Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Aboe Bakar: Indische Roman
Author: Daum, P. A. (Paul Adriaan)
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Aboe Bakar: Indische Roman" ***


                               ABOE BAKAR
                             INDISCHE ROMAN

                                  DOOR
                                MAURITS

                   BATAVIA                ’S-GRAVENHAGE
                   G. KOLFF & Co.         LOMAN & FUNKE



INHOUD.


    EERSTE DEEL

    Hoofdstuk.                                             Bladz.

    I.      Kennismaking met een onaangenaam mensch            1
    II.     Een jaloersch heer                                10
    III.    Een treurig voorval                               20
    IV.     Niet zonder reden jaloersch                       31
    V.      De in ongenade gevallen president                 39
    VI.     Het vierde kind                                   45
    VII.    Adam wordt een knappe jongen                      52
    VIII.   De knaap vertrekt naar Batavia                    61
    IX.     Laaghartige wraakzucht                            70
    X.      Teleurgestelde verwachtingen                      80
    XI.     Onaangename brieven uit Holland                   91
    XII.    Een mislukt jongmensch                           103
    XIII.   Een voorzichtige moeder                          113
    XIV.    Een onaangename verrassing                       122
    XV.     Een declaratie in optima forma                   132
    XVI.    Aan boord van een mailstoomer                    143
    XVII.   In Indië terug, maar.... aan een sterfbed        152
    XVIII.  Het gevonden portret                             164
    XIX.    Een nieuwe vlam                                  174
    XX.     Onterfd                                          182
    XXI.    Vergeefsche moeite                               192
    XXII.   Adam is ontevreden                               201
    XXIII.  Moederliefde                                     210


    TWEEDE DEEL

    I.      Vervlogen hoop en een nieuwe verbintenis           1
    II.     Ik wil niet gelijk gesteld worden                  9
    III.    Het Europeesch vernis verdwijnt                   20
    IV.     Opnieuw verloofd en getrouwd                      28
    V.      Onaangename ontmoeting en wroeging                36
    VI.     Aboe Bakars teleurstelling                        44
    VII.    Een beschaafd Mohammedaan                         53
    VIII.   Ongelukkige familieberichten                      63
    IX.     Schoonmoeder en schoondochter                     73
    X.      Een trouweloos Mohammedaan                        82
    XI.     Hoe zal ik sterk zijn?                            91
    XII.    Zonderlinge ontmoeting                            98
    XIII.   Aboe Bakar kiest zich een tweede vrouw           107
    XIV.    Geldelijke verwikkelingen                        115
    XV.     Men kan geen priester en koopman zijn            124
    XVI.    Een listig mensch                                131
    XVII.   Wacht u voor zulke vrienden                      137
    XVIII.  Toenadering tusschen de vrouwen                  147
    XIX.    Minah op een verboden weg                        156
    XX.     Aboe Bakars ondergang voorbereid                 166
    XXI.    Een dubbel offer gebracht                        174
    XXII.   Dailah ontdekt het gevaar                        186
    XXIII.  „Ze hebben hem vermoord.”                        196
    XXIV.   Besluit                                          210



EERSTE DEEL.


EERSTE HOOFDSTUK.

KENNISMAKING MET EEN ONAANGENAAM MENSCH.


Het parelgrijs van den jongen dag bij zwaar bedekte lucht, gaf het
Indisch landschap een westersche tint. Er ontbrak iets aan: de groote,
gloeiende vuurbol wierp er zijn heete gouden lichtbundels niet over;
hulde niet alles in het zware oostersche geel, met omhoog het
scherp-blauw gewelf, beneden de hevige luchttrillingen boven den bodem.
Nu lag alles in een heiïgen toon als in Zondagsrust.

Ver over de alluviale vlakte gingen de weidegronden, door leidingen
gedeeld in breede strooken; bont en lakenveldsch vee in afwisselend
grillig robe-dessin, wierp grazend de koppen naar rechts en links,
zoekend de fijne beetjes in den groenen voêrbodem; en had niet hier en
daar een groepje palmen de kronen van groote bladerrissen hoog
opgestoken boven de dunne gladde basten,—men had zich kunnen verbeelden
een stukje Holland te zien.

In de lekkere stille koelte kwam maar heel even de zeewind over, met
kleine beweginkjes in de bladeren, een ideetje van fluisterend geluid
door den grooten bloementuin; niet eens sterk genoeg om er de
overstaande rozen te ontblaren.

Behoedzaam liep John Silver tusschen de struiken door, op het gelaat
den grooten ernst van heel gewone menschen bij geringe bezigheden; dat
was zijn liefhebberij, zijn eenige; dit vroegere stuk weide had hij
herschapen in zoo’n mooien grooten hof; de oppervlakkig waarneembare
geschiedenis van elke plant kende hij; zijn lust in bloemkweeken had
hem tot leeren aangespoord, en zijn dagelijksche zorg had hem het
egoïstisch individueel „verstand” ervan doen krijgen, niet vatbaar voor
overdracht.

Hij keek, toen hij klaar was, nog eens om, als voor een generale
inspectie; van de houten trap zijner ruime paalwoning over de groote
variëteit van kleurvlekjes, in het à jour groen langs de paggers en in
de perken. En zijn bruine kop knikte goedkeurend, de blauwige lippen
wegtrekkend in een breeden tevreden glimlach, toonend twee rijen mooie
sterke manstanden.

Er was gedekt binnen met grof, groezelig tafelgoed, een gebarsten bord
van aardewerk en tinnen tafelgerei. Een pisangblad, dichtgespeld met
een lidi, lag in het midden. John nam het, liet zich neer op een laag
kinderstoeltje en at, ’t geopend blad op de scherp opstekende
beenknieën, de rijst eruit met de vingers, die stijf in de massa gingen
en het dus uitgewigde langs in den mond werkten; zóó dejeuneerde hij
lekker met een glas schoon water erbij; een strootje als
after-breakfast sigaar.

Dan slofte hij langzaam door een gangetje tusschen de zijkamer naar
voren, waar hij ver over ’t vlakke strand uitkeek in de groote Indische
zee, die, door duizenden eilandjes gebroken, in korten golfslag
aanbolde met bij oostersche langzaamheid onharmonische drift. John
greep een kijker, die aan een touwtje hing boven de balustrade en
loerde in de verte of hij ook een schip zag, gelijk hij wel twintigmaal
op ’n dag deed, na het tuinonderhoud, zijn belangrijkste bezigheid. Er
was niets te zien dien ochtend; inlandsch getuigd klein goed
balanceerde gemoedelijk op het water, binnenvallend na slechte
vischvangst door de wolkenlucht. Geen rookzuiltje van een stoomer,
nergens het zeilentuig van een ranken klipper; zelfs geen schoenertje
onder den wal; alles „flauwe kul” dien ochtend, dacht hij.

Een span batakkertjes vloog voorbij; een hand met ’n zakdoek en een
andere wuifden op onder het rijden, en Silver handzwaaide en boog met
groot vertoon van vriendelijkheid terug. Maar toen ze uit ’t gezicht
waren, schudde hij er het hoofd over. Zoo’n gekke vent! Was hij niet
een njo, net als hij zelf?

De omstandigheden van dien Verlande waren heel erg gelijk aan de zijne!
Allebei hadden ze fortuin, in huizen, in perken op de eilanden en in
goede papieren; allebei konden ze het stellen buiten den arbeid, geld
overhoudend bij hun geringe behoeften.

Daar had nu die malle vent, die Verlande, een pur-sang vrouwtje
getrouwd en .... uit was het met zijn goede leven; nu moest hij gekleed
en wel met haar toeren, met haar visites maken en de lieden
recepieeren. En dan de soesah in huis, met die Hollandsche wrijf- en
poets-dames, die geen bedienden kunnen houden, zich dood ergeren aan
vlekjes en stofjes, en altijd aan klimaat-ziektetjes sukkelen. Wat ’n
leven! Verbeel je dat hij ....

John Silver moest erom lachen. Neen, zoo „stom” was hij waarachtig niet
en zou hij ook nooit worden!

Hij hield zich maar aan zijn gewone njai; zij had al drie kinderen met
hem en dreigde met het vierde.

Soedah, wat kon ’t hem schelen! Hij had er geen last van; ze leefden in
de bijgebouwen bij hun moeder; ze kostten haast niks; veel minder dan
hun moeder door een stillen handel in batiks en diamanten verdiende; ze
stonden op zijn naam en hij zond ze naar de gouvernementsschool. Habis
perkara! Voor de rest geen bemoeienis. Als het meisje niets leerde dan
kwee-kwee maken, zou ze toch wel trouwen want ze was knap en ze had
geld; als de jongens dom bleven, dan maar het land op.

En zoo’n Verlande nu, met een Hollandsche vrouw, de opvoeding later van
die totok kinderen, die natuurlijk allemaal in Holland moesten
studeeren om geleerden te worden .... Nu die zou er pleizier van
hebben!

Plotseling trok zijn gezicht, uit de plooien van vroolijke
zelfgenoegzaamheid glad, met een uitdrukking van groote verbazing de
wenkbrauwen op. Wat zag hij daar? Bukkend doorgaand onder het atappen
overdek der gangetjes langs de bijgebouwen, kwam rechtop in het licht,
vlak vóór hem de groote figuur van een arabier, den kleurigen tulband
’n beetje scheef op den mooien van gitzwart krulhaar ombaarden kop;
helder wit fladderde zijn lang onderkleed, tusschen de opening van zijn
ruischend gewaad van hemelsblauwe zijde; onderdanig groetend, maar
rustig, in groote gemak-stappen, ging hij heen, over de grind met het
dof geglinster van de verlakte lage schoenen om zijn bloote bruine
voeten.

Maar Silver had niet teruggegroet; het lichtte rood op in zijn
diepliggende zwarte oogen. Zoo’n gladakker! zoo’n brutale hadramautsche
smeerlap! En dat terwijl hij, honderdmaal was maar eens, zijn
huishoudster had gezegd, dat er nooit of nimmer een arabier op zijn erf
of in zijn huis mocht komen! Met driftige stappen, het hoofd gebogen
over de weinig ontwikkelde ingevallen borstkast, liep hij naar omlaag,
in zijn haast met zijn gezicht tegen een lijntje, wat hem boozer
maakte, en hij stoof de kamer in van zijn njai, juist, de armen omhoog,
bezig te verwisselen van baadje.

Ook dàt stemde hem niet beter; hij vloekte en schold en dreigde, razend
van opgewondenheid, al maar herhalend, dat hij „het” niet hebben wilde;
zij zweeg, en toen hij uitgeraasd had, wees ze naar een doos op de
tafel. „Ik kan geen zaken doen en geen geld verdienen, als ik met de
menschen niet praten mag.”

Hij had de doos wel gezien, en door al zijn schelden heen, was hij er
nieuwsgierig naar geweest. Nu nam hij haar op en haalde er de dikke
opgerolde lapjes uit, waarin diamanten haarspelden geprikt zaten; hij
ging bij het open venstertje staan en liet het invallend licht door de
steenen spelen, scherp oplettend, het hoofd ook mee bewegend bij het
bespieden van straalbreking en kleurwisseling.

„Prullen zijn het, die de smeerlap brengt. Dáár, dáár!” riep hij luid,
smadelijk haar de steenen vlak voor het gezicht houdend, en aanwijzend
met de knokkelvingers, „die heeft een vlek; die ook; dat is een erge
gele; dat ook! en ik geloof waarachtig dat er foelie achter zit.
Prullen, anders niet!”

Met groot vertoon van geringschatting, wierp hij de steenen terug in de
doos.

„Dàt zeg ik je: als ik den smeerlap ooit weer zie op mijn erf, hem of
een zijner vuile Arabische kontjo’s, jaag ik ze een schot ganzenhagel
in hun bast. Ik zal m’n geweer naast m’n stoel zetten in de galerij; ik
schiet ze dood. Ziedaar!”

En onder die bedreiging had hij, grimmig, haar herhaaldelijk geslagen
op de dikke schouders en armen; tot ze ook woedend adoe! had geroepen,
minder als een klagelijken uitroep van pijn, dan alsof ze ermeê
terugschold.



TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN JALOERSCH HEER.


’t Had Silver heelemaal zenuwachtig gemaakt; hij greep, boven, ’n volle
gendie, schonk zich ’n groot glas water en dronk het achtereen uit;
maar kwaad bleef hij; zachtjes door razend, in woeste jaloerschheid;
telkens eraan denkend, dat ze van baadje had verwisseld; zich opnieuw
opwindend als hij begon te bedaren.

Eindelijk wilde hij weer standjes gaan maken en slofte driftig de trap
af, maar een inlander, buigend, de rechterhand steunend met de linker,
gaf hem een brief. Dat leidde hem af. Het was „van wege” de societeit,
zijn grootsten trots. Men had hem tot president „gebombardeerd,” zooals
de jongelui zeiden.

Hij was op de plaats gevestigd; hij had geld en niets te doen,—zoo’n
man moet „maar” president van het kleine clubje zijn, dat eens in de
week, Zaterdagsavonds, in ’t gebouwtje met steenen buitenmuur en
bamboezen binnenwanden, de societeit Belvedère, bijeenkwam. Dáárom
hadden zij het hem gemaakt.

John Silver zette zijn gouden bril op en ging met presidiale
waardigheid aan zijn schrijftafel zitten. Er was een „voorstel”
ingekomen, natuurlijk voor een pretje, andere voorstellen kwamen er
nooit in, en de secretaris, die den brief geschreven had, meende dat
over dit voorstel moest vergaderd worden; hij was het eens daarmee,
geheel eens, en hij zette zich aan het pennen van het antwoord, ernstig
met een business-gezicht; en hij snauwde een bediende af, die hem iets
kwam vragen, met een: „Zie je niet, dat ik zit te werken?”

Daar men reeds dienzelfden avond een prealabele bestuursvergadering zou
houden, hield hem dat ’t verdere van den dag bezig; maar hij vergat den
schilderachtigen arabier niet, den „stinkert” zooals hij zei; den
„woestijnschurk,” den hadramautschen roover, en hij bleef ongenaakbaar,
de honden schoppend, die jankend naar buiten vlogen, schreeuwend tegen
de kinderen en bedienden, in groot bangmakerig vertoon met zijn geladen
geweer, dat, als hij het hard neerzette op den houten vloer der
paalwoning, ondanks de fijne matbedekking een daverend geweld
veroorzaakte.

’s Avonds voor hij heenging, haalde hij er zijn njai nog eens bij, en
hield een quasi-gemoedelijke speech in het Maleisch; zij zag daar nu
het geweer staan, en hij zwoer bij God en bij de graven zijner ouders,
dat hij elken arabier, die ooit of immer op zijn erf mocht komen, zou
neerschieten als een hond en den kerel van dien ochtend,—ja, als hij
dien onder schot kreeg ...! Haar kalm gezicht van rustige, welgedane
inlandsche trouw, vertrok er geen spier bij.

„Ik zou het geweer maar in de kamer zetten,” zei ze. „Er zou nog
ongeluk van kunnen komen.”

Eigenlijk vond hij dat ook; hij voelde zich niet zoo veilig tegenover
een geweer, als hij deed voorkomen. Uit zijn verhalen wist ieder die
hem kende, dat hij een Nimrod was. Zoodra het jagen ter sprake kwam,
raakte hij in extase; dan vertelde hij van jachten op tijgers,
bantengs, rhinocerossen en wilde varkens; van ongelooflijke
hoeveelheden snippen en wilde duiven, gevallen door zijn moordend lood.
En men geloofde het wel niet, zooals hij het zat op te snijden, maar
hield hem toch voor een jager. Nu, dat was hij in ’t geheel niet. Zijn
eerste stuk wild moest hij nog schieten. Zijn geweren waren goed
onderhouden en een enkele maal schoot hij ze door voor het onderhoud,
eigenlijk blij, als dat was afgeloopen; hij hield er niet van.

Maar nu zou hij, omdat zij zoo bang was en omdat zij het verzocht, voor
ditmaal het geweer terugzetten in het rek; doch indien ooit van z’n
leven.... en nogmaals volgde de geheele serie scheldwoorden tegen
arabieren en de vreeselijke bedreigingen, die hij casu quo ten uitvoer
zou brengen. Zij zou, meende hij, nu wel bang genoeg wezen.

De waarheid was, dat zij hem uitlachte in haar hart, wetende welk een
druktemaker hij was, en hoe bitter weinig er stak achter zijn praatjes;
maar zij was wel zoo slim het door niets te laten merken, en zij ging
zwijgend, stilletjes weg, terug naar haar gewoon dagverblijf in de
bijgebouwen, hem in den waan latend, dat hij door zijn demonstratie met
het geweer grooten indruk had gemaakt.

In de bestuursvergadering van de societeit hield hij zijn waardigheid
hoog op; hij sprak er met bombastische boekenwoorden en termen uit
ambtsbrieven, over de geringste dingen, wenkbrauwfronsend achter den
gouden bril, afgepast in zijn bewegingen, een dikke gouden
horlogeketting bungelend op een wit piqué vest; vreeselijk royaal, maar
altijd even deftig, in het volle gevoel van zijn presidiale positie;
hij vroeg dadelijk aan „de heeren” hem het genoegen te doen „iets te
gebruiken.” En oplettend sloeg hij onder het vergaderen de vorderingen
der heeren gade in het rooken en drinken, altijd op het juiste moment
bij de hand met zijn sigarenkoker en de gebruikspropositie.

Het liep dien avond alweêr af naar wensch; over het ingekomen
„voorstel” werd veel gepraat, tot men het na „ampele discussie” eens
werd over het pretje. Men zat nog een uurtje rustig bijeen in de
achtergalerij, aan een zwarte ronde tafel met een ijzeren rand eronder,
voor het opzetten van de voeten; en boven, aan een lat van de
dakbedekking, een slechte petroleumlamp met dunne roodachtige vlam.

Daarbuiten over de groote zee lag alles in het zachte glimlicht der
maan, zoo mooi weerspiegeld bij het zacht bewegen van het water. Maar
de menschen gaven er de voorkeur aan in huis te zitten bij leelijk
lamplicht.

„Wat heb je toch kranige kerels onder die arabieren,” zei, onder het
napraten, een jong officier, ook ’n bestuurslid.

Het gezicht van John Silver betrok; de opmerking, dat zag hij, was
rechtstreeks tot hem gericht, en hij zei: „Ja,” niet voornemens verder
iets te zeggen.

„Ik zag er van morgen één bij u het erf afkomen,” ging de luitenant
voort, „’n mooie kerel, een kranig type. Jongens, ’n bataljon van zulke
kerels, dat moet ’n gezicht wezen.”

„Hij had zaken met me gedaan,” zei Silver haastig. „Zulke kerels komen
nooit in mijn huis of zij moeten zaken hebben met mij persoonlijk. Het
is gemeen volk.”

„Och, waarom zouden ze gemeener zijn, door de bank, dan ander volk?”

„’t Zijn bedriegers en oplichters.”

„En dan,” viel de postcommies in, „zijn ze gevaarlijk bij inlandsche
vrouwen; met hun praatjes en hun mooie kleêren en hun gescharrel in
preciosa, hebben ze al menigeen ’n koopje gegeven. Neen, ik ben het met
mijnheer Silver heelemaal eens.”

Maar de luitenant was een aanhouder.

„’t Is beroerd voor wien het treft; maar de inlandsche vrouwen kan ik
waarachtig geen ongelijk geven.”

Silver en de postcommies, beiden indo’s, zwegen daarop; het was een
gedachtengang, waarin ze niet treden konden; beiden hadden belangen te
verdedigen, waarbij van onpartijdigheid of objectiviteit geen sprake
kon zijn; het ontbrak er nog maar aan, dat zij die smerige kerels
gingen voorspreken, hun gedrag vergoelijken; de njai’s, die hun
meesters bedrogen, rechtvaardigen;—zij zwegen in stille
verontwaardiging over zooveel onzin.

Inwendig was Silver woedend. „Kom,” zei hij, zijn cognacje leeg
nippend, „het is alweer tijd.”

De anderen vonden dat niet; zij beproefden hem te „lijmen,” maar het
ging niet; hij voelde zich, zei hij, niet erg „lekker,” en met zijn
sluippasjes scharrelde hij den strandweg op naar huis, geplaagd
onderweg, door het denken aan dien Arabier, die hem nu weer even erg
als ’s ochtends door het hoofd maalde.

Vlak bij zijn huis kreeg hij een schok van schrik; het scheen hem, dat
hij een groote, in de schaduw wegsluipende gedaante had gezien.
Spiedend stond hij een oogenblik stil, deed zijn schoenen uit, nam ze
in de hand en ging toen zachtjes, op de teenen loopend naar boven;
zonder geluid kwam hij het huis en z’n slaapkamer binnen, greep met
bevende hand het geladen geweer en ging ermee naar buiten.

Zijn njai, die op een baleh-baleh lag te slapen, was even wakker
geworden; zij zag hem in het maanschijnsel de kamer uitgaan, het geweer
in de hand. Met een ruk keerde zij zich op haar andere zijde; in een
geeuwtje als ’n zucht, zei ze zacht: orang gila, en sliep weer rustig
in.

Wezenlijk spookte het John Silver allervreemdst in het hoofd; zijn
woest jaloersche aard, het fantastisch licht der omgeving, op een uur
dat hem anders reeds lang slapend vond; de cognacjes, die hij
„welstaanshalve” had gedronken, maar waartegen zijn teatotalers gestel
in ’t geheel niet kon, dàt, en een ongeregelde verbeelding, nimmer
ingetoomd door opvoeding en onderricht, speelden hem parten. Met het
geweer in de hand ging hij voorzichtig en stil naar beneden,
rondsluipend, loerend, telkens aanleggend en op het punt te vuren, als
hij meende iets te zien in de slagschaduwen der overstekende daken.
Maar telkens was het niets of iets heel gewoons, dat voor ’n moment
schaamte over hem komen deed.

Tot hij weer naar boven sloop om over de balustrade van de voorgalerij
te loeren naar het niets, dat, als een realiteit in zijn hoofd gevaren,
voor hem gelijk iets was; maar de terugwerking kwam; zijn hoofd zonk op
den breeden houten rand, en hij sliep in, het geladen geweer tegen de
stoelleuning.



DERDE HOOFDSTUK.

EEN TREURIG VOORVAL.


Huiverend werd hij wakker; de sterke uitstraling van den drogen bodem
had de temperatuur doen dalen, en als indo beter kunnend tegen warmte,
dan tegen ook slechts betrekkelijke kou, ging hij slaapdronken en zich
schurkend in zijn kleeren naar bed en sliep er behagelijk den
achterstand bij, van een half doorwaakten nacht.

Die was nog niet geheel voorbij, toen er al beweging kwam in huis. De
huishoudster, die den algemeenen bijnaam had op het plaatsje van njai
Peraq, stond als elke inlandsche vrouw, vroeg op; de kinderen dwaalden
dan al lang door het huis en op het erf rond, in het duister nog,
badend aan den put, of sufferig ergens neerzittend, kijkend den
aanlichtenden dag tegemoet.

Ditmaal had een hunner een merkwaardige ontdekking gedaan, en met hun
drieën liepen ze zachtjes, om hun vader niet te storen, naar voren en
gingen om het jachtgeweer staan, vol bewondering elkaar lachend
aankijkend en toefluisterend nu en dan, de oogen vol van een tot
beweging sporenden jool, die hen dan eens deed inzinken op de hurken,
dan met een sprongetje omhoog gaan; den geweerloop aaiend en rakend aan
den trekker, aarzelend en eenigszins bang eerst, maar telkens
familiaarder met het heerlijke ding, het geweer.

Ze namen het met moeite op en vonden het zwaar; de kleinste, ’n meisje,
kon ’t niet beuren. Maar de grootste kreeg het op den schouder, en met
z’n bloote voeten marcheerde hij in nagebootste soldatenhouding ermee
op en neer, nagekeken door zijn broer, vol afgunst en bewondering; toen
die op zijn beurt ’t mooie wapen wilde hebben, kregen ze ruzie, stil,
om pa niet wakker te maken, maar toch woedenden twist met
scheldwoorden, trappen en stompen, en trekken en rukken vooral aan ’t
geweer, dat toen afging met ’n harden slag en hun uit de handen viel.
En dan een verschrikkelijk geschreeuw van het zusje, dat bloedend op
den grond lag. De jongens weg, de trap af, woest door de bloemstruiken,
over de pagger, het veld in, voortvliegend, weg, weg....

Het was een heel gedoe! ’t Plaatsje was er vol van. De moeder, het
eerst bij het gewonde kind, had het in haar armen genomen en was hard
den grooten weg opgeloopen, naar den dokter; John Silver, in ’t eerste
oogenblik van schrik-ontwaken als verlamd, rechtop in z’n bed, kwam,
toen ze al het erf afliep. En hij aarzelde een oogenblik, wel
begrijpend dat er iets akeligs gebeurd was, maar zich niet precies
kunnende voorstellen wat; ook niet geneigd op den publieken weg het
spektakel te vertoonen, van zijn huishoudster met het getroffen kind in
de armen voorop en hij haar achterna. Maar hij moest iets doen, en
schreeuwend tegen een baboe, vroeg hij haar, wat er gaande was. De
sinjo’s hadden met het geweer gespeeld, het was afgegaan en nonni was
gewond. Waar waren de sinjo’s? Ja, dat wist ze niet. Nou, hij zou ze
dan wel vinden, die smeerlappen! En, zich opwindend in die richting,
haalde hij een rotan uit zijn kamer, doorzocht het huis, de bijgebouwen
en den tuin, waar hij aan de vernieling van eenige mooie opkomende
planten zag, dat ze waren weggeloopen. De handen boven de oogen, keek
hij over de weidevelden; nergens zag hij het wit van hun baadjes.

En dreigend de rotan schuddend, vloekte hij, en zwoer dat hij ze dood
zou ranselen, als ze terugkwamen. Maar nu moest hij wel naar den
dokter; hij kon niet wegblijven; en hij kleedde zich, zonder haast,
verlegen en beroerd over het heele geval; in zich zelven scheldend op
die vervloekte ondeugende jongens, die hem nu weer zoo’n geweldig
koopje gaven.

Toen hij aankwam aan het doktershuis en met een vertoon van drukte en
veel praatjes binnentrad, werd hem eenvoudig door een: stt! het zwijgen
opgelegd.

De controleur was er ook; zijn njai stond huilend bij het bed, waar de
geneesheer het werk deed; er waren nog een paar heeren van de plaats;
Verlande ook met diens vrouw, die hielp het gewonde kind zoo te houden
als voor de behandeling noodig was, en tusschen de stilte in de
schreeuwen van het kind, als de pijn hevig stak.

„’t Zal alles wel losloopen,” zei de dokter, opkomend uit zijn voorover
buigen, „maar het ééne oog is ze kwijt. Daar helpt niets aan.”

Men vond het verschrikkelijk; de dokter ook; heel onvriendelijk keek
hij Silver aan.

„Hoe is het mogelijk,” zei hij, „dat iemand zoo onverantwoordelijk
onvoorzichtig kan zijn.”

„Ik was in slaap gevallen,” zei John.

„Maar wie zit nu ’s avonds in de voorgalerij met ’n geladen geweer.”

„Ik wou.... kalongs schieten.”

„Kalongs schieten!” riep minachtend en ongeloovig tevens de controleur.
„Iets voor aankomende jongens.”

„Hoe dan ook, het is meer dan erg,” zei de dokter weer, „iemand, die
kinderen heeft, mag een geladen geweer niet onbeheerd ergens in zijn
huis laten.”

Dàt was iedereen met hem eens; John Silver kreeg den wind van voren op
een gruwelijke manier; hij voelde, dat zijn „prestige” erg geschokt
werd, toch blij, dat hij er nog zóó afkwam. Met een arme
zondaarsgezicht liet hij de „standjes” langs zijn koude kleeren gaan;
het kind was niet dood; men geloofde ten naasten bij aan de
kalongs,—het viel betrekkelijk alles nog mee.

Aan zijn huishoudster had hij verder heelemaal niet gedacht; men houdt
daar zoo geen rekening mee; en niets verbaasde hem meer, dan de
schrikkelijke manier waarop ze hem aanviel, toen ze, het kind bij den
dokter latend, terugkwamen thuis.

Zij schold en hoonde hem; zij maakte hem in het maleisch uit voor al
wat leelijk was.

Verstomd had hij in het eerst naast haar voortgeloopen, totaal in de
war over het ongelooflijke feit, dat zij zoo tegen hem, haar heer en
meester, te keer durfde gaan.

Ze was in hooge mate zenuwachtig en opgewonden. Toen, gaande met haar
langs de bijgebouwen, terwijl ze scheldwoorden als ’t ware vallen liet
uit haar mond, hij, kwaad, een bezemstok greep, dreigende haar te
slaan, vloog ze als razend de keuken in, nam er een mes en kwam op hem
af.

John Silver sloeg vastberaden op de vlucht en sloot de deur zijner
kamer achter zich; orang takoetan! schold zij hem na.—

Hij bekwam er niet van; de toestand drong niet tot hem door. Twaalf
jaren had hij die vrouw in huis; altijd was ze rustig geweest,
gewillig, onderworpen; hij had haar, als hij boos was, aller lei
leelijks naar het hoofd gegooid, zonder dat ze ooit veel weerwerk gaf;
hij had haar gestompt en geslagen, zonder dat ze in al die jaren aan
verzet had gedacht; en nu er een „ongeluk” was gebeurd, nu was ze zoo
„recalcitrant!” Ze zou hem dat mes tusschen de ribben hebben gestoken,
hij had het duidelijk gezien aan haar gezicht; een angstig gevoel kwam
over hem, als hij er aan dacht.

Zij was gek, dacht hij; het ongeluk met het kind had haar gek gemaakt.

Een oogenblik pikirde hij erover haar weg te jagen, een oogenblik
slechts; wat zou er van zijn huishouden worden? en dan de kinderen,
en.... de menschen?

Zijn bekrompenheid zag alles in een onzuiver licht. Hoe de haat der
inlandsche vrouw zoo tegen hem was uitgeslagen, bevroedde hij in het
minst niet.

’s Middags ging hij bij den dokter informeeren naar het kind, dat
redelijk wel was en maar weinig koorts had; en hij deed zijn beklag;
die vrouw had hem willen doodsteken, wat moest hij doen?

„Wel niks,” zei de dokter. „Ik vind het zeer natuurlijk.”

„Natuurlijk?”

„Zeker, U zult niet ontkennen, dat u de hoofdoorzaak bent van het
gebeurde.”

„Wat deden de kwajongens eraan?”

„U hadt het wapen moeten meenemen en opbergen. Kinderen zijn kinderen;
niet waar? Dus nog eens, u bent de oorzaak.”

„In Godsnaam dan,” zuchtte John Silver, vol gebrek aan schuldbesef.

„De vrouw mag een inlandsche zijn, zij is in de eerste plaats moeder.”

„En ik vader.”

„Het kan zijn, maar dat is niet hetzelfde; u hebt haar kind een ongeluk
bezorgd; daarvoor zou ze u kunnen vermoorden.”

Maar John Silver begreep er niets van, dan dit ééne: dat de dokter
blijkbaar twijfelde aan zijn vaderschap! Zou hij misschien iets weten
of.... vermoeden?

„Ik geloof,” zei hij, „dat ze altijd een brave vrouw is geweest.”

De ander haalde de schouders op, niet meer denkend aan het losgelaten
woord buiten den gesprekszin.

„U zei,” ging John Silver voort, „het kan zijn. Wat bedoelde u daarmeê?
Weet u ook soms iets.... iets....”

Hij vulde het aan met de uitdrukking van z’n gezicht, die den dokter
even duidelijk was, als ’t hem walgde dat zoo’n man, in plaats van
eenig gevoel te toonen voor de verwonding van zijn kind, of begrip van
de rechtmatige grief der vrouw, als een klis bleef hangen aan zoo’n
idee.

„Ik weet in ’t geheel niets,” zei hij norsch, kortaf en boos. „Ik weet
alleen, dat het mijn tijd wordt voor de inspectie in het hospitaal.
Adieu!”

Het was een formeel congé, dat John Silver erg hinderde; men had op de
plaats niet de gewoonte hem zoo cavalièrement en uit de hoogte te
bejegenen; hij werd nogal ontzien om zijn geld; en na dit gevalletje
was iedereen tegen hem in ’t harnas. Onder het naar huis gaan pikirde
hij daarover, en hij begreep er niets van, totaal niets. „Wat hebben ze
toch tegen mij?” vroeg hij zich zuchtend af.

Het zou nog erger worden.



VIERDE HOOFDSTUK.

NIET ZONDER REDEN JALOERSCH.


’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle
kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen
keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in
doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed, bingoeng van al wat
hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn
kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg”
waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en
in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.

Zij had er pleizier van en lachte hem uit.

In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien
palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de
jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem
verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met
een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar
doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich
achter de stores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de
hulp in te roepen van den controleur.

Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het
„ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens de plat du jour geweest;
iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren,
achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit
jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en
niet om kalongs te schieten, maar Arabieren.

Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.

Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat
hij jaloersch op haar was, kon er niet meê door; en dan zóó erg, dat er
moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind
als slachtoffer was gevallen.....

De controleur zei ’t hem ronduit.

„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook
op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik
genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”

Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den
schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet
dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het
uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de
„smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de
huishoudster.

Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.

De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig
buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.

„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.

„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel
wordt gedreven. Ga maar heen.”

„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het
is beter geld te verdienen.”

„Misschien later.... nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”

Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te
binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt....”

„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”

Hij knikte maar, om van den vent af te komen; de arabier groette, even
rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster
ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze
hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen
demonstratie inniger had kunnen zijn.

Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich
voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie met
njai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met
dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze
bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want
iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en
gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet
bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had
gesnapt.

Nu wilde zij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan
vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans
eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.

„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf
af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”

„Het is niet noodig.”

„Zijn ze dan terug?”

„Nog niet; ik heb een soeroean gehad van mijn oom; daar zijn ze en ze
kunnen er wel blijven tot morgen.”

Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef
een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een
beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.

Doch het hielp niet.

In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle
bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn
rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent” à faire had genomen.

En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president
blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op
gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en
anders met kracht van algemeene stemmen.

’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, die kasian met hem had, en
ook zoo’n arabieren-fresser was, Silver zou bewerken om z’n ontslag te
nemen.

Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.

De moeder nam een rotan en sloeg maar raak; daarop hadden de jongens
vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en
zij hun adoes uitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te
zijn; maar ineens begon het opnieuw met de rotan; zóó ging het voort
alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend
en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en
kwellingen dreigend. Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou
hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun
wilde doen.

„O.... Meier.... pardon.... Ik had je niet gezien.”



VIJFDE HOOFDSTUK.

DE IN ONGENADE GEVALLEN PRESIDENT.


Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen
ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; de njai ging in
haar kamer en bergde de rotan op; de jongens veegden met de
baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend
naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne
oog had toegekeken bij de strafoefening.

„Ik had je even alleen willen spreken.”

„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was
gaan zitten, ging Silver voort: „Een sigaar?... Niet... ’n sigaret
dan... iets gebruiken? ’n glas bier?... ’n brandy soda?...”

Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan
z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte
diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.

„Er is over die perkara veel gesproken.”

„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten, hier
meneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu
juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in
slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren... wat? één uur?...
twee en een half uur; soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”

John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies,
uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.

„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat het kalongs waren?”

„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn
djamboes op.”

Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.

„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”

John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit
zei; die begreep hem immers. Hij deed het.

„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen
niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als
president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan
hou je de eer aan je zelven.”

John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die
zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes
maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor een fait
accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de
beteekenis van; zelf had hij, zeer ad rem, als president wel eens
gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”

Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.

„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken... Nou
hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag
niet; ik neem het; vandaag nog.”

Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn
lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t
huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter
zijn rug onder totoks dikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van
’t grootste gewicht; zijn eenige sociale raison d’être. En daarvan
moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van
Hadramaut!

Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven
en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij,
uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.

Het was als een openbare aankondiging van zijn val.

Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen.
In de societeit kwam hij niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij
niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen
vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als
begrensd door de pagger van zijn tuin.

De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering
gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen
waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer,
wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den
indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.

Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem
en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij
het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, dien njai
Peraq tegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na,
wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner
huishoudster.

En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch spoedig volgen zou, had
hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend
inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al
kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig
worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk
geschoten oog, of hij hoorde de stem van njai Peraq, die nu altijd
brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.



ZESDE HOOFDSTUK.

HET VIERDE KIND.


De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om
het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half
duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even
gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen
vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij
voorloopig welletjes.

Nu de baboe hem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een
kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken,
zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept in een stille
studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in
godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en
dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart
wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen!
Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en
als vragend keek hij de baboe aan, die met een klein glimlachje de
oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.

„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.

De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij
wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met
een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl
Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.

Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed
geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige
apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon hij toch onmogelijk
de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te
dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij
vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over
„spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijn njai zich had
„verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende
rozenstruiken op een bankje in den tuin had zitten pikiren, gelijk aan
een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer
en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend
nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen
en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid
schoot toe; John Silver stond op en ging heen.

Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de
mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn
gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n
pogingen tot zelfovertuiging ineens doen mislukken. Hij beproefde het
niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.

De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn
bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens
stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te
doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat
waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was;
dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar
Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij
wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die
hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd
hadden. Van dat alles niets dus; maar wreken moest hij zich op de een
of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.

Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den
rand van zijn stroohoed in zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende
stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte;
achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de
palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John
Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op
het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?

Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig, te eenvoudig naar zijn zin;
hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer
gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moeten
pikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was,
hij zou het dat wel maken. Door zijn trouvaille kwam hij weer
eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het
niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende
zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit
zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog
opvlammend bij de paar trekken, weerkaatste hel in zijn glinsterende
oogen.

Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen
onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een
ook maar eenigszins presentable vrouw.... Nu niet.

Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den
dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij
de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat
Silver beslist weigerde.

Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen
zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en
bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend
bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.

En zóó bleef het.

Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam
als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit
aanraakte, als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de
grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen;
hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht
ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.

Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij
verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem
twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke
magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den
dag anders, grooter en kloeker werd.



ZEVENDE HOOFDSTUK.

ADAM WORDT EEN KNAPPE JONGEN.


Door de eenvormigheid en het eentonige van het Indische leven stapte de
Tijd met groote, snelle schreden. Adam Silver werd ’n jongen van zes,
zeven jaar; een mooie jongen, slank en sterk gebouwd, met iets ernstigs
door het groote voorhoofd, de zware wenkbrauwen en de dikke lange
wimpers; njai Peraq was erg oud geworden de laatste jaren; de arabier
had zijn handel naar elders verplaatst, Silver liet haar voor wat zij
was; dus, als vrouw verwaarloosd, deed zij dat ook haar zelve; zij zag
er nu leelijk en vervallen uit; een goede menagère bleef zij; het kon
in een huis niet zuiniger en geregelder toegaan dan in dat van John
Silver; en zij maakte ook geen onderscheid in de behandeling harer
kinderen; Adam scheen voor haar evenveel of weinig als de rest.

Maar hij moest schoolgaan, zei ze, zooals de andere jongens en daar kon
Silver niets tegen inbrengen.

„Waarom stuur je hem er niet heen?” vroeg zij.

Hij dacht een oogenblik na.

„Ik wou hem graag meer laten leeren.”

Verwonderd keek ze op.

„Waarom? Is het niet genoeg? De jongens schrijven mooi. Al kan ik het
niet zelf, ik zie het toch wel. Zij kunnen heel goed rekenen; als ik
hun vraag de rente uit te rekenen van geld, dat ik heb geleend, kunnen
ze het dadelijk; zoo gauw, zoo gauw op hun lei,—haast net zoo gauw als
een chinees met de balletjes.”

Maar hij glimlachte over haar domheid en schudde het hoofd.

„Het is niet genoeg, tegenwoordig; de menschen worden zoo knap; het is
voor Adam niet genoeg.”

„Waarom voor hem niet?”

„Hij is erg pienter.”

Ja; dat vond zij ook; hij kon soms heel wijs praten voor een kleinen
jongen.

„Wat wou je dan?”

„Hier niet; hier is het maar een kleine plaats. Ik meen te Batavia.”

Het beviel haar niet. Was Silver gek geworden? Zij wist wel, dat
residenten en rijke planters hun kinderen naar die scholen te Batavia
zenden; maar hij, die zoo zuinig was,—en dan zij zelf, vooral niet
minder dan hij op de penning....

„Je wilt hem daar toch niet heen zenden?”

Silver knikte van ja, nadenkend voor zich heen kijkend, de kin steunend
op de handpalm, in gedachten voortwerkend aan zijn plannen.

„Het gaat niet,” zei ze, „het zou te veel kosten.”

„Wat te veel kosten?” viel hij met zijn oude zenuwachtigheid ineens
uit. „Heb ik geen geld genoeg? Zou ik geen jongen...” Een oogenblik
hield hij stil; hij had willen zeggen in zijn driftig spreken: „een
jongen van me,” maar dat wilde er niet uit... „Zou ik geen jongen naar
Batavia kunnen sturen? Wel, dat is mooi!”

„Mooi... niet mooi... Het kost veel geld.”

„Soedahlah! Wat komt het erop aan. Hij zal wel knap worden, denk ik;
hij heeft al ’n beetje lezen geleerd, nu, heelemaal uit zichzelven.”

Dat was waar: zij wist het en had er tegen bedienden en andere
inlanders al dikwijls op gebluft; als het geld haar niet zoo na aan het
hart had gelegen, door haar pure liefde voor het geld, zou zij dadelijk
hebben toegegeven. Nu praatten zij er nog dikwijls over; zij, altijd
met hetzelfde bezwaar, wetend, dat het ook een zwak punt van hem was;
maar hij, tot haar verwondering, ineens zoo scheutig met geld voor
Adam’s opvoeding.

Zonder iets te zeggen, had hij al geschreven naar een ouden sobat te
Batavia; twee dagen had hij over den brief gesteld, met de
zweetdroppels van geestelijke inspanning op het voorhoofd; ten slotte
was hij zeer tevreden over zijn werk en vond zich pienter. Er moest,
had hij geschreven, „een kleine jongen” op school worden gedaan, en de
vriend werd verzocht ervoor te zorgen; de „kleine jongen” moest op de
beste school; hij moest van alles leeren, goed gekleed gaan, en zoo
Europeesch mogelijk worden opgevoed; wat het kostte deed er niet toe.

Toen het antwoord kwam, dat voor alles zou gezorgd worden, mits hij
maar doewit zond, ging Silver weer aan het schrijven; de regeling der
geldzaak was zijn minste zorg, die was met een paar korte briefjes, nog
denzelfden dag, dien van aankomst en sluiting der mail, in orde.

En eerst daarna zei hij aan njai Peraq, dat alles beslist was; dat Adam
met de volgende mail naar Batavia werd verzonden, en de oude mandoer
Kasim hem maar moest brengen. Zij vroeg wat het kostte, hij loog de
helft goedkooper. Toch stak ze de dikke bruine armen verschrikt omhoog:

„Waah! zooveel geld voor zoo’n klein kind. Het tractement van een
opziener blanda.”

„Als hij knap is naderhand, verdient hij het honderdmaal terug.”

Zij ging heen, hoofdschuddend en ongeloovig. Om die knapheid moest zij
lachen. Daar waren de europeanen zoo dol mee! Hij anders niet,—nu
ineens wèl voor Adam. En ’t mocht wat! Zij was maar een domme
inlandsche vrouw, maar hoeveel verdiende zij niet! Het gaf alles niets
dan soesah; hoe knapper, hoe meer soesah!

Zoo mopperde zij door, in de goedang en in de keuken, hardop, meteen
vertellend het geval aan de nieuwsgierig luisterende bedienden; die, in
stilte staanden, de koetsier bij zijn emmers om de gabah te ontvangen,
kokki bij haar kommen en bakjes voor rijst, olie en boemboe, een luie
baboe tegen een deurpost,—die dachten allen éénzelfde gedachte: waarom
was toean toch zóó gesteld op dien sinjo Adam? Waarom wou hij dàt kind,
dat het zijne niet was, dus bevoorrechten boven de anderen, en er
zooveel geld aan ten koste leggen, terwijl zijn eigen jongens haast
geen fatsoenlijk baadje aan het lijf hadden.

Njai Peraq zelf dacht daar heelemaal niet aan; haar gemoedelijke
onverschilligheid tegenwoordig voor alles wat geen geld was, wischte
veel uit haar herinnering; zij had zich afgewend, ook in haar
gedachten, oude koeien uit de sloot te halen; het gaf niets; het bracht
niets op; de kinderen waren de kinderen en daarmee uit. Ze ging weer
terug naar Silver.

„Hoe moet het met zijn pakéan?”

Hij had er niet aan gedacht, ’t kon hem ook niet schelen.

„Dat komt terecht.”

„Ik moet toch iets hebben om hem aan te kleeden, hij kan toch zóó niet
aan boord.”

„Zanik niet!” riep Silver barsch; „doe maar zooals je wilt.
Traperdoeli, maar zanik niet.”

De waarheid was, dat zij hem stoorde in het zoeken naar een akal; hij
moest er iets op verzinnen, om weg te komen vóór het vertrek van de
mailboot.

Op een avond schudde hij haar wakker.

„Ik heb een brief gekregen. Sta op.”

Slaapdronken en geeuwend streek zij met beide handen de grove zwarte
haren zich uit het gezicht, en haar: apa lagi? klonk als een:
vervelende vent, wat mot-je nou weer?

Hij hoorde het wel, maar ging op zijn druktetoon voort:

„Heb-je ’t niet gehoord? Ik heb een brief gekregen. Er is op de perken
een ongeluk gebeurd. Onze administrateur ligt te sterven. Ik moet er
dadelijk heen.”

’t Kon haar wezenlijk niet schelen; als zoo’n man dood ging, nam men
een ander! Doch ze wist wel, dat andere menschen drukte maakten over
zulke dingen.

„Maak me gauw wat eten en drinken klaar voor onderweg; ik heb al ’n
boodschap gestuurd om ’n prauw.”

Een half uur later was hij weg met het inlandsch vaartuig onder goeden
wind; en hij lachte tevreden in den mooien sterrennacht, wiegelend op
de zachte golfjes, achterover in een langen stoel den rook van zijn
strootje omhoog blazend. Zij had er niets van gesnapt, dacht hij, en
dat had ze ook niet. Op de pasar vertelde zij luid, dat mijnheer Silver
plotseling naar de perken had moeten gaan, wijl de administrateur heel
ziek was.

Wie is het? vroegen de europeanen, toen de bedienden met het nieuwtje
thuis kwamen; maar men kende hem niet; het was een nieuwe van de andere
zijde der eilanden; wat gaf men om een onbekenden man?



ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE KNAAP VERTREKT NAAR BATAVIA.


Toen njai Peraq haar zoontje aan boord bracht, zag zij ook mijnheer
Verlande, die met vrouw en kinderen, naar Batavia ging; zij wist wel,
dat hij daar ging wonen en zaken doen. De eenige bagage van den kleinen
Adam bestond uit een boenkoesan katoenen goed in een oude sarong
geknoopt; verder had njai Peraq hem netjes aangekleed met een vuurrood
kieltje aan, een meisjes stroohoed op met groene en gele bloemen
gegarneerd en een kort broekje met een sarongstrook eraan; de mooi
gebouwde jongen had onder dezen door alle inlanders zeer bewonderden
opschik, meer van een grooten kermisaap, dan van een kind: de
Europeesche passagiers lachten erom.

„Laat hem maar bij mij blijven,” zei mevrouw Verlande goedig; „ik zal
onderweg wel voor hem zorgen.”

En wijl nu dadelijk daarop de niet-passagiers van boord moesten, sloeg
njai Peraq ineens over tot een woest vertoon van droefheid, dat de
Europeanen ontroerde, en hun de menschkundige opmerking ontlokte, dat
een moeder toch een moeder blijft.

Mevrouw Verlande was Adam’s moeder niet, maar meer en beter in dit
geval; het eerste, wat zij deed, toen de boot onder stoom liep, was den
jongen meenemen naar haar hut, hem ’t apenpakje uit, en ’n proper
broek-en-baadje aandoen. En zij bleef voor hem zorgen, tot groote
vreugde van den mandoer Kasim, die met andere inlandsche mannen en
vrouwen een gezelligen dobbelkring vormde op het luik van het laadruim,
zonder zich ooit over den sinjo te bekommeren.

En zoo Adam wel eens dacht in zijn gewoon kinderleven,—hier in deze
nieuwe omgeving, waar alles zoo vreemd was en zoo mooi, had hij daar
geen tijd voor, de aandacht heelemaal in beslag genomen door de zee,
het schip, de beweging. Met de jongens van Verlande had hij een nooit
gekend pleizier; hij dacht aan niemand; niets hinderde hem; eten,
slapen, pret maken!

Op de school te Batavia was dat anders. Daar leefde het kind
aanvankelijk als in een roes; de orde en gelijkmatigheid in dit bestaan
biologeerden den aan haast volkomen vrijheid gewonen knaap. Maar hij
verlangde niet terug naar huis; zijn sterk lichaam en aan physieke
ontwikkeling hard werkende organisatie, eischten veel en goed eten;
meer dan de rijst en een kleinigheid, die thuis zijn rantsoen waren;
hij verslond het vele en krachtige voedsel, waarvoor anderen dikwijls
den neus optrokken, niet omdat hij ’t lekker vond, maar uit aandrift
door behoefte.

Er kwamen berichten over Adam bij John Silver, geregelde korte
mededeelingen van den directeur der school; ongeregelde maar uitvoerig
van mevrouw Verlande, die van den jongen was gaan houden, en hem op
vrije dagen bij haar aan huis liet komen om te spelen met de kinderen.
Silver beantwoordde de eerste een enkele maal; hij vond, dat ze als
„dienst” vielen te beschouwen; maar om te toonen, dat hij „beleefd”
was, schreef hij altijd dadelijk aan mevrouw Verlande, met
dankbetuiging voor haar vriendelijkheid ten opzichte van „den kleinen
jongen” of van „Adam,” dàt wisselde hij zoowat om en om.

In gewone omstandigheden waren de berichten niet bepaald gunstig; zoo
hij een vroolijk klein kind was geweest in de oogen van John en njai
Peraq,—hij was geen „knappe jongen” voor zijn onderwijzers; van een
bijzonderen aanleg bleek niets en lust tot studie ontbrak haast geheel;
alleen was hij goed van aard; niet lastig of slecht van karakter;
vooral was hij gezond; koorts en cholera-epidemieën hadden gewoed en de
school kreeg haar onvermijdelijk deel,—maar wie ook ziek werd, Adam
Silver niet; hij groeide tegen alle invloeden rustig en lustig op tot
een grooten sterken boy, met op z’n twaalfde jaar de eerste
geprononceerde beginselen van een knevel, wat hem van vele
medescholieren de achting en de gunst bezorgde.

Het was John een raadsel. Hoe kon een jongen, die uit zichzelven lezen
had geleerd, zoo’n stommeling zijn als de directeur schreef en mevrouw
Verlande bevestigde? Deze vraag had John zich wel honderdmalen gesteld.

En het trof zoo eigenaardig, vond hij, dat z’n andere jongens precies
zulke stommelingen waren, als die vervloekte Adam.

Indien ’t kind nu toch eens van hem was geweest en niet van dien
hadramautschen hond?

Hij had er lang over gepikird; hij had boeken laten komen, waarin hij
weer dacht de natuur op bijzondere „spelingen” te betrappen; het hielp
niet; òf de natuur speelde er niet meer mee, òf hij, Silver, begreep
het niet... Hij beproefde een gesprek over zulke dingen met njai Peraq,
maar die keek hem erg dom aan, metterdaad volstrekt niet begrijpend,
wat hij bedoelde, en zich bepalend tot een herhaald en alles afdoend:
barang kali. Het duurde tot in een harer brieven mevrouw Verlande
gekscherend melding maakte van Adam’s aankomenden knevel. Daar schrok
hij van! Voor een der verweerde spiegels in zijn voorgalerij bekeek hij
door zijn bril aandachtig zijn gezicht; en toen een van z’n jongens—de
oudste werkte al „op” de perken—met hem rijst zat te eten, lette hij
ook aandachtig op diens bovenlip; maar het mocht wat! Geen spoor!

Neen, die gebaarde duivel zou nooit, zoolang hij, Silver, leefde, zijn
huis als zijn zoon betreden! Mevrouw Verlande hield zooveel van hem en
zij schreef erover, dat ze met haar man naar Holland ging,—wel, ze
moesten dien vervloekeling dan maar meenemen. Het ging hem wel aan ’t
hart, want het zou een „hoop” geld kosten, maar aan den anderen kant
was het toch ook aardig en speelde het geheel in ’t spel, dat hij nu al
jaren geduldig volgde, en waarvan hij zelf wel niet zeker was de
resultaten te zullen zien, maar waarvan hij dan toch zoo goed als de
zekerheid had, dat het doel zou treffen.

Hij schreef een vriendelijken en onderworpen brief aan mevrouw
Verlande; hij beklaagde zich over de slechte tijden; hij bezwoer haar,
dat, zoo Verlande al goede zaken maakte met zijn aandeelen in
landelijke ondernemingen, hij, Silver, niets dan tegenspoed ondervond;
maar hij zou alles willen opofferen om Adam een goede opvoeding te
geven.

En mevrouw Verlande, het alles opnemend voor goede munt, was er
ontroerd door. „Het is toch heel mooi van zoo’n man,” zei ze tot
Verlande.

Maar Silver kon hem, wat de dubbeltjes betrof, niets wijs maken.

„Nou ja,” zei hij, „’t is heel wel, dat hij den jongen naar Europa wil
zenden, maar om het geld behoeft hij het evenmin te laten als ik.”

Er tegen had Verlande overigens niets. Hij schreef Silver om het geld
te zenden en eenige stukken; het geld alleen volgde, en daar dit de
hoofdzaak was, liet men het erbij. Maar John Silver waren die twee
duizend gulden als van ’t hart gescheurd. Met den leeftijd werd hij
gieriger. Als hij nu nog had moeten beginnen met zijn plannen van
vroeger,—hij zou het niet hebben gedaan; hij zou Adam precies hebben
behandeld als de andere kinderen. Het kostte hem wat, toen hij nu erop
uit moest met de kostelijke twee mille in den zak, om er een
gouvernementswisseltje voor te koopen!

Voor geen geld zou hij het njai Peraq hebben verteld; het huis zou een
hel zijn geweest, dag in dag uit.

Nu, echter, kon hij niet meer terug. En de ambtenaren op het kantoor
hadden hem geprezen; geen sterveling was meer op de plaats van hen, die
er twaalf jaren vroeger waren; niemand wist iets van de oude, bij slot
van rekening toch onbeduidende perkara. Alleen stond Silver bekend als
een woekeraar, die geld schoot aan europeanen, arabieren en inlanders,
tegen fabelachtige rente, of met knoeierijen van koop en verkoop van
huisjes met recht van wederinkoop. Nu, dàt deed hij. De termijnsgewijze
terugbetaling van het geleende geld heette de uitoefening van dat
recht; maar, bij één termijn verzuim verviel het, en dàt was, vooral
bij inlanders, de speculatie; zij verzuimden ten slotte toch altijd wel
eens te betalen, en dan waren Silver of zijn njai erbij als de kippen
om de levering te eischen van het aan hen „verkochte” huis. Dit alles
was bekend, maar toch vond men het mooi van „zoo’n man,” dat hij
zooveel over had voor de opvoeding van een zijner zonen.



NEGENDE HOOFDSTUK.

LAAGHARTIGE WRAAKZUCHT.


„Wij vertrekken morgen met de Conrad,” schreef mevrouw Verlande later,
„en wij zullen goed voor A. zorgen; hij zal ons geen last aandoen, want
hij is een beste jongen. Ik denk wel, dat het in Holland met het leeren
beter zal gaan, dan hier; het klimaat eigent zich daar meer tot werken.
Hierbij A’s portret; wij doen u daar zeker genoegen mee; we hebben ook
onze kinderen laten photographeeren, afzonderlijk en in een groep met
A.; wij noemen hem altijd enkel A. en laten dat „dam” maar weg. Van de
groep sturen wij eveneens een exemplaar hierbij. Vele groeten ook van
Verlande: wij hopen, dat gij A. als een in alle opzichten flink jonkman
na zijn leertijd in Indië zult terugzien.”

Wat liep het toch raar in de wereld! vond Silver. Voor jaren had hij
dien Verlande zoo’n stommeling gevonden, omdat hij die pur sang
Europeesche vrouw had getrouwd. Zonder er zich rekenschap van te geven,
was zijn opinie veranderd. Nu had hij een groot respect, voor haar
eenvoudig maar altijd handelend en goed optreden. De enkele maal, dat
hij sprak met europeanen, had hij het altijd over haar; dan blufte hij
er op, dat hij met haar briefwisseling voerde; dan betoogde hij met een
gewichtig gezicht, dat zij een buitengewone vrouw was; dan zou hij
iemand voor stapelgek hebben gehouden, die over zulk een „dame”, zooals
hij zich bij voorkeur uitdrukte, en over een inlandsche huishoudster in
één adem sprak.

De mooie photographieën bekeek hij lang, en hij zuchtte er diep bij:
welk een kerel voor 12 jaar was dat hondenkind! En dat stond daar, zoo
netjes aangekleed—voor zijn, Silver’s, duiten,—met een rustige, breede
bazigheid en brutale aankijkers van oogen, alsof-ie ik weet niet wat
was! De latente haat giste op in John Silver’s hoofd, beliep zijn
oogenwit met gloeiig rood en fonkelde in de lichtende zwarte pupillen;
hij nam van de schrijftafel, waaraan hij zat, een pennemes en stak in
het portret, een kwaadaardigen glimlach om den breeden mond. Daar!
daar! Hij stak in de oogen, in het hart, overal! En eindelijk, toen er
geen herkenbare figuur meer te zien was, lei hij de photographie over
een aschbakje, hield er ’n brandenden lucifer onder en bleef er bij
zitten, telkens met nieuwe lucifers de verkoling doorzettend, tot
Adam’s vernietiging in effigie voltrokken was.

Toen ging hij met de groep in de hand naar de kamer van njai Peraq in
de bijgebouwen; hij moest erom lachen: het „jong” was al lang aan boord
en zij wist nog nergens van! Vol zenuwachtige drukte, maleisch
rabbelend buiten al, met den deurknop in de hand, ging hij de kamer
binnen.

„Dat is wat moois, hoor! Die lui doen maar wat ze willen. Heb ik
heelemaal niks meer te zeggen? Ik moet het immers betalen!”

„Apa, toch?” vroeg zij, opkijkend van haar naaiwerk over de dik in
zilver gevatte brilleglazen.

„Wel, de Verlandes hebben Adam meegenomen naar Holland.”

Het liet haar koud. Over de zee, was over de zee. Of het Java heette of
Holland,—’t was volgens haar geographisch begrip alles sama djoega. Was
John weer gek, dat hij daar nu zoo’n leven om maakte?

Hij zag, dat ’t haar heelemaal onverschillig was, en dat hinderde hem;
hij had ’t voor haar verzwegen omdat hij geen ruzie over de onkosten
wou hebben, maar toch ook ’n beetje, wijl hij vreesde, dat zij Adam
vóór zijn vertrek naar Europa, dat hem, die de reis nooit gedaan had
een kolossale onderneming toescheen, zou willen zien; bij al zijn
omgang met inlanders van allerlei soort, mannen en vrouwen, was hij
geen menschenkenner genoeg om ooit anders te oordeelen, dan naar eigen
conventioneel indo-europeesch begrip; en zoo had hij nu ook niet
ingezien, dat voor een inlandsche vrouw, die nooit van de kust was
geweest, waarop ze geboren werd, over de zee, over de zee was.

„Naar Holland,” riep hij met een dringerig stemgeluid, dat moest
aanvullen wat er ontbrak aan woordbeteekenis.

„Soedah, naar Holland; ik hoor het wel; wat maakt het uit, als hij toch
zoover weg is om knap te worden? Ik heb hem niet meer gezien, sinds den
dag, dat ik hem op de boot bracht in zijn mooi rood kieltje. Kasian,
wat weet ik van hem.”

John Silver was achter haar gaan staan; hij kreeg er nu pleizier in;
ja, dat hoorde hij wel aan den toon, waarop ze sprak: ze had op haar
manier er een stil verdriet over. Het was voor het eerst, dat hem dit
opviel, en voor geen geld, hoe lief dat ook was, had hij deze
gelegenheid verzuimd. En hoe het hem ook tegen de borst stuitte een
goed woord te spreken over het „hondenkind,” zoodat hij haast misselijk
werd van zijn eigen woorden, zei hij:

„’t Was een mooi kind, die Adam; hij zal nu wel een knappe jongen
zijn.”

Njai Peraq zei niets; haar bruine door de jaren al slapvleezig wordende
handen, lagen stil in haar schoot op de blauwe en roodachtige
kainfiguren, in de eene het half afgezoomde baadje, in de ander de
naald en draad en glinsterend aan den wijsvinger de zilveren vingerhoed
met aan den top een doorschijnend rooden steen, waarin zacht en doffig
het zonlicht speelde; het was zoo rustig en haast geruischloos in ’t
kamertje, met de gekke spitsneuzige wajangfiguren en de grillige
Japansche strooken aan den wand; met tot achtergrond de groezelig witte
klamboe; met het kleine driftig tikkende amerikaansche klokje op de
tafel, dat de aandacht bezig hield van den grooten zwarten kater, die
onbeweeglijk ernaar zat te kijken, óók op het tafeltje, voor njai
Peraq.

Silver zei eerst niets en begon op zijn matten sloffen heen en weer te
loopen over den roodsteenen vloer.

„Ze hebben me uit Batavia een portret gestuurd van de Verlandes en hun
kinderen; daar staat Adam ook bij; kan je hem herkennen?”

Hij lei de groep voor haar neer, en zij keek ernaar. „Itoe dia,” zei
ze, wijzend met de naald in haar hand. Het kind had ze niet zoozeer
herkend; tusschen het „roode kieltje,” dat ze, nu haast zeven jaren
geleden, had weggebracht naar den stoomer en de beeltenis van dien
grooten sinjo, in een openstaand buisje met ’n vest eronder en ’n lange
witte pantalon, bestond geen verband; maar de kalme somberheid van den
kop en de boeddhistische rustigheid der figuur had, zonder dat ze ’t
zich eerst bewust was, de herinnering tot haar doen spreken aan den
vader.

En naarmate ze langer keek, drong het begrip der gelijkenis meer tot
haar door; het verteederde haar; het deed haar zuchten keer op keer;
het wekte in haar een groot gevoel van teederheid en van verlangen om
dien jongen eens te zien, hem te hooren spreken; en hem te bedienen;
dat laatste vooral.

Terwijl John Silver een nieuw strootje opstak, zag hij, dat ze ontroerd
was, dat er tranen stonden in haar oogen en de blauwige lippen van den
grooten mond strak naar binnen trokken.

„Ja,” zei hij, inwendig genietend, „het is zoo ver naar Holland; zoo
erg ver. Als hij te Batavia was gebleven, hadden we hem nog eens hier
kunnen laten komen. Nou hebben ze hem mee naar Europa, en komt daar
niks meer van.”

„Hoe?” vroeg njai Peraq, die maar half geluisterd had.

„Wel, dat gaat niet. Hij moet daar in Holland leeren.... God weet
hoelang.... Je kunt zoo’n jongen niet eventjes naar hier laten komen.”

„Als wij willen.”

„Hè? Wat willen?”

„Ik zeg: als wij willen. Daarvoor hebben wij toch wel geld genoeg.”

„Je begrijpt niks; je bent maar een dom mensch; al had je een huis vol
goud, zou het nog gekkenwerk wezen.”

„Zullen we dan Adam nooit terugzien?”

„Dat zeg ik niet; misschien wel; als wij niet gauw dood gaan en als hij
met leeren klaar is.”

„Hoe lang?”

„Dat weet ik niet, dat hangt van hemzelf af; als hij goed leert, dan
misschien maar kort, en anders lang.”

„Mag ik het portret houden?”

Een oogenblik aarzelde hij; het was wel aardig om het in een lijstje te
zetten en op te hangen aan den wand, wijl mevrouw Verlande erop stond,
en hij dan bij gelegenheid dadelijk het bewijs kon leveren voor de
goede verstandhouding, waarop hij altijd blufte, tusschen hem en de
familie. Maar het vooruitzicht altijd het gezicht van dat „hondenkind”
voor den neus te hebben, was te erg.

„Och,” zei hij, „als je ’t graag hebt...”

Alsof ze bang was, dat hij van besluit veranderen zou, bergde ze het
portret haastig weg in de groote, groen geverfde ijzeren trommel met
roode banden, waarin achter een chubb-slot meer waardvolle dingen
verborgen werden.



TIENDE HOOFDSTUK.

TELEURGESTELDE VERWACHTINGEN.


Een lage bierkelder, waarin een lang man niet rechtop kon gaan; een
warme broeiige temperatuur, hoog door veel gasvlammen aan den wand; een
benauwende nevelatmosfeer van vervluchtigenden tabaksrook; aan kleine
tafeltjes tegen de witte welvende muren, door aankomende schilders met
schetsachtige teekeningetjes beklad, de gasten, de dampende sigaren
onder de knevels uit, de klepglazen met bier voor hen; tusschen de
rijen in, haastig heen en weer, twee zwarte Jan’s-figuren, de leeren
geldtaschjes om het midden door de witte sloven; nu en dan, als er een
gast kwam of ging, een koele luchtstroom uit de opening der groene
zwaarwollen tochtdeur naar binnen; het ineenloopend geluid van stemmen,
allerlei dooreen, tusschen het drinken; het flauw worden van het
drinken; het brood met Duitsche worst eten, het daarvan dorstig worden
en weer drinken; en boven alle geluid aanhoudend het gemaniereerd
geroep der kellners: één heel, twee half, één knak, een cervelaat,
half!

Doch bij dat alles erg rustig onder Hollanders; half zooveel Franschen
hadden tweemaal zooveel drukte en geluid gemaakt.

De rustigheid werd plotseling gestoord door heftig rumoer boven aan de
trap; gestommel en stokgetik op de steenen treden en tegen den muur;
een luidruchtig troepje opgewonden, jolig jong volk, met roode
gezichten en schitter-oogen van congestie, kwam met een bons de groene
deur binnen.

De kalme gasten keken hen eens aan, denkend dat het studenten waren,
uit Leiden naar Den Haag verdwaald, maar dat waren het niet; een paar
waren wel te Delft, maar de anderen nog van gewone scholen, enkel wat
achterlijk in hun studie, maar vooral met niet minder allures en
brutaal optreden en met geld in den zak; de meesten uit Indië, donker
van tint, met een groot vertoon van levendigheid en opgewekt zijn.

Zij waren nu heel erg uit op hun manier; ze bleven later dan hun
permissie; ze zaten een uur heel hard dooreen te schreeuwen in den
bierkelder, de dikke stokken omhoog, de kleine hoeden achter op de
hoofden; en ze goten zich het bier in uit de groote glazen, met airs
van beproefde kneipers, schots en scheef op de stoeltjes, de buiken
vooruit, de vesten ’n beetje opgestroopt, stukken overhemd er tusschen
uit over den broekband.

De bedaardste aanvankelijk was Adam Silver; hij deed wel mee, maar
zonder enthousiasme; het hinderde hem nog, dat hij op dien tijd niet
was, waar hij moest wezen: het instituut, waar hij interne was.

Want de Verlandes hadden hem wel eerst bij hen aan huis genomen, maar
zij zagen zich in één verwachting teleurgesteld: het koel klimaat van
het Westen hielp Adam zoo min aan vlugheid en aanleg, als aan lust tot
hard werken; hij kwam wel wat vooruit, maar heel, heel langzaam; elk
jaar minstens doubleerend. Alsof het bij wijze van compensatie was, zoo
ontwikkelde hij physiek; het ging niet, dien grooten, zwaren kerel,
lichamelijk met zijn zestiende jaar heelemaal een man, op de banken te
laten zitten der gewone bijzondere scholen, tusschen jongetjes van
tien, elf jaren. Verlande wanhoopte aan hem en was telkens boos;
mevrouw had kasian maar toch ook een zwaar hoofd in de toekomst.

Hij moest weg naar een onderwijsinrichting met internaat; dan waren zij
van een even noodelooze als vrijwillige verantwoordelijkheid af. Maar
ze aarzelden, want ze hielden van hem om zijn goedheid en meegaand
karakter. Tot één omstandigheid besliste. Adam had het werkmeisje tot
„speelmakkertje” gekozen, en daar kon de familie niet tegen!

Zóó was hij dan nu op een soort kostschool; had, omdat hij al „zoo’n
kerel” was, verlof gekregen tot negen uren uit te gaan, en zat, veel
later al, in ’n bierkelder met ’n troepje jongelui; zijn wroeging
verdronk in het bier, dat hem naar het hoofd steeg; hij werd óók
luidruchtig; zij liepen den kelder uit, naar café’s toe, grog
inslikkend na het bier; en eindelijk, toen ze allerlei gelegenheden
bezocht hadden, dronken en opgewonden, kwamen zij „in aanraking” met de
politie.

Adam werd ’s morgens door het hoofd van het instituut afgehaald om zijn
eersten jeugdigen kater thuis te brengen; hij kreeg straf en een
boetpreek, en daarmee was het op school wel uit, maar niet in zijn
hart, dat hunkerde naar meer uitgaan en „jool” hebben. De herinnering
deed hem bij zichzelf glimlachen; hij moest daar meer van hebben; en
wel wist hij niet hoe dat aan te leggen, eerst, maar bij het wederzien
van ’t vroolijke clubje, bracht men hem dat wel aan ’t niet vlugge
verstand.

Zij vonden, dat hij zich moest laten gelden, dat hij meer
zelfstandigheid aan den dag moest leggen; „wâ-bliksem,” hij was geen
kind! En zij vloekten erg flink, als vertoon van eigen groote
zelfstandigheid. Hij moest niet schrijven naar Indië; hij moest maar
„beren” maken, die zouden zelf wel aan „de-n-ouwe” schrijven om duiten.
Adam vond dat wezenlijk goed gedacht; hijzelf, van nature zonder
streken of listen, zou nooit op zoo iets zijn gekomen; uit den mond
zijner vrienden klonk het hem als bezonken geleerdheid; hij zou toch
niet tot een universiteit toegelaten worden en promoveeren; hij zou
nooit aan de Delftsche academie komen en ’t groot ambtenaarsexamen
doen; ook zou hij zelfs nimmer op een hoogere burgerschool of een
gymnasium gaan en eenig eindexamen doen. Och, wat was dat nu? Er kon,
dat besefte hij, geen quaestie van zijn, dat hij ooit eenig examen deed
of daar moesten er worden ingevoerd in het bier drinken, rooken en de
meisjes naloopen. Dàt kon hij uitstekend.

Hij trok het zich niet aan, overtuigd dat hij ’t niet helpen kon. Het
was nu eenmaal zoo. En dan, hij zou immers op het land gaan werken,
zooals zijn broers deden; keerde hij terug naar Indië, dan behoefde hij
niet bepaald „een betrekking” te hebben. Zijn vader was rijk, dat
hadden de Verlandes gezegd. Nu moest hij nog praten met den directeur
der school: hij moest meer vrijheid hebben. En toen hij daarmee
aankwam, keek die hem eens aan, en schudde het hoofd; och, hij mocht
hem wel; precies als iedereen, omdat het zoo’n goeie, aardige vent was;
ook had hij het indische geld zoo lief als een Nederlander het slechts
hebben kan; maar de reputatie van zijn instituut was hem nòg liever, en
hij zag heel goed in, dat die bij Adam Silver niets te winnen had.

„Heb je daar al over gesproken met meneer Verlande?”

„Neen,” zei Adam. „Ik dacht niet dat het noodig was.”

„Dan zal ik het wel doen.”

De directeur deed het, maar heel anders; hij proponeerde voor Adam
ergens bij een familie een kamer met pension te huren en hem dan
privaatlessen te laten nemen in het instituut.

Verlande dacht erover na.

„Zou er iets van hem terechtkomen?”

„Bedoelt u door studie?”

„Ja, natuurlijk!”

„Zoo heel natuurlijk vind ik dat niet; mijn knapste leerlingen kwamen
niet het best terecht. Maar als u bedoelt of hij door studie in de
gelegenheid zal komen carrière te maken, dan: neen, stellig niet!”

Daar Verlande’s jongens het heel goed maakten, vond hij het
verschrikkelijk.

„Zijn ouders zijn immers zeer gefortuneerd?”

„Dat wel. John Silver heeft aardig geld.... Bovendien, Adam kan op het
land werken.”

„Zoo heb ik ook gedacht. Al maakt hij hier dus een beetje pret, dan kan
dat geen kwaad; hij is physiek zoo sterk als hij intellectueel zwak is
en toch heeft hij een goed verstand; geen vlug, geen geoefend.... Ik,
die zooveel en zoo verscheiden jongens onderhanden krijg, heb over dien
Adam nagedacht. Weet u wat ik zou zeggen?”

„En?”

„Dat hem zekere erfelijke aanleg ontbreekt, zooals dat met kinderen het
geval moet zijn uit geslachten, die nooit iets aan leeren of studeeren
hebben gedaan.”

Verlande, die de geschiedenis kende, dacht aan njai Peraq, van huis uit
houdster van ’n warongje in de kampong, en aan den grooten arabier, die
niets kende dan ’n paar koranspreuken en deftig buigen. Zelf een njo
werd hij gauw wantrouwend tegenover pur sang europeanen, en hij dacht
eerst, dat die „schoolmeester” de klok had hooren luiden en nu eens
wilde vernemen waar de klepel hing, maar hij zag wel dadelijk aan de
heele gezichtsuitdrukking, dat hij zich vergiste.

„Weet u een geschikte gelegenheid voor hem?”

Doch ook die verantwoordelijkheid werd niet geaccepteerd.

„Het beste zou zijn.... een advertentie.”

’t Was erg gauw in orde!

Toen Adam het hoorde was hij dolblij. Van den kostjongen werd hij nu
ineens een soort van student, een heer, want hij en al z’n vrienden
waren het daarover eens, dat ’n jongmensch op kamers wonend en buitenaf
les krijgend een heer en een student was; ’n universiteit, nu ja, dat
was eigenlijk maar ’n bijzaak, waar men, om student te zijn, best
buiten kon.

Hij „betrok” zijn kwartier, een eenigszins ouderwetsch met second
hand’s goed gemeubelde kamer, in een prettige buurt en bij vriendelijke
menschen, wier eenig doel al spoedig bleek hem lang te houden, omdat er
zoo goed voor hem werd betaald. Wat hèm ’t best beviel, was de
vrijheid; de groote vrijheid van te gaan hoe en waar-je-wil en te doen
op je eigen kamer, wat-je-wil.

Het was wel koud, maar hij schoof een der ramen hoog open, en ging
ervoor zitten, de armen op de vensterbank, een lange sigarenpijp voor
hem uit buiten het raam, loerend naar de vensters aan den overkant, of
er ook meisjes waren tusschen de schuine overgordijnen en achter de
horretjes, boven of in de benedenhuizen, bij de étalages van mode- en
toiletartikelen, pleizierig gestemd de drukke buurt overziend; het
gejaag van bezige menschen met haast langs den weg; het hard trappelen
van mooie glimmende equipage-paarden en het sleurig opbonken van doffe
vigelantenknollen. Het was heerlijk, vond hij, dat alles te zien van
zijn eigen „kast,” en niet meer in die ellendige kamer met vier bedden
in het instituut als gevangen te zitten met drie kwajongens, die haast
al hun vrijen tijd doorbrachten met den neus in de boeken; niet meer te
hebben, dat voor hem èlken dag wederkeerend pijn-in-den-buikachtig
gevoel van een les overhoord te zullen worden, die men niet kent, van
vragen te zullen hooren, die men niet kan beantwoorden; van werk te
moeten meemaken, dat men niet begrijpt en dus onvermijdelijk fout
maakt.



ELFDE HOOFDSTUK.

ONAANGENAME BRIEVEN UIT HOLLAND.


De mail had drie brieven meegebracht voor John Silver; het waren er
twee meer, dan hij ooit uit Holland had ontvangen. Wel ontving hij
„kabar” van de Verlande’s zoo nu en dan, en hij wist dus ook welke
maatregelen zij hadden genomen,—nu, dàt was hem onverschillig,—maar met
andere menschen in het Westen briefwisselde hij niet. En daar lagen nu
vóór hem twee dikke brieven, geen prijscouranten of prospectussen, want
die waren in open couverts en met drukwerk-postzegels er op; neen, ze
waren goed dicht en met briefport gefrankeerd.

Het waren Adam’s beren, die voor de eerste maal bescheiden en
beleefdelijk brulden in het Oosten.

In het eerst snapte John het niet; hij zat eenigszins sufferig te
kijken op die groote enkel-vellen papier, en las de reusachtige hoofden
met afdrukken van koninklijke wapens in het midden, zag de groote
versierde aanvangsletters der firma-namen, en aan beide hoeken
opsomming van alles wat in de magazijnen te krijgen was, en dan op een
regel in geschreven schrift „WelEdelGeboren Heer; en vervolgens de
mededeeling, dat zekere WelEdelGeboren Heer Silver te ’s Gravenhage
debet was aan.... wegens aan ZWEdG. geleverd als volgt...”

Nog nooit had John Silver zoo iets gezien; wat hij noodig had, kocht
hij al z’n leven lang op de plaats zelf in de eenige Europeesche toko
of bij den chinees, en daarvoor kreeg hij eens in de maand een rekening
op ’n gewoon velletje blauw gelijnd papier, met twee roode dwarslijnen
voor de guldens en de centen. Welk een geurmakerij zoo’n Haagsche
rekening! En dan die „WelEdelGeboren Heer”; dat was Adam!.... Adam!...

Toen zijn eerste verbazing over was, schoot hij in een lach!

Wel gévédé! dat was toch sterk! Adam, dat „hondenkind”!

Maar hij nam de rekeningen weer op, en keek ze door, bedaard en
ernstig. Het was onmogelijk; in zijn heele leven had hij, John Silver,
zooveel jassen, broeken en vesten niet gehad, als die Adam in een paar
jaren; en dan die andere, de groote, voor wijnen, dranken, sigaren,....
er stonden zelfs woorden op die hij niet kon uitspreken of begrijpen!

Ja, de begeleidende briefjes—nu, dàt snapte hij gemakkelijk genoeg; men
maande den Hoog WelGeboren Heer John Silver aan om het debet van den
heer Adam Silver te voldoen. Ten naasten bij twee duizend gulden!
Brutaalweg de mededeeling erbij, dat als niet binnen zes maanden de
rekening was voldaan, de kerels rente gingen berekenen.

Dan sprak men nog van woekeraars in Indië! Als hij ’n jas noodig had,
kocht hij ’n stuk wit of ander goed en liet het maken bij den chinees;
en daar stonden op die rekeningen enkele jassen tot prijzen, waarvoor
hij er een dozijn had!

Wat een afzettersboel toch in dat Holland! Bij de tweeduizend pop!

„Kom eens hier!” riep hij hoog en scherp tegen zijn huishoudster, die
hij hoorde op de galerij. En toen zij binnenkwam: „Dat is me een
gladakker, die meneer Adam! Dat is me een toean besar, hoor! Wel
gévédé!”

Zij schrikte ervan; in lang had ze weer niets van den jongen gehoord en
ze dacht voortdurend aan hem, hoe langer hoe meer, maar ze durfde niet
vragen; ze had wel gevoeld, dat er iets niet in den haak was, dat
Silver iets in z’n schild voerde en veel te bijzonder was ten opzichte
van dat kind. Nu scheen hij weer heelemaal gek geworden; nu schold hij
hem voor een „gladakker” en noemde hem tevens een groot heer.

„Wat is er?” vroeg ze.

„Wat er is: hier, hier!” riep hij, haar de rekeningen met de eene hand
voor het gezicht houdend en met de andere erop slaande, dat het velijn
papier trilde en knetterde: „Hij maakt schulden! Dat draagt jassen, ja,
van tachtig gulden; dat drinkt fijnen wijn en rookt havanah sigaren;
dat speelt in Holland den toean besar. En mij sturen ze hier in Indië
de rekeningen om te betalen. Zoo’n satansch honden....”

Silver schrikte van zijn eigen vervoering, ineens ophoudend.

„Is hij gezond?” vroeg njai Peraq.

Daar stond Silver van te kijken. Zij, zij, die het geld zóó liefhad,
die zoo gierig was, dat hij zelfs nooit had durven zeggen, wat hij
maandelijks uitgaf voor dien Adam,—zij maakte geen misbaar, toen hij
het groote bedrag genoemd had; het was alsof het niets was.

„Stik!” zei hij in ’t Hollandsch en ging de kamer uit.

Het was waarachtig te erg! Onderaan de rekeningen was met een slordig
schrift iets gekrabbeld; als men goed keek; zag men, dat het een
voor-accoord-verklaring was, onderteekend: A. Silver. Wat ’n gemeen
schrift! De minste djoeroe-toelis kon het netter. En dat had zooveel
geld gekost! Enfin,—’t kwam wel alles terecht; hoe meer hij nu genoot,
des te beter.

Toen hij zich dáármee had verzoend, kwamen andere overwegingen. Want
hij had nu wel opgespeeld over het geld, en zijn haat eens gelucht—maar
het zou hem nu niet hinderen, al betaalde hij het nog tienmaal; het
liep financieel toch alles mee in den laatsten tijd.

Er was iets aardigs in, vond hij; iets aardigs, dat die Haagsche
tokohouders hem voor zoo’n groot heer hielden en hem zoo hoog
betitelden. Het streelde zijn ijdelheid. Dat pleizier had hij er dus
bovendien nog van! Natuurlijk zou hij de duiten sturen; niet om dat
„hondenkind”, maar om zijn naam; die daar zoo’n goed figuur maakte
achter het klinkend praedicaat.

„Ik wou wat zeggen,” zei njai Peraq bij hem komende.

„Wat is het?” vroeg hij norsch.

„Als je het geld voor Adam misschien liever niet betaalt, zal ik ’t wel
geven van het mijne.”

„Wat jij? wat jij?” riep hij kwaad. „Denk je, dat ik zelf niet kan
betalen? Daar heb ik jou niet noodig voor.”

Zij sloeg, nu ook uitvallend in toorn; met de hand op de tafel.

„Wel, schreeuw dan zoo niet? Ben je een gek? Ben je een beest? Maakt
een mensch zulk een leven als hij moet betalen voor zijn eigen
kinderen?”

Zij bemerkte niet in haar opkomende boosheid, wat zij trotseerde; haast
werd het hem te machtig; het was de vrees voor haar, die ten slotte
sterker was dan zijn opwellende drift; dáárom zweeg hij, schoon zijn
ingevallen borst van groote aandoening zwoegde.

Kort en daardoor uit de hoogte, waren zijn briefjes aan Adam’s
crediteuren; maar de wissels staken erin en hij schreef erover aan de
Verlande’s, want op den brief van Adam wilde hij niet antwoorden; hij
had dien al met tegenzin geopend en met diepe minachting voor het
slordige adres; de aanhef: „Waarde vader” bracht hem geheel uit den
koers; hij dacht een beroerte te krijgen van kwaadheid; hij verscheurde
den brief ongelezen; neen,—betalen zou hij, maar daarmee uit; zich door
dien welp van zoo’n smerigen arabier, „vader” te hooren noemen, en
diens brieven te lezen, dàt was hem te machtig; dàt verdroeg hij niet.

„Heeft het kind niet geschreven?” vroeg zijn huishoudster.

„Het kind... het kind... ’t is waarachtig een lief kind!”

Zij schudde er het hoofd over. „Ik kan hem niet anders voor mijn oogen
krijgen, dan als een kind.”

„Nou, maar ik dan wèl, hoor, en voor mijn portemonnaie ook!”

„Schrijft hij nooit?”

John Silver lachte hoonend.

„Ja hij zal nog schrijven!” loog hij ontwijkend. „Denk maar niet, dat
je ooit een brief van hem zult krijgen.”

„Ik niet. Wat zou ik er aan hebben? Ik kan het immers toch niet lezen.
Maar waarom schrijft hij niet aan jou? Doet hij het niet? De mandoer,
die naar het postkantoor is geweest, zei, dat er drie brieven uit
Holland waren; de rekeningen waren maar twee....”

„Een was van mevrouw Verlande,” loog hij.

„Vertelde zij niets over hem? Je was kwaad, toen ik vroeg of hij gezond
was. Mag een moeder niet meer vragen of haar kind wèl is? Begrijp je
dat niet?”

„Ik was kwaad om dat geld. Zeur toch niet, hè? Is het misschien nog
niet genoeg, dat die rakker me zooveel duiten kost? Moet jij me nu nog
vervelen met je gezanik?”

„Ik vraag enkel maar of hij gezond is en je wilt me niet antwoorden; je
zegt maar zoowat... zoowat... je spreekt altijd maar kwaad van hem...
Wat is een vader; die zijn eigen kind haat?”

Zij speelde hoog spel; ze was zich daarvan volkomen bewust; ze wilde
eindelijk weten of haar vrees gegrond was; ze had hem straks
aangekeken, toen ze nadruk lei op het anaknja sendiri, en zij had
zekerheid! nu was het haar volkomen helder, nu wist ze, dat hij
vermoeden had van de waarheid.

Want toen ze hem die woorden als in het gezicht wierp; haar groote
goedige oogen recht op de zijne en haar gelaat rustig, onverstoorbaar
in het volle licht, de trekken onbewogen als een Vishnoe; was het hem
of hij het ondersteboven ging; hij voelde, dat hij hevig ontstelde en
dit te zien moest wezen aan z’n gezicht; hij stamelde een paar losse
woorden, die hij zich een minuut later niet meer herinnerde; hij
trachtte minachting te veinzen voor haar gepraat, en ging heen, den
tuin in, als een dronken man.

Het was verschrikkelijk! Had zij zóó kunnen wezen, als het waar was,
wat hij nu al zooveel jaren vast geloofde? Kon zoo’n gewone inlandsche
vrouw zóó brutaal, zoo verregaand, zoo onovertroffen listig en
bedriegelijk zijn, als zij had moeten wezen om hem met zulk een gezicht
en op zulk een toon dat „eigen kind” naar ’t hoofd te gooien? En
toch... Neen, het was geen zoon van hem; het kon er geen zijn! Dáár,
dáár kwam er een aan, van het land, op z’n bloote voeten, de slaapbroek
opgestroopt, en ja, dat was nu een dikke vette kerel geworden net als
njai Peraq met heel veel in figuur en gezicht van de moeder, maar toch
zag men in één oogopslag, dat het ’n kind was van hem, John Silver.
Daaraan viel niet te twijfelen.

Maar ’t hielp niet of hij al redeneerde,—hij kon de manier niet
vergeten, waarop ze hem dàt had gezegd; het was terlaloe! En elk
oogenblik van den nacht en den dag, zag hij haar weer in die groote
kalmte, die geloof opdringt.

Het werd een idée fixe; uren kon hij voortaan stil zitten pikiren, met
de hardnekkigheid van een lijder, die denkt aan zijn ongeneeslijke
kwaal, die geheel erdoor wordt in beslag genomen en ten slotte over
niets anders haast meer denken kan, dan zijn kansen van levensduur.



TWAALFDE HOOFDSTUK.

EEN MISLUKT JONGMENSCH.


Adam pikirde niet. Binnen de drie maanden had hij al beleefde brieven
van zijn leveranciers, dat zijn papa geremitteerd had; zij waren erover
uit; zij recommandeerden zich. Crediet? Wel als ’t ware ongelimiteerd!
Juist dat korte briefje van John Silver had zoo’n effect gemaakt samen
met het geld. Het leek zoo uit de hoogte en dat had imponeerend
gewerkt. En Adam, die wel ’n beetje bang was geweest al dien tijd,
leefde heelemaal op. Dien dag gaf hij er de privaatlessen aan, waarvan
hij toch al zoo weinig profiteerde, bestelde hij van alles wat hij
noodig had, niet mondjesmaat, maar op de royaalste manier, onthaalde
zijn vrienden op zijn kamer, tot ze in gloeiende toasten het bewijs van
hun lichtbewogenheid gaven, en nam zich voor Nora Tiele serieus het hof
te maken. Nu „de oude” zich zóó royaal toonde en zelfs niet mopperde,
was het toch waar, wat hij al zoo dikwijls van anderen had gehoord; dat
de Silvers wezenlijk gefortuneerd waren.

Welk bezwaar had het dan in, dat hij Nora vroeg, den een of anderen
dag? Een positie... neen, zelfs geen idée van ’n kans daarop. Maar
waartoe ook? Een fortuin was beter. Wie dàt kon aanbieden, zou men toch
zeker niet naar een armzalig „baantje” vragen!

Den ochtend na zijn feestje, dat hij de eerste overwinning zijner beren
noemde, werd hij zeer berooid wakker; bij het kwartlicht van een
donkeren regenochtend, zag hij hoe beestachtig zijn kamer er uitzag,
hoe wanhopig zijn oppasser het stond aan te zien; hoorde hij hoe
kijvend de stem van zijn hospita op het portaal klonk, waar zij stond
uit te cijferen, wat Adam haar moest betalen voor het bederven van
karpetten, tafelkleeden en gordijnen door wijn- en andere vlekken.

Het leek hem alles met een grauwgrijs overgoten, wat hij hoorde als wat
hij zag; in zijn warm hoofd bonsde het met groote regelmatigheid; droge
mond en rauwe keel eischten water en lucht; zoo guur als het was,
gooide hij de ramen open en hield zijn gezicht wel een minuut lang in
het water van een lampetkom; de oppasser was intusschen bezig met het
opruimen van glazen, flesschen en de rest.

Langzamerhand kwam er weer orde en frissche lucht in de kamer en
grooter genietbaarheid over den persoon van Adam. Wel zagen zijn oogen
rood en was zijn gezicht wit toen hij geeuwend, huiverend en rekkerig
voor het open venster ging zitten, geheel gekleed nu; wèl smaakte hem
de sigaar niet, en wierp hij die weg, op de straat,—maar hij knapte
toch op, en genoot van zijn kop thee, toen het binnentreden van een
dame hem verschrikt deed opstaan; het was mevrouw Verlande.

Zij zag er nog heel goed uit, al was ze de veertig voorbij; zoo goed
geconserveerd, zoo vlug en veerkrachtig, met frissche blozende kleur,
relief gevend aan het blauw en blond van oogen en haar, dat ze had
kunnen doorgaan voor tien jaren en meer, jonger. En hij, Adam,
opstaande tegenover haar, in de vroegrijpheid zijner physiek, een
volwassen man.... Mevrouw Verlande snapte ineens de nooit gedachte
mogelijkheid, dat er voor de wereld iets geks kon zijn in een
ochtendbezoek van haar aan Adam Silver; aan den kleinen A. het
roodkieltje!

Eenigszins bedremmeld keek zij rond, ruikend de alles doortrokken
hebbende kroeglucht van sigaren en wijn; aan den wand floretten, sabels
en schermmaskers; op de tafel en den schoorsteenmantel portretten van
min of meer gekleede „tingeltangelinnen”; de penantspiegel geflankeerd
met duitsche pijpen,—en tegenover haar die groote, zware kerel met z’n
donker uiterlijk en aankomend baardje. Was het mogelijk?

„Hoe maakt u het?” vroeg hij goedig en eenigszins onthutst een stoel
aanschuivend: „Gaat u zitten.”

„Heel goed, dank je... Neen, ik ga niet zitten... Ik moet weer dadelijk
heen. Je pa heeft geschreven.”

Daar zweeg hij op, knikkend enkel met het hoofd.

„Dat gaat zoo niet.”

„Waarom niet?” vroeg Adam glimlachend.

„Wat moet er op zoo’n manier van je worden A.? Je leert haast niets
meer, en... en eigenlijk weet je nog niks.”

„Pa is immers rijk. Laat mij nu maar wat pret hebben hier, zoolang het
duurt.”

„Zoolang tot het je pa verveelt, en wat dan?”

„Dan ga ik naar Indië, werken op het land.”

„Het is wat moois! Dáárvoor heb je dan zooveel geld gekost en een
opvoeding in Holland genoten.”

„Ik kan ’t niet helpen, mevrouw; ik geloof niet, dat ik zooveel dommer
ben als de rest, maar ik kan niet leeren, niet onthouden, dàt is het.”

„Malligheid, je geeft je geen moeite, je bent lui.”

„Ja,” zei hij met overweldigende openhartigheid. „Dat is waar, ik ben
lui, het is ongelukkig.”

„Als een jongmensch zich beteren wil, dan kan hij ook.”

„Dáárvan niet, mevrouw. Geloof me, ik wilde wel, dat het anders was;
maar als ik een boek in handen neem en ik span me vijf minuten in...
in...”

„Dan?”

„Dan val ik in slaap.”

Zij moest erom lachen. Neen, ze wist het wel van vroeger, dáár was
niets tegen te doen! En ze nam hem nog eens op, dien brute, van top tot
teen, wiens stoffelijk bestaan zulk een scherpe tegenstelling vormde
met zijn geestelijk. Maar tegelijk dacht ze eraan, dat ze niet langer
kon blijven.

„Probeer het, A., en maak geen schulden; dàt is altijd slecht; het
behoeft immers niet, want je hebt zonder dat van alles voldoende; meer
dan de meeste andere jongelui.”

Hij beloofde zijn best te zullen doen, wijl zij het graag had; maar hij
dacht er in ’t geheel niet bij, meer beziggehouden door het geklop in
z’n hoofd, dat opnieuw en erger was begonnen.

Toen ze hem de hand reikte, nam hij die, en wou, net als hij van ouds
gewoon was, toen zij hem als kind met de andere kinderen te bed lei,
haar ook een zoen geven. Maar zij trok zich snel terug en liet haar
voile neer, niet willende laten zien, dat ze een kleur kreeg. Drommels
neen, dat ging niet, vond mevrouw Verlande; zij was niet oud genoeg om
zich door zulk een jongen man op diens kamer te laten kussen, al had ze
hem ook als kind op den schoot gehad.

Hij zag het en lachte erom, tevreden over het effect van zijn persoon.
In al zulke zaken was hij in ’t geheel niet dom; niet traag van begrip.
Integendeel, daar had hij een scherp oog voor, als iets hem zelf
betrof, want nog meer dan van Nora Tiele, die hij ’t hof wou maken en
ten huwelijk vragen, hield hij van zijn eigen persoonlijkheid.

Zich beteren! Als hij het goed inzag, viel er in ’t geheel niets te
beteren. Nu ja, schulden maken is niet goed, voor wie geen vader heeft,
die ’t betalen kan en wil. Maar zoo gelukkig was hij immers! En in den
loop van den dag verdween met den kater, het weinige effect der
vermaning van mevrouw Verlande.

Toen hij zoo, goed gekleed, het Noordeinde inliep, ’s middags tusschen
de talrijke flaneurs, had hij volkomen het air van een deftig jonkman,
door zijn ernstig, donker gezicht den indruk makend van iemand, die
iets omhanden heeft bij de diplomatie of zoo. Hij overwoog wat en hoe
hij doen zou met Nora Tiele.

Dat ze van hem hield, wist hij; trouwens, dat wist hij van zooveel
meisjes uit de kringen, die de Verlande’s frequenteerden, en waartoe
ook sommige vrienden behoorden: deftige menschen met mooie
betrekkingen, maar levend boven hun krachten meest; de gewone
geschiedenis. Hij kon in die kringen meisjes à prendre vinden bij
dozijnen: hij had de reputatie van een millionnairszoon te wezen;
dáárom was hij voor de meesten onweerstaanbaar; maar er waren er ook;
die hem bijzonder graag mochten om zijn persoon. En dan, hij was niet
zoo wijs. Hij vond het gewone jongedames-conversatie-peil niet beneden
zich, en dat was het ook niet. Als er jongelui in gezelschap waren, die
hun beetje geleerdheid te luchten hingen, zweeg hij maar en keek enkel
met zijn goedige zwarte oogen naar de meisjes, die dan toch nog meer
naar hem keken, dan ze luisterden naar de praters; doch als het niet
gevaarlijk was en zijn onwetendheid niet dreigde hem koopjes te geven;
als er werd gesproken over de kennissen, over uitgaan en pret maken of
de geschiedenisjes van den dag, dan sprak hij heel gezellig mee.

Zou hij zich nu ineens en officieel aan Nora Tiele binden en haar zóó
het hof maken, dat hij fatsoenshalve niet anders doen kon dan haar hand
vragen aan haar vader? Zij trok hem aan, heel sterk; hij verlangde er
dol naar, haar in de armen te nemen, te kussen..... och, dat laatste
niet zoozeer; daar hield hij eigenlijk in ’t geheel niet van; enkel uit
gewoonte en vriendschappelijk, vond hij, kon het erdoor; als
liefdebetoon niet; dat eischte bij hem iets anders. En als hij zoo
pikirde meende hij, dat het verkeerd was zich te haasten, hij kon het
wel plan-plan aanleggen, en een heel stil vrijagetje met haar beginnen;
dat zou best gaan; dan bleef hij vrij, en er waren honderd redenen voor
één, die hij kon aanvoeren.... Hij drukte op den belknop in de
deurpost, en hij werd hartelijk ontvangen.



DERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN VOORZICHTIGE MOEDER.


De oude heer Tiele, recht en mager als een liniaal, de grijze
bakkebaarden in punten omlaag, den grooten smallen neus op het wijkend
gezicht, heelemaal geen face haast, met overdadig profiel als een
vogel, keek hem uit kleine blauwe kraaloogjes vriendelijk aan, ’n
welwillend glimlachje om de dunne lippen; zijn famielje had altijd
behoord tot den eersten burgerstand; zij hadden altijd hun hoogst
respectabele maatschappelijke positie gehandhaafd, maar daar hadden ze
dan ook voor gestreden; geworsteld letterlijk. Nooit was er ook maar
eenig kapitaal gekomen; in vier, vijf geslachten achtereen was het
altijd door zuinigheid met zelfbedwang voor en na geweest, en nu was
over Tiele op z’n gevorderden leeftijd als ’n gouddorst gekomen. Die
Adam Silver, die werk maakte van Nora, mocht dan een Indische jongen
zijn, het kind eener inlandsche vrouw, er mocht aan zijn fortuin „een
luchtje” zijn, zooals naar goed-hollandsche begrippen aan alles is wat
uit Indië komt; hij was de zoon van een rijken vader; hij zou zelf
eenmaal rijk zijn.

En hij was zoo dom en zoo goed, dat de heele familie Tiele eigenlijk
dat fortuin zou trouwen... Dat dit alles zoo uitgemaakt was, vermoedde
Adam in de verste verte niet, dat hij bij de Tiele’s reeds als
toekomstig schoonzoon was ingelijfd, en in zekeren zin de grondslag
was, waarop de familie haar geldelijke toekomst bouwde,—het kwam niet
bij hem op.

Hij dronk ’n kopje thee mee in het minder modern dan gezellig salon, te
klein voor het huisgezin, en te vol met pouffes en andere zitjes, met
tafeltjes en overladen hoekjes en étagèretjes, meest het resultaat van
de huisvlijt der dochters, die met tapisserie, of smaak- en
schilderwerkjes wonderen deden, de onoogelijkste houten geraamten
omzettend in wezenlijk smaakvolle voorwerpjes door het overtrekken met
zijde en satijn; door goudborduursel en miniatuur aquarelletjes. Alles
lief, aardig, honneponnig, snoezig!

Tusschen de blonde, blanke slankheid der jonge Tiele’s en de magerheid
der ouderen, waarvan de booze Haagsche mindere wereld zei: dat men hen
kon hooren rammelen,—zat Adam Silver in het koude licht van den
zonloozen herfstnamiddag als een pagode, moeilijk met zijn breedte op
een klein stoelzittinkje, den wandelstok onder de hand, den hoed op een
voetenbankje vóór hem, een goedig lachje om de lippen, pratend met de
meisjes Tiele het onnoozel geleuter van den dag. En nu hij weer zoo
dicht bij Nora zat, en in haar mooi-blanken hals keek of naar haar
vriendelijke oogen of smalle sneeuwwitte handjes, raakte hij erger op
haar verliefd; zou hij in staat zijn geweest het dadelijk ernstig te
meenen, zonder reserves, met gereede plannen.

Maar heel even had hij gelegenheid haar alleen te spreken; hij vroeg
haar uur en plaats, en zij gaf het hem voor den volgenden dag, op het
gewone wandelterrein van iedereen. Adam kon niet zeggen, dat ’t hem
meeviel; het zou dus dadelijk zich afficheeren wezen, en al aarzelde
hij voor niets tegenover haar bekoorlijkheden,—als hij alleen was,
dacht hij weer anders.

Het kwam niet bij hem op weg te blijven, al betreurde hij zijn
voorbarigheid.

’t Viel hem erg mee, dat Nora niet alleen, maar met een der jongere
meisjes liep; ’t was juist zóó vol dien dag en net of alle vrienden en
kennissen elkaar rendez-vous hadden gegeven.

Maar nu er iemand bij haar was, hinderde dat niet; nu kon hij haar
veilig aanspreken en mee opwandelen; anders alleen met haar, zou
dadelijk een praatje van „engagement” de ronde hebben gedaan.

Nu kwamen er ook heel gauw meer jongelui bij, groetend en pratend, even
stilstaand voor de winkelétalages, sommigen een eind mee opwandelend.
Zelfs de oude mevrouw Tiele sloot zich aan en op een gegeven moment kon
Adam nog enkel goeden dag zeggen en heengaan, wijl de familie
huiswaarts keerde.

Hij wist nu niet meer of hij blij wezen zou of er spijt van hebben, dat
het zoo gek gegaan was. Wel had hij Nora dikwijls aangekeken en zij
hem, buitengewoon lief en aanmoedigend;—maar dàt was toch de bedoeling
niet geweest. Toen hij haar vroeg: waar en wanneer, dacht hij aan heel
iets anders, dan een ontmoeting, die zonder afspraak, precies eender
had kunnen zijn.

Thuis bij de Tiele’s had Nora ’s avonds te voren haar mama verteld, wat
Adam Silver haar gevraagd, en wat zij geantwoord had. En mama keek
bedenkelijk.

„’t Is wat haastig,” zei ze.

Nora vond dat eigenlijk ook.

„Het is me ontsnapt, hij vroeg het zoo opeens, en zoo ronduit....”

„Je hadt voorzichtiger moeten zijn. Hij is nog niet serieus genoeg.”

Daar lachte Nora luid om op. „Verbeel-je, dat die goeie Adam Silver
„serieus” moest worden!”

„Je begrijpt me niet,” zei haar moeder, „ik ben een beetje bang voor
hem.”

„Maar ma!”

„Zeker. Met al z’n goedigheid en weinige kennis, heeft hij iets over
hem... Ik weet het niet, maar zoo koel, zoo cynisch zou ik haast
zeggen.”

„Hij is niet demonstratief...., dat mag ik juist in hem.”

„Het is alles goed en wel, maar zoo er met den tijd veel
verandert,—verliefde jongelui blijven altijd dezelfden; men kan het hun
aanzien; aan hem merkt men haast niets.”

„Nu,” zei Nora, „ik ben blij, dat hij niet zoo’n aansteller is; niets
is akeliger dan een „verliefd jongmensch” zooals u het bedoelt. Zoo
jong als hij is, is hij daar teveel man voor.”

„Teveel man, dàt geloof ik ook; dat is het juist, waarvoor ik bang ben.
Er is zoo’n tegenstrijdigheid in hem. Wij weten heel goed, dat hij
weinig heeft geleerd; zóó weinig, dat het beschamend is; hij heeft
zelfs nooit admissie-examen kunnen doen. En als hij u aanziet met zijn
groote oogen en over de banaalste dingen praat met goedigen ernst, dan
maakt hij een oppervlakkigen indruk van superioriteit.”

„Het is waar,” erkende Nora, eenigszins verwonderd, nu haar eigen
indruk door haar scherpzinniger moeder zoo duidelijk werd weergegeven.
„Het is waar, ma; God, wat hebt u hem geobserveerd.”

„Dan zit hij daar,” ging mevrouw Tiele voort, het bleeke magere gezicht
steunend met de beenige hand, „als een oudere onder de jongeren,
vrijmoedig, kalm, als met een vorstelijke waardigheid. En het is geen
poseeren van hem, dat in ’t geheel niet; het is de aard van zijn heele
wezen. Dan zou men hem, zoo op het oog, voor een diepzinnig jongmensch
houden, en als men hem kent, zooals wij hem kennen, is dat zoo
dwaas.... Ik kan er niet overheen komen.”

„Het is waar, ma; het is waar, doch het doet er immers niet toe. Beter
zoo, dan dat hij er een onnoozel uiterlijk bij had.”

„Maar hij is niet onnoozel, Nora; geloof me, ten minste niet zooals wij
dat hier begrijpen, hij heeft een je ne sais quoi...”

„Dat niet in zijn nadeel is.”

„Neen, maar dat ik wantrouw. Dáárom blijf ik erbij: je bent te haastig
geweest.”

„Afwijzen kon ik hem toch niet; ik wilde het ook niet. Ik houd van hem,
meer, veel meer, dan van de anderen, misschien juist om wat u daareven
zei.”

„Natuurlijk niet. Maar je moet hem nog zelfs den vinger niet geven,
laat staan de hand.”

Zoo kwam het, dat Adam in zijn verwachtingen werd teleurgesteld; wèl
had ’t hem genoegen gedaan, dat hij zich nu niet had moeten
„afficheeren,” maar het rendez-vous, dus verloopen, had toch zijn
ijdelheid gekwetst, en zeer onvoldaan over het eindresultaat ervan,
ging hij een restaurant binnen en bestelde er een eenvoudig maal,
zooals hij in het eten altijd matig en slechts in het drinken onmatig
was onder vrienden, en als hij „meedeed” met de zucht om vooral niet
onder te doen.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN ONAANGENAME VERRASSING.


Het kwam er weer toe, dien avond; nauw ’n half uur later, zat men om de
tafel, waar hij alleen was gaan zitten, met z’n vieren; het diner werd
uitgebreid; goede wijn volgde, en het ging er later, op los, tot hij ’s
nachts thuis kwam en uit gewoonte zijn kamer en zijn bed vond, moê en
duizelig, slapend bijna voor hij zich had ontkleed.

En toen hij ontwaakte, den volgenden ochtend, zag hij eerst, dat op
zijn toilet een brief uit Indië lag, niet van „den ouden,” want die
schreef altijd keurig, maar met een slordige ruwe hand aan hem
geadresseerd.

Het bovenschrift: „Waarde Adam,” leerde hem niets, maar de
handteekening: „Bram Silver” wees hem den weg. Het was dus een brief
van zijn broer, den eersten, dien hij ooit in z’n leven had ontvangen.
Hij deed z’n best zich iets te herinneren van z’n broer of z’n ouders,
maar vruchteloos. Met moeite las hij het schrift, door de ruwe halen
onduidelijker dan het scheen. „Op last van moeder schrijf ik u. De oude
heer is al lang erg zenuwachtig, maar in den laatsten tijd nam die
ziekte zóó toe, dat hij er suf en malende van geworden is. De dokter
zegt, dat pa een idée fixe heeft, en er iets is, waarover hij altijd
tobt, doch dat hij uit gewoonte verzwijgt. Het eenige wat hij
uitspreekt, soms in dagen achtereen, is uw naam. Dan loopt hij maar
door het huis, praat tegen niemand, maar schudt telkens het hoofd en
zegt: Adam, Adam! Deze omstandigheid en de toenemende zwakte van pa,
brachten den dokter op het idee, dat het misschien goed kon zijn, als
jij hier waart. Daar je toch in Holland niets omhanden hebt en dus best
komen kunt, heeft moeder mij opgedragen je te schrijven met de eerste
boot passage naar hier te nemen. Ik heb ook moeten schrijven aan
mijnheer Verlande, die voor het geld en zoo zorgen zal.

Voor de rest gaat hier alles tamelijk wel; alleen zijn de perken erg
achteruit gegaan en heeft pa dit jaar met andere dingen veel geld
verloren. Enfin, dat komt terecht. Hopende je spoedig hier te zien.


                                    Je toegenegen broer
                                            Bram Silver.”


Zoo suf kon John Silver niet wezen als Adam, nadat hij dien brief
gelezen had, op den rand van zijn bed zat te kijken. Wel, hij had
altijd geweten, dat hij naar Indië moest; dat er een eind zou komen aan
het lui en lekker leventje in Den Haag; hij had daar zelfs meer dan
eens over gesproken, zoo, ter loops, als het in de rede te pas kwam; nu
bleek het ermee ernst te zijn als met den dood, die ook iedereen weet,
dat onvermijdelijk komen moet, maar op wien niemand, als hij komt, ook
maar in het minst is voorbereid.

Naar Indië! Weer trachtte hij zich iets te herinneren, maar het ging
niet; hij kwam niet verder dan de kostschool te Batavia, en dat zei hem
eigenlijk niets. Van vader, moeder, broers, zusters, eigen woning aan
de kust van een ander groot eiland dan Java,—niets, niets! Het lachte
hem niet toe; in ’t geheel niet! Hij was in het Europeesche leven
heelemaal ingegroeid, en hij had daar veel mee op; Indische menschen
beschouwde hij, een echten totoh gelijk, eigenlijk als een graadje
minder; zij trokken hem niet aan, en als hij er nu en dan een ontmoette
bij de Verlande’s, hield hij zich op een afstand en had nimmer gevolg
gegeven aan invitaties om ’reis ’n visite te komen maken en de
kennismaking voort te zetten.

Die gedachten kwamen zoo allemaal bij hem op en voor zijn doen was dat
overweldigend veel. Met diepe rimpels in zijn voorhoofd van dat
moeilijke en hem hoe langer hoe ongewoner wordend denkwerk, kleedde hij
zich, ontbeet als machinaal, en ging de deur uit, regelrecht naar de
Verlande’s.

Ja, die hadden hun brief van Bram ook ontvangen, daags te voren in den
namiddag, en ze hadden Adam eigenlijk ’s avonds al verwacht.

„Ik heb je passage direct besproken; over acht dagen moet je aan boord
zijn.”

En toen Adam hem zoo onnoozel aankeek, alsof hij van ’t heele geval
niets begreep, en tegelijk zoo bedroefd, als iemand, die gevonnisd
wordt, moest hij in zichzelf lachen, en deed met opgetrokken
wenkbrauwen een langen haal aan z’n sigaar.

„Ja, beste jongen, het was toch altijd je voorland; dat wist je.”

„En Indië is een goed land,” bevestigde mevrouw Verlande met nadruk.

Nu lachte haar man luid en spottend; hij, een njo, was nergens liever
dan in Europa; hij kon zich maar niet begrijpen, dat zoo’n pur sang
Hollandsche als zijne vrouw, altijd zooveel goeds zei van Indië.

„Zeker,” zei ze, „ik heb altijd veel van Indië gehouden, en dat doe ik
nog.”

„Ik heb liever een broodje met kaas,” spotte hij voort... „Maar laat
ons geen gekheid maken; het is kort dag voor Adam, hij moet zijn
uitrusting hebben.”

Dáárvoor zou mevrouw zorgen; Adam had niets te doen, dan bij den
leverancier zich de maat te laten nemen, zei ze. Maar toen Verlande hem
meenam naar het kantoor, bleek het, dat er nog dozijnen dingen waren,
die hij noodig had en zich moest aanschaffen; Verlande maakte er een
lange lijst van en gaf Adam geld om zich alles aan te schaffen; doch
hoe gemakkelijk en eenvoudig dat leek, het gaf Adam een gevoel van
ongewone drukte, dat hem bingoeng maakte.

En dan Nora Tiele! Hij kon, meende hij, nu in allen ernst, niet zóó
maar weg gaan; hij voelde ineens meer voor haar dan ooit vroeger,
buiten haar tegenwoordigheid; hij had de sterke overtuiging, dat hij
zich aan haar declareeren moest en er ook over spreken met haar vader.
Wel had hij geen vaag idée van wat hij moest uitvoeren, in Indië en bij
zijn ouders,—maar hij dacht dat dit vanzelf wel terechtkwam, en zij,
Nora, dan over een jaar of wat, zou kunnen „uitkomen” als zijn vrouw.

Hij moest haar schrijven, kort en bondig; een onderhoud vragen onder
vier oogen en met de mededeeling erbij, van zijn aanstaand gedwongen
vertrek.

’t Was bij de Tiele’s ’n heele consternatie; een donderslag bij heldere
lucht; het speet mama nu geweldig dat zij „politiek” had willen zijn,
en niet maar liever de eerste gelegenheid de beste had aangegrepen.
Nora was erg ontsteld, met een gevoel nu, dat zij doodelijk was van
Adam Silver. De oude heer keek ook zeer bezorgd, knorrig over de
„flauwe kunsten” zijner vrouw, die hij eerst zoo verstandig had
gevonden.

Maar dáárover waren allen het eens: er moest op afdoende wijze voldaan
worden aan Adam’s verzoek; het was een drang in die richting, als wilde
men hem met Nora een apartje geven in haar slaapkamer. Zóóver kwam het
wel niet, maar toch zou de heele famielje gaan wandelen en een uurtje
weg blijven; als ze terugkwamen zou dan, naar zij hoopte en vertrouwde,
„de kogel wel door de kerk” zijn.

En Nora, die had opgemerkt, wat Adam bijzonder mooi aan haar vond en
wat hij, in verband daarmee, haar goed vond staan, kleedde zich
daarnaar, zoodat van haar blanken hals veel te zien was; van voren
vooral.

Toen ze hem ontving, zoo alleen, was ze werkelijk verlegen en ontroerd;
hij ook; de omstandigheden hadden hem overrompeld; hij had er zijn
gewone, rustige kalmte glad bij ingeschoten, en nu vooral, nu hij zulk
een stouten stap ging doen, was hij zenuwachtig. Nora merkte het aan
zijn handen, anders altijd warm als bij gezonde sanguinische naturen,
nu koud en klam; het stelde haar gerust; zij had er hem te liever om;
zij had het akelig gevonden, als hij nu zoo gemoedelijk was geweest als
altijd anders.

„Je neemt me niet kwalijk?” vroeg hij, om wat te zeggen.

Nora schudde zacht het blonde hoofd.

„Neen,” zei ze.

„Je zult wel begrepen hebben, dat ik niet heen kon gaan, zonder eerst
met je te hebben gesproken.”

„Ja,” zei ze.

Hij haalde diep adem; hij had nooit eenig examen gedaan; dat kon, dacht
hij, niet moeilijker wezen.

„Hier is de brief.”

Hij gebruikte dien brief, als een reddingsplank, wezenlijk niet
wetende, wat hij verder nog zeggen zou; en zij nam dien aan, wijl ze
met haar antwoorden zat te houden en het toch te gek was, dat een
meisje, steeds zoo goed bij het woord als zij, nu niets anders had
kunnen zeggen, dan „neen” en „ja.” Onder het lezen klom hare
belangstelling; zij zag daar veel meer in dan Adam en de Verlande’s;
zij maakte eruit op, dat die vader in Indië, die voor dezen éénen zoon
zooveel geld had uitgegeven om hem in Holland te laten grootbrengen, en
nu, als in een droom, telkens diens naam uitsprak, groote plannen had
met Adam, plannen om hem veel geld te vermaken of landgoederen te
geven.



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EEN DECLARATIE IN OPTIMA FORMA.


De bleeke straal van een ondergaande na-herfstzon gleed bescheiden
tusschen de bruine staatsiegordijnen door op de twee jonge menschen;
het was een knap paartje, zooals het daar zat op de chaise longue; mooi
in de groote tegenstelling van haar blond-blank en figuur-fijnheid,
tegenover zijn donker robust.

„Heb je geen herinnering aan je pa?”

„Niet de minste.”

„God geef, dat je hem nog levend vindt.”

„Ik hoop het; ik denk het wel; men zegt, dat sleepende kwalen meest
lang duren in Indië.”

„Er is dan misschien nog kans, dat hij beter wordt?”

„Wellicht,” zei Adam, zonder overtuiging of hartelijkheid.

„Dan kon je misschien weer terugkomen naar hier.”

Maar daar had hij voor zichzelf geen de minste hoop op en hij wilde
haar niet bedriegen.

„Er zal wel geen kans op zijn; dat denken de Verlande’s ook.”

Verwonderd keek ze hem aan.

„Pa zal mij zeker op een onderneming plaatsen, of, als hij mocht
sterven, zal ik er wel voor de zaken moeten blijven.”

„En dan?”

„Je weet Nora, hoeveel ik van je hou.”

Nu hij zoo eenvoudig en oprecht van wal stak, moest zij lachen.

„Ik geloof er niets van.”

„Plaag me niet; je weet het al lang, ik wou vragen of je je met me wilt
engageeren. Ik zal vandaag nog aanzoek doen bij je pa, en dadelijk in
Indië zal ik er thuis werk van maken.”

„Maar mijn goede, beste Adam, geef me nu eens duidelijk en verder
antwoord op mijn vraag: en dan?”

Zij had haar hand vertrouwelijk op de zijne gelegd, en keek hem aan met
een lief, vriendelijk gezicht. Hij, nog geheel onder den invloed van
zijn sentiment, lette niet op haar andere schoonheden, en zij dacht
daar zelf volstrekt niet aan; zij had heel goed hoog en stijf gekleed
kunnen zijn; het was alles hetzelfde geweest.

Adam sloeg zijn arm om haar heen, trok haar zacht tegen zijn breede
borst en kuste haar; zij gaf hem volkomen argeloos en zonder iets
anders dan een diep gevoel van onschuldige genegenheid, dien eersten
kus terug; ze waren allebei beter en reiner mensch nu, dan ze zelf
vroeger hadden geweten of gedacht.

En hij vertelde zijn plan; om als alles daarginds in orde was, haar te
trouwen bij volmacht en haar dan uit te laten komen naar Indië, waar
zij een heerlijk leven zou hebben; zoo goed als gefortuneerde lui in de
binnenlanden, waarover zij in Den Haag zooveel had hooren spreken, het
maar hebben kunnen.

De terugkomst der familie verraste hen; zou hen altijd verrast hebben,
al was zij uren later thuis gekomen.

Men hield zich goed; men veinsde de gewone verwondering over een
onverwacht bezoek. Een kwartier later kwam het toevallig zoo uit, dat
hij met den ouden heer alleen zat.

„Voor ik naar Indië ga, had ik graag nog eens met u gesproken over
mijzelven en over Nora.”

Tiele keek met een effen gezicht langs z’n grooten neus naar buiten,
het hoofd langzaam op en neer, als ’n Chineesch beeldje.

„Zoo, zoo!”

„Ik wou u verzoeken mij toe te staan met mijn vader te spreken en
daarna een aanzoek...”

„Ja. Hoe oud is je vader?”

Het was voor Adam een slim geval. Vooreerst bracht hem die onverwachte
vraag van z’n stuk, dat toch al niet erg stevig was; maar bovendien:
hij wist het niet.

„Heel precies kan ik het niet zeggen... om en bij de zestig.”

Wat ’n raar slag van volk toch, dacht Tiele, die Indische lui! Zoo’n
jonge man wist niet eens hoe oud z’n eigen vader was! Hij, Tiele, kende
de geboortejaren van al zijn bloedverwanten, zelfs van overledenen.

„Hoeveel broers en zusters heb je?”

Toen Adam peinzend opzag naar het plafond, als berekende hij in
gedachten het aantal, keek de oude heer hem in bange verwachting aan.
Welk een oostersch reproductievermogen zou hij hier ontdekken? Welk een
ongelooflijk aantal varkens zou deze spoeling dun maken?

„Wij zijn met ons vieren, thans; daar zijn er dood.”

„Met je hoeveel?”

„Vier.”

Het was sterk, meende Tiele; daar had zoo’n kerel voor gekeken als
werkte hij uit het hoofd een rekenkunstig vraagstuk uit. Neen, als hij
niet erg gefortuneerd was, zou Adam nooit voor schoonzoon in aanmerking
zijn gekomen. Aan een departement had hij het in een heel menschenleven
niet verder gebracht dan adjunct-commies, en misschien zelfs dàt niet.
De waarheid was, dat Adam ook het gevraagde aantal niet goed wist; hij
had zich nooit met die broers en die zusters beziggehouden, en zij
evenmin met hem; hij had zijn jeugd doorgebracht met de Verlande’s, en
met hun kinderen onbezorgd meegeleefd. Hoe oud zij waren, wanneer ze
hun verjaardagen vierden en al zulke kleine levensbijzonderheden meer,
wist hij precies.

„Op hoeveel taxeer je den ouden heer?”

Adam Silver begon te transpireeren; het scheen hem toe, dat Nora’s
vader nu ook in ’t geheel geen vraag kon doen, die hij bij machte was
te beantwoorden. Wat wist hij van de fortuin zijns vaders?

„Een millioen,” zei hij in zijn angst.

Tiele dacht na. Een millioen, dat was op zichzelf heel mooi; en ze
waren met hun vieren slechts. Dat was voor Nora een toekomst van twee
en een halve ton. Heel mooi! Maar..... een Indisch millioen was altijd
précair. Vandaag heette het, dat de menschen puissant rijk waren, en
een paar maanden later, na een flinke daling in den marktprijs van een
of ander product, waren ze veel minder; moesten ze hun equipages
wegdoen en uit hun groote huizen trekken.

„Weet je misschien, waaruit dat millioen bestaat?”

„Pa heeft aandeelen in perken en landgoederen.”

Hm! Daar had-je ’t al!

„Suiker?”

Nu moest Adam lachen. Suiker in perken! Daar was hij ineens à cheval,
want bij de Verlande’s had hij altijd veel gehoord over de perken; zij
zaten met het grootste deel van hun geld daar ook in. En om den
lastigen ouden heer in het doen van verdere vragen zooveel mogelijk
tegen te houden, putte hij al de wijsheid uit, die hij over dit
onderwerp bij de Verlande’s had opgedaan, en gaf in haar geheel de
beschrijvingen, welke hij dozijnen maal bij stukken en brokken daar had
gehoord. Beter dan hij dacht, was de indruk, dien hij daarbij maakte;
het was, vond Tiele, verduiveld mooi, en hij had nooit gedacht, dat die
Adam daar zooveel van wist. Er scheen ten slotte in dat jongmensch toch
meer te steken, dan men zoo oppervlakkig zou vermoeden, als er maar
iemand den slag had het eruit te krijgen; het streelde hem, dat hijzelf
dien slag bleek te hebben, en aandachtig luisterde hij naar de breede
uitweiding, nu en dan door een enkel woord of heel gewone vraag toonend
hoe goed hij bij de zaak was.

„Kijk,” zei hij, „ik heb persoonlijk niets tegen je. Je bent nog wat
jong, maar dat betert vanzelf. Als je nu in Indië bent, en je hebt met
je vader gesproken, dan moet je het zóó regelen, dat hij het aanzoek
voor je doet aan mij, en dat hij daarbij nauwkeurig opgeeft wat en hoe
je financieele positie is, want je hebt geen betrekking; niet bij het
gouvernement en niet particulier. Dus is dat noodzakelijk. Begrepen? En
als dat in orde is, zal ik mij niet tegen uw geluk en dat van Nora
verzetten, en mevrouw Tiele, daar ben ik zeker van, zal dat evenmin.”

Mevrouw Tiele dacht daar reeds nu niet over. Zij had een der meisjes
als het ware uitgehuwelijkt en een rijken schoonzoon in ’t zicht; zij
dacht niet aan broers en zusters, of aan de onvastheid van suiker in of
buiten perken; zij vond Adam voor Nora als geknipt, ware het slechts
omdat hij door zijn zachten aard en goedigheid het ’t meisje
gemakkelijker zou maken, dan zijzelf het in haar huwelijk had gehad.

En Adam, die geïnviteerd werd om te blijven eten, wijl daarop vooraf
was gerekend, voelde zich geheel tehuis en volmaakt gelukkig; hij en
Nora gedroegen zich nu en dan, alsof ze al betoel geëngageerd waren, en
de familieleden deden maar alsof ze dat niet zagen, drinkend met
vriendelijke gezichten en stille verstandhouding op de gezondheid, den
voorspoed, het geluk en nog veel meer, van Adam en zijn familie in
Indië, denkend daarbij aan de eigen dito’s, nu de toekomst zich zoo
prettig liet aanzien.

In één roes ging het door, de weinige dagen, die hem nog overbleven,
een droom gelijk. Den laatsten avond zou hij bij de Tiele’s
doorbrengen; de familie Verlande kwam daar ook nu, en zijn vrienden,
enkelen bij wie Adam wel aan huis kwam, met hun families. Het was een
rustig praatavondje eerst, met daarna een innig en hartelijk slot van
tranen, kussen en zenuwachtige handdrukken; van allerlei beloften en
toezeggingen: van niet vergeten, brieven schrijven, dikwijls aan
denken, portretten zenden, groeten overbrengen,—tot hij eindelijk
alleen met Nora op den corridor stond, suf gepraat en misselijk
gezoend. De Tiele’s hadden dit laatste apartje maar stil toegelaten.

En het duurde heel lang, zoo lang, dat de oude heer er ongedurig van
werd en in den salon op en neer ging loopen, hemmend en kuchend, om den
indruk te geven, dat hij elk oogenblik naar buiten kon komen.



ZESTIENDE HOOFDSTUK.

AAN BOORD VAN DEN MAILSTOOMER.


Toen het afscheid eindelijk genomen was, Nora schreiend naar haar kamer
ging en Adam in den kouden nacht op het trottoir stond, beheerschte hem
één groot, overweldigend gevoel: hij had zoo’n verschrikkelijken dorst.
En hij overlegde bij zichzelven naar welk bierhuis hij gaan zou. Zijn
vrienden wou hij niet ontmoeten, want dan werd het weer zoo laat, en al
om zes uren den volgenden ochtend zou Verlande hem komen halen met een
rijtuig. Daarom liep hij maar ergens heen, waar ze zelden kwamen en
schoof achter het groene gordijn, in het midden van het lokaal, dat dit
donker liet aan de straatzijde, als een dief naar binnen. Welk een
goddelijk bier! Bij den tweeden Seidel kon hij weer geregeld denken, en
hij dacht aan de lieve Nora, die hij zoo pas had verlaten, en aan dien
heelen avond; aan Nora met een gevoel van teederheid, aan de anderen
zonder gevoel. En daarna pikirde hij langzaam over het leven, dat hij
in Holland had geleid, en over de vermoedelijke toekomst; het eerste
was in den laatsten tijd onbetaalbaar geweest; ’t ging hem aan het
hart, dat ’t nu zoo heelemaal uit was; het andere,—nu ja, dat mocht
zijn wat het wilde!

Hij bestelde nog een glas bier en stak ’n sigaar aan; de vlam van den
lucifer ging hoog op, zijn donker gezicht verlichtend, en tegelijk
hielden twee jongelui op het trottoir aan den overkant op met loopen.

„Daar zit waarachtig Adam Silver,” zei de een.

„Wel verdomd,” riep de ander.

In een oogenblik zaten ze naast hem, den Seidel hoog; het was typisch,
vonden ze, hem hier te vinden; het was kranig, dat iemand, die den
volgenden dag naar Indië ging, nog zijn „afscheidspotje” ging halen in
de kroeg. En het was zóó typisch en zóó kranig, dat toen Verlande ’s
morgens vroeg Adam met een rijtuig kwam afhalen om hem naar ’t spoor te
brengen,—de juffrouw hoofdschuddend verklaarde, dat meneer nog in ’t
geheel niet thuis was geweest.

Juist kwam meneer aan, zeer berooid, maar met nog vrij veel besef van
z’n toestand; genoeg althans om er verlegen over te zijn en zijn
excuses te stamelen.

„Ik ben dadelijk klaar,” verzekerde hij.

Verlande zei maar niks; hij was boos, maar wat hielp het, boos te zijn
onder zulke omstandigheden.

„Haast je maar wat,” zei hij kortaf.

Nu, dat ging wonderwel, terwijl Verlande toezag; het koude water deed
op het sterk gestel wonderen, en een kwartier later reden ze door de
nog eenzame, grijze straten, voorbij de dichte vensters der gesloten
huizen.

Ze spraken geen woord. Adam te suf haast om iets te zeggen, worstelend
tegen zichzelf, Verlande uit het portierraampje kijkend, nog altijd te
nijdig om vriendelijk te wezen.

Aan het station was hij weer in een vergevensgezinde stemming geraakt,
maar toen hij een drietal rumoerige en dronken jongelui zag staan op
het perron, die een hoeraatje aanhieven bij Adam’s komst, werd hij
bleek.

„Ik wil je groeten, en goede reis verder.”

Daarmee ging Verlande weer terug naar de vigilante, die hem gebracht
had, en reed weg. En in de wachtkamer hield de oude heer Tiele zich
schuil. Hij had een bewijs van hartelijkheid willen geven, en was naar
het station gekomen om een laatste afscheid te nemen, maar toen hij het
drietal had gezien, en uit hun luidruchtig gepraat had gehoord,
waarvoor zij daar waren, kwam het zijn eer als hoofdambtenaar te na,
zich te vertoonen voor hetzelfde doel.

Adam Silver dankte God, dat de trein afreed; nog nooit had hij zóó het
land gehad aan zichzelven; hij had kunnen huilen.

In die stemming kwam hij aan boord van den mailstoomer, en vroeg enkele
inlichtingen; hij had een hut achteruit, zoo goed als boven de schroef;
een hut met couchetten, welke hij deelde met een ander passagier, die
daar nu zelf niet was, tot zijn vreugde; die nu waarschijnlijk boven
stond, afscheid nemend van ontroerde bloedverwanten, zelf ontroerd bij
het verlaten van z’n vaderland.

Adam dacht er niet aan, hij dacht in het geheel niet; hij had het niet
kunnen doen; hij was òp van het feestvieren de laatste dagen en
nachten; op den rand zijner couchette, zat hij zijn bottines uit te
trekken en onder de hand vielen z’n oogen dicht van overweldigenden
slaap.

Den volgenden dag ontwaakte hij, ’s ochtends heel vroeg, verbaasd en
met geen idee van tijd, maar volkomen uitgesoesd en opgefrischt,—wat
dat laatste aangaat door en door koud zelfs; een lang en rauw geluid
deed hem naar den anderen kant kijken over den rand zijner couchette en
in het flauwe lichtschijnsel zag hij boven den rand der
tegenoverliggende slaapplaats een bleek stuk gezicht met zweetdroppels
erop, akelig om te zien; en zich eenigszins opheffend, begon hij nu ook
te ontwaren, hoe zijn hutgenoot op gruwelijke wijze tol had betaald aan
de groote zee, zonder dat hij er iets van had bespeurd.

Met eenige moeite, door de beweging van den stoomer, stond hij op.

„Willen we eens kennis maken?” vroeg Adam den anderen jonkman.

Maar die, hem met een paar bleeke landerige oogen aankijkend, joeg zijn
hoofd met een plotse hevige beweging buiten de couchette, en, na de
akelige evolutie achterover vallend, zuchtte hij enkel:

„O God, ik ben zoo beroerd!”

Adam haastte zich zoo gauw mogelijk weg te komen uit de benauwde
ruimte, naar het salon, waar de passagiers, voorzoover die present
waren, hem met verwonderingsgezichten aankeken; hij groette met een
hoofdknik in het rond, zichzelf geheel meester, met zijn gewone rustige
kalmte, ontbeet stevig, en zocht, uit een gevoel, dat het zoo behoorde,
den commandant op om zich voor te stellen.

Die nam hem eens op met een stil glimlachje:

„Goed geslapen, meneer Silver?”

„Dank u, uitstekend.”

„Al ontbeten?”

„O ja en perfect. Ik had een kolossalen honger.”

„Dat kan ik begrijpen. Geen last van zeeziekte?”

„Ik... ik geloof het niet.”

„Nu, dan zal het wel schikken. Ik wou, dat al m’n passagiers bij het
begin van de reis zoo’n rustige vier en twintig uren doormaakten als u
hebt gedaan. ’t Zou de meesten te pas komen.”

Maar in dien tusschentijd was aan boord de reputatie van Adam
gevestigd, als de totaal mislukte zoon van rijke indische ouders, die
nog vóór z’n terugkeer uit Holland zoo had gesjouwd, dat hij als het
ware slapende in z’n kooi was neergevallen. Het was in dezen kring een
zeer ongunstige reputatie; de jongeren, die voor het eerst naar Indië
gingen, de ouderen, die erheen terugkeerden,—ze waren allen
werkmenschen, die door arbeid hun toekomst en hun bestaan moesten
verdienen; en dien éénen fainéant, als vreemde eend in de bijt, haatten
ze, nog vóór ze hem hadden gezien; zijn „rijkdom” hem benijdend;
zichzelven en elkaar verheffend door laag neer te zien op zijn gebrek
aan kennis en geleerdheid; de ouderen onder hen, den vader beklagend,
die zoo’n presentje weer op z’n dak kreeg.

Het viel Adam op, dat men onvriendelijk tegen hem was, en dit hem
belette zich bij de lui aan te sluiten; toen men de Engelsche kust
naderde, stond hij bij een paar jonge ingenieurs en zei ’n enkel woord
tusschen hun gesprek; zij keken elkaar eens aan; zijn uiterlijk en zijn
kalme fatsoenlijke manieren waren hun meegevallen; een hunner vroeg:

„Gaat u in gouvernementsdienst naar Indië?” terwijl hij heel goed wist,
dat dit niet zoo was.

„Neen. Ik ben naar Indië ontboden door mijn familie om de ziekte van
papa.”

„Nu ja! wat veel...?”

„Dat zou het niet geweest zijn. Het ging van begin af niet best. In het
begin gaf ik me moeite; naderhand niet meer. Waartoe ook? Als ambtenaar
zou ik maar de plaats innemen van een ander die er meer behoefte aan
had.”

Het was zijn verdedigingsphrase, en zij viel in goede aarde. De
jongelui keken elkaar nog eens aan, alsof ze wilden zeggen, dat hij
eigenlijk gelijk had. Zij lachten er hartelijk om, en waren nu ook
toeschietelijker. Toen volgden de anderen, en voor Marseille nog, waren
ze het volmaakt erover eens, dat die Adam Silver een nette en goede
jongen was, en het er voor zoo’n toekomstigen richard toch ook
eigenlijk niets toe deed of hij ’n baantje had of niet.



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

IN INDIË TERUG, MAAR... AAN EEN STERFBED.


Het was een aangename reis; de jongeren vooral, vol hoop en illusiën
een nieuw leven in een ander deel der wereld tegemoet gaande, leefden
in de kalmer wateren van het zuiden en onder den invloed van het al
zachter wordende klimaat, op in de levenskracht en de frischheid hunner
volle jeugd; van alles verzinnend om het scheepsleven gezellig en
vroolijk te maken.

Toen men in de tropische luchtstreek kwam, veranderde er veel, wat de
meesten niet opviel, voor sommigen toch zeer opmerkelijk was.

Adam onderging die verandering ook, zonder er veel van te merken; wel
zeurde hij met de anderen mee over de warmte, maar hij meende daar
niets van; hij voelde zich veel prettiger dan bij zomerwarmte in
Europa; hij at de niet zeer smakelijke rijsttafel aan boord met het
grootste genoegen; hij liep in slaapbroek en kabaai rond ’s morgens, of
hij ’t zijn leven lang had gedaan; en daar de in Indië geborenen bij de
nadering van Poeloe Pisang als door een tooverslag weer minder correct
Hollandsch gingen spreken, dan ze het eerste deel der reis deden, was
Adam in één dag geheel onwillekeurig daar ook mee op—eigenlijk
van—streek.

Toen hij, na een lange vervelende kustreis in het huis kwam, dat... hij
eens met ’n rood kieltje aan had verlaten, had hij zoodoende al meer
„Indische” levensvormen overgenomen, dan ’n gewoon Europeesch baar in
een jaar; maar toch herkende hem niemand; gelijk ook hij niets
herkende.

Hij liep het erf op en zag boven in de binnen-voorgalerij jonge mannen
in witte kabaai, een oude inlandsche vrouw, een jonge bijna inlandsche
vrouw; en zij verdwenen, naar achteren wijkend, toen ze hem zagen.

Een jonge man kwam beneden in het huis naar voren; hij was mager en
beenig, met ingevallen borst en zwaar zwart haar; zonder baard of
knevel, de gladde huid als gespannen over de kaak-beenderen,—John
Silver uit diens jeugd.

Min of meer verlegen trad hij met kleine dribbelpasjes op den breeden
kolossus toe, een soort van onderdanige beleefdheid in zijn houding:

„Met wien heb ik de eer?” En de andere, ook door deze ontmoeting
bedremmeld en verlegen:

„Ik ben Adam.”

„Allah! ik ben Bram.” Zij monsterden elkaar eens goed, een oogenblik
verwonderd over de tegenstelling.

„Hoe is het mogelijk,” zei Bram. „Hoe ben je zóó?”

„Ja,” antwoordde Adam met zijn goedigen glimlach, „dat dacht ik ook.”

„Stil; weet je; Pa is zwaar ziek; laat ons naar achter gaan, naar het
oudje; ik wil het haar eerst zeggen; ze zou anders schrikken.”

Een paar minuten later haalden ze hem af met groote hartelijkheid, de
broers met hun beiden nu, zijn dikke handen fideel drukkend in hun
magere knokken, de zuster met het eene oog hem kussend, dat het klapte:
njai Peraq stil en ontdaan hem maar aankijkend door haar bril met een
uitdrukking op haar gezicht of ze versuft was; niets zeggend, zonder
eenig vertoon van genegenheid, toen hij haar, bewogen zelf nu, een kus
gaf.

Ze brachten hem zacht in de ziekenkamer; John Silver was al twee dagen
niet meer bij kennis en stervende; zóó mager lag hij daar, dat het
haast ongelooflijk was.

„Hij spreekt al in langen tijd niet meer,” fluisterde Bram. „De dokter
zegt, dat hij nog dagen zoo kan liggen, maar dat het ook ineens gedaan
kan zijn.”

Adam voelde niets voor het wezen, dat daar op het bed lag, langzaam
ademhalend, de oogen dicht, wezenloos en buiten kennis. Toen ze een
tijd hadden staan fluisteren, kreeg zijn zuster een ingeving; zij had
altijd het meest van den vader gehouden; zij huilde bij zijn sterfbed;
zij had nog zoo graag zijn stem eens gehoord, zijn oogen eens zien
opengaan.

Zij boog zich over haar vader; met haar gezicht vlak bij het zijne en
den mond aan zijn oor, zei ze dringend:

„Pa, paatje, daar is Adam.”

En de oogen gingen open, wel een oogenblik dwalend, den blik over de
groep voor het bed; dan stil op de breede figuur in grijs complet,
tusschen de witte kabaja’s.

Er kwam geen woord, al leefde het heele gezicht plotseling op met
gloed.

Adam, ontsteld, ging op den stoel zitten naast het bed, nam de hand,
die op de sprei lag, in de zijne en zei:

„Dag pa, hoe is het met u?”

Om de blauwige lippen van den breeden mond gleed een grijns als ’n
spotlach; de gloed in het gezicht nam af; het licht der oogen werd dof
en mat; een halve minuut duurde het misschien en zij waren er allen zóó
door getroffen; dat ze niet spreken, zich niet bewegen konden.

Toen kwam het reutelend geluid diep en langzaam wegstervend; de
verstijving der trekken, het heelemaal verdwijnen van den blik in de
oogen, die gericht bleven op het gezicht van Adam.

John Silver was dood.

Alleen Lucie nam jammerend het lichte kleine hoofd in haar armen, en
riep haar vader toe met lieve namen, en huilde haar leed door het huis.

„Het is gelukkig, dat je hem nog even hebt gezien,” zei Bram.

„Ja, dat is het,” gaf Adam maar willig toe, gedachtenloos, overvallen
door dien zonderlingen terugkeer in een omgeving, hem heelemaal vreemd.

„Kasian, hij heeft in den laatsten tijd veel over je gepikird.”

„Ik heb ’t uit je brief gezien. Het spijt me dat ik niet eer gekomen
ben.”

„Waarom kwam je niet eer?”

„Ik wist het niet; er is mij niets van geschreven.”

Bram dacht een oogenblik na; hij wou iets weten, maar hij durfde ’t
haast niet vragen.

„Kon je niet vroeger komen uit jezelven?”

„Waarom zou ik het gedaan hebben? Ik had een goed en pleizierig leven
in Holland.”

„En wat heb je er uitgevoerd?”

„Pret gemaakt en.... ’n beetje geleerd. Maar niet veel!”

Goedig en vriendelijk keek Bram hem aan; hij was bang geweest voor de
komst van dien jongsten broer; hij wist wel, dat het geen hoogvlieger
was, maar toch.... ’n jongen, die zoo lang in Europa was geweest, zou
hem met geleerdheid en groote woorden zeker overdonderen. In plaats
daarvan was Adam de eenvoud en de gewoonheid zelf in zijn manier van
spreken.

„Wat ga je nu doen?” vroeg Bram.

Adam voelde zich verlegen met de zaak. Hij had z’n hoofd niet goed bij
elkaar; hij was daar zóó van de reis, bij ’n sterfbed neergezet; en nog
heelemaal onder den indruk van het geval, moest hij plannen voor de
toekomst blootleggen, die hij niet had gevormd.

„Zeg jij het maar.”

Daar keek Bram weer vreemd van op; dat was, meende hij, ’n leuke kerel,
of hij had het mis!

„Op het land, dat zal het beste wezen.”

’t Was juist wat Adam altijd had gedacht; het ging voor hem op, als een
licht, en tevreden knikte hij.

„Juist; op een der ondernemingen van den ouden heer.”

„Ondernemingen van den ouden heer?”

„Nu ja,” verbeterde Adam, meenend verbaal ’n bok te hebben geschoten,
„van ons dan, na zijn dood!”

„Van ons?” vroeg Bram in de hoogste verbazing.

„Ja... wat anders?”

„Maar beste jongen, wie heeft je ooit van die dingen gesproken?”

Het was een pijnlijke vraag. Ja, de Verlande’s hadden altijd gezegd,
dat zijn vader wel zou zorgen, dat hij op een land kwam, maar hij
alleen had daar als vanzelf sprekend uit afgeleid, dat het poenja was,
en op die gedachte was hij steeds doorgegaan.

„Dat weet ik niet meer, ik heb het me altijd zoo voorgesteld.”

„Nu, maar dat is dan heel verkeerd geweest, hoor!”

Daar schoot hem iets te binnen.

„De perken!” zei hij triomfantelijk.

„Het aandeel daarin, bedoel je. Dàt is al ’n paar jaren lang naar de
maan, beste jongen; dat heeft pa moeten afstaan voor andere beren.”

„Beren!” riep Adam in de hoogste verwondering. „Kom, je fopt me.”

„Waarachtig niet, wat zou ik daaraan hebben. Betoel, hoor! beren bij de
Bank.”

„O zoo, bij de Bank. Maar pa was toch rijk.”

„Ben je wel heelemaal dwaas! Jongen, ik zie wel, dat jij leelijk in de
war bent. Wat er van den boel hier terechtkomt, kan ik haast op duizend
gulden nagaan; als we elk twintig mille voor ons erfdeel maken, zal het
heel mooi zijn.”

In Adam rees een gevoel van wantrouwen op; het kon niet waar zijn; het
was zeker de inleiding tot een plan om hem te misleiden en te
bedriegen; daarom gaf hij geen antwoord, en de andere, die daar eenig
besef van had, ging voort.

„Enfin, je zult het zien. Jij bent de eenige minderjarige nog, en
daarom zal de Weeskamer er wel bij komen. Dan zal je het ondervinden.
En als je verstandig wilt zijn, ga dan zoodra alles is afgeloopen, stil
als opziener dienen; ik weet; er is iets open, tachtig pop in de maand,
vrije woning, rijst, olie en brandhout. Dat kan ik je wel bezorgen. En
zet dan je erfportie secuur in deposito. Naderhand, als je kennis van
zaken hier hebt gekregen, kan ’t geld je te pas komen.”

Het was wel verstandig geredeneerd, maar sterker geesten dan Adam
zouden duizelig zijn geworden door zulk een val. Daar zonk alles onder
hem weg! Een handvol geld, en verder niets.... Van den goeden raad
begreep hij de helft niet... Vrij rijst, olie en brandhout.... dat zou
hij krijgen; hij, Adam Silver, die er zoo goed en zoo netjes als
millionnairs-zoon van geleefd had in Den Haag!... Van alles wat Bram
hem daar had gezegd, klonk hem niets zoo onmogelijk, zoo min en
vernederend in de ooren als die vrije olie en die rijst.

„En moeder?” vroeg hij om toch iets te zeggen.

„Het oudje? O, die komt terecht; die heeft haar eigen duitjes,
vermoedelijk meer dan wij; zij heeft haar heele leven geld geleend
tegen mooie rente. Anderhalf soms twee percent in de maand. Dàt kan ze
uitstekend. Maar daar moet iemand ondervinding en slag van hebben,
anders loopt hij er geducht in.”

Zijn moeder een inlandsche vrouw en een woekeraarster; het was, meende
Adam Silver een comble; wat kon hem nu nog overkomen?

„Zeg,” ging Bram voort, „wil je de koffers niet ontpakken.”

Hij had een stille hoop, dat er toch wel iets voor hem en de anderen in
zou zitten, een cadeautje uit Holland; de een of andere aardige
kleinigheid. En zij gingen samen naar de kamer voor Adam ingericht. De
tweede broer moest maar zorgen voor de toebereidselen tot de
begrafenis.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET GEVONDEN PORTRET.


Bram had het niet mis, schoon Adam part noch deel had aan de attentie;
die was het werk geweest van de Verlande’s; zij hadden wat snuisterijen
gekocht, ingepakt en geadresseerd; aardige kleinigheden uit
galanteriewinkels, in Holland goedkoop, in Indië op kleine plaatsen en
buitenposten, duur en zelfs niet verkrijgbaar. En allen vergaten er den
dooden vader om; kinderlijk blij, opgetogen van pleizier over de
„cadeautjes”, met een groot gevoel van genegenheid nu voor Adam, die
dat alles hoorde en aanzag, in het geheel niets begrijpend van deze
nieuwe omgeving.

Den volgenden ochtend zou John Silver worden begraven; een paar oude
baboes hadden het lijk „afgelegd”; een oude mandoer zou er bij waken;
het scheen voor de familie een „zaak”, die haar weinig of niet
regardeerde; alles liep over mandoers en baboes en een inlandschen
opziener der begraafplaats. Maar de deelneming, voor zoover die bestond
in het volgen van het lijk naar het kerkhof, was, buiten evenredigheid
tot wijlen John Silvers populariteit, groot; men mocht hem genegeerd
hebben bij zijn leven,—nu hij dood was, moest men hem toch geven, wat
men meende verplicht te zijn aan een „Europeesch ingezetene.”

Adam had het zich in zijn kamer zoo aangenaam mogelijk gemaakt, en was,
toen hij de formaliteit der begrafenis mede had vervuld, op z’n bed
gaan liggen. Het zag, vond hij, er gek voor hem uit; de omstandigheden
hadden hem heelemaal overrompeld; een beeld van zijn eigen toestand was
hij nog niet bij machte geweest zich te vormen. Niet aan
herseninspanning gewoon, schenen hem dit alles hoogst ingewikkelde
complicaties. Zou hij met z’n geld naar Europa teruggaan? In gedachten
zag hij het strak gezicht van den ouden heer Tiele, met de kleine
sleufoogjes voor zich uitstarend langs den grooten beenneus; hij hoorde
weer het categorisch verhoor en de aanbeveling om toch vooral secure
opgaven mee te zenden over zijn, Adam’s, financieelen toestand; hij
herinnerde zich, hoe hij te goeder trouw had gebluft met dat millioen,
waaraan hij geloofde, maar dat er niet was.

En als hij daar dan aankwam met die twintig mille of wat ervan
overschoot..... Neen, dàt kon niet. Hij moest Nora Tiele opgeven,
daartegen was niets te doen. Die gedachte deed hem verdriet. Hij hield
al heel veel van haar, toen hij uit Holland ging, en sedert was die
genegenheid zoo ver gegaan als zijn aard en karakter toelieten; hij had
te Marseille brieven van haar gekregen, zoo innig lief, zoo hartelijk
en vriendelijk, dat het beetje poëzie zijner eigenaardige jeugd erdoor
hoog werd opgevoerd; hij had die brieven gelezen met een groot gevoel
van teederheid, er zoo goed hij kon in denzelfden geest op geantwoord,
en zoodoende zijn liefde voor Nora gevoed en opgekweekt tot wat die nu
was, met al de illusiën voor de toekomst.

Ineens was dat uit; hij kon er geen minuut aan denken; hij nam haar
portret in de hand en bekeek het, zielsbedroefd, maar met de
overtuiging, dat de omstandigheden het uit hadden gemaakt tusschen hem
en haar. Geen oogenblik kwam bij hem de gedachte op van strijd tegen
die omstandigheden en van overwinning aan het einde. Wat dat aanging,
was hij zich instinctmatig zijner onmacht bewust.

Hij had wel eens gelezen van menschen, die met een kleinigheid begonnen
en door hun energie fortuin hadden gemaakt, maar dat hield hij voor
fabeltjes; hij had altijd geleefd in een atmosfeer van knapheid, waarin
hij dom werd genoemd, omdat hij zoo moeilijk leeren kon; hij was
doordrongen van het geloof, dat men zonder veel geleerd te hebben door
zichzelf tot niets kon komen; dat dus alle pogingen, die hij deed,
eenvoudig tot niets zouden leiden.

Hoe hij zich ook inspande, het hielp hem niet; hij zag nergens een
uitweg, en moe van het pikiren, na den zeer overvloedigen maaltijd,
sliep hij in, en lag daar groot, zwaar en breed, in een rustige
digestie.

Njai Peraq kwam zacht de kamer binnen, gevolgd door Bram, en stil keken
zij beiden toe, door het zachte licht, in het wit omklamboede bed.

„Allah, welk een man,” zei ze zacht in het Maleisch.

Bram, glimlachend, schudde het hoofd tegenover dit raadselachtig wezen,
dat daar zwaar sliep, met een lange krachtige ademhaling; hij had hem
aldoor met verwondering aanschouwd, vooral aan tafel; en zijn zuster
met haar ééne oog, had hem aangekeken vol stomme verbazing over de
hoeveelheid eten, die Adam rustig verwerkte.

„Weet-je,” fluisterde Bram tegen njai Peraq terug; „hij is net als
sommige perceelen; die moeten ook altijd zwaar bemest worden en ze
produceeren toch zoo goed als niets.”

Zij antwoordde niet; ’t was de vraag, of ze wel eens naar Bram had
geluisterd; ze ging naar het ledikant, boog zich over hem heen en trok
zacht en voorzichtig het portret van Nora onder zijn eenen arm uit, die
erop lag; zoo zacht en voorzichtig als een inlandsche vrouw dat kan,
zoodat er geen vlieg door van z’n plaats zou gaan, laat staan een
mensch door ontwaken.

Bram ging heen, toen hij even had meegekeken. ’t Was hem niet
aangenaam, dat Adam verliefd was; zoo’n europeesche vrouw in de
familie, daar zag hij erg tegen op; hij deed net zooals zijn vader had
gedaan en voelde zich wèl daarbij; hij had een inlandsche huishoudster
en die deed op de onderneming, waar hij opziener was, wat njai Peraq
altijd gedaan had in het vaderlijk huis; zij hield er een warong bij,
waar het volk, dat van haar geld leende en altijd door bij haar in het
krijt stond, wel koopen moest. Zoo sneed het mes van twee kanten!

De moeder dacht daar ook zoo over; het liep haar koud langs den rug,
bij het zien van het portret van dat bleeke meisje, zoo onbegrijpelijk
raar gekleed. Moest dàt haar menantoe worden? God in den hemel, zuchtte
zij, het was onmogelijk! Zij zou het niet gedoogen. Al zou het haar nog
zooveel geld kosten aan toovermiddelen en goena-goena, zij zou het
ervoor over hebben! Een knappe, aardige, inlandsche vrouw, waar zij,
njai Peraq, op haar ouden dag iets aan had, die moest hij hebben; en
hij zou een beste kunnen krijgen, omdat hij zoo’n mooie jongen was, en
omdat zijzelf er wel een voor hem zoeken zou.

Stil sloop zij de kamer uit, het portret van Nora Tiele onder haar
baadje. Buiten ging Bram haar achterna, de oude kamer binnen, die zij
al zooveel jaren bewoonde in de bijgebouwen, en in dezelfde groote
trommel, waar het portret van Adam, dat zij van John Silver gekregen
had, was geborgen, legde zij het andere, dat zij nu had weggenomen.

„Wat doe je, ma?”

„Ik berg het weg, Bram; hij mag het niet houden.”

„Hij is geen kind meer, ma; ik denk dat hij kwaad zal zijn.”

„Waarom kwaad? Op wie?”

„Wel op een van ons beiden, ma, maar niet op mij.”

„Hij zal het niet weten, Bram. Zou jij zoo’n mal bleek mensch hier in
huis willen zien?”

Bram lachte hard en krakend; net het geluid van z’n vader in vroeger
tijd.

„Neen, niet graag,” bekende hij openhartig; „maar mal zijn die totohs
niet, ma; zij zijn heel wat slimmer dan wij.”

„Het kan mij niet schelen en het is niet waar ook; ja, zij kunnen
allerlei maken van ijzer, hout en steen, en zij kunnen sopi drinken en
brendy, maar pinter zijn ze niet.”

„Soedah! Ik weet het beter. Maar het is waar, ik zou zoo’n schoonzusje
niet graag hebben. Doch daarom zou ik het portret niet stelen.”

„Als hij het ziet, denkt hij aan haar.”

„Laat hem denken.”

„Dan wil hij haar trouwen.”

Bram lachte weer.

„Je wordt oud; je bent zelf niet zoo pinter meer als vroeger. Allah,
toch ma! hij is een Indische jongen. Laat hem maar eerst ’n week of wat
hier zijn, dan is hij gewend.”

„En dan?”

„O, welk een garnalenhoofd!” riep Bram zonder eenig respect voor de
moederlijke waardigheid van njai Peraq. „Dan geef ik hem een aardig
meisje om hem te pidjit.”

Daar moest nu de oude vrouw om lachen, het dom vindend van haarzelf,
dat zij dááraan niet had gedacht.

„Geef mij dus het portret terug,” ging Bram voort, „dan zal ik het in
z’n kamer leggen; het is beter.”

Maar zij was bang.

„Neen, ik doe het niet, Bram, ik doe het niet.”

„Geef het nou, zeg ik. Hij moet ons niet gaan wantrouwen; en als hij
dat ding mist, zal hij u of mij natuurlijk verdenken.”

Maar het was preeken voor doovemans ooren; aan zoo’n photographisch
portret schreef njai Peraq een buitengewonen invloed toe, had zij dien
niet zelf ondervonden en gevoeld, toen ze dat van Adam zag en ineens
voor haar oogen een beeld oprees, dat ze al lang was vergeten; en zoo
duidelijk, dat zij ervan schrikte? Neen, dat nooit!



NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

EEN NIEUWE VLAM.


Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had
heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan
het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij
ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met
Bram, die druk bezig was in den tuin.

„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfde
liefhebberij in bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten
tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”

„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen blik over de
rozestruiken en de veelkleurige planten.

„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in
orde krijgen. Hou jij van bloemen?”

Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme
schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede
lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer.
Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden
kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den
blik, die er bovenuit keek.

„Aardig, ja?” vroeg Bram.

Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als
karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar
het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende
hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend
in de familiebijt.

„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van een
mantri van de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”

Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje,
dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede
engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen
onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw
contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen
vooruitspringend.

Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging,
gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het
meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den
weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n
wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardig
ensemble had hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als
door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom, die hem
op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.

Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen
met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder
veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem
zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van
het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een
oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest
deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn
oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn
gedachten oprezen.

Werktuiglijk vroeg hij:

„Zou het niet gaan?”

„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”

„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en
deze conversatie, welke hem geheel au fait vooronderstelde en in kwart
en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.

„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is
nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet
huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan
helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een
ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen
op gezet, en hij gaat er niet af.”

„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen
glimlach.

„Och, dat is niks. Integendeel.”

„Hoezoo?”

„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”

„Ja, dat zal wel waar zijn.”

„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor
je nemen. Loop je nog door?”

En toen Adam dat nog doen wilde:

„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”

In het kamertje op het achtererf ging hij bij njai Peraq zitten en stak
een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings
weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het
kniegewricht.

Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het
inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als
verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was
met dat totohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van den mantri had,
voorgoed van die gekheid af zou zijn.

Ernstig en stil overwoog njai Peraq; de mantri stond bij haar in de
schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen,
want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was
wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar
ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een laki als Adam,
dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.

„Het kan misschien wel,” meende zij.

„Hm! Heb je hem vast?”

„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”

„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag
haar mee te gaan om koffie te drinken en kwee-kwee te eten.”

„Wat zou dat helpen?” vroeg njai Peraq.

Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van
vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.

„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens
alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”

Maar njai Peraq fronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige
bewegingen het hoofd.

„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet
wel beter en fatsoenlijker. Hij hoeft geen beest te zijn om haar te
krijgen.”

Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij
zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen
weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.

Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger
altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het
erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder
over, denkend ieder hun eigen gedachten.

Tot Bram opschrikte toen een baboe kwam zeggen, dat er bezoek was; de
meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de
Weeskamer.

Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de
vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was
minderjarig.



TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ONTERFD.


Toen hij binnenkwam waren er twee personen, de agent van de Weeskamer
en een ander ambtenaar; en deze laatste was eigenlijk de woordvoerder;
daar er op de plaats geen notaris was, en die ook niet te bereiken
viel, had John Silver in zijn tegenwoordigheid een testament gemaakt
onder getuigen en eigenhandig, en dat had hij bij hem in bewaring
gelaten; de familie moest den volgenden dag maar op ’t kantoor komen.

Intusschen deed de ambtenaar van de Weeskamer verder zijn plicht en
alles werd opgeschreven en het gaf, vonden njai Peraq en de verdere
familieleden, een gezanik, om ziek van te worden.

Toen des anderen daags de voorlezing van het testament was afgeloopen,
keken ze elkaar aan, zóó vol verbazing, dat het was, als hadden ze hun
verstand verloren.

„De oude was gek,” zei Bram.

Daartegen protesteerde de openbare ambtenaar; John Silver was volkomen
bij z’n verstand geweest; dat konden de getuigen verklaren.

„Maar moeder dan?”

Njai Peraq kwam in het testament niet voor.

„Het is te mal, het is nonsense,” hield Bram vol...

„Daar!” riep hij opgewonden, „het bewijs heb ik!”

„Welk?” vroeg de agent.

„Wel, dat pa niet bij zijn positieven was. Hij heeft mijn broer Adam
vergeten.”

„Ja, dat heeft hij,” gaf de Weeskamer toe.

Maar de openbare ambtenaar niet; die streek eenigszins verlegen over
z’n gezicht, en schudde langzaam, ontkennend, het hoofd.

„Dat heeft hij niet.”

„Het is wèl waar; hij komt er in ’t geheel niet in voor.”

„Toen uw vader het testament maakte, heb ik zijn aandacht er ook op
gevestigd, ik wist... ik meende te weten, dat hij nog een zoon in
Europa had.”

„Ja, natuurlijk.”

„Het was mijn plicht hem erop te wijzen.”

„Ja, en wat zei hij?”

„Hij zeide... dat hij geen andere kinderen had erkend, dan die hij in
het testament had genoemd.”

„Hoe bedoelt u dat?” vroeg Adam bleek en met groote ontstelde oogen,
geïmpressionneerd, zooals hij ’t nog nooit was geweest.

„Wijlen de heer Silver was niet getrouwd voor de burgerlijke wet met
deze inlandsche vrouw; om de bij haar verwekte kinderen als de zijne
ingeschreven te krijgen in de registers van den Burgerlijken Stand,
moest hij ze erkennen.”

„En heeft hij dat niet gedaan?”

„Voor de anderen wel; voor u niet.”

„Dus... dus ben ik...?”

„Ja,” zei de ambtenaar, met wezenlijk medelijden tegenover dien
volkomen zuiver Hollandsch sprekenden en modern Europeesch gekleeden
jongen man, „het is een hoogst onaangenaam geval, maar het is heusch
niet anders. U bent niet ingeschreven en dus alleen de zoon van de
inlandsche vrouw, hier bekend onder den naam van njai Peraq.”

De broers en de eenoogige zuster protesteerden. Het was onmogelijk, het
leek naar niets en het rijmde zich met niets; hun vader zou dat niet
gedaan hebben, terwijl hij juist zoo’n voorkeur aan Adam had
geschonken, dat hij hem met uitsluiting van de anderen, een kostbare
Europeesche opvoeding had laten geven; en de ambtenaren gaven toe, dat
het onbegrijpelijk was; zij zouden waarlijk nu tot de meening zijn
overgeheld, dat iemand, die zulke dingen doet, niet geacht kan worden
bij zijn verstand te zijn.

„Maar al betwistte je het testament; dan zouden jullie daar wel nadeel,
maar geen voordeel bij kunnen hebben, en je broer evenmin.”

„Dan is toch uitgemaakt...” begon Bram, maar hij bleef erin steken; hij
wist eigenlijk in het geheel niet, wat zou zijn uitgemaakt.

„Het baat niets. Als jullie aan je broer een erfportie wilt afstaan en
aan je moeder ook, dan staat dat ieder vrij.”

Ja, dat wilden ze, er was geen quaestie van, dat ze zouden willen
bezitten, wat hun moeder en hun broer toekwam; Bram vooral was zeer
opgewonden, de tranen stonden hem in de oogen.

En njai Peraq, die ze alles hadden uitgelegd, beet even met een
zenuwachtig mondtrillen op haar onderlip. „Bangsat,” dacht ze; maar ze
zei het niet.

De eenparige hartelijkheid zijner broers en zuster trof Adam; hem stond
voor het oogenblik de maatschappelijke kant niet zoo helder voor oogen,
als de financieele.

„Ik wil jullie niet van je geld berooven,” zei hij pijnlijk, „het komt
me immers niet rechtmatig toe.”

Maar nu dreigde het een strijd van edelmoedigheid te worden, waarbij
Bram het hoogste woord voerde, en dien njai Peraq zich liet verklaren
door haar dochter.

„Het kan me niet schelen,” hield Bram vol, „wat pa gedaan heeft en
wáárom hij zoo heeft gedaan; dat gaat me niet aan en ik wil er niet aan
denken; maar jij bent mijn eigen broer, en al waren we niet van een en
denzelfden vader....”

Het hooge woord, het woord waaraan gedacht werd door de vreemden en
door de moeder, maar dat zij niet durfden en wilden uitspreken, was
eruit. De twee ambtenaren keken elkaar aan; Bram begon te stotteren,
toen hij de gezichten zag van zijn broer en zuster, die hem verslagen
aankeken.

Njai Peraq zette haar bril recht en stond op.

„Het is alles een vergissing,” zei ze. „Wij zullen naar huis gaan. Ik
heb genoeg geld om Adam zooveel te geven, als jullie elk krijgt. Er
behoeft geen twist over te komen.”

Maar Bram wilde niet weg; hij was altijd nogal breedsprakig; wanneer
hij zich had opgewonden en vond, dat hij gelijk had en hij deed zooals
behoorde, maakte dit hem sentimenteel; dan was hij niet van het woord
te slaan.

„Zou er niks aan te doen zijn?” vroeg hij de ambtenaren.

„Waaraan?”

„Wel, dat het geredresseerd wordt; dat hij nog als mijn broer en als
Europeaan wordt erkend.”

In hun hart betwijfelden zij het, maar om hem niet te verdrieten, zei
de een:

„Misschien wel.”

„Wat moeten we dan doen? Als er met geld iets te beginnen is, dan zijn
we graag bereid....”

„Neen, dat niet; daaraan moet u niet denken.... Misschien een
collectief request....”

„Wat voor request?”

„Ik bedoel, dat door de erkende kinderen gezamenlijk wordt
onderteekend.”

Ze vonden eerst het idée uitstekend, en praatten er heen en weer over,
tot ze het verwierpen, en besloten dat eerst Adam zelf het verzoek
moest doen; de Weeskamer-agent zou het voor hem opmaken.

Toen ze hiermede hun ongerustheid hadden bedaard en naar huis reden,
zwegen zij, geheel onder den indruk; ieder ging stil naar zijn kamer,
heelemaal vervuld van het zonderling geval.

Wie het hardste erover tobde, was Bram. Hij vond het, in één woord, het
verschrikkelijkste wat iemand kon overkomen; hij had wel een inlandsche
vrouw tot moeder, en hij dicteerde in zijn uiterlijk veel meer den
maleier, dan den westerling, maar dat belette hem niet zijn
maatschappelijken stand als Europeaan zeer hoog te schatten en laag
neer te zien op den inlander; had men hem de keuze gegeven tusschen
gelijkstelling met dezen en den dood, hij zou aan den laatsten de
voorkeur hebben gegeven.

En hij bedacht terdege, dat het voor Adam, die zoolang in Holland was
geweest en die zoo heelemaal een totoh was geworden; nog erger wezen
moest, dan voor hem.

Dat er ergens iets aan gehaperd had en wat het was, kon hij wel nagaan,
en als het waar was, moest dat voor zijn vader, zoo redeneerde hij,
onaangenaam zijn geweest. Hij dacht zichzelf in het geval. Wel, als hij
z’n huishoudster snapte, zou hij haar eenvoudig de deur uitschoppen, al
had ze een dozijn kinderen met hem. Men wist toch met een inlandsche
vrouw altijd wel, dat men zulke gevaren liep. Van den twijfel, dien
John Silver bij z’n leven haast gek had gemaakt en in den vorm van een
idée fixe hoogstwaarschijnlijk dat leven had verkort, wist hij niets en
kon hij zich geen voorstelling maken.

De oude had indertijd iets ontdekt, iets geweten, en hij had niettemin
toch zijn huishoudster gehouden, maar zich gewroken door het kind een
Europeesche opvoeding te doen geven om hem later des te meer te
„donderen.”

„God in den hemel,” riep hij zenuwachtig de kamer op en neer loopend,
in uiterlijk en manieren nu het sprekend evenbeeld van wijlen John,
„wat is dat ’n gemeene streek geweest, tegenover dien armen jongen, die
er toch dood onschuldig aan is.”

Hij kon het niet houden, liep naar Adam en keek er gek van op, dat die
rustig een deuntje floot. En direct klom nog zijn medelijden: „de
jongen begrijpt het niet,” dacht hij; „hij ziet niet eens in, hoe
ernstig het is.”

Het was ook zoo, althans betrekkelijk.



EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VERGEEFSCHE MOEITE.


Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de
Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die
registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of
nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg,
zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij
ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand
berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam
heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.

Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een
gevoel van meerderheid, dat hem streelde, hij, die nooit in Europa was
geweest, was toch veel pinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie
voor den jongeren broer.

Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te
zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal
zóó was en niet anders?

Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.

„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”

„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.

„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”

„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het
geeft geen moeite.”

„Dat doet het ook niet.”

„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”

„Wat getuigen.”

„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn
vader.”

Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.

„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die
registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in
staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man...”

„Nou, wat dan?”

„Dan ben je toch een vrouw!”

Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram
kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de
bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.

„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”

„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De
menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd
wordt het toch.”

„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”

„En wat dan?”

„Ja, dat mag je wel zeggen.”

„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”

„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.

En toen Adam dat niet wist:

„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”

„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”

„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”

„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”

Bram begreep het wel, maar hij vroeg:

„Een portret van jou?”

„Neen; van een jonge dame.”

„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”

„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner
ik me, ’s middags bekeken.”

„Waar?”

„Hier in de kamer, op mijn bed.”

„Een liefje van je?”

Adam aarzelde een oogenblik.

„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”

„Dat is dan een gedane zaak, hè?”

„Hoezoo?”

„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maar soedah, hij is
dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan
heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”...

„Als ik op een land ben...”

„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En
een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet
wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”

Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten.
Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.

„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veel kasian had.
„Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of
Amerika en ik liet me naturaliseeren.”

Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.

„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”

De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met
vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het
onderricht in talen!

„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”

„Ik weet het niet.”

„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje
zetten, dáár kan toch niets van komen.”

„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.

„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes
genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”

„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst,
toen we in den tuin waren...”

„Welnu, neem haar.”

„Neem haar, neem haar...! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen
heb.”

„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van
het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”

„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk
verstaanbaar maken.”

„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen
den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”

Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn
leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een
of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke
snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een
wonder!

Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld. Van een
boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam
uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur
aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer
van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de
onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er
een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje
des huiselijken levens maar weinig verschil.

Njai Peraq kwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet.
De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten
rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de
keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en
eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie
Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in
een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich
perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof hij ’t zijn leven lang
gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij
maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt
oosterschen kop; zij kipaste hem als hij sliep en putte zich uit in
lekkere sambals en kwee-kwee, die haar vergolden werden door een
genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte;
door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt
onverschillig was.

En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan
den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen
Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.

Dat die broer niet knap en ook niet pinter was, verheugde hem; maar als
hij dan het stille air van superioriteit zag, dat Adam zich niet
kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij
zoo en passant al lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft,
gévédé, iets over zich... Het is om je dood te lachen!”



TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ADAM IS ONTEVREDEN.


De brieven van Nora Tiele, werden al opgewondener; de afwezigheid van
Adam scheen haar liefde voor hem te doen toenemen; zij schreef, wat zij
nooit gezegd zou hebben: hoe zij over hem dacht, wat zij voor hem
gevoelde, hoezeer ze naar hem verlangde. En zijn metterdaad
verminderend gevoel voor haar, werd telkens weer door die brieven
opgewekt en gevoed. Dan had hij schrikkelijk het land om het zoek raken
van haar portret, dat alle navraag niet terecht had gebracht; dan
herinnerde hij zich weer zijn avondje met haar,—den laatsten vooral, en
dan kon hij er niet toe komen haar ook maar ’t gedeelte der waarheid te
schrijven, dat zij weten mocht.

Den dood zijns vaders had hij haar medegedeeld, en dat hij door zijn
familie zoo vriendelijk was ontvangen; aan de Verlande’s schreef hij in
’t geheel niet; hij miste er den moed toe.

Zoo ging het door een paar maanden, tot de beschikking kwam op zijn
request: gehoord, gezien en overwogen; het verzoek van den zich
noemenden Adam Silver was gewezen van de hand.

Dat het hem erg schokte, zag Bram, en ofschoon hij het resultaat van
den begin af had voorspeld, ging hij nu ineens overstag, met een
voorgewend onwankelbaar vertrouwen op het collectief adres van de
wettige erven.

Daar moest „spoed” achter gezet worden; daar had men mee moeten
beginnen; dat zou ’n heel ander effect maken; men zou begrijpen, dat
hij geen indringer was; dat alles neerkwam op een verzuim uit
nalatigheid.

Voor zichzelf had hij de overtuiging, dat het „mis” was; ver ging zijn
kennis niet, ook niet in zulke zaken; maar dat de beslissing der
Regeering op zoo’n verzoek niet afhankelijk was van den persoon, die
het deed,—dàt begreep hij toch wel.

Adam, die leukweg voortlevend maar, in den dagelijkschen omgang onder
den invloed was gekomen van Bram’s grootere scherpzinnigheid en
slimheid, geloofde het. Hij hield nu ook zijn eigen verzoek voor een
ondoordachte handeling, zich geruststellend met de redeneeringen van
Bram; vertrouwend op wat hij wenschte en tegelijk zoo heel natuurlijk
vond.



Het was een vroegen ochtend, toen Adam in de voorgalerij zat en met den
ouden kijker uitzag in zee; de mailboot stoomde op aan den
gezichteinder, het was alles haast onveranderd zooals het tien, twintig
jaar vroeger was geweest.

Bram was op de varkensjacht; njai Peraq en haar dochter naar de pasar;
Adam had het rijk in huis alleen met Minah, die ziek was, zei ze, en er
lang zoo netjes en fleurig niet uitzag, als toen zij pas bij hem kwam;
in het besef eener inlandsche vrouw, dat, in haar „omstandigheden” het
niet behoorlijk was zich aan te stellen.

Hij verveelde zich; hij had in den laatsten tijd ’n hekel gekregen aan
dit eentonig bestaan; de stilte, de gelijkvormigheid van het leven
elken dag; de ongestoorde rust en het eeuwige nietsdoen,—het had hem
alles eenigszins geoefend in wat hem vroeger te midden van het drukke
vermakenleven in een groote westersche stad vreemd was gebleven:
geoefend in het denken. Het had zijn geest verruimd, zijn hoofd
helderder gemaakt, zijn oordeel gescherpt. En dat alles bijeen, deed
een behoefte ontstaan, die hem altijd onbekend was geweest; hij wilde
iets doen. In zijn omgeving had hij rondgezien naar dat „iets,” maar
hij had het niet gevonden; een drukkend gevoel was over hem gekomen;
een van groote ontevredenheid, en lusteloos hing hij over de
balustrade, droomerig en somber starend over het groote onrustige veld
der zee.

Als hij naging, hoelang het had geduurd vóór de afwijzende beschikking
op zijn request gekomen was, dan werd het nu zoowat tijd, dat op het
collectief adres van de „erven Silver” een beslissing kon verwacht
worden.

Als dàt óók werd afgewezen, wat dan? Zou hij dan.... inlander worden?
Ineens stond het hem voor oogen, dat hij eigenlijk niets behoefde te
doen of te worden; dat hij vanzelf inlander was.

En hoezeer hij zich in die weinige maanden ook „verinlandscht” had; hoe
goed en gemakkelijk hij zich had gewend aan de rijstvoeding, aan het
loopen op bloote voeten in nachtbroek en kabaai; aan het leven met een
inlandsche vrouw,—kortom aan de eigenaardigheden, ook de minder
smakelijke, van dàt leven,—de gedachte aan wat zijn wettigen en
werkelijken toestand dreigde te worden en te blijven, deed hem zeer;
nu, meer dan dat vroeger het geval zou geweest zijn.

Terwijl hij zich eerst had gevleid met de hoop, dat het request zou
baten,—scheen hem dit nu, hij wist niet waarom, onwaarschijnlijk. Als
een voorgevoel kwam het over hem; het zal wel weer worden afgewezen.

Wat dan, wat dan?

In de kampong gaan wonen? Och, dáár zou hij op zichzelf zoo niet tegen
hebben opgezien. Maar hij had in het kantoor van wijlen John Silver,
zijn vader, zooals hij hem in gedachten betitelde, een wetboek
gevonden, en daarin gebladerd; hij had ’s morgens de gestraften langs
den weg zien werken in de indigo-blauwige katoenen gevangenisliverei;
hij had uit dat wetboekje gezien, hoe bitter weinig overtreding er
noodig is voor een inlander om die straf te beloopen; hij had gehoord
en gezien hoezeer het overheerschte ras tot door den geringsten
Europeaan of „daarmee gelijkgestelde” uit de hoogte werd behandeld; hoe
er haast nimmer tegen den inlander werd gesproken, dan snauwend en
bevelend; en dat alles had hem zoo diep geïmpressionneerd, als waarvoor
zijn natuur vatbaar was; het had hem geslagen met vrees en schrik.

Aan dat alles dacht hij, doelloos starend uren achtereen in de
onmetelijke ruimte; en hij schrikte van het geluid achter hem, dat Bram
maakte, die was binnengekomen.

„De boot is aan,” zei deze.

Adam knikte: dat kon hij nagaan. Langzaam richtte hij zich op, stijf in
de lenden van den gebogen houding zoolang achtereen.

„En, wat nieuws?”

Hij kreeg geen antwoord.

Bram had zich afgewend met zijn rug naar hem toe; maar Adam zag toch
wel, dat hij huilde.

„Is het ook weer afgewezen?” vroeg hij zacht.

„Ja.”

„Ik dacht het wel; ik had het verwacht.”

Een oogenblik meende Bram, dat hij het opvatte met onverschilligheid;
dat het hem niet kon schelen. Toen zag hij het erg bleeke gezicht in
den jongen zwarten baard, die het omlijstte, en het leed, dat sprak uit
de groote goedige oogen.

„Verdomme, kerel!” zei hij met bevende stem. „Het doet me zoo’n zeer.
Hoe kon de-n-ouwe toch ook zoo wezen!”

Adam moest het stuk zien; het was haast precies als het vorige; geen
discussie, geen argumenten: gezien, gehoord en overwogen, en....
gewezen van de hand.

Hij zei niets meer en ging naar zijn kamer.

Bram liet hem gaan; hij had hem willen troosten of moed inspreken, maar
hij wist niet, wat hij zeggen zou, zoo’n verschrikkelijk geval was het.
Hij hoorde, dat Adam, zoo onvriendelijk als hij ’t nog nooit had
gedaan, Minah de kamer uitzond.

„Wat is er toch, mijnheer?” vroeg zij aan Bram, verwonderd en ontsteld
over zulk een ongewone behandeling.

„Er is niets; ga jij maar naar achteren bij ma. Adam is ontevreden.”

„Ik heb toch niets gedaan,” ging zij voort, meer uit nieuwsgierigheid.

„Soedah, ga nu maar, en praat niet verder.”

Hijzelf liep den tuin in, werktuiglijk de snoeischaar meenemend, als
hier of daar iets weg te knippen viel, uit gewoonte, zooals zijn vader
had gedaan, maar met zijn gedachten voortdurend bij dien onaangenamen,
dien wreeden toestand in zijn familie.



DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

MOEDERLIEFDE.


Nu het een feit was, kon Adam niet denken; hij viel op een stoel neer,
sloeg de handen voor het gezicht en trachtte vruchteloos zich een
voorstelling te maken van hetgeen zijn positie worden moest; hij kwam
er niet toe. Hij hoorde den schuivenden voetstap van njai Peraq op de
houten vloer der galerij; zij kwam zacht de kamer binnen, maar hij keek
niet op; zij hurkte neer voor zijn voeten op den grond, en hij voelde,
dat zij haar hand lei, heel even, op zijn breede knie.

Hij hoorde haar stem, zacht en gedempt, als van iemand, die veraf
staat; maar duidelijk verstaanbaar, woord voor woord: „Kind van mijn
hart, wees niet bedroefd. Als gij zijn moet wat uw moeder is, dan heeft
de Heer God het zoo gewild, en gij zult er niet minder om zijn. Ik zal
u dienen, als waart gij een koningszoon, en al wat ik bezit is voor u
en van u. Gij zijt een sterke man en uw hart is eenvoudig en goed.
Waarom zult gij bedroefd zijn, als zij u verstooten? Zijn zij zoo goed?
Ik heb er zooveel zien komen en gaan; de meesten vloeken, eten onrein
vleesch en drinken sterken drank. Zij zeggen een geloof te hebben en
een God; zij leven alsof het niet zoo was. Zij hebben veel akals om te
maken van allerlei, dat een mensch niet noodig heeft, maar zij zijn ruw
en kasar, zij haten en benijden elkaar. Zult gij, die jong en sterk en
schoon zijt, en die geld hebt, bedroefd zijn om menschen, die u
uitstooten, wijl een ander u niet liet opschrijven in een boek? Ik ben
een oude, domme vrouw, en ik heb niets gezien van de landen achter de
zee, maar ik zeg u, dat bij mij en de mijnen een goed mensch meer is,
dan al het geschrijf in papieren boeken.”

Hij hoorde het stil aan; hij had de sensatie, dat het geen redeneering
was die sloot; het was als gleed een spiegelbeeld der westersche
beschaving langs hem heen, bij wijze van tegenstelling tot wat de oude
vrouw sprak: de gecompliceerde samenleving; de groote resultaten van
wetenschap en kunst voet voor voet veroverd, in een eeuwenlangen
ontwikkelingsgang van scherpzinnigheid en vlijt,—het was niet heel
duidelijk, dat beeld, voor zijn geringe kennis en ontwikkeling; hij had
het niet in woorden kunnen brengen; hij voelde het als de opgeroepen
geest van een groot en omvangrijk zijn, waarin hij zorgeloos en
onwetend had meegeleefd, met in zijn hersens enkel een machinalen
ervaringsindruk, maar die hem nooit verlaten zou. En tusschen dat
gewirrewar in zijn hoofd, dat hij niet grijpen kon met zijn gedachten,
toonde de stem door van njai Peraq, hoog inzettend een zin, dalend in
het midden, met een klein klankslingertje omhoog weer aan het slot:
„Wij zijn slecht voor den Heer God en wij leven niet gelijk de koran
wil. Maar in de kleinste kampong is een plaats, waar de mannen kunnen
bidden en dikir, en de kinderen hebben wat de ouders hebben, en de
ouders leven met de kinderen, tot zij slapen gaan onder de kambodja.
Wij weten, dat de Blanda’s sterker zijn dan wij en prentah geven om te
doen gelijk zij het willen, de een zóó en wat later een ander weer
heelemaal anders. Soedah, dat heeft de Heer God zoo gewild; hij zal hun
prentahs laten geven hier, en prentahs daar, en altijd maar prentahs,
zoolang Hij wil. Maar een bedehuis hebben zij niet op deze plaats; wèl
een huis waar zij samenkomen om te drinken, dikwijls tot zij dronken
zijn. En de ouders sturen de kinderen weg om opgevoed te worden in
verre landen door anderen; en later zien de kinderen niet om naar de
ouders. De macht der prentahs hebben zij gekregen van den Heer God: het
is onze straf; het is ook hun straf, kind van mijn hart, want wat ons
vernedert, ontneemt hun het geluk; het is de vloek, die op hen rust; de
prentahs bidden zij aan, de prentah is hun God, en wie de meeste
prentahs geven mag is zijn profeet; daarom zijn zij kafirs.”

Eenigszins verschrikt trok Adam de handen weg van voor het gezicht, en
hief het hoofd op; njai Peraq was zacht blijven spreken, niet harder
eindigend, dan zij begon; maar er waren groote nadruk en een vreemde
bijklank gekomen in haar stem; een intonatie van diep gewortelde
verachting en haat; en toen hij haar in het gezicht keek, was het niet
meer het onverstoorbare masker, glad en zonder plooi als van een
hindoesch afgodsbeeld, maar een gezicht vol trekken en leven, met oogen
erin niet mat-zwart als altijd, maar helbruin, glinsterend als van een
jonge vrouw. Het viel dadelijk weg, toen hij haar zoo aankeek; zij
schaamde zich voor haar opgewondenheid, en hij zag, hoe het hevige
leven weer verdween uit het gezicht en het licht weer uitging in de
oogen, die hem nu zoo dof en gelijkmoedig aankeken als altijd.

„Geloof mij Adam,” zei ze, op haar gewonen toon, langzaam opstaande;
„zij zijn niet waard, dat een mensch zich om hen bedroefd maakt; het is
alles valsch, het is alles schijn; zij willen maar geld en
betrekkingen, niet om er mee zaken te doen of om er geacht door te
worden, maar om te schijnen wat zij door hun zelven niet zijn; om veel
vertoon te maken; om zich ziek te eten en te drinken, en om veel
prentahs te kunnen geven. Zij weten niet wat het geluk is, dat een
mensch kan hebben van de jaren, die hij leven mag. Gij zult het hebben,
kind van mijn hart, en gij zult beter en tevredener zijn.”

Verstomd keek hij haar na. Van wat hij ook had kunnen droomen, dien
ochtend,—niet van zulk een flux de bouche, van zulk een beredeneerdheid
dier stille bejaarde vrouw, die zoo weinig meetelde in de familie, al
was zij dan ook onbetwist aller moeder. Maar het had hem, vond hij,
veel goed gedaan. Onder haar praten was het beeld der machtige
tegenstelling afgeflauwd; het had geen steun gevonden in een krachtigen
eigen geest, en was door de activiteit der werkelijkheid verdrongen.

Hij dacht nu, dat het waar was, wat njai Peraq had gezegd, en het
scheen hem, dat hij bij dien gedachtengang weinig moeite zou hebben om
over het denkbeeld heen te komen.

„Dat was een lang bezoek van het oudje,” zei Bram, als met de deur in
de kamer vallende.

Adam knikte zwijgend, en stond op van z’n stoel; de ander ging voort:

„Zij heeft een heele speech gehouden.”

„Heb je het gehoord?”

„Ja, ik heb geluisterd aan de deur.”

„Aan de deur?” vroeg Adam, verwonderd en eenigszins geërgerd.

„Zeker. Als ik binnengekomen was, zou zij gezwegen hebben; ik wilde
weten, wat zij te zeggen had. Ik moet zeggen, dat ik wel zoo iets van
haar verwachtte.”

„Wat voor iets?”

„Wel, dat ze er lekker mee zijn zou; zij houdt op haar manier heel veel
van jou; meer dan van ons, dat heb ik al lang in de gaten.”

En toen Adam daartegen wilde protesteeren:

„Zanik niet A.; het is zoo, en mij kan het waarachtig niet schelen. Zij
heeft bliksems mooi gepraat, dat erken ik. Nooit in mijn leven heb ik
zoo iets van haar gehoord. Het is gedeeltelijk nonsense, maar er is
toch veel van waar. In elk geval ben jij haar lieveling, en zij zou er
voor sterven om jou hadji te zien worden.”

„Mij... hadji!” herhaalde Adam, wien dit gezichtspunt geheel vreemd
was.

„Zeker. En als kandjeng Gouvernement nu toch je niet wil opnemen onder
de Europeanen, dan is het misschien nog het verstandigste, wat je doen
kunt.”

„Mij... hadji!” zei Adam nog eens, zacht, het idée vervolgend, zonder
te luisteren naar wat de andere verder zei.

„Ja; je kent mijn opinie; in jouw plaats ging ik er van door naar
Amerika of Australië.”

„Nooit! Dat doe ik van m’n leven niet.”

„Nou, dan zit er ook niets anders op.”

„Het is me onbegrijpelijk.”

„Mij ook. Ik kan me heelemaal niet in jouw toestand verplaatsen, want
als ik er niet van door ging in zoo’n geval...”

„Wat dan?”

„Dan schoot ik me dood.”

Adam dacht erover na, of, althans, hij scheen dat te doen. In
werkelijkheid zou hij nooit de hand durven slaan aan zichzelven.

„Omdat je dáár ook geen zin in hebt, is er voor jou geen andere
uitweg.”

„Ik moet over alles eerst nadenken.”

„Ga gerust je gang A. Je zit hier niemand in den weg, hoor! Ik zei het
maar, omdat je ten slotte toch een partij zult moeten kiezen. En wat
het geld van de-n-ouwen betreft,—daar krijg je je portie van, zoo goed
als een onzer; met twintig mille in den zak, sta je dan toch vooreerst
niet op straat, hoe je landaard ook zijn mag.”

„Ik moet mevrouw Verlande schrijven.”

„Weet zij er nog niets van?”

„Neen, ik hoopte....”

„Ja, dat begrijp ik. Maar doe het nou ook, nou de kogel door de kerk
is.”

’s Avonds deed Adam het; rustig en kalm stelde hij een langen brief op,
waarin hij eenvoudig en juist de toedracht meedeelde van alles wat
gebeurd was sedert hij in Indië aankwam; ook over Minah schreef hij;
waarom zou hij daar doekjes om winden? „Gij zult hieruit zien, lieve
mevrouw,” zoo eindigde hij, „dat alles voorbij is; dat ik voor vroegere
bekenden en vrienden zoo goed als dood ben. Ik dank u wel, voor al de
vriendelijkheid, die ik van u en van mijnheer Verlande zoo dikwijls heb
ondervonden, en die ik niet waard was. Mijn laatste verzoek is of u
juffrouw Nora Tiele alles wat ik u hier schrijf wilt vertellen. Er
behoeft niets bijgevoegd te worden, geloof ik; haar lieve brieven heb
ik verbrand; ik hoop dat zij het mijn brieven ook zal doen; het is
beter.”


                      EINDE VAN HET EERSTE DEEL.



TWEEDE DEEL.


EERSTE HOOFDSTUK.

VERVLOGEN HOOP EN EEN NIEUWE VERBINTENIS.


De Verlande’s, die nog altijd in Den Haag woonden, hadden al dikwijls
over Adams gruwelijke ondankbaarheid gesproken. Zoo’n jongen, dien ze
altijd hadden bejegend als hun eigen kind, schreef hun geen enkelen
regel. Ze waren er boos om.

Maar toen ze dien brief hadden gelezen, zaten ze elkaar verslagen aan
te zien, mevrouw met tranen in de nog altijd mooie blauwe oogen.

„Mijn God!” riep zij het eerst, „dat is nu toch al te gek.”

„Ja, gek of niet, het is zoo en niet anders.”

„Maar zou daar hier in Den Haag niets tegen te doen zijn?”

„Hoe meen je dat?”

„Wel... bij het Ministerie; bij de Kamers.”

„Ik vrees van neen.”

„Toe, Lande, probeer het, ja? Het is zoo’n vreeselijk geval... Wat kan
dien Silver toch indertijd bezield hebben...!”

Verlande ging naar het Ministerie, waar men zeide, dat Adam feitelijk
een inlander was, en over het geval dus niet verder viel te redeneeren.
Dat hij in Europa was geweest... ja! Dat hij Hollandsch sprak... ja!
Maar hij was de zoon van een inlandsche vrouw, dat stond vast; wie zijn
vader was, kon zelfs niet onderzocht worden; een Christen was hij, als
ongedoopt en niet-lidmaat, ook al niet.... Er was dus in Indië goed
gezien, goed gehoord en goed overwogen; aan de zaak viel niets te
veranderen.

Tegen het bezoek aan Nora Tiele, dat nu volgen moest, had mevrouw
Verlande zeer opgezien; maar zij was een kloeke vrouw, die iets niet
uitstelde, omdat het onaangenaam was.

Het gaf in de familie Tiele een oogenblik van hevige consternatie. Zij
hadden zich het idée, een kwart millionnair als aanstaand familielid te
hebben, nu al zóólang eigen gemaakt; zij hoopten hem spoedig met zijn
groot erfdeel te zien aankomen; en daar verdween dat kapitaal
plotseling in het baadje van een inlander!

Nora was erg bedroefd eerst; doch toen zij hoorde hoezeer de erfenis
was tegengevallen, bedaarde zij. Dàt zou immers toch onmogelijk zijn
geweest. Men kon geen man zonder positie of talent trouwen, enkel om
zoo’n beetje geld.

De oude Tiele keek grimmig langs zijn grooten beenigen neus; hij had
een gevoel of hij opgelicht en bestolen was; en terwijl de anderen, ook
Nora, den armen Adam ten minste beklaagden,—kon bij Tiele geen woord
van compassie ertusschen.

„Hij had mij dadelijk moeten kennis geven,” zei hij.

„’t Was zoo’n treurig geval voor hem,” pleitte mevrouw Verlande.
„Bovendien hij had nog hoop.”

„Het doet er niet toe. Als fatsoenlijk mensch had hij mij dadelijk
moeten schrijven.”

En ofschoon niet bleek, dat dit ergens toe zou gediend hebben, vooral
wijl Nora geen spoor van een partij door het langer uitblijven der
tijding had misgeloopen, bleef de oude Tiele hardnekkig bij zijn
bewering, als een gloeiend verwijt tegen Adam Silver.

Maar dáárover waren allen het volkomen eens: men moest het in Den Haag
stil houden. Het was wel geen bepaald schandaal, maar haast net zoo
erg; in zoover zelfs erger, dat het Nora en de familie belachelijk zou
maken. Koud liep het den ouden Tiele langs den rug: de Hagenaars zouden
hem uitlachen! Dàt was om niet te overleven!

Mevrouw Verlande moest wel zesmaal beloven, dat zij er met niemand over
zou spreken, wat zij met genoegen deed. Zij dacht daarbij niet aan haar
man; en zij schrikte toen ze, er ’s middags met hem over sprekend,
hoorde, dat hij het al in den loop van den dag, als een extra pikant
nieuwtje, aan eenige oud-gasten had verteld.

„Die dragen het den heelen Haag door,” zuchtte zij.

„Daar hebben ze groot gelijk aan; het doet er immers niets toe.”

„Ik heb het de Tiele’s zóó beloofd.”

„Dat wist ik niet; je hadt het niet moeten beloven.”

„Kon ik anders?”

„Wel zeker, ik wist het immers.”

„Daar kunnen ze nog plezier van hebben.”

Verlande lachte.

„Dat gun ik ze van harte,” zei hij, „eigenlijk ben ik blij, dat ik het
al verteld heb; natuurlijk zou ik ’t nagelaten hebben, had ik geweten,
dat jij je woord had gepasseerd; nu is er niets meer aan te doen.”

„Kan je de anderen niet vragen het te verzwijgen.”

„Die is naïef! Vooreerst hebben ze het rondgebazuind en in de tweede
plaats zouden ze dat toch doen, al hadden ze honderdmaal het tegendeel
beloofd; bedenk toch, kind, dat het allen menschen zijn, die niets om
handen hebben!”



Adam Silver was op een goeden dag met Minah uit het oude huis
verdwenen; hij had tegen niemand iets gezegd; hij had niemand gegroet.
Alles, wat hij had meegebracht, uit Europa, had hij achtergelaten.
Avonden achtereen had te voren zijn „schoonvader”, de mantri van de
gevangenis, bij hem gezeten met den penghoeloe, en de laatste was dan
aan het woord geweest; hij had gepraat van onderwerping en berusting in
den wil van God, en altijd maar weer van berusting en onderwerping tot
Adam er door gehypnotiseerd was; zijn goedige meegaande natuur, zijn
trage geest,—het werkte er alles toe mee om hem al doende te brengen
tot het geloof: God is alles, de mensch is niets, laat hem dus niet te
veel beproeven, niet te veel willen weten,—het baat toch niet; verder
de vredelievendheid en zachtzinnigheid onder elkaar; het ideaal van
rust, kalmte, onopgewondenheid. Ook dàt strookte zoo wonderwel met het
indolente van zijn karakter, dat hij gemakkelijk ervoor te vinden was.
Wel had ook hier weer het beeld zich opgedrongen aan zijn geest, van
het rusteloos, opgewekt, ijverig en beweeglijk leven der westerlingen,
in wier midden hij zoolang had gewoond,—maar het verdween weer gauw,
nog gauwer weggepraat door den penghoeloe nu, als vroeger dat van het
begrip wetenschap door njai Peraq. Want hij had wel geleefd te midden
van die bedrijvigheid, maar zonder zelf ooit eraan mee te doen, gelijk
hij de wetenschap en kunst van niet meer kende dan hooren zeggen en
oppervlakkig zien.

Het was dus geen moeilijk spel, dat zij met hem hadden, en het streelde
zijn ijdelheid; want niet enkel behandelden de twee inlanders hem met
onderscheiding, maar zijn moeder en Minah, ja zelfs de eenoogige
zuster, die door geboorte en opvoeding tienmaal meer inlandsch was, dan
europeesch, zagen nu tegen hem op met ontzag. De broers hadden besloten
niet in huis te komen vóór alles was afgeloopen; zij konden het
eenvoudig niet aanzien, hadden ze gezegd.

Tot op een avond de penghoeloe en de mantri vonden, dat Adam genoeg
voorbereid was; zij zaten in de kamer alle drie op de mat op den vloer,
de beenen onder het lijf gekruist, de kleine petroleumlamp op de tafel.
De priester zei een lang gebed, met koranspreuken in het Arabisch
ertusschen, die hij zelf niet verstond; in het gesloten vertrek klonk
de prevelende stem zacht en eentonig; door het zitten op den grond kwam
alles anders uit in het gele licht; de schaduwen der meubels teekenden,
dus gezien, vreemde figuren op het grauwe matwerk; het zag er alles
droevig eentonig uit in kleur en licht, maar rustig, oneindig rustig;
om bij in te slapen! En de waarheid was, dat Adam moeite genoeg had om
z’n oogen open te houden; de mantri, onbeweeglijk, staarde maar recht
voor zich uit, als had hij een visioen.



TWEEDE HOOFDSTUK.

IK WIL NIET GELIJK GESTELD WORDEN.


Toen de priester met bidden gereed was, begon de mantri te spreken, ’n
beetje verlegen eerst, draaiend met het bovenlijf in ’t nauwe zwarte
dienstbaadje; met den wijsvinger trekkend over de mat, net als iemand,
die figuren teekent in ’t zand, en met het hoofd den loop der
denkbeeldige lijnen volgend als in een reflex-beweging;—zij hadden dan
gemeend, zei hij, dat er voorloopig genoeg was gesproken, en Adam nu
ook wel wijs was geworden; zij hadden gemeend, dat hij nu niet langer
kon blijven zooals hij was en in dàt huis; zij hadden gemeend, dat het
welvoeglijk was, als hij in het huis kwam van zijn schoonouders,
levende als een gewoon orang islam en zich kleedend naar landsgebruik;
zij hadden gemeend, dat hij alles moest achterlaten, zonder iets mee te
nemen, want wat hij noodig had, brachten zij; zij hadden dat alles
gemeend en nog veel meer, en nu wilden zij vragen, wat hij daarvan
dacht.

Knarsend draaide het ijzer van de deurkruk; Adam rees snel op van den
grond; het was Bram Silver.

Met een nijdig gezicht keek hij naar de twee inlanders, die hem
groetten en de oogen neersloegen beiden bevreesd, de lange magere
penghoeloe in zijn wit kleed, zoowel als de kleine bejaarde mantri;
want Bram was de oudste zoon en dus de heer des huizes; hij hield niet
van familiariteit met inlanders; dàt wisten zij evengoed, als zij hem
kenden van zijn jeugd; als zij hem in vrijheid hadden zien opgroeien,
een „brandal” van de ergste soort!

„Zeg,” zei hij tot Adam. „Er is nog een kans voor je.”

„Wat voor kans?”

„Ik heb er met den assistent-resident over gesproken. Je kunt gelijk
gesteld worden.”

Adam haalde de schouders op en glimlachte verlegen.

„Ik begrijp het niet.”

„Er is een bepaling.... ergens in de wet.... enfin dat doet er niet
toe.... en die zegt, dat als je het vraagt aan de Regeering, je met
Europeanen kunt worden gelijk gesteld.”

„O, is het dat? Daar heb ik iets over gelezen in het wetboekje van den
ouden heer.”

„Precies; nou, zie je, je moet Hollandsch spreken en schrijven,—dat doe
je; je moet in Europeesche begrippen zijn opgeleid,—dat ben je; je moet
christen zijn,—nou, dat zeg je maar en dan is het voldoende; en een
geslachtsnaam krijg je dan, den onzen natuurlijk.”

„En dan?”

„De assistent zegt, dat het altijd wordt toegestaan in zoo’n geval.
Welnu, dan ben je gelijk gesteld met europeanen. Dat is net zoo goed.”

Adam gaf geen antwoord en stond een oogenblik stil voor zich heen
kijkend, tot hij langzaam het hoofd schudde.

De „zuurdeesem” werkte reeds in zijn gemoed; het praten van njai Peraq
en van den priester had effect; hij zag geen heil meer in de
Europeesche samenleving. Nu hij wekenlang alleen omgang had gehad met
inlanders, was zelfs de toon, waarop Bram sprak, hem een walg; en wat
hem niet minder had geërgerd was de minachting, die zijn broer bij het
binnenkomen had betoond voor den penghoeloe en den mantri.

„Ik wil niet gelijk gesteld worden,” zei hij.

„Waarom niet? Ik zeg immers,” riep Bram, zich opwindend, „dat het
precies ’t zelfde is: rechten, lasten, verplichtingen....”

„Het kan me niet schelen, ik verlang geen andere rechten en
verplichtingen, dan die thans de mijne zijn; ik wil niet worden „gelijk
gesteld.””

Een oogenblik keek Bram hem aan, verbluft over zijn vasten toon, niet
gewoon hem zoo beslist te hooren spreken; toen voer hij, woedend, uit,
en het was of de krakende stem van John Silver nog door de houten
woning schetterde:

„Het is de schuld van dat vee, waarmee je je ophoudt, het....”

„Het zijn fatsoenlijke lieden,” viel Adam hem geërgerd in de rede.

„Fatsoenlijk? Gladakkers zijn het, ja! Fatsoenlijk? Als de oude vrouw
dien vader van Minah niet geholpen had door hem geld te leenen, was hij
al meer dan eens in de gevangenis gedwaald, waar hij beambte is.
Fatsoenlijk? Die smerige il-Allah roeper van een penghoeloe. Er is hier
op de plaats geen enkele knoeierij gebeurd of hij had er de hand in.”

De twee waren zeer bleek geworden; zij verstonden weinig van het
Hollandsch, maar dàt hadden zij in hoofdzaak zeer goed begrepen; het
was waar en zij wisten het.

„Ik heb er tot nu toe niets van gezegd,” ging Bram heftig voort, „maar
nou jij met die kerels koketteeren gaat, nou verveelt het me bliksems,
hoor! Ik heb me nooit met dat tuig afgegeven.”

„Je zult na vandaag geen last meer van hen hebben.”

„Het is ten slotte hier mijn huis, en ik verdraag niet, dat die
smeerlappen hier komen voor proselitenmakerij en om jou in hun vuilen
boel te halen. Wie belet me, gévédé, hun mijn stok over de gemeene
tronies te halen?”

„Ik,” zei Adam.

Bram in zijn opgewondenheid, had werkelijk den knoestigen koffiestok
hoog opgeheven en een schrede gedaan in de richting van den mantri en
den penghoeloe, die achteruit geweken waren naar een hoek. Toen Adam
zijn breede figuur schoof tusschen hen en zijn broer, en vastberaden
zijn „ik” uitte, liet Bram verbluft den stok zakken en keek in het
donker dreigend gezicht, dat iets had van een boozen bulhond, vond hij.

Het leed geen twijfel of hij zou hem beletten, die inlanders af te
ranselen; hij zou hem ongetwijfeld over zijn eigen balustrade gezet
hebben.

„Kom A.,” zei hij ineens bedaard, „wees nu toch zoo gek niet om je door
dat armzalige vee te laten meeslepen. Het zijn me kerels, waarachtig!
jaag hen de deur uit, en ga met me mee, dan laten we het request
schrijven.”

„Ik wil niet,” hield Adam vol met zachte stem; „ik wil niet met anderen
worden „gelijk” gesteld.”

„Loop dan naar de hel,” schreeuwde Bram woest, keerde zich om en vloog
naar achter, om zijn vertoornd gemoed verder te koelen tegen njai
Peraq, die hem liet uitrazen met een onverstoorbaar gezicht.

Maar nog gaf hij het niet op; ’t denkbeeld, dat Adam door „die kerels”
beheerscht werd, hinderde hem al te zeer. Hij ging weer terug.

„Geloof me,” zei hij, „het is zooals ik zeg. Iemand die als jij geen
ervaring van inlanders heeft, laat zich lijmen door de praatjes van die
kerels, want dat lijkt heel wat. Wie hen kent als ik, weet, dat er geen
verband bestaat tusschen wat ze zeggen en wat ze doen. Zelfs de oude
vrouw, die laatst zoo mooi zat te schelden op Europeanen, heeft haar
leven lang gewoekerd, wat de koran dan toch verbiedt, dat weet ik
zeker. En een inlander maakt, als hij wat geld heeft, het liefst zoo
gauw mogelijk op, want anders is er toch altijd een andere inlander,
die het hem ontsteelt. Het zijn dieven en schurken, geloof me, lui en
smerig bovendien. Voor menschen in Europa en voor baren mogen hun
praatjes erg gemoedelijk en mooi lijken,—wie het volk kent als ik, die
eronder ben opgegroeid, zal er niet inloopen.”

„Zij zijn een arm en onderdrukt volk, Bram; ik heb in een boek van den
ouden heer een vers gelezen, waarin stond, dat zij nooit hun eigen
meester zijn geweest. Zij moeten altijd werken voor anderen; en
iedereen spreekt altijd kwaad van hen. Zij worden altijd behandeld als
honden, en niemand vraagt ernaar, wat hem het recht geeft hen zoo te
behandelen; zij moeten altijd beleefd en onderdanig zijn, en iedereen
is onbeschoft tegen hen; zij moeten altijd tevreden zijn met heel
weinig en nog veel daarvan afgeven; de minste Europeaan neemt tegenover
hen de houding aan van een meester; zij moeten onderdanig zijn en zijn
ze dat niet genoeg, dan heet het meer als schande, zoo onbeschoft ze
zijn.”

Verbaasd en geërgerd keek Bram hem aan. Zooveel woorden achtereen had
hij hem nog nooit hooren zeggen.

„Hebben die twee je dat voorgepraat?”

„Neen, niemand. Ik heb het gehoord en gezien, sinds ik te Batavia aan
den wal kwam; en elken dag hier op de plaats en overal en van iedereen;
van jou ook. Je zoudt in Holland eens moeten probeeren een bedelaar toe
te spreken, zooals men het hier een inlandsch werkman doet.”

„Enfin,” zei Bram zuchtend en niet bij machte iets tegen deze
allervreemdste redeneering in te brengen, „je moet het zelf maar weten.
Ik zie nu wel, dat je er niet af te houden bent. Het spijt me wel,
Adam, maar ik heb mijn plicht als broer gedaan, en ik zal dien blijven
doen.”

„Ik dank je ervoor, Bram. Jullie bent heel goed voor me geweest. God
zegen je!”

Hij reikte hem zijn groote vleezige hand, die Bram zwijgend en
zenuwachtig tusschen zijn magere knokkels drukte. Het was, dat voelden
beiden, als een afscheidsgroet voor langen tijd. Bij hun uiteenloopende
karakters en de tegenstelling, die zij opleverden in alles, hielden zij
van elkaar, elk op zijn manier. En terwijl Bram, zenuwachtig en
gevoelig, had kunnen huilen, zóó hinderde het hem, gleed over het breed
gelaat van Adam een stille bleekheid, die er een lijdenstrek aan gaf.

„Adieu,” zei Bram, heengaande. „Onthoud, wat ik je zeg: vroeg of laat
zal je hun dupe worden. Op den duur worden ze dat allen van elkaar, en
als er een vreemde eend in de bijt komt,—des te erger.”

Toen Bram weg was, hurkten ze alle drie weer neer op de mat, en de
mantri ging verder op zijn teemerigen toon:

„Het is beter bij ons te komen en hier alles te laten, zooals het is;
het is niet goed iets mee te nemen, en het is niet noodig; er is immers
geld om te koopen, wat noodig is. Dáárom vraag ik: laat het Europeesche
goed achter en ook den naam, en blijf enkel Adam tot het tijd is een
goeden naam aan te nemen, zooals een mensch dien behoort te hebben.”

En hij praatte nog lang voort, telkens in herhalingen vallend; altijd
neerkomend op hetzelfde.



DERDE HOOFDSTUK.

HET EUROPEESCH VERNIS VERDWIJNT.


Adam Silver keek stil vóór zich, nu en dan knikkend met het hoofd, als
toestemming; zichzelven aandenkend, dat het wezenlijk beter was, zooals
hij dien avond al meer had gedaan. Hij zag den mantri een dichtgeknepen
doek openmaken, met een mooie donkere sarong erin, een eenvoudig
katoenen baadje en een hoofddoek; het was alles zeer goed van qualiteit
en netjes afgewerkt; njai Peraq en Minah hadden eraan gewerkt met al de
liefde, die zij voor Adam koesterden, en de mantri spreidde het uit met
welbehagen, zoo senang vond hij het.

Een half uur later wandelden zij met hun drieën den weg op, Adam ook,
als inlander, een hoofddoek, een sarong en een baadje dragende, met een
gek gevoel over zich, daar zoo te loopen als een gecostumeerde;
onwillekeurig denkend nu en dan, aan den betrekkelijk nog zoo kort
geleden tijd, toen hij in Den Haag flaneerde met jongelui van zijn
kennis; in het duister van den avond glimlachend bij zichzelven om deze
vreemdsoortige metamorphose, doch zonder eenig gevoel van spijt of
leedwezen daarover. Het was nu eenmaal zoo, en het moest dus wel waar
zijn, wat de penghoeloe had gezegd: gelijk God het wil, zal het een
mensch overkomen. Dááraan was absoluut niets te veranderen!

Bijzonder vreemd was het leven, dat nu volgde, niet voor hem; de menage
thuis had heel veel inlandsch. Enkel hinderde hem de weinige
lichaamsbeweging, want op den weg wilde hij zich niet vertoonen in zijn
inlandsche kleeding, die, vond hij, toch erg leuk en gemakkelijk was;
en het erfje van den mantri was zeer klein. Het deed echter zijn
robuste gezondheid geen nadeel; hij volgde de lessen van den
penghoeloe, leerde koranspreuken uit het hoofd en kwam tot de
allergewichtigste besnijdenis, waartegen hij zeer opzag en waarvan hij
zich volstrekt geen voorstelling kon maken.

Maar hoe bang hij er ook voor geweest was,—de werkelijkheid viel nog
erg tegen. Hij had het kunnen uitbrullen van pijn bij de operatie, maar
hij behield zijn van nature kalm zelfbedwang; zijn ijskoude handen
bewogen zich niet; de bleeke lippen op elkaar geklemd, keken de oogen
dof van smart recht omhoog; geen enkele kreet ontsnapte hem.

En daar allen zijn kloekheid bewonderden en beschouwden als een gunstig
voorteeken, ving dadelijk het feest weer aan der vele genoodigden,
neergehurkt in de pendoppo.

Doch het hielp niet, dat hij zich goed had gehouden; de operatie op een
volwassen forschen jongen man, naar de gebrekkige inlandsche manier had
hevige wondkoortsen ten gevolge. Twee dagen later lag de nu Aboe Bakar
geworden Adam Silver, doodziek achter de groezelige klamboe van het
ledikant, dat de mantri voor hem had gekocht op een vendutie, en,
zooals het was, in gebruik had gesteld.

In de kamer zaten de penghoeloe en de mantri op den grond neergehurkt,
en de broeder van den mantri en een zoon van dien broeder en een zwager
van dien zoon en de vader van dien zwager,—allen goedgeloovige
Mohammedanen.

Want er moest dikir worden; het ijlen dat Adam deed, was het werk van
den duivel; het was de setan der christenen, die hem betwistte aan den
God van den Islam; maar hun stem zou krachtiger zijn, dan die van den
booze; ze zouden hem overschreeuwen en zóó verjagen.

Uit het bed, waaroverheen njai Peraq en Minah gebogen stonden om
zooveel mogelijk de bewegingen van den zieke te beletten en zijn
brandend hoofd te verfrisschen, kwam het geluid van een zware jonge
basstem, die in het Hollandsch sprak met allerlei denkbeeldige
menschen; die vloekte en lachte, en als uitbarstend in een bui van
gloeiende kroegjool Fransche café-chantant liedjes zong van: Vive le
vin le jeu et le tabac en Chantez, ma belle. En in het halfduister der
door een hanglampje slecht verlichte kamer ging met hooge keelklanken,
telkens na een enkelen regel recitatief door den penghoeloe, het
gillend al-illah-Allah op, met heftig bewegen der bovenlichamen voor-
en achterwaarts op de daaronder gekruiste beenen; naarmate de
koortsvisioenen en het woeste ijlen van den lijder heftiger werden,
klonken heviger en opgewondener de aanroepingen van de in een cirkel
zittenden, zoodat het was of zij hun verstand verloren, zoo had het
slingeren der lichamen en het geschreeuw hen in een staat van geweldige
overspanning gebracht.

Tot Aboe Bakar, uitgeput in slaap was gevallen, het droogheete der
koorts afnam, en de geregeld wordende ademhaling aantoonde, dat de
bloedsomloop zich voor het oogenblik had hersteld.

De twee vrouwen zaten naast het bed, de armen lam van inspanning; het
zweet met groote kralen op de voorhoofden, die ze nu en dan zuchtend
afveegden met de slendangs.

Het al-illah-Allah had opgehouden, maar nog lang prevelde de penghoeloe
zijn gebeden met een zacht stemgemurmel, dat als eentonig gefluister
door het somber vertrek ging, omhoog langs de slecht gewitte houten
wanden, zich verliezend in het laag afschuinend atappen dak; tot de
mannen eindelijk opstonden, stil naar voren gingen, afgebeuld van
overspanning, en in de pendoppo een strootje opstaken, weder
neerzittend, deze op den enkelen wankelen stoel, gene op den rand van
het lage balustradetje, een ander op de boventrede van het trapje, dat
naar beneden leidde.

Zoo zaten ze nog een heelen tijd bijeen, zonder iets te gebruiken,
ernstig, in wat zij een gesprek van aanbelang noemden, nu en dan een
paar woorden, dan een lange stilte, daarna weer een enkel woord; alles
neerkomend op de herhaalde bevestiging, dat zij erin geslaagd waren,
den duivel, die den Islam zijn nieuwen aanhanger betwistte, uit het
lichaam van den patiënt te verbannen.

Aboe Bakar herstelde heel langzaam; toen de wonde geheeld was en de
koorts hem had verlaten, scheen hij in uiterlijk niet de helft van wat
hij geweest was. Hij kon zich niet in den spiegel zien, want daar was
er geen; wel bezat Minah een slecht stukje spiegelglas in een prullig
lijstje—de goedkoope waar van een klontong—maar Aboe Bakar wilde er
niet naar vragen; hij wilde zijn gezicht niet zien; hij zag wel aan
zijn magere handen, en toen hij zich voor het eerst aan den put ging
baden, aan zijn knokkig lichaam, hoe het met hem gesteld was.

„Het is alles gelukkig afgeloopen,” zei hem zijn moeder.

„Wat?” vroeg hij, het voorhoofd fronsend met moeite om aan iets
bepaalds te denken.

„Met het geld en het goed. Het huis en de meubelen zijn verkocht en het
geld is verdeeld.”

„O, zoo! Nu, dat is goed.”

Zij keek hem aan, verwonderd, dat hij in dat alles zoo weinig belang
stelde.

„Bram heeft me je geld gegeven; net zooveel als de anderen; het is
braaf van hem, dat hij zóó gedaan heeft. Je kunt het krijgen, als je
wilt.”

Maar hij maakte een afwijzend gebaar.

„Later, later; nu niet.”

„Het is beter ook,” zei njai Peraq zacht, denkend aan de financieele
omstandigheden van den mantri.



VIERDE HOOFDSTUK.

OPNIEUW VERLOOFD EN GETROUWD.


Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en
mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond
dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij
elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de
thee en al de Tiele’s waren daar dol op.

„Ik vind het onhartelijk.”

„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename
verrassing.”

„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan
doen.”

„Dat maakt het voor hen niet anders.”

„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”

„Doe het niet. On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu. Het zou
een hatelijkheid lijken.”

„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem
gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met
kapitein Slaters aan een tafeltje... En een koketteeren!”

Verlande lachte luid,

„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt?
Ze is jong.”

„Tamelijk; maar hij niet.”

„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies
jong, maar nog erg..... huwbaar.”

„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n
uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden
om het idée.

„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor
Nora.”

„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”

„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij
is net een man om generaal te worden.”

Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de
afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn
van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.

De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie
bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo
goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal
uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte
stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper
troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn
Willemsorde dubbel en dwars had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de
Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon
de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn
ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de
sandwiches toch de overwinning.

Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die
meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere
kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen
telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo
waren ze in elk geval nog vrij versch.

Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in
elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje,
toen Nora ’s middags bij haar kwam.

„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.

Verwonderd keek Nora haar aan.

„U weet ervan.”

„Heusch niet. Ik weet nergens van.”

„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”

„Is er dan iets gebeurd?”

„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”

„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.... iets vreemds in
je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”

„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”

„Met kapitein Slaters?”

„Zie je wel, dat u ervan weet.”

„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee
wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”

„Foei.... dat is niet waar. Dat deden we niet.....”

Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij
had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve
blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.

„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”

„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”

„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest
zijn.”

Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen
Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij
dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest
hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.

„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in
Indië ontmoeten?”

„Ben je daar zoo bang voor?”

„Verbeeld je.... ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige
zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er
was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”

Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits
antwoordde zij:

„Dat moet je zelf weten; dáárin geef ik liever geen raad. En wat dat
ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag
iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt
hij niet.”

Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet;
verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men
ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam
ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar
ontmoeten, ware het slechts op straat.

„Je gaat naar Batavia, niet waar?”

„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven
vooreerst.”

„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia
als Den Haag van... wat denk je?”

Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:

„Brussel.”

Mevrouw Verlande begon te lachen.

„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van
hier veel gauwer te Petersburg bent.”

Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het
bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl,
zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te
maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart
gerust.



VIJFDE HOOFDSTUK.

ONAANGENAME ONTMOETING EN WROEGING.


Een maand of vijf later aan boord, na een in alle opzichten welgeslaagd
huwelijksreisje te land, dacht Nora Slaters aan den heelen Adam Silver
niet meer; geen oogenblik. De herinnering aan hem was nu niets meer dan
een flauwe kinderachtigheid.

Toen zij te Tandjong Priok kwamen, nam de drukte hen erg in beslag,
maar toch niet zóó, of Nora zag wel op de kade een groot gewoel van
inlanders, dat haar eigenlijk meer vrees aanjoeg dan belangstelling
inboezemde.

Het was ’n aardig gezicht, die honderden mannen, vrouwen en kinderen,
allen in hun mooiste, kleurigste oostersche kleederdracht, met profusie
van helrood, hemelsblauw, grasgroen en wit, als domineerende kleuren,
en een mengeling van geel en bruin en Perzisch bont, in kleinere
kleurstukken daartusschen, in een langzaam gewriemel van overgangen bij
het rustig voortschrijden, zonder gedruisch.

„Als dat eens allen Europeanen waren,” zei kapitein Slaters, „dan zou
je een ander leven hooren.”

„Is het hier altijd zoo?” vroeg Nora.

„Wel neen; gewoonlijk is het erg kalm op de kade; er gaat zeker weer
een lading Mekkagangers.”

„Wat zijn dat?”

„Pelgrims, die naar Mekka gaan, naar het graf van Mohammed. Ze hebben
nu geld en zijn niets; als ze terugkomen, zijn ze straatarm, maar
hadji.”

Het jonge vrouwtje wist niet wat een hadji was; zij vroeg er ook niet
naar; met een strak gezicht en saamgeknepen lippen keek zij naar den
walkant; daar stond een inlander, groot en zwaar, met een zwarten
baard, het hoofd en de breede schouders uitstekend boven zijn omgeving,
en blank te midden van al dat bruine; veel blanker, dan Adam Silver
geschenen had in Holland.

Het was Aboe Bakar, die met Minah en haar zuigeling naar Mekka ging;
toen de boot met kleine voor- en achterwaartsche bewegingen aan den wal
meerde, had hij, den blik latende gaan langs de reizigers, die over de
reeling van het achterdek leunden, Nora herkend; onwillekeurig was hij
blijven staan en had haar aangekeken, strak maar kalm; verwonderd, niet
ontroerd. Haar was het, als werd zij plotseling aangegrepen door een
geweldige lamheid in de leden; zij keek naar de groote glinsterende
zwarte oogen, als trokken die haar aan met onweerstaanbaar magnetische
kracht; zij had geen woord kunnen zeggen; geen voet kunnen verzetten.

De eenige gedachte in haar hoofd was: van Den Haag naar
Petersburg,—zóóver moest hij van haar af zijn, en daar stond hij op
geen tien passen afstand.

Langzaam keerde Aboe Bakar zich om en wandelde op naar de noordzijde.
Zij zag hem verdwijnen in een opening tusschen twee loodsen en keek nog
strak naar die plek, toen hij al weg was.

„Hoe is het?” vroeg haar man lachend. „Droom-je?”

Zij streek met een rillinkje in haar hoofd strak de fijne handen langs
de oogen, zoodat die er rood van zagen.

„Het is me alles zoo vreemd, hier, ik kan er niet genoeg naar kijken.”

Ze werden gestoord door medepassagiers en de hurry van binnendringende
verwanten of familieleden van passagiers, die verwelkomden en van boord
kwamen halen; door opdringende koelies, zich meester makend van
gereedstaande kisten en koffers, om ze naar buiten te sjouwen; het was
onder den hellen gloed der zon een verwarring, waaruit men zou gedacht
hebben, met zijn persoon en zijn goed nooit terecht te komen, maar die
zich vrij spoedig en heel goed in een ordelijken exodus naar het
spoorwegstation oploste.

Bij al de onvermijdelijke drukte in het hotel; het uitpakken van
koffers; het uitzoeken van het goed voor den waschman en het hulpeloos
getob met onverstaanbare bedienden, dacht Nora den heelen dag telkens
weer aan die vreemde ontmoeting, niet als aan iets aangenaams voor haar
gevoel, noch als aan iets nadeeligs voor haar nieuwe maatschappelijke
positie, maar als aan iets, dat haar persoonlijk schrik en ontzetting
inboezemde, en dat haar in ongeluk en ellende zou kunnen brengen, zoo
het haar ooit overkwam. En toen zij ’s avonds, moe, voor het eerst na
een lange zeereis, zich weer eens uitstrekte in een ruim bed, kwamen de
groote, zwarte oogen als glimmend metaal weer voor haar verbeelding,
tot zij met een angstigen zucht strak in het nachtlichtje ging kijken
om van dat benauwend visioen ontslagen te zijn.

Het was een zware tocht voor Aboe Bakar, en wat hem het meeste leed
deed was, dat hij vrouw en kind daaraan had blootgesteld. De
scheepsruimte was voor het aantal pelgrims veel te klein; de boot, een
gewone stoomer, voor zulk een transport niet ingericht. Heel gauw na de
afvaart begon de zeeziekte; en wat dat opleverde aan tooneelen vol
ellende en walgelijkheid!

Aboe Bakar hoorde het Hollandsche scheepsvolk spreken over hem en zijn
geloofsgenooten, mede Mekkagangers, met een minachting, zóó diep, dat
hij ervan rilde. Ja, zooals ze daar lagen, waren zij een troep beesten
gelijk; minder zelfs, want met de onverschilligheid der wanhoop ronkten
de meesten in eigen en andermans vuil. Nu en dan werd door het
scheepsvolk beproefd alles eens goed schoon te maken, maar het ging
niet. En voor de reis had haast geen pelgrim voldoende verschooning.

Naast dat beeld van vuile misère, doemde dan telkens in zijn geest op
dat der reis naar Indië als Adam Silver; de aangename, beschaafde
conversatie, de keurige rijk voorziene disch, de groote blinkende
zindelijkheid, en al het comfort ook in het uiterlijk. Dan was het of
een groot gewicht hem op de borst drukte; dan kreeg hij het gevoel van
een verbazend dommen streek te hebben gedaan, zóó groot, dat zelfmoord
er haast niets bij was; en dan bestreed hij dat ongelukkig gevoel:
trachtte het weg te werken, en eindigde met te zoeken of hij ergens op
het dek een plaatsje kon vinden, waar hij stil, voorovergebogen, het
hoofd in de handen, al maar bidden en bidden kon, hetzelfde
gebedsformulier, tot hij het overweldigend gevoel van jammer als het
ware had weggehypnotiseerd.

Tot zij te Djedda aan wal kwamen, gelukkig, dat de reis ten einde was;
blij aan het einddoel te zijn en den vasten grond van het heilige land
onder zich te voelen; maar om spoedig te ontwaren, dat zij gekomen
waren van den regen in den drop; dat zij in dit gezegende oord werden
behandeld als honden en geplukt als kippen.

Zij beklaagden zich bij Aboe Bakar; zijn persoonlijkheid, zijn kalme en
deftige manieren, zijn vele bidden en zijn welgesteldheid, hadden hem
reeds aan boord een soort van superioriteit gegeven tegenover de
anderen; hij hielp hen, zooveel hij kon; het enkele woord Engelsch, dat
hem van school was bijgebleven, kwam hem te pas; hij parlementeerde
voor hen; en het hielp ’n beetje, al was het niet veel. Ook hier had
hij zijn van de anderen zoo verschillende persoonlijkheid en manieren
vóór; men keek hem wel wat wantrouwend aan, maar liet toch eenigszins
af van de ontzettende afzetterij, welke de Maleiers en Javaantjes een
kwartje deed betalen voor elken pisang.



ZESDE HOOFDSTUK.

ABOE BAKARS TELEURSTELLING.


Het viel Aboe Bakar alles bitter tegen; de tocht naar Mekka en de
heilige stad zelf. Was dat nu de plaats, waarvan hij had gehoord, dat
uit alle deelen der mohammedaansche wereld talrijke karavanen er hun
kostbare gaven offerden? Hij had er gebeden in de groote moskee, lang,
met goed geloof en volgens het gebruik; hij had met diepen eerbied den
zwarten steen in de Kaäba gekust, en het had hem met een gevoel van
zaligheid vervuld, omdat hij zich voor een goed mohammedaan hield; maar
overigens trof het hem, dat Mekka, de heilige stad, een ellendig nest
was; een groote warong met het aanzien van een gevangenis, een
roovershol metterdaad. Toch had hij minder last van de vele
ongerechtigheden, dan de anderen; hij werd blijkbaar ook hier aangezien
voor meer dan een gewone inlander van Java of Sumatra; maar met een
wantrouwen toch, zóó groot, dat hij er haast in moeilijkheden door
kwam, toen Minah zich had verpraat en verteld, dat haar man vroeger
christen was geweest; voor een priester moest hij zijn waren staat van
mohammedaan bewijzen; en... dat kon hij.

Maar hier kreeg hij zijn afkeer beet tegen de Arabieren, en hij vond er
onder de vreemde pelgrims die ze met hem deelden. Het waren lieden uit
Achter-Indië, die ook, door hun handel op de kust, het gewone
strandmaleisch spraken; door hun meerdere ontwikkeling en gegoedheid
hadden zij zich bij hem aangesloten, en zij spraken veel over den
godsdienst, over den profeet, diens levensgeschiedenis, en ook over het
christendom. En toen een hunner het plan vormde met een karavaan langs
de kust der Roode Zee naar Jeruzalem te gaan, waren ze daar allen voor;
Aboe Bakar blij, dat hij niet met hetzelfde zoodje terugging, waarmee
hij was gekomen.

Ook al geen illusie! Niet zulk een afzetterij als te Djedda en te
Mekka; wèl groote hotels en villa’s, maar voor de bevolking in de
eigenlijke binnenstad, alles nauw, somber, vuil.

Aboe Bakar dankte God, dat hij dien pelgrimstocht, die hem zooveel geld
had gekost, zoo erg was tegengevallen en zooveel moeite en ellende had
bezorgd, achter den rug had, en hij op een boot met minder Mekkagangers
kon terugkeeren. Op het zindelijke dek, waar nu alles geregeld en goed
kon verzorgd worden, was het behaaglijk; het eten was eenvoudig
inlandsch maar behoorlijk; de behandeling goed. En de gesprekken liepen
over wat men had gezien en ondervonden, het geleden leed week met elken
dag meer op den achtergrond; de trots, dat men den tocht had gedaan
naar het graf van den profeet, kwam boven; nog vóór de boot straat
Soenda binnenstoomde, was er geen, die voor nog zooveel had gewild, dat
hij den pelgrimstocht niet had gemaakt. Aboe Bakar en Minah, die nu
reeds het gezicht halverwege bedekt droeg, allerminst.

Weer was de kade van Tandjong Priok vol verwelkomende bloedverwanten,
maar de familie Aboe Bakar werd niet afgehaald. Hem kon ’t niet
schelen, Minah hinderde het zeer, zij zag er, vond ze, zoo deftig uit
met den tullen doek met gouden sterretjes voor het onderste gedeelte
van het gelaat, dat het jammer was aan den wal geen bekenden te zien;
het les amis de nos amis sont nos amis vonden zij bewaarheid bij de
orang selam, vooral tegenover uit Mekka terugkeerenden. Daar waren er
die present waren geweest bij hun vertrek, die hem herkenden en
uitnoodigden.

Al pratende informeerde Aboe Bakar eens, en hij koos de gastvrijheid
van een mandoer, die in de stad Batavia werkte en daar woonde ook; dàt
trok hem het meeste aan, die oude stad! Hij deed er zijn intocht in de
kampong met een vertoon van waardigheid, dat hem daar hoog in de
algemeene schatting deed stijgen.

En ’s avonds bij het feest, toen ze allen met veel genoodigden in een
grooten kring op den grond zaten, limonadestroop drinkend en strootjes
rookend, vertelde Aboe Bakar langzaam en deftig van de Heilige Stad; en
hij loog, dat het een aard had, zonder zelf te snappen, dat hij zoo
loog; hij vertelde niet wat hij, Minah en de anderen, werkelijk hadden
gezien en ondervonden, maar wat zij van hun reis gemaakt hadden, nadat
zij haar al pratend zooveel dagen aan boord omgeven hadden met een
aureool van heerlijkheid.

Het was heel laat in den nacht toen de gasten heengingen met een hoog
idée van den Saïd Aboe Bakar, die met zijn gastheer nu zitten bleef op
de twee onvermijdelijke wipstoelen, die in het voorgalerijtje een
kleine ronde tafel flankeerden.

„Wat zal ik doen?” vroeg Aboe Bakar. Zijn heele preferentie om bij den
mandoer te logeeren zat eigenlijk in het feit, dat hij deze vraag
iemand wilde stellen, die ze hem waarschijnlijk goed beantwoorden kon.

„Hebt ge geld?” vroeg de andere.

En toen het antwoord bevestigend was:

„Hoeveel?”

Aboe Bakar aarzelde; hij wist zelf niet precies hoeveel hij bezat; njai
Peraq had hem gezegd, dat hij over al het hare kon beschikken; hoeveel
dat was, wist hij niet; zelf had hij nog achttien mille; hij wilde
voorzichtig wezen en niet het heele bedrag ineens noemen.

„Tien duizend,” zei hij.

„Het is niet genoeg en wel genoeg.”

Daar begreep Aboe Bakar niets van.

„Hoe kan iets tegelijk niet en wel wezen?”

„Het is genoeg om vrij te zijn, als je wilt doe ik er wat bij, dan
behoeven wij nooit geld vooruit te vragen.”

„Maar waarvoor eigenlijk?”

„Wees niet ongeduldig, Saïd Aboe Bakar.”

„Neen, ik vraag maar wat wij dan zouden doen.”

„Handel drijven.”

„Waarin? Ik heb er geen verstand van; ik heb het nooit gedaan.”

„Het verstand heb ik,” zei de mandoer met zekere plechtigheid. „Dat
komt er niet op aan. Ik heb het meer gedaan.”

Een fragment van wat hij in Holland wel eens had gehoord in gesprek,
schoot Aboe Bakar door het hoofd; Verlande zei, als hij van zaken en
compagnon-zijn sprak, altijd: dat als één er verstand van had en de
ander had het geld, dan na eenige jaren de ander ook het verstand
kreeg, maar zijn geld bij den een was. Met een effen gezicht zei hij:

„Ik dacht niet, dat de handel zoo gemakkelijk was.”

„Het is niet zulk een moeilijke handel als van de Europeanen en de
Chineezen, het is handel in vee.”

Dat kwam Aboe Bakar wel aantrekkelijk voor, en hij ging er meer op in.
Het was half vijf reeds toen ze besloten hadden, dat hij zich zou
vestigen als veehandelaar voor gezamenlijke rekening. Een koele wind
streek door de kampong en ruischte in de groote, rafelige en gescheurde
pisangblaren; huiverend trok de mandoer zijn baadje over zijn naakte
lichaam dichter aan; in een klapperboom sloeg een voorbarige koetjitja
een paar heldere tonen in den nog donkeren nacht; de lampen waren
uitgegaan, en een klein petroleumnachtlampje lichtte nog slechts
binnen; achter het gordijn, dat in de diepte der woning de slaapplaats
en het verblijf der vrouwen afsloot, kwam het gestommel van uitgeslapen
menschen, die haast willen opstaan.

„Ik ben koud!” zei de mandoer.

„Ja, het is frisch.”

„Als ik zoo koud ben, vrees ik altijd ziek te worden; de nachtlucht is
zoo ongezond.”

„Ja,” bevestigde Aboe Bakar machinaal.

„Daar neem ik altijd wat obat voor, wil ik je ook wat geven.”

„Is het erg leelijk?”

„In het geheel niet; het smaakt goed.”

De mandoer haalde in den schemerdonker een flesch uit een kastje,
waarvan hij den sleutel in zijn buikband droeg; hij schonk twee glazen
vol, loerend erdoor heen tegen het nachtlichtje om niet te morsen; toen
nam hij er een en goot het in z’n mond. Aboe Bakar had het dadelijk
geroken: het was cognac.

En begeerig stak hij, zonder een woord te spreken, de hand uit, het
glas ad fundum ledigend.

„Is het geen goede obat?” vroeg de mandoer.

„Uitstekend,” bevestigde de pas van Mekka teruggekeerde Mohammedaan.

Hij had het goed getroffen; niet alleen bleek zijn compagnon op de
hoogte van den veehandel te zijn, maar ook eerlijk onder
geloofsgenooten.



ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN BESCHAAFD MOHAMMEDAAN.


Naast de woning van Pa Djalil, den mandoer, had Aboe Bakar er een
gehuurd, ’n heele mooie voor een inlander in de kampong. Hij voelde
zich nu zeer tevreden en gelukkig in zijn lot; als Europeaan was hij
een domoor geweest; een good-for-nothing; een, waarmee men niet wist
wat aan te vangen; een zelfs niet erkend in de boeken;—als inlander was
hij een gerespecteerd man, een vat vol wijsheid, een welvarend
handelaar, die goede zaken deed.

En hij was inderdaad geacht bij de inlandsche gemeente, die vooral hoog
tegen hem opzag, wijl hij altijd zoo kalm en deftig was, nooit
perkara’s had en streng volgens den koran leefde; maar de Arabieren
mochten hem niet; de haat tusschen hem en hen was wederkeerig; hij
imponeerde hen en zij behandelden hem met onderscheiding, maar men
bleef op een afstand zoo in als buiten den missigit, en Aboe Bakar liet
er zich openlijk over uit, dat hij hun haat tegen de christenen niet
deelde, juist omdat hij een goed Mohammedaan was; hij haalde er de
hoofdstukken en verzen bij aan uit den koran, die het wee! uitspreekt
over hen, die zich vergrijpen aan de christenen, en slechts aan God de
uitspraak overlaat tusschen christenen, joden en Mohammedanen op den
dag der opstanding.

Zoo leefde hij rustig door, zonder haast ooit eenigen omgang met
Europeanen; met Bram hield hij nu en dan briefwisseling, dàt was het
eenige. En Bram was nu een big boy geworden, zoo schreef hijzelf; hij
had een aandeel in een land, en men maakte groote zaken; hij had het
oude huis der Silvers weer teruggekocht, en voor den grond laten
gooien; op de plek stond nu een mooie villa; de plaats zelf was door de
welvaart der planters zeer vooruitgegaan; hij blufte in zijn brieven,
dat het een aard had, zonder dat Aboe Bakar dit begreep; die las het
alles steeds met de grootste bewondering en vertelde het Minah, die na
haar eerste kind geen verderen reproductieven aanleg ontwikkeld had,
zoodat het dáárbij scheen te zullen blijven.

De oude moeder, nu weer in het kamertje in de bijgebouwen, waar ze
zooveel jaren had gewoond, wilde niet naar Batavia komen, hoe graag zij
ook bij den liefsten zoon had gewoond; en op haar erfje stonden
klapperboomen, die ze zelf had geplant, en ook andere soorten groot en
schoon, die ze gekend had nietig en klein; dat gold ook heel zwaar.

Nu hun zaken zich na ’n jaar of zes zeer hadden uitgebreid, was Pa
Djalil geen mandoer gebleven; hij en Aboe Bakar waren voor die zaken
dringend noodig; zij reisden er vaak voor langs de kust, met prauwen en
ook wel, als er haast bij was, met stoomers. Dan ging Aboe Bakar meest,
die om zijn uiterlijk en deftigheid, om zijn fraaien witten tulband in
lang met gouddraad gestikte kleurrijke overkleeren meer in aanzien was,
en vormelijker behandeld werd. Dan nam hij een tweede klasse biljet, om
meer te kunnen gaan waar hij wilde; als er niets was, voegde hij zich
bij de inlandsche dekpassagiers, gedachtig aan de koraänische belofte,
dat de nederigen het eeuwige leven beërven; maar als er veel
Europeesche militairen op het dek waren, en zij vloekten en waren ruw,
dan kon hij met zijn biljet zich terugtrekken.

Hij had dat juist gedaan, en stond nu midscheeps op het tweede klasse
dek in zee te kijken, naar het gewriemel en gewoel, het opkomen en
vervloeien, het dansen en klotsen en schuins opspatten van de groote
watermassa, door het gele zonlicht in scherpe nuances getint.

Toen hij zich omkeerde, de oogen duizelig van het helle glanzen, week
een baboe eerbiedig voor hem uit, buigend voor den mooien toean saïd;
hij knikte goedig, en zijn groote hand uitstekend naar een blond
kindje, dat bij haar was, vroeg hij:

„Vindt njotje het pleizierig aan boord?”

De meid en het kind keken hem aan met stomme verbazing.

„Hij spreekt Hollandsch,” zei het kind in het maleisch: „Is hij gek?”
vroeg het met de volkomen oneerbiedigheid voor volwassen oosterlingen,
eigen aan kindertjes van Europeanen in Indië.

Aboe Bakar schaamde zich, het was hem wezenlijk ontsnapt tegenover dit
blonde kind; hij had Hollandsch gesproken zonder er verder bij te
denken; het kind had gelijk; het was heel gek. En nog gekker vond hij
het, toen een onderofficier, op ’n wipstoel een pijpje rookend, lachend
tegen een ander de opmerking maakte, dat de „Arabier” het kind in ’t
Hollandsch aansprak en die jeugdige blonde bataaf zelf niet anders
kende dan maleisch.

De baboe ging met het kind naar het achterdek, verlegen over de brutale
vraag; en daar vertelde zij het aan ’t groepje dames, dat handwerkjes
deed of ’n romannetje las, terwijl de heeren aan de andere zijde hun
partijtje maakten. Het was mevrouw Slaters, die erbij zat, of haar hart
werd dichtgeknepen, zoo’n benauwend gevoel kwam over haar. Dat moest
Adam Silver zijn; dat wist zij ineens zeker. Zij hoorde de beschrijving
door de meid van het uiterlijk van den toean saïd,—het kon onmogelijk
iemand anders wezen.

„Laten we hem eens gaan zien,” zei een der dames. En de anderen, die
zich mee verveelden, allen getrouwde dames, vonden dat ook. Maar de
vrouw van den majoor Slaters—de gouden kraag was er al!—wilde niet.

„Gut, hoe flauw!” meende een.

„Je bent toch niet bang op hem te verlieven?” vroeg een ander.

En men lachte haar uit, eigenlijk een beetje boos, dat zij ’t
kinderachtig excursietje niet mee wilde maken. Zij weigerde hardnekkig;
zij had nu al een gevoel, alsof de idée zijner aanwezigheid op
hetzelfde schip haar hypnotiseerde; zij wist, of had althans de
overtuiging, dat als ze hem zag, weer dat vreemde gevoel van strakheid
en van niet te kunnen denken over haar komen zou.

Een oogenblik hadden de andere dames geaarzeld, maar de lust om haar
zelfstandigheid te toonen, hield de overhand; lachend en fluisterend
omdat ze een mooien Arabier gingen zien, die Hollandsch sprak, liepen
ze de kajuittrap af en naar voren. En ze stootten elkaar aan met de
ellebogen, wisselend schuinoogende blikken: „Daar staat-ie!”

Toen ze voorbijkwamen richtte Aboe Bakar, die over de reeling leunde,
zich op, in een beleefdheidshouding om haar te laten voorbijgaan; ze
keken niet direct naar hem, maar zagen hem toch zoo nauwkeurig als een
staaltje van een modestof; de jongste, een levendig opgewekt vrouwtje,
keerde zich ineens tot hem:

„Is het waar, dat u Hollandsch spreekt?”

De anderen stikten haast van den lach; een beetje verlegen, niettemin,
om wat zij een enorme brutaliteit vonden.

Maar zoo de dames nu een beetje verlegen waren met haar figuur,—Aboe
Bakar niet; een glimlachje ging over zijn rustig gezicht:

„Ja, mevrouw.”

„Hoe is het mogelijk?”

„Ik heb het geleerd.”

Nu lachten ze allen luid. Wat had zij daar een gekke vraag gedaan, en
wat gaf hij daar een leuk antwoord op. Nu, die was goed! „Pour savoir
une chose,” riep een harer onder het lachen.

„Zeker,” zei Aboe Bakar zacht, „il faut l’avoir appris.”

Nu werd het nog gekker; het maakte de dames ernstig; ze wisten nu geen
van allen wat te zeggen; de jongste keek hem voortdurend strak aan, de
lippen op elkaar. Welk een schilderij van ’n man!

„U woont zeker in Indië?” vroeg ze.

„Te Batavia. Ik reis voor zaken... als koopman. Mijn naam is Aboe
Bakar.”

Zij voelden, dat ze daar niet langer konden blijven staan; ze hadden
ook niet geweten, wat te zeggen. Hij had zich voorgesteld, eenvoudig,
gewoon, als een man van de wereld, met het sierlijk en beleefd gebaar
van een beschaafd oosterling; zij knikten en zeiden „Goeden dag,”
zonder meer; men kon toch tegen zoo’n man geen „meneer” zeggen als
Europeesche dame!

Haastig liepen ze de trap weer op naar het achterdek, pratend over het
bijzonder voorval, en mevrouw Slaters aanvallend met den uitroep: „Nou,
je hebt iets gemist, hoor!”

Het heldenstuk van het „aanspreken” werd verteld; Aboe Bakar werd
beschreven van top tot teen; en wat hij aan had, en hoe hij eruit zag,
en wat hij zei.

Nora was het, als had zij erbij gestaan.

Zij was uiterlijk veel veranderd; het Indisch klimaat had haar goed
gedaan; ze had gevulder vormen gekregen, en dat stond haar
voortreffelijk; van een gewoon blondinetje om niets van te zeggen, was
zij geworden wat men een „knappe” vrouw noemt.

Het verhaal der reisgenooten maakte haar stil; zij dacht er haast den
heelen dag aan, onwillekeurig. Naast haar vrees voor een ontmoeting,
kwam een geweldige nieuwsgierigheid om hem toch eens te zien, zooals de
anderen hem hadden beschreven.



ACHTSTE HOOFDSTUK.

ONGELUKKIGE FAMILIEBERICHTEN.


Het was avond en ’n mooi tropisch nachtgezicht op het onbegrensde
zeevlak, helder in het maanlicht, vol schemerige effecten van licht en
wisselend halfdonker; de heeren zaten alweer aan het partijtje, in de
rookkamer nu; enkelen liepen heen en weer te digereeren op het
achterdek; de meeste dames waren al naar beneden in de cabines.

Nora was opgebleven.

„Een heerlijke avond, mevrouw,” zei de kapitein haar passeerend.

Zij kreeg een idée.

„Het moet nu prachtig wezen op de brug.”

„Zoudt u eens willen zien?”

„Heel graag,” en tot het slanke jonge vrouwtje, dat Aboe Bakar ’s
morgens had aangesproken, „ga je ook mee?”

Ze volgden den gezagvoerder, en het was heerlijk, het uitzicht van de
brug op de groote schitterend geïllumineerde zee; maar na een
plichtmatige betuiging van het verrassend schoone, effectvolle, gingen
haar oogen onderzoekend over het voordek. De andere kneep haar stijf in
den arm: Aboe Bakar zat er, achterover geleund op een bank, denkend aan
zijn zaken en hoe hij die zou afhandelen op de kust; een strootje
rookend voor tijdpasseering.

„Daar zit-ie,” fluisterde zij Nora in het oor. „Wat ’n pracht van ’n
man, hè! Om alles voor te vergeten.”

Maar Nora schudde heftig het hoofd. Foei, neen! Zij voelde niets voor
hem; niets! Zij hield eerlijk veel van haar eigen man; zij was enkel
bang; wezenlijk heel bang voor een ontmoeting met dien Adam Silver als
Mohammedaan en hadji; zij vond hem, wat hij was: een physiek knap man;
overigens niets, en dat ze zoo ellendig werd, nu ook weer, toen ze hem
zag, was enkel uit vrees, dat er ooit iets zou uitkomen, van wat
vroeger was voorgevallen, en dat ze voor Slaters verzwegen had.

Zooals Aboe Bakar het zich in dien mooien maanavond aan boord zat voor
te stellen, gebeurde het ook; de soort van handel, dien hij dreef, was
eenvoudig en secuur; zonder veel risico en agitatie; juist zooals bij
zijn aard paste.

Kalm en welgemoed zou hij dan ook te Priok aan wal zijn gestapt, als
hem daar niet iets heel zonderlings had gewacht. Het waren Bram, van
wien hij in den laatsten tijd niets had gehoord, zijn moeder en zijn
zuster. Van boord af zag hij het troepje op de kade staan, Bram
magerder en ingebogener van borstkast dan ooit te voren; maar in zijn
gezicht niets veranderd; njai Peraq wit van haar geworden, maar dikjes
en vetjes, een Schotschen omslagdoek over het baadje geslagen en een
groote pajoeng in de hand; de eenoogige zuster met een slecht gemaakte
japon aan, waaronder de witte rok uitkwam en waarvan het split open
stond, en met een allergekst zwart stroohoedje op met ’n lange heen en
weer waaiende enkele veer.

In stomme verbazing stond Aboe Bakar het troepje te beschouwen, zonder
leed of vreugde; met enkel de vraag in het hoofd: wat in Mohammeds naam
komen die doen?

Maar hij was heel hartelijk, al bracht zijn positie zekere
vormelijkheid mee; zijn moeder kuste hem eerbiedig de vingertoppen; de
broer en zuster schudden hem de hand. En op zijn vragenden blik,
antwoordde Bram:

„Ja, kerel, ’t is een bedonderde perkara.”

„Is er iets gebeurd?”

„Of er iets gebeurd is? Ik ben blut, man; totaal geflaconneerd,”—en
zich over den knokkigen handrug blazend: „pfft! zóó kaal ben ik!”

„Ik dacht, dat het je goed ging.”

„Dat ging het ook, maar we hebben te veel hooi op onze vork genomen.”

Aboe Bakar, nog een en al verbazing, haalde de schouders op.

„Ik begrijp het niet.”

„Van de koffie; je weet toch wel van dat onverwachte kelderen van de
koffie?”

„Neen,” hij moest erkennen, dat hij daarvan onkundig was, hij begreep
de uitdrukking niet eens.

„Ik handel in vee,” zei hij.

„Enfin, we hadden breed opgezet, en ineens: bom! daar lag de boel. Tot
overmaat van ramp waren we borg voor achttien mille en werden
aangesproken.”

„Maar het geld van moeder?”

„De heele rataplan, zeg ik je! Wij zaten er in met alles, wat we
hadden: ik, de oude vrouw en—met z’n duim naar de zuster wijzende—zij
ook.”

„En nu?”

„Ja, zie je, in het landelijke gaat het niet meer; ik kan nu niet meer
opzienertje gaan spelen.... als je zelf baas bent geweest.... Ik zal
zien, dat ik hier een baantje vind.”

„Wie is hij?” vroeg Aboe Bakar, doelend op een kleinen indo, die achter
hen aan liep, blijkbaar eenigszins met z’n figuur verlegen.

„O! da’s waar ook; dat is onze zwager Boudrin de Chatonville. Zeg,
Josep, kom eens naar voren. Onze broer Ad....”

„Aboe Bakar,” viel de dus voorgestelde snel in de rede; en toen
zachtjes tegen Bram: „Heet hij werkelijk zoo?”

„Of hij Boudrin de Chatonville heet? Neen maar, dàt zal waar zijn. Hij
is van adellijke afkomst.”

Aboe Bakar vond, dat zijn zoo bij verrassing ontdekte zwager er niet
naar uitzag.

„Jullie hebt me niet eens kennis gegeven van haar huwelijk,” zei hij
verwijtend.

„Och, zie je, zóó ver is het om je de waarheid te zeggen nog niet; dat
zullen we hier wel in orde maken.”

„Zijn ze dan niet....”

„Niet voor de wet. Ze scharrelden zoo wat samen, weet je, en als je
goed kijkt dan kan je dat ook wel zien. Nou, ik heb gedacht dat ’t maar
het beste was hem mee te nemen en ze dan hier te laten trouwen.”

„Wat doet hij?”

„Eigenlijk niets; hij zoekt een betrekking, hij verkeert in ’t zelfde
geval als ik: aardig geld gehad, maar alles weg.”

Ze waren opgewandeld tot het station. Bram en Aboe Bakar voorop; de
anderen in een ganzenrijtje erachter aan; ze togen in een derde klasse
waggon en onder het rijden hoorde Aboe Bakar meer bijzonderheden over
het „ongeluk,” dat zijn familie had getroffen; de jongste broer had
niet mee gewild naar Batavia, maar was weer gaan werken als
opzienertje; die was, zei Bram, heelemaal verwilderd; net ’n
boschmensch.

En bij het aanhooren dier bijzonderheden, die hem geen belangstelling
inboezemden, dacht Aboe Bakar na over hetgeen hem te doen stond.

„Ga jij nu met haar en dien Chatonville naar een logement...”

„Wel, neen, wij logeeren bij kennissen van hem, daar ergens achter
Molenvliet; als ik geweten had waar jij woonde...”

„Hier in de stad in de kampong. Ik heb nu zaken en wou enkel de oude
vrouw mee naar mijn huis nemen. Natuurlijk zal ik jullie helpen;
daarvoor behoef je niet bang te zijn...”

„Dat ben ik ook niet,” zei Bram.

„Goed, schrijf me dan je adres op; ik kom van avond bij je. Heb je nu
iets noodig?”

„Neen, zóó is het niet, dat ik geen cent in mijn zak heb. Maar meer dan
’n paar honderd pop, alles samen genomen, zit er niet aan.”

Met zijn moeder reed Aboe Bakar naar zijn woning.

„Ik heb zonde gedaan voor God,” zeide ze onder het rijden, „ik had het
geld moeten bewaren voor u, het hem niet moeten afstaan; ik meende, dat
hij in die zaken pinter was.”

Maar Aboe Bakar was het niet met haar eens:

„Het is heel goed zoo, moeder; het was het geld van... den ouden heer
Silver; ’t was dus dat van Bram ook.”

„Ik had het verdiend.”

„God vernietigt den woeker en vermenigvuldigt met woeker den prijs der
aalmoezen.”

Daar zweeg njai Peraq op; en een oogenblik reden ze stil voort, in het
op de slappe veeren slingerende karretje, tot zij weer zei:

„Het is zonde van het geld, waarvoor ik zooveel jaren heb gewerkt.”

„Ik had het toch niet mogen aannemen,” troostte haar Aboe Bakar met
islamitische onverbiddelijkheid. „De koran zegt, dat er geen zegen is
bij het geld van den woeker; ik had het uwe niet willen hebben in mijn
zaken; zij zouden er door vernietigd zijn, gelijk die van Bram en de
uwe zelf.”

Met al haar eerbied voor den in haar oogen zoo heiligen en geleerden
zoon, vond njai Peraq het niets prettig dus de les te worden gelezen,
en dat nog wel nu zij haar geld kwijt was; daarom zei ze in het geheel
niets meer, ook niet toen het karretje op een hobbeligen smallen
kampongweg stilhield, en Aboe Bakar haar eruit hielp.



NEGENDE HOOFDSTUK.

SCHOONMOEDER EN SCHOONDOCHTER.


Njai Peraq liep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande,
en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen
aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder
en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de
overhand; njai Peraq was woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel
zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op
een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der
gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten,
dronk een kop koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad.
Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toen njai
Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij
van haar kaïn de korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met
harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op
en zei langzaam:

„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”

Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.

„Wij zijn tevreden.”

„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een
vuile vrouw maakt een vuilen man.”

„Het is hier niet vuiler dan elders.”

„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij den mantri, uw vader, ook
niet.”

En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.

„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doet niets; als
een lui beest lig je daar tusschen vuile bantals, die nooit gelucht
worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met
de rotan.”

„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten
doen als ik het wil.”

„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je
opgeraapt van den weg; je vader stond te krakal als een kettingganger,
wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart,
als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en
lui. En je hebt maar één kind.”

„Het is mijn schuld niet.”

„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te
komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een
varkenshok met een slechte zeug.”

Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en
omgekeerd in het bruin der huid.

„Het is zijn schuld.”

„Het is nooit de schuld van den man.”

„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan de njai
geweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n
kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me
niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een
hondenkind.”

Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had
geluisterd, en vreezend dat njai Peraq handtastelijk zou worden—wat zij
al was—trad hij tusschenbeiden.

„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den
mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.

„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.

En toen ze nog altijd zweeg:

„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”

Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een
vrouw, maar hij moest het doen; moest hij, levend naar den koran, de
ongehoorzame vrouw niet slaan?

Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar
schouders, greep haar in de kondé en slingerde haar door een achterdeur
het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paar gendies
brekend bij het vallen.

Wat had hij daar een berouw van!

Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.

Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van
schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal
beest!

Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht,
plichtshalve.

„Ada apa, toean saïd.”

Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen,
en zei lachend:

„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”

Njai Peraq had het zóó niet bedoeld; zij had nooit slaag gehad van John
Silver op die manier; nu en dan had hij in een stadium van erge
opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het
dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te
erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.

Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven
doorjammeren bij den put.

„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.

„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu
wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het
wel; maar ik wil niet; het zal niet gebeuren; hij mag me dood slaan;
laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me
geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”

Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining,
het hoofd heen en weer rollend over den arm.

En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:

„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”

Dat keurde njai Peraq af, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en
met een schijn van onverschilligheid zei ze:

„Wat zou het?”

Minah keek haar strak in het gezicht.

„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als....”

Maar dat liet geen vergelijking toe.

„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd
volgens de adat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan
hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben
verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen
met alles? Had hij niet drie zonen....”

Hier lachte Minah schamper.

„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”

„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zei njai Peraq
kalm.

„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”

Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:

„Toewan Allah heeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat
kind te laten opschrijven in het boek der blanda’s; het is een wonder.”

Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den
neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!

„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen
terugkomend op de hoofdzaak.

„Heeft hij erover gesproken?”

„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”

„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”

„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”

„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien;
hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”

„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis hebben, jonger en sterker
om mij te helpen.”

„Astage!” riep njai Peraq uit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles
heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te
zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons
gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet
zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet
meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon
is veel te goed voor je.”

Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar
achter moest komen om stilte te gebieden.

Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou
geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest
hij iets anders op vinden.



TIENDE HOOFDSTUK.

EEN TROUWELOOS MOHAMMEDAAN.


’s Avonds bij Pa Djalil, zijn compagnon, vertelde Aboe Bakar wat er
gebeurd was; zij zaten op een bamboezen bank onder een mangaboom, in
den donkeren avond op het kleine erfje; armoedig en eentonig schemerden
hier en daar kleine petroleumlichtjes door de paggers en het groen; in
de verte op den grooten weg ratelden langzaam aankomende karren; een
enkele maal klonk ’t hoog geluid van een, zijn warong langs den weg
pikoelenden Chinees; maar anders was het stil.

„Ik ben het verplicht,” zei Aboe Bakar.

„Zeker; men moet zijn ouders helpen en zijn broers en zijn zusters.”

„Maar het zal veel geld kosten.”

„Wat gebeuren moet, dat moet gebeuren,” zei de oude Djalil. „Ook kan je
het doen. Als je het niet deedt, zou het een vloek zijn op onzen
handel.”

Geen oogenblik had Aboe Bakar er aan gedacht zijn noodlijdende familie
niet te helpen; hij had er alleen behoefte aan het goedgekeurd te
hooren door een ander. En nu begon hij langzaam zijn plannen te
bespreken, tot de oude het als naar gewoonte ’s avonds laat te koud
kreeg, en zij samen obat namen. Wel verweet zich Aboe Bakar soms, dat
hij daar verkeerd aan deed, maar goed beschouwd vond hij de zonde tegen
den koran zoo groot niet; en nu hij eraan gewoon was ’s avonds zijn
glas cognac te drinken, kon hij het niet meer laten.

Zooals hij het met Pa Djalil had vastgesteld, voerde hij het ook uit.
Hij betaalde de onkosten van het huwelijk zijner zuster, gaf haar en
Bram elk een maandelijksche toelage en een extra aan zijn moeder, die
weer bij Bram haar intrek nam. En toen dat alles geschikt was en
geregeld, volgde de eene maand na de andere, zóó, dat het was of er
voor hun veehandel een gouden tijd aanbrak; alles liep even gelukkig
af; alles gaf beter winsten dan ooit, en bij Aboe Bakar stond het vast,
dat dit door hoogere macht zoo in zijn voordeel was geordend.

Aboe Bakar kreeg zoo’n surplus van geld, dat hij er geen raad mee wist.

„Waarom leen-je het niet uit, zooals ik?” had al meer dan eens Pa
Djalil gevraagd.

Maar dan schudde hij het hoofd, onverzettelijk.

„Het is in strijd met den koran, die verbiedt het leenen tegen rente op
straf van Gods toorn.”

„Een mensch kan te veel uit de heilige boeken leeren,” had dan Pa
Djalil met een leuk lachje opgemerkt.

„Nooit,” pleitte Aboe Bakar. „Ik ben geen heilig man, maar ik zou voor
alles ter wereld niet handelen tegen het boek in zoo iets belangrijks.”

„Allah is groot,” zuchtte Pa Djalil met zachte ironie in zijn stem.
„Mijn vader was een braaf man; hij deed het ook.”

Nu wist Aboe Bakar, dat, als een maleier zóó redeneert, geen
voorschrift uit den koran hem van zijn stuk brengt.

Hij zweeg erop, en ten slotte, bij wijze van advies, eindigde Pa Djalil
met te zeggen:

„Koop dan huizen voor je geld.”

Hij was daar wat lui voor; bovendien moest hij dan in het publiek
komen, ook het Europeesche, op het vendukantoor en bij het kadaster;
dat deed hij liefst zoo zelden mogelijk. Doch ten slotte werd het al te
dwaas; zijn groote kist raakte vol geld, meest zware rijksdaalders; het
was een mooi gezicht, maar het kon zóó niet blijven; hij dorst haast
niet meer uit te gaan, uit vrees bij zijn afwezigheid bestolen te
worden.

Hij kocht een huis op een mooien stand, en hij liep op den langen
cementvloer der voorgalerij met het pleizierig gevoel, dat hij hier
baas en meester was; dan in de kamers met de hooge muren, beneden
geteerd met rouwranden boven het doffe rood der vloersteenen; door de
open vensters weerglom het licht van het pas geverfd grijs der
zoldering; hij liep het door ’t leeg staan slecht onderhouden, dicht
begroeide erf op, waar van de bijgebouwen heele stukken kalk waren
afgevallen, door de open plekken den baksteen toonend van een rood als
oude niet geheelde wonden. Nu ja, dàt zou men alles in orde maken,
dacht hij, weer binnengaande; dat kwam terecht; en hij gaf maar
dadelijk last aan een ouden inlander, die dag en nacht het leege huis
bewaakte, met als eenig meubilair een baleh-baleh in een der
vertrekken, en de man, diep gebogen voor den rijken deftigen toean
saïd, den eigenaar, sloop dadelijk weg om een toekang batoe te halen,
maar stond voor het huis verwonderd stil, toen een deelemankar het erf
opreed.

„Kom eens hier,” riep een heldere vrouwenstem tegen den bewaker. „Is
het te huur?”

„Belon priksa,” antwoordde hij ontwijkend, en met den duim over z’n
schouder naar achter wijzend: „De eigenaar is er.”

De man ging zijn boodschap doen; de dame, met een sprongetje uit haar
klein rijtuig, liep de paar treden van het huis op, keek eens rond in
de voorgalerij, ging dan vlug naar binnen en stond er tegenover Aboe
Bakar, die had hooren rijden op het erf, en ook eens kijken kwam.

„Allemachtig!” riep zij verwonderd en half verschrikt uit, een kleur
krijgend als een kers. „U bent dezelfde, die... de Arabier van boord!”

Hij knikte kalmpjes glimlachend, haar vlak in de oogen kijkend.

„...Die Hollandsch spreekt. Ja, mevrouw.”

„Gut, dat is al heel toevallig.”

„Bergen en dalen ontmoeten elkaar niet, de menschen wel.”

„U kent onze spreekwoorden ook al!” riep ze lachend. „Nu, dat is mooi
hoor! Is het uw huis?”

En ze keek weer naar hem net als zij gedaan had aan boord, toen ze
tegen mevrouw Slaters zeide, dat hij een man was „om alles voor te
vergeten.”

„Ik heb het pas gekocht.”

„Mag ik het zien? Ik zoek een huis.”

Toen de inlander terugkwam met den toekang batoe, vond hij de voordeur
gesloten; zacht sloop hij naar achter, maar daar was ’t zelfde. En de
deelemankar wachtte nog...

„Kang,” zei hij zachtkens tegen den ouden metselaar, dien hij had
meegebracht, „we moeten nog wat wachten op den toean saïd; ga maar mee
naar den warong, dan kunnen we een strootje rooken.”

Ze kwamen eerst terug toen de deeleman wegreed; verstrooid gaf de toean
saïd zijn orders; hij dacht niet meer aan zijn nieuwe positie van
huiseigenaar; hij was verstrooid en uit zijn humeur; hij had zich laten
meesleepen door dien ouden Europeaan, die in hem was gebleven uit den
offertijd aan „wijntje en Trijntje” in een groote westersche stad door
een bemiddeld jongmensch.

Was dat handelen als een braaf volgeling van den grooten profeet! Hij,
die zooveel ophad met den koran,—hij dronk dagelijks den drank, welke
een gruwel was door satan uitgevonden, en hij had de honderd
zweepslagen op het overspel verdiend....!

Aboe Bakar stapte haastig den eindeloozen Molenvliet langs; de zon
brandde op zijn lang rood overkleed; het stof opgeworpen door de
voertuigen, voortgezweept door den heeten wind, dwarrelde om zijn
grooten sneeuwwitten tulband; voerders van leege karretjes riepen hem
aan,—hij lette op niets, zóó bezig was hij met zichzelven, zóó beklemd
door het gevoel, dat hij een slecht Mohammedaan was; dat hij dus
handelend nooit het beloofde Paradijs zou beërven, waar de maagden met
groote zwarte oogen en met zwellenden boezem bestemd zijn voor de
gelukzaligen, voor de geloovigen zonder smet! En als hij daartusschen
door dacht aan het wezenlijk avontuur van zooeven, dan zonk het
toekomst-Paradijs met de zwartoogige maagden ineens weer in het niet.

Een oogenblik stond hij stil, en wischte zich het gelaat af; maakte
zijn handen nat aan een artesischen put, bevochtigde zijn vermoeide
oogen, en steeg zuchtend in een dos-à-dos, die met hem wegsnelde naar
zijn kampong.



ELFDE HOOFDSTUK.

HOE ZAL IK STERK ZIJN?


Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij
uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en
nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje,
een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil
mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.

„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen...”

De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op
den mond.

„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”

Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop
van zijn wandelstok.

„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den
bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”

Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijken hadji, zoo
groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven,
zich dicht in de groene levende pagger dringend.

„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken
tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.

In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij
had zoo’n roegi gehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet
betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de
gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij
doen...

„Je moogt het niet!”

„Nu dan, het is toch adat.”

„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een
Chinees; ik wil bij een orang selam, niet bij een vuilen kafir.”

Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig
uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden
doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooien
toean saïd.

„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter
elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den
prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet
naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen
haar vader heenging, diep boog voor den toean saïd wiens hand hij aan
z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te
verwaardigen.

Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter.
Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!

„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei hij zacht, poseerend, met
groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een
ongeloovige.”

En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag,
dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met
de zalving van een volleerd penghoeloe:

„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt,
behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”

Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote
verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in
stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die
zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.

Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader
betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel
goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?

Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn?
Zij wist, dat hij geen voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als
bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te
maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en
gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar
zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij
zijn als de rug mijner moeder.

Habis perkara.

Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon
vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.

Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen
pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde
aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar
niet; zij hoorde hem er den naam van Allah bij aanroepen, en alles
driemaal.... Wat was er dan toch gebeurd?

Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets
onbehoorlijks voorgevallen. Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en
door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met
opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn
slechte daden ook in goede zou veranderen.

Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk.
Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden
gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?

Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die nam obat tegen de avondlucht?

Wat moest hij doen om daar af te komen?

Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.

Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil,
toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijn obat
alleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en
watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich
onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem zacht smakken
met een klein gesteun van genot.

En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel
moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven,
dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.



TWAALFDE HOOFDSTUK.

ZONDERLINGE ONTMOETING.


De eenige malen, dat de Verlande’s iets hoorden van hun vroegeren
pleegzoon, was uit de brieven van Nora, die nu en dan schreef. Eerst
was het een brief vol jeremiaden. Met haar komen in Indië, was alle
vroegere Hollandsche misère weg; vergeten waren de jaren van verdriet
en teleurstelling over haar langdurig jongedochterschap, dat zich al
begon te teekenen op haar lief gezichtje in fijne, scherpe trekjes, die
er nu door het huwelijk voor vele jaren van weggevaagd waren; vergeten
was de deftige en daarom dubbel pijnlijke beperktheid van middelen in
het ouderlijk huis; vergeten waren ook de bitse en verdrietige
humeur-scènes tusschen de met den oudevrijsterstaat bedreigde zusters;
vergeten waren narigheden en bekrompenheden, waaruit het huwelijk met
een hoogst fashionable man, die een goede toekomst had, haar letterlijk
had gered.

Het maakte Verlande, die met den leeftijd ’n beetje knorrig begon te
worden, woedend. De brieven van Nora gaven den indruk, alsof zij een
paradijs had verlaten, om in de hel te komen, en de doorloopende
gedachte was: wat is dat Indië een akelig land!

Terwijl haar middelen haar nimmer veroorloofd hadden een druk gebruik
te maken in Den Haag van opera’s en concerten, klaagde zij nu steen en
been, dat men zoo weinig kunstgenot kon smaken te Batavia; terwijl zij
in Holland haar ouders een nieuwe japon als het ware van het hart moest
scheuren, en den hemel danken mocht, als ze kreeg wat men wilde
geven,—vond zij het „zoo onaangenaam,” dat men in de toko’s te Batavia
nooit precies kon krijgen, wat men wilde.

Het was in die periode, dat zij ook schreef over haar eerste ontmoeting
met den gewezen Adam Silver; iets, waaraan de Verlande’s niet hadden
geloofd, denkende dat zij zich in het uiterlijk had vergist.

Later kon Verlande meer vrede hebben met Nora’s geschrijf; ze kreeg,
door het gewoon meeleven in Indië, meer kennis van wat haar omringde;
daarmee kwam vanzelf de belangstelling; juistere schatting en, in menig
opzicht, waardeering, volgden.

„Ze wordt ’n boel genietbaarder,” meende Verlande.

„Het is ’n gewone geschiedenis,” meende zijn vrouw.

„Toch niet....”

„Zeker, de mijne ook. Je hebt mijn brieven uit dien tijd naar Holland
niet gelezen.”

Eindelijk, na jaren, kwam Nora weer op Adam Silver terug, met het
verhaal van de stoomboot. Zij was nu zeer ongerust en moest en zou ten
slotte met hem spreken, want zij was soms in doodelijken angst, dat
haar man er iets van vernemen zou.

Doch de Verlande’s trachtten haar gerust te stellen. Hoe kon zij zich
nu nog muizenissen in het hoofd halen om die oude, onschuldige tjerita,
schreven ze. Die moest ze vergeten, negeeren, beschouwen als nooit
gebeurd.

En Nora deed er haar uiterste best voor, maar het was er zoo ingeroest,
dat ze toch altijd schrikte als ze een rijzigen Arabier zag of een
hadji, en het was haar op een goeden dag of ze verstijfde van het hoofd
tot de voeten, toen Aboe Bakar haar erf opkwam, in zijn kleurig gewaad,
groot en breed tusschen het bontgroen der rijen crotons door.

De Slaters woonden in een huurhuis, wijl er van gouvernementswege geen
hoofdofficierswoning open was; ze hadden er niet op gelet, dat het huis
ten publieken verkoop was geannonceerd. En Aboe Bakar, die het geld,
dat hij overhield, nu voortdurend in huizen bleef beleggen, had ook
niet geweten wie de huurders waren. Hij had het huis gekocht, eenvoudig
op de omschrijving en het advies van een inlandsch beambte bij ’t
kadaster, en nu kwam hij zich eenvoudig als de nieuwe eigenaar
aanmelden bij den huurder.

Het trof hem zeer; ook dat ze zoo knap was geworden in haar huwelijk;
maar hij had zich heel gauw vermand en groette haar als een vreemde, en
sprak haar aan in het maleisch:

„Ik vraag verschooning, dat ik u kom lastig vallen, mevrouw. Ik kom
alleen u zeggen, dat ik dit huis heb gekocht.”

Zij keek hem aan, verwezen; en toen ze niet antwoordde, ging hij door
in ’t maleisch:

„Het is niet, dat u moet verhuizen, volstrekt niet; u kunt blijven
wonen zoolang u wilt; het is enkel als er iets is over reparatie of
zoo....”

Dat was dan geworden van dien netten jongen, dien ze in haar
meisjesjaren had liefgehad; dàt was dan de naar de laatste mode
gekleede mooie jeugdige oosterling, dien ze gekend had in Den Haag! Zij
had de niet beredeneerde maar traditioneele minachting van den
Hollander in Indië voor al wat hadji is. En zoo stond hij daar nu
tegenover haar, maleisch sprekend; bescheiden, als een mindere; den
trek van onderworpenheid, die bij den oosterling tot de beleefdheid
behoort, op den fraaien mannenkop. Een groot gevoel van compassie kwam
over haar; het deed haar aan; ze moest opstaan en naar binnen gaan om
niet te laten zien, dat van tranen haar de oogen vol schoten.

Aboe Bakar zag het natuurlijk wel, maar begreep er niets van. In dien
gedachtengang had hij zich niet kunnen verplaatsen; dàt was hem nu zoo
vreemd. En hij had toch niets verkeerds gedaan! Integendeel; hij had,
vond hij, het haar zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt; zij had hem kunnen
antwoorden in het maleisch en hem behandelen, als had zij hem nooit
gezien; enkel als de huisbaas.

Nu ging zij schreiende naar binnen!

Hij had nog niet uitgepikird, toen zij terugkwam en hem wenkte in de
binnengalerij.

„Ik heb u een verzoek te doen!” zei ze zenuwachtig, toen hij
binnentrad.

Zwijgend boog hij, den blik latende gaan over het glinsterend marmer en
het glimmend gecireerd der nette meubels, meteen het huis, dat hij
gekocht had, eens opnemend.

„Het is: nooit te spreken, nooit en met niemand over ons.... onze....
verhouding in Holland.”

Een spottende glimlach ging over zijn gezicht, en hij liet den
golvenden zwarten baard door de zware hand glijden. Wat was dat nu? Wat
verbeeldde zich zoo’n Europeesch vrouwtje, dat een man, een Mohammedaan
als hij, zou spreken over haar!

„Ik heb het nooit gedaan,” zei hij.

„Beloof me, dat het nooit zal gebeuren.”

Zij was zoo dicht bij hem komen staan, zij zag hem zoo vlak in het
gezicht, en hij had zulk een eigenaardige ervaring opgedaan met een
andere, ook zoo blond en blank, dat hij dacht aan een grapje; zijn
donker gezicht kleurde op, en hij boog zich voorover tot zij met een
rilling van schrik zijn baard voelde tegen haar wang.

„En dan mijn belooning?”

Nora was woedend; hij zag haar bleek worden als het steenen tafelblad,
zoodat hij ervan schrok; de uitdrukking van minachting trof hem zoo,
dat hij de hand op z’n borst lei en een stap terugging.

„Ik wist niet, dat je zoo’n gemeene kerel waart geworden.”

„Dat ben ik niet,” protesteerde hij met ongewone levendigheid. „Ik ben
geen gemeene kerel.”

„Dat ben je wel.... Mijn huis uit! Het uwe zal ik ook verlaten.”

Een oogenblik stond hij sprakeloos; verstomd zóó te worden weggejaagd,
als een hond, juist nu hij meende heel slim te zijn en iets bijzonder
goed te begrijpen.

„Als ik u beleedigd heb....”

„Dat weet je heel goed.”

„Ik vraag er vergeving voor.... Wij, Mohammedanen, moeten deugdzame
vrouwen eerbiedigen, en dat doen wij ook.... Ik meende...”

„Van mij?”

„Ik weet het niet. Met uw soort menschen houd ik geen omgang, al vele
jaren niet. Maar één heb ik ontmoet.”

„En die ééne?”

Hij maakte een afwerend gebaar met de hand, den linkerarm uitgestrekt.

„Ik mag geen kwaad spreken. Vergeef het mij. Voortaan zal ik hier niet
meer komen. En ik zal er nooit over spreken; ik zweer het u bij den
koran.”

Aboe Bakar groette haar eerbiedig; zij stak onwillekeurig de hand uit,
getroffen door zijn oprechte spijt; doch hij deed, als zag hij het
niet, boog in, op oostersche wijze, en ging heen, bedaard en rustig in
houding en gang.



DERTIENDE HOOFDSTUK.

ABOE BAKAR KIEST ZICH EEN TWEEDE VROUW.


Mevrouw Slaters was er heelemaal door gekalmeerd; zij had nu de
volkomen zekerheid, dat hij nooit reppen zou over hun vroegeren omgang,
en tegelijk zag ze in, dat ze zich eigenlijk noodeloos ongerust had
gemaakt.

Maar die ééne... ja, dat kon haast niemand wezen, dan dat aardige
levendige vrouwtje, dat ze nu nog wel eens ontmoette op ’n partij in de
societeit of in private gezelschap. Zij dacht eraan haar uit te hooren,
overtuigd, dat het jong en overmoedig schepseltje al heel gauw zou
laten doorschemeren, wat ervan was; maar het boezemde haar te veel
afkeer in; c’était fini nu, dacht ze, en onwillekeurig zuchtte ze diep,
het was nu zóó goed, dat niets bedorven mocht worden.

Aboe Bakar, zeer ontevreden over zichzelven, nam onder het naar huis
gaan ook een besluit. Eerst had hij zoo lang gedraald om een tweede
vrouw te nemen bij Minah, wijl hij bang was voor scènes; nu had in den
laatsten tijd die zondige en met het heilige boek geheel strijdige
relatie hem ook al van dat plan teruggehouden,—hij had nu, dacht hij,
een goed voorbeeld in het flink gedrag van Nora; hij zou die relatie
afbreken en een mooie jonge, inlandsche vrouw erbij nemen.

Als hij eens informeerde bij de inlandsche ambtenaren en hij gaf er
flink geld voor, dan zou er wel gauw een te vinden zijn; hij zou het
dan maar dadelijk doen, en hij nam er een rijtuig voor; geen gewoon
karretje of een dos-à-dos, maar een mylord.

Het was in ’t geheel niet moeilijk; de eerste de beste, die hem met
veel betoon van hartelijkheid en onderscheiding ontving, kende er wel
een, die een mooie dochter had en haar graag als vrouw aan den rijken
hadji wilde afstaan.

Maar eerst moest hij haar zien.

Zij was niet, als Minah in vroeger jaren, een kind van het binnenland,
donker, sterk, in volheid van lucht en licht opgewassen, met hard,
veerkrachtig vleesch,—zij was meer een kasplant, heel licht van huid,
bij blank af, zacht en poezelig; met iets kwijnends in de oogen en
sentimenteels in het gezichtje; maar zoo mooi van vormen en begeerlijk
van persoon in haar wiegelenden gang, lengang-lengang door het huis,
dat het Aboe Bakar voor de oogen schemerde.

Zeker, hij wilde haar hebben, heel graag!

Maar het zou niet behoorlijk zijn geweest, als hij iets van zijn
begeerte had doen blijken; langzaam ging hij heen, uitgeleid door den
vader, die hem voorstelde over deze „zaak” nog eens te komen praten.

En als altijd bij zijn persoonlijke aangelegenheden, praatte hij er ’s
avonds over met zijn compagnon op het bankje voor diens huis.

„Ik ben bang, dat ik te veel van haar zal houden,” zei Aboe Bakar.

„Men kan nooit te veel van een vrouw houden,” meende Pa Djalil.

„Niet? waarom niet?”

„Het wordt vanzelf wel minder; ten slotte gaat het heelemaal over.”

Maar Aboe Bakar schudde het hoofd; neen, dat was het niet; hij wist
heel goed, dat het niet altijd was als in het begin; neen, dat bedoelde
hij niet.

„Wij mogen meer dan één vrouw hebben.”

Pa Djalil, die den nadruk op mogen niet snapte, glimlachte om het
onnoozele gezegde; alsof een kind niet wist, dat een orang selam dat
mag! Wat leuterde Aboe Bakar hem, ouden man, nu aan de ooren?

„Maar wij mogen de een niet meer liefhebben dan de andere.”

„Waarom niet?”

„De koran verbiedt het.”

„Och kom,” zei Pa Djalil ’n beetje knorrig, nu zijn compagnon weer kwam
aandragen met den koran. „Het is niet mogelijk.”

„Betoel, het staat er,” verzekerde Aboe Bakar met den grootsten ernst;
„wie zijn eene vrouw liefheeft boven de andere, zal op den dag der
opstanding met ongelijke billen verschijnen.”

Pa Djalil keek hem aan met wijdopen oogen; een oogenblik verstomd; toen
riep hij met een hooge stem:

„Bilang apa?”

En toen Aboe Bakar het had herhaald, sloeg hij met een harde klets de
vlakke handen op de knieën, en schoot in een luiden lach, zooals ’t hem
in jaren niet was overkomen, met daar tusschen een herhaald, terlaloe,
terlaloe, pantatnja tida rasa; en dan lachte hij weer voort, tot hij
met de punt van zijn baadje zich de tranen van ’t gezicht veegde.

Aboe Bakar lachte niet mee; hij ergerde zich, en ook was, vond hij,
luid lachen ongepast, als men ernstig sprak over het heilige boek.

„Het is Soerah IV....” begon hij weer met overtuiging.

Maar de oude liet hem niet uitspreken.

„Schei uit,” riep hij, „ik wil er nu niets meer van hooren; ik zeg u,
laat dat alles loopen en doe wat ieder onzer doet en door iedereen
wordt goedgevonden. Er zijn geleerde menschen, die alles in den koran
napluizen, dat weet ik al veel jaren; de één zegt het is zus en de
ander het is zóó, maar het verandert niets aan wat wij allen, goede
Mohammedanen, doen, en wat onze vaders en grootvaders hebben gedaan.
Laat de geleerden twisten, zeg ik u; wij handelen in koeien en
schapen.”

„Ik ga naar huis,” zei Aboe Bakar, „het mag wezen, dat je volgens de
menschen gelijk hebt, maar het staat duidelijk in het boek; ik kan het
laten zien.”

„Ik wil het niet zien.”

Zoo scheidden zij zonder boosheid; Aboe Bakar een weinig gekrenkt,
omdat het beetje koran-wijsheid, dat hij van den penghoeloe had, die
hem leerde vóór zijn tocht naar Mekka, dus werd miskend door een niet
onderwezen man; Pa Djalil ernstig ongerust over den geestestoestand van
zijn compagnon; daar pikirde hij nog lang over; hij had het in zijn
leven meer bijgewoond, dat een mensch gek werd door te veel te denken
over den godsdienst, en hij vreesde, dat Aboe Bakar al een aardig eind
op weg was. Dat kwam, dacht Pa Djalil, van dat veranderen van
godsdienst. Als men in een religie was geboren, gelijk hij zelf, nam
men al die dingen zoo zwaar niet op; men deed gelijk zijn vrienden en
familieleden en bemoeide zich niet met de rest. Maar zij, die
overgingen van het een op het ander, maakten zich noodeloos druk over
dingen, waaraan een ander nooit dacht, en zij wilden van alles het
fijne weten. Nu, wanneer die Aboe Bakar eens gek werd, als hij op reis
was om vee te koopen met een groote som geld, wat dan?

Dan was het geld weg!

Pa Djalil zuchtte diep bij de enkele gedachte aan zoo iets, en daar het
koel werd in de avondlucht, trok hij z’n baadje dichter om zich heen en
nam wat obat.



VEERTIENDE HOOFDSTUK.

GELDELIJKE VERWIKKELINGEN.


Het was een lange conferentie, die Aboe Bakar had met de mannelijke
familieleden van zijn aanstaande tweede vrouw.

Over het godsdienstig bezwaar had hij zich heengewerkt; er stond toch
ook in den koran, dat men alleen dan geen tweede vrouw moest nemen, als
men vreesde onrechtvaardig te zullen zijn; nu, dat zou hij niet wezen
tegenover Minah; zij was wel een erg onsmakelijk mensch geworden, en
dat werd erger met den dag, nu ze wist wat er gebeuren zou en zich er
aan doodergerde,—maar hij zou ’t haar nooit aan iets laten ontbreken en
haar nooit anders slaan, dan wanneer ze het overeenkomstig den koran
verdiende.

En verder zou hij een grooter huis betrekken met betere, mooier
gekleurde kelamboes voor deurgordijnen en nieuwe van kant voor de
bedden; en hij zou ’n paar zindelijke dienstboden zoeken om voor alles
te zorgen; en nieuwe fijne matten voor den vloer; andere tafels met
marmer; mooie gebeeldhouwde stoelen; nieuwe kussens en bultzakken; ook
zou hij veel reukwerk koopen om te branden, en voor het haar.

Dat alles nam hij zich voor te doen,—maar onrechtvaardig wezen
tegenover de moeder van zijn zoon,—neen, dat niet.

Op die lange conferentie werd niet veel gesproken. In het midden der
pendoppo zaten ze bijeen, ieder op een mat, de beenen gekruist onder
het lijf, het rookgerei in waterglazen om hen heen; en nu en dan werd
er iets gezegd over de huwelijksgift, die Aboe Bakar zou schenken aan
zijn tweede vrouw in den zak haars vaders.

Het bedrag werd, meende de patiënt, akelig hoog opgevoerd; de honderd
dinars uit den koran, haalden er, dacht hij, volstrekt niet bij; maar
telkens als hij lang aarzelde, zag hij toevallig rechtuit in een
vertrek, waartegenover hij zat, de jonge mooie aanstaande, hetzij komen
of gaan; en dat maakte hem dan weer williger.

Toch was het niet zoozeer de hooge huwelijksgift, waarover zij het dien
avond eens werden, die diep in Aboe Bakar’s geldkist greep; het was ’t
nieuwe voornamere leven, dat hij tegemoet ging.

Minah was, meende hij, nu in het geheel niet meer te vertrouwen, en
daar hij, ondanks de dreigende ongelijkheid, heel veel gevoelde voor
Dailah, zijn tweede vrouw, hield hij ze zooveel mogelijk van elkaar af;
en hij kreeg er ook tal van inlandsche familieleden bij, deftig
ambtelijk, maar altijd arm. Wat niet wegnam, dat hij nog in aanzien
steeg door bezoeken van aangetrouwde ooms en neven, die achter zich
oppassers hadden, pajongs dragend met een vergulden rand.

Hij was in die rol al heel gauw thuis, hen met buigingen en
beleefdheden ontvangend, maar direct klagend over den slechten tijd en
de weinige winsten, die hij maakte; want hij wist wel, dat ze altijd
geld kwamen leenen, en wanneer zag men dat terug!

De waarheid was, dat hij, ondanks zijn tweede huwelijk, dubbele
huishouding en arme aanverwanten, met den veehandel gelukkiger was dan
ooit.

Njai Peraq kwam nooit in zijn huis; de zuster was getrouwd en de in het
geheel niet adellijk uitziende Boudrin de Chatonville wilde, nu hij een
betrekking had, van geen ondersteuning door den islamitischen zwager
meer weten.

Bram was een Pechvogel; hij verdiende geld genoeg met een
karrenverhuurderij en met allerlei knoeierij voor inlanders, maar hij
was „een minnaar van het spel, voornamelijk van de kaart,” en dat
bracht hem vaak in ongelegenheid.

Hij werd, net als wijlen John Silver, zenuwachtiger met den leeftijd;
Aboe Bakar stiller, teruggetrokkener, devoter. Door zijn schoonvader
was hij in aanraking gekomen met een priester uit het binnenland, en
die bezocht hem vaak.

Dan hielden zij lange gesprekken over den koran, en Aboe Bakar schokte
dat meer en meer in zijn oude stellingen; langzamerhand begon hij in te
zien, dat er geen andere uitverkorenen konden zijn, dan de ware
geloovigen; dat alle anderen kafirs waren.

Zacht sprekend, den tasbih door de hand latende glijden, zaten ze weer
bijeen, in de ruime houten voorgalerij van Aboe Bakar’s nieuwe huis, op
een lage bank in een hoek bij ’n klein tafeltje; het lamplicht brandde
rossig flauw; de scherpe lijnen op het gezicht van den penghoeloe in
een lijst van aan de wangen kort geknipt wit haar, puntig uitloopend
aan de kin, krompen of zetten uit in het dringend betoogen; de slimme
kleine oogjes blonken lichtend onder de ruige grijze wenkbrauw; de
groote gladgeschoren bovenlip met den haviksneus erover en de mond,
ingevallen eronder als een groef met verticale rimpels daarop, door de
leegte van tandeloosheid eronder, gaven iets diabolieks aan het masker,
tegenover het goedig donker gezicht in een profusie van grof blauwzwart
haar tegenover hem.

Een driftige hand lichtte de neergelaten keré op.

„O, heb je gezelschap,” zei Bram, zich vlug tusschen de opening naar
binnen werkend. „Het is anders maar een oogenblik.”

Aboe Bakar liet niet blijken, dat hem dit bezoek onaangenaam verraste.

Hij stond op, en stelde met groote deftigheid de „heeren” aan elkaar
voor; met een vertoon van vriendelijkheid gaven Bram en de priester
elkaar de hand; zij zagen elkaar even maar in de magere tronies en
kregen geen van beiden een pleizierigen indruk.

Bram kwam spreken over paarden; hij had een prachtig span bijeen
gekregen, heel toevallig en erg goedkoop.

„Je kunt het krijgen voor wat ze mij kosten,” zei hij tegen Aboe Bakar,
„het is te geef.”

En hij beschreef de paarden en hun teekens. Maar Aboe Bakar had er geen
zin in.

„Mag ik ze eens komen zien?” vroeg de penghoeloe, een groot liefhebber.

„Zeker; maar u kunt ze voor dien prijs niet krijgen; met hem is dat wat
anders; aan hem zou ik niet willen verdienen.”

„Laat ze den penghoeloe zien,” zei Aboe Bakar zacht, „en geef ze hem
voor wat hij wil betalen.”

Daar had Bram verduiveld weinig lust in, maar weigeren kon hij niet;
hij knikte dus toestemmend, grimmig schuinoogend naar den vreemden
bezoeker.

„Ik wou je nog wel even apart spreken,” zei hij.

En toen Aboe Bakar, na een excuus aan den penghoeloe, met hem buiten
was, zei hij:

„Ik moet je voor dien kerel waarschuwen, Adam. Hij is een echte patser,
en bij het bestuur vertrouwen ze hem ook niet.”

„Hij is een braaf godvreezend imam, en als men kwaad van hem spreekt,
geloof ik, dat men lastert.”

„Wees nu niet gek,” hernam Bram kwaadaardig; „ik zeg je, dat hij een
gemeene vent is. Je hebt trouwens zijn tronie maar aan te zien.”

„Ik zeg je,” en ditmaal was Aboe Bakar werkelijk zeer boos, „dat hij
een goed mensch is.”

„Nu,” hernam Bram, ook erg uit zijn humeur, „ik herhaal, wat ik je
jaren geleden al heb gezegd: vroeg of laat zal je hun dupe worden.
Bonsoir!”

Toen hij nijdig wegliep, verdwijnend in het avondduister, waarin het
erf wegzonk, keerde Aboe Bakar zich zuchtend om en stapte het
galerijtje op.

„Is hij uw oudere broeder?” vroeg de penghoeloe.

Toen Aboe Bakar toestemmend antwoordde, streek de oude zich met een
bedenkelijk gezicht over het voorhoofd en zei toen met een sinister
lachje: „Men mag geen kwaad spreken, maar in den koran staat, dat er
vroolijke en bedroefde aangezichten zullen zijn den dag der
opstanding.”

Ofschoon Aboe Bakar wel begreep wat de priester wilde zeggen, gaf hij
er geen weerwerk op. Hoe konden toch, dacht hij, goede menschen op het
eerste gezicht zóó tegen elkaar zijn ingenomen! Want Bram was goed en
hij hield van hem; en de penghoeloe was een hoog en heilig man; aan den
een dankte hij zijn geld, aan den ander de toenemende onderscheiding,
waarmee hem de menschen tegenwoordig behandelden; hij kon het zien op
straat, als ze hem groetten, in ’t voorbijgaan, en diep inbogen om zijn
hand te kussen; ook werd hij genaakbaarder voor de Arabieren, sedert
hij zooveel omging met den penghoeloe...



VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

MEN KAN GEEN PRIESTER EN KOOPMAN ZIJN.


Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder
vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over
zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei
aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van
zijn compagnon ’s avonds obat te nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf,
allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem
slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn
hart uit voor den penghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had
uitgepraat. Eindelijk zei hij:

„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem
wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen den koran. Gij hebt hem
vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te
oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”

„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”

„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te
laten.”

Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn
stilzwijgen afleidde, ging hij voort:

„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is
geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een
uitverkorene...”

En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:

„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat
de plant doet groeien.”

„Als ik wist hoe ik doen moest.... Het is zoo moeilijk.... Hij houdt
onze boeken.... Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”

„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de
binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw
werk kunnen doen.”

Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van
te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met
een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon
aankomen.

„Er zijn,” ging de penghoeloe voort, „bij ons in de buurt kleine
landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen;
het hout is goed en goedkoop, de bamboe en de atap ook, de menschen
kunnen beter huizen maken dan hier.”

„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”

„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien
Djalil. Hij zal wel willen.”

Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het
reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de
binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en
zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met
den penghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in den
koran.

„Nog iets moet ik u zeggen,” zei de penghoeloe bij het scheiden. „Wees
voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”

Aboe Bakar schrikte.

„Voor Dailah?”

„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten
bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”

Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn
tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor
weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder
dan een slavin. Zij had haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde
haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.

In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te
begrijpen en te doorzien.

Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó
te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt
nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn
plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en
niettemin te blijven in de zaken.

Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel,
zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.

„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik
geloof niet dat het gaan zal.”

„Waarom niet?”

„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook
zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga
uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is het wat anders;
voor mij is het niet beter een compagnon te hebben op die manier.”

„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”

„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot
vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het
oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”

Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op
zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen
van zijn compagnon, zei goedig:

„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt
tegenwoordig altijd over den koran en ik weet er maar weinig van, doch
er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen...”

„Soerah XXXIX...” begon Aboe Bakar onwillekeurig.

„Het kan me niet schelen; ik weet van geen soerah,” viel Pa Djalil hem
in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en
koopman kan zijn tegelijk; men doet dan toean Allah te kort of zijn
deelgenoot.... Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed
Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”

Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo
vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid
gehoord, en erkende die; alleen: de penghoeloe had het mogelijk
gevonden, en die kon het in zulke dingen toch niet mis hebben.

„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik
gezegd heb en niet anders.”



ZESTIENDE HOOFDSTUK.

EEN LISTIG MENSCH.


In de oogen van den penghoeloe lichtte het kwaadaardig op, toen Aboe
Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat
volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den
fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de
hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die
Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig
zijn.

En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van
een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen in
missigits, zelfs in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van
wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog”
gezworen tegen de kafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk
wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou
hier verloren gaan.

„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen
toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”

„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest
in onze zaken.”

„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den
eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”

„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel
mijn huizen.”

„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u?
God zal hem beloonen, die het land verlaat om zijn zaak te omhelzen.”

Aboe Bakar mocht den penghoeloe naar het station brengen. Tusschen de
bedrijvigheid der beambten, zaten de inlanders, die op reis moesten, op
hun barang of stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron;
droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met
onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig
heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte
en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche
omgeving.

De penghoeloe en Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al
de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo
mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere
wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en
daar met elkaar pratend in nonchalante houding.

Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem
zoo’n genoegen, die soort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen
vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de
schoolbanken; dáár had je maar voor naar Mekka te gaan, wat uit den
koran te leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die
rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en
manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag
hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.

„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel
dankbaar zijn,” zeide deze.

Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe
Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem
onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en
onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en
hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed
waren.

Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer
mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had
wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een
menigte dochters, en die hadden weer veel zoons en dochters, en zij
leefden allen van hem!

Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem
hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het
minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost
doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen
spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis
van pur sang Hollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen,
hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan
het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n
broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe
Bakar, den rijken hadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.

Dus vorderde hij niet.

Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat
hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken
bedankten er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk
een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen
verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en
van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er
bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de
hoogte, dat ze boesoek waren. Wat was dat lastig!



ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

WACHT U VOOR ZULKE VRIENDEN.


Met groote stappen liep Aboe Bakar een zonnig pad op, parallel met den
grooten weg naar de bovenstad; in de verte zag hij de woning van Bram;
het nieuwe lichtroode pannendak op het houten huis, hel in de zon
afstekend tegen het dichte donkere groen van groote mangaboomen op het
erfje. Toen hij het hekje binnenstapte, zaten ze daar allen op
wipstoelen; Bram in slaapbroek en kabaai in een luierstoel. Een kapotte
dos-à-dos scheef overhellend stond terzij van het voorerf; het was de
eenige stoffeering.

Njai Peraq zag hem niet; een oogziekte had haar ’t gezicht benomen; zij
zat nu maar stil op de mat in het galerijtje over dag, een enkel maal
naar achter scharrelend, als ze wat eten wou of zoo.

„Bonjour!” riep Bram al uit de verte. „Hoe gaat het? Huizen verkocht,
hè? Bom duiten verdiend, ja? Je bent toch ’n gelukkige pisang! Ik wou,
dat ik ook maar Mohammedaan was geworden!”

„Het is nog niet te laat!”

„Juist wel!”

„Nooit, dan op het sterfbed,” zei Aboe Bakar met overtuiging.

„Dat denk-je maar,” spotte Bram. „Neen, amice, daar komt nu niets meer
van; toen was toen en nu is nu.”

„Weet-je, dat ik een landje heb gekocht?”

„Dat heb ik gehoord.”

„Ik ga er rustig wonen; uit de zaken heb ik me ook teruggetrokken.”

Bram knikte; Pa Djalil had hem er alles van verteld.

„Het geld voor moeder en voor jou heb ik in de bank gebracht.”

„Waarom niet hier?” vroeg Bram, eenigszins geraakt door het onverholen
wantrouwen.

„Omdat het beter is; het is voor een jaar; elke maand kan-je het
ontvangen voor moeder en voor jou. Hoe gaat het in den laatsten tijd?”

„Och, là là! Smerig volk, die dos-à-dos-voerders. Kerels zetten me
geregeld af. Brengen nooit thuis wat ze schuldig zijn. Altijd dit of
dat.”

„Hoeveel dos-à-dos heb-je nu?”

„Drie, en twee karretjes; tien paarden in ’t geheel, als er een ziek is
of een kerel niet binnen, staat één voertuig stil.”

„Ja... Dat heb je me onlangs ook geschreven... Er is dezer dagen
paardenvendutie... Koop er ’n paar bij.”

„Kan niet, heb geen crediet,” riep Bram lachend; hij had zich die
manier van spreken tegenwoordig aangewend. „Als ik bied, zij roepen:
„kontan!”

„Koop maar op mijn naam; ik zal een qualificatie geven.”

„En de duiten?”

Aboe Bakar lachte goedig.

„Maak je niet bezorgd; wij zijn nog lang niet quite.”

Daar zweeg Bram op; hij vond het altijd een pijnlijk onderwerp; het
stond nu eenmaal bij hem vast, dat het met de verdeeling der erfenis
niet anders dan plichtmatig was toegegaan onder hen als broers en
zusters, dat Aboe Bakar hem nu hielp, vond hij heel natuurlijk, hij zou
het immers ook gedaan hebben, als de toestand andersom was geweest.
Maar wat hem hinderde was, dat Aboe Bakar volhardde in het idée bij die
verdeeling een aalmoes te hebben gekregen, welke hij nu moest
teruggeven; dat hij hem, Bram, meer beschouwde als een crediteur, dan
als een broer.

„Ik hoop, dat het je hier bevalt,” ging Aboe Bakar voort.

„Hier in deze tampat? Wis en waarachtig bevalt het me. Goeie boel hier.
Lekker wonen, frisch en droog.”

„Dat doet me pleizier. Ik bedacht te laat, dat ik had vergeten daar
eerst naar te informeeren. Het was dom van me.”

„Wat informeeren?” vroeg Bram verwonderd. „Waarom?”

„Ik heb ’t huisje en erf voor je gekocht.”

„Voor mij gekocht?” vroegen Bram en diens inlandsche vrouw in één adem,
maar in diverse talen.

Aboe Bakar knikte en stond op.

„De akte van overdracht en de andere stukken krijg je morgen. Ik moet
nu weg, want ik heb meer te doen. Voor ik heenga, kom ik nog goeien dag
zeggen. Ik hoop, dat je veel geluk hier hebben mag. Slamat tinggal.”

Bram greep de zware hand in zijn magere knokken en kneep haar met
kracht; ontroerd, de tranen in de oogen, bleek en zenuwachtig.

„Adam,” zei hij dringend, „geloof me, blijf hier; ga niet naar boven,
ga niet naar dat vervloekte land; ik heb een voorgevoel.”

Maar Aboe Bakar schudde het donker baardig hoofd, gekroond met den
grooten witten tulband.

„Gij wilt het goede beletten Bram, door kwaad te denken en te spreken
van hen, die ge niet eens kent. Als Mohammedaan zoudt ge het niet
doen.”

„Niet ken!” riep Bram opgewonden uit. „Of ik hem ken, dien...”

Met de hand hield Aboe Bakar als het ware het scheldwoord terug, dat
hij verwachtte aan het adres van den penghoeloe; hij vergiste zich in
zoover, dat het geen banaal scheldwoord zou geweest zijn, doch iets
heel anders.

Bram zelf schrikte ervan; bijna had hij iets verklapt, dat hij geheim
moest houden. De waarheid was, dat hij niet alleen een
dos-à-dos-verhuurderij hield, maar soms ook als spion in dienst was der
politie; en nu was deze er juist achtergekomen, dat er iets heel
leelijks broeide in de streek, waar de penghoeloe woonde, en dat die
daarbij was betrokken, ja eigenlijk zoo wat aan het hoofd moest staan.
Hoever het zich uitstrekte wist het Bestuur nog niet, maar aan Bram was
ook iets ter onderzoek opgedragen, en daardoor was hij achter meer
gekomen.

„Enfin,” zei hij met een zucht, „ik hoop er voor jou het beste van; ik
dank-je voor je goedheid, en ik wensch je veel geluk.”

Eerbiedig groetend boog Aboe Bakar voor zijn blinde moeder, en lang zat
hij dichtbij haar neergehurkt op de mat, zacht met haar sprekend, haar
oude hand in de zijne, terwijl de inlandsche wederhelft van Bram door
allerlei joolgezichten tegen hem te trekken, stil haar vreugde
vertolkte over het nu in eigendom hebben van hun huisje.

Toen hij naar huis terugliep, denzelfden weg dien hij vroeger was
gegaan, had hij een groot verlangen; hij wou, dat hij al buiten zat,
uit de soesah van het opbreken en verhuizen; hij moest erkennen, dat
Minah, zoo slordig en vuil ze geworden was, goede diensten deed;
Dailah.... kasian, dacht hij. Neen, zij werkte niet; daar was geen
quaestie van; hij had het ook niet willen hebben; de penghoeloe had hem
wel gewaarschuwd niet toe te geven aan zijn groote liefde voor zijn
tweede vrouw; en hij had ook wel getracht matiger te zijn—maar dan kon
zij hem met haar groote zwarte oogen zoo vreemd aankijken; eens zelfs
had ze gepruild, als een kind; en gezegd, dat hij niet meer van haar
hield, dat hij maar naar Minah moest gaan of een andere vrouw nemen;
toen was hij bij haar gaan zitten, den arm om haar zacht, lenig
lichaam; zijn oogen had hij laten gaan langs de zachtgolvende lijn van
haar mooien haast blanken hals naar de fijne schoudertjes en de
opglooiende buste; zijn krachtig lichaam, trillend van begeerte, was
tegenover zijn zwak willen direct de baas geworden en.... gebleven.

Neen, Dailah moest niet arbeiden; zich niet vermoeien. Hij zocht geen
andere aardsche genietingen; hij kon, zoo dacht hij, leven in matigheid
en zonder buitensporigheden, zich wijdend, zooals hij tot nu toe deed,
aan zijn zaken en den godsdienst, of wel, zooals hij nu voornemens was,
aan den godsdienst alleen; maar die eenige, hem dan toch wettig
geoorloofde levensvreugd kon hij niet ontberen; dàt zou hem te machtig
zijn.

Thuis vond hij tot zijn verwondering Djalil bezig den boel te
beredderen, alsof het voor hemzelf was; hij had een soort inventaris
gemaakt van de meubelen.

„Laten we het maar taxeeren,” zei hij, „dan neem ik het van je over.”

„Wat wil je ermee doen?”

„Och, er zijn er bij mij zooveel, die van alles noodig hebben, en er
komen er altijd bij. Nu gaat weer een kleinzoon van me trouwen.”

„Heel graag; taxeer ’t maar zelf; zooals je doet is het goed.”

„Ik heb leege kisten laten brengen en ben aan het pakken gegaan; jullie
schoot niet op.”

De oude mandoer was bij den veekooper weer bovengekomen; hij kon het
niet aanzien, dat er zoo op de inlandsche manier met den boel werd
omgesprongen; dáárvoor had hij te lang in een Europeesche toko gewerkt.

Aboe Bakar stond er werkeloos bij, met verbazing toeziende, hoe netjes
Djalil alles boenkoesde; met hoeveel tact hij de kisten pakte, zoodat
er niets kon schudden of breken. En verlegen met zijn eigen
hulpeloosheid, liep Aboe Bakar telkens eens links en rechts, als een
August de Domme aandragend, wat voor ’t moment niet noodig was, uit de
enkele zucht om er niet zoo heelemaal voor niets bij te staan.

Het was een nare tijd; hij dankte God, toen er een eind aan was, en hij
uit de voorgalerij zijner nieuwe landelijke woning, die voor zijn
rekening de penghoeloe heel aardig had ingericht, op de balustrade
leunend genoot van het frissche berggezicht vol schilderachtige
afwisseling.



ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

TOENADERING TUSSCHEN DE VROUWEN.


Zacht ruischte de rivier aan in een klein grijs gewriemel van golfjes,
brekend op, glijdend over de uit haar ondiepe bedding opstekende
rolsteenen; de oever omzoomd met het groote donkergroene blad der lage
pisangs, het bruinig grauw der atappen daken er doorheen kijkend, de
slanke gladde stammen der klapperboomen erboven uit, zwaaiend in den
wind het hard geglinster hunner bladkronen; en daarachter tegen het
sterk ophellend terrein, een dicht bosch van allerlei boomen, aanplant
en wild hout, in veelvuldige nuances van eenzelfde kleur,—een
reusachtige symfonie van groen; hier en daar, als ertusschen geslagen,
stukjes bibit-sawah, heel teer, bij geel af; en op den achtergrond de
zware donkere massa van het gebergte, te veraf al voor het merken van
schakeeringen; te dichtbij voor het blauwschijnen; een sombere muur van
grillig dessin met opkomende en verdwijnende strepen invallend licht;
de breede kroonlijst van toppen in massale slingerlijnen, als gesneden
uit de blauwe lucht.

Aboe Bakar zag het zoo niet; hij onderging alleen de stemming van het
geheel en dat, vond hij, deed hem goed, maakte hem zoo rustig en kalm,
als hij bij voorkeur was; dreef elke gedachte aan zaken en gewone
dingen weg uit zijn hoofd; het weinigje leven en bedrijf der inlanders
in de rivier hinderde hem haast; dat was weer het alledaagsche
mierenwerk; de mannen, drie, vier achtereen, langzaam en voorzichtig,
voetje voor voetje goederen pikollend van den eenen oever naar den
anderen, de vrouwen kleeren wasschend, het natte goed slaande op de
rolsteenen; mannen, vrouwen en kinderen zich badend en hun behoefte
doende alles in denzelfden stroom levend water; hier en daar een
kleurige kain, als de eenige brekende punten in de groote omgeving van
zachte tinten.

Een hooge gil, hevig uit boven alles, de lucht vullend met schel
geluid, in echo’s teruggeworpen door het gebergte, deed Aboe Bakar
opschrikken uit zijn droomerig soesen; in de richting, die hij uitkeek,
pluimde een driftig wolkje op boven het gebladerte, snel vervliegend;
een witte wegwaaiende veer; door de openingen in het groen flikkerde,
voortschietend, het blinkend koper der machine, de glimmende
verfstrepen der wagens; grommend en brommend als een vertoornd dier,
joeg in groote bochten de trein over de kronkelende berglijn.

Om den hoek zijner nieuwe woning over het smalle omloopende pad kwam
hem de penghoeloe verwelkomen; hij stond ook even stil, omkijkend naar
den trein.

„Het is toch mooi,” zei Aboe Bakar, hier ineens getroffen door iets,
wat hij altijd had gehouden voor de meest eenvoudige en alledaagsche
zaak ter wereld.

De penghoeloe knikte.

„Ja, het is heel mooi,” gaf hij toe; „maar toen het er niet was, en dàt
ook niet,” wijzend op de telegraafdraden, „vond ik het er niet minder
om.”

Aboe Bakar begreep het niet. Waarom was het evengoed zonder spoorweg en
telegraaf als met? Maar hij vroeg er niet naar, en de penghoeloe zei
niets; daar had hij zijn goede redenen voor; hij toch schreef het toe
aan dien spoorweg en die telegraaf, dat de onderdanigheid bij den
inlander eruit ging, en dat niets meer geheim bleef; hij had in
doodsangst gezeten, toen hij gehoord had, dat het door hem op touw
gezette complot zoo wat ontdekt was; hij had bespeurd, dat men er hem
op aankeek op „het kantoor,”—dat alles deden die spoorweg en die
telegraaf. Mocht Allah hen vernietigen!

Hij gaf zijn plan niet op; een jaartje uitstel was geen afstel. Daarbij
moest hij geld hebben, en dat had hij niet. Dat was ook al de schuld
van die nieuwigheden; opkoopers van nog te veld staand gewas
scharrelden overal rond, en nauwelijks was de padi van het veld, of
rrrt! weg was het grootste deel; vroeger was er voor een man als hij
nog altijd wat te halen bij de bevolking,—tegenwoordig zat er geen wol
meer aan; men kon even goed probeeren een klapperdop te scheren!

Zoo dacht hij, langzaam voortschrijdend, over die zegeningen der
beschaving, en nog, toen Aboe Bakar hem begroette, en ook terwijl deze
hem vertelde van zijn laatste dagen te Batavia, zijn vertrek en de
reis, luisterde hij maar met ’n half oor.

Toen schudde de penghoeloe het hoofd met ’n paar rukjes, als om zich
van zijn eigen gedachten te bevrijden, en levendig begon hij mee te
praten over zaken; stukje voor beetje haalde hij eruit, wat hij hebben
wilde, en toen hij van zijn stoel opstond, wist hij ten naasten bij,
hoe zwaar Aboe Bakar woog.

„De zon staat reeds hoog,” zei hij, opziende naar de lucht, deels
bedekt met kleine witte wolkjes, die zich om den bergkam vereenigden
tot een vervaarlijk groote dampkroon.

„Wij moeten denken aan het gebed; het wordt tijd voor den tlohor.”

„Waar?” vroeg Aboe Bakar.

De penghoeloe strekte den langen, mageren arm uit:

„Ginder achter die klappers in mijn kleine missigit. Ga mee.”

Niets deed Aboe Bakar liever; hij zou heel druk naar het bedehuis gaan,
stelde hij zich voor, dan zou hij spoedig een geloovige zijn, zooals
hij wenschte er een te worden; hij was reeds aan zijn voorhoofd
geteekend, door de aanraking in ’t gebed met den grond. En deze zijn
lust was koren op des penghoeloe’s molen; hij nam hem mee naar zijn
huis, of hij bezocht hem, en dan baden zij samen en zaten tot laat in
den nacht zacht en met overtuiging te spreken over den koran, de
soerah’s, de ajats en de djoet; en de heilige nachten brachten zij met
modins en anderen heelemaal biddende door.

Het hypnotiseerde Aboe Bakar meer en meer; hij veranderde van
gewoonten; at en dronk weinig; werd magerder, sprak minder, was meer in
zichzelven gekeerd, bemoeide zich minder met zijn huisgezin. En wat het
sterkste was: er kwam verkoeling in zijn liefde voor Dailah; zij, den
ganschen dag luierend binnenshuis in haar eigen vertrekken; zag met
verbazing, hoe zich bij Aboe Bakar een metamorphose ontwikkelde, niet
bevorderlijk voor haar huwelijksgeluk; zijn huid werd geler en tanig,
en hij had zijn baard kort geknipt met een langen sik, wat hem
foeileelijk stond.

Er kwam ’n beetje toenadering tusschen haar en Minah; die had Dailah
ook zeer verbaasd; die was integendeel heelemaal opgeknapt in het
binnenland, en scheen nu niet meer zulk een hekel te hebben aan haar
opvolgster.

„Waarom ga je ook de deur niet eens uit?” vroeg Minah op een ochtend.

„Ik ben het niet gewoon.”

„Het is lekker buiten.”

„Koud, ja?”

„Gekheid; het is heel lekker. En dan, het is gezellig; je ziet nog wat,
en je ontmoet menschen.”

„Spreek je met anderen?” vroeg Dailah nieuwsgierig. Zij had sedert ze
Aboe Bakar’s vrouw was, nog met geen enkelen vreemden man gesproken.

Minah lachte hoonend.

„Natuurlijk; waarom niet? Ik kan dat best doen; ik ben oud en leelijk.”

Oplettend keek Dailah haar aan.

„Je bent niet oud en je bent niet leelijk.”

„Ouah!” riep Minah hoog uit, met een blijkbaar pleizier.

„Betoel niet; de lucht hier is zeker goed voor je; ik vind je met elken
dag jonger en knapper.”

De dochter van den mantri op een kustplaats buiten, richtte zich op;
zij was flink gebouwd en sterk; de zorg, die ze in den laatsten tijd
aan haar toilet besteedde en haar reinheid nu, ineens, zoo afstekend
tegenover haar vuilheid der laatste jaren, hadden haar opgeknapt; het
dikke zwarte haar zat onberispelijk; zij was goed gewasschen met zeep;
zij droeg propere en net gemaakte baadjes en mooie kains; zij zag neer
op de andere, die achterover lag op de slaapmat, ongebaad nog en
ongekamd, met verveling en vermoeidheid in de trekken en gemis aan
kracht in de weeke blankheid van haar slap vleesch.

En, als vrouwen, voelden ze heel goed, dat er iets was, waardoor de een
er nu weer bovenop kwam, terwijl de andere bezig was onder te gaan.

„Ik zie hem tegenwoordig maar zelden,” zei Dailah landerig.

„Sta op, ga baden, kleed-je aan, en ga met me mee naar de passar,”
drong Minah aan.

Maar Dailah wou niet.

„Ik ben te lui,” zei ze.



NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

MINAH OP EEN VERBODEN WEG.


Minah drong niet verder aan dien dag; zij ging alleen naar den passar,
die vrij druk was; zij bekeek van alles, bevoelde alle kains en batiks,
nam alle galanterie-waren in de hand, rook aan alle vruchten om zich te
overtuigen, dat ze gerijpt waren aan den boom; snoepte gesuikerde
tamarinde; dronk een glas stroop met selassie; zond haar dienstbode
naar huis met wat zij gekocht had en liep zelf den anderen kant uit.

Door een deurtje in een hooge pagger kwam ze op een achtererf vol van
allerlei bamboezen opstandjes met atap gedekt; de weinige
tusschenruimte door pisangboomen nog grootendeels versperd; hanen en
kippen kakelden er in koor; een jonge geit rukkend aan het touw,
waarmee ze was vastgebonden, blaatte aanhoudend in klagelijk schel
timbre; een dik erg bruin kind, met niets aan dan bloedkoralen
armbandjes, zat, verlaten, op een baleh-baleh allerjammerlijkst te
schreeuwen, tot de adem stokte, het een oogenblik stil was, en daarna
opnieuw begon; een lauwe geur van plantaardigen afval steeg op uit de
in den grond gegraven geulen tot waterafvoer: ’t was het achtererf van
den penghoeloe.

Minah liep over de smalle wegjes naar het hoofdgebouw; aan dien kant
waren de vrouwenvertrekken; het houten huis, oud, bruinrood geverfd,
aangedonkerd door den tijd, met zwarte lijsten om deur en vensters,
grijs van stof en spinneweb, had iets sombers, door de onzindelijkheid
verhoogd. De meubels waren ook zoo. Voor de deuropening, dicht, een
donkerrood, helgeel gebloemd gordijn, frisch en nieuw uitziend, scherp
afstekend bij het geheel; tafel, stoelen, banken en kasten oud, donker
van vroeger japansch lakwerk, vol vegen en plekken van afgebrokkeld
belegsel, de eens vergulde randjes in flauwe grijsgele streepjes nog
maar zichtbaar hier en daar; verder eraf; de overtrekken der divans met
vlekken en scheuren, verschoten en vies.

Maar er werd gelachen; er was vroolijkheid; de vrouwen deden wat zij
wilden; ze waren opgewekt; ze hielden van een pretje; en de penghoeloe
had er zelfs niets tegen, dat mindere priesters en jonge santri’s een
praatje kwamen maken in de vrouwenvertrekken, mits zij van de familie
waren, en dat waren ze allicht, als het goed werd uitgerekend.

Minah had er haar eerste bezoek gebracht, en de vrouwen waren ook eens
bij haar geweest. Sedert kwam zij er geregeld, bracht gewoonlijk wat
lekkers te snoepen mee, en was eerst wel verwonderd over de mate van
vrijheid en zelfs van zekere ongegeneerdheid in de woning van den
buitenshuis zoo ongenaakbaren, heiligen man, maar vond het heel
pleizierig; veel te aangenaam om er iets van te zeggen.

Zij was al heel gauw een vriendin geworden; zij had er een jongen man
ontmoet, heel fijn van uiterlijk, met een klein zwart kneveltje en een
scherp belijnd adellijk javaansch profiel; van de familie van den
penghoeloe; hij had haar aardigheden gezegd, niet banaal zoo maar, maar
in een bloementaal, die eigenlijk vruchtentaal was, want hij had
allerlei vleiende zinspelingen gemaakt op heerlijk ooft. Zij had hem
dan aangekeken met blikken van: hou-je-me-voor-den-mal, of:
wat-denk-je-wel-van-me; maar ze was er erg gelukkig mee, niet verwend
in haar huwelijk!

Nu was ze betoel verliefd, en het speet haar erg, dat de jonge man niet
present was.

„Komt die andere niet eens mee?” vroeg een der vrouwen, bezig een
kindermond te vullen met groote proppen rijst met pisang en die met den
duim verder naar binnen te werken, het keelgat door.

„Ze zegt dat ze te lui is,” zei Minah.

Daar moesten ze om lachen.

„Is ze vervelend?”

Minah haalde de schouders op.

„Wij spreken niet veel.”

„Neen, dat zei je laatst. Hoe is het mogelijk, dat vrouwen van één man
niet met elkaar omgaan! Met wie moet men anders omgaan.”

„Ja, ik zie het ook in nu. Ik ben wel gek geweest.... soedah.”

„Was het jouw schuld.”

„Dat was het. Verbeeld-je, dat ik boos was, omdat er een bijkwam!”

Het was, vonden ze, een gek idée; een tweede vrouw beteekende in een
Mohammedaansch gezin voor de eerste gezelschap, aanspraak en hulp
desnoods; bovendien nog ontheffing van veel verplichtingen tegenover
een meestal reeds vervelend geworden man.

„Het zal wel niet zoo blijven,” meende een der vrouwen met een wijs
gezicht.

„Het is al niet meer zoo.”

„Al lang?”

Aarzelend zei Minah:

„’n Beetje lang, ’n beetje kort.... Ik behandel haar goed, maar ze is
boos op hem; hij schijnt haar te vergeten tegenwoordig.”

„En u?”

„O mij.... het is om te lachen. Ik geloof, dat hij mijn broer is.”

Ze schaterden het ook werkelijk uit van den lach; de moeder, die haar
kind volpropte, rolde over den ouden divan van pleizier, de sarong hoog
op, wat Minah hinderlijk ongepast vond. Zij wist wel, dat men hier zoo
nauw niet keek. Nu praatten ze verder over den passar, en wat verder
onbeduidend was, met groot maleisch gerabbel, keelgeluid en heel veel
mimiek en gestes, de monden onder het praten wijd open, rood van binnen
door de sirih, die als omdroop tusschen de afgevijlde zwart gemaakte
tanden.

Toen het gordijn werd weggeschoven en de jonge man, die Minah het hof
had gemaakt, met een zacht salam binnenkwam, zwegen ze ineens, veegden
de monden af aan de slendangs; de plooien der kains neerslaand met de
hand, de baadjes recht trekkend.

Hij had het heel gauw weer uitsluitend tegen Minah, die allerlei kleine
airtjes aannam en zich zooveel mogelijk aanstelde als een preutsch jong
meisje, dat ’t hof wordt gemaakt; de vrouwen van den penghoeloe vonden
het bespottelijk; zij knepen elkaar in de dijen van pleizier over zoo’n
gekkin!

„Hij is aardig, ja?” vroeg de een, toen de aanbidder weg was.

Minah glimlachte even, de oogen neergeslagen; ze zei eerst niets;
daarop werd haar gezicht heel donker.

„Wat kan het mij schelen; ik ben immers de vrouw van....”

„De zuster,” verbeterde de andere lachend, en Minah, denkend aan wat ze
zelf had gezegd, lachte mee tegen wil en dank.

„Kan je niet weg van Aboe Bakar?”

„Hoe zou ik kunnen.”

„Maak ruzie; scheld hem uit en de andere ook.”

„Dan slaat hij.”

„O zoo, slaat hij dan; neen, dat is iets anders. Wil ik....”

De vrouw keek haar lotgenoot in den priesterlijken echt eens aan, en
krabde zich het hoofd; de andere scheen haar gedachten te raden; zij
knikte langzaam en herhaaldelijk.

„Ik geloof, dat het goed is.”

„Wat?” vroeg Minah, nieuwsgierig.

„Als wij er den penghoeloe eens over spraken.”

„Zou je dat durven?” vroeg Minah, vervuld van ontzag en vrees voor den
heiligen man.

Daar moesten ze weer om lachen. Het was ook wat! Ze durfden wel heel
andere dingen.

De penghoeloe was eerst heel nijdig, toen ze hem erover spraken; in
zijn kamer, waar alles even oud en vuil was als bij de vrouwen, werd
toch nog min of meer de hand gehouden aan eenig vertoon door mooie
matten en ander vlechtwerk, door heel aardige snuisterijen in hard
donker palmboomenhout met lichte vlekjes en streepjes als amandelkoek
van binnen. Hij bad machinaal en hanteerde de tasbih als een oude
Europeesche vrouw de breikous, zonder eraan te denken; dan pikirde hij
over heel andere wereldsche dingen, daarbij naar het uiterlijk
verzonken in het gebed; en dan had hij altijd het land en was boos, als
ze hem kwamen storen. Ze deden het toch; zij trokken zich niet veel aan
van het humeur van den ouden geitensik!

Ditmaal wekte het zijn hooge belangstelling. Hij had Aboe Bakar al
aardig bewerkt; die was nu vroom tot vervelens toe; ook voor hem; die
had zelfs erover gesproken niet meer naar de missigit te gaan, maar
altijd liever hetzij in afzondering, dan wel met den penghoeloe samen
te bidden. Het oogenblik om hem terdege te bewerken naderde.

„Ik zal zien, ik zal zien,” zei hij tegen zijn vrouwen. „Ga nu heen, ik
moet er toch nog over denken.”

„Doe je het gauw?” vroeg de een.

„Dat weet ik niet; het hangt ervan af; misschien heb ik de vrouw nog
noodig en jullie ook; er is geen haast bij; in het geheel niet; alles
moet wachten tot ik gereed ben.”

Toen ze weg waren, glimlachte hij; het was reeds een groote stap, dat
die door Aboe Bakar als het ware verlaten vrouw, die in huis werd
geduld omdat het niet anders ging, maar waarmee hij geen omgang had
hoegenaamd, erin was geloopen en grifweg verliefd raakte op den
persoon, dien de penghoeloe op haar had afgezonden. Niet dat hij eraan
had getwijfeld,—maar het was toch altijd goed zekerheid te hebben.



TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ABOE BAKARS ONDERGANG VOORBEREID.


Het was Vrijdag toen de penghoeloe met Aboe Bakar uit de missigit kwam;
hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje
gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed;
hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts
in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed
brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de
genade en de barmhartigheid van toean Allah; hij had betoogd, dat men
zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een
graankorrel, die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd
korrels bevat.....

De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook
maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld,
dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het
een diepen indruk gemaakt.

„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met
vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol
grijs stof.

„Men moet erover nadenken,” antwoordde de penghoeloe, die zich vooral
niet wilde overhaasten.

Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder
hunner lange gewaden in den wind, de penghoeloe in zwart met
donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe
Bakar:

„Wat hebt gij gedaan?”

„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome
menschen doen: ik heb mijn geld gestort bij de djakat en de pitra en de
andere opbrengsten der geestelijkheid.”

„Kan ik het ook doen?”

„Het kan; waarom zou het niet?”

Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van den
penghoeloe schitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En
juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was
als een uitgeholde klapperdop!

’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar
buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had
laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer
op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij
bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze
geesten.

Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond
hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als
woeien zij op in zijn hoofd.

Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit
van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.

Hij moest zijn geld storten in de penghoeloe-kas, dus trachtte hij zich
te suggereeren; hij moest het afgeven zonder eenig bewijs van
ontvangst, geheel te goeder trouw; hij moest het daar gedeponeerd
laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had
voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong,
en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een
nietswaardige te schelden,—het baatte niet; HET wilde hem niet
verlaten; HET zat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon
doorslikken; HET behaalde voor dien nacht de overwinning.

Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen
reeds de koetjitja haar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag;
zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij
opende zijn groote geldkist; het zware ijzeren deksel opbeurend tot de
steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes
bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en
guldens.

En dat moest hij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn
schoon geheel terug te zien.... Zuchtend sloot hij de kist met de drie
sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat
had een mensch toch zwaren strijd!

Het viel den penghoeloe tegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het
geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den
patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom
koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder de blanda’s
verkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellicht
pinterder, dan men zou vermoeden.

Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.

„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”

„Misschien,” zei een der zijne.

„Speelt zij met jullie?”

Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar
denken. Brani soempah, geen kaartspel.

Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen!
Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op
den vloer:

„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te
nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als
vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan
liegen tegen haar man?”

Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door
het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen,
begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.

„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”

„Doe het dan.”

„Als zij wil.”

Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.

„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”

„Nu, en als zij dan wil.”

„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook
meebrengen.”

„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.

Daar werd hij betoel boos om.

„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van een imaam en geen speelhol. Gaat
met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”

Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten
er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij
hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een
dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.

Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste
partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien
aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen
met haar mee te gaan.

„Ga je morgen weer?” vroeg deze.

„Betoel. Als het kan ga ik elken dag.”

„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haar bantal neerlatend, de
mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar.
„Hoe is het mogelijk?”

„Wat?”

„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk een soesah!”

Het ging goed een paar dagen, zooals de penghoeloe had gecommandeerd,
maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan
haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te
verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.

„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruil sajoer, ik krijg lodeh!”

Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze
zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat
ze dien ochtend had genoten.



EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN DUBBEL OFFER GEBRACHT.


De penghoeloe had gepreekt over het vuur, en somber had zijn stem
geklonken tusschen de troosteloos kale wanden van de missigit, slecht
verlicht door het weinige, dat de brandende soemboes, drijvend op de
klapperolie, verspreidden; daar waren, zei hij, geloovigen, wier hart
zoo aan aardsche dingen was gehecht, dat zij daardoor God andere goden
ter zijde stelden. Het vuur zou hun woning zijn! Zij waren als de
ongeloovigen, die het vuur ontsteken en de oogen sluiten voor het
licht. Zij waren gelijk aan de afgodendienaars boven wier hoofden en
onder wier voeten een hel van vuur zal zijn op den dag der opstanding.

Zoo ging hij voort, herhalend, aanvullend, aantoonend hoe uiterlijke
belijdenis of het omhelzen van den islam nog geen bewijs is van geloof;
dat wie zegt te gelooven op de proef moet gesteld worden, en dus ook
zichzelven op de proef moest stellen.

Voor Aboe Bakar klonk het als een strafpredikatie, schoon de toon
gemoedelijk was, zonder stemverheffing of intonatie, langzaam,
gelijkmatig, indringend. Hij herhaalde de woorden in zijn gedachten. De
penghoeloe had gelijk. Als hij naging welk een invloed het zien van
zijn geld op hem uitoefende, moest hij erkennen, dat het een macht was,
sterker dan zijn godsdienstig gevoel.

Daar moest hij overheen komen.

Hij zou een ongeloovige gelijk zijn, hij, Aboe Bakar! Hij, die zoo
innig bad en zoo trouw den koran volgde, zou enkel een mensch van
uiterlijk vertoon en formaliteit zijn, zonder wezenlijken godsdienst!
Dat zou men zien!

Hij groette den penghoeloe, kuste hem de hand en verdween in den
donkeren avond, niet wachtend, als anders, tot de priester ook
heenging, om samen op te loopen.

Het was stikdonker, en Aboe Bakar kon slechts zóó zeker en met zulke
flinke secure stappen voortloopen, omdat hij dien weg zoo goed kende
als zijn voorgalerij; intens zwart hing de wolkenzee over het dal; de
anders frissche berglucht drukte neer, zwaar als lood, lauw, zwoel.
Ineens een helle geel-streep, lang rechtuit, mooi zichtbaar, dan
afwijkend in kort zig-zag, flikkerend door de wolkenpartij, zich
dadelijk weer oplossend in de dichte duisternis. Een oogenblik ’n
brommig drenzen bij den berg; dan een vreeselijke ontlading, knetterend
slaande in korte venijnige patsen, als moest er telkens iets overwonnen
worden; een doortocht met hindernissen. Hard tikten groote
regendroppels op de bladeren; het onweer hief aan, uitbarstend met
woeste windvlagen.

Zijn pajong in beide handen, worstelend tegen aanvliegende lucht en
water, werkte Aboe Bakar zich naar zijn woning.

Achter de neergelaten krees, lichtte droevig een eenvoudig
petroleumlampje, de gele vlam inbruinend de tinten van het djatihout
der wanden; somber, melancholiek.

Dailah riep hem uit haar kamer.

Hij ging ’t donker gangetje in naar achter, en een kier makend in het
gordijn, vroeg hij zacht:

„Wat is er?”

„Welk een weer! Ik ben zoo bang.”

Hij wilde antwoorden: zeg den tasbih, maar het was waar, dien kende zij
niet; dáárom zei hij weer zacht en geruststellend:

„De donder wordt voortgebracht door een engel. Waarom zoudt ge
vreezen?”

Dailah was dicht bij het gordijn komen staan; hij voelde erdoor heen
haar lichaam tegen het zijne; hij zag, door den kier, haar zwarte oogen
schitteren.

„Kom hier,” fluisterde zij, „kom bij me binnen, ik ben zoo bang.”

De zachte warmte, de lieve klank der stem, de herinnering aan uren van
genot, alles en nog meer, deden de begeerte in hem opvlammen.

Hij aarzelde.

Zóó was hij tehuis gekomen van de godsdienstoefening, vol vrome
denkbeelden en voornemens, en daar stond hij nu, door slechts een
enkele, zeer wereldsche gedachte als beheerscht!

Een oogenblik beproefde hij te strijden.

„Ya, A. kamarinja?” klonk het vleemend met Dailahs lokstemmetje achter
het gordijn.

En Aboe Bakar ging naar binnen.

Als pijpestelen zoo aaneen vielen de regenstralen, kletsend
uiteenspattend op het dak; het onweer daverde nog door het dal, als van
den eenen bergtop geworpen naar den anderen, titanenspel; helle lichten
vlogen langs de lucht, door de boomgroepen, in de huizen, alles een
deel van ’n seconde in lichtelaaie zettend; dan een niets van donkerte.

Aboe Bakar hoorde en zag het niet; zijn sterke physiek zoolang
onderdrukt door de opgedrongen idée fixe van bidden en vasten, en
vasten en bidden, en leeren uit den koran en zich verdiepen in
commentaren, hernam ineens en volop haar recht; zij barstte los met
ontoombaar geweld, gelijk het zware onweer daarboven in de lucht.

In de duisternis op den divan glimlachte Dailah als tegen haar eigen
gedachten; zij was niet bang meer.

Een uur later stond in de door het onweer gezuiverde lekker koele
lucht, Aboe Bakar buiten, ook opgefrischt van geest. In het ijskoude
bergwater uit de pantjoeran achter zijn huis, in vollen straal
doorstroomend, altijd voort, een perpetuum mobile, had hij gebaad,
zorgvuldig overeenkomstig den koran. Eerst was hij boos geweest op
zichzelven, doch nu was er rust en vrede over zijn geest gekomen; hij
had toch niet gezondigd, want zij was zijn eigen, wettige vrouw. En als
er nog iets mocht haperen aan zijn hoedanigheid van verdienstelijk
geloovig Mohammedaan, dan zou hij nu denzelfden avond toonen wie hij
was.

Hij had een brief geschreven aan den penghoeloe; hij wilde zijn
vermogen storten in de priesterkas bij de djakat en de pitra en de
andere vermogens der heilige mannen, welke meende hij zeer groot
moesten zijn.

Er kwam geen antwoord dien avond. De penghoeloe was een man van
zelfbedwang, hij haastte zich niet.

Het maakte Aboe Bakar onrustig. Zou men hem versmaden? Zou men hem
willen straffen, om het slechte werk van zijn hart?

Kort na het bidden van de tsoeboe, kleedde hij zich en ging naar de
woning van den penghoeloe; de ketib, die in de voorgalerij op den grond
zat, hield hem terug; hij mocht niet binnengaan; de penghoeloe bad.

En het duurde heel lang vóór de heilige man gereed was, naar buiten
kwam en zich eerbiedig liet begroeten.

„Ja, hij had dien brief ontvangen.”

„En wanneer zal het u behagen?” vroeg Aboe Bakar ootmoedig.

De penghoeloe fronste het voorhoofd, als dacht hij na.

„Hedenavond na de Ijaa.”

„Hoe laat?”

„Dat weet ik nu niet; zoodra ik gereed ben; misschien al vroeg,
misschien laat.”

En toen Aboe Bakar boog, als ten teeken van onderwerping, gleed een
vriendelijke glimlach over de magere tronie van den ouden.

„Mijn vrienden zijn,” zeide hij, „God, zijn apostel en de geloovigen,
die met stiptheid het gebed verrichten, aalmoezen geven en zich voor
God buigen. Aboe Bakar, gij zijt mijn vriend.”

Terwijl deze zich van dankbaarheid doordrongen voelde over de
verklaarde vriendschap van den priester, zat Minah in de
vrouwenvertrekken van hetzelfde huis heel onaangenaam gestemd; zij had
vrij veel verloren en stak in schulden.

De vrouwen hadden van haar vromen echtgenoot prentah, om de
duimschroeven een beetje aan te zetten, en dat deden zij.

„Vraag het je man,” zei de een.

„Wel ja, waarom niet? Hij is immers zoo rijk!”

Maar Minah schudde het hoofd, de tranen in de oogen.

„Durf je niet?”

„Waarom zou ik niet durven? Ik ben nu niet meer bang voor hem. Ik haat
hem. Ik zou hem dood kunnen maken. Zoo’n man vraag ik niet om geld.”

„Het is ook wat!”

„Ik wil niet; nog liever steel ik het.”

„Van hem?” vroeg een der vrouwen lachend. „Dan vroeg ik het hem toch
nog liever.”

„Leen het van je aanbidder,” schertste de andere.

Daar werden zij ineens alle drie erg stil door; het was eigenlijk het
denkbeeld, dat in haar hoofden voortdurend present was geweest; de
vrouwen moesten haar in die richting drijven, en Minah had er ook al
aan gedacht.

Als zij eens naar hem toeging? Zij wist, wat hij haar vragen zou, en
eigenlijk verlangde zij niets liever. Alleen de schaamte en de vrees
hielden haar terug.

„Het kwam maar zoo in mij op,” ging de andere voort, „maar het is toch
nog het eenige, als je het Aboe Bakar....”

„Neen, ik wil niet,” riep Minah boos.

„Dan is er ook niets aan te doen. Als je het aan je man niet vragen
wilt, wie anders zal het je dan geven, wanneer je het vraagt, dan
die... neef van ons.”

Zij had zoo gauw niet geweten, welken graad van bloedverwantschap moest
worden genomen.

Minah bloosde zwart op.

„Ik ben verlegen.”

„Och ja, dat kan ik begrijpen; ik heb dat ook onderv.....”

Midden in het woord hield de vrouw op, zelf verlegen thans, dat zij
zich zoo iets liet ontvallen.

„Heb je?” vroeg Minah verwonderd.

Ze keken elkaar een oogenblik aan en lachten luid; toen gingen ze weer
voort in zacht gepraat; zij zouden eerst erover spreken; als Minah dan
des anderen daags ging, wist hij er alles van en zij was zeker het geld
te krijgen; de creditricen zouden dan welwillend nog een etmaal
wachten.

Het zware pak was daarmee weggenomen van Minah’s hart; de slotsom was,
dat ze weer met haar drieën over het achtererf verdwenen en ergens in
een dobbelhuis in de kampong hun partijtje gingen maken, dat Minah nog
dieper in de schuld deed komen dan ze al zat; maar ze was er blij om;
zij had nu niet willen winnen, nu ze haar zoo bereidwillig gingen
helpen om... twee vliegen te slaan in één klap.

Toen ze weer thuis waren, hadden ze er pleizier over. Welk een dom
garnalenhoofd! Die... neef was zoo arm als een kerkrot! Maar de oude
had gezegd, dat het zóó moest gaan, en het grappig spelletje brak de
eentonigheid van haar leven!



Op de blokken in de wachthuisjes sloeg het elf uur, toen zachtkens en
gedruischloos de penghoeloe met vier van zijn trawanten in het huis van
Aboe Bakar slopen.

Het wachten had hem niet lang gevallen; hij had al maar gebeden om
bevrijd te worden van het loodzwaar gewicht, dat hem als het ware op de
borst drukte; hij ontving hen deftig, bedaard, vriendelijk, en om
direct door den zuren appel heen te bijten, ontsloot hij maar dadelijk
zijn geldkist met de drie sleutels. De bankbiljetten en het geld werden
eruit gehaald; alles moest, zei de penghoeloe, zorgvuldig nageteld en
opgeteekend worden; niet omdat men Aboe Bakar mistrouwde,—volstrekt
niet; maar die wist ook wel, dat het zoo hoorde bij een goede
administratie, en dat men nauwkeurig wezen moest om verantwoord te zijn
tegenover zichzelven. Aboe Bakar toonde zijn vertrouwen te stellen op
God, en daar deed hij goed aan, als braaf geloovige; maar er was een
wet in het land en een penghoeloe stond voor het gouvernement
daaronder.



TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DAILAH ONTDEKT HET GEVAAR.


Terwijl in haar kamer Minah in diepen slaap lag, vermoeid van de
inspanning van het spel, dat haast den heelen dag had geduurd,—lag
Dailah wakker; zij kon niet slapen; zij had zoo weinig lichaamsbeweging
en zij sliep zoo lang elken namiddag! Daar hoorde zij het geschuifel
van voeten over de mat in de gang, en verschrikt, denkend aan dieven,
stond ze op van den bultzak en loerde, bevend van het hoofd tot de
voeten, door het gordijn.

Het was, dacht ze, toen ze het bekende gezicht van den penghoeloe zag,
toch te erg, zóó te schrikken; gevaar vreesde zij nu niet langer, maar
niettemin stemde dat bezoek van al die priesters haar hoogst
onaangenaam. Waar bemoeide Aboe zich toch mee? Zij had voor dien
penghoeloe en zijn trawanten zoo’n respect niet; zij was uit een
Mohammedaansche familie geboren, en had al in haar jeugd veel gehoord
van die soort menschen, zoodat de reuk van heiligheid er al lang af
was. Ze kwamen vroeger vaak in haar eigen vaders huis, toen ze nog een
jong meisje was, en dan zag zij wel aan hun oogen, wat ze bedoelden! Nu
haatte zij dien geitensik! Wat deed hij Aboe van haar weg te halen en
te vervreemden? Waarom liet hij hem niet met rust, maar stelde hij zich
tusschen Aboe en haar?

Van het natuurlijke der neiging van Aboe Bakar begreep zij niets; zij
had nooit iets geleerd, dan wat op sexueel verkeer, inlandsche kleeding
en snoeperij betrekking had. Wat wist zij van den aanleg tot fanatisme
eens renegaats, die nog diepen eerbied koestert voor wat, bij de
geloovigen van huis uit, geen grooter waarde heeft behouden, dan die
eener formaliteit?

Zij voelde alleen van dien kant het gevaar komen; het gevaar dat haar
laki voor haar verloren zou gaan.

Het gerammel van het goud deed haar verbaasd stilstaan, toen ze reeds
weer naar haar bed wou gaan. Wat was dat? Ging hij die kerels nu geld
leenen? Pindjem oewang,—daar dacht ze aan; het idée: geld geven kwam
zelfs niet bij haar op.

Zij keerde terug. Het was brutaal en ongepast voor een vrouw, dàt wist
ze; ze wist ook, dat Aboe Bakar, zoo hij haar snapte, woedend zou zijn,
en haar misschien slaan zou, al had hij dat tot nog toe enkel Minah
gedaan nu en dan.

De nieuwsgierigheid was te groot. Zacht sloop ze door de gang naar
achter; zij zag de geldkist met de drie sloten wijd open staan; zij zag
de tafel vol bankbiljetten en goud; zij zag de priesters er als het
ware in grabbelen met welbehagen en alles tellen, terwijl Aboe Bakar
erbij stond, onverschillig; als ging de zaak hem in ’t geheel niet
aan.... Zij ontstelde er zóó van, dat haar handen ijskoud werden.

Was Aboe Bakar gek geworden? Wie liet nu vreemden dus den baas spelen
over zijn schatten?

Maar hij stond er zoo ernstig en kalm bij.... het was onmogelijk.

Toch had ze wel naar binnen willen vliegen, en hem bidden, die kerels
weg te jagen en zijn goddelijke geld weer weg te sluiten in de kist met
drie sloten; ze had het hem toe willen schreeuwen en dan hard wegloopen
naar haar kamer.

Dailah durfde het niet; zij stond als verlamd met loodzware beenen, al
maar turend naar de bankbiljetten en het goud uit de kist op de tafel,
van de tafel in de kist.

Toen daarin weer alles verdwenen was, ging ze rillend of ze koorts had,
terug naar haar kamer, en wachtte angstig, met een voorgevoel van
tjelaka; ze hoorde gestommel, zwaar geschuif, gestamp van voeten, die
meer moeten dragen dan het gewone lijf erboven, en die hard neerkomen
op den vloer; ze zag, loerend achter haar gordijn, de priesters
aansjouwen met de zware kist, Aboe Bakar zelf meehelpend, allen
zuchtend onder de zware vracht voor menschen die nooit werkten. Zij
spraken geen woord. Dailah hoorde een oogenblik later karwielen krakend
rijden over het weinige grint op den weg; daarna hoorde zij enkel nu en
dan het Allah en Allahoe akbaroe overluid uitspreken in de voorgalerij;
het was Aboe Bakar die bad.

In diepe verslagenheid ging ze zitten op den rand der baleh-baleh, de
armen machteloos slap langs het lijf, starend in het weinige schijnsel
van het lampje in de gang, door de gordijnkieren vallend in ’t vertrek;
trachtend haar zwakke gedachten te verzamelen om te begrijpen, wat er
dan toch eigenlijk was gebeurd; tot ze het niet langer kon uithouden en
losbrak in luidruchtig geschrei.

„Wat is er, Dah?” hoorde zij Aboe Bakars zware basstem buiten, in de
gang.

Zij gaf geen antwoord.

„Ben je ziek?” vroeg hij binnentredend nu, en in het duister tastend,
de hand strijkend over haar overvloed van loshangend haar.

„Ik ben niet ziek, er is tjelaka, dat is het. Ze hebben je bestolen.”

Aboe Bakar trok zijn hand terug.

„Er is niemand die mij bestolen heeft. Het is alles goed, zooals het
is. Vrouwen hebben daar geen verstand van.”

Maar zij hield vol.

„Zij hebben je bestolen.”

„Ook past het een vrouw niet haar man te bespieden.”

„Kan ik het helpen; ik sliep niet; ik hoorde die lieden....”

„Spreek over hen met eerbied!” zei Aboe Bakar boos.

„Ik wil niet,” riep zij nu op haar beurt woedend en brutaal, met den
voet stampend op den grond, „ik wil niet. Zij hebben het geld van mijn
oom ook weggehaald en niet teruggegeven aan zijn kinderen toen hij dood
was; het zijn dieven, zeg ik.”

Hij liep de kamer uit, bleek van schrik; eerst had hij in de duisternis
al de zware hand opgeheven om haar te slaan, maar op dat zeggen van
dien oom, ontstelde hij zoo, dat hij vluchtte, naar buiten.

Toen hij haar niet meer hoorde schreien, ging hij terug in de kamer;
zij snikte nog bij tusschenpoozen, het hoofd op haar bantal. „Net ’n
kind,” dacht-ie, en een groote teergevoeligheid kwam over hem; hij nam
haar hand, die afhing van het bed.

„Ik wilde je nog wat vragen, Dah.”

En toen zij geen antwoord gaf:

„Je hebt daareven iets heel leelijks gezegd, maar erbij gevoegd, dat
een oom van je ook zijn geld had gestort in de priesterkas. Wat is
daarvan?”

„Vader sprak er dikwijls over.”

„Zoo; en wat zei hij dan?”

„Dat hij het zeker wist; het geld was door dat volk....”

„Dailah!”

„Door... de penghoeloes in bewaring genomen; toen oom stierf, beweerden
zij het nooit te hebben ontvangen.”

„Kan je oom het niet vóór zijn dood hebben opgevraagd en uitgegeven?”

In zijn ijver om de priesters te verontschuldigen, speelde zijn geringe
intelligentie hem een poets.

„Loh!” riep Dailah zich oprichtend. „En zij beweerden, dat zij nooit
iets van hem ontvangen hadden!”

Hij kreeg het land, dat hij er dus was ingeloopen.

„In elk geval,” zei hij, „kon je vader zich vergist hebben. Maar al had
hij het bij ’t rechte eind, Dah, wat geldt dit voor de vrome mannen
hier? Ieder mensch, zegt de koran, zal slechts voor zijn eigen
handelingen beloond of gestraft worden en het oordeel behoort aan God;
ook is een geloovig mensch verplicht alle zaken te beoordeelen naar
haar innerlijke hoedanigheden. Wat weet je daarvan? Is het goed iets af
te keuren, omdat het vroeger en elders en met andere menschen misschien
wel eens verkeerd is geloopen?”

Een droevige trek kwam over het mooie gezichtje der jonge vrouw,
terwijl zij hem daar hoorde met z’n zachte, goedigvolle stem, fraaie
theorieën uit den koran opdisschend met hoogen ernst. „Net ’n kind,”
dacht ze, medelijdend.

Den volgenden ochtend was Minah al vóór het dag werd op de been; zij
zag wel ’n beetje op tegen dat bezoek, en toen ze naar haar vriendinnen
ging, was het met looden schreden.

Maar alles was reeds klaar.

Het geld, dat zij schuldig was, had de penghoeloe al genomen uit de
kist van Aboe Bakar; door de handen der vrouwen was het gegaan naar het
huis van den mooien Javaanschen „neef,” die het leenen zou aan Minah,
die het als speelschuld zou betalen aan de vrouwen van den penghoeloe,
die het weer ter hand zouden stellen aan haar vromen echtgenoot, die
het terug zou deponeeren in de kist van Aboe Bakar!

Zóó bleef alles intact, behalve Minah, die heel goed begreep, wat het
haar kosten zou, als ze het geld in leen kreeg, en die niets liever
deed, dan op die manier de onkosten betalen.

Toen ze aan het huis van den penghoeloe kwam, zei ze verlegen:

„Ik durf niet, ik ben niet brani.”

Maar de anderen werden onvriendelijk.

„Dan moet je maar brani zijn,” was het antwoord kortaf. „Wij moeten
vandaag ons geld hebben. Wij hebben het noodig, en het was vooruit
afgesproken.”

Zooals zij er tegen had opgezien, zoo viel het haar mee; opgetogen kwam
zij terug bij haar vriendinnen, die de grootste moeite hadden om zich
ernstig te houden; alles wat gebeurd was, kon men haar zóó erg aanzien,
dat de penghoeloe-vrouwen eigenlijk het land erover kregen; ’t was
terlaloe op die manier! Dáárom, toen ze het geld terug hadden, spraken
ze maar over het geval heen, en namen haar mee naar het speelhuis, waar
Minah won tot groote woede harer partners.



DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

„ZE HEBBEN HEM VERMOORD.”


In het niet te druk kampongleventje fleurde Bram ’n beetje op.

Ondanks de soesah met zieke paarden en luie koetsiers ging zijn
verhuurderij tamelijk goed; nu en dan gaf hem zijn spionnenbaantje wat
eigenaardig werk, dat hij met groote verliefde voorliefde deed.
Overigens zat hij maar liefst in nachtbroek en kabaai ’n strootje te
rooken in een luierstoel, met heel veel praats over alles; zich daar
soms bij opwindend, net als vroeger zijn vader, dat het scheen alsof
hij dronken was, terwijl hij haast nooit sterken drank gebruikte.

Toen een oppas van ’t postkantoor hem een maleischen brief bracht,
zette hij eerst nog een drukken boom op met den man, daarbij mopperend
over den postdienst, dien hij vond, dat veel te langzaam ging; maar
nanti doeloe! hij, Bram Silver, zou daar wel een eind aan maken; hij
zou wel dit en hij zou wel dat; en de Regeering moest zus en de
Regeering moest zóó.

Eindelijk liet hij den armen oppas, die nog meer brieven te bezorgen
had, los en scheurde de enveloppe open.

Het was of hij een beroerte kreeg.

Achter zijn bril met gouden rand—een gedachtenis aan den ouden
John—puilden de oogen hem haast uit het hoofd; zijn gezicht werd als
het ware achter het geel der huidskleur, doodsbleek; met de bevende
magere hand greep hij om zich staande te houden de zwakke ronde tafel,
die met hem mee waggelde; zóó stond hij ’n oogenblik te kijken als
krankzinnig; versuft, verslagen, niet in staat te denken. Dan ging hij
zitten op den luierstoel en las nog eens en nog eens den niet
onderteekenden maleischen brief, tot hij eindelijk opstond en trillend
van ’t hoofd tot de voeten, naar achter liep, naar njai Peraq, de
blinde moeder, die met den dag dikker van lichaam en minder helder van
hoofd wordende, op den grond zat.

Met zijn knokkelvingers greep hij haar in de vleeschmassa van den
schouder.

„Mâ, mâ, hoor-je me?”

„Saya Bram; ada apa?” zei ze onverschillig.

„Mâ, ze hebben Adam vermoord, mâ! Hij is dood, hij is dood!”

Zij deed alsof ze naar hem keek.

„Wie is er dood?”

„Adam, onze Adam,” zei Bram erg ontroerd, haast snikkende.

Maar njai Peraq schudde het grijze hoofd.

„Ik weet van geen Adam; die is al lang dood. Er was een kind van mijn
hart, dat een groote saïd is geworden. Aboe Bakar...”

„Ze hebben hem vermoord,” schreeuwde Bram, en toen, met al het
theatraal vertoon van wijlen den ouden John, liep hij woedend het
galerijtje op en neer, de vuisten gebald omhoog stekend, zwerend, dat
hij zijn broer zou wreken; dat hij de moordenaars verpletteren zou; dat
hij hen ten eeuwigen dage zou vervolgen; dat hel en duivel hem niet
beletten konden, bloedige wraak te nemen, en andere groote woorden
meer, terwijl njai Peraq onbeweeglijk op den grond zat, als starend met
de blinde oogen op één punt, en al maar bij zichzelf herhalend: „Zij
hebben mijn zoon Aboe Bakar vermoord.”

Toen hij uitgeraasd had, nam Bram, altijd door zenuwachtig en
opgewonden, zijn besluit. Hij zou erheen gaan en onderzoeken. Dàt wist
hij als spion der politie; alles moest eerst onderzocht worden.

Doch over dat ééne brak hij zich in den trein voortdurend en
vruchteloos het hoofd; wie kon hem dien brief geschreven hebben?

Hoe kon hij het ook weten? Wat wist hij van Aboe Bakar’s leven in den
laatsten tijd?

En er was niet veel bijzonders geweest aan dat leven. Aboe Bakar bad
veel, studeerde ijverig in den koran, sprak nu en dan met Dailah, die
zich gruwelijk verveelde, terwijl Minah elken dag ging dobbelen en de
rest.

Zóó ging het door, week in, week uit, tot Minah, bewerkt door haar
relaties, vertrouwd was geraakt met het denkbeeld, dat Aboe Bakar, dien
zij nu innig haatte, haar geluk in den weg stond en verdwijnen moest.

’s Avonds had haar Javaansche minnaar het haar gebracht in een heel
klein hoornen doosje; hij kwam achter aan de pagger, toen het donker
was, en zij had het van hem aangenomen, en beloofd den inhoud ’s
morgens te roeren door de koffie van haar man.

Zonder te aarzelen had zij dat beloofd; zij stak het doosje tusschen
den sarongband, onverschillig, zonder beven; zij ging naar haar kamer
en naaide er een baadje af, waarvoor zij het goed pas had gekocht; dan
blies ze de lamp uit en strekte zich geeuwend uit op haar bed; een
oogenblik later sliep ze; ze droomde geen akelige droomen, en ’s
morgens werd ze vroeg wakker, opgefrischt, heelemaal net als anders.
Toen ze in een groote wijde kom de gekookte ongefiltreerde koffie met
suiker zonder melk had ingeschonken, keek ze even rond. Ja, aan den
ingang van het keukentje zat een kind van een bediende, de ongekamde
haren over het gezicht, slaperig en soezerig.

Zij gaf het een gobang en stuurde het naar de warong om wat rijst te
koopen.

Nu was er betoel niemand meer.

Voorzichtig strooide zij het poeder in de koffie, nam een lepeltje van
arènhout en roerde het goed door.

Zij bracht als elken ochtend Aboe Bakar zijn koffie, terwijl hij de
tsoeboe bad.

Hij was juist gereed en stak dadelijk de hand uit, begeerig naar den
gewonen morgendrank.

Geen woord werd tusschen hen gewisseld; dàt was al sedert lang niet het
geval. Hij zou haar niet wegzenden, zoolang hij zich niet over haar te
beklagen had; dat was alles, wat hij nog voor haar gevoelde.

’s Middags greep het hem aan, plotseling, met groote benauwdheid. Hij
was altijd zóó kerngezond en zóó sterk. Wat was dat nu? Hoe kwam hij
aan dat gevoel van pijn en overvol-zijn in de maag en op de borst? Hij
zou, zooals de koran het voorschrijft, God aanroepen, en, zich bukkende
voor de houding van het gebed, ontvlood een volle, warme, haastige
stroom zijn mond; een oogenblik had hij gedacht aan onpasselijkheid,
maar helrood kleurden zich zijn baard en kleeren, de mat, de heele
omgeving....

Een groote vrees bekroop hem; hij kon niet roepen, niet denken, niets,
en ineenzakkend, steunend tegen den wand, met een inwendig gevoel van
hevigen brand, sloot hij de oogen.

Had een voorbijgaand inlander hem niet gezien, hij had daar een groot
deel van den dag kunnen liggen.

Dailah, ontsteld en hulpeloos, buiten, zonder buren, liet volk halen
uit de naaste kampong; men droeg Aboe Bakar in bed, en waschte hem; een
dokter-djawa kwam, die in ’t geheel niets van het geval scheen te
begrijpen; de penghoeloe las onbewogen met zachte stem soerah XXXVI.
Minah had de mat uitgewasschen en liet den vloer dweilen in de
voorgalerij; ’t leek wel, vond ze, of er een karbouw was geslacht!

Het was geen halve maatregel geweest.

Dailah schrikte toen ze Aboe Bakar zag den volgenden ochtend, zoo bleek
en ingezonken was hij. Ze verzorgde hem, zoo goed haar eigen
onbeholpenheid het toeliet, altijd onder den verschrikkelijken indruk
van den bloedstroom, dien ze gezien had, en bang haast van het
doodsbleek gezicht, dat tusschen den zwarten baard uitkwam, en de doffe
diepliggende oogen.

Het duurde eenige dagen, vóór Aboe Bakar weer op de been was, maar het
had hem vreeselijk aangepakt; zwak, mager, bleek lag hij in een
luierstoel in de voorgalerij, de oogen dicht, de rozenkrans langzaam
glijdend door de vingers; hij had van den penghoeloe verlof zóó te
bidden en niet in de voorgeschreven houding.

Minah was er verwonderd over; zij had eigenlijk gedacht, dat hij
dadelijk dood zou wezen; toen zij na de bloedspuwing de voorgalerij had
schoongemaakt, was het, dacht ze, of alles nu eigenlijk heelemaal
voorbij was. Nu werd hij beter. Nog een week of wat misschien, en het
zou zijn, of er niets was gebeurd. Zij sprak er haar minnaar over, maar
die hield zich tegen haar of hij bezwaren had; het was altijd
gevaarlijk; daarbij was ’t vergif moeilijk te krijgen en zoo meer.

Het maakte Minah driftig; zij had zulk een a niet gezegd om er de b
niet aan toe te voegen; zij drong er opaan, en eindelijk, een week
later, kreeg zij het.

Zij was er blij mee; dat moest een voldoende portie wezen, had men haar
gezegd, en het verheugde haar. Alles had zij liever, dan het voortduren
van dien toestand en het aanhooren van de kasianpraatjes van Dailah,
die meer dan ooit van Aboe Bakar hield en minder dan ooit geneigd was
met Minah uitstapjes te maken.

Koffie mocht de patiënt niet drinken; hij mocht slechts koud water
hebben en wat zacht gekookte rijst; het witte poeder zou het water
troebel maken, maar in de boeboer merkte het niemand. En met dezelfde
kalmte als vroeger roerde zij het er door.

Dien avond, toen zich de aanval, nog heviger dan den eersten keer, had
herhaald, was Aboe Bakar zoo goed als stervende. Stil, onbeweeglijk lag
hij op het bed, ’t hoofd terug, schuin tegen het kussen.

Van het leven voelde hij nog enkel de schroeiende pijn in zijn maag en
ingewanden. En zijn gedachten leefden. Maar die waren ver weg; zij
waren in Nederland, bij de vrienden zijner jeugd, bij de Verlande’s en
de Tiele’s; zij vervolgden naar den eersten tijd in Indië, waar zijn
leven zoo onverwacht was gesplitst; en de kleinste bijzonderheden van
dien tijd, waaraan hij nooit weer had gedacht, kwamen er nu bij: de
strijd met zichzelven, de aandrang zijner moeder, de tegenstand van
Bram.... „Vroeg of laat zal je hun dupe worden!”

Hoe kwam het, dat hem ineens die woorden nu voor den geest stonden?

Zóó werkte het voort in zijn hoofd, langzaam, maar ordelijk, als een
uurwerk, dat geregeld afloopt.

Was hij hun dupe?

Aboe Bakar sloeg een blik op naar Dailah, die bij het bed zat, de oogen
rood van ’t schreien, macht- en willoos, zonder hoop. Met een korte
handbeweging beduidde hij haar dichtbij te komen, tot haar oor vlak bij
zijn mond was; hij wist wel van den dokter-djawa, dat hij in ’t geheel
niet spreken mocht, maar nu wilde en kon hij ’t niet laten.

„Zou ik iets hebben ingekregen, Dah?”

„Zwijg in Godsnaam!” zei ze. „Ik geloof het Aboe. Maar spreek nu niet.
Van nu af zal je niets gebruiken, dat ik niet zelf heb klaargemaakt.”

Hij glimlachte en sloot weer de oogen. Wat zou zij klaarmaken! Zij kon
het immers niet; zij had het nooit gedaan, nergens geleerd!

En dan, het zou wel te laat zijn; hij zou wel sterven. Daar was hij nu
niet meer bang voor. God doet immers sterven en herleven! Wie Hem
liefheeft moet zich verheugen in den dood, in het uur, dat God zijn
ziel ontvangt om bij hem te worden verzameld. Zóó ging het rustig voort
in zijn hoofd: de beelden uit de werkelijkheid oprijzend in zijn
gedachten, bleven wortelen in het Europeesch deel van zijn leven; de
abstracte begrippen waren die uit den koran.

Langzaam kropen de uren voort; Minah had gevraagd, welstaanshalve, of
ze Dailah niet eens zou aflossen bij het oppassen van den zieke; maar
ze was erg blij, dat de jonge vrouw het weigerde.

Niet om haar geweten—dáár wist ze niet van,—ze vond het enkel
vervelend.

Reeds kraaiden de hanen in de dessas der vallei hooguit den opkomenden
dag tegemoet, toen Aboe Bakar ontwaakte uit een langen slaap van eenige
uren, die hem niet had verkwikt.

Integendeel, hij voelde het weer aankomen, en het angstzweet brak uit
op zijn voorhoofd, met koude droppels afloopend langs zijn zware
wenkbrauwen.

Den mond gesloten, benauwd en kort ademend door den neus, keek hij naar
Dailah, die op haar stoel was ingedut van vermoeienis.

Met een hevigen schok richtte zijn lichaam zich ineens op; Dailah
schrikte wakker en sloeg haar arm om hem heen tot steun.

Dáár was het weer, schoon slechts weinig in hoeveelheid.

Maar het lichaam, terugvallend achterover in het kussen, rekte zich;
het doffe licht uit de groote zwarte oogen verdween; de trekken spanden
scherp.

Een harde gil klonk door het huis; Dailah zag hem sterven; haar hoofd
viel naast dat van Aboe Bakar op het kussen neer, en haar weeklagen
vulde het huis.

Minah was er ook wakker van geworden. Zij hoorde Dailah schreien en
luid praten; zij verstond de woorden, en een doodschrik drong door haar
hersens, afrillend langs de ruggegraat; zij had het woord memboenoeh
gehoord!

Snel trok zij een ander baadje aan, en liep de achterdeur uit, den weg
op.



VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

BESLUIT.


De penghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den
loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend,
alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets
verzetten.

Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen
eigenlijk blij, dat er één was, die de soesah op zich nam.

Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in
het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens
daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.

En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij
erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op
den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde
verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest
gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij
zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen
en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde,
verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, als die nu eens hier was! Maar
de penghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets
van zich hooren.

Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat
wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er
volgde niet eens antwoord.

Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had
te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij
eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij ging naar het Europeesch
bestuur en diende een aanklacht in.

Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen de saïd
was zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om
iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf
aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens
zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een
leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.

Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren
iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile
inlandsche perkara’s.”

Zij zouden „een onderzoek instellen.”

Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte
haar barang; met veel drukte was zij bezig haar sarongs en baadjes,
heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en
in kains te knoopen.

„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”

Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan
Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje
zitten, de handen op de knieën.

„Waar is het geld van A. gebleven?”

Zij haalde de schouders op.

„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”

„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”

„Ik? Wist ik dat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een
gewone kist....”

„Dailah zegt....”

„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het
Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de
dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met
zijn barang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”

„Om uw zoon.”

„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig
als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij
ginds in het bidhuisje en in de missigit, altijd maar in het boek te
lezen en te bidden.”

Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had
verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving
zacht in haar slendang te schreien, kreeg Bram kasian, en daarmee
verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig
was.

„Wat ga je doen?” vroeg hij.

„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen,
tot hier den boel geregeld is.”

„En dan?”

„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk als baboe bij blandas.”

Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden
naar het land, waar ze vandaan kwam; zelf haar in huis te
nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars
vaders huis.

„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon
meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”

Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen
kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als
ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.

„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.

En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.

Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde
tot geen uitkomst; ’t was koerang terang.

Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille
plekje in het binnenland, waar een groep kambodja’s de doordringende
geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,—toen reed
zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een
huurdos-à-dos van oom Bram.

Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan
vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat
er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.

Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed,
en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat
verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens
beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het
oude van njai Peraq, die op haar baleh-baleh rustig sliep.

En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was
overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—



                                EINDE.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Aboe Bakar: Indische Roman" ***

Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home