Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Het leven van Hugo de Groot
Author: Klinkhamer, Jacob
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Het leven van Hugo de Groot" ***


(This file was produced from images generously made
available by the Bibliothèque nationale de France
(BnF/Gallica) at http://gallica.bnf.fr)



                                H E T

                              L E V E N

                                V A N

                      H U G O   D E   G R O O T,



                GETROKKEN UIT DE VOORNAAMSTE HISTORIE-
                   SCHRYVERS EN DICHTERS; DOORMENGD
                    MET ONPARTYDIGE AANMERKINGEN,
                           EN VERSIERD MET


                       TWEE JUISTE AFBEELDINGEN

                               VAN HET

                             K O F F E R,

                   WAARIN DE GROOT ZYNE GEVANGENIS
                             ONTKOMEN IS:

                 GETEKEND NAAR HET ECHTE KOFFER ZELF,
                   THANS BERUSTENDE ONDER DEN HEER,

                       Mr. _JACOB KLINKHAMER_.

                                -----

                           _Te AMSTELDAM,_

                   By J.B. ELWE EN D.M. LANGEVELD.

                              MDCCLXXXV.


[Afbeelding: Hugo de Groot, met onderschrift van W. den Elger:

  Door deugd des afgunst dood
Door geest een waerelds wonder
Door naam een schelle donder
  Was de ed'le Huig de Groot
]



                           V O O R R E D E.


_Het in 't licht verschynen van de beide echte aftekeningen des koffers,
doormiddel van 't welk de beroemde _Hugo de Groot_, het bange Loevestein
ontkomen, en welk Vaderlandsch Gedenkstuk thans berustende is, onder den
Heer, Mr. _Jacob Klinkhamer_, heeft ons aanleiding gegeeven tot het
vervaardigen van deeze weinige bladen, bevattende alle de voornaamste
levensgebeurtenissen van den gemelden grooten Staats- en Letterheld: wy
hebben de Dichters te hulp geroepen om onzen styl te veraangenaamen, en
laaten ons voorstaan geene zaaken van belang overgeslagen, en tevens de
nietsbetekenende kleinigheden vermeld te hebben; indien dit bevonden
wordt zodanig te zyn, hebben wy hoop dat onze arbeid goedkeuring zal
verwerven, want by veelen is het leven van onzen _Hugo_ als, aangestipt,
terwyl anderen er een zwaar boekdeel van gemaakt hebben._

_De tydsomstandigheden welken wy belevenen, hebben ons byna op ieder
regel de voorzichtigheid voorgepredikt; wy hebben ons bepaald tot het
geeven van een beknopt verbaal van 't gebeurde, zonder over het gebeurde
te oordeelen; hier en daar hebben wy den Lezer op den weg gebragt, en
hem dan aan zyne eigene krachten overgelaaten;----wy hoopen dat zulks
goedgekeurd zal voor den:--men geloove echter niet dat wy om die reden
onzen naam verzweegen hebben; wy schaamen ons denzelven niet, ook niet
de gevoelens welken wy over den tyd van den grooten _HUGO_, zo min als
die welken wy over onzen tyd koesteren; geenzins; eene reden waarby de
Lezer geheel geen belang kan hebben, heeft ons tot dat verzwygen
verpligt._

_Met eene beknopte beschryving van het koffer te geeven, hebben wy
gemeend den Liefhebberen geenen ondienst te zullen doen? dat die
beschryving zeer juist is, is ons naderhand door den Tekenaar verzekerd,
alzo hy zelf alles naauwkeurig opgenomen, en zyne aantekeningen den
Graveerder medegedeeld heeft._



                                H E T

                              L E V E N

                                V A N

                      H U G O   D E   G R O O T,


Onder het aanzienlyk getal van voornaame mannen, welken, van tyd tot
tyd, op het tooneel van _Nederland_ hunne rol gespeeld hebben, is HUGO
DE GROOT één der uitmuntendsten, en zal, zo lang de Republiek, wier
lotgevallen de gantsche wereld zo menigmaal hebben doen verbaazen, zo
lang _Nederland_ bestaat, in gedachtenisse blyven by hen, die niet
onverschillig zyn omtrent her land dat zy bewoonen, en het navorschen
van deszelfs voorledenen en tegenwoordigen staat, voor eene ten hoogsten
nuttige, niet alleen, maar ook noodige bezigheid houden--zy die gewoon
zyn, den ongelukkigen grysaart, den beroemden OLDENBARNEVELD, met
traanen van medelyden naar het verachtelyke schavot te vergezellen--zy
die niet zonder innerlyke ontroering, dien grooten Vaderlander, op den
oever des grafs staande, kunnen hooren zeggen: _Mannen, gelooft het
niet, dat ik een Landtverrader ben, ik hebbe oprecht, en vroom
gehandelt, als een goed Patriot, en die zal ik sterven_--zy wier hart
scheurt, wanneer zy dien bukkenden grysaart, op een stoksken steunende,
en met zwakke treden, het blikzemende zwaard, dat opgeheven is om hem te
ontzielen, ten gemoete zien waggelen; hem zyne oogen ten hemel zien
slaan, onder het uitroepen van deze hartlyke woorden: _Jesus Christus
zal myn leidsman zyn: Heere God, Hemelsche Vader, ontvang mynen
Geest_----zy die zig by aanhoudendheid verwonderen, over de zonderlinge
bedaardheid van ziel, waarmede die onvoorbeeldige yveraar voor zyn
Vaderland, de kortstondige, maar niet te min geduchte reis, naar de
eeuwigheid, aangenomen heeft, zy kennen den Letterheld, met wiens
lotgevallen wy ons voor een oogenblik zullen bezig houden; zy kennen den
grooten HUGO, den tyd- en, gedeeltelyk, ook den ramp-genoot van den
voornoemden grysaart; zy zyn gewoon ook hem met traanen van medelyden
naar het bange _Loevestein_ te vergezellen, en met een hart, dobberende
tusschen hoop en vrees, hem, door een geoorloofde list zyne banden te
zien ontkomen: maar de groote man verdient dat ook de gantsche wereld
hem kenne; ieder Vaderlander is verpligt het zyne daartoe bytebrengen;
dit billykt ons voorneemen, en zal niet minder ons den arbeid aangenaam
maaken.

Om een algemeen denkbeeld van 's mans uitmuntendheid te verkrygen, is
zeer geschikt het vierregelig versje van W. DEN ELGER, geplaatst onder
een afbeeldzel van onzen held, door VAN GUNST in 't koper gebragt: dus
luidt het:

      _Door deugd des afgunst dood,_
    _Door geest een waerelds wonder,_
    _Door naam een schelle donder,_
      _Was de ed'le _HUIG DE GROOT_._

Onder een ander afbeeldzel, geschilderd door MIEREVELD, en gegraveerd
door VAN DER WENNE, leest men het volgende versje, van den beroemden
G. BRANDT, 't welk niet minder den lof van den edelen vluchteling
verbreidt:

    _Dus leeft de Fenix der Geleerden, _HUIG DE GROOT_,_
    _Des aartryx wonder, gift des hemels, die de doodt_
    _De tydt en nydt beschaamt: die Neêrlandts Staatsgevaaren,_
    _Het oorlogh en 't bestandt beschreef in gulde blaêren._
    _Het vaderlandt, dat hem verstiet wordt hier verplicht:_
    _En Hollandts vryheit trekt haar luister uit dit licht._

VONDEL schreef onder een derde afbeeldzel, door den beroemden HOUBRAKEN,
naar 't origineele van gezegden MIEREVELD vervaardigd, deze versen:

    _De zon des Lants wert dus van Mierevelts penseel,_
    _Geschildert, toenze gaf haer schynsel op 't panneel;_
    _Doch niet gelykze straalt op 't heerlykste in onze oogen,_
    _Maer met een dunne wolk van sterflykheit betogen,_
    _Om Duitsch te spreken, dit 's de Fenix _HUIG DE GROOT_,_
    _Wiens wyze Majesteit beschynt den Weereltkloot._
    _Wie vraegt nu, wat Cefis of Delfos eertyts zeide?_
    _Een Delfsch Orakel melt meer wysheit dan die beide._

Onder nog een ander afbeeldzel van onzen Held, schreef de geleerde
D. HEINSIUS, een zinryk _Latynsch Puntdichtje_, 't welk door den Heer
BRANDT dus vertaald is:

    _Dit 's 't pand van 's hemels gunst, van Holland voortgebragt,_
    _Dat zich met recht ontzette en by zich zelve dacht,_
    _Heb ik dien grooten Huig wel voor my zelf gebaard?_
    _Dit zichtbaar menschlyk is, de rest naar 't godlyk aart._

Immers doet dit alles ons denken op een' man, zo groot van verstand als
verheven van ziel? en onze HUGO was inderdaad zulk een zeldzaam
voorbeeld: DE GROOT was waarlyk _Groot_, en had dus dezen zynen eigen
naam ook als een' eernaam moge voeren: hem daardoor in den rang der
Vorsten te stellen, is niets minder dan vlyery--'t wordt by de
Historiekundigen ook geloofd, dat de voorzaaten van onzen Held, zig,
door uitmuntende diensten het Vaderland beweezen, den gezegden eernaam
verworven hebben, zynde het geslacht van DE GROOT eigenlyk
voordgesprooten uit dat van KRAAIJENBURG, welks adelyk huis van dien
naam, welëer gestaan heeft tusschen _Delft_ en _'s Gravenhagen_: de
gezegde afkomst van het geslacht onzes Helds, wordt bevestigd door
deszelfs wapen, 't welk 't zelfde is met dat van den huize KRAAIJENBURG
voornoemd.

Door de uitwerkzelen van den alles vernielenden twist, het monster dat
in ons lieve Vaderland zo menigmaal zyne haatelyke rol gespeeld heeft,
werden de voorzaaten van onzen HUGO genoodzaakt de wyk te neemen naar
het nabuurig _Delft_, alwaar zy vervolgends, onder den naam van DE GROOT,
de aanzienlykste eeramten bekleed hebben: op de regeringslysten van
_Delft_ voornoemd, vindt men, volgends de aantekening van zekeren
_Aper Melisz. van Melisdyk_, getrokken uit een oud register, op den
jaare 1485 reeds, Mr. HUGO HUGOSZ. DE GROOT, die gestorven is den 8 Mei
des jaars 1509: DIRK HUIGENSZ. DE GROOT, mede een vermaard man, dien wy
't laatst op den jaare 1521 als Burgemeester van _Delft_ vermeld vinden,
stierf omtrent den jaare 1530, zonder kinderen van het manlyke geslacht
natelaaten, waardoor derhalven de beroemde naam van DE GROOT welhaast
verlooren geraakt zou weezen, ware het niet dat ERMGARDT DE GROOT,
dochter van Heer DIRK voornoemd, daarin voorzien hadde; deze in 't
huwelyk zullende treeden met den Heere CORNELIS CORNETS, een man
afkomstig uit de Hertogen van _Bourgondiën_, werd zo sterk door de zucht
voor haar beroemd geslacht gedreeven, dat zy den voorgenomen echt niet
wilde voltrekken, dan onder beding, dat de zoonen, welken uit haar
geboren mogten worden, den naam van DE GROOT zouden voeren: volgends dit
voorbeding werd een zoon van vrouwe ERMGARDT, HUGO CORNELISZ. DE GROOT
genoemd, zynde de grootvader van onzen Held: deze HUGO voegde de wapens,
enz. van beide de geslachten, waaruit hy gesprooten was, CORNETS en
DE GROOT, byéén; ook werden de waardigheden, sedert zo veele jaaren
herwaards door de voorzaaten van vrouwe ERMGARDT bekleed, en die op
haaren man, CORNETS, niet overgebragt hadden kunnen worden, om dat hy
geen geboren _Hollander_ was, nu weder, met algemeene toejuichinge, aan
Heer HUGO opgedraagen: en niet alleenlyk de aanzienlykste waardigheden,
maar ook de weetenschappen scheenen in dit beroemd geslacht ervelyk te
weezen, waarvan wy de spreekendste bewyzen zullen opleveren; wat den
laatstgemelden HUGO desaangaande betreft, van dezen wordt gezegd, dat hy
was, "een man in de _Latynsche_, _Griexe_, en ook _Hebreeusche Taalen_
ervaaren, meer dan die tyden meêbraghten;" hy huwde met ELSELINGH
HEEMSKERK, (anderen geeven hem nog eene vroegere gemaalin, naamlyk,
MARIA STEFFENS,) een telg uit het doorluchtig en aloud _Nederlandsch
Geslacht_ van dien naam, waaruit zo veele groote mannen voordgesprooten,
en waarvan de nakomelingen nog heden in aanzien zyn: om slechts iets
tot lof der HEEMSKERKEN te zeggen, wyzen wy den Lezer op den beroemden
JACOB HEEMSKERK, of VAN HEEMSKERK, gelyk wy hem ook genoemd vinden, een
held, "die door verscheidene togten, in bekende en onbekende landen, en
naar de _Oostindiën_, den Vaderlande veele onwaardeerbaare diensten
beweezen heeft, tot dat hy voor _Gibralter_, in den jaare 1607, zyn
doorluchtig leven al vechtende afleide;" onze wereldstad roemt op het
bewaaren van 't overschot dezes helds: zyn grafstede, in de _Oude-Kerk_,
prykt met het volgende zinryke versje van den onstervelyken Ridder,
P.C. HOOFT:

    _Heemskerk, die dwars door 't ys, en 't yzer dorste streeven,_
    _Liet d'eer aan 't Land, hier 't lyf, voor Gibralter het leven._

HUGO DE GROOT, verwekte by vrouwe ELSELINGH, onder andere kinderen, twee
zoons, naamlyk, JAN en CORNELIS, beiden mannen, wier roem door onze
Vaderlandsche Historieschryvers mede ten breedsten uitgemeeten wordt;
volgends BOXHORN, is de laatstgemelde geboren te _Delft_, in den jaare
1546: in zyne vroege jeugd oefende hy zig te _Parys_ in de Wysbegeerte
en de Historiën; van daar vertrok hy naar _Orleans_, alwaar hy in de
rechten studeerde; weder t'huis gekomen zynde, werd hy, in 1575, tot
Leeraar in de rechten, op de Hooge School te _Leiden_, verkoozen; na
veele waardige diensten gedaan te hebben, is hy te dier stede overleden,
op den verjaardag zyner geboorte, dat is, op den 25 July des jaars 1610,
bekleedende toen voor de zesde maal de waardigheid van _Rector
magnificus_ der Universiteit: hy was by de geleerdste lieden van zynen
tyd, en boven all' by den vermaarden JUSTUS LIPSIUS, zeer gezien: zyn
broeder JAN DE GROOT was de vader van onzen Held; deze heeft op zyn
beurt mede de wetten en 't welzyn der Stad _Delft_ helpen handhaven; ook
werd hem de zorg voor _Leidens Hooge School_ aanbetrouwd; hy huwde met
ALIDA VAN OVERSCHIE, mede geboren uit een oud adelyk _Delftsch
Geslachte_: de Ambachtsheerlykheid van dien naam, wordt onder de oudste
eigendommen van _Delft_ geteld: een andere zoon van Heer JAN, een jonger
broeder van HUGO, 't voorwerp onzer tegenwoordige bemoeijingen, was
WILLEM DE GROOT: had gezegde HUGO welëer, en 't geen wy nader zien
zullen, geschreeven, de _Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid_,
deze verledigde zig ter vervaardiginge van een werk, ten tytel voerende:
_Inleiding tot de praktyk van den Hove van Holland_, eerst in de
_Latynsche_, en daarna in de _Nederduitsche Taale_; hy droeg hetzelve op
aan de Burgemeesteren van _Delft_: de geestige J. WESTERBAAN maakte op
beide werken een dichtstukje, waarvan dit de laatste versen zyn:

    _Aankomelingen, ziet hoe dese Groote mannen,_
    _Uyt liefde t' uwer dienst sich hebben ingespannen,_
      _En toont haar alle bey, dat u haar wel-doen raeckt:_
      _'t Geen _HUGO_ had begost heeft _WILHEM_ opgemaeckt._

Deze WILLEM DE GROOT wordt by uitneemendheid een zeer vroom, nederig, en
oprecht man van leven genoemd; welken lof hem ook toegezwaaid is, door
den geleerden N. HEINSIUS, in een _Latynsch Vers_, door dien Dichter op
het afbeeldzel van Heer WILLEM gemaakt: HUGO's geleerde broeder stierf
den 12 Maart des jaars 1662, in den ouderdom van 65 jaaren, en ruim één
maand.

Zie daar het geen wy verkoozen vooraf te zeggen; thans zullen wy ons
nader bepaalen by onzen grooten HUGO, de eeuwige eer en 't orakel van
_Delft_, welken eertytel hem elders gegeeven wordt; en iets dergelyks
van onzen Letterheld geboekt te vinden, is waarlyk niets nieuws, gelyk
in het vervolg ten overvloede zal blyken: Professor BAUDIUS noemt hem,
_de allergrootste, de wonderbaare _GROTIUS_, het sieraad en puikjuweel
der Hollandsche jeugd_; ter gelegenheid dat CLAUDIUS SALMASIUS, den Heer
DE GROOT, na zyn overlyden, met eenige schriften, onder den naam van
_Simplicium Verinus_ aanrandde, schreef de schrandere VONDEL, in den
jaare 1646, desaangaande, aan den Heere HOOFT, onder anderen deze
regelen:

    "onze _goede_ en WYZE GROTIUS is ook al heene; Salmasius kan dit
    gebeente niet laaten rusten; de Bourgonjons hebben het altydt te
    Delft op levenden of dooden geladen, Balthazar Gerards op Prins
    Wilhem, en deeze op Grotius assche:"

het komt ons voor dat uit de zamenvoeging van misdaaden, die de Dichter
hier maakt, zonneklaar blykt, welk een hoog gevoelen hy van onzen HUGO
gehad moet hebben: de eer van dien Letterheld aanteranden, vindt hy
overeenkomstig met den gruwelyken moord, aan den grondlegger van
_Neêrlands Vryheid_ gepleegd; terwyl hy tevens den gezegden Held, en den
Vader des Vaderlands, nevens elkander plaatst: hoe VONDEL over GROTIUS
gedacht heeft, blykt niet minder uit het Dichtstukje, door dien
beroemden Dichter den gemelden lasteraar toegezongen; dus luidt het:

    _ô Phariseeusche gryns, met schyngeloof vernist,_
    _Die 't _Groote_ lyk vervolgt ook in zyn tweede kist;_
    _Gy Helhont past het u dien Herkles na te bassen,_
    _Te sleuren op 't autaer den Fenix in zyn asschen,_
    _Den mond van 't Hollandsch Recht, by Themis zelf beweent?_
    _Zo knaeg uw tanden stomp aan 't heilige gebeent._

Deze voortreffelyke Geleerde, onze HUGO, is dan geboren te _Delft_, op
den tienden van Grasmaand des jaars 1583: nog een kind zynde, gaf hy
reeds doorslaande blyken van zyn zonderling vernuft: dus doet de Dichter
DUIM hem, naar waarheid, tegen zyne kinderen spreeken:

    _'k Schreef op myn achtste jaar al vaerzen in 't Latyn[1],_
    _'k Wou, niet alleen des daags, maar, 's nachts ook werkzaam zyn._

In zyne nachtstudie werd hy echter door zyne zorgelyke moeder verhinderd,
waardoor hy genoodzaakt was, zyn _Zondagsgeld_, gelyk zekere schryver
zig uitdrukt, te besteeden, om kaarsen te koopen: nog naauwlyks den
ouderdom van elf jaaren bereikt hebbende, werd hy reeds bekwaam gekeurd
om naar de Hooge School te _Leiden_ gezonden te worden: in dien
kweektuin van geleerdheid arbeidde hy onvermoeid, oefenende zig in de
Wysbegeerte, Godgeleerdheid, Rechtsgeleerdheid, Sterreloopkunde en
Wiskunst: nog geen jaar lang dus bezig geweest zynde, ontwierp hy drie
versen, twee in de _Latynsche_ en één in de _Grieksche Taale_, die, in
't licht verschynende, de gantsche wereld deeden verstommen: met zyn
vyftiende jaar had hy den loop zyner studiën reeds volbragt, en verliet
niet alleenlyk _Leidens Hooge School_, maar ook het Vaderland, gaande
(1598) in het gevolg van den Heere OLDENBARNEVELD voornoemd, naar
_Frankryk_, werwaards die Heer, als Gezant van Hunne Hoog Mogende aan
Koning HENDRIK DEN VIERDEN, vertrok: OLDENBARNEVELD, de schranderheid en
zeldzaame geleerdheid van den zo veel beloovenden jongeling, op hoogen
prys stellende, beschikte hem gelegenheid, om voor zyne Majesteit den
Koning van _Frankryk_ eene redevoering te doen, in dewelke hy zyne
onvergelykelyke geleerdheid en verwonderlyke bekwaamheden, met zo veel
luisters ten toon spreidde, dat de Vorst, daardoor verbaasd, tegen zyne
aanwezende Hovelingen zeide: _Voila le miracle d'Hollande_; dat is:
_Ziet daar het wonder van Holland_; dees eertytel, hoe veel betekenende
ook, voldeed echter niet aan 's Konings hoogachting, derhalven beschonk
zyne Majesteit den jongen redenaar met een goudene keten, waaraan hing
's Vorsten beeldenis, op een medaille van 't zelfde metaal.

Na zig een jaar lang in _Frankryk_ opgehouden te hebben, binnen welken
tyd hy ook, te _Orleans_, den tytel van _Doctor in de Rechten_
verkreeg[2], keerde hy naar zyn vaderland te rug, alwaar zyne
bekwaamheden niet minder geacht werden; ten bewyze daarvan, dat hy op
zyn zestiende jaar reeds Advocaat voor den Hove van _Holland_ was; en
nog geen vier-en-twintig jaaren bereikt hebbende, (in 1607,) werd hy
door de Heeren Staaten van _Holland_, _Zeeland_ en _Westfriesland_ tot
Advocaat Fiscaal aangesteld.

Ons bestek verbiedt ons verslag te doen van alle 's mans geleerde
schriften, welken hy van tyd tot tyd in 't licht gaf, wy moeten ons
alleenlyk tot de hoofdpunten van zyne levensbeschryving bepaalen; des
staat ons te melden dat hy zig, in den jaare 1608, in 't huwelyk begaf
met _Maria van Reigersbergen_, dochter van den Heere _Pieter van
Reigersbergen_, Burgemeester der Stad _Veere_, een man, van wien getuigd
wordt, dat hy den Lande, en niet minder den Huize van _Nassau_, groote
diensten beweezen had; welke trouw echter met schande is betaald
geworden; want in de _Leicestersche tyden_ is hy ter Stad uitgezet, en
heeft vervolgends als balling moeten omzwerven.

In 1613, het dertigste jaar zyns ouderdoms, aanvaardde de beroemde HUGO
het gewigtig amt van Pensionaris der Stad _Rotterdam_:

    _Wat zyn my in dien dienst al woedende zeebaaren_
    _Gevlogen over 't hooft,_

dus laat de meergemelde Dichter DUIM hem, desaangaande, zeggen; dan,
geen dier woedende baaren heeft hem kunnen doen bezwyken: hy vond reden
om het gemelde moeijelyke amt niet aanteneemen, dan onder voorwaarde,
dat het in de magt der Magistraat van _Rotterdam_ niet zou staan, hem
immer, tegen zyn' wil, van hetzelve aftezetten: de inwilliging van dit
voorbeding, 't welk eene volstrekte beperking van het gezegde vermogen
insloot, bewyst andermaal welke gedachten men van onzen HUGO gevoed, en
hoe groot het vertrouwen was dat men op zyne bekwaamheid gesteld heeft.

Terwyl men bezig was met deze en geene voorwaarde te beraamen, werd hy,
met nog drie andere Heeren, in gezantschap naar het nabuurig _Engeland_
gezonden, ter vereffeninge van eenige geschillen, ontstaan tuschen
JACOBUS DEN EERSTEN, die toen den _Britschen Zetel_ bekleedde, en de
_Hollandsche Oostïndische Maatschapy_, van welke bezending hy zig
ongetwyfeld mede by uitneemendheid verdienstelyk gekweeten moet hebben,
aangezien hy, niettegenstaande zyne nederigheid, van zig zelven,
desaangaande, zulk een hoog gevoelen had, dat hy naderhand betuigde,
_van die Compagnie wel zoveel verdiend te hebben, dat, al ware het dat
alle anderen sliepen, zy voor hem behoorde te waaken_: het hevige
geschil tusschen de _Remonstranten_ en _Contraremonstranten_, 't welk,
ten dien tyde, ons lieve Vaderland beroerde en dat, niettegenstaande het
een kerklyk geschil was, een twist over den Godsdienst, of liever eene
betwisting van een vryen Godsdienst, dat zalige genot waarop alle
menschen aanspraak hebben; niettegenstaande Christenen met Christenen,
allen belyders van een' God van liefde, twistten, oorzaak werd van de
smaadelykste en verachtelykste handelwyzen; dat hevige geschil, 't welk
wy niet behoeven voor te draagen, aangezien het reeds menigvuldigmaal en
met de natuurlykste verwen afgebeeld en dus by ieder bekend is, dat
geschil werd door onzen HUGO, by zyne _Britsche Majesteit_ verhandeld,
en mede met een goed gevolg:--_hy sprak in alles ten voordeele van de
Remonstranten_.

Zyn gedrag omtrent deze vredelievende menschen, over 't algemeen
genomen, bragt hem in groote opspraak; men vond het onbegrypelyk, en
althans ten hoogsten te bejammeren, dat een man, die, wegens zyne veele
kundigheden, voor iets vreemds in de Natuur mogt gehouden worden, die
den onsterfelyken _Erasmus_ in veele opzichten gelyk was; in weinigen
hem moest wyken, en in eenigen overtrof; dat zulk een man de
_Remonstranten_ toegedaan scheen te weezen: ondertusschen beoogde hy in
alles niet anders dan de bevordering der kerklyke eendragt; dit
betuigde hy in een' brief aan zynen vertrouwden vriend, VOSSIUS,
zeggende: _Dat hy eeniglyk, waarvan _GOD_ zyn getuige was, daarop
toelei, dat 'er omtrent de kerklyke verschillen eene gemaatigde vryheid
mogt vergund worden, dewyl zonder dezelve de eene scheuring uit de
andere moest groeien._

Onder alle de bezigheden en zorgen, welken deze onrustige tyden hem
verschaften, vergat hy zyne geliefde studiën niet: de edele Dichtkunst,
zulk eene verhevene ziel dubbeld waardig, was zyne verkwikkende
uitspanning; ja hy verliet zyne boekoefening niet, hoewel zyne
staatsbemoeijingen ook van tyd tot tyd nog vermeerderden, 't geen onder
anderen mede veroorzaakt werd door dat de _Rotterdamsche Vroedschap_
hem, in den jaare 1616, benoemde, tot het Collegie der Gecommitteerde
Raaden, mits evenwel dat hy het Pensionarisschap tevens bleef
waarneemen. Zyn letterarbeid moest hy niet zelden besteeden tot het
wederleggen van deze en geene geschriften, en tot het rechtvaardigen van
het gedrag, by sommige Regenten gehouden: het beroepen van een Synode,
ter vereffeninge der verschillen, was een der voornaamste pointen
waarover men het niet eens kon worden, en dat den arbeidzaamen HUGO veel
werks verschafte: de meeste Steden van _Holland_ hadden staatswyze
beslooten, dat het byeenroepen van zulk eene vergadering niet raadzaam
was, en hadden tevens de Magistraaten magt verleend, om meer volk van
wapenen, of Waardgelders, tot haare verzekering en tot afweering van
daadlykheden aanteneemen: deze resolutie werd door anderen afgekeurd;
waarop agt Steden beslooten zig desaangaande te verdedigen, en daartoe
gebruikten zy "wel voornaamlyk de pen van onzen DE GROOT:" deze zag niet
dan gevaar in het houden van een Synode, zo wel als in het afdanken der
Waardgelders: zyn Exell. Prins MAURITS, was in beide opzichten van het
tegengesteld gevoelen, meenende _dat de Waardgelders erger waren dan de
_SPAANSCHE KASTEELEN_, en dat ze af moesten_, al het welk wy thans niet
breeder kunnen verhandelen; het zy voor het tegenwoordige genoeg,
aangeweezen te hebben, wat eigenlyk de oorzaak was, dat onze groote HUGO
in ongenade verviel, want die ongenade had niets anders dan het
voorgemelde ten grondslage, en had ten gevolge, dat hy, benevens de
Advocaat, VAN OLDENBARNEVELD, en HOGERBEETS, Pensionaris van _Leiden_,
op den 29, (BRAND en anderen zeggen den 28,) Augustus des jaars 1618, te
_'s Gravenhagen_ in hechtenis genomen werd: ten zelfden dage viel ook
het zelfde lot te beurt aan den Heere LEDENBERG, Secretaris van de
Staaten van _Utrecht_, die mede naar _'s Gravenhagen_ gebragt werd.

Vermits de gevangenneeming geschied was uit naame van de Staaten
Generaal, waren de Staaten van _Holland_ daarover niet weinig gebelgd,
aangezien zy alleen de wettige Heeren en Meesters over de gevangenen
oordeelden te zyn: men begeerde dat hunne huizen hun ter gevangenisse
zouden verstrekken: de _Remonstranten_ waren neêrslagtig, ziende dat
hunne voornaamste begunstigers ontwapend waren; de _Contra-Remonstranten_,
integendeel, hieven daarover een triumphlied aan: de vrouwen der
gevangenen leverden requesten in, ter verkryginge van 't geen de Staaten
van _Holland_ begeerd hadden: de _Rotterdammers_ verlieten hunnen
geliefden DE GROOT niet, zy vorderden van zyne Excellentie, dat hy, by
de Staaten Generaal, het ontslag van dien waardigen man zoude bewerken,
maar deze gaf ten antwoord: _het is myn zaak niet_; en ook waren alle
andere pogingen vruchtloos.

Onze held zat mede niet stil om zyne verlossing te verkrygen, en zyne
reeds bezoedelde eer, (wat heeft een braaf man toch waardigers!) te
zuiveren, doch mede te vergeefsch; zelfs liet men, om zyn misdryf
schynbaar te maaken, zyne papieren uit zyn logement haalen; men
verplaatste hem in eene andere kamer, en gaf bevel, dat hy niemand mogt
zien.--Hy verviel in ziektens; zyne onvergelykelyke Gemalin wendde alle
moeite aan, om by hem te mogen komen, ja ook zelfs met aanbieding van
mede gevangen te willen blyven; edel voorwerp!--met hoe veel gronds
heeft de Prins der _Nederlandsche Dichteren_ niet gezongen:

        _Waer wert oprechter trou,_
        _Dan tusschen man en vrou_
        _Ter werelt ooit gevonden?_
    _Twee zielen, gloênde aan een gesmeet,_
    _Of vast geschakelt en verbonden_
          _In lief en leedt._

Deze braave vrouw, eenen Echtgenoot als de groote HUGO overwaardig, mogt
echter het zoete byzyn van haar lieven man niet genieten, ook niet,
schoon hy korts daarna zo gevaarlyk ziek werd, dat men hem twee
Geneesheeren moest zenden--was dit eene geoorloofde handelwys, of was
het wreedheid? de staatkunde zal hier anders oordeelen, dan de
menschlykheid: wy oordeelen niet: Prins MAURITS heeft gesteld, _dat men
op het recht niet moest zien, als het gevaar groot was_; mogelyk heeft
de staatkunde ook stelregels, volgends welken zy de menschlykheid mag
doen zwygen! wat hier van zy, onze doorluchtige Gevangene had niemand
anders tot gezelschap, dan zynen Dienaar, WILLEM VAN DE VELDE: in eenige
ons ter hand gestelde berichten, vinden wy dezen Dienaar, CORNELIS VAN
DE VELDE genoemd, en by VONDEL ontmoeten wy nog een andere Dienaar van
onzen grooter letterheld, in het volgende vierregelig versje, ten
opschrifte voerende: _In het Stamboek van _CHRISTIAEN KAS_, Dienaar van
zyne Excellentie _HUGO DE GROOT_:_

    _Een Kristen Kas bewaert ter noot_
    _Ons heilig Lantjuweel, de Groot,_
    _Toen 't Vaderlant hem viel te kleen_
    _O blintheit! ô verkeerde zeên!_

Wy zullen ons vergenoegen, met dit alleenlyk aangetekend te hebben.--Op
den derden September eerstkomende, werden de gevangenen voor de
eerstemaal verhoord, door eenigen uit de vergadering der Staaten
Generaal, niettegenstaande de _Rotterdamsche Vroedschap_ begeerd had,
dat sommige leden uit de vergadering van _Holland_ daar by tegenwoordig
zouden weezen: te vergeefsch ook zeide DE GROOT, begrypende dat hy niet
voor zyn competenten rechter zou staan; _dat hy, als geboren in Holland,
een dienaar van een Stad van Holland, en gevangen genomen op den grond
van Holland, geen Rechters kende dan van Holland; doch_, voegde hy, om
de bewustheid van zyne onschuld, en de gerustheid van zyn hart te doen
blyken, daar by; _ik wil des onverminderd, myne daaden voor ieder wel
verantwoorden._

Op den gezegden dag werden hem, zo vóór als na den middag zestien
vraagen gedaan, die alle voldoende door hem beantwoord werden.

Na dien tyd ontving hy verscheidene bezoeken, en moest weder op
veelerleije ondervraagingen antwoorden; veele schynbezwaaren deeden zig
voor hem op, die hy, de vryheid verlooren hebbende, niet kon oplossen,
waarover hy zig eenige jaaren daarna ook beklaagde, zeggende:
_ongelukkig zyn ze, die, zonder toegang van Vrienden gevangen zittende,
zig tegen zulke slinksche slagen niet kunnen verweeren._

Den 9den November werd het geval in de vergadering der Staaten van
_Holland_ in overweeginge genomen, en beslooten, dat 'er eenigen uit die
vergadering zouden gecommitteerd worden, om, benevens de Gedeputeerden
der andere Provinciën, over de examinatie te staan: onze Held moest
wederom een en andermaal op de vraagen van dezen voldoen, en zelfs had
men zo weinig medelyden met hem, dat hy genoodzaakt werd, staande eenen
hevigen aanval van koorts, voor zyne ondervraagers te verschynen.

Op den 21 February des volgenden jaars, (1619), werden vier-en-twintig
Rechters over de Gevangenen benoemd, aan elk van die Heeren werd
verleend een bezegelde acte, dat niemant hun over deze zaak iets zou
miszeggen of misdoen; en na gedaanen eed van getrouwheid en oprechtheid,
leiden zy onderling in elkanders handen ook eenen eed af, behelzende dat
zy aan niemand zouden openbaaren, iets "van 't geen in deze handelinge
voor haar zoude passeeren."--Zeldzaame voorzorg!--kan eene rechtvaardige
zaak...... maar wy verkiezen hier liefst geene aanmerkingen te
maaken.--Op den 5 Maart, werd de ongelukkige voor de gezegde rechters
gebragt, en den 16 April daaraanvolgende, voor de tweedemaal, door
dezelven ondervraagd: wy vinden aangetekend, dat onze Held in dat
verhoor verzocht, om zyne Deductie op het papier te mogen stellen; dat
hem zulks eindelyk toegestaan werd; maar, (welk een zonderling
voorbeding!) dat hy niet meer dan vyf uuren tyds, en niet meer dan één
vel papiers daartoe mogt gebruiken: men begrype hoe hinderlyk deze
bepaalingen hem hebben moeten weezen; evenwel omhelsde hy die bekrompene
vergunning, en vervaardigde een geschrift, over welke inëengedrongenheid
en kleinheid van letter, ieder verbaasd stond.

Zo lang hem het gebruik van pen en inkt vergund werd, verliet hy zyne
geliefde studie niet, in weêrwil van alle de smartlykheden welken hem
drukten, en die eene minder kloekmoedige ziel dan de zyne, zouden hebben
doen kweinen.

Eindelyk werd de volle vierschaar over de gevangene Heeren gespannen, en
hun vonnis geveld: wy zullen kortheids halven ons alleenlyk by onzen
DE GROOT bepaalen, en denken den Lezer geen ondienst te zullen doen, met
de Sententie, over hem uitgesproken, woordelyk over te neemen; dus luidt
dezelve:

Alsoo _Hugo de Groot_, gewesen Pensionaris van _Rotterdam_, tegenwoordigh
gevanghen: De Heeren Commissarissen by de _Hoog Mogende Heeren Staten
Generaal_, tot examinatie van syn Persoon geordonneert; ende daar naar de
Heeren Rechteren by de welgemelte hare Ho. Mog. tot vordere kennisse ende
judicature van syne saacke gecommitteert, buyten pijne ende banden van
ysere bekent heeft; ende de selve Heeren Rechteren voorts ghebleken is, dat
niet tegenstaande niemandt gheoorloft en is, den bandt ende Fondamentele
Wetten daar op de Regeeringe der Vereenighde Nederlanden gefundeert, ende
de selve Landen door Godes genadigen zeghen teghen alle gheweldt, meneen
ende machinatien haarder Vyanden ende quaadtwillighen, tot noch toe
beschermt zijn, te violeren, ofte te verbreecken: hy Gevangen hem
onderstaan heeft den standt van de Religie te helpen perturberen, ende de
Kercke Godes grootelijcx te beswaren ende bedroeven; toe dien eynde
sustinerende ende in 't werk stellende exorbitante ende voor den Staat van
den Landen pernitieuse maximen; ende onder dien krachtich gesustineert ende
anderen ingescherpt: ende in publycque vergaderingen, oock by diversche
geschriften, propositien ende anders alomme helpen sustineren ende
inscherpen heeft, dat elcke Provintie in 't syne alleen toequam de macht
omme over de Religie te disponeren, en dat d'andere Provintien haar daar
mede niet te bemoeijen en hadden. Dat hy mede toegestaan, ende by diversche
gheschriften helpen vorderen heeft, dat verscheyden nieuwe opinien,
strydende mette Formulieren van eenicheyt; te vooren in de Ghereformeerde
Kercke noyt aanghenomen, nochte Wettelyck geexamineert, tegen alle
Kerckelycke ordre in de Kercken hier te Lande zijn inghevoert, ende
gedefendeert gheworden. Dat hy Ghevangen daar inne soo verre is gheckomen,
dat hy wel wetende dat in de macht van Mannen van _Schielandt_ niet en was,
eenighe Placcaten te moghen maacken, hy op der selver Naame inghesteldt,
ende gheconcipieert heeft een seecker rigoureus Placcaadt, het welcke
uytgegeven is op den een-en-twintighsten Junij sesthien honderd sesthien,
op den Name van Bailliu, Schepenen ende Mannen van _Schielandt_: de welcke
wetende dat alle de publycke Kercken in 't selve Bailliuschap ingenomen
waren by Predicanten mette voorsz. Nieuwicheden besmet, nochtans by 't
selve Placcaat verboden hebben alle byeenkomsten tot oeffeninghe van de
waren Ghereformeerde Religie, anders als in de voorsz. Kercken. Verklarende
voor verbeurt Huys, Schuyr, Berch, Schip, Schuyt, Velt ofte andere plaatsen
daar soodanighe oeffeninghe anders soude moghen werden ghedaan; alwaart
schoon soo dat den Eygenaar daar toe gheen consent gegeven en hadde, den
welcken ghereserveert werdt alleenelijck zijn regres tegens den Huyrman,
ofte den ghenen die d'selfe vergaderinge daar beroepen hebben, oock met
impositie van een mulcte van drie hondert gulden, tot laste van den ghenen
die daar ghepredickt, Sacramenten gheadministreert, voorghelesen ofte
andere Kerckelijke exercitien gedaan: Mitsgaders oock van de ghenen die de
vergaderinghe by een geroepen soude hebben, ofte in de plaatse woont daar
de selve soude gheschieden, daar voor hy datelijck sal mogen werden
verseeckert, ende niet mogen werden ontslagen, aleer d'selve somme sal zijn
ghenamptiseert, met ongewoonelijcke clausulen van proceduyren daar in te
houden, als dat weygeringe van antwoort sal strecken confessie, ende dat op
't seggen van de Ghetuygen alleen recht gedaan sal werden. Dat hy Gevangen,
omme te verhinderen dat daar tegen, nochte tegen het onwettelijck invoeren
van de voorsz. nieuwe opinien, gheen remedie en soude werden ghestelt, ofte
versien naar behooren, hy ghestadelijck helpen teghenstaan heeft, dat in de
Vereenighde Nederlanden gheen Synode Nationaal soude gehouden ofte
geaccordeert werden, niet teghenstaande de Coninghlijcke Majesteyt van
_Groot Brittannien_, _syn Excellentie_ ende de meeste Provintien, met vele
van de notabelste Leden van Hollandt, oordeelden dat 't selve een seecker
ende nootwendigh remedie was tot afweeringhe van alle de voorsz.
swaricheden in den standt van de Religie verweckt. Dat hy Gevangen daar toe
voorghegeven heeft, dat de Synode prejudiciabel waren 't recht van de Hooge
Overicheyt deser Landen: dat in 't stuck van de Synode noch stemminghe noch
overstemminghe en viel, ende dattet tegen de Hoocheyt, vry ende
gerechtigheyt van den Lande van _Hollandt_ soude strecken, dat men haar,
ofte de meeste Leden van dien, teghen haaren danck, een Nationale Synode
soude willen overdringhen. Dat hy Gevanghen om 't selve beter te
verhinderen, met de Ghedeputeerden van eenighe Steden aparte vergaderinghen
heeft ghehouden, om malkanderen te hooren, verstaan ende overkomen, ende
dan met ghecomplotteerde eenigheyt, haare stemmen in de vergaderinghen van
de _Heeren Staten_ in te brengen. Dat hy Ghevangen sonder last van de
_Heeren Staten van Hollandt_, ende sonder dat hem gebleecken is geweest van
eenigen last der _Heeren Staten van Uytrecht_, ende _Over-Yssel_, hem
vervordert heeft ten huyse van _Johan van Olden Barnevelt_, op den naam van
de Provintien van _Holland_, _Uytrecht_ ende _Over Yssel_ conjunctim, te
schryven seker protest, 't welcke sy oock in de vergaderinghe van de
_Heeren Staten Generaal_ inghebracht hebben, daar by sy t'samen teghen alle
ordre in de selve vergaderinghe ghebruyckelijck, by forme van complot
ghelijckelijck protesteerden tegen de Ghecommitteerden van de andere
Provintien, dat sy wesen souden Autheurs ende veroorsaackers van onheylen
ende swaricheden, door 't vorderen van de Nationale Synode: Welk protest hy
oock te vooren op een onghewoonelijcke wijse in 't Collegie van de
Ghecommitteerde Raden van _Hollandt_ inghebracht ende voorghelesen hadde,
sonder ordentelijcke resolutie daar op af te wachten. Dat hy Gevangen mede
helpen toestemmen, ende mette vorder Gedeputeerden van de acht Steden
doordringen ende helpen effectueren heeft, dat tot groote verachtinghe van
de Bondtgenoten, den Brief by de _Heeren Staten Generaal_ totte convocatie
van de Nationale Synode gheschreven, aan de _Heeren Staten van Hollandt_
ongheopent weder te rugghe ghesonden is gheweest. Dat hy mede helpen
instellen heeft den Brief op de Naam van de _Heeren Staten van Hollandt_,
geschreven aan de _Konincklijcke Majesteyt van Vranckrijck_, daar by
gearbeyt werd omme de selve syne _Majesteyt_ inne te beelden teghen de
waarheyt, dat de meyninge in 't uitschrijven van de Synode Nationaal was,
omme de Hooge Overicheyt, de Edelen ende notable Vasalen van den Landen te
benemen haar recht van collatie ofte Patronaatschap. Dat de _Heeren Staten
Generaal_ in de uitschryvinge van de selve Synoden usurpeerden den naam van
de _Staten Generaal_, ende daar by de selve _Majesteyt_ versocht werdt,
niet te willen toelaten dat eenighe van syne Onderdanen op de selve Synode
souden komen, maar veel eer die van _Hollandt_ teghen de Factie der andere
Provintien (soo sy dat daar noemen) te assisteren, alle omme de voorschreve
Nationale Synode, ende 't remedie tegen de swarigheydt in de Religie
voorghenomen, te verhinderen. Dat hy Gevangen daar toe in _Enghelandt_ op
het aanmanen van _Johan van Olden-Barnevelt_, mede ghefondeert heeft de
humeuren van de Bisschoppen, omme ten uytersten komende eenige op de Synode
te moghen krijghen, die de voorsz. nieuwigheyt niet teghen en waaren. Alles
niet teghenstaande alle de Geunieerde Provintien by diversche Recessen,
Tractaten Accoorden ende Resolutien, onderlinghe den anderen belooft
hebben, ende verbonden zijn, met lijf, goedt ende bloedt te maintineren de
Gereformeerde Euangelische Religie, alomme in dese Landen aangenomen,
sonder eenige veranderinghe daar inne te doen, ofte ghedoogen ghedaan te
worden; ende dat in conformiteyt van de selve in den Jare vijfthienhondert
acht-en-tachtigh, alle de Eeden van de Gouverneurs, Oversten, Capiteynen
ende Soldaaten, ghedresseert, ende sulcx gearresteert waren, dat sy
getrouwigheydt mosten sweeren aan de _Heeren Staten Generaal_, die by de
Unie, ende de hanthoudinghe van de ware Ghereformeerde Religie souden
blyven: ende dat in alle Tractaten van 't overgaan van de Steden bedonghen
is gheweest, datse souden moeten aannemen de oeffeninge van de voorsz.
Religie, sulcks die by de Bondtgenooten alomme aanghenoomen was, Dat hy
Gevangen dit alles achtende niet ghenoegh te zijn, hem mede onderstaan
heeft den standt van de Politie te helpen turberen, omme daar inne oock
alles naar haren appetijdt te mogen bestellen: Dat hy Gevangen daar inne
sulcken cours heeft helpen handhaven, dat diversche Persoonen soo
Kerckelijke als Wereltlijcke, die klaaghden teghens recht beswaart,
gebannen, uitgeleydt ofte geoppresseert te wesen, daar teghen in Justitie
niet en hebben moghen werden ghehoort, nochte 't complement van dien
ghenieten: maar dat de Magistraten van de Steden ghestijft zijn gheworden,
omme de bevelen van de ordinaris Collegien van Justitie dies aangaande niet
te gehoorsamen. Ende omme malkanderen daar inne te stijven, ende alle dit
voornemen met de authoriteyt van de _Heeren Staten_ te mogen bedecken: dat
hy Gevangen daar op ende op andere saacken met de Gedeputeerden van de
voornoemde Steden, ter aanmaaninghe van den voornoemden _Jan van
Olden-Barnevelt_, veele ende diversche aparte vergaderingen, ende
Conventiculen heeft gehouden, omme malkanderen oock daar inne te hooren,
verstaan ende overkomen, ende alsoo haare stemmen met ghecomplotteerde
eenigheydt in de vergaaderinghe in te brenghen, ende te formeren resolutien
haar daar toe dienstigh: alwaar mede gherecapituleert zijn diversche
poincten, soo nu ende dan in de deliberatie van de _Staten_ gebracht, omme
daar van een generale conclusie te maken, ghelijck oock dienvolgende
ghedaan, ende by den voornoemden _Johan van Olden-Barnevelt_ inghestelt is,
ende voorts in een mondelinge gheneraale conclusie ghebracht, de scharpe
resolutie van den vierden Augusti 1617, by de welke de bevelen van de
ordinaris Justitie teghen haar voorsz. voornemen verleent, verklaardt
werden nul ende van onwaarden, ende de Magistraaten van de Steden gestijft
die niet te ghehoorsamen: ende voorts gheauthoriseert, omme haar selven te
moghen stercken met nieu gewapent Krijghsvolk, by elck van hemluyden te
lichten in haren particulieren ende besonderen Eedt, buyten den ghemeynen
Eedt van de Bondtgenoten, ende daar by mede alle Officeren, Justicieren,
ende die in den Eedt van den Lande van _Hollandt_ zijn, op haaren Eedt
geastringeert werden, de selve resolutie te moeten helpen uytvoeren: ende
voorts oock gheordonneert, dat alle Oversten, Capiteynen, Officieren ende
Soldaaten van 't ordinaris Krijgsvolck ernstelijck belast ende bevolen sal
werden, de _Heeren Staten_ van de particuliere respective Provintien haare
betaals-Heeren, ende de Magistraaten van de Steeden daar sy in Guarnisoen
ghebruyckt werden (niet tegenstaande eenige andere bevelen) getrouw ende
gehoorsaam te wesen op peine van cassatie. Waar op ghevolght is dat men de
Justitie noch vorder heeft beginnen teghen te staan, ende dat op den Naam
van de Magistraat van _Haarlem_, by openbaare publicatie, met kennisse van
hem Gevangen inghestelt, ende by hem gevisiteert wesende, den Hoogen Rade
in _Hollandt_ in hare Persoonen voor wederhoorige, ende als ghedaan
hebbende tegen haare Eere en Eedt, ende haare Sententien voor nul zyn
verklaart gheweest, om datse Justitie gheadministreert hadden aan eenige
Persoonen die klaaghden teghen recht geoppresseert te wesen, daar op mede
gevolght is dat de Magistraaten van de voorsz. acht Steden, op diversche
aanmaninghen haar ghedaan by den voornoemden _Johan van Olden-Barnevelt_,
van wel op haar hoede te wesen, nieuw ghewapent, ende onder Vaandelen
ghedresseert Krijgshvolck hebben aanghenomen, ofte die sy te vooren
aanghenomen hadden, verandert, ende versterckt, ende dat in elcx heuren
particulieren ende bysonderen Eedt, met uytsluytinge van de Generaliteyt
ende syne _Excell._ als Capiteyn Generaal, ende met last de bevelen van de
respective Magistraten alleen te ghehoorsamen tegens allen ende eenen
yegelijcken, oock selfs teghen de Generaliteyt ende syn _Excellentie_, als
de voornoemde Magistraaten meynen souden by de selve, yet voorghenoomen te
werden, dat sy achten souden teghen haar recht ende vryheyt te strecken.
Dat hy Gevangen mede aanghenoomen heeft de voorsz. vermaaninge van den
voornoemden _Johan van Olden-Barnevelt_, ende toeghestaan dat tot
_Rotterdam_, gelijcke lichtingen zijn gedaan: ghelijck mede dat in krachte
van de voorsz. resolutie Commissarisen naar den _Briele_ zijn gesonden,
buiten weten van syn _Excellentie_ als Capiteyn Generaal, om 't ordinaris
Krijghsvolck, daar in Guarnisoen legghende, te dringhen tot den
voorverhaalden Eedt, ofte die te casseren. Dat hem Gevanghen wel kennelijck
is geweest, dat 't voorsz. nieuw Gewaapent Krijghsvolck, niet en is
ghelicht gheweest alleen teghen populaire factien, soo om dat de selve mede
ghelicht zijn by die van der _Goude_, ende _Hoorn_, daar gheen populaire
factien en stonden te vreesen, als mede tot _Uytrecht_, daar de Stadt
t'zedert den Jaaren sesthien hondert thien tegen alle populaire factien,
met een sterck Guarnisoen was beset, ende dat die van _Rotterdam_ ende
_Uytrecht_ haare nieuwe Soldaaten, toeghesonden hebben, om de Stadt van
_Schoonhooven_, daar twee Compagnien van de Gheneraliteyt, in Guarnisoen
laaghen, mede voor haare factie te verseeckeren. Gelijck hy Gevanghen mede
ghepoocht heeft eenighe van de Vroedschap van _Delft_ te induceren, datse
mede nieuw Krijghsvolck souden behooren te lichten, ende dat tot
afweeringhe van populaire factien, soo grooten ghetal nieuwe Soldaaten niet
van noode en waren, nochte oock datse daaromme ghehouden souden werden
buyten den Eedt van de Generaliteyt, ende van den Capiteyn Generaal. Dat hy
Gevangen mede helpen delibereren heeft, omme de onkosten ende betaalinghe
van 't selve nieuw gelichte Krijghsvolck onder de geintresseerde Steden by
repartitie te vinden, ofte oock tot laste van de Generaliteyt te brenghen:
daar hy Gevangen nochtans selfs bekent dat de selve ongehouden waren de
_Staten-Generaal_ te ghehoorsamen, als de bevelen van de respective
Magistraaten van de Steden daar teghen souden wesen. Dat hy Gevangen oock
helpen delibereren heeft, omme de Fransche Troupen te casseren, ofte de
starcke Compagnien te reduceren, omme met de penninghen van dien de voorsz.
nieuwe Soldaaten, te moghen betaalen. Dat hy Gevangen, in krachte van de
voorsz. resolutie, den Eedt, van 't ordinaris Krijghsvolk soo mede heeft
willen ende helpen duyden, dat die voor al de _Staaten_ van de respective
Provintien haare Betaals-Heeren, ende der selver resolutien mosten
obedieren ende gehoorsaamen, ende mede van de Magistraaten van de Steden
daar sy in Guarnisoen legghen, oock teghen de Generaliteyt ende syn
_Excellentie_ als de bevelen van de respective Betaals-Heeren ende
Magistraaten anders wesen souden als de bevelen van de Generaliteyt ende
syn _Excell._ omme die van haare factie, soo daar door, als door 't lichten
van de nieuwe Soldaaten, Meester te maacken van 't meeste deel van 't volk
van Oorloge van de Landen. Dat hy Gevanghen in de voorsz. aparte
vergaaderinghen mede toegestaan heeft, dat een verklaringe by hem Gevangen,
_Haan_, ende _Hoogerbeetz_, ingestelt met advijs van de voorsz. _Johan van
Olden-Barnevelt_, ende op den Naam van die van _Haarlem_ in de _Staten van
Hollandt_ ghebracht, ende by de andere Leden van haare factie goedt
gevonden is, daar by gheseyt werdt datse niet en sullen ghedoogen dat by de
andere Provintien van de Unie in het stuck van de Religie buyten haar
consent yet ghedaan soude werden: Dat teghen haare resolutien by de Hooven
van Justitie, gheen provisien en souden werden verleent: Dat de middelen
van de Landen voor al tot afweeringhe van dien sullen werden ghebruyckt:
Dat 't voorsz. Krijghsvolck Eedt souden moeten doen aan de Magistraaten,
daar sy in Guarnisoen gheleydt werden om de selve te defenderen, alwaart
dat by haar yet bevoolen mochte werden, oorsaacke oft pretext nemende uyt
't stuck van de Religie, ende daar mede sy op onghewoonelijcke wyse haare
consenten waaren limiterende, ende in effecte andere Steden, ende Leden,
als tot een nieuw verbondt inviterende, de selve mede doende translateren
in Franchoys, ende buytens Landts seyndende, daar van hy Gevangen mede
communicatie heeft ghehouden met een uytheems Ambassadeur. Dat hy Gevangen
over 't besetten van den _Brielle_ met ordinaris Garnisoen van de
Generaliteyt, op dat gheen nieuwe Soldaaten daar ghelicht en souden werden,
syn misnoegen ghetoont heeft, doende met eenighe andere Ghecommitteerde
Raden daar over seer bedenckelijck schrijven, aan den voornoemden _Johan
van Olden-Barnevelt_, ende de Steden van _Hollandt_, ende naar den _Briele_
deputeren uyten haaren, omme syne _Excellentie_, daar inne te
contrequarreren. Dat hy Gevangen omme haare factie noch vorder te styven
met de Ghedeputeerden van de voorsz. acht Steden, goedt gevonden ende
ontworpen hebben seeckere procuratie van den veerthienden May, sesthien
hondert achthien, by de voorsz. acht Steden verleden op haare
Ghedeputeerden, in krachte van de welcke, de selve sonder vorder rapport
souden mooghen resolveren, met alsulcke middelen als alreede by der handt
ghenoomen, ofte noch te nemen souden zyn, tot feytelijcke teghenstandt, van
alle de gheenen die de _Synode Nationaal_, souden willen vorderen, ofte
voornemen omme haare nieuwe ghelichte Soldaten te casseren, dat tegen
niemandt anders en konde dienen dan tegen syn _Excellentie_, ende de
_Staten Generaal_, die tot beide de voorsz. poincten vorderinghe deden. Dat
oock de selve Ghedeputeerden in krachte van dien, malkanderen souden mogen
versien ende verseeckeren met alsulcke belofte, bystandt, hulpe ende
indemniteyt als sy bevinden souden noodich te wesen: streckende alsoo een
nieuw verbondt onder malkanderen aangegaan, ende daar toe mede gepoocht is
gheweest te trecken de _Staten van Uytrecht_, op wiens name op den derden
Juny sesthien hondert achthien, _Stilo veteri_, daar naar ghelijcke
procuratie is uytgegheven: maar de Magistraat der Stadt _Utrecht_
apprehenderen waar toe die ghevordert werde, en heeft daar inne niet willen
consenteren, dan onder expresse limitatie den thienden Junij daar aan
volgende daar by ghedaan, dat haare Gedeputeerden de selve niet en souden
mogen gebruycken omme tot datelyckheyt ofte extremiteyten te procederen,
ofte nieuwe verbonden buyten de gemeene Unie te maken. Ende als de _Heeren
Staten van Uytrecht_ bemerckten dat het onderhout ende continueren van
haare nieuwe Soldaten ruyneerden den staat van haare Finantien, ende
daaromme in Junio sesthien hondert achthien, haare Gecommitteerden in
competenten ghetale naa den _Haghe_ gesonden hadden, omme met _syn
Excellentie_ op 't casseren derselver te handelen, dat hy Gevangen mette
Pensionarissen _Haan_ ende _Hoogerbeetz_ ten huyse van _Johan
Uytenbogaart_, ende metten Secretaris _Ledenbergh_, beraamt hebbende
redenen ende middelen waar mede men de vordere Gecommitteerden van
_Uytrecht_ soude mogen moveren ende disponeren omme haaren last dien
aangaande niet te openen, ende daar af rapport ghedaan hebbende aan den
voornoemden _Johan van Olden-Barnevelt_: Dat hy Gevangen daar naar mette
voorsz. Pensionarissen, sonder last van syne Principalen daar toe te
hebben, hem laten vinden heeft by de voorsz. Ghecommitteerden van
_Uytrecht_ ten huyse van _Daniel Tresel_, expresselyck daar toe vergadert,
ende de selve met vele scherpe pernicieuse ende voor den staat ende ruste
van de Landen ondienstige middelen ende motiven, ende oock belofte van
assistentie, ghepersuadeert heeft, omme haren last aan _syn Excellentie_
niet te openen, maar weder te keeren naar _Uytrecht_, tot groot ghevaar
ende prejuditie van die Staat ende Stad: Dat hy in de selve motiven de
_Heeren Staten Generaal_ ende _syne Excellentie_ ghetaxeert heeft voor
parthyen, quaatwillighen, daar men met couragie moste teghen gaan, ende de
middelen van de Landen voor al daar toe gebruycken: Dat 't casseren der
nieuwe Soldaten de voorsz. quaatgunstighen goeden moet soude gheven, ende
een irreparabel prejuditie voor haar factie maaken, oock vol peryckels was
van in meerder ghevaar te vallen, ende de andere gheinteresseerde Steden t'
onvrede te maken, dat men mette ordinaris Garnisoen niet vast en ginghe,
datse in desen couragie mosten thoonen: Dat de gheinteresseerde Steden ende
Leden van _Hollandt_ haar de handt souden bieden ende de saacke met
ghemeender handt helpen uytvoeren, ende met alle moghelycke devoiren
onbeweeghlyck daar by blyven. Dat die van _Hollandt_ sulcke ordre op haare
Finantien souden stellen, dat die van _Uytrecht_ daar af verlichtinghe
souden voelen, ende dat de selve oock sulcke ordre souden stellen op de
Soldaaten van haare repartitie, dat se weten souden wie te betrouwen, ofte
niet te vertrouwen souden wesen: alles niet teghenstaande hy Gevangen
bekent, in syn gemoet de openinge van den voorsz. last, een goedt ende
bequaam middel gheacht te hebben, om vele swaricheden te ontgaan. Ende als
de _Heeren Staten Generaal_, _syn Excellentie_ hadden versocht, ende
eenighen uyten haaren ghecommitteert, omme naar _Uytrecht_ te gaan, ende de
cassatie der voorsz. nieuwe aanghenomen Soldaten, ende het inwillighen van
de Synode Nationaal, ende eenighe andere saacken daar te bevorderen, dat hy
Gevanghen by weynighe uyt den Heeren Edelen, ende de Gecommitteerde van
drie Steden, ende van weynighe Gecommitteerde Raden, die tot sulcks gheenen
last van hare Principalen en hadden, hem heeft laten deputeren, om neffens
den Pensionaris _Hoogerbeets_ ende anderen naar _Uytrecht_ te gaan, omme de
_Heeren Staten_ aldaar, ende de Magistraat van de Stadt aan te bieden
assistentie van raadt ende daadt: ende indien _Syne Excellentie_ ende de
Gecommitteerden van de Generaliteyt souden willen poogen de cassatie der
nieuwe Soldaten aldaar te doen, sonder consent van de Staten van
_Uytrecht_, 't selve datelijck te helpen beletten: Bekennende heure
intentie gheweest te zyn, de intentie van de Heeren Staten van _Uytrecht_
te seconderen, ende by de ordinaris Soldaten te doen seconderen, daar toe
mede nemende brieven aan de Kryghs-Oversten van 't ordinaris Kryghsvolck,
staande op de repartitie van _Hollandt_, geminuteert by den voornoemden
_Johan van Olden-Barnevelt_, noch in de Vergaderinghe (soo die was) niet
gelesen, waar by de selve aangheschreven werde, dat sy ghehouden ende
verbonden waren haare Betaalsheeren, midtsgaders de _Heeren Staten_ van de
respective Provintien, daar inne sy zyn ofte gebruyckt werden, gehouw,
getrouw ende gehoorsaam te wesen, ende de selve te assisteren in 't
onderhouden ende doen onderhouden van alle derselver resolutien, sonder
daar teghens yet te moghen doen ofte te attenteren, nochte gedoogen ghedaan
ofte geattenteert te worden. Dat hy Gevanghen in haaste tot _Uytrecht_
ghekomen wesende, ende aldaar in aparte vergaderinghe geconsulteert
hebbende metten voornoemden _Ledenbergh_, op de middelen ende presentatien
die men de _Heeren Staten_ aldaar soude moghen voorhouden, omme de cassatie
der nieuwe Soldaten ofte Waardgelders niet toe te staan, maar de selve te
verhinderen, dat hy Gevanghen met _Hoogherbeetz_ ende andere syne Complicen
daar naar in de vergaderinghe van de _Heeren Staten_ haare propositie
hebben ghedaan, ende assistentie van raadt ende daat belooft als vooren,
ende oock van ghelycken ghedaan by de Magistraat van de Stadt, selfs met
bedenckelicke redenen in regard van de _Heeren Staten Generaal_, ende syne
_Excellentie_. Alles daar toe streckende omme deselve te encourageren, ten
syne datse sonder haar consent de nieuwe aanghenomen Soldaten niet en
souden laten casseren. Ende als syn _Excellentie_ ende de Gecommitteerden
van de _Staten Generaal_ aldaar mede ghekomen waren, ende haare propositie,
volghende haaren last hadden ghedaan, dat hy Gevanghen hem heeft laten
employeren, omme inne te stellen de antwoordt aan de selve, op den Naam van
de _Heeren Staten van Uytrecht_ te gheven, daar inne hy de Ghecommitteerden
voorsz. niet en heeft willen erkennen in de qualiteyt als Gecommitteerden
van de _Heeren Staten Generaal_, aan de welcke nochtans sy haare credentie
overgelevert, ende haare propositie ghedaan hadden. Dat hy Gevangen tot
_Uytrecht_ hem mede bemoeyt heeft mette saacken van de State van 't Lant
van _Uytrecht_, ende in aparte vergaderinghen daar over ghestaan, daar aan
den Capiteyn _Hartevelt_ gegheven werde 't Commandament over de nieuwe
Soldaten. Dat hy mede gepoogt heeft in 't particulier een van de
Burghemeesteren van _Uytrecht_ te disponeren totte continuatie der nieuwe
Soldaaten: Oock metten Commandeur in deliberatie gheleydt wat men doen
soude indien _syn Excellentie_ tot feytelijcke cassatie wilde procederen.
Dat hy ghearbeyt heeft om de _Heeren Staten_ aldaar tot feytelycke
teghenstandt van dien te beweghen, radende dat sy aan haare Poorten goede
Wacht houden, ende op haar verseeckertheyt wel letten souden, oock op haar
Stadhuys, ende daar eenighe Schutters doen waacken: ende verstaande dat den
Capiteyn _Hartevelt_ swaricheyt maackte teghen de _Heeren Staten Generaal_
ende _syn Excellentie_ te dienen, dat hy Gevangen daar op gheseyt heeft,
dattet een rechte poltronnie ende groote ontrouwicheyt was, die niet
strecken en konde tot reputatie ofte dienst, hem daar over seer
verwonderende. Dat hy Gevanghen om 't ordinaris Krijghsvolck van de
Generaliteyt mede tot teghenstant als vooren te beweghen, deselve
voorghehouden heeft haaren Eedt, ende die alsoo willen duyden, datse niet
gehouden en waren de Generaliteyt ende _syn Excellentie_ te obedieren in 't
ghene strecken soude teghen de bevelen van de _Staten van Uytrecht_, maar
ter contrarien de bevelen ende resolutien van hare betaals-Heeren ende van
de _Staten van Uytrecht_ te volbrengen ende doen volbrengen, sonder daar
tegen te doen ofte attenteren, ofte ghedoogen ghedaan te werden, dreyghende
de selve datmense niet betalen en soude, indien sy yet daar teghen deden.
Dat hy ende syne Complicen haar niet ontsien en hebben den Commandeur te
bevelen niemant anders als haar, ende de _Staten van Uytrecht_ te pareren:
ende omme syne intentie totte voorsz. tegenstant wel te bethoonen, dat hy
Gevangen even daachs voor het casseren der nieuwe aanghenomen Soldaten
voornoemt, de Brieven die sy aan de Kryghs Oversten van 't ordinaris
Kryghsvolck hadden, noch overgelevert hebben, omme de selve ten minsten
stille te doen staan. In welcken ghevalle den voornoemden _Ledenbergh_ ende
anderen, voorgaven haar saacke wel te boven te konnen komen, mette ordre
die sy seyden over haare nieuwe Soldaten ghestelt te hebben. Dat mede hy
Gevangen den selven nacht communicatie metten Commandeur heeft gehouden,
ende met hem ghedelibereert by wat middelen men soude konnen beletten, dat
syne _Excellentie_ geen meer Kryghsvolck in de Stadt en dede komen, ende
omme ten dien eynde, goede Wacht aan de Poorte van _Amersfoort_ te houden,
noemende te wesen ghewelt, indien _Syn Excellentie_ daar toe de Poorten
wilde doen openen. Alle welcke proceduyren daar toe ghestreckt hebben, om
niet alleen de _Stadt van Uytrecht_ in een bloedtbadt, maar oock de Staat
van de Landen, ende de Persoon van syne _Excellentie_ in 't uyterste
ghevaar te brenghen, daar door, ende door alle syne vordere machinatien
ende conspiratien gevolgt is; datter Staaten in Staaten, Regieringe in
Regieringe, ende nieuwe verbonden in, ende teghen de Unie opgherecht,
generale perturbatie in den staat der Landen, in 't Kerckelycke ende
Polityck ghekomen, de Finantien uytgheput, ende de Landen op ettelycke
milioenen aan kosten gebracht, gheneraale dissidentien, ende dissensien,
onder de Bondtgenoten, ende Ingesetenen van de Landen inghevoert: De Unie
verbroocken: De Landen tot haar eyghen defensie onbequaam gemaackt, ende in
pericule ghebracht zijn van te moeten vervallen, tot eenighe schandelycke
handelinghe, ofte tot haaren gheheelen onderganck; die daaromme, in een
Welghestelde Regeeringhe niet en behooren gheleeden, maar anderen ten
exempel ghestraft te werden. SOO IS 'T, Dat de Heeren Rechteren voornoemt,
met rype deliberatie van Rade, doorghesien, ende overwoghen hebbende, alle
't ghene ter materie dienende is, ende heeft mogen moveren, doende recht in
den Name, ende van weghen de Hoochgemelte _Heeren Staten Generaal der
Vereenigde Nederlanden_, den selvighen Gevangen gecondempneert hebben, ende
condempneeren hem mits desen, tot een eeuwige gevangenisse, ende
indien-volgende gebrocht te worden in een verseeckerde plaatse, by de
Hooghgemelte _Heeren Staten Generaal_ te ordonneren, ende aldaar syn leven
lang gehouden en bewaart te worden; ende verklaren alle syne Goederen
geconfisqueert. Aldus ghedaan in de Vergaderinge van de voorsz. Heeren
Rechteren in _'s Gravenhage_, ende gepronuncieert den 18. May, anno 1619.

Zie daar een zeer aanmerkelyk stuk--welk een drom van beschuldigingen!--en
dat ten laste van een man zo groot als DE GROOT!--De aankanters tegen het
huis van _Oranje_ kennen deze Sententie genoegzaam van buiten: de Hemel
weet hoe veel duizende maalen dezelve in onze dagen niet wel geleezen en
herleezen is!

Zeide de meergemelde groote Dichter, VONDEL, in zyne _Opdragt van
_HIPPOLYTUS_ aan den getrouwen Hollander_, (onzen DE GROOT naamlyk,) niet
te recht:

    _Een kyfaes[3], en niet meer, dat baet u 't lieve leven;_
    _Sprak flauwelyk de tong der ongerechte schael,_
    _Daer vrijdom tegens bloed gewogen wierd, het stael_
    _Gestroopt en reê was om den tweeden slach te geeven._

Met groote aandacht en blyken van eene zonderlinge gerustheid van ziel,
werd het vonnis door den gevangenen aangehoord; alleenlyk keerde hy zyn
hoofd om, wanneer 'er iets geleezen werd, dat, naar zyn oordeel, met de
waarheid niet overëenkwam: naderhand schreef hy in zyne gedrukte
verantwoording, _dat 'er in de Sententie veele pointen stonden, die
nooit by hem bekend, maar wel uitdrukkelyk ontkend waren, en gesteld met
uitlaating van de noodige omstandigheden, en met byvoeging van ongegronde
gevolgen, uit zyne woorden getrokken; ja zelfs dat 'er eenige opstonden,
daar hy nooit op gehoord was_: wanneer men dit zeggen van onzen Held
nagaat, is zeer gemaklyk te begrypen, wat de drangreden geweest is tot
de bovengemelde zeldzaame voorzorg, omtrent de verkozene Rechters
genomen; welke voorzorg, trouwens alleenlyk tot nadeel der gevangenen,
uit het oog verlooren werd, in de uitschryving van een' Biddag, die den
17den April gehouden stond te worden; want in die uitschryving werden de
gevangenen niet weinig beschuldigd, regelrecht strydig met het gemaakte
verbond, van daaromtrent niets te zullen openbaaren, gelyk dan ook door
veele Predikanten geweigerd werd, gezegde uitschryving van den
Predikstoel den volke voor te leezen; schoon zy om die weigering van
hunne kostwinning ontzet werden.

Op den 5den Juny eerstvolgende, des avonds, tusschen elf en twaalf
uuren, werd HUGO naar het bekende _Loevestein_ gevoerd, met bevel, dat
niemand by hem mogt komen, zelfs ook zyn oude vader niet: voords werd
hem 24 stuivers daags toegelegd, welk sober tractement echter door zyne
heldhaftige Gemaalin geweigerd werd, alzo zy voorneemens was, den haar
zo dierbaaren gevangenen op haare eigene kosten te onderhouden.

Zie daar dan den grooten HUGO binnen den omtrek der muuren van een kamer
bepaald--welk eene ommekeer!--van pas herinneren wy ons de woorden
waarmede de laatstgenoemde Dichter zynen _Palamedes_ ten tooneele doet
verschynen:

    _Die zorgt, en waekt, en slaeft, en ploegt, en zwoegt, en zweet,_
    _Ten oirbaer van het lant een lastig ampt bekleet,_
    _En waent de menschen aen zyn vroomheit te verbinden,_
    _Zal zig te jammerlyk in 't endt bedrogen vinden._
    _Van 't wispelturig volk, dat, veel te los van hooft,_
    _Genoten dienst vergeet, en 't ergste liefst gelooft._

De Commandeur van het Slot, zynde de Luitenant JACOB PROUNINK, genaamd
_Deventer_, had bevel, dat de Huisvrouwen der gevangene Heeren in de
keuken zouden mogen kooken; dat de Dienstmaagd de spyzen bovenbrengen en
weder afhaalen mogt, mits door den Commandeur in- en uit-gelaaten te
worden, en dat de Huisvrouwen tot _Workum_ of _Gorkum_ mogten reizen, om
het noodige te koopen: korten tyd daarna werden de vrouwen nog nader
bepaald, naamlyk in diervoegen, dat ze by haare mannen opgeslooten
mogten blyven, zo lang zy wilden, maar niet van hun afgaan, dan met
consent: ook werd den Commandeur gelast, voor het bepaalde geld van 24
stuivers daags, zelf de gevangenen te moeten spyzigen; waarop de braave
REIGERSBERGEN zeide, dat haar man niet gewoon was zo soberlyk te leeven;
_dat men, ingevalle de meening van de Heeren was, hem de keel toe te
binden, en van gebrek of ongezondheid te laaten vergaan, hem dan alzo
lief had mogen handelen, gelyk men den Advokaat gedaan had_: recht
manlyke taal! uitmuntende vrouw! overwaardig dat het verstandige
gedeelte uwer sexe u bewondere, gelyk het u bewondert--zouden myne
leezers hiervan onkundig kunnen weezen? te berucht zyn, om my by het
schitterendst vernuft van onzen tyd; by de schranderste vrouw, het
voorbeeld van gezond verstand, doordringend oordeel, levendige
verbeelding, ongeveinsd hart, vrolyken en arbeidzaamen aart, om my by
het pronkjuweel van _Neêrlands geleerde vrouwen_ te bepaalen; te berucht
zyn de werken van de groote ELIZABETH WOLFF, geboren BEKKER, die
ontelbaare lauwers, en nog onlangs eenen voor alle ander vernuft
onverkrygbaaren krans behaald heeft; te veel worden de werken dier
voorbeeldige vrouwe geleezen, dan dat men niet zou weeten, hoe breed de
lof van HUGO'S Gemaalinne door haar uitgemeeten wordt: dus zingt zy
onder anderen in haar _Walcheren_,[4]:

    _ó Reigersberg! 'k ontroer daar ik uw beeld beschouw;_
    _'k Doorzoek uw helder oog!.... gy zyt een groote vrouw!_
    _Gy waart een Grotius of niemand was hem waardig:_
      _Hoe zweeft uw geest op uw gelaat!_
      _Wat kwam u uwen moed te baat!_
    _Die vlugge werkzaamheid! dat oordeel, vast en vaardig!_

Het antwoord dat REIGERSBERGEN haare vrienden gaf, toen dezen haar
aanspoorden tot het verzoeken van pardon voor haar' man, welk verzoek
zelfs door den Raadsheer VOSBERGEN, op begeerte van zyne Exellentie,
ondersteund werd, is door de gemelde groote Dichteres, in de volgende
verzen gebragt,[5]:

    _Wat rustig antwoord gaaft ge aan uwe vrienden niet,_
    _Daar elk u bad, dat ge om vergeeving bidden liet!_
    _"Men sla hem 't hoofd af, is hy schuldig. Hoe! vergeeven!_
      _Wel, heeft myn Grotius misdaan,_
      _In recht en wetten voortestaan?_
    _Hy sterv' met Barneveld: ik bid nooit om zyn leven."_

Wy zullen terstond de geleerde ELIZABETH nog eens van de kloekmoedige
MARIA hooren zingen.

De fiere uitdrukking, door de laatstgenoemde, wegens het spyzigen van
haaren man, gebruikt, veroorzaakte veel moeite, om van PROUNINK verlof
te verkrygen, dat zy naar den _Haag_ mogt gaan, om haare bezwaaren by
H.H.M. intebrengen, eindelyk gelukte dit evenwel, en de roemwaardige
vrouw bragt, niet zonder veel loopens en biddens, ten wege, dat zy met
haare vyf kinderen, vier of vyf weeken op het Slot zou mogen blyven, en
twee of drie maal daags af- en toe-gang hebben; dat ze ook van de keuke,
en de kinderen en dienstboden van slaapplaatzen zouden voorzien worden;
mitsgaders dat 'er dagelyks een geneesheer uit _Gorkum_, by DE GROOT,
die door de koorts in 't bed gehouden werd, mogt komen: zie daar
schreeuwende gunstbewyzen!--dan men kon dezelven ligtlyk toestaan, want
de gevangene had nog genoeg te lyden: sterk drukt de bovengemelde groote
Dichteres zig desaangaande uit, in een' brief van ARNOLD GEESTERANUS aan
MARIA VAN REIGERSBERGEN (_Bladz. 45_), daar zy ARNOLD deze woorden laat
schryven:

    _Men bragt me op Loevestein, daar veele broeders zaten._
      _Men zegge: dit 's het loon van al wie stout weêrstreeft,_
    _Het geen de magt des Lands gesteld heeft by Placacaten:_
      _Maar dat men ons zo hard--zo wreed mishandeld heeft!_
    _Of heeft de Magt des Lands dit ook met een geboden?_
      _Men wyz' de wettigheid van zulk een handel aan;_
    _Wat heeft men uw' Gemaal, door uw beleid ontvloden,_
      _In dees Gevangenis al kwelling aangedaan!_

Bevreesd dat HUGO, door middel van touw en rappe handen, zyn lyden zou
ontvluchten, had men reeds beslooten, de kleine vengsters zyner
gevangenis nog digter te maaken, "waardoor hy meer benaauwing van licht
en lucht, ten nadeele zyner gezondheid zou gehad hebben," maar zyn
Geneesheer wist zo veel dringends, nopens zyne zwakheid te zeggen, dat
men hem de genade bewees, om het lieve daglicht te mogen zien, en de
gezonde werking van versche lucht te mogen genieten: ô ja, de groote
HUGO, het uitmuntend mensch, werd tot zo verre van den medemensch,
waarschynelyk vry minder groot, begenadigd, dat hy in 't algemeene
geschenk van GOD mogt deelen: hy mogt den dageraad zien aanbreeken--maar
zuchtende: hy mogt de avondschemering al 't aardsche zien bedekken--maar
klaagende--des niettegenstaande werd de mensch door den mensch
begenadigd.

Men denke echter niet dat zyn ryk verstand hem geene onuitputtelyke bron
van troost zou verschaft hebben; ongetwyfeld zyn 't slechts oogenblikjes
geweest, dat de mensch het roer in handen gehad heeft, en zekerlyk is 't
getal dier oogenblikjes nog verminderd door de toegenegenheid zyner
geleerde vrienden, waaronder boven allen te tellen zyn, de Heeren VAN
MAURIER, SCRIVERIUS, ERPENIUS en VOSSIUS, die heimelyk briefwisseling
met hem hielden: VOSSIUS vermaande hem, dat hy moest denken aan zynen
naam, en aan de gulde spreuk van SENECA:

    __GROOT_ is de man alleen;_
    _Die 't groot kan achten kleen._

Men kon niet weeten, schreef die geleerde man, wat GOD nog met hem voor
had--voorwaar uitmuntende troostwoorden in de ooren des verstandigen;
wat weet ik, zegt deze, ik die het algemeene plan niet kan overzien.....
maar wy moeten by onzen HUGO blyven.

Dezelfde VOSSIUS zond hem nu en dan eenige boeken, zulks deed ook
ERPENIUS, die te _Gorkum_ geboren was, en aldaar een zuster had,
getrouwd met zekeren ADRIAAN DAATSELAAR, welke op verzoek van den Heere
ERPENIUS, de gevangene Heeren DE GROOT en HOGERBEETS, getrouwlyk met
raad en daad bystond: alles wat, ten behoeven van de gezegde Gevangenen,
uit _Holland_ naar _Loevestein_, of vandaar herwaards overgezonden werd,
kwam eerst aan het huis van DAATSELAAR; dus ook het koffer, waarin de
boeken, bovengemeld, van wegen ERPENIUS gezonden werden, en door middel
van welk koffer de beroemde HUGO, op aandrang van zyne Gemalinne, uit
het bange _Loevestein_ ontsnapt is; te beter gelukte deze list, om dat
dezelve niet te overhaast in 't werk gesteld werd, want men ondernam
niets, voor dat het af- en aan-brengen van het boekenkoffer als eene
gewoonte geworden was; niets voor dat men het koffer niet meer opende,
om te zien wat 'er in was, 't geen in den beginne telkens gedaan was
geworden.

Veel viel 'er intusschen nog voor, zo over het verkoopen der verbeurd
verklaarde goederen van den Gevangenen, als over het uitgeeven van
deszelfs afbeeldzel, al het welk door anderen breedvoerig beschreeven
is, en niet tot ons plan behoort; PROUNINK bleef ook bestendig zyn best
doen, in het onredelyk behandelen van den ongelukkigen DE GROOT; terwyl
evenwel de braave MARIA, niet zonder groote moeite, vergund werd, eens
ter week om nooddruft te mogen uitgaan, of te zenden.

Onze Held bragt zyn' tyd door met leezen en schryven, en ook somtyds met
het naloopen van een' dryftol, ter bevorderinge of onderhoudinge zyner
gezondheid--Onder zynen _Loevesteinschen arbeid_, muntte uit, het reeds
door ons genoemde werk, _Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid_,
en, _Het bewys van den waaren Godsdienst_, dat hy met deze verzen sloot:

    _Vindt gy hier iet, het welk u dunkt te weezen goedt,_
    _Bedank hem, zonder wien geen mensch iets goeds en doet:_
    _Is hier of daar gemist, herinner met medoogen,_
    _U zelven, wat een wolk bedwelmt der menschen oogen:_
    _Verschoon veel liever 't werk, dan dat gy 't bitter laakt,_
    _En denk, och Heer, het is te Louvestein gemaakt!_

Een gedeelte van den gezegden arbeid bestond ook daarin, dat hy zynen
Dienaar VAN DEN VELDE, in de _Latynsche Taale_, en de gronden, der
Rechtsgeleerdheid onderwees; en deze moeite is voorwaar met den
allerzonderlingsten uitslag bekroond; want by vervolg van tyd, huwde die
braave dienaar met de Dienstmaagd van Mevrouw VAN REIGERSBERGEN, genaamd
ELSJE VAN HOUWENING, welke, gelyk welhaast blyken zal, een voornaam
hulpmiddel geweest is, ter ontkominge van den ongelukkigen HUGO; VAN
DEN VELDE, verwierf den tytel van _Advocaat voor het Hof_, ja heeft
zelfs de eer gehad, van den uitersten wille zyner Hoogheid FREDRIK
HENDRIK, te schryven.

Na onze Held nu byna twee jaaren op de voorgemelde wyze doorgebragt had,
viel het oog van zyne schrandere Gemalinne op het koffer van den Heere
ERPENIUS, en zy sloeg haaren man voor, om zig, onder den naam van
boeken, met hetzelve, naar den vriend DAATSELAAR, te laaten brengen: men
stelle zig voor de verbaasdheid die onzen Held bevong, toen de
kloekmoedige MARIA hem dezen voorslag deed:

      _Lief, hoe komt het in uw' zin?_
    _Ik leggen in die Kist! pas half kan ik 'er in;_
    _Een derde is zy te kort, ook zoude ik moeten smooren,_
    _Hier is geene opning, waar door lucht zou kunnen booren._

Dus laat de meergemelde Dichter, DUIM, hem, in dit tydsgewricht,
spreeken: indien alles was, gelyk het moest weezen, was het antwoord der
schrandere vrouwe, dan zou men te eerder achterdocht opvatten: om kort
te gaan, men besloot te beproeven, of het koffer groot genoeg was; en,
bevonden hebbende dat de Gevangene

    "'er ter naauwer nood, niet uitgestrekt of in de lengte, maar
    gekromd en in bochten, in liggen konde, bezocht men daarna, of hy,
    in die benaauwdheid liggende, zyn adem kon scheppen, en hoe lange hy
    't, in gevalle van stilte of tegenwind, daarin zou kunnen uithouden.
    Vervolgens beval hy zyne huisvrouw, eenigen tyd op de kist te gaan
    zitten, om te zien of hy, als 'er onderwegen by geval iemand op ging
    zitten, zulks zoude konnen verdraagen:"

een uurs zandlooper, schryft men elders, liet zy tweemaal uitloopen,
hangende haare klederen voor 't sleutelgat;

    "zy, merkende onder het zitten op de kist, dat haar man zig nu en
    dan verroerde, en zyne beenen optrok of uitstrekte, waarschouwde
    hem, dat zy zulks kon voelen. Na dat men dit alles verscheidene
    maalen in 't heimelyk, zonder weeten van Knecht of Dienstmaagd,
    beproefd, en naar wensch bevonden had, besloot men de zaak, in Gods
    naam, te waagen:"

WILLEM en ELSJE werd nu den aanslag ontdekt, die beiden hunne hulp van
harten toezeiden: by DAATSELAAR was de noodige voorzorg gebruikt, en de
huisvrouw van PROUNINK, was, door haar, geduurende eenigen tyd, eene en
andere kleinigheden te schenken, ingenomen; want men nam de gelegenheid
waar, dat PROUNINK zelf, naar _Heusden_ vertrokken was, om de Compagnie,
waarover hy tot Capitein aangesteld was geworden, te ontvangen, dus men
alleenlyk de toestemming van deszelfs vrouw noodig had, om het koffer,
naar gewoonte, te doen scheep brengen.

Alles dus voorbereid zynde, verscheen den bepaalden dag, (22, BRAND zegt
13 Maart 1621); de groote HUGO vleide zig neder in het koffer, en begaf
zig dus uit de eene gevangenis, in eene nog veel engere, om door dat
middel, de vryheid, die natuurlyke schat van den mensch, hem te
jammerlyk ontnomen, weder te krygen: een nieuw Testament verstrekte hem
ten hoofdkussen, en dus kan men zeggen, dat HUGO zyn hoofd gerust op
GOD's woord nederleide; ook had hy niet te vergeefsch op zyn' Schepper
vertrouwd: met het aanbreeken van den dag, waarop de geoorloofde list in
't werk gesteld zou worden, viel hy op zyne kniën, en bad, dat de
Almagtige zynen toeleg wilde zegenen: de verhooring van zyne bede was by
GOD bepaald; het koffer werd, na ontvangen verlof, met behulp van eenige
der wachten, aan boord gebragt, echter niet zonder groot gevaar voor den
benaauwden HUGO, van ontdekt te zullen worden; ELSJE had de zorg op zig
genomen, om met de kleine gevangenis over te steeken, en stapte
derhalven kloekmoedig mede op 't schip: zie daar onze Held ten deele
verlost: men begrype wat 'er in 't hart van de edele REIGERSBERGEN moet
omgegaan weezen: treffend was haar gedrag, na zy de nieuwe gevangenis
van haaren beminden HUGO geslooten had: hoor de bovengeroemde
onvergelykelyke Dichteres dat gedrag verhaalen:

    _ô Weêrgaêlooze vrouw! 'k denk nooit aan uw bestaan,_
    _Dan met een kloppend hart: hoe menig stille traan_
    _Heb ik om u geweend, geroerd door mededogen......_
      _Gy knielt ter neêr, gy kust het slot,_
      _Beveelt, al schreiende, uwen God,_
    _Uw lieven Grotius,--wiens ziel blyft onbewogen?_[6]

De groote _Agrippyner_ heeft mede niet vergeeten, dat edele voorwerp te
vereeuwigen; dus zingt hy in een Dichtstukje, ten tytel voerende, HUGO
DE GROOTS _verlossing, aan Mevrouw_ MARIA VAN REIGERSBERGH:

    _Een vrouw is duizent mannen t' erg._
    _O eeuwige eer van Reigersbergh,_
    _De volgende eeuwen zullen spreeken_
    _Hoe gy den haet hebt uitgestreken:_
      _Na datge op 't droef gevangenhuis._
    _Gelyk Marye neffens 't kruis,_
    _Uw Bruigom, onder moordenaaren_
    _Gerekent, trooste heele jaaren:_
      _Zoo liet de trouwe Michol eer,_
    _Haer' liefsten schat met koorden neer,_
    _Toen Sauls zweerden hem bezetten,_
    _Gelyk de Jagers 't hart met netten._
      _Aldus werd Lynceus ook gered_
    _In zyn belegert bruiloftsbed,_
    _Toen zo veel ledekanten smoorden,_
    _In 't gruwlyk bloet der mannemoorden._

Dezelfde Prins der _Nederlandsche Dichteren_, maakte op de vlucht van
onzen Held, het volgende geestig dichtje:

    _Twee kisten bergden Huig de Groot,_
    _d'Een levendig, maer d'andre doot_.

Had Mevrouw VAN REIGERSBERGEN zig kloekmoedig gedraagen, niets minder
kan van het trouwhartige ELSJE gezegd worden: verscheidene zwaarigheden,
die allen den aanslag zouden hebben kunnen doen mislukken, zo wel by 't
inscheepen, staande den overtogt, als by het overbrengen van den
dierbaaren vracht, uit het schip naar het huis van DAATSELAAR, had zy te
boven te komen; in alles gedroeg zy zig zo schrander als onverschrokken,
en ten loon daar voor smaakte zy het genoegen, van haaren Heer weder in
genoegzaame vyligheid te mogen zien.

[Afbeelding: _Afbeelding (in twee Plaaten) van een KOFFER, waar mede
HUGO de GROOT van Loevestein naar Gorinchem, volgends alöude
Overleveringen zou zijn Getransporteerd, in den toestand zo als dezelve
thans binnen Amsteldam, berustende is, onder den Heer Mr JACOB
KLINKHAMER, die de Aftekening daar van, op gedaan versoek, heeft
toegestaan, in de maand December des Jaars 1783_.

_J.C. Schultsz, del. 1783._  _J.B. Elwe, Excudit._  _C. Philips, Jz. fecit._]

[Afbeelding: _J.C. Schultz, del. 1784._ _C. Philips, Jz. fecit._]

Wat betreft het koffer, waarin onze Held zyne gevangenis ontkomen was,
en welke de Lezer op de nevensstaande plaaten, zeer uitvoerig vertoont
wordt; de Heer, Mr. JACOB KLINKHAMER, vleit zig dezelve te bezitten, en
het is met Zyn Ed. gunstige toestemming, dat de Kunstschilder J.C.
SCHULTZ, daarvan twee juiste aftekeningen vervaardigd heeft: de Heer
J.C. PHILIPS, door wiens bekwaame hand de gezegde tekeningen in 't koper
gebragt zyn, heeft ons de volgende beschryving daarvan medegedeeld.

    "Het koffer is gemaakt van boekenhout; heeft een boogswys dekzel,
    zynde van buiten geheel overtrokken met dun zwart leder, en
    beslagen met eene menigte van dunne, smalle, eizerene banden: de
    sluiting bestaat in twee binnensloten, en één buiten- of hang-slot.

    "Van binnen is het koffer met wit linnen bekleed, zynde het zelve,
    naar gewoonte, aan het dekzel, met elkander kruissende linten
    belegd.

    "Men ziet dat de tyd, en het gebruik, of herhaalde overvoeringen,
    het een en ander merkelyk beschadigd hebben; veelen der eizerene
    banden zyn geheel of gedeeltelyk weg; doch men kan derzelver
    plaatsen, door een roestige vlek, meer of min gewaar worden: van
    het bekleedzel, zo wel binnen als buiten, zyn hier en daar geheele
    lappen uitgevallen.

    "De rand van het dekzel is aan den voorkant, byna in 't midden,
    (mogelyk door toeval,) sterk voorwaards gebogen, en steekt daar ter
    plaatse wel een duim breed over; zo dat men 'er 't hangslot niet
    heeft kunnen aandoen.

    "In den bodem is een vry groote kwast uitgevallen; dus kon door
    deze zo wel als door den afgebogen rand, luchts genoeg inkomen; te
    meer daar de bodem des koffers niet vlak op den grond staat, als
    hebbende onder een soort van slede, van byna twee duimen hoogte:"

----dit spreekt ons voorgaande verhaal wel niet volstrektlyk tegen, maar
evenwel kan het aanleiding tot bedenkingen geeven; wy laaten daaromtrent
ieder zyne vryheid, en den eigenaar van het _Vaderlandsche rariteit_ in
het onbetwiste bezit daar van.

    "De lengte van het koffer is buitenswerks vyf voet en byna vier
    duim:"

(by een ander vinden wy deze lengte bepaald op twee duim korter dan vier
voet:)

    "de breedte is twee voet en ruim één duim; de hoogte tot op 't
    midden van het dekzel, twee voet en ruim twee duim; alles
    _Rhynlandsche maat_."

't Zal hier niet oneigen zyn den Lezer te doen hooren, hoe de groote
HUGO zelf, deze zyne gelukkige tweede gevangenis beschouwd heeft: hy
schreef in vervolg van tyd een aanspraak aan dezelve, in _Latynsche
verzen_, welken in de volgende _Nederduitsche_ vertolkt zyn:

    _Zoete Schuilplaats, o voor korten tyd naauw huiske,_
    _Dat myn bedrukte ziel, beslooten in uw kluiske,_
    _Hebt vry gemaakt, en zo in open lucht gesteld_
    _Uw lieve last, die, naauw gepakt, door sterk geweld_
    _Van 't strenge Krygsvolk, werd allengskens uitgedraagen,_
    _En eindlyk, als een pand, doch dat ze niet en zaagen,_
    _Bevolen, op een schip, de Waals afloopend ty._
    _o Kist, wat danks, wat lofs verdiend gy wel van my?_
    _Gy hebt myn slaverny verjaagd en overstreden,_
    _Die 'k zeeven maanden meer dan twee jaar heb geleden_
    _Dat ik des hemels licht aanschouw met vry gelaat,_
    _Dat my geen Slot meer plaagt, myn ooren niet meer slaat_
    _Der grendelen geknars, en 't wreed gegraauw der wachten;_
    _Maar mag gerust en vry, het bly gegroet verwachten,_
    _Van vrienden, die gedoopt zyn in geleerdheids nat,_
    _(Als Puteäan, Thuaan, wiens trouw geen weêrga had,_
    _En dat geleerd verstand, Thilenus,) welker reden,_
    _Den onverdrooten tyd my vrolyk doen besteeden._
    _Dit al, en zo 'k nog meer geluks 't erdenken wist,_
    _Dit moet ik u alleen, dank weeten, lieve Kist,_
    _Doch wilde ik naar verdienste uw lof ten vollen roeren,_
    _Ik hoefde zo veel schrifts als gy ooit plag te voeren._

Men zegt, (wy begeeren alles onpartydig aan te tekenen,) dat het koffer
nog lang by een' Heer van aanzien bewaard, en fraai beschilderd is
geweest, met het opschrift: _Dees kist heeft Loevestein den Huig
geligt_: daarmede komt overëen 't geen de Heer BRAND het koffer doet
zeggen:

    _Wie heeft de vryheid meer verplicht?_
    _'k Heb Loevestein den Huig geligt._

Hoe die Heer aan het koffer gekomen is, zegt zeker schryver, weet men
niet, maar wel dat het langen tyd door DE GROOT'S ouders, te _Delft_
bewaard, en naderhand ten huize van zyn' broeder WILLEM vermist is,
waarover onze HUGO groote spyt toonde te hebben.

Wat betreft het schilderen, waarvan wy boven spraken, 't zelve wordt
door ons koffer, volgends opgaaf van den Graveerder, geheel
onaanneemelyk, zo niet logenachtig gemaakt:--dezen dank heeft men ten
minsten aan den Heere Mr. KLINKHAMER, dat wy thans weeten dat men het
koffer, waarin de beroemde HUGO, uit het bange _Loevestein_ ontkomen is,
waarschynelyk nimmer geschilderd heeft:--laat ons thans tot het
hoofdvoorwerp onzer bemoeijingen wederkeeren.

Het ontbrak hem ten huize van DAATSELAAR, aan geene goede trouw en
hartlyken bystand; langen tyd aldaar te vertoeven was geheel ongeraaden,
en onvermomd zig voor het oog van ieder te vertoonen, was niet minder
gevaarlyk; men vond dan onderling goed, dat de edele vluchteling zig in
een metzelaars gewaad zou vermommen: zekeren metzelaar, JAN LAMBERTSZ,
werd de onderneeming toevertrouwd, en tot reisgezel van DE GROOT
verkoozen, van welken last de goede man zig ook zo kloekmoedig als
voorzichtig kweet; hy bezorgde den vluchteling het noodige gewaad, gaf
hem een metzelaars maatstok of rei in de handen, die, ter oorzaake van
derzelver blankheid, hier en daar met wat kalk besmeerd werden, en trok
met hem, des morgens, omtrent 11 uure, op weg; DE GROOT betuigde, in 't
uitgaan, _dat hy zeer ontsteld, was, en naauwlyks op zyn beenen staan
konde_; "want hy vreesde", voegt zeker schryver 'er by;

    "dat hy, moetende voorby een' boekverkooper gaan, alwaar toen eenige
    Predikanten en andere lieden, in 't voorhuis stonden, van den een of
    den ander, gekend en verraaden mogt worden;"

doch men gaf hem moed, en zeide dat hy maar onbeschroomd voord moest
stappen.

Na veel sukkelens kwam hy te _Waalwyk_, alwaar hy slechts twee uuren
vertoefde; vervolgends op _Antwerpen_ reed, terwyl LAMBERTSZ te rug
keerde, en een bode van goede tyding werd: onze Held reed den gantschen
nacht door, en kwam, na eene en andere wederwaardigheid, behouden te
_Antwerpen_ aan; begeevende zig aldaar terstond naar het huis van den
geweezenen _Rotterdamschen Predikant_ GREVINKHOVEN, met wien hy welëer
als met eenen broeder verkeerd had.

Men kan ligtlyk begrypen hoe PROUNINK gesteld was, by de ondekking van
al het gebeurde: op zyn vraag aan Mevrouw DE GROOT, waar haar man was,
laat men die moedige Gemaalin antwoorden; _Myn vriend, dat vogeltje is u
ontvlogen, maar 't kooitje is 'er nog_; terstond valt hy met eenige
soldaaten in een; schuit vaart over naar _Gorkum_ en bewerkt dat het
huis van DAATZELAAR, schoon het reeds nacht geworden was, bezet werd;
doch deeze en ook alle andere poogingen om den vluchteling te ontdekken,
waren vruchtloos: op _Loevestein_ wedergekeerd zynde, deed hy ook aldaar
alle mogelyke navorschingen, dan men kon hem niet meer zeggen, als men
zelven wist. Het eerste gevolg van het manmoedig bedryf van Mevrouw DE
GROOT, was, dat zy, benevens haare dochter CORNELIA, omtrent veertien
dagen lang opgeslooten bleef, zelfs zonder dat de meid afkomen mogt om
spyzen gereed te maaken; "doch na drie dagen," dit vinden wy
aangetekend,

    "ontving ze een tarwen koek op de tafel, en in dezelve zat een brief
    verborgen, die haar kennis gaf van haar mans gelukkige aankomst te
    _Antwerpen_; want onze DE GROOT, was geenzins in gebreken gebleeven,
    van ten eersten zyn verblyf aan zyn ouden Vader, en aan zyne
    gemeenzaamste vrienden in _Holland_ te berichten":

hy schreef ook aan zyne Excell. Prins MAURITS, die, toen hy hoorde op
welk eene wyze DE GROOT gevlucht was, van de moedige REIGERSBERGEN
zeide: _Ik dacht wel dat dat zwarte varken ons nog eens zou
bedriegen_[7]: "'t Is my leet", zeide hy in zynen brief aan dien grooten
oorlogsman,

    "dat eenige persoonen my soo wangunstig syn, dat zy uwe Excelentie
    hebben konnen beletten, soo goeden voornemen te effectueren; 't
    welck my ten langen laetsten heeft doen denken op middelen om my
    selven te helpen; 't welck ik vertrouwe dat uwe Excellentie my niet
    anders als wel sal afnemen; considererende hoe natuurlyck alle
    menschen, jaa selfs den beesten is, de lust tot vryheit."

Voords verzocht hy, zyne getrouwe diensten te gedenken, als mede wie de
vader was geweest van zyne huisvrouw, by welke hy vyf kinderen had,
ontbloot van 's vaders goederen, staat en winsten; en hoopende, dat zyn
Excell. niet zou gedoogen, dat zyn voorsz. huisvrouw en kinderen eenige
verdere bezwaarenissen werden aangedaan: niet minder hartlyk schreef hy
aan Prins HENDRIK, en aan hunne Hoog. Mogende, de Heeren Staaten
Generaal; aan welken hy onder anderen zeide:

    "Het valt my wel hardt, myne Heeren, dat ik soo veel tegens myne
    vryheit en in myne goederen heb moeten lyden, en nog lyden moet, wel
    verzekert zynde in myn conscientie, dat ik, na de kennis die ik van
    de zaken gehadt heb, goede advysen en raedt gegeven heb tot slissing
    van de zwaarigheden, ontstaan voor en al eer ik tot den dienst ben
    beroepen geweest, altyt vertoonende alle getrouwigheid tegen myne
    Meesters de Magistraat van _Rotterdam_, en de gehoorsaamheit aan
    myne Heeren de Staten van Hollandt en Westvrieslandt. Maer al het
    quaet dat my aangedaan is, en nog zou mogen aengedaen worden, zal my
    nimmermeer afkeeren van de liefde, die ik altyt hebbe gedragen, en
    naer myn klein vermogen betuigt tot myn Vaderlandt, voor welkers
    vryheit, rust en voorspoedt, ik den Almogenden altyts bidden zal, en
    dat tot dien einde 't Hem gelieve," enz.

--deeze betuiging omtrent de liefde voor zyn vaderland, heeft hy ook met
'er daad bevestigd; want aangaande zyn verblyf te _Parys_, leezen wy,
dat hy altoos eene byzondere drift toonde,

    "om synen Vaderlande en syne Landsluyden, wanneerse yets aen dat
    Hof te doen hadden, met raedt en daedt, en door de gunst die hy hadt
    by eenighe van 's Koningks Bewintsluyden te dienen en hunne
    belanghen, te bevorderen; hoewel hem niet onbekendt was, dat sy, die
    in dat Ryk de saeken der Algemeene Staeten waernaemen, geen dingh
    onbesogt lieten, om 't hart des Konings teeghen hem te verbitteren:
    maar",

voegt deeze schryver 'er by,

    "vergeefs was al hunnen arbeydt by eenen Prins, ten vollen
    onderricht van alles wat 'er in de Jaeren 1618 en 1619, in Hollandt
    was omgegaen: Jae ook zelfs verhaelt men, dat hy sich verwonderde
    over de deught van dien man, die, soo quaelyk in syn Vaederlandt
    gehandelt zynde, echter niet afliet van het te begunstighen en de
    onderdaenen syne genegenheit te bewysen, en ook zelfs op allerhande
    wysen, hem mooghelyk, wel te doen:"

--LODEWYK moge zig daerover verwonderd hebben, 't komt ons echter
voor dat het niet zeer te bewonderen is, dat een man als onze HUGO, zo
edel van ziel, en zo doorgeoefend van verstand, schootvry geweest is
voor de aanvallen der wraak.

Zo dra zyne vrienden vernamen, dat hy zig te _Antwerpen_ bevond, gingen
eenigen derzelven hem wel rasch bezoeken; ook werd hy van de voornaamste
mannen in geleerdheid dagelyks in geschrifte begroet, over zyne ontkoming:
onder die allen muntte uit, de beruchte _Leuvensche Hoog-Leeraar_, ERYCIUS
PUTEANUS: "Laet ze zich alle vry verwonderen," dus schreef deeze aan den
edelen vluchteling, volgends de vertaaling van K. BRAND:

    "DE GROOT was niet geheel in de kist: in de kist was 't lichaam, in
    't schip de kist, in den stroom 't schip; en in dit alles en buiten
    dit alles scheent gy my te zyn; gy hadt de geheele werelt vervult.
    Uw lichaam kon dan in den kerker bewaart worden, uw verstandt
    niet."--"Laet zich derhalven anderen beklaegen,"

dus luidt een verder gedeelte van dien brief,

    "dat ze nae geleden schipbreuk naekt en bloot bleven zitten, en
    hunne goederen verlooren hadden, gy hebt by u zelven alle goederen,
    geen roof of geweldt onderworpen. Gy zyt GROTIUS, gy zyt groot, en
    dat 's genoeg, om u te doen verstaan dat u niets ontbreekt":

--Krachtig drukte de geleerde man zig uit over den aart eener Republiek,
en vooral over den toenmaaligen toestand van de onze, wy zwygen van den
tegenwoordigen toestand derzelve: "Al de outheit", zeide hy,

    "roept, _laat 'er een Heer, laet 'er een Koning zyn_: immers uw
    ongeluk roept ons toe, dat 'er geen staet van menschen buiten gevaer
    is, daer 't volk gaende wordt; geen haven zonder schipbreuk; daer
    alle goddelyke en menschelyke zaeken over hoop storten; wat is daer
    toorn? wat is daer haet? waer is daer rust of heil? Zoo veel waters
    als 'er is, zoo veel viers en brants is 'er overal. Ik zou wel
    zeggen, dat die zee door de helsche Geesten aen brandt is geraekt".

DE GROOT, liet niet na deezen brief te beantwoorden[8], en in dat zyn
antwoord te toonen dat de Hoogleeraar niet ten onrechte van hem gezegd
had, _gy zyt groot!_ "Wie," zeide hy,

    "kon vryheit hoopen uit een engen kerker; of 't scheppen der open
    lucht, uit eene benautheit, die naulyks een luchje voor d'ademende
    ziele wou doorlaeten?"

--Van zyne Gemaalinne spreekende, zeide hy:

    "Zy alleenlyk kennis hebbende dat ik was uitgedraegen, en den
    uitslag, die nog onzeker was, met beangsten gemoede overleggende,
    deedt een wensch, die niemant verwacht zou hebben van een Egaa, die
    haren man op 't hertelykst bemint, dat haer man op 't verste van
    haer mogt zyn. My, toen eerst verstaende van hoedanig een vrouw ik
    was gescheiden, viel haer afzyn zoo lastig, dat ik my liever wederom
    in de gevankenis had begeven, dan haer lang te missen."

--Moedig bepleitte hy de eer van zyn vaderland, tegen het boven
bygebragte zeggen van den Hoogleeraar, daar op betrekkelyk: "Ook mag
het," zeide hy,

    "den Vaderlande niet geweten worden, 't geen in 't Vaderlandt
    geschiedt. De dertig Tyrannen waren Athenen niet,--Cicero achtte de
    geenen, die zyn huis onder de voet geworpen, en hem des levens
    onwaerdig verklaert hadden, niet het volk van Rome, maar 't schuim
    des volks te zyn."

--Het zeggen van AUGUSTUS: _Die den tegenwoordigen staat der regeeringe
niet wil veranderen, is een eerlyk man en goed burger tevens_, oordeelde
hy eenen CATO waardig te weezen:--om reden wederhouden wy ons, anders
zoude het hier de plaats zyn iets op onze tegenwoordige
staatsgesteldheid aantemerken.

Lieten de Geleerden onzen held niet onbegroet, de Dichters waren niet
minder yverig, om zyne zonderlinge ontkoming, in hunne verzen te
vereeuwigen: een Dichtstukje, dat op 's mans afbeelding vervaardigd
werd, sluit dus aartig:

    _De morrende Soldaat was vol van achterdocht,_
    _Of 't niet wat anders was dat hy ter schepen brocht;_
    _En of hy zelfs den Heer, om veylig heen te varen,_
    _Niet uit het Fort en droeg, daar hy hem moest bewaren,_
    _Hy brengt hem evenwel ter ysre deuren uit,_
    _Daar men den kerker toe, en hem daar buiten sluit:_
    _De stroom-goon haasten haar, om hem de lucht te geeven,_
    _De Maas en Waal, tezaam ten Merwen afgedreven,_
    _Geleyden haare vracht tot binnen Arkels stad;_
    _Daar ging den Hemel op voor die in 't koffer zat._

Onder anderen kwam ook in 't licht de volgende regelen, by wyze van een
antwoord van de kloekmoedige MARIA, aan den misnoegden Commandeur van
_Loevestein_:

    _Vrouw _REYGERSBERG_ spreek tot den Kastelyn,_
    _De Slotvoogt van het sterke _Loevestein_,_
    _Wat hebt gy (zeg toch) over my te klaagen_
    _Dat ik myn man' heb uit het fort doen dragen?_
    _Bemint my eer, als dat gy my beticht,_
    _Gy had de _HUICH_, en die heb ik geligt._

Het slot van dit dichtstukje, komt zeer wel overëen met het tweeregelig
versje van BRAND, door ons Bladz. 74 opgegeeven.--Den vyfden dag na zyne
aankomst te _Antwerpen_, verzocht de Heer D. KEMPENAAR, hem, dat hy iets
in zyn stamboek geliefde te schryven, gelyk hy deed, in vier _Latynsche
regels_, welken aldus vertaald zyn:

    _Die uit hun moeders buik, als uit een _kerker_ komen,_
    _Wier ziel in 't leven van 's lyfs _kerker_ wordt bewaard,_
    _En wachten na hun dood tot _kerkerplaatze_ de Aard,_
    _Die moeten niet te zeer voor boei, of _kerker_ schroomen._

Na den raad zyner goede vrienden ingenomen te hebben, verkoos hy _Parys_
tot zyn verblyf, alwaar hy door de voornaamste Raaden des Konings, en
vervolgends ook door zyne Majesteit zelve, met de uiterste vriendschap
en blyken van toegenegenheid ontvangen werd: dit gaf aanleiding tot
verscheidene valsche geruchten, onder anderen ook dat hy den _Roomschen
Godsdienst_ stond aan te neemen, waartegen hy verzekerde, dat hy zig
hield aan die kerk, waarvan hy vóór zyne gevangenis een lid geweest was;
betuigende ondertusschen, dat hy de _Roomsche leer_ omhelzende, in
_Frankryk_; grootere amten en waardigheden zou kunnen deelachtig worden,
dan in zyn vaderland.

De rust welke onze Held nu genoot, maakte hy zig ten nutte, en begaf
zig, met vernieuwden lust, aan de studie: reeds op den derden dag na
zyne aankomst aldaar, bezat hy bedaardheid van geest genoeg, om zyne
onvoorbeeldige Gemaalinne, zyne overkomst, in versmaat, bekend te
maaken; in dit zoetvloeijend dichtstuk, waarin het hart alleen spreekt,
drukte de groote Letterheld zig dus uit:

    Maar ghy Regeerders 's Lands, wat roem meent ghy te dragen,
    Dat ghy bestaat een vrouw, en sulken vrouw te plagen?
    Daer sullen rechters syn, die tusschen u en haer
    Recht sullen spreecken nu, en noch nae hondert jaer;
    Niet vier-en-twintig, niet eenzydelyk verkooren,
    Maer honderd duysenden en hoogh en laegh gebooren;
    Die sullen, u ter schandt, en haer ter eer verstaen,
    Dat ghy seer qualyk hebt, en sy seer wel gedaen.

Het eerste zyner werken, dat hy, na 't verkrygen van zyne vryheid in 't
licht gaf, was zyne verantwoording van de wettige regeering van
_Holland_: zie hier, hoe zeker schryver, van dit werk spreekende, zig
uitdrukt:

    "d'Algemeene Staeten hier van verwittight zynde, en niet onkundigh,
    dat in dit Boek hunne konstenaeryen, en het geweldt, Hollandt
    aangedaan, ontdekt wierden, hebben, dewylse niets anders hadden, om
    de waerheit daar in uitgedrukt teeghen te spreeken of te
    wederlegghen, gebruykende hunne voorlangh gewoone geweldenary, den
    selven vervolght met bannissementen: welke krachteloose blixem, als
    hy, door de bescherminghe des Alderchristelyxten Koninghs, die hem
    in syne beschuttinge hadt genoomen, was verdweenen, is daer door
    niets anders te weeghe gebraght, als dat de Groot geruster en
    veyligher heeft konnen leeven; dat de winst der Boekverkooperen, die
    deese Boeken verkoghten, is verdubbelt, en de nieuwsgierigheit der
    leezeren soo geweldigh aangewassen, dat, de ooghen van veele
    Regenten verlicht zynde, derselver gesagh niet alleen in 't publyk,
    maer ook ter Vergaderingh der Staeten selve, en dat meer is, teeghen
    d'Algemeene Staeten selfs is doorgedronghen":

By een zeer scherp plakaat, werd dit boek niet slechts strenglyk
verboden, maar ook verklaard voor _fameux, séditieux_ en _schandeleux
libel_, en boven dien werd de schryver verklaard strafbaar aan lyf en
goed, toe alle plaatsen en tyden daar hy zou mogen gevonden worden,
zonder dat eenig verloop van jaaren hem daarvan zou kunnen bevryden: de
tyding van deeze gebeurtenis kwam hem te _Parys_ wel haast ter oore, en
was vermogend genoeg om 's mans hart te ontstellen: ondertusschen dacht
men in _Frankryk_ niet gunstig over dat gedrag der _Nederlanderen_; de
President JEANNIN, was van gevoelen dat hy zig over de onbillykheid
daarvan, by geschrifte moest verklaren; een ander zeide: _als men de
vernuften straft, zo groeit hunne achtbaarheid_; de Gezant MAURIER
schreef hem uit _'s Gravenhage_, onder anderen, het volgende:

    "Wat het Plakaat betreft, gy weet wat men zegt van de Excommunicatie
    van Rome, die men _krachtlooze blixem_ noemt; ook weet gy dat de
    geenen waar mense tegen uitwerpt, daarom niet minder welvaarende
    zyn;"

deeze hartlyke troost was ten hoogsten aangenaam, maar gaf echter geene
geruststelling; die moest van eenen anderen, van een vermogender kant
komen; zyne Majesteit alleen kon dezelve den doorluchtigen balling
bezorgen, en deeze werd ook, in een breedvoerig smeekschrift, daarom
verzocht, niet zonder de hoogste voldoening daarop te ontvangen, want
LODEWYK verklaarde in 't openbaar, dat hy DE GROOT wèl en gunstig
begeerde te behandelen, "gelyk wy voorheen gedaan hebben," zeide zyne
Majesteit, "om de achting, die wy voor hem hebben, ter oorzaake zyner
vroomheid, en uitneemende weetenschap, waarvan wy wel onderricht zyn
geweest, door veele groote Persoonaadjen van onzen Raad."

"Zo is 't", dus luidde het slot deezer openbaare verklaaring;

    "Zo is 't, dat wy ten overvloede verklaard hebben, en verklaaren by
    deezen tegenwoordigen brief, getekend met onze hand, dat wy genomen
    en gesteld hebben, gelyk wy neemen en stellen in onze speciaale
    Sauvegarde en bescherming, den Persoon van den voornoemden _de
    Groot_, zyn huisgezin, goederen, en alle dingen hem toebehoorende in
    dit ons Koningryk; doende verbod aan alle perzoonen van wat natie,
    qualiteit en conditie dezelven zouden mogen weezen, van hem te
    misdoen of te miszeggen, of ook iet te bestaan en te attendeeren
    tegen zyn persoon, het zy directelyk of indirectelyk, op hoedanige
    wyze of maniere, en onder wat protext of dekmantel zulks zoude mogen
    zyn, _op lyfstrafe_.

    "Belastende aan alle onze Rechters, Amtlieden, Landdrosten, Archers
    of Lyfwachten, en anderen, hem de sterke hand en hulpe te bieden, en
    niet toe te laaten, dat hem eenig ongelyk of injurie aangedaan
    worde, procedeerende tegen de genen, die hier tegen zouden durven
    handelen, als tegen verbreekers van onze Sauvegarde, op poene als
    vooren; en doende in zulker voege, dat de voornoemde _de Groot_ moge
    leeven in alle zekerheid onder onze authoriteit en bescherming."

BRAND zegt, dat de gemelde verantwoording wel schielyk verbooden, maar
nooit wederlegd is geworden.--De groote HUGO schreef, staande zyn
verblyf te _Parys_, onder anderen, ook nog zyn _Onderzoek van de
Pelagiaansche Leerstukken_, waarin by ruiterlyk voor de zaak der
_Remonstranten_ uitkwam; want hy toonde in dat geschrift aan, dat de
Leer der gezegde Kerkgemeente, niet _Pelagiaansch_ was, maar met het
gevoelen der oudste en zuiverste Leeraars overeenkwam.

De diensten welken hy, staande zyn verblyf aan het _Fransche Hof_, zyne
landgenooten bewees, zyn indedaad niet gering geweest; trouwens een man
als onze DE GROOT was ook in alle opzichten te groot, dan dat zyn leven
niet eene aanëenschakeling van roemwaardige bedryven zoude geweest zyn;
Prins FREDRIK HENDRIK was zelfs één van de geenen welken hem
desaangaande dankbaarheid verschuldigd waren: een missive van dien
doorluchtigen Persoonaadje, in de _Fransche taale_ aan HUGO geschreeven,
onder dagtekening van den 4 Augustus 1621, begint met deeze woorden:

    "Ik dank u voor de goede diensten die gy my, by eenige Raaden des
    Konings gedaan hebt[9], en bid u daarin te volharden, zo wel by
    gemelde Raaden, als by anderen, waaromtrent gy zulks noodig zult
    oordeelen; zyt verzekerd dat ik u desaangaande myne erkentenis zal
    toonen, in alle gelegenheden, waarin ik u van eenigen dienst zal
    kunnen weezen:"

--"Ik wenschte", dus luidt een verder gedeelte van dien brief;

    "Ik wenschte in staat te zyn van u alhier nuttig te kunnen zyn in
    uwe zaak, ik zou my daarin met al myn hart van myne verpligting
    kwyten; maar gy weet, dat de gelegenheid der zaake zodaanig is, dat
    noch ik, noch uwe andere vrienden u daarin niet kunnen dienen, zo
    als wy wel zouden wenschen; ik hoop dat de tyd daarin eenige
    verandering zal ten wege brengen, en dat ik u, ten eenigen tyde, in
    deezen Lande, zal mogen wederzien, zo hoog geacht, zo algemeen
    geëerd, als uwe zeldzaame talenten verdienen; het welk my niet
    minder genoegen zou doen smaaken, _dan ik gesmaakt heb, by het
    verneemen van uwe ontkoming_; ondertusschen," enz.

Deed FREDRIK HENDRIK recht aan 's mans ongemeene bekwaamheden, LODEWYK
DE DERTIENDE was daarin evenmin nalaatig; niet alleenlyk zeide hy hem
mondling: DE GROOT, _gy zyt een treffelyk man, en ik wil u wel doen_,
maar had zulks ook reeds werkelyk getoond door hem, na hem eene
aanzienlyke vereering gedaan te hebben, een jaarlyks tractement van 3600
guldens toeteleggen: in het koninglyk besluit desaangaande genomen, en
dat zyne Majesteit eigenhandig ondertekende, vindt men, dat de koning
hem dat pensioen toestond, om hem by zig te houden, _hebbende in achting
genomen de verdiensten, bequaamheit en zonderlinge geleertheit van den
Heer de Groot_.

Na, gelyk wy boven, (bladz. 82) gezien hebben, de onvoorbeeldige
REIGERSBERGEN, weder op vrye voeten was gesteld worden, en na eenige
vergeefsche pogingen ter verdere verlossinge van haaren halsvriend
aangewend te hebben, toefde zy niet om zig ook weder in het bezit van
dien onwaardeerelyken schat te stellen; zy stak naar _Frankryk_ over:
het trouwhartig ELSJE was door te sterke banden aan haare Meesteresse
verbonden, dan dat zy dezelve niet op de reis vergezeld zou hebben;
_Parys_ ontving ook die lofwaardige Dienstmaagd binnen haare muuren, en
werd door veelen bewonderd; onder anderen toonde de President JEANNIN,
inzonderheid, groote begeerte om haar te zien, en zeide, toen hem zulks
mogt gebeuren: _Ma fille! _DIEU_ vous benira_; dat is: _Myn Dochter!
_GOD_ zal U zegenen_.

Den geruimen tyd van elf jaaren, bragt onze Held in het _Lelieryk_ door,
in welken tyd hy meer dan ééns aangezocht was geworden, zo door
CHRISTIAAN DEN VIERDEN, Koning van _Deenemarken_, als door GUSTAVUS DEN
GROOTEN, Koning van _Zweeden_, en anderen, om in derzelver Ryken
aanzienlyke amten te bekleeden, maar hy hield nog altoos het oog op zyn
Vaderland gevestigd, en hoopte zekerlyk nog eens in deszelfs boezem zyne
verloorene rust te zullen wedervinden; gedeeltelyk tot dat einde had
zyne Gemaalinne reeds een reis derwaards gedaan, doch geheel zonder
vrucht: de gezegde hoop verkreeg echter van tyd tot tyd voedzel, schoon
dezelve ook wel eens weder geheel uitgebluscht werd; er vielen in
_Nederland_ zeer veele gewigtige veranderingen voor, waarvan als eene
der voornaamste genoemd mag worden, dat FREDRIK HENDRIK, dien wy gezien
hebben, dat niet tegen HUGO maar veelëer zyn vriend was, zynen broeder
MAURITS in de Stadhouderlyke waardigheid was opgevolgd, waarover zyne
Hoogheid door onzen Held geluk gewenscht werd: alle 's mans vrienden
yverden nu zeer hartlyk tot zyne herstelling, maar in _Frankryk_, liet
men in tegendeel niet na alles aan te wenden wat mogelyk was, om hem tot
de _Roomsche Kerk_ overtehaalen, tot welk einde zyne Gemaalin zelfs de
dringendste aanvallen moest doorstaan: "Myne huisvrouw", schreef hy in
zekeren brief, "wordt door de geleerdsten van _Parys_ aangevochten, maar
verdedigt zig treffelyk; ons hart", voegde hy 'er by,

    "zou beter strekken tot vereeniging met de Gereformeerden van ons
    land, na eenige verzachting van de wat te onvoorzichtig (zo wy
    oordeelen) gedaane decisie"

--"En hier," schreef hy aan UITENBOGAARD,

    "wat zal ik zeggen? men ziet, dat ik door goed noch kwaad ter misse
    wil gaan; men ziet dat ik geen voorneemen heb, ten aanzien van ons
    land, dan tot behoudenis van wettige vryheid; men ziet dat myne
    wederpartydigen sterk zyn, en in den Staat groot gezach hebben: wat
    hier uit volgen zal by eene Natie, die zo wispeltuurig is als de
    Fransche, zal UEd. best kunnen oordeelen;"

--"Men wil hier niet ten halve gediend zyn", schreef hy op een anderen
tyd;

    "op de betaaling wordt my ook reeds groote zwaarigheid voorgewend:
    men wil my wysmaaken dat het comptoir, waarop ik geordonneerd ben,
    geledigd is, het welk geene verstandigen kunnen gelooven:"

uit dit een en ander, waarby wy nog veele zaaken zouden kunnen voegen,
indien dezelven niet door anderen reeds breedvoerig waren geboekt
geworden, is gemaklyk optemaaken, in welk eene gesteltenis onzen HUGO
zig bevondt; evenwel verliet hy zyne letteroefeningen niet, maar
vervaardigde, van tyd tot tyd, veele schriften die zynen naam
onstervelyk gemaakt hebben.

_Frankryk_ werd vervolgends door verdervelyke onlusten verdeelt en
geschud; de duurte der levensmiddelen nam dagelyks toe, en op de
betaaling der pensioenen kon geen staat meer gemaakt worden; de groote
HUGO was te groot van ziel om te smeeken, en derhalven nam hy het
besluit, zig naar elders te begeeven; evenwel wilde hy niet in vreemden
dienst overgaan, voor hy verzekerd ware van de gesteldheid der
gemoederen in 't Vaderland, omtrent hem: de kloekmoedige REIGERSBERGEN,
stak andermaal over, om met vrienden en bloedverwanten raad te
neemen;--ieder verlangde hem te zien; de zaaken hier ten lande werden
van de beste zyde beschouwd; DE GROOT wenschte ook zeer vuuriglyk zynen
ouden vader nog eens te mogen omhelzen--was dit niet genoeg om hem de
reis te doen aanneemen? hy nam in 't openbaar afscheid van den Koning,
die hem niet alleenlyk met alle beleefdheid ontving; maar zelfs
omhelsde, en hem aanbood, ten zynen voordeele, eigenhandig aan de Heeren
Staaten te schryven: in 't laatst van de maand October des jaars 1631,
kwam hy behouden te _Rotterdam_ aan.

Men kan ligtlyk denken wat al beweegingen daardoor ontstonden, en welke
beweegingen niet weinig vermeerderden, toen de zaak ter ooren van zyne
vyanden gekomen was; tot by den Stadhouder toe, onderzocht men, op wiens
toestemming hy het gewaagd had, weder in 't Vaderland te verschynen;
ieder kende zig vry, hem daartoe verlof gegeeven te hebben; FREDRIK
HENDRIK zeide: _Ik heb hem niet doen komen_; men was geheel verdeeld
over de wyze waarop men den stap, door DE GROOT gedaan, zoude
behandelen; deezen waren voor de zachtheid, ten welke einde de Heeren
van _Delft_, zig zeer gelegen laatende leggen aan hunnen roemwaardigen
Inboreling, eene bezending naar den Prins Stadhouder afvaardigden;
_Amsteldam_ en _Rotterdam_ ondersteunden de lofwaardige poogingen van
_Delft_, maar anderen, zeer waarschynelyk door de Geestlykheid opgezet,
riepen, _dat hy _DE GROOT_ was, die Land en Kerk beroerde, dat hy de
tegenwoordige Regeering in zyne verantwoording voor onwettig gescholden
had, en dat hy op zyn eigen ban en boete, zonder voorafgaande
bewilliging der Staaten, in 't Land gekomen was_; en deeze party behield
de overhand; te vergeefsch had men hoop gevoed op den bystand van
FREDRIK HENDRIK; te vergeefsch hadden niet weinigen geloofd, dat hy
glory zou zoeken te behaalen door het herstellen van zo groot een man,
als deeze bewonderenswaardige vluchteling, in deszelfs voorige
waardigheden; men had dien Prins van zyne menschlievende en loflyke
oogmerken weeten te doen afzien: "maar gelyk meerendeels", zegt één van
HUGO'S levensbeschryveren;

    "op de gemoederen der genen, die by Vorsten doen en laaten zyn, meer
    het nutte dan het eerlyke plaats grypt, en er geene ontbraken, die
    hem voor oogen stelden, hoe gevaarlyk 't voor syne saeken zyn soude,
    eenen man, die met soo groot een stantvastigheit de Vryheit en syn
    Vaederland beminde, wederom in de Regeeringe in te neemen, heeft hy
    beslooten veel eer te volghen 't gheen hem syne moogenheit dan 't
    gheen hem syne weerdigheit raedde, en, als de Staeten
    beraedtslaeghden oover 't verblyf van _de Groot_, sich gevoeght by
    't oordeel der genen, die gevoelden dat men hem 't verblyven in syn
    Vaederlandt behoorde te verbieden":

--wat zou de doorluchtige balling, na het verlies van zulk een veel
vermogenden voorstander, anders hebben moeten besluiten, dan zyne
zelfberging niet uit het oog te verliezen?--hy nam de wyk naar
_Amsteldam_, alwaar hy zig een geruimeren tyd, onder eenen verbloemden
naam onthield, ten huize van den Heere, JOOST BRASSER, terwyl er
volgends de aantekeningen van den onpartydigen BRAND, by de Heeren
Staaten van _Holland_ geresolveerd werd, dat alle 's Lands Officieren
zouden worden gelast, HUGO DE GROOT, in verzekering te brengen, op
privatie van hun amt, en dat 2000 Guldens zou gegeeven worden, aan die
geenen die hem in handen van de Justitie zoude leveren: _Amsteldam_ had
zig daartegen zeer sterk verzet, van gedachten zynde, dat de Provincie
van _Holland_ niet bevoegd was de poenen tegen DE GROOT, by voorgaande
plakaat der Heeren Staaten Generaal gesteld, te bezwaaren; andere
steden voegden zig weder by _Amsteldam_; maar te vergeefsch, men
begeerde de zaak door te zetten, zo als zy van den beginnen af aan
opgenomen was geworden; het moest er nu meê door; men scheen te ver
gegaan te weezen om wedertekeeren; FREDRIK HENDRIK, "vond niet geraaden
tegen deezen stroom van sterke driften opteroeijen"; dus werd het
besluit, by meerderheid van stemmen, tot zyn nadeel genomen, gelyk wy
boven gezien hebben.

Ondertusschen werd zyn komst te _Amsteldam_ door de voornaamste Dichters
bezongen: de Heer HOOFT, vervaardigde een Dichtstukje, waarin hy van
onzen geleerden Held dus spreekt:

    _O Blaakende vernuft, zo puur_
    _Als 't rookelooze starrevuur,_
    _Wanneer hem wolk noch schaduw let!_
    _Gy stelt aan krygh en vreê de wet;_
    _'t Wargaaren van 't gerecht gy schift;_
    _Verlicht de duisternis der schrift;_
    _De naamen die uw' lof verbreidt,_
    _Vergoodt gy met onsterflykheit,_
    _Oft eeuwelyk onzaaligh maakt,_
    _De geene die uw' oordeel wraakt;_
    _Baardt wonderwerk by wonderdaadt;_
    _En altyds even zwanger gaat._
    _Maar alle wond'ren streeft verby,_
    _o Lief der deughde, dat, daar gy_
    _Die groote wonderen bedryft,_
    _Zoo kleen noch by u zelven blyft,_
    _Dan, mits dat gy u dus verneêrt,_
    _Houdt zich der Eng'len schaar vereert_
    _Met zich te draagen onderdaan,_
    _Aan u, en staâghs ten dienst te staan._

De groote VONDEL, die nooit zweeg, zweeg ook by deeze gelegenheid niet;
hy verwelkomende DE GROOT te _Amsteldam_, met deeze verzen:

    _Wat zaelge wint is 't, die van 't Lelistrant,_
    _Den stroom op, in 't ondankbre Vaderlant,_
    _Hervoert het Delfsche wetorakel, dat_
    _Gekoffert, als een kostelyken schat,_
    _Wel eer de bange Maes afdryven quam,_
    _Tot dat de sein het in haar armen nam,_
    _En zette dat gebergde Gods kleinoot,_
    _Met blydschap, op den koninglyken schoot_
    _Des allerkristelyksten Luidewyks,_
    _Die 't herberg schonk, tot glorie zynes Ryks;_
    _Op dat het, na 't verstuiven van die wolk_
    _Des druks, verscheen tot heil van 't vrye volk,_
    _En 't misverstant, aenziende 's helts gedult_
    _Hem weder eerde, en riep; het is myn schult, enz._

Ten blyke van de genegenheid die de wethouderschap der Stad _Amsteldam_
onzen DE GROOT toedroeg, verstrekt het geen wy aangetekend vinden,
naamlyk, dat hy, na zig omtrent drie maanden schuil gehouden te hebben,
de vryheid nam van openlyk langs de straaten te gaan; de kerklyke
vergadering der _Remonstranten_ by te woonen, en in de _Fransche Kerk_
te verschynen, niettegenstaande hy de straaten niet betreeden konde,
zonder een grooten toeloop van menschen, die hem eer beweezen en
beklaagden, waar uit te besluiten is dat het neemen van die vryheid, ter
ooren van de Regeering moet gekomen weezen; men verzekert evenwel dat
hem geen vrygelei gegeeven was geworden, hoe zeer anderen zulks ook
voorgaven; 't kan zyn dat het niet uitdrukkelyk geschied zy, echter is
het wel waarschynelyk dat onze Held de gemelde vryheid niet genomen zal
hebben zonder te weeten, dat de Wethouderschap den Hoofdofficier, en
door hem den Onderschouten, heimelyk gelast had, niets tot zyn nadeel te
onderneemen, want die last was door de Heeren Burgemeesteren gegeeven
geworden.

Zy die hem genegen waren, zaten ondertusschen niet stil, met hunne
pogingen aantewenden, om hem een gerust en vreedzaam verblyf in den
Lande te bezorgen; men vorderde van hem dat hy daartoe een
verzoekschrift zou opstellen, 't welk hy echter onwillens deed; maar men
oordeelde dat hy zig daarin veel te fier uitdrukte, 't geen een gevolg
was van zyn gevoelen wegens zig zelven; hy wilde met zyne partyen gaarne
bevredigen, maar alles wat slechts eenigzins naar belydenis van schuld
zweemde, hoe ingewikkeld ook, of de minste gunstvorderende uitdrukking,
was voor zyne waarlyk verhevene ziel onverdraagelyk; zyn verzoekschrift,
bovengemeld, werd dan afgekeurd en een ander opgesteld, doch dit
weigerde hy te tekenen, ronduit verklaarende, _dat hy geen pardon,
hoegenaamd, begeerde, maar wel vergeeven wilde den geenen, die hem
misdaan hadden_: na men langen tyd over zyn te houden gedrag geraadpleegd,
en elkanders gedachten onderling medegedeeld had, nam onze HUGO een
onverzettelyk besluit om het vaderland te verlaaten: begeerende dat het
ook niet zyn koud gebeente toevertrouwd zou worden; men poogde hem van
dat voorneemen aftebrengen, maar te vergeefsch, hy ging te scheep naar
_Hamburg_, waardoor hy zyne vyanden verheugde, doch zyne vrienden nog
veel meer bedroefde, vooral die geenen van hun, welken de hoop op eene
volkomene bevrediging nog niet geheel opgegeeven hadden; en waarin zy
versterkt werden door de betuiging van Prins FREDRIK HENDRIK, dat hy,
ingeval DE GROOT, door een request te presenteeren, zyne zaak eene
andere gedaante geeven, en zyne vrye inwooning verzoeken wilde, hy in
zulk een geval de hand aan zyne zaak houden, en alles ten zynen besten
zoude helpen bestuuren.

Te _Hamburg_ werd onze Held, met alle minzaamheid en hoogachting
ontvangen, ja veelëer, volgends zyn eigen schryven, als een staatelyken
Afgezant, dan als een verdreeven balling; hier voegde zyne Echtgenoote,
die zig eenigen tyd elders opgehouden had, zig weder by hem, en HUGO,
leide in het byzyn van haar, en zyn verder gezin, als mede onder het
onvermoeid navorschen en beoefenen der weetenschappen, een leven, zo
gelukkig als een man in zyn omstandigheid zou hebben kunnen leiden.

Eenigen tyd daarna werd hy, ('t geen reeds meermaalen geschied was, doch
nu ernstiger dan voorheen) aangezocht, van GUSTAAF ADOLF, Koning van
_Zweeden_, om in deszelfs dienst over te gaan; deeze Vorst was wegens
zyne geleerdheid, en doordringend oordeel, bekwaam om de zonderlinge
gaaven van den grooten HUGO, op haare rechte waarde te schatten; het
boek van onzen Held, over 't recht des oorlogs en des vredes, had zyne
Majesteit zig zeer ten nutten weeten te maaken, waarom zyne achting voor
het zelve ook zo groot was, dat hy het, ten dienste zyner onderdaanen,
in de _Zweedsche taale_ liet overzetten: DE GROOT werd, tot vreugd van
zyne vrienden, door den dood zyner Majesteit, die op het bed van eer
stierf, verhinderd, in het handelen over deezen overgang in _zweedschen
dienst_, maar zyne hoop op eene aanzienlyke verbindenis werd by het
leven behouden, door andere Mogendheden die hem, by aanhoudendheid,
aanzoeken van dien aart bleeven doen; de Koning van _Deenemarken_
verzocht hem te _Glukstad_ te willen komen, om hem in persoon te
spreeken, aan welk verzoek onze Held voldeed, en, ter gezegde plaatze,
door zyne _Deensche Majesteit_, met zonderlinge blyken van gunst en
genegenheid, ontvangen werd;--intusschen wees DE GROOT alle aanzoeken
van dien aart vriendlyk van de hand, het welk 't _Zweedsche Hof_ weder
gelegenheid gaf om het meer dan eens hervatte verzoek te vernieuwen, 't
geen AXEL OXENSTIERN, groot Cancelier van dat Ryk, dien benevens nog
drie andere Raaden, 't Staatsroer was toebetrouwd, ter oorzaake van de
minderjarigheid van Koninginne CHRISTINA, op zig nam, en daarover, in
het begin des jaars 1633 aan den geleerden HUGO schreef: "Kan UE," dus
drukte OXENSTIERN zig in dien brief uit,

    "zyne studien zo veel tyds onttrekken, dat gy my in dit gewest komt
    bezoeken, zyt verzekert, dat UE. my den aangenaamsten dienst zult
    doen, dien ik, zo ik niet anders vermag, ten minsten zo hoog zal
    achten en erkennen, dat ge over de moeijelykheid uwer reize niets te
    klaagen zult hebben, en in der daad bevinden, dat ik de ongemakken
    uwer ballingschap heb getracht te verlichten. Meer mag ik voor
    deezen tyd niet schryven", enz:

--zeide de beroemde VONDEL niet te recht van onzen HUGO:

    _Hoe zou de duisternis dit Hollandsch licht gedoogen,_
    _Dat al te hemels scheen in aller blinden oogen!_
    _Het ging een wyle schuil, om klaarder op te gaan:_
    _Wy haaten 't groote licht, een ander bidt het aan._

Onze Held dit dringende aanzoek, dat waarschynelyk verscheidene keeren
hervat zal weezen, overweegende, en begrypende dat de hoop om voor eerst
in zyn vaderland een gerust verblyf te zullen vinden, op een zeer
zwakken grond steunde, besloot het oor te leenen aan de begeerte van
_Oxenstiern_; vertrok in de Maand Mei des jaars 1634 van _Hamburg_ naar
_Zweeden_ alwaar hy met de uitsteekendste blyken van eere en gunst
ontvangen werd.

Men begrypt ligtlyk dat men zo veel moeite om DE GROOT derwaards te doen
trekken niet gedaan had, alleenlyk om in hem een voorwerp van verwondering
te kunnen hebben; geenzins, het welzyn van 't Ryk was de voornaamste
dryfveer dier aanzoeken, dit toonde men ook wel rasch, want onze HUGO
werd vereerd met de waardigheid van _Zweedsche Afgezant_ aan 't Hof van
_Frankryk_, benevens die van Staadsraad des _Zweedschen Ryks_; de eerste
op een jaarwedde van 15000 en de andere op eene van 5000 guldens: in 't
begin des volgenden jaars, (1635) vertrok hy van _Mentz_ naar _Parys_,
en verscheen nu andermaal aan het Hof van LODEWYK DEN DERTIENDEN,
trouwens in zeer verschillende omstandigheden, thans ten hoogsten
aanzienlyk, niet zo zeer door den luister zyns Gezantschaps, als wel
door den roem zyner geleerdheid, en zyner deugden: ondertusschen lieten
zyne vyanden nog niet af hem te vervolgen, aan 't _Fransche Hof_, alle
pogingen aantewenden, om te beletten, dat door DE GROOT toetelaaten, in
de gezegde waardigheid, zyn voorgaand gedrag, waarom hy zo veel geleeden
had, niet gerechtveerdigd werd; men begreep zeer wel dat als HUGO
braafheids genoeg bezat, om als _Zweedsch Afgezant_ aan 't Hof van
_Frankryk_ geduld te worden, dat hy dan onmogelyk een man kon weezen,
schuldig genoeg om als balling buiten zyn Vaderland te moeten zwerven;
evenwel was alles te vergeefsch, en DE GROOT had reden te zeggen:

    Al scherpt de magre Twist haar tand,
    God slaat haar voor my neêr met schand.

Ons voorneemen en bestek laaten niet toe ons breedvoerig over zyne
verrichtingen als Afgezant uittelaaten, alleenlyk kunnen wy desaangaande
zeggen, dat hy veele wederwaardigheden te boven te komen had, echter in
't _Fransche Ryk_ leefde, zo aangenaam by den geenen aan welken, als by
hun van welken hy gezonden was; zynen tyd bestedede hy grootendeels in
de bezigheden zyns Gezantschaps, gedeeltelyk ook in zyne studien, maar
ook gedeeltelyk met de bezoeken en aanspraaken der geenen, die van alle
kanten als zamenvloeiden om hem te zien, en met hem te raade te gaan:
voor allen, zegt zeker schryver, stond zyn deur, voor alle zyn tafel,
voor allen zyn dienst open, zelfs zonderde hy daarvan niet uit, die
geenen, wier ouders, na hem tallooze ongelyken aangedaan te hebben,
oorzaak van zyne gevangenis en ballingschap geweest waren.

Boven gaven wy te kennen dat de toestemming van het _Fransche Hof_ om
DE GROOT als Afgezant van _Zweeden_ te ontvangen, eene soort van
verontschuldiging voor dien edelen balling was; dien dit vreemd mogt
voorkomen, uit aanmerking van het vonnis dat in zyn vaderland over hem
was uitgesproken geworden, zal zig nog meer verwonderen over de volgende
_Verklaaring_, welke in 1637, van wege de Heeren van _Delft_, in 't
licht verscheen; dus luidende:

    "Wy Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raaden der Stad _Delft_,
    certificeeren mits deezen voor de waarheid, dat voor ons
    gecompareerd zyn, de Heeren JOOST VAN ADRICHEM, Burgemeester der
    voorschrevene Stad; EWOUT VAN DER DUSSEN, en, Mr. CORNELIS VAN
    BEERESTEIN, Oud Burgemeester, mitsgaders Mr. JOHAN CAMERLING,
    Raad-pensionaris derzelver Stad, de welken gezamentlyk, en elk in 't
    byzonder, ten verzoeke van den Heere WILLEM DE GROOT, Advocaat voor
    den Hove van _Holland_, van wege zynen broeder HUGO DE GROOT, thans
    Ambassadeur van haar Majesteit, en de kroon _Zweeden_, by zyne
    Majesteit van _Frankryk_, hebben verklaard en getuigd, by den eed by
    hem respectivelyk in hunne amten gedaan, dat zy comparanten, als
    gedeputeerden deezer stad, present zyn geweest, in de vergadering
    van de Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van _Holland_ en _Westfriesland_,
    gehouden vóór Paasschen van den jaare 1632, en dat zylieden
    comparanten ten zelven tyde de Gedeputeerden der Stad _Rotterdam_,
    dewelken ter voorschreevene Vergaderinge, de voornoemde Stede
    _Rotterdam_ waren representeerende, hebben hooren mondeling uit
    verklaaren, dat de voornoemde HUGO DE GROOT, ten tyde dat hy het
    Pensionarisschap, en 't Gecommitteerde Raadschap, der voorschrevene
    Stede was waarneemende, en naamlyk, in den jaare 1618, niet anders
    heeft geproponeerd, voorgedraagen, en gedaan had, dan 't geen was
    conform de resolutiën van zyne Meesters, de Heeren Regeerders van
    _Rotterdam_, en hem dien volgende belast was, daar het behoorde,
    voor te draagen, en de genomene resolutie te effectueeren, zonder
    dat hy buiten of tegen den last van voorschrevene zyne Meesters, zig
    zelven eenigzins heeft verloopen: daar by voegende, indien de
    voornoemde HUGO DE GROOT daarin misdaan heeft, zo hebben wy-luiden
    misdaan."

--De aanmerkingen die na het leezen van deeze _Verklaaring_, over de
zamenhang der zaake van onzen HUGO, te maaken zyn, laaten wy aan den
kundigen Leezer over.

Eene en andere omstandigheden begonnen hem nu een groot ongenoegen te
geeven, en daartoe behoort het nalaatig weezen in 't betaalen van zyne
jaarwedden, welke hy reeds van twee volle jaaren, dus ter somma van
40.000 guldens te vorderen had, behalven zyne groote verschotten: "Ik
heb", schreef hy,

    "al myn geld, dat ik met verkorting van myn jaarlyks inkomen, uit
    _Holland_ heb doen overkomen, reeds uitgegeeven, en daarom penningen
    noodig: ik verzoek dat men my van de ongemakken en bekommeringen
    daar ik mede gedrukt worde verlosse; _om groote zaaken te doen moet
    het hart van zorgen vry zyn_; en 't is onmogelyk, als de byzondere
    zaaken niet wèl zyn gesteld, dat alles naar zyne behoorelyke
    waardigheid kan geschieden: _'t is een hard lot voor een blinkende
    eernaam zo nadeelig een schatting te betaalen_".

Zyne onvoorbeeldige Gemaalinne deed weder een reis haar _Holland_, om
zyne achterstallen aldaar intevorderen, waarin zy ook gelukkiglyk
slaagde, schoon haar aan den anderen kant het verdriet trof, dat,
staande haar verblyf aldaar, de vader en zuster van haaren dierbaaren
HUGO, den laatsten tol aan natuur betaalden, in welke omstandigheden
haare tegenwoordigheid zeer wel te passe kwam.

Dat de _Zweedsche Ambassade_ hem begon tegentestaan, blykt duidelyk uit
zyn schryven, by gelegenheid van een verspreid gerucht, dat men in
_Zweeden_ genegen was hem te herroepen, en een ander in zyne plaats te,
zenden: "De Ambassade", schreef hy,

    "brengt my geen profyt in; ik heb eers genoeg ingelegd; en ben 'er
    zat van. Zo men my de minste occasie geeft, zal ik ligt een stille
    plaats vinden om myn leven in goede gedachten te eindigen, en de
    wereld, die ik meer en meer moede worde, te laaten woelen. Wat het
    Hof alhier aangaat, ik meen, dat ik hier in achting ben; maar datze
    liever een slechthoofd hier hadden, doch, gy kunt verzekerd zyn, dat
    ik 'er my in 't minst niet over bekommere".

Zyne gedachten op een stil afgezonderd leven, en op zyn' dood, moeten,
van tyd tot tyd, gemeenzaamer by hem geworden zyn; want hy zond zynen
broeder een tweeregelig versje, in de _Latynsche taale_ geschreeven, met
verzoek van hetzelve, als het GODE behaagde hem uit het leven
opteontbieden, als zyn grafschrift, by zyne overige verzen, in die taale
opgesteld, te voegen; dus vinden wy het vertolkt:

    _Dit is het graf van _HUIG DE GROOT_,_
    _Dien Holland in zyn kerker sloot;_
    _En daaruit vrygeraakt, in ballingschap deed leeven,_
    _o Magtig Zweeden! tot uw Ryksgezant verheven._

Het voorgemelde gerucht van zyn ontslag, werd eindelyk met 'er daad
bevestigd; na den onvermoeiden Letterheld, nog eenige onaangenaamheden,
over het uitgeeven van sommige zyner herssenvruchten getroffen hadden;
na omtrent elf jaaren, aan het _Fransche Hof_, in den dienst van
_Zweeden_ doorgebragt te hebben, ontving hy eene eigenhandige missive
van de Koninginne CHRISTINA, zyne Meesteresse, die nu den ouderdom van
agttien jaaren bereikt had, dus meerderjaarig geworden was, en het
bestuur over haar Ryk en Staaten aanvaard had: in deeze missive,
gedateerd, 30 December, 1644, sprak de Vorstin onzen held aan, met den
loflyken eernaam van, _Edele en voortreffelyke persoon, overgegeeven aan
onzen dienst!_ betuigende in het slot des briefs, dat hy zig ten vollen
verzekerd konde houden, dat haare Majesteit ten hoogsten voldaan was
over zyne diensten, welken hy de Kroon van _Zweeden_ beweezen had; hem
tevens verzekerende, dat, gelyk haare Majesteit dezelven niet uit haar
geheugen zou laaten gaan, zy ook hem en zyne famille blyken zou geeven
van 't gevoel haarer erkentenisse: in den brief aan zyne Majesteit den
Koning van _Frankryk_, ter kennisgeevinge van dat opontbod, noemde zy
onzen Held, _de edele_, _voortreffelyke_, _onze geliefde_ HUGO GROTIUS.

Na eene en andere bedenkingen op het bevel zyner Meesteresse gemaakt te
hebben, besloot hy eindelyk zig naar _Zweeden_ te begeeven, en maakte
ten dien einde de noodige schikkingen in zyne byzondere zaaken: ook was
hy, staande die bezigheid, weder bedacht op zyn opontbod uit deeze
wereld, naar het vaderland der ziele, want nog eer hy op reis ging,
schreef hy zynen uitersten wille, welke dus luidde:

    "Ik, HUGO DE GROOT, weetende dat wy zyn geboren om overtegaan tot
    een beter leven, wenscht dit tegenwoordige te eindigen in den
    Christelyken Godsdienst, gelyk ik denzelven heb uitgelegd in myne
    boeken, overeenkomende met de H. Schriftuur, en de Leeraars by de
    kerk goedgekeurd; God biddende, dat hy de Christenen wil verëenigen
    tot één kerk, onder eene heilige reformatie: en om te disponeeren
    van myne goederen, erkennende de groote trouw, en liefde voor onze
    kinderen, van Vrouwe Maria Reigersbergen, myne zeer geliefde
    Echtgenoote, zo bidde ik God, dat hy haar vergelde het goede, dat zy
    my beweezen heeft, en stelle dezelve tot myne universeele erfgenaame
    van alle myne goederen, tegenwoordige en toekomende, van hoedanige
    natuur en plaatse die zouden mogen zyn; en begeere, dat zy aan onze
    kinderen, by hun huwelyk, of anderzins, uitkeere, 't geen zy zal
    redelyk oordeelen: en indien één van myne kinderen niet mogte
    vergenoegd zyn met deeze myne dispositie, zo stel ik dien tot
    erfgenaam alleen, van zyne legitime portie, hem toerekenende al het
    geene hem naar de Wetten en Costumen kan toegerekend worden.

    "Gedaan te Parys den 27 Maart, in 't jaar van onzen Zaligmaaker,
    1645: getekend met myn hand, en gezegeld met het Signet van myn
    wapen; enz."

Te zonderling is het volgende geval, dat wy aangetekend vinden in 't
verslag van het geen onze HUGO in _Frankryk_ bejegend is, dan dat wy het
onzen Leezers niet zouden mededeelen: liefst volgen wy hier den
voorgemelden Dichter, DUIM, die 't één van DE GROOT's volgjonkers, in
deeze verzen doet verhaalen:

    _Mynheer, reed op een' tyd wat driftig van den Koning_
    _Door zeker dorp, verzelt met Kroeze[10], naar zyn woning;_
    _In 't Dorp men bezig was misdadigers, ten schrik_
    _Van anderen, ter dood te brengen, door een' strik;_
    _De mening was, men kwam de schellemen ontzetten,_
    _En door 't gedruis van 't volk, zy op 't geroep niet letten,_
    _Om op te ruimen voor den Zweedschen Afgezant,_
    _Maar verr' van zulks te doen; men schoot van allen kant_
    _Van achtren door de koets, digt langs zyn hoofd, naar vooren._
    _En trefte den koetzier; twee kogels kwamen boren_
    _In 't lichaam, dus gegrieft, stierf korts hy van die wond._

Na dan alle noodige bestellingen verricht te hebben; ging hy t'scheep,
achterlaatende zyne vrouw en dochter, vermits de eerstgemelde zig niet
in staat bevond, om hem op zyne reis naar _Zweeden_ te vergezellen, en
de Geneesheeren haar geraaden hadden, ter herstellinge van haare
Gezondheid, de wateren van _Spa_ te gaan gebruiken.

Hy nam zyne reis door _Holland_, en te _Rotterdam_, zyne oude woonplaats,
gekomen zynde, werd hy aldaar met groote toejuichingen en gunst der
burgeren ontvangen; maar zyne vyanden, niet vergenoegd met de lasteringen
en ongelyken, waarmede zy hem zo langen tyd geplaagd hadden, liepen by
hunnen aanhang rond, en arbeidden, om wien ze konden aan hun snoer te
krygen: "Heemel en aarde", zegt één zyner Levensbeschryveren, dien wy,
met anderen, hier volgen.

    "Heemel en aarde beweeghenden, om te beletten, dat de Staeten van
    _Hollandt_, juyst toen ter tydt vergaedert, toelieten, dat DE GROOT
    ongestraft door hunne Landen en Steeden synen wegh nam: maer 't
    weesen der saeken was verandert;"

voegt dees schryver er by:

    "Seer veelen der genen, die in den jaere 1618 den staat der
    Republyke ontrust hadden, waeren nu overleden; eenighe der genen die
    in 't selfde jaar waeren geschopt uit hunne weerdigheeden, hadt de
    saghte gemaetightheid des Prinsen FREDERYK HENRIK; weeder tot hunne
    voorighe bedieninghe geroepen, en die nieuw in de Regeeringhe
    waeren gekoomen, gelykse in de partyschappen niet waeren gemenght
    geweest, soo ook des te meer bequaemheits hadden ze, om de waerheit
    t'onderscheyden. Dus is 't gebeurt, dat als de Heer JACOB KATS, toen
    ter tydt Raedtpensionaris der Staeten van _Hollandt_, ter
    vergaderinghe der gemelte staeten voordroegh, 't geen hem
    dienaangaande was voorgekoomen, haere Eed. Grootmooghende hem tot
    antwoordt gaeven, _dat hy de menschen, welker vreese wat te verre
    gingh, van die ongegronde vreese ontslaen soude, dat sy souden
    sorghe draeghen dat de Republyk geen schaede quaeme te lyden_."

Te _Rotterdam_ vertoefde hy geen langen tyd, maar vertrok van daar naar
_Amsteldam_, alwaar toen de Burgemeesterlyke waardigheid, bekleed werd,
door de Heeren, PIETER HASSELAAR, ANDRIES BIKKER, GERBRAND PANCRAS, en
WILLEM BACKER; het gedrag van deeze Heeren, daarin bestaande, dat zy,
terstond na het verneemen van 's man aankomst in hunne stad, by hem
gegaan zyn; hem alle goede diensten aangeboden; van stads wege ten
maaltyde onthaald, en hem een schip tot zyne overtogt bezorgd hebben;
dit gedrag, zeggen wy, doet den onpartydigen aanmerkingen maaken over
het lot dat de beroemde HUGO, welëer, had moeten ondergaan; een lot, het
welk hem in den rang der boosdoenders stelde: tog heeft zyne vlucht, of
lange afweezigheid zyne vooronderstelde schuld niet kunnen uitwisschen;
hy was niet veroordeeld tot eene ballingschap van zo veele jaaren; dan
zou men hebben kunnen zeggen, dat het recht voldaan, en 's mans schuld
uitgewischt was geworden; neen, hy had niet als balling maar als
vluchteling gezworven; nu werd hy gehouden voor een voorwerp wel waardig
de achting en bezorgdheid van mannen, die wy beschreeven vinden geweest
te zyn, _wyze_ en _bescheidene mannen_--maar, door welke mannen is DE
GROOT dan gevonnisd geworden?--alles zy zo, jammer is het maar, dat de
verleiding ten dien tyde zo groot geweest is, dat men zig tegen den
grooten stroom niet heeft durven verzetten; want daardoor moet het
nakomelingschap nog verwyting hooren, en vind daarin een medebron van
het bittere leven dat hetzelve smaakt--de verwyters en pynigers zyn
ondertusschen niet ervaaren in de kennis van het menschlyke hart; in de
kennis der byzondere charakters van de voorvaderen des kroosts dat zy
doen lyden, ook niet in de historie van den tyd van onzen HUGO.... maar
het staat thans niet aan ons, daarover breedvoeriger te spreeken.

Zyn vertrek van _Amsteldam_ naar _Hamburg_, werd, door tegenwind,
vertraagd, 't welk de groote VONDEL aangenaam genoeg was om _Boreas_
daarvoor een dankdicht op te draagen, beginnende met deeze
zoetvloeijende verzen, dien onvergelykelyken Prins der _Nederlandsche
Dichteren_ dubbeld waardig:

    _Noorden wint, die langs ons stroomen_
    _Knaegt de bloessem op de boomen;_
      _d'Opgeloken telgen schent;_
      _Wiltzang steurt, en lieve lent,_
    _En den Mai, die met zyn zonnen_
    _Quam aanminnig aangeronnen;_
      _Wintervogel, guur en schrael,_
      _Steur den zoeten nachtegael;_
    _Schen de bloemen in de hoven,_
    _Met de lucht van geur bestoven;_
      _Knaeg, en eet vry ongetoomt_
      _Zoo veel bloesems op 't geboomt,_
    _Dat vast jammert om genade:_
    _'t Is geen noot; want al die schade_
      _Moet nu uit voor d'overbaet,_
      _Die de wyze Magistraat_
    _Rekent by uw schorre buien,_
    _Die den adem van het zuien,_
      _En den blaesbalg van het west,_
      _Stuiten, keeren al hun best;_
    _Zonder dat, gewis, wy zouden_
    _Groote Huigen hier niet houden,_
      _Noch festeeren in ons stad,_
      _Nu verrykt door zulk een' schat,_
    _Dien de verreziendste Heeren_
    _En Gekroonden recht waardeeren._

Toen de beroemde Letterheld eindelyk vertrokken was, bragt dezelfde
Dichter de volgende zinryke regels op het papier:

    _'s Avonts daelt het Hemels wonder_
      _Met zyn straelende aengezicht:_
      _Maar _DE GROOT_, ons Hollands licht,_
    _Gaet, helaes! hier 's morgens onder:_
      _Hoe gelukkig, is de nacht_
      _Die den dag uit hem verwacht!_

Te _Hamburg_, alwaar hy, door tegenwind, eerst op den agtsten dag na zyn
vertrek van _Amsteldam_ aankwam, werd hy door de Regeering, mede met
alle blyken van eerbied, ontvangen; hy reisde verder, over land, naar
_Lubek_, alwaar hy even groote eere genoot; vandaar is hy gekomen te
_Wismar_, alwaar de Graaf WRANGEL, Opper-Admiraal van _Zweeden_, hem
zeer prachtig ter maaltyd onthaalde; anderen zeggen dat de Admiraal,
verwittigd van de aankomst van DE GROOT, met inzicht om naar _Zweeden_
te vaaren, hem, in allerhaast, een oorlogschip, om zyne reize
voordtezetten, heeft toegezonden.

Dit _in allerhaast toezenden van een oorlogschip_, door den Heer WRANGEL,
komt niet wel overëen met het geen wy leezen in een' brief van onzen DE
GROOT, aan zynen broeder, hierin bestaande:

    "Te _Wismar_, hebben wy elf dagen zeer ledig doorgebragt, om dat de
    Gezachhebber van dat gewest, de Heer WRANGEL, de vloot niet durfde
    verdeelen, dewyl hy tyding had, dat de _Deenen_ voorhadden de vloot
    in brand te steeken: hy meende dat ze toestel maakten om zulks
    gewapenderhand te doen; maar het was heel anders met de zaak
    gelegen, want hun toeleg was zulks door list te verrichten; doch men
    nam een' man in hechtenis, die, zo men zeide, van sommige
    _Lubekkers_ omgekocht was, en eenige kisten met brandstoffen
    toebereid had, omze aan boord te zenden, welken, door eenige
    vuurwerken, op zekeren tyd, zouden aangaan".

--Door deeze "ontdekking", zegt een van 's mans levensbeschryveren,

    "behaagde het de Voorzienigheid, hem, die eenmaal door een koffer
    of kist, zyne eeuwige gevangenis ontkomen was, wederom te redden
    uit het dreigende gevaar, waardoor het geschapen stond, dat hy, met
    vele anderen, door deeze springkoffers, jammerlyk zou zyn
    omgekomen:"

--wat van het een en ander zy, onze Held vertrok van _Wismar_ naar
_Colmar_, om naar _Stokholm_ voordtereizen: de tyding van zyne nabyheid,
deed de geleerde CHRISTINA[11], haar vertrek, van _Upsal_, alwaar zy zig
bevond, naar _Stokholm_ verhaasten, vermits zy reeds sedert een geruimen
tyd eene vuurige begeerte gehad had om DE GROOT te zien: als met opene
armen werd hy van de Vorstinne ontvangen: weinig tyds daarna, gaf hy
haare Majesteit verslag en rekenschap van zyne verrichtingen, in
hoedanigheid van haaren afgezant, over al het welke zy betuigde zeer
voldaan te zyn; maar toen hy om zyn ontslag verzocht, kreeg hy geen
voldoend antwoord, 't geen hem duidelyk deed begrypen, dat het de mening
van haare Majesteit niet was, hem uit haar Ryk weder te laaten
vertrekken: zy liet hem vervolgends weeten, dat zo hy zyn verblyf in
_Zweeden_ wilde neemen, en zyn huisgezin derwaards doen overkomen, zy
hem met veel genegenheid in haaren dienst zoude houden, op eene
jaarwedde overëenkomstig met zyne verdiensten; maar onze held verkoos
niets minder dan dat; behalven dat hy begreep dat deeze genegenheid
alleen genoeg was om de afgunst, welke hy, reeds terstond by zyne komst,
in verscheidene ryksgrooten bespeurd had, nog meer gaande te maaken,
behalven dat, zeggen wy, was het in 't geheel zyne verkiezing niet, zig
nedertezetten, in een gewest des werelds, alwaar hy dagelyks niet minder
met den aart der menschen, als met de strengheid der luchtsgesteltenis
te kampen zou hebben; derhalven nam hy alle mogelyke gelegenheden waar
om op zyn ontslag aantehouden, dat hem door CHRISTINA, eindelyk, ook
toegestaan werd: de schrandere Vorstinne begreep duidelyk hoe
bezwaarelyk het was, een gemoed dat noch door gierigheid, noch door
staatzucht beheerscht werd, maar zig alleenlyk vergenoegde met zyne
studiën en in den ommegang met geleerde lieden, te beweegen, een land te
verlaaten waarin hy zo langen tyd geleefd had, en hetzelve te
verwisselen voor een gewest der wereld, dat zelfs naauwlyks haar, die
aldaar geboren en opgevoed was, ja die er het gebied voerde, kon
behaagen: met dat alles toonde de groote Vorstinne dat zy over het
besluit van haaren roemwaardigen Ambassadeur niet voldaan was, en liet
hem zeggen, dat, indien zy gedacht had, dit genoegen niet van hem te
zullen verkrygen, 't genoegen, naamlyk, van hem in haar Ryk te mogen
houden, zy hem niet uit _Frankryk_ herroepen zou hebben; evenwel bleef
DE GROOT by zyn besluit maar kon geen vrygeleibrief van de _Zweedsche
Vorstinne_ erlangen, welke nalaatigheid, gelyk naderhand bleek, nergens
aan toegeschreven moest worden, dan daaraan, dat eenige schoone
geschenke, nog niet gereed waren: by verscheidene Schryvers vinden wy
deeze stukken niet afzonderlyk genoemd; doch volgends den meergemelden
Dichter DUIM, hebben dezelven bestaan in keurelyk zilverwerk; want deeze
doet de Vorstin dus tegen den grooten HUGO spreeken:

    _Ontfang, tot dankbaarheit, dees beurs met goude kroonen,_
    _En uit genegenheid, dit beeltryk zilverwerk,_
    _Op dat gy t' allen tydt, wen gy 't aanschouwt, bemerk',_
    _'t Genoegen, 't geen ik heb van uwen dienst ontfangen;_
    _'k Wil, tot bekrachtinge, om uwen halze hangen,_
    _Dees keten, waaraan is myn Beeltenis gestrikt._
    _Dit alles hebbe ik voor uw' dienst, u toegeschikt,_
    _En uit genegenheit, gulhartig willen schenken,_
    _Hier aan zult gy aan my, ten allen tyd gedenken._

De beurs waarvan in deeze verzen gesproken wordt, was gevuld ter waarde
van 12000 Ryksdaalders, voorwaar geen gering geschenk, en dus zeer
beantwoordende aan de grootheid van haar die gaf, en van hem dien
gegeeven werd: de goudene keten waaraan het afbeeldzel van haare
Majesteit hong, was drie dik; en by het schenken daarvan gebruikte de
Vorstin eene omstandigheid, welke onzen HUGO zo zeer verëerde als ze
aandoenlyk voor hem moet geweest zyn; zy deed naamlyk, dezelve eerst om
haar eigen hals, en hong haar daarna om dien van DE GROOT, die dat alles
beantwoordde, met de hartlykste betuigingen van dankbaarheid, en de
ernstigste verzekering dat hy, werwaards zyn lot hem ook mogt voeren,
nooit vergeeten zou, de hoogachting die hy verschuldigd was aan de
uitmuntende verdiensten van haare Majesteit.

Na eindelyk hartlyk afscheid genomen te hebben vertrok hy, voorzien van
eenen vrygeleibrief, die van den volgenden inhoud was:

    "_Wy Christina, door Gods genade, Koninginne enz. enz._ aan allen
    die dezen tegenwoordigen zullen zien en leezen, doen te weeten, dat
    de edele, voortreffelyke, en onze zeer beminde Heer, HUGO GROTIUS,
    na in onzen naame de bediening bekleed te hebben van onzen gewoonen
    Ambassadeur by den Allerchristelyksten Koning, geduurende den tyd
    van meer dan tien jaaren, van ons alhier verkreegen heeft een
    gunstig afscheid: en ingevolge van dien, voorneemens zynde zig
    elders te begeeven, zo hebben wij, uit achting voor de treffelyke
    hoedanigheden, waarmede hy begaafd is, en zyne verdiensten jegens
    ons en ons Koningryk, uit zonderlinge gunst die wy hem toedraagen,
    en om het groot genoegen dat wy ontvangen hebben van zyne diensten
    aan ons beweezen, in zyne gemelde bediening, hem willen begunstigen,
    en zyn vertrek verzekeren, door deezen tegenwoordigen brieve van
    vrygelei."

    "En derhalven verzoeken wy van de vriendschap, goedwilligheid, en
    genade van alle Mogendheden ter zee en te lande, van wat staat en
    aanzien die mogen zyn, en voornaamlyk de Koningen, Prinsen, vrye
    Republieken, en Steden, waardoor de reize zal mogen genomen worden,
    door gemelden Heer GROTIUS, voorheen onzen Ambassadeur in
    _Frankryk_, en tegenwoordig van ons ontslaagen, de zonderlinge
    gunst, om te gaan, keeren en komen, in _Duitschland_, _Frankryk_, de
    _Nederlanden_, of eenige andere plaatzen, daar 't hem behaagen zal
    naar toe te vertrekken, om hem, en zyn gevolg, met zyne dienaars en
    goederen, te laaten doortrekken, in alle vryheid, veiligheid, en
    zonder ophouden of beletzels, hoe dat zou mogen weezen: gelyk ook
    aan hem te bewyzen alle tekenen van goedwilligheid en vriendschap.

    "Voords beveelen wy aan allen, die ons getrouwheid en onderdanigheid
    schuldig zyn, in hoedanigheid van Afgezanten, Krygsbevelhebbers,
    Admiraalen, Generaalen, Gouverneurs van de Provinciën, Vlooten,
    Steden, Vaartuigen en Havens, waardoor hy zal komen te reizen, met
    al het geene hem toebehoort, te gehoorzaamen aan dit ons bevel en
    ernstige wille, zig wel wachtende eenige verhindering te doen ofte
    laten doen aan gemelden Heere GROTIUS, op den weg dien hy zal
    neemen, het zy om wedertekeeren in _Frankryk_, 't zy om te
    vertrekken naar _Duitschland_, _Nederland_ of andere plaatsen; maar
    veel meer, dat zy hem de behulpzaame hand zullen bieden, en helpen
    bevorderen in zyn oogmerk naar hun vermogen.

    "Die bevonden zullen worden zig anders te gedraagen, zullen van
    onzent wege worden gestraft. Ter bevestiginge hiervan hebben wy dit
    doen verzegelen met ons Koninglyk zegel, en den tegenwoordigen
    getekend met onzen eigen hand: enz."

Schoon alles wat wy van die voortreffelyke Vorstinne, met betrekking tot
onzen Held, gezegd hebben, genoegzaame blyken opgeeft van de hoogachting
welke zy voor 's mans gaêdelooze talenten had, kunnen wy echter niet
nalaaten nog daarby te voegen den volgenden brief, door haare Majesteit,
na den dood van haaren geliefden HUGO, aan deszelfs Weduwe geschreeven:
dus luidt dezelve:

    "Ik heb uit uwen brief van den 16 van hooimaand verstaan, hoe mynen
    gezant heeft uitgevoerd de bevelen, die ik hem gegeeven had,
    raakende de boeken van wylen Mynheer DE GROOT, uwen man, en dat gy,
    onaangezien de aanbiedingen u gedaan van anderen, om die in hunne
    handen te krygen, meer in acht genomen hebt het vernoegen van myne
    begeerten, als de voordeelen, welken men u van dien kant deed
    hoopen: ik beken, dat in het vermaak dat ik schep, in 't leezen van
    goede Schryvers, ik dermaate op de schriften van Mynheer DE GROOT
    verliefd ben, dat ik my niet zoude vergenoegd houden, indien ik my
    vervallen zag van de hoop om die te kunnen plaatzen in myne
    boekerye. Myn Gezant zal u mogelyk verhaald hebben een gedeelte van
    de hooge achting, waarin by my zyn, zyn wonderlyk verstand, en de
    goede diensten, die hy my heeft beweezen, maar hy zoude u niet
    volkomelyk kunnen uitdrukken, hoe verre zyn geheugen my dierbaar is,
    en in wat waarde ik houde de vruchten zyns arbeids; en inderdaad
    indien goud of zilver iets konden bybrengen, om zo doorluchtig een
    leven wederom te koopen, in myn vermogen zoude niets zyn, 't geen ik
    niet van harte ten dien einde besteeden zoude: oordeel hier uit, dat
    gy die schoone gedenkschriften en overblyfzelen in geen betere
    handen zoudt kunnen stellen, of van welken zy beter zouden ontvangen
    en gehandeld worden, als van de myne: en dewyl my het leven van
    haaren schryver zo dienstig geweest is, gedoog niet dat zyn dood my
    ten eenemaale vervoere van de vruchten van zynen doorluchtigen
    arbeid. Ik versta, dat nevens de boeken van anderen, gy my zult doen
    hebben alle zyne geschrevene memoriën en extracten, volgens de
    belofte die gy my doet in uwen brief: nimmer zoudt gy my beter
    kunnen betuigen uwe goede genegenheid, als by dit voorval en ik heb,
    God dank, waarmede het te erkennen, en u te beloonen, gelyk myn
    Gezant u breeder zal te kennen geeven, waartoe my verlaatende, bid
    ik God dat Hy u verder wil behouden in zyne heilige bescherminge".

In het begin van de maand Augustus des jaars 1645, begaf de beroemde
HUGO zig dan aan boord om naar _Lubek_ te stevenen, terwyl zyne gezondheid
reeds in een wankelen staat was, doch die hem vergezelden hoopten dat
het verlangen om eerstdaags zyne beminde Gemaalin, en verder huisgezin
weder te zien, zo groot een vermogen op hem zou hebben, dat het wel 't
voornaamste gedeelte van zyn smart, die hun afweezen hem veroorzaakt
had, zou kunnen verdryven. Hy stak met helder weêr en een vry goeden
wind in zee, doch de hoop op eene voorspoedige reis verdween welhaast,
en verwisselde in de vrees voor in de hollende baaren begraaven te
zullen worden; reeds ten volgenden dage was men, ter oorzaake van een
hevigen storm, genoodzaakt kleiner zeil te maaken: de wind, tegen den
avond nog woedender uitbarstende, wierp den grooten mast overboord; het
schip liep verscheidene keeren gevaar van te zullen zinken; het werd
door de winden, die van alle kanten toeliepen, zodanig geslingerd, dat
het, na ook de andere mast gebroken was, ten laatsten op de kust van
_Cassubien_, lek en reddeloos op 't strand geraakte: dit gevaar duurde
volle agt dagen, na welken tyd de beangste, vermoeide en geteisterde
togtgenooten, middel vonden om, naby het dorp _Liba_, veertien _Duitsche
mylen_ van _Dantzig_ voet aan land te zetten: DE GROOT, zegt zeker
schryver, was ziek, niet min van verdriet als van lichaam, en daar hy
van zyn hart, dat zig spoedde om weder naar de zynen te keeren, zelfs
niet éénen dag om zyn lichaam te verkwikken en te bezorgen konde
verkrygen, heeft hy op een boerenwagen, dien hy aldaar ter naauwernood
gekreegen had, door regen en wind, nog andere agt dagen zyne reis
vervolgd, tot dat hy ten laatsten, nu zyne krachten door te hevige
schokken en vermoeidheid waren uitgeput, den 26sten der bovengemelde
maand, te _Rostok_ is aangekomen: de Hertogin van _Pommeren_, had hem te
_Stolke_ doen verwelkomen, en ten Hove noodigen, doch hy liet zig
verontschuldigen, en haar bedanken: zyne reis vervorderende, zond de
Hertogin haare koets hem na, die hem te _Coslin_ bragt, alwaar zy hem
ter maaltyd liet onthaalen, met bevel van hem kosteloos te stellen tot
aan _Stettyn_, doch hy zondt de koets te rug, met een' brief van
dankzegging, waardoor de gezegde Hertogin de eer genoot van den laatsten
brief, dien de groote Staats- en Letter-held geschreeven heeft, te
bezitten.

Terstond na zyne aankomst te _Rostok_, begaf hy zig te bedde, waarvan hy
ook niet weder is opgestaan: de geneesheer die by hem ontboden werd,
oordeelde dat eene te groote vermoeidheid alleen de oorzaak was van 's mans
ongesteldheid, en begreep derhalven dat hy door rust en versterkende spyzen
hersteld moest worden; doch des anderen daags wederkomende, zeide hy onzen
held den dood aan; waarom men, volgends gewoonte, een Geestlyke by hem
ontbood, verkiezende daartoe den Heer, JOHANNES QUISTORPIUS, Doctor en
Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, mitsgaders bedienaar des Godlyken woords
by de _Luthersche Gemeente_ te _Rostok_, een man, zegt men, door zyne
schriften in de geleerde wereld bekend; wy kennen hem niet, maar wel zyn
gedrag dat hy by den stervenden HUGO hield, en bekennen dat wy daarin den
geleerden man niet kunnen vinden; wel den gewoonen Geestlyke, die zig by
alle stervenden op een zelfde wys gedraagt, als wilde hy te kennen geeven
dat hy zyn ambacht oefent gelyk een timmermans- of metzelaars-gezel 't
zyne; 't behaagt my als ik QUISTORPIUS voor het sterfbed van onzen HUGO
hoor zeggen, _dat hem niets aangenaamers zou geweest zyn, dan dat hy met
zyn Ed., nog gezond zynde, in gesprek had mogen komen_: maar 't komt my van
zyn' kant zeer ambachtlyk voor, de verbaazende kunde, (en met nadruk in de
Godgeleerdheid,) van DE GROOT, in aanmerking neemende, wanneer ik die man,
zulk een onvoorbeeldig mensch hoor vermanen, _dat hy zig tot een gelukkige
verhuizing uit dit leven moest gereed maaken; dat hy zig van alle aardsche
zaaken moest ontlasten; dat hy bekennen moest een zondaar te zyn, met
betuiging van leedweezen over de zonden waar in hy mogt zyn gevallen_; (de
Hoogleeraar stelde het zondigen van onzen HUGO, met dat, _mogt_,
ondertusschen vry twyfelachtig,) _dat hy de oneindige goedertierenheid Gods
in de zonden te vergeeven voor oogen moest houden_; wanneer ik hem het
voorbeeld van den bekenden Tollenaar hoor bybrengen; wanneer ik hem hoor
zeggen, _dat _DE GROOT_ zyn toevlucht tot _CHRISTUS_ moest neemen, als
buiten wien geen zaligheid is_; benevens meer andere dingen, die men GEWOON
is, zegt zeker schryver, den stervenden voortehouden; die men GEWOON is; zo
is 't ambachtlyk! de Dichter DUIM, behaagt my, ter plaatse alwaar hy
QUISTORPIUS, tegen onzen held doet zeggen:

    _----Ik reken,_
    _U zyn de paden wel bekend, om op den weg_
    _Der eeuwigheid, met wys, en ryplyk overleg,_
    _Te wandlen._

Immers was het op dien toon dat hy tegen een uitgeleerd man, en die in
zyn gantsche leven, naar zyn besten vermogen, deugdzaam geweest was, had
moeten spreeken! hoe verdienstlyk zou QUISTORPIUS zig gedraagen hebben,
wanneer hy den grooten HUGO, nu stervende, als by de hand, het koningryk
der hemelen ingeleid had! wanneer hy, in een wel geordend tafreel, zyn
zwak levenshulkje, dat zedert zo veele jaaren op de ongestuime zee des
tyds gesukkeld had, en geslingerd geweest was door storm en donderbuijen,
had doen aanlanden in behoudenen have, om daar te omhelzen de geenen die
hem reeds vooruitgegaan waren, en zonder ongeduld te verwachten die
voorwerpen zyner liefde, welken hy moest achterlaaten!--wat waren toch
de aardsche zaaken waarvan hy zig moest ontlasten? zou de voornaamste
daarvan niet wel geweest zyn, de bewonderenswaardige MARIA, zyne
hartvriendinne, zyne verlosscheresse? ô zekerlyk, en ook zonder twyfel
zyne lieve kinderen; (de Groote man zal de laatste oogenblikken zyns
levens tog niet besteed hebben aan het peinzen over de zaaken van
staat!) hy mogt in de armen van die gadelooze panden den geest niet
geeven; zou dit den dood voor hem niet akelig hebben kunnen maaken? die
dat van een stervenden man en vader vordert, is nooit man en vader
geweest, of moet door eenige gewyde drogredenen, alle natuurlyk en
beminnelyk gevoel des harten verdoofd hebben: moest HUGO zig ontslagen
hebben van zyne lieve vrouw, die hy zekerlyk in 't stervende hart goeden
nacht gekuscht heeft? ô dat waare haare betoonde liefde voor hem
schandelyk geweest! neen, maar QUISTORPIUS had hem moeten vertoonen den
zaligen hemel; hy had hem moeten doen denken, dat duizend jaaren aldaar
als een dag voorby snellen; dat hy dus byna by het uitstappen uit het
levensbootje in de eeuwige rust, zyne lieve MARIA, en na nog weinige
oogenblikjes ook haare telgen zou zien aanlanden;--zou zulks ook
ambachtlyk geweest zyn?--neen zeker, maar thans verdiende het gedrag van
den Geestlyken dien naam zo veel te meer, daar hy zelfs niet eens een
toepasselyk en krachtig gebed voor den stervenden deed, maar _met luider
stemme_, het gewoone _Hoogduitsche Gebed_, beginnende; _Her Jesu wahrer
mensch und Godt_, uitbazuinde, (men zegt dat DE GROOT zyn slaapmuts
afnam:) aanmerkelyk is het, dat hy den grooten man na het eindigen van
dat gebed, vroeg, _of hy hem wel verstaan had_?--hy ontving ook niet
anders tot antwoord als: _ik heb het wel verstaan_.... dan laat ons
hiervan verder zwygen,--DE GROOT gaf den geest op den tweeden dag na
zynen aankomst _Rostok_, (den 28 Augustus des jaars 1645), omtrent
middernacht, in den ouderdom van 62 jaaren, en ruim 4 maanden: zyne
ingewanden werden geslooten in een koperene bus, en zyn in een zeer
eerlyke plaatse in de hoofdkerk begraaven; 't lichaam is, met sterke
kruiden gebalzemd, overgevoerd naar zyn vaderland, en tot _Delft_, zyne
geboortestad, niet zonder groote pracht by zyne uitvaart, gelegd in 't
graf zyner voorouderen, in 't Choor van de Nieuwe kerk, ter rechter
zyde van de vermaarde grafplaats der Prinsen van _Oranje_:

    "Een zeer groot getal menschen vloeide by zyne begraavinge uit de
    omliggende plaatsen derwaards, en van _Rotterdam_ alleen, zag men
    zes schuiten, opgepropt met volk, om de eer te hebben van zyne
    lykstatie bytewoonen; men telde vier honderd paar in rouwgewaad
    bekleed, behalven nog een groote stoet, die zonder rouwgewaad
    volgde:"

ondertusschen is dit gedeelte van des grooten mans overschot iets
bejegend, dat, om de zamenhang van alle zyne wederwaardigheden,
aanmerkelijk is; het werd naamlyk, te _Rotterdam_ aangekomen zynde, door
den schipper, die hetzelve had overgebragt, voor de vrachtpenningen
gearresteerd, tot dat de Heer HENDRIK ZWAARDENKROON, vader van den
Geneesheer, PETRUS ZWAARDENKROON, schoonvader van den Heere, CASPAR
BRANDT, op verzoek van JAN VAN REIGERSBERGEN, de geëischte penningen
betaalde, en dus het lyk van onzen Held ontsloeg.

De gestalte zyns lichaams was niet ver boven de middenmaatige, zyne
gedaante vry schoon, de verwe frisch, de neus een weinig geboogen, zyne
oogen glinsterende, het wezen helder, de leden geslooten, en zo sterk,
dat hy in 't wandelen, in 't loopen, in 't springen, onder lieden van
zyne jaren, weinig of naauwlyks weêrgaê vond: in 't bedryf van zaaken
was hy ernsthaftig, onder zyne vrienden vrolyk, by allen gespraakzaam,
en meêwarig; doch met wat nyverheid, wat verstand; met wat oordeel, met
wat godvruchtigheid, liefde omtrent zyne naasten, liefde omtrent zyn
vaderland, hy begaafd is geweest, zal klaarder uit zyne schriften
zelven, dan uit de getuigenissen van anderen kunnen afgenomen worden.

Dus hebben wy dan onzen Held, op zynen moeijelyken levensweg gevolgd,
tot daar hy door den dood in een beter leven overgegaan is: laat ons nu,
eer wy verder kortlyk aantekenen, wat na zyn overlyden nog ten zynen
opzichte is voorgevallen, hooren, hoe de dichters van dien tyd den
uitvaart bezongen hebben van dien grooten man, die het heil des
vaderlands altoos bedoeld heeft, doch onder de slagen der doemwaardige
onëenigheid heeft moeten bezwyken: deeze gedachten omtrent hem drukt de
Dichter G. BRANDT, dus kunstig uit:

    _o Delf, beny geen Maes den grooten Rotterdammer,_
    __DE GROOT_ is ruim zoo groot. d'Een' zocht het Hollands jammer_
    _Te stuiten, door zyn' raadt: maar 't oor der twist bleef doof;_
    _Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof;_
    _Indien zyn Fenixgeest verdeelt waer onder zeven,_
    _'t Vereenight Nederlandt waar onverdeelt gebleven._

De groote VONDEL, vervaardigde het volgende dichtstuk, waarboven hy
schreef: _Uitvaart van zyn Excellentie den Heere _HUGO DE GROOT_, aan de
wethouders van Delft_:

    _Helaes! wie komt myn hoop vermoorden?_
    _Wat onweêr ruischt 'er uit den Noorden?_
      _Verzekert fluks ons beste pant:_
    _Verzekert, bergt het Hollantsch wonder,_
    _Hoe haelt de zon haer aanschyn onder!_
      _O Baltisch meir! o storm! o strant!_
    _Helaes! waar is _DE GROOT_ gebleeven,_
    _Die voor de schipbreuk van zyn leven,_
      _Zelf onder opgeheven zwaert,_
    _'t Gezicht des doods braveerde, en sterker_
    _Dan stael, voor eeuwigheid van kerker_
      _Noch bittren laster was vervaert?_
    _Dit was 't, Kristyn, dat u verraste,_
    _Toen ghy naer uwe Ryckskroon taste,_
      _En zocht den schoonsten diamant,_
    _U tot cieraat en roem beschoren;_
    _Maer zocht vergeefs; hy bleef verloren:_
      _Een voorspook van uw Rycksgezant!_
    _Hoe luysterden noch stracks uw ooren,_
    _Die onverzaet 't orakel hooren,_
      _Dat in uw koningklyck paleis_
    _U zyn geheimenissen melde;_
    _U in den dagh der wysheit stelde,_
      _En toonde d'eere van den Pais:_
    _Dan zagh men Pais uw hart bewegen;_
    _Zoo dat ghy den geschaerden degen_
      _Scheent op te steecken, op zyn woort,_
    _En met uw heiren aftetrecken;_
    _Die nu de Kristenweerelt decken,_
      _En openen den Krygh de poort._
    _Flus hoopte Munster hem t' ontfangen;_
    _Nu delft heel Delft met lyckgezangen-
      _Zyn' ingeboren in het graf;_
    _Daar d'Afgunst, entlyck afgeronnen,_
    _Zyn doot gebeente rust moet gonnen,_
      _Die zy den levende nooit gaf._
    _Och krancke troost in zulk een jammer_
    _Men stell', gelyk den Rotterdammer,_
      _Een beelt den wyzen Delvenaar:_
    _Men paer' die groote nageburen,_
    _Wier faem alle eeuwen zal verduuren,_
      _Zo sta de Wysheit op 't altaer._

G. BRAND, bovengenoemd, heeft mede de uitvaart van onzen Held gezongen,
in een uitgebreid dichtstuk, waarin hy zig, onder anderen, dus laat
hooren:

    _Vraag Hollant nu naar haar doorluchtigsten _DE GROOT_._
    _Wie zal nu met zyn pen haar afgezette Staaten_
    _Verdedigen? wie zal de slaverny zo haaten?_
    _Of wie was zo gehaat van dwingelanden? want_
    _Hy leet niet van, maar om, en met zyn Vaderlant;_
    _'k Zing nu niet hoe de haat heeft over hem gezeten;_
    _Noch hoe men hem (God weet, en veele menschen weeten_
    _Door wiens gewelt en list!) onwettiglyk verwees:_
    _Noch hoe hy levendig begraven lag, en rees,_
    _Door 't ysre grafslot uit: noch hoe ze t'zamen spanden,_
    _In zynen ondergang, en maakten hem die landen_
    _Te naauw, wier grenzen hy had uitgebreit: noch hoe_
    _De wysheit met hem ging in ballingschap: waar toe_
    _Dat opgehaalt? had hy geen ongeluk verdragen,_
    _Waar was nu zyn geluk geweest? laat ons niet klaagen_
    _Om dat hy balling was; zyn Vaderlant is niet_
    _Bepaalt van Oceaan, noch Ryn, noch Maas; neen, ziet_
    _Den heelen Hemel aan, die heeft in zich beslooten_
    _Zyn Vaderlant; wie daar nog niet is uitgestooten_
    _Is in geen ballingschap; enz._

In een volgend gedeelte van dit Dichtstuk zegt de Heer BRAND; daar hy
HUGO in den hemel ziet:

    _----van te voren_
    _Had men zyn rechters meest uit vyanden verkooren:_
    _Maar daar spant Godt voor hem een strenge vierschaar, om_
    _Hem recht te doen; daar is 't myneedig recht nu stom;_
    _Daar zal men 't recht met geen gekochte stemmen kreuken;_
    _Daar leezen Seraphyns zyn goude Goden spreuken;_
    _Daar spreekt de mont nu van d'onmondige Vorstin_
    _Der Gotten; daar is nu de vryheit met hem in_
    _Geen Loevestein; zy zyn van slaverny ontslagen;_
    _Daar sleept men hem niet weg, door de onverwagte lagen,_
    _Daar d'ouden vader van het vaderlant meê wiert_
    _Verrast: enz._

Men vervaardigde ook het volgende grafschrift, waaruit men het jaartal
zyns overlydens (1645) kan tellen.

    _hVgo de groot een LICht, Was aLLer WereLts Wonder;_
    _sIIn sIeLe Leeft bII godt, sIIn LIChaaM Leght hIer onder._

De Heer SARRAVIUS, zeide, wegens het overlyden van dien wonderbaaren
man: _Hy is 'er, ô droefheid! geweest: de man met naam en daad groot, en
een heldere flonkerster onzer eeuwe, _HUGO DE GROOT_; ô bitter ongeval
voor de geleerdheid! ô overzwaar verlies! de aarde zy hem ligt, en de
bloemen moeten zyn grafstede bedekken! zo lang de boeken en
weetenschappen zullen geëert worden, zal de naam van _DE GROOT_ waarlyk
groot wezen; zo lang myn bloed in de aderen zweeft, zal ik zekerlyk
altyd roemen dat ik gemeenzaam by hem bekend geweest ben_.

Nog zullen wy hier byvoegen, het volgende grafschrift, gedicht door
WYBO FYNJE:

    _Europa's wonder, dat geleerdheid doet verstommen;_
    _Het werkstuk daar Natuur zig zelve in overtreft;_
    _Het beeld der deugd; 't verstand, in 's hemels top geklommen,_
    _'t Sieraad dat boven 't lot des menschdoms zich verheft;_
    _Dien waaren Godsdienst, voor wiens eer hy streed, beloonde,_
    _Met fraaije Cederen van Libans kruin gehaald;_
    _Dien Pallas met olyf, en Mars met laauwren kroonde,_
    _Toen hy het recht van vrede en oorlog heeft bepaald;_
    _Dien Theems en Seine, om stryd, een wonderwerk beleeden_
    _Van Neêrland; dien de Zweed zig eigende als gezant;_
    __DE GROOT_ ligt hier; wyk van dit graf met snelle schreden,_
    _Die niet door vaderlands- noch wysheids-liefde brandt._

Dit ter neder gesteld hebbende kunnen wy tot het waardige overschot van
onzen Held wederkeeren.

Zo dra sommige heethoofdige Predikanten vernamen, dat de ingewanden van
HUGO eene eerlyke verblyfplaats genooten, hebben zy zulks hooglyk niet
alleen afgekeurd, maar zig ook met kracht daartegen verzet; denkelyk ter
oorzaake van zyne toegeevendheid voor de _Remonstranten_, of mogelyk
geloofden die zonderlinge Geloovigen, die zekerlyk, in den geloove,
gantsche kemels kunnen doorslikken, en te dikwyls zo ryk in
ligtgeloovigheid, als arm in broederliefde zyn; mogelyk, zeggen wy,
geloofden zy de taal van den laster, die uitstrooide, dat DE GROOT met
_papistery_ besmet geweest was; die geestlyke stookebranden wisten dan
te bewerken, want hunne invloed is van alle tyden af zonderling groot
geweest, dat het overschot van dien geleerden man, uit zyne rustplaatze
weggenomen, en elders in een vreemd oord gebragt is geworden:--hoe
haatelyk is niet de vuige haat, wanneer zy 't hart van een' Godstolk
bewoont, en zig zelfs op het levenloos overschot der broederen wreekt!

Deeze gruwelyke en allerverachtelykste daad, werd echter niet met
toestemming des volks verricht, inzonderheid waren de studenten van
_Rostoks Hooge Schoole_, over een bedryf dat de menschlykheid schande
aandeed, zeer gebelgd, en toonden zulks ook in 't openbaar, want zy zyn,

    "kort daarna, gelykelyk, met een geheelen drom en opgeheven toon,
    toegevloogen, om op nieuw de uitvaart te houden van den grooten man,
    en zyn overschot weder in zyne oude grafstede te brengen; deeze
    studenten, die door eenen rechtmaatigen yver waren ontstoken,
    dreigden tevens dat zy, indien dat eerwaardig pand in het toekomende
    niet onaangeroerd en ongemoeid bleeve, altemaal terstond hun goed
    oppakken, en naar een andere studeerplaats vertrekken zouden, daar
    men de zeergeleerde mannen, ten minsten na hunnen dood, veilig zou
    laaten rusten".

Een geruimen tyd na het overlyden van onzen held, werd by de Regeering
der stad _Delft_ beraadslaagd, over eene openbaare vereeuwiging van 's
mans zonderlinge verdiensten; men was van gevoelen hem een standbeeld
opterichten, in navolging van die van _Rotterdam_, welken den grooten
_Erasmus_ op die wyze verëerd hadden; dan, eenigen waren meer genegen
tot het vervaardigen van een prachtigen graftombe, om dat het oude
_Delft_ wel de meeste praalgraven bezit; deeze wisten hunne begeerte
doortedringen, en hun voorstel werd tot zo verre voordgezet, dat de
Overheid van _Delft_, het volgende besluit nam:

    "De Heeren Burgemeesters en Regeerders der stad _Delft_, hebben,
    op verzoek van den Heere, Mr. PIETER DE GROOT, Pensionaris der stad
    _Amsteldam_, zo van hem zelven, als van wegen zyne zuster, vrouwe
    CORNELIA DE GROOT, aan hunne Achtbaarheden gedaan, na ingenomen
    advies en bericht van de Heeren Kerkmeesteren binnen de
    voorschrevene stad, geconsenteerd en toegestaan, gelyk hunne
    Achtbaarheden consenteeren en toestaan mits deezen, dat gemelde Heer
    DE GROOT zal mogen doen oprichten, in 't Choor van de Nieuwe Kerk
    alhier, op de graven daar de Heer HUGO DE GROOT, hunlieder vader
    Zal. Ged. begraaven is, een tombe met de ornamenten daartoe
    behoorende, ter eere en gedachtenisse van hun gemelden Heer vader;
    mits dat alvorens van de inscriptie daarop te doen stellen,
    communicatie aan de Heeren Burgemeesteren gegeeven, en derzelver
    approbatie daarop erlangd zal moeten worden. Gedaan by alle de
    Heeren, 21 July 1663".

Dit besluit, hoe billyk, werd echter niet verder ter uitvoer gebragt,
dan dat een ontwerp, van het beraamde praalgraf getekend, en in aarde
geboetseerd werd, door den vermaarden kunstenaar en beeldhouwer, ROMBOUT
VERHULST, door wien, naderhand, ook getekend is, de tombe werkelyk
vervaardigd ter gedachtenisse van den vermaarden Zeeheld, DE RUITER, met
welke tombe het Choor der Nieuwe Kerk te _Amsteldam_ is versierd
geworden: op den voorgrond zag men den beroemden letterheld, den grooten
HUGO, levensgrootte nederliggen, rustende met zyn' hoofd op een stapel
boeken, en houdende een boek in zyn rechterhand; op den achtergrond was
een voetstal uitgewerkt, met boeken en papieren versierd, en daarop, in
't midden, een zon, ten zinnebeelde, dat gelyk deeze het aardryk met
haare straalen, alzo ook DE GROOT, de geleerde wereld met zyne schriften
verlichtte: rondsom den voetstal vloogen eenige naakte kindertjes, met
boeken, rollen papieren, en lauwerkransen in de handen; in het verschiet,
zag men, aan wederzyde een grafnaald, en boven den voetstal vloog de
Faam, die 's mans lof en geleerdheid, met twee trompetten, uitblies: op
de kroonlyst zag men zyn wapen, en aan iedere zyde van hetzelve een
opengeslagen boek: deeze beraamde praaltombe gaat in prent uit, en is
den Landgenooten eerst medegedeeld, door den Heer CORNELIS VAN ALKEMADE,
in zyn werk, ten tytel voerende: _Inleiding tot het Ceremoniëel en de
plechtigheden der begravenissen_: op den voet der tombe leest men het
volgende vierregelig versje:

    __De Phenix van zyn vaderland,_
    _Het Delfs-orakel, 't groot verstand,_
    _De zon die 't aardryk heeft verpligt,_
    _Was waard dit graf van eer gesticht._

Zynde deeze regels op het onderwerp toepasselijk gemaakt, oorspronglyk
zyn zy van den Heere G. BRAND, en gedicht om geplaatst te worden, op de
tegenzyde van eenen eerepenning waarop onzen held afgebeeld is; alwaar
zy dus luiden:

    _De Fenix van het vaderlandt,_
    _Het Delfs-orakel, 't groot verstandt,_
    _Het licht dat d'aarde alom bescheen,_
    __DE GROOT_, vertoont zich hier in 't kleen._

De meergemelde Dichter DUIM, heeft zyne Leezers ook een afbeeldzel van
de gezegde beraamde tombe medegedeeld, maar DE GROOT, een pen in de hand
gegeeven, en 'er bygevoegd, de twee gedenkpenningen, waarvan wy daadlyk
zullen spreeken, die hy geplaatst heeft, aan de kroonlyst, ter wederzyde
van de geopende boeken; het zelfde bovengenoemd versje van BRAND heeft
hy mede op de tombe geschreeven, maar met nog eene andere verandering;
by zyn Ed. luidt het als volgt:

    _De Fenix van het vaderlant,_
    _Het Delfs Orakel, 't groot verstand._
    _Het licht dat d'aarde alom bescheen,_
    _De groote _HUIG_ rust hier beneên._

Dezelfde Dichter heeft eene uitlegging der tombe, in versmaat,
vervaardigd, waarvan wy den Lezer een gedeelte zullen mededeelen, als
bevattende eene beknopte beschryving van het leven, van onzen
onvergelykelyken HUGO; dus luidt dezelve:

    _Zie hier de tombe van den grooten _HUIG DE GROOT_,_
    _Eerst Advocaat Fiskaal, om Hollands heilge wetten_
    _En zyn gerechtigheên, (wie tegenstand hen boodt,)_
    _Te schraagen, en voor 't recht zig in de bres te zetten._
    _Toen Raatsman van den Raadt der koopstad Rotterdam:_
    _Hy zette zyne borst, voor onze aloude rechten,_
    _Als eenen koopren muur, toen die verwoede vlam,_
    _Van kerk- en staat-twist, uit kwam barsten, om te slechten_
    _Den band der eendracht. Hy, met onvermoeide vlyt,_
    _'t Roer wendde van de kerk en staat, naar alle boegen;_
    _Op dat die band niet wierd verbroken, in dien tyd,_
    _Zocht hy, ter wederzyds, elk een te vergenoegen:_
    _Om zulks te doen, was 't wit van hem, verdraagzaamheid,_
    _Hierop hy doeldde, doch party wou 't niet gedogen;_
    _Hy wierd, om deeze drift, naar Loevestein geleid,_
    _En levendig, als dood, ontrukt der menschen oogen,_
    _Tot hy na der d'half jaar verlost wierd, door een kist;_
    _Hy leefde in ballingschap, na 't vluchten, all' zyn dagen,_
    _Maar Zweden, die 't geweld, hom aangedaan, wel wist,_
    _Heeft 't ampt, als Afgezant, hem gunstig opgedraagen._
    _Dit heeft hy loffelyk bediend; maar, door den dood,_
    _Nu eindelyk ontlast van alle de aardsche zorgen,_
    _Rust hier het lichaam van den wakkeren _DE GROOT_,_
    _Voor wien (wat wetenschap betreft,) niets was verborgen._
    _Des rust hy met zyn hoofd op boeken; in de hand_
    _Voert hy een veder, die de vrucht des geestes baarde;_
    _Kenmerken van zyn groot en doorgeleerd verstand._
    _In d'achtergrond ziet gy den schat, dien hy vergaarde,_
    _Een gantsche boekzaal, waarin hy begraaven lag;_
    _Dit gaf men naderhand voor twaalef duizend kroonen,_
    _In handen van Katryn[12], op dat ik, schreef zy, mag._
    _Myn' grooten Afgezant, my, in zyn schrift vertoonen_
    _In 't midden van dien schat, ziet gy een helder zon,_
    _Wier glans alom verlicht het aardryk, met haar straalen_
    _Van zynen geest, die in zyn schrift met luister praalen;_
    _Die schriften vliegen al de wereld door en door,_
    _In Englen handen; en met kransen van Lauwrieren,_
    _Ontwonden Rollen, elk een draaft op 't letterspoor;_
    _Gy zietze, wederzyds om deeze zonne zwieren._
    _Wat hooger blaast de faam, met twee trompetten, uit,_
    _'s Mans lof, zyn wysheid, in religie, en staatkunde._
    _Zyn wapen ziet men op de lyst. Een boek ontsluit,_
    _Ter wederzyde, zig, wyl 't yder toegang gunde,_
    _Om, nevens Huig de Groot, de bladren in te zien_: enz.

Wat betreft de gedenkpenningen, tot 's mans eere geslagen, en waarvan wy
boven reeds gewag gemaakt hebben; beiden vertoonden zyn borstbeeld, doch
in verschillende standen; op de tegenzyde van den eenen, zag men een
koffer, indedaad in alles zeer gelykende naar dat welk onder den Heer
Mr. KLINKHAMER berustende is, en dat wy den Leezer in plaat medegedeeld
hebben; op het koffer stonden twee kroonen, verbeeldende die van
_Frankryk_ en _Zweeden_, te kennen geevende zyn vlucht in 't eerstgemelde
ryk, en zyn gezantschap ten dienste van het tweede; aan de eene zyde van
het koffer vertoonde zig een opgaande zon, en aan de andere zyde, in een
flaauw verschiet, het Slot van _Loevestein_; de opgaande zon verstrekte

    "ten zinnebeeld van de vernieuwing zyner tydlyke gelukzaligheid en
    glorie, als die lang verborgen geweest zynde onder de duisternis van
    veele rampen, eindelyk te helder weder doorbrak":

De Dichter DUIM, laat de flaauwe vertooning van het _Loevesteinsche
slot_, te kennen geeven, dat deszelfs vermogen door de groote HUGO
overwonnen is: dus zingt hy, in de bovengenoemde Uitlegging:

    _Men ziet, aan de eene zyde, een halve opgaande zon,_
    _Het slot van Loevestein verflaauwd aan de andre zyde,_
    _Ten teken dat zyn glans verryst, en hy verwon_
    _Het Loevesteinsche slot, dat hem zyne eer benydde._

Boven aan den rand van deezen penning las men de woorden:

    MELIOR POST ASPERA FATA RESURGO.

Dat is:

    _Ik kom na myne rampen weder ten voorschyn_:

Onder aan stond:

    N. 1583. O. 1645.

Dat is:

    _Geboren in 't jaar 1583, en overleden 1645._

Op den tweeden penning, zag men, gelyk gezegd is, mede 's mans sierlyk
borstbeeld, en daar rondsom de volgende woorden:

    HUGO GROTIUS NATUS MDLXXXIII, 10 APR.
      OBIIT, MDCXLV. 28 AUGUS.

Dat is:

    _Hugo de Groot, geboren den 10 April 1583,_
      _En gestorven den 28 Augustus 1645_.

Op de tegenzyde las men, onder drie bloemtrossen, en boven twee
lauwertakken, het versje van den Heere BRAND, gelyk wy het Bladz. 153
opgegeeven hebben.

Laat ons by dit alles nog eenige weinige regels ten slotte voegen:--de
gewoone spreuk van den onstervelyke HUGO was; _Ruit Hora_, dat is, _Het
uur snelt voord_, welke woorden hem altoos de kostlykheid van den tyd te
binnen bragt: hy was gewoon des morgens ten zes uure optestaan: wanneer
hy vermoeid was door de studie, las hy iets vrolyks, of onderhield zig
met zyne kinderen: _Ik heb de genade van God_, zeide hy, _als ik de
sleutel uit myn Comptoir trek, dat ik my van alle ingespannene gedachten
ontledig_: hy was hartig in 't eeten; hoorde gaarne dat men hem
tegensprak: zynen Geheimschryver, den Heer PELS, raadde hy, den bybel te
leezen, zonder enige aantekeningen te raadplegen, zeggende: _Komt U iets
voor, dat gy niet verstaat, leg daar een vouwtje by, en lees voord; het
een zal 't ander verklaaren, en God zal u helpen_.

Zyne weduwe, de onvoorbeeldige MARIA, volgde haaren zaligen Echtgenoot,
op de reis naar de eeuwigheid, den 19 April des jaars 1653: haare
dochter CORNELIA was gehuwd aan den Heere JOAN BARTON, Graaf van
_Mombas_: behalven deeze dochter, liet onze held na, drie zoonen,
CORNELIS, PIETER, en DIEDERIK, waarvan de oudste en jongste ongehuwd
gestorven zyn; de middenste, door wien het beroemde geslacht van den
grooten HUGO voordgeplant is, werd, na in vreemden dienst geweest te
zyn, aangesteld tot Pensionaris van _Amsteldam_; vervolgends bekleedde
hy de hooge waardigheid van Afgezant van Hun Hoog Mogende, by de
_Noordsche Kroonen_, en werd daarna Pensionaris en Lid in de Vroedschap
van _Rotterdam_; doch hy heeft ook eindelyk het lot van zyn' vader
ondergaan, en buiten zyn vaderland moeten zwerven, tot dat hy, na dat de
tyd de benevelde oogen een weinig verklaard had, wederkeerde, en zyn
verblyf nam op een buitenplaats naby _Haarlem_, alwaar hy zyne dagen
sleet, in het opvoeden van zyne kinderen en het leezen van goede
schryvers: hy overleed in den ouderdom van 70 jaaren.



                         A A N H A N G Z E L.


Indien wy ons, onder het zamenstellen van de voorgaande bladen, hadden
willen bedienen, van eenige papieren, in den tegenwoordigen tyd van
beklaagenswaardige verdeeldheid ten voorschyn gebragt, zouden wy
menigvuldige trekken hebben kunnen bybrengen, zo wel die den braaven
HUGO DE GROOT ongunstig zyn, als anderen die van zynen lof gewaagen;
dan, daar wy het grootste gedeelte van die geschriften houden voor
schandzuilen, den lande opgericht, om dat ze hunne geboorte verschuldigd
zyn aan eene verfoeijelyke partyzucht, en verdervenden geest van
nieuwigheden, hebben wy dezelven allen ter zyde gelegd, als onwaardige
werktuigen in de hand van een onpartydigen; 't kan de nagedachtenis van
DE GROOT niet verheerelyken, dat men zyner uitmuntendheid gedenkt, ten
koste van de openbaare rust; maar, daar de onlusten binnen de stad
_Rotterdam_ voorgevallen, en de gevolgen van dien, de achtbaare
Regeering van _Amsteldam_, onlangs, aanleiding gegeeven hebben, om in
den lof van onzen Held uitteweiden, en eenige uitdrukkingen te doen,
welken over het geval van dien grooten man, een zeer helder licht
verspreiden, hebben wy geoordeeld die lofspraak, en verdere
uitdrukkingen, by onze voorgaande beknopte beschryving van 's mans leven
te moeten voegen; aangezien dergelyke straatsstukken, schoon niet altoos
bevattende onwrikbaare grondslagen, waarop men mag bouwen, of
onwederlegbaare regelen, waarnaar men mag oordeelen, echter te stellen
zyn, verre boven de verachtelyke papieren waarvan wy boven spraken:--de
bedoelde lofspraak is vervat in de volgende woorden, te vinden in de
_Nadere Aantekening van _Amsteldam_, ter Staatsvergaderinge van Holland
en West-Frieslaand gedaan, op eene Resolutie van den 24 December 1784,
concerneerende het onderzoek van het voorgevallene te _Rotterdam_:_

    "En dit wel uit denzelven __VOORTREFLYKEN_ en _BY DE NATIE
    HOOGGESCHATTEN_ Rechtsgeleerden, _HUGO DE GROOT_, op wiens Leer en
    Gezag de Supplianten van zeker Request, op den 2 December
    laatstleden aan Hun Ed. Gr. Mog. gepresenteerd_, ter adstructie van
    het Sentiment en Advys van bovengemelde Heeren Gedeputeerdens,
    _zich met zoo veel fiducie beroepen hebben_."

    "Dat men ten dien einde vooraf moet remarqueren, dat de Memorie, by
    voorschreve Requeste geallegueert, speciaal was ingerigt, zo als uit
    de Introductie klaar te zien is, tegen de Hoven van Justitie,
    dewelke IN DIE ONGELUKKIGE TYDEN VAN SCHEURINGEN EN VERDEELDHEDEN IN
    KERKE EN BURGERSTAAT, _zich aanmatigden kennis te nemen van
    dispositien en politique orders, die de Steden goedvonden in den
    hare te stellen tot conservatie van de Rust en Vrede onder hare
    Ingezetenen_; doch welken de Hoven, door Mandamenten en andere
    Provisien van Justitie illusoir tragtten te maken."

    "Dat men dus in het oog houdende de gelegenheid by welke, en het
    oogmerk, waar mede voornoemde Heer DE GROOT dit Advys, in den Jare
    1617 heeft gesteld, en het zelve in zyn geheel met oordeel en
    attentie nalezende, ligt bemerken zal, dat hy daar by niets anders
    heeft willen betogen, als dat de Hoven van Justitie zich de klagten
    en quæstien tusschen de Magistraten der Steden en derzelver
    Ingezetenen over gezegde politique Ordonnantien of Correctien van
    die Magistraten tot maintien van de publyke rust, niet vermogen aan
    te trekken, en wel _voornaamlyk_, dat zulks egter by de Hoven
    ondernomen wezende, de Staten volkomen bevoegd waren zoodanige
    quæstien den Hove te onttrekken en aan zich te evoceren, zonder dat
    _daar door_ enige Privilegien verkort wierden."

                      *     *     *     *     *

En Pag. 150 sprekende van de DEFECTEN in de Personen, die gecommitteerd
waren geweest tot zyne Rechters, zegt hy:

    "dat eerst hier op staat te letten, dat _die niet en waren
    ordinarisse Rechters_; indien de Staten Generaal het regt van de
    Commissie te geven toekwam, (vervolgt hy) waarom en hebben zy
    daartoe niet gecommitteert den Hoogen of Provincialen Raad van
    Holland? waarom niet de Raden van Staten, die _ordinaris Recht doen_
    uit den naam van de Generaliteit? In alle vrye Regering is hatelyk
    over het bloed, eer en goed van de Ingezetenen, _andere als
    ordinarisse Rechters_ te stellen, veel meer, als die Personen, gelyk
    het meerendeel van deze, niet en zyn in dienst van de Justitie,
    maar _politicque persoonen_."

                      *     *     *     *     *

Doch zoo men nog al zoude willen beweren, dat hy, in 1619 gesmaakt
hebbende, wat het te zeggen is van zynen dagelykschen Rechter vis factie
te werden geëvoceert, van een ander begrip geweest zy, dan in 1617, zal
men teffens moeten erkennen, DAT HY HET SLAGTOFFER VAN ZYN EIGEN SYSTEMA
IS GEWORDEN; en dat DE VIOLENTE EN ONWETTIGE HANDELWYZE OMTRENT HEM EN
ANDERE BEROEMDE VOORSTANDERS DER VRYHEID GEHOUDEN, de hooge waarde van
de Privilegien _de non evocando_, zoo wel hebben leeren kennen, dat
sints alle tyd elk Liefhebber van het Vaderland een afgryzen van den
naam zelfs van gedelegeerde Rechters als aangeboren is; zoo als men ook
sedert altoos tegens dergelyke inbreuken en violentien, met de uiterste
zorg heeft gevigileert, uitwyzens Hun Ed. Groot Mog. bekende verklaring
van den 15 September 1677:

    "dat het binnen den Lande van _Holland_ en _West Friesland_ een
    indisputabel recht is, dat geene Ingezetenen anders dan voor hunnen
    ordinaris en daaglykschen Rechter mogen te recht gesteld worden."

                      *     *     *     *     *

                       BERICHT VOOR DEN BINDER.
             _De Plaaten te voegen, tegenover Bladz. 70._



                                NOTEN.


Noot 1: _Eén op de verovering van _Nymegen_, door Prins _MAURITS_,
en een ander tot vertroosting van zynen vader, over 't verlies van
deszelfs vroeg gestorven zoon, _JAN DE GROOT_, welk versje van dezen
inhoud is:_

    Eerwaarde Vader, 'k bid dat ge uw gezucht bepaalt;
    Wyl die Johannes, wien de dood heeft weggehaald,
    Heeft met zyn dood, schoon noô, de groote schuld betaald.


Noot 2: _Hierop ziet een Latynsch tweeregelig versje, onder een
zeer vroeg afbeeldsel van onzen Held, gegraveerd door _JACOB DE GEIN_:
dus luidt het in onze taale_:

    Ik, van myn vyftien jaar ter pleitrol opgeschreeven,
    HUIG JANSZ. DE GROOT, word dus in plaat verbeeld naar 't leven.


Noot 3: _Toen welëer veel gouds in _Holland_ omging, was men gewoon
de dukaten en andere speciën te weegen, om te weeten of ze wigtig waren
of niet; Wanneer nu de evenaar wat doorsloeg, of niet in 't midden bleef
stil staan, werd dat leste aas _een kyfäas_ genoemd, om dat men twistte
of het 'er by moest gerekend worden of niet--nu wil _VONDEL_ zeggen, dat
het ook zo wankel stond met de Rechtbank in _Holland_, dat het maar een
_Kyfäas_ scheelde, zus of zo stond, of de Heer _HUGO DE GROOT_ zou ook
voor 't zwaard hebben moeten bukken; voor 't zwaard dat nu _gestroopt en
reê was om den tweeden slach te geeven_._

                          _De _AANTEKENAAR_ op _VONDEL'S_ Hekeldichten_.


Noot 4: _Zie Bladz. 225 van de _Nieuwe Uitgaave_, onlangs by de
Heeren _ELWE en LANGEVELD_ van de pers gekomen._


Noot 5: _Ibid._


Noot 6: Walcheren, _tweede uitgaaf_, Bladz. 226.


Noot 7: Anderen willen dat die Vorst zou gezegd hebben: _Ik dacht
wel datze hem niet opgeslooten zouden houden; want hy was wyzer dan alle
zyne rechters_.


Noot 8: _Dit geschiedde in 't begin van April, na dat zyn huisvrouw
even te vooren ontslagen was; want den vyfden dier maand werd, by
geschrifte, van haaren wege aan de Staaten Generaal geklaagd, dat men
haar op _Loevestein_ gevangen hield, en dat zy haare natuurlyke vryheid
verzocht: dit verzoek overwogen, en aangemerkt zynde, dat de Soldaaten
zelven _DE GROOT_ uitgedraagen hadden; dat gevolglyk by de kloekmoedige
Echtgenoote niets zonderlings misdreeven was, werd zy twee dagen daar na
ontslagen._


Noot 9: _Dit betrof Hoogstdeszelfs erffenis van zyne Moeder,
_LOUISA DE COLIGNY_, wier goederen meestall' in _Frankryk_ lagen._


Noot 10: Deeze was een Neef van den Rykskancelier OXENSTIERN, die
DE GROOT aan den Koning gepresenteerd had, en nevens hem in 't gevaar
was, vermits de kogels, op naauwlyks twee duimen afstands voorbij hunne
hoofden vloogen.


Noot 11: _Deeze Vorstin, was, zegt zeker historieschryver,
"ervaaren in alle saeken, haerer kennisse weerdigh; uitsteekende beminde
sy geleertheid en geleerden, en ook _DE GROOT_ selven; met een
doordringhendt oordeel wist sy syne uitgegeevene schriften te
schatten"--op eene andere plaats beschryft hy deeze Vorstinne, als,
"nogh onweetende in de verscheyde Landtschappen des aerdtboodems, nogh
in de verschillende seeden der menschen"._


Noot 12: _Mevrouw _DE GROOT_, heeft, op verzoek van de _Zweedsche
Vorstinne_, (_Zie Bladz. 133_), de nagelaatene schriften van haaren
overledenen man, voor 24000 Guldens, aan haare Majesteit overgedaan_.





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Het leven van Hugo de Groot" ***


Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home