Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Vlindertje: een Haagsche roman
Author: Borel, Henri
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Vlindertje: een Haagsche roman" ***


                               VLINDERTJE
                           EEN HAAGSCHE ROMAN


                                  DOOR
                              HENRI BOREL


                               AMSTERDAM
                        P. N. VAN KAMPEN & ZOON



HOOFDSTUK I.


„—Ziezoo Pim, dat is dus uitgemaakt, wit serge zal het zijn, en
natuurlijk tailor-made, dat waren we allebei ééns. Maar nu de voering,
dat is altijd een heel ding, zie je, wat denk je dáár van, gele zij of
wit satijn?...”

„—Je weet wel dat je ze allebei kunt dragen, Ellie, wit en geel staan
je allebei goed..... ’t Is eigenlijk een lastig geval.... Maar als je
’t mij vraagt vind ik wit je toch nog ’t beste staan.... ’t Is of dat
geel eigenlijk altijd een beetje minder goed doet tegen je blonde
haar... Maar je moet het natuurlijk zelf weten....”

„—Zóó, vin je?... Ja, daar is ook wel iets van aan... Ik had het anders
al zoo héélemaal met dat geel bedacht. Als ik het costuumpje met gele
zij had laten voeren, had ik er ook een geel zijden blouse bij genomen,
gegarneerd weet je, met entre-deux van witte kant bijvoorbeeld... En
dan een groote hoed van wit stroo er bij, óók met iets geels, gele
rozen bijvoorbeeld, gele handschoenen, en een geelgevoerde parasol....
Dat zou wel aardig kunnen worden.... je weet, die tailor-made
costuumpjes staan me zoo goed.... maar als je nu denkt dat al dat geel
niet goed doet tegen mijn haar....”

„—Ik ben geen orakel Ellie,”—zei Pim—„en ik heb er ook eigenlijk geen
verstand van, al beweer je altijd van wèl... maar als je nu met alle
geweld mijn opinie er over wilt hebben, moet ik je ook eerlijk zeggen
wat ik vind, hè?... Nu, léélijk vind ik dat geel niet, dat zég ik
niet... ’t doet zelfs meestal juist héél goed bij blonden, dat weet ik
wel.... maar jouw blond is zoo héél apart, dat wéét je heel goed,
Ellietje, en ’t is niet om je eens een complimentje te maken.... er is
zooiets van de echte zonnestralen in, iets dat bijna brandt, zou ik
zeggen.... ik vind dat het beter doet bij jou met wit...

„—Nu, wat zou je dán willen, wijsneus?”

„—Wit serge, net als je zegt, en tailor-made óók, maar ik zou het
voeren met wit, met wit satijn, en géén zijde.... En nu de blouse...
laat eens kijken... die zou ik blauw nemen, kindje lief, een
blauw-zijden blouse, zoo van dat licht-turquoise blauw... dát vind ik
iets voor jou, en je zult eens zien hoe je dat staat... het mooiste
strandfiguurtje word je er mee, wát ik je zeg... je garneering vind ik
goed, met witte entre-deux, uitstekend zelfs, en dan moet je de
sluiting maken met van die knoopjes van kristal, die vind ik zoo
aardig... Zou je dat bevallen?...”

Ze dacht eens even na, met haar fijne handje onder haar kin, in heel
ernstig peinzen over zóóiets gewichtigs. En toen ineens, ernstig
vragend:

„—En wat voor hoed dan?...”

„—Wel, de hoed zooals je wou, van wit stroo, maar dan zonder die gele
rozen natuurlijk... Weet je wat ik doen zou? Ik zou er een nemen met
van die groote witte wieken... en dan een zwart fluweel lint er aan,
door zoo’n gesp van strass, je weet wel... dan natuurlijk wit
suède-leeren molière-schoentjes er bij, over wit zijden kousen en wit
glacé handschoenen... en, dat is waar ook, ik zou je immers een nieuw
parasolletje cadeau doen... nu, die neem ik dan met een rand van
hetzelfde turquoise-blauw als je blouse... en zóó zal je er wat chic
uitzien hoor!... mijn woord er op!... Bevalt het nu zóó de freule?...



Het beviel Ellie wèl, en zij nam zich ernstig voor, de raadgevingen te
volgen van het kleine huzarenofficiertje, dat op een pouf in haar
blauwe boudoir als een volleerde modiste zat te spreken.

Eduard van Wedell had nu eenmaal een renommée onder de dames van een
kenner te zijn van vrouwentoiletten en, al plaagden ze hem er dikwijls
om, in ’t geheim werd hij door menig meisje van zijn kennisjes
geraadpleegd over dat allergewichtigste vraagstuk in het Haagsche
jongedames leven, het kiezen van een nieuw costuum. En het was bekend,
dat de mooie en toch zoo eenvoudige toiletjes van Ellie van Taats, waar
ze altijd zoo’n enorm succes mede had, meestal door haar stiefbroer
Eduard van Wedell, den kleinen huzaren-luitenant, waren uitgedacht.

Het liep nu tegen den zomer, en het nieuwe Kurhaus-seizoen was
begonnen. Het was tijd, dat Ellie met wat nieuws voor den dag kwam, en
zij hield eene conferentie met Eduard, even serieus of ze met eene
prima modiste uit Parijs in gesprek was.

Blond meisje als ze was, van het goudblond, dat gloeit van zomerstralen
op rijp koren, had ze haar boudoir, haar „toren” zooals ze het noemde,
van een exquis Peacock-blauw gemaakt Het was een boudoirtje als van
zooveel fijne, teêre dame-meisjes, met allemaal brooze, zachte,
breekbare dingen, met étagèretjes vol porseleinen miniatuur-poppetjes,
en satijnen poufs, en crapauds, en luchtige, lichte stoeltjes met
blauwe zijde bekleed. Een oud, italiaansch schrijfbureautje, véél te
fijn om ooit bij ’t schrijven op te leunen, een paar lage, turksche
tafeltjes, ingelegd met ivoor en paarlemoer, en een groote
standaardlamp van onyx, met een rond blad vol kleine Rozenburg-vaasjes
en fotografietjes, en een groote, blauwe kap. Een rand van hout met
blauw peluche langs een wand, met japansche pulletjes, en hier en daar
mandjes met groote strikken, en vooral ook foto’s naar heel bekende
schoonheden van Mora en Reutlinger.

Aan de wanden nog van die erg mooie, groote gravures in dofbruine
lijsten, „Das Mährchen”, en „Le Balançoir” en „Paul en Virginie in den
storm” en „De schoone Melusine bij het witte paard”, die dame-meisjes
nu eenmaal o! zoo beeldig en snoezig vinden. Op den grond, over een
donkerder vilten kleed, een Amersfoortsch tapijt van Colenbrander, van
een superbe pauwen-blauw, met dofgele ornamenten, voornaam en erg
zacht.

Op een ezel, rijk met draperie behangen, natuurlijk een groot portret
van de jonge koningin, door Kameke, het nieuwste dat van Hare Majesteit
was verschenen, van de vorstin, die immers het állereerste en
koninklijke dame-meisje was van den Haag!

En dan al die vage kleinigheden, die ’t hem juist doen, petits riens,
een boeketje hier, een fijn strikje dáar, en hier weer een bizonder
mooi boekbandje toevallig op een kleurig satijnen kleedje, al die broze
teederheidjes waar zoo’n onbewust meisjeszieltje intuïtief haar
behoefte om gracieus lief en zacht te doen in uit.

Zélf leek ze, met haar fijn, goud haar, haar licht-blauwe-droom-oogen
en haar rank, teêr figuurtje, véél meer een exquis, broos kunstvoorwerp
dan een vrouw voor het groote Leven. Als een vreemde, exotische
orchidee, gekweekt uit voorzichtige mengeling van allergevoeligste
essences, zóó scheen zij opgebloeid, in haar milieu van lichte, zachte
couleuren, omgeven van zijde en satijn, en van dingen, die alleen de
aanraking verdragen van heel eerbiedige vingeren en heel luchtigen stap
van voeten.

Het keurige, kleine huzaren-luitenantje dat bij haar zat, correct in
zijn nauwsluitende uniform, met zijn baardeloos, blank melk-en-bloed
gezicht, zijn kort, witachtig-blond haar, en even zachte blauwe oogen
als zij, leek ook niet zoo reëel en serieus als een officier moet zijn.
Er was iets van travesti, en iets van bijna miniatuur aan hem, dat óók
den indruk gaf van een héél teer, allersubtielst bloeisel, als een
allerláatst exemplaar van een bizonder, fijn ras, dat juist door die
tot het uiterste doorgekweekte, van alle andere verscheidenheden zuiver
gehouden verfijning, ten einde liep, van te zwakke vitaliteit door de
al te groote teêrheid van essences. Jonkheer Eduard van Wedell was dan
ook de laatste van een overoud geslacht, verzwakt door eene serie van
huwelijken in de familie, uit overgroote vrees voor vreemd bloed.

In het lichtblauwe boudoir, te midden van al die broze dames-dingen,
die zijden en satijnen poufs en kussens, die teêre, breekbare
stoeltjes, dat zachte tapijt, en die bij ál te harden voetstap
trillende étagèretjes vol miniatuur-poppetjes en pullen, leken die twee
echt Haagsche, mondaine wezens wel absoluut thuis, veilig en vertrouwd
tusschen al de luxe en het comfort, die hun eigen teedere natuur
completeerden.

Maar er was iets in hun beider distinctie en al te ranke gratie als van
kasplanten, of heel vreemde, uit verre sferen overgevoerde vogels, die
te teêr zijn voor wreede, koude winden buiten, en maar altijd binnen de
veilige muren moesten blijven van hun goede, warme huis. Want buiten is
het groote, harde Leven, genadeloos, en zonder piëteit voor wat apart
is en bizonder, dat groote, harde Leven waarin alleen het sterke,
grof-gezonde kan gedijen, maar al wat teêr en broos is droeviglijk moet
breken....



„Als je nu héel dankbaar bent voor zooveel eer,” zeide Ellie, „mag je
zelf meê naar de stad, waar ik de stofjes moet gaan uitzoeken. Je
dogcart staat tóch te wachten, dus dat is meteen een uitstekende
gelegenheid. Ik ga even bij Haefely en bij Emmerechts. Je zet me daar
dan heel netjes af, rijdt maar een kwartiertje in het rond, en komt me
daarna behoorlijk weêr halen. En ik beloof je plechtig, dat ik niet
langer zal noodig hebben. Natuurlijk neem ik de stalen mee naar huis,
want jij moet ze óók zien, en zóó kom je er niet af.... Het is nu drie
uur.... dan kunnen we net tegen half vijf nog even bij Monchen
inwippen.... Welk paardje heb je vandaag? De bruine Rosa?.... O ja, ik
zie haar al....”

Ze schoof even de gordijn wat op zijde van het balconvenster, en zag
beneden op straat de dogcart van Eduard voor de deur staan.

Een klein, broos wagentje, op heel luchtige veeren, glimmend in
vroolijke kleur van lichtgeel vernis. Het mooie paardje stond, den kop
trotsch, recht voor zich uit, onbewegelijk op de fijnen voorbeenen te
wachten. De keurige palfrenier, serieus, correct op den bok, starend
voor zich uit met een indrukwekkende ernst, als in diepe meditatie de
oogen naar één punt gericht.

„Zoo écht gezellig ziet dat bakje er toch uit, Pim. Laten we nu gauw
gaan,” zei ze.

Ze verdween door een zijdeur in haar slaapkamer, en kwam gauw weer
terug, met haar witte matelotje op, en haar manteltje over den arm. En
blij neuriënd trippelde ze met Pim de trap af, onhoorbaar, luchtig
zwevend over den zwaren looper.

Het wagentje veêrde maar éven onder den druk van het ranke dame-meisje,
dat met een vluggen zwaai van de treê op het voorbankje sprong. Eduard
nam de teugels, en de palfrenier klom op het achterbankje, waar hij
roerloos zitten bleef, de armen gekruist, met groote waardigheid. Toen
een klein rukje aan de teugels, een zacht, vleiend woordje, en de
bruine draafde met elegante, korte stapjes hoef-kletterend over de
straat.

Zóó gingen ze, luchtige, vluchtige, mondaine leventjes van bevalligheid
en elegante gratie, en reden in het broze, vaag-veêrende wagentje
lachend de lichte stad in van schoonen schijn en illuzie, die den Haag
is....



HOOFDSTUK II.


Pim was Ellie’s broertje. Hij was wèl twee en twintig jaar, en
luitenant bij de huzaren, maar toch zeide ze altijd haar broertje, en
nooit haar broer. Ook was hij eigenlijk in ’t geheel geen broer van
haar, maar dat deed er niet toe, zei ze.

De oude heer van Taats was kort na den dood van zijn eerste vrouw,
Ellie’s moeder, hertrouwd met de weduwe van Jhr. van Wedell, die haar
zoontje Eduard, toen pas vijftien jaar, medebracht. En zoo kwam het dat
Eduard met Ellie samen was opgevoed als broer met zuster. Maar hij was
Jhr. van Wedell en zij Ellie van Taats. Ze was heel gauw familjaar
geworden met haar nieuwen broer, en was de baas over hem gaan spelen
zoodra ze voelde, dat hij dol van haar hield. Zij was toen pas twaalf
jaar, en drie jaar jonger, maar toch was hij „broertje,” en Eduard was
een veel te serieuze naam voor hem. Pim, dát was goed voor zoó’n
ventje. En dus heette hij voortaan Pim, zijn leven lang. Hij had nooit
een zusje gehad, en was heel blij geweest, er een te krijgen. Het was
zoo heel nieuw voor hem, al dat broze, luchtige, reine en fijne aan
haar, waar hij zoo voorzichtig mede moest wezen, en waar je zoo heel
anders tegen doen moest dan tegen een jongen. Hij had een stillen
eerbied voor haar, omdat ze altijd zoo netjes was, nooit eens vuile
handen had, en zoo’n heel schoon, wit, sprookjesachtig
prinsessen-slaapkamertje bezat, waar allemaal broze en vreemde dingen
stonden, al was ze pas een klein nufje van twaalf. En zij, echt Haagsch
dametje dat ze was, had het dadelijk erg chic van hem gevonden dat hij
een jonkheertje was. En nogwel jonkheer van Wedell, een van de beste
namen uit den Haag, die iedereen kende!

Toen Pim op de Militaire Academie was, stierf zijn moeder, en was van
Taats voor de tweede maal weduwnaar, maar toch bleef hij zijn stiefzoon
als zijn eigen zoon behandelen, en als Ellie’s broertje. Hij vond het
wenschelijk, altijd door Eduard een band te blijven houden met de
aristocratie. Wel was het hem tegengevallen dat hij na zijn huwelijk
met een weduwe van Wedell zoo weinig toenadering van de beau monde had
ontvangen, maar tóch vond hij het wel deftig staan, een van Wedell als
zoon te beschouwen. Eduard zelf hield niet veel van zijn stiefvader,
wien hij niet meer dan den verplichten eerbied betuigde, maar om zijn
zusje vooral niet te verliezen, bleef hij als kind bij van Taats aan
huis komen. Hij was nu eenmaal het broertje van Ellie, al was hij de
zoon niet van van Taats.

Pim was de kleinste huzaren-officier van het leger. Daarom kon Ellie
ook nooit „broer” zeggen, maar altijd „broertje.” Hij vond het
onuitstaanbaar dat hij zoo klein was, maar deed net of het hem niet
schelen kon. Sommige officieren fluisterden wel eens, dat de heeren van
de keuring zich vergist moesten hebben, want dat van Wedell eigenlijk
onder de maat was. En Ellie praatte maar altijd over „broertje” alsof
hij nog een kleine schooljongen was, in plaats van een officier. Hij
had dan ook een heel zacht, fijn jongensgezicht gehouden, zonder een
spoor van baard of knevel, al was hij al twee en twintig jaar en ook
zijn licht, zilverig blond haar, op wit áf, dun zijde-achtig en
glanzend als het was, gaf hem het uiterlijk van een grooten knaap. Hij
had een mooi, slank figuur, en zijn uniform stond hem keurig, maar tóch
had hij altijd veel meer van een grooten jongen, die officiertje
speelde in travesti, dan van een heuschen krijgsman.

„Je hadt eigenlijk een meisje moeten worden,” zei Ellie altijd, „het is
heusch een vergissing geweest dat je een jongen bent geworden.—Maar
weet je waar je ook goed voor zou zijn? Voor een blonde page van een
prinses. Als ik de koningin was benoemde ik je tot page.”—

Dan lachte hij, of hij het heel aardig vond, maar in zijn hart vond hij
het beroerd, en het deed hem pijn. Ellie deed hem héél dikwijls pijn,
zonder dat ze het bedoelde, en daarom hield hij misschien juist zooveel
van haar.

Pim werd onder zijn kameraden een excentrieke vent gevonden. Als hij
niet Jhr. van Wedell ware geweest niet over zooveel geld had beschikt,
en niet zoo’n prettige trouwhartige vriendelijkheid over zich had
gehad, zou hij al lang onaangenaamheden hebben gekregen in zijn corps.
Het was bijna ongeloofelijk, zeiden ze, voor een officier, die
bovendien van adel was, maar Pim was in ’t geheel niet militairistisch
gezind, en had zelfs socialistische neigingen. Hij las allerlei „rare”
boeken, niet alleen gewoon socialistische maar zelfs anarchistische,
van Jean Graves en Kropotkine, en hij durfde te verkondigen, dat hij in
veel dingen met die schrijvers sympathiseerde. Ook was hij een soort
orakel onder de kameraden voor literatuur, en als ergens aan een der
officieren van het eskadron naar zijn oordeel over een boek werd
gevraagd, zeide hij altijd maar wat Pim er over dacht. Dan was hij
zeker dat het ook wel zoo zijn zou. Het was wel eens gebeurd, dat Pim
in een gesprek in vuur raakte en stellingen verkondigde, die gevaarlijk
konden worden voor zijn carrière, maar nooit had een van de kameraden
hem verraden, en wat ze van géén ander verdragen zouden, vergaven ze
hèm gaarne. Ook namen ze hem eigenlijk niet heelemaal au sérieux. Hij
was zoo klein, zoo jongensachtig met zijn blanke, baardelooze gezicht,
en die heel licht-blauwe, zachte meisjes-oogen, en daar leek hij zoo
weinig gevaarlijk mede. En hij was zoo goedhartig in alle dingen, zoo
ridderlijk en zoo altijd bereid een kameraad te helpen. „Die goeie
Pim,” zei iedereen van hem die hem kende, en vijanden had hij nooit
gehad, al zei hij somtijds zulke gevaarlijke dingen. Eéns waren ze bang
geweest dat het mis zou loopen. Hij was met een peloton naar Rotterdam
gecommandeerd, waar een oproertje was van werkstakers, en ze wisten,
dat hij zich had uitgelaten, dat die kerels in den grond recht hadden.
Toch was hij moeten gaan, gehoorzaam aan ’t consigne. En ’t was heel
anders geloopen dan ze dachten. Op een critiek moment, toen er een
catastrophe dreigde, had kleine Pim de oproermakers gechargeerd, en er
geducht op los laten slaan. Ze hadden hem zelfs in de kranten
gesignaleerd, en de „Sociaal-Democraat” had hem een waren afstammeling
genoemd van de roofridders en tyrannen uit de middeneeuwen. Toen hij
terugkwam wilden ze hem allen feliciteeren met zijn kranig gedrag, maar
hij had hun in vertrouwen gezegd, dat hij zich schaamde. Hij was
driftig geworden, zeide hij, woedend om hun scheldwoorden, hun
beestachtige door hartstocht verwrongen tronies—God! wat waren die lui
leelijk! En wat vuil! en wat stonken ze!—en toen ze zijn huzaren met
steenen gooiden had hij ruim baan laten maken, en er zelf óók op
ingeslagen. Maar nu schaamde hij zich eigenlijk, bekende hij. Want die
kerels hadden gelijk, en dat ze zoo beestachtig waren, kwam omdat ze in
de misère waren opgegroeid van uitbuiting en ontbering. Maar toen een
intimus hem eens serieus vroeg, waarom hij dan officier was geworden,
en nóg officier bleef, antwoordde hij, dat hij dat zelf niet wist. Maar
hij wist het heel goed. Hij was officier geworden omdat Ellie het zoo
gewild had. Ellie had hem altijd gezegd, dat ze alleen trotsch op haar
broer zou blijven als hij officier bij de cavalerie werd. Dat had ze
zich nu eenmaal in haar hoofd gezet. Haar broer, Jhr. Eduard van
Wedell, luitenant van de huzaren, dat stond nu eenmaal! En natuurlijk
was het dan ook gebeurd.

Pim was veel liever in de letteren gaan studeeren. Van kinds af aan was
hij dol op literatuur geweest. Maar toen hij pas zijn zusje had
gekregen en ze hem gezegd had, dat hij cadet moest worden, had hij het
heel gehoorzaam gedaan. Toen was er in de drukke studiejaren weinig van
lezen gekomen, maar sedert hij tweede luitenant was geworden, was hij
weer veel aan literatuur gaan doen. Zonder leiding las hij maar alles,
wat hem onder de handen kwam, en in ’t begin was zijn smaak nog al
onzeker, maar langzamerhand begon er zich toch een idee in hem te
vormen, wat voor hem het mooi was, dat aanpaste aan het innigste en
liefste van zijn ziel. Toen was hij ook zoo goed en zoo kwaad als het
ging aan filosofie gaan doen, en hij was Spinoza, Kant en Schopenhauer
gaan lezen, en had zich zelfs verdiept in brahmanisme en boeddhisme.
Maar Pim was niet sterk genoeg om er zelfbewust uit te komen. Hij had
niemand in zijn omgeving, die hem kon helpen en was te veel in beslag
genomen door zijn officiersbaantje, om uit die omgeving weg te gaan. Er
was geen denken aan, om ontslag te nemen uit den dienst en te gaan
studeeren. Dat wilde Ellie niet.

En Ellie was het eenige hoûvast in zijn leven.

—Zijn zwakke natuur, te zwak om door den schijn van décepties en
leelijkheden heen de hoogste schoonheid te vinden in de literatuur en
de filosofie, en te sterk, om het gewone leventje van de menschen om
hem heen zoo maar als gewoon en goed aan te nemen, had zich héélemaal,
willoos, zonder denken, in zalige onbewustheid overgegeven aan dat ééne
gevoel: de liefde voor zijn zuster. Dat was eigenlijk het eenige, waar
hij een steun aan had, waar hij van leefde. Zonder Ellie zou zijn
geheele leven geen raison d’être meer gehad hebben, en alles om hem
heen zou in elkaar gevallen zijn, als bij een catastrophe. Hij leefde
nu eenmaal heelemaal alléén van Ellie. Van het oogenblik af aan dat
hij, als een kleine jongen van veertien jaar, in eens voor het fijne
blonde meisje had gestaan, in haar mooi wit-en-blauw kamertje vol
broze, teedere dingen, en ze hem gezegd hadden: „dit is nu je zusje”,
was hij met zijn heele ziel van haar gaan houden en had hij haar eene
aanbidding gewijd of ze een godin was. Ze had hem dadelijk bij de hand
genomen, en de baas over hem gespeeld, of ze véél ouder was dan hij.
Hij was dan ook niets grooter dan zij geweest, want ze was vroeg
gegroeid, en toen hij vijftien was leek hij veel jonger.

Intuïtief had het kleine meisje gevoeld, dat ze een macht over hem had,
en dat ze hem regeeren kon precies zoo als ze wilde. En altijd had ze
die macht over hem gehouden. Ze had gewild dat hij cadet werd, en later
luitenant bij de huzaren. En daarom was hij dat nu ook; hij had wel
gemoeten.

Door zijn vele lezen van alles door elkaar en zijn zwakke, ál te
droomerig bespiegelende natuur had Pim eigenlijk nergens een hoûvast in
zijn leven. Het was hem nog alles zoo onzeker en vaag, waar hij dacht
van te houden, en dikwijls verloor hij heel veel moois, waar hij
enthoesiast mede gedweept had, weer een paar dagen daarna, als hij
onder andere indrukken was gekomen. Zelfs van de dingen, waar hij in de
literatuur en de kunst het mééste van hield, was hij nooit heelemaal
zeker, dat ze hem op een gegeven dag weêr niet afgenomen zouden worden.
Hij was ook te veel passief dilettant en te weinig scheppend artiest om
iets groots welbewust in zich op te nemen en vast te houden als een
deel van eigen onsterfelijk en onafneembaar wezen. Ook menschen kende
hij evenmin als dingen, en er was eigenlijk niemand op de wereld, ook
onder zijn beste kameraden niet, die onverbrekelijk met zijn eigen
bestaan samenging.

En zijn gehééle zelf liet hij nu, zonder te weten waarom, op dat broze,
fragiele, liefelijke wezentje rusten van mooiheid en teêrheid, dat
Ellie was.

Ellie was voor hem nu eenmaal het centrum van zijn geheele leven, dat
alleen met háár bestond. Van haar leefde hij, en alles wat òm en bij
haar gebeurde, en wat maar eenigszins met haar in verband stond, maakte
de heel gewichtige gebeurtenissen van zijn leven. Al de andere dingen,
de dienst in het eskadron, en wat er in den Haag alzoo voorviel en de
wereldgeschiedenis van het buitenland en zoo, zij waren er óók wel,
maar voor hém was het hoogste, van direct belangzijnde, en vóór alles
gaande: het leven van zijn zuster, Ellie van Taats.

Een héél enkelen keer was hij wel eens aan ’t bespiegelen gegaan, en
had hij zich afgevraagd: „Wat zie ik nu eigenlijk in Ellie? Wat voor
bizonders is er aan haar? En is ze nu zoo’n apart superieur wezen?”
maar daar was hij al gauw mede uitgescheden, omdat hij het te dol vond
om daarover te redeneeren.—Want hij zag niets in Ellie, dat wist hij
héél goed. En er was ook niets bijzonders aan haar, gelukkig niet. En
ze was ook volstrekt niet buitengewoon knap of geleerd—o jee! dát
heelemaal niet, het leek er niet naar!—en een superieur wezen, zooals
waarvan je in boeken leest, was ze ook al niet.

Maar hij hield van Ellie eenvoudig omdat ze Ellie was. Dat leek nu wel
heel nonsensachtig, omdat het natuurlijk geen reden was, maar toch was
het zoo klaar als een klontje, vond hij. Omdát ze Ellie was. En Ellie
was nu eenmaal Ellie.

Dát bestond weer wèl heel apart.

Er was niets op de heele wereld dat nu eenmaal zoo was als Ellie. Als
hij niet bij haar was waren alle dingen net of er eigenlijk nog iets
aan mankeerde. Bijvoorbeeld een mooie dag, en een mooie natuur buiten,
dat was toch niet je dát, als hij niet met Ellie samen liep. Maar als
ze bij hem was kwam alles pas weer in orde. Dan was hij een andere
kerel van binnen en voelde hij een harmonie in zich, of alles in de
wereld wel in orde was. Zoo bijvoorbeeld ook als hij alleen in een
kamer zat, en ze kwam binnen. Dan werd het er immers veel intiemer, of
er een licht was binnen gekomen en alles werd ineens zooveel klaarder
en helderder. En dan voelde hij zich zoo lekker van binnen, of nu
eigenlijk alles pas in hem was zooals het hoorde.

En dan, wat mooi aangaat vond hij, zelfs in de grootste kunst, of de
beste literatuur, is er toch nooit iets zóó moois, dat zóo leeft, en
zoo heelemaal echt en waar is, als het mooi van een mooi meisje. Dát is
toch altijd het prachtigste wat er is. Hij had wel eens hooren zeggen:
„wat is dat nu, een mooi meisje, dat is toch geen verdienste!” Maar hij
vond dat wel degelijk een héél groote verdienste. Zelfs als zoo’n
meisje niet bijzonder fijn voelde of niet veel wist, of niet erg
ontwikkeld was.—Een mooi meisje is toch nog mooier dan een mooie bloem.
En denkt een bloem? Is een mooie bloem ontwikkeld?

Ellie was véél mooier dan de mooiste bloem, dan de schitterendste ster
aan den hemel, vond hij. En dát was het vooral, het gevoel dat niets in
het leven, of de literatuur, of de kunst hem kon geven, het gevoel van
nu héélemaal tevreden en voldaan te zijn van rustig, zéker, veilig
geluk, dat altijd zal blijven, en nooit minder worden, dat gaf hem
alleen het mooi van Ellie’s meisje-zijn. Een lijn van haar hals, een
ronding van haar arm, de om-van-te-weenen teedere lelie-witheid van
haar borst, de fijne omtrek van haar enkel, een eenvoudig
handgebaartje, een vriendelijk knikje, álles, álles van haar was mooi,
en het was méér dan mooi, het was lief, en intiem, en vertrouwd, ja,
het was goed. Goéd, dat voelde hij zóó, dat als je bijvoorbeeld heel
ellendige dingen dacht, van misère, en onrecht, en wreedheid en zoo, en
je twijfelde aan alles, dat je dan ineens, enkel door een lief
gebaartje van haar hand, of door het voelen van de vriendelijkheid van
haar lachje, wist, dat álles tóch in orde, dat álles malgré tout tóch
goed was. Nu leek het wel, of er in ’t geheel geen verband kon bestaan
tusschen háár en al de wereld-dingen buiten haar, maar tóch voelde hij
het zoo voor zich.—En zij was zelfs het centrum van al die dingen, dát,
waarom ze eerst waarde voor hem kregen. De mooiste: een mooie
schilderij, een mooi vers, en mooie muziek, ze gaven hem een heel groot
geluk, maar toch wist hij, dat wat hij voor Ellie voelde, véél inniger
nog was dan het gevoel voor die schoonheid.

Zijn teêre, een beetje meisjesachtige ziel was eigenlijk wat schuchter
en bang in het leven dat hij om zich heen zag. Het kwam misschien door
zijn lichtelijk anemiek gestel, door het wat zwakke, fijne, edele bloed
van een te oud geworden, te weinig vermengd aristocratenras, maar hij
was niet erg hartstochtelijk van temperament, en de harde ruwheden van
passie, die hij òm zich wist, irriteerden hem met een afkeer van vage
walging. Hij wist dat het kinderachtig werd gevonden, en hij er met een
soort medelijdende verachting om werd aangekeken, maar hij had in ’t
geheel geen neiging voor wat zijn kameraden „de vrouwen” noemden. Wel
moest hij enkele keeren meêdoen aan jongeluis-fuifjes, en kwam hij bij
die gelegenheden met Haagsche vrouwen van minder-allooi in aanraking,
maar hun platheid en hun ongracieuze, ruwe manieren hadden hem altijd
gechoqueerd, en nooit was hij met ééne van haar intiem geworden. Hij
voelde heel goed het lieve en aantrekkelijke van enkelen, die nog een
mooi figuurtje en een prettig, lachend gezichtje hadden, maar zoodra
hij een grof woord hoorde of een lichtelijk obsceen gebaar zag, was
zijn afkeer grooter dan zijn zinnelijke opwelling kon zijn. Hij werd
dan ook een unicum in het corps gevonden, omdat hij nog „maagd” was,
zooals ze dat noemden. Je bent óók „Le Vierge”, had van den Bergh van
de grenadiers, een van zijn goede kennissen, tegen hem gezegd, toen zij
samen in de stad het boek van Valette met dien voor hem zoo vreemden
titel eens voor een boekwinkel zagen liggen.—En dat was Pim ook altijd
gebleven. Dat hij daarom niet slap of verwijfd was, had hij bewezen bij
de laatste Clingendaal-wedstrijden, toen hij den grooten hurdle-race
had gewonnen, en hij werd dan ook algemeen voor den besten ruiter van
het regiment gehouden. Maar zijn ziel neeg nu eenmaal naar het zachte,
fijne, teedere, meer dan naar het harde, bruyante, en hevige.

En Ellie was het zachtste, fijnste, teederste wat er voor hem bestond.
De droomerige schijn in haar diepe, blauwe oogen, de rozige blos op
haar wangen, het lelieë blanke van haar huid, haar vriendelijk, zacht
sopraanstemmetje, haar gracieuze bewegingen en gebaren, en al de broze,
ijle, blanke, fluweelig aanvoelende dingen, die bij haar behoorden,
alles van en òm haar was aangepast aan zijn ziel, en gaf hem
behagelijke, wèldadige rust. Er was een atmosfeer van maagdelijkheid om
haar heen, waarin hij zijn ziel voelde als een lelie in heilige lucht.
Zóó was het goed, in háár sfeer, zóó met dat blanke, en zachte, en
kuische, en zóó was hij tevreden, niets méér verlangend, in rustig
evenwicht van geluk....

En het was haar kinderlijke blijheid, haar onwetende, onbezorgde
vroolijkheid, die hem zelf óók er bovenop hielden. Het enkele feit dat
zij bestond, en hier op de aarde liep te lachen en plezier te hebben,
maakte dat hij zich eigenlijk óók altijd gelukkig voelde, al zag hij
vlak in de droefste waarheden, die hem somtijds ineens aankeken vanuit
den anderen kant van zijn bestaan, dáár, waar Ellie niet was. Die
konden hem toch nooit ongelukkig maken, en hem zóó aanpakken, dat hij
de veilige overzijde er voor altijd voor overliet, waar hij in de
vreugdesfeer van Ellie leefde. Hij kon niet ongelukkig zijn en ook niet
zijn leven besteden aan het helpen van ongeluk en het strijden voor wat
hij waarheid en recht wist, zoolang Ellie er was om zich aan te wijden.
Omdat zij er was, voelde hij zijn leven, zooals hij het nu leefde, als
goed en wèlbesteed. Zij vulde zijn geheele bestaan, dat geen leegte
kende zoolang zij er was, en ook geen behoefte had aan méér dan haar.
Intieme vrienden had hij dan ook weinig behalve één, die eigenlijk te
groot voor hem was om intiem te durven zijn, wèl goede kameraden en
kennissen, die aan de oppervlakte van zijn leven veel bij hem waren.
Hij ging erg joviaal met hen om, en dacht zelf ook wel, dat zij beste,
intieme vrienden van hem waren, maar als hij hen allen eens verloren
had zou hij tóch niet ongelukkig of eenzaam zijn geweest, als Ellie
maar overbleef. Ook hield hij veel meer van zijn paarden en honden. Die
waren zoo héélemaal wáár en eenvoudig, vond hij, en zoo gemakkelijk om
te begrijpen. Je kon er zoo op áán, en ze waren zoo oprecht in hun
simpele natuur. Balder en Isolde, zijn lievelingspaarden, waren hem
lief als de beste vrienden, en hij werd zelden gezien zonder een van
zijn mooie honden, Hector, een pracht van een pointer, Karl, een groote
koningspoedel en Jim, een fijne fox-terrier van het edelste ras. Jim
was de favoriet omdat Ellie hem zoo vertroetelde en zoo dikwijls kuste.

Pim was bij de Haagsche uitgaande jongemeisjes erg gezien, en had
overal vriendinnetjes, in de meest verschillende kringen, maar zij
behandelden hem eigenlijk allen meer of min als een soort prettigen
broer, wien ze alles konden vertellen, en met wien ze vrij en intiem
konden omgaan, zonder een mogelijke „partij” in hem te zien. Hij was
haar te veel verwant, door het zacht-vrouwelijke in zijn natuur, en het
was somtijds of hij eigenlijk óók te veel meisje was, en het haar
daardoor onmogelijk zou zijn, op zoo iemand te verlieven. Ook was hij
voor een man te klein, en te weinig forsch. Hij was wèl een mooie
jongen, erg blank, erg aristocratisch, maar een beetje té mooi, te veel
naar het vrouwelijke toe, met dat soms nog zoo kinderachtig lijkende,
baardelooze gezicht, en die zachte, onschuldig-blauwe oogen, als van
een maagd.

„Je bent niet flink genoeg tegenover vrouwen,” zei zijn vriend de Sandt
wel eens, „ik zou bijna zeggen je bent niet bruut genoeg. Zoo’n héél
klein beetje bruut, dat heb je eigenlijk noodig tegenover vrouwen. Je
bent altijd zoo poeslief, kerel, en daar houden ze niet van, geloof
me!”

En Pim voelde het ook wel, dat hij eigenlijk geen kerel genoeg was, en
dat hij door de meeste meisjes zoo’n beetje als een soort broer werd
behandeld die niet gevaarlijk kon worden. Zelfs in een stad als den
Haag, waar zooveel besproken wordt en de kleinste incorrectie stof tot
laster geeft, was nooit gekheid gemaakt op zijn intiemen omgang met
Ellie, die toch eigenlijk geen zuster van hem was, en met wie hij zich
elken dag in ’t publiek vertoonde. Van een ander in zijn plaats zou
misschien gesproken zijn, maar niet van hem. Hij was immers maar „de
kleine Pim”, „het kleine huzaartje”, dat geen kwaad zou doen! Maar hij
wás nu eenmaal zoo, hij kon er niets aan doen, en hij verlangde ook
niet anders. Zijn weinig onstuimige natuur, waarin nog geen hartstocht
was uitgebarsten, had volstrekt geen behoefte aan hevige sentimenten,
en gloeiende kussen, en hoog-gaande liefde-scènes, die het bijna
religieus mooie van rust en vrede, dat hij in meisjes zag, voor hem
zouden bederven. Hij had genoeg aan de gratie van hun wezen, en als er
maar een mooi meisje bij hem was, met fijne lijnen en gevoelige
gebaren, was het of een liefelijke harmonie van muziek zacht door de
stille onbewustheden van zijn maagdelijke ziel klonk. Hij was haar
dankbaar, alsof zij hem áldoor groote weldaden bewezen, alleen als ze
maar mooi waren; en gracieus, en gevoelig, en een rank figuurtje, een
nobel-gewelfde buste, een paar fijne, blanke handen waren de groote
vreugden van zijn leven, dat nu eenmaal bestond van wat bevallig, lief
en aangenaam van rythme, en kleur, en gebaar was.

Dat luchtige wezentje van niets dan uiterlijkheid en schijn, dat
teedere en „frêle objet d’art” dat het echte Haagsche dame-meisje is,
had Pim bestudeerd zooals een kunstkenner schilderijen. Hij wist de
vage geheimen en nuances van haar toiletten als een ingewijde, kon voor
dit of dát meisje een costuum teekenen, als een artiest van het vak, en
zag als bij intuïtie welke fijne nuance van kleur alléén paste bij
welken toon van haar, en welken teint van gelaat. Goede, intieme
kennisjes raadpleegden hem zelfs bij het inkoopen van dasjes en linten,
en vroegen zijn oordeel bij het kiezen van een kleur zijde of satijn
voor een toilet. En het was bij hem zonder een zweem van poenerigheid
of pedanterie, dat hij zoo’n specialiteit was op dat gebied, waar hij
als man niet behoorde, het was enkel de artiest in hem, die genoot van
de kleuren en lijnen van mooie vrouwen, even oprecht en innig als een
andere zijn vreugde vindt in de mooie natuur van luchten en
landschappen en horizonnen buiten.

Een mooi meisje kon bij hem geen kwaad doen, en hij dacht er nooit diep
over door, dat de schoonheid, waar hij zoo van genoot, toch maar schijn
van buiten was, en daarom nog géén afspiegeling van ziele-mooi van
binnen. Het ephémère, vluchtige, onbeduidende van al die
fladder-leventjes viel hem niet op, in zijn verrukking over het
liefelijk rythme hunner verschijning. „A thing of beauty is a joy for
ever”, dat was zijn antwoord, als iemand hem verweet, dat hij te veel
naar ’t uiterlijke mooie van vrouwen keek. Dat die vage schoonheid als
die van vlinders en bloemen is, die dra vergaat, hij wilde er liever
niet over denken. Hij dúrfde ook niet, hij was er te zwak voor, en hij
was véél te blij, dat het goed ging met zijn leven, zooals het nú was.
Met die meisjes-, en vrouwen-vereering, en als innigste uiting daarvan
zijn reverentie voor Ellie, die bijna een godsdienst was, zóo
onvoorwaardelijk en blindelings van geloof, stond of viel zijn geheele
bestaan.

Hij voelde absoluut niet als „verliefd” op Ellie, en hij had ook nooit
gedacht dat zijn innige houden van haar iets anders zou kunnen zijn dan
de groote vriendschaps-gehechtheid van een broer. Natuurlijk hield je
toch véél meer van je zuster dan van anderen, vond hij, dat sprak van
zelf. Het feit, dat ze in ’t geheel niet zijn zuster wás, dat ze
eigenlijk precies voor hem was als ieder ander meisje, zag hij absoluut
niet, juist omdat het zoo vlak voor de hand lag. Als hij intiem met
haar in haar boudoir zat, en hij haar, bijvoorbeeld als zij jarig was,
weleens kuste en door haar gekust werd, zooals hij dat gewoon was te
doen, sedert dien dag, dat hij voor ’t eerst in haar kamer had gestaan,
dan was dat niets bizonders voor hem. Hij was toch haar broer! Ook was
hij er nooit onrustig of zenuwachtig van geworden, en had hij zich nog
nooit verlegen tegenover haar gevoeld. Het gaf hem juist zoo’n
weldadige, behagelijke rust, bij haar te zijn. Heelemaal niets van
geagiteerdheid of zoo. Zóó als het nu was tusschen hem en Ellie, was
het goed, en dat was juist het heerlijke voor hem, dat voldane,
tevredene, veilig-weldadige, dat als een zachte harmonie in hem vloeide
als hij bij haar was. Als hij niet voor haar voelde of ze zijn zuster
was, als hij haar anders liefhad dan als een goede kameraad, die tevens
artiest was, en met vreugde het mooie genoot van haar uiterlijke
verschijning, dan moest dat gevoel in de verre onbewustheden van zijn
diepste wezen slapende zijn, als een kind in moeders schoot, dat nog
niet bewogen heeft.



HOOFDSTUK III.


Toen Ellie van Taats zestien jaar was, had haar vader haar op een
kostschool gedaan van de Hernhutters, in Neuwied.

Daar was ze bizonder streng opgevoed, met orthodox-christelijke
principes, en het geheele onderwijs was van godsdienstige
bespiegelingen doortrokken, als van een essence. De groote evenementen
in het jongemeisjesleven daar bestonden uit de predikingen van een’
geliefden, jongen dominé. Alle meisjes dweepten met hem, en aanbaden
hem als een heilige, die Jezus Christus naderbijkwam in vroomheid en
geloof. Er waren er, die zwoeren, afstand te doen van alle aardsche
dingen, en hun geheele leven aan den godsdienst te wijden. Een geest
van fanatisme ging over de pensionaires.

Ellie’s jong, ontvankelijk gemoed kwam al heel gauw onder den indruk
van haar omgeving, en zij schreef opgewonden brieven naar huis over den
godsdienst, die haar vader verbaasden. Langzamerhand werd het al erger.
Zij verweet zich, dat zij eene zondares was, jammerde over de kleinste
tekortkomingen, als een jokkentje of een klein koketterietje, en
verheerlijkte den geliefden dominé in vurige, pathetische bewoordingen,
als een nieuwen Heiland.

Ten laatste hinderden haar geëxalteerde brieven haar vader zóó, dat
hij, toen zij pas een jaar op het pensionaat was geweest, besloot, haar
maar weer thuis te nemen, vóór het te laat was. En zoo kwam Ellie op
haar zeventiende jaar van de kostschool in den Haag terug.

In ’t begin nog onder den indruk van den geest van vroomheid en
„Entsagung”, die haar een jaar overheerscht had, wilde zij niets van
het mondaine leven weten, en weigerde zij beslist om uit te gaan. Maar
binnen een paar maanden had het Haagsche leventje haar inééns ingepakt
en was het dwepende bakvischje van de kostschool een echt Haagsch
„dame-meisje” geworden.

De oude heer van Taats, die een afkeer had van godsdienstdwepen en
fanatisme, had alles gedaan om Ellie van haar religieuze droomerijen af
te brengen.

Hij had zijn ongetrouwde nicht Joséphine in huis genomen, en haar
opgedragen, voor Ellie een slaapkamer en een boudoirtje zóó in te
richten dat zij niets meer zou kunnen verlangen. Hij bewoonde een
groot, nieuw gebouwd huis op de Koninginnegracht éven voorbij de brug
van de Javastraat. Zooals de gewoonte was geworden bij den bouw van de
Haagsche nieuwe huizen, was aan ééne zijde een soort toren uitgebouwd,
in imitatie van oude kasteelen. En in dien toren was Ellie’s boudoir,
zoodat ze zich wel eens verbeeldde, een prinsesje te zijn, en het
altijd met zekeren trots haar „toren” noemde. Nicht Joséphine moest met
Ellie de nieuwste en beste toiletjes gaan bestellen, die bij de
voornaamste modistes waren te krijgen, en kreeg carte blanche, om alles
aan te schaffen, wat een deftig dame-meisje uit den Haag maar noodig
kan hebben.

Daar was Ellie al gauw voor bezweken, en de godsdienstige dogma’s en
strenge leefregels waren uit haar zieltje verdwenen voor de charmes van
elegante toiletjes en wereldsche amusementen. Binnen korten tijd was ze
aan bevriende families en kennissen gepresenteerd, en was het bekend,
dat Ellie van Taats „uitging”.

Zij werd lid van een tennisclubje, van een fietsclubje, en van een
dansclub, ging naar het Kurhaus, naar de opera, en naar concerten, en
van het dwepende, vrome kostschoolmeisje was eindelijk niets meer over
dan een vage herinnering in haar, dat ze ééns zoo’n vreeselijk nuchter,
dom gansje was geweest, dat nog niets afwist van de wereld.

Ze had nu wel wat anders te doen dan bijbellezen en de aanteekeningen
uitwerken, die zij maakte onder de preêken van den geliefden dominé.

Ellie’s leven werd het geheele jaar door gevuld door de verschillende
Haagsche amusementen, en nooit voelde zij haar bestaantje leeg van
verveling.

’s Winters, als het mooi weer was, maar vooral in de lente, nam de
tennis-club haar in beslag. Dat werd dan een tijdje een „rage” bij
haar, en ze ging er héélemaal in op. Ze werd dan een echt
„tennis-meisje”, zooals Pim dat plagend noemde, en den geheelen dag
praatte zij over rackets, en scores, en games, of het de gewichtigste
dingen van het leven waren. Ze was bekend als een goede, ijverige
speelster, zoolang het Kurhaus haar nog niet van het spel aftrok. ’s
Ochtends vroeg fietste ze naar de terreinen van Leimonias, kwam om één
uur even terug om koffie te drinken, en peddelde om twee haastig weer
weg naar de lawn. Ze had een echt gezellig clubje van dame-meisjes en
jonge heeren, en was zelfs als Presidente gekozen in de commissie, waar
haar voornaamste bemoeiingen bestonden in het arrangeeren van fuifjes
en het zorgen voor fijne schoteltjes. En ze was er zóó populair, dat ze
van drie heeren tegelijk de sleutels had van de délicatessen-kistjes,
waaruit ze somtijds de dames fijne sweets presenteerde, een eerepostje
van vertrouwen, waarop alle tennis-meisjes trotsch zijn. Zij was dan
ook een echte favorite in het clubje. In die tennis-periode was het
groote evenement in haar leven als zij op de score-tafel mocht zitten,
om het koord te houden. Op het bal in de Théater-zaal van het Kurhaus,
na een groote match, had zij haar balboekje een week te voren al vol,
en de beste spelers vroegen haar altijd om in de heeren- en
dames-double met haar uit te mogen komen.

Er was iets in dat tennissen, dat precies aanpaste aan haar luchtige,
bewegelijke natuur. Zóó voelde ze zich heelemaal zooals ze wezen moest,
als ze met vlugge stapjes over het tennis-veld vloog, en met sierlijk
gebaar serveerde, of met een bevallig zwaaitje de racket omhoog wierp
bij het tossen. Ze had dan iets eigenaardig lichts in haar rythmisch
bewegen, als een vogeltje, dat de vlerken uitspreidt en straks vliegen
gaat. Ze tenniste meestal in heel eenvoudige, witte costuumpjes,
waaraan ze door smaakvol aangebrachte strooken en kanten en volants
iets wuivends, heel luchtig transparants wist te geven, dat bizonder
mooi deed in ’t loopen.

Eens, jaren geleden toen ze nog een bakvischje was en ze wijde
pofmouwen droeg, die in een sterken wind heen en weer wapperden, had
Pim lachend, zonder bedoeling, gezegd, dat ze wel een vlindertje
daarmee leek. Later had hij dat, bij het tennissen, nog eens herhaald
en ineens, zooals het met bijnamen gaat, was het tennisclubje haar
„Vlindertje” gaan noemen. Kennissen hadden het gehoord, en weêr aan
anderen overgebriefd, en zóó was Ellie ineens in den Haag „het
Vlindertje” geworden, dat bijna iedereen van aanzien kende.

Pim vond het in ’t begin erg jammer, dat hij haar zoo een bijnaam had
bezorgd, maar later, toen hij wist, dat ze het eigenlijk wel aardig
vond, had hij het juist uitstekend gevonden. Want was ze niet echt een
vlindertje, zijn zuster? Fladderde ze niet net zóó, onbewust, op
gracieuze rythmen, blank en blij door het leven, en zocht ze niet geluk
in alles wat lief en licht was van kleur? Was ze niet even broos en
teeder als een vlindertje, om even voorzichtig mee om te gaan, en enkel
te beroeren met fijne, eerbiedige vingeren? Was er iets mooiers te
bedenken om met Ellie te vergelijken, dan zoo’n transparant, gevoelig
wezentje van rythme en teêre kleur, zacht-wiegelend in licht en blijden
zonneschijn?

Ook als zij op haar fiets zat, met het luchtig wapperende rokje om de
fijn gelijnde beenen, en de broos-geënkelde voetjes vlug rondvliedend
op de pedalen, leek ze wel zoo’n rythmisch lucht-wezentje,
voortfladderend in zwierigen zwaai van bevallig gebaren.

En als Hagenaars over haar spraken was het zelden over Ellie van Taats,
maar bijna altijd over „het Vlindertje.”

Als nicht Joséphine of pa haar wel eens beknorden, dat zij zoo weinig
thuis was, en altijd maar uitging, zeide ze zelf lachende: „Maar ik ben
toch immers het Vlindertje? Die zit immers nooit stil? Die fladdert
toch altijd uit, van ’t eene op ’t andere!”

Ook ’s winters was er genoeg te doen voor een dame-meisje als zij. Daar
had je ten eerste „de stad” ’s middags. „De stad,” dat is de
Hoogstraat, de Veenestraat, de Spuistraat, de Passage, de Lange Pooten,
de „stad” zooals je nergens in Holland, ook niet in de Kalverstraat in
Amsterdam, iets zóó gezelligs terugvindt. In „de stad” gaat zoo’n
dame-meisje met een oude dame of met eene vriendin „boodschappen doen,”
of als ze ’t heel deftig zegt „shopping”, ontzachelijk gewichtige
wereld-dingen, als stalen zien bij Emmerechts of Haefely, handschoenen
koopen bij Laimböck, schoenen aanpassen bij Berenbak, lintjes en dasjes
uitzoeken bij Michel, onmisbare nietsjes bij Manusje van Alles,
snoeperijen bij Krul of Sprecher, fijne broodjes bij Lensvelt Nicola,
en o! zooveel prettige comissies méér. Vooral tegen St. Nicolaas wordt
dat echt gezellig, als het overal zoo druk is, en de winkels op hun
mooist zijn. Dan trippelt zoo’n dame-meisje heel geäffaireerd over het
trottoir, verbazend ingespannen met kleine pakjes aan touwtjes, of àl
haar gedachten gewijd zijn aan het lastige, moeilijke shoppen. Maar het
is niets dan lieve schijn, dien ze om zich doet, want ze gaat in „de
stad” zooals ze ’s zomers naar het Kurhaus gaat, alléén om van haar
liefelijkheid aan de menschen te laten zien, en bewonderd te worden, en
zich begeerlijk te maken. Ze weet ook wel, hoe charmant die
gewichtigheid van „boodschappen doen” haar staat, en ze weet op welk
uur ze die en die kan tegenkomen, en eerbiedig gegroet worden door
dezen en genen. Daar heeft zoo’n wezentje van glans en gratie nu
eenmaal behoefte aan, en ze ziet ook in „de stad” alleen het prettige
en aangename, dat haar streelt en huldigt, en ze gelooft in den
schoonen schijn. Je ontmoet er al de kennissen, en blijft even wat
staan praten op het trottoir, of in een winkel, je loopt eerst
heelemaal naar het Plein om iets te bestellen, gaat dán in ’t
Noordeinde iets halen, en bedenkt dán ineens dat je in de Pooten iets
„vergeten” hebt, om nógeens door „de stad” te kunnen teruggaan, en
omdat je dan tóch bij Sprecher of Monchen bent heb je ineens dollen
lust in gebakjes of een plombière en een likeurtje. En als je naar
Monchen gaat moet je langs „de Witte,” dan moet je heel zedig vóór je
kijken, want daar zitten heeren die je kent, en je ziet ze tóch
allemaal, ofschoon je niet dien kant op moogt kijken. Want een Haagsch
dame-meisje ziet altijd iemand eerst recht als ze in ’t geheel niet
naar hem kijkt. Ook vóelt ze, bij intuïtie, dat iemand naar háár ziet
en haar bewondert, al loopt die iemand achter haar, zoodat haar oogen
hem niet bemerken. En zonder die intuïtie zou „de stad” niet zoo
aantrekkelijk voor haar zijn.

Ook voor Ellie was dit de eigenlijke charme van „de stad,” al was ze
het zich niet zoo precies bewust: bewonderd te worden door heeren. Maar
ook alléén het bewonderd worden, en het gegroet worden, en het
terug-groeten, en niets meer. Ze vond het aangenaam die en die tegen te
komen, ze vond het van den een prettiger dan van den ander, en knikte
dien dan ook vriendelijker toe; ook zou ze de hulde van al de heeren,
die zij kende, niet graag gemist hebben, maar naar méér dan dat
verlangde ze niet. Zóó was het nu juist gezellig, zóó was het goed, en
het moest ook maar altijd zóó blijven. En ofschoon ze het met haar
vriendinnen altijd heel druk had over engagementen, en of die wel die
zou vragen, en of het waar was, dat het àf was tusschen Klaasje en
Pietje; ofschoon ze ook doordrongen was van de onvermijdelijkheid dat
ten slotte háár dame-meisje-tijd ook ééns zou moeten uitloopen op een
verloving, en dat daar ook eigenlijk al dat „uitgaan” op gericht was,
en op niets anders, toch had ze nog absoluut geen lust om zelf al
zoover te wezen, en kon ze zich niet voorstellen, dat ze ooit zooiets
doen zou. En er was juist zooiets pikants in het idee, dat er onder al
die duizenden menschen ergens één rondliep die ééns haar man zou
worden, en dat ze geen flauw idee had hoe hij er wel uit zou zien,
evenmin als hij van haar. Maar dat het niemand was van de heeren die ze
nú kende, dáár was ze zeker van. In dat uitgaan, uitgaan en aldoor maar
uitgaan van zoo’n dame-meisje als Ellie ligt onbewust een altijd
zoeken, zoeken naar den Eéne, die érgens wezen moet, en wien ze haar
gehééle charme van ongerept maagd-meisje dan inééns genadiglijk zal
geven....

Ze wist wel, dat heel veel van haar kennissen zich niet verloofden uit
enkel liefde, en ze hoorde dikwijls de materieelste dingen uit den mond
van meisjes, die er uitzagen als liefde-godinnetjes, en toch niets dan
berekening over geld en positie in haar denken brachten over een
aanstaanden man, maar zíj was vastbesloten, alléén te trouwen met
iemand „waar ze van hield,” al was dat „houden” een vaag en verward
begrip voor haar, omdat ze het nooit diep in zich gevoeld had.

Er was nú nog maar alléén het genot van het zich mooi aankleeden in
elegante toiletjes, van zich daarmede onder andere menschen te bewegen
en dan bewonderd te worden, en er was de pret die je hadt op
partijtjes, en de conquêtes die je deed op heeren, zoodat ze je het hof
maakten en allerlei aangename, vleiende dingen zeiden, waar je wel eens
om bloosde, en er was vooral de vroolijkheid en het lachen, het
heerlijke, uitgeschaterde, weldadige lachen, dat zoo goed doet aan een
onbezorgd, levenslustig jongmeisje. Er was „de stad,” en de fransche
opera of de hollandsche komedie zoo nu en dan, tennisclub met de
matches, en in de Theaterzaal van het Kurhaus het bal daarna, en er was
de dansclub in het Hôtel des Indes, ééns in de 14 dagen, met
tusschenbeide een groot bal in serieus decolleté-toilet met souper. Die
heerlijke dansclub-avondjes, zoo gezellig, allemaal jongelui onder
elkaar, met twee mama’s er bij, voor de convenance, met Gaillard of
Bino als dansmeester, en zoo tusschenbeide muziek van de Polackjes! En
dan de fietsclub, als het mooi weêr was, en de dinertjes, en de
soireetjes en de sauterietjes bij haar zelf aan huis, die ze zoo
amusant wist te arrangeeren!

Een bal was nog het verrukkelijkste van alles, vooral als er een goede
cotillon bij was. Daar kwam ze gloeiende van opgewondenheid van thuis,
de handen vol bloemen en eereteekenen, die ze behaald had van de
heeren, sterretjes, en decoraties en broches en allerlei kleinigheidjes
van den cotillon, die ze lang bewaarde. Ze had haar hééle balboekje
volgehad, en ál de extra dansen, ze was den geheelen cotillon door in
de weêr geweest en had geen rust gehad, en verbeeld je, ze had een wals
en de quadrille gehad met den spaanschen attaché, den graaf de Testas,
die er ook was, en haar door Pim was voorgesteld. Dat kreeg de oude
heer van Taats dan den volgenden morgen in een vloed van opgewonden
woorden te hooren en hij vond het heel natuurlijk, dat zijn Ellie, die
het mooiste meisje van den Haag was, zoo werd gefêteerd.

Maar haar vreugde over de dansen met den adellijken diplomaat kwam
alleen daarvan, dat ze, als elk Haagsch dame-meisje, idolaat was van de
hooge aristocratie, niet omdat zij den graaf zelf zoo bizonder
aantrekkelijk vond, en al haar genot op zoo’n bal was alleen om de
hulde, en het dansen en het geluk en al den rijkdom van het bal. Maar
de diepste, heiligste onbewustheden van het maagd-zijn, waar ééns de
liefde uit oprijst als zij er niet eeuwig slapen blijft, waren ongerept
gebleven in al die glorie van feestende vreugde.

Zóó ging Ellie den winter door in eene aaneenschakeling van pretjes,
wáár er maar gelegenheid toe was. In de lente, als de winteramusementen
ophielden, ging ze op in tennissen en fietsen. Maar al het plezier, dat
zij ’s winters had genoten en al de dolle pret die ze soms op de
clubjes had, was voor haar toch nog niets bij wat de zomer haar zou
brengen. Want als de Philharmonische Kapel in ’t land kwam, en het
bad-seizoen begon, verflauwde haar ijver voor de tennis- en de
fietsclub, en het Kurhaus werd nu een ware rage. Het tennis-meisje was
dan ineens Kurhaus-meisje geworden.

Hoe blij was Ellie geweest, toen het eindelijk Juni was en het Kurhaus
open voor het eerste concert! Dat werd nu haar tweede huis, voor vier
maanden lang, een huis, waar ze met een heeleboel net gekleede,
mondaine menschen samen in woonde, en waar ze haar vaste plekje in had,
haar fauteuil in vak A, de vierde rij van achteren, dicht bij de
diplomatie. En je moet echt Haagsch dame-meisje zijn als Ellie, om de
volle heerlijkheid van zoo’n groot en toch gezellig huis te beseffen.
Daar komen al de nieuwe toiletjes van ’t seizoen, van uit alle steden
van Europa, russische, hongaarsche, duitsche, engelsche, daar komen al
de intieme kennissen uit den Haag, en al de menschen, die je ’s winters
tusschen twee en vijf in „de stad” ziet, en daar komt de hooge
aristocratie, en al de chic uit de diplomaten-loge in de opera. Dat is
juist zoo gezellig, dat die daar nu allemaal zoo door elkaar in een
zelfde zaal zitten, voor dezelfde prijzen, huiselijk en gelijk. Den
Haag is net genoeg een kleine stad om zoowat alle uitgaande menschen
van aanzien met elkaar bekend te maken, en zóó had Ellie in haar tweede
huis, het Kurhaus, een massa kennissen die ze, al had zij die ook nog
nooit gesproken, toch niet graag zou gemist hebben, omdat ze in zekeren
zin eigenlijk tot haar familie, de Kurhaus-familie, behoorden. Dát was
juist het in-gezellige en knusse van het Kurhaus-leventje, zoo’n groote
familie te hebben in dat zelfde, ééne, groote huis, die allemaal
hetzelfde genot hadden en, ofschoon onbekend, toch allemaal elkaars
trouwe opkomst noodig hadden om het er eerst recht aangenaam en mondain
te maken.

Ook was nergens zoo’n verrukkelijke pantoffel-parade als in de pauze op
het terras. Daar haalde nu eenmaal niets bij. Je ontmoette er nu
letterlijk iederéén. En door daar stelselmatig iederen dag en avond met
trouwe geregeldheid te komen, ontstond er een soort stille, zwijgende
verstandhouding tusschen de verschillende wandelaars. Onwillekeurig
gaven ze elkaar blikjes van herkennen, bijna als iets van aanmoediging
en dankbaarheid, dat ze er alweer waren, dat ze de prettige, gezellige
boel gaande hielden, waar ze zoo van genoten.

Dat heerlijke zitten voor Ellie in haar fauteuil, bij ’t begin van ’t
concert, en ook éven bijtijds vóór ’t begin van ’t tweede gedeelte! Dan
kon je zoo op je gemak iedereen zien binnenkomen, en al de toiletjes
één voor één opnemen, en er met degene waar je mee was, over praten.
Wat lief zag Annetje Wesman er weer uit, en wat een keurig costuumpje
had freule Herthe aan! Wat durfde Lize van Elsmeet een breeden, grooten
hoed dragen! Dat ze niet bang was voor opspraak! En wat waren die
pikzwarte nonnatjes van resident Lachmann toch dom om zulke gloeiende,
vuurroode blouses altijd te dragen! Kijk, daar had je „het hoedje”
weer, net als verleden jaar, nog altijd even snoezig en popperig! „Het
hoedje” was een van de bekendste Haagsche Kurhaus-typen, een eigenlijk
niet jong meer zijnde dame, een weduwe van Beloo, uit de deftigste
kringen, die al groote kinderen had. Maar, als wilde ze verstoppertje
spelen met den ouderdom, schuilde ze zich weg in de luchtigste,
keurigste jongemeisjes-toiletjes, licht crême of licht roze, en tooide
zich met in heel Scheveningen beroemd geworden hoedjes, broos en teêr
als bloemenbundeltjes op haar mooie, zwarte krullen, en kinderlijk-lief
onder de kin vastgehouden met zijden keel-bandjes, van een werkelijk
allercharmantst effect. En met haar exquis figuurtje, haar altijd
schitterende, donkere oogjes, en haar altijd liefelijk glimlachenden
mond, was ze werkelijk een zonnestraaltje in het Kurhaus, dat menig
jong dame-meisje jaloersch maakte. Zonder „het hoedje”, zooals men haar
noemde, zou het Kurhaus niet meer compleet zijn geweest. En altijd,
zonder ooit een keer over te slaan, keek Ellie naar de voorste
fauteuils in vak C, of ze er wel was. Ze had een geheime sympathie voor
het deftige weduwvrouwtje, omdat ze in haar de verwantschap voelde om
óók, als zij, er zoo lief en prettig mogelijk uit te zien, en vroolijk
te lachen tegen de lieve, gezellige, aangename, mondaine wereld.

Heel gewichtig was voor Ellie ook de hoek van de diplomatie, waar ze
vlak bij zat, waar ze heimelijk expres een plaats dicht bij had
genomen, om er vooral goed naar te kunnen zien. Als alle echte Haagsche
dame-meisjes had ze een stille, eerbiedige vereering voor de hooge
aristocratie, de diplomaten en de hof-clique. Wèl werd ze door een paar
van de heeren er uit gegroet, en knikte ze ook wel eens tegen enkele
dames, wèl ontmoette ze ook hier en daar van die zoo bevoorrechte
wezens, maar, dát wist ze heel goed, het eigenlijke, intieme,
exclusieve chic-kringetje van den Haag was voor haar gesloten. Het was
héél moeielijk om daar vasten voet te krijgen, als je niet zelf van
heel ouden adel was. Ze had het wel eens zoo wat geprobeerd, en als elk
dame-meisje zou ze er alles voor over hebben gehad, maar het was niet
gelukt, en nu had ze er zich bij neêrgelegd. Ze was nu al heel blij,
als de spaansche attaché, de graaf de Testas,—een grof, dikbuikig
kereltje met een rood slagersgezicht,—met wien ze eens gedanst had,
haar groette, of de markiezin de Beauregard, de vrouw van den franschen
gezant, haar een genadig knikje gaf. Het was een genot voor haar, de
toiletten van al die vreemde, adellijke dames te bekijken, en te zien,
hoe ze onder elkaar deden, in dien heerlijken, ontoegankelijken kring
van uitverkorenen.—Het pikantste in die menschen vond Ellie, dat zij
konden doen, wat andere menschen niet konden, en dat dan toch nog
bizonder chic van hen werd gevonden. Bijvoorbeeld dat vrouwtje van dien
poolschen graaf en haar russische vriendin, die kakelden en babbelden
hardop onder een vioolsolo of een heel zacht adagio, zóódat andere
menschen wien het hinderde, omkeken, en toch stoorden ze er zich
volstrekt niet aan, en gichelden maar hardop door. Héél chic was ook,
om midden onder muziek binnen te komen, en dan met veel lawaai
fauteuils open te kleppen, en nog even een praatje te maken, hardop,
zonder om de stoornis te denken.—

Wat Ellie óók heerlijk amusant vond, was een vriend van Eduard, een
schrijver, Frederik van Klaerbeke, die een echte melomaan was, en een
fauteuil vóór haar had. Die zat altijd in een soort stomme extaze, met
zijn hoofd diep gebogen, naar de muziek te luisteren, en als er in de
buurt wat leven werd gemaakt, werd hij eerst zenuwachtig onrustig, en
keek dan met vernietigende blikken woedend om zich heen, of hij van
plan was een moord te begaan aan de rustverstoorders.—

Zóó waren er nog méér types in haar fauteuil-omgeving, die er nu
eenmaal bij hoorden. De twee half doove oude juffrouwen, die allebei
een knevel hadden, en de drie nonnatjes, met van die intelligente
aapjes-gezichtjes, die zoo met de r rolden, en de mama met het blauwe
meisje, dat er zoo lief uitzag, en maar één japonnetje scheen te
hebben. En dan nog zooveel anderen, die je geregeld avond aan avond
terugziet, en die daardoor altijd heel eventjes een beetje in je leven
komen, net als de dingen uit de omgeving van je huis dat nu eenmaal
doen. Je hoort van dezen of genen hun namen, je weet waar ze vandaan
komen, en zóó had Ellie heel veel van die Kurhaus-bekenden, die ze
nooit gesproken had, maar die haar toch een beetje intiem waren, van
wie ze zoo langzamerhand al de toiletjes wist, zóó, dat het haar opviel
als ze wat nieuws aan hadden, en die ze altijd met prettige herkenning
iederen dag terugzag in het groote, lichte Kurhaus, waar al die
menschen het samen zoo echt Haagsch gezellig voor haar maakten.

Ze hield natuurlijk ook dol van muziek, want ieder Kurhaus-meisje houdt
daar nu eenmaal van, en ze verbeeldde zich ook, dat het heel serieus
was, wat ze van muziek voelde. Ze kende van de programma’s een
heeleboel moderne composities, en sprak mede over Glazounow, en
Tschaikowsky, en Borodin en Richard Strauss. En ze verheugde zich op
een vrijdagschen symphonie-avond, met een symphonie van Brahms, en een
Beethovensch viool-concert door Witek. Ook kende ze zoo wat het geheele
orchest, en wist, als ze er een paar musici buiten van tegenkwam,
precies te zeggen of het een violist was, of een clarinettist, of een
bazuinblazer. Voor Rebicek, met zijn eeuwig vriendelijk, mondain
glimlachje, die toch zoo heerlijk en vol feu sacré dirigeeren kon, had
ze een soort stille vereering en ook een zekere dankbaarheid, dat hij
haar elken avond zooveel genot gaf, alsof hij dat ook persoonlijk aan
háár had bedoeld.

Maar nooit imponeerde de muziek haar zóó, of zoodra het stuk uit was,
had ze toch haar gewoon vroolijk, lachend lief-doend gezichtje van
dame-meisje, dat in de eerste plaats in het Kurhaus komt om gezien te
worden en zelf te zien. En het prettigste er van was toch eigenlijk het
wandelen op het terras in de pauze, langzaam, met Haagsche
pantoffel-paradestapjes het vierkant om, tusschen allemaal net
gekleede, wel-verzorgde, uitzijnde, mondaine menschen.

Zij zag al die chic gekleede, deftige Haagsche wereld, meneeren en
mevrouwen, nu eenmaal als allemaal beschaafde, deugdzame, fatsoenlijke
menschen, menschen uit de beste kringen, die weten hoe ’t behoort, en
die smaak hebben, en amusant zijn. Zij twijfelde er ook niet aan, of de
meesten van die menschen waren goede menschen, die goede dingen deden,
de élite, zoowel zedelijk als van stand. En het was nu eenmaal prettig
om als mooi, deftig jong meisje daar onder te loopen, een gracieus
costuumpje aan te hebben, en bewonderd te worden. Het streelde haar
ook, anderen mooi te zien, omdat ze gelukkig was met mooie kleuren, en
vormen, en lijnen. Al die drukte en die bevallige beweging maakte haar
vroolijk, en daarom lachte ze tegen het leven, en was blij dat ze er
bij was, dat ze óók haar deel mocht hebben in die algemeene blijdschap
en al dat plezier, en dat ze óók jong en lief was om te zien, zoodat ze
allemaal naar haar keken, en er zooveel eerbied en reverentie was in
den blik van de heeren, die haar groetten. Zij vond het nu eenmaal
heerlijk, in dat lichte, luchtige Haagsche leven lief te doen en lief
gedaan te wezen.

Maar in ál den gloed van de hartstochten om en vlak bij haar, die ze
niet zag, was haar maagdelijke ziel ongerept gebleven, en achter den
schijn van bijna verliefde coquetterie en flirtspelletjes, die als
dame-meisje nu eenmaal om haar was, had nog geen passie gebrand, en lag
nog onontroerd de kalme rust van het maagdelijke, in vredig evenwicht
bewaard.

En in al haar pogen om er toch maar aantrekkelijk en adorabel uit te
zien, waarin ze haar teer maagde-lijfje op het voordeeligste liet
uitkomen, was niet de minste berekening om met andere invloeden te
werken dan die van liefheid en vriendelijkheid van bevallige ronding en
kleur.

Dat onschuldige, bijna kinderlijke mooi willen zijn en van mooi houden
uitte zich het karakteristiekste in die twee woordjes, waar zoo’n
dame-meisje het voor háár hoogste schoon in uitdrukt: „beeldig” en
„snoezig”. Een schilderij, een boek, een fotografietje waren „beeldig”,
een hoedje, een kindje, een hondje waren „snoezig”, en dat waren de
sterkste uitingen van haar mooivinden. Beeldig en snoezig zijn, dat was
het innige, lieve doel van haar leven, waarnaar zij streefde in ál haar
doen van alledag, en dat zij ook héélemaal bereikte. Ze was niet een
regelmatige beauté, daar was ze niet forsch, niet „fesch” genoeg voor,
en er was nog eigenlijk te veel van het kind in haar, met te
weifelende, vage vormen, om een mooie vrouw te zijn, maar er ging een
lieve, warme vriendelijkheid van haar uit, die onweêrstaanbaar was. Zóó
als zij lachte géén ander meisje, met zoo’n zonnige, oprechte
vroolijkheid, en er was in haar geheele áankomen, op haar luchtige
pasje, met het fijne, ranke gebaren van haar slank, virginaal lijfje
iets als het bewegen van een lieve melodie. En haar grootste charme was
het maagdelijk reine van haar blik, het onschuldige aanzien van haar
lichtblauwe oogen, waarin haar ongerepte ziel in vertrouwelijke
overgave, vreezeloos en zonder erg, lag te glanzen.

Wel was het leelijke heel dikwijls voor de oppervlakte van haar leven
gekomen, en, Haagsch meisje als zij was, had ze dikwijls gepraat over
schandaaltjes met haar vriendinnen, en had ze ook wel eens in haar
omgeving gewaagde dingen hooren zeggen, maar toch was het wezen er van
nooit diep in haar doorgedrongen. Zij dacht, als negentienjarige jonge
dame, wèl goed op de hoogte te zijn, en heusch geen kind meer, maar
achter de vage, verwarde voorstellingen, die zij van de levensdingen
had, lag een absolute onwetendheid van hun ware wezen, omdat nog géén
vlam van hartstocht was opgeslagen uit de onbewustheden van haar
maagd-zijn. En zonder erg liep ze met haar meisjeslichaam lief en
verleidelijk te doen, zonder eigenlijk te weten, hoe ver de charme
ging, die zij er mede verspreidde. Alleen vond ze het prettig, dat ze
mooi gevonden werd, en men haar fijne complimentjes zeide, en de heeren
haar het hof maakten, zooals zij dacht vol eerbied.

Haar parade-loopen op het Kurhaus-terras was dan ook niets anders dan
een onbewust wèggeven van haar vriendelijken, mooien schijn aan al de
menschen, en het terug genieten van den lieven schijn der anderen. Daar
had ze nooit genoeg van, dat was haar een behoefte geworden, even
vertrouwd als die van het licht en de lucht, en dag aan dag, avond aan
avond begon zij het blijde spel op nieuw, dat altijd belangrijk en
verrukkelijk was, en nooit verveelde. Zij had het al een paar jaren
gedaan, en zou zich kunnen voorstellen, dat het alle jaren zoo duurde.

En dit seizoen was het nog heerlijker geworden dan vroeger. De
winkelgalerij en het nieuwe rotonde-café „de la Plage” waren geopend.
Dat was weer een héél nieuw, apart genot geworden. Dat gezellige zitje
onder die rotonde, buiten, op een „snoezig” groen rieten stoeltje, aan
een tafeltje en dan onder het snoepen aan een Plombière of een Mélange
al de menschen te zien voorbijgaan! Na half vijf vooral, als het
middagconcert uit was, dan met Wies en Pim, en nog een paar kennissen
te zitten, als de drukte op zijn ergst was, en al de heeren na vieren
uit den Haag even kwamen overwippen om daar een bittertje te nemen. Op
zoo’n mooien, open dag met blauwe lucht, met vóór haar de groote,
glanzende zee, en al die vroolijke, lachende menschen, waaronder ze
zelf mooi en voornaam was, zoo echt intiem met vertrouwde kennissen, en
met overal de zonneschijn over de dingen, voelde ze zich dol gelukkig
als een vogeltje, blij met het licht en het leven.

Dán naar huis gaan, in ’t karretje van Pim, of in de electrische tram,
gaúw even kleeden, dan eten, even koffie inschenken, en dan weer
dadelijk terug naar het Kurhaus, voor het avondconcert. En later, als
’t kón, nog niet dadelijk naar huis als het uit was, maar nog éven naar
Berenbak, of nog liever naar de Kurhaus-bar, waar de Zigeuners
speelden. Daar kon het zoo gezellig zijn, zoo echt sans-gêne, soms wel
eens een beetje te rumoerig, ordinair, maar daar lag juist weer een
beetje pikants in.

Eindelijk weer naar huis, éven in de courant kijken, en naar bed, om
den volgenden morgen hetzelfde leventje weer te beginnen, en even naar
het strand te fietsen, vóór de koffie, van tien tot twaalf, in een
lucht morgenjaponnetje, heel eenvoudigjes.

Naar andere gelegenheden ging ze nooit. De Dierentuin was te bourgeois
geworden, en het Bosch vond ze vervelend. Hoe was het mogelijk, dacht
ze, dat er vroeger niets anders was dan dát!

Want er was niets dat háálde bij Scheveningen, bij haar Kurhaus vol
mooie muziek en licht en prettige menschen, haar tweede huis, waar ze
zich zoo dol amuseerde in al de gezelligheid van het verrukkelijke,
mondaine leven.



HOOFDSTUK IV.


Niet enkel de zachte droomerige ziel van Eduard van Wedel leefde van
Ellie’s luchtig, liefelijk licht vlinder-wezentje, want ook voor haar
vader was zij het groote, éénig reëele hoûvast van zijn bestaan.

Mr. van Taats was een typische Haagsche figuur, bekend bij iedereen,
die het Haagsche leven goed medemaakte. Hij was een van die
karakteristieke oude heeren, die eeuwig ’s middags tusschen vieren en
vijven in „de stad” flaneeren, in den bedriegelijken schijn van
eerwaardigheid en deftigheid van mannen op jaren, die hun volk en hun
vorst trouw en ijverig hebben gediend, maar dan ook nu van een
welverdiende rust mogen genieten. Ze zijn nog erg licht en jong
gekleed, en loopen nog met vrij elastischen stap, alsof de fut er nog
lang niet uit is, en ze nog best van het leven kunnen genieten. En de
demi-mondainetjes kennen hen allen, weten dat ze goed betalen, en maken
hen gelukkig met knipoogjes en lonkende blikjes van verstandhouding,
als ze stiekem blijven staan voor een winkel, quasi bekijkend de
étalage. Daar maken zij de oudjes lekker mede, die zich dan nog zoo
echt „jong” voelen. De oude van Taats vooral was een goede bekende van
de dametjes uit de buurt van het Bezuidenhout en de Fluweelen Burgwal
en het Hollandsche Spoor. De meeste vrouwen, die iets beteekenden in de
galante wereld, had hij gehad, en ieder ingewijde wist dat híj het was,
die het beruchte blonde Antje in de kleeren hielp, dat er altijd zoo
copurchic uitzag, en haar vriendinnen de oogen uitstak met de nieuwste
Parijsche toiletten van Hirsch.

De vrouwen waren altijd de groote, alles overheerschende hartstocht
geweest van van Taats. Zijn eerste vrouw, Ellie’s moeder, was ziek
geworden van jaloezie, toen ze hem aldoor betrapte op overspel van het
ordinairste soort. Toen was ze een jaar later gestorven. Naaistertjes,
kinderjuffrouwen, dienstmeisjes, die bij hem in betrekking waren, geen
vrouwelijk wezen was voor hem veilig. Het was een rage, een obsessie,
maar alle vrouwen, die er maar een beetje aantrekkelijk uitzagen en
onder zijn bereik kwamen, wekten zijn wilden hartstocht op. In een
krankzinnigen roes van passie had hij zijn geheele leven vergooid aan
de vrouwen, niets ontziende, zelfs de vrouwen van zijn vrienden niet,
als hij maar ergens gelegenheid zag om wat hij noemde van een
buitenkansje, een „bonne fortune”, te genieten.

Naar buiten was hij altijd even respectabel en fatsoenlijk gebleven en
wie hem niet kenden zouden in het ordinaire, ietwat dikbuikige
mannetje, met dat stereotiep voorkomen van algemeen geacht, notabel
ingezetene, niet meer dan een gegoed, alledaagsch, welgedaan bourgeois
hebben vermoed.

Als kamerlid had hij zich een goeden naam gemaakt. Maar in eene
vreemde, nooit tot klaarheid gekomen zaak, waar niemand het fijne van
wist, maar waar véél over gefluisterd werd in den Haag, en waarin
eenige hoofdambtenaren en notabelen betrokken waren, was ook zijn naam
genoemd, en men gaf dit algemeen als reden op dat hij dit jaar niet
herkozen was. Niemand wist er echter iets bepaalds over te zeggen en
daarom deed de zaak geen nadeel aan zijn positie van algemeen geacht,
fatsoenlijk man. Door zijn tweede huwelijk met een douairière van
Wedell was hij geparenteerd geworden aan de beste beau monde van het
land, en, al was hij er nooit in geslaagd, erg intiem te zijn met die
aangetrouwde aristocratische betrekkingen, toch werd hij er geregeld
ontvangen, en brachten zij hem beleefdheidsbezoeken. En daar hij zich
verder uiterlijk aan al de conventies hield van de burgerlijke
maatschappij, op zijn tijd visites maakte, kaartjes pousseerde, op de
societeit kwam, en een groot, deftig ingericht huis op de
Koninginnegracht hield, bekommerde men er zich weinig om, hoe hij
verder achter de schermen zijn privé leventje doorging. Wèl werd er wel
eens, gefluisterd dat de oude van Taats, van wien je ’t zoo niet zou
zeggen, een stille „pierewaaier” was, maar hij was immers weduwnaar, en
nog kras genoeg om op zijn twee en vijftigste jaar niet als een monnik
te leven!

Van Taats wist wel voor zich, dat zijn leven eigenlijk een mislukt,
pieterig klein ding was met zijn eeuwige geloop achter de vrouwen, maar
hij voelde ook, dat hij er niets meer aan doen kon. Hij moest, en kon
niet anders, of hij wilde of niet. En die hartstocht, die eerst nog
iets moois had gehad van onstuimige, opbruisende, onbreidelbare
levenskracht, was naarmate van Taats heviger leefde en ouder werd,
ontaard. Hij had te veel van zijn vitaliteit gevergd en zijne
uitspattingen waren ten laatste meer cerebraal dan reëel geworden.

Toen was hij langzamerhand afgedaald tot mindere, onwaardiger dingen
dan gewone débauches met één enkele vrouw, en hij was in de „basse
misère” aangeland, proevend van de verfijnde, savante geheimenissen der
allerláátste voldoeningen. Hij scharrelde met entremetteuses van
verdachte rendez-vous, en kreeg toegang tot strenge, allerexclusiefste
gelegenheden, waar zelfs de meest ingewijde in de Haagsche
chronique-scandaleuse nog niet van had gehoord. In die verre, ongure
duisternissen van ontaarden hartstocht liep zijn leven langzaam,
langzaam leeg, en hij had er zich bij neêrgelegd, wetend dat hij geen
kracht had, er iets tegen te doen, en het beschouwend als een soort
noodlot, waarmede niet te vechten valt, en dat toch in elk geval
aangenamer en inniger sensaties geeft dan alcohol of zooiets. Dat hij
zich van buiten zoo voordeed als een fatsoenlijk, notabel burger was
ook niet zoozeer huichelarij en valschheid van hem, als wel heimelijke,
onbewuste schaamte, als van een oude, respectabele dame, die het niet
weten wil, en stiekem achter het gordijn voor het venster een flesch
portwijn heeft staan. Hij wilde ook zijne familie en zijne kennissen er
geen aanstoot door geven, en deed dan ook al zijne uitspattingen strikt
alléén. Nooit nam hij een ander er over in confidentie, niemand was
ooit getuige geweest van zijn buitensporigheden.

De lage wellusten waren hem nu eenmaal de baas, maar niemand gunde hij
ooit te zien dat hij hun slaaf, hun nieteling was. Zóó lag er nog
eerder trots dan schijnheiligheid achter zijn bedriegelijken schijn van
fatsoenlijk, conventioneel bourgeois. En diep in de onbewustheden van
zijn ziel verscholen lag een schaamte over zich zelf, dat hij zoo’n
zwakkeling was, zoo’n laffe kerel eigenlijk, die maar met zich sollen
liet wat zijn noodlot wilde en nu in het duister, achter de coulissen
van het leven, als een sluiperige dief moest nemen, wat zijn lage
wellustjes begeerden.

Maar buiten dat donkere, louche leven, op een geheel ander plan, in een
geheel andere sfeer, als het beste in hem, dat er in geslaagd was, zich
af te zonderen van al ’t lagere, bloeide, rein als een blanke
waterlelie, die zich uit duisteren poel verheft, zijn liefde voor
Ellie. Dat was het eenige, wat hij van zijn leven had rein gehouden.
Het was te ver boven al dat donker, dat er nooit bij kon, het éénige
edele en heelemaal zuivere, dat ooit uit zijn ontaarde ziel was
opgerezen tot het licht. En hij koesterde die liefde met iets van het
gevoel van den ter dood veroordeelden moordenaar, die in zijn
gevangenis een zacht, blank duifje liefheeft, als éénigen, laatsten
troost.

Juist alles wat hij negeerde, wat hij besmette en ontwijdde, en waar
hij onmeedoogenlijk laffen, lagen moord aan deed, hij aanbad het in
zijn dochter, met een soort sombere, wanhopige vereering, die iets diep
tragisch in zich had van onverbiddelijke tegenstrijdigheid met zijn
eigen bestaan.

Hij verafgoodde Ellie met een liefde, die in haar groote innigheid
bijna de boete was voor al het leelijke in zijn duister leven.

Het was, alsof hij aan háár goed moest maken, wat hij aan de Vrouw zijn
geheele leven misdaan had, en hoe lager hij die had neergehaald in zijn
uitspattingen, des te hooger zag hij haar ideale beeld in zijn dochter.
Het was misschien véél onbewust égoïsme, want uit de behoefte
voortgekomen om toch iets moois en reins in zijn leven te hebben, maar
de liefde, die hij Ellie wijdde, was het eenige ware en oprechte in
zijn geheele bestaan. Gewoon om naar buiten den fatsoenlijken,
eenvoudigen heer te spelen, terwijl hij inwendig wel wist, hoe die
geheele houding leugen en bedrog was, voelde hij zich somtijds als een
tooneelspeler in het leven staan, die steeds op zijn tellen moet
passen, dat hij niet uit de rol valt, en zoo was er in zijn omgang met
familie en kennissen iets doorloopend onechts gekomen, dat hem inwendig
hinderde. Maar hij wist vast en zeker, dat, wáár hij ook in veinsde,
zijn liefde voor Ellie absoluut waar en zuiver was. Tegenover haar
voelde hij ook niet, alsof hij iets voor haar verborg. Want voor háár
bestond het leelijke eenvoudig niet, vond hij. Haar leven was in een
geheel andere sfeer, waar het leelijke niet aan grensde, en vanwaar je
het ook nooit kon zien. Zij leefde nu eenmaal in de sfeer van het
licht, waar al de mooie en goede dingen woonden, die in het duister van
zijn verborgen leven niet konden tieren. En de gedachte aan den dood
van zijn eerste vrouw, die door zijn schuld zenuwziek was geworden en
gestorven was, deed hem een groote schuld voelen tegenover Ellie, alsof
hij haar moeder van haar had afgenomen, en persoonlijk tegenover háár
misdadig was geweest. Hij leed somtijds wel degelijk onder het noodlot
van zijn leven, en zou er misschien al reeds lang met een kogel een
einde aan hebben gemaakt, als Ellie niet bestaan had, die de eenige
reine vreugd gaf aan zijn bestaan. En zoolang hij háár maar had, en hij
maar wist dat zij van hem hield, voelde hij de misère niet zoo diep van
zijn ignobel gedoe in het duister.

Hij had haar dan ook van jongs afaan bedorven als een echt
troetelkindje. Het mooiste was niet mooi genoeg voor haar, en alles wat
ze maar wenschte, wist hij voor haar te krijgen. Toen ze nog kind was
sjouwde hij zelf dikwijls met allerlei speelgoed onder zijn arm door de
stad, en speelde er met haar mede of hij haar kameraadje was. Na den
dood van haar moeder had hij een ongetrouwde nicht in huis genomen, een
oude vrijster, die al haar opgekropte hartegevoel aan het kind wijdde,
nu zij wel wist, er nooit een te zullen krijgen, en aan Ellie alle
zorgen besteedde, die een moeder maar had kunnen hebben. Zóó was Ellie
als een echt lievelingetje van allen opgegroeid, verafgood en
vertroeteld door haar vader, door Pim, en nicht Joséphine, over wie ze
danig de baas speelde. Toch hield Ellie nooit zooveel van haar nicht,
als zij misschien van een moeder zou gehouden hebben. Nicht Joséphine
was weinig in haar leven, en werd nooit intiem met haar. Ellie
beschouwde haar meer als een dame, die het huishouden deed, en tegen
wie ze wèl vriendelijk en beleefd, doch daarom nog niet vertrouwelijk
moest zijn. In haar altijd druk in de weêr zijn met het huishouden, het
eeuwige nazien van linnenkasten en haar naloopen van de dienstboden,
vond Ellie iets burgerlijks, dat haar hinderde. Nicht Joséphine
bemerkte wel, dat zij Ellie’s hart niet kon vinden, maar dit
verminderde haar liefde niet voor het meisje, dat geen moeder had. Dat
ze zóó geen onuitstaanbaar meisje was geworden, was alleen te danken
aan de karakteristieke, aangeboren zachtheid en vriendelijkheid, die
haar eigen waren. Er was nu eenmaal een neiging in haar, om tegen
iedereen lief en aangenaam te wezen, en ook liefheid in anderen op te
wekken door haar altijd blij en vroolijk zijn, vol onbezorgden pret. Er
was nog geen enkel diep, groot gevoel in haar, maar de natuurlijke
vreugde-glans van haar wezen deed iedereen prettig aan, met wie ze in
aanraking kwam, zooals ook een zonnestraal doet, en een lachende bloem.

Van Taats leefde eigenlijk twee levens, die als met een lijn van elkaar
afgescheiden waren, dat, waar Ellie bij was, het samenzijn met haar
thuis en met haar uitgaan, en dat, waarin hij alleen was. Door een
merkwaardige psychologische eenvoudigheid in hem, waren die twee levens
bijna geworden als het wakker zijn en het in den slaap handelen van een
slaapwandelaar, al was er altijd iets van beider bewustheden gemengd.
Als hij thuis was, gezellig in de salon, met zijn maagdelijk, gracieus
dochtertje in haar zuiveren onschulds-schijn, kon hij zich somtijds
niet voorstellen, hoe hij in donkere krochten van verborgen
zonde-misère als een dief had rondgeslopen om wat wellust te stelen,
die zijn ontaarde lusten heimelijk begeerden. Het was alles zoo
aangenaam en rustig-rijk om hem heen, en zijn huis had zoo’n deftigen
schijn van wèlgesteld fatsoen, dat zijn louche losbandigheden van
buiten eigenlijk een droom leken. En hij praatte met Ellie op zoo’n
vriendelijk-vaderlijken toon over voorname, prettige, lief-gewone
dingen, zooals een wèl-beschaafd, goed vader doet, dat hij wel niet
anders kon dan zelf in zijn rol gelooven. Dikwijls bleef hij dagen,
somtijds wel weken, vast in die overtuiging, en leefde hij zooals een
rustig, algemeen geacht Hagenaar dat doet, zich koesterend in de
gezelligheid van zijn huis, liefdoend tegen Ellie, en van háár ook
aldoor liefgedaan. Hij las dan ’s ochtends zijn couranten en
tijdschriften, dronk met Ellie koffie, scharrelde nog wat op zijn kamer
en ging dan een beetje wandelen in het Bosch of op den Scheveningschen
weg, met nicht Joséphine, als een deftig oud heer, die van de
buitenlucht geniet. Dán een bittertje in de Besognekamer, en thuis op
tijd dineeren. Na den eten de koffie en de sigaar, nog een beetje lezen
en brieven schrijven, en vroeg, om tien uur, half elf, naar bed. Maar
het duurde nooit lang, dat hij zoo kalm in die rol van bezadigd,
fatsoenlijk heer kon leven. Als een oude kater, wien het op den duur
niet in het schoone, warme mandje bevalt, sloop hij weer uit, naar de
duistere wijken, waar het vuile woont. Dan ging hij theedrinken bij
blonde Antje, die gewoonlijk een paar vriendinnen bij zich had, of
amuseerde zich met haar in een taaltje van obsceniteiten en
studentikoos jargon, waar hij thuis nooit, ook niet bij vergissing, een
enkel woord van zou gebruikt hebben. Als hij daar weer eenmaal goed en
wel zat, in zijn andere rol van ouden viveur, kwam hij er ook weer zoo
héélemaal in, dat het tweede leven, het reine, van thuis, weêr droom
scheen. En niet eens bleef het enkel maar bij Antje, die hem op den
duur toch verveelde. ’s Avonds, om negen uur in de Spuistraat of de
lange Pooten, was er altijd wel wat op te visschen, of, heel enkele
keeren, hij was o zoo bang om eindelijk eens gesnapt te worden, sloop
hij, langs omwegen en steegjes en binnengrachtjes, naar een straat
achter het Bezuidenhout, waar een geheimzinnig rendez-vous was, alleen
bekend bij adepten....

Maar het was op de teruggangen naar huis, dat hij zich dikwijls diep
ellendig voelde, als hij tusschen de twee rollen van zijn leven inliep,
en hij van de eene in de andere moest trachten te komen. Als hij
bijvoorbeeld voorgewend had dat hij naar een late vergadering moest, of
een intiem heerendiner, en hij sloop in ’t donker als een dief in een
steeg een zijdeurtje uit, om alleen door de eenzame nacht-straten naar
huis te gaan, dan brak een ellendige gang voor hem aan. ’t Idee dat hij
daar met zijn vuile lijf en zijn vuile ziel uit het duister plotseling
weêr in ’t licht moest komen, en dat morgenochtend Ellie in een blank
morgenjaponnetje weer voor hem zou staan, en hem goeien dag kussen op
beide wangen! Dan waschte hij zich ’s avonds met fijne zeepen voor hij
naar bed ging, bang, dat er een verdacht luchtje van inferieure
parfumerietjes aan hem was blijven hangen.

Na zoo’n uitspatting bleef hij dan weêr altijd een paar dagen kalm, als
de poes, die in de goten heeft rondgezwalkt, en nu weêr thuis is. Hij
was dan erg blij, als het slecht weer was en regende, zoodat Ellie niet
naar het Kurhaus ging, en eens thuis bleef. Dan was het thee-uurtje om
half negen ’s avonds zoo gezellig.—Ellie zat dan voor het theeblad, met
de blinkende bouilloir naast zich, waarin het water neuriënd begon te
zingen, en hij had er een stil, zuiver pleizier in, te zien hoe ze met
haar gracieuze gebaartjes van fijne vingeren de intieme dingen deed van
het thee-schenken. Hoe lief ze dan naar hem toekwam, waar hij op de
canapé zat met een boek, en hem zoo vriendelijk vleide: „Dáár, lief
vadertje! Een lekker kopje hoor! Ik heb er wat fijne chineesche bij
gedaan, waar u zoo van houdt!” Hoe mooi haar lichte japonnetje deed in
het vallende duister, en hoe innig haar zachte stem klonk van jonge
maagd, nog met naïeve intonaties van een kind! De verandadeuren stonden
dan open, en buiten was het droomerig getik van de vallende
regendroppelen op de bladeren.

Dan was het hem wel eens of hij smeeken wou, dat het altijd zoo mocht
duren, dat hij altijd hier mocht blijven, in die intieme stilte van
zijn huis, met zijn kind, zijn mooie, lichte lieveling, het éénige wat
in zijn duister, ignobel leven voor reins was overgebleven, zijn Ellie,
die hij liefhad met een zuivere groote, eerlijke liefde, wát er ook
gebeurd was, liefhad als een goed vader....

Zoo was het dat twee menschenlevens, zelf niet sterk genoeg om mooi te
bestaan, ganschelijk steunden op het broze, teêre wezen van gratie, dat
Ellie was, en dat zelf nog maar zoo heel vaag leefde, van den
bedriegelijken schijn der glanzende, oppervlakkige Haagsche
amusementen. Ze leek zelf nog zoo hulpbehoevend, zoo onbeduidend en
liefelijk zwak in haar speelsch en weinig reëel gedoe van uitgaand,
fladderend dame-meisje, en toch droeg zij ganschelijk het leven van den
ouden van Taats en van Pim, voor wien zij de eenige vreugde en het
eenige geluk was, die hun het leven dierbaar maakten. Zonder háár
zouden die beide levens breken, en doelloos leegloopen in het niet. En
juist met haar schijnbaar nietige kleinigheden van alledag, het lachen
en vleien van haar jonge stem, het ruischen van haar rok, het gracieus
gebaren van haar kleine, blanke handen, en het bevallig bewegen van
haar maagdelijk lijf, verrukte zij die twee mannenzielen met een geluk,
dat al de misère van hun ander leven buiten haar deed vergeten, en
alles vergoedde, wat daarin was verloren gegaan.

Zij was eigenlijk voor hen, al waren zij het zich zoo niet bewust, een
wezen buiten de werkelijkheid om, die zij duister om zich heen wisten
en vol verschrikking. Zij was iets heel beters dan ál het andere
bestaande, waar het leelijke vèr van bleef, en voor wie de wereld ook
niets anders was dan licht en warme blijde zonneschijn, waarin zij
voortwiegelde als een blank vlindertje, zijn wiekjes blij uitslaande
van genot in de algemeene vreugde-om-te-leven, die het om zich ziet
glanzen.



HOOFDSTUK V.


Vóór het etensuur zat Pim dikwijls zijn borreltje te drinken in Ellie’s
boudoirtje. Dat was dan echt gezellig, zoo vóór het diner te zitten
babbelen onder een glaasje port. Nicht Joséphine mocht het niet weten,
maar Ellie hield dol van een likeurtje ’s middags, en had heimelijk in
een kristallen stelletje wat Kiss me quick en Marasquin, heel fijne,
uit de Kurhaus-bar, en voor Pim witte port van Aguilar. Ze had bij
Baraké in de Galeries twee keurige likeurglaasjes er bij gekocht, op
zilveren, geciseleerde voetjes, en daar zat ze dan, echt
stiekem-gezelligjes, zoo tusschenbeide met „broertje” uit te pimpelen.
Zij noemde dat haar „pêché mignon.” Alleen kwam ze er zoo niet toe, al
had ze er altijd trek in, want dat was toch je ware niet, en er moest
altijd iemand bij zijn. Pim kwam geregeld tweemaal in de week eten. Hij
deed het alleen om Ellie, want van zijn stiefvader hield hij niet. Hij
wist te veel van van Taats om respect voor hem te voelen. Maar toch
behandelde hij hem altijd met een eerbiedige correctheid, omdat hij nu
eenmaal de vader van Ellie was, en zou hij niet geduld hebben dat in
zijn tegenwoordigheid iets ten nadeele van hem gezegd werd. Ellie hield
van hem, dát was genoeg, en daarom hield hij hem hoog. Op de dagen dat
hij dineerde, kwam hij altijd een uurtje vroeger bij Ellie zitten
praten. Hij zorgde dan behoorlijk, een zakje „sweets” mee te brengen
van Monchen of Nieuwerkerk, want dat hoorde er nu eenmaal zoo bij, en
anders had Jimmy, de terrier, er niets aan. Zóó was er altijd een vast
snoep-complotje van drieën, Ellie, Pim en Jimmy, Woensdags en Zaterdags
in het blauwe boudoirtje van den „toren.”—

Hij zat dezen keer op haar te wachten om half zes, en verwonderde zich,
dat ze nog niet thuis was. Gewoonlijk was ze er al om vijf uur.

Dáár hoorde hij haar vlugge stapjes luchtigjes op de trap, en ze stoof
binnen, haastig, met den hoed nog op.

Zoo licht en vriendelijk als zoo’n boudoirtje ineens wordt, als een
jong, lachend kind er binnenkomt, met lief frou-frou van rokken, en
goud-schijn van blond haar!

„Dag Jimmy, dag engelachtig beestje... mijn heerlijke, lieve dot!....
is de vrouw daar dan weêr, snoesje?... heb je op haar zitten wachten...
dáár heb je een zoentje, hoor!... nog eentje... en nog eentje... maar
niet mijn rok vuilmaken, hoor!... koest nu!... zoet zijn!...”

En het witte terriertje, fijn-zacht als glacé, wrong zijn lijfje in
allerlei bochten, zenuwachtig kwispelend met korte schokjes van zijn
stomp-staartje, en de spitse, puntige bek heen en weêr wrijvend in haar
hand.

„En jij Pim?... zit je op je borreltje te wachten?... je krijgt het
dadelijk, hoor!... even geduld maar, dat ik hiernaast mijn goed
uitdoe... en wat zeg je wel van me, zie ik er nu niet dood eenvoudigjes
uit?... dát is nu mijn costuumpje voor als ik eens heel gewoontjes wil
zijn, eigenlijk meer voor ’s morgens misschien...”

Haar gezichtje bloosde als een gezonde, frissche bloem onder uit den
blankwit strooien sailor-hat hem tegen. Hoe lief-eenvoudig was ze in
haar beige tailor-made costuumpje, met het fijn batisten blousetje van
heel teeder-roze rozenkleur! Wat sloot het hooge linnen boordje
voorzichtigjes om haar hals, en hoe parmantig zwierde het zelf
gestrikte dasje daaronder! Wat een wondertje was ze toch van lichtheid
en blijde kleur, zooals ze daar met haar rank maagde-lichaampje in het
blauwe boudoir stond!

„—Zie ik niet een beetje rood?” vroeg ze weer, „verbeeld je, we hebben
terug héélemaal geloopen... en ik wou je niet te lang laten wachten,
toen hebben we van de Witte Brug af zoo gehold.”

„—Neen, niet bizonder,” zei Pim geruststellend, „—je hebt je gewone
mooie kleurtje van altijd, hoor zus, en dat eenvoudige kleedje staat je
wàt lief.... je hebt gelijk dat je altijd tailor-made neemt, daar komt
je figuurtje zoo goed in uit.... weet je wel dat je hoe langer hoe
slanker wordt, en je het fijnste middeltje van den Haag krijgt?....”

„—Nu, het fijnste is wel een beetje sterk, Pim, maar ik weet toch wèl,
dat ik er mee voor den dag kan komen. Wies is er een beetje jaloersch
op, die dikt zoo aan, en het rijgen helpt haar maar niet.... ze wil
maar niet gelooven dat ik me heelemáál niet behoef te rijgen.... Nu
éven geduld nog....”

En ze verdween in haar slaapkamer door de zijdeur, om dadelijk weer
terug te komen. Toen wipte ze gauw naar een etagère-kastje, haalde er
het likeur-stelletje uit, en zette het klaar op een laag turksch
tafeltje vóór de pouf, waar Pim op zat.

„—Asjeblieft meneer!.... je portje is ingeschonken.... en wat heb je
daar meêgebracht voor lekkers?... marrons glacés en wafeltjes...
délicieus, goed uitgekozen, hoor!....”

„—En vertel me nu eens, hoe je er zoo toe gekomen bent om heelemaal van
het strand te loopen.... was je met Wies?...”

„—Ja, met Wies... en toen zijn we de Sandt tegengekomen.... hij was per
fiets, maar hij had een schroefje ergens er uit verloren en toen zei
hij dat hij terug moest loopen met zijn machien... toen zijn we
meêgegaan om hem gezelschap te houden, den armen jongen.... is dat nu
niet lief van ons?”

„—Zoo? alweer met de Sandt... dat is áán tegenwoordig! Hij schijnt
jullie in den laatsten tijd nogal het hof te maken.... maar voor wie is
het nu eigenlijk bedoeld, voor jou of voor Wies?....”

„—Dat weet ik niet, hoor, en ’t kan me ook niets schelen!... misschien
voor Wies, misschien voor mij... ik hoop niet voor mij...”

„—En waarom niet?...”

„—Wel, omdat ik hem dan niet meer zoo aardig zou vinden... je weet toch
wel, Pim, als mannen verliefd zijn beginnen ze altijd zoo raar te doen,
zoo gek... ik kan het heusch niet helpen, maar ik vind dat altijd een
beetje ridicuul... dan kijken ze bijvoorbeeld zóó... smachtend, of
zóó... net of ze slaap krijgen....”

En ze trok een gezichtje, dat kostbaar was van uiterste komiekheid.

„—Ik geloof dat jij met álles den gek steekt,” zei Pim verwijtend.
„Verliefd zijn is héél ernstig, en niets om te lachen. Maar je weet
niet wat het is, daar komt het van.”

„—Weet jij ’t dan wèl, broertje?”

„—Niet bij ondervinding gelukkig, maar ik zie het toch zoo wel van
anderen, dat het om den dood geen gekheid is, hoor!... Wacht maar tot
je het zelf eens te pakken krijgt!...”

„—Nu, dat zal vooreerst wel niet gebeuren, reken dáár maar gerust op!”

„—En toch maken jullie dame-meisjes je allemaal zoo mooi mogelijk, en
steek je je in de fijnste veertjes om de jongelui het hoofd op hol te
brengen... je zoudt wát ongelukkig zijn als er niemand was, die naar je
keek, en je aardig vond... zeg het nu eens eerlijk, zou je het prettig
vinden als ze geen notitie van je namen?”

„—Nu ja, dát natuurlijk óók niet... je moet ook niet denken dat ik het
niet aardig vind als ze me een beetje het hof maken. Je zusje is nu
eenmaal een beetje koket, dat wil ze wel bekennen, en als er geen
heeren waren zouden we ons natuurlijk vervelen.... Maar ik vind het
juist aardig zooals het nú is... En waarom zou ik dan willen dat het
ánders werd?... Ik vind mijn leventje van nú wàt aardig. Mijn
tennisclubje, mijn fiets, mijn strand, mijn Kurhaus vooral, en mijn
partijtjes. Zoo leuk allemaal onder elkaar, met de luitjes die je kent,
samen pretmaken, en een beetje flirten desnoods, dát doe je nu eenmaal
van zelf... Maar het moet niet te serieus worden, want dan wordt het
vervelend, en dan is juist het aardige er af... Verbeeld je, verliefd
worden, en geëngageerd zijn, en dan niet meer mee mogen doen, en niet
meer pret mogen maken met anderen, omdat meneer je fiancé jaloersch zou
zijn! Ik zou je danken, hoor!... Het is véél te leuk zooals het is....
En nu net met het nieuwe seizoen en het Kurhaus!.... Zaterdag is het
bal in de theaterzaal, en den volgenden Zaterdag in de Kurzaal. Het is
wel een beetje mêlé altijd, maar je kunt er toch bést dansen.... de
Sandt heeft beloofd te komen, en hij heeft al een wals van me. En jij
zorgt dat je er ook bent, begrepen?....”

Pim had haar lachend zitten aanhooren. Zóó was ze toch maar de echte,
éénige Ellie! En zóó had hij haar ook het liefste, zoo luchtigjes,
zorgeloos fladderend door de pleziertjes van het Haagsche leven,
ongerept en onbewust, als een vroolijk, fijn vlindertje....

„—Maar is er nu niemand onder al de jongelui waar je dan láter
misschien eens op zou kunnen verlieven?” vroeg hij nog eens. „Is de
Sandt dan geen aardige kerel? En van den Bergh, en Waalen?”

„—Zeker, héél aardig, Pim, en ik zou ze niet graag missen, maar toch
heelemaal niet om verliefd op te zijn, vind ik. Heelemaal niets
bizonders voor jouw Ellie.”—

„—Dus dan zul je wel nooit trouwen, denk je?—”

„—Dat zeg ik niet.... je weet nooit wat er later nog eens kan
gebeuren.... Maar nú op het moment dénk ik er in alle geval nog niet
aan. Het is veel te leuk zooals het nu is, Pim. Ik ben veel te gelukkig
met al mijn pretjes en mijn lieve huisje, met pa en jou. Laat het nu
maar zoo blijven. Het is goed zooals het is. En ik ben nog pas
negentien. Ik voel me zoo jong en zoo prettig. Dacht je nu dat ik me
daar maar zoo eens even door den eerste den beste uit zou laten halen?
Ik zou je danken. Weet je wel dat ik het niets erg zou vinden als het
maar altijd zóó hetzelfde bleef, en er nooit iets veranderde?”

Hij voelde een groote blijdschap over hem komen. Dat was nu immers
precies wat hij zelf altijd had gezegd! Waarom zou het niet altijd zóó
blijven? Was het niet goed zoo? Was zijn leven niet veilig bewaard in
zijn vriendschap voor Ellie, en was alles niet rustig en wèl-vertrouwd
tusschen hen?

„—Dus dan ben je nú toch wat je noemt gelukkig,” zeide hij, „en weet je
wel, dat de meeste menschen volhouden, dat het geluk niet bestaat? De
Boeddhisten zeggen zelfs dat al het leven niets dan ellende is.”

„—Nu ja, nu kom je weêr met al die geleerdheden aan. Daar weet ik niets
van. Ik weet alleen, dat ik me niets ellendig voel, hoor!”

„—Maar je begint ook nog eigenlijk pas te leven. Je bent nog maar éven
over het bakvischje heen. En je bent nog niet ééns flink verliefd
geweest!”

„—Nu alweer dat verliefd zijn! Moet een meisje dan per se maar altijd
verliefd zijn?”

„—Ja, daar begint haar innigste leven toch eigenlijk pas mee.”

„—Nu, Pim, dan leef ik voorloopig zeker nog maar niet. Want ik geloof
niet, dat ik ooit op iemand van al de mannen, die ik nu alzoo ken,
verliefd zou kunnen zijn.”

„—Zoo?” plaagde Pim, „zijn die dan allemaal niet goed genoeg voor mijn
kokette zusje?”

„—Nu, eerlijk gezegd, neen!” antwoordde ze oprecht, en onbewust een
beetje ernstig wordend. „Om je de waarheid te zeggen ben ik wel wat erg
op mijn eigen persoontje gesteld. Ik vind me zelf nog zoo kwaad niet.
Het is toch heusch wel aardig zoo’n meisje als ik ben, al zeg ik het
zelf. En dat nu maar zoo heelemaal weg te geven aan een of ander, ik
denk er niet aan. Ik zou het zonde vinden. Denk nu zelf eens de Sandt,
of den Bergh, of Waalen, die je daar noemde. Vind je dat nu luitjes om
je heele bestaan zoo maar aan over te geven en je prettige, leuke
meisjesleventje voor weg te doen?”

Nu, Pim vond het, eigenlijk gezegd, ook niet. En toen hij het haar
bekende, zeide hij niet eens, waarom en wat hij alzoo van hen wist.

„—Neen Pim, als jouw Ellie ooit verliefd raakt, dan zal het op héél
iemand anders moeten zijn!” zei ze nog, trotsch.

„—Zoo zoo, en wat moet dat dan wel voor een wonder wezen?” vroeg hij
nieuwsgierig.

„—Wel, Pim, hij zou héél anders moeten zijn dan de anderen, o! zoo
anders. Iets bizonders, weet je. Iets groots en heel sterks. Iets, waar
ik, geloof ik, eigenlijk bang van zou zijn. Iets waar je kleine zusje
zichzelf zoo heelemaal niets bij zou vinden. Zoo’n heel groote, mooie
held, als uit een boek van Ouïda bijvoorbeeld, die iets vrééselijk
moeilijks en edels zou gedaan hebben, waarom alle menschen tegen hem
opzagen. Natuurlijk heel groot, zooals alle helden, en donker, met
zwart haar, en mooie, sprekende oogen. Heelemaal niet als al die malle
kereltjes die op het Kurhaus rondloopen. Je zult zeggen dat ik die toch
wel aardig vind en er lief tegen ben, maar heusch, in den grond van
mijn hart vind ik ze toch niet zoo bizonder. Nu heb ik ook geen
behoefte aan iets bizonders, Pim. Ik heb nu juist pret in al het heel
gewone, dat weet je wel. Maar als je spreekt van verliefd zijn en
trouwen en zoo, waar ik juist mijn gewone leventje van nu voor zou
moeten weggeven, dan.... ja, dan zou het toch, geloof ik, wèl iets heel
bizonders moeten zijn.... Want ik ben veel te gelukkig, hoor! met wat
ik nu heb....”

Ze zeide dit ernstiger dan ze gewoonlijk sprak. Pim had nog nooit met
haar over dat onderwerp gesproken, en toevallig was ze er nu zoo diep
in doorgegaan. Hij schrikte van den ernst in haar stem, die hij niet
gewoon was. En ineens kwam ze hem een beetje vreemd voor en was het
hem, of er ergens, heel vaag en ver, een Ellie in haar was, die hij nog
niet kende en die ook zijn zuster niet kon zijn. Was er dan ergens vèr
achter dat vlinderleventje van haar iets, dat onbewust naar nieuw en
heviger leven verlangde, waren er in zijn Ellie, die hij zoo goed
kende, dan onbewustheden, die vérder reikten dan naar wat in hun
vertrouwd samen-broer-en-zuster leven lag? Maar neen, dat kon toch
niet, dat was toch immers onmogelijk! Leek ze, daar nu gezelligjes, in
haar keurig costuumpje, haar likeurtje zittend genieten, zoo gracieus
en zoo teeder, zoo heelemaal niet iemand om iets hoogs of hevigs van
het groote, harde Leven te voelen, enkel lieflijkheid en broze
bevalligheid, om met voorzichtige bewondering ontroerd naar te zien! Ze
leek nog zoo véél meer een kind dan een vrouw eigenlijk!

En in een hoopvolle opwelling om het gelukkige van nú dan toch vooral
goed vast te houden, zeide hij maar geruststellend:

„Dan zullen we dien bizonderen held van jou nog maar wat laten wachten,
hoor, en ondertusschen maar doorleven zooals we nú doen. Je hebt groot
gelijk dat je je te goed vindt om je zoo maar door iemand te laten
inpalmen. En ik doe met je meê, om ons leventje door te zetten zooals
het is. We hebben nu eenmaal pret, hè?....”

Hij voelde, dat het niet heelemaal waar was, wat hij zeide. Hij wist te
goed, dat er te véél was, wat hem hinderde, te veel van het leelijke en
duistere in het leven, dat Ellie niet wist, en dat hij alléén kon
vergeten omdat zíj er was om het bestaan voor hem blij te maken. Maar
zij stond dan ook zoo vèr, zoo onbereikbaar vèr van al het donkere en
slechte!

„—Zeker, hebben we pret,” antwoordde zij lachend, „en laat die
vervelende verliefdheden het nu niet gaan bederven! Verliefde menschen
zijn altijd vervelend, je moet maar eens opletten! Je zoudt denken dat
ze juist altijd pret moesten hebben en gelukkig zijn. Maar de meesten
doen toch eigenlijk net of er ik weet niet wat met hen gebeurt en
worden ineens zoo héél anders. En ik wil niet anders worden als ik ben.
Ik wil altijd dezelfde pret in mijn leven hebben als nu, en altijd even
opgeruimd zijn. Zoo ben ik nu eenmaal, dat wéét je wel.”

„—Ja maar, Ellie, je zult toch ook wel eens narigheid krijgen, en
verdriet hebben. Dat hebben nu eenmaal alle menschen. Al kan ik me jou
niet voorstellen met erg veel verdriet. En jij?”

„—Ik ook niet,” antwoordde ze luchtig.

Maar ineens, peinzend, alsof ze luisterde naar een vage intuïtie, die
heel vèr uit de onbewustheden van haar ziel kwam opdroomen:

„—Ik zou geen verdriet kúnnen hebben, Pim. Daar ben ik heelemaal geen
meisje voor. Neen, dat voél ik wel. Ik ben niet gemaakt voor verdriet.
Ik zou liever dood zijn.....”

Die ongewone ernst, die ándere, dieper stem, die hij niet van haar
kende.....

Wat wás het ineens? Wie was het, die daar zoo vreemd uit zijn Ellie
sprak, die toch nog net eender, broos, fijn vlindertje, daar bij hem
zat?

En ineens voelde hij eene vreemde siddering, alsof, in het luchtige,
vluchtige leventje van alledag, een vaag mysterie van Noodlot, nooit
vermoed, voor den eersten keer plotseling tusschen Ellie en hem oprees,
en tusschen hun beider zielen éven beefde....



Maar dadelijk daarna was het weer weg. Zij was aan ’t stoeien gegaan
met Jimmy, die haar mooi batisten zakdoekje wilde grijpen, en lachte
luidkeels haar hoog, helder sopraanlachje van lief, vroolijk jong
meisje....



HOOFDSTUK VI.


Ellie’s meest intieme vriendin, met wie ze altijd uitging, was freule
Louise Mombreuil.

Wies was een erg opgewonden, romantisch meisje, die het leven evenmin
kende als Ellie. Zij was sterk impulsief, zich dadelijk overgevend aan
een emotie, en handelend naar den eersten aandrang, zonder te denken.
Heelemaal een gevoelswezentje, en bedorven door te veel lectuur van
romans, was ze zelfs al ééns op het punt geweest, te doen wat men in
den Haag een „folie” noemt. Pas zeventien jaar oud, was ze doodelijk
verliefd geworden op een ténor van de fransche opera, Lamarty, die de
afgod was van de Haagsche dames. Toen zij hem een paar keer als Faust
en als Roméo gezien had, was zij hem gaan aanbidden met heel haar
romantische, overgevoelige zieltje, en had ze hem in haar extaze zóó
maar gloeiende brieven geschreven, met „Mon cher Roméo” en zelfs „Mon
Roméo bien aimé” er boven.

Lamarty was gelukkig alleen maar een romantische held op de planken,
maar in ’t gewone leven een „bon bourgeois” en een „bon père de
famille,” die waarlijk wel wat anders te doen had dan brieven van
bakvischjes te lezen.

Hij woonde met een sukkelende vrouw en een ziek kind in bij eene oude
dame, in de Pieter Bothstraat, altijd tobbende met een keelaandoening,
die zijn stem dreigde aan te tasten, en voortdurend in geldzorgen en
allerlei drukten. Iederen dag kwamen er brieven en bloemen en
cadeautjes voor hem, die hij niet eens bekeek. De caudeautjes en de
bloemen gaf hij aan zijn vrouw en kind, en de oude mevrouw Wester, bij
wie hij inwoonde, mocht de brieven voor hem lezen. Somtijds las ze er
een voor aan tafel, maar hield spoedig op, als Lamarty zeide, dat het
hem embêteerde.

Wies, die maar geen antwoord kreeg, en dacht dat haar brieven
wegraakten, durfde eindelijk zelf bij mevrouw Wester aanschellen om te
vragen, of zij eigenhandig een brief voor haar wilde geven aan Monsieur
Lamarty.

Toen had mevrouw Wester haar medegenomen naar de achterkamer, en haar
een lesje gegeven, waaraan zij nog lang daarna dacht. Eindelijk had zij
Wies door een kiertje van de suite-deur laten zien.—Roméo zat in een
chambre-cloak en met groote, geborduurde pantoffels aan, heel niet
romantisch, in een luierstoel, met zijn ziek kindje van vier jaar op
zijn schoot.—En mama Lamarty, erg dik en erg bleek, was bezig, natte
doeken te leggen om zijn keel.

Met een hoogen blos van schaamte, en tranen van teleurstelling in de
oogen was Wies, die niet eens wist dat Lamarty getrouwd was, het huis
uitgeloopen, geheel genezen van haar adoratie voor Faust en Roméo.

Ellie had het uitgeschaterd van ’t lachen, toen Wies haar die tragische
liefdesgeschiedenis had opgebiecht. Zij kon zich absoluut niet
begrijpen, hoe haar vriendin zoo dol had kunnen zijn. En zij begreep
ook niet, dat het Wies véél meer verdriet had gedaan, dan ze wel liet
bemerken, en dat er iets heel fijns en teêrs in haar door die
ontgoocheling was gebroken, dat niet zoo gauw weer in orde zou komen.
En nooit had Wies daarna meer zoo intens gevoeld en hartstochtelijk met
iets gedweept als vroeger. Zij vertrouwde haar eigen gevoel niet meer,
en kon nooit meer zoo heelemaal zalig in iets opgaan als ééns.

Maar één ideaal was toch altijd rechtop blijven staan, misschien omdat
het zoo ver weg was, en ze het dus niet van dichtbij kon zien. Dat was
haar broer Maurice. Er was géén man op de geheele wereld als haar broer
Maurice Mombreuil. Hij was officier in Atjeh, en vocht daar als een
held. En altijd door kreeg Ellie het van haar te hooren hoe mooi, hoe
edel, hoe groot, hoe dapper hij was, de heerlijkste van allen, de
ridder sans peur et sans reproche. Toen zij ook later in de couranten
werkelijk zijn naam las, hoe hij zich onderscheiden had in dít en dát
gevecht, hoe hij zijn commandant van den dood had gered, met eigen
levensgevaar, en hoe hij een gevaarlijk Atjehsch hoofd, dien men voor
onkwetsbaar hield, gewond en gevangen genomen had, was ze eindelijk
zelf ook met Wies mede gaan dwepen, en aan hem gaan denken als aan een
mysterieuzen held, ergens in vreemde landen vol doodsgevaren, vèr, vèr
over de zee, zooals zij zich vroeger helden had gedacht uit romans van
Aimard en Cooper, echte jongensboeken, die Pim haar stilletjes leende,
en waar ze dol op was geweest. Het eenige onderscheid was dat hij tegen
Atjehers vocht in plaats van tegen Roodhuiden, zei Wies, maar anders
was het toch hetzelfde, en Maurice was een even groot held als Edelhart
of Valentin Guillois, met wien ze vroeger zoo gedweept had, en die,
zooals ze later had geleerd, nooit konden bestaan dan alleen in romans.

En doordat Wies elken dag over haar broer sprak, en dat hij zoo mooi,
en dat hij zoo groot, en dat hij zoo edel was, werd hij langzamerhand,
ofschoon zoo vèr in Indië, een vertrouwde van hun beider vriendschap,
alsof hij er nu eenmaal bij behoorde, in haar intimiteit. Omdat ze
wist, hoe ’n plezier het haar deed, vroeg Ellie altijd aan Wies, of ze
geen tijding van haar broer had, en hoe hij het maakte, en wat hij had
geschreven. En door zijn vér zijn, en toch altijd besproken worden met
enthoesiaste, bewonderende woorden, was hij voor Ellie als een
droombeeld, buiten de werkelijkheid, en dat daarom heel mooi en heel
vaag tegelijk was, als de held van een roman, te groot en te edel
eigenlijk om te bestaan, alleen maar om aan te denken met eerbiedige
bewondering.

Totdat op zekeren dag Wies zenuwachtig haar boudoirtje binnenstoof,
haar snikkend en lachend tegelijk om den hals viel, en het
uitschreeuwde van vreugde:

„Ellie! Ellie! Hij komt terug.... er is een telegram gekomen.... hij
komt terug, heúsch, heúsch.... hij kan al héél gauw hier zijn.... o
Ellie! Ellie! Ik ben zoo blij, zoo blij!....”

En Ellie wist dadelijk dat het Maurice was, dien zij bedoelde, haar
helden-broer, die zoo groot was, en zoo dapper, en zoo sterk, en die nu
inééns áánkwam, dáár van zoo héél verre, uit den droom....



HOOFDSTUK VII.


Jhr. Maurice Mombreuil was vroeger een van de beruchtste „lions” van
den Haag geweest. Tien jaren geleden, toen Ellie nog een kleine kleuter
was, studeerde Louise’s groote broer te Leiden in de rechten. Hij was
toen een van de meest getapte studenten, lid van de grootste
aristocratenclub, en maakte zich beroemd onder de uitgaande jongelui
door zijn maîtresses en zijn hoog spel. Aan studeeren deed hij niets,
en toen Leiden hem begon te vervelen, ging hij in den Haag op kamers
wonen. In drie jaren tijd had hij het kleine vermogen van zijn moeder
er doorgebracht, en zich bovendien zwaar in de schulden gestoken. Toen
zijn crediteuren ongeduldig werden, en met een groot schandaal
dreigden, sprong zijn oom, de oude minister Mombreuil bij, om den naam
van de familie te redden. Hij stelde echter als voorwaarde, dat Maurice
tot straf als gewoon koloniaal naar Indië zou gaan. De oude mevrouw
Mombreuil en zijn zusje Louise, die hem aanbaden en verafgoodden als
een jongen god, deden alles om den minister te vermurwen, maar er hielp
niets aan, en den gevierden student bleef niets over dan zich te
vernederen en als koloniaal te teekenen.

Algemeen was men verontwaardigd over de hardheid van den ouden
Mombreuil. Want Maurice, wélke verhalen er ook over hem rondgingen in
den Haag, was nu eenmaal „l’enfant chéri des dames”, die álles kon
doen. Hij was „le beau Maurice”, dien nu eenmaal iedereen chérisseerde.
O! Zijn mooie, diepe, donkerzwarte oogen, géén meisje was er tegen
bestand. En zijn fijne, blanke aristocraten-handen, en zijn zwart,
coquet ópgestreken kneveltje, en zijn mooie blosje! Maar vooral zijn
kersroode mond, met de witte, parelblanke tanden—de mooiste tanden van
den Haag, zeide men—, die mond, zoo lief-zinnelijk tot kussen geplooid,
zoo zacht-uitdagend wellustig! Welk meisje was niet verliefd op den
mooien mond van Maurice!

En nu moest die mooie, populaire jongen als een gewoon koloniaal naar
Indië. Er werd schande over gesproken. De oude minister, schatrijk als
hij was, had Maurice toch best kunnen helpen om door te studeeren. Hij
was weduwnaar, zonder kinderen, en het zou hem toch gemakkelijk zijn
gevallen, zijn neef er weder bovenop te helpen. Die arme, mooie
Maurice, verbeeld je, jonkheer Maurice Mombreuil, van den oudsten adel
in Nederland, als gewoon koloniaal naar Harderwijk. Was het geen crime?

Wat de wereld niet wist, omdat de minister het uit piëteit voor zijn
schoonzuster verborgen hield, was, dat Maurice in een zaakje betrokken
was dat uiterst louche bleek te zijn, een geschiedenis van een valsche
promesse, niet dan met de grootste moeite uit de handen van den
Officier van Justitie gekregen, die nog van de familie was. En hij liet
zich met een hooghartig stilzwijgen de verwijten welgevallen, die zijn
schoonzuster hem over zijne hardheid tegenover Maurice deed. Hij en
Maurice alleen wisten, welke smet, zooals zij dat zouden genoemd
hebben, het blazoen van de Mombreuils bijna bezoedeld had.

Maurice had hem met tranen in de oogen bedankt voor zijn
grootmoedigheid, toen hij afscheid kwam nemen, maar de minister had hem
de hand geweigerd.

„Ik geef je niet eerder de hand vóór ik zeker weet dat je weêr een
gentleman bent geworden,” had hij gezegd.

Toen Maurice, diep vernederd, zijn huis was uitgegaan, had hij bij
zichzelf een duren eed gezworen, dat hij er nooit weer binnen zou
komen, vóór de minister hem er zelf bij de hand zou binnenleiden als
een geëerden gast, op wien hij trotsch zou zijn.



En toen was het gegaan als in een roman van Ouïda, te mooi om te
gelooven.

Uit Atjeh waren in den loop der jaren fabelachtige verhalen over
Maurice gekomen. Hij had zich onderscheiden, had een eervolle
vermelding gekregen, was korporaal, daarna spoedig sergeant geworden,
en had eindelijk zulk een heldenfeit bedreven bij het bestormen van een
benteng, dat hij niet alleen de Militaire Willemsorde had verdiend,
maar tevens—een unieke gebeurtenis—bij uitzondering tot officier, tot
tweeden luitenant was bevorderd. Wèl fluisterden afgunstigen, dat dit
nooit zou kunnen gebeurd zijn, als hij niet Jhr. Mombreuil geweest was,
en de oud-minister niet al zijn invloed bij zijn vriend den minister
van Oorlog had aangewend, maar toch was hij door deze onderscheiding in
geheel Nederland populair geworden. En de generaal had hem direct
getelegrafeerd: „Ik ben blij je de hand te kunnen reiken.”

Maar toen eenige jaren later de tijding kwam van zijn roemrijke daad
bij de kampong Meurodoh, waar hij in een hardnekkig treffen eerst een
der voornaamste vijandelijke panglima’s met eigen hand gevangen genomen
had, en later, bij een nachtelijken overval, zijn bataljonscommandant
het leven had gered en daarbij zijn eigen leven in de waagschaal had
gesteld, was zijn populariteit nog grooter geworden. Hij was tot ridder
derde klasse bevorderd, en begiftigd met de eeresabel. Toen was echter
tegelijkertijd zijn carrière gebroken, want een klewang-houw over den
linkerarm had hem verder onbruikbaar gemaakt voor den dienst.

De oude minister Mombreuil was nu enthoesiast over zijn neef. Hij liep
met de verhalen over zijn heldendaden door den Haag rond, of het zijn
eigen zoon was geweest, die ze bedreven had. Dát was nu pas een
verloren zoon, die zich schitterend geréhabiliteerd had! Trouwens, van
een Mombreuil had hij ook niet anders kunnen verwachten! Bon sang ne
peut mentir. Ridder van de Militaire Willemsorde derde klasse, door H.
M. de Koningin begiftigd met de eeresabel, dat was toch véél nobeler en
kraniger dan wat hij ooit had kunnen worden als hij gepromoveerd was.
Zeker, hij was een oogenblikje afgeweken, in zijn jeugd, maar als een
echte chevalier had hij dat uitgewischt in het bloed van de vijanden
zijner vorstin, en het blazoen van de Mombreuils had hij verheerlijkt
met zijn schitterende krijgsmansdaden. Nu was het geheele verleden dan
ook weg en er zou niet meer over gesproken worden.

Ook zijn moeder en zijn zuster Louise waren in de wolken. Die Maurice!
Die heerlijke, beste, groote, nobele jongen! Ze hadden het altijd wel
gezegd! En nu zág je het zelf! Hij was ridder geworden, net als vroeger
in de oude tijden, ridder door de kracht van zijn zwaard! Ze waren
trotsch op hem, en hij had de geheele familie er door opgeheven. Het
oude bloed van de kruisvaarders—een Mombreuil was aan de zijde van
Godfried van Bouillon gesneuveld—had zich in hém weer geopenbaard. En
in de verblinding van hun adellijke ideeën, nog opgezweept door den
militairistischen waanzin van den minister, zagen zij nú in den
geridderden luitenant ook alle menschelijke deugden, die met zijn
dapperheid van vechtsoldaat niets hadden uit te staan. Hij was edel,
hij was rechtvaardig, hij was wijs. Hij was het toonbeeld van grootheid
en ridderlijkheid. Zijn geheele karakter was nu vergloried door den
glans van het ridderkruis en de gouden sabel, en er was geen
menschelijke grootheid of zij straalde van hem uit.

Louise, die pas veertien jaar was toen hij uit het land was gegaan, had
den „grooten broer” in haar verbeelding al heerlijker en heerlijker
zien worden en zij vertelde opgewonden aan al haar vriendinnen van zijn
heldendaden. Zij liet hun zijn portret zien, in vol uniform, met de
gouden tressen, en de Militaire Willemsorde op de borst. En zóó was
Maurice bij de Haagsche meisjes een soort held geworden uit een
sprookje, een ridder uit een oude legende van grootheid en dappere
heldendaden.

„Wat een mooie jongen!” riepen ze als Louise het portret liet zien,
„wat een flinke, mannelijke houding, wat een sprekende oogen! En dien
knevel! En dien mond! je mag blij zijn met zoo’n broer, hoor!”

En dan was Louise dol-gelukkig. Allemaal moesten ze van Maurice houden.
Allemaal moesten ze verliefd op hem worden. Was hij niet de mooiste, en
de dapperste, en de knapste jongen van de wereld?

Nu hij terug zou komen in Holland, telde zij de dagen tot hij bij haar
zou wezen. Wat heerlijk, zoo’n grooten broer te hebben, mooi, beroemd,
gedecoreerd, die voortaan haar chaperon zou zijn, en overal met haar
meegaan! Al werd hij nu gepensionneerd, toch mocht hij de uniform
blijven dragen, zei oom, en zij zou wel zorgen, dat hij die altijd
aandeed. Wat kranig zou dat staan, die gouden tressen, die ze bij ’t
Indische leger hebben, en dan die Militaire Willemsorde en, bij gala,
die eeresabel, met dat blinkende, vergulde gevest! Nu zou ze ook véél
meer uit kunnen gaan dan vroeger, want als mama geen lust had, of te
moe was, om ergens naar toe te gaan, kon ze natuurlijk op Maurice
rekenen. Altijd zoo te moeten vragen om met ánderen mee te gaan was
toch op den duur vervelend.

Wat zouden de vriendinnetjes haar benijden met dien kranigen,
geridderden broer!

Natuurlijk zou Maurice nu ook wel trouwen. Oom had al zooiets
losgelaten, van dat hij nu het beste zou doen met een goede vrouw te
zoeken. Maar ze moest hem éérst een flinken tijd voor háár houden; níet
hem zoo maar dadelijk door een ander laten wegnemen, dát ging niet aan.
Eerst moest ze eens goed van hem profiteeren. Dan zou ze later wel eens
voor hem uitzien. En als een echt dame-meisje, wier gedachten
ganschelijk om dat ééne punt heendraaien van geëngageerd raken en
huwelijken, besloot ze, dat zij dat zaakje wel zou opknappen, en een
uitstekende partij voor Maurice zou uitkiezen. Maar láter, als ze eerst
héélemaal goed van haar mooien chaperon had genoten. Anders had ze er
niets aan.



HOOFDSTUK VIII.


Een van Pims eigenaardigheden was, dat hij met allerlei lui omging, die
je, zooals men dat in den Haag noemt „niet ziet,” en die niet in
gezelschappen komen die nu eenmaal tot de uitgaande fashionabele wereld
behooren.

Onder die „rare” vrienden en kennissen, die Pim er op nahield, behoorde
Frederik van Klaerbeke, een jong auteur, die in de laatste jaren veel
opgang had gemaakt. Hij was van wat men in den Haag noemt „goede
familie,” en zijn vader was een hooggeplaatst hoofdambtenaar van
algemeene bekendheid. Frederik had allen omgang met zijne familie
afgebroken en was met een meisje „beneden zijn stand” getrouwd. Hij
leefde met zijn vrouw geheel afgezonderd, en vermeed alle Haagsche
kennissen, met wie hij zijn jeugd had doorgemaakt. En daar hij,
ofschoon vrijwillig, nergens „kwam” en niet meêdeed aan de conventies
en gebruikelijkheden der Haagsche wereld, was men hem van zelf zoowat
als een uitgestootene gaan beschouwen, bij wien het niet heelemaal
pluis was. Fabelachtige verhalen omtrent zijn leven, dat juist heel
gewoon en eenvoudig was, deden de rondte in de Haagsche kringen, en hij
en zijn vrouw werden beschouwd als twee gevaarlijke wezens, die met God
en wetten gebroken hadden, en in een soort wilden natuurstaat een leven
leidden zooals hunne hartstochten en grillen dat wilden, zonder égards
voor maatschappij en conventie. Maar zijne werken werden door het
groote publiek erg mooi gevonden en hadden zulk een debiet, dat hij van
zijne verdiensten als literator financieel goed kon bestaan. Maar je
moest heelemaal niet denken dat hij was als zijn boeken, zeide men.
Boeken schrijven was heel gemakkelijk, maar er naar leven was een
andere zaak. En de Haagsche wereld, die zoo fatsoenlijk was, en zoo
deftig, dweepte met Frederiks boeken, en belasterde hem tegelijk, in
ééne moeite door, van de infaamste dingen.

Pim wist wel beter dan zijn Haagsche vrienden, wie Frederik van
Klaerbeke eigenlijk was. Hij had met hem kennis gemaakt toen hij, in
een spontane opwelling van bewondering en dankbaarheid, aan den
schrijver van „Eenzame Zielen” een langen brief had geschreven, waarin
hij hem opbiechtte, hoe dit boek hem had aangedaan. Van Klaerbeke,
getroffen door den warmen, oprechten toon van zijn schrijven, had hem
geantwoord met eene uitnoodiging, om eens bij hem te komen, en zóó
waren die twee geheel verschillende levens met elkaar in aanraking
gebracht.

Frederik, die zich al zoo lang had teruggetrokken uit de kringen, waar
Pim in leefde, was verrast, in den jongen huzarenofficier, die toch uit
het milieu kwam dat hij was gaan verfoeien, een zoo fijne en gevoelige
ziel te vinden, die zoo verwant was aan de zijne, en toch in het
Haagsche wereldje van waan en schijn was blijven gedijen.—En Pim, die
onder zijn eigen kennissen nooit een nauw verwant hart had gevonden,
had met den eenvoud en de oprechtheid van een groot kind al heel gauw
alles van zijn innigste wezen aan zijn nieuwen vriend verteld, als aan
een biechtvader. Hoe hij zich eigenlijk zoo klein en zoo zwak voelde in
het groote Leven, hoe dikwijls de grofheden van zijne kameraden hem
pijn deden, hoe hij zich goedhield en niets liet blijken, maar
eigenlijk altijd schuw en angstig was, dat ze iets in hem breken
zouden, en hoe hij wel eens dacht, dat het misschien wat ziekelijk en
ongezond was, en of het niet beter zou zijn, een man te wezen, en met
sterke handen over het broze en teedere heen te gaan en te doen als de
anderen, koud, en wreed, en onverschillig. Eindelijk vertelde hij hem
van Ellie en van haar apart en bizonder mooi zijn, en hoe hij bij háár
altijd rust en vrede vond, en hoe dóór haar over ál het andere voor hem
een glans van mooiheid en goedheid ging, die alles vergoedde. Hoe zij
de steun was van zijn geheele leven, en hij zich niet denken kon, wat
ooit met hem gebeuren zou, als niet haar teêre maagdelijke schoonheid
bestond, die hij vereerde met een zoo rustige en vredige veneratie.
Toen had Frederik hem een groot kind genoemd, en een echten „jongen”
nog, al was hij nu twee en twintig jaren, maar heimelijk had hij groote
sympathie voor hem gevoeld, omdat hij ééns óók zoo was geweest, en hij
iets van zijn oude-zelf van vroeger nu in het kleine luitenantje
terugzag. Toch had hij hem er voor gewaarschuwd, dat zoo’n leven in
niets dan schijn en waan ééns breken moest, en nog maar héél kort zou
kunnen duren. Want den schijn en den waan van het leven was hij gaan
haten met groote innigheid, sinds de Waarheid, die wreed was, maar
oprecht, ééns het fijne droomen-weefsel van zijn ziel had verscheurd.

„Je weet héél goed, Pim, hoe’n leugen dat mondaine Haagsche leven is,”
had hij hem gezegd. „Hoe’n bedriegelijke schijn, al dat lichte,
glanzende, kleurige, quasi-gedistingeerde van die Kurhaus-menschen waar
je elken dag onder leeft. Je weet wel dat het meestal niets dan
mensch-beesten zijn, die zich met dien schoonen schijn omhangen, maar
niettemin mensch-beesten blijven. Je weet ook heel goed, wie die
fijngekleede, nette jongelui zijn, die zoo galant doen tegen de dames,
en complimentjes maken, en zoo eerbiedig zijn. Den eerbied, dien ze aan
de vrouw moesten wijden, hebben ze al lang verloren bij de veile
deernen, die ze geregeld bezoeken, voor geld, en die in hun misère van
slachtoffers onzer verdorven maatschappij toch nog niet zoo laag zijn
als die kerels, die er van profiteeren. Hun diepe hoedegroet vol
respect voor een dame, hun eerbiedige buigingen, ze zijn leugen, want
ze hebben het idee vrouw al te veel bezoedeld in hun gemakkelijke
débauches om er iets serieus van over te hebben. En als zoo’n
jongmensch van de „wereld” eindelijk uit is gesjouwd, en er genoeg van
heeft en nu aan trouwen moet gaan denken, dan is zoo’n ongerept,
maagdelijk dame-meisje altijd voor hem klaar om de restjes aan te
nemen, die Antje of Nelly of Jo hebben overgelaten. Ik zeg het een
beetje crû, Pim, maar zoo is het.”

Pim wist het wel, maar hij wilde het liever niet weten. Als hij altijd
zoo de dingen zag, zou hij zijn leven zoo niet door kunnen leven.

En Frederik ging onmeedoogend door.

„Ik zal niet eens praten van het gruwelijke onrecht, dat al die
menschen ál maar pret maken en om niets denken dan hun pieterige
amusementjes, waar het bewezen is dat onze geheele maatschappij op
onrecht, op diefstal, op het brute recht van den sterkste is gebaseerd.
Dat zestien menschen—de statistiek heeft het uitgemaakt—misère moeten
lijden en in hun zweet moeten zwoegen, om één zoo’n bourgeois heertje
of dametje zoo’n prettig, mondain leventje te laten doorlummelen. Dat
dus al die menschen, zoodrá ze deze dingen weten—en ze kunnen het
weten, want de groote sociaal-democraten hebben het wiskunstig
duidelijk aangetoond—evengoed bewuste dieven zijn en roovers van
anderer geluk en eigendom, als de dief, die iets van je steelt.
Dáarover wil ik het niet ééns hebben. Maar wat ik verfoei en veracht,
dat is de leugen, die zoo’n mondaine wereld om zich heen heeft, als die
van het traditioneele, uitgaande publiek van een stad als den Haag. Zoo
heelemaal in orde lijkt het, hé, zoo’n pantoffel-parade op het strand,
of op het terras, al die menschen zoo netjes aangedaan, zoo
fatsoenlijk, met zoo’n air van rechtschapenheid en comme-il-faut-heid
en distinctie. Maar kijk naar de beest-menschen achter dien schoonen
schijn, het gelonk en geloer naar duistere, leelijke dingen, de
verlaging van de vrouw-idee in de blikken van al die kerels, het
ignobele te koop loopen met dochters, dat deftige, beschaafde mama’s
doen, en let dan eens op, waar alles eigenlijk om draait. En dan die
onverstoorbare schijnheiligheid van zooveel geposeerde
pères-de-famille, dat air van ernstige eerwaardigheid, waarmede ze er
bijloopen! Ik kén er een heeleboel van vroeger, en ik weet hun
gesprekken, als de dames er niet bij zijn; en ik weet, naar wie ze,
heimelijk als laffe dieven, heensluipen, nog met den kus van vrouw en
dochter op de wangen. Als alle publieke vrouwen uit den Haag eens
gingen vertellen wat zij wisten, ik geloof dat er weinig van die
eerwaardigheid zou overblijven. Trouwens, die dingen vindt niemand
eigenlijk schandelijk. Als ze maar stiekum gebeuren, geniepig,
lafhartig, in ’t duister. Als de leugen-schijn van naar buiten
fatsoenlijk en eerbiedwaardig en comme-il-faut maar wordt bewaard. En
daarom haat en veracht ik dat wereldje waar jij in leeft, en waar jij
al je genoegen in schijnt te zoeken....”

Als Frederik over dit pénibele onderwerp begon, kon hij zich onmatig
opwinden, en zeide hij Pim ongenadig waar het op stond, zonder
medelijden. Maar Pim had zijn antwoord klaar.

„Dat is zooals jíj het ziet, Frederik.... en ik weet ook wel dat het
zoo is... daarvoor zie ik te veel om me gebeuren, en hoor ik te veel,
en ik ben heusch niet blind of doof. Maar neem nu eens zoo’n meisje als
mijn zuster Ellie, zoo’n „dame-meisje” zooals jij het met een zeker
dédain noemt. Die ziet dat toch allemaal héél anders. Wat weet die van
wat de sociaal-democratie is, en het onrecht, en het verkeerde van het
privaat-eigendom? Wat weet die van al het leelijke en het slechte af?
Hoe kunnen zulke meisjes beseffen, hoe die galante, tegenover háár
eerbiedige en buigende jongelui leven en achter de schermen scharrelen
en knoeien? Ze zijn daar immers héélemaal niet voor opgevoed. Ze weten
immers niet beter of alles is echt om haar heen, en ze hebben pret in
al het mooie, en verrukken ons door haar eigen gratie en liefelijken
schijn! Ellie ziet dat alles zoo héél, héél anders dan jij dat doet,
Frederik. En voor mij is nu juist het heerlijke dat ik al het leelijke
vergeet, en zélf weer als zoo’n argeloos kind voel, dat alleen het
mooie ziet... als ik maar bij háár ben... Kun je je dat niet
voorstellen, hoe heerlijk dat voor me moet zijn?”

Maar Frederik was ongeloovig, en had niet het simpele naïeve meer van
Pim.

„Als het zoo is als jij ’t voorstelt,” zeide hij, „is ’t altijd nog
heel treurig, om de onwaarheid er van, maar lief is ’t zeker óók. Ik
kan me heel goed voorstellen een onschuldig meisje, dat zoo, argeloos,
enkel maar het mooie van het leven ziet. Maar hoe tragisch wordt dan
tegelijk een leven als van zoo’n argeloos, niets vermoedend meisje, die
alle menschen en dingen om zich heen mooi en goed ziet! Want die leeft
dan toch eigenlijk maar in een schijn, die niet bestaat! Wat een
verschrikkelijke catastrophe moet er dan later niet gebeuren in haar
ziel, als ze ééns die wereld om zich heen gaat doorzien, in ’t licht
van de plotseling voor haar opdoemende waarheid. Als ze eens te weten
komt, hoe haar vader, haar broeders, haar eigen man misschien hebben
geleefd of nog leven! Dan moet zoo’n wezentje wel alles, waar ze op
steunde, om zich voelen wegvallen, en den geheelen droom van haar jeugd
als een ruïne vóór haar zien liggen. Want altijd zoo argeloos en
onwetend blijven kán ze niet. Dáár zorgt het groote, harde Leven wel
voor... Maar in den Haag lijkt me dat toch een exceptie, beste Pim, en
de Haagsche dame-meisjes zijn over ’t algemeen alles behalve naïef. Jij
hebt nu eenmaal de groote fout, kerel, dat je in ieder meisje een of
ander hemelsch wezen wil zien. En het prouveert voor je, dat zeg ik je
er bij. Ik wil je wel bekennen dat ik óók zoo geweest ben, héél lang
geleden, en dat ik me toen erg gelukkig voelde. Maar je moet nu maar
eens eindelijk leeren dat die fijne, zoo apart en bizonder lijkende
schepseltjes óók menschen zijn, beste jongen, menschen net als jij en
ik, hoor, van vleesch en bloed, en met net dezelfde menschelijke
dingen. Ik zeg niet dat ze er daarom minder om zijn. Misschien zijn ze
er juist meer om. Ik zeg alleen dat ze anders zijn dan jouw droom van
dweperig dichtertje. En met dat vergoden doe je haar onrecht, want als
ze later blijken niet goddelijk maar menschelijk te zijn, val je haar
er dubbel hard om. Nu ken ik je Ellie nog niet, zal je zeggen. Maar
daarom ben ik toch overtuigd, dat ze heúsch ook een wezentje van
vleesch en bloed is, en dat je haar waarschijnlijk ook véél te
aetherisch en onreëel ziet in je gedweep met haar.”

Toen was Pim opgestoven. Ellie was niets mooier dan wat hij van haar
dacht, had hij gezegd. Zij mocht al niet aetherisch en onreëel wezen,
maar zéker wist hij, dat haar ziel niets dan reins en moois zag van de
wereld, en dat er niet één onzuiver ding was in haar lief- en mooi-doen
tegen al de menschen om haar heen, van wie zij ook niets dan goeds zag.
Hij beschreef haar luchtig leventje van uitgaand meisje, en hoe zij
altijd gratie en schoonheid van zich af deed stralen, en hoe haar ziel
nog altijd ongerept was gebleven in haar omgeving, als van een
onschuldig, rustig kind.

En hij had absoluut gewild, dat Frederik met Ellie kennis maakte. Hij
had hem overgehaald, eens aan het strand in Scheveningen te komen en
had hem toen aan haar voorgesteld. Zij had hem dadelijk geïnviteerd,
een kopje thee meê te blijven drinken in haar tentje. Ellie had het erg
interessant gevonden, zoo’n bekend schrijver te ontmoeten; zij had óók
zijn boek „Eenzame Zielen” gelezen, dat zij erg „snoezig” en „beeldig”
vond, en waar ze zelfs bij gehuild had, aan het slot. Hij was haar ook
erg meêgevallen. Zij had altijd hooren zeggen, dat hij een socialist
was, die geen égards had voor dames, en zedeloos leefde, en niet aan
God geloofde. Maar hij was juist heel aardig, en zelfs galant geweest,
en zij vond hem niets minder dan de anderen. Alleen erg jammer, dat hij
niet met een dame-meisje was getrouwd, hij, die toch van goede familie
was, en daarbij zoo knap... Dat vond ze bepaald leelijk van hem, en zij
voelde zich vijandig tegen zijn vrouw, die zij geen recht op hem vond
hebben. Want Ellie zat nog héélemaal onder bekrompen ideeën van rang en
stand. Ze had nooit anders geleerd. Het was een hééle concessie van
Frederik geweest, dat hij zich zoo aan een dametje als Ellie had laten
voorstellen, en als een echt Haagsch heertje had zitten afternoonen in
haar tentje. Maar hij had het ook alleen gedaan om Pim plezier te doen,
en had niet eens gelachen, toen Ellie hem zeide, hoe „snoezig” zij het
boek had gevonden, waarin hij zijn geheele ziel had gegeven.

En zij had een groote impressie op hem gemaakt. Toen zij in haar witte
kleedje met haar lief, vriendelijk maagd-gezichtje zoo ongedwongen met
hem zat te praten, nu en dan een sierlijk gebaartje makend met haar
blank-en-roze handje, en hij haar helder sopraanstemmetje zacht in hem
voelde door-zingen, was het hem inééns of, midden in zijn stille leven,
éven een licht visioen van lang, héél lang geleden was teruggekomen.
Dit luchtige, vluchtige, en zoo héél lichte, dit om-van-te-weenen
blanke en teedere, dit allerfijnst reine en kinderlijke van
aristocratisch maagd-meisje, o! hoe had hij het gekend, hoe was het
ééns de geheele wereld van droom en ideaal voor hem geweest, toen hij
nog een jong, niets vermoedend kereltje was, dat heelemaal leefde van
den schoonen schijn der dingen....

En toen hij afscheid nam had hij, die het fiere hoofd voor weinig
menschen meer wilde neigen, met den hoed in de hand, diep voor haar
gebogen, omdat hij in haar groette een verloren ideaal, dat ééns heilig
was geweest, en hem in háár weer tegen had geschenen.

Na het diner was Pim nog gauw even bij hem aangeloopen, om toch
dadelijk te hooren, welken indruk Ellie op zijn vriend had gemaakt.

„—Nu? Hoe vind je haar nu?—”

En Frederik had heel ernstig gezegd:

„Ik ben erg blij, dat ik haar eens ontmoet heb, Pim. Het heeft me goed
gedaan. Het is verwonderlijk, hoe zoo’n lief meisje door haar enkele
verschijning een man kan gelukkig maken. Je weet niet wat het is. Het
is iets heel teêrs en mysterieus, dat van zoo’n meisje in je komt en je
ineens goed maakt. Er zijn, geloof ik, maar weinig mannen die het
voelen, maar die het voelen, weten ook wat het is, al kunnen ze het
niet uitdrukken. Je zuster Ellie heeft het heel erg. Ze is niet bepaald
wat ze zouden noemen een mooi meisje. Daar is ze ook te klein voor, en
niet statig genoeg van lijn. Maar ze heeft dat lieve, dat
vriendelijk-inpalmende, dat allercharmantste ik-en-weet-niet-wat, dat
je direct zoo vleiend en warm-hartelijk uit haar tegemoet komt. Zoo’n
echt zonnestraaltje is ze. En wat een gratie, wat een gratie in ál haar
beweginkjes en gebaartjes! En haar stemmetje! Net een vogeltje, hè? Die
lieve, vroolijke intonatie, die moet uit een nog heel jong, argeloos
kinderzieltje komen, zou je zeggen. Nu Pim, ben je nu tevreden? Als ik
een tien jaren jonger was, en een beetje minder wist, en niet zoo’n
eenvoudige, goede vrouw had als Marie, dan was ik zéker verliefd op
haar geworden, hoor!”

Pim’s gezicht straalde van vreugde. Hij had altijd alles wat Frederik
zeide voor orakeltaal gehouden. Frederik was zijn groote vriend, voor
wien hij maar zoo héél weinig kon zijn, en dien hij zoo sterk en alléén
wist te staan in het harde, groote Leven, waar hij zoo bang voor was.
En dat Frederik zoo enthoesiast over Ellie sprak, maakte dat hij haar
nóg mooier zag dan vroeger.

„Vin je het geen mooi naampje dat ze heeft?” vroeg hij. „Ze noemen haar
hier het Vlindertje. Is ze niet net zoo’n mooi, blank kapelletje, dat
met van die heel fijne, transparante vleugeltjes door de lucht zweeft,
zoo glanzend in den zonneschijn, en dat alle dingen zoo mooi en
schitterend vindt, en zoo heel gelukkig ál maar voort-wiegelt?....”

Frederik zat op de canapé, met zijn hand onder het hoofd, zooals hij
altijd deed, als hij ergens over peinsde. Hij zweeg een tijdje, en zei
toen ineens, met dien vagen zacht-droeven klank, die zijn stem dikwijls
zoo vreemd melancholiek maakte:

„Hoe mooi toch, hè Pim, zoo’n meisje, als ze nog zoo jong is.... dat ze
dat niet állemaal zien!.... de wereld zou misschien anders worden....
maar héél weinigen voelen het. Daar had je Heine, de grootste dichter
van het Meisje, voor mij blijft hij altijd de gróótste.... dat vers van
„Du bist wie eine Blume”.... dáár ligt het in, wat ik bedoel.... Maar
dan te denken, dat zoo’n arm kind zoo héélemaal leeft in den schijn, in
de leugen om haar heen.... te denken dat zoo’n broos, transparant
vlinder-zieltje ééns plotseling in dat groote, wreede vuur zal vliegen
van het felle leven.... en mééstal gebeurt dat zoo bruut aan haar, zoo
genadeloos hard!.... wat weten de meeste kerels, die met zulke meisjes
trouwen en God weet wat voor leven achter den rug hebben, van zoo’n
teêr meisjes-zieltje af?.... En dan is het dikwijls inééns uit.... je
moet eens zien, hoe de meeste vrouwen kort na hun trouwen een héel
ander gezicht krijgen.... er komt dan zooiets hards op, en dat rustig
maagdelijke is inééns heelemaal weg.... ze lijken nog wel op het oude
Meisje.... maar het mysterie is heen, en komt nooit meer terug.... o!
Ik weet het Pim, ik weet het zoo héél, héél goed, en heb het zelf
gezien bij een meisje, waar ik zoo van hield....”

Pim zat eerbiedig naar hem te luisteren, en het was of Frederik’s
woorden uit zijn eigen ziel kwamen, zoo voelde hij ze als de
uitdrukking van zijn eigen diepste gedachten.

„—Ja, als je zoo bij zoo’n meisje zit als jouw Ellie, dan voel je
ineens weer het verschrikkelijke van de maatschappij, waarin zoo’n
wezentje leeft,” ging Frederik door, nadat hij even had zitten peinzen.
„Je zoudt het dan kunnen uitschreeuwen van angst, dat zoo’n kind het op
een’ goeden dag inééns zien zal, al die leugens en dat vuile om haar
heen.... al dat onrecht, die wreedheid, dat genadelooze egoïsme op de
wereld, waaraan, bewust of onbewust, maar mééstal toch bewust, haar
vader, haar moeder, haar broers meêdoen..... als ze eens plotseling te
weten kwamen, maar goéd te weten, in al de ontzachelijke horreur van
vuilheid en zonde, de misdaden, die aan háár zusteren worden begaan,
die door de verdorven maatschappij toevallig tot slachtoffers zijn
gemaakt.... niemand van die ongelukkige wezens, die hun vrouw-zijn
prostitueeren, doet het uit louter bestialiteit.... het zijn allemaal
ééns slachtoffers geworden, dat weet iedereen.... verbeeld je, Pim, dat
zoo’n kind ineens de vreeselijke waarheid zag, van wat haar eigen
vader, haar eigen broeders hebben gedaan of nog doen aan hare zusteren,
van wie de dominé haar in de kerk voorpreekt, dat ze haar moet
liefhebben als zichzelve.... Is het niet verschrikkelijk?.... en te
denken, dat dáár eigenlijk de geheele wereld om draait, met zijn
schandelijke politiek van roofzucht en wreedaardig kapitalisme.... de
drijfveer is toch altijd maar geld, en geld, en geld.... En waar is dat
geld voor?.... Voor Liefde niet, die is voor geld niet te koopen, dat
is het éénige, en Liefde is goddank voor den armste te krijgen.... maar
het geld is dan ook alléén om te knoeien en te zwelgen in wat de Liefde
ontheiligt, en voor dat lage doel staat weldra de wereld in vlammen.

„In Afrika is het al in vollen gang, om het geld, en in China gaan de
roof en de diefstal beginnen, om het geld, waar tóch nooit Liefde van
kan gekocht worden.... Verbééld je, dit te weten, en dan tóch nog kalm
te kunnen blijven, en als een rustig bourgeoistje in dat Kurhaus te
flaneeren, met een hoogen boord en een fantasiehoedje.... Je zult
zeggen, dat ik zelf er óók zooveel kom, maar je weet wel, dat het
alleen voor de muziek is en het groote meerendeel van ’t publiek komt
daar niet om.... ik vind dat die Berlijners heerlijk spelen, en ik zit
daar soms te genieten als een zalige.... zoo’n Symfonie van Beethoven,
of de D-dur Suite van Bach, of de Ouverture Léonore III, of die
Variationen uit het A-dur quartett.... dat hoor je nergens zóó
verrukkelijk mooi, en het is eenvoudig de opperste volmaaktheid die je
je van muziek maar denken kunt.... Dan vergeet ik de heele bende om me
heen, en weet alleen dat ik gemeenschap heb met zoo’n goden-ziel als
van Beethoven of Bach... Maar in de pauze moet je wel naar buiten om
frissche lucht te krijgen na die bedompte atmosfeer in de zaal, en dán
komt de werkelijkheid ook weder om je heen.... al die menschen daar
rond te zien paradeeren met een air van christelijke rechtschapenheid
en deftige distinctie, of er verder niets aan de hand was, en er niets
beters te doen valt dan geuren en affecteeren!.... Hoe houd je dat
leventje toch uit, Pim? Voel je je nooit eens angstig als je met Ellie
onder al die menschen loopt?... ben je nooit eens bang voor die
blikken, waarmeê ze haar aanzien, die gedachten, waarmee ze haar kunnen
besmetten?... Vin je het dan niet wreed, dat de wereld zoo héél anders
is, dan zoo’n argeloos, jong meisje wel denkt, die alleen den schitter
en den glans ziet van den schijn?....”

Dat was de zóóveelste maal, dat Frederik hem wees op het inferieure van
zijn mondain leventje in den Haag, en zijn meêdoen aan al de futiele
amusementen. Het ergste was, dat hij het heel goed voelde, dat hij wel
wist hoe al het plezier van zulk een leven tóch al vergald was, zoolang
het niet onbewust meer kon genoten worden, en hij het leege er van
besefte. Maar wat te doen, als hij er van af moest zien, en hij die
dingen eens niet meer had? Waar dán van te leven? Hij was niet sterk
genoeg om alléén te staan, als Frederik, hij, zwak, klein mannetje, in
het groote, hoog over hem, nietigheidje, heen slaande Leven. Hij kon
hoogstens wat mokken in stilte, en wat pijn hebben, en wat verachten,
maar méér ook niet. Hij was nu eenmaal in het leven gezet als Jhr.
Eduard van Wedell, luitenant van de nederlandsche cavalerie, zóó en zóó
in de wereld-dingen geplaatst, in dit bepaald milieutje van die en die
menschen. En het eenige, wat hem, klein, zwak mannetje was geraden, was
het niet om mede te gaan met den stroom, waarin hij nu eenmaal stond,
daar hij niet groot en sterk genoeg was, om zich uit de wiemelende
menigte om hem heen wèg te wringen, en een eigen, eenzamen weg te gaan,
waar Ellie niet meer zijn zou, het liefste goed van zijn ziel?



HOOFDSTUK IX.


Dien verderen avond bleef Pim bij Frederik theedrinken. Hij bladerde
wat in de nieuwe boeken, die bij hem op de schrijftafel lagen, keek
hier en daar een bladzijde in, las even een klein gedicht. Hij had in
den laatsten tijd weinig gelezen. Al die mooie dingen, waarvan hij las,
maakten hem toch altijd droef. Hij voelde ze zoo onvereenigbaar met het
leven dat hij leidde, in zijn mondain Haagsch milieutje. Hij wist, dat
al dat mooie toch te groot voor hem was en dat, als hij er zich
heelemaal aan overgaf, er een revolutie in zijn leven van nu moest
komen, die het voor goed zou doen uiteenvallen.

Hoe zou hij dan ook nog ooit officier kunnen blijven, als hij doorging
te beseffen, dat het leger eer het onrecht dan het recht moest
beschermen, en dat het militairisme de ontwikkeling van den
waarachtigen mensch in den weg stond? Hij was toch te zwak en te
lafhartig om ooit een groote daad te doen, die zijn leven ganschelijk
zou veranderen.

Maar de enkele keeren, dat hij bij Frederik kwam, snoepte hij van het
verboden mooi, als een kind dat heimelijk aan ’t smullen is. Hij liet
zich door hem vertellen van de groote beweging, die op handen was, van
de ontzachelijke wereld-dingen, die te gebeuren stonden, en waardoor de
oude, verdorven maatschappij—die maatschappij waarin híj thuis hoorde,
door zijne opvoeding—zou uit elkaar splijten als een wrak, vermolmd
gebouw. En Frederik wilde wel eens een paar verzen voorlezen, van
Willem Kloos, van van Eeden, die hem aandeden met een wondere, vreemde
ontroering, of er in de verre onbewustheden van zijn ziel opeens een
ongekend licht van groote goedheid was opgeschenen. Als een kind zat
hij dan te luisteren, en hij, zwakke, hulpelooze, die nog zoo heelemaal
vast zat aan zijn leventje van schijn en waan, bewonderde dien sterken,
energieken vriend, die zich van alles had losgemaakt, wat hem vroeger
eens zéér lief moest zijn geweest, en nu zoo heerlijk-vrij en
eenzaam-trotsch boven conventie en traditie stond, levende zooals híj
goed vond, vreezeloos en wèl-bewust.

Toen Pim dien avond naar bed ging was hij moê van inspanning, en lag
hij onrustig te denken aan véél, wat Frederik hem gezegd had. Hij had
hoofdpijn en voelde een angstige, zware beklemming. Eindelijk viel hij
in een doffen slaap.



Maar toen hij den volgenden ochtend opstond, was hij weêr geheel de
oude van vroeger. Zijn oppasser bracht Balder gezadeld voor, en hij
maakte een rit door het Bosch.

Toen moest hij in de kazerne wezen, waar hij een uur manègerijden had.

Toen hij door de poort reed en de schildwacht hem eerbiedig salueerde,
voelde hij zich weer de echte officier, die dienst heeft. Hij hield
even een praatje, met van den Bergh en Waalen, en reed toen naar zijn
manschappen. Het was een prachtige zomerdag vol licht en zonneschijn en
vreugde. Om twaalf uur was hij klaar, en reed even langs Ellie’s
„toren.” Ze zat voor het raam en wenkte hem vriendelijk toe, dat ze
beneden zou komen, vol blijdschap dat hij er zoo onverwacht was. Even
kwam ze voor de deur, zijn paard streelend langs den fijnen kop.

Dat luchte, ranke figuurtje ineens in den lichten morgen, dat
vroolijke, weldadige lachje om den dag meê te beginnen! Wat een zuiver
geluk in zoo’n lief wezentje, dat in een licht japonnetje daar ineens
voor je staat, vol vriendelijke, zachte gratie! Waar was nu het donker
van gisteren, en al de duistere gedachten?...

„O Pim, dat treft,” riep ze blij, „verbeeld je, nicht Joséphine is uit
déjeuneeren, en pa moest ineens op reis gisterenavond, en komt morgen
pas terug... en Wies is waarachtig ook al niet thuis. Nu zit ik me heel
alleen te vervelen.... Zeg, als we nu eens naar Scheveningen gingen
lunchen, onder het Kurhaus, in ’t nieuwe café?.... ze hebben daar zulke
lekkere plats du jour.... Het is nu juist zoo’n goeie gelegenheid. Of
kan je weer niet? Als je nu maar geen theorie hebt vanmiddag, of zoo
iets....”

Neen, hij had gelukkig niets te doen. En hij vond het een uitstekend
idee. Liet ze maar gauw haar hoed opzetten. Dan bracht hij zijn paard
even terug naar de kazerne, en liet zich wat afstoffen. En voort
galoppeerde hij, met hoefgekletter op de steenen, en gerinkel van zijn
sabel. Een paar menschen bleven staan en keken naar het knappe, kleine
officiertje op het groote, zwarte paard.

Een half uur daarna stonden ze op de electrische tram naar
Scheveningen, een keurig, Haagsch paartje, hij in zijn nette
huzaren-uniform, met de glimmende hooge rijlaarzen, zij een exquis
dametje, in haar fijn wit-serge pakje met blauw satijn, zoo heel licht
en luchtig staande op haar witte schoentjes, als een wezentje zonder
materie, van louter liefelijkheid en glans. Vreemdelingen in de tram
dachten dat zij verloofden waren, zoo intiem babbelden zij samen, en
lachten wat tegen elkander over het elegante, Haagsche paartje.

Scheveningen lag in al de glorie van een lichten zomerdag. De zee was
roerloos-rustig, van een groote, heilige kalmte overtogen, en blonk van
een zacht-transparant parelmoer, in liefdevolle mengeling van
harmonieerende, zalig ineenvloeiende kleuren. Glanzend lagen de blonde
duinen in het licht, en over alle dingen lag geluk en
vreugde-om-te-leven. Menschen in lichte pakken wandelden vroolijk heen
en weer, en helder lachen van kinderen klonk in de lucht.

Nu even met Ellie door al dat blijde, prettige gewoel loopen, en dan
een plaatsje zoeken in het gezellige café! Wat een drukte! Overal zaten
wèlgekleede, vroolijk-kijkende menschen aan tafeltjes gezellig te eten,
en lachten, en dronken bier en wijn. Dáár was een goed plaatsje, net
een klein tafeltje voor tweeën. Nu de spijskaart kijken, wat er alzoo
was. Wat wou Ellie hebben? Een halve kip met sla, die was hier nog al
goed. Daarna wat druiven en een perzik. Heel eenvoudig maar. En een
fleschje Haut-Sauternes, met hun beidjes. Ziezoo, zaten ze nu niet
knus?

Ellie vond het er heerlijk gezellig, in dat Café de la Plage. Dat was
nu net iets voor haar, al die drukte, en zooveel vreemde menschen. En
dat typische ronde middenzaaltje. Hoe leuk vond ze in ’t midden dien
bruin-en-wit marmeren pilarenbundel, met die kaboutertjes er boven. En
wat aardig zitten aan die tafeltjes en stoeltjes van bruin eikenhout!
Zóó voelde ze zich echt in haar element, met véél leven, en véél
vroolijk geluid van stemmen om zich heen.

Nu ná de vruchten buiten een kopje mokka drinken in de mooie,
groenrieten stoeltjes. En vooral de menschen goed bekijken. Tegen half
drie werd het tijd om even naar het strand te gaan, in het tentje. Er
waren een boel kennissen. Wies kwam met Jo van Herencate, bij wie ze
geluncht had, en Waalen was er, en Hegge, en Annetje van Westen. En wat
was het vol! Alle badstoelen waren bezet.

Toen Pim met haar in het tentje zat, waar ze zoo vroolijk babbelde met
al de kennissen, en hij zag al die prettige, lachende menschen daar, in
vroolijke, lichte pakken, en het zonlicht blonk zoo heerlijk over de
stille, parele zee, en alles glansde van geluk in de algemeene
vreugde-om-te-leven van den volschoonen zomerdag, toen voelde hij
ineens een groot geluk terugkomen in zijn ziel. Neen! neen! neen! Het
leven wàs niet leelijk en duister, het kon niet, het kon niet zijn! Het
was een droeve, booze droom geweest, wat Frederik hem gisteren gezegd
had, en wat hij zelf zoo dikwijls dacht. Hij wilde niets weten, hij
wilde niet, niet weten meer en niet denken!

O! de warme zon, het glorierijke licht, en die heerlijke, zoele
zeelucht rondom! Het was zoo zalig, gelukkig te zijn, en te lachen, en
niet te weten. En hij was nog zoo jong, hij was blij met het leven, en
het was goed zooals het was, en hij wilde genieten, genieten van al het
blijde en lichte rondom....

Ellie troonde hem mede naar huis om vijf uur. Even ging hij naar zijn
kamer om zich te verkleeden. Hij dronk zijn glaasje port in haar
boudoirtje en dineerde met haar en met nicht Joséphine. En na het eten
chaperonneerde hij de dames weer naar het Kurhaus.

Ellie had een nieuw costuum aangedaan, voor den mooien avond. Zij had
een japon van mauve chiné zijde, opgemaakt met punten van witte kant,
op den rug, op den rok en op de mouwen. Hoe lief kwam haar gezichtje
uitkijken boven uit den hoogen, nauwsluitenden kraag! Het corsage was
hoogsluitend om den hals, onder de ooren met punten verhoogd, en
daardoor scheen haar blonde hoofdje daaruit op te rijzen als een bloem
op den rechten stengel. Haar rok was erg nauwsluitend om de heupen,
naar beneden toe verwijdend, gracieus van lijn als de klok van een
campanula.

En wat een zwierige golf in haar grooten hoed, wit met mauve, waarop
een witte aigrette soms even veerend trilde!

Pim maakte haar een compliment over haar toilet, en ze was er erg blij
mede, omdat hij voor een kenner doorging. En hij mocht haar wit veeren
boa dragen, héél voorzichtig, dat er niets aan al die als
materie-looze, vluchtige veeren kwam, die geen zwaarte hadden, en zóó
zouden wegwaaien in den wind.

Het Kurhaus was stampvol, en de Berlijners speelden een prachtig
programma. De geheele zaal was vol blijde, luchtige zomerkleuren, en
gelukkige, vriendelijke, lachende gezichten. Witek speelde de aria uit
de D-dur Suite van Bach. Zacht zweefden de aetherische violentonen als
stemmen van lichte engelen droomend boven de menschenscharen, en hier
en daar bewoog een licht meisjeshoofd, onbewust medewiegend op den adem
van het langzaam op-ruischend rythme. Onder die zachte zweving van
tonen, als het biddend oprijzen en weer nederknielen van zalige zielen
in eeuwig licht, sloot Pim éven de oogen droomend van geluk. En door
dien droom voelde hij de fijne parfum gaan van Ellies zakdoek, vage
essence van Violettes de Parme, die zij altijd bij zich droeg, subtiel
of het de geur was van haar maagdelijke ziel van meisje....

In de pauze liet hij zich gewillig door Ellie medenemen, wáár ze maar
wilde. Ze wou absoluut éven in de speelzaal gaan, en een coup
probeeren. En ze won, haar bal bleef liggen in het vakje van haar
kleur, lichtblauw, waardoor ze drie gulden kreeg. En ze schaterde het
uit van pleizier of ze een grooten schat had gewonnen. Nu even naar de
leeszaal, éven maar, de nieuwe Fliegende Blätter kijken. Zoo serieus
daar binnenkomen, heel stil, want je moogt er niet praten, met je
voeten zacht over het dikke rood-bruine kleed. En dan even aan de
eerste leestafel gaan zitten, dicht bij een electrisch lampje, met den
wijden groenen kap. Dat flatteert wel een beetje, zoo’n beetje zitten
lezen, in den schijn van dat uitstralende licht....

Daarna éven naar de danszaal, éven maar. Zoo’n goddelijke wals, die
Donauwellen, bijna onmogelijk om er stil bij te blijven staan. Toch
wilde Ellie niet zelf dansen, want er waren te veel menschen. Daarvoor
moet je in een stil kwartiertje even komen, zoo na de pauze, als ze een
erg klassiek stuk spelen, en iedereen binnen is, in de concertzaal. Dan
zoo met een paar intiemen naar de conversatiezaal gaan, en Bino om een
wals vragen, dát is je ware....

Natuurlijk tot slot nog een paar vierkantjes op het terras.

En Pim verwonderde zich dat hij absoluut niets voelde van den afkeer,
waarmede hij den avond te voren nog over zijn leven gesproken had. Het
leek alles zoo vertrouwd en reëel om hem heen! Het was zoo echt de
omgeving, waarin hij zich thuisvoelde, waarin hij nu eenmaal behoorde,
en waarin alles goed scheen, geheel in de natuurlijke orde der dingen,
en onvermijdelijk.



HOOFDSTUK X.


Ellie was juist op ’t punt om uit te gaan met nicht Joséphine, toen
Wies haar boudoir binnenstoof.

„O Ellie!” riep ze. „Hij is gekomen! Hij is gekomen! Gisteren avond om
elf uur, met den laatsten trein uit Parijs.... en hij is zoo heelemaal
veranderd! Zoo donker is hij geworden, van de zon, en zoo groot en
breed, en hij heeft zoo’n grooten zwarten knevel...... hij is de
mooiste man van de wereld... en ik ben zoo trotsch op hem!.....”

Haar gezichtje straalde van blijdschap, en haar oogen schitterden, of
ze niet van een broer sprak, maar van een minnaar. En zij danste een
paar maal van vreugde door de kamer.

„Ik ben toch zoo blij met hem, Ellie!... zoo’n knappen, grooten,
dapperen broer!.... alle anderen lijken daar nu zoo klein en onoogelijk
tegen!... neem nu eens de Sandt of Waalen! Dat zijn toch eigenlijk maar
van die salon-officiertjes. Maar hij heeft gevochten in den slag, als
een held! En de koningin heeft hem een eeresabel gegeven, ik heb hem al
gezien, met een groot, verguld gevest, zoo prachtig, en op de kling
staat met gouden letters „voor betoonde dapperheid”!.... En dat is nu
mijn broer, Ellie, míjn eigen, groote broer!..... En hij is zoo lief,
hij heeft dadelijk beloofd om met me te wandelen vanmiddag. Ik ga met
hem naar het strand, dan kunnen ze hem allemaal zien...... Ik geef hem
een arm, ze zullen denken dat ik geëngageerd ben... wat zullen ze
kijken!.... en hij komt dadelijk hier... Hij moest eerst even op het
ministerie van Koloniën zijn, en ik heb hem gezegd, dat hij me hier
moest komen halen. Natuurlijk komt hij heel gauw een visite bij jullie
maken, maar ik wou niet dat hij je zóó ’t eerste pas zag. Daar kennen
we elkaar veel te goed voor, en dat is altijd zoo stijf, hè..... daarom
vond ik dat hij maar eerst al even moest komen om me te halen..... dan
laat je hem natuurlijk even boven.... zulke intiemen als wíj, hè, die
moeten niet met stijve visites beginnen... en ik heb hem al zooveel van
je geschreven, dat hij je eigenlijk toch al kent..... Nu, wat kijk je
raar, je vindt het toch wel goed?.....”

„Zeker, Wiesje, zeker,” zei Ellie, „het is wel niet heelemaal in de
puntjes, maar omdat het jouw broer is.... En dan zoo’n heel bizondere
broer, zoo’n held....”

Maar eigenlijk had het Ellie in verwarring gebracht, dat plotselinge
aankomen van dien verren, vagen broer, van wien ze altijd zulke groote,
mooie dingen had gehoord. Zoolang hij daar zoo ver over de zee was, had
ze hem bewonderd, zooals ze een held bewonderde uit een boek. Maar nu
hij daar ineens in de werkelijkheid kwam, en misschien straks
plotseling in de kamer zou staan, vond ze het té groot, té
overweldigend ineens, en ze voelde een vagen angst, als voor een
onbestemd gevaar.

En dan zoo maar ineens in haar boudoir! Haar zachte, teedere, blauwe
meisjes-kamer met al die brooze, breekbare dingen, waar nooit een
vreemde man was binnengekomen. Dat boudoirtje was een stuk van haar
zelf, dat nooit een andere man dan haar vader of Pim had gezien, en er
was iets angstigs voor haar in, dat daar nu straks die groote donkere
man zóó maar binnen zou komen, in haar intimiteit van meisje. Zij
voelde een lichte huivering, of hij pijn zou doen aan haar en aan de
zwakke, fijn gelede dingen om haar, of er misschien iets breken zou
onder zijn hevigen, zwaren stap van man, hier waar alles was gemaakt
voor vrouwenbeweeg, zacht en voorzichtig.....

Maar zij wilde haar vriendin niet teleurstellen, en vooral niet
verlegen of preutsch schijnen, nu Wies alles zoo echt vertrouwelijk en
hartelijk had voorbereid.

Ze zei nog eens dat ze het heel prettig vond om Maurice daar zoo zonder
stijfheid als broer van haar liefste vriendin te ontmoeten, en zoo’n
beroemden held uit Atjeh in haar eigen boudoir te krijgen.

„Jammer dat Pim er niet is,” zeide ze alleen. „Hij had er nu juist
bijbehoord, en zou Maurice óók zeker heel graag het eerste hebben
begroet. Maar hij is naar de tentoonstelling in Parijs, en zal daar nog
een week of vier blijven.”

„Dat zou dan nét de dwerg zijn geweest en de reus,” antwoordde Wies.
„Pim, het kleinste officiertje van het leger, en Maurice een van de
grootste. Hij is wel zes voet hoog, geloof ik. Wat een verschil, hè,
Pim of Maurice!”

Maar Ellie dacht onwillekeurig, dat Pim zooveel beter aanpaste aan haar
intérieur, en hoe vertrouwd hij altijd deed, als hij bij haar zat in
een van die broze stoeltjes, die híj niet zou breken. Zij wenschte in
stilte, dat hij nu bij haar was. Want het onrustige gevoel in haar werd
al grooter en grooter. Zij voelde dat het niet zoo erg zou zijn als Pim
er nu maar bij was, en zij wist dat hij haar helpen zou, als er iets
gebeurde. Zij probeerde te lachen om haar kinderachtigheid, maar toch
kon zij het vreemde, beklemmende gevoel niet van zich afzetten, dat
haar beving nu ze wist dat aanstonds die donkere, mooie man zou komen,
van zoo héél verre, uit den droom....

Daar werd gescheld.

„Zou hij het al zijn?” riep Wies.

En Ellie antwoordde kalm: „Ik denk het niet, het is nog geen half drie.
En ik ken dat belletje, het is geloof ik van den kruidenier. Die belt
altijd zoo zacht, net of hij niet durft.”

Hij was het niet. En zij bleven nog wat praten. Over het engagement van
Anna Wesman die al acht en dertig was, en toch nog een jongen man had
gekregen van negenentwintig, die doodelijk van haar was, over Emma
Koch, die op het volgende Symphonieconcert zou spelen, over een nieuw
hoedje van mevrouw van Beloo, dat zoo de aandacht trok op het Kurhaus,
en over een paard van Pim, dat voor het eerst meê zou starten in de
volgende Clingendaalraces.

Maar beiden dachten zij onder het schijnbaar kalm gebabbel aan Maurice,
die ieder oogenblik kon komen.

Weêr ging de bel over, met een kort, bruusk geluid. Ellie schrikte op,
alsof zij voor de eerste maal dien klank zóó hoorde, en zeide inééns
tegen Wies:

„Daar is hij!”

Wat vaag gedruisch beneden in de vestibule, het dichtslaan van de deur,
en zware stappen in de marmeren gang. Toen kwamen krakende laarzen de
trap op, en nader, en naderbij....

De deur ging open.

En daar stond hij.

Groot, donker, en zwaar.

Een groote, donkere, zware man, in de teêre intimiteit van het lichte,
luchtige boudoirtje vol broze, breekbare dingen van heel zachte kleur.

Het was voor Ellie of een hooge, donkere schaduw op haar afkwam, zwart
in het lichte van haar sfeer, maar onafwendbaar en ontzachelijk.

Toen voelde zij dat heel groote opeens vlak bij haar staan. Zij zag
zijn breeden, zwarten knevel, zijn zware, dikke wenkbrauwen, zijn
donkere, warm-fluweelen, fel-schitterende oogen, als sombere,
magnetische sterren, die haar tégenstraalden.

En als een droppel zoet, donker gif, dat plotseling valt in rein water,
en wijder, wijder wolkt het uit, tot het héél de heldere vloeistof
wemelt dóór, zóó zonk de zoete, donkere blik van Mombreuils oogen in
den kalmen vijver van Ellie’s ziel, en bleef er zachtkens, zachtkens
drijven, ver uit-droomend door de blanke onbewustheden van haar
maagdelijk mysterie, innig als een essence, voor altijd in haar...



HOOFDSTUK XI.


Toen Mombreuil weg was, bleef Ellie achter als in een droom.

Zij bleef lang zwijgend zitten, met een loom, mat gevoel over al haar
leden, alsof zij heel, heel moê was.

Zij wist nog maar zoowat even, wat er eigenlijk gebeurd was. Hij was
door Wies aan haar voorgesteld, en hij had zijn hooge gestalte
eerbiedig voor haar gebogen. Toen had hij wat gepraat, en vriendelijk
gelachen, en zij had ook geantwoord. Heel kort had het maar geduurd.
Toen was hij weêr opgestaan van een stoeltje, waar hij op zat, en groot
had zijn figuur in de kamer gestaan. Zij had zijn handdruk gevoeld,
heel warm en sterk in haar angstig, koud handje, en toen was ze alleen
geweest.

Erg moê was ze en erg loom.

Zij voelde, of hij nog niet heelemaal weg was, of hij ook nooit, nooit
meer weg zou kúnnen zijn. Héél van binnen was het haar, of ze iets van
hem in zich had, iets wat daar zacht was blijven branden en gloeien in
haar lijf. Ze had het van zijn oogen in zich voelen komen, en toen hij
haar een hand gaf was het in haar doorgetrild, vèr en vèr in haar.

Ook haar lief, vertrouwd boudoir leek haar niet meer hetzelfde van
vroeger, sinds zijn hooge, groote schaduw er zoo donker in gestaan had.
Het was of er nog iets van zijn zware man-zijn in was gebleven, iets
vreemd-hevigs, dat het intieme er van verstoorde.

Als een vogeltje, dat bang is, zat ze zoo een poos op een pouf, met het
hoofd moê neergebogen op een groot kussen, dat er naast lag.

Het was of iets zwaars over haar was gekomen, waar ze niets tegen
vermocht, en dat ze half-bang, half-blij, onderging, in een vreemde
charme van loome betoovering.

Totdat nicht Joséphine binnenkwam, en haar vroeg, waar ze toch bleef.

O ja, ze zou uitgaan. Met nicht Joséphine. Boodschappen doen, in de
stad.

—„Scheelt je wat, kind?” vroeg nicht. „Je gloeit zoo. Je hebt toch geen
koorts?”

„—Neen, heusch niet, nicht. Maar ik ben wat moê, ik weet niet waarvan,
maar ik ben moê.”

En moê was ze, heel moê, van dien zoeten, donkeren droom die uit zijn
oogen in haar ziel van maagd was gevloeid....



Den volgenden dag sprak zij hem weêr. Zij was met Wies in haar tentje
aan het strand, en hij kwam even bij haar zitten. Zij was erg stil, en
kon niet veel zeggen. Hij praatte veel, met een diepe, zware stem, en
nu en dan een breed gebaar. Ook zijn stem deed haar hevig aan. Alles
was zoo groot en sterk aan hem. Hij was zoo héél anders dan de anderen,
om wie ze altijd kon lachen. Maar hij was absoluut niet om te lachen.
Ze was een beetje bang voor hem, en toch vond ze het prettig om hem te
hooren praten. En hij had zulke mooie oogen. Als ze hem aankeek was het
of ze niet meer een anderen kant op kon kijken, zoo hielden die oogen
haar vast. Het was angstig, en tegelijk streelend, met een vreemde
charme. Ze voelde dat hij véél sterker was dan allen die zij kende, dat
zij niet tegen hem op zou kunnen, en hem bijvoorbeeld nooit een beetje
voor den gek zou kunnen houden, zooals ze het de Sandt of Waalen wel
eens deed, als ze een dolle bui had.

Hij deed ook zoo heel anders tegen haar dan ze gewoon was. Erg
eerbiedig en erg vriendelijk tegelijk, maar zonder complimentjes te
maken, of iets onbeduidends te zeggen over haar toilet, al zijn woorden
meer genadiglijk naar haar neder van uit zijn groote, mannelijke
hoogte, dan vleiend tot haar op zooals die van anderen. En ze vond zich
dan ook nog maar zoo’n nietig kind bij hem, den sterke.

Den dag daarna, kwam hij eene visite maken bij den ouden van Taats, met
zijne moeder de douairière en zijn zuster. En weêr was het Ellie, of
zij een schok voelde in haar hart toen hij aanschelde, met dat hevig,
bruusk geluid. Toen zij het hoorde, liep zij haastig naar beneden, als
werd zij door een vreemd magnetisme tot dien man getrokken, die buiten
stond.

En nu ontmoette ze hem geregeld, aan het strand, in het Kurhaus, en bij
Wies aan huis, als zij haar kwam afhalen. Zonder het zich nog goed
bewust te zijn, werd nu eigenlijk Mombreuils tegenwoordigheid de groote
aantrekking van haar amusementen. Vroeger ging ze er alleen heen, om
lief en gracieus te doen met haar mooi lichaampje voor allen, en van de
gratie van anderen te genieten. Maar nu dacht ze altijd of Mombreuil er
wel wezen zou, en of hij haar ook misschien aardig zou vinden in dit of
dát toiletje, en of hij haar zou aanspreken of niet. Als ze hem zag was
ze een beetje bang, en hoopte ze dat hij het niet doen zou, maar als
hij dan naar haar toe kwam en ze zag in zijn oogen, voelde ze zich weer
verwonderlijk blij. Als hij er eenige dagen niet was voelde zij of het
groote, volle Kurhaus, waar ze vroeger zooveel genoot, toch eigenlijk
leêg was, en keek ze onrustig overal rond waar hij wezen zou.

Van Wies hoorde zij elken dag allerlei nieuws van hem, kleine intieme
dingen, waardoor zij het waagde, een beetje in zijn leven door te
dringen. Wies vertelde, hoe laat hij opstond, waarmee hij ontbeet, waar
hij gevoelig voor was. Ze zeide Ellie, dat oom de minister wel een
betrekking voor hem zou vinden, misschien wel iets aan het hof, en hoe
de koningin zelfs eens naar hem geïnformeerd had, toen oom in het
paleis had gegeten. Ook van zijn heldenfeiten in Indië, die hij haar
tot in de kleinste bizonderheden had moeten beschrijven, vertelde zij
Ellie in opgewonden, gloeiende woorden.

Zóó kwam hij altijd grooter en grooter in Ellie’s leven, en zij voelde
zich tot hem heengetrokken met een onweerstaanbare macht, waaraan zij
niet eens trachtte te ontkomen.

Zij was zich ook in ’t geheel niet bewust, wat haar zoo naar hem
toedreef, en liet zich, gewillig kind als ze was, zonder denken
heengaan, waar haar neigingen haar stuwden. En ze werd nu eenmaal door
die vreemde macht, die zij niet kende en ook niet begrijpen kon,
gedrongen naar dien grooten, donkeren man, die daar ineens zoo hevig in
haar leven was komen staan. Het was onrustig, en het was beklemmend, en
het was bang. Als zij hem niet zag, was zij zenuwachtig en gejaagd, als
trok haar iets van verre onweêrstaanbaar aan, wèg van waar ze was.
Somtijds was ze er verdrietig over, en huilde ze wel eens, zonder te
weten waarom eigenlijk. Zelfs in haar boudoir, te midden van al haar
intieme dingen, in haar kalme atmosfeer van meisje, vond ze niet meer
de rust van vroeger. Zij voelde er zich onbevredigd, incompleet,
hunkerend naar méér, maar wist niet naar wat. En een vaag verlangen
voer door haar ziel van maagd-meisje, een verlangen om te zien zijn
donkere, wonderdoende oogen, en te ademen in zijn sfeer van grooten,
sterken man....

Zij trachtte niet eens, het van zich wèg te willen, en er tegen te
vechten met al haar energie, want zij voelde, diep en zeker, dat zij er
te zwak voor was, en dat het toch te lief en te zalig was om het weêr
te verliezen. Zij kon alléén maar somtijds stil wegkruipen in een
hoekje van haar boudoir, en wat weenen om die zoete onrust, die haar
rustige ziel van meisje had bevangen. Dikwijls verlangde zij naar Pim,
om hem alles te vertellen, om hulp bij hem te zoeken, en hem te vragen,
of hij er niets aan doen kon, dat haar onbezorgd, lustig leventje van
vroeger weêr terugkwam. Hij was de éénige van wien zij wist dat hij
haar begrijpen zou. Aan haar vader had ze het niet eens durven zeggen.
Maar Pim was in Parijs. Ééns probeerde zij hem een brief te schrijven,
maar toen zij hem alles precies wilde uitleggen, bemerkte zij, dat zij
het zelf niet eens wist, en het niet kon zeggen, wát haar zoo onrustig
en zenuwachtig maakte.

Ze had ook wel oogenblikken, dat zij Mombreuil bijna haatte. Het was,
of hij haar iets had afgenomen, of hij haar pijn had gedaan, als
vijandig. Als een groote reus had hij opeens in haar kuische rust van
meisje gestaan, en de stille, witte bloemen van haar ziel wreedelijk
vertreden. Het was of hij een brand had ontstoken in haar kalm, heilig
huis. Zij voelde vage, langzaam opgloeiende emoties in zich, die zij
nooit gekend had, en die zachtkens opvlamden door haar lichaam, met
onrustige rilling, als van koorts.

Voor haar vader en voor nicht Joséphine probeerde zij het te verbergen,
beschaamd voor haar zoo lief en bang geheim.

Maar Wies was niet zoo gemakkelijk te misleiden. Zij begon aan allerlei
kleine dingen te zien, dat Ellie niet meer het onbezorgde, vroolijke
kind was van vroeger, en dat zij onder den indruk was gekomen van haar
mooien, grooten broer.

„Ik geloof heusch, Ellie, dat je een beetje verliefd bent op Maurice,”
had ze haar eens, plagend, gezegd.

En Ellie was doodsbleek geworden, en had van angst niet geantwoord. Ze
had het zelf niet geweten. Ze zou het zichzelf, in haar groote
onschuld, niet bewust zijn geworden, als haar vriendin het haar niet
gezegd had.

Nu keek ze Wies alleen maar ontzet aan, met groote, angstig starende
oogen, zonder te ontkennen wat haar nu eindelijk zelf geopenbaard was
als een zoo groot geluk en een zoo groote smart.

Als een arm, wit vlindertje, dat een fel licht heeft gezien en
blindelings, in wonder-zalige betoovering van zijn teêr lijfje,
zenuwachtig wiektrillend rondbeeft om de verzengende vlam, zoo voelde
Ellie haar maagdelijke ziel heenduizelen om het sombere vuur, dat blonk
in de oogen van dien grooten, donkeren man....



HOOFDSTUK XII.


Toen Mombreuil uit Indië terugkwam, was hij nog dezelfde van zes jaren
geleden. Hij was uiterlijk wel veranderd, en zijn gezicht was gebruind
door de zon, maar zijn innerlijk leven was nog altijd dat van vroeger.

Zijn heldendaden in Atjeh waren daden van wanhoop geweest, omdat het
leven hem zonder de genietingen, waaraan hij behoefte had, niets meer
waard was, en hij er weinig om gaf, of hij het behield of niet. Toen
hij, zonder fortuin meer, als gewoon koloniaal naar Indië ging, was het
hem verder om ’t even geweest wat er gebeurde. In een soort
stompzinnige verdooving had hij het misère-leven van troepensoldaat
medegemaakt, telkens bij een gevecht met den vijand hopende dat er een
eind aan zou komen, en in ’t hevigste gevaar loopende meer uit lafheid
om zóó voort te blijven bestaan, dan uit dapperheid. Toen was het hem
verbazend medegeloopen, zoodat hij er zelf verwonderd over was, en
zonder dat hij er ooit op had gerekend, was hij officier geworden. Van
dat oogenblik af was de hoop om nog ééns van het leven te genieten weer
in hem teruggekomen. Genieten, dát was zijn éénige aspiratie. Hij had
er nog lang niet genoeg van gehad, toen hij zoo bruusk uit zijn
heerlijk jongelui’s leventje was weggerukt, en een ondragelijke, alles
overweldigende honger naar genot had in hem gebrand, al die jaren in
Atjeh, en had hem voor alle andere dingen verstompt en ongevoelig
gemaakt. Hij wist heel goed, dat het niet waar was, wat zijn oom, en
zijne moeder, en zijne zuster van hem dachten, dat het niet uit
vaderlandsliefde, noch uit liefde voor de koningin was, dat hij er in
den oorlog zoo op los had geslagen.

Hij had volstrekt niets gevoeld van vaderlandsliefde, en de gedachte om
te strijden voor de koningin was niet in hem opgekomen. Hij voelde veel
te goed dat de Atjehers, die hij moest bevechten, geen vijanden van de
koningin konden zijn, die haar kwaad zouden willen of haar haten, en
dat zij maar een vage voorstelling konden hebben van die blanke
vorstin, ver over de zeeën. Ook had hij nooit het overtuigend gevoel in
zich voelen gloeien, dat hij voor het Recht vocht, en dat die dappere
kerels, die zoo prachtig volhielden en toch hun eigen land verdedigden,
werkelijk de natuurlijke vijanden van het hollandsche volk waren.

Hij had gevochten uit wanhoop, uit pure vertwijfeling over zijn eigen,
gebroken bestaan, zooals hij tegen iederen anderen zoogenaamden vijand
zou gevochten hebben, bij wien hij kans had, een kogel te krijgen die
aan zijn misère een einde maakte. En hij was eerlijk genoeg om zichzelf
in ’t geheel niet den held te voelen, dien ze van hem maakten. Het
hinderde hem zelfs, in de couranten zulke dolle dingen over hem te
lezen na zijne buitengewone benoeming tot officier. Toen hij tweede
luitenant was geworden, voelde hij zich genoegzaam gerehabiliteerd van
de vroegere vernederingen, maar toch vond hij, dat hij er niet zoo veel
verder mede was.

Het leven op Atjeh vond hij verschrikkelijk, en het idee van eene
plaatsing later ergens in Indië maakte hem de toekomst niet lichter.
Hij miste er de dingen, die in Holland zijn natuurlijke omgeving waren,
zijn amusementen van uitgaand jongmensch, zijn café’s, zijn
boemelvrienden, zijn fijne restauraties, de chantants, en vooral de
vrouwen. Van inlandsche vrouwen had hij instinctmatig een vreesachtigen
afkeer gehad, zoo sterk, dat het hem onmogelijk was, er intiem mede te
worden. Wèl had hij zoo nu en dan een kortstondige liaison met een of
andere kampong-nonna gehad, omdat zijne hevige, van brute levenskracht
overvloeiende natuur nu eenmaal niet lang kuisch kon blijven, maar het
ware genot van vroeger vond hij er niet in terug, en hij deed het omdat
er niets beters te krijgen was, zonder het intenze, er heelemaal in
òpgaan van vroeger, toen het grandioze, volmaakt-zalig in vreugde
wegzwijmelen met vrouwen hem zich bijna als een God deed voelen.

Hij bekende het dan ook eerlijk, niet de meerdere beschaving, de omgang
met de élite van kunst en intellect, en ook niet het klimaat deden hem
zoo naar Holland terugverlangen, maar alleen de vrouwen, de fijne,
blanke, zachthuidige vrouwen, waar zijn warm, onstuimig bloed van jong,
krachtig man-dier heet naar verlangde, even smartelijk-fèl als een
dorstende naar water in de dorre woestijn.

En dat schrijnend, wee-brandend verlangen was in hem blijven gloeien,
al de lange jaren door zonder hem ooit rust te laten. Het idee van weer
een mooie blanke vrouw te hebben werd een soort van obsessie in hem, en
maakte hem wel eens of hij dronken was. Het leven was hem niets meer
waard zonder dat groote, zalige genot waar zijn sensueele natuur zoo’n
onleschbare begeerte naar voelde, en in de wanhoop over zijn gemis,
daar in dat land, waar blanke vrouwen onbereikbaar voor hem waren, deed
hij in het gevecht als een krankzinnige, die den dood zoekt. Op een
paar kleine schrammen na, kwam hij er altijd ongedeerd af, totdat
eindelijk een klewang-houw van den vijand hem trof in den arm. Hij werd
geëvacueerd en twee maanden in het hospitaal te Padang verpleegd. Toen
de commissie hem afgekeurd had voor den dienst en hem voorschreef,
direct naar Holland terug te gaan, was het voor hem als een droom. Hij
kon het bijna niet gelooven. Alles, alles van vroeger weer terug! Weer
terug in het heerlijke drukke leven van Holland, weêr loopen in volle,
helderverlichte straten, weer lekker eten in goede restaurants, weer
vrouwen zien, echte, blanke, europeesche vrouwen krijgen in je
verlangende armen, en gezellig stiekem uitgaan in Amsterdam, met een
mooi, blond wezentje aan je arm! Weer genieten, weer gelukkig zijn,
weer meêdoen aan het heerlijke, hoog ademende leven van een groote
stad, waar ál genot te krijgen is!

Hij had brieven van oom Mombreuil gekregen, vol geestdrift over zijn
gedrag, en enthoesiast over de koninklijke onderscheidingen, die hij
had verdiend. Het huis van den oud-minister stond voor hem open, zijn
rijtuigen en paarden waren tot zijne beschikking, en als hij geld
noodig had, zou hij ’t maar te zeggen hebben. Alles was vergeven. Hij
had den naam van de Mombreuils hoog gehouden, en in het geheele land
doen weêrklinken, en hij kon verzekerd zijn, dat oom het nooit vergeten
zou. De oude man bedankte hem zelfs voor zijne toewijding aan de zaak
van het vaderland, en de dappere wijze waarop hij zijn leven had veil
gehad voor zijne koningin.

Er was iets in die brieven van den ouden Mombreuil, dat hem hinderde.
Zijn oprechte natuur was te loyaal om niet het onware in zijn positie
te voelen. Want hij wist zich volstrekt niet den geestdriftigen held
van vaderland en vorstin, dien men met alle geweld in hem wilde zien.
Die motieven, die iedereen hem toeschreef, had hij nooit zoo gevoeld.
Maar in de groote vreugde over zijn nieuw, heerlijk leven vergat hij
die teleurstelling. De hoofdzaak was, dat zijn oom, van wien hij
trouwens toch eenmaal moest erven, hem genoeg financieel zou steunen om
eens recht feestelijk de schade in te halen van zijn verloren jaren in
Indië.

En wat zou Wies blij zijn, die goeie beste zus, die hem altijd zoo
trouw geschreven had en van alles op de hoogte gehouden van wat er in
den Haag gebeurde!

En die beste oude moeder, die zoo had geleden onder de vernedering toen
hij koloniaal was, nu zou ze wel weer tevreden zijn, nu hij er weer
heelemaal bovenop was.



Wat heerlijk vond hij het, toen hij den eersten dag, als vrij, jong
man, in zijn oude positie van Haagsch aristocraat, correct gekleed, met
een goed gevulde portefeuille, weer in „de stad” liep. Dat was dan nu
eindelijk weer eens het Leven.

En zijn geheele zware, kommervolle, avontuurlijke bestaan van zes jaren
in Indië leek hem als een korte, booze droom.

Hij herinnerde zich nog zoo goed, of het gisteren was, dat hij hier
liep, in dezelfde straten, langs dezelfde winkels, en met bijna al
dezelfde menschen. Hoe goed kende hij ze nog, en hoe weinig waren ze
veranderd. Precies dezelfde typen nog van vroeger. En het was, of dat
misère-bestaan in Indië, onder al die vreemde, bruine menschen, maar
een kleine interruptie was geweest, en hij zijn leven weêr op dezelfde
plaats begon, waar hij het hoogstens een paar dagen geleden had
afgebroken.

Omdat hij zich in Indië, in zijn vreemde omgeving eigenlijk nooit thuis
had gevoeld, was die geheele serie jaren daar, eenmaal voorbij, ook
voor goed vergeten, maar hier, waar zijn eigen, oude, intieme thuis
was, kwam ineens alles van vroeger terug, en hij had het wel kunnen
uitschreeuwen van plezier, dat alles toch weer zoo keurig op zijn
pootjes was terecht gekomen, en hij er weer heelemaal bovenop was, en
nu weer terug in het leven, dat genieten was.

Het duurde niet lang of hij had in „de stad” gevonden wat hij zocht.
Johtje van den Berg was nu nét een meisje voor hem. Van „öffentliche”
vrouwen hield hij niet, dat was hem te gemeen, en niet pikant genoeg.
Maar zoo’n echt Haagsch, verleidelijk wezentje, zoo’n vroolijk
burgermeisje, dat van een pretje houdt en voor haar eigen plezier met
je meê gaat, omdat ze jong is en profiteeren wil, dát was voor hem je
ware. Hij had het vroeger óók altijd gezegd, géén snolletjes, daar had
je niets aan, maar een scharreltje, daar moet je ’t van hebben.

En Johtje van den Berg was zeker wel ’t aardigste „scharreltje”, dat
Maurice ooit was tegengekomen. Ze ging nog maar pas een half jaar
„uit”, en was verleden maand pas negentien geworden. Een frisch, vol,
blozend gezicht had ze, dikke, roode lippen, altijd een beetje
half-open geplooid, als voor een kus, een mooie buste en flinke,
stevige armen, een meid van melk en bloed, zwellend van jong, gezond,
warm, naar genot langend leven. Dát was, waar Mombreuil behoefte aan
had, aan een vol, welig, blank meisje, met veel dik, blond haar, en een
prettig, jolig gezicht, dat gul en guitig lachte. Dat lachen vooral
deed hem zoo goed, dat lachen van zoo’n mooien, roodlippigen,
volbloedigen meisjesmond.

Ze had hem, dadelijk toen ze hem in de Veenestraat zag loopen, een erg
aardigen, mooien man gevonden, en toen hij haar met zijn donkere,
fluweelige oogen een beetje lief aanzag, had zij moeten lachen, of zij
wilde of niet. Zoo was ze hem een paar dagen tegengekomen, had tegen
hem gelachen nu en dan, en eindelijk was ’t het gewone gangetje gegaan:
zij nu en dan blijven staan voor een winkel, hij ook, even wat gekeken,
wat gefluisterd, en toen samen in de Wagenstraat een zijstraatje in. Of
ze eens meê uit ging een avondje? Ze kon zoo moeilijk, want ze was tot
negen uur op het atelier, ze leerde voor modiste. Maar ze zou probeeren
van avond. Om acht uur, op het Plein, bij het wachthuisje.

Ze was gekomen, en nog denzelfden avond was ze zóó onder den indruk van
zijn mooie, donkere oogen van charmeur, dat ze den eersten keer al
dadelijk met hem meê was gegaan naar een kamer, op den Fluweelen
Burgwal. En ze vonden hier allebei niets in. Ze vonden elkaar aardig.
Ze waren verliefd op elkaar. Ze waren allebei jong en levenslustig.
Waarom zouden ze dan niet van elkaar genieten?

Mombreuil voelde dit absoluut niet als iets slechts. Het lag in de
strooming van de natuur, vond hij. Hij voelde zich er juist heelemaal
harmonisch van, en het deed hem goed, en bracht hem in weldadig
evenwicht.

Er was geen kwestie van leugen, of bedrog, of verleiding. Zij wist heel
goed, dat zij een burgermeisje was, een „scharreltje” maar, met wie hij
niet zou trouwen, maar zij vond het nu eenmaal prettig met nette
„heertjes” uit te gaan, en pret te hebben. Thuis, waar ze met haar
moeder armoedig leefde, in ééne nauwe, muffe kamer met een alkoof, en
slecht eten kreeg, was het heusch zoo amusant niet. En nu had ze
besloten, te genieten wat er te genieten viel, en had wel geweten wat
ze deed. Maurice van zijn kant wist óók waar het op stond, en dat het
maar een liaison van hoogstens enkele maanden zou zijn. Maar voor het
oogenblik vond hij haar lief, en begeerlijk, en was hij gecharmeerd van
haar. En zij van hém ook. Daarom namen zij elkaar, vrijwillig, omdat ze
er trek in hadden en allebei van genot hielden. Heel eenvoudig.—

En dit was eigenlijk de eenige vorm van liefde dien Mombreuil begreep,
en waarin hij zich eerlijk, met alle intensiteit, kon geven. Hij hield
niet van roerende, sentimenteele bespiegelingen en meditaties; daar was
zijne natuur nu eenmaal niet op ingericht. Hij hield alleen van ’t
genot van ’t oogenblik, zonder al te veel omhaal en combinaties, maar
dán ook echt, alles eerlijk, franchement gegeven, en ook zoo
teruggekregen. En in zekere mate werd hij dan ook aan een meisje
gehecht, waarmede hij uit was, omdat ze hem genot gaf, uit eigen,
vrijen wil, en hij haar daarvoor dankbaar was. Ook zou hij nooit
ontrouw kunnen zijn aan één meisje, zoolang hij het met haar hield.

En zóó was hij al heel gauw gehecht aan Joh, die zich zoo dadelijk aan
hem had gegeven, en hem zooveel genot gaf, dat genot, voor hem nu
eenmaal het allerhoogste levensgeluk dat hij kende, en waarin hij de
volkomen bevrediging vond van zijn innigste en sterkste verlangens en
aspiraties.

Om geen aanstoot te geven aan familie en kennissen en het vooral niet
aan oom Mombreuil te laten bemerken, ging hij bij voorkeur met haar uit
in Amsterdam. Hoe in-gezellig was dat voor hem, die jaren lang
liefde-honger had geleden, om met zoo’n frisch, jong ding in Amsterdam
uit te gaan. Eerst ergens eten, en dan naar een operette, of een
chantant, om eindelijk bij Kras nog wat te soupeeren. Het
guitig-stiekeme, van daar in zoo’n vreemde stad, onder menschen, die je
niet kennen, met zoo’n lief kind te zitten smullen, onder de witte
gasgloeilichtballons van zoo’n restaurant. Al die drukte om hen heen,
dat geroep, en geloop, ál dat brouhaha, en dáárin, tusschen al die
vreemde, woelende menschen, het heel stille elkaar aankijken, met
zacht-aangloeiend lijfsverlangen, van twee paar verliefde oogen! En dan
dat idee van straks stilletjes naar een hôtel te gaan, zoo’n echt
rendez-vous-tje voor ingewijden, op den Nieuwe-Zijds-Voorburgwal, en
elkaar te omhelzen met lief-verlangende lijven....

Dát was het hoogste moment van Mombreuils leven, dat nu eenmaal geen
ander zóó genotvol kende. Wat was hij gelukkíg, dat hij dit weer terug
had, dit ééne genot, waarnaar zijn lijf verlangen had geleden, zoo vele
jaren lang. Het beving hem met een geluk, of hij er van sterven zou.

En ééns op een morgen, om elf uur, toen hij pas van Joh kwam, die nog
wat was blijven slapen in het Hotel, had hij het kunnen uitjubelen van
geluk. Hij was de Kalverstraat doorgeloopen, die vol was van menschen
en kwam opeens op het Sophiaplein bij de Munt. Hoe daar opeens alles
openging, die zijstraten, naar ’t Rokin, naar de Doelenstraat, naar den
Singel, naar de Reguliersbreestraat en de Vijzelstraat, hoe wijd en
ruim werd alles opeens! En de zon die uit wolken te voorschijn kwam,
scheen hem met volle glorie in het gelaat.

Al dat licht, al dat geluid, al die drukte van het groote, heerlijke,
ruischende Leven bedwelmden hem met een overweldigende verrukking.

Toen was het hem, of in hém ook iets openging, of het warme, gloeiende,
gezonde Leven, waarvan hij zoo boordevol was, al grooter en grooter in
hem werd, en hij zijn eigen wezen wijd voelde uitdeinen, in goddelijken
groei.

O! De heerlijkheid voor hem, om ook een stuk van dat groote, om hem
heen ruischende Leven te zijn, waarin het geluk zóó maar te krijgen
was, voor wie maar grijpen dorst, om van te drinken met vele, volle
teugen van genot!....



Maar den Haag, en ook Amsterdam, zijn eigenlijk toch kleine steden,
waar het heel moeielijk is, uit te gaan zonder door kennissen gezien te
worden.

Het duurde dan ook niet lang, of de oude heer Mombreuil kwam er achter,
welke prouesses Maurice weer begon te maken. Hij was er al bang voor
geweest, en was er eigenlijk al zoowat op voorbereid. Iemand, die
zoolang ontbering had moeten lijden in Indië, en dan met zoo’n hevig
temperament als Maurice!...

Maar de minister wist er wel wat op. Het moest nu maar eens voor goed
uit zijn, met die buitensporigheden van het jonge bloed. Het jonge
mensch moest nu maar eens een geregeld leven gaan leiden; en als hij
niet buiten een vrouw kon, welnu, dan moest er maar een vaste vrouw
voor hem gezocht worden. Er was niets anders op. Het was de eenige
redding voor hem. Maurice moest trouwen.—Hij moest een lief, jong,
eenvoudig meisje trouwen, waar hij zich van zelf wel aan zou hechten,
en die hem door haar goeden invloed wel in het rechte spoor zou
houden.—

Geen oogenblik dacht de oude aristocraat, versteend in de fossiele
ideeën van een door en door bedorven maatschappelijke conventie, aan
het schandelijke, in-gemeene, om een onschuldig, eenvoudig, ongerept
meisje zoo maar samen te koppelen met een ervaren, savant viveur als
Maurice, die al door zooveel dingen van het lagere leven was gegaan.

Integendeel, hij dacht, dat hij nu precies in de natuurlijke orde der
deftige, beschaafde, christelijke samenleving handelde, door Maurice te
bewegen, een huwelijk aan te gaan met een meisje van stand, en daardoor
als een fatsoenlijk, geposeerd man te gaan leven.



HOOFDSTUK XIII.


De oude Mombreuil verklaarde, in een ernstig gesprek, aan Maurice’s
moeder, waar het op stond.

Hij wilde het jonge mensch met al zijn invloed en met zijne financiën
steunen, maar hij was niet van plan, zijn geld te laten verspillen aan
de vrouwen. Maurice was nu acht en twintig jaar, en waarlijk oud genoeg
om eens eindelijk een geregeld leven te beginnen. Er was door
bemiddeling van invloedrijke vrienden eene betrekking voor hem open,
als hij maar als een geposeerd, fatsoenlijk man wilde leven. Het
tractement was nog wel niet hoog, maar daar behoefde Maurice zich niet
ongerust over te maken. Zijn oude oom, van wien hij toch eenmaal moest
erven, zou hem wel steunen en zorgen, dat hij goed voor den dag kon
komen. Maar dat gepierewaai moest voor goed uit zijn, dat was de eerste
en éénige voorwaarde. Maurice moest trouwen, en indien hij dit niet
verkoos, trok oom, zooals hij dat noemde, de handen van hem af.

Mevrouw Mombreuil had er weinig tegen in te brengen en, als een
verstandige vrouw van de conventie, was zij het natuurlijk volkomen met
den oud-minister eens, dat haar zoon zijn leven moest regelen door een
fatsoenlijk huwelijk.

Zij praatte er denzelfden avond nog over met Wies, en vertelde haar,
hoe oom zijn huwelijk als voorwaarde had gesteld om hem financieel te
helpen. Dat was een groote déceptie voor Wies. Het was nu net zoo
heerlijk, een broer te hebben als chaperon, en nu, nadat ze nog geen
zes weken van hem genoten had, wilden ze hem alweer van haar afnemen!
Maar zij wist te goed, hoe Maurice van ooms genade afhing, om niet in
te zien, dat er geen kwestie was van verzet. Maurice moest trouwen, dat
stond vast, en het kwam er nu alleen maar op aan, een goed meisje voor
hem te vinden. En toen mama haar vroeg, met wie van haar vriendinnetjes
Maurice zich alzoo geöccupeerd had, viel het haar ineens helder in, wie
dat meisje zou kunnen wezen.

„Maar mamaatje!” riep ze uit, in de handen klappend over haar mooie
trouvaille, „dat is al heel gemakkelijk. Weet u wel dat Ellie bepaald
gecharmeerd is van Maurice?”

Ellie van Taats! Dat was al een héél geschikte oplossing, vond de oude
mevrouw. Was het mogelijk! Die kleine Ellie, dat vlindertje, verliefd
op Maurice! Wie had dát kunnen denken! Het was net een goed vrouwtje om
een wildzang tot rust te brengen. Lief, elegant, gedistingueerd, en
toch eenvoudig, en zelfs naïef. Er was nu letterlijk geen kwaad áán
haar, vond mevrouw Mombreuil. En ze had nog al wat geld ook, van haar
gestorven moeder, en later nog te wachten van haar vader, die van zijn
tweede vrouw flink had geërfd. Ze was wel niet van adel, maar dat was
nu zoo heel erg niet, en de van Taatsen waren toch van goede familie.
Er was geen liever en aardiger meisje voor Maurice te bedenken dan
Ellie, en dat ze bovendien zelf al van hem gecharmeerd was, trof nu al
buitengewoon.

Den volgenden dag was de oude mevrouw Mombreuil al bij den minister om
hem het groote nieuws te vertellen, dat ze een geschikt meisje voor
Maurice had gevonden. Hij was er dadelijk erg mede ingenomen, en
schreef een briefje aan zijn neef met verzoek, dien middag bij hem te
komen, om over gewichtige zaken te spreken.

Toen Maurice bij hem was, verklaarde de oud-minister hem met groote
autoriteit, waar het op stond. Hij releveerde nogeens zijn heldhaftig
gedrag op Atjeh, en bracht hem onder het oog dat het niet aanging, na
de Koninklijke onderscheidingen, nu weer als een boemelend student te
gaan leven. Alleen door een huwelijk was zijn leven te regelen. Op
strengen, vaderlijken toon las hij hem de les, en verklaarde
uitdrukkelijk, dat hij zijn beurs voor goed gesloten zou houden, als
Maurice niet precies deed wat hij verlangde. Hij wilde hem voor het
huwelijk geen meisje opdringen, dát vond hij onzedelijk, maar vroeg hem
alleen ronduit, of hij Ellie van Taats een goede vrouw voor hem zou
vinden.

Maurice zag wel in, dat het nergens toe dienen zou, zich te willen
verzetten. Oom had nu eenmaal het geld, en daar hield alles mee op.
Alleen vroeg hij een paar dagen bedenktijd, om het eerst degelijk te
overwegen.

Hij praatte er thuis nog eens over met Wies, die hem vertelde hoe zij
gezien had, dat Ellie van ’t eerste oogenblik af op hem verliefd was,
en hoe vol bewondering zij over hem sprak.

En hij zag dat er hem niets anders overbleef, dan aan oom te
gehoorzamen. Hij had Ellie altijd een heel lief meisje gevonden, al was
ze een vreemd leven voor hem, ver buiten zijn sfeer. Hij kon zich ook
absoluut niet meer indenken in zoo’n meisje als Ellie. Wèl vermoedde
hij, dat het iets veel hoogers en beters was, dan hij ooit had kunnen
droomen, iets dat voor hém misschien veel te goed en te rein was, maar
hij besefte niet, hoe broos en breekbaar zoo’n meisjeszieltje was van
essentie. Hij dacht, dat het wel terecht zou komen, als hij maar
eerbiedig en galant tegen haar was, en dat hij, als ze maar eenmaal
zijn vrouw was, haar wel nader zou komen, en vertrouwelijker met haar
zou kunnen omgaan. Nú had hij nog maar een vage teederheid voor haar,
met een beetje medelijden vermengd, omdat ze nog zoo’n kind bleek te
zijn. Dat ze zoo dadelijk verliefd op hem was geworden, verwonderde hem
niet, en streelde hem niet eens zoo bizonder. Het was iets heel
natuurlijks voor hem. Hij was nu eenmaal een mooie man, en van zijn
vroegste jeugd af aan had men hem „le beau Maurice” genoemd. Zonder er
bepaald trotsch op te zijn, of er mede te affecteeren, had hij vroeger,
in zijn goeden tijd, als een pacha altijd de hulde van meisjes en
vrouwen aangenomen, als iets dat van zelf sprak. En dat Ellie nu op hem
verliefd was, vond hij volstrekt niet zoo’n groote conquête. Physiek
was zij zijn „genre” niet eens. Hij hield niet van die kind-meisjes,
die nog zoo onnoozel zijn, en nog zoo vaag van vormen, en waar je den
eersten tijd maar zoo weinig aan hebt. Hij kon er ook nog zoo slecht
mede omgaan, en je moest altijd zoo voorzichtig zijn, dat je haar niet
verschrikte met een verkeerd woord, of gebaar.

Maar er was nu eenmaal niets aan te doen geweest. Hij moést trouwen,
had zijn oom gezegd, daar stond hij op. En oom had het geld. Daar viel
weinig tegen te redeneeren. Oom vond Ellie nu eenmaal een geschikt
meisje voor hem. Wel is waar was ze niet van adel, maar dat was juist
wel goed, want om haar in de aristocratie te doen komen, zou papa van
Taats eerder over een minder glansrijke periode in Maurice’s leven
heenzien. Ze was een lief, onschuldig jong meisje, had oom gezegd, die
juist een verzachtenden, veredelenden invloed op hem zou uitoefenen. En
ze had ook wel wat geld ook. Dus het moest Ellie zijn, Ellie en geen
ander. En Maurice had er verder niets tegen ingebracht. Als hij toch
moest trouwen, was het hem vrijwel om het even, of het met Ellie van
Taats was of met een andere. En hij vond haar gedistingueerd en
aristocratisch genoeg om eene mevrouw Mombreuil te worden.

Maurice was zoo ingeroest in de heerschende Haagsche begrippen, dat hij
er volstrekt niets slechts en ignobels in zag, met een meisje
geëngageerd te zijn, waar hij eigenlijk niet van hield. Zelfs vond hij,
dat het wel degelijk een eer voor haar was, zijn verloofde te zijn, en
eene Mombreuil te worden, al was hij te veel gentleman, om dat ooit te
laten bemerken.

Hij had haar altijd met een hartelijke, welwillende vriendelijkheid
behandeld, meer als een goed, argeloos kind dan als een vrouw, met iets
medelijdends, omdat ze nog zoo naïef was, en nog zoo weinig van het
leven wist. Hij verwonderde er zich dikwijls over, dat ze in sommige
opzichten nog zoo onnoozel was. Van een Haagsch meisje had hij dat niet
verwacht. En eigenlijk hinderde het hem een beetje. Hij hield niet van
ingénues. Dat werd later altijd zoo lastig. En hij kon zich zoo
verbazend moeilijk in zoo’n wezentje verplaatsen, hij, die zooveel
ervaring had, en zoo goed wist, wat nu eenmaal het leven was!

Het speet hem erg voor Joh. Die goeie, beste meid, waar hij zoo’n
innigen lol mee had gehad! Die zou hij nu natuurlijk er aan moeten
geven. Oom, die nu eenmaal van zijn liaison met haar afwist, zou hem
den eersten tijd natuurlijk wel in de gaten houden. En er viel niet met
hem te spotten. Het was een kwestie van to be or not to be.

Hij ging naar oom Mombreuil, en zeide hem, dat hij, na rijp nadenken,
alles zou doen wat hij van hem verlangde, en voortaan een geregeld
leven zou trachten te leiden. En hij vroeg zijn oom tevens, den ouden
heer van Taats eens te gaan polsen over het plan.



Wies was den volgenden morgen al heel vroeg bij Ellie, om haar voor te
bereiden op het groote nieuws. Het was nog vroeg, en Ellie was juist
uit haar slaapkamer in haar boudoir gekomen, waar zij altijd ’s morgens
vroeg haar kop chocolade dronk.

„—Alweer groot nieuws, Ellie!” riep Wies, „nu raad je nooit wat ik je
te vertellen heb!”

„—Nu? Wat dan? Is het héél gewichtig?”

„—Héél, héél erg, hoor!.... Maar je kunt het tóch niet raden..... Het
is iets van Maurice!...”

„—Van Maurice!....”

En Wies zag, dat Ellie erg schrikte, en bleek werd.

„—Ja, van Maurice!” zei ze, een beetje plagend... „nou kijk maar niet
zoo verschrikt.... er is geen ongeluk met hem gebeurd, hoor!....
héélemáál niet.... maar je raadt nooit wat hij doen wil....”

„—Nu, wat dan?....”

„—Hij wil gaan trouwen!”

Ellie keek haar aan, met groote, starende oogen. Ze vroeg niet eens met
wie. Het was haar zoo inééns overvallen, dat ze niet spreken kon.

En Wies vertelde dóór.

„Ja, hij gaat trouwen... met een héél lief meisje... het liefste meisje
van den Haag.... lichtblond haar heeft ze, en erg zachte, blauwe oogen,
die niet zoo verschrikt mogen kijken, want daar zijn ze véél te mooi
voor.... ben je nu niet nieuwsgierig?.... weet je nu nog niet wie het
is?.... Maar hij heeft het zelf nog niet durven zeggen.... dat is niets
voor hem, zulke dingen... hij kan beter vechten en heldendaden doen....
maar vandaag of morgen komt oom Mombreuil er al over spreken met den
papa van het meisje.... weet je ’t nog altijd niet, wie het is?.... ze
zit toch zoo héél dicht bij me, hier, in dit mooie boudoirtje....”

„—Wies!”

Ellie stond op, en knielde bij Wies neer op een pouf, met de handen
smeekend opgeheven. Haar oogen keken heel bang, als van een verschrikt
vogeltje.

„—Wies!.... het is toch niet waar, hè?.... je maakt maar een grapje,
hè?.... het is toch niet voor mij, hè, dat Maurice komt.... dat kán
immers niet.... wat zou hij aan mij kunnen vinden.... ik, zoo’n arm,
klein vlindertje maar!....”

Wies kuste haar op de wangen, en nogeens, en nogeens.

„—Het is voor jou, hoor!.... jij wordt het vrouwtje van Maurice,
heusch, en dan word je mijn lief mooi zustertje meteen!.... maar waarom
kijk je nu zoo verschrikt?....”

Toen legde Ellie het hoofd in haar schoot, en zei heel zacht, of ze
meer in zichzelve sprak dan tot Wies:

„Ik kán het bijna niet gelooven dat het waar is.... en toch heb ik het
al voelen áánkomen... ik ben zoo gelukkig, zoo heel gelukkig.... maar
ook zoo bang, zoo bang.... ik ben somtijds zoo heel bang voor het
geluk....”



HOOFDSTUK XIV.


Toen Pim vier dagen daarna van Parijs was teruggekomen, met den
laatsten avondtrein, vond hij op zijn kamer een briefje van Ellie. Hoe
kende hij de kleine, roze envelopjes, waar haar lievelingsparfum hem
uit tegemoet geurde, een zachte, vage geur van Violettes de Parme!
Haastig deed hij het open. Zeker weêr over een leuk plannetje voor
morgen.


    Beste Pim!

    Ik ben zoo gelukkig. Ik heb willen wachten tot je thuis was om het
    publiek te maken. Ik ben geëngageerd met Maurice Mombreuil. Je zult
    het niet kunnen gelooven. Hij, de held van Atjeh, de groote, sterke
    held, en ik het arme, kleine vlindertje maar! En toch is het heusch
    waar, Pim, en ik ben zoo gelukkig. Jij zult ook zeker gelukkig zijn
    met het geluk van je zusje. Overmorgen, den 15en, is er een klein
    dinertje, voor de heel intiemen, en dan maken we het publiek. Kom
    je me héél gauw feliciteeren, zoodra je thuis bent?

        Je liefhebbende zusje

            Ellie.


Pim besefte eerst niet goed wat hij gelezen had. Hij zag wel de
letters, en wist wel de volgorde van de zinnen, maar het idee kon nog
niet heelemaal in hem doordringen. Nog eens goed overlezen.... Nu nog
eens... hárd op, heel duidelijk....

Maar dat kan toch niet.... welneen, verbééld je nu eens, dat is toch
immers onmogelijk.... het is te dol.... Ellie geëngageerd.... Ellie,
zijn zusje, zijn kleine, ranke, teêre lieveling, zijn fijne, broze,
blanke vlindertje.... geëngageerd.... trouwen.... trouwen met een
man.... hoor je, met een man.... met een man trouwen.... met een
man.... een man haar meênemen, haar heelemaal meênemen, voor zich
alleen, héél haar leliewitte, mysterieus reine maagde-lijfje.... een
mán....



En ineens, van uit de verre, nooit vermoede diepten van zijn ziel, uit
de innigste, heiligste onbewustheid, die hem nog nooit geopenbaard was,
stuipte het in hem op, en uitte zich in een hoogen gil van angst en
vreugde:

Dat kán niet, dat kán niet, mijn God,.... want zij is van mij, van mij,
en niemand anders.... ze is alles van me, alles wat mij lief is op heel
die groote, groote wereld.... en zonder haar is er niets meer....

En ineens hoorde hij het zich hardop zeggen, duidelijk als was het de
stem van een ander náást zich, en even verwonderd over die vreemde,
verschrikkelijke tijding:

„Maar ik heb haar zelf lief!.... Ik heb haar lief, mijn God!....”



En hij duizelde onder dat ontzachelijk droeve, ontzachelijk blijde
nieuws, dat uit die nooit vermoede onbewustheden van zijn wezen zoo
plotseling omhoog was gerezen, hel en onverwacht, als een opgebliksemde
vuurpijl in den nacht.

Hij had het nooit geweten, en hij zou het ook misschien nooit geweten
hebben, als daar niet ineens die groote, zwarte, donkere man was
gekomen, en gegrepen had naar het allerlichtste en liefste van zijn
ziel.

Ellie was áltijd van hém geweest, maar zoo natuurlijk, zoo
van-zelf-sprekend, zoo altijd-bij-hem en altijd-door-bereid, dat hij er
het eindelooze en zéér bizondere geluk niet eens geheel van beseft had.
Ze was zoo héélemaal één met hem, en onverbrekelijk met zijn gansche
leven verbonden, dat zij was als een ziel in zijn eigen ziel, die zich
zonder haar niet bewust werd. Zij was zoo onontbeerlijk aan zijn ziel
als de lucht aan zijn longen, die hij ademde, het licht aan zijne
oogen, dat hij opnam, zonder te weten, van-zelve, in de onbewustheid
van zijn natuur. Hij had er evenmin aan gedacht, dat zij ooit uit zijn
leven kon weggenomen worden, als dat hij op eens blind zou kunnen zijn,
en het daglicht niet meer zien.

Wel had hij dikwijls met haar geschertst, en gesproken over verliefd
zijn, en geëngageerd raken, en trouwen later, maar eigenlijk zonder het
zelf te gelooven, en nooit er ernstig over denkende, dat het nog eens
werkelijk zou kunnen gebeuren.

En nu stond het verschrikkelijke feit ineens vreemd en onheilspellend
voor zijn verbaasde oogen. Hier stond het, in sombere, zwarte letters,
door haar eigen hand geschreven, in een onmiskenbare realiteit,
plotseling, met een groote, zwarte schaduw dreigend boven zijn leven.
En hij hoorde als een stem, door zijn ooren heen, vèr weerklinkend in
zijn ziel:

„Ze gaat van je weg.... Ellie gaat van je weg, naar een ánder....”

Hij kreunde van de pijn, die daar opschrijnde, wreed door zijn hart.

„Maar ze is toch van mij,” dacht hij smartelijk, „ze is toch altijd van
mij geweest. Haar lief, vriendelijk meisjesgezichtje, haar hééle rijke,
gouden, blonde haar, en haar wangen zoo roze, en haar blauwe, reine
kinderoogen, en haar zachte lipjes, maar ze zijn toch van mij, van mij
alléén.... ze zijn zoo heelemaal één met me, ik heb er toch altijd meê
geleefd samen en van gehouden, en ze aangebeden met mijn hééle ziel....
hoe zou dat nu zoo maar inééns van een ander kunnen worden.... het is
toch een deel van mijn eigen wézen.... neen, het kán niet, het kán
niet.... dat gáát toch maar zoo niet....”

En tegelijk die vreemde verwondering in hem, die opperste verbazing
over de allergewichtigste ontdekking, die nú eerst geopenbaard:

„Maar dan houd ik ook van haar als een Liefste.... maar dan is ze ook
niet alleen maar mijn zuster geweest.... en dat kon ook niet.... want
als ik maar eventjes nadenk is ze eigenlijk ook in ’t gehéél geen
zuster van me.... ze had een ánderen vader, een andere moeder.... o
God! dan heb ik haar altijd liefgehad als mijn Lief, en nu óók heb ik
haar lief, heb ik haar lief, heb ik haar lief!....”

Hij peinsde even na, in dat wonder verbazen. En in zijn gruwbaren
angst, dat hij haar verliezen zou, mengde zich een weldadige vreugde,
toen hij opeens den rijkdom zag van zijn ziel.

Had hij haar dan ál die lange, lange jaren liefgehad zonder het te
weten? Had hij dan zijn geheele leven lang die heerlijke liefde voor
Ellie met zich rondgedragen als een kostbaren schat, dien niemand, ook
hij zelf niet kende? Maar wat was hij dan rijk geweest, wat was hij dan
vol beladen geweest met liefelijk geluk, en wat groot en volheerlijk
van glorierijken zegen was zijn leven geweest, dat hij zoo dikwijls
klein en nietig dacht!....

Maar vreemd, al had hij haar liefgehad, met de uiterste spanning van
zijn ziel, toch had hij nooit voor haar gevoeld den hevigen hartstocht,
waarvan hij zooveel in boeken las, toch had hij nooit gebeefd en zijn
hart wild hooren kloppen als hij haar somtijds kuste, en had hij nooit
de begeerte in zich gevoeld naar haar lijf.... En in het even denken
hieraan voelde hij zelfs iets als een verwijt, of hij haar had besmet
met een profane gedachte.

Had hij haar dan toch niet lief? Vergiste hij zich dan toch nog op het
láátst?

Was hij dan te slap, te zwak van temperament om dát hevige voor een
vrouw te voelen, was hij niet man genoeg om op te durven gaan in den
fellen gloed, waarin passie uitslaat, en was zijn ziel te schuchter en
te broos voor dat wild en lief oproer, dat hartstocht is?

Of was zijn liefde voor haar er zooveel te heiliger om, dat zij was
opgebloeid uit louter rust en vrede, dat zij was als een stille weide
aan hare voeten, van kuische witte bloemen, waar géén winde-adem zucht?
Had niet juist de wijding van zijn eerbiedvolle aanbidding het opwellen
van zijn menschelijke passie tot nu toe onderdrukt?

Nooit, nooit had hij er zelfs maar over gedacht, dat hij nog ooit iets
anders voor Ellie zou kunnen voelen dan vereering en intieme
vriendschap.

Maar nu, nu daar opeens een ander was gekomen, een donker, krachtig
man, en het denkbeeld flitste in hem op, dat deze zijn Ellie kon
begeeren en de zware handen leggen op haar lief, blank lijf van meisje,
nu voelde hij opeens een warrelende duizeling in zijn hoofd, en een
felle, brandende gloed schroeide opeens over al zijn leden.

Hij zag haar plotseling voor zich zooals hij haar nog nooit te voren
gezien had, hij dacht opeens haar roode, lief-geplooide lippen
half-open, als vragend om een kus, en alles van haar, de vage welving
van haar borst, het blanke, zachte vleesch van haar hals, het lichtte
opééns voor hem op, in een heel nieuw, heel vreemd licht.

„Maar dat is van mij, van mij,... van mij,” riep hij angstig in de
stilte van de kamer. Hevige snikken stuipten in hem op, de tranen
stroomden hem langs de wangen, en zijn geheele lichaam rilde, als van
koorts. In een plotseling, geweldig ontwaken van zijn uit een langen
sluimer eindelijk gewekte mannelijkheid, voelde hij opééns in een
duizeling van al zijn bloed het groot menschen-verlangen in hem
opstaan. Het wemelde voor zijn oogen, hij wankelde, en alles om hem
heen scheen in wilde warreling te draaien, terwijl hij wijd de leêge
armen uitstrekte, met krampachtigen greep van handen, als om het
liefelijk, eindelijk begeerlijk geworden beeld te omvatten van zijn
Ellie, zijn lieveling, die opééns als vrouw hem was geopenbaard....



HOOFDSTUK XV.


Toch had Pim zich heel goed gehouden, na die felle uitbarsting in zijn
ziel.

Hij was den volgenden ochtend naar Ellie gegaan, en had haar, met zoo
vroolijk mogelijke stem, hartelijk gefeliciteerd.

Maar met die fijne intuïtie, die een meisje heeft, had ze gevoeld dat
er iets haperde, en heel bezorgd gevraagd:

„Je vindt het toch ook wel heerlijk, Pim? Je voelt je toch ook wel
gelukkig?”

Hij had geen ja geantwoord, dat kon hij niet; maar om zijn pijn te
verbergen, had hij een quasi-pruilenden toon aangenomen, en gezegd, dat
hij nu verwaarloosd zou worden, dat hij zijn gezellige half-uurtjes
niet meer hebben zou in haar boudoirtje, en hij nooit meer mede zou
mogen om boodschappen te doen, of samen met haar te lunchen in
Scheveningen.

Toen had ze hem uitgelachen, en een bedorven kindje genoemd, en hem
gezegd, dat hij altijd de oude Pim zou blijven, altijd en altijd, en
niets te kort zou worden gedaan. Hij bleef toch immers haar broer? Daar
werd toch nooit iets aan veranderd, al was ze nu geëngageerd?

Ze had hem nu juist heel erg noodig, want er kwam nu van alles te doen.
En hij moest helpen adressen schrijven op verlovingskaarten.

„Overmorgen is er een diner, voor heel intiemen,” zei ze, „en dan kom
je op den gewonen tijd om vijf uur in mijn boudoir, hoor, net als
vroeger, om me te laten zien dat er niets veranderd is. Ik heb een
nieuw costuum aan, dat je ’t éérst zien moet.... dat zou Maurice nog
niet eens mogen, zoo heel intiem alleen in mijn boudoirtje komen.... ik
réken er op, hoor!”

Hij had niet durven weigeren en had beloofd te komen. Hij voelde dat
hij zijn pas aan hem bewust geworden geheim van liefde altijd voor haar
moest verbergen, om toch vooral háár geluk niet te storen.

En den volgenden dag om vijf uur kwam hij in ’t boudoir, als vroeger,
of er niets gebeurd was.

Even keek hij rond. Niets was veranderd, alles stond nog als vroeger,
even teêr, even intiem.

Dáár ging de deur open.

Een licht frou-frou van rokken, en ze stond voor hem, opeens, als een
verschijning van droom.

Zoo teêr, zoo heel blank en bloode, in haar costuum van witte
chineesche zijde, dat zachtjes tintelde van zuiveren glans!

Heel eenvoudig was ze, als een kalm kind, met de lage, afzakkende
mouwtjes, en over beide schouders een parelsnoertje, alsof de japon
daaraan hing. Dat gaf iets heel broos en luchtigs, alsof die witte
zijde zonder zwaarte was, en al dat glanzende en lichte los om haar
droomde, als een wade van licht.

Hoe kinderlijk was ook nog haar hoofdje, al was het fijne, blonde haar
deftig gekapt, met een wit struisveeren kopje. En in welke zaligheden
van onschuldige onbewustheden lachten haar blauwe oogen, glanzende van
haar ziel!

„Ziezoo, hier ben ik,” zeide ze vroolijk. „Ben ik nu niet mooi, Pim?
Draagt mijn toiletje je hooge goedkeuring weg? Vin je ’t goed zoo, die
kanten berthe om ’t décolleté, en diezelfde kant geïncrusteerd op mijn
rok! Mooie kant, hè, en allemaal echt, uit Brussel! Ik had eerst het
corsage ruimer willen nemen en dan schuin gesloten, met een chou van
wit satijn lint, en dan dikke, witte bloemen geborduurd op den rok.
Maar zoo vond ik het toch nog beter.”

Pim zeide niets. Hij had haar maar stil aangezien, en had opeens een
vreemde droefheid gevoeld.

Zoo blank, zoo blank, zoo blank....

Haar blanke hals, haar kuische borst van maagd-meisje, weifelend en
vaag als een droom, in een éven-opwelving, een ronding van broze
teederheid, het deed hem aan met een droevige ontroering.

Er was in die blankheid iets dat hem sloeg met een stille ontzetting,
een angst, dat deze teederheid zich zoo toonde in weerlooze naaktheid
van onschuld, en dat één adem die reinheid zou besmetten.

Neen, dit is te fijn, dacht hij, te zwak, te broos, dit kán niet zoo
maar in het Leven gaan, het zou breken. En toch....

„Nu, Pim? Zeg je niets?” vroeg ze ongeduldig.

Toen zag ze ineens dat hij heel bleek zag. Zoo bleek, en zoo vreemd, en
zoo oud ineens....

„Wat is er Pim.... Ben je ziek?....”

En bezorgd boog ze zich over hem heen, waar hij gedoken zat in een
fauteuil, of hij van iets erg moe was, en legde haar wit geganteerde
hand op zijn voorhoofd.

„Niets, Ellie, niets,” zeide hij zacht, „ik weet zelf niet wat het is.
En ik vind je costuumpje prachtig, hoor! Ik ben alleen een beetje
zenuwachtig, van de emotie, weet je, dat je nu straks aan de menschen
zult vertellen dat je geëngageerd bent. Dat komt me nog zoo vreemd
voor. En ik kan het nog bijna niet goed gelooven!”

„—Malle jongen, is het dáárvan? Nu, daar behoef je niet zenuwachtig om
te zijn. Het is toch niets dan geluk? Is het geen geluk voor me dat
Maurice me heeft willen hebben? Hij, zoo’n groote, mooie held, zoo’n
ridder, en ik, zoo’n héél gewoon, fladderend vlindertje?”

Hoe enthoesiast zei ze dat weer, „zoo’n groote, mooie held!” Wat moest
ze van hem houden!

„—Heeft willen hebben!” antwoordde hij, zacht-verwijtend. „Hij mag blij
zijn. Het liefste, mooiste meisje van den Haag! Wie zou te goed zijn
voor mijn Ellie? Kijk eens in den spiegel en zeg dan eens of het waar
is of niet!”

Lachend keek ze. En heimelijk vond ze dat hij gelijk had. Ze zág er
lief uit, allerliefst, dát moest ze toegeven.

„—Ja Ellie,” schertste ze koket tegen het beeld in den spiegel. „Het is
waar, je mag gezien worden, al zeg ik het zelf. En die groote held zal
zijn kleine vrouwtje nog niet zoo heel kwaad vinden, hoop ik. Denk jij
ook niet, Pim?”

„—Ik denk dat hij al een heel erge held zal moeten zijn om mijn Ellie
waard te wezen.”

„—Maar waarom kijk je nu zoo ernstig? En je bent zoo bleek. Is er wat,
Pim? Waarom zeg je het dan niet?”

Toen kon hij zich niet meer inhouden en barstte los.

„—Er is eigenlijk niets, Ellie, dan iets heel vreemds. Maar ik zal het
je zeggen. Ik kan nu eenmaal niets voor je verbergen, dat weet je wel.
Het is misschien heel gek, maar je moogt er niet boos om zijn. Ik ben
bedroefd, dat je de oude Ellie niet meer bent. Dat je verliefd bent op
iemand. Niet omdat het Mombreuil is. Als het een ander was zou het net
eender zijn. Ik wou dat je nog net zoo was als vroeger. Als ik je zoo
vóór me zie, zooals nu, zoo heelemaal blank en wit, zoo met al de
vriendelijkheid van je oogen, en den glans van je haar, dan vind ik je
toch zoo’n heel apart, bizonder wezentje, al weet ik dat je maar heel
gewoon bent, zoo apart en bizonder voor mij alléén dan ook. Ik vind je
dan véél te goed voor wien ook, véél te goed voor het Leven. Ik wou
dan, dat je maar altijd een meisje kon blijven, en nooit trouwen, en
nooit ouder worden, altijd blijven zooals je nú bent, en nooit, nooit
veranderen. Ik vond het zoo heerlijk en zoo goed, zooals het was. En
dat zal nu allemaal weggaan....”

„—Arme Pim,” zeide ze medelijdend. „Trek je je dat zóó aan? Maar ik
vind juist, dat ik nu pas begin te leven, nu ik van Maurice ben gaan
houden. Ik voel me nu juist of ik eigenlijk pas geboren ben, en
eigenlijk nooit bestaan heb voor dien tijd. Je wéét dat zoo niet, Pim,
omdat je het nog niet kent.”

Hij was op het punt om het uit te gillen, dat hij het kénde, o! dat hij
het zoo héél, héél goed kende, al was het hem pás geopenbaard. Maar hij
hield zich goed.

„—Ik ben nu zoo gelukkig, Pim,” ging ze voort. „Veel gelukkiger nog dan
vroeger. Ik zou altijd kunnen zingen van geluk. En nu moet je niet
bedroefd zijn om mijn geluk. Ik ben toch je zuster. Jij moet toch ook
blij zijn als ik gelukkig ben.—Straks aan tafel zal pa aan al de
kennissen zeggen, dat ik het aanstaande vrouwtje ben van Maurice. Ik
ben eigenlijk een beetje verlegen, dat ze dat dan allemaal zullen
weten. Maar toch ook zoo blij, zoo blij! Kom, laten we nu maar vast
naar beneden gaan. Ze zullen nu wel gauw komen. Wil je mijn langen
mantel even naar beneden dragen? We gaan misschien nog wat in den tuin
na het dessert. En hoe vind je mijn nieuwen witten waaier? Een
cadeautje van hém....”

En ze wuifde zich even wat koelte toe met den ivoren, beschilderden
waaier. Zachtjes bewogen wat losse gouden haren uit haar kapsel, en het
struisveeren kopje trilde en trilde....

En in zijn hart beefde het van ingehouden smart. Hoe ze daar stond in
haar witte blankheid, zoo teêr als een bloem met haar lucht, rank
kinderfiguurtje, zoo heelemaal niet iets voor het Leven, want véél,
véél te broos....

„—Ellie,” zeide hij ernstig, „je kent toch wel dat mooie vers van
Heine:


            „Du bist wie eine Blume
            So schön und hold und rein;
            Ich schau dich an und Wehmuth
            Schleicht mir ins Herz hinein?”


Ze begreep hem niet.

„—O ja, een mooi vers. Waarom?”

„—Omdat ik het nu ineens zoo heel erg voel, dat vers, nu ik jou daar
zoo zie staan, Ellie.


            „Mir ist als ob ich die Hände
            Aufs Haupt dir legen sollt,
            Betend dass Gott dich erhalte
            So schön und rein und hold.”


De tranen stonden hem in de oogen, en zijn stem beefde.

Maar ze was te veel het Vlindertje om het allerfijnst mooie van het
vers te begrijpen. Ze voelde alleen, dat Maurice straks komen zou, en
dat ze naar hem verlangde, verlangde, verlangde.

Maar waarom beefde Pim nu zoo? En kijk, er rolde een traan over zijn
wang, dien hij gauw afveegde....

„—Dat vers doet me zoo aan,” zeide hij. „Je weet, hoe gevoelig ik ben
voor verzen. En nu ik op het punt ben om mijn zuster te verliezen....”

„—Maar ik zal toch altijd je zuster blijven,” troostte ze. „Wat dacht
je nu? Al ben ik nu honderdmaal geëngageerd, daarom blijf jij toch Pim
voor me. Hoe kom je dáár nu aan. Dacht je, dat ik ooit zonder Pim zou
kunnen leven, jongen, en dat ik hem ooit zou vergeten....”

„—Je moet denken, Ellie, ik heb niet veel, behalve jou. Jij bent alles,
wat ik heb op de wereld, dat weet je wel. En als jij ooit van me werd
afgenomen....”

Hij kon niet doorgaan. Hij kon zich absoluut niet voorstellen wat zijn
leven ooit zijn zou zonder háár.

„—Malle jongen! Wie wil je nu iets afnemen? Toe, geef me een arm, dan
gaan we heel deftig naar papa beneden. Nu ben jij nog mijn cavalier,
hoor, en als Maurice er niet is, neem ik je dadelijk in beslag.”

Gewillig nam Pim den langen, wit-bonten avondmantel over zijn
linkerarm, en gaf den rechter aan Ellie, als zoovéél keeren vroeger.
Maar inééns bedacht hij zich, hoe heerlijk het zou zijn als zij als
zijn verloofde eens zoo naast hem liep, en straks de gasten het nieuws
eens hoorden, dat hij de bruidegom zou worden van het ranke, blanke
meisje aan zijne zijde.

Beneden hoorde hij al stemmen roezemoezen in de gang. Er waren zeker al
menschen gekomen. De feestvreugde zou zóó beginnen.

En het was hem opeens bij het langzaam afdalen van de trap, of hij haar
nu van de sfeer, waarin ze altijd voor hem geleefd had, naar de ruwe
werkelijkheid geleidde, naar het harde, meêdoogenlooze leven, waar de
droom niet was, waar heel gewoon een man een maagd-meisje wachtte, om
haar, fijn, broos, melkblank kind, te nemen in zijn ruwe, sterke armen,
zonder medelijden, zonder vrees voor het heilig mysterie, dat haar
omhulde, om haar te maken tot zijn vrouw, zooals zoovéél andere meisjes
de vrouwen worden van anderen, heel gewoon en natuurlijk....

Dáár stond Mombreuil al beneden in de gang. Hij hoorde zijn diepe stem,
hij zag zijn groote, forsche gestalte van sterken man, en zijn dikke,
zwarte wenkbrauwen, en zijn grooten, zwarten knevel....

De mán van Ellie.... de mán.... voor dit ranke kind-meisje de groote,
zware, donkere màn....



HOOFDSTUK XVI.


Heel het uitgaande den Haag praatte een paar dagen over de verloving
van Ellie van Taats met Jhr. Maurice Mombreuil. Voor de meesten was het
eene verrassing. „Het Vlindertje” geëngageerd, wie had dat ooit
gedacht! En nog wel met Mombreuil, den romantischen held van Atjeh!

Zij vertoonden zich nu overal samen, in de stad, in het Bosch, en op ’t
Kurhaus, en werden in den eersten tijd erg nagekeken, waar zij kwamen.
Er was dan ook iets bizonder romantisch in, hen zoo gearmd te zien
loopen, hij zoo forsch en breed gebouwd, met die rechte, militaire
houding, dat donker gebronsde gezicht en dien zwaren, zwarten knevel,
en zíj zooveel kleiner, zoo rank en teêr nog, in zoo kinderlijke
zachtheid, met de vriendelijke, blauwe meisjes-oogen, als heel lichte
viooltjes, en het glanzend goudblonde haar. Er was iets aandoenlijks in
het zich toeneigen van het teedere, zachte en lichte van kind-meisje
naar het forsche, sterke en donkere van man. En als iemand hen zoo
samen, vlak bij elkaar zag, hij zoo hoog en genadiglijk op haar
neêrziend, zij zoo klein, en als smeekend tegen hem opkijkend, voelde
hij, hoe gemakkelijk het hem zou zijn, dat lichte wicht in zijn armen
te breken, als een ranke bloem, met één hardheid te knakken voor
goed....

In ’t begin vond Ellie het erg amusant, met hem te loopen waar veel
menschen waren, om aan iedereen haar groot geluk te toonen. Al de
menschen moesten zien, hoe zij was uitverkoren, en hoe die groote,
mooie man, die held, háár, klein, broos vlindertje als ze was, uit
allen had gekozen. En ze genoot van de bewonderende blikken, waarmede
men hen aanzag en van de eerbiedige groeten, die hun tegenwuifden van
vrienden en kennissen.

Maar later begon haar dit juist te vervelen, en verlangde zij meer met
hem alleen te zijn.

Zij wandelde nu meer met hem in de Boschjes, en in het Haagsche Bosch.

Vroeger had zij er nooit zoo bizonder op gelet, maar nu begon zij er
hoe langer hoe meer van te houden om buiten te zijn. Zij had zich
langzamerhand meer verwant gevoeld aan de natuur, sedert de liefde in
haar was opgebloeid. Zij hield van de wolken, die aan den hemel
voorbijdreven, voelde zich gelukkig met de boomen en de bloemen, en
keek ’s nachts naar de sterren als naar nieuwe, lichte vrienden, die
zij nooit had gekend en nu opééns had gevonden. En in het groote Bosch
voelde zij zich nu véél meer thuis dan vroeger aan het strand, in al
die drukte van menschen, of in het Kurhaus.

Het was nu ook zoo heel eenzaam en toch zoo heel vertrouwd, met hem
samen in dat groote, groote Bosch. De zomer begon al zacht te
verdroomen in den herfst, en de laatste, lage zonnestralen maakten de
boomen goud. En het was haar, of ze met hem liep in een nieuw, heerlijk
land, waar zijn hand haar voortleidde door een droom van geluk, die
altijd zou duren.

„Het is net of ik hier in het Bosch meer van je houd dan in de stad,”
had ze eens tegen hem gezegd.

Toen had hij haar bedankt, en eerbiedig op het voorhoofd gekust.

Hij was altijd tegen haar van een groote reverentie, eerbiedig en
hoffelijk als een ridder uit oude tijden. Als hij haar kuste was het
heel voorzichtig, zonder hartstocht, als was hij bang, haar te
verschrikken. Hij luisterde aandachtig naar haar vroolijk gebabbel, en
als zij het hem vroeg, vertelde hij haar erg bescheiden, en zonder zijn
eigen daden te releveeren, van zijn avonturen in den oorlog op Atjeh.
Dan werd ze dikwijls heel bang, als hij van ’t groote gevaar vertelde,
waarin hij gestaan had, en hield angstig stijf zijn arm vast, als om te
voelen dat hij er heusch nog was.

Maurice was werkelijk, ernstig en innig in zijn hart, een grooten
eerbied voor haar gaan voelen, toen hij haar wat beter had leeren
kennen dan na de eerste, nog zoo vluchtige ontmoetingen. En naarmate
die eerbied dieper werd, voelde hij de verantwoordelijkheid grooter
worden, die hij op zich genomen had, toen hij oom Mombreuil had
verzocht, om de hand van Ellie te gaan vragen. Hij besefte er pas goed
de geheele portée van toen hij zag, hoe innig zij van hem hield, en hoe
weinig hij haar voor haar liefde kon teruggeven.

Hij had weinig werkelijk onschuldige, blank-maagdelijke meisjes gekend,
en wat hij van de liefde meende te weten, was niet meer, dan wat de
vrouwen uit zijn studententijd hem konden geven, en wat hij nu pas weêr
met Joh had doorgemaakt.

Maar intuïtief voelde hij, dat in Ellie een groot, heilig mysterie
woonde, dat te rein voor hem was, niet voor zijn handen om te durven
aanraken, en waar hij vèr van behoorde te blijven, als hij geen misdaad
wilde begaan. Wát het was, wist hij niet, maar er wás iets aan Ellie,
en haar naïeve, zich zoo gansch gevende, vertrouwende liefde voor hem,
dat hem wel eens bang maakte. Somtijds, als zij hem zoo liefdevol met
haar blauwe kinderoogen aankeek, voelde hij een vage ongerustheid,
wetend, al wist hij niet waarom, dat er iets gebeurde dat niet was
zooals ’t behoorde, en hem iets gegeven werd, dat hem niet toekwam en
dat hij niet mocht aannemen, als hij een eerlijk man was.

Mombreuil was door veel lage, inferieure dingen van het leven gegaan;
zijn aanleg en de omstandigheden hadden hem niet voor hooger en reiner
emoties vatbaar gemaakt dan die, waar zijn zinnelijke natuur nu eenmaal
niet buiten kon, maar een gemeene kerel was hij niet. Hij had, absoluut
niet wetend wat zoo’n meisje eigenlijk was, ook niet beseft, wat hij
doen ging door zich met Ellie te verloven, maar naarmate hij sterker
voorgevoelde, welk maagdelijk mysterie in haar leefde, dat hij niet
waard was te beroeren, begon een vaag berouw in hem op te wellen, dat
langzamerhand al klaarder en klaarder uitnevelde, tot helderder
bewustzijn.

Hij begon te begrijpen, dat hij eigenlijk niet mocht aannemen, wat dit
meisje hem in zoo groot vertrouwen wilde geven, niet wetend wie hij
was, en wie hij geweest was. Hij wist dat hij door veel te veel dingen
was gegaan, om nu nog de reine, maagdelijke Liefde te kunnen voelen,
die hij in Ellie vaag vermoedde als een mysterie, te heilig voor zijn
begrip. Hij voelde ook, dat, als hij zich niet bij tijds beheerschte,
hij eindelijk Ellie nog eens zou gaan zien, zooals hij zoo véél vrouwen
gezien had, dat hij misschien ééns in denzelfden, ruwen hartstocht als
toen met de anderen, zijn groote, ruwe handen zou slaan om haar teêr,
maagdelijk lijfje, en haar reinen mond bezoedelen met dezelfde kussen,
die hij zooveel andere vrouwen in wilden wellust had gegeven. En hij
voelde met een al klaarder en klaarder wordende bewustheid, dat dit een
misdaad zou zijn.

Voor dat ándere, dat vage, onbestemde, voor hem onbegrijpelijke, dat
hij enkel maar vermoedde, maar dat héél heilig moest zijn, vèr buiten
zijn sfeer, daar was hij toch geen man meer voor, dát wist hij zeker.
Dáár was hij al te ervaren voor, en had hij te veel meêgemaakt.

Hij wist ook, dat hij Joh niet geheel kon vergeten, en dikwijls vurig
naar haar verlangde, naar háár, en anders naar een andere vrouw, en dat
hij het toch op den duur niet zou uithouden, die onthouding, die hij
zich had opgelegd sedert zijne verloving. Hij had zich goedgehouden, en
zou er ook tegen vechten zoovéél hij kon, maar ééns zou hij toch
bezwijken, als het beest in hem sterker werd dan zijn wil. En hoe zou
het dan voor hem wezen, als hij bij Ellie moest komen, en haar moest
kussen, na een nacht van wilden hartstocht met eene andere?

Wat Ellie van hem dacht, was hij niet, en wat zij dus in hem zag en in
hem liefhad, was maar een illuzie. Hém, zooals hij werkelijk was, en
met al de dingen van zijn verleden, kon ze zich natuurlijk niet eens
voorstellen, en kon ze natuurlijk ook niet liefhebben. En hij begon
zich te voelen, alsof hij een leugen was, dien hij haar op-drong, en
die haar verblindde. Dikwijls was hij er heel stil van, en liep naast
haar zonder iets te zeggen, met het groote berouw opwellend in zijn
hart, en bang voor den aandrang, dien hij voelde, om haar eerlijk alles
te zeggen en zijn toekomst voor goed te vergooien. Want nu hij eenmaal
Ellie had genomen, zou oom Mombreuil het hem nooit vergeven als hij het
engagement verbrak, en onverbiddelijk zijn.—En hij werd bang voor die
mooie reine liefde, die Ellie hem wijdde, en die hij al grooter en
grooter zag worden. Als hij haar een arm gaf, deed hij het licht en
voorzichtig, alsof hij iets aanraakte, dat te heilig voor hem was, en
als hij haar kuste was het met grooten eerbied, angstig van binnen, dat
zijn onzalige hartstocht opééns in hem uit zou breken, als een wild
beest, en bang, haar blank voorhoofd te bezoedelen met zijn onreine
lippen. En ook in hém trilde een bevende ongerustheid, een onbestemde
vrees, hoe dit ééns zou moeten afloopen, en waar dit heen zou moeten op
den duur, als niets tusschenbeide kwam. En toch was iets als geluk, van
een nooit gekende zachtheid en goedheid, in zijn ziel gekomen met die
groote teederheid voor Ellie, die hij nog voor niemand had gevoeld.
Voor ’t eerst in zijn leven vermoedde hij het heilig mysterie van het
Meisje en voelde hij met een vaag berouw, dat hij in zijn wilde leven
van hartstocht had bezoedeld wat rein en goddelijk was van wezen.

Wat oom Mombreuil gedacht had, was gebeurd, en Ellie had door haar
reinen invloed werkelijk veel aan Maurice gedaan. Maar daardoor was
juist het bewustzijn in hem gekomen, dat hij niet mocht aannemen, waar
hij geen recht meer op had, en zijn beter ik plaagde hem elken dag met
grooter berouw, om haar blanke, maagdelijke onschuld van hemzelf te
redden, die niet waard was in haar reine sfeer te leven.

Ellie begreep niet, wat in hem omging, en zag zijn teruggetrokkenheid
en zwijgen aan voor eerbied en ontzag. Zij was hem er dankbaar voor,
dat hij zoo heel voorzichtig met haar deed, want, al verlangde zij er
heimelijk naar, toch was zij eigenlijk altijd wat bang, als hij dicht
bij haar kwam, en zij voelde zijn handen en zijn warme lippen op haar
zachte huid. Als zij maar éven die aanraking voelde, ging er een
gloeiing, bevend en rillend, door haar lijf, zalig en toch
verschrikkelijk, en zij had kunnen lachen van geluk en tegelijk weenen
van verdriet er over. Er was iets in haar, dat met onweerstaanbaren
aandrang naar hem toe wilde, om hem heelemaal in zich op te nemen, en
wèg met hem te vergaan, en tegelijk iets dat heel bang was, en
huiverend wegkroop als het den gloed voelde van zijn schitterende,
donkere oogen.

Terwijl zij, zoo schijnbaar één, gearmd naast elkaar voortliepen was er
in beiden een onrust, een zenuwachtige onzekerheid, die zij voor elkaar
verborgen, hij bang voor eigen doen, wetend dat hij haar niet waard
was, en angstig dat hij ooit voor haar zou durven voelen als voor
andere vrouwen, zíj verlangend om héél dicht bij hem te zijn, om meer
kussen van zijn warme lippen te krijgen en zoete streeling van zijn
handen, en toch zoo bang, zoo doodsbang dat hij het doen zou, en iets,
wat heel teêr en broos was, in haar zou breken.

En om hen heen treurde de herfst al zachtjes-droevig door het stille
bosch, bladeren vielen ritselend in langzamen val, en overal was de
vage en vreemde weemoed van het mooie, dat de verre nadering voelt van
den dood.....



HOOFDSTUK XVII.


Frederik van Klaerbeke had hem er zoo dikwijls voor gewaarschuwd, hoe
verkeerd het was, Ellie altijd zoo apart, buiten het groote leven om te
zien, als in een bizondere sfeer. Zij was een meisje als alle anderen,
had hij zoo dikwijls gezegd, een wezen van vleesch en bloed, heelemaal
menschelijk, en daarom volstrekt niet minder mooi. En eens zou ze ook
doen als alle andere meisjes, verliefd worden op een man, en met hem
trouwen en kinderen krijgen.

Maar Pim had het in den grond van zijn hart nooit willen gelooven. Voor
hèm was Ellie wel degelijk buiten het groote leven, dat hij om zich
heen zag, en veel te teeder, in een veel te reine sfeer, om te doen de
voor hem grove, harde dingen die des levens zijn.

Ellie was het meisje bij uitnemendheid, zooals zijn eerste
jongensdroomen het droomden, met altijd iets van de engel in zich, die
is neêrgedaald uit den hemel, om te troosten en te zegenen, en wier
wezen enkel teederheid en liefde is. Je ziet dat zoo in alles van haar:
een enkele beweging en een enkel gebaar, je hoort het in het geluid van
haar stem, en uit haar oogen vloeit het zoo zachtjes in je. Zoo heel
gevoelig is alles aan haar, als aan een bloem. Raak dit niet aan, en
ontwijd het niet met ruwe handen, want het is heilig tot in
eeuwigheid....

En met een dwaze, maar sublieme negatie van de werkelijkheid vlak bij
hem, was hij in ieder meisje iets van die engel blijven zien. Hij wist
het, dat het ongezond was, dat het was uit den tijd, dat het was niet
modern, en romantiek, maar hij kon er niets aan doen. De grond van
zijne vereering voor mooie vrouwen was eene aanbidding van een
onmenschelijk, onsterfelijk ideaal in haar, buiten het ruwe leven om,
en ver boven hartstocht uit, van eene onsterfelijke engel Gods, van
wezen ongenaakbaar en hoog-heilig, die zich in haar openbaarde.

En alle dingen aan en om haar waren met iets van die heiligheid
overtogen. Wat werd een bloem anders als zij in de handen was geweest
van een lieve vrouw! Wat klonken heel gewone woorden anders uit den
mond van een lief meisje! Wat was er iets héél bizonders gekomen aan
een lintje, aan een kantje, aan een handschoen, die door een vrouw
waren gedragen!

Het was een bijna religieuze liefde voor die teederheden en zachtheden,
die Pim altijd van omgang met veile vrouwen had afgehouden en hem
kuisch had doen blijven. Een ruw woord, een ongracieus gebaar van een
vrouw deden hem pijn en maakten hem ongelukkig. En hij die heelemaal
van het lieve mooi van vrouwen leefde, begreep niet, hoe zijn vrienden
zich konden inlaten met wezens, die datzelfde mooi besmetten en veil
hielden, omdat zijn weinig hartstochtelijke natuur nog niet den impuls
in al zijn hevigheid kende, die hen er toe dreef. Heimelijk dweepte hij
ook nog altijd met de oude ridderverhalen, waarin ridders jonkvrouwen
van roovers en draken bevrijdden, en met onmenschelijk nobele en
edelaardige heldinnen als Wanda van Ouïda, en helden als Corrèze uit
„Moths” en Bertie Cecil uit „Under two Flags.”

Het leven, zooals het was, kende hij niet, en van het leven was hij
bang. Hij voelde intuïtief, dat het te groot en te sterk voor hem was,
dat hij, klein mannetje, met zijn lief-zacht gedroom daar niet tegen op
kon, en er op den duur in onder zou gaan.

Frederik had hem al zoo dikwijls gewaarschuwd, en aangeraden, wat te
durven en het leven te leeren zooals het waar en mooi was, hoewel
anders dan hij droomde. Maar hij had niet gedurfd. Hij was maar stil en
veilig verscholen gebleven in zijne vereering voor Ellie en voor het
lieve van meisjes en vrouwen, in zijn zacht gedroom over verzen en
muziek, en zijn genieten van mooie kleuren en lijnen, en alles wat maar
teeder en fluweelig was om áán te voelen.

En nú was het als een groote catastrophe in hem, toen hij zag, hoe
Ellie ineens was veranderd. Die gejaagdheid, die onrust in haar, die
zenuwachtigheid, die het angeliek kalme van haar kind-gezicht
verstoorden! Er was iets in haar gezicht gekomen, dat hij niet kende,
en dat hem bijna onsympathiek was. Zoo heel, heel vreemd was het voor
hem, wat in haar aan ’t gebeuren was. Het was of zich ineens in haar
een andere Ellie had geopenbaard, dat verre, mysterieuze wezen in haar,
dat hij somtijds al eens vaag vermoed had, en waarvoor hij al ééns was
bang geweest, toen hij met haar in het boudoir had gesproken over
verdriet hebben en ongelukkig zijn. Dat vreemde wezen, dat hem niet
verwant was, keek wel eens uit haar oogen, die somtijds een nieuwen,
ongekenden glans hadden, als zij sprak over Maurice, of als zij met hem
samen was.—Het deed hem aan, met een zacht medelijden, en tegelijk een
vagen schrik, alsof er een ziekte in haar was opgekomen, die haar
rustige schoonheid zou verwoesten.

Waren er dan in haar altijd onbewustheden geweest, die hij niet kende,
vèr buiten de lieve, broeder-en-zuster-intimiteit, die hem met haar
verbond? Was het dan niet haar innigste, zuiverste wezen geweest, die
kalmte en engelachtige rust van reinheid, waarom hij haar zoo liefhad,
en had er achter dat blank-maagdelijke, lelieë-sneeuwen van haar
meisje-zijn altijd dat hevige, sombere vuur gesmeuld, dat nú wel eens
blonk in haar oogen, en dat hij met een angst, die bijna afkeer was,
zag gloeien over haar gezicht, als Maurice haar kuste?

En met de intuïtie van aan haar verwante ziel, die bijna alles van de
tweeling-ziel kan vermoeden, raadde hij, hoe het gevoel, dat Ellie naar
Mombreuil toedrong, meer verliefdheid was dan wèlbewuste, zuivere
liefde, dat het niet langzaam rustig kon opgebloeid zijn uit de witte
lelie-weiden van haar maagdelijke ziel, maar plotseling was
uitgebarsten uit lager gelegen onbewustheden, die hij noch zij zelve in
haar vermoedden.

Want hij voelde, dat die onweerstaanbare verliefdheid, die haar geheele
natuur zoo bruusk had veranderd, té plotseling was uitgebarsten om een
blijvend deel van haar beste, innigste wezen te zijn. Wat hàd er dan
toch voor geheimzinnigs in haar kunnen gebeuren, dat zij inééns, in een
paar dagen, zoo maar haar geheele, vroolijke, gelukkige meisjesleventje
aan dien grooten donkeren man had gegeven, dat haar vlinderachtig
wezentje, altijd maar zorgeloos heen-en-weer fladderend van ’t eene
pretje naar het andere, opééns naar dien éénen, en naar niets anders
dan dien éénen kant was blijven neigen, waar zijn vroeger haar geheel
vreemde leven was?

Was hij dan als een brandend, en toch donker licht, waar het vlindertje
opeens in dolle blindheid op af was gevlogen, met zenuwachtig
wiekjesgeklep, en waar zij straks jammerlijk in zou vergaan?

Hier zoo’n groote, zware, donkere man, met zulke zwarte oogen, zulke
dikke wenkbrauwen en zoo’n zwaren knevel! En dan die diepe stem, zoo
heel niet lief of vriendelijk, en zijn zware gang! Hij was als een
groote, donkere, dreigende schaduw....

En daar dat ranke, slanke kind-meisje, zoo luchtig en vluchtig, in zoo
fijn en blank gewaad, met het glanzend, goudblond haar, en de blauwe
onschuld-oogen, en het klare sopraanstemmetje, als een veêren vogeltje
zoo teer!....

Hoe kon dit zijn, hoe kon dit zijn, het lichte samen met het donkere,
het blanke met het zwarte, het blijde van een blonden morgen en het
sombere van den duisteren nacht....

Zij zal breken, zij zal verwelken, zij moet als een broze bloem geknakt
worden als zijne groote, sterke handen haar omvatten, dacht hij
angstig, o! droeviglijk zal zij gehavend worden in het harde, groote
Leven, mijn lichte, lieve wicht van teederheid en vrede, als een arm
vlindertje, verknetterd in het laaiende vuur....



Hij zag haar weinig in den laatsten tijd. De gezellige
boudoir-middagjes werden niet meer gehouden, want meestal kwam Ellie
pas laat thuis, juist op tijd voor het diner. Ook wandelde hij weinig
meer met haar, omdat ze altijd uitging met Mombreuil, en hij zich niet
als derde wilde opdringen.

Na de zenuwachtige uitbarsting in hem op den avond, dat hij uit Parijs
terugkwam, was er een zachtdroeve berusting over hem gekomen, zonder
schokken. Hij wist zich nu eenmaal klein en zwak in het leven, en hij
wist dat het geluk was voor de sterken en grooten. Hij voelde, wat
Mombreuil op hem voorhad, en wat hij hem niet eens benijdde. En de
hoofdzaak was toch, dat Ellie gelukkig was. Wat was hij, nietig
mannetje, met zijn kleine smart, bij het héél groote, dat Ellie
gelukkig was? En als Mombreuil haar geluk was, dan zou hij hem
respecteeren, en zonder rancune beschouwen als zijn besten vriend.
Hijzelf zou dan wel heel graag in stilte lijden en treuren, als Ellie
maar gelukkig bleef.

Toch verlangde hij dikwijls naar haar met een brandend verlangen. Zij
was het éénige liefs voor hem op de groote wereld, waarin hij zich zoo
klein en eenzaam voelde.

Dan ging hij op de dagen dat hij bij zijn stiefvader at, maar naar haar
boudoir en ging daar stil wat zitten lezen. Het was of er daar toch nog
iets van haar bij hem was. Er was iets van haar teêre ziel in al die
broze, fijne, zachte meisjesdingen om hem heen. Jim, zijn terrier, liep
onrustig heen en weer, overal zoekend, en keek nu en dan vragend naar
hem op, waar de vrouw toch bleef. En in dat onrustige zoeken van het
hondje was iets treurigs, waar hij wel eens de tranen van in de oogen
kreeg.

Als zij dan om half zes nog niet thuis was, ging hij maar naar beneden,
met een gevoel van gelatenheid, alsof hij in ’t geheel niet meer bij
haar behoorde, en hij niets meer in haar huis te maken had.

Zoo zat hij vele middagen op haar te wachten, wetende dat het toch voor
niets was.

En altijd grooter werd zijn hunkerend verlangen, dat er toch eindelijk
weer eens één vertrouwelijk uurtje voor hem mocht komen van intiem met
haar samenzijn....



Totdat het op een avond van-zelf weêr kwam.

Het was tegen half zes, en hij zat in haar boudoir te bladeren in
Helène Swarth’s gedichten, die hij voor haar had meegebracht. Jimmy zat
aan zijne voeten.

Buiten was de eerste droefenis van den herfst al over de dingen
neêrgedaald. De hooge boomen aan den overkant van de Koninginnegracht,
over het weiland, gloeiden al van donker stervensgoud, en er was ik
weet niet wat voor treurig gepeinzen droomende door die stille boomen,
die waren in zacht wachten van droefs, dat komen gaat. De koeien in de
weide stonden vaag in het waas van mist, dat langzaam opsteeg boven het
gras. En uit de iepen langs het Kanaal vielen nu en dan dorre bladeren,
in treurig langzamen val.

Pim zag het aan, en nog nimmer had hij zoo diep de droefheid gevoeld
van mooi dat gedaan is, en nu zachtkens in het niet zal vergaan, om
nooit weer terug te komen. Zijn eigen ziel, die ’t liefste mooi
verliezen ging, voelde nú eerst de ziel van de natuur, en het was of
hij in zich zelf zag, toen hij in het landschap staarde, waaruit de
zomer heen ging sterven.

Opeens stond Ellie voor hem. Hij had haar niet binnen hooren komen. Wat
een troost ineens, haar vertrouwd gezichtje, zoo vriendelijk naar hem
genegen!

Maar ze lachte niet, als anders. Ze was een beetje bleek, en keek heel
niet blij.

„Wat prettig dat je er bent,” zeide zij. „Zoo trouw zit je toch te
wachten, al kom ik weinig meer. Ik heb nu juist zoo’n behoefte om mijn
hart eens aan je te luchten.”

Ze zette alleen haar hoed af, maar deed niet eens haar manteltje uit en
kwam vlak naast zijn fauteuil zitten op een pouf.

„Ik voel me een beetje verdrietig, Pim. Het komt misschien van den
herfst, die al in het bosch is, en die de boomen zoo vreemd maakt. Maar
ik voel me niets prettig vandaag, en zoo alleen. Ja, zoo alleen, Pim,
en nu heb ik behoefte om bij je te zijn en met je te praten. Je kent me
zoo goed en ik weet dat je me begrijpt.”

„Maar Ellie,” antwoordde hij troostend, „je was toch met Maurice. Dat
is toch niet alleen....”

„—Dat is het juist, Pim.... dat is het vreeselijke voor me, ik voel me
bij hem wel eens alléén. Hij is altijd heel lief tegen me, en houdt ook
van me, dat weet ik wel. Maar soms,—ik kan het zoo niet uitleggen, maar
ik voél het—is het of ik heel alleen ben als ik tegen hem praat, of hij
niet weet wat ik voor hem voel, en hoe ik aan hem denk,—het is zoo
vreemd, maar dan is het net of het héél ver is, of hij eigenlijk een
vreemde is.... En toch houd ik dol van hem, Pim, ik kan niet meer
zonder hem.... maar.... soms is het of hij het toch niet is, of hij
niet dezelfde is, waar ik zoo naar verlang.... Zoo vreemd, Pim, zoo
vreemd.... En het doet zoo’n pijn van binnen. Het is zoo onrustig. Ik
ben altijd onrustig als hij er niet is.... Pim, het is net of ik de
oude Ellie niet meer ben....” En ineens, als een vogeltje dat bang en
heel moe is, leunde zij haar hoofd tegen Pim’s schouder.

Hij zag dat haar blauwe kinder-oogen van ingehouden tranen blonken. Zoo
heelemaal een kind nog met die oogen, die zoo verschrikt hem aanzagen,
niet begrijpend, en hulpeloos.

„Maar Ellie,” zeide hij verwijtend, „maar Ellie.... niet huilen.... een
flinke meid zijn, hoor, en niet zoo toegeven.... Kom jij maar bij je
ouden, trouwen Pim, hoor, die je wel zal helpen.... en vertel me nu
maar eens alles, maar kalm hoor....”

En in zijn borst een groote blijdschap, ondanks ál het droeve, dat ze
eindelijk, eindelijk weer bij haar broer troost zocht, als vroeger.

„—Het is zoo moeielijk om te zeggen, Pim, en ik begrijp het zelf niet
heelemaal.... ik heb het je ook niet willen zeggen, en het is ook in
den laatsten tijd pas gekomen.... Maar ik ben zoo onrustig.... Als hij
er niet is, zie je. Dat verlangen naar hem, dat verlangen.... Het is of
er iets in me is, dat me vooruit wil duwen, vooruit, altijd maar
vooruit, naar hém toe.... Soms hoor ik mijn hart bonzen.... En tóch ben
ik bang voor hem, echt bang.... Zijn oogen zijn zoo donker, en zijn
zware, zwarte wenkbrauwen, en zijn zwarte knevel.... Als hij zijn arm
om me heen slaat, en mij zoent, dan beef ik, Pim.... en toch ben ik
blij ook, en vind ik het prettig.... Als hij weg is, voel ik of hij
iets van mij meegenomen heeft.... Ja, dát is het eigenlijk, Pim, hij
heeft iets van me weggenomen.... En.... het is zoo moeielijk om te
zeggen, zoo héél vreemd... tegelijk is het, of er iets van hém in mij
is gekomen.... iets, wat er vroeger niet was, Pim, iets heel vreemds in
me, dat niet meer weg wil.... en me zoo onrustig maakt.... en van
mijzelf is wèl iets weg, iets wat nooit terug zal komen.... ik ben de
oude Ellie niet meer.... er is iets wèg in me, iets weg.... en daarom
heb ik nu geen rust meer, en voel ik me zoo vreemd, zoo heelemaal niet
meer als anders....”

Hij durfde niets te zeggen, en liet haar maar praten, nu en dan haar
troostend op haar zachte schoudertjes kloppend, als een groote broêr.

„Zeg, Pim,” ging ze voort, „weet je hoe ik nooit met hem zijn kan?
Zooals met jou. Zoo heel rustig, zooals met jou, en hem zoo heelemaal
alles vertellen, zoo als echte kameraden samen óp deelen alles, zoo kan
ik maar niet met hem zijn. Het is altijd onrustig, en ik ben altijd een
beetje bang. Hij is heel lief en hartelijk, en heeft nog nooit iets
gezegd, wat me bedroefde, maar, Pim, ik geloof toch niet dat hij me
alles zegt wat hij alzoo voelt en denkt. Ik kén hem nog heelemaal niet.
Hij is ook eigenlijk veel te groot en te sterk voor zoo’n zwak, dom
meisje als ik. Wat zou hij aan me vinden? Want al zeggen ze dat ik er
wel lief uitzie, bizonder interessant ben ik niet, dat weet ik wel....
Weet je wat ik wel eens denk, Pim?.... wáárom houd ik toch eigenlijk
van hem? wáárom?.... soms is het zoo heel akelig en vreemd, Pim, nét of
er nog een ándere Ellie in me is, die zoo van hem houdt, en die dol op
hem is, dol.... maar of de oude Ellie van vroeger doodgaat, heel
langzaam doodgaat, en of dié niet zoo van hem houdt, of hij die heeft
doodgemaakt eigenlijk.... en die oude Ellie, Pim, die is heelemaal niet
verliefd, die zou eigenlijk net als vroeger willen zijn, en die houdt
van haar oude, lieve thuisje, van haar boudoirtje en al haar intieme
dingetjes, die houdt alleen van pa, en van jou, goeie, beste Pim,....
maar dan komt die andere, en die heeft geen rust meer, die wil ál maar
vooruit, naar hém toe, naar hém.... en daar ben ik zoo moê van, Pim, en
ik ben de laatste dagen zoo bang, zoo bang, ik weet niet waarvoor....”

Ze lag nu tegen zijn arm te snikken. Haar geheele lijf trilde, en haar
hoofdje schokte zenuwachtig op zijn schouder.

Pim wist niet wat te doen om haar te bedaren. Hij voelde, dat
troostwoordjes niets helpen zouden, en dat het nog het beste was, als
ze maar eens een beetje uithuilde. Het zou van zelf wel weer overgaan,
dacht hij. Maar hij voelde intuïtief wat het leed was, dat zijn Ellie
zoo heftig beroerde.

Het was het Meisje in haar, dat instinctmatig voelt, dat het sterven
moet, zoodra een man haar kuische mysterie heeft beroerd van rust en
vrede. De ziel van het Meisje schreide in haar uit, die ziel van niets
dan teederheid en lichten droom, die bang was voor het groote Leven
buiten, bang voor het harde en onrustige van hartstocht, waarin zij
branden moet, eer zij op kan gaan tot het grooter mysterie van
moeder-zijn, waartoe zij is gewijd.

En hij bedacht zich met schrik, of haar blanke, vluchtige
vlindernatuurtje wel sterk genoeg was voor het groote vuur, of het niet
véél te teer en te ijl was en of zij niet angstig, met droef gehavende
wiekjes zou terneêrvallen bij de minste aanraking met iets dat harder
was dan haar luchte, vage meisjesdroom van het leven....

Hoe kinderlijk klein leek ze nog, waar ze met haar rank figuurtje tegen
hem aanleunde, en steun bij hem zocht als een hulpeloos wicht.

Hoe pasten al die fijne, teêre dingen van haar boudoirtje bij haar! Dat
zachte tapijt, die porseleinen vaasjes en pullen, al die satijnen
strikken en linten, die zijden kussens, die lichtkleurige bloemen, hoe
behoorden zij precies bij het liefelijke en broze van haar
verschijning. Hoe absoluut weerloos en ongeschikt leek zoo’n
voorzichtig, als een exquis „objet d’art” opgekweekt dame-meisje toch
voor het koude, harde Leven, dat haar buiten wacht, en waar ze opééns,
genadeloos en bruusk, wordt ingestooten bij haar huwelijk!

Zij snikte wat uit, en stamelde toen langzaam door:

„Het kán niet meer Pim.... maar soms ben ik bijna boos op Maurice, dat
hij me dit heeft aangedaan.... soms wou ik dat ik maar weer het oude
vlindertje was, dat in alles zoo’n pret had en toch altijd rustig was,
zonder dat angstige voortjagen van binnen.... zou dat altijd zoo
blijven?.... En vanmiddag was het ineens zoo vreemd in het bosch.... de
blâren waren al zoo geel, en er vielen er ook al af van de boomen, voor
onze voeten.... die waren dood.... vroeger zag ik dat zoo niet, maar nu
dacht ik er ineens om, hoe nu die heele, mooie zomer doodging, waar ik
mijn nieuw geluk in heb gekregen.... en toen was het ineens of er iets
wegging, Pim, iets dat ook van mij was, en dat nooit meer terug zou
komen.... Mijn leventje was nu eenmaal zoo prettig en zoo knusjes....
het had altijd zoo moeten blijven....”

Ze veegde haar tranen af met haar fijn, batisten zakdoekje, en
probeerde zich weer goed te houden.

„Maar nu heeft die arme Pim niet eens zijn glaasje gehad... die wordt
nu verwaarloosd voor dien boozen, lieven man, die zoo ineens in ons
vroolijke leventje is gekomen... En Jimmy, arme lieveling, die wacht op
zijn koekje... gauw hoor, hier is het karafje, ziezoo.... en nu de
glaasjes.... alstjeblieft meneer.... wees maar niet boos dat je dwaze,
verliefde Ellie zulke rare dingen zegt, ze is een beetje
zenuwachtig.... Maar ze meent het goed, en, wat er ook gebeurt, Pim zal
altijd Pim blijven, en als ik eens lekker wil uithuilen mag ik toch
altijd weer bij je komen, hè?....”

Toen voelde hij op eens een vreemde, groote vreugde, en het was hem, of
hij toch eigenlijk niets verloren had, of het beste en innigste van
Ellie toch nog altijd van hém was gebleven, en er iets in haar voor hém
was, dat haar man misschien nooit krijgen zou.

Iets was er dan toch in haar voor hém alléén, iets van het Meisje, van
het reinste in haar, dat nooit weg zou gaan al was ze ééns vrouw en
moeder, en dat niemand hem ooit af kon nemen....

„Dát weet je wel, Ellie,” zeide hij ernstig. „Ik zal altijd de oude Pim
blijven, aan mij zal nooit iets veranderen, en je blijft mij houden net
als vroeger.”

„—Heusch, Pim, heusch altijd?”

„—Altijd, Ellie, geloof me.”

„—Dan zal ik ook zoo bang niet meer zijn... want ik ben weleens bang,
zei ik je daarnet al... ik ben weleens bang voor iets, en voor wat weet
ik niet. En ik kán nu eenmaal niet tegen verdriet, Pim, dat weet je, ik
ben er nu eenmaal niet voor gemaakt... Ik ben immers het Vlindertje
maar, jij hebt het zelf het eerste gezegd, ik ben maar het
Vlindertje....”



HOOFDSTUK XVIII.


Het was een zware slag geweest voor van Taats, toen de oude Mombreuil
om Ellie’s hand was komen vragen voor zijn neef.

Hij was er in ’t geheel niet op voorbereid, en nooit had hij ernstig
gedacht om de mogelijkheid, dat hij ooit Ellie zou kunnen verliezen.
Zij was het éénige, dat nog heilig voor hem was in het leven, het
éénige klare, reine licht in zijn duister. Als zij van hem wegging was
er niets meer voor hem dan de misère, zonder er ooit weer uit weg te
kunnen, en dan moê uit te rusten in een goed, warm thuis. Zonder háár
zou hij zich ook thuis niet meer veilig voelen, en er zou niets meer
voor hem over zijn dan zijn eigen ellende.

En tóch had hij niet allereerst om zich zelf gedacht, maar alleen om
háár. Hij dacht er geen oogenblik aan, haar aan zijn eigen geluk op te
offeren, of met unfaire middelen haar liefde in den weg te staan. En
hij had den ouden Mombreuil geantwoord, dat hij alles aan Ellie zou
overlaten. Hield zij van Maurice, dan vond hij het huwelijk goed, hield
zij niet van hem, dan kon er ook geen sprake van zijn. Toen hij dit
zeide, had hij niet vermoed, dat Ellie werkelijk van Mombreuil kon
houden. Hij beschouwde haar nog altijd meer als een kind dan als een
vrouw, nog zoo ver buiten het eigenlijke Leven, iets aparts en
bizonders in haar ranke teederheid, waarbij het denkbeeld van trouwen
immers véél te hard en te reëel leek. En hij was erg tevreden over de
diplomatieke manier, waarop hij den ouden Mombreuil weer had
weggekregen.

Groot was dan ook zijn verwondering, en pijnlijk zijn schrik, toen
Ellie hem dadelijk bekende, dat zij van Maurice hield, en hem snikkend
om den hals was gevallen en hem smeekte, haar lief, goed, oud vadertje,
om haar toch gelukkig te maken, want dat ze anders zeker zou sterven
van verdriet. Maar hij had zich goed gehouden en dapper zijn noodlot
aanvaard. Tegenover háár, zijn eenige liefs op aarde, wilde hij
onbaatzuchtig en eerlijk blijven. Hij wist dat het een genadeslag voor
hem was, maar Ellie’s geluk ging vóór, en hij gaf zijn toestemming tot
de verloving. Hij had ook met véél respect Maurice’s loopbaan in Indië
gevolgd, en dacht niet anders, of hij was als een serieus, degelijk man
teruggekeerd, die zijn vroeger leven door edele daden voor goed had
uitgewischt. Met de betrekking, die voor hem open was en het groote
fortuin, dat hij later van den minister zou erven, was hij in alle
opzichten een uitstekende partij voor Ellie, die als de vrouw van een
Mombreuil in de hoogste kringen van den Haag zou worden ontvangen.

En zoo had van Taats zich gewillig overgegeven aan zijn naderend
noodlot, bereid tot alles, als Ellie maar gelukkig werd. Hij voelde,
dat hij, als hij haar niet meer had, nu ook al dieper en dieper zou
zinken in zijne ontaarding, en zich voor altijd zou overgeven aan de
misère van zijn verloren leven.

Hij probeerde het zoo goed mogelijk te verbergen, om Ellie toch vooral
geen pijn te doen, en was altijd hartelijk en vriendelijk tegen
Maurice, tegen wien hij in zijn hart vijandig voelde, omdat die hem zou
afnemen zijn kind, het éénige licht in zijn leven van donkere zonden.
Zoo weinig kende hij van het ware wezen der liefde, dat hij ook
huiverde bij het idee, dat Ellie was gaan houden van een man, en het
hem was, of zij er minder om was geworden, en alsof zij iets verloren
had van haar maagdelijkheid, die nu niet meer zoo rein voor hem scheen
als vroeger. Hij had, onbewust, eigenlijk altijd gehoopt dat zij altijd
hetzelfde, onbezorgde meisje zou blijven, veilig buiten het groote
Leven, in een aparte sfeer van blanke reinheid, ver boven hartstocht,
als een blij, kalm kind van God, in wit gewaad van onschuld. Maar nu
zij lief had, en hij haar de oogen had zien sluiten van geluk onder den
kus van een man, was het hem, of zij uit die teêre sfeer was
neergedaald in de harde realiteit van het Leven, en zij niet meer dát
voor hem zijn kon, wat zij ééns geweest was. Dat het van háár iets
absoluut reins en heiligs zijn kon, was te ver boven zijn begrip van
cynischen viveur, die nooit de ware liefde had vermoed, maar enkel het
gemeene kende van den hartstocht in het menschelijke beest. En elken
keer, dat hij haar met Mombreuil samen zag, was het hem, of er iets van
zijn kind wegging, of het mooie in haar van hem werd afgenomen, en zij
langzamerhand dichter en dichter daalde naar laagten van de realiteit,
waarin hij leefde. Het deed hem pijn, alsof hij haar zag naderen tot
een gevaar, zonder dat hij ook maar een woord kon zeggen, om haar te
waarschuwen voor wat haar wachtte.

In de ziekelijke degeneratie van zijn verbeelding, die hem geen vrouw
kon doen zien zonder perverse bijgedachten, had hij, in een ander
uiterste, zijn kind in een onbestaanbare sfeer van bovenmenschelijke
heiligheid gedacht, maar wat tusschen die twee uitersten van laagste
verdorvenheid en opperste goddelijkheid lag, kende hij niet. En door
Ellie elken dag samen te zien met een man, een man, die haar weg zou
nemen uit zijn huis en tot zijn vrouw zou maken, als zooveel mannen
doen met meisjes, werd het engelachtig beeld, dat hij van haar had, al
meer en meer verduisterd, en verloor hij het éénige in zijn leven, waar
hij met reine oogen naar kon zien, en waarvoor zijn vuile, duistere
gedachten angstig wégscholen, als wilde dieren voor een heilig vuur.
Toen zocht hij het verdriet hierover te vergeten in een’ láátsten roes
van ontaard zingenot. Hij was juist erg moê geweest de laatste maanden,
en was véél thuis gebleven, of uitgegaan met Ellie mede, als een goed
vader, respectabel en fatsoenlijk. Maar nu barstte het beest in hem
weêr los, en hij brak weêr uit, in een serie van duistere gangen,
heimelijk als een dief. Het kwam er nu niet meer zoo erg op aan, vond
hij. Hij zou nu toch heel gauw alleen zijn, en niets anders meer
hebben. Het éénige licht van reine goedheid in zijn leven was niet meer
voor hém. En ook zij, dacht hij, zijn blanke kind van onschuld, zij zou
uit de sfeer van rustige zielevrede vallen in het vuur van hartstocht,
dat hem verteerd had, zijn geheele, onzalige leven lang.

En het blonde Antje, die hem héélemaal kende, en precies wist, wat hij
van haar wilde, zag hem weer avonden achtereen bij haar.

Totdat het fatale gebeurde, onverbiddelijk en onverwacht.

Van Taats, een bezoek voorwendende aan een oom in Utrecht, was een
nacht bij Antje gebleven. Hij was laat opgestaan, en had het zich
gemakkelijk gemaakt, had fijn bij haar geluncht, met champagne, en was
een sigaar blijven rooken, tot drie uur. Daarna voelde hij zich weer
behagelijk genoeg om in zijn pose van achtenswaardig, bezadigd oud heer
wat te flaneeren door de stad. Toen hij de trap afging hoorde hij
schellen. Erg onaangenaam, als ze je op zoo’n bekend adres uit de deur
zagen komen, op den Fluweelen Burgwal. Maar aan den anderen kant, wie
zou hier loopen, die hem kende? Misschien was het een slager of een
bakker, of zoo iets. En hij liep gerust door, en deed de deur open om
haastig naar den anderen kant van de straat te gaan.

Vóór den drempel stond Mombreuil.

Beiden schrikten. Zij zagen elkander éven met bevreemding, ietwat
droevig, aan. Zij begrepen onmiddellijk de ontzettende portée van wat
gebeuren zou als zij elkaar herkenden. De vader van Ellie, de verloofde
van Ellie, beiden de gunsten betalend van ééne veile deerne.... Ze
dachten allebei, tegelijk en alleen om háár. Het kón niet, het mocht
niet, wat hier nu voorviel. Het lag niet in de natuurlijke orde der
dingen. Het zou haar dood zijn. Dit gruwzame feit moest genegeerd
worden, wèg uit de realiteit, en het was eenvoudig nooit gebeurd, en
kón ook nooit gebeurd zijn....

En beiden beseften zij dat er maar één weg was. Zij zwegen en kenden
elkaar niet, evenmin als vreemden. Mombreuil week even wat ter zijde om
van Taats door te laten, die hem niet aanzag en kalm voortstapte,
schijnbaar in gepeinzen.

Zij hadden elkaar begrepen.

Zij hadden elkaar niet gezien....



HOOFDSTUK XIX.


Het werd nu een treurige tijd voor Pim. Hij had geen plezier meer in
het strand, en zelfs ’s avonds in het Kurhaus kon het mooi van de
muziek hem niet meer troosten. Hij had behoefte aan iets, waar zijn
verdriet in weêrklonk, en zijn eigen zielsstemming in weende. En de
muziek van de Berlijners vond hij nu ineens te beschaafd, te
geacheveerd, alsof de uiterste volmaaktheid de smart zelfs in het
droevigste Adagio had verweekt.

Toen vond hij het eindelijk bij de Zigeuners, wat hij zocht.

Het vorig jaar had hij een Hongaarschen huzarenluitenant ontmoet,
Zichy, die hem met enthoesiasme had gesproken van de muziek der
Zigeuners. Hij was toen met hem naar de Kurhaus-bar geweest en naar het
Seinpost-paviljoen, waar Zichy had gevraagd, om Hongaarsche wijzen te
spelen. Maar Pim had het niet zoo bizonder mooi gevonden, en dat ook
eerlijk bekend.—

„Dan heb je zeker nog nooit een groot verdriet gehad,” had Zichy
gezegd. „En zonder groot verdriet kan je de Hongaarsche muziek niet
begrijpen.”

Pim was het al lang vergeten, maar op een avond, toen hij langs de
Kurhaus-bar liep, dacht hij er ineens aan, en ging binnen. En hij vroeg
den kapelmeester of hij eens wat Hongaarsch wilde spelen. De Zigeuner,
altijd even beleefd, liet dadelijk het bordje ophangen met „Hongaarsche
Wijze.”

Er waren weinig menschen, want het was nog vroeg. Pim ging zitten in
een stil hoekje.

En ineens barstte het los. Hoog uitgeschrei van een viool, als een
klagende ziel, wilde val van cimbaal-klanken als een neêrstroomen van
sombere tranen, en het donker mineur uithuilen van een doodsbedroefde
cel, als de laatste wanhoopsjammer van een van liefde stervend hart.
Hoor, daar smeekte het hoog-weenend uit, het liefde-leed van de
biddende viool, dáár vielen de donker-zilveren tranen brandend in de
ziel, uit den zondvloed van ’t ruischende cimbaal, en donkerder en
donkerder gromde de wanhoop door de lang uitgehaalde klachten der
sombere violoncel!

Hoe eindeloos droevig treurde het zielsverdriet in de langzame
opneurieïng van het „Lassen”, met het tranen-droppelen van
cimbalen-klanken, hoe staat het trotsch, op fieren cadans, weer op in
het „Czardas” om dan ineens in wilden triomf woest-dansend uit te
barsten in de hoog-opslaande golfrythmen van den onstuimigen „Frisko”!

Dan is de ziel aan de smart ontstegen, triomfeerend opgerezen boven de
vlammen van hartstocht uit, en in een wild opdeinenden roes van
vrijheid danst zij op de trotsche cadanzen van het glorierijk geluk,
dat niets haar meer kan nemen....

Toen voelde Pim ineens wat het eigenlijk was, de Hongaarsche muziek. En
met gloeiend hoofd en tranen bevend in zijn oogen liet hij zich met ál
zijn verdriet wegduizelen in die stormen van trots en geluk, die
uitjuichten na zoo eindelooze smart.

En een groote bewondering kwam in hem op voor die Zigeuners. Zeker, het
waren héél ordinaire kerels in het gewone leven. Zichy had het hem
verteld, hoe onbetrouwbaar ze meestal waren, en hoe lui, en hoe weinig
ze wisten. Maar hun ziel was één en al muziek. Als ze maar éven
speelden waren ze tot de reinste hoogten van de ziel gestegen, waar ál
’t weten nooit kan reiken, en alleen ’t intuïtieve voelen komt. En ze
kenden geen noot muziek, omdat dat ook niet noodig was, omdat ze zélve
al muziek waren, onbewust.—

Het spel van die vreemde Zigeuners werd een lieve troost voor Pim, en
het éénige, waar hij groot belang in stelde. Hij praatte veel met den
kapelmeester, die hem alles van hun muziek vertelde. Hij liet zich door
hun voorspelen van de mooiste liederen, „Repülj fecském”, van het
meisje, dat bedroefd is en een zwaluw ziet vliegen; „Kék ne felet”, van
het blauwe vergeet-mij-nietje, dat groeit op een berg, en het
maagdelijn dat vraagt, of ook zoo’n bloempje moge groeien op haar graf;
„Sárga cserebogár”, van den minnaar die een gelen kever ziet, en met
hem spreekt over zijn beminde, en zooveel andere heerlijke volkswijzen,
waar de ziel in lacht en weent. Elken avond zat Pim daar zijn eigen
verdriet te vergeten in het majestueuze leed dier ruischende melodieën,
maar toch kwam het altijd weêr grooter en grooter terug. En toen begon
hij te begrijpen, wat Zichy hem eens verteld had, hoe Hongaren
zelfmoord plegen in Hongarije. Als zij alles hebben verloren wat hun
lief is, en de wanhoop is in hun hart, gaan zij toch nog éénmaal naar
de Zigeuners. Dán laten zij zich nog ééns de heerlijk-droeve wijzen
voorspelen, die zingen wat in hun eigen ziel is, tracteeren de geliefde
spelers op champagne, en loopen dan wèlbewust naar de blauwe Donau,
naar den dood,—dien zij niet vreezen en die altijd als een vriend met
hen praatte, in de muziek—, te trotsch om nog langer door zichzelf en
het leven te lijden, dat zij verachten.—

Hoe misplaatst en vèr-verloren leken hem nu ineens die Zigeuners in dat
leelijke, wanstaltige hok dat de Kurhaus-bar was, spelend voor dat
ongevoelige, koude publiek, dat hen niet begrijpen kon, wilde
natuurmenschen als ze waren. Mopjes, walsjes en polkatjes moesten ze
spelen, nu en dan in het luide lawaai zelfs iets Hongaarsch, waar
niemand wat van voelde, en waar wel eens idioot om werd gelachen.—Hij
trachtte den kapelmeester wat op te vroolijken door hem attenties te
bewijzen als in Hongarije, tracteerde hen op champagne, en stuurde met
een kellner, netjes op een blaadje, zooals het behoorde, nu en dan een
Hongaarsch bankbiljet, dat hij had gekocht in een wisselkantoor.—Als
tegenattentie speelden zij dan een extra-nummer, iets echt-Hongaarsch,
expres voor hém, tusschen de andere nummers in.—En die heel gewone,
slordig uitziende kerels, die daar zaten te werken voor hun brood als
armzalige muzikanten, zij vermoedden heel goed, zoodrá zij maar
speelden en hun ziel muziek was, dat daar iemand zat te luisteren, die
een groot leed had in het leven, om liefde’s wil.—Zij kenden dat maar
ál te goed, uit Hongarije.—

Pim kwam nu heel weinig meer in ’t Kurhaus, waar hij geen troost kon
vinden, en zat als een trouw bewonderaar om den anderen avond in de
Kurhaus-bar of het Seinpost-paviljoen, om naar de Zigeuners te
luisteren. Hoe maakten zij alles ineens heel anders, wat zij speelden!
Een gewoon mopje, een bekende polka, of een wals, kregen een
hoog-zwaaiend rythme, dat hij er vroeger nooit in gevoeld had. En in de
vroolijkste wijzen kwam ineens iets vreemds, iets bijna mineurs, of
door ál de blijheid heen toch nog even vage tranen weenden van
liefde-leed.

En dáár, juist in zijn veilig toevluchtsoord, waar hij zijn láátsten
troost vond, gebeurde het vreeselijke, dat hem een nieuwe pijn aandeed,
die het oude lijden nog wreeder maakte.

Het was laat, bij éénen, en de kellners begonnen al op te ruimen in het
paviljoen van de Seinpost, waar hij, dicht bij het orchest, tot het
laatste te luisteren zat.

Toen zag hij in de half leêge zaal een wèlbekende, hooge gestalte
binnenkomen.

Hij schrikte op.

Het was Mombreuil. Zijn donkere gezicht was een beetje rood, alsof hij
opgewonden was van wat veel drinken, en zijn gang was onzeker, met een
lichten zwaai. Hij had een cocotte aan zijn arm, in een opzichtige,
vuurroode blouse, en met een brutalen, breedgeranden hoed op.

Zij bleven even staan, als besluiteloos wat te doen, en zagen de zaal
rond.

Mombreuil keek op zijn horloge, zag dat het laat was, en zei iets tegen
de vrouw aan zijn arm, die hard en lachend antwoordde.

Toen gingen ze beiden de zaal weer uit.

Pim voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen van schrik en
verontwaardiging, en hoorde het zich ineens hardop zeggen:

„De ellendeling!.... Hoe durft-ie.... de laffe ellendeling!....”



Den volgenden middag om twee uur gaf hij zijn kaartje af bij Mombreuil
en werd dadelijk binnengelaten.

Het was een ongezellige huurkamer, met laag plafond, waar Maurice’s
hooge gestalte nog grooter in deed dan anders.

Toen Pim binnenkwam, ging Maurice hem vriendschappelijk tegemoet.

„—Zóó, ben je daar eens, kerel, dat vind ik een aardig idee van je, om
me eens op te zoeken. Ga zitten.... ga zitten....”

Maar Pim nam de hand niet aan, die hij hem toestak.

„—Ik kom hier niet om je zoo maar eens op te zoeken,” zeide hij. „Ik
kom met je spreken, over iets ernstigs, in ’t belang van Ellie....
anders was ik hier nooit gekomen.”

Maurice kon het niet helpen, dat hij glimlachte. Het klonk zoo raar,
Pim op dien toon te hooren spreken, en over iets ernstigs nog wel. Met
dat minachtende, en toch welwillende medelijden, dat groote, sterke
menschen altijd voor kleinen en zwakken hebben, had hij van Wedell
altijd meer beschouwd als een arm stumperdje, tegen wien je maar lief
en hartelijk moet zijn, dan als een man. Hij savoureerde zijn elegante
dandy-achtigheid, zijn koketterie met meisjes, en zijn zachte
vrouwelijkheid, en had hem nooit erg au sérieux genomen. Alleen omdat
ze elkaar zoo veel zagen bij van Taats, waren ze elkaar gaan
tutoyeeren, zonder daarom intiem te worden.

„—Zoo zoo,” zei Maurice, met een lichten spot, dien hij niet geheel kon
verbergen, „iets ernstigs? Daar ben ik benieuwd naar. Ik zal er bij
gaan zitten en ik luister, hoor!”

Pim was niet gaan zitten. Het was hem, of hij dan nog kleiner zou
schijnen. En hij had weêr dat hinderlijke, nerveuze gevoel van
kleinheid, tegenover dien zooveel grooteren, zwaren man. Maar zijne
verontwaardiging hielp hem over zijn zenuwachtige verlegenheid heen.

„—Mombreuil,” begon hij resoluut. „Ik kom je zeggen, dat ik je gisteren
avond in het Seinpost-paviljoen gezien heb. Je was met een meid. Met
een gemeene meid was je. En je bent de verloofde van Ellie. Ik zeg je
er bij, dat ik dit een gemeenen streek van je vind. Je hebt daar het
recht niet toe, zoolang je met haar geëngageerd bent. En ik kom het je
verbieden.”

Mombreuil kon een oogenblik niet spreken van verbazing. Was dát Pim?
Was dat kleine Pim, het meisjesachtige kereltje, het
miniatuur-huzaartje? Hoe uitdagend keek hij hém, den groote, aan! En
hij wilde hem blijkbaar de les lezen ook. Dat werd toch wèl een beetje
ál te bar! Hij kon nog niet eens dadelijk boos worden. Het was ál te
dol!

„—Zoo,” spotte hij terug. „Heb je me gezien? En met een meid nogwel!
Nu, dat gaat joú dan toch niet aan, hè? En ik behoef joú toch in elk
geval geen rekenschap te geven van mijn daden!”

„—Wat je doet gaat me ook niet aan. Dat weet ik heel goed. Maar door
met een meid te loopen beleedig je Ellie. En dan gaat het me wèl aan.
Ik verzoek je niet zoo spottend te kijken. Je moet goed begrijpen wat
ik hier doen kom. Ik kom je verbieden Ellie te beleedigen. En als je
niet naar mij luisteren wilt zal ik genoodzaakt zijn om je te dwingen.
Wij staan hier tegenover elkaar als mannen van eer, als officieren zoo
je wilt, ofschoon dát er hier weinig toe doet. Ik vind dat je een
gemeenen streek hebt gedaan tegenover Ellie. Ja, een lafheid zelfs, een
laffe, gemeene daad.”

Nu begon Maurice te begrijpen. Hij voelde zijn drift opkomen, en kreeg
een opwelling, dat nietige, kleine ventje daar vóór hem neêr te slaan,
met één slag van zijn groote hand. Maar hij hield zich nog in, bang
voor de gevolgen, en de ruchtbaarheid, waardoor zijn oom het zou
hooren.

„—Dus je komt mij beleedigen?” vroeg hij, ongeduldig. „Je komt mij
dwingen om met je te vechten misschien?”

„—Neen, dáár kom ik niet voor. Maar als het er op uitloopt kan ik het
niet helpen. Ik kom alleen op voor Ellie.”

„—En met welk recht, alstublieft?”

„—Met het recht van een broer!”

„—Van een broer! Puuh! je weet heel goed, dat je in ’t geheel niets van
haar bent.... je hebt een anderen vader en een andere moeder... wat wil
je dan praten van broer?”

„Broer of géén broer, dat doét er niet toe. In elk geval is zij mij
dierbaar, en kan ik het niet aanzien, dat zij wordt beleedigd. Je
ontkent het niet. Je bent met een meid uitgeweest, een gemeene meid van
de straat, die iedereen kan hebben, als hij maar geld heeft. En dat is
een lage, gemeene streek. Vat het op zooals je wilt, het kan mij niet
schelen. Maar ik zal het niet langer dulden. Dat verzéker ik je. De man
worden van Ellie!... en tegelijk uitgaan met zoo’n meid! Hoe kon je
ooit zóó iets doen!”

Hij kon zich niet meer inhouden, en de tranen van leed en
verontwaardiging sprongen in zijn oogen.

„Hoe kon je het doen, Maurice! Heb je dan heelemaal geen gevoel?...
voel je er dan de laagheid niet van? Een meisje als Ellie!... Een lief,
goed kind van onschuld, dat nooit anders heeft gezien dan het mooie van
’t leven.... ik ken haar langer dan jij... ik ken haar hééle hart... en
het is niets dan reinheid, dan blanke, engelachtige reinheid... elke
gedachte van vuilheid moet daar vèr van blijven.... hoe heb je ooit bij
haar kunnen zijn met een slechte gedachte in je ziel?... ben je dan
nooit geschrokken van haar witte kleed?... heb je dan nooit gehuiverd
als je haar aanraakte, en ben je dan nooit bang geweest, dat je iets
besmetten zou?... heb je dan nooit God op je bloote knieën gedankt, dat
zoo’n kind van je is gaan houden?... hoe dúrfde je, hoe dúrfde je...
nooit, nooit heeft ze het slechte gekend, ik wéét het van lange jaren,
altijd is ze vèr gebleven van wat duister en gemeen was... ik ben
altijd zoo bang geweest, zoo héél, héél bang, dat ze het ééns zien zou,
zoo ongenadig, inééns al het vuile van de wereld voor haar reine,
blauwe kinderoogen... en ze heeft het nooit gezien, Goddank, ofschoon
het vlàk bij haar was... je weet, Mombreuil, haar vader... ik heb er
niet over willen spreken, maar natuurlijk wéét je het, iedereen wéét
het in den Haag, al zal niemand het hardop zeggen... nooit heeft ze het
geweten... altijd heeft ze, als een blank, onschuldig wezentje vlak
naast het vuile en slechte geleefd, en is zelf rein gebleven, en heeft
niets geweten... somtijds, als ik met haar in de stad liep, en ik zag
al het gemeene overal, dat haar bijna ráákte, dan was ik zoo bang, zoo
bang... en nu zou jij het vuile in haar leven brengen, Maurice, jij,
die ze liefheeft, jij, die ze gekust heeft met haar reine lippen,
waarvoor je God eeuwig dankbaar zou moeten zijn!... hoe kún je dat
doen, hoe kun je dat doen?...”

Maurice was opgestaan. Hij was heel bleek, hij beefde, en bracht de
hand aan zijn hoofd, of hij pijn had. Hij voelde de drift in hem weg
deinzen voor een groot verdriet. Wat Pim daar zeide had hij zélf al
heel dikwijls in zich hooren spreken, in bange uren, als hij alleen
was. En het was of zijn eigen geweten het hem toeschreeuwde uit Pims
woorden:

„Ze zeggen dat je een held bent, Mombreuil. Ik heb het óók altijd
geloofd, en ik heb je bewonderd telkens als ik van je hoorde, hoe je
hebt gevochten in den oorlog. Maar als je nu werkelijk een held wilt
blijven, doe dan niet laf tegen een arm, zwak meisje, dat van je houdt.
Trap dan geen zielig, broos vogeltje dood, scheur dan geen teêr, fijn
vlindertje uit elkaar. Jij, die zoo’n groote, sterke kerel bent, breek
niet dat kleine, weêrlooze zusje van me dood in je ruwe vuisten. Ik wil
met je vechten om alles wat ik je nu zeg. En ik hoop dat je me dood
zult steken, want van joú houdt ze, en ik wil niet iemand dooden dien
zíj liefheeft. Ik ben toch nergens goed voor in de wereld, en niemand
verliest wat als ik dood ga. Als je duelleeren wilt stuur me dan morgen
maar dadelijk je getuigen. Maar dénk om wat ik je gezegd heb. Je bent
een lafaard als je zoo langer doorgaat. Als je niet zonder die meiden
kunt, blijf dan wég van Ellie, en geef haar direct haar woord terug, al
zou ze er misschien van sterven. Liever dan haar te besmetten met het
vuil van de vuile wereld. Of geef me je woord van eer, dat het nooit
meer gebeuren zal en wordt waard de uitverkorene te wezen, die bij háár
onschuld mag leven....”

Pim hield zich al gereed, om den slag af te weren dien hij nu van
Mombreuil in drift verwachtte.

Maar Maurice was in zijn fauteuil blijven zitten, met een hand onder
het hoofd, en staarde in gedachten voor zich uit. En zonder zijn
tegenstander aan te zien zei hij heel zacht, als kwam het uit verre
onbewustheden van zijn ziel, die nu voor ’t eerst durfden spreken:

„—Eigenlijk heb je gelijk, Pim. Er kan hier geen kwestie zijn van
vechten, want je komt op voor wat recht is. Ik weet heel goed, dat ik
geen kerel ben voor een meisje als Ellie. Toch was het niet zoo gemeen
van me als je wel denkt, om met die meid uit te gaan. Ik kan nu eenmaal
niet anders, Pim, ik bén nu eenmaal zoo. Je praat daar van reinheid, en
onschuld, en maagdelijkheid, en al die dingen, maar eigenlijk weet ik
tóch niet wat je daar meê bedoelt. Ik weet alleen dat het dingen zijn
waar ik niet bij kan. Je vraag me of ik nooit bang geweest ben, als ik
bij Ellie was. Welnu ja, ik bén bang geweest. Er is iets aan haar, wat
weet ik niet, waar ik mij niet op mijn gemak bij voel. Het is of ik
weet, dat ik daarvan áf moet blijven, of ik het niet waard ben. Dat zal
dan zeker zijn wat jij bedoelt. En ik ben al te oud en te ver heen om
het nog waard te worden, dat weet ik óók wel. Al die dingen die jij
daar zegt, Pim, heb ik al zoo dikwijls in mezelf hooren zeggen, maar ik
heb er niet naar willen luisteren. En nu het zoo inééns van een ander
naar me toekomt, moét ik wel. Als dat niet zoo was, ik zou op je
aangevlogen zijn, ik zou niet gerust hebben voor ik je vernietigd had,
als een hond. Maar nú kan ik dat niet meer, want ik voel dat je gelijk
hebt. Ik bén geen vent voor Ellie. Ik zou haar ongelukkig maken. Ik zou
het tóch niet kunnen laten, om naar andere vrouwen te loopen, en ik kan
tóch niet genoeg hebben aan ééne. Zoo bén ik nu eenmaal.”

„—Maar waarom ben je ’t dan begonnen?” vroeg Pim ongenadig, „dat wist
je toch van te voren óók!”

„—Omdat ik wel moést, Pim. Oom Mombreuil wilde dat ik trouwde. Je weet
wel dat hij het geld heeft en ik heelemaal van hem afhang. Toen heeft
mijn zusje Wies Ellie uitgekozen. En het kon me eigenlijk weinig
schelen wie het was, als ik toch moest trouwen. Ik dacht dat Ellie was
als zoovéél Haagsche meisjes, die blij zijn als ze een man krijgen met
een titel, en fortuin te wachten. Ik wist niet dat ze zoo’n teêr
poppetje was, zoo’n kind nog.”

Pim schrikte van de oprechtheid, zonder schaamte, waarmeê Mombreuil die
dingen opbiechtte als doodgewoon, die voor hèm zoo laag en gemeen
waren.

„—Dus je houdt niet van Ellie?” vroeg hij.

„—Niet wat jij, geloof ik, houden noemt, op je poëtische manier. Ik
vind haar een lief, goed kind, en als zoodanig houd ik van haar. Maar
ik heb haar niet lief, zooals in een boek, als je dat bedoelt. Ik zou
het zonder haar ook wel uithouden.”

Mombreuil verwonderde zich, dat hij alles zoo eerlijk aan dien kleinen
Pim vertelde, die toch geen recht had, hem rekenschap te vragen. Maar
hij voelde tegelijk dat hij eigenlijk niet eens tegen Pim sprak, en
veel meer tegen een stem in zichzelf, die hetzelfde tegen hem zeide als
Pim. Het was eigenlijk eene afrekening, die hij hield met zichzelf.
Zoolang hij Ellie’s verloofde was, had die stem al in hem gesproken,
eerst even fluisterend, toen al luider en luider tot hij haar eindelijk
aldoor in zich hoorde, geheele dagen lang. Het was zijn beter ik, nog
niet heelemaal verdoofd in een wild leven van harde dingen, dat hem had
gewaarschuwd, geen daad van laagheid te doen.

En hij kon niet driftig meer op hem worden, véél te goed wetend, dat
hij gelijk had, toen Pim uitriep:

„—Dan moet er ook een eind aan komen, Mombreuil. Als je niet van haar
houdt mág je haar niet trouwen. Je moogt een meisje als Ellie niet
opofferen aan geld, dat zou een groote laagheid zijn. O! Als je
werkelijk een held bent, toon het dan! Zeg eerlijk aan je oom, waar het
op staat, al zou hij je geen cent meer geven! Je bent toch groot en
sterk, en kunt toch nog werken! Een man van eer vermoordt toch zóó maar
geen meisjesziel uit grof égoïsme, om dat vuile geld.”

Hij zag aan Mombreuils somber gezicht, dat het een harde strijd in hem
was van eergevoel en egoïsme.

„—Maar als ik nu Ellie bedank,” vroeg Maurice. „Wat dan? Zal ik haar
dan geen pijn doen? Zal ze daar geen erg verdriet van hebben? Want van
míj houdt ze, dat weet ik zeker. Mag ik haar die pijn aandoen?”

„En dacht je dan, dat je haar niet véél meer pijn zou doen als je haar
trouwde?” antwoordde Pim waarschuwend. „Dán zou je haar voor haar
geheele leven lang pijn doen, en van je huwelijk ééne lange groote
misère voor haar maken. Dan is het toch in elk geval beter als ze nu
ééns wat lijdt.—Ik laat het nu aan jezelf over, wat je doen zult. Maar
ik heb gezegd waar het op staat. Het liefste wou ik dat jezelf beloven
kon een goede man voor haar te worden, en haar nooit meer te bedriegen,
en dat je van haar kon houden zooals zij van jou. O! Mombreuil ik wou
dat je dat kon, want dan zou zij gelukkig zijn! En het is toch zoo
gemakkelijk, dunkt me....”

Inééns ging Mombreuil een licht op. Dat hij dáár niet aan had gedacht!

„—Hoe weet je dat?” vroeg hij ineens, bruusk. „En waarom maak je
eigenlijk zoo’n drukte over die zaak! Ze is toch in ’t geheel niet je
zuster. Zeg, zou jij soms zelf....”

Pim raadde wat hij dacht. Het lag niet in zijn aard om te liegen. Hij
keek Mombreuil recht in ’t gezicht.

„—Ja, Mombreuil. Ik durf het wel te zeggen. Ik houd van haar, al zal ze
het nooit weten.”

„—En je raadt me daar aan, van haar te houden en een goeden man voor
haar te worden!”

„—Juist omdat ik van haar houd,” zei Pim, heel eenvoudig. „Omdat ik
haar gelukkig wil zien, en ik weet, dat ze nu eenmaal van jou houdt, en
niet van mij.”

Een warm gevoel van sympathie welde in Mombreuil op voor den kleinen,
zwakken, die daar voor hem stond, en maar even tot zijn schouder
reikte. En eerlijk zei hij het, zooals hij het ook voelde.

„—Ik geloof dat jij de held bent van ons tweeën, Pim, niet ik. Want ik
heb maar zoowat bruut gevochten tegen lui, die toch eigenlijk hun eigen
land verdedigden, maar jij zoudt jezelf heelemaal willen opofferen, om
een ander gelukkig te maken.”

En ineens, voelende wat de laatste weken voor Pim moesten geweest zijn,
stak hij hem de hand toe en zei met oprecht medegevoel:

„—Wat moet jij den laatsten tijd geleden hebben, kerel. Het spijt mij
zoo, geloof me. Ik heb niet beseft wat ik deed. Maar ik zal het goed
maken, ik beloof het je, ik zal het goed maken.”

Pim was geen karakter om zoo loyaal aangeboden excuses af te wijzen.
Hij legde zijn blanke, gesoigneerde hand in den grooten, gebruinden
knuist van Mombreuil.

„—Ik dank je, Mombreuil,” antwoordde hij. „Ik vertrouw er op dat je
doen zult wat recht is. Je zult er ernstig over denken, en dan weten,
of je voor jezelf Ellie durft behouden en haar waardig kunt blijven, of
haar eerlijk zult zeggen, dat je van haar moet afzien. Je ziet wel in,
dat het zoo niet langer kan duren.”

En Maurice voelde de sympathie, die in hem was opgekomen al grooter en
grooter worden, hoe meer hij Pim in het eerlijke, open gezicht zag.

„—Hoe jammer, Pim,” zeide hij treurig. „Hoe jammer, dat alles altijd
verkeerd loopt in de wereld. Waarom houdt ze niet van jou? Waarom nu
juist van mij, die het niet waard ben? Jij bent toch zoo heelemaal
aangepast aan haar. Weet je wel, dat jullie allebei nog iets van
kinderen hebt? Ik bedoel hier geen onaardigheid mee, begrijp me wel. Ik
bedoel dat jullie allebei nog zoo heelemaal onbesmet bent van alles wat
vuil is, maar ik, zoo’n oude, grove troupier!.... Ik hoor daar niet
bij. Waarom moest ik nu ineens zoo bruut in jullie mooie, kalme leven
komen staan? Misschien zou ze anders nog wel eens van jou zijn gaan
houden. Geloof me, het spijt me kerel, het spijt me zoo....”

Pim drukte hem nog eens warm de hand.

„Ik dank je, Mombreuil. Je kon het niet helpen. Ik ga nu zonder
rancune. Ik dank je.”

En zwijgend ging hij heen, om de tranen te verbergen, die in zijne
oogen stonden.



HOOFDSTUK XX.


Van dien noodlottigen middag af dat van Taats en Mombreuil elkaar
hadden betrapt, ontweken zij elkaar zoo veel zij konden. Van Taats
trachtte zichzelf wijs te maken, dat het toch zoo erg niet was van
Mombreuil, dat het een noodzakelijke escapade van hem was, die wel niet
meer herhaald zou worden, als hij maar eenmaal getrouwd was. Mombreuil
van zijn kant had al lang geweten van de „louche” avonturen van zijn
schoonvader, die hij trouwens ook niet eens zoo bizonder ordinair vond,
vooral omdat hij niet meer getrouwd, en dus vrij man was. Als echte
Hagenaars, en mannen van de wereld, namen zij die dingen niet zoo
serieus op. Zoo was nu eenmaal het leven. De kwestie was maar alléén
dat je zorg droeg, het stiekem te doen, en naar buiten correct het
fatsoen te bewaren. Dan was iedereen in den Haag tevreden.

En toch kwam er een zekere, hinderlijke gêne tusschen die beide mannen,
zoodra zij samen met Ellie waren. Het was of zij dan allebei voelden,
dat zij niet waard waren, in dezelfde sfeer als zij te ademen, en of
zij bang waren van elkaar dat zij met hun vuil de reinheid van haar
maagdelijke onschuld zouden besmetten. En het geheim, dat zij van
elkaar bewaarden, werd dan als een benauwing, die hen beklemde, en die
ook Ellie op zich voelde drukken, als een vaag gevaar, dat zij niet
kende, maar toch voorgevoelde, zonder te weten. Het was haar, of er
iets om haar was, dat haar bedreigde, iets, wat ieder oogenblik op haar
àf kon komen, onverwacht, uit een hoek, en dat rondwaarde in het
geheele huis.

Ééns was het rakelings vlak bij haar geweest, en toch nog weggegaan,
zonder dat het haar bewust werd.

Mombreuil zat bij haar in de serre een kop thee te drinken, waar de
oude heer „het Vaderland” las.

Maurice had haar een paar nieuwe glacé handschoenen mede gebracht, waar
zij om verlegen was.

„Vin je deze niet erg mooi?” vroeg hij. „Ze zijn uit dat nieuwe
magazijn van Madame Berthier op den Vijverberg.”

Sedert een halfjaar was er in een van de groote huizen op den
Vijverberg een zaak opgericht in de allerfijnste soorten handschoenen,
die bizonder in trek was bij de hooge aristocratie en de patricische
beau-monde. Zij was met véél chic ingericht, in een gesloten huis, véél
te deftig om een gewonen winkel te schijnen, en een eenvoudig burgerman
zou het niet in zijn hart hebben gekregen, daar binnen te gaan.

Van Taats keek plotseling op van de courant.

„—Zijn die handschoenen van Madame Berthier?” vroeg hij, als bang.

„—Ja, papa, kijk eens hoe mooi!” riep Ellie. „Zijn ze niet beeldig?
Maurice heeft ze voor mij meêgebracht. Ik ga voortaan dáár alleen mijn
handschoenen koopen.”

Haar vader was bleek geworden van schrik. En opeens zeide hij heftig:

„—Dat moet je niet doen, Ellie. Ik wil niet dat jij daar in dat huis
komt. Doe me een plezier, en beloof me dat je daar nooit zult komen.”

Ellie begreep er niets van. En weêr voelde zij dat vage gevaar, dat om
haar heen hing, de laatste dagen.

„—Waarom niet, papa?”

Van Taats zag Mombreuil aan. Maar ook Maurice keek verwonderd. Hij
scheen dus nog van niets te weten. Toch vermoedde hij iets, met de
fijne „flair,” die hij van zulke dingen had....

„—Dat kan ik je zoo niet zeggen, kind,” zei van Taats, op een
zacht-autoritairen, vaderlijken toon. „Dat zijn geen dingen voor jonge
meisjes. Laat het genoeg zijn dat ik niet wil, dat je daar komt.”

En zij, gedwee, als een gehoorzame dochter:

„—O! Dat is natuurlijk genoeg. Ik beloof u, ik zal er heusch niet
komen, als u ’t liever niet hebt.”

Maar toch vroeg zij zich onrustig af, wat het dan toch wel zijn kon,
wat papa bedoelde, en waarom soms alles zoo vreemd werd, zoo vreemd en
zoo bang in huis, of er iets verschrikkelijks zou gebeuren....



Totdat het haar ineens geopenbaard werd, genadeloos, met een zwaren,
onbehouwen slag in haar teeder, maagdelijk leven.

Het was denzelfden dag, dat Pim op Mombreuil’s kamer kwam, om hem
rekenschap te vragen.

Ellie zat even wat te lezen, vóór de lunch, toen opeens haar vader,
bleek en zenuwachtig, in zijn reispak, met zijn groot valies in de hand
binnenliep. Het was maar heel zelden, dat hij in haar boudoir kwam,
waar hij zich niet op zijn gemak voelde.

„Ellie!” zeide hij, met een lichtelijk bevende stem, „ik kreeg daar net
een telegram, waardoor ik op reis moet. Het zijn héél dringende zaken.
Ik moet even naar Londen, misschien zelfs wel naar Amerika. Dat zal ik
je wel nader schrijven. Maar nu moet ik direct weg. Ik heb geen tijd te
verliezen, kind. En nu kom ik je gauw even goeden dag zeggen. Geef me
een zoen als je wilt....”

En weêr voelde Ellie het héél dicht bij, het vage, onzichtbare dat in
het huis hing den laatsten tijd. Wat deed papa vreemd.... Wat zag hij
er bleek uit....

Ze kuste hem liefdevol op zijn voorhoofd, en zijn beide wangen. En
liefdevol vroeg ze:

„—Er is toch niets, papaatje?.... Het is toch niet erg, dat
telegram?.... Bent u er erg ongerust over?....”

„—Welneen, kind, het is niets, hoor!.... alleen maar geldzaken....
kwesties met effecten....”

En hij liep naar de deur.

Maar ineens kwam hij weêr terug.

Hij nam haar hoofd in zijn handen en keek haar innig aan.

„—Zeg, Ellie, als er nu eens iets gebeurde, met den trein of zoo.... je
kan nooit weten.... en ik kreeg eens een ongeluk.... het is natuurlijk
maar gekheid, maar stel ’t je nu eens voor.... en ik was eens dood, zie
je, en er kwamen eens menschen, die allemaal kwaad van me vertelden....
wat zou je dan wel van me denken?....”

Zij keek hem verbaasd aan.

„—Wat een vraag, papa.... wat zou ik ooit anders denken, dan dat u mijn
lief, goed vadertje bent, die zooveel van mij houdt?....”

Hij kuste haar, en nog eens, en nog eens.

„—Als je dát maar altijd gelooft, Ellie, dat ik heel veel van je
gehouden heb altijd.... al ’t andere moeten ze maar van me vergeten....
maar dat ik véél van je houd, lieve, dát is alleen waar....”

Toen knikte hij haar nog eens vriendelijk toe, en liep haastig het
boudoirtje uit.

En Ellie bleef achter, verwonderd, met een vreemde ongerustheid.

Wat had papa raar gedaan.... wat zou hij eigenlijk hebben bedoeld....
hoe bleek was hij.... zou het een erg nare tijding voor hem geweest
zijn in dat telegram?

Dáár hoorde zij de voordeur hard dichtslaan.

En zij schrikte op, angstig, of die slag op haar hart was gevallen,
zwaar en onheilspellend.

En weêr dichter, al kon ze ’t altijd nog niet begrijpen, voelde zij het
op zich af komen, dát, ze wist niet wat, dat al zoolang dreigde, van
overal, van nergens, en dat toch maar niet wou komen....

Wat kon papa toch wel bedoelen?.... Wat een vraag! of zij geloofde, dat
hij van haar hield.... Dat ze al ’t andere maar van hem moeten
vergeten.... vergeten?.... wat vergeten dan toch?.... en welk
andere?...

Het dienstmeisje kwam haar roepen, voor de lunch. Toen ze in de kamer
kwam, zag ze nicht Joséphine vragend aan.

Maar de oude dame keek voor zich, en het was Ellie, of zij haar liever
niet wilde aanzien.

„—Nicht!” vroeg ze angstig, „weet u niet wat er stond in dat telegram?
Er is toch niets met pa?.... hij was zoo bleek.... o! als er iets is,
zeg het me dan toch....”

Maar nicht Joséphine bleef heel bedaard, en probeerde haar te kalmeeren
met verstandige woordjes.

„—Zeker Ellie, er zal wel iets zijn, natuurlijk.... je vader zit in
veel engelsche en amerikaansche ondernemingen.... zijn fortuin is bijna
heelemaal in ’t buitenland belegd.... maar dat zijn zaken, waar vrouwen
zich heusch niet mede moeten bemoeien....”

En Ellie liet zich overreden, zeide dat ze het begreep, dat het wáár
was dat zij er niets mede te maken had, natuurlijk niet, dat sprak van
zelf....

Maar toch voelde ze, dat nicht niet alles wilde zeggen en dat er meer
moest zijn, meer....



Ze had geen lust om uit te gaan. ’s Avonds, na het diner, zou Mombreuil
komen. Ze kon nú Wies wel halen, om te wandelen, of even een briefje
sturen aan Pim, maar het kon haar nu toch niet meer schelen, naar ’t
strand gaan, of naar ’t Kurhaus, zonder Maurice.

En ze bleef wat lezen, wat borduren, wat knutselen met een kant, die ze
aan ’t maken was.

Om vier uur werd er gebeld, en ze hoorde, dat er iemand werd
binnengelaten, in de vestibule. Nieuwsgierig keek ze even boven aan de
trap. Het was een vreemde heer. In ’t zwart was hij, met een hoogen
hoed op. Hij vroeg haar vader te spreken. Verder kon ze ’t niet meer
hooren wat hij tegen Marietje zeide. Maar hij werd binnengelaten, bij
nicht. Wie kon het zijn? Na een kwartier ging hij weer weg.

En inééns voelde ze ’t weer, dien angst, dien vreeselijken angst voor
wat ze niet wist....

Ze belde Marietje.

En Marietje vertelde het weinigje wat ze wist. De vreemde had meneer
willen spreken. Toen had zij gezegd, dat meneer uit de stad was. Wie of
er dan nog meer in huis was, had hij gevraagd. Juffrouw Joséphine had
ze gezegd, maar die ontving vandaag niet. Maar dat moést dan maar, had
de vreemde meneer gezegd. En ze had hem moeten aandienen, of ze wilde
of niet. Op zijn kaartje stond Meester van Henke, of zoo iets en hij
was de Officier van Justitie.

Ellie hield zich kalm.

„Zoo, de Officier van Justitie,” zei ze bedaard, alsof het niets
bizonders was.

Maar daar wás het weer, daar was het weer nader bij, veel nader bij
gehuiverd.... het was als een kring van ontzetting, die om haar
dichttrok.... zou het nu eindelijk, eindelijk komen....?

En ze verlángde, ze verlangde, dat het er nu maar zijn zou, dat
verschrikkelijke, opdat ze het tenminste wist, en niet langer zou
voelen die ontzettende ongerustheid, die erger was dan het állerergste
wat ooit kon komen....



Totdat het kwam, afschuwelijker dan wat ze ooit had kunnen denken.

Het was vijf uur, en Ellie was even naar den salon gegaan, om in de
serre naar de bloemen te kijken.

Toen ze terug wilde gaan, naar boven, zag ze een courant liggen in de
bus. Het was het groote socialistische dagblad „De Zon”, dat haar vader
nu en dan las, voor de curiositeit, juist omdat hij zoo’n hevig
anti-socialist was. En ineens kreeg ze een voorgevoel, dat ze die
courant moést lezen, waaróm wist ze niet, maar er was iets aan dat
witte ding daar in de bus, dat haar onweêrstaanbaar aantrok.

Ze had het blad wel eens meer gelezen, uit verveling, zonder er belang
in te stellen. En toch kreeg ze opeens een behoefte, om het even in te
zien, als voelde ze intuïtief, dat er iets instond, wat haar aanging.

Voor dat ze zich bewust was, waarom ze het eigenlijk deed, had ze de
courant meêgenomen naar haar boudoir.

Niets bizonders.... iets over een werkstaking.... over de
ongevallenwet.... over een kamerzitting.... wat kon dat haar nu
schelen.... nu maar het tweede blad even inkijken....

En daar stond het.

„Een Haagsch schandaal”, met groote letters.

Ze las.... ze las.... en nogeens....

Ze begreep het eerst niet heel goed. Als een, die van de eerste
ontzetting te verstomd is, om dadelijk te beseffen, dan, langzaam,
langzaam doemt het op....

Maar, groote God, dat kón toch niet, dat kón toch immers niet zijn....

Het groote huis van Madame Berthier.... op den Vijverberg....
zoogenaamde handschoenen-magazijn.... maar schandelijk rendez-vous van
een zedelooze club.... schaamtelooze veilheid van getrouwde vrouwen,
voor geld, om rekeningen te betalen.... en nog erger.... afschuwelijke
misdrijven tegen de zeden.... minderjarige meisjes.... daar gelokt met
bonbons en andere cadeautjes.... de dochtertjes van fatsoenlijke ouders
op straat niet meer veilig.... personen uit de aanzienlijkste standen
betrokken, tot zelfs in de hoogste kringen van het Hof....
klassenjustitie.... maar nú al te duidelijk, bijna niet meer te
sussen.... eenige personen nu al zeker gevlucht.... expres gelegenheid
gegeven.... een gewezen staatsraad, een gewezen kamerlid, wèlbekend,
Koninginnegracht.... Officier van Justitie zal onderzoek beginnen.....
maar natuurlijk te laat.... vogels gevlogen.... en later toch wel weer
gesust, het schandaal.... ellendelingen....

Ellie gaf een schreeuw van walging. Het was, of ze ineens met iets
afschuwelijk vuils was overgoten... of het vieze overal langs haar heen
droop, over haar hoofd, door haar kleeren heen, op haar lijf. Zij
voelde het zwáár op zich drukken, of ze er van zou stikken, en voelde
den adem stokken in haar keel.

Neen, dat kón niet, dat was té vreeselijk.... en toch, het stond er....
dat moést haar vader zijn, het kon niet anders, het kwam allemaal zoo
uit.... inééns was hij weggegaan, als op een vlucht.... en dan zoo
straks, de Officier van Justitie....

Wát het precies was, wist ze niet eens, kón ze ook niet weten.... maar
iets héél verschrikkelijks, afschúwelijks, diep verachtelijks, dát
voelde ze, uit maagdelijk instinct....

Maar haar eigen vadertje, haar lief, goed, oud vadertje, neen, het kon
niet, het kon niet.... het moest lage laster zijn....

Ze moest, ze zoú weten....

En dadelijk liep ze trap af, naar nicht Joséphine, in den salon.

„Nicht!... lees u.... gauw.... is het wáár nicht, kán dat wáár
zijn?....”

Zij zag het oude mensch schrikken en heel bleek worden. Nicht Joséphine
wist niet wat ze zeggen zou.... ze mompelde iets, maar zij begon te
stamelen, en kon er niet uitkomen.... En met angstige oogen keek ze
Ellie aan....

Toen stotterde ze nog iets, van geen lectuur voor een meisje.... kan
zij niet begrijpen.... zich er niet mede bemoeien.... niet alles altijd
willen weten.... en later wel weer terecht komen.... niet ongerust
maken.... vuil courantengeschrijf....

Maar Ellie voélde het, met de fijne voelhorens van haar ziel.... ze
voelde den leugen in al die onbeduidende, huichelachtige woorden, die
zoo bedriegelijk héén draaiden om de waarheid.

En met de handen van schaamte voor haar oogen, om nicht niet meer aan
te zien, liep zij snikkend de kamer uit, naar haar boudoir.

Zij viel op een canapé, en verborg haar gezicht in een kussen, bijtend
in het zachte satijn, om het niet uit te gillen van pijn, de oogen
stijf dichtgeknepen, om niets, niets meer te zien.

O! Kon het toch zoo maar blijven, áltijd donker, dat zij niemand meer
behoefde aan te kijken, en dat niemand háár zag! Want zij was
besmet.... zij voélde het vuil op zich.... en het kon nooit, nooit meer
van haar af.... iedereen zou het dadelijk zien.... het kleefde aan haar
vast, het was ook in haar lief boudoir gekomen, en het was in ’t
gehééle huis.... hoe kon ze zich nog ooit vertoonen aan de menschen....
het was toch van haar vader op háár overgegaan.... zij was er mee
besmet natuurlijk, het kwam nu ook op háár neer.... En het ergste, zij
voelde het in haar ziel, nu zij het voor ’t eerst gezien had, het vuil
van de wereld.... al waschte ze zich héélemaal schoon, met de fijnste
zeepen, in haar ziél voelde ze het toch, en daar kon het nooit meer
worden als vroeger....

En ze rilde van zichzelve, uit walging dat ze dit vuile in zich voelde,
of ze vergiftigd was met vies, stinkend vocht.

Stil, daar kwam de meid boven. Er werd geklopt op haar deur.

De meid. Met een brief.

„Alstublieft, juffrouw. Ik moest den brief eigenhandig aan u geven.”—

En zij, zoo kalm mogelijk: „Het is goed, Marietje. Dank je wel. Geen
antwoord. Zeg aan nicht, dat ik niet kom eten, dat ik niet wel ben
geworden.”

Één blik op het handschrift.

„Van Maurice!”

En ze wist het al. Ze behoefde dien brief niet eens meer te lezen. Het
was van de schande! Alweêr van de schande! Nu kon Maurice haar
natuurlijk niet meer trouwen. Hij kon niet tot vrouw nemen de dochter
van een vluchteling, van een misdadiger, dien de politie zocht. Hij kon
zijn naam niet schandvlekken met een naam als dien van haar. En nu was
het voor altijd uit met het geluk. En al wou hij nog, zij zou het niet
meer van hem aannemen. Zij mocht hém niet ongelukkig maken met háár
schande.

Toch brak zij den brief nog even open.


    „Lieve Ellie!

    Wil mij vergeven, als ik je iets beken, wat ik je al zoo lang had
    willen zeggen. Ik houd niet genoeg van je om je ooit gelukkig te
    kunnen maken. En dat komt omdat ik je niet waard ben, omdat ik niet
    meer rein en goed kan liefhebben zooals een meisje als jij
    verdient. Daarom is het maar beter, dat je mij mijn woord
    teruggeeft. Morgen zal Wies bij je komen, en je alles vertellen,
    wat ik hier niet schrijven kan. Denk niet te slecht over me, en
    geloof, dat je het beste en liefste bent wat ik ooit in mijn leven
    heb gekend. Maar daarom juist voel ik, dat ik je niet mag maken tot
    mijn vrouw.

        Maurice Mombreuil.”


En ze glimlachte over zijn goedheid. Hij had haar willen sparen. Hij
wilde het laten voorkomen, of hij niet goed genoeg voor háár was, of
hij niet waard was van haar te houden, maar natuurlijk was het juist
omgekeerd, dat sprak van zelf. Hij had het gehoord, van de schande,
zooals natuurlijk heel den Haag het gehoord had, en nu kon hij haar
niet meer kennen. Dat ging niet. Hij, een Mombreuil, en zij, de dochter
van een vluchtenden misdadiger, gezocht door de politie!—En hij had het
nu afgemaakt, loyaal en ridderlijk, zooals hij altijd was.

Hij, de groote, de sterke, hij, de held, hij zou niet waard zijn haar
lief te hebben!

En de tranen kwamen haar in de oogen, om de ridderlijkheid, waarmede
hij de schuld op zichzelf had genomen, en haar de eer had gelaten, hém
zijn woord terug te geven.

Zij kuste den brief, zenuwachtig, keer op keer, met dankbare, gloeiende
kussen.

„Mijn lieveling, mijn groote, mooie lieveling, ik had het moeten weten,
je was niet voor mij, het kón immers niet, ík zoo’n arm, klein
vlindertje maar, en jij zoo groot en zoo mooi....”



Maar wat nu te doen?.... Hoe nu verder voort te leven zonder hem?....
Wat was nu nog het leven zonder hem?.... Vroeger had ze nog haar
Kurhaus, haar strand, haar tennisclub, en al het plezier.... maar dat
was nu wèg, voor goed, dáár kon ze nu niet meer komen.... ze wezen haar
nu allemaal na.... kijk, daar gaat ze, de dochter van.... je weet
wel.... ze noemden haar vroeger het Vlindertje.... een mooi
Vlindertje!....

Ze keek rond in haar boudoir.... alles zoo netjes, zoo keurig, zoo
rein... al die zijde en dat satijn... dat was toch allemaal het oude
nog, allemaal van haar.... en ze was toch dezelfde nog van vroeger...
er was aan haar toch niets veranderd.... Ja, toch, er was wèl iets aan
haar veranderd.... al héél lang.... en nu, ineens, zonder waarschuwing,
bruut en grof, was het vuile van de wereld gekomen over haar blanke,
argelooze ziel.... Haar eigen vader... hoe was ’t mogelijk!.... haar
eigen lief, goed, oud vadertje, midden in ’t vuil.... híj, vies en
gemeen gedaan, met onschuldige kinderen.... meisjes als zíj.... ze wist
niet wat het was, en toch wist ze ’t, uit voorgevoel.... het moest iets
héél, héél verschrikkelijks zijn.... een schande, die nooit, nooit meer
is uit te wisschen, en die ze ook zullen neêr laten komen op háár,
onverbiddelijk....

En het was haar, of dat vuil ook háár besmet had, of er iets over haar
was gekomen als een vunze, giftige pestwalm, of het zat op haar hoofd,
haar haren, haar schouders, dat iedereen het zien kon, dádelijk....

Waarom was er nu niemand om haar te troosten?.... het klopte zoo in
haar hoofd, en overal beefde het zoo aan haar van walging en
ontzetting.... maar iedereen zou van haar wegloopen, niemand zou haar
willen kennen.... nu zou ze héél alleen staan,.... vadertje was weg...
het was erger dan of hij dood was en hij kon nu nooit meer vadertje
zijn van vroeger.... o! ze zou van hem schrikken, ze zou hem geen hand
meer durven geven.... en Maurice was nu ook weggegaan, die kon ook niet
meer bij haar blijven, na wat gebeurd was.... Kwam er dan niemand om
haar te helpen....

En ineens riep zij hem, intuïtief, wetend, dat hìj altijd trouw zou
zijn, tot aan den dood:

„Pim!”

Pim! Dát was de eenige, waar ze nog naar toe kon gaan, de éénige, die
haar nooit, nooit zou verlaten, al was de schande bergenhoog over haar
hoofd.

En zij zag zijn trouwe, blauwe oogen en zijn nog zoo kinderlijk, open
jongensgezicht, en voelde een groote, onweerstaanbare behoefte om bij
hem te zijn, en hem alles, alles te vertellen. Voor ’t eerst in haar
leven voelde ze eigenlijk hoe lief hij haar was, hoe hij het laatste
toevluchtsoord was, dat altijd zou blijven staan zonder wankeling,
standvastig en oprecht, waar alles om haar heen nu zou wegvallen, in de
groote catastrophe van haar leven.

Als zij hier alleen bleef zitten zou ze nog gek worden, dat voelde ze
zéker, in haar angst. Zij kon het zoo niet uithouden. Ze moést het
zeggen, aan iemand zeggen, die haar begrijpen zou, die haar kon
troosten, en haar niet verlaten zou in dezen uitersten, uitersten nood.

Ze ging zooals ze was, in haar wit serge japonnetje, en zette een hoed
op, zonder zorg, zoo maar, héél gauw, om maar wat op te hebben. Ze wist
het, het stond niet, maar daar was ze nu overheen. Ze wilde naar Pim.
Ze zou hem opzoeken, in zijn kamer, en ze zou hem smeeken, om haar te
helpen. Hij was altijd zoo goed, zoo goed, zoo goed. Hij zou haar nooit
verlaten.

En ze ging zachtjes de trap af, dat nicht Joséphine het niet zou
hooren. Nu stilletjes de voordeur open en ze was op straat. Het was
half zeven. Zou hij thuis zijn? of zou hij al naar ’t Kurhaus zijn
gegaan?

Dáár was zijn pension, Javastraat No. 12. Nu maar flink gebeld. Johan,
zijn oppasser, deed open. Neen, de luitenant is niet thuis. Hij is om
half zes naar Scheveningen gegaan met luitenant de Sandt, en eet zeker
in het Kurhaus.

Dáár zou ze hem wel vinden. Hoe zou ze gaan? Met de trem? Neen! In
zoo’n trem zat ze zoo alleen tusschen zooveel menschen. Die zouden haar
allemaal zoo aankijken. Want iedereen wist het nu natuurlijk. Iedereen
had het nu al gelezen. Neen, dat kon ze niet. Dán maar loopen. De
Javastraat uit, en dan bij den Ouden weg, door de Boschjes. Daar waren
nu niet zooveel menschen.

Maar óók al in de Javastraat verbeeldde ze zich, dat de menschen naar
haar keken. Ja, ze vóelde het, al zag ze zelf naar den grond, ze vóelde
het. En ze dachten allemaal „daar gáát ze, Ellie van Taats, je weet
wel, de dochter van....” Ze voelde haar wangen gloeien van schaamte en
verontwaardiging. Een straatjongen bleef even staan, en trok een
leelijk gezicht tegen haar. Als hij haar nu maar niet nariep! Neen,
Goddank, hij liet haar met rust.

Zoo liep ze, angstig en verschrikt, met kloppend hart, zoo hard ze maar
kon, om toch maar gauw bij Pim te zijn. Ze keek aldoor maar voor zich,
als zocht ze iets op den grond en zag ze niets van wat om haar
gebeurde. Maar toch was het haar altijd of ze door een cordon van
menschen ging, die het allemaal wisten, die haar uitlachten, en die
verachtelijk op haar neerzagen. Ook in de boschjes kon ze het niet
kwijtraken. Het vervolgde haar in de leêge laantjes, het keek van op
zij uit de struiken, en hoog uit de boomen. Ze was een schande, die
rondliep, voor iedereen ten spot.

Eindelijk was ze, door het van Stolkpark, in Scheveningen gekomen, op
de Haringkade, op de brug bij de Badhuisstraat. Liet ze nu vooral niet
rechtuit gaan, met al die trems en rijtuigen, op den Gevers Deynootweg.
Neen, liever hier de brug over, en dan die nieuwe buurten door, dan
kwam ze vanzelf wel weêr bij ’t Kurhaus uit. Ze kende die straten nog
niet. Renbaanstraat stond hier, op een bordje.

Het begon donker te worden, in die laatste dagen van September. Hier en
daar werden de lampen opgestoken in een café. En ineens begon een piano
te spelen, een woeste uitgelaten wals. Ellie schrikte er van, of ook
die muziek het uitschaterde over háár.

Eindelijk, dáár was ze op het Gevers Deynootplein, voor het Kurhaus.

Overal liepen menschen in vroolijke, lichte pakken, zacht-kleurend in
de schemering, die naar de muziek gingen. Er kwamen er uit de
electrische trem, uit de paardetrem, en zij zag een grooten drom
aankomen uit het station van de stoomtrem. Hier en daar begonnen al de
lichtjes te flikkeren van lantarens, weifelend en onzeker, in de bleeke
schemering. En het groote massale Kurhaus stond vreemd, met een
mystiek-rossigen glans in het late licht van den vallenden avond. Al
die menschen, die daar van alle kanten aanstroomden, schenen op te gaan
tot een bovenaardsch, wonderbaarlijk genot, dat hen daar wachtte in dat
groote, vreemd-glanzende gebouw.

Ellie bleef even stilstaan.

En inééns voelde zij, voor ’t eerst in haar bestaan, hoe genadeloos
wreed en koud dat groote, Haagsche leven was, waar ze zoo met haar
geheele hart in was opgegaan. Want alles ging nog precies zoo door, en
zoú ook altijd even onverstoorbaar doorgaan, nu zij er nooit meer aan
kon meêdoen. Ze had altijd gedacht, dat ze er zoo héélemaal
bijbehoorde, dat ze er zoo innig één mede was, in een warme,
vriendelijke verstandhouding met al die uitgaande, mooi gekleede
menschen. Maar plotseling, hoe vèr het buiten haar om was, en hoe het
niets, absoluut niets om haar gaf, en het er niet eens iets van
bemerken zou, als het Vlindertje er niet meer in rondfladderde! Dat zij
het nooit vroeger had geweten! Al die menschen, die zoo
schijnbaar-gezellig samen meêdeden aan de mondaine wereld, zij waren
héél aparte levens, alleen op eigen genot bedacht, en zonder warm
verband van vriendelijke broederschap. En niemand, niemand zou omkijken
en er om stilstaan, als één uit de groote bende verongelukt was, en
jammerlijk uitgeworpen langs den weg....

Ja, erger nog. Al diezelfde menschen, die haar vroeger zoo aardig
hadden gevonden, die haar bij het lieve bijnaampje hadden genoemd, en
haar zoo gechérisseerd hadden als een precieus, lief poppetje, tot hun
vermaak, zij zouden haar nú nawijzen met den vinger, en een anderen
kant opzien, als zij naar hen toekwam, zij, de dochter van den man,
wien de politie zocht voor een schandelijke, vuile misdaad....

Ze wist, dat ze het niet verdragen kon. Ze zou er onder bezwijken. Ze
kon niet, neen, ze kon dat niet dragen, ze was er nu eenmaal niet voor
aangelegd, om pijn te hebben en verdriet. Ze wist, dat ze niet den moed
zou hebben, dat Kurhaus in te gaan, en door al die menschen te loopen,
die het natuurlijk wisten, en die bang zouden zijn, dat zij hen
aansprak.

En ineens voelde zij dat groote huis daar voor zich als iets onbestemd
vijandigs, waar haar wachtte een vaag gevaar, wát wist ze niet, maar
iets om van te sterven van angst....

En toch was daar Pim, dien ze zocht, Pim, de éénige die haar kon
helpen. Waarom was hij daar in dat groote, vijandige gebouw, onder al
die kwaadwillende menschen, nu zij hem zocht, om zich aan hem vast te
klemmen als een láátste toevlucht, nu alles, alles om haar wègviel,
waar ze ééns van leefde? Waarom wist hij nu niet, dat zij daar stond,
waarom voélde hij het niet, en vloog hij haar niet te hulp, nu zij zelf
zoo bang, zoo heel bang was, en niet durfde binnen te gaan, waar
zooveel menschen waren, die haar bespotten zouden?

Neen, hij kwam niet.

Hij niet, en niemand kwam. Niemand kon het iets schelen of zij daar al
te wachten stond, en leed, en bang was. Het groote Leven dáár ging
onbewogen door, en wist niet, en zag niet naar ééne, die het niet bij
had kunnen houden.

En opeens werd het besef in haar klaar van haar groote absolute
verlatenheid in het Leven, dat zij ééns zoo vertrouwd dacht, en vol van
warme éénheid, die de menschen aan elkaar verbond. Nooit had ze het
geweten, maar eigenlijk had ze daar altijd rondgefladderd als een
vogeltje in een woestijn, heel eenzaam en heel apart, gelukkig met
dingen, die niet waren dan schijn, als een Fata Morgana, dat dra in
niets verdwijnt. Ze voelde zich totaal onnoodig voor al die menschen,
een arm, zwak wezentje, dat evengoed gemist kon worden, en waar niemand
om zou treuren.

Zoo peinzende liep zij door, zonder recht te weten waarheen zij ging,
het Kurhaus voorbij, éven haastig door de menschen op den Boulevard, en
dan de eerste steenen trapjes af, naar het strand.

Hier was het goed, hier waren nu geen menschen, en hier zou niemand
haar zien, haar, waardeloos, nietig ding, dat toch niemand miste.

De avond begon nu al dichter neder te vallen, met donkerder en
donkerder schaduwen. O! Kon ze zich nu maar voor altijd verstoppen in
dat donker, dat niemand haar meer zag, en dat zij zelf de oogen niet
meer behoefde dicht te doen om niets meer te zien van al dat leven, dat
zoo wreed was, en haar niet meer wilde kennen!

O! Niet meer te weten, niet meer te herinneren, en in vergetelheid
zachtjes wègdroomend te vergaan!

In wanhoop staarde zij voor zich uit, als wilde zij iets vinden, dat
haar genadiglijk zou opnemen, waar zij zich uitgestooten voelde van de
menschen, voor goed.

En opééns voelde haar ziel de zee....



Donker en eindeloos was het vóór haar, het reine wereld-water, op
eeuwigen adem deinende, vér en vér....

Het was een oneindigheid, in het vallende duister, die zij meer voelde
dan zag, en die zij sidderend hoorde, in de ruischende muziek van haar
majestueus rythme.

Daar riep haar iets, van uit die verre verten; iets dat haar ziel
herkende, of ze het méér gehoord had, of ze er eenmaal één mee was
geweest....

En het werd haar op eenmaal licht en vreemd te moede, of zij wonderlijk
droomde.

Ze zag even om, naar het Kurhaus terug, waar zij de werkelijkheid dacht
te zijn.

Maar alles vervaagde, en zonk er zachtjes weg, als voor het láátst. Een
ijle avond-nevel was over alle dingen gegleden, die er lucht in
vervluchtigden, als wèg in het niet. Vreemd schenen daarin
lantaren-lichtjes hoog boven op het terras, in flauwe verdooving. Het
leek alles herinnering en ver verleden, om ééns geweest te zijn, maar
niet meer terug te komen. Het Kurhaus was een zachte schaduwing van
donkere vormen, onzeker en onreëel als een paleis uit een nevelig
sprookje, in de fantasie van een kind. En Ellie voelde het aan, of het
was van jaren her, en niet meer van haar leven.

Dat leek opééns nu alles ver, zoo heel vaag en ver, nu haar ziel zoo
sidderend gevoeld had de eindeloosheid van het wereld-wezen, in het
machtig ruischen van de zee!...

O! Hier was het goed, hier was het goed, in dat genadevolle duister,
dat zij om zich voelde vallen als een veiligen, alle schande
bedekkenden mantel, zoo luidloos, zoo liefderijk voorzichtig, zonder
zwaarte om haar heen....

Hoe zacht verging het daar alles òm haar, hoe gleden de dingen
onhoorbaar weg, zonder pijn, in dien rustigen droom van den avond, kalm
en vreezeloos, als kinderen, die slapen gaan!

Ze was nu moê, heel moê. Ze wilde nu ook wel héél graag slapen en niet
meer weten.

Eigenlijk was ze al heel lang zoo moê geweest, en had ze nooit meer de
reine, onbewogen rust gekend, als die ze nu zag droomen over de wereld,
in dezen teeder-ademenden avondnacht.

Sedert haar maagde-ziel gebeefd had onder den donkeren blik van een
man, had daar een weeë, bange onrust in haar gewoeld, die niet haar
innige wezen was. Die liefde had haar ziel toch eigenlijk maar
droeviglijk beroerd, met vreemde huivering van pijnigend verlangen. En
eigenlijk was ze altijd bang geweest, heel bang, voor iets dat breken
zou, het teerste in haar, door dat verlangen naar dien lieven, en toch
altijd vaag-vijandigen man.

Maar nu was ze te moê, te moê, o, veel te moê. Te moê was ze van
lieven, en te moê van bang zijn, en te moê van schreien, en van
alles.... En niets zou nu meer helpen, het was te laat.... Ook niet
Maurice meer, al kwam hij biddend terug, om haar weer op te nemen in
zijn armen.... En ook niet Pim, haar lieve, trouwe broer, haar jongen,
met zijn vriendelijk, blond pagegezicht, en zijn trouwe blauwe
oogen....

Het was gedaan, en vér verleden, en het zonk alles voor haar weg,
zooals de werelddingen òm haar, verdroomend in nevelig duister....

En ook zij moest nu maar weg, ze voelde het, ze hoorde er niet meer en
had er niets meer over. Ze was nu leeg, van alles los, en moest nu ook
maar stil verdwijnen in het niet, in die eindelijk weergevonden rust,
die het veilig thuis was van haar ziel, wèg van al dat lieve en toch
zoo bange, dat zoo droef beroerde wat vroeger vrede in haar was....

Zij voelde zich loopen, een wandelpier op, langs groote, glibberige
steenen, aangetrokken door de zee, die haar vanzelf deed voortgaan.

Nu was zij op het uiterste eind gekomen, ze kon niet verder.

Wat nu?.... wat ging ze doen?.... droomde zij?.... hoe stond ze daar nu
zoo ineens, zonder iemand, héél alleen, een arm, klein schepseltje,
daar bij die groote, groote zee?....

O ja.... o ja.... de schande, de schande.... het vuil, het vreeselijke,
vieze vuil van de wereld.... het was op haar hoofd, op haar hals, op
haar lijf, het was héél binnen in haar gekropen, en het sijpelde in
haar door, vèr door haar ziel....

De zee, de zee kan het afwasschen.... de zee is groot, en goed, en
eeuwig rein.... Het moet wel héél zalig zijn, daar zoo heel diep onder
de zee te liggen, van alles wèg, en overal is water om je, en alles
wordt weer rein, wordt weer heerlijk schoon, en niets kan nu ooit meer
smetten.... Boven gaan de golven nog rusteloos, maar wat moet het daar
onder rustig zijn.... zoo rustig, en zoo vredig, en zoo stil....

Een vreemde aantrekking, zacht en bedwelmend, deed haar overbuigen naar
het water.... haar voet gleed uit op een glibberigen steen, en ze viel
voorover, de handen uitslaande naar een steunpunt in het leege, in de
machtig-ebbende zee....



En als een arm, nietig vlindertje, dat verongelukt in wijden, wijden
plas, en trilt nog wat spartelend met de natte wiekjes, en zinkt dan,
droef-gehavend, zóó dreef het broze figuurtje van het maagd-meisje nog
éven boven, een wit, bevend vlekje op de donkere golven, en zonk toen
weg, klaaglijk en hulpeloos, in de diepten van de zee....


                                               September—November 1900.
                                                Scheveningen—Amsterdam.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Vlindertje: een Haagsche roman" ***


Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home