet geheel eerlijk; misschien ben ik het zelfs nu niet!
Maar dàt zoû te vreeslijk zijn: dat zoû me mijzelve doen verachten, als
ik niet kan! En ik wil ten minste die illuzie behouden, dat ik eerlijk
wàs! Dat ik U wilde troosten! Dat, al was het ook zonde, ik U getroost
heb. Dat ik U in ware waarheid heb liefgehad. Dat ik U nog lief heb.
Dat ik U niet meer lief zal hebben—omdat ik dit niet mag—als Uwe
minnares, maar dat ik het doen zal als Uwe onderdane. Het bloed van
mijne aderen bemint het Uwe; Uw gouden bloed! En als ikzelve den vrede
zal gevonden hebben en niet meer weifelen en twijfelen zal, zullen
mijne laatste dagen slechts gebed zijn voor U, dat ook U de vrede worde
en de kracht voor Uwe toekomstige heerscherstaak. Ik voel geen naijver
op haar, die mijne aanstaande keizerin zal zijn. Ik weet, dat zij mooi
is, en zij is jonger dan ik. Maar ik vergelijk me niet met haar. Ik zal
hare onderdane zijn, zooals ik de Uwe ben. Want ik heb U lief om
Uzelve, en ik heb lief alles, wat van U zal zijn. U is mijn vorst; U is
mijn vorst reeds meer dan Oscar! Vaarwel, mijn prins, mijn kroonprins,
mijn vorst! Als ik U terug zie, zal U mij niets meer zijn dan mijn
vorst, en mijn vorst alleen!


                Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid Othomar,
                Hertog van Xara te Lipara.

                           Castel Vaza, Nov. 18... Mijn dierbare Prins!


Vergeef me zoo ik het waag U bijgaande bladen toe te zenden. Ik meende
eerst U te zenden een langen brief, een brief van afscheid. Ik schreef
er U ook vele, maar zond ze U niet en verscheurde ze. Toen schreef ik U
alleen voor mijzelve, nam ik afscheid van U voor mijzelve. Maar kan ik
het nagaan, wat er in mij omgaat, wat ik denk van het eene oogenblik op
het andere?! Ik miste het toch: mijn zoet afscheid, dat nog iets
geheims van mij binden zoû aan U. En zoo kan ik niet nalaten—eindelijk,
na veel slingering van gedachte!—U deze bladen, die ik slechts voor
mijzelve had vol geschreven, te zenden. Aan Uwe voeten smeek ik U: neem
ze in genade aan, lees ze in genade. Verscheur ze daarna; U zal door ze
de laatste gedachte weten, die ik heb gewaagd te wijden aan het
mysterie, dat onze liefde was...

Ik druk mijn lippen aan Uwe aangebeden handen,


    Alexa.



DERDE HOOFDSTUK.


I.

Keizerin Elizabeth reed met Hélène van Thesbia in eene victoria—een
voorrijder voorop—van St. Ladislas naar het Oude Paleis, dat met den
Dom en het Episcopaal éen reuzenbouw vormde; daar, in Altara, hadden de
aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie den vorigen dag met de
keizerlijke bruid hun intrek genomen. Van den hoogen slotburcht, die
als een breede steenblokkenmassa, met gekanteelde vlakken en plompe
torens, over Altara heen zag, daalde onder oude kastanjes, onmerkbaar,
de weg, licht zigzagkronkelend naar beneden. Het stof stuivelde onder
de wielen op; aan beide zijden lagen villa’s, met terrassen, vroolijk
van vazen en bloemen en beelden, en lager en lager afglooiende, naar de
stad toe. De villa’s vlagden; de blauw-en-witte vlaggen met de witte
kruisen joelden als een jeugd van kleuren onder het bestofte loof der
oude boomen en acacia’s.

Het was Juni; zes maanden na den dood van den kleinen prins, maar de
rouw was verlicht om het aanstaande huwelijk van den hertog van Xara,
dat de keizer zoo spoedig mogelijk voltrekken zag. De keizerin echter
droeg nog zwaren rouw, dien zij eerst op den dag van het huwelijk af
zoû leggen; Hélène droeg grijs; de liverei was grijs.

Vele wandelaars, ruiters, equipages gingen langs den weg, hielden
eerbiedig stil; de keizerin groette links en rechts; van af de balcons
der villa’s groette men haar. In het warme zomerweder heerschte er eene
gemoedelijkheid, eene zachte vroolijkheid langs den weg, ademde de weg,
met zijne villa’s, waar de menschen in groepen zaten, eene
vriendelijkheid uit, die der keizerin aangenaam aandeed en haar hart
met een lichten weemoed op deed zwellen in hare borst. Kinderen liepen
rond en speelden, in witte zomerpakjes; ze stonden in eens stil, en als
welopgevoede kinderen, die de leden der keizerlijke familie iederen dag
zagen voorbijgaan, groetten zij diep, de jongens onhandig, de meisjes
met pas geleerde révérences. Dan speelden zij weêr door... En de
keizerin glimlachte om een groote familie, oude en jonge menschen
samen, die op een terras zeker een verjaardag vierden en lachten en
dronken, vele glazen en karaffen voor zich: de kinderen hunne monden
vol koek. Zoodra zij den voorrijder zagen, stonden zij op en zij
groetten allen, sommige de glazen nog in de hand, en de keizerin,
zonder hare gewone strakheid, groette ze innemend met een glimlach
terug.

En het was als ging zij door een groot dorp van luxe; een oogenblik
vergat zij de lichte obsessie, die haar neêrdrukte, vergat zij waarom
zij heden ging naar Valérie toe en liet zij zich wiegelen door haar
welbehagen in de liefde, die zij om zich ried. Het was die liefde der
oude Liparische patricische familiën—adellijk of niet-adellijk—voor
hare vorsten. Het was eene liefkoozing, die zij nooit te Lipara voelde.
En zij herinnerde zich Othomars brief, tijdens de overstroomingen van
het vorige jaar: waarom zijn we toch niet meer te Altara...

Geen oogenblik kon zij ophouden te groeten. Maar zij naderde nu de
stad; als coulissen schoven de oude huizen op; de geheele stad schoof
nader, vroolijk van vlaggen, die jong deden over haar oude steen. De
straten waren vol; duizende vreemdelingen, van binnen- of buitenslands,
waren te Altara; in de hôtels was geene kamer meer te krijgen. En de
keizerin kon nauwelijks een woord tot Hélène spreken; zij kon niets
doen dan knikken, altijd door...

Op het voorplein van het Oude Paleis was de paradewacht der infanterie
ter eere der Oostenrijksche bruid opgesteld en prezenteerde, nu het
rijtuig der keizerin voorreed, het geweer. De aartshertogin Eudoxie
verwachtte de vorstin.

—Hoe is Valérie? vroeg Elizabeth dadelijk.

—Goed, kalm, antwoordde de aartshertogin; ik had het zoo niet durven
hopen. Maar ze wil niemand ontvangen...

—Laat toch vragen of ik haar zien kan...

De hofdame der aartshertogin verwijderde zich: ze kwam terug met het
bericht, dat Valérie de keizerin wachtte.

Elizabeth vond het jonge meisje in een negligé van witte kant, bleek,
met groote donkere doffe oogen, liggen op een bank, ze richtte zich
echter op:

—Mevrouw, vergeef me, verontschuldigde zij zich.

Elizabeth omhelsde haar met eene groote zachtheid; de aartshertogin
zeide:

—Ik was niet wel, ik voelde me moê...

Toen echter ontmoetten hare oogen die van de keizerin, en zag zij, hoe
deze niet eischte, dat ze zich met onmenschelijke kracht ophield. Zij
drukte zich tegen de keizerin aan en weende zacht, als eene weent, die
reeds lang en hartstochtelijk geweend heeft en nu moê is van haar
weenen en het niet anders meer kan dan zacht. De keizerin deed haar
zitten, zette zich naast haar en liefkoosde haar met een streelend
gebaar van de hand. Geene van beide sprak; zij vonden geene van beide
woorden in de moeilijke verhouding, waarin zij, op dit oogenblik, over
en weêr waren.

Twee dagen geleden, den dag vóor dien, waarop de reis van de bruid van
Altara bepaald was, was het bekend geworden, dat prins Von
Lohe-Obkowitz zich te Parijs had doodgeschoten. Welke de reden van dien
zelfmoord geweest was, wist men niet. Sommigen meenden, dat de prins
zwaar gebukt ging onder de ongenade van den keizer van Oostenrijk en de
brouille met zijne familie; anderen, dat hij met baccara een fortuin
verloren had en verder geruïneerd was door de artistieke lubies zijner
vrouw, de beroemde Estelle Desvaux, die enkele malen in haar leven
zichzelve geruïneerd had, maar door een kunstreis en wat diamanten te
verkoopen er ook weêr telkens boven-op gekomen was. Weer anderen
hielden vol, dat prins Lohe nooit zijne liefde voor de aanstaande
hertogin van Xara had kunnen vergeten. Maar hoeveel men ook vertelde in
de hofkringen van Weenen, men wist niets zekers. Valérie had, bij
toeval, het bericht, dat men haar verzwijgen wilde, in de zelfde
courant gelezen, waarin zij, nu bijna een jaar geleden, bij toeval ook,
op het terras te Altseeborgen het bericht had gelezen, van prins Lohe’s
voorgenomen huwelijk en afstand van zijne rechten. Hare ziel, die geene
neiging tot mystiek had, werd echter bijna in den schok van wanhoop,
die ze doorvoer, bijgeloovig om deze herhaling van wreedheid. Maar toen
zij haar leed, maanden geleden, had doorgestreden en uitgeleden, was
eene onverschilligheid in haar nagevolgd door al het verdere leed, dat
zij nog óoit zoû kunnen ondervinden in het leven. De dood van hare
illuzies was eene geheele dood geweest; na hare verloving had zij zich
weêr gevonden, als met eene andere ziel, verhard en gepantserd met
onverschilligheid. Het was vreemd, dat in deze onverschilligheid het
eenige, waar zij gevoelig voor bleef, het exquize van Othomars karakter
was: zijne fijngevoeligheid, dat hij haar, tegen Oscars zin, gespaard
had te Altseeborgen; zijn wijd gevoel van algemeene liefde voor zijn
volk; geheel zijn karakter van zachtheid en eenvoudig plichtsbesef...
Maar hoe onverschillig zij verder zich ook dacht, wreed was dit tweede
toeval geweest, alsof een verfijnd noodlot het oogenblik er voor had
uitgekozen. Een martyre was de officieele reis geweest van
Sigismundingen naar Altara. Als een automaat was Valérie gegaan door de
recepties aan de grenzen, door de ontvangst aan het Centraal Station te
Altara met de begroeting van haar keizerlijken bruidegom, die er haar
gekust had, en de toespraak der autoriteiten, het aanbieden van brood
en zout door de domheeren van het kapittel van St. Ladislas. Zij had
het geslikt, hun brood en hun zout. En de rit door de stad, die vlagde
en eerepoorten oprichtte van straat naar straat, naar het oude Paleis,
in den open landauer met den keizer en haar bruidegom, door het gejuich
van het volk heen, dat in hare arme ooren en door hare overprikkelde
zenuwen sneed als met zagende messen! Toen, in het Paleis, was het
Othomar opgevallen, hoe zij er uitzag, als een voortgejaagd dier met
schichtige oogen. De dood van Prins Lohe was ook te Altara bekend en al
had het volk gejuicht, gejuicht uit ware sympathie voor de aanstaande
kroonprinses, het had er haar op aangezien, nieuwsgierig, begeerig eene
vorstelijke smart te zien trillen door hunne feestvreugde heen,
voortgejaagd tusschen bogen van groen en vlaggetrofee. Zij hadden niets
gezien. Valérie had gebogen, geglimlacht, van het balkon van het oude
Paleis naast Othomar met de hand gegroet! Niets, niets hadden zij
gezien, hoezeer ze ook gespannen waren, hoeveel ze zich ook hadden
verbeeld. Maar toen was Valérie’s kracht ten einde. De rol was
gespeeld, het gordijn mocht vallen. Othomar liet haar alleen met een
handdruk. Uren had zij wezenloos gezeten; toen was de nacht gekomen;
geslapen had zij niet, maar zij had kunnen snikken.

Nu was het de volgende dag; moê lag ze neêr, maar eigenlijk was ze
uitgeweend, uitgestreden, vond ze hare onverschilligheid terug: het
verdere leed van haar leven zoû haar immers niet meer kunnen deren!

Maar de teedere omhelzing van Othomars moeder verzachtte Valérie, en
zij vond hare tranen terug.

Nauwlijks wisselden zij eenige woorden en toch voelden zij hare
wederzijdsche sympathiën tot elkaâr gaan. En Valérie ried door haar
verdriet heen haren plicht, die tegelijkertijd hare kracht zoû zijn;
geen bittere onverschilligheid, maar eene berusting in wat haar leven
zijn zoû. O ze had het zich anders voorgesteld in hare
jongemeisjes-droomen: zij had het zich lieflijker en lachender gebeeld
en natuurlijker van uiting, spontaner en zonder zulke filozofie. Maar
uit hare droomen was ze wakker geworden en waar zoû zij anders hare
kracht zoeken dan in plicht...! En ze won zichzelve, wat er ook in hare
ziel vernield was, terug door eene onbewuste vitaliteit,—hare
eigenlijke natuur—meer nog dan door hare gedachte. Zij droogde hare
tranen, sprak er over, dat het uur naderde waarop eene deputatie van
Liparische jonkvrouwen haar een huwelijksgeschenk zoû komen aanbieden
en de keizerin liet haar alleen, opdat zij zich kleeden zoû.

Zij verscheen niet lang daarna, in wit toilet, met dof goud opgewerkt,
in den salon, waar hare ouders met de keizerin samen waren en met
Hélène van Thesbia en de Oostenrijksche hofdames. Kort daarop kwamen
ook Othomar met zijne zusters, en de aartshertog van Karinthië. En toen
de deputatie der adellijke jonge meisjes aangekondigd werd en
verscheen, Eleonore van Yemena in het midden, luisterde Valérie met
haar gewonen glimlach naar de toespraak van het markiezinnetje, nam zij
met een innemend gebaar uit de handen van twee andere meisjes het
groote étui aan, dat deze open liet springen en waar, op licht fluweel,
een driedubbel halssnoer van groote parelen lag. En zij wist een paar
aardige zinnen te vinden om te bedanken; ze uitte ze met een heldere
stem, en wie haar gehoord had, zoû nooit vermoed hebben, dat zij een
slapeloozen nacht had doorgebracht, badende in tranen en voor zich
ziende het lijk van een jongen man met verpletterde slapen.

Het werd aan de jonge dames der deputatie vergund de huwelijkscadeaux
te zien, die in een groote zaal waren tentoongesteld; de prinses Thera
en de hofdames gingen met haar meê. Het was daar in die zaal een
plotselinge schitterglans, in het daglicht stralend van de lange
tafels, waar, tusschen bloemen, de cadeaux stonden: de zware vergulde
candelabres, vergulde tafel- en theeserviesen en kristal, vergulde en
zilveren cassetten van verschillende steden, de Dom van Altara in
zilver, zilveren schepen met fijne bollende zeilen van inrichtingen van
marine en juweelen geschenken van alle vorstelijke vrienden en
verwanten van Europa. Op een satijnen kussen lag, als een
feeënkleinood, een sparkelende hertoginnediadeem van groote saffieren
en brillanten, een der geschenken van de aanstaande schoonouders der
bruid. En zeer trof het geschenk van de prinses Thera: het portret van
den hertog van Xara; een kunstwerk, dat reeds op tentoonstellingen in
beide hoofdsteden bekend was geworden. Maar het leek niet veel meer en
het was daarom de wanhoop van de prinses. Het was jonger, vager,
weeker, dan de prins zich nu vertoonde: iets magerder dan vroeger, maar
met een dikkere streep van snor en een lichtgekroesden baard om de
wangen. De melancholieke oogen hadden meer den kouden blik van keizerin
Elizabeth gekregen; ook overigens geleek Othomar op zijne moeder en
meer dan vroeger. Maar wat steeds in den prins trof, was, in zijne
nerveuze fijnheid, zijn ras, zijne spitse distinctie, zijne rechtmatige
hoogheid. Hij had veel verloren van zijne strakheid, zijne stijve
tacteloosheid en iets zekerders en beslisters gekregen en het gaf,
trots zijn kouderen blik, meer vertrouwen in een kroonprins, dan zijn
altijd symphathiek, maar ietwat week optreden van vroeger. De gedachten
schenen zich scherper in hem af te teekenen, de woorden spitser
tusschen zijne lippen te komen; hij scheen meer op zichzelven te
steunen, minder te geven om wat anderen van hem dachten. Het was, nog
niet geheel bewust, dat uniek vorstelijke gevoel, dat in hem wakker
werd: dat naïve, hooge ingeboren vertrouwen op den enkelen druppel
gouden bloed, die in zijne aderen was, en die hem zijne rechten gaf...

Het was vooral professor Barzia geweest, die, verbonden aan Othomar en
hem iederen dag zelve behandelend, dit zelfvertrouwen gewekt had, door
zijne woorden, komende uit menschenkennis en monarchale liefde beiden,
en uit eene bizondere liefde voor den kroonprins daarenboven. De
koudwaterdouches hadden den prins opgestijfd, maar de suggesties van
den professor, die Othomars onbewust werkende eigenschappen als uit
hare onbewustheid gewekt hadden, waren wellicht een nog ingrijpender
geneesmiddel gebleken. De prins had zich leeren beheerschen en hij was
den professor liever geworden en liever...

Deze toewijding, geboren uit eene ontdekking van wat anderen niet
wisten—hooge kwaliteiten van gemoed—was gesterkt door Barzia’s
opvoeding van die zelfde kwaliteiten en, toen het huwelijk van den
prins kon bepaald worden, zag de professor met evenveel trots als
liefde neêr op zijn patiënt, dien hij fysiek genezen verklaarde en
moreel genezen voor zichzelven dacht...



II.

Het was twee dagen daarna de dag van het keizerlijke huwelijk. De stad
wemelde reeds den vroegen morgen van het, uit de omstreken
toegestroomde, volk, dat zich gonzend drong door de nauwere straten.
Want reeds vroeg waren de hoofdstraten afgezet door de infanterie, van
den Slotburcht tot aan het Oude Paleis en den Dom toe. En Altara,
anders grauw, oud, verweerd, was niet herkenbaar, bont van vlaggen,
jong van groenfestoen, versierd met draperieën en tapijtwerk van zijne
balkons af. Eene warme zuidelijke Meizon goot vakken van glans over de
stad heen en het rood en het blauw en het wit en groen der wachtende
uniformen, met de regelmatige bliksems der bajonetten daarboven, trok
breede lijnen van kleur bijna bloemenvroolijk door haar heen, tot op
naar het slot van St. Ladislas.

Door de afgezette straten reden hofrijtuigen heen en weêr; ze
schitterden vol uniformen: vorstelijke genoodigden, die naar St.
Ladislas of het Oude Paleis gebracht werden. Men zag er Russische,
Duitsche, Engelsche, Oostenrijksche, Gothlandsche uniformen; vlug, als
zich voorbereidend tot het oogenbllk van ceremonie, flikkerden zij door
Altara heen, door hare, met soldaten beperkte, lange leêgten van
straten.

Onder de kastanjes aan den Burchtweg waren de villa’s ook dwarrelig vol
van toeschouwers, die in de tuinen en op de terrassen liepen en zaten,
en bont spikkelden in de strepen zon, die filtreerden door het loover
heen, en de lichte zomertoiletten der dames, hare kleurige parasols,
schenen het villa aan villa garden-parties te zijn, terwijl men wachtte
op den stoet van den bruidegom, die, als de Liparische etiquette het
eischte, van St. Ladislas vertrok om zijne bruid te vinden in het Oude
Paleis.

Elf uur. Van het fort van St. Ladislas davert het eerste schot, daveren
telkens schoten na. Eene gonzende emotie huivert langs den geheelen
Burchtweg. Op den nauw merkbaar dalenden weg verschijnen paukisten en
trompetters, wapenherauten te paard. Achter hen schittert de Garde van
den Troon aan, om de verguld- en kristallen gala-koetsen. De
opper-ceremoniemeester, graaf de Threma, in de eerste; in de tweede,
met de keizerkroon en het gepluimkopte achtspan: scharlaken omhoeste
schimmels,—en het gejuich uit de villa’s stijgt luider op en luider—de
keizer en de hertog van Xara zelve aan zijne zijde; in de volgende
koetsen de te-zaam-gekomen majesteiten en vorstelijkheden uit geheel
Europa; de keizerin van Liparië, de keizer en de keizerin van
Duitschland, de koning en de koningin van Gothland, Russische
grootvorsten, de hertog van Sparta en de prins van Napels... De
Rijkskanselier, de ministers, de gemantelde leden van het Huis van
Adel... En de eindelooze stoet gaat langzaam onder het kanongedaver
langs den Burchtweg door de hoofdstraten tot in de kern der stad. Daar
wacht, in het Oude Paleis, de bruid haren bruidegom met geheel hare
Oostenrijksche familie: de keizer en de keizerin; hare ouders: de
aartshertog Albrecht en de aartshertogin Eudoxie...

Het is daar, dat de protokollen geteekend worden op de, met goud
brokaat bedekte, vergulden tafel, waarop de keizers en keizerinnen van
Liparië hunne handteekeningen sedert eeuwen geschreven hebben, waarop,
na het kroonprinselijke paar, de vorstelijke getuigen de akten
onderschrijven...

Nu gaat de geheele stoet door galerij na galerij naar de Nieuwe
Sacristie. Het is eene minutenlange wandeling van statie: de
trompetters, de herauten, de ceremoniemeesters; de blauwgemantelde
ridders van St. Ladislas; de wit-en-gouden Garde van den Troon; keizer
Oscar met den hertog van Xara, de keizerin van Oostenrijk met de
bruid... Langzaam gaat zij aan de zijde van haren oom, het hoofd iets
gebogen, als onder het gewicht van hare prinsessekroon, waaruit de
kanten sluier afwemelt, zacht blond doende om haren blooten hals, die
van brillanten druppel-flonkert. Haar toilet is van een, van voren met
zilver doorweven en met parelen arabesken en emblemaat bestikt,
stijfzwaar satijnbrokaat; groote witte fluweelen pofmouwen doffen aan
hare schouders op; de sleep van zilverbrokaat en wit fluweel is zoo
lang, dat zes hofdames ze in golvingen aan zilveren handtrensen
achterna dragen. Achter die hofdames volgden hare eere-jonkvrouwen,
gelijk gekleed met gelijke bouquetten; het zijn de prinses Thera, de
prinses Wanda, Duitsche, Engelsche en Oostenrijksche prinsessen. En de
majesteiten en de vorstelijkheden volgen; de stoet vloeit binnen in de
Nieuwe Sacristie; hier ontvangt de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van
Liparië, met geheel zijne gemijterde geestelijkheid den bruidegom en de
bruid...

In de kathedraal wacht de foule der genoodigden. Trots den
zomerzonneglans drijft een mystieke schaduwschemer tusschen de
ontzaglijke hooge bogen van den Dom en bloesemt het daglicht alleen op
de bonte glazen der zijkapellen; in de welvingen hangt zelfs donker.
Maar één glans van niet te tellen zoovele kaarsen is er het
hoogaltaar...

De Rijkskanselier, de ministers, de gezanten, het geheele
corps-diplomatique, de leden van het Huis van Adel en van het Huis der
Standen, leden van hooge rechtscolleges zijn binnengekomen; ze vullen
de tribunes, die links en rechts zijn opgericht. En de geheele
kathedraal vult zich; ééne volle wemeling van ritselende, zware zijden
stoffen—de gala-toiletten der gedecolleteerde dames, wier juweelen
twinkelen—wemeling van goud opschitterende uniformen en galarokken, die
als groote vonken de schemering van den Dom verlichten.

Daar schetteren de trompetten, galmt het orgel zijne juichtonen van
plechtigen feestmarsch uit; door de Sacristie is de eerste cortège
binnengekomen: de keizer van Duitschland met keizerin Elizabeth van
Liparië, de aartshertogin Eudoxie, en een lange sleep van gevolg...
Telkens schetteren nu de trompetten, galmt het orgel, en de genoodigde
majesteiten met hunne gevolgen, de vertegenwoordigers der mogendheden,
komen binnen in stoet na stoet. De baldakijnen links en rechts van het
choor beginnen zich te vullen. Spoedig volgt de tweede cortège: de
dignitarissen voorop, met de insignieën van het keizerschap, keizer
Oscar, die den hertog van Xara voert: beiden dragen over hunne gouden
uniformen de lange, drapeerende blauwe riddermantels van St. Ladislas,
waar, op den linkerarm, het groote witte kruis straalt; vier
kroonprinsen volgen als de vier getuigen van den bruidegom: de hertog
van Wendeholm, de Russische Grootvorst-Troonopvolger, de hertog van
Sparta, en de prins van Napels; de Ridders van St. Ladislas, de
officieren van de Garde van den Troon, schildknapen en pages volgen
daarna...

En plotseling, glasschel, vibreert een koor van hooge stemmen en roept
er den zegen uit over de bruid, die komt in naam des Heeren... De derde
cortège is binnengekomen: de keizer van Oostenrijk en de aartshertog
Albrecht, voerende de bruid, met hare hofdames, hare eere-jonkvrouwen
en ze schijnt ééne witte weelde van hooge jonkvrouwelijkheid te midden
van haar wit en bloemengeurend gevolg. En de zang strooit er zijne
klanken als met handenvol zilveren leliën over haar uit; hare gewijde
verschijning wekt eene emotie, die siddert door de volle
prachtwemeling, de geheele katedraal door. Nu, ten laatste verschijnt
de vierde cortège: de Kardinaal-Aartsbisschop, Primaat van Liparië, met
zijne bisschoppen en domheeren en kapelanen; de kerkvorsten zetten zich
in de hooge gebeeldhouwde zetels van het choor; de dienst begint...

De zon schijnt op dit oogenblik gewacht te hebben om door de hooge,
bonte boogramen, waarop het leven van St. Ladislas als in kleuren van
juweel zijne kleine vierkante tafereelen sparkelt, schuin met een
hellend vlak van stralen neêr te schieten op het choor, op de
priesters, op de baldakijnen, waar de majesteiten zitten, op bruidegom
en bruid... En al de kleuren: het oude goud van het altaar, het nieuwe
der uniformen, de brokaten en de kroonjuweelen, ze vlammen op, alsof de
zon er den brand in steekt: éen brand van wisselvonkelingen, die, met
de tallooze kaarsen van het altaar, de kerk eensklaps hél verlicht. De
diademen der vorstinnen zijn als vlammekronen, de ridderorden der
vorsten starrelen er als een firmament. Luchtig, doorzichtig in den
zonneschijn, blauw nevelen de wierookwolkjes op, die choorkinderen
toezwaaien; de zonneschijn poeiert door den blonden sluier der
knielende bruid, steekt een gloeibrand over haar wit-en-zilveren sleep,
omstraalt haar als met eene apotheoze van licht, dat maagdelijk blank
op haar terugkaatst. Haar bruidegom knielt naast haar: geheel omplooit
zijn blauwe mantel hem; rein, op zijn arm, straalt het witte kruis.
Beiden houden zij nu lange kaarsen in de hand. En de Primaat met zijn
juweelen mijter en zijn, met juweelen arabesken bezetten stijfgouden
dalmatiek, heft de oogen op, breidt de handen omhoog en strekt ze
zegenend uit over de gebogen keizerlijke hoofden...

Hoog zwelt de zang weêr; het Te Deum Laudamus, alsof de golven der
stemmen op de golven van het orgel hooger stijgen en hooger, door de
kathedraal heen naar den hemel in éene extaze van heilige muziek. Het
oude steenen reuzengebouw schijnt te sidderen van emotie, als wordt de
muziek zijne ziel en het luidt uit al zijne klokken eene zwellende zee
van klanken over Altara heen, brons in de laagte, en uit alle metalen
ze smedend tot kristalrein goud, in de hoogste hoogte van hoorbaren
klank...

Een uur later. Op het afgezette Domplein komt beweging, tusschen de
wachtende galakoetsen. Nu gaat de stoet weêr terug naar St. Ladislas,
maar achter de koets van Keizer Oscar zit nu Othomar met Valérie te
zamen. En de stad juicht, en galmt er hare leve’s uit; de huizen,
tusschen al de vlaggen en trofeeën dreunen er van. De wachten
prezenteeren het geweer, en in den feestroes merkt men niet, hoe ginds
in de kleinere straten gevochten wordt, arrestatiën gedaan worden; een
bekend anarchist bijna vermoord is door het imperialistische volk...

In zijne kostbare statie, nu verhoogd door de blanke aanwezigheid van
de jonge hertogin van Xara en haar eigen gevolg, gaat de eindelooze en
eindelooze stoet terug, de stad door, den Burchtweg op en de villa’s
aldaar zien nu ook Valérie en juichen haar toe, zonder eind...

Het is in de Witte Troonzaal, dat Othomar en Valérie hun cour houden:
allen defileeren voor hen heen, de ministers en gezanten, de leden der
beide Huizen, der rechtscolleges, corporatiën en deputaties. Na den
cour het déjeuner, waarvan de tafel met het ceremonieele gouden en
juweelen vaatwerk schittert, dat slechts bij de keizerlijke huwelijken
gebruikt wordt. Na het déjeuner de laatste plechtigheid: in de Gouden
Zaal—een immense zaal, laag, Byzantijnsch van bouw en ornamentiek,
eeuwenoud en onveranderd—de fakkeldans; de ommegang der ministers, die
op vergulde handvatten lange, brandende kaarsen dragen, terwijl Othomar
en Valérie telkens naar rang uitnoodigen onder de foule der
vorstelijkheden, alle vorstelijkheden beurtelings uitnoodigen en achter
de ministers ommegaan... Het is er eene eentonige ceremonie, telkens
weêr herhaald; de ministers met de fakkels, Othomar met eene vorstin en
omstuwd door de ridders van St. Ladislas, Valérie met een vorst en
geheel haar witte gevolg; en het is eene herademing als de plechtigheid
is afgeloopen en de jonggehuwden zich teruggetrokken hebben om zich te
verkleeden. Dan verschijnen zij: Othomar als chef der kurassiers van
Xara, Valérie in haar wit lakensch reistoilet en hoed met witte veeren
en zij nemen afscheid; een open landauer wacht hen, en zij rijden met
een dichte escorte van kurassiers van Xara opnieuw naar de stad, rijden
ze in alle richtingen door, vertoonen zich overal, groeten allen en
rijden ze ten laatste uit naar het kasteel, waar zij de eerste dagen
zullen zijn: Castel Zanthos, dicht bij de stad, aan den breeden
stroom...

En de oude verweerde hoofdstad, die vol van majesteiten blijft, die nog
fladdert van wimpels, die des avonds éene gele vlam is en roode gloed
van vuurwerk en illuminatie, schijnt, zonder de jonggehuwden, toch
verloren te hebben de aantrekkelijkheid, die haar maakte tot brandpunt
van feest en pracht en keizerlijke ceremonie; en des avonds, trots
illuminatie en vuurwerk en gala-voorstellingen, is het Centraal-Station
bestormd door duizenden, die heengaan...



III.

Het was maanden na het huwelijk van den hertog van Xara, toen keizer
Oscar, des morgens zeer vroeg in zijn kabinet binnenkomend, en zich
begevend naar zijne schrijftafel, getroffen werd door een stuk
bordpapier met groote, zwarte, opgeplakte letters, dat op den grond lag
bij het raam. Hij raapte het niet op; hoewel hij alleen was, verbleekte
hij niet, maar zwollen wel op zijn laag voorhoofd de dikke aderen van
woede over het feit, dat hij zelfs niet in zijn eigen kabinet vrij was,
voor hunne majesteitschennis. Hij belde en ontbood zijn kamerdienaar,
een vertrouwd man.

—Raap dat ding op! beval hij, en brieschend in stilte:

—Hoe komt het hier?

De kamerdienaar verbleekte. Hij las de dreigende scheldwoorden met
groote, vette letters reeds van den grond af, bukte zich en hield
sidderend het plakkaat in de hand.

—Hoe komt het hier? herhaalde de keizer, stampvoetend.

De kamerdienaar zwoer, dat hij niets wist. In den morgen had niemand
toegang tot het kabinet, dan hijzelve; een half uur geleden was hij er
binnengekomen om er de ramen te openen en toen had hij nog niets
gezien.

—Het kan niet anders, Sire, of er is iemand in het park geslopen: het
moet door het raam heen geslingerd zijn...

Het was zeker de eenigste verklaring, maar het was eene verklaring, die
den keizer zeer irriteerde. Het was niet de eerste maal, dat de keizer
in de intimiteit van zijn kabinet zulke plakkaten vond. Het gevolg was
geweest, dat er in het Imperiaal plotselinge arrestatiën plaats grepen
van bedienden, van soldaten der verschillende wachten, maar deze
arrestatiën en zoekingen hadden niets aan het licht gebracht, en
maakten daarom een des te pijnlijkeren indruk. De wachten van het
paleis, de wachten aan de vergulde grilles van het park, waar dit samen
groeide met de Elizabeth-parken—de publieke tuinen der rezidentie—waren
reeds vermeerderd: geheime politie, de eigen politie van den keizer,
hield zelfs een scherp oog op die wachten zelve.

Keizer Oscar was den kamerdienaar strak blijven aanzien; een oogenblik
rees de gedachte in hem dezen man zelven te laten onderzoeken, maar hij
begreep dadelijk daarna: het dwaze van dien achterdocht; de man was
jaren en jaren in zijn persoonlijken dienst, geheel aan hem verknocht
en bleef dan ook Oscars langen blik beantwoorden met den kalmen eerbied
zijner oogen, zichtbaar nadenkend over de onoplosbaarheid van het
vreemde raadsel.

—Verbrand dat ding, beval de keizer: en praat er niet over.

Oscar had daarna een lang onderhoud met den chef zijner geheime
politie, over wien hij in den laatsten tijd niet anders dan tevreden
kon zijn: geheime drukkerijen van anarchistische bladen, die telkens
verspreid werden, waren opgespoord; een komplot om den keizerlijken
trein van het zomerpaleis in Xara, Castel Xaveria, naar Liparia, in de
lucht te laten springen, was verijdeld; verdenking van in verband te
staan met anarchistische comité’s was gevallen op een ambtenaar aan een
der ministeries en zelfs op een jong officier en het was gebleken, dat
deze verdenkingen juist waren. Nog onlangs was een werkplaats ontdekt,
waar men leerde hoe dynamietbommen en helsche machines te maken. Maar
wie de brutale onverlaten waren, die hunne dreigbrieven tot in het
keizerlijke kabinet wisten binnen te slingeren, was maar niet kunnen
worden ontdekt. Eene week lang waren van uit het park de vensters van
het kabinet bespied en al dien tijd had men niets gezien; het was nu
een paar dagen geleden, dat deze geheime wacht was opgeheven. De chef
der geheime politie meende zeker te zijn, dat de schuldigen scholen in
het Imperiaal zelve en bekend waren met de intime gewoonten van den
keizer. In stilte werden plotselinge huiszoekingen gedaan bij alle
bedienden van het Imperiaal, waarvan men niet geheel zeker was, en toen
men bij een palfrenier een anarchistisch blaadje, waarin voor den
keizer beleedigende woorden stonden, gevonden had, werd deze man
verbannen naar eene der dwangafdeelingen der kwikzilvermijnen van het
Oosten. Deze verbanning was als het begin van tallooze andere
verbanningen; ze volgden elkander slag op slag op; het waren soldaten,
matrozen, vele kleinere ambtenaren der departementen: de couranten
noemden niet eens alle verbanningen meer op. Strenger werd de censuur;
telkens werden dagbladen opgeheven; redacteurs beboet en gestraft; de
imperialistische bladen, organen van graaf Myxila, gaven, bijna
tyranniek, den toon aan, dien men wilde. Een meeting van socialisten
werd met sabelslagen der huzaren uit elkaâr gedreven; hevige
ongeregeldheden volgden daarop in de rezidentie en ze wonnen de andere
groote steden, Thracyna, Xara, zelfs Altara. Eene grève der dokwerkers
vervulde Lipara weken lang met een stijgende onrust; politie-agenten
werden op klaarlichten dag aan de haven wreedaardig vermoord.

De hertog van Mena-Doni was in deze dagen de rechtervuist van keizer
Oscar en zijne ruwe krachtsuitoefeningen hielden de rezidentie zooverre
in bedwang, dat geen oproer uitbrak, dat het iederen-daagsche leven van
zonnelachende weelde voortging, dat iederen middag om vijf uur de
elegante equipages naar de Elizabethparken bleven voortstroomen, waar
de keizerin of de hertogin van Xara zich zelfs iederen dag een
oogenblik vertoonden. Maar op dit schijnsel van zorgeloosheid waren in
stilte duizenden oogen van bescherming geslagen; de troepen in de
kazernen waren geconsigneerd: glansende escortes van kurassiers
begeleidden de keizerlijke landauers.

De keizerin had Othomar ook verzocht zijne eenzame morgenritten te
staken en zich nooit te vertoonen dan met gevolg. De hertog en de
hertogin van Xara bewoonden het kroonpaleis, een betrekkelijk nieuw
gebouw aan de kade, waar zij een uitgebreide hofhouding hielden en ook
in dit paleis van zijn zoon liet de keizer huiszoekingen doen, kwam het
aan het licht, dat er anarchisten scholen onder het personeel.

Dit verraad, tot in hunne paleizen toe, bracht de keizerin in eene
voortdurende siddering van angst: zij leefde deze dagen een voortdurend
leven van angst, zoo ze zonder den keizer was. Want zij was het minst
angstig, als ze zich naast Oscar vertoonde, op tentoonstellingen, bij
plechtigheden, in de opera, en, het was vreemd: dan dacht zij niet aan
hemzelven, maar, zoo ze niet bij haar waren, aan hare kinderen, alsof
de catastrofe niet anders gebeuren zoû, dan op eene plaats, waar
zijzelve zich niet zoû bevinden.

De keizerin zag in Othomar zoo zeer haar eigen zoon, dat, in hunne
intime ochtendgesprekken—want de kroonprins kwam nog altijd iederen
morgen een oogenblik bij zijne moeder—het haar bevreemdde in hem niet
haar eigen angst terug te vinden, maar wel geheel haar eigen berusting,
die er de weêrzijde van was. Maar geheel na zijn huwelijk, vond zij hem
veranderd; in deze korte oogenblikken van alleen-samen-zijn niet meer
klagend, weifelend, zoekend, maar kalm sprekende over wat hij doen
moest, vol van eene blijkbare harmonie, die rustige zekerheid gaf aan
zijne woorden, zijne gebaren en zelfs aan zijne handelingen. Bij deze
zekerheid behield hij eene stil waardige bescheidenheid: drong hij niet
hoog op, wat van hem was; bleef hij bezitten dat ontvankelijke voor wat
van andere menschen komt, en dat hem steeds in zoo hooge mate
sympathiek gekenmerkt had. Hij was zeker oud voor zijn jonge jaren; wie
niet wist, zoû hem meer dan zijne drie-en-twintig gegeven hebben, nu
hij om zijne wangen ook zijne kroesbaard nog staan liet... En toch,
toch welden vooral in deze dagen van troebel zijne vroegere angsten
dikwijls bij hem op, kon hij minuten lang alleen zitten, starende op
een vaag punt in zijne kamer, luisterende naar het ruischen van de
toekomst, als hij geluisterd had in dien nacht van spooksel zijner
voorvaderen op Castel Vaza, voelende dat, ineens, geheel zijne nieuwe
levensberusting van hem afgleed als een kleed, dat viel van zijne
schouders. Maar hij had zich zoo weten te beheerschen, dat niemand,
zijn vader niet, zijne moeder niet, de kroonprinses zelfs niet, iets
merkte van deze zielezwijming, die hem ijskoud in zijne korte
eenzaamheden achterliet, twijfelend aan zijn recht, vol vreemd, week
erbarmen voor zijn volk...

Het was geheel de oude ziekte, die zoo, periodiek, in hem
terugborrelde, als een slecht sap, zijne aderen doorvloeide, zijne
zenuwen verslapte, hem in elkaâr knakte, als zoû hij er nooit meer van
genezen. Maar hij wende aan ze, gevoelde er geene wanhoop meer om, wist
zelfs, gedurende de oogenblikken, dàt de ziekte duurde, dat ze niet
duren zoû en vond in zichzelven er na terug zijne harmonie, die vooral
zijne berusting was.

Het was in deze dagen van stille gisting, dat er sprake kwam van een
huwelijk der prinses Thera met den prins van Napels; er was echter nog
niets beslist tusschen de beide familiën, maar wel was de jonge prins
te Lipara genoodigd om de groote najaarsmanoeuvres bij te wonen. Er
hadden jachten plaats; verschillende feestelijkheden volgden elkander
op. Othomar had vooral in deze dagen meer dan anders met die
plotselinge zwakten te kampen; een vreemd gevoel, eene huivering, een
geheimzinnige angst, bleef hem bij en verliet hem niet meer: angst,
dien hij niet dorst analyzeeren, uit vrees motieven te vinden, welke
hem gehéel zijne kalmte zouden doen verliezen. In hem verlevendigde
zich de herinnering aan het feit, dat hij kort na zijn huwelijk een
droom had gedroomd, ongeveer gelijk aan zijn vorige droom: de sinistere
rezidentie zich zwart vullende met krip... Het was nog geweest, terwijl
hij met zijne jonge vrouw te Castel Zanthos verbleef en hij had er niet
aan gehecht, omdat hij meende, dat deze tweede droom alleen de
afschaduwing geweest was van den vorige, alleen de herinnering aan wat
reeds gebeurd was en niet meer. Maar nu, in deze dagen van feestdrukte
om den prins, die hun hof bezocht, met het gisten van
volks-ontevredenheid, als een troebel, donker element onder de opperste
brille van al hun keizerlijk vertoon, verlevendigde zich de herinnering
er aan, en trokken de angsten en huiveringen er om steeds duidelijker
en duidelijker ommelijnen in zijne verbeelding, en gevoelde hij, op éen
oogenblik, zoo geheel zijne vroegere nerveuze zwakte over hem heen
komen, dat hij, onder een voorwendsel, professor Barzia uit Altara
ontbood en met den geleerde een lang onderhoud had, waarover hij zelfs
met de hertogin van Xara niet sprak. Toen de professor vertrokken was,
voelde Othomar zich verlucht, gesterkt, maar weifelde in hem alleen de
gedachte na, dat het niet goed was, voor een aanstaand souverein, zoo
onder den invloed te zijn van eene sterkere ziel, als hij was onder die
van Barzia; nam hij zich voor een volgenden keer Barzia’s suggestie
niet meer in te roepen, maar zichzelven te genezen, geheel in het
geheim van zijne eigen ziel. Dit plan om steeds te willen steunen op
eigen kracht, deed hem zich geheel terugvinden...

Hij was den dag volgende op het onderhoud met den professor den
geheelen morgen en namiddag met den prins van Napels samen, dien hij
vroolijk, opgewekt, zooals men den hertog van Xara zelden zag, op
verschillende plaatsen begeleidde. Hun gevolg was verwonderd om die
glinsterende blijmoedigheid van den kroonprins, wien zij toch altijd
eenige melancholie waren blijven aanzien. Dien middag had er een groot
galadiner in het Imperiaal plaats. Des avonds zoû de keizerlijke
familie hun gast begeleiden naar de opera, waar een galavoorstelling
zoû worden gegeven en een beroemde tenor zingen zoû.

Er werden in deze dagen bij al de uitgangen der keizerlijke familie,
steeds onder den schijn van glanzend vertoon, strenge maatregelen van
voorzorg genomen. De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der
Groote Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van
kurassiers. De straat op zij van het gebouw, waar de eigen entrée van
den keizer was, was afgezet; een eerewacht stond aan de trappen;
geheime politie had zich gemengd tusschen het wachtende publiek: de
geheele groote-wereld der rezidentie...

De keizerlijke loge was met hare draperieën van donker violet en gouden
kwasten, vlak over het tooneel van het kolosale theater; de eerste acte
was geëindigd—het was Aïda, dat men gaf—toen de fanfares uit het orkest
opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de keizer, de keizerin,
de prins van Napels, de hertog en de hertogin van Xara, de prinses
Thera... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende,
zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electrizeeren
alsof, mèt hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de
zaal opglinsterde met al hare flikkerwisselingen van juweel, al haar
getintel van verguldsel, al de nieuwsgierigheid der schitterende oogen,
die tuurden naar het vorstelijke middelpunt; alsof de toiletten der
dames zich met ééne ritseling van zware zijden stof ineens opbolden,
waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neêr, of een wind woei
door vele bloemen, in veel glans...

Toen het rijzen van de gordijn; de tweede acte met geheel haar
melodrama van Egyptische vorstenpracht: de overwinning na den oorlog en
de dansen daarom: de liefde van den held voor de Ethiopische slavin, en
de ijverzuchtige dochter des Farao, en de optocht der goden met de
bazuinen: alles gezongen, geïnstrumenteerd, opzwellende van muziek in
een vierkant kader van geschilderd tooneelgordijn; bewegelijk
schilderij van gezongen Egyptische vorstenoudheid, voor de oogen van
moderne vorstelijkheid, modern turende quasi-onverschilligheid van
samenzijn, waar de groote wereld wilde, dat men op dit oogenblik samen
was: onder de oogen van den keizer en zijne familie, en zijn hoogen,
jongen gast... De hartstochten op het tooneel zich ontbreidelend in
zwellende en zwellende kreten van muziek, liefde en wanhoop, en oorlog
en triomf en priesterstaatzucht van muziek, àlles muziek, alsof het
leven muziek was, muziek de ziel en essence der wereld... En onder den
glans dier muziek en van dat factice leven, de zichtbare mime der
akteurs, de glorie van den beroemden tenor met zijn te modernen kop,
zijn voor oorlog onware prachtkleedij, zijne buigingen en geglimlach
voor de ware wereld daar buiten zijn klein tooneelwereldkader: voor het
publiek, dat applaudiseerde, nadat de keizer in de handen had willen
klappen...

Het was op dit oogenblik, dit oogenblik van ovatie, dit oogenblik van
schitterenden roem van den tenor: zijn applaus afklinkende van
vorstelijke handen. Het was op dit oogenblik: keizer Oscar zich
ombuigende naar zijn adjudant, den markies van Xardi, achter hem; de
adjudant eerbiedig luisterend naar den wensch van Zijne Majesteit om
den zanger in den salon der keizerlijke loge te ontbieden... Keizerin
Elizabeth en de hertogin van Xara, schitterend in haar gala, hare
juweelen, in glimlachend gesprek met den jongen vreemden kroonprins,
die hun gast was. Othomar nog vroolijk vanaf dien middag, schertsende
met Thera en de hofdames... De geheele zaal turende, nu de gordijn
gevallen was, ten laatste male, naar hen allen in ééne schittering van
luxe en licht...

Op dit oogenblik: op de bovenste galerij een plotseling tumult, eene
worsteling van soldaten en politie-agenten met éen man... Eén
plotselinge ruwe warrelklomp daarboven te midden der meest mondaine
uitspreiïngen van aristocratisch gala-vertoon. En alle oogen niet meer
naar de keizerlijke loge, maar naar boven... Toen, de man,
onmenschelijk sterk zich worstelende uit den greep van zijne
aanvallers, doemende vooruit, uit hun klomp, als een zwarte
bliksemstraal: donkere kroeskop, haatschietende oogen vol
dwepersstrakheid, één arm ineens uitgestrekt naar de keizerlijke
grootheid daar beneden, als op een zeker onafwendbaar gemikt doel. De
geheele zaal één tumult, geschreeuw, gegil: wijde gebaren van
hulpelooze armen, dat alles heel kort, nauwelijks ééne seconde... Een
schot, en nog een schot na...

Keizer Oscar is getroffen in de borst, hij is half getuimeld tegen de
keizerin aan, wier bloote juweelenboezem hij in eens bezoedelt met
bloed, dat zijn gouden uniform dadelijk doorweekt. Geen gouden bloed:
rijk rood bloed... Maar de keizerin slaat hare armen in
wanhoopsradeloosheid naar boven; haar snerpende gil striemt door de
zaal. Ze valt neêr in de armen der hertogin van Xara. De keizer is
gezonken in de armen van Xardi en van Othomar: een woedende vloek boort
tusschen zijne vast geknarste tanden door, terwijl hij zijn
bloeduniform zoo hard openrukt, dat de knoopen rondom hem afvliegen...



IV.

Daarbuiten was het Groote Opera plein, hel verlicht van veelarmige
monumentale lantarens, dadelijk donker-wriemelig geworden, vol van
menschenmassa; de geheele stad vloeide er te zamen langs alle straten;
de ontzetting trok er alles samen, als met magneet. Detachementen
huzaren gingen reeds door de stad, hielden het opgewonden volk in
bedwang; de hertog van Mena-Doni zag men als op alle punten tegelijk,
met zijne soldatenmacht neêrtrappende de revolutie, waar die uit alle
hoeken koppen omhoog scheen te willen steken. Boven was de lucht donker
als een frons. Het begon te regenen...

De mare ging, dat de keizer gestorven was. Het was niet waar. Togende
naar adem lag de vorst in den foyer van het opera-gebouw, te midden van
die ontzetting der zijnen, van zijn gevolg, van de toeschietende
doktoren... Hij mocht niet vervoerd worden, zeiden zij. Hij wilde het.
Hij wilde hier niet sterven. Hij wilde terug naar zijn Imperiaal. En
spannende de veeren van zijn energie, beval hij, richtte hij zich op,
het bloed gulpende uit zijne keel: Othomar en de adjudanten steunden
hem...

Buiten, op het plein, groeide de menschenmassa, steeg de ontzetting,
borrelde de opstand uit het zwart van die menschentrossen omhoog.
Telkens barstten gevechten uit tusschen troepen volk, dokwerkers, met
de wachten voor het gebouw, met de politie. De hofrijtuigen gingen,
leêg, geëscorteerd terug naar het paleis.

Andere rijtuigen, huurrijtuigen, poogden hier en daar door het volk
heen te komen: kurrassiers omringden ze, beschermden ze met geheven
sabel. Stroomen van vloekend gescheld spatterden tegen ze aan, tegen de
vaag doorschijnende glazen, waarachter lichte kleuren opvlakten,
vonkjes juweelen uitschoten. Angstige oogen van vrouwen keken er strak
schuin door, zonder bewegen.

In de couloirs, op de groote monumentale trap van het opera-gebouw
verdrong men zich, vocht men om er door te komen; toen zagen in eens
alle oogen groot-starend naar boven: de keizer ging er! bloedende,
hijgende naar adem, te midden der zijnen... Eene ontzetting staakte een
oogenblik het gedrang; toen drong men weêr door... Dames vluchtten er
tot achter de coulissen, vermengden er hare aristocratie met de bohême
der akteurs, der actrices, door elkaâr heen, verward, te midden van den
ontsteld gonzenden zwerm danseusen, priesteressen van Isis. Fooien
werden gegeven, gesmeekt werd om rijtuigen, om huurrijtuigen...

De hertogin van Yemena stond daar, met hare dochters; zij zagen uit
naar het rijtuig, dat zij reeds tienmalen besteld hadden... Een
tooneelknecht haalde onverschillig de schouders op: hij wist geen
rijtuig te halen.

—Ik wacht niet langer meer, zei de hertogin sidderend: de meisjes
klampten zich snikkend, dol zenuwachtig aan haar...

Zij verkreeg van eene actrice een lederen taschje; haastig deed zij
hare juweelen af, beval de meisjes het zelfde te doen. Ze deden ze in
het taschje. Een kamenier verzocht ze, voor een goudstuk, hare slepen
op te spelden, hoog op, verzocht ze haar zwarte schoenen te vinden.
Andere dames, half flauw van angst, wachtende, zagen naar haar, zagen
haar zoo, vreemd, praktisch. Ze wist van een paar choristen drie lange
zwarte mantels te koopen, met drie zwarte hoeden, sloeg zich een mantel
om, sloeg ze de snikkende markiezinnetjes om.

—Ik durf niet, mama! snikte Eleonore uit.

De hertogin was beslist.

—Kom, ga meê... drong ze aan, en ze dreef de meisjes voort; de andere
dames zagen haar ontsteld na, door een achterdeur verdwijnen, in een
achterstraat...

De hertogin drukte het taschje met juweelen tegen zich.

——In Gods naam, huil niet; wees kalm, gebood ze hare dochters. Loop
kalm door en niet te gauw. Hoû die mantels goed dicht.

Zij ging, richtte zich hoog op tusschen de twee bevende
markiezinnetjes, in de kleêren van die choristen; de regen viel neêr.
Volkshoopen liepen tegen ze aan; ze vermengden zich met ze; een
oogenblik was ze Hélène kwijt...

—Wacht even! sprak ze tot Eleonore.

En ze bleven staan, tusschen het dringende volk; troepen hotsten aan,
socialistische juichzangen joedelden ruw op...

Toen ging zij met Eleonore terug, dringende, duwende, gevende Hélène
gelegenheid haar weêr te bereiken...

—Geef me nu allebei een arm: hier...

Zij deden het; zoo, schijnbaar kalm, langzaam, langzaam aan, alsof zij
nieuwsgierigen waren, die ook wilden kijken, naderden zij het
opera-plein, waarop het wriemelde tegen de wachten aan. Rijtuigen
passeerden, stapvoets, geëscorteerd. Een oude, slechte huurkast, met
een mageren knol, wentelde een modderig wiel vlak tegen haar aan,
schuurde tegen hare knieën; een kurassier van het escorte hief de sabel
dreigend tegen haar op...

—Mijn God! riep ze, gedempt en klemde de kinderen. Het eerst had zij
herkend den koetsier, in een vuilen jas: een palfrenier van het
Imperiaal, wiens gezicht ze zich herinnerde. Toen, met een snellen blik
in het rijtuig, herkende zij—juist vlak bij eene groote lantaren met
vele ornamentieke armen—den keizer tegen Othomar aan, en haar eigen
stiefzoon, Xardi. Maar de markies herkende haar niet, want, verschrikt
om het vele licht, wendde hij zijn gezicht snel af, boog hij zich,
donker, beschermend, over den keizer en den kroonprins...

De meisjes hadden niets gezien; de hertogin zeide niets, bang te
verraden... Ze voelde geheel hare moedige kalmte haar ontzinken; ze
sidderde van het hoofd tot de voeten. Tranen kon zij niet weêrhouden,
om haren armen keizer, die stierf, die zoo terug ging naar zijn paleis.
Eene groote, zwarte angst viel over haar heen. De regen sijpelde over
hare borst...

—Hoû je mantels dicht! vermaande ze nog even hare dochters; toen ging
ze voort, sleepte zich voort en de meisjes ook, knikkende op hare
beenen naast haar...

Maar eene woede van menschen dwarrelde over het opera-plein; een strijd
scheen daar te heerschen... Een klomp volk, die omsingelde een hoop
politie-agenten en soldaten, tusschen wie een krankzinnige zich wrong
met sterke gebaren; een ruw geschreeuw galmde op. Aan de verlichte,
open ramen der opera, boven de nog feestelijk hel verlichte peristyle
verschenen gezichten bij gezichten, akteurs in kostuum nog, zagen ze
toe...

—Mama, we zullen nooit kunnen doorgaan! snikte Eleonore zacht.

De hertogin dacht in wanhoop aan de groote Keizerinnen avenue, waar
haar hôtel was. Zoo ver... hoe zoû ze bereiken...

—Ze vermoorden hem, ze vermoorden hem, ze mógen hem niet vermoorden!
blèrde het volk rondom haar op.

Toen begreep de hertogin, toen zag ze, en de meisjes zagen ook... het
volk, woedend, schuimbekkend—wraaknemers al, maar eerst ontevredenen,
zelfs misschien anarchisten: zoo waren de Lipariërs!—het volk,
dringende tegen de soldaten en agenten, in wier midden de moordenaar
van den keizer zijne groote, krankzinnige gebaren nog poogde uit te
slaan. En de wraaknemers bestormden dien kring van
gevangenbewaarders—ze sleepten den man voort... Het was tot vlak onder
de oogen van de hertogin, van hare dochters...

—Oah, oah, oah! brulden ze rauw, mannen en wijven; ze trokken hem de
kleeren van het lijf, sloegen hem, en hij schreeuwde tegen. Op den
grond sloegen zij hem neêr met knuppels en zij vertrapten hem met grove
schoenen; zijn bloed vloeide; zijne hersens stroomden uit zijn
verpletterden schedel...

Als beesten werden zij toen, omdat ze zijn bloed zagen: grinnikten en
slikten van pleizier...

Eleonore knakte flauw tegen de hertogin, maar Alexa schudde haar bij
den arm...

—Hoû je op, hoû je op, in Gods naam, hoû je op!! riep zij luid. Ik kan
niets met je doen, als je flauw valt!

Hare sterke handen stompelden het markiezinnetje tot het leven terug,
en woest voort sleepte zij ze, knikkende...



V.

De keizer, die niet sterven wilde, leefde met zijne doorboorde longen,
hijgende naar adem, nog twee dagen van louter energie.

En zóo waren de Lipariërs: de man, de moordenaar, gepakt in de opera,
was trots politie en wacht, tot een vormeloozen klomp vermoord door
ontevredenen zelve...

En zoo is het leven: de keizer van een groot rijk was te midden der
zijnen doorschoten door een dweper, en het leven ging voort... Het rijk
was even uitgebreid als vroeger: een rijk, natuurmooi, zuidelijk rijk;
hooge sneeuwbergen in het Noorden; middeneeuwsche en moderne steden,
die lagen in wijde gouvernementen; de rezidentie zelve, blank in hare
gouden najaarszon met zijn Imperiaal onder blauwe lucht, dicht aan
blauwe zee, waarom de kaden zich bogen....

En zoo is het leven der heerschers: de keizer was vermoord, eenvoudig
doodgeschoten, en de opperceremoniemeester had het druk, de
ceremoniemeesters waren het niet met elkaâr eens; de statie van eene
keizerlijke begrafenis bereidde zich in alle ingewikkeldheid voor; door
heel Europa ging de nahuivering der ontzetting; door alle couranten
gingen de telegrammen en lange artikelen...

Dat was alles om éen enkel schot van een dweper, een martelaar voor
volksrecht.

Keizerin Elizabeth staarde met open, wijde oogen op het noodlot, dat
gekomen was. Zóo had zij het zich nooit voorgesteld, dat het komen zoû,
zoo, zoo ruw, te midden van dat gala en naast hun vorstelijken gast.
Zoo langs háar heen, treffende alleen haren man en niet verpletterende
hen allen, in eens, geheel hunne keizerlijkheid! Gekomen was het, en...
nog vreesde zij, vreesde zij steeds door en nog meer dan vroeger: voor
haren zoon...! Het was haar of zij vroeger nóoit gevreesd had...

Het was de dag vóór de begrafenis van keizer Oscar, toen de hertogin
van Xara, de jonge keizerin nu, ongesteld werd, en de geneesheeren
verklaarden, dat zij zwanger was...

Het keizerslijk was reeds in hooge statie vervoerd naar Altara. Op St.
Ladislas zouden de Altariërs het op de katafalk tusschen duizenden
brandende kaarsen zien liggen met, aan de doode voeten, de
schitterinsigniën van het hoogste souvereinschap; daarna zoû het
vervoerd worden naar den keizerlijken grafkelder in den Dom...

Op dien dag gingen ook over Lipara, waarvan de blankheid zwart
schemerde onder rouw-decoratiën en zwarte vlaggen, de schoten van
Wenceslas-fort, dof bulderend zijn gelijkmatig, zwaar, eentonig
bombardement van uitvaart. Eenzaam, hoog, in de stad, die van schoten
daverde, stond, leêg, het Imperiaal met zijne somber strak neêrkijkende
karyatiden. De jonge keizer, Othomar XII, leidde te Altara den
plechtigen stoet. De keizerin-moeder was in het Kroonpaleis, bij de
jeugdige keizerin Valérie... Over hun glans, die schitterde,
schitterden nieuwe glansen op, in het leven, dat door was gegaan, dat
doorging...

De keizerinnen zaten bij elkaâr. Valérie hield Elizabeth zacht in hare
armen: met gelijke getelde tusschenpoozen bonsden de schoten van het
fort af, over het paleis...

Toen hief Elizabeth zich smartelijk op uit de armen harer schoondochter
en zacht orakelde hare stem:

—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn... Hij had zoo
gaarne een Graaf van Lycilië gezien...!

De schoten bonsden; de beide keizerinnen, in rouw, weenden, snikten.
En, na langen tijd voor het eerst,—zooals het na langen tijd geweest
ook was, bij Berengars dood—kwam nù geheel haar gemis, haar verdriet,
hare rampzaligheid, hare wanhoop over Elizabeth heen, en voelde zij,
dat zij dien keizer, aan wien zij als heel jonge prinses, nu
vier-en-twintig jaren geleden, was uitgehuwelijkt, zonder liefde, had
lief gekregen in die kwart-eeuw van meêleven op zijn hoog punt van
souverein...

Dien avond kwam Othomar terug, en alleen bij zijne vrouw, bij zijne
moeder, snikte hij met ze meê, de jonge keizer, dien niemand te Altara
in den Dom had zien weenen. Want keizerin Elizabeth had het nog éens
herhaald:

—Als het een zoon is... zal het een Hertog van Xara zijn...!

En toen had de keizer van Liparië zich niet meer kunnen betoomen! In
éen bliksemstraal, éen zigzag van ontzetting zag hij zijn
kroonprinsleven terug, dacht hij aan zijn aanstaanden zoon. Hoe zoû dit
noodlottige kind zijn? Eene herhaling van hem, van zijn geweifel, zijn
weemoed en zijne wanhoop?

En, met zijne niet te bedwingen snikken, snikte hij toen, in eens
overstelpt door de dreigende toekomst, zijne smart uit over zijn vader,
die geweest was en over zijn zoon, die komen zoû! snikte hij, het hoofd
in de armen zijner jonge keizerin, die, eensklaps bewust te moeten
troosten, was kalm geworden en kalm op hem neêrzag, nemende hun
majesteitsleven op hare schouders, als ware het maar een drukkend zware
mantel van purper en hermelijn, en niet meer, nemende het zoo
krachtiglijk op, omdat er in hare aderen vloeide als in de zijne: één
enkele druppel heilig gouden bloed, die eenig is in alle hunne gelijken
en die zijn zoû hun kracht op de aarde en hun recht voor God...



VI.

            Aan Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid Eudoxie,
            Aartshertogin van Oostenrijk, te Sigismundingen.

                                        Altara, St. Ladislas. Mei 18...


    Mijn lieve moeder!

Ik kan U niet zeggen welk een verdriet Uw brief mij deed: in Gods naam,
wind U zoo niet op en zeg niet zulke verschrikkelijke dingen. Het deed
ons ook innig veel leed, dat U niet bij onze kroning kon tegenwoordig
zijn en door Uwe rheumatische koortsen te Sigismundingen moest
achterblijven, maar waarom moet U, lieve moeder, die koortsen als een
straf van God beschouwen en waarom moet U het beschouwen als een straf
van God, dat U Uwe lievelingsilluzie niet zaagt gebeuren en niet
tegenwoordig kondt zijn in onzen ouden Dom, toen Othomar, gekroond door
den Primaat, zelve mij kroonde tot Keizerin van Liparië. U waart er
niet bij tegenwoordig, maar het is toch gebeurd: Uwe illuzie is toch
waarheid. En ik zeg U dit, zonder de minste bitterheid, o, geloof mij,
zonder de minste! Een straf, dat U mij dwong, tegen mijn zin...! U moet
wel ziek zijn, ziek naar lichaam en geest, arme moeder, om zoo te
kunnen schrijven: ik glimlach er een beetje om, ik herken U zoo niet
meer. En laat mijn glimlach getuigen, dat ik niet ongelukkig ben; o,
verre daarvan! Ons geluk is bijna nooit, wat wij ons voorstellen, dat
het zijn zal en wat wij betreuren, dat het niet wordt...

Als U mij zag, zoû U zien, dat ik niet ongelukkig was. Het is Mei, de
zon schijnt, de boogramen zijn open. Mijn blik ziet in de verte den
Zanthos als een breed en glinsterend vlak van water zich wegslingeren.
Dicht bij mijne schrijftafel staat Uw groote, mooie zilveren wieg en
tusschen de dichte kanten gordijnen heen zie ik mijn klein hertogje van
Xara sluimeren... Ik weet niet hoe ik het U schrijven moet; ik heb
mijne woorden zoo niet om U dat goed uit te drukken, maar wat ik voel,
met dat wijde perspektief van rivierland voor mij en dat kleine
kostbare kind naast mij, o, mama, dat is geen ongeluk! Het is een
gevoel, waarin zeker heel veel weemoed schuilt, maar meer sombers
schuilt er ook niet in. En waarom zoû het, trots dien weemoed,
eigenlijk zelfs geen geluk zijn. Ik ben jong, ik ben keizerin en ik zie
een leven voor mij! Om mij heen zie ik mijn land, zie ik mijn volk: ik
wil, dat het het volk van mijn hart, van mijne ziel worde, geheel en
al! Ik weet nog niet hoe, maar voor dat volk wil ik leven, wil ik samen
leven met Othomar. O, ik beken het U, hoe ik dat doen zal, weet ik nog
niet, maar ik zal het vinden, samen met hem! En als, ik heb een man en
een kind en een volk! een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik
dan geen doel om te leven en als ik een levensdoel heb—en welk een
ontzaglijk levensdoel!—heb ik dan ook geen geluk? Is het geluk iets
anders dan een hoog, een edel levensdoel gevonden te hebben?

Ik zoû U zoo gaarne overtuigen. En als U mij hier zag, op ons stil St.
Ladislas, nu al de drukte der kroningsplechtigheden voorbij is, dan zoû
U mij gelooven. Othomar houdt van St. Ladislas en neemt zich voor hier
ieder jaar een maand in het voorjaar te komen. Dat mijn kind hier
geboren is, noemt men een goed voorteeken, want U kent het geloof der
Lipariërs, dat de kroonprins van hun land geboren wil zien worden te
St. Ladislas, onder de onmiddellijke hoede van den Schutsheilige.

Othomar echter is op dit oogenblik niet hier; hij is voor enkele dagen
te Lipara—U weet dit natuurlijk uit de couranten ...; tweemaal per dag
schrijft hij mij. Ik heb hem dit gevraagd, opdat ik geheel op de hoogte
blijve van zijn gemoedstoestand; die rampzaligheid van den moord op
zijn Vader, die twee dagen sterven van keizer Oscar! ze hebben Othomar
zoo hevig, hevig aangegrepen; mijn God, hoe U te schrijven in woorden
over die ontzetting! Hoe kan ik nog met hoop leven na al wat ik reeds
in mijn korte leven geleden heb en voor ontzetting om mij heen heb
gezien! En toch, toch is het zoo, want jeugd is zoo krachtig en ik, ik
ben sterk, ik mòet het zijn...

Ik heb hem bewonderd, mijn jonge keizer, in die ontzettende dagen, om
zijne uiterlijke kalmte, waardoor de stormvloed van alle zijne emotie’s
nooit heen brak, voor de oogen der wereld. Terug van de begrafenis, de
plechtigheid der Handteekening onder de Vijf Heilige Akten; de drukte
dadelijk der opeengestapelde staatszaken... Een maand daarna, de nieuwe
verkiezingen, de constitutioneele meerderheid in het Huis der Standen,
het ontslag der ministers... U zal dit alles gelezen hebben, in de
bladen. Daarop de geboorte van onzen zoon; daarna onze kroning, op het
oogenblik, dat Liparië in zijne fondamenten geschokt scheen! En nu,
Othomar te Lipara, om het nieuwe constitutioneele ministerie... Dan
graaf Myxila, die het niet eens is met Othomars moderne ideeën, die hem
zelfs vrij heftig heeft durven verwijten, dat hij zoo kort na den
gewelddadigen dood van zijn Vader reeds diens ideeën loslaat en die nu
verzocht heeft om zijn ontslag... Othomar zal Myxila nog pogen te
weêrhouden, maar begrijpt zelve, dat het onmogelijk zal wezen. En de
Grondwetsherziening in het verschiet met zoo vele ingrijpende
veranderingen; denkelijk met de instelling der Hoogere en Lagere
Staten, terwijl het Huis van Adel uiterlijk zal blijven bestaan, maar
niet meer zal zijn dan een raadgevend Eerelichaam. Concessies, als U
wil, maar Othomar heeft nu eenmaal geheel andere ideeën dan zijn Vader;
en zoo hij die concessies doet, doet hij ze zeker aan het verleden en
niet aan de toekomst en niet aan zichzelven...

Wreed is het leven, wreed in zijne verwisselingen en wreed zelfs in
zijne herbloeiïngen en voor ons vorsten is dit alles misschien het
wreedst, maar de wereld behoort aan wat komen zal...

Keizerin Elizabeth vertoeft nog hier; zij is in eens zoo oud geworden,
zoo grijs, en zeer dof en terneêrgeslagen en ze weet niet wat ze doen
zal: met hare eigen hofhouding blijven in het Imperiaal, hier blijven
op St. Ladislas, zich terugtrekken op Castel Xaveria... Al de
keizerlijke paleizen en kasteelen dwarrelen haar nu door haar arm
hoofd: hare eigen-bezittingen en de kroondomeinen; ze weet niet
waarheen ze wil: wij blijven er natuurlijk op aandringen, dat zij het
Imperiaal niet verlaat: het is er groot genoeg, dat zij er bijna haar
geheel eigen Militair en Civiel Huis behouden kan...

Dierbare moeder, ik schrijf U spoedig weêr: het dwarrelt mij nu te
veel; ik heb te veel aangeroerd; mijne vrouwehersenen kunnen dat alles
zoo nog niet logisch en ordelijk overdenken, neêrschrijven... En ik ben
nog maar zoo kort keizerin en ik ben niet ouder dan twee-en-twintig,
ook al voel ik me niet zoo jong meer... Deze brief is alleen een
haastig neêrgeschreven antwoord op Uw treurig zelfverwijt, dat ik U
hier, in naam van den Hemel, smeek geheel van U af te werpen. Nu ik U
dit schrijf, rijst de avond van mijn verlovingsdiner te Sigismundingen
mij opnieuw voor den geest. Wij waren zulke vreemde verloofden, Othomar
en ik. Ik vroeg hem—glimlach er om en ween er niet over, mama—of hij
iemand liefhad. Hij zei me van neen. Hij zei me zijn volk lief te
hebben en hij opende zijne armen, als wilde hij het omhelzen. Zijn
volk! De dageraad van een nieuw idee—oud zeker voor duizenden en eeuwen
oud, maar nieuw voor mij, als een nieuwe dag nieuw is—gloorde voor me
op, wierp licht over mijn duister leed, deed een weg voor mij uit
stralen...

Dien weg, mama, ik zie hem nu ieder en dag klaarder en klaarder stralen
voor mij uit, en ik wil hem volgen, met mijn man en kind, met mijn
Keizer en met mijn Kroonprins!

Mijn Kroonprins, die wakker wordt en om mij roept...

God geve mij kracht, mama.


    Valérie.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Majesteit" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home