Home
  By Author [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Title [ A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z |  Other Symbols ]
  By Language
all Classics books content using ISYS

Download this book: [ ASCII ]

Look for this book on Amazon


We have new books nearly every day.
If you would like a news letter once a week or once a month
fill out this form and we will give you a summary of the books for that week or month by email.

Title: Zeven kleine Australiërs
Author: Turner, Ethel Sybil
Language: Dutch
As this book started as an ASCII text book there are no pictures available.


*** Start of this LibraryBlog Digital Book "Zeven kleine Australiërs" ***


                              ETHEL TURNER

                        ZEVEN KLEINE AUSTRALIËRS

               Naar den 3en druk uit het Engelsch bewerkt

                                  DOOR

                            MARIE TEN BRINK

                    Geïllustreerd door A. J. Johnson



                                 GOUDA

                          G. B. van GOOR ZONEN



                                  AAN

                             MIJNE MOEDER.


                                                 E. S. Turner,
                                            Lindfield, Sydney.



INHOUD.


                                                           Bladz.

    EEN WOORD VOORAF                                          XI

    HOOFDSTUK I.

    HOOFDZAKELIJK BESCHRIJVEND                                 1

    HOOFDSTUK II.

    GEBRADEN KIP                                              14

    HOOFDSTUK III.

    DE DEUGD WORDT NIET ALTIJD BELOOND                        24

    HOOFDSTUK IV.

    DE GENERAAL IN DE KAZERNE                                 49

    HOOFDSTUK V.

    AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN                                 72

    HOOFDSTUK VI.

    HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR!               82

    HOOFDSTUK VII.

    "WAT ZEGT GE VAN EEN VERLIEFD HART?"                      96

    HOOFDSTUK VIII.

    EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE                         119

    HOOFDSTUK IX.

    GEVOLGEN                                                 131

    HOOFDSTUK X.

    BUNBY ALS HELD                                           138

    HOOFDSTUK XI.

    EENE VLUCHTELING                                         159

    HOOFDSTUK XII.

    ZWIEP, ZWIEP!                                            172

    HOOFDSTUK XIII.

    ONGENOODE GASTEN                                         187

    HOOFDSTUK XIV.

    DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER                         202

    HOOFDSTUK XV.

    DRIEHONDERD MIJLEN IN DEN TREIN                          214

    HOOFDSTUK XVI.

    YARRAHAPPINI                                             230

    HOOFDSTUK XVII.

    DE KUDDEN VAN YARRAHAPPINI                               242

    HOOFDSTUK XVIII.

    DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO                               254

    HOOFDSTUK XIX.

    EEN LICHTBLAUW HAARLINT                                  272

    HOOFDSTUK XX.

    JUDY                                                     284

    HOOFDSTUK XXI.

    TOEN DE ZON ONDERGING                                    295

    HOOFDSTUK XXII.

    HET LAATSTE HOOFDSTUK                                    303



EEN WOORD VOORAF.


"Seven little Australians" heeft Miss Ethel Turner het boek
genoemd, dat thans in Nederlandsche vertaling verschijnt. "Zeven
kleine Australiërs" heb ik dus boven het verhaal geschreven, dat de
geschiedenis bevat der kinderen van den bij Sidney wonenden kapitein
Woolcot.

Steeds verdiept onze jeugd zich nog gaarne in het aangenaam, frisch
geschreven verhaal "Helen's Kleintjes", en zouden er wel vele jonge
meisjes bij ons gevonden worden, die niet heerlijke uren hadden
doorgebracht met het lezen van Louise Alcott's boeken? Welnu,
aan allen, die in dergelijke lectuur genoegen scheppen, draag ik de
"Zeven kleine Australiërs" op.

Trouwens, dat men in Engeland dezelfde opvatting van Miss Turner's
wijze van schrijven heeft, bewijst hetgeen een Londensch blad, The
Queen zegt:

.... "het is bestemd om de harten van jong en oud te winnen evenals
"Helen's Babies" ze won", en wat de Westminster Gazette schrijft:

"Miss Turner is op weg om voor Australië en dan voor de wereld in
het algemeen datgene te worden, wat de schrijfster van "Little Women"
gedurende eenige geslachten voor Amerika was, en voor kinderen zoowel
als voor volwassenen over de geheele wereld. "Seven little Australians"
is zulk een allerliefst verhaal, dat wij met vreugde het vervolg hierop
"The Family at Misrule" begroeten. Het zijn weer de "zeven", en meer
dan ooit worden wij geboeid door hunne guitenstreken en afdwalingen
en hunne goede daden. Wij kennen geen opwekkender, gezonder lectuur
dan deze."

Miss Ethel Turner heeft dus een vervolg op haar "Seven little
Australians" geschreven, en voor al wie de geschiedenis van Meg, het
droomerige, zestienjarige meisje in wie zoovele goede eigenschappen
sluimeren; van Pip, haar flinken broeder; van Judy, wier dood door
zelfopoffering men niet dan met groote aandoening kan lezen; van
Nellie, van den zwakken, helaas dikwijls onoprechten Bunby, van Baby en
van den steeds vroolijken jongste, den "Generaal" met belangstelling
heeft gelezen, zal dit eene welkome tijding zijn. Weldra zal ook dit
vervolg in het Nederlandsch het licht zien.

Ten slotte nog eenige aanhalingen uit beoordeelingen der Engelsche
pers: The Standard zegt van Miss Turner's eerste werk:

"De bekoorlijkheid van dit boek bestaat in zijn eenvoudigen, gepasten
stijl, in de afwisseling van ernst en luim. Wij aarzelen niet het de
eerste plaats onder de nieuw uitgekomen boeken te geven."

In de Graphic leest men, dat het is:

"Een treffend beeld uit het kinderleven."

The Sketch zegt van Miss Turner:

"Zij heeft een ongeëvenaard succes met haar allerliefst verhaal uit
het kinderleven: "Seven little Australians" behaald. Het boek heeft
in Australië een buitengewonen opgang gemaakt, en heeft in Engeland
de warme bewondering van verscheidene uitstekende letterkundigen
verworven."

Moge Miss Turner's boek in Nederland een even goed onthaal vinden
als in Australië en Engeland.


    Marie ten Brink.

        Leiden.



HOOFDSTUK I.

HOOFDZAKELIJK BESCHRIJVEND.


Alvorens gij u in deze geschiedenis gaat verdiepen, zou ik u eerst
even willen waarschuwen.

Wanneer ge u verbeeldt, dat ge zult lezen van modelkinderen, met
misschien een er tusschen, die neiging toont, om wel eens ondeugend
te zijn, alleen om eene leerrijke tegenstelling te vormen, dan
doet gij beter met dit boek dadelijk op zijde te leggen en u in de
"Geschiedenis van den Braven Hendrik" of een dergelijk standaardwerk
voor de jeugd te verdiepen. Geen enkele van de zeven is volmaakt braaf,
wegens de zeer goede reden, dat Australische kinderen dit nooit zijn.

In Engeland, in Amerika, in Afrika, in Azië, mag het jonge volkje
toonbeelden van deugd zijn, ik weet er weinig van.

Maar in Australië is een modelkind--ik zeg het niet zonder
dankbaarheid--een onbekend verschijnsel.

Het is mogelijk, dat de miasmen van de ondeugendheid zich het best in
onze van zonnegloed doortintelde, zuivere atmospheer ontwikkelen. Het
is mogelijk, dat land en volk gelijkelijk jong van hart zijn, en er
geen schaduw op het gemoedsleven der kinderen geworpen wordt door de
treurige geschiedenis van lang vervlogen jaren.

Er is hier eene smeulende vonk van vroolijkheid en verzet en kwaad
in de natuur, en daarom ook in de kinderen.

Dikwijls wordt het licht dof en de schitterende tinten verwelken
tot onzijdige kleuren in het stof en de hitte van den dag. Maar als
deze oproerige neiging gedurende vrije dagen en schooldagen blijft
aanhouden, dan beslissen de omstandigheden alleen er over of de
electrische vonk de weerbarstigen tot allerlei ongerechtigheden zal
aanzetten, of de harten zal verwarmen van de moedige, eenvoudige,
oprechte menschen die alléén Australië kunnen "groot maken".

Maar genoeg hierover. Laat mij u vertellen van mijne zeven uitgelezen
kinderen. Op dit oogenblik zullen zij thee gaan drinken met een
minimum van comfort en een maximum van rumoer, dus, wanneer gij een
oorverdoovend geraas van stemmen en een onharmonisch gerinkel met
kopjes en schotels kunt velen, zal ik u mede naar binnen nemen en
hen aan u voorstellen.

Het theeuurtje der kinderen is meer eene Engelsche dan
eene Australische instelling; er heerscht hier bij ons een
vriendschappelijke geest onder ouders en kinderen, en eene volkomen
afwezigheid van onderdanigheid aan den kant der laatsten. Zelfs in
de voornaamste families gebeurt het zelden, dat de ouders in eenzame
plechtstatigheid een maal gebruiken, terwijl de kinderen in eene andere
kamer thee zonder veel meer wordt voorgezet: zij plaatsen zich allen
om dezelfde tafel, en de kinderen bedienen zich van de schotels,
die voor allen bestemd zijn, en handhaven krachtig hun recht, aan
het gesprek deel te nemen.

Maar, wanneer nu de vader zeer lastig en min of meer prikkelbaar
is, en zijne zeven kinderen uitstekende longen en onvermoeibare
tongetjes hebben, is het dan niet het beste, dat elk der partijen
eene afzonderlijke kamer heeft om de maaltijden te gebruiken?

Kapitein Woolcot, de vader, had, in overeenstemming met deze scheiding,
het dikke vilt over de vleugeldeur boven laten aanbrengen, maar het
rumoer kwam desniettegenstaande onbezorgd in een stroom van vroolijke
klanken naar beneden, naar de eetkamer.

Het vertrek, waar de kinderen zich ophielden, was buitendien eene
kinderkamer zonder kinderjuffrouw, en dit verklaart ten deele
dezen toestand. Meg, de oudste, was eerst zestien; van haar kon
men redelijkerwijze niet verwachten, dat zij veel ontzag inboezemde,
buitendien had het slordige maar goedhartige meisje, op wie de plichten
van kinderjuffrouw en kamermeisje rustten, zooveel te doen in deze
laatste hoedanigheid, dat de eerste er aanmerkelijk onder leed. Zij
zorgde voor de maaltijden der kinderen, wanneer geen der kleine meisjes
te vinden was om haar te helpen, en de kleertjes van de twee jongsten
knoopte zij 's morgens dicht, maar behalve dit moesten al de kinderen
maar zien zich zelf te helpen.

En de moeder? zult ge vragen.

O, zij was niet ouder dan twintig--net een vroolijk, jong meisje,
die zij allen aanbaden, en die maar heel weinig deftiger en maar
weinig meer van een huismoedertje had dan Meg. Alleen de jongste van
het troepje was haar kind, maar zij scheen evenveel van de andere
zes te houden, en behandelde den jongste meer alsof het een grappig
klein poesje dan een heusche levende baby was, en haar eigen kindje.

Het is waar dat op Misrule--dit is de naam waaronder het huis in de
wandeling bekend was, hoewel ik geloof dat er een andere boven het
balkon geschilderd stond--scheen deze baby een speelpopje voor een
ieder te zijn. De kapitein begon gewoonlijk te lachen, als hij hem zag,
hief hem hoog in de lucht, en gaf hem dan snel aan een ander over.

De kinderen sleepten hem overal mede heen, lieten hem ontelbare malen
vallen, vergaten zijn jasje op vochtige dagen, stopten hem goed in
als het warm was, gaven hem de vreemdsoortigste dingen te eten,
en toch was hij de gezondste, aardigste, tevredenste kleine man,
die ooit op een klein dik duimpje gezogen heeft.

Ook noemde men hem nooit "baby"; dit was de bijzondere naam van op
één na het jongste. Kapitein Woolcot had gezegd: "Wel zoo, is dat
de generaal?" toen het kleine, roode, staroogende wezentje in zijne
armen werd gelegd, en deze naam was in dagelijksch gebruik gekomen,
ofschoon ik geloof, dat de dominee bij de doopplechtigheid zoo iets
gezegd heeft van Francis Rupert Burnand Woolcot.

Baby was vier, en was een zacht klein dik meisje, met lieve vleiende
maniertjes, groote glimlachende oogjes en lipjes, die tot kussen
noodigden, als zij tenminste niet bedekt waren met jam.

Had zij niet eene soort van liefhebberij gehad, om den Generaal aan het
schreien te maken, dan was zij bijna een modelkind geweest. Ontelbare
malen was zij overvallen, terwijl zij bezig was zijn arme kleine
borst in te drukken om hem te laten "piepen", terwijl zij in zijne
kleine armpjes kneep of aan zijn onschuldigen neus rukte, alleen maar
om het vreemde genot te hebben van de wanhoopskreten te hooren, die
hij dan dadelijk uitstootte. Kapitein Woolcot schreef de oorzaak van
deze zonderlinge neiging aan het feit toe, dat het kind eens een log
wollen lammetje gehad had, aan hetwelk het stevigste drukken alleen
maar een zeer flauw piepend geluid had kunnen ontlokken: hij zeide,
dat het niet anders dan natuurlijk was dat zij, nu zij iets had,
dat zich zoo gemakkelijk indrukken liet, dit ook daarvoor gebruikte.

Bunby was zes, en was dik en lui. Hij vond in het veld staan bij het
cricketspel afschuwelijk, hij verfoeide zelfs het woord paardjespelen,
en als er sprake was van eene boodschap, wel, eer iemand nog gereed
was met te zeggen, dat hij dit of dat gaarne gehaald had, was Bunby
reeds lang verdwenen. Hij was klein voor zijn leeftijd en ik geloof
niet, dat iemand hem ooit gezien heeft met een schoon gelaat. Zelfs
in de kerk was alleen dat gedeelte, dat juist naar den dominee gekeerd
was, tamelijk schoon, maar de menschen in de banken achter hem hadden
altijd een ongestoord gezicht op de zwarte grens, die de spons niet
overschreden had.

De volgende van de rij--ik klim, zooals ge ziet, van beneden naar
boven--was het "pronkjuweel" der Woolcots, zooals Pip, de oudste
jongen, zeide. Ge hebt wel eens op Kerstmiskaartjes, die engeltjes met
ideale kindergezichten gezien? Ik denk, dat de teekenaar juist van Nell
gedroomd had, en toen zijn visioen onvolkomen heeft weergegeven. Zij
was tien, was slank en sierlijk als een elfje, had goudachtig haar,
dat in wonderschoone golven en krullen langs haar gezichtje hing,
zachte lichtbruine oogen en een rozeknopje van een mondje. Zij had
volstrekt geen eigendunk, daar zorgden haar broertjes en zusjes wel
voor,--Pip zou zulk eene neiging in hare eerste uiting onderdrukt
hebben,--maar toch, als er een mooi lintje over was, of een lap fraai
gekleurde stof juist groot genoeg voor een klein jurkje, dàn was het
als eene van zelf sprekende zaak voor haar.

Judy was slechts drie jaar ouder, maar vormde met haar het grootst
mogelijke contrast. Nellie was in al hare bewegingen langzaam,
en kon in iedere houding een waardig model voor een schilderijtje
zijn. Judy was, geloof ik, nog nooit wandelend gezien, en zag er
zelden teekenachtig uit. Wanneer zij niet als eene dwaze naar de
plek toe stormde, die zij wenschte te bereiken, dan ging zij er al
springende, dansende en huppelende heen. Zij was zeer mager, zooals
gewoonlijk kinderen en menschen, die kwikzilver in plaats van bloed
in hunne aderen hebben; zij had een klein, levendig, sproetig gezicht
met schitterende donkere oogen, een kleinen, vastberaden mond, en
een overvloed van woest, krullend donker haar, dat de plaag van haar
leven was.

Zonder twijfel was zij de lastigste van de zeven kinderen,
waarschijnlijk omdat zij de schranderste was. Hare vernuftige invallen
brachten hen allen telkens in verlegenheid, zij nam bedaard de schuld
van alles op zich, en menigmaal gebeurde het, dat de andere kinderen
haar stormachtig verweten, hen tot het een of ander kattekwaad
aangezet te hebben. Zij was "Helen" gedoopt geworden, dat in geenen
deele verantwoordelijk is voor "Judy" [1], maar kan men bijnamen
eigenlijk wel voor iets verantwoordelijk stellen? Bunby zeide,
dat zij zoo genoemd werd, omdat zij altijd haar bovenlijf voor- en
achterover wierp en met hare armen en beenen zwaaide als de beroemde
vrouw van Punch; daar mag wel iets van aan geweest zijn. Haar andere
naam "Fizz" is gemakkelijker te begrijpen; Pip placht te zeggen,
dat hij nog nooit gemberbier gezien had dat bruisend en borrelend
half zooveel leven maakte als Judy.

Pip heb ik nog niet aan u voorgesteld, is het wel? Hij geleek een
weinig op Judy, maar was knapper en grooter, en hij was veertien
jaar, en had even goed zijne eigen meening, en koesterde eene even
groote geringschatting voor meisjes, als jongens van zijn leeftijd
dit gewoonlijk doen.

Meg was de oudste van de familie, en had eene mooie lange vlecht
waaraan Bunby met het grootste genoegen kon trekken, een zacht,
droomerig gezichtje, dat geheel bedekt was met kleine, niet leelijke
sproeten, waarover zij menigmaal van dezen en genen iets moest hooren.

Door de leden van het gezin werd algemeen geloofd, dat zij gedichten
en verhalen schreef, en zelfs een dagboek hield, maar niemand had
ooit een spoor van hare papieren gezien, zoo zorgvuldig hield zij ze
in haar ouden blikken hoedendoos weggesloten. Hadt gij hen naar hun
vader gevraagd, dan zouden zij u allen met grooten trots geantwoord
hebben, dat hij "een militair" en door zijne bezigheden niet vaak
thuis te vinden was. Hij begreep niets van kinderen, en was altijd
aan het brommen over het rumoer dat zij maakten en het geld, dat
zij kostten. Toch geloof ik, dat hij wel wat trotsch was op Pip en
soms, als Nellie aardig aangekleed was, nam hij haar met zich mede
in zijn dogcart.

Hij had, toen hij zijn jong vrouwtje zijne woning binnenleidde, haar
voorgesteld, hen alle zes naar eene kostschool te zenden, maar zij
had daar niets van willen hooren.

Eerst hadden zij geprobeerd in de kazerne te wonen, maar na eenigen
tijd werd in het officierskwartier een ieders verontwaardiging gewekt
door de guitenstreken van "die ongezeggelijke kinderen", en dus nam
kapitein Woolcot een huis buiten de stad, aan de Parramatta gelegen,
en bracht zijn gezin in eene bitter booze stemming daarheen.

De kinderen vonden de verandering verrukkelijk, want er was eene groote
wildernis als tuin, twee of drie grasvelden, ontelbare donkere hoekjes
waarin men zich kon verbergen bij het verstoppertje spelen, en, het
beste van alles, de rivier. Hun vader hield drie mooie paarden, een
in de kazerne en een rijpaard en een goed koetspaard op Misrule; en
de kinderen--niet dat zij dit anders zouden gewenscht hebben--liepen
in afgedragen kleeren, waar hunne ellebogen doorheen keken, en op
oude schoenen. Zij werden onderwezen--allen behalve Pip, die naar de
Latijnsche school ging--door eene gouvernante van den derden rang,
die dagelijks bij hen kwam, en altijd in doodelijken angst leefde,
dat hare onwetendheid door hare leerlingen zou ontdekt worden. Als
van zelf spreekt, hadden zij haar reeds lang doorzien, maar deze
toestand strookte volkomen met hunne neiging, om niet te veel tot
werken aangezet te worden, en vooral niet te veel te moeten leeren,
en dus zwegen zij hierover met de grootste nauwgezetheid.



HOOFDSTUK II.

GEBRADEN KIP.


Ik hoop, dat ge nog niet geheel doof zijt geworden, want hoewel
wij gereed zijn met voorstellen, is het theedrinken nog lang niet
afgeloopen, en dus moeten wij nog een poosje in de kinderkamer
blijven. Gedurende al den tijd, dat ik gepraat heb, is Pip aan het
brommen geweest, omdat er niets bijzonders was. Het is waar, dat de
tafel er niet zeer aanlokkelijk uitzag: het servet scheen er maar op
goed geluk over heen geworpen, de kopjes en schotels waren gebarsten
en beschadigd, de thee zeer slap, en er was niets om te eten dan dikke
boterhammen. Toch was alles als gewoonlijk, en ieder scheen verbaasd
over Pip's ontboezeming.

"Vader en Esther" (zij noemden hunne jonge stiefmoeder allen bij haar
voornaam) "hebben gebraden gevogelte, drie groenten, en vier soorten
pudding," zeide hij boos; "het is wat moois!"

"Maar wij hebben om één uur ons middageten gehad, Pip, en voor jou
is als gewoonlijk eten bewaard," zeide Meg, terwijl zij bij de thee
die zij schonk, met kwistige hand warm water en suiker voegde.

"Schapenvleesch en wortelen en rijstpudding!" antwoordde haar broeder
verdrietig: "Waarom krijgen wij geen gebraden gevogelte en vlade
en dessert?"

"Ja, waarom krijgen wij daar niets van?" klonk als echo de stem van
de kleine gulzige Bunby, terwijl zijne oogen begonnen te schitteren.

"Wat zou er dan veel moeten zijn voor ons allen!" zeide Meg, blijmoedig
het mes in het groote brood zettende.

"Wij zijn maar kinderen--laten wij dankbaar zijn voor deze heerlijke
dikke boterhammen en dezen overvloed van zachte boter!" zeide Judy,
met een wijs gezichtje.

Pip schoof zijn stoel van de tafel af.

"Ik ga naar beneden en vraag om een stukje kip!" zeide hij met een
vastberaden blik. "Ik ruik nog den geheelen tijd den heerlijken geur
er van, en er staat een massa op de tafel, ik heb het door een kier
van de deur gezien."

Hij nam zijn bord, liep naar beneden, en kwam weldra, tot een ieders
verwondering, met eene groote portie terug.

"Hij kon mij niet best afschepen," grinnikte hij. "Kolonel Bryant is
ten eten; maar hij keek wel een beetje woedend,--hier, Fizz, ik zal
met je deelen."

Judy schoof haar bord gretig bij, toen haar dit ongewoon grootmoedige
aanbod gedaan werd, en ontving een heel klein stukje, een vijfde deel,
met groote dankbaarheid.

"Ik houd zoo bijzonder veel van kip!" zeide Nell smachtend. "Ik heb
grooten lust om naar beneden te gaan en om een boutje te vragen--ik
geloof, dat hij het mij wel zal geven."

Deze oneerbiedige kinderen zeiden, zooals ge reeds zult gemerkt hebben,
van hun vader sprekende altijd "hij."

"Ja, doe dat!" zeide Pip, en er schitterde iets in zijne oogen.

Nell nam een ander bord, en vertrok langzaam naar de lagere
gewesten. Zij liep de eetkamer binnen onmiddellijk achter het
dienstmeisje, en stond naast haar vader, haar bord achter zich houdend.

"Wel, kleine meid, wil je mij niet een handje geven? Hoe heet
je?" zeide kolonel Bryant, en klopte haar vriendelijk op de wang.

Nell keek op met een schuwen, lieftalligen blik.

"Elinor Woolcot, maar iedereen noemt mij Nell," zeide zij, en stak
hare linker hand uit, daar de rechter het bord vasthield.

"Wel Nell, zijn dat nu manieren!" sprak haar vader lachend, maar hij
zag haar een oogenblik ontevreden aan. "Waar is je rechter hand?"

Zij nam haar arm langzaam van haar rug weg en toonde het oude,
gebarsten bord. "Ik dacht, dat u mij misschien ook een stukje kip
zou willen geven," zeide zij,--"met een pootje of een vleugel of een
stukje wit vleesch zou ik al blij zijn."

De kapitein fronste zijn voorhoofd. "Wat beduidt dat! Pip is zooeven
ook hier geweest. Hebben jelui niets te eten in de kinderkamer?"

"Alleen heel dikke boterhammen!" zuchtte Nellie. Esther onderdrukte
met moeite een glimlach.

"Maar jelui hebt je middageten gehad om één uur!"

"Schapenvleesch en wortelen en rijstpudding!" zeide Nellie treurig.

Kapitein Woolcot nam bijna toornig een kippebout en legde hem op
haar bord.

"Ga nu heen! Ik begrijp niet, wat jelui beiden van avond hebt!"

Nellie was reeds bij de deur gekomen, en keerde toen weer terug.

"Zou u mij niet een vleugel voor Meg willen geven? Judy heeft wat
van Pip gekregen, maar Meg heeft niets!" zeide zij, met zulk een
smeekenden, ongelukkigen blik, dat kolonel Bryant er geheel door
getroffen werd.

Haar vader beet zich op de lip, hakte met onheilspellend stilzwijgen
een vleugel af, en legde dien op haar bord.

"Nu, ga nu heen, en laat ik verder geen last meer van je hebben,
lieve kind!" De laatste woorden werden met groote zelfbeheersching
uitgesproken. Nell's verschijning in de kinderkamer met twee porties
kip werd met uitbundige juichkreten begroet. Meg was opgetogen over
haar deel, sneed een stukje er af voor Baby, en het maal werd vroolijk
voortgezet.

"Waar is Bunby?" zeide Nell opeens, met een zeer schoon afgekluifd
beentje tusschen haar vingers, "ik hoop toch maar, dat hij ook niet
naar beneden gegaan is; ik geloof heusch, dat vader het toch niet
aardig vond, vooral omdat die vreemde man er bij was."

Maar deze kleine heer had dat werkelijk gedaan, en kwam, geheel uit
het veld geslagen terug.

"Hij wilde mij niets geven,--hij zeide mij, dat ik weg moest gaan,
en die vreemde man lachte, en Esther zeide, dat wij heel ondeugend
waren,--maar ik heb toch een paar gebakken aardappels van de tafel
buiten de deur kunnen nemen."

Hij opende zijne vuile handjes en liet de onsmakelijke lekkernij op
het servet vallen.

"Bunby, je bent een kleine vuilpoets," zuchtte Meg, terwijl zij van
haar boek opzag. Zij las altijd gedurende de maaltijden, en van het
verhaal, waar zij nu aan bezig was, waren een paar hoogst beschaafde,
uiterst elegante jonge meisjes de heldinnen.

"Je bent zelf een vuilpoets! Jelui hebt allemaal kip gehad behalve ik,
akelige kinderen!" antwoordde Bunby kribbig, en at met groote haast
zijne aardappels op.

"Neen de Generaal heeft niets gehad!" zeide Judy, en uit hare donkere
oogen keek met eene plotselinge flikkering al hare oude ondeugendheid.

"Nu, nu Judy!" zeide Meg waarschuwend; zij wist maar al te goed wat
die flikkering beduidde.

"O, ik zal je geen kwaad doen, lieve oudste zuster!" zeide mejuffrouw
Judy, terwijl zij door de kamer danste en in het voorbijgaan Meg een
tikje op het hoofd gaf. "Ik wilde alleen maar zorgen, dat die arme
kleine Generaal ook een beetje plezier heeft!"

Zij tilde hem uit zijne hoogen stoel, waarin hij aan de tafel gegeten
had, hard op het blad slaande met een lepel, en suiker etende in
de tusschenpoozen.

"Nu zal je eens wat beleven, mijn Generaaltje!" zeide zij; en sprong
met hem naar de deur.

"O, Judy, wat ga je nu beginnen?" riep Meg klagend.

"Ju-Ju!" kraaide de Generaal, terwijl hij bijna uit Judy's armen gleed,
en hem een voorgevoel van pret doorstraalde.

Zij gingen de trap af, de andere vijf hen achterna om vooral niets te
verliezen, van wat er gebeuren zou. Judy ging met hem op de onderste
trede zitten.

"Houdt mijn kleine vent wel van kippen, lieve kippetjes?" zeide
zij arglistig.

"Kip, kip! Kip, kip!" stootte hij uit, en keek om zich heen, of hij
zijne vriendjes niet ontdekte.

"Vadertje heeft er eene heele menigte, zóóveel," zeide Judy, en zij
spreidde hare armen wijd uit, om een denkbeeld te geven van het aantal,
dat in haar vaders bezit was. "Ga ze maar eens gauw zoeken!"

"Kip, kip!" riep de Generaal verrukt, terwijl het hem eindelijk
gelukte, op den grond te springen, "kip, kip zoeken!"

"Ga maar naar binnen!" fluisterde Judy, hem een duwtje gevende,
zoodat hij in de half geopende deur der eetkamer te staan kwam;
"vraag maar aan vader!"

Het kind kwam midden door de kamer op zijne dikke, onvaste beentjes
aangedribbeld.

"Zijn de kinderen van avond allemaal niet wijs, Esther?" zeide de
kapitein, toen zijn jongste zoon zich woest aan zijn been vastklemde
en beproefde, omhoog te klimmen.

Hij keek in het kleine, vuile, ronde gezichtje. "Wel Generaal,
waaraan hebben wij de eer van jou tegenwoordigheid te danken?"

"Kip, kip, kip, kip!" riep de Generaal. Hij wierp zich op handen en
voeten, en begon kruipende te zoeken naar de gevederde lievelingen,
die volgens Judy's zeggen hier moesten zijn.

Maar Esther nam de lieve, kleine booswicht met het vuile gezichtje op,
en bracht hem, hoewel hij stevig tegenspartelde, buiten de kamer. Bij
de trap gekomen struikelde zij bijna over de rest van het troepje.

"O, jelui ondeugende kinderen, jelui stoute, lastige kinderen!" zeide
zij, terwijl zij de hand uitstrekte om hen om de ooren te geven,
en natuurlijk niemand raakte.

Zij ging even op de benedenste trede zitten, om één oogenblik te
schaterlachen, daarop gaf zij den Generaal aan Pip over.

"Morgen," zeide zij, opstaande en haastig het zware haar glad
strijkende, waarin de handjes van den Generaal gewoeld hadden,
"morgen krijgen jelui allemaal met den bezemsteel!"

Zij zagen den sleep van hare geel zijden japon weer in de eetkamer
verdwijnen, en gingen langzaam naar de kinderkamer terug, om verder
thee te drinken.



HOOFDSTUK III.

DE DEUGD WORDT NIET ALTIJD BELOOND.


Het was niet waarschijnlijk, dat zulk eene gebeurtenis zonder gevolgen
voorbij zou gaan, maar aan den anderen kant is het ook weer moeielijk,
zeven kinderen tegelijk te straffen. Eerst had Kapitein Woolcot aan
Esther opgedragen om Miss Marsh, de gouvernante, te zeggen, dat zij
hen allen tien Fransche werkwoorden moest laten leeren; maar, hierin
had Judy gelijk, de Generaal en Baby en Bunby en Nell waren nog niet
zoo ver, dat zij eenig begrip hadden van Fransche werkwoorden, en dus
zou zulk eene straf niet doeltreffend zijn. Het vonnis was dus tot nu
toe nog niet geveld, en een ieder bevond zich in een onbehagelijken
toestand van angstige, drukkende spanning.

"Jelui vader zegt, dat jelui schandelijk ondeugend bent!" zeide de
jonge stiefmoeder langzaam, toen zij een dag later in de kinderkamer in
een schommelstoel zat. Zij droeg eene morgenjapon van witte mousseline
met kersrood lint, maar op eene of twee plaatsen deed een speld dienst
voor een knoop en de kant van den sleep was hier en daar afgetrapt.

"Meg, je ziet er vreeselijk slordig uit, en Judy moest zich schamen,
zoo voor den dag te durven komen!"

Meg was gekleed in een slecht zittende, groen kasjmiren japon,
waarvan de ellebogen versleten en het peluche op verscheidene plaatsen
losgetornd was, terwijl Judy's vreeselijk nauw en verlept rose zephyr
kleedje overal scheuren had, en de kleur nauwelijks meer te zien was
van de vruchtenvlekken.

Meg bloosde even. "Ik weet het wel, Esther, en ik zou ook wel graag
mooi gekleed willen zijn, maar het is heusch niet de moeite waard,
om die oude japon nog te maken."

Zij nam het boek over de elegante jonge dames, dat hare tevreden
stemming dreigde te verstoren, weer op, en ging er mede naar den
armstoel.

"Judy, jij gaat die scheuren maken en zet knoopen aan je lijfje!" sprak
Esther met ongewone vastheid.

Judy's oogen glinsterden en schitterden.

"Is dat een dolk, wat ik voor mij zie, en is 't gevest naar mijne hand
gekeerd?" zeide zij onbeschaamd, greep een van de spelden van Esther's
japon, bevestigde hem aan haar eigen kleedje, en maakte eene buiging.

Esther kleurde nu toch even.

"Dat doet de Generaal, Judy! Hij trekt altijd aan mijne knoopen,
als ik met hem speel! Maar, daar had ik haast wat vergeten. Kinderen,
ik heb slecht nieuws voor jelui!"

Er ontstond eene ademlooze stilte. Allen schaarden zich om haar heen.

"Het vonnis is geveld!" zeide Judy pathetisch: "laten wij ons de
haren afsnijden en boetgewaden aantrekken!"

"Jelui vader zegt, dat hij zulk een gedrag niet ongestraft kan laten,
en omdat jelui gisteren buitengewoon lastig geweest zijn, zullen
jelui allen--"

"Worden weggesleept en opgehangen!"

"Wees stil, Judy! Ik verzeker je, dat ik voor jelui gepleit heb,
maar dit ontstemde hem nog meer. Hij zegt, dat jelui de slordigste,
bandelooste kinderen zijn van geheel Sidney, en hij zal jelui iederen
keer straffen, als je iets ondeugends doet, en--"

"Daar zal geween zijn en knarsing der tanden."

"Ach, houd toch je mond, Judy! Wij kunnen immers niets verstaan!"

Pip legde zijne hand op haar mond en hield haar bij de haren vast,
terwijl Esther hare mededeeling deed.

"Geen een van jelui gaat naar de pantomime. Er waren plaatsen genomen
voor Donderdagavond, en nu zullen jelui allen thuis moeten blijven."

Gedurende een minuut of twee weerklonk een luid gejammer. Zij
hadden zich bijna een maand lang op dezen uitgang verheugd, en de
teleurstelling was voor hen allen zeer groot.

"O, Esther, dat is te erg! Alle jongens van school zijn er al
geweest!" Pip's aardige gezicht werd rood van spijt. "En dat voor
zoo'n kleinigheid!"

"Alleen, omdat er gebraden kip voor het diner was!" zeide Judy, met
half verstikte stem. "O, Esther, waarom was er geen rundvleesch,
of paardevleesch of hippopotamusvleesch--of wat ook, als het maar
geen gebraden kip was?"

"Zou je hem niet kunnen bepraten, Esther?" Meg keek angstig naar haar.

"Lieve Esther, probeer het!"

"Ja, lieve, beste Esther, probeer het!"

Zij klemden zich allen aan haar vast. Baby sloeg hare armen om haar
hals en deed haar bijna stikken; Nell streelde hare wang; Pip klopte
haar op den rug, en smeekte haar een lieve meid te zijn; Bunby
begroef zijn neus in haar zwart haar en weende eene stille traan;
Meg sloeg hare handen in een aanval van mistroostigheid ineen; de
Generaal stootte eene serie van verrukte gilletjes uit; en Judy in
hare wanhoop kuste hem dat het klapte.

Esther zou haar best doen, smeeken, als zij nog nooit gesmeekt
had, vleien, bedelen, volhouden, dreigen; en door deze belofte
gerustgesteld, lieten zij haar eindelijk gaan.

"Alleen raad ik jelui aan, bovennatuurlijk stil en lief te zijn
den geheelen dag!" zeide zij omkijkende, toen zij reeds in de gang
was. "Dat zal den meesten invloed hebben, vooral daar wij den geheelen
dag thuis zijn."

Lief! Het was werkelijk pijnlijk om de deugdzaamheid dezer kinderen
gedurende het overige gedeelte van den dag op te merken.

Zij hadden een vrijen middag, en Miss Marsh was er niet, maar geen
enkel maal kwam het geluid van een twist, of van gelach, of van
geschrei, naar de lagere gewesten gezweefd.

"Burgers van Rome, de oogen der wereld rusten op u!" had Judy plechtig
gezegd, en allen hadden beloofd zich zóó te gedragen, dat hun vaders
hart wel moest vermurwd worden.

Pip trok zijn schooljasje aan, kamde zijn haar, nam een stapel
schoolboeken, en ging naar de studeerkamer, waar zijn vader brieven
zat te schrijven, en waar hij altijd zijn werk mocht komen maken.

"Wat wilde je?" vraagde de kapitein terwijl hij zijne wenkbrauwen
fronste. "Je behoeft mij niet aan te komen met een verzoek om dien
jongen hond te mogen houden--ik geef je er toch geene toestemming toe."

"Ik kom om te werken, vader!" zeide Pip ootmoedig, "ik voel, dat
ik wat ten achteren ben met rekenen: daarom wilde ik op mijne vrije
middagen sommen maken, vooral daar ik u zooveel aan schoolgeld kost."

De kapitein liet een zwakken uitroep hooren, en keek Pip opmerkzaam
aan; maar het gezicht van den jongen was zoo strak en ernstig, dat
hij ontwapend werd, en zich heimelijk gelukwenschte, dat zijn oudste
zoon eindelijk tot inzicht kwam.

"De sommen, die ik gemaakt heb, toen ik op school ging, liggen in dien
kast!" zeide hij vriendelijk. "Als ze je van eenig nut kunnen zijn,
dan mag je ze er uit nemen."

"Als het u blieft--zij zullen mij zeker van groot nut zijn!" zeide
Pip dankbaar.

Hij bladerde in de schriften en op zijn gezicht was duidelijk
bewondering te lezen.

"Hoe netjes en nauwkeurig werkte u, vader!" zeide hij met een
zucht. "Ik ben benieuwd of ik het ooit zoo ver zal brengen. Hoe oud
was u, vader, toen u dit schreef?"

"Ongeveer zoo oud als jij nu!" zeide de kapitein, de papieren in
zijne hand nemende.

Hij keek ze door met zijn hoofd op één schouder. Hij was min of meer
trotsch op dit werk, en zag dat hij geheel vergeten was hoe decimale
breuken uitgewerkt moesten worden, en dat hij, al had hij er zijn leven
door kunnen redden, geene vierkantsvergelijking meer zou kunnen maken.

"In ieder geval behoeft dit je niet te ontmoedigen, Pip. Ik herinner
mij wel, dat ik wat rekenen betreft de jongens van mijn leeftijd
vooruit was. Wij kunnen niet allen in hetzelfde vak uitblinken,
en ik ben blijde te zien, dat je het gewicht van het leeren begint
te begrijpen!"

"Ja, vader!"

Meg had zich naar het salon begeven, en was gezeten op den vloer voor
den muziekkast met schaar, vingerhoed, en eene rol smal blauw lint
op hare knieën, terwijl alle liederen van haar vader die, zooals hij
zoo dikwijls met leedwezen zeide, door elkaar raakten en scheurden,
om haar heen uitgespreid lagen.

Hij zag haar, toen hij de deur voorbij kwam, en keek verbaasd maar
aangenaam verrast naar binnen.

"Wel, Margaret, dat had mijne muziek hard noodig! Ik ben blij, dat
je je zelf nuttig kunt maken!"

"Ik doe het gaarne, vader!"

Meg naaide met grooten ijver voort.

Hij ging terug naar zijne studeerkamer, waar hij in een stil,
afgezonderd hoekje Pips hoofd tusschen pyramiden van boeken en stapels
papier zag uitsteken. Hij schreef nog twee brieven, en toen werd er
zacht aan de deur geklopt.

"Binnen!" riep hij, en Nell verscheen.

Zij droeg met groote voorzichtigheid een klein blaadje, waarover
een sneeuwwit kleedje lag, en waarop een glas melk en een bordje met
moerbeziën stond. Zij zette het voor hem neer.

"Ik dacht, dat u misschien wel wat zou willen gebruiken, vader!" zeide
zij met een lief stemmetje; en Pip werd op eens gekweld door een
hoestbui.

"Mijn liefste kindje!" zeide hij.

Hij keek peinzend naar het blaadje. "Ik heb voor het laatst een glas
melk gedronken, Nellie, toen ik zoo oud was als Pip, en op school
ging. Ik ben er onwel van geworden, en sedert dien tijd heb ik nooit
weer melk geproefd."

"Maar deze zal u geen kwaad doen. U wil deze toch wel opdrinken?"

Zij keek hem met een van haar vriendelijkste blikken aan.

"Ik zou even gaarne het vatenwater uit de keuken willen drinken,
kindlief!" Hij nam eene moerbezie, at haar, en vertrok het
gezicht. "Zij zijn niet rijp genoeg om gegeten te worden!"

"Als u er maar eerst een stuk of zes gegeten heeft, merkt u niet
meer, dat ze zuur zijn!" zeide zij met overtuiging. Maar hij schoof
ze op zijde.

"Ik wil het gaarne gelooven, als je het zegt." Toen keek hij haar
onderzoekend aan. "Hoe kwam je op de gedachte mij iets te brengen,
Nellie? Ik herinner mij niet, dat je ooit vroeger iets dergelijks
gedaan hebt."

"Ik dacht, dat u wel eetlust zou krijgen, nu u hier zoo druk moet
zitten schrijven!" zeide zij vriendelijk; en Pip begon weer hevig te
kuchen, en zij verdween.

Buiten in den blakerenden zonneschijn was Judy bezig het grasperk
te maaien.

Zij hadden één knecht, en daar diens tijd zeer in beslag werd genomen
door bezigheden in den stal, kon het niet anders, of de tuin moest
daaronder lijden. Meer dan eens had de kapitein gezegd, hoe het hem
hinderde, dat de grasperken er zoo verwaarloosd uitzagen, en dat hij
zich tegenover bezoekers schaamde.

En dus had Judy, een en al ijver, zich met eene buitengewoon groote
zeis gewapend, en was tusschen het lange, lange gras ijverig aan
het werk.

"Lieve hemel, Helen! je zult je de voeten nog afsnijden!" riep haar
vader verontrust.

Hij verscheen op de veranda aan de voorzijde van het huis om na
de moerbezie eene lichte sigaar te rooken, juist toen zij met
een bewonderenswaardigen zwaai haar zeis een halven cirkel deed
beschrijven, en een geheel leger van geel gehelmde paardebloemen
onthoofdde.

Zij keek om, en zag hem glimlachend aan.

"O neen, vader!--ik ben een heele bolleboos in het maaien!"

Zij deed een tweeden, niet minder schrikwekkenden, maar krachtigen
zwaai, en volkomen volgens de regels van de kunst.

"Daar--en daar--en daar!"

Bij het tweede "daar" ging een stuk van hare japon mede, en bij het
derde stoof een gedeelte van een rozenstruik door de lucht; maar
natuurlijk, details zijn er altijd!

"Ongelukken kunnen zelfs de beste maaiers overkomen!" zeide zij
wijsgeerig, en tilde de zeis op tot een nieuwen slag.

"Houd oogenblikkelijk op, Helen! Waarom kan je toch niet rustig met
je pop spelen, en zulke gekheden nalaten?" zeide haar vader boos.

"En ik deed het nog wel om hem een genoegen te bereiden!" zeide zij,
oogenschijnlijk tot de paardebloemen sprekend.

"Je kunt wel begrijpen, dat "het hem geen genoegen zal bereiden",
als hij jou kurken beenen zal moeten geven, en den tuin moet laten
opknappen," zeide haar vader droog. "Laat dat nu!"

"Het zou wat moois zijn, om het werk halverwege te laten liggen--zou
het grasperk er niet uitzien als een man, wiens eene wang geschoren
was?"

Judy sprak somtijds, en ook weer nu, in Iersch dialect, om de eene
of andere geheimzinnige reden, die haar alleen bekend was.

"En als u nu maar zoo goed zou willen zijn van hier te komen, en
eens te zien hoe het er mede staat, dan zou het nog wel kunnen zijn,
dat mijn maaien u niet mishaagt."

De kapitein glimlachte even onder zijn knevel. Het kleine meisje
zag er zoo komiek uit, zooals zij daar stond in haar oud, kort, rose
japonnetje, een hoed met beschadigden rand op hare donkere krullen,
met glinsterende oogen, blozende wangen, de groote zeis in hare handen,
en de uitdagende woorden op hare lippen.

Hij kwam naar beneden en onderzocht haar werk: het was uitstekend
gedaan, evenals de meeste dingen die Miss Judy ondernam--met inbegrip
van kattekwaad, en hare kleine, met zwarte kousen bekleede beenen
bevonden zich in den besten welstand.

"Nu, je kunt er dan mede voortgaan, vooral daar Pat het druk heeft. Hoe
heb je leeren maaien, talentvolle jonge dame?"--hij zag haar vragend
aan.--"En hoe kwam je er toe, je zelve zulk een taak te stellen?"

Judy streek met eene vlugge beweging hare krullen van haar verhit
voorhoofd.

"Wel, ten eerste, vond ik het noodig, en ten tweede: "houd ik niet
van u, en is het niet mijn streven, u te behagen?""

Langzaam en in gedachten verdiept ging hij weer het huis binnen. Judy
was hem altijd een raadsel. Hij begreep haar het minst van al zijne
kinderen, en somtijds bekommerde hem de gedachte aan haar. Vooralsnog
was zij niets dan een bijdehand, knap, en dikwijls impertinent kind;
maar hij gevoelde, dat zij geheel verschillend was van de overige zes,
en als hij hieraan dacht, wat echter niet zeer dikwijls gebeurde,
verontrustte hem eene zekere angstige bezorgdheid.

Hij herinnerde zich, dat hare eigen moeder dikwijls gezegd had,
hoe zij voor Judy's toekomst beefde. Dat rustelooze vuur, dat uit
hare schitterende oogen flikkerde, eene hoogroode, opgewonden kleur
op hare wangen te voorschijn riep, en eene verbazende veerkracht
en bewegelijkheid aan haar jong, klein lichaam verleende, zou van
haar of eene edele, moedige, schitterende vrouw maken, of zij zou
schipbreuk lijden op rotsen, die de anderen nooit zouden bereiken,
en dan zou het vuur hooger en hooger opvlammen, en haar verteeren.

"Pas goed op, Judy!" waren bijna de laatste woorden van de bezorgde
moeder geweest, toen, in het licht, dat komt als dat van deze wereld
voor ons verdwijnt, zij met vreeselijke helderheid de steenen en
struikelblokken op het pad had gezien van dit paar kleine, vlugge
voeten.

En zij was gestorven, en Judy zocht zich al tastend en struikelend
haar weg, en haar vader kon niet "op haar passen", omdat hij volstrekt
niet wist, hoe hij dit zou doen.

Toen hij de trap der veranda weer op ging en de vestibule doorliep,
vervulde hem de wensch, die bijna de innigheid van eene bede had, dat
hare natuur niet zoo geheel verschillend van die der anderen ware,
en gaarne had hij in zich de kracht gevoeld, om dien vreemden geest
uit haar te bannen, die hem tusschenbeide zoo ongerust maakte.

Hij blies den rook van zijne sigaar in eene groote wolk voor zich uit,
en zuchtte diep; toen keerde hij zich om, en begaf zich naar den stal
om alles te vergeten.

De knecht was weg, hij reed een der paarden op het groote grasveld af;
maar er was een gedruisch in de tuigkamer, en dus ging hij daarbinnen.

Daar stond eene kleine druipende gestalte over een hooge tobbe gebogen,
die met grooten ijver iets scheen onder te dompelen en uit het water
te halen.

Bij het geluid van zijne voetstappen, draaide Baby het hoofd om,
en zag hem met haar guitig klein gezichtje aan.

"Ik wasch de poesjes voor u, en ook Flibberty-Gibbet!" zeide zij
stralend.

Vol schrik kwam hij eene schrede nader.

Daar zag hij twee katjes, op welke hij bijzonder gesteld was,
en die trillend, ellendig, tot aan den hals in het zeepsop zaten,
en Flibberty-Gibbet, de mooie kleine fox-terriër, dien hij juist
voor zijne vrouw gekocht had, was aan den deurpost vastgebonden,
ook hij was nat, bevend en in hoogst treurigen toestand, ook hij was
slachtoffer van deze schoonmaakwoede, en werd geborsteld en gewreven
tot hem hooren en zien vergingen.

"Zij zijn nu zoo schoon en netjes--en hebben geen vieze vlooien
meer! Is u niet blij? Flibberty kan u nu gerust op uw bed laten
springen, en Kitsy Blackeye is--"

De arme Baby eindigde haar zin niet. Zij had later eene verwarde
herinnering van hetgeen nu volgde, dat hierop neerkwam, dat zij een
"krachtig woord" van haar vader hoorde, op de meest onvriendelijke
manier door elkaar geschud en den stal werd uitgezet, terwijl de
rampzalige dieren gedroogd werden en met de grootste omzichtigheid
behandeld. Maar het ergste zou nu nog komen, en het resultaat
beantwoordde zoo weinig aan het doel, dat de jonge Woolcot's het
besluit namen, nooit weer deugden te willen toonen, die zij niet
bezaten.

Bunby wenschte natuurlijk ook de goede zaak even hard te bevorderen
als de anderen, en met dit doel voor oogen was het zijn eerste werk
naar zijne slaapkamer te gaan, en zijn gezicht, hals en handen een
grondige reiniging te doen ondergaan. Toen wandelde hij met zijne
van zeep glimmende wangen en roodgeschuierde handen naar beneden en
plaatste zich binnen den gezichtskring van zijn vader, in de hoop
eene goedgunstige opmerking uit te lokken.

Maar hem werd op ongeduldigen toon: "Ga spelen!" toegevoegd, en
dus begreep hij, dat hij andere middelen moest vinden om zijn vader
te verteederen.

Hij liep naar de studeerkamer, met het vage plan om de keurig
gerangschikte stapels boeken op te ruimen, maar Pip zat daar, omringd
van boeken en bezig met een houtje voor een catapult af te schillen,
dus ging hij weer heen. Toen klom hij de trap op en verkende zijn
vaders slaapvertrek en kleedkamer. In de laatste was oneindig veel
gelegenheid, zijn goeden wil te toonen. Een gala-uniform lag dwars over
een stoel en het viel Bunby op, dat de gouden knoopen niet zoo blonken
als zij eigenlijk doen moesten, en dus bracht hij een welbesteed
kwartier door met ze te poetsen. Daarna wreef hij eenige sporen op;
de tijd, dien hij hieraan gaf, was natuurlijk even welbesteed. Toen
keek hij rond naar eene nieuwe bezigheid.

Een geheele kolonie van stoffige laarzen bevond zich in een hoek van
de kamer, en eene groote flesch met een zwart, strooperig vernis
stond op den schoorsteenmantel. Bunby werd door het schitterende
denkbeeld, ze allemaal schoon te maken en netjes op eene rij te
plaatsen, bezield, in de hoop, dat "de verrukte blikken" van zijn
vader er op zouden vallen. Hij vond op den vloer een handdoek van
het fijnste Kamerrijksche linnen, die evenwel gebruikt was, goot er
een groote plas vernis op en viel op het eerste paar aan.

Een schitterend glanzen beloonde hem, want het vernis was juist
voor het leder dezer laarzen bestemd; maar het volgende en het
volgende en het volgende paar wilde niet glimmen, hoe hard hij ook
wreef. Daar weerklonk een stap op de trap, de vaste, welbekende stap
van zijn vader, en hij hield een oogenblik op met eene uitdrukking
van zelfbewuste deugdzaamheid op het kleine tevreden gezicht.

Maar deze uitdrukking verdween, en een doodelijke schrik deed
Bunby verstijven. Hij had de flesch voor het gemak op een grooten
armstoel gezet, daar hij op den grond zat, en nu bemerkte hij dat
zij omgevallen was en dat er een afschuwelijke, zwarte stroom uit
zijn hals kwam geloopen.

En het was de stoel waarop het uniform was uitgebreid en een der mouwen
was overgoten met het vocht, en een mooi wit hemd, dat daar ook lag,
wachtende op een knoop, was overal gevlekt door het kleverige goed,
vreeselijk! Bunby keek met een woesten, doodelijk verschrikten blik de
kamer rond, om een plek te vinden, waar hij zich zou kunnen verbergen,
maar er waren geen hoekjes of gordijnen waar hij zich kon verschuilen,
en er was geen tijd om de slaapkamer binnen te vliegen en onder
het bed te kruipen. Dicht bij het raam was een groote medicijnkast,
en in zijne wanhoop wierp Bunby er zich in, trok zijne beenen naar
zich toe en verborg zijn hoofd tusschen zijne knieën, terwijl een
onheilspellend gerinkel van omgeworpen flesschen in zijne ooren
suisde. Het volgend oogenblik was zijn vader in de kamer.

"Groote hemel! God bewaar me!" zeide hij, en Bunby trilde van het
hoofd tot de voeten.

Toen bromde hij een reeks woorden zeer snel achter elkander--"in eene
vreemde taal" zooals Judy hiervan zeide; gooide iets omver, en riep
"Esther!" op schrikwekkenden toon. Maar Esther was buiten op een der
grasvelden met den Generaal, en dus kwam er geen antwoord.

Meer woorden in eene vreemde taal, meer gestamp op den grond.

Bunby's tanden sloegen met geweld op elkander; hij bracht zijne hand
omhoog, om zijn mond dicht te houden, en de kast, die nu het evenwicht
verloor, viel voorover, waardoor zijn bewoner voor zijn vaders voeten,
en de flesschen naar alle kanten buitelden.

"Ik heb het niet gedaan--ik kan het--niet helpen!" huilde hij,
achterwaarts naar de deur loopende. "O--neen--boe--hoe--oe!
Esther--boe--ja--Judy--o--o! o!" Zooals te verwachten was, had
zijn vader een riem ter hand genomen, die daar door een gedienstig
toeval lag, en was bezig, er zijn zoon een geducht pak slaag mede
toe te dienen.

"O--o! o! A--a! ik kan het--niet helpen! Het is de schuld van Pip--en
Judy--o! de pantomime! boe--hoe! a! u slaat me dood! O--o!--ik deed
het alleen--ik deed het alleen--om u een genoegen te doen!"

Zijn vader hield op met omhooggeheven riem. "En daarom dus gedraagt
de een zich nog zotter dan de ander? Omdat ik jelui mee zou nemen
naar de pantomime?"

Bunby trok zich los. "Boe--hoe--ja! Maar ik heb het niet bedacht--ik
niet--ik kan het niet helpen!--O--a!--ik heb het niet gedaan--de
anderen hebben het gedaan--boe--hoe--hoe! Geef u hun slaag, de
anderen!"

Hij kreeg nog drie flinke klappen en vluchtte toen huilend en kermend
naar de kinderkamer, waar hij op den grond rolde en met zijne beenen
schopte en zich in bochten wrong alsof hij half doodgeslagen was.

"Jelui gluiperts!" snikte hij, toen de anderen van alle kanten
waren komen aanloopen, verschrikt door zijne luidruchtige klachten,
"jelui gemeene kinderen!--Ik heb--geen kip--gehad! En ik heb--al de
slaag--gekregen! Jelui gluiperts--o--o! a--a!o--o! Ik bloed overal,
dat weet ik zeker!"

Zij konden er niets aan doen, dat zij even moesten lachen; Bunby was
altijd zoo onuitsprekelijk komiek als hij zich maar even bezeerd had;
maar toch zochten zij hem zoo goed mogelijk te bedaren, en beproefden
te weten te komen, wat er gebeurd was.

Esther kwam thans de kamer binnen, zij zag er zeer ontstemd uit.

"Nu?" zeiden zij als uit één mond.

"Jelui zijt de lastigste kinderen, die ik ooit gezien heb!" zeide
zij boos.

"Maar de pantomime--gauw, Esther--heb je het hem gevraagd?" riepen
zij ongeduldig.

"De pantomime! Hij zegt, dat hij nog liever hemel en aarde zou willen
bewegen om de voorstelling te verhinderen, dan dat een van jelui er
ook maar iets van te zien zou krijgen--en jelui hebt dat dubbel en
dwars verdiend! Meg, wat ik je bidden mag--doe Baby droge kleeren aan,
kijk eens naar haar; en, Judy, als je nog het minste voor mij voelt,
doe dan die japon uit. Bunby, stoute jongen, ik zal je vader roepen,
als je niet ophoudt met zulk een leven te maken. Nell, neem den
Generaal die schaar af, hij zal zich de oogen nog uitsteken."

De jonge stiefmoeder leunde achterover in haar stoel, en keek met
een tragischen blik om zich heen. Zij had haar echtgenoot nog nooit
zoo hevig vertoornd gezien, en haar mooie mond trilde, toen zij er
aan dacht, hoe hij haar voor alles scheen aansprakelijk te stellen.

Meg was niet van hare plaats opgestaan; het water droop langzaam uit
Baby's kleederen en maakte een plas op den grond, Bunby stootte nog
steeds een krampachtig gesnik uit, Judy was aan het fluiten, en de
Generaal, nu beroofd van de schaar, begon zijn eigen vuil schoentje
af te likken met zijne lieve, kleine, roode tong.

Een snik wrong haar de keel dicht, twee tranen welden er in hare oogen,
en liepen haar langs de zachte, liefelijke wangen.

"Jelui zijt met je zevenen, en ik ben nog maar twintig!" zeide zij
jammerend, "O! het is te erg--werkelijk, het is te erg!"



HOOFDSTUK IV.

DE GENERAAL IN DE KAZERNE.


Het was een dag na "de gebeurtenissen van het vorige hoofdstuk" zooals
in vertelselboeken zou te lezen zijn. En Judy zat, met eene toornige
uitdrukking van spijt in hare oogen, op de tafel der kinderkamer,
hare knieën tot haar kin opgetrokken, en hare magere bruine handen
om hare beenen gevouwen.

"Het is eene schandelijke behandeling," zeide zij, "eene
onvergevelijke, schandelijke behandeling! Waarvoor zijn vaders
eigenlijk op de wereld, dat zou ik wel eens willen weten!"

"O Judy!" zeide Meg, die, verdiept in haar boek, in een stoel gedoken
zat. Maar zij zeide het werktuigelijk, en alleen omdat dit--zij was
immers drie jaren ouder dan Judy--haar plicht was.

"Denk eens aan de heerlijke dagen, die wij zouden kunnen
hebben, als hij er niet was!" ging Judy voort, met kalme
onverschilligheid. "Minstens drie keer op een dag zouden we kip eten,
en zeven avonden van de week naar de pantomime gaan."

Nell maakte de opmerking, dat het geene gewoonte was op den eersten
dag der week eene voorstelling bij te wonen, maar Judy liet zich niet
uit het veld slaan.

"Ik zou dan eene soort van kerkelijke pantomime willen hebben," zeide
zij peinzend,--"mooie afbeeldingen en van allerlei, dat betrekking
heeft op het Heilige Land, en eene liefelijke muziek, en mooie kinderen
in het wit, die lofliederen zingen, en schitterende kleuren overal,
en geen collecteschalen waar je je laatste geld op moet leggen--o! en
geen preeken of litaniën natuurlijk!"

"O Judy!" murmelde Meg, een blad omslaande. Judy opende hare
handen en sloot ze weer, nog vaster dan te voren. "Zes billetten
weggegooid--dertig kostbare shillings--en dat alleen omdat wij een
vader hebben!"

"Hij heeft ze naar de familie Digby-Smith gezonden," vertelde Bunby
ongevraagd, "en op de enveloppe had hij geschreven: "Met beleefde
groeten.--J. C. Woolcot.""

Judy steunde. "Ik zie de zes afschuwelijke kleine Digby-Smith's al
in de komedie zitten, en met hunne zes afschuwelijke oogjes naar onze
pret kijken!" zeide zij bitter.

Bunby, die veel mathematisch gevoel had, verklaarde gaarne te willen
weten, waarom zij er niet door hun twaalf afschuwelijke kleine
oogjes naar zouden gekeken hebben, en Judy lachte en sprong van
de tafel, nadat zij den misdadigen wensch had uitgesproken, dat de
kleine Digby-Smith's allen over de leuning van de loge zouden mogen
duikelen, eer het gordijn opging. Meg deed haar boek dicht met een
haastigen slag.

"Is Pip al weg? Vader zal vreeselijk boos zijn. O hemel wat heb ik
toch een garnalen-geheugen!" zeide zij. "Waar is Esther? heeft iemand
Esther gezien?"

"Maar lieve Meg!" zeide Judy. "Het is minstens twee uur geleden, dat
Esther uitgereden is, je stond er zelf bij! Zij is naar Waverly--zij
is nog naar je toe gekomen, en heeft je gezegd, dat zij er op rekende,
dat jij voor de jas zou zorgen, en je zeide: "Mevrouw, u zal tevreden
zijn!""

Meg, die zich nu alles herinnerde, keek met een verschrikten blik
rond. "Moest ik de jas schoonmaken?" vraagde zij angstig, terwijl zij
haar mooi, zwart haar uit haar voorhoofd streek. "O, kinderen! wat
moest ik ook weer doen?"

"De jas schoonmaken met benzine, haar strijken terwijl zij nog vochtig
was, haar in eene koele plaats ophangen om haar warm te houden,
en haar bakken tot ze bruin wordt," zeide Judy vlug. "Dat heb je
toch zeker gehoord, Margaret? Esther heeft zooveel moeite gehad om
je alles uit te leggen."

"Wat zal ik beginnen?" zeide zij, en werkelijk sprongen er tranen
in haar oogen. "Wat zal vader zeggen? O, Judy, je hadt mij wel eens
kunnen helpen herinneren."

Nell sloeg haar arm om haar zusters hals. "Zij plaagt je maar wat,
Megsie; Esther heeft alles al gedaan en heeft de jas in de vestibule
klaar gelegd--je hebt haar alleen maar aan Pip te geven. Pat moet
van middag met den dogcart naar de stad gaan om de kussens van de
achterbank te laten repareeren, en Pip gaat mee, dat is alles, en er
wordt nu ingespannen; je bent niet te laat."

Het was de jas, die Bunby naar zijn beste weten bedorven had, die al
deze drukte veroorzaakte. Zij behoorde, als ik reeds zeide, tot het
gala-uniform van den kapitein, en hij moest haar dien zelfden avond
op een diner in de kazerne dragen. Esther was den geheelen morgen
bezig geweest, haar af te sponsen en schoon te maken en had toen zij
wegging, gezegd, dat het kleedingstuk in den middag naar de kazerne
moest gebracht worden.

De dogcart kwam op dit oogenblik met een breeden boog naar de voordeur
gereden, Pip mende, en Pat keek uit de hoogte op hem toe. Zij namen
het pak dat de jas bevatte, aan, legden het zorgvuldig onder de bank,
en waren op het punt weer te vertrekken, toen Judy zich op de veranda
vertoonde, den Generaal onhandig in hare armen houdend.

"Jij gaat ook mee, Fizz, er is nog een bergplaats, er is geen eene
reden waarom je niet zoudt meegaan," zeide Pip op eens.

"O!" riep Judy, en hare oogen begonnen te schitteren. Zij deed haastig
een stap vooruit en lichtte één voet op, om in te stappen.

"O, wacht eens even!" protesteerde Pip, "je zult iets over die japon
moeten aantrekken, meisje!--zij is vol jam en vlekken!"

Judy vloog de vestibule in, en kwam terug met haar regenmantel;
zij zette den Generaal één oogenblik op den grond, terwijl zij den
mantel aantrok, tilde haar broertje toen weer op, en gaf hem Pip aan.

"Hij zal ook mee moeten," zeide zij, "ik heb Esther beloofd, dat
ik hem geen seconde uit het oog zou verliezen; in den laatsten tijd
begint zij erg bezorgd voor hem te worden--ik geloof, dat zij denkt,
dat hij nog eens zal breken."

Pip bromde een paar minuten, maar de Generaal stootte een
onweerstaanbaar, verrukt lachje uit, en hield zijne armpjes omhoog, dus
nam hij hem aan en hield hem vast, terwijl Judy in het rijtuigje klom.

"Wij kunnen met den tram naar de Kade teruggaan, en dan met een boot
naar huis komen," zeide zij, terwijl zij het kindje tusschen zich en
haar broer op de bank drukte. "De Generaal vindt het wat heerlijk op
het water!"

En zij reden weg, de verwaarloosde oprijlaan uit, het hek door, en
toen den weg op, Pip, Judy met de glinsterende oogen, de Generaal,
die zijn duim zat te verslinden, en, Pat, weer glimlachend, omdat
hij de teugels weer in handen had.

Een frissche wind kwam van de rivier door den gordel van gomboomen
waaien, die hare oevers omgaf, en deed het jonge, roode bloed snel
door hunne aderen stroomen; hij stoeide met Judy's krullen, en gaf
eene warme roode tint aan hare bruine wangen; hij maakte den Generaal
onrustig en weerspannig, zoodat hij kraaide en om zich heen sloeg,
en bracht Pip er toe, zijn hoed achter op zijn hoofd te zetten en
vroolijk een liedje te fluiten.

Dit duurde zoo voort, tot zij de stad bijna bereikt hadden en
genoodzaakt waren zich naar de eischen der welvoegelijkheid te
schikken.

Zij ontmoetten een ruiter, die toen hij hun zag, zijn paard stapvoets
liet loopen. Pip nam zijn hoed af met een sierlijken zwaai, en
Judy glimlachte vriendelijk en blijkbaar aangenaam verrast, want de
ruiter was een oude kolonel, dien zij reeds jaren kenden, en wiens
opgeruimdheid en vrijgevigheid zij met reden dankbaar konden herdenken.

"Wel, mijn kleine meid,--wel, Pip, mijn jongen!" zeide hij, goedhartig
glimlachend, terwijl zijn paard om den dogcart danste,--"en de Generaal
ook al? Waar gaan jelui heen?"

"Naar de kazerne, ik heb een pak bij me voor den ouden
heer!" antwoordde Pip. Judy sloeg het trappelende paard met
bewonderende oogen gade. "En dan gaan we weer naar huis."

Het gelukte den kolonel, niettegenstaande de onrustige bewegingen
van het paard, zijne hand in zijn zak te steken. "Hier hebben jelui
iets waarmede je je zelf ziek kunt maken onder weg," zeide hij,
en gaf hun twee halve kronen, "maar zend me niet de doktersrekening!"

Hij streelde de wang van den Generaal met zijn rijzweep, knikte Judy
toe, en hield zijn onrustig paard niet langer tegen.

De kinderen keken elkander met schitterende oogen aan.

"Kokosnoten," zeide Pip, "en taartjes en koffie, en de rest bewaren
we voor een voetbal?" Judy schudde het hoofd.

"Wat zou ik daaraan hebben?" zeide hij. "Je zoudt den voetbal op
school bewaren. Ik stem voor jujubes, en roomijs, en een wassen pop."

"Een wassen grootmoeder!" riep Pip verontwaardigd. "Zoo gek zal je toch
niet zijn!" Toen voegde hij er bijna met eerbiedige bewondering bij:
"Wat een geluk dat je altijd poppen verfoeid hebt, Fizz!"

Judy sprong plotseling op hare plaats omhoog, zoodat de Generaal
bijna omvergeworpen werd, en de koetsier een stroom van verwijten
over haar uitstortte. "Ik weet al iets!" riep zij, "en we zijn al
bijna halverwege: o! dat zal heerlijk zijn!"

Pip verzocht haar, duidelijk hare plannen mee te deelen.

"Laten we gaan naar het Bondi-Aquarium,--daar kunnen we op
rolletjesschaatsen rijden, varen, in den draaimolen zitten, ook in de
Montagne russe, alles even goedkoop!" antwoordde zij vlug en beknopt.

"Goede hemel!" Pip floot zacht, terwijl hij het voorstel overwoog. "Er
kon dan zelfs nog wat overschieten voor den voetbal." Toen betrok
zijn gezicht.

"Maar we hebben het kleine kind bij ons--Waarom heb je hem mee
gebracht? Dat is nu weer echt meisjesachtig, om alles te bederven!"

Judy keek verlegen voor zich. "Ik had hem heelemaal vergeten!" zeide
zij boos. "Kunnen wij hem niet ergens heenbrengen? Kunnen wij niet
aan iemand vragen, om op hem te passen, terwijl wij naar het Aquarium
gaan? Het zou vreeselijk vervelend zijn, als wij ons plan moesten
opgeven om hem. En het begint ook al te regenen, we zouden hem niet
mee kunnen nemen."

Zij waren nu aan den voet van den heuvel gekomen, waarop de kazerne
staat, en Pat zeide hun, dat zij uit moesten stappen en het overige
van den weg te voet afleggen, want anders zou de dogcart onmogelijk
vóór den avond weer in orde kunnen zijn.

Pip sprong op den grond en nam den Generaal, als een bundeltje uit
den wagen, en Judy volgde hem voorzichtig, het kostbare pakket dat de
jas bevatte, in hare armen. En zij wandelden stilzwijgend den heuvel
van asphalt op naar het hek, dat toegang gaf tot de officierswoningen.

"Nu?" zeide Pip op klagenden toon, toen zij den top bereikten. "Gauw
wat, heb je niets bedacht?"

Wanneer zijne zuster, evenals nu, hare wenkbrauwen optrok, en
hare lippen vast toekneep, kon hij er zeker van zijn, dat zij eene
ingewikkelde moeielijkheid trachtte op te lossen.

"Ja," zeide Judy eindelijk kalm. "Ik heb een plan, dat wel lukken zal,
denk ik." En toen vervolgde zij met plotselinge opgewondenheid:

"Wie is de vader van den Generaal? dat zou ik wel eens willen weten! Is
het niet gepast en behoorlijk, dat vaders naar hunne zoons omzien? En
verdient hij niet, dat wij hem kwaad met kwaad vergelden, nu hij de
kaarten van de pantomime heeft weg gegeven? En is het Aquarium niet
veel te verrukkelijk om er niet heen gaan?"

"Nu?" zeide Pip, zijn trager verstand kon zulk eene vlugge redeneering
niet volgen.

"Ik ben alleen maar van plan den Generaal een paar uren in de kazerne
achter te laten, tot wij terug komen, want volgens mij is zijn vader
de aangewezen persoon om op hem te passen." Judy nam vastberaden het
kleine dikke handje van den Generaal, en opende het hek.

"Nu," sprak Pip, "ik geloof, dat we bezig zijn, er ons leelijk in te
werken. Laten wij dat maar liever niet doen!"

"Wel waarom niet?" antwoordde Judy uitdagend. "Het zal nog wel niet
zoo slecht afloopen, en, in ieder geval, wij moeten iets voor het
Aquarium overhebben. Kijk eens hoe het regent; het kind zou de kroep
of rheumatiek kunnen krijgen, als wij hem mee namen! Daar staat vader
te praten met een man dicht bij het tennisveld; ik zal stilletjes
langs de veranda loopen, en naar zijne eigen kamer gaan, en de jas en
den Generaal op zijn bed leggen; dan zal ik tegen een soldaat zeggen,
dat hij vader moet gaan vertellen, dat zijne pakketten gekomen zijn,
en terwijl dat gebeurt, vlieg ik hierheen terug, en nemen wij den tram,
om naar het Aquarium te komen."

Pip floot wederom zachtjes. Hij was gewend aan overmoedige voorstellen
van deze zuster van hem, maar dit overtrof alle vroegere. "Maar,"
zeide hij, niet recht op zijn gemak, "maar Judy, wat zal hij uitvoeren
twee uren lang met ons kleine ventje?"

"Dat is zijn zaak," antwoordde Judy gevat. "Het zou wat moois
zijn, als een vader zijn eigen kind niet twee uren lang zou kunnen
bezighouden. Naderhand, als we in het Aquarium geweest zijn, komen
we terug om hem te halen, en dan kunnen we vader zeggen, dat het zoo
regende, en dat we het beter vonden hem niet mede te nemen uit angst
voor rheumatiek, en dat we zulk eene haast hadden om den tram nog te
krijgen, en dat wij omdat hij niet in zijne kamer was, den Generaal
maar zoolang op zijn bed hadden gezet. Nu, Pip, dat is toch alles
heel eenvoudig!"

Pip keek nog altijd niet heel opgewekt. "Ik vind, dat wij het liever
niet moeten doen, Fizz!" zeide hij nog eens; "hij zal woedend zijn!"

Judy keek hem vol ongeduld aan. "Ga eens kijken of de tram al komt,"
zeide zij; en, verheugd een oogenblik uitstel te winnen, liep hij
het pad af, en keek in de richting, vanwaar de tram moest komen. Toen
hij zich omdraaide was zij verdwenen.

Hij stopte zijne handen in zijne zakken en wandelde verscheiden
malen het pad op en neer, "Fizz zal ons nog eens allemaal doen
ophangen!" gromde hij, en keek donker naar de deur in den muur door
welke zij verdwenen was.

Hij schoof zijn hoed naar achteren en beschouwde zijne laarzen,
er over peinzende, welke de gevolgen van dit nieuwe misdrijf zouden
zijn. Opeens hoorde hij een lichten voetstap naast zich.

"Ga nu mee!" zeide Judy, en trok hem bij de mouw. "Alles is in orde, ga
nu mee en laten we pret maken; heb je het geld goed bij je gestoken?"

Het was één uur, toen zij het hek uit gingen en van den heuvel naar
de halte van den tram keken.

En het was half vijf toen zij uit een naar de stad rijdenden tram
sprongen en het hek weer binnen gingen, om het hun toevertrouwde
te halen.

Welk een heerlijken middag hadden zij gehad! Eenmaal in het Aquarium,
had zelfs Pip zijn geweten tot zwijgen gebracht, en was er uitsluitend
op bedacht geweest, zooveel mogelijk plezier te hebben. En Judy
gedroeg zich als een klein dol wezen. Een shilling van haar geld gaf
ze aan de Montagne russe, de vlugge, bedwelmende beweging vond zij
"hemelsch." De eerste rit maakte Pip duizelig en draaierig, zoodat hij
een tweeden zorgvuldig vermeed, en naar Judy bleef kijken, die telkens
weer opnieuw vertrok, en hem uit het ranke kleine wagentje vroolijk toe
wuifde terwijl hij duizend angsten voor haar uitstond. Daarop huurden
zij ieder een paar rolletjesschaatsen, en vielen zich bont en blauw op
het asphalt. Toen gingen zij in de draaimolen zitten, maar Judy vond
dit een laf vermaak na de Montagne russe, en weigerde er verder geld
voor uit geven; zij vergenoegde zich met naar Pip te kijken, die rond
vloog, en beproefde hem telkens zoo lang mogelijk hard loopend bij te
houden. Zij eindigden den middag met een eene langdurige inspectie van
de visschen, deden zich te goed aan geleitaartjes van twijfelachtige
verschheid, en kochten voor twee stuivers aardnoten. En, zooals ik
reeds zeide, was het half vijf toen zij het pad opsnelden naar het
bovenste hek der kazerne.

"Ik hoop maar, dat hij zoet geweest is!" zeide Judy, terwijl zij
den knop omdraaide. "Neen, Pip jij gaat ook mede,"--want dit jonge
mensch scheen zich te willen terugtrekken. "Als je twintig schoppen
of slagen over twee verdeelt krijgt elk maar tien!"

Zij liepen langs de steenen veranda en bleven bij eene deur stil staan.

Eene kleine groep jonge officieren stond daar dicht bij te praten en
te lachen.

"Op mijn woord, het was even amusant als eene comedie, om te zien
hoe Wooly zijn jongsten spruit stevig vast hield, hem in een rijtuig
stopte, er zelf ook in ging en dit alles met een innig verontwaardigd
gezicht."

Een andere blies den rook van zijne sigaar in de lucht. "Het was een
grappige kleine baas," zeide hij. "Hij balde zijne vuistjes en duwde
er een in het oog van zijn WelEdelgestrengen; en toen schopte hij
zijn schoentje uit, en wij haastten ons allen om het op te rapen,
en het was vuil en versleten, en de oude Wooly werd langzaam geheel
rood tot achter zijne ooren, toen hij beproefde, het zijnen zoon aan
te trekken."

Eene kleine gestalte stapte opeens naar het midden der groep,--eene
kleine gestalte met een onmogelijk korten en kalen ulster, dunne,
met zwarte kousen bekleede beenen, en een grooten hoed, die een
overvloed van krullen overschaduwde.

"U spreekt over mijn vader," zeide zij, het hoofd in den nek, zeer
uit de hoogte, "ik begrijp niet, waarom u zich vroolijk maakt. Is
mijn vader hier, of hoorde ik u zeggen, dat hij is heengegaan?"

Twee der heeren keken min of meer verlegen, de derde groette beleefd.

"Het spijt mij, dat u ons gesprek gehoord heeft, Miss Woolcot!" zeide
hij op wellevenden toon. "Maar, er is geen onherstelbaar kwaad
verricht, nietwaar? Ja, uw vader is in een rijtuig vertrokken. Hij
kon niet begrijpen, hoe de kleine jongen op zijn bed kwam, en, daar
hij hem hier niet goed kon houden, veronderstel ik, dat hij hem naar
huis gebracht heeft."

Iets als eene uitdrukking van berouw kwam in Judy's heldere oogen.

"Ik vrees mijn vader in ongelegenheid gebracht te hebben!" zeide
zij kalm. "Ik heb mijn broertje hier gebracht, omdat ik niet wist,
waar ik hem een paar uur lang zou laten. Maar ik had er op gerekend,
hem zelf naar huis te brengen. Is mijn vader al lang weg?"

"Ongeveer een half uur," zeide de officier, die zijn best deed niet
te glimlachen over de ouderwetsche manieren van het kleine meisje.

"O, dank u wel. Wij zullen hem misschien nog kunnen opvangen. Kom,
Pip!" en, ernstig en uit de hoogte groetend, draaide zij zich om,
en liep met haar broeder weer langs de veranda en door het hek
naar buiten.

"Daar hebben we ons ook mooi ingewerkt!" zeide hij. Judy knikte.

"Het is zoo ongeveer het allerergste, wat wij ooit in ons leven
uitgevoerd hebben. Stel je vader voor in een rijtuig met dat kleine
kind! O goede hemel!"

Judy knikte nogmaals.

"Kan je niet spreken?" zeide hij ongeduldig. "Jij hebt ons dit
alles op den hals gehaald--ik vond het niet goed, dat we het deden;
maar natuurlijk, ik zal je niet verlaten. Alleen moet je nu zoo gauw
mogelijk een uitweg bedenken."

Judy beet op drie vingertoppen van haar rechter handschoen, en keek
treurig voor zich uit.

"We kunnen niets beginnen, Pip!" zeide zij langzaam. "Ik had niet
gedacht, dat het zoo zou eindigen. Ik geloof, dat het 't beste is,
als we maar dadelijk naar huis gaan en ons overleveren om gestraft
te worden. Hij zal te woedend zijn, om naar eene verontschuldiging
te luisteren, en dus moeten we ons maar goed houden, en afwachten,
wat hij doen zal. Het spijt mij vreeselijk, dat ik oorzaak ben,
dat de officieren om hem hebben kunnen lachen."

Pip kon zich niet langer goedhouden. Hij noemde haar een ezel en een
stommeling en een idioot, omdat zij dit gedaan had, en zij zeide in
het geheel niets terug.

Zij namen den tram, en begaven zich naar Sydney, en daarop naar de
boot. Zij kropen in een hoekje, dat zoo ver mogelijk van de kajuit
verwijderd was, en praatten met grooten ernst over den stand der
zaken. Na eene poos stond Pip op en liep wat rond om tot andere
gedachten te komen, tot hij opeens terug kwam met een doodsbleek,
strak gelaat.

"Hij is op de boot!" fluisterde hij doodelijk ontsteld.

"Waar--waar--waar? wat--wat--wat?" riep Judy.

"In de kajuit, hij kijkt zoo nijdig als een spin, en houdt den armen
kleinen Generaal zoo stevig vast, alsof hij bang was, dat hij weg
zal vliegen."

Judy keek verschrikt rond.

"Kunnen we ons niet verstoppen? Als hij ons maar niet te zien
krijgt! Het zou nu toch niets geven, of we hem vraagden, den Generaal
aan ons te geven. We zijn ingerekend, Pip--hij geeft geen kwartier."

Pip bromde iets; Judy stond op.

"Laten we naar de machine kruipen," zeide zij, "en eens kijken of
hij er erg boos uitziet."

Zij liepen met groote voorzorg over het dek, en posteerden zich zóó,
dat zij konden zien zonder gezien te worden. De lieve kleine Generaal
zat naast zijn ernstigen vader, die den rug van zijn wollen jasje
stevig vast hield. Hij zoog op zijn vuil handje, en wierp nu en dan
verlangende blikken naar zijn bruinleeren schoentje, waarop hij,
zooals hij wist, heerlijk zou kunnen bijten. Een paar maal had hij
het uitgetrokken en naar zijn mond gebracht, maar zijn vader was
tusschenbeide gekomen, en had het kleedingstuk weer, op de plaats,
waar het behoorde te zijn, dichtgeknoopt. Hij zou ook wel heel gaarne
van die akelige bank zijn gegleden, en over het dek hebben gekropen,
en hebben onderzocht, wat er al zoo onder de banken te kijk was,
en waar dat proestende geluid van daan kwam; maar hij voelde een
ijzeren greep aan zijn jasje, dien geen spartelen of wringen kon
losser maken. Geen wonder dat het arme kind ongelukkig keek!

Eindelijk legde de boot aan niet ver van Misrule, en de kapitein
stapte aan wal, zijn morsig zoontje stevig in zijne armen dragend. Hij
wandelde langzaam den rooden weg op, dien de dogcart een zes of zeven
uur geleden met zulk een opgewekten spoed afgelegd had, en Judy en Pip
volgden op een eerbiedigen--een zeer eerbiedigen--afstand. Bij het hek
zag hij hen, en wenkte hen toornig met een breeden zwaai, naderbij
te komen. Judy werd zeer bleek, maar gehoorzaamde dadelijk, en Pip,
die zijn best deed, zich goed te houden, maakte de achterhoede uit.

Later herinnerde Judy zich slechts zeer onduidelijk hetgeen gedurende
het eerstvolgende halve uur gebeurde. Zij wist, dat er een stormachtig
tooneel plaats gegrepen had, waarbij Esther en de geheele familie
haar overstelpt had met verwijten en berispingen.

Daarop kreeg Pip een pak slaag, ondanks Judy's herhaalde bekentenis,
dat alles haar schuld was, en Pip niets gedaan had. Zij herinnerde
zich, dat zij er met nieuwsgierigheid aan dacht, of zij even
voorbeeldig als Pip zou gekastijd worden, zoo toornig was haar vaders
gezicht, toen hij den jongen op zijde duwde en naar haar stond te
kijken, zijne rijzweep in de hand.

Maar hij gooide deze neer en legde zijne hand zwaar op haar schouder,
dien zij vergeefs poogde terug te trekken.

"Aanstaanden Maandag," zeide hij langzaam--"aanstaanden Maandagmorgen
ga je naar de kostschool. Esther, wees zoo goed na te zien, of Helen's
kleederen in orde zijn voor de kostschool--aanstaanden Maandagmorgen
gaat zij er heen."



HOOFDSTUK V.

AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN.


Een koffer stond in de vestibule, en een groot, dikwijls gebruikt
valies, en er hingen adressen aan, waarop te lezen stond: "Miss Helen
Woolcot, adres de Dames Burton, Mount Victoria."

In de kinderkamer werd het ontbijt in gedrukte stemming gebruikt. Meg's
blauwe oogen waren rood en gezwollen van het schreien, en zij snoof
nu en dan hoorbaar, terwijl zij bezig was koffie te schenken. Pip
stond met de handen in de zakken op het haardkleed treurig naar een
zeker bord te kijken, en dankte voor eten of drinken; de Generaal
zat vroolijk met zijn drinkkroes op zijn bord te slaan; en Bunby at
suffend zijn boterham op.

Judy, bleek en met droge oogen, zat aan de tafel, en Nell en Baby
hadden zich ieder aan een harer armen vastgeklampt. Gedurende de drie
dagen, die tusschen dien noodlottigen Donderdag en dezen treurigen
morgen verloopen waren, had zij koppig willen toonen, dat zij zich de
geheele zaak niet aantrok. Nooit was hare stemming opgewekter, haar
oog schitterender, hare tong scherper geweest, dan gedurende dezen
tusschentijd; en zij had tegen iedereen beweerd, en in het bijzonder
tegen haar vader, dat zij zich het verblijf in eene kostschool heerlijk
dacht, en zich op haar vertrek verheugde.

Maar dezen morgen was zij ineengezakt. De dagen te voren had haar
vurig, kinderlijk hart haar gezegd, dat haar vader toch niet zóó wreed
zou kunnen zijn, dat het niet in ernst zijn plan kon wezen haar onder
vreemden te zenden, ver weg van het oude, vervallen Misrule en van al
haar broeders en zusters; hij zeide het alleen maar om haar schrik
aan te jagen, dit praatte zij gedurig zich zelve voor, en zij zou
hem toonen, dat zij geen lafhartig klein kind was.

Maar Zondagavond, toen zij een koffer naar beneden zag brengen en
dien zag volpakken met hare kleederen en voorzien worden van haar
naam, was het alsof een koude hand zich om haar hart sloot. Maar,
zeide zij tot zich zelve, hij liet dit alles geschieden om haar te
doen gelooven, dat zij werkelijk vertrekken moest.

En nu was het morgen geworden, en zij kon zich niets meer diets
maken. Esther was bij haar bed gekomen, en had haar treurig gekust, met
eene bezorgde en teedere uitdrukking op haar lief aangezicht. Zij had
haar man gesmeekt zoo innig als zij nog nooit gesmeekt had, het vonnis
der arme Judy te vernietigen, maar de kapitein was onvermurwbaar. Zij
en alleen zij was de belhamel bij alle ondeugende streken, de anderen
zouden zich behoorlijk gedragen, wanneer zij er niet meer was om hen
tot allerlei stoutigheden aan te zetten, en gaan moest zij. Bovendien
zeide hij, zou het tot haar eigen heil zijn. Hij had eene uitmuntende
school voor haar gekozen; de directrices er van waren vriendelijk, maar
streng, en Judy's karakter liep gevaar bedorven te worden door gebrek
aan eene strenge leiding. Dit was inderdaad in zeker opzicht waar.

Judy ging plotseling rechtop in haar bed zitten, bij het gezicht van
Esther's bekommerd gelaat.

"Er is niets aan te doen, lieve kind, schik je naar vaders wil!" zeide
zij vriendelijk. "Maar je zult gaan als een moedig meisje, nietwaar,
Ju?--Jij hebt tot nu toe altijd, zooals Pip zegt: de huik naar den
wind kunnen hangen."

Judy verkropte een hevigen snik, en haar arm klein gezicht werd bleek
en angstig.

"Het is goed, Esther! Toe, ga maar gerust ontbijten," zeide zij met
eene stem, die alleen maar een weinig beefde; "zou je den Generaal
bij mij willen laten, Esther? Ik zal hem mede naar beneden brengen!"

Esther zette haar klein, dik zoontje op het kussen en ging heen met
een blik vol liefde en zorg.

En Judy nam het kleine ventje in hare armen, en trok de beddelakens
over hun beider hoofd, en hield hem stevig, bijna wanhopig een minuut
of twee tusschen hare armen gekneld, en verborg haar gezicht in zijn
zacht, dik nekje en kuste hem tot hare lippen pijn deden.

Hij verweerde zich dapper tegen deze gewelddadige handelwijze, en
protesteerde ten laatste, met een woedenden kreet, tegen gesmoord
te worden. Dus wierp zij het dek weg en stapte uit bed, en liet hem
tusschen de kussens rondkruipen, en uit een gaatje in een er van de
veertjes plukken.

Zij kleedde zich haastig en zenuwachtig, maakte het haar met meer
zorg dan gewoonlijk op, en ging toen met den Generaal naar de
kinderkamer. Alle anderen waren hier, en klaarblijkelijk waren zij
met Esther over haar aan het spreken. De drie meisjes keken bedroefd
en verontwaardigd; Pip was juist terecht gezet, omdat hij oneerbiedig
over zijn vader had gesproken, en zag gemelijk voor zich uit; en Bunby,
niet wetende wat hij anders zou doen in zulk een hachelijk oogenblik,
was vliegen gaan vangen en trok haar wreedaardig de vleugels uit.

Het was een somber ontbijt. De bel weerklonk als teeken dat de koffie
beneden klaar was, en Esther moest dus de kinderen alleen laten. Een
ieder presenteerde Judy van alles, wat op de tafel stond, en sprak
haar beleefd toe. Zij scheen niet meer hun gelijke te zijn, maar een
persoontje, dat niet zoo lichtvaardig behandeld kon worden terwille
der waardigheid, die het groote verdriet haar gaf. Hare japon was
nieuw--een keurig, blauw serge kleedje, direct uit de handen der
naaister; hare laarzen waren glimmend gepoest, hare kousen zonder
luchtgaatjes. Dit alles werkte er toe mede, om haar eene Judy te
maken geheel verschillend van de slordige en drukke Judy van een paar
dagen geleden, die gewoonlijk aan het ontbijt kwam, er uit ziende,
alsof hare kleederen met eene hooivork op haar geworpen waren.

Baby wijdde zich ééne minuut aan hare gort, maar toen overstelpten
haar hare aandoeningen, en, met een zwakken klaagtoon, liep zij om de
tafel naar Judy, en hing zich snikkend aan haar arm. Dit verstoorde
het evenwicht van het geheele gezelschap. Nell pakte den anderen arm
en wiegde zich heen en weer in een aanval van troosteloosheid. Meg's
tranen droppelden in haar kopje; Pip duwde zijn hiel in het vloerkleed,
en begreep maar niet, wat zijne oogen scheelden; en zelfs begon Bunby
minder smaak in zijn boterham te krijgen.

Judy zat zwijgend voor het bord, dat zij ongebruikt weggeschoven
had, en dat zij met eene uitdrukking van diepe wanhoop op haar jong
gezichtje aanstaarde. Zij zag er uit als eene miniatuur koningin uit
eene tragedie, die op het punt is, naar de plaats der terechtstelling
gebracht te worden.

Bunby liet zich van zijn stoel glijden, dekte zijn kop koffie met
den schotel van wege de vliegen, en verliet met plechtigen stap
de kamer. Een oogenblik later kwam hij terug met eene zuurflesch,
waarin een groote, groene kikvorsch zat.

"Hem mag je houden voor jou alleen, Judy!" zeide hij, op bijna
hartbrekend droevigen toon. "Je zult op school misschien nog wel eens
om hem lachen."

Zelfopoffering kan niet verder gaan, want deze kikvorsch was de
lieveling van Bunby's hart.

Dit prikkelde de anderen; ieder haalde een geschenk en legde het als
souvenir op Judy's altaar. Meg bracht een armband, gemaakt van haar
van een gestorven lievelingspony, Pip gaf zijn zakmes met drie messen,
Nell een muskuspot dien zij een jaar lang begoten en verzorgd had, Baby
eene pop met gebroken neus, de Benjamin van hare groote poppenfamilie.

"Doe alles in den koffer, Meg--bovenin is nog plaats, denk ik," zeide
Judy met verstikte stem, diep getroffen door deze geschenken. "O,
Bunby, beste jongen! doe een kurk op de flesch met den kikkert,
hij zou eens verloren kunnen gaan, tusschen al die kleeren!"

"Ja wel," zeide Bunby. "Je zult goed op hem passen, nietwaar, Judy? O,
lieve hemel! O! O!"

Toen kwam Esther de kamer binnen, nog altijd met een bekommerd gelaat.

"De dogcart is voor," zeide zij. "Ben je klaar, Judy, beste meid? Mijne
lieve Judy, houd je nu dapper, vrouwtje!"

Maar Judy was bleek als eene doode, en scheen niet te begrijpen, wat
er om haar gebeurde. Zij liet toe dat Esther haar den hoed opzette,
haar in haar nieuw manteltje hielp en haar de handschoenen in de
hand gaf. Zij liet zich door de geheele familie kussen, half de trap
afdragen door Esther, weer door de meisjes zoenen, toen door de twee
goedhartige dienstboden, die ondanks hare pekelzonden voor haar eene
warme genegenheid koesterden.

Esther en Pip tilden haar in den dogcart, en zij zat ineen gedoken
en scheef op de bank, en keek met oogen, die waarlijk tragisch waren
in hunne groote wanhoop, naar de groep in de veranda. Haar vader kwam
naar buiten, hij knoopte zijne overjas dicht, en zag haar blik.

"Wat is dat voor gekheid?" zeide hij driftig "Esther--groote
Hemel! stel jij je ook al zoo dom aan?"--groote tranen schitterden
in de mooie oogen zijner vrouw. "Waarachtig, men zou kunnen denken,
dat ik het kind meeneem om opgehangen te worden, of haar naar een
verbeteringsgesticht ging brengen."

Een luide, hikkende snik kwam over Judy's witte lippen.

"Als u mij thuis zou willen laten blijven, vader, zal ik u nooit meer
boos maken; u kan me voor straf slaan, zoo hard u maar wil."

Het was hare laatste poging, hare laatste hoop, en zij beet op hare
arme, trillende lip, tot deze bloedde, terwijl zij op antwoord wachtte.

"Laat haar hier blijven--o! toe, laat haar hier blijven! We zullen
altijd zoet zijn!" klonk het in koor uit de veranda. En: "Laat haar
hier blijven, John!" riep Esther, op een toon, even smeekend als die
der kinderen.

Maar de kapitein sprong in den dogcart, en nam de teugels in eene
uitbarsting van woede van Pat over.

"Ik geloof, dat jelui allemaal bezeten zijt!" schreeuwde hij. "Zij
zal het daar ginds uitstekend hebben, ik heb drie maanden vooruit
voor haar betaald, en dat verzeker ik jelui, ik gooi mijn geld niet
voor niets weg!"

Hij gaf het paard een tikje met de zweep, en een minuut later was
de dogcart aan gene zijde van het hek, en het kleine, ongelukkige
gezichtje kon niet meer gezien worden.



HOOFDSTUK VI.

HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR.


Meg had altijd mooi haar gehad, maar een paar maanden geleden had zij
zich ponyhaar geknipt, en begon dit iederen avond in papillottenpapier
te wringen. En in hare latafel stond een jampotje gevuld met havermeel,
dat zij in haar waschwater gebruikte, want zij had gelezen, dat dit
een uitstekend middel was om het teint te verfraaien. En iederen
avond smeerde zij hare handen met vaseline in en sliep met oude
glacé-handschoenen aan. En haar geld gaf zij uit aan een zeker water,
dat de kleine bruine vlekjes zou wegwisschen, die de zon op haar
gelaat getooverd had, en het, hoe dan ook, een zeker karakter gaven.

Al deze dingen waren het gevolg hiervan, dat Meg zestien was, en dat
zij eene vriendin gevonden had, die zeventien jaren telde.

Aldith MacCarthy leerde Fransch bij denzelfden leeraar, naar wien
Meg nu tweemaal in de week ging, en nadat chocolaadjes en haarlinten
gegeven en aangenomen, en familieconfidenties gedaan en aangehoord
waren, ontstond er eene innige vriendschap tusschen haar.

Aldith had drie volwassen zusters, die zij in alle opzichten naäapte,
en bezat veel meer kennis van de wereld dan de eenvoudige, romantische
Meg.

Zij leende Meg romans en novellen, evenals tijdschriften voor jonge
dames, en het jonge meisje verdiepte er zich met groote belangstelling
in, verbaasd over de nieuwe wereld, waarin zij werd binnengeleid;
want Charlotte Yonge en Louise Alcott en Miss Wetherell waren tot nu
toe uitsluitend hare lectuur geweest.

Meg begon rooskleurige droomen te droomen van den tijd, waarin haar
mooi, glanzend haar "in eene eenvoudige wrong" zou worden opgestoken
of boven haar voorhoofd zou worden gelegd als "eene kroon, even
schoon als die eener koningin," want dit waren de twee manieren,
waarop de heldinnen in de novellen het haar kapten. Een gevlochten
varkensstaartje was al zeer weinig romantisch. Dit was de reden waarom
zij, als eene soort van voorbereidende maatregel, ponyhaar geknipt
had, en het einde van hare vlecht begon te krullen. Haar vader staarde
haar aan, en zeide, dat zij er uit zag als een winkelmeisje, toen hij
deze veranderingen voor het eerst opmerkte, en Esther vertelde haar,
dat zij een dom schepsel was, maar de spiegel en Aldith stelden haar
weer gerust.

De zorg, die nu aan de beurt kwam, was die van steelsgewijze
hare japonnen langer te maken, welke in de periode waren van
nog niet lang en niet meer kort te zijn. In de eenzaamheid van
hare slaapkamer nam zij twee of drie van hare rokken van den band,
voorzag ze aan den bovenkant van eene reep voering om ze te verlengen,
en naaide eene strook onder om hare lijfjes, ten einde de voering te
bedekken. Hierdoor werden hare rokken een goeden twee duim langer, wat
haar een lang, slank figuurtje gaf, zooals zij zelve zeer goed wist.

In geen van deze dingen stak eigenlijk kwaad.

Maar Aldith begon hare taille langzamerhand geheel onmogelijk te
vinden.

"Je hebt minstens drie-en-twintig, Marguerite," zeide zij eens,
vol ongehuichelden schrik.

Zij noemde hare vriendin nooit Meg, want deze naam was "te familiaar
en volstrekt niet welluidend."

Meg keek van hare eigen taille naar het dunne, elegante middeltje
van hare vriendin, en zuchtte diep.

"Wat moest ik eigenlijk hebben?" zeide zij neerslachtig; en Aldith
had geantwoord, "achttien--of negentien hoogstens, Marguerite! Ware
symmetrische bevalligheid kan nooit bereikt worden met een middel
van drie-en-twintig duim in omtrek."

Aldith had niet alleen feiten opgemerkt en vergelijkingen gemaakt, zij
had hare vriendin ook praktischen raad gegeven, en had haar getoond,
hoe zij handelen moest. En iederen avond en iederen morgen trok Meg
haar corsetveter steviger aan, en perste haar fijn, teeder lichaam in
eene steeds engere ruimte. Zij had reeds een omtrek van een-en-twintig
duim bereikt, hetgeen zuiver twee duim winst beteekende, en zij had
al hare japonnen ingenomen.

Maar zij speelde 's avonds niet meer mede cricket, en wilde aan geen
enkel spel meedoen, waarbij hard loopen te pas kwam, zeer tot misnoegen
der anderen. Niemand, die het zachte gezichtje, liefelijk als een
bloesem, zag, en de vriendelijke, kalme oogen, zou gegist hebben
welk eene marteling er verdragen werd onder het nu sierlijke, goed
zittende japonlijfje. Vlug wandelen was eene ware kwelling; bukken,
bijna folterpijn; maar zij verdroeg dit alles met een heldenmoed,
eene waarlijk edele zaak waardig.

"Hoe lang zal ik daar nu nog mede moeten voortgaan, Aldith?" vraagde
zij eens met zwakke stem, na eene Fransche les gedurende welke
zij zich bijna niet had kunnen goed houden. En het andere meisje
antwoordde onverschillig: "O, je moet nu natuurlijk niet ophouden,
je zult eens zien, over een poosje voel je er niets meer van."

Na deze verzekering zette Meg hare pijn veroorzakende pogingen voort.

Esther, de eenige, die in deze zaak eenigen invloed had kunnen hebben,
had niets gemerkt, en, had zij dit wel gedaan, dan zou zij er zich nog
niet ernstig over bekommerd gemaakt hebben, want het was eerst vier
jaar geleden sedert ook zij zestien geweest was, en een "dun middeltje"
voor haar het begeerlijkste van de geheele wereld geweest was.

Eens had zij zonder bijgedachte gezegd:

"Wat krijg je een goed figuurtje, Meg! De nieuwe naaister maakt zeker
beter dan Miss Quinn!" en de dwaze Meg, het hart kloppend van vreugde,
had zich voorgenomen, hare pogingen te verdubbelen.

De lynx-oogige Judy zou alles zeker spoedig ontdekt hebben, en zou
haar lachend beschaamd hebben, maar ongelukkig voor Meg's gezondheid
was zij op school,--er waren reeds bijna drie maanden sedert haar
vertrek verloopen.

Aldith woonde ongeveer twintig minuten wandelen van Misrule, en dus
waren de twee meisjes veel samen. Tweemaal in de week gingen zij
per stoomboot naar de stad om in beleefd Fransch te leeren vragen:
"Heeft de jonge dochter van den bakker den gelen hoed, de bruine
handschoenen, en de parasol van de nicht van den aannemer?"

En tweemaal in de week, nadat zij zonder den minsten samenhang
geantwoord hadden: "Neen, maar de chirurgijn had bier, mosterd, en de
tafelgong," vertoonden zich Aldith en hare vriendin op de wandelplaats,
waar de Sydneysche jeugd en beau-monde gewoonlijk wandelde,--het
"Block."

"Nu zullen wij eens gaan zien, hoeveel hoeden ik kan laten
afnemen!" zeide Miss Aldith, wanneer zij zich op weg begaven, en bij
het einde van den tocht zuchtte Meg: "Hoe heerlijk moet het zijn,
zooveel heeren te kennen als jij!"

Somtijds gebeurde het, dat een of twee jonge lieden bleven staan,
en de meisjes aanspraken, en dan stelde Aldith hen plechtig aan Meg
voor, dikwijls evenwel meende deze, die, niettegenstaande al hare
dwaasheid, scherp genoeg opmerkte, iets beschermends, min of meer
spotachtigs in de manieren der heeren waar te nemen. En werkelijk
was dit dikwijls zoo; het waren hoofdzakelijke heeren, die Aldith
tehuis op een danspartijtje of bij het tennisspel had leeren kennen,
en die deze jonge dame een vroeg rijp kind vonden, voor wie het hoogst
gewenscht was, dat zij nog eenige jaren van de school zou profiteeren.

Eens op een dag kwam Aldith op Misrule--houding, gebaren, stem, alles
sprak van eene hooge, geheimzinnige gewichtigheid. "Kom mede naar den
tuin, Marguerite!" zeide zij, zonder de minste notitie van Baby te
nemen, die, met groote moeite, hare oudste zuster had overgehaald,
haar het altijd even boeiende verhaal van de drie kleine varkentjes
te vertellen.

"O, neen, bij het haar van mijn baard aan mijn kin, ik zal proesten en
blazen tot je huisje valt in," was nog maar tweemaal gezegd geworden,
en het spannendste gedeelte moest nog komen.

Baby keek op met verontwaardigde oogen.

"Ga weg, Aldiff!" zeide zij.

"Miss MacCarthy, Baby!" verbeterde Meg vriendelijk, Aldith's half
verachtelijken glimlach opmerkende.

"Aldiff!" herhaalde Baby koppig. Toen scheen zij berouw te hebben,
en sloeg een kleinen arm liefkoozend om haar zusters hals.

"Ik zal aan Miff MacCarfy zeggen, dat je eerst verder moet vertellen."

"O, zend haar weg, Marguerite!" zeide Aldith ongeduldig. "Ik heb je
een zeer belangrijk geheim mee te deelen, en ik heb buitendien haast."

Meg was dadelijk een en al belangstelling.

"Ga nu heen, Baby!" zeide zij, en kuste het teleurgestelde gezichtje;
"ga met Bunby met de ark spelen, ik zal het vertelseltje van avond
of morgen uit vertellen."

"Maar ik wil nu het eind hooren!" zeide Baby volhoudend.

Meg schoof haar vriendelijk op zijde. "Neen, ga nu heen, klein
zusje--ga nu heen als eene beste meid, en ik zal je morgen ook nog
van Roodkapje vertellen."

Baby keek naar de bezoekster harer zuster.

"Je bent een akelig spook, Aldiff MacCarfy," zeide zij langzaam en
met nadruk, "en ik heb een hekel aan je, en wij allen hebben een
hekel aan je, behalve Meg, en Pip zegt, dat je het naarste wicht ben,
dat bestaat, en ik wou, dat er een groote reus kwam, die blazen zou
en proesten, tot je midden in de zee lag."

Aldith lachte, een klein tartend, wijs lachje, dat de maat van Baby's
woede deed overloopen. Zij strekte hare kleine hand uit en gaf den arm
der jonge dame in zijn mousselinen mouw een fijn welbestudeerd kneepje,
dat Pip haar geleerd had. Toen holde zij als eene dwaze de groene
grasvelden over naar het boschje, dat zich aan gene zijde bevond.

"Onuitstaanbaar!" pruttelde Aldith boos, en Meg moest zich uitputten
in verontschuldigingen en vriendelijke woordjes, om haar weer in een
goed humeur te brengen, en haar over te halen, het zeer belangrijke
geheim te vertellen. Ten laatste, evenwel, werd het haar geopenbaard,
en wel met indrukwekkende plechtigheid. Aldith's oudste zuster was
verloofd! O, was dat niet hemelsch? was het niet romantisch?--en
met den mijnheer met den blonden snor, die in den laatsten tijd zoo
dikwijls bij hen aan huis was geweest.

"Ik wist, dat het zoo zou gaan--ik heb het al lang zien aankomen. O,
men kan niet gemakkelijk iets voor mij verbergen!" zeide Aldith. "Ik
herken ware liefde dadelijk. Maar voor mijzelve zou ik zeker de
voorkeur geven aan een donkeren snor, jij ook niet, Marguerite?"

"Ja-a!" zeide Meg. Hare meening in dit opzicht was nog nauwelijks
gevestigd.

"Gitzwart, met zeer stijfstaande uiteinden," vervolgde Aldith peinzend,
"en eene militaire houding en heel lange, zwarte wimpers."

"Dat zou ook mijn smaak zijn," zeide Meg, opeens vol vuur. "Zooals
Guy Deloraine in "Angelina's eerzuchtige Droomen.""

Aldith sloeg haar arm inniger om hare vriendin.

"Zou het niet hemelsch zijn, Marguerite, als jij en ik--eens
geëngageerd waren?" zeide zij, als in droomerige verrukking. "Denk eens
aan, hoe zalig het zijn moet als een donkere knappe man met trotsche,
zwarte oogen, smoorlijk verliefd op je is, je op de handen draagt,
je cadeaux geeft en met je uitgaat--o, Marguerite, wat moet dat
goddelijk zijn!"

Meg keek peinzend voor zich uit. "Daar zijn wij, geloof ik, toch nog
niet oud genoeg voor!" zeide zij met een zucht.

Aldith wierp haar hoofd achterover. "Dat is onzin; Clara Allison is
niet ouder dan zeventien, en denk aan eens je eigen stiefmoeder. Eene
menigte meisjes zijn al getrouwd als zij zestien zijn, Marguerite! en
mijne zuster Beatrice werd ten huwelijk gevraagd, toen zij nog maar
vijftien was."

Deze woorden schenen indruk op Meg te maken. Zij keek stil voor
zich uit.

Toen stond Aldith op om heen te gaan. "Denk er aan, dat je morgen
op tijd aan de boot bent," zeide zij, terwijl zij naar het hek
wandelden; "en, Marguerite, kleed je nu eens heel netjes aan--trek je
koornbloemen-blauwe japon aan,--en zie eens of Mrs. Woolcot je niet
een paar handschoenen zou willen leenen, je grijze paar ziet er niet
meer zeer frisch uit, vind je zelf ook wel?"

"Neen, neen zeker niet!" zeide Meg blozend.

"En Mr. James Graham komt altijd terug met onze boot, en de twee
Courtney's ook--Andrew Courtney zeide aan Beatrice, dat hij je een
heel aardig persoontje vond; hij merkt je dikwijls op, zegt hij,
omdat je altijd zoo bloost."

"Ik kan daar toch heusch niets aan doen!" zeide Meg op ongelukkigen
toon. "Aldith, hoe moet het lint op mijn hoed genaaid worden? Ik
wilde het er opnieuw opzetten."

"O, vierkante lussen, min of meer stijf, en goed op zijde!" zeide het
orakel. "Ik ben blij, dat je den hoed onder handen neemt, beste! hij
zag er heusch erg slordig en verlept uit."

Meg bloosde weer.

"Ben je al klaar met je Fransch?" zeide zij, en opende het hek.

"Ik zal het er maar voor houden!" zeide Aldith onverschillig. Toen
hief zij haar kin omhoog.

"Die zedige meisjes Smith schijnen er altijd eene eer in te stellen,
om geen fouten te maken; en Janet Green, wier hoeden altijd vier
modes ten achteren zijn, ook; ik vergis mij liever eens een paar maal,
als was het alleen maar om te laten zien, dat ik niet hard behoef te
leeren, en later onderwijzeres worden."

Maar juist in dit oogenblik struikelde zij, en viel in hare volle
lengte op zeer onbevallige wijze neer, dwars over het modderige pad.

Een stuk touw en Baby's wraak waren hier de oorzaak van.



HOOFDSTUK VII.

"WAT ZEGT GE VAN EEN VERLIEFD HART?"


Meg zag er zeer slecht uit, daar was geen twijfel aan. Hare mooie
rozige gelaatskleur verloor hare frischheid, eene uitdrukking van
prikkelbaarheid groefde een trek om den mond, die eenige maanden
geleden alleen voor glimlachjes scheen geschapen te zijn. En, het was
treurig onromantisch, maar, haar neus was van tijd tot tijd bijzonder
rood. Nu kan eene heldin de grootste, diepste oogen, de langste
wimpers, die maar mogelijk zijn, hebben; zij kan haar hebben gelijk
aan het goud, dat "in den oogsttijd tot schoven wordt gebonden";
zij kan lippen bezitten als kersen en tanden als paarlen, en een
roode neus zal al deze bekoorlijkheden vernietigen. Hij berokkende
Meg ware zielsangsten. Zij las met de grootst nauwgezetheid alle
antwoorden in de "Correspondentie" der verschillende tijdschriften,
die Aldith haar leende, om haar te helpen in haar zoeken naar een
geneesmiddel. Maar bijna iedereen scheen recepten te vragen om den
groei der oogharen te bevorderen of om embonpoint te voorkomen. Geen
enkel antwoord, dat haar onder de oogen kwam, zeide: Een roode neus bij
jonge meisjes wordt gewoonlijk veroorzaakt door slechte spijsvertering
of door te nauw rijgen." Zij vraagde Aldith haar een raad te geven,
en deze jonge dame dacht, dat hare vriendin de gewenschte uitkomst zou
verkrijgen, door vaseline en zwavel, goed vermengd, op het lichaamsdeel
in quaestie te leggen. En nu sloot Meg iederen avond de deur van
haar slaapvertrek door middel van een eigen gemaakten grendel, want
sleutels waren op Misrule eene ongekende weelde, en bestreek haar
armen, kleinen neus hoogst zorgvuldig met het vette geneesmiddel,
waarnaar zij den geheelen nacht op haar rug moest blijven liggen,
om te voorkomen dat zij het aan haar kussen zou wrijven.

Eens was Pip in haar kamertje doorgedrongen om haar te vragen, zijne
bretels even te willen naaien; zij was toen genoodzaakt geweest,
haastig een handdoek om haar hoofd te slaan en te zeggen, dat zij
hevige zenuwhoofdpijn had, en dat hij maar naar Esther of een van
de meiden moest gaan. Had hij de oorzaak dezer weigering gekend en
gezien, dan zou er geen einde aan de plagerijen gekomen zijn.

In den laatsten tijd bracht Meg een groot gedeelte van den dag in hare
slaapkamer door, die nu, sedert Judy's vertrek, van haar alleen was. In
de eenzaamheid garneerde zij hare hoeden en veranderde ze telkens
weer, vermaakte zij hare japonnen, las zij hare novellen, en zat met
hangende haren voor haar spiegel, peinzende over den tijd, waarin zij
"groot" zou zijn en een man haar hart zou geschonken hebben. Want
haar en Aldith scheen alleen deze periode van het leven liefelijk
en begeerlijk. Meg vlijde zich gaarne in een grooten leunstoel, die
naar hare kamer was verbannen, omdat de veeren gesprongen waren, en
droomde dan lang schoone, ijdele droomen van een minnaar met "lange
zwarte wimpers en eene militaire houding". Natuurlijk was het hoogst
laakbaar op haar teederen leeftijd van zestien jaren zulke gedachten te
hebben, maar dan moeten wij bedenken, dat het meisje geene moeder had,
die deze verdoolde phantasie weer op het goede pad had kunnen brengen,
en dat zij eene dochter van het Zuiden was.

Australische meisjes beginnen bijna altijd veel eerder over "vrijages
en zulken onzin", zooals ouderwetsche menschen zeggen, te denken,
dan hare Engelsche zusters. Terwijl zij nog in de korte-jurken-periode
zijn, en terwijl haar haar nog los op haar rug hangt, stellen zij de
levendigste belangstelling in jongens van de naburige scholen, broers
van andere meisjes, jonge klerken, en dergelijken. Niet omdat zij
goede speelkameraden zouden kunnen zijn, maar omdat zij hen beschouwen
in het licht van mogelijke aanstaande "hartsvrienden". Ik zeg niet,
dat Engelsche meisjes nooit aan zulke dingen denken. Volstrekt niet;
in iedere school zullen er wel een of twee dwaze, giggelende jonge
schepseltjes met soortgelijke neigingen te vinden zijn, die met een
pak klappen weer naar haar cricket en hare poppen toe moesten gezonden
worden. Maar in dit land der jeugd is het meer regel dan uitzondering,
en dit is de grootste fout van het zeer jonge Australische meisje. Zij
is als eene perzik, eene mooie, gave perzik, die bijna in één dag tot
rijpheid is gekomen, en die haast heeft het teedere waas te vernielen
dat haar grootste bekoorlijkheid is, alleen om hare schitterende, warme
kleur duidelijker te doen uitkomen. Aldith had, tot hare voldoening,
haar eigen "waas" weggewreven, en was op het oogenblik druk bezig
dat van Meg te doen verdwijnen, dat zeer zacht en liefelijk was,
voor zij er aan raakte. De novellen hadden iets weggenomen en het
"Block" nog iets meer, maar zij was van nature verstandig, en het
duurde lang, eer men aan haar eene verandering kon bespeuren. En
nu, onder voogdijschap harer vriendin, was zij binnengeleid in de
verrukkelijke geheimen der liefdesavonturen, en voorloopig vervulde
de gedachten daaraan haar eenigszins doelloos jong leven. Maar dit
alles eindigde met eene gebeurtenis, welker herinnering haar nog
jaren daarna een pijnlijken blos op de wangen jaagde.

Na de Fransche les, die zij, als ik reeds vertelde, tweemaal in de
week namen, kwamen de vriendinnen gewoonlijk met de boot van vijf uur
terug. En op deze boot waren ook altijd twee jonge lui, die den naam
Courtney droegen, en een derde jonge man, Aldith's bijzonder eigendom,
James Graham. Nu was het jonge volkje met elkaar in kennis gekomen op
picnics en dergelijke feestjes in den omtrek, maar deze kennismaking,
in plaats van, nu zij elkaar meermalen ontmoetten, te rijpen tot
eene hartelijke, aangename vriendschap, had aanleiding gegeven tot
flauwe geheimzinnigheden en eene aanstellerige verliefdheid. James
Graham, zeventien jaar oud, was werkzaam op het kantoor van een
advocaat, en scheen weinig haast te hebben zich tot een flinken
man te ontwikkelen. Hij droeg een stok, en was zeer gesteld op een
keurigen hoed en een hoog boord en mooie laarzen, die gewoonlijk
van bruin leder waren. En hij bezat een knevel, zoo dun, als men er
zich maar een kan verbeelden, dien hij met groote zorg behandelde,
en dien Aldith aanbiddelijk vond. Aldith's levendigheid en gevatheid
vielen in zijn smaak en binnen zeer korten tijd drukten zij elkander
heimelijk briefjes in de hand, en zuchtten daarbij sentimenteel. Niet
dat deze briefjes iets buitengewoons bevatten, zij waren gewoonlijk
tamelijk vormelijk.

"Hooggeachte Miss MacCarthy", luidde bijvoorbeeld een. "Waarom was u
gisteren niet op de boot? Ik keek naar u uit zoolang ik maar eenigszins
hopen kon, u nog te zien verschijnen, en moest toen een vervelenden
tocht op het water maken. Wat staat die groote hoed u allerliefst,
en die narcissen, die ge draagt, passen beeldig bij uwe japon. Zou
ik u om een dezer bloemen mogen verzoeken? geef er mij ééne, Aldith!

Met eerbiedige hoogachting

    Uw vriend

        James Graham."

En Aldith's antwoord, geschreven op een blaadje van haar notitieboekje
met een rose potloodje, afkomstig van een balboekje, en dat zij altijd
in hare beurs bij zich had, mocht den volgenden inhoud hebben:

"Waarde Mr. Graham,

Wat mag de reden zijn, dat ge de bloemen, die ik in mijne japon
gestoken had, verlangt te bezitten? Ik heb ze den geheelen dag
gedragen, en zij zijn verwelkt en slap. Ik kan mij niet verbeelden,
wat gij aan haar zoudt hebben. Maar, indien u werkelijk op haar gesteld
is, zal ik ze u natuurlijk geven. Ik ben zoo blijde, dat mijn hoed
u bevalt. Ik zal hem nu altijd gaarne dragen. Heeft u mij werkelijk
gisteren gemist? Ik liet mijn portret maken. Marguerite vindt, dat
het zeer goed lijkt, ik vind het werkelijk te geflatteerd.

    Met een vriendelijken groet

        L. Aldith Evelyn MacCarthy."

Een groote vriend van Mr. James Graham was een der reeds genoemde
Courtneys, en wel degene, dien men Andrew noemde. Hij was een knappe
jongen van achttien jaren, nog scholier, maar hij bezat hoogst
innemende manieren en een paar waarlijk mooie oogen.

En sedert zijn vriend en trouwe metgezel James begonnen was "zich
te interesseeren" voor "de kleine MacCarthy", bedankte hij er voor,
geheel buiten alles te staan. Dus begon hij op in het oog loopende
wijze werk te maken van Meg, die tot onder haar zacht, mooi ponyhaar
bloosde, iederen keer dat hij tot haar sprak, en met een pijnlijk
verlegen en schuldig gezicht voor zich keek, telkens als hij haar
iets vleiends zeide.

De andere jonge man, Alan Courtney, was zeer groot en breed van
schouders, maar zijn gezicht was volstrekt niet bijzonder fraai. De
uitdrukking van zijn gelaat was ernstig, zijne oogen waren grijs en
lagen diep in zijn hoofd, zijne bruine haren zagen er uit, alsof hij
ze gedurig den verkeerden kant op streek. Hij was student, speelde
uitstekend voetbal, en vermaakte zich op weg naar huis, nooit op de
manier van Andrew en diens vriend.

Hij gaf gewoonlijk een nauwelijks merkbaar knikje met het hoofd,
wanneer hij voorbij de kleine groep kwam, nam zijn hoed zoo weinig
mogelijk als met de voorschriften der beleefdheid in overeenstemming
te brengen was, af, en liep door naar het verst verwijderde gedeelte
der boot. Eens toen hij voorbij kwam, keek Aldith juist door hare
wimpers heen smachtend zijn broeder aan, en Meg was er bijna zeker
van dat zij hem bij zich zelf had hooren zeggen: "Belachelijke
zotten!" Hij zat gewoonlijk eenzaam op de boot te rooken--sigaren
bij het begin van de vaart, en tegen het einde haalde hij een kort,
zwart, onaanzienlijk pijpje voor den dag--en Meg dacht dan heimelijk,
dat hij er toch wel mannelijk uitzag, en dan zuchtte zij diep.

Want ik kan u nu even goed als later vertellen, wat er met dit dwaze,
kleine meisje gebeurd was, na enkele maanden den invloed van Aldith
en der novellen ondergaan te hebben. Zij was verliefd geworden, en
dit wel met eene innigheid zoo groot, als dit op den lieven leeftijd
van zestien jaar maar mogelijk is; en het was op Alan, die niet
vriendelijk keek, noch aangename manieren had--niet op Andrew, die
sprekende oogen bezat en lokken, die "zijn voorhoofd deden gelijken op
de rijzende zon," niet op Andrew, die haar teedere blikken toewierp,
en haar onder bedekte termen duizend maal verzekerde: "Aan u heb ik
mijn hart verloren," maar op Alan, die volstrekt geene notitie van
haar nam dan bij gelegenheid door eene half spotachtige buiging.

Arme Meg! Zij was zeer treurig in dezen tijd, en toch was het eene
soort van zoete treurigheid, die zij koesterde en voor uitdooven
bewaarde. Niemand vermoedde haar geheim. Zij zou liever gestorven
zijn, dan er zelfs tegenover Aldith iets van te laten doorschemeren,
en ontving Andrew's briefjes en glimlachjes alsof niets haar aangenamer
kon zijn. Maar zij werd mager, hare oogen schenen steeds grooter te
worden, en 's avonds schreef zij lange verhalen in haar dagboek, en
buitendien een snel aangroeiende verzameling gedichten, waarin "hart"
en "smart," "traan" en "staan," "zwerven" en "sterven," "zucht" en
"lucht" de meest voorkomende rijmwoorden waren. Zij verdroeg Andrew
om verschillende redenen. Ten eerste was hij de broer van Alan,
en vertelde altijd allerlei verhalen van "Al," en pochte hij op de
kranige figuur, die deze op het voetbalveld maakte; en dan zou Aldith
haar geheim kunnen raden, indien zij hem geheel afstootte. Buitendien
had Andrew de langste wimpers, die zij ooit gezien had, en zij moest
toch iemand hebben, die haar allerlei aangenaams zeide, ook al was
dit niet degene, van wien zij dit het liefst gehoord had.

Maar eens op een dag kwam er eene crisis.

"Geen tochtjes meer met onze lieve boot, eene geheele maand
lang!" sprak Aldith, van haar hoekje in de kajuit.

"Dat is verschrikkelijk! Wat bedoelt u, Miss MacCarthy?" zeide James
Graham, met overdreven wanhopige stem.

"Monsieur H. heeft de klasse eene maand vacantie gegeven. Hij gaat
naar Melbourne!" antwoordde Aldith met een zucht.

Meg zorgde plichtmatig voor de echo, en Andrew zeide woedend, dat
Monsieur H. het hangen niet waard was. Hij zou wel eens willen weten,
waarom hij zoo onmenschelijk handelde; en hoe moesten Jim en hij hun
leven in dien tusschentijd voortsleepen?"

James was degene, die dadelijk een middel wist, om het leed te
verzachten.

"Zouden wij met ons vieren niet eens 's avonds kunnen eraan
wandelen?" sloeg hij voor.

Aldith en Andrew vonden dit voorstel schitterend; en hoewel Meg eerst
vast besloten het hoofd geschud had, liet zij zich toch overhalen,
en beloofde mede te zullen gaan.

Zij zouden elkaar ontmoeten in een boschje, dat aan het verst
verwijderde grasveld van Misrule grensde, ongeveer een uur wandelen,
en tegen half acht terugkeeren, eer het donker werd.

"Ik zal je dien dag iets vragen, Meg!" fluisterde Andrew toen zij op
het punt waren, van elkander te scheiden. "Ik ben benieuwd of ik het
zal krijgen."

Meg bloosde, zenuwachtig en onrustig, en vroeg zich zelve af, of hij
haar om een haarlok zou verzoeken, iets, wat Jim reeds van Aldith
gekregen had.

"Wat?" zeide zij werktuigelijk.

"Een zoen!" fluisterde hij.

In het volgende oogenblik hadden de anderen zich bij hen gevoegd,
en het antwoord vol verontwaardiging, dat haar op de lippen zweefde,
bleef onuitgesproken. Zij moest hem zelfs hare hand geven, om het
te doen schijnen, alsof er niets gebeurd was, en oogenschijnlijk als
goede vrienden van elkander te gaan.

"Precies half zeven, Marguerite! Ik zou het je nooit vergeven, als
je niet kwaamt!" zeide Aldith, toen zij bij het hek afscheid namen.

"Ik--je--o Aldith! ik begrijp niet, hoe ik zal kunnen komen," stamelde
Meg, weer met hoogroode wangen. "Ik heb nog nooit zoo iets gedaan. Ik
ben er van overtuigd, dat het niet goed is."

Maar de minachtende trek om Aldith's mond maakte haar beschaamd over
zich zelve.

"Je bent geloof ik, twaalf jaar, Marguerite!" zeide deze jonge dame
kalm; "je bent waarlijk niet ouder dan twaalf jaar! Je deedt beter
met weer eene pop te nemen, en een prentenboekje met fabeltjes. Ik
zal Andrew vragen, om je een te koopen, en ook een stuk touw, om je
in je tafelstoel vast te binden."

Zulk een hoon was te veel voor Meg. Zij beloofde haastig en
onvoorwaardelijk op den bepaalden tijd aanwezig te zullen zijn, en
liep snel het voetpad op, om aan de roepstem der hard luidende bel
voor de thee gehoor te geven.

Gedurende de twee volgende dagen drukte haar geheim haar als een last
van schuld, en zij verlangde vurig naar eene vertrouwde, die haar zou
kunnen raden, hoe zij in deze netelige zaak moest handelen. Judy kon
zij daarvoor niet kiezen: deze was te eerlijk, te verstandig, en had
daarenboven te veel van een kind en een jongen--zij zou haar nooit
zoo iets durven vertellen. Zij kon zich den blik van verontwaarding
in de groote, heldere oogen harer zuster voorstellen, het schaterende
gelach, dat zulk een verhaal zou uitlokken, de vernietigende, handig
gekozen plagerijen, die zij trillende, zou moeten aanhooren. Ook
Esther niet--daar deze immers hare stiefmoeder was, kon Meg het juist
haar niet vertellen, en buitendien, in het mondje van den Generaal
verscheen langzamerhand eene dubbele rij witte paarltjes, zijne
gezondheid werd daardoor aangetast, en veroorzaakte zijne moeder te
veel zorg, om haar voor Meg's gedruktheid oogen te geven.

Toen de dag, waarop de wandeling zou plaats vinden, genaderd was,
had zij zich in een toestand van hevige opwinding gebracht.

Half zeven was de afgesproken tijd; zooals zij wist, was het dan
nog helder licht. Zij zag in, dat zij inderdaad niet mocht, niet
kon gaan. Veronderstel dat haar vader of Esther, eenige van hare
spotachtige jongere zusters of broeders, in de nabijheid zouden zijn
en de ontmoeting zien, of een der buren--zij zou de schande nooit
kunnen overleven! En toch, gaan moest zij, want anders zou Aldith
haar verachten. Buitendien had zij zich voorgenomen Andrew kalm
te zeggen, dat zij hem niet kon veroorloven tot haar te spreken,
als hij gedaan had. Na de laatste, verschrikkelijke, gefluisterde
woorden, vond zij het noodzakelijk, hem duidelijk te doen begrijpen,
dat zij zijn gedrag niet goed vond, en wel "zijne vriendin" wilde zijn,
maar ook niets anders.

Maar waarom hadden zij niet een uur gekozen als het reeds donkerder
zou zijn? zeide zij bij zich zelve: dan zou er geen gevaar bestaan van
gezien te worden; zij zou dan het huis uit kunnen sluipen zonder de
minste moeielijkheid, en door de grasvelden loopen, beschermd door de
schemering; terwijl, wanneer het nog licht was, en zij zou beproeven
ongemerkt weg te vluchten, ten minste twee of drie van de kinderen
achter haar aan zouden komen loopen en haar edelmoedig zouden aanbieden
"mede te gaan."

Ten laatste, te bang om, terwijl het nog dag was, te gaan, en ook niet
willende, dat Aldith boos op haar zou kunnen zijn, omdat zij in het
geheel niet gekomen was, deed zij in hare opwinding eene wanhopige
daad--iets zoo gewaagds, dat zij er langen tijd niet dan met afschuw
aan kon denken.

"Waarde Mr. Courtney,"--schreef zij, voor haar toilet zittende,
haastig met potlood--"het zou niet aardig zijn, om zoo vroeg te
wandelen. Laten wij later gaan, wanneer het geheel donker is. Het
zal dan veel prettiger zijn, want niemand zal ons dan kunnen zien. En
laten wij elkaar ontmoeten geheel aan het einde der grasvelden, waar
het boschje zeer dicht is, daar kan niets ons storen. Ik schrijf Aldith
ook tegen dien tijd te komen, en zij zal het Mr. Graham doen weten.

    Geheel de uwe,

        M. Woolcot.

P. S. Ik moet u uitdrukkelijk verzoeken, mij niet te kussen. Ik zou
werkelijk zeer boos zijn, wanneer u het deed. Ik houd daar niet van."

De laatste woorden schreef zij in zenuwachtige haast, want zij had
grooten angst, dat hij zijn woord zou houden, indien zij dit niet bij
de eerste de beste gelegenheid voorkwam. Toen deed zij het briefje
in eene enveloppe en schreef er het adres op, terwijl het zelfs geen
oogenblik bij haar was opgekomen, er iets vreemds of onbehoorlijks in
te vinden, dat een jong meisje er zoo op gesteld was, de ontmoeting
in het donker te doen plaats hebben.

Daarop schreef zij eenige woorden aan Aldith, en zeide haar er vast
op te rekenen, haar te half negen achter de grasvelden te vinden,
terwijl zij zelve weg zou sluipen, wanneer de kinderen naar bed gingen
en haar zeer waarschijnlijk niet zouden opmerken.

En toen ging zij naar den tuin om boden voor de twee briefjes
te zoeken. De kleine Flossie Courtney had den middag bij Nellie
doorgebracht, en Meg riep haar terug, juist toen zij het hek door
ging om naar huis te wandelen, en, zonder dat de kinderen het zagen,
vertrouwde zij haar het briefje toe.

"Geef dit aan je broer Andrew dadelijk als hij uit school
komt!" fluisterde zij, en stopte in hetzelfde oogenblik een groot
stuk chocolade in den mond van het kleine meisje. Bunby werd daarop
omgekocht, met eene belofte van dezelfde licht smeltende snoepernij,
om met het andere briefje naar Aldith te loopen, en Meg haalde weer
vrij adem, daar zij het dreigende gevaar op listige wijze meende
gekeerd te hebben.

Maar er scheen geen zegen op de briefjes te rusten!

Bunby overhandigde het zijne aan de meid van de familie MacCarthy,
en gaf op eene vraag van het dienstmeisje ten antwoord: "Ik zal wel op
antwoord moeten wachten, meisjes moeten er altijd een hebben op niets."

Aldith was aan hare kamer gebonden door eene plotselinge hevige
verkoudheid, en schreef hare vriendin een briefje, om haar mede te
deelen, dat zij te ziek was om uit te gaan, en aan Mr. Graham en
aan Mr. Courtney ook geschreven had, daar zij de wandeling eene week
wenschte uit te stellen.

Nu kwam dit briefje, in zijne lichtrose, driekante enveloppe, in
Bunby's zak terecht tusschen zijne knikkers en noten en touwtjes. En,
als wel te voorzien was, zag hij op den terugweg eenige kameraadjes,
met wie hij weldra aan den kant van den weg op zijne knieën zat
te knikkeren.

Hij verloor tien knikkers, en zijne allermooiste, roste een jongen
af, die zich onwettig in het bezit had gesteld van zijn meest geliefd
"bastje", kwam een uur later in treurige stemming thuis, en bespeurde
bij het hek dat hij Aldith's coquet briefje verloren had.

Nu had Meg hem acht chocoladen okkernoten bij zijne terugkomst beloofd,
en wanneer ons heertje eene zwakheid had, die zich meer deed gelden
dan de andere, dan was het zijne groote partijdigheid voor deze soort
van lekkernij, en, daar hij in weken geene enkele geproefd had, was
het geen wonder dat zijn hart bijna brak bij de gedachte, dat hij ze
door eigen schuld verbeurd had.

"Ik begrijp wel dat ze onuitstaanbaar genoeg zal zijn om te zeggen,
dat ik ze niet verdiend heb, alleen omdat ik het gekke briefje van
dat schepsel verloren heb," zeide hij, diep ongelukkig, tot zich
zelven, "en ik kan me wel denken, dat er niets anders in stond, dan:
"Liefste Marguerite, laten wij elkander altijd en altijd onze geheimen
vertellen"; dat heb ik haar tweemaal hooren zeggen, en dus zal zij
het nog wel eens schrijven." De verleiding greep hem aan, plotseling,
stormenderhand.

Bunby was van nature de meest gewetenlooze kleine leugenaar,
die ooit bestaan had, en alleen Judy's onkreukbare eerlijkheid en
nadrukkelijk uitgesproken verachting voor al wat onoprecht was,
hadden hem tamelijk betrouwbaar doen blijven. Maar Judy was mijlen
weg, en kon hem onmogelijk angstig maken door een blik vol innige
verstoordheid. Hij stond nu voor de deur der kinderkamer en draaide
met aarzelende vingers den deurknop om.

"Wat ben je lang weggebleven!" zeide Meg van de tafel, waar zij een
doos vol handschoenen zat te naaien. "Wat heeft zij gezegd?"

Juist naast haar elleboog stond de begeerlijke bonbonnière, waarin
de bruine, met fondant omgeven okkernoten lagen.

"Zij zeide: "Het is goed!"" sprak Bunby stuursch.

Meg telde de acht chocolaadjes in hare kleine, onreine hand, en zette
haar naaiwerk voort met een zucht van verlichting. En Bunby, met een
schichtigen, schuwen blik in zijne oogen, stopte al de chocolaadjes
op eens in zijn mond, als om de mogelijkheid van een plotseling berouw
te voorkomen.

Het andere briefje ging het even slecht. Flossie ging naar huis,
peinzende over een zeker Kate Greenaway-mutsje, dat Nell beloofd
had voor hare nieuwe pop te zullen maken.

"Groen met rose lint," zeide zij zachtjes bij zich zelve toen zij de
trap van het huis haars vaders opging. Alan lag in de veranda in een
gemakkelijken stoel en rookte zijne zwarte pijp.

"Wat moet groen zijn?" riep hij lachend.--"Guineesche biggetjes
of kangoeroes?"

"De hoed van Clarice Maud," zeide het kleine meisje, en opende dadelijk
een ernstig gesprek met hem over de kleur, die hij het geschiktst
vond voor den wintermantel van dezen wassen jonge dame.

Toen wilde zij het huis binnen gaan.

"Wat steekt daar uit je zakje, Flossie?" zeide hij, toen zij hem
voorbij liep.

Zij bleef even stilstaan en tastte in haar zak.

"O, dat had ik bijna vergeten, en ik heb beloofd, dat ik er aan zou
denken,--hier is een briefje voor jou, Alan!" zeide zij, en gaf Meg's
rampspoedig episteltje in de hand, voor welke het niet bestemd was.



HOOFDSTUK VIII.

EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE.


De schemering had zich zeer kalm en zeer ongemerkt uitgebreid over
den tuin, en de grasvelden, en de rivier. Er was een zwak windje aan
den waterkant, maar het scheen na dezen warmen, langen dag bijna te
moede om zich te verheffen en het water te rimpelen. Langzaam, zeer
langzaam nam het grauwe, stille licht af, en een of twee bleeke sterren
begonnen daar hoog, boven in de lucht, te stralen. In de verte, achter
de gomboomen, aan gene zijde der rivier, stond eene nog bleeker maan;
reeds kon eene streep van het water haar een glimlach toezenden. Meg
hoopte, dat zij niet vóór acht uur boven de kronen der boomen zou
gerezen zijn, want dan zouden de uitgestrekte grasvelden in een stroom
van maanlicht baden, en zij zou kunnen gezien worden. Onder de thee,
en gedurende het eerste gedeelte van den avond, was zij afgetrokken
en prikkelbaar in haar angst, en twee of drie maal snauwde zij Bunby
tamelijk onvriendelijk af.

Van een uur of zes af had hij onophoudelijk om haar heen gedraaid.

Het was een karaktertrek van dezen kleinen jongen, dat, wanneer hij
de verleiding niet had kunnen weerstaan en van het pad der waarheid
was afgeweken, hij volkomen ongelukkig was, tot hij gebiecht had, en
met zijne vieze handjes in zijne schreiende oogen had gewreven, tot
hij een beeld bood "om van te droomen, maar niet om te beschrijven."

Pip zeide, dat dit kwam omdat hij een lafaard was, en de zedelijken
moed miste om te gaan slapen met eene leugen op zijn geweten uit
vrees van te zullen ontwaken en een engel met een vlammend zwaard
naast zijn bed te zien staan. En tot mijn spijt moet ik toegeven,
dat dit eene meer ware beschouwing van het geval was, dan wanneer
men aannam, dat de kleine jongen werkelijk overtuigd was van het
afkeuringswaardige zijner daad, en niets liever wenschte, dan haar
weder goed te maken. Want als de gelegenheid zich maar voordeed,
zou hij den volgenden dag weer struikelen, en 's avonds naar dezen
of genen toekruipen en, met zijne vuistjes in zijne oogen, stamelen,
dat hij: "iets gezegd had, dat niet waar was, boe-hoe!"

Tegen zeven uur was hij dus dezen avond buitengewoon berouwvol gestemd
geweest; verscheidene tranen waren langs zijne wangen gerold, en hadden
zich vermengd met den inkt van het huiswerk, dat hij bezig was voor
de gouvernante te maken. Hij installeerde zich naast Meg's elleboog,
en bleef naar haar opzien met een treurigen smeekenden blik, die haar
in groote verlegenheid bracht, want zij was door zijn vreemd gedrag
begonnen te vermoeden, dat hij op de eene of andere wijze den inhoud
van het briefje vernomen had, en haar van haar voornemen zocht af
te houden. Hoe langer hij haar bleef aanstaren, hoe rooder zij werd,
en hoe minder zij zich op haar gemak begon te gevoelen.

"Je mag mijne nieuwe c-c-catapult hebben!" fluisterde hij met een
droevigen, teederen blik, dien zij als eene bede om veilig thuis te
blijven uitlegde.

Eindelijk stonden de wijzers op acht uur, en op een oogenblik dat de
kinderen een hevigen woordenstrijd voerden over het bezit van een hond,
die in den middag Misrule was binnengeloopen, sloop zij onbemerkt de
kamer uit. Er was niemand in de vestibule, en zij nam het luchtige,
flatteerende doekje, dat zij daar verborgen had, sloeg het om het
hoofd, en liep de zijdeur uit en het pad op.

In den tuin was de grond wit van de afgevallen rozenbladeren, en de
lucht vervuld met hunne laatste geuren; lang, slank pampasgras teekende
zich met sierlijke lijnen tegen de lucht af; eenige inlandsche boomen,
die tusschen de gekweekte heesters waren blijven staan, strekten
zilverwitte armen omhoog naar de maan, en maakten een spookachtigen
indruk op het voortsnellende meisje. Zij vloog het hek uit en naar
het eerste grasveld, waarheen de rozengeur niet meer kwam, en waar
alleen eene scherpe hooilucht in de stille atmosfeer zweefde. Zij zag
meer gomboomen, en meer witte spookachtige armen; opeens bewoog zich
iets bij het hek, eenige zacht gefluisterde woorden werden geuit,
en Meg stootte vol schrik een kreet uit.

"Hier is de c-c-c-catapult, Meg! neem haar maar!" zeide Bunby, met
een bleek en treurig gezicht.

"Akelige jongen! wat kom je hier doen?" zeide Meg boos, zoodra zij
van haar schrik bekomen was.

"Ik wilde je alleen maar een genoegen doen, M-M-Meggie!" zeide de
kleine jongen droevig snikkend.

Hij had zijne beide armen om haar middel geslagen, en begroef zijn
neus in hare wit mousselinen japon. Zij schudde hem haastig van zich.

"Goed, goed; dank je!" zeide zij. "Ga nu naar huis, Bunby! Ik wilde
in den maneschijn alleen eene wandeling maken."

Hij stopte zijne vingers zoo diep in zijne oogen als maar eenigszins
mogelijk was, opende zijn mond, en zijne onderlip trok hij al lager
en lager naar beneden.

"Ik--ik heb je iets verteld, wat--wat niet waar is!" zeide hij
schreiend, en heen en weer wiegelend waar hij stond.

"Zoo? Nu, het is goed! Ga nu maar naar huis!" zeide zij ongeduldig. "Je
vertelt altijd onwaarheden, Bunby, dus ben ik volstrekt niet
verwonderd. Kom, ga nu!"

"M-maar ik moet je er a-alles van zeggen!" zeide hij, nog altijd
bezig zijne oogen in zijn hoofd te drukken.

"Het is niet noodig! Voor dezen keer zal ik je vergeven!" zeide zij
grootmoedig, "maar je moogt het niet meer doen. Ga nu maar gauw naar
huis, of anders kom je niet klaar met je werk, en dan straft miss
Marsh je."

Zijne oogen kwamen weer op hun gewone plaats terug, en zoo ook zijne
handen. Met een volkomen verlicht hart ging hij naar huis. Toen hij
een paar stappen geloopen had, kwam hij terug.

"Ben je erg gesteld op de catapult, Meg?" zeide hij vleiend. "Je bent
maar een meisje, en dus denk ik, dat je er niet veel aan zult hebben!"

"Neen, ik heb er niets aan. Hier, daar heb je haar, en denk aan je
werk!" antwoordde Meg, ongeduldig nu hij zoo treuzelde.

En Bunby, buitengewoon gelukkig, wendde zich voor de tweede maal van
haar af en liep vroolijk heen.

In wilde haast, bevende, snelde Meg door de twee nog overige
grasvelden.

In het struikgewas aan het einde was alles stil; er was geen geritsel,
geen geluid van eene stem, en ook weerklonk niet het geaffecteerde
lachje, dat gewoonlijk Aldith's aanwezigheid aankondigde.

Meg bleef ademloos staan en gluurde door de takken; eene lange gestalte
leunde tegen het hek.

"Andrew!" riep zij met gedempte stem, en vergat in haar angst, dat
zij hem nooit bij den naam noemde. "Waar zijn de anderen? Is Aldith
niet gekomen?"

Zij rook een sigaar, en dichterbij komende, zag zij tot haar
doodelijken schrik dat het Alan was.

"O!" riep zij op onbeschrijfelijken toon.

Haar hart bonsde van schrik en schaamte, en scheen toen stil te staan.

Zij zag hem aan alsof zij hem smeekte niet al te slechte gedachten
van haar te koesteren, maar zijn gelaat vertoonde de uitdrukking
van minachting, die zij begonnen was zoo te vreezen, en zijne lippen
krulden zich tot een fijnen glimlach.

"Ik--ik wilde alleen maar even eene wandeling maken; het is zulk een
mooien avond!" zeide zij, met een akelig gevoel van machteloosheid,
en toen als om zich te rechtvaardigen, voegde zij er bij: "en dan,
het zijn de weiden van mijn vader!"

Hij bleef tegen het hek leunen, en keek op haar neer.

"Flossie gaf mij uw briefje, en omdat het voor mij bestemd scheen, en
zij mij buitendien zeide, dat het voor mij was, maakte ik het open,"
sprak hij.

"U wist, dat het voor Andrew was!" zeide zij, maar zij keek hem
niet aan.

"Dat vermoedde ik, toen ik het gelezen had," antwoordde hij langzaam;
"maar Andrew is van avond nog niet thuis geweest, en dus kwam ik in
zijne plaats, het is hetzelfde, als het maar een jongen is, nietwaar?"

Het meisje gaf niets ten antwoord, maar hief hare hand op, en trok
het doekje dichter om haar hoofd.

Zijne lippen krulden zich iets meer.

"En hoe men kust weet ik ook, dat verzeker ik u ... Waarschijnlijk had
u dat van mij niet verwacht! O ja, ik weet wel, dat u gezegd heeft,
dat u niet gekust wilde worden, maar dat zeggen de meisjes altijd,
nietwaar?--zelfs wanneer zij het anders meenen."

Altijd sprak Meg nog niet, en de kalme, onbarmhartige stem vervolgde:

"Ik vrees, dat het nog wel niet donker genoeg voor u is. De maan is
al heel vervelend, vindt u ook niet? Maar, we kunnen misschien een
eindje verder nog wel eene donkerder plek vinden, en dan kan ik u
zonder gevaar zoenen. Nu? is u altijd zoo stil met Andrew?"

"O, spreek niet zoo!" zeide Meg met smeekende stem.

Dadelijk liet hij den spottenden toon varen.

"Miss Meg, u leek vroeger zulk een flink, aardig meisje," zeide hij
bedaard, "waarom laat u zich bederven door die afschuwelijke Aldith
MacCarthy, want zij is afschuwelijk, hoewel u er misschien niet zoo
over denkt."

Meg sprak niet, en bewoog zich niet, en hij vervolgde met een
vriendelijken ernst, waartoe zij hem niet in staat had geacht.

"Ik heb haar op de boot gade geslagen, en gezien hoe zij u systematisch
bedierf, en ik kon niet nalaten te denken, hoe jammer dat is. Ik heb
mij voorgesteld wat ik zou voelen, wanneer mijn klein zusje Flossie
ooit in de handen van zulk een meisje viel, en begon te coquetteeren
en zich dwaas aan te stellen, en ik dacht er toen ook aan, of u het
mij zou kwalijk nemen, als ik er met u over sprak. Is u zeer boos op
mij, Miss Meg?"

Maar Meg leunde het hoofd tegen het ruwe hek, en begon te
snikken--kleine, droge, innig droevige snikken, die tot het gevoelige
hart van den jongeling spraken.

"Ik had niet zoo moeten spreken, als ik in het begin deed--ik ben een
lomperd geweest," zeide hij vol berouw, "vergeef het mij, wil u? och,
doe het, Miss Meg, ik zou liever mijne hand afhouwen, dan u werkelijk
pijn doen!"

Dit laatste was ten minste een kleine troost, en Meg hief eene halve
seconde lang het hoofd op; wit en ernstig was haar gelaat in het
maanlicht, en nat van tranen.

"Ik--ik--o! ik ben heusch niet zoo slecht als u denkt," zeide
zij deemoedig; "ik wilde in het geheel niet gaarne deze wandeling
maken, en o! heusch, heusch, heusch, ik zou niemand toestaan mij te
zoenen. Geloof het toch!"

"Ik geloof u, ik geloof u werkelijk," zeide hij met overtuiging;
"ik heb het alleen gezegd, omdat--wel, omdat ik een groote, ruwe
lomperd ben, en niet weet hoe ik met een teer, zacht meisje moet
spreken. Lieve Miss Meg, geef mij uwe hand en zeg mij, dat u mijne
onbesuistheid vergeeft."

Meg strekte eene kleine, witte hand uit, en hij drukte deze met
warmte. Toen liepen zij samen door de grasvelden, en scheidden bij
een gebroken hek, dat toegang gaf tot den tuin.

"Ik zal nooit meer coquetteeren zoolang als ik leef!" zeide zij met
grooten ernst, toen hij afscheid van haar nam; en hij antwoordde
bemoedigend:

"Ik ben er van overtuigd, dat u het niet zal doen--dat is iets voor
meisjes als Aldith! U moest alleen maar daarop gewezen worden. Vaarwel,
Miss Meg!"



HOOFDSTUK IX.

GEVOLGEN.


    "Hoe kwam het toch, dat gij dit deedt?
      Berouw komt spoedig, zoo ge weet!"


Maar Megs moeielijkheden waren nog niet ten einde. Toen zij het
huis binnentrad, kwam Nell in de vestibule op haar toe geloopen,
en staarde haar aan.

"Waar ben je toch geweest?" zeide zij, en hare ronde oogen waren een
en al verbazing. "Ik heb je overal gezocht."

"Waarom?" vraagde Meg kort.

"Dokter Gormeston en Mevrouw Gormeston en twee dames Gormeston zijn
in het salon, en ik geloof, dat ze heelemaal niet meer weg gaan."

"Nu?" zeide Meg.

"En de Generaal is weer ziek, en Esther zegt, dat zij hem voor niets
en voor niemand eene seconde alleen wil laten."

"Nu?" zeide Meg nog eens.

"En vader is zoo kwaad als hij maar zijn kan, en hij moet ze allen
bezig houden. Hij heeft: "Mijn eerste liefde" en "Mona" gezongen,
en hij heeft hun alles van zijne paarden verteld, en nu denk ik,
dat hij niet weet, wat met hen te beginnen!"

"Nu, daar kan ik niets aan doen," zeide Meg met moede stem, en alsof
wat Nellie zeide, haar in het geheel niet aanging.

"Dat zal dan toch wel dienen!" riep Nell scherp. "Ik heb gedaan wat
ik kon, hij heeft om de meisjes gezonden, en omdat jij er immers niet
was, waren er alleen Baby en ik."

"En wat hebben jelui gedaan?" vraagde Meg, nieuwsgierig tegen wil
en dank.

"O, Baby heeft met de eene juffrouw Gormeston zitten praten, en zij
vraagden mij, iets op de piano te spelen," sprak zij, "en dus heb
ik mijn nieuwe stukje gespeeld. Toen ik er mede klaar was, merkte
ik eerst dat er twee kruisen aan den sleutel staan," voegde zij er
treurig bij. "En toen heeft Baby aan mevrouw Gormeston verteld hoe
Judy den Generaal in de kazerne heeft gelaten, en hoe zij daarom naar
de kostschool gezonden is, en van den groenen kikvorsch, dien Bunby
haar gegeven heeft, en toen zeide vader, dat wij maar liever naar
bed moesten gaan, en vraagde, wanneer jij nu toch eindelijk kwaamt."

"Ik ga, ik ga!" zeide Meg haastig, "hij zal er morgen vreeselijk
woedend om zijn. En, Nell, ga Martha zeggen, dat zij over een half
uurtje wijn en koekjes binnen brengt."

Zij wierp haar shawltje af, bracht vlug het haar in orde, en keek
in den spiegel der vestibule of de nachtwind de sporen harer tranen
had weggevaagd.

Toen ging zij het salon binnen, waar haar vader stond, met een hoogrood
en ongelukkig gezicht zijn best doende om vier gasten te amuseeren,
die tot het soort, gewoonlijk bekend als "zwaar op de hand," behoorden.

"Speel eens iets, Meg!" zeide hij, toen de begroeting was afgeloopen,
en allen in een diep zwijgen dreigden te vervallen; "of zing eens,
dat is nog beter,--heb je niet iets om te zingen?"

Nu had Meg eigenlijk eene aangename, frissche, niet zeer sterke stem,
naar welke men wel met genoegen kon luisteren, maar dien avond was
zij vermoeid en opgewonden en treurig. Zij koos een eenvoudig lied
en zong dikwijls valsch en zonder de minste uitdrukking.

Zij wist, dat haar vader, zoolang haar gezang duurde, op heete kolen
stond, en dat hare fouten hem doodelijk ergerden, en toen het lied
geëindigd was, begon zij, liever dan zich om te keeren, en allen aan
te moeten zien, Kowalski's Marche Hongroise te spelen. Maar de toetsen
schenen naar haar toe te komen en hare handen te willen grijpen, en de
piano scheen te wankelen en verontrustend heen en weer te schuiven;
zij liet een afschuwelijken dissonant hooren, toen zij, om zich vast
te houden, naar den muzieklessenaar greep, en gleed een oogenblik
later van den stoel en viel flauw, juist in Dr. Gormeston's armen,
die gelukkig bij tijds uitgestrekt werden.

Opgewonden, overprikkeld als zij was, had de drukkende warmte van
het salon haar bevangen.

Kapitein Woolcot was buitengewoon geschokt door dit voorval; met geen
enkele van zijne kinderen was ooit te voren zoo iets gebeurd, en toen
Meg op de sofa lag, en haar blond hoofdje tegen de roode kussens
steunde, terwijl haar gelaat zoo bleek en zielloos was, geleek zij
wonderlijk veel op hare moeder, die hij nu vier jaren geleden naar
het kerkhof gebracht had. Hij ging naar den filter om een glas water
te halen, en, terwijl het vocht uit de kraan liep, dacht hij er dof
en werktuigelijk over na, of zijne kleine gestorven vrouw misschien
ook dacht, dat hij te snel had gehandeld, toen hij Esther tot hare
opvolgster koos. En daarop, terwijl hij naast de sofa stond, en naar
dat gelaat keek, dat zooveel had van dat eener doode, dacht hij met
eene koude huivering, of Meg ook zou sterven, en wanneer dit gebeurde,
of zij dan die zelfde kleine vrouw zou kunnen zeggen, dat Esther aan
zijne zijde meer liefde ondervond dan haar deel was geweest.

Zijn gepeins werd afgebroken door de scherpe, verbaasde stem van den
dokter. Hij sprak met Esther, die haastig was geroepen, en die Megs
taille had helpen openhaken.

"Het meisje heeft zich veel te veel geregen!" zeide hij. "Dat moet u
toch ook opgemerkt hebben, mevrouw! Wanneer die drukking altijd even
sterk is geweest, dan was die alleen al genoeg, om haar half dood te
maken. Eene flauwte!--het verbaast mij, dat haar zoo iets niet eerder
overkomen is!"

Eene wolk trok over Esther's liefelijk, nu zoo bezorgd gelaat--nog
eens was zij in het uitoefenen harer taak te kort geschoten. Haar
echtgenoot keek haar met een duisteren blik aan, terwijl hij bij de
sofa stond, waarop de jonge gestalte in hare verkreukte mousselinen
japon lag, en haar hart zeide haar, dat zij niet als eene moeder voor
deze kinderen zorgde.

Later, toen Meg te bed lag en alles meer tot kalmte was gekomen,
zocht zij bijna schuchter haar echtgenoot op.

"Ik ben eerst twintig, Jack! Wees niet hard!" zeide zij met een
snik. "Ik kan niet geheel voor hen zijn, wat zij voor hen was, is
het wel zoo?"

Hij kust het jonge, schoone hoofd dat tegen zijn schouder lag, en
sprak een paar teedere woorden tot haar. Maar telkens en telkens weer
stond hem dien nacht Megs wit, onbeweeglijk gelaat voor den geest,
zooals het op de roode kussens gelegen had, en hij wist, dat de wind,
die de gordijnen voor het venster bewoog, enkele minuten geleden met
het lange gras op het kerkhof gespeeld had.



HOOFDSTUK X.

BUNBY ALS HELD.


Het was weer eens uitgekomen, dat Bunby een geheel weefsel van
onwaarheden had verteld. Het was ditmaal een ernstig geval, en hij
gevoelde zich naar verhouding ongelukkig. Iedereen was uit behalve Meg,
die nog te bed lag na haar aanval van bewusteloosheid, en hij was op
een der grasvelden eenzaam een spelletje cricket gaan spelen. Maar
zelfs niettegenstaande een spiksplinternieuwen cricketbal kan dit
spel na een poosje alle bekoorlijkheid verliezen, wanneer men geheel
alleen voor alles staat. Dus bracht hij weldra zijn bal naar den tuin,
en begon op goed geluk met den bal te gooien, terwijl hij er over
mijmerde, wat hij zou beginnen. Het paard van zijn vader stond aan
het andere einde van het grasveld, en loom en zonder na te denken
ging Bunby naar dien kant en wierp toen zijn bal rakelings over den
grond naar het dier toe om het "eens op te laten springen." Niets
lag verder van hem af dan de gedachte, het dier te willen kwetsen,
en toen de bal tegen den poot van het paard sloeg, en het hinkend
weg liep, vloog hij naar hem toe, bleek en vol angst. Aan de manier,
waarop het arme dier den poot hield opgetrokken, en trilde, wanneer hij
het aanraakte, kon hij merken, dat hij het ernstig bezeerd had. Een
doodelijke schrik greep hem aan, en hij liep haastig weg, vervuld
met zijne gewone gedachte, van zich ergens te willen verbergen. Maar
tot zijne hevige ontsteltenis zag hij, toen hij het grasveld reeds
half achter zich had, zijn vader met een kameraad door de poort van
het tuinhek komen en langzaam in de richting van het paard, dat zeer
kostbaar en fraai was, voortloopen.

Vol berouw over wat hij gedaan had, verborg hij den cricketbal voor in
zijn matrozenbuisje, en nadat hij zich plotseling op zijne knieën had
laten vallen, begon hij met grooten ijver te knikkeren. Zijn bevende
duim had ongeveer een dozijn knikkers her- en derwaarts gestuurd,
toen hij luide zijn naam hoorde roepen.

Hij stond op, klopte het stof van zijne trillende beenen, en ging
langzaam naar zijn vader.

"Ga Pat zeggen, dat hij dadelijk hier moet komen!" zeide
de kapitein. Hij hield den poot van het paard in zijne hand en
onderzocht dezen vol angst. "Als hij er niet is, zend Pip dan. Ik
kan niet begrijpen, hoe het gekomen is--weet jij er iets van, Bunby?"

"Wel neen, natuurlijk niet! Ik heb--niets gedaan!" antwoordde Bunby
klappertandend, maar zijn vader was te afgetrokken om de duidelijke
kenteekenen van zijne schuld op te merken, en zeide hem dadelijk heen
te gaan.

Dus ging hij naar den stal, en zond Pat naar zijn vader.

En toen sloop hij het huis binnen, kaapte twee appels en een cake
uit de eetkamer, en ging weer heen om diep wanhopig te zijn tot het
oogenblik, waarop hij zou biechten.

Hij kroop naar een leeg staand gebouwtje niet ver van het woonhuis
gelegen; in vroegeren tijd was dit een stal geweest, en het had twee
verdiepingen, waarvan de bovenste alleen bereikt kon worden door middel
van een ladder, die zich in een toestand van groot verval bevond. Bunby
klauterde naar boven, zette zich innig bedroefd op een bos stroo neer,
en begon peinzend op een der appels te bijten.

Wanneer er ooit een kleine jongen eene verstandige, liefhebbende moeder
noodig had, dan was het wel dit ventje met zijn bemorst gezicht en
zijn bezwaard hart, dat met zijn hoofd tegen een balk vol spinrag zat
en neerslachtig mompelde: "Ik kan het niet helpen! Het was de schuld
van het paard!"

Hij meende iets te hooren bewegen op den tweeden zolder, welke
door een laag beschot van dien, waarop hij zat, gescheiden
was. "Kischt--kischt, maakt dat je wegkomt!" riep hij, denkende,
dat er ratten waren. Verscheiden malen stampte hij met zijne zware
laarzen op den vloer.

"Kischt!" riep hij nog eens.

"Bunby!"

Het kind werd tot in de lippen bleek. Zijn naam, die daar zoo
vreemd en zacht gefluisterd werd, dat geritsel zoo dicht in zijne
nabijheid--o! wat zou dat beduiden!

"Bunby!"

Nog eens weerklonk zijn naam. Ditmaal luider, maar de stem, die
hem uitsprak, was vermoeid, en de klank er van deed hem zonderling
aan. Het geritsel werd hoorbaarder, er gleed iets over het beschot,
liep over den vloer, en kwam naar hem toe. Hij snikte van angst en
wierp zich plat op den grond, en verborg zijn gezicht, waaruit alle
kleur geweken was, in het stroo.

"Bunby!" zeide de stem nog eens, en eene hand raakte even zijn arm aan.

"Help me--help me!" gilde hij. "Meg--vader--Esther!"

Maar op zijn mond werd haastig eene hand gelegd, en eene andere trok
hem omhoog.

Hij had zijne oogen zeer vast gesloten, om den geest niet te zien, die,
zooals hij wist, gekomen was om hem voor zijne zonden te straffen. Maar
iets dwong hem, ze te openen, en toen--kon hij ze van verbazing niet
weer sluiten.

Want het was Judy, die hare hand op zijn mond had gelegd, en Judy,
die naast hem stond.

"Groote hemel!" zeide hij, vol innige verwondering. Hij staarde haar
aan om zich te overtuigen, dat zij werkelijk van vleesch en bloed
was. "Hoe kom jij hier?"

Maar Judy gaf geen antwoord. Zij nam eenvoudig den appel, die nog
over was, en den cake uit zijne hand en, nadat zij was gaan zitten,
at zij deze zwijgend op.

"Heb je niets anders?" vraagde zij angstig.

Toen merkte hij eerst op hoe mager zij was, en hoe slecht zij er
uit zag. Hare kleederen hingen bijna in flarden om haar lichaam,
hare laarzen waren gescheurd en wit van het stof, haar bruin gezicht
was ingevallen en toonde scherpe lijnen, en haar haar was dof en hing
woest in vlokken om haar hoofd.

"Groote hemel!" zeide Bunby nog eens, en zijne oogen schenen uit zijn
hoofd te zullen rollen--"groote hemel, Judy, wat heb je uitgevoerd?"

"Ik--ik ben weggeloopen, Bunby!" zeide Judy met trillende stem. "Ik
heb den geheelen weg, van de school tot hier, te voet afgelegd. Ik
had zulk een verlangen naar jelui allen!"

"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Bunby.

"Ik heb eerst alles goed overlegd," vervolgde Judy, terwijl zij met
eene loome beweging, het haar naar achteren streek. "Ik kan mij nu
niet alles herinneren, ik ben zoo moede, maar alles zal in orde komen."

"Maar wat zal hij zeggen?" riep Bunby met verschrikte oogen, want
hij had aan zijn vader gedacht.

"Hij zal er natuurlijk niets van te weten komen," antwoordde Judy op
een toon, alsof zij vond, dat dit van zelf sprak. "Ik zal hier op dezen
zolder een tijdje wonen, en jelui kunt mij hier allen komen bezoeken
en mij eten en allerlei brengen, en dan zal ik weer terug gaan naar
school." Zij zonk achterover in het stroo en sloot gedurende een paar
minuten uitgeput hare oogen; Bunby kon de oogen niet van haar afwenden.

"Hoe ver is het van je school tot hier?" zeide hij eindelijk.

"Zeven en zeventig mijlen." Judy trilde terwijl zij sprak. "Van Lawson
tot Springwood heb ik in een goederentrein gezeten, en een klein
eind heb ik ook nog in een kar afgelegd, maar overigens heb ik alles
geloopen. Ik ben bijna eene week onderweg geweest," voegde zij er na
een oogenblik zwijgens bij, en sloot toen weer voor geruimen tijd de
oogen. Een paar tranen, die zij uit zwakte en uit medelijden met zich
zelve schreide, drongen tusschen hare zwarte wimpers door en lieten
een smal, helder spoor op hare wangen na. Bunby voelde, hoe zijn keel
dichtgenepen werd bij dit gezicht, zoo lang hij zich kon herinneren,
had hij Judy nooit zien schreien. Hij liefkoosde hare magere hand,
hij wreef zijn hoofd tegen haar schouder en zeide: "Houd je goed,
houd je goed!" met min of meer onvaste stem.

Maar dit maakte, dat een half dozijn groote, zware druppels tusschen
de gesloten oogleden doorstroomden, en Judy draaide zich om, en legde
zich voorover om hare tranen te verbergen. Toen richtte zij zich in
eene zittende houding op, en begon werkelijk te lachen.

"Als nu de dames Burton mij eens konden zien!" zeide zij. "O, ik
heb alles zoo slim bedisseld; zij denken, dat ik veertien dagen te
logeeren ben in Katoomba--o Bunby, je moest de krullen eens kunnen
zien, die Miss Marian tegen haar wangen geplakt draagt!" Zij zweeg,
lachte zenuwachtig opgewonden, en begon toen te hoesten, tot de tranen
weer in hare oogen kwamen.

"Ga gauw iets voor mij halen om te eten," zeide zij wrevelig, toen
zij weer op adem kwam, "je kondt ook wel eens bedenken, dat ik sedert
gisteren morgen niet gegeten heb; maar, je hebt altijd alleen aan je
zelven gedacht, Bunby!"

Hij stond op en maakte zich gereed heen te gaan, alles in de grootste
haast. "Wat wil je hebben? Wat zal ik halen?" zeide hij, en een been
stond reeds op de bovenste trede.

"Alles is goed, als het maar veel is," zeide zij,--"het komt er niet
op aan, wat het is! Ik geloof, dat ik dit stroo zou kunnen eten,
en de balken zou kunnen stukbijten alsof ze van beschuit waren. Het
heeft mij werkelijk moeite gekost, niet met jou te beginnen, Bunby! Je
bent zoo dik, dat er aan jou menig goed kluifje moet zijn!"

In hare oogen tintelde de oude levenslust, maar zij begon opnieuw te
hoesten, en toen de hoestbui bedaard was, lag zij uitgeput neer.

"Roep een van de anderen!" riep zij met zwakke stem, toen zijn hoofd
verdween. "Jij alleen bent niet van groot nut!"

Zijn hoofd dook weer een oogenblik op, en hij beproefde met een
glimlach het leed, dat hare woorden hem veroorzaakten, te verzetten,
want juist op dat oogenblik zou hij zonder een zucht te slaken voor
haar gestorven zijn.

"Het spijt mij erg voor je, Judy!" zeide hij vriendelijk, "maar alle
anderen zijn uit. Kan ik je niet helpen? Ik zal alles graag voor je
doen, Judy!"

Judy lette niet op het zachte gesnuif, dat de laatste woorden
vergezelden, en keerde haar gelaat naar den muur.

Weer rolden twee groote tranen langs hare wangen.

"Hadden zij nu niet thuis kunnen blijven?" zeide zij met een
snik. "Konden zij nu niet begrijpen dat ik mijn best zou doen, om
terug te komen. Waar zijn zij?"

"Pip is gaan visschen," antwoordde hij, "en Nell draagt de mand voor
hem. En Baby is bij de Courtney's, en Esther is met den Generaal naar
de stad gegaan. En Meg ligt ziek te bed, omdat zij gisterenavond te
stijf geregen was en flauw gevallen is."

"Zij zullen mij wel geen oogenblik gemist hebben!" was hare bittere
gedachte, toen zij hoorde, hoe alles zijn gewonen gang ging, terwijl
zij zooveel doorgemaakt had, alleen om hen allen te zien.

Toen kwam weer dat gevoel van zwakte terug, en zij sloot hare oogen
en lag volkomen stil, tijd, plaats en honger vergetende.

Bunby spoedde zich met gevleugelden tred over het grasveld; het
gezicht van zijn vader, die bij den stal stond, veroorzaakte hem een
plotselingen schrik, en deed hem aan zijne eigen zorgen denken, maar
deze gedachten zette hij van zich af, en vloog verder. De deur van de
provisiekamer was gesloten. Martha, de keukenmeid, zorgde er wel voor,
dat dit meestal het geval was, wegens zijne eigen zondige voorliefde
voor hare taarten en gebakken; alleen door middel eener krijgslist
zou hij er in kunnen komen, dit moest hij, tot zijn spijt, zelf inzien.

Maar Judy's honger! Geen eten gehad te hebben sedert gisteren morgen!

Hij herinnerde zich, zelfs nu nog met eene aandoening van pijn, het
afschuwelijke gevoel dat hij de vorige week gehad had, toen hij voor
straf zonder thee naar bed was gestuurd. Hij sloot de lippen vast
op elkander en zijne oogen straalden van de geestdrift, waarmede een
heldhaftig besluit hem bezielde.

In den zijmuur van het huis was het venster der provisiekamer;
dikwijls had hij er verlangend naar opgezien, maar hij had nooit
gewaagd er in te klimmen, want een vreeselijke, kruipende cactus wond
zich tegen den muur.

Maar nu, voor Judy, zou hij het doen of sterven. Hij liep om het huis
en naar het zijvenster; er was niemand te bespeuren, overal scheen het
even rustig. Martha, dit had hij gezien, was in de keuken bezig met
kooken, en het andere dienstmeisje witte de veranda aan de voorzijde
van het huis. Hij wierp een vastberaden blik op de groote, puntige
dorens, en klom in het volgende oogenblik tusschen hen door omhoog.

O, wat prikten en schramden zij hem! Zijn eene arm gaapte met eene
groote wond, zijn linkerkous werd weggescheurd en een diepe roode
schram werd op zijn been zichtbaar, zijne handen bloedden en trilden
van pijn.

Maar hij had de vensterbank bereikt, en dat was zijn doel.

Hij schoof het kleine raam omhoog, en wrong met veel moeite zijn
dik lichaampje er doorheen. Toen kwam hij op eene plank terecht, en
liet zich van daar op den grond glijden. Hij had geen tijd om naar
zijne kwetsuren te kijken, slechts een weemoedige blik sloeg hij op de
breedste schram en begon toen naar proviand te zoeken. De provisiekamer
was merkwaardig leeg--geen bewijsje van cakes, geen hapje gelei, geen
gevogelte waar ook. Hij brak een groot stuk van een brood, en pakte
zorgvuldig wat boter in een courant. Er stond nog koud vleesch op een
schotel, hij sneed er een stevige homp van af, en vereenigde dit met
een stuk van een zandtaart tot een pakket. Hij borg dit alles in zijn
matrozenbuisje, en vulde zijne zakken met sinaasappels, geconfijte
citroenschillen, krenten en andere lekkernijen, die hij alle in
de stopflesschen vond. En toen maakte hij zich tot den moeielijken
terugtocht gereed.

Hij klom op de plank, stak zijn hoofd buiten het venster, en wierp
een wanhopigen blik op den cactus. En in het oogenblik, dat hij
nederknielde, weerklonk achter hem het geluid, dat een sleutel maakt,
als hij in een slot wordt omgedraaid.

Radeloos keek hij om zich heen,--daar stond Martha in de deur, en
tot zijn doodelijken schrik sprak zij met zijn vader, die zich in de
gang bevond.

"Ik zoek de arnica!" zeide de kapitein. "Naar alle waarschijnlijkheid
is zij in de provisiekamer, omdat ze daar niet hoort te zijn. Ik heb
haar in mijne slaapkamer op den schoorsteenmantel laten staan, maar de
een of ander schijnt noodig gevonden te hebben, er aan te komen. Waarom
kunnen jelui toch niet met je handen van mijne zaken afblijven?"

"En waarom zou ik haar ergens anders gezet hebben?" antwoordde
Martha. "Ik maak er mijn beslag niet mede aan, om het gebak luchtig
te doen zijn, ten minste in den regel niet."

Zij schudde het hoofd, en door deze beweging werd zij de kleine,
knielende, bevende gestalte bij het venster gewaar.

Nu was de deur maar half open, en haar meester stond juist op den
drempel, dus kon zij alleen van het schouwspel genieten.

Tweemaal opende zij den mond om te spreken, maar Bunby keek haar
zoo innig smeekend aan, dat zij hem weer sloot en zelfs de flesschen
op de plank naast de deur begon na te zien, om hem gelegenheid tot
ontsnappen te geven.

Nog ééne minuut en hij zou gered zijn geweest--nog ééne minuut en
hij zou midden tusschen de doornen van den cactus hebben gehangen,
die nu evenwel al het afschrikwekkende verloren hadden.

Maar het lot was hem niet gunstig. En dit kwam alleen, omdat Martha
Tomlinson's schoen een afgeloopen hak had. Toen zij zich omdraaide
glipte haar voet uit haar schoen, en om haar evenwicht te bewaren,
strekte zij eene hand uit. En toen zij de hand uitstrekte stootte
zij tegen eene kruik. En de kruik deelde den schok mede aan een
schotel. Deze sloeg om, en schoof de groote melkkan van de plank,
zoodat zij op den grond sloeg. Ik weet niet, of ge ooit beproefd hebt,
een planken vloer schoon te maken, nadat er melk op gevallen was, maar
in ieder geval ben ik er van overtuigd, dat ge u wel kunt voorstellen,
dat het een onaangenaam werk is, vooral als ge hem denzelfden morgen
pas duchtig geschrobd had. Men kan er zich dus eigenlijk niet over
verbazen, dat Martha, in hare groote woede over het ongeluk, zich
boos omwendde, en naar het kind wijzende, dat als versteend in het
venster zat, op wanhopigen toon vraagde, hoe de goede heiligen het met
dien akeligen jongen konden uithouden, haar geduld, in ieder geval,
was ten einde.

De kapitein kwam met een woedenden stap de provisiekamer binnen,
en commandeerde Bunby met luide stem, naar beneden te komen.

Het jongentje liet zich in hevigen angst op den grond glijden.

"Hij steelt en pakt overal wat weg, en hij liegt dat hij zwart
ziet!" zeide Martha Tomlinson, terwijl zij met een onvriendelijken
blik naar het ongelukkige kind keek.

Twee, drie, vier, vijf woedende tikken met de rijzweep, die de kapitein
in de hand had, en Bunby dook onder zijn arm weg en vluchtte huilende
de gang door en de achterdeur uit.

Hij liep over de grasvelden, en snikte bij iederen voetstap, maar
voelde zich tegelijkertijd door het verheffende gevoel bezield,
dat hij dit alles droeg terwille van een ander.

Had iemand hem dit vroeger voorspeld, dan zou hij het nauwelijks hebben
kunnen gelooven, dat hij ooit zoo iets edels volbrengen zou, en de
gedachte daaraan verzachtte de pijn, die de klappen en de schrammen
hem veroorzaakten. Hij beproefde zijn gesnik te onderdrukken, toen
hij het gebouwtje bereikte, en stopte zelfs voor dat doel eene handvol
krenten in zijn mond, voor hij er was aangekomen.

Maar het gezicht, dat weer te voorschijn kwam door het luik naast Judy,
was hoogst treurig, en droeg de sporen van tranen en van krabben.

Zij bewoog zich niet, hoewel hare oogen half geopend waren, en hij
knielde neer en raakte haar schouder aan.

"Hier breng ik je wat, Judy! Wil je nu niet iets eten?"

Zij schudde langzaam het hoofd.

"Neem wat koud vleesch, of wat rozijnen; ik heb ook geconfijte
citroenschil, als je daar soms meer zin in hebt!"

Zij schudde nogmaals het hoofd. "Neem alles maar weer mede weg!" zeide
zij zacht kermend.

Diepe teleurstelling was op zijn klein, verhit gelaat te lezen.

"En ik heb doodsangsten uitgestaan om het te krijgen! He, wat ben je
een akelig spook!" riep hij.

"Ach, ga heen!" kermde Judy, terwijl zij haar hoofd onrustig dan
naar deze, dan naar gene zijde bewoog. "O, wat doen mijne voeten mij
pijn! neen--mijn hoofd, en mijne zijde--o, ik weet niet wat ik heb!"

"Hier en hier heb ik slaag gehad," zeide Bunby, de plaatsen
aanwijzende, en met zijne mouw veegde hij de dikke tranen weg, die
hij om zijn eigen ongeluk geschreid had. "Die ellendige oude cactus
heeft me overal gekrabd!"

"Denk je, dat ik nog veel mijlen zal moeten afleggen?" zeide Judy,
en zoo vlug, dat de woorden in elkaar schenen te vloeien. "Ik heb
honderden geloopen, en ben nog niet thuis. Ik denk, dat het komt,
omdat de aarde rond is, en ik zal zeker spoedig het schoolhek weer
binnen komen!"

"Wees niet zoo idioot!" zeide Bunby knorrig.

"Ik kan er zeker en stellig op rekenen, nietwaar Marian, dat je er
nooit een woord van zult zeggen, ik vertrouw op je, en als je doet wat
je beloofd hebt, kan ik naar huis gaan en weer terug komen, en niemand
zal er ooit iets van weten. En leen mij twee shillings, wil je? Ik
heb niet veel geld meer. Bunby, egoïste jongen, haal mij toch wat
melk! Urenlang vraag ik je er al om, en je laat mij maar versmachten!"

"Eet wat vleesch, Judy!--ach Judy, wees niet zoo vreemd en onaardig,
ik heb werkelijk doodsangsten uitgestaan toen ik het voor je haalde,"
zeide Bunby, en beproefde met trillende vingers een stuk in haar mond
te duwen.

Het kleine meisje wierp zich op de andere zijde en begon weer te
kreunen.

"Zeven en zeventig mijlen," zeide zij, "en gisteren heb ik elf
geloopen, dat is dus elfhonderd zeven en zeventig--en zes den dag
daarvoor omdat ik eene blaar op mijn voet had--dat is elfhonderd
drie en tachtig. En als ik tien mijlen per dag loop, zal ik thuis
zijn in elfhonderd drie en tachtig maal tien, dat is duizend
en--en--hoeveel? hoeveel is het? Bunby, kind, kan je mij niet
zeggen hoeveel? Mijn hoofd doet te veel pijn om uit te rekenen
hoeveel jaren duizend en zooveel dagen in jaren zijn--dat is een
jaar,--twee jaar--twee jaar--drie jaar voor ik er ben. O, Pip, Meg,
drie jaar! O Esther! vraag hem, vraag hem of hij me niet wil laten
thuiskomen! Drie jaar--drie--drie!"

De laatste woorden werden bijna gillend uitgestooten en het kind
richtte zich op, en beproefde te loopen.

Bunby greep haar arm en hield haar vast.

"Laat me gaan, versta je mij niet?" zeide zij met heesche stem. "Zoo
zal ik er nooit komen! Drie jaren, en zooveel mijlen!"

Zij duwde hem op zijde en wilde over den zolder loopen, maar hare
knieën knikten en zij viel buiten kennis neer. "Meg--ik ga Meg
halen!" zeide de kleine jongen met trillende, angstige stem, en hij
gleed door de opening en spoedde zich naar huis.



HOOFDSTUK XI.

EENE VLUCHTELING.


Als een wervelwind stoof hij Meg's slaapkamer binnen. "Zij is in
het oude gebouwtje, Meg, en, zeker weet ik het niet, maar ik denk,
dat zij gek geworden is; en ik ben vreeselijk geslagen geworden,
en de cactus heeft me bijna heelemaal open gekrabd, en ik heb toch
niets gezegd. En nu wil ze niet eens eten. Zij is weggeloopen--ik
geloof zeker, dat ze gek is!"

Meg beurde haar bleek, ontzet gelaat van het kussen op.--"Wie dan
toch--wat--"

"Judy!" zeide hij, en barstte door overspanning in tranen uit. "Zij
is in het oude gebouwtje, en ik geloof, dat zij gek is geworden!"

Meg stond langzaam op, deed hare kleeren aan, en zelfs toen nog
niets van het avontuurlijke verhaal geloovende, ging zij met hem
naar beneden.

In de vestibule ontmoetten zij hun vader, die juist uit wilde gaan.

"Ben je weer beter?" zeide hij tot Meg. "Je hadt den geheelen dag in
bed moeten blijven, maar, misschien zal de lucht je goed doen."

"Dat denk ik ook," antwoordde zij werktuigelijk.

"Ik kom in de eerste uren niet naar huis--het zou zelfs kunnen zijn,
dat Esther en ik eerst morgen ochtend terug kwamen."

"Goed!" sprak Meg.

"Pas vooral op de kinderen, en wees zelve voorzichtig--en, dat is
waar ook, Bunby gaat vandaag zonder thee naar bed--hij zal niet van
honger sterven, daar ben ik zeker van."

"Goed!" zeide het meisje nogmaals, en zij kwam eerst tot het besef van
wat de laatste woorden beduidden, toen Bunby dicht bij haar elleboog
verbolgen: "Gemeen!" fluisterde.

Toen kwam de dogcart voor, en de kapitein vertrok tot hunne
onuitsprekelijke verlichting.

"Nu, wat is dit voor eene dwaze geschiedenis?" zeide Meg, terwijl
zij zich tot haar broertje wendde. "Het zal wel weer een van je
verzinseltjes zijn, kleine ondeugende jongen!"

"Kom maar mee!" antwoordde Bunby, en hij leidde haar door de
grasvelden. Halverwege ontmoetten zij Pip en Nell, die vroeger dan
plan was geweest van de vischvangst terugkwamen. Nellie keek treurig
voor zich, en liep op een eerbiedigen afstand achter haar broeder aan.

"Men zou even goed een phonograaf mee kunnen nemen als Nellie!" zeide
hij, een blik vol toorn op deze schuldige werpend. "Zij heeft den
geheelen tijd door gebabbeld, zoodat ik geen oogenblik kans had,
dat een visch zou aanbijten."

"Judy is thuis!" zeide Bunby, vol van het groote nieuws. "Niemand heeft
haar gezien behalve ik, ik heb mijn leven voor haar gewaagd door op
cactussen te klimmen en in vensters en wat al niet, en ik heb slaag
gehad van vader, maar ik heb toch niets verteld, nietwaar, Meg? Ik heb
haar hier in het oude gebouwtje ondergebracht, en heb vleesch en van
allerlei voor haar gehaald--kijk nu toch eens even naar mijne beenen!"

Vol fierheid toonde hij zijne schrammen, maar Meg ging haastig verder,
en Pip en Nellie volgden, een en al verbazing. Bij het gebouwtje
gekomen stonden zij stil.

"Het is een grap van Bunby!" zeide Pip verachtelijk. "Het is nog niet
de eerste April, mijn zoon!"

"Kom dan toch mee!" antwoordde Bunby, en klom omhoog. Pip volgde,
en stootte een zachten kreet uit; daarop klauterden Meg en Nell,
met meer moeite, naar boven, en toen was het gezelschap bijeen.

Judy was tot rust gekomen, en lag met wijd geopende oogen, moede,
naar de dakbalken te staren.

Zij keek hen glimlachend aan, toen zij zich allen om haar
schaarden. "Als Mahomet niet naar den berg wil komen..." zeide zij,
en hoestte toen twee of drie minuten lang.

"Wat ben je begonnen, Judy, zusjelief?" zeide Pip, met eene vreemde
trilling in zijne stem. Het gezicht van zijne lievelingszuster,
die mager, met holle wangen, uitgeput daar neer lag, greep zijn warm
jongenshart aan. Er kwam een nevel voor zijne oogen.

"Hoe ben je hier gekomen, Judy?" zeide hij, sterk met de oogleden
knippend.

En het meisje keek tot hem op met haar eigenaardigen, stralenden
blik. "Rijpaardjes houden ze er bij ons op school niet op na,"
zeide zij, "maar misschien dacht je, dat ik in een ballon hierheen
was komen drijven?"

Weer hoestte zij.

Meg viel op hare knieën en sloeg hare armen om haar klein, mager zusje.

"Judy!" riep zij. "O, Judy, Judy, mijn arm kind!"

Judy lachte even en noemde haar dwaas, maar weldra verdween die
opgeruimde stemming en begon zij zenuwachtig te snikken. "Ik heb zulk
een honger!" zeide zij ten laatste droevig.

Alle vier sprongen op, als wilden zij de gezamenlijke magazijnen van
Sydney leeg gaan dragen, om haar honger te stillen. Maar Meg ging
weer zitten en legde het hoofdje met de woeste krullen in haar schoot.

"Pip, ga jij naar huis," zeide zij, "en haal wijn en een glas, en in
den vliegenkast staat een gebraden kip; ik kreeg daar een gedeelte
van bij den lunch, en Martha zeide, dat zij het overblijvende zou
wegzetten, en dat ik het bij de thee kon krijgen; en kom gauw terug,
Pip!"

"Natuurlijk!" zeide Pip bij zich zelven, en hij vloog de trap af,
naar het woonhuis.

"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Martha, toen zij hem vijf minuten
later in de gang tegenkwam, en hij eene karaf van geslepen glas onder
den arm had, een wijnglas bij zich had dat hij met de tanden bij den
voet vasthield, en een schotel met koude kip in zijne hand droeg,
waarop ook nog een stapeltje boterhammen lag. "Wel heb ik van mijn
leven! En wat nu nog meer?"

"Loop naar je grootje!" zeide Pip, stormde haar in groote haast
voorbij, en maakte een omweg om naar het gebouwtje te komen, daar
hij dacht, dat zij hem wellicht bespiedde.

Hij knielde naast zijn zusje neer, en verkwikte haar met kleine
stukjes kip en teugen wijn, en streek over haar woesten haardos,
en noemde haar wel vijftig maal zijn liefste zusje, en smeekte haar
toch vooral nog een beetje te eten.

En Judy, die den blik der bruine, vochtige oogen boven haar,
opving, at alles wat hij haar gaf, hoewel het haar in het begin bijna
onmogelijk scheen. Zij zou hebben gegeten, al had hij haar olifantshuid
aangeboden, nu zij gevoelde, dat zij van dezen broeder meer hield,
dan van wien ook op de geheele wereld, en dat hij zulk een verdriet
had. En het voedsel deed haar goed, zij ging opzitten en praatte na
eene korte poos op geheel natuurlijken toon.

"Je hadt het heusch niet moeten doen, Judy, heusch niet! En wat vader
tegen je zal zeggen, nu, dat zullen we moeten afwachten."

"Hij zal er nooit iets van weten, dat ik hier ben," antwoordde zij
snel. "Ik zou het jelui nooit vergeven, als je het hem verteldet. Ik
kan maar eene week hier blijven. Ik heb alles uitstekend ingericht,
en ik zal op dezen zolder logeeren; vader komt hier nooit, dus ben
ik hier veilig, en jelui komt mij eten brengen. En na eene week"--zij
zuchtte diep, "moet ik weer weg!"

"Heb je werkelijk al die mijlen geloopen alleen om ons weer te
zien?" zeide Pip, en weer was er die vreemde trilling in zijne stem.

"Een paar maal onder weg heb ik kunnen sporen of rijden," zeide zij,
"maar overigens heb ik altijd geloopen, ik ben bijna eene week
onderweg geweest."

"Hoe heb je dat kunnen uithouden, Judy? Waar sliep je, wat at je?" riep
Meg uit, met groote droefheid.

"Dat ben ik bijna alweer vergeten!" zeide Judy, en zij sloot hare
oogen. "Ik heb aan kleine woningen om eten verzocht, en soms vraagde
men mij, of ik niet wilde blijven slapen. En dan had ik nog drie
shillings en zes pennies--daar ben ik lang mede toegekomen. Ik heb
maar twee nachten buiten geslapen, en toen had ik toch altijd mijn
manteltje."

Megs gelaat was bleek van ontsteltenis, bij het verhaal van haar
zusters avonturen. Zeker zou geen ander meisje dan Judy Woolcot op
het buitensporige denkbeeld zijn gekomen al die mijlen te voet af te
leggen met drie shillings en zes pennies in den zak.

"Hoe heb je het kunnen doen?" was alles, wat zij zeide.

"Ik was niet van plan geweest, den geheelen weg te loopen," zeide Judy
met een flauw glimlachje. "Ik had zeven shillings in een stukje papier
in mijn zak gestoken, evenals de drie shillings en de zes pennies,
en ik wist, dat ik daarvoor een heel eind zou kunnen komen met den
trein. Maar ik verloor het eene papiertje onder weg, en ik wilde daar
niet voor teruggaan, dus moest ik natuurlijk loopen."

Meg raakte hare wang even aan.

"Het is geen wonder, dat je zoo mager geworden bent!" zeide zij.

"O, Marian en ik hebben alles bedisseld!" zeide Judy, met een
glimlach. "Marian is mijn vriendinnetje en zij doet alles wat ik haar
zeg. En zij woont in Katoomba."

"Nu?" zeide Meg nieuwsgierig, toen hare zuster zweeg.

"Nu, zie je, heel veel meisjes op school hebben de mazelen, en dus
moest Marian thuis komen, want hare familie was bang dat zij ze ook
zou krijgen. En Marians moeder had mij gevraagd, een veertien dagen
mede te komen, en dus had Miss Burton aan vader geschreven en gevraagd
of ik mocht. En toen heb ik een brief geschreven en gevraagd, of ik
die veertien dagen niet liever thuis mocht komen."

"Daar heeft hij nooit iets van gezegd!" zeide Meg zacht.

"Neen, dat kan ik wel begrijpen. Nu, hij heeft terug geschreven
en antwoordde mij "neen" en haar "ja." En dus brachten zij ons op
een goeden dag naar den trein, en in Katoomba zouden wij afgehaald
worden. En toen wij onderweg waren, kwam ik plotseling op de gedachte:
"Waarom zou ik niet op mijn eigen houtje naar huis gaan?" Dus zeide ik
Marian, dat zij thuis moest vertellen, dat ik naar huis was gegaan,
en dat zij haar verhaal zoo moest inrichten, dat niemand er aan zou
denken, hierover aan Miss Burton te schrijven. En toen hield de trein
in Blackheath op, en ik sprong er uit, en zij ging naar Katoomba, en ik
kwam naar huis. Dat is de geheele geschiedenis. En dus, jelui begrijpt,
daar ik mijn geld verloren had, bleef mij niets over dan te loopen."

Meg streek over het stoffige, verwarde haar van haar zusje.

"Maar je kunt hier niet eene week lang logeeren!" zeide zij
bezorgd. "Door het slapen in de open lucht heb je je eene ernstige
verkoudheid op den hals gehaald, en ik ben er van overtuigd, dat je
ziek bent. Wij zullen alles aan vader moeten zeggen. En ik zal hem
verzoeken, je niet terug te zenden."

Judy vloog op, hare oogen fonkelden.

"Als je dat doet," zeide zij, "als je dat doet, dan loop ik van avond
nog weg naar Melbourne, of naar Jeruzalem, en dan kom ik nooit, nooit
weer terug! Hoe kom je daar aan, Meg? Nadat ik dit alles gedaan heb,
alleen maar opdat hij er niets van zou weten! O, hoe kom je er aan?"

Zij wond zich tot een hevigen toestand van overspanning op.

"Je begrijpt immers wel, Meg, dat ik eenvoudig morgen weer naar
school zou worden gestuurd. Is dat niet zoo, Pip? En op school zou
mij op den koop toe nog heel wat te wachten staan. Mijn plan is zoo
eenvoudig mogelijk. Ik heb hier eerst een week lang pret met jelui,
en dan ga ik weer terug naar school--jelui kunt mij allen geld leenen
voor den trein. Den 25sten ontmoet ik Marian in Katoomba; we zullen
samen terugkeeren en niemand zal ooit iets te weten komen. Die hoest
beduidt niets; vroeger heb ik ook altijd gehoest, en het heeft mij
nooit kwaad gedaan. Zoolang jelui mij genoeg eten brengt, en bij mij
komt, is alles in orde."

De rust en het voedsel en het zien der welbekende gezichten hadden
haar reeds goed gedaan, haar gelaat was minder spits, en een zacht
rose tintte langzaam hare wangen.

Meg had een beklemmend gevoel van verantwoordelijkheid, en zij achtte
zich verplicht, ten minste aan iemand het gebeurde te vertellen;
maar de anderen overreedden haar.

"Zoo laag zou je toch niet kunnen zijn, Meg!" had Judy met overtuiging
gezegd, toen zij gesmeekt had Esther alles te mogen vertellen.

"Zulk een flapuit!" had Bunby er toe gevoegd.

"Zulk een verachtelijk schepsel!" had Pip uitgeroepen.

En dus zweeg Meg, maar was buitengewoon ongelukkig.



HOOFDSTUK XII.

ZWIEP, ZWIEP!


Op den vierden dag van Judy's verblijf op den zolder, deelde Martha
Tomlinson haar kameraad en lijdensgenoot, Bridget, mede, dat zij
geloofde, dat de kinderen samen zwoeren om haar naar "den overkant"
te krijgen.

Bridget had dien nacht niet buitengewoon goed geslapen, en dus gaf zij
als antwoord de opmerking ten beste, dat zij veronderstelde, dat de
lieve jeugd haar daar wenschte te zien, waar zij ook behoorde te zijn.

Ik moet u misschien vertellen, dat "aan den overkant" hetzelfde
beduidde als Gladesville, en dat dit het Meer-en-Berg van Sydney is.

Verscheidene oorzaken hadden de ongelukkige Martha er toe gebracht,
aan zulk eene samenzwering te gelooven. Bij voorbeeld, toen zij
eens op een morgen Pips bed wilde gaan opmaken was de helft van het
beddegoed verdwenen. De witte sprei was netjes over de matras gelegd,
maar er was niets te bekennen van dekens, lakens of kussens. Zij zocht
op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen, ondervraagde de kinderen,
wendde zich zelfs tot Esther, maar de vermiste voorwerpen werden
niet gevonden.

"Een man met een broek van geribd fluweel zwerft hier iederen avond
om het huis!" zeide Pip, terwijl hij weemoedig naar zijn ontredderd
bed keek. "Het zou mij niet verwonderen, als die daar iets mede te
maken had."

Welke veronderstelling alles behalve aangenaam voor Martha was,
aangezien de man met de broek van geribd fluweel haar vurigste en
uitverkoren aanbidder was.

Den volgenden dag verdween de waschkom uit Megs slaapkamer, en
daarop een stoel uit de kinderkamer, evenals een vloerkleedje,
om niet te spreken van zulke kleine voorwerpen als een trekpot,
een spirituslampje, kopjes en schotels, een halve ham, en een volle
trommel met gembernootjes.

Dit alles verdroot Martha, want de voorwerpen schenen te verdwijnen,
terwijl de kinderen in bed waren; en hoewel zij hen verdacht, en
hen voortdurend gade sloeg, kon zij geen duidelijk bewijs van hunne
schuld machtig worden, en evenmin de drijfveer ontdekken, die er hen
toe zou kunnen brengen, het een en ander weg te nemen.

En telkens als er weer iets kwijt was, vraagde Pip of de in geribd
fluweel gekleede jongeling den vorigen avond in den omtrek van het
huis gezien was. En daar dit altijd het geval was, kon Martha niets
anders doen, dan met een toornigen blik op haar plaaggeest, de kamer
uitstuiven.

Op zekeren avond was de kleine schaaktafel uit de kinderkamer door
eene geheimzinnige macht weggetooverd.

Den volgenden morgen, toen Martha aan het vegen was, kwam Pip naar
haar toe, en deed, alsof hij in tranen zwom.

""Hoe lieflijk is het nederig viooltje!"" zeide hij met gebroken
stem. "Ach, Martha, Martha! nu eerst, nu je dagen bij ons geteld zijn,
zien wij in, welk een schat wij in je bezitten!"

"Ach, ga heen!" zeide zij, en sloeg naar hem met den steel van den
stoffer. "Ik denk er niet aan, heen te gaan, hoor! Als ik er niet meer
was, zouden jelui heelemaal uit den band springen. Neen, je bent nog
niet zoo gauw van Martha Tomlinson af!"

"Maar moet je dan niet naar hem toe gaan, Martha?" zeide hij
vriendelijk. "De inrichting van zijn huis moet nu wel nagenoeg compleet
zijn. Hij heeft wel is waar nog geen sauspan en geen strijkijzers, maar
overigens dan ook alles, Martha; en ik wil je nu ook wel vertellen,
dat ik van plan ben, je als huwelijksgeschenk een strijkijzer cadeau
te doen, dus behoef je niet te wachten, tot hij het is komen halen."

"Ga de kamer uit!" zeide Martha nog eens, terwijl zij den veger in
zijn gezicht duwde, en hem bijna in het stof deed stikken. "Je weet
van dwaasheid niet wat je zegt!"

Op den zolder in het gebouwtje ging alles naar wensch.

Eenige oude, tegen den muur opgehangen karpetten hielden den
tocht tegen. Judy's bed, zacht en warm, bevond zich in een hoek;
zij had een stoel om op te zitten, eene tafel om aan te eten,
zelfs eene waschkom. En zij had den geheelen dag gezelschap, ook
dikwijls den geheelen nacht. Eens was Meg weggeslopen, nadat zij de
deur harer slaapkamer afgesloten had, en had ook op het bed op den
zolder geslapen; eens was Nellie gegaan, en een anderen avond had
Pip een paar wollen dekens genomen en had hij zich zelf een leger
in het stroo gemaakt. Zij bezochten haar op alle uren van den dag,
en kropen de een na den ander, de krakende ladder op, wanneer zij
maar onopgemerkt konden wegkomen.

De gouvernante had toevallig veertien dagen vrij gekregen, om hare
zieke moeder op te passen, en dus konden de meisjes en Bunby over
al hun tijd beschikken. Pip ging laat naar school, en kwam vroeg
naar huis, en zocht van Esther briefjes voor den directeur af te
bedelen. Zelfs bleef hij eens stilletjes weg, en droeg de straf,
die hem daarvoor later werd opgelegd, met kalme gelatenheid.

Judy zag er nog altijd bleek en vermoeid uit, en haar hoest was
werkelijk onrustbarend; maar zij kreeg weldra hare oude, levendige
opgewektheid weer, en genoot onuitsprekelijk van haar avontuur.

Het eenige onaangename was de zeer beperkte ruimte van den zolder.

"Jelui moet het zoo inrichten, dat ik eene wandeling kan gaan maken,"
zeide zij op een morgen zeer beslist. "Ik ben er van overtuigd, dat
mijne beenen langzamerhand korter beginnen te worden, nu ik ze niet
meer kan gebruiken. Tegen het eind van de week zal ik vergeten zijn,
wat wandelen is."

Pip dacht niet, dat haar wensch vervuld kon worden; Meg smeekte haar,
zich niet bloot te stellen; maar Bunby en Nell waren vol geestdrift
voor het plan.

"Meg zou met vader kunnen gaan praten," zeide Bunby, "en Pip zou
den Generaal kunnen plagen, tot Esther niet meer uit de kamer zou
durven gaan, en dan konden ik en Judy gauw naar beneden klimmen en
een wandelingetje maken, en we zouden weer terug zijn, vóór iemand
iets gemerkt had."

Judy schudde het hoofd.

"Daar zou ik al zeer weinig aan hebben," zeide zij. "Als ik ga,
wil ik ook een tijdje in de vrije lucht blijven. Zouden we niet een
picnic aan den waterkant kunnen houden?"

"He ja, laten we dat doen!" riep Bunby, met stralende oogen.

"Ik geloof heusch, dat we het wel konden wagen, vooral daar het toch
ook Zaterdag is, en Pip niet naar school hoeft," vervolgde Judy, en in
hare gedachten spon zij het geheele plan uit. "Twee van jelui zouden
voor eten kunnen zorgen. Zegt Martha, dat jelui een picnic willen
houden,--zij zal blij genoeg zijn, dat zij niet voor het middageten
behoeft te dekken--en dan gaan jelui vooruit. Twee anderen kunnen op
wacht staan, om te zien, of er geen vijand te bekennen is, terwijl
ik naar beneden kom en door de grasvelden loop, en als we maar eens
om den hoek van den weg zijn, zijn we gered!"

Dit scheen alles zeer uitvoerbaar, en in zeer korten tijd waren alle
toebereidselen gemaakt. Pip stond op wacht bij het gebouwtje, en had
op zich genomen, Judy's uittocht te bewaken, Bunby was bij de veranda
achter het huis op post gezet, om uit te kijken en driemaal te fluiten,
als er eenig gevaar was.

Hij zou een kwartier, gerekend naar de keukenklok, wachten, en dan,
indien alles veilig was, den grooten theeketel en een brood medenemen,
en de anderen op den weg opvangen. Het was eene saaie bezigheid,
om daar te staan wachten, en, als een peinzende ooievaar, stond hij
op één been, en hield zich bezig met de gebeurtenissen der laatste,
veel bewogen dagen nog eens te overdenken.

Een gedrukte stemming had zich van hem meester gemaakt, maar hoe dit
kwam, kon hij moeielijk zeggen. Misschien bezwaarde hem de leugen, die
hij aan zijn vader verteld had, en waarover hij niet weer gesproken
had, omdat het paard leelijk hinkte, en hem de moed in de schoenen
zonk, elken keer dat hij aan de rijzweep van zijn vader dacht.

Misschien was het de reactie na de groote opwinding. Of het kon
een knagend gevoel van verongelijking zijn, omdat zijne dappere
daden ten bate van Judy bij de anderen zoo weinig bewondering
hadden ingeoogst. Zij schenen ze hem volstrekt niet aan te rekenen,
en lachten zelfs elken keer, dat hij er eene toespeling op maakte,
of de algemeene aandacht op zijne schrammen zocht te vestigen. Twee
of drie krabben op zijne beenen waren werkelijk leelijk genoeg,
en terwijl hij stond te wachten stroopte hij zijne kousen omlaag en
keek met medelijdende blikken en iets als een snik naar zijne wonden.

"Niemand bekreunt zich om mij!"--pruttelde hij, en eene traan--hij kon
ze altijd zoo gemakkelijk schreien--plaste neer op zijn uitgestrekt,
ontbloot been. "Judy houdt het meest van Pip, en hij is toch nooit op
den cactus geklommen; Meg denkt, dat ik altijd jok, en Nellie zegt,
dat ik te vies ben om met eene tang aan te raken--niemand bekreunt
zich om mij!"

Nog eene groote, dikke traan welde omhoog en viel toen neer.

"Heb je daar wortel geschoten?" vraagde eene stem.

Zijn vader, die in de opengeslagen veranda-deur stond te rooken,
had hem gade geslagen, en zich over zijne ongewone, groote kalmte
verwonderd.

Bunby schrikte op, en trok zijne kousen omhoog.

"Ik doe niets geen kwaad!" zeide hij treurig, na een poosje. "Niets
geen kwaad! Ik ga naar een picnic!"

"Zoo!" zeide de kapitein. "Je zaagt er uit, alsof je over het een of
andere nieuwe kattekwaad nadacht, of berouw had over een ondeugenden
streek--nu, wat is het geval?"

Bunby werd bleek, maar herhaalde, dat hij "niets geen kwaad deed."

De kapitein was in eene loome, plaagachtige stemming, en zijn dik
zoontje scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om hiervan
blijk te geven.

"Het zou wel goed zijn, als je eens hier kwaamt, en al het kwaad, dat
je deze week uitgevoerd hebt, opbiechtet!" zeide hij ernstig. "Ik ben
den geheelen morgen vrij, en het wordt tijd, dat ik je eens ernstig
onder handen neem!"

Bunby naderde de leuning van den hem aangewezen stoel, en werd witter
dan ooit.

"Zoo, nu kunnen we op ons gemak praten. Dus, Dinsdag heb je uit de
provisiekamer gestolen--dat is één misdaad," zeide hij om hem op weg
te helpen. "Ga voort."

"Ik heb niets anders uitgevoerd!" stotterde Bunby. Hij voelde, dat
het met hem gedaan was, en dat de geschiedenis van den cricketbal
ontdekt zou worden. Hij keek zelfs zenuwachtig rond, of de rijzweep
nergens te zien was. Ja, daar lag die van Esther met den zilveren
knop, achteloos op een stoel neergeworpen. Hij vond nog den tijd om
vurig te wenschen, dat Esther wat netter mocht zijn.

"Werkelijk niets, Bunby? op je woord?" zeide zijn vader op
indrukwekkenden toon.

"Ik w-was aan het knikkeren!" zeide hij met bevende stem. "Hoe zou
ik dus het paard hebben kunnen kwaad doen?"

"Het paard? Ha!"--riep zijn vader. Er ging hem een licht op, en zijn
gelaat werd zeer ernstig. "Wat heb je naar Mazeppa gegooid, waardoor
hij kreupel geworden is? Antwoord mij onmiddellijk!"

Bunby wierp een schuwen blik naar de zweep.

"N-n-niets,"--zeide hij--"h-heusch niets! Mijn c-c-cricketbal lag in
den stal. Ik was aan het knikkeren!"

De kapitein schudde hem even aan den arm.

"Heb je Mazeppa met den cricketbal gegooid?" zeide hij streng.

"N-n-neen, n-neen!"--fluisterde Bunby, wit tot in zijne lippen. Toen
overweldigde hem ten deele zijn berouw en hij voegde er bij: "Hij
rolde uit mijn z-z-zak, en M-Mazeppa kwam juist voorbij en st-stootte
er tegen met zijn poot."

"Zeg de waarheid of het zal je slecht gaan!"--zeide de kapitein,
opstaande, en Esther's rijzweep in de hand nemende.--"En dus--heb
jij Mazeppa kreupel gemaakt?"

"Ja!" zeide Bunby, en hij barstte in tranen uit, en wrong zich in
allerlei bochten, om aan de zweep te ontkomen.

Daarop, toen de slagen op zijne rampzalige schouders nederdaalden,
vervulde hij de lucht met zijn gewonen kreet van: "Ik heb het niet
gedaan, het was mijn schuld niet!"

"Jij verachtelijke schavuit!"--zeide zijn vader, toen hij een oogenblik
moest pauzeeren, daar zijn arm pijn deed van het slaan. "Ik zal dien
lagen geest van leugenachtigheid en lafheid uit je ranselen, en als
je niet verandert, zie ik je liever dood voor mij liggen!" Zwiep,
zwiep. "Wat moet er van je groeien?" Zwiep, zwiep. "Liegen omdat je
bang bent voor slaag!" Zwiep, zwiep, zwiep, zwiep.

"U slaat me dood, u slaat me dood! Ik voel, dat u me dood slaat!" gilde
het kind, en wentelde zich over den grond. "Ik heb het niet gedaan,
het was mijn schuld niet. Sla de anderen liever!"

Zwiep, zwiep, zwiep. "Denk je, dat de anderen zoo onbeschaamd
zouden liegen? Philip heeft nooit gelogen. Judy zou liever hare tong
afbijten." Zwiep, zwiep, zwiep. "Je gaat naar een picnic? Je kunt
op je kamer picnic houden tot morgen ochtend vroeg." Zwiep, zwiep,
zwiep. "Nu--maak dat je wegkomt!"

Meer had geen menschelijk wezen kunnen verdragen.

De laatste slag was eene ware marteling geweest voor zijne trillende
schouders en zijn gepijnigden rug. Hij dacht aan de anderen, die,
gelukkig en zonder zorg, daar buiten in den helderen zonneschijn op
weg waren naar de rivier, zonder het minste vermoeden van wat hij
doorstaan moest, en zijn hart scheen door de hevigheid van zijne
verbittering en zijne wanhoop te zullen moeten barsten. "Judy is
thuis!" zeide hij hijgend en hartstochtelijk. "Zij is in het oude
gebouwtje. Boe-hoe-hoe! Ze houden het geheim voor u! Boe-hoe! Zij
gaat naar den picnic, en zij is van school weggeloopen."



HOOFDSTUK XIII.

ONGENOODE GASTEN.


De kapitein liep langzaam door de grasvelden met zijn tuinhoed
achterover. Na het tooneel met zijn tweeden zoon was hij min of
meer vermoeid, en zijne oogen keken peinzend rond. Hij geloofde niet
aan de waarheid van Bunby's laatste mededeeling, maar toch vond hij
haar niet volstrekt onwaarschijnlijk, en daarom had hij een bezoek
aan het gebouwtje niet juist overbodig geoordeeld. Niet dat hij,
hoe dan ook, geloofde, zijne verbannen dochter daar te vinden, want
Bunby had immers gezegd, dat zij een picnic aan den waterkant wilden
houden? Maar hij dacht, dat hij misschien toch wel de eene of andere
aanduiding ontdekken zou. De deur van het gebouwtje sloeg open, en
het zonlicht stroomde naar binnen en bracht dwars door de ruimte een
balk van gouden stof aan.

Er was hier geen teeken van de aanwezigheid van bewoners, behalve
wanneer een haarlint van Meg en eenige sinaasappelschillen als zoodanig
beschouwd konden worden.

Hij zag de wrakke, eigengemaakte ladder, die tegen de opening in
de zoldering geleund stond, en hoewel hij over het algemeen meer
eerbied voor zijne ledematen had, dan zijne kinderen voor de hunne,
waagde hij er zich op. Zij kraakte geweldig, toen hij de bovenste
sport bereikt had en van deze op den zolder stapte.

Het been van een ham, eene doos met dominosteenen en een gebarsten
kussen lagen aan deze zijde van het schot, anders niets, dus ging
hij verder en keek over de schutting op den anderen zolder.

"Gezellig genoeg ingericht," mompelde hij. "Het zou mij niet kunnen
schelen zelf hier een tijdje te kampeeren," en het kwam zelfs bij
hem op dit te doen, en voor Judy "eene verrassing" te zijn, als
zij terugkwam. Maar hij verwierp dit plan als niet overeenstemmend
met zijne waardigheid. Hij herinnerde zich, dat hij in zijn huis
geruchten had gehoord van verdwenen huisraad en er kwam iets als een
glimlach om zijn mond, toen hij het oude tafeltje met de spirituslamp
en den trekpot er op, het beddegoed en de waschkom zag. Maar met
een strengen blik fronsde hij weldra het voorhoofd. Waren zeven en
zeventig mijlen geene voldoende hinderpaal voor Judy's ondeugende
plannen? Hoe durfde zij hem zoo tarten, zij een kind van dertien
jaar tegenover haar vader? Hij sloot de lippen onheilspellend vast,
ging weer naar beneden, en liep met zwaren tred naar huis terug.

"Esther!" riep hij met eene trillende stem onder aan de trap.

En: "Ik kom, beste man--één minuutje!" klonk het ten antwoord.

Een minuutje scheen ditmaal tien minuten te kunnen duren, en toen
kwam zij, de mooie jonge moeder, met haar lachend dik zoontje in hare
armen. Hare oogen keken zoo teeder en zacht, er lag zooveel liefde
in haar blik, dat hij zich ongeduldig afwendde; hij wist zeer goed
hoe het zijn zou; zij zou hem bedelen en smeeken, zijn dochtertje
te vergeven, als zij alles gehoord had, en wanneer zij er dan weer
stralend en liefelijk uitzag, als op dit oogenblik, zou hij haar
niets kunnen weigeren.

Een paar minuten stond hij in gepeins verzonken.

"Wat wilde je, John?" zeide zij. "En waar sta je aan te denken? Ik
heb juist een nieuw kiesje gevonden, kom eens kijken!"

Hij kwam, half onwillig, en voelde met zijn pink in het mondje van
zijn jongste zoontje.

Esther hield zijne hand vast, tot hij een zeer klein hard voorwerp
voelde. "Het derde," zeide zij trots, "vindt je het niet aardig?"

"Hum!" zeide hij. Toen bleef hij nog een oogenblik peinzen, en wreef
zich na eene minuut of twee in de handen, alsof hij zeer over zich
zelf tevreden was.

"Zet je hoed op, Esther, en kleed den Generaal ook aan," zeide hij,
terwijl hij vriendelijk een tikje gaf op het hoofd van dezen jongen
heer. "Laten we eene wandeling gaan maken naar de rivier; de kinderen
wilden ook aan den waterkant een picnic houden, en dus kunnen wij er
op rekenen, onderweg thee te krijgen."

"Dat is een heerlijk idee!" zeide zij, "vindt je ook niet, Bababsie,
vindt je ook niet, mijn kind?"

Zij riep Martha, die bezig was het salon te vegen, op de grondige
manier, die haar bijzonder eigen was, toe: "Wil je even den hoed van
den Generaal halen, Martha, den witten zonnehoed met de keelbanden;
hij ligt op mijn bed, denk ik, of op een stoel, of ergens anders--o! en
breng dan meteen mijn grooten hoed met de papavers mede!"

Martha ging, en kwam na eenig zoeken met de gevraagde kleedingstukken
terug.

En Esther zette den witten zonnehoed op haar eigen krullend, springend
haar en deed den Generaal kraaien van het lachen op zijne zitplaats,
op de tafel der vestibule. En toen drukte zij hem op het hoofd van
den kapitein, en zette diens tuinhoed op het kopje van haar zoon en
verscheidene minuten gingen zoo al vroolijk stoeiend voorbij.

Eindelijk waren zij gereed, en verlieten de vestibule.

"Jongeheer Bunby zit in zijne kamer opgesloten; je moogt er hem
op geene voorwaarde uitlaten, Martha!" zeide de kapitein onder het
heengaan.

"O, Jack!" riep Esther verwijtend uit.

"Laat het zijn zooals ik gezegd heb," sprak hij; "gun mij een weinig
vrijheid met mijne eigen kinderen, Esther! Hij is een leugenachtige
deugniet; ik schaam mij, dat ik hem mijn zoon moet noemen."

En Esther, aan de wankelmoedigheid van haar stiefzoon denkende, vond
geen bezwaar zich met de hoop te troosten, dat de straf heilzaam voor
hem zou zijn.

Zij liepen over een pad door het woud, dat den weg zeer verkortte,
en toen lag daar de blauwe, vriendelijke rivier voor hen, waarin de
zon flikkerende vlammetjes strooide.

"Daar zitten zij," riep Esther, "op de oude plaats! Zie je het
vuur, mijn ventje? zie je den rook, mijn lieveling? Zij zijn met
hun vieren--neen, met hun vijven! Wie is er dan bij?"--zeide zij
verwonderd, toen zij dichter bij de groep op het gras kwamen.

Voor zij genoegzaam genaderd waren om de gezichten te herkennen,
scheen de kring plotseling verbroken te worden.

Een van de leden keerde zich opeens af en vluchtte weg over het gras,
stortte zich in het dichte kreupelhout en verdween uit het gezicht
in minder tijd dan noodig is, om dit te vertellen.

"Wie was er bij jelui?" vraagde Esther, toen zij de kinderen bereikten.

Een oogenblik bleef alles stil, toen wierp Pip een paar takjes op
het vuur en antwoordde droog:

"Eene vriendin van Meg, een meisje met een hazenhart, die een
doodelijken angst heeft voor vader. Ik geloof, dat zij denkt, dat
militairen met scherp geslepen wapenen rondwandelen, en niets liever
doen, dan er op inhouwen!"

Hij lachte even, Nell gichelde zenuwachtig, en Baby begon te schreien.

Meg, bleek als eene doode, nam haar op en begon, om haar te bedaren,
haastig de geschiedenis van de drie beren te vertellen.

Esther keek min of meer verbaasd, maar dacht er natuurlijk niet aan,
eenig verband te zoeken tusschen de vluchtende gestalte en Judy.

En de kapitein scheen niets te zien of te merken. Hij lag op het
gras en liet den Generaal over zich heen klimmen; hij schertste met
Esther; hij vertelde verscheiden verhalen uit zijne jeugd, en scheen
zich geen oogenblik bewust te zijn, dat zijn gehoor onoplettend en
afgetrokken was.

"Hebben jelui geen thee gezet?" zeide Esther eindelijk. "Wij rekenden
er op, hier thee te kunnen drinken."

"Bunby is niet verschenen, en die zou de thee meebrengen!" zeide Pip
gemelijk. De buitengewone beminnelijkheid van zijn vader kwam hem
verdacht voor, en hij wilde zich niet voor den gek laten houden.

"Ach," zeide de kapitein ernstig, "dat treft slecht. Toen wij van huis
gingen, scheen Bunby niet al te wel te zijn, en er over te denken,
de rest van den dag in zijne slaapkamer door te brengen."

Pip stookte met kracht het vuur op, en Meg wierp een verschrikten
blik naar haar vader, die haar vriendelijk glimlachend aankeek.

Na een uur lang dezen gedwongen toestand gerekt te hebben, stelde de
kapitein voor, naar huis terug te keeren.

"Het begint koel te worden," zeide hij, "het zou me spijten voor het
nieuwe kiesje van onzen Generaal, als het zijn leven moest beginnen
met pijn te doen--laten we naar huis gaan, en daar zien, dat we
thee krijgen."

Dus namen zij de onaangeroerde manden in de hand, en de stoet zette
zich in beweging.

De kapitein wenschte, dat Pip en Meg met hem zouden loopen, en hij
zond Baby en Nell voor zich uit, ieder aan een kant van Esther,
die den Generaal afwisselend bij de hand had en droeg.

Dit richt hij zoo in, dacht de sluwe Pip, om te verhoeden, dat wij
nieuwe plannen smeden. En toen zij thuis waren gekomen, noodigde hij
hen allen uit in zijne rookkamer te komen, een cabinetje naast de
eetkamer gelegen.

Esther ging met den Generaal naar boven, maar de anderen volgden
zwijgend hun vader.

"Ga zitten, Pip, mijn jongen," zeide hij opgewekt. "Kom, Meg, maak
het je gemakkelijk, neem plaats in dien leunstoel. Nell en Baby kunnen
zich op de sofa zetten."

Gedwongen gingen zij op de plaatsen zitten, die hij hun aanwees,
en keken angstig naar zijn gelaat.

Hij koos eene pijp van het rek boven den schoorsteenmantel, voorzag
haar van een nieuw mondstuk, en vulde haar met zorg.

"Daar jelui je nu in het bezit hebt gesteld van mijne kamer," zeide
hij op hoogst aangenamen toon, "zal ik beter doen, met hier niet te
rooken. Straks kom ik terug en dan zullen wij wat praten. Ik zal eerst
maar eens eene pijp gaan rooken op den zolder van het gebouwtje. Voert
geen kattekwaad uit, terwijl ik weg ben!"

Hij stak een lucifer aan, hield dezen bij de tabak, en, zonder een blik
op de zwijgende kinderen geworpen te hebben, verliet hij de kamer,
en deed de deur achter zich op slot. Voor de tweede maal liep hij
door de grasvelden, en voor de tweede maal stootte hij de krakende
deur open. De sinaasappelschil lag op dezelfde plaats, waar hij haar
eerst gezien had, alleen was zij wat drooger en verschrompelder. Het
haarlint zat in juist denzelfden strik. De ladder kraakte op precies
dezelfde plaats, en het scheelde weer niet veel, of hij was, toen hij
de bovenste sport bereikte, er af gevallen. De dominosteenen lagen daar
nog altijd, het been van de ham en het kussen namen dezelfde plaatsen
in; het eenige verschil was, dat over het eerste nu een groot aantal
zwarte mieren kropen, en dat de wind met het kussen gespeeld had,
en de veeren naar alle kanten had doen stuiven.

Hij liep naar de andere zijde, niet zachtjes, maar met zijn gewonen,
vasten, militairen stap. Er bewoog zich niets. Hij bereikte het
beschot en keek er over heen.

Judy lag op het geïmproviseerde bed, in een diepen slaap verzonken,
uitgeput na hare snelle vlucht van den oever der rivier. Zij had een
rok van Meg aan, die haar buitengewoon lang en mager deed schijnen;
met verbazing vraagde hij zich, of zij zóó gegroeid kon zijn?

"Er zal geen einde aan de moeite en zorgen komen, die zij mij
zal veroorzaken, als zij groot geworden is!" zeide hij, halfluid,
met een gevoel van medelijden voor zich zelf omdat hij haar vader
was. En toen werd hij vervuld met wrevel en toorn, terwijl hij haar
daar bleef gade slaan, en zij zoo kalm voortsliep. Moest zij altijd
de verstoordster zijner rust zijn? moest zij hem altijd dwarsboomen?

"Judy!" zeide hij met luide stem.

De gesloten oogleden sprongen open, de nevel van slaap en vergetelheid
trok weg van de donkere oogen, en zij rees overeind, met doodelijk
ontsteld gelaat.

"Wat voer je hier uit, als ik vragen mag?" zeide hij, koud en hoog.

Een donkerroode blos kleurde hare wangen, haar voorhoofd, en verdween
toen weer, zoodat zelfs hare lippen wit werden, maar zij gaf geen
antwoord.

"Ik veronderstel, dat je van school bent weggeloopen," vervolgde hij,
op denzelfden koelen toon. "Heb je iets tot je verontschuldiging
te zeggen?"

Judy sprak noch verroerde zich, zij staarde hem alleen aan met even
geopenden mond.

"Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen, Helen?" herhaalde hij.

"Neen, vader," zeide zij.

Haar gelaat toonde een moeden, pijnlijken trek, die hem anders zeker
zou getroffen hebben, maar hij was thans te vertoornd, om dit op
te merken.

"Volstrekt geene verontschuldiging of geldige reden?"

"Neen vader!"

Hij ging terug naar het luik. "In anderhalf uur vertrekt een trein,
je reist daarmede van hier," zeide hij, met bedaarde stem. "Ik
zal maatregelen nemen om je op school te doen bewaken, nu ik zie,
dat je niet te vertrouwen bent. Je komt met Kerstmis niet thuis,
en waarschijnlijk ook niet met de zomervacantie!"

Dit was even goed als een doodvonnis. De zolder draaide voor Judy's
oogen in het rond, in hare ooren zong en gonsde het.

"Kom!" zeide de kapitein. Judy snakte naar adem, zij hijgde en begon
te hoesten.

Zij hoestte vreeselijk, haar tenger lichaam beefde. Dit duurde zoo
twee of drie minuten, hoewel zij den zakdoek voor den mond hield om
te beproeven, het hoesten tegen te gaan.

Zij was zeer bleek, toen zij tot bedaren kwam, en voor het eerst
merkte hij op, hoe hol hare wangen waren.

"Het is beter, dat je eerst mede naar huis komt," zeide hij minder
hard, "dan kunnen wij zien of Esther niet iets voor den hoest heeft."

En toen snakte hij op zijne beurt naar adem, en werd zijn gebronsd
gelaat vaalbleek.

Want roode, vreeselijke vlekken bezoedelden het wit van den doek,
dien het kind van haar mond had genomen.



HOOFDSTUK XIV.

DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER.


En dus werd er geen dogcart voor Judy ingespannen, zij werd niet
naar den trein gebracht, zij behoefde niet beschaamd onder haar
schoolkameraadjes terug te keeren, zij had niet het vooruitzicht van
lange maanden, die zonder vacantie voorbij zouden gaan.

Maar, in de plaats daarvan, een warm, zacht bed, en versterkend
voedsel, en vriendelijke woorden, en onafgebroken zorg. Want de
avontuurlijke tocht, de gebrekkige voeding, en de twee nachten in de
open lucht hadden het meisje inderdaad in een gevaarlijken toestand
gebracht. De eene long was ernstig aangedaan, had de dokter gezegd;
het was hem een raadsel, zeide hij tot hare huisgenooten, hoe zij
het nog zoo lang uitgehouden had; een gewoon meisje zou reeds lang
allen moed verloren, en zich te bed gelegd hebben. Maar hij zeide
dit, omdat hij den onbuigzamen geest en de vaste energie niet kende,
die Judy's voornaamste karaktertrekken waren.

"Hadt je in het geheel geen pijn?" vraagde hij, verbaasd door het feit,
zulk eene stemming en zulk een ernstigen toestand tegelijkertijd aan
te treffen.

"Jawel, soms in mijne zijde!"--antwoordde zij achteloos.--"Hoe lang
zal het nog duren voor ik op kan staan, dokter?"

Deze vraag stelde zij hem iederen morgen, hoewel, om de waarheid
te zeggen, zij met waren angst dacht aan het oogenblik, waarop zij
hersteld verklaard zou worden.

Zij gevoelde eene loomheid en moeheid in hare beenen, die haar
deed twijfelen, of zij ooit weer ver zou kunnen loopen, en een meer
bescheiden teeken van beterschap versmaadde zij. Buitendien bespeurde
zij eene knagende pijn onder de armen, en als zij hoestte, stond zij
de hevigste benauwdheid uit.

Toch was zij niet ziek genoeg om niet belang te stellen in alles, wat
er om haar heen gebeurde, en verlangde, dat de anderen haar zouden
vertellen, wat buitenshuis voorviel--wie het gelukkigst was geweest
bij het cricketspel, welke bloemen ontloken waren in het weelderige
hoekje van den tuin, dat haar toebehoorde, hoe vele eieren de kippen
per dag legden, hoe het met het aantal der Guineesche biggetjes en
der kanaries gesteld was, en welke schoenen of kleeren de nieuwe
jonge hond vernield had.

En Bunby bracht dikwijls zijne witte muizen en zijn blind marmotje
in hare kamer en liet de diertjes los over haar deken loopen, en Pip
zat meestal te timmeren aan een klein tafeltje dicht bij haar bed,
zoodat zij ieder nieuw werk kon zien en de vorderingen kon gadeslaan.

Meg, die haar omgang met Aldith bijna geheel verbroken had, wijdde
zich met hart en ziel aan de verpleging van hare zuster; zij gaf
haar allerlei kleine geschenken--een schoenentasch, met verschillende
afdeelingen, een zakje voor kam en borstel, met het monogram J. W. in
rose zijde daarop geborduurd, een klein werkmandje met naaldenboekje,
speldenkussen en verder toebehooren. Judy vreesde, dat zij na haar
herstel nu ook verplicht zou zijn netjes te worden.

Het genoegen, dat haar de geschenkjes blijkbaar veroorzaakten, deed
een geest van mededinging onder de anderen ontwaken.

Eens was Pip een geheelen dag onzichtbaar; eerst in den avond
vertoonde hij zich weer, en liep trots naar het bed. Hij had eene
kleine chiffonière gemaakt, waarvan drie laden werkelijk, hoewel met
groote omzichtigheid, geopend konden worden.

"Dit is niet voor poppenkleeren,"--zeide hij, nadat zij alle
gebruikelijke betuigingen van dankbaarheid uitgeput had,--"want ik
weet, dat je daar niet van houdt, maar je kunt er je kleine prullen
in bewaren--haarlintjes, naaigereedschap, er is plaats genoeg."

Zij hoorden een geluid, alsof op de gang iets voortgesleept werd, en
Bunby kwam de kamer binnen, achterwaarts loopende, en voortslepende een
vreemd voorwerp, dat uit vijf of zes aaneengespijkerde planken bestond.

"Dit is een stoel," verklaarde hij, en veegde de bewijzen van zijne
inspanning van zijn voorhoofd. "Ik zal er natuurlijk de een of andere
stof over spijkeren, zoodat je er niet door kunt vallen; maar ik dacht,
dat ik hem je nu wel eerst eens kon laten zien."

Er kwam een glimlach om Judy's lippen, maar zij dankte hem hartelijk.

"Ik wilde niet iets maken, waaraan je toch niets hadt, zooals Pip
gedaan heeft!" vervolgde het kleine ventje, en hij keek verachtelijk
naar de chiffonière. "Dit is iets wat je gebruiken kunt; als je
weer opstaat, dan kan je er bij den haard op zitten, Judy, en lezen
of naaien of iets anders doen. Je vindt dit ook mooier dan Pip's
cadeautje, is het niet zoo?"

Judy wist behendig beide partijen te vriend te houden, door hen te
vragen, de geschenken naast alle andere bij het hoofdeinde van haar
bed te plaatsen.

"Wat zal je veel mee te nemen hebben, als je weer naar school gaat,
Judy!" zeide Nell, terwijl zij de verzameling met een paar gehaakte
mofjes en een wollen poppenlijfje verrijkte.

Maar Judy keek haar slechts verwijtend aan, en lag het overige gedeelte
van den avond met haar hoofd naar den muur gekeerd.

Dit was het, wat haar al de veertien dagen van hare ziekte met angst
vervuld had--de gedachte aan de school in de toekomst.

"Wat zal er met mij gebeuren, als ik weer beter ben, Esther?"--vraagde
zij den volgenden morgen op gedrukten toon, toen hare stiefmoeder
haar kwam bezoeken. "Spaart hij heel veel slaag voor mij op? En moet
ik de eerste week weer terug?"

Esther stelde haar gerust.

"Deze drie maanden blijf je hier, en zeer waarschijnlijk de volgende
drie maanden ook, Judy! Hij heeft gezegd, dat je met een paar der
anderen naar buiten zult gaan, tot je weer geheel sterk geworden bent;
en onder ons gezegd, geloof ik, dat je wel nooit weer de kostschool
zult terug zien."

Toen deze vrees dus verdwenen was, ging Judy's gezondheid steeds
sneller vooruit, zoodat haar krachtig gestel zelfs den dokter
verbaasde.

Na drie weken liep zij weer door het huis, mager en met groote oogen,
maar vol grappen en vol ondeugende plannen. De visites van den dokter
werden gestaakt; hij zeide, dat tot nu toe alles naar wensch was
gegaan, maar dat zij in eene andere omgeving moest komen en eenigen
tijd geen zeelucht mocht inademen.

"Laat haar een paar maanden vrij in de buitenlucht loopen,
Woolcot!" zeide hij bij zijn laatste bezoek; "er is tijd toe noodig,
om al het gebeurde te boven te komen, en haar hare kracht en gezondheid
te doen herkrijgen."

"Zeker, zeker; ik zal haar naar buiten sturen!" antwoordde de kapitein.

Hij kon den schrik niet vergeten, die hem vijf of zes weken geleden
op den ouden zolder bevangen had, en zou er in toegestemd hebben haar
naar de Sahara te brengen, indien dit noodig geoordeeld was geworden.

De dokter had hem mede gedeeld, dat hare longen zeer gevaarlijk
aangedaan waren.

"Het is niet gezegd, dat zij aan tering moet sterven," had hij
gesproken, "maar er is altijd gevaar voor deze vreeselijke kwaal in
dergelijke gevallen. En de kleine Judy is zulk een wild rusteloos
schepseltje; alles wat zij doet, doet zij met hart en ziel, en zij
schijnt vreugde en leed duizendmaal dieper te gevoelen, dan andere
kalmere naturen. Zorg goed voor haar, Woolcot; zij zal eens eene
uitstekende vrouw worden--ja, eene buitengewone vrouw."

De kapitein rookte vier groote sigaren in de eenzaamheid van zijne
studeerkamer, alvorens hij kon beslissen, hoe hij het best "goed voor
haar kon zorgen".

Eerst bedacht hij, haar met Meg en de gouvernante voor eenigen tijd
naar de bergen te zenden, maar dan rees de moeielijkheid, dat de andere
drie in dien tijd geen onderwijs zouden genieten. Hij zou hen naar
school kunnen zenden of eene andere gouvernante nemen; zeker, maar dan
waren er weer de onkosten, die in overweging moesten genomen worden.

De meisjes alleen te laten gaan, daar kon geen sprake van zijn,
want Meg had, niettegenstaande hare zestien jaren, getoond, niet veel
meer dan een gansje te zijn; en op Judy moest toegezien worden. Toen
dacht hij er aan, dat Esther er ook niet zeer goed uitzag; Judy's
verpleging en de zorgen voor den Generaal bleken te veel voor haar
te zijn geweest, en zij was lang niet meer de stralende, bloeiende
Esther van vroeger. Hij wist, dat hij haar naar buiten moest laten
gaan, en het kind eveneens, natuurlijk.

En dan dacht hij weer aan de onkosten. En aan de andere kinderen.

Hij herinnerde zich, dat de Kerstvacantie niet meer ver af was; wat zou
er van het huis worden, indien Pip en Bunby en de twee jongste meisjes
konden doen en laten wat zij wilden, en niemand het opzicht hield? Hij
zuchtte diep, en klopte de asch van zijn vierden sigaar op het tapijt.

Toen kwam de brievenbesteller over het pad en voorbij het venster. Hij
keek glimlachend en raakte zijn pet aan met een vergenoegden blik. Het
was alsof hij wist, dat hij in een der brieven de oplossing bracht
van het raadsel, dat op het voorhoofd van den kapitein ontelbare
rimpels te voorschijn riep.

Een vijfde sigaar werd juist uit het kistje genomen, eene groeve
vertoonde zich boven de linker wenkbrauw, een steek van iets dat
zeer veel geleek op jicht gaf aanleiding tot een paar woorden "in
eene vreemde taal," toen Esther binnenkwam met een glimlach om de
lippen en een open brief in hare handen.

"Van moeder!" zeide zij. "Het schijnt, dat Yarrahappini haar te stil
begint te worden, en dus vraagt zij mij, of ik met den Generaal eenige
weken, bij haar kan komen?"

"Ha!" zeide hij.

Dit zou zeker een der moeielijkheden doen verdwijnen. Wel was het
landgoed zeer ver weg, maar, het was Esthers vroegere tehuis, en zij
had het niet weergezien sedert haar huwelijk. Daar zou zij zeer snel
weer sterk worden.

"O, en Judy ook!"

"Ha!" zeide hij.

Twee rimpels verdwenen van zijn voorhoofd.

"En Meg, omdat ik schreef, dat zij er bleek uitzag." De kapitein
legde zijn sigaar weer in het kistje. Hij vergat dat er iets bestond,
wat jicht heette.

"De uitnoodiging kon nooit beter te pas zijn gekomen!" zeide hij. "Neem
haar onvoorwaardelijk aan; niets kon beter geweest zijn; en het is
een buitengewoon gezond klimaat. De andere kinderen kunnen--"

"O, vader vooral wenscht, dat Pip ook zal komen, omdat hij zulk een
flinke jongen is."

"Op mijn woord, Esther, je ouders hebben harten vol ware
menschenliefde. Is er nog iemand anders in de uitnoodiging begrepen?"

"Alleen maar Nell en Bunby en Baby. O, en moeder zegt, dat wanneer je
ooit lust mocht hebben, eenige dagen te komen jagen, je haar altijd
hartelijk welkom zult zijn."

"De gastvrijheid der squatters is wereldberoemd, maar dit overtreft
alles, Esther!" De kapitein stond op, en rekte zich uit met het
vergenoegde gelaat van een man, die zich verlost voelt van eene
nachtmerrie. "Neem de uitnoodiging onvoorwaardelijk aan--voor
allen. De gevolgen mogen zij zelf ondervinden; maar ik ben bang,
dat men op Yarrahappini treurige ervaringen zal gemaakt hebben,
eer de maand voorbij is!"

Hoe treurig deze ervaringen zouden zijn, kon hij toen in de verste
verte niet vermoeden.



HOOFDSTUK XV.

DRIEHONDERD MIJLEN IN DEN TREIN.


Zij vulden eene geheele coupé--wel was er nog eene plaats open, maar
men scheen niet begeerig die in te nemen, nadat men een haastigen
blik naar binnen geworpen had.

Daar zaten zij met hun achten, en alleen Esther was degene, die
toezicht hield--Esther in eene rose blouse, en met een matrozenhoedje,
met een gelaat zoo stralend en ondeugend als dat van Pip. De kapitein
had hen naar het station gebracht, en Pat zorgde voor de bagage. Hij
had de kaartjes genomen--twee gewone voor Esther en Meg, en vier voor
half geld voor de vier anderen. Baby werd zelfs niet met een kaartje
voor half geld voorzien, zeer tot hare eigen verontwaardiging--het
was eene beleediging voor hare vier en een half jaar, om voor niets
te kunnen reizen evenals de Generaal.

Maar de kosten van deze stukjes bordpapier hadden den kapitein zeer
ongelukkig doen kijken: hij kreeg niet meer dan achttien stuivers
terug van de tien pond, die hij gegeven had; want Yarrahappini lag
op de grenzen van het onbekende land.

Hij gaf de achttien stuivers uit aan geïllustreerde tijdschriften,
en uit de keuze van deze bleek wel, dat hij geen hoogen dunk had
van den letterkundigen smaak zijner familie; hij voorzag bovendien
Esther van een boekdeel in geel linnen gebonden, waarop eene dame
in het groen was afgebeeld, die in de armen van een heer, welke in
purper was uitgedost, flauw viel, en Meg met Mark Twain's "Springende
Kikvorsch," omdat hij in den laatsten tijd eene zekeren zwaarmoedigen
blik in hare oogen had opgemerkt.

Toen werd de bel geluid, een gefluit deed zich hooren, conducteurs
liepen in groote haast her- en derwaarts, en men nam afscheid,
vroolijk of treurig, al naar de omstandigheden.

Eene vrouw stond droevig te schreien op het perron, en een meisje
met vriendelijke oogen, vol tranen, leunde uit het venster van een
tweede-klasse coupé en sprak haar toe; daar was een squatter met
gebruind gelaat, die een pet van stof ophad, en eveneens stoffen
schoenen, en voor wie de driehonderd mijlen lange reis eene weinig
belangrijker gebeurtenis was, dan een maaltijd; en daar was de
jonge man, die voor zijne zaken op reis moest, en wien eene reis
naar Engeland weinig korter voorkwam, nu hij voor een geheel jaar
van zijne vrouw en zijn kind afscheid nam; en waggons, waarin dames
zaten, die weer naar de wildernis terugkeerden na hun jaarlijksch of
halfjaarlijksch bezoek aan de Sydneysche beschaafde wereld; en daar
waren de acht reizigers, die ons in het bijzonder interesseeren, en
die zich voor het portier en de vensters verdrongen, om den kapitein
nog eens toe te knikken, en vaarwel te zeggen.

Hij zag er volstrekt niet neerslachtig uit, toen de trein met veel
rumoer wegstoomde--met zwierigen stap wandelde hij het perron af, alsof
het vooruitzicht twee maanden als jonggezel te moeten doorbrengen,
ook wel zijne lichtzijde had.

Te half zeven in den namiddag vertrokken zij, en zij zouden in
Curlewis, het station, dat het dichtst bij Yarrahappini gelegen
was, ongeveer te vijf uur in den volgenden morgen aankomen. Nu het
gezelschap zoo talrijk was, kon er geene sprake van zijn, billetten
voor den slaapwaggon te nemen, maar in het koffernet lagen verscheidene
reisdekens, en twee of drie windkussens, bestemd voor hen, die zich
vermoeid mochten gaan gevoelen. Het denkbeeld, zoovele uren in den
trein door te brengen, was al de kinderen heerlijk voorgekomen; geen
enkele van hen behalve Judy had ooit verder dan veertig of vijftig
mijl ver gereisd, en het scheen hun buitengewoon verrukkelijk toe,
steeds voort te stoomen, als het donker, zou geworden zijn even goed
als bij daglicht.

Maar lang voor het tien uur in den avond was verloren hunne
droomen allen glans en alle bekoorlijkheid. Nell en Baby hadden eene
woordenwisseling gehad over het opblazen der windkussens, en waren te
moede en te kribbig, om weer vrede te sluiten; Pip had Bunby wegens de
eene of andere duistere reden een tik gegeven, en kreeg twee schoppen
terug; Judy had hoofdpijn, en het geraas was juist niet geschikt,
om die te doen verdwijnen; Meg was moe geworden van het staren naar
het duistere landschap, door hetwelk zij heengleden, en dacht er aan,
of Alan zou merken, dat zij nu niet meer op de stoomboot verscheen; en
de arme kleine Generaal vervulde de warme lucht met luide klaagtonen
over de raadselachtige behandeling, die hij onderging, en die hij
zich moest laten welgevallen.

Esther had hem zijne bovenkleertjes uitgetrokken, en een schilderijtje
van hem gemaakt, door hem een roomkleurig flanellen nachtjaponnetje
en een rose wollen jasje aan te trekken. En een half uur lang had
hij er zich blijmoedig in geschikt, dat hij van de eene hand in de
andere werd gegeven, geliefkoosd en gekust. Hij had zelfs toegelaten,
dat Nell in zijne rose teentjes een voor een beet, en een geruimen
tijd onzin praatte over kleine biggetjes, die naar de markt gingen,
en meer dergelijke dwaze dingen uitvoerde.

Hij had bijna niet tegengesparteld, toen er eene twist was gerezen
over het bezit van zijne persoon, en Bunby zich aan zijn hoofd en zijn
lichaampje had vastgeklampt, terwijl Nell heftig aan zijne beenen trok.

Maar na een poosje, toen Esther op een der banken een bedje voor hem in
orde gemaakt, en hem daarop had neergelegd, drongen de onaangenaamheden
die hem wachtten, tot zijn bewustzijn door.

Hij had thuis een wiegje, dat op een kleinen vergulden standaard
rustte, die hem altijd een lust voor de oogen was--hij kon niet
begrijpen, waarom hij dat moest ontberen, en genoegen nemen met een
driedubbel gevouwen reisdeken. Hij was buitendien gewend aan een
gedempt licht, eene stille kamer, en een waarschuwend fluisteren van
sst! sst! wanneer de een of ander zoo ver ging, geritsel te maken.

Hier flikkerde het groote, gele licht den geheelen tijd door, en elk
der luidruchtige familieleden, in wier handen hij zooveel moest dulden,
was niet verder dan een paar voet van hem verwijderd.

Dus verhief hij zijne stem en schreide. En toen hij tot de ontdekking
kwam, dat hij door schreien zijn wiegje niet kon terugkrijgen, evenmin
als de kleine, dansende kwasten van het muskietengaas, begon hij
twee tonen hooger, en toen zelfs op dat oogenblik Esther hem alleen,
om hem te bedaren, op den schouder bleef kloppen, barstte hij in een
oorverdoovend geschreeuw uit.

Nellie liet al hare lange krullen over zijn gezichtje dansen, om
zijne aandacht te trekken, maar hij pakte ze arglistig en trok er
aan, tot haar de tranen in de oogen kwamen. Esther en Meg zongen
wiegeliedjes tot haar keel haar begon pijn te doen. Judy probeerde in
de kleine ruimte met hem op en neer te loopen, maar hij hield zich
stijf in hare armen, en zij was niet krachtig genoeg om hem vast te
houden. Ten laatste viel hij van uitputting in slaap, diep snikkend
ademend en nu en dan een hikkend, droevig geluid makend.

Toen werd Bunby slapende op den grond ontdekt, met zijn hoofd onder
eene bank, en dus moest hij opgetild worden, en in eene gemakkelijker
houding neergezet; en Baby, die in een hoekje rechtop neerzat,
knikkebolde als een klein rose en wit meizoentje, dat door de
zonnewarmte bedwelmd is.

Een voor een verstreken de lange uren, steeds verder en verder stoof de
trein met zijne roode oogen door het stille, slapende land, zwaaiende
om reuzenbochten, langzamer zich tegen de steilten opwerkend, met
pijlsnelle vaart door de eindeloos zich uitstrekkende vlakte snellend.

De duisternis week voor een vaal licht, en mijlen lang verhieven zich
nu, eentonig, jonge gomboomen tusschen den trein en den hemel. De zon
verrees, en de aarde werd liefelijk en rozig, als een kind, dat uit
zijne sluimering ontwaakt. En toen kwamen de vale tinten weer terug,
de teedere, trillende lichteffecten verdoofden, en de regen begon
te vallen. Stroomen regen, die tegen de ratelende vensters sloegen,
voortgezwiept door een snijdenden morgenwind, die van de bergen kwam
gevlogen. En zij waren een afgemat, slaperig kijkend, neerslachtig
achttal, toen zij te vijf uur op het perron te Curlewis uit den waggon
stapten. Judy hoestte van de vochtige morgenlucht en werd snel naar
de wachtkamer gebracht en in een reisdeken gepakt.

En toen werden hunne koffers en valiezen uitgeladen en de trein
stoomde weer weg, en daar stonden zij nu treurig en verlaten te kijken,
want het scheen wel, dat er niemand was, die hen kwam halen.

Daar weerklonk het geluid van wielen, die door plassen rolden, het
knallen van eene zweep, den hoefslag van paarden en zij stormden
allen weer naar voren en keken over de witte paaltjes, die het perron
afsloten, naar den weg.

Zij zagen een groot, overdekt rijtuig, gemend door eene wijde, gele
olie-jas, die zeker het omhulsel was van een koetsier, en nog een hoog,
ander rijtuig, waarvan een zeer groote man afklom.

"Vader!"

Esther stormde naar buiten in den regen. Zij sloeg hare armen om
den druipenden regenjas en eerst na een paar minuten hief zij zich
weer op. Misschien was dit de oorzaak, dat hare oogen en wangen zoo
vochtig waren.

"Mijn klein meisje--Esther--kind!" zeide hij, en tilde haar bijna
van den grond op, toen hij haar kuste, hetgeen een zonderlingen
indruk op Meg maakte, in wier oogen hare stiefmoeder eene deftige
persoonlijkheid was.

Toen leidde hij hen allen snel naar de rijtuigen, vijf stapten in
het eene en drie in het andere. Zij hadden nog vijf en twintig mijlen
te rijden.

"Wanneer hebben jelui het laatst iets gegeten?" vraagde hij; het speet
hem de neerslachtige gezichtjes van de kinderen te moeten zien. "Moeder
heeft cakes en sandwiches voor jelui meegegeven, maar koffie of iets
anders warms kunnen we eerst krijgen, als we thuis zijn."

Esther vertelde hem, dat zij te Newcastle, om negen uur, het laatst
koffie gehad hadden, maar dat deze zoo brandend heet was geweest,
dat zij haar grootendeels niet hadden kunnen uitdrinken, en weer vlug
hadden moeten instappen. De zweep werd over de paarden gelegd en zij
vlogen over de modderwegen in een draf, dien Pip, niettegenstaande
zijne vermoeidheid, met genoeg bewonderen kon. Maar het was toch een
zeer onbehagelijke rit, en de Generaal schreide bijna onafgebroken
van het oogenblik van vertrek tot zij aankwamen, zeer tot Esthers
misnoegen, want zoo kon zijn grootvader, bij deze eerste kennismaking,
niet den besten indruk van hem krijgen.

Ten slotte, toen iedereen begon te gevoelen, dat zijn geduld uitgeput
raakte, verbrak een hoog wit hek de eentonigheid van druipend natte
heggen.

"We zijn thuis!" riep Esther vroolijk. Zij liet den Generaal op hare
knie dansen.

"Daar, van dat hek, viel mamaatje, toen zij drie jaar oud was,"
zeide zij, en keek er vol genegenheid naar, toen Pip het open wierp.

Nog eens ging het door den plassenden regen; de wielen rolden nu
zacht voort, want de weg was bedekt met natte, gevallen bladeren.

"Waar is het huis?" zeide Bunby, terwijl hij tusschen Pips arm die op
den bok zat, door keek; hij zag nog steeds niets dan eene eindelooze
laan van gomboomen. "Ik dacht dat je zeidet, dat wij er waren, Esther!"

"O, het woonhuis is niet zoo dicht bij het hek als op Misrule,"
zeide zij. En dit was inderdaad zoo.

Vijftien minuten gingen voorbij alvorens zij de schoorsteenen konden
ontdekken, toen moest er een tweede hek geopend worden.

Er vertoonde zich aan hun oog een goed onderhouden grintweg,
bloembedden met palmhegjes er om, een rijkdom van rozestruiken,
die vooral Meg verheugde, en twee geschoren, nu zeer natte
tennisgrasvelden.

En toen het huis.

De veranda trok al hun aandacht, want deze was zoo bijzonder groot,
zoo groot als eene gewone kamer, en er stonden sofa's en stoelen,
en tafeltjes hier en daar, hangmatten hingen in de hoeken, en eene
dichte, groene kruipende plant met verregende vlinderbloemen slingerde
zich tegen een buitenmuur.

"He!" zeide Pip. "He! wat ben ik stijf! Neen maar, wat begin je
daar nu?"

Want Esther had haar zoontje op zijn knie gezet, gleed uit het rijtuig
en liep de trap, die naar de veranda leidde, op. Daar stond een klein
oud dametje, met eene heel groot huishoudschort voor. Esther sloot haar
in hare armen, en zij kusten elkander en hielden elkander omstrengeld,
tot zij beiden begonnen te schreien.

"Mijn lief klein meisje!" snikte de oude dame, terwijl zij met bevende
hand Esther's natte haren en nog natter wangen betastte.

En Bunby, die ook dadelijk uitgestapt was keek van de slanke gestalte
zijner stiefmoeder naar het kleine figuurtje van hare moeder en lachte.

Esther snelde terug naar het rijtuig, nam den Generaal van Pip aan,
en, weer de treden opspringende, legde zij hem in haar moeders armen.

"Is hij niet een dikkertje!" zeide Bunby, deelende in haar trots. "U
moet eens naar zijn beentjes zien!"

De oude dame zat één oogenblik neer in den natsten stoel, dien zij
vinden kon, en drukte hem tegen zich aan.

Maar hij balde zijne verkleumde vuistjes, vocht zich vrij, en
schreeuwde om Esther.

Mr. Hassal had de rijtuigen nu ledig gepakt, en kwam de trap op.

"Zou je hun niet eens iets te eten geven, moedertje?" zeide hij,
en de oude dame liet in haar schrik haar kleinzoon bijna vallen.

"Ach! ach!" zeide zij, "waar zijn mijne gedachten? Wel, wel! Dat ik
daarvoor niet eerder gezorgd heb!"

Tien minuten later hadden zij allen drooge kleederen aan, en zaten
in de warme eetkamer met grooten eetlust te ontbijten.

"Wat had ik een honger!" zeide Bunby. Hij had den mond vol geroosterd
brood, en was bezig zijn vierde ei te openen, terwijl hij een schotel
in het oog hield, waarvan het eene gedeelte met honig, het andere
met geslagen room gevuld was.

"Die lieve oude borden!" Esther nam het hare op, toen zij het
leeggegeten had en keek vol liefde naar de blauwe rozen, die er op
geschilderd waren. "En als ik bedenk, dat den laatsten keer, dat ik
er van een at, ik..."

"Een bruidje was," zeide de oude dame, "en den sluier hadt je toen
weggeslagen, en iedereen keek naar je, want je sneedt de taart. Twee
zijn er sedert dien tijd maar gebroken--en, het is waar ook, Hannah,
het dienstmeisje, dat gekomen is na Emily, heeft den hengsel van het
suikermandje gebroken en een stuk uit de spoelkom geslagen."

"Waar zat vader toen?" vraagde Meg. In hare gedachten bevolkte zij de
kamer met bruiloftsgasten, de ham en de coteletten, het geroosterde
brood en de eieren en de schalen met vruchten, waren veranderd in
eene groote, hooge, witte taart met zilveren bladeren.

"Juist waar Pip nu zit," zeide mevrouw Hassal, "en hij hielp Esther
met de taart, omdat zij haar met zijn sabel sneed. Wat heb je toen
een groot gat in het tafelservet gemaakt, Esther, het was mijn beste
damasten met de convolvulus-bladeren, maar ik heb het natuurlijk
gestopt!"

Baby had haar kop omgeworpen, en de koffie liep nu over haar heen en
over haar bord en over Bunby, die naast haar zat.

Zij barstte in tranen uit van vermoeidheid, en omdat zij zenuwachtig
was door al het nieuwe, dat haar omringde. Zij gleed van haar stoel
en onder de tafel. Meg tilde haar op.

"Mag ik haar naar bed brengen?" zeide zij. "Zij schijnt doodelijk
vermoeid."

"Mag ik ook naar bed?" sprak Nellie, terwijl zij haar ontbijt verder
liet staan en haar stoel naar achteren schoof. "Ik heb zulk een slaap!"

"En ik dan!" Bunby at in vliegende haast alles wat op zijn bord lag
en stond op. "En die akelige koffie loopt in mijne laarzen!"

En dus, juist toen de zon begon te glimlachen en de tranen van den
hemel weg te jagen, gingen zij allen naar bed om de schade van den
onrustigen nacht in te halen, en het was zes uur en weer theetijd
voor een van hen de oogen opende.



HOOFDSTUK XVI.

YARRAHAPPINI.


Yarrahappini in den zonneschijn, dien zonneschijn, die den zilveren
draad van den thermometer tot 100° doet stijgen!

In de verte teekende zich aan drie zijden met eene zachte blauwe lijn
eene heuvelreeks met bosschen af. En in den omtrek van het woonhuis
waren de boomen krachtig en heerlijk groen, en de bloemen prijkten
met een rijkdom van kleuren.

Maar de vlakte, die zich daartusschen uitstrekte, was bruin. Haar
bedekte verzengd gras, hier en daar afgewisseld door een plek
vaalgroene halmen, terwijl kleine boschjes de ruggen der heuvels, die
eenige afwisseling brachten in de rechte lijn der velden, bedekte,
en weer in de hellingen verdwenen, waar gras en doorngewas welig
groeiden. Het hoofdstation bestond uit een klein dorp op den top
van een heuvel. Jaren geleden, toen Esther niet grooter was dan haar
kleine Generaal nu, had er alleen eene ruw getimmerde woning gestaan
op den heuveltop, met een paar hutten van boomschors als bijgebouwen.

En Mr. Hassal was van den morgen tot den avond in het zadel geweest,
en had harder gewerkt dan twee van zijne drijvers samen, en mevrouw
Hassal had hare liefhebberijen laten rusten, hare handwerken, hare
guitaar, haar schilderdoos, en had geschrobd en gekookt en gewasschen
als menige vrouw van een landbezitter vóór haar gedaan had, tot de
angstig verbeide wolmarkt hun betere dagen bracht.

Toen verrees eene groote, steenen woning juist tegenover het kleine,
oude buitenhuis met zijn door flesschen afgeperkt tuintje, waar
nooit iets aristocratischers te zien was geweest dan de snuitjes
van biggetjes en scharlakenroode geraniums. Het was een zeer mooi
buitenhuis, met eene menigte luchtige kamers, vele vensters en een
diepe veranda. Het kleine roode gebouwtje was keuken, buitendien
bevatte het kamertjes voor de twee dienstmeisjes, en aan het groote
woonhuis was het met eene overdekte gang verbonden.

Een honderd ellen ver weg stond eene woning, die twee vertrekken
bevatte, en bewoond werd door den zoon van een Engelschen baronet,
die tegen zeventig pond in het jaar en vrijen kost, de boeken van
Yarrahappini hield en het opzicht voerde over de magazijnen.

Nog wat verder stonden twee hutten van boomschors, zij waren tegen
elkaar aan gebouwd. Tettawonga, een oude, kromme inboorling, woonde
in de eene, en voerde weinig meer uit, dan rooken, en iederen morgen
vertellen, wat hij van het weer dacht. Twintig jaar geleden had hij
meegeholpen om een stevig fundament te maken voor het roode woonhuis,
dat geheel gereed gebouwd daarheen was gebracht op een grooten,
door ossen getrokken wagen.

Voor vijftien jaar had hij met zijn tomahawk een van twee
struikroovers, die zich in Yarrahappini poogden te nestelen, in de
afwezigheid van den eigenaar gedood, en had hij de kleine bevende
mevrouw Hassal en Esther naar eene veilige plaats gebracht, was
teruggegaan, en had den anderen een slag op het hoofd gegeven, die
hem bedwelmde, tot hulp kwam opdagen.

Zoo had hij zich natuurlijk een recht verworven op de hut en het
dagelijksch rantsoen en de pijp, die nooit van zijne lippen kwam.

Twee werklieden van de bezitting woonden in de andere hut, wanneer
zij niet uit waren naar veraf gelegen weiden.

Vlak bij het huis was een groot, waterdicht gebouw, met eene zware,
van een hangslot voorziene deur.

"O, laten we daar eens ingaan," zeide Nell, aangetrokken door de
grootte van het hangslot; "het ziet er uit als een huis, waarin
schatten geborgen worden, uit een boek. Mogen we er niet in,
grootmamaatje?"

Zij waren bezig alle gebouwen te verkennen--de zes kinderen in een
troepje, mevrouw Hassal, die zij allen "grootmamaatje" noemden,
zeer tot haar genoegen, en Esther met den jongen.

"Je moet het gaan vragen aan Mr. Gillet," zeide de oude dame, "hij
bewaart de sleutels van het voorraadshuis. Kijk, hij woont aan den
overkant in dat huisje naast het waterreservoir, en spreekt beleefd,
kinderen, alsjeblieft!"

"Zulk een beschaafd man," zeide zij zachtjes tot Esther, "zoo knap,
zoo welgemanierd, als hij alleen maar niet zoo dronk."

Meg en Judy gingen, met Baby achter haar aan rennende, zoo vlug als
hare korte beentjes het haar veroorloofden.

"Binnen!" zeide eene stem, toen zij klopten.

Meg aarzelde zenuwachtig, en een man opende de deur. Een groote,
magere man, met rustelooze, zwaarmoedige oogen, een bruin, breed
voorhoofd, en zorgvuldig geknipten baard.

Judy deelde mede, dat mevrouw Hassal hen gezonden had om de sleutels,
als hij er niet tegen had.

Hij verzocht haar binnen te komen en te gaan zitten, terwijl hij naar
het gevraagde zocht.

Meg was verwonderd over de kamer, gelijk hare blauwe oogen duidelijk
te kennen gaven, want zij had alleen maar van hem hooren spreken als
van den magazijnmeester. Er was een boekenrekje, waarop zij Shakespeare
en Browning en Shelley en Rosetti en Tennyson, William Morris en vele
anderen zag, waarvan zij vroeger nooit gehoord had. Er hingen aardig
in een lijst gezette photographieën en gravures van Engelsche en
Europeesche tafereelen aan de muren. Er was een klein geëmailleerd
zilveren vaasje op een hoekje, en eenige bloemen met lange ranken
bloeiden daarin. De tafel met de overblijfselen van het ontbijt er
op, was even keurig op kleine schaal als die, welke zij zooeven had
verlaten, in het groote woonhuis.

Hij kwam uit de binnenkamer terug met de sleutels. "Ik was bang, dat
ik ze op eene verkeerde plaats gelegd had," zeide hij. "De middelste
past op het hangslot, Miss Woolcot; de dikke koperen is voor de twee
kisten, en de lange stalen voor de kast."

"Dank u vriendelijk; ik vrees, dat wij u bij het ontbijt gestoord
hebben!" zeide Meg, terwijl zij opstond en eene kleur kreeg, omdat
zij dacht, dat hij hare verbazing over het boekenrekje had opgemerkt.

Hij deed, alsof hij hare verlegenheid niet merkte en hield de deur voor
haar open, met eene buiging, waar wel iets hoffelijks in was. Althans,
dit vond Meg, terwijl zij vol verbazing er over peinsde, hoe het
kon, dat men gezouten vleesch bij den centenaar en kisten vol meel
bezat. Hij keek haar na, toen zij over het gras liepen--ten minste
hij keek naar Meg in haar luchtig mousselinen japonnetje met licht
blauw ceintuur, Meg met haar strooien zonnehoed en haar glanzende
vlecht van kroezend haar, die tot op haar middel hing.

Judy's lange zwarte beenen en verkreukt batist kleedje hadden niets
schilderachtigs.

Mevrouw Hassal maakte het hangslot van het voorraadshuis open. Welk
een koor van "o's!" en "hè's!" rees er op uit de kinderen.

Baby had nog nooit in haar leven zooveel suiker bij elkaar gezien;
naar haar gezichtje te oordeelen, was zij wel gaarne een paar uur
alleen in deze groote kamer geweest.

En dan de krenten! Er was een groote houten kist boordevol--het
zouden wel ongeveer vijftig pond zijn, dacht mevrouw Hassal, toen
zij er haar naar vraagden.

Bunby nam stil een handvol weg en stopte die in zijn zak, terwijl
iedereen bezig was naar den berg van kaarsen te kijken.

"Zelf gemaakt, liefje, natuurlijk!" zeide de oude dame. "Wel, ik
zou er niet toe kunnen overgaan eene gekochte kaars te gebruiken,
evenmin als gekochte zeep!"

Zij liet hen de groote staven van zuiver ruikende, gele zeep zien,
en fijnere, lichter gekleurde voor de waschtafel.

Hammen en zijden spek hingen in groot aantal aan de balken. "Dit zijn
schapenhammen," zeide zij, wijzende naar een gedeelte. "Die heb ik
voor de drijvers."

Pip wenschte te weten, of het de bedoeling was, dat het magazijn hun
moest dienen voor hun geheele leven, er was genoeg; hij was verbaasd
te hooren, dat het iedere zes maanden opnieuw voorzien werd.

"Twintig tot dertig man, dat zijn dus de grenswachters en drijvers
op verschillende gedeelten der bezitting, en tweemaal dit aantal
in scheer- of drijfjachttijd, om niet te noemen de daglooners,
die iederen dag hier werken--het is, alsof men een leger voedt,
kinderen!" zeide zij. "En dan moest ik toch ook zorgen, voor jelui
allen genoeg voorraad te hebben--vooral voor Bunby."

Zij knipoogde schalks met hare kleine, grijze oogen, toen zij naar
dien kleinen jongen keek.

"U kan ze terugkrijgen," zeide Bunby, half pruilend. Hij haalde een
half dozijn krenten uit zijn zak te voorschijn. "Ik had niet gedacht,
dat het u iets kon schelen, bij zulk eene menigte; wij hebben maar
eene flesch vol thuis."

Waarop de oude dame hem op zijn hoofd tikte, een blik openmaakte,
en zijne handen met vijgen en dadels vulde.

"En moet u iederen dag voor al die mannen koken?" zeide Meg, benieuwd
welke keukenkachel daar groot genoeg voor zijn kon.

"Neen, schatje!" antwoordde de oude dame. "Wel neen! Iedere man
zorgt voor zich zelf in zijne eigen hut; zij krijgen zelfs niet eens
brood, alleen porties meel, om voor zich zelf hun twaalfuurtje te
bereiden. Ook geven wij hun eene bepaalde hoeveelheid vleesch, thee,
suiker, tabak, kaarsen, zeep en nog het een en ander."

"Waar bewaart u de wol en zulke dingen?" zeide Pip, wiens geest zich
verheven gevoelde boven de zelfgemaakte kaarsen; "ik kan geen enkele
loods of iets dergelijks ontdekken."

Mevrouw Hassal deelde hem mede, dat die op een mijl afstand stonden,
bij het riviertje, waar de schapen op een bepaalden tijd van het
jaar gewasschen en geschoren werden. Maar de hitte was te groot, dan
dat zelfs Pip verlangde, om juist nu er heen te gaan; dus namen zij
Mr. Hassal in beslag, verlieten grootmama met Esther, den Generaal en
Baby, en gingen naar de uit baksteen gebouwde stallen in de nabijheid.

Daar waren drie of vier voertuigen met kappen, maar in het geheel
geen paarden, deze waren verderop in de weiden. Zij liepen over het
grasveld den heuvel op. Een half dozijn paarden gaven gehoor aan een
eigenaardig gefluit van Mr. Hassal; de andere waren wilde, ongetemde
dieren, die de manen schudden en op het zien van menschen naar de
verst afgelegen gedeelten, waar de boomen groeiden, vluchtten.

Pip koos er een uit, een grijs, met lange harddraverspooten, en
een smallen mooien kop; hij was wat trotsch, dat hij verstand van
paarden had! Judy koos een zwart, met roodachtige, beweeglijke oogen,
maar Mr. Hassal stond het haar niet toe, daar het een wisselvallig
temperament had, en dus moest zij zich tevreden stellen met een bruin
diertje, met zachten, satijnachtigen neus.

Meg vraagde om een "heel erg mak" op fluisterenden toon, zoodat Judy
en Pip haar niet konden hooren, en kreeg een oud beestje, dat mevrouw
Hassal achttien jaar geleden gedragen had. Ieder dier was bestemd om
geheel ter beschikking te staan van het jonge volkje, gedurende hun
verblijf te Yarrahappini. Maar de ritjes moesten plaats hebben voor
het ontbijt of na de thee (werd hun gezegd), als zij er eenig genoegen
van verwachtten; het was anders te warm om paard te rijden. Nellie
was teleurgesteld in de schapen, uitermate teleurgesteld. Zij had
verwacht, groote, sneeuwwitte dieren te vinden, die tam zouden zijn,
en haar zouden toelaten, linten om hunne nekken te strikken, en hen
rond te leiden.

Van den heuveltop zag zij den volgenden morgen het eene omheinde
grasveld na het andere, elk met eene bruine, langzaam bewegende massa;
zij rende naar beneden, door den zonneschijn, met Bunby, om ze van
dichterbij te bekijken.

"O, hoe jammer!" riep zij uit, en ware tranen van teleurstelling
sprongen haar in de oogen, toen zij de groote, luie dieren met hunne
lange, vuile, gehavende vachten zag.

"Wacht maar een tijdje, vrouwtje!" zeide Mr. Hassal. "Wacht maar,
tot dat wij ze baden!"



HOOFDSTUK XVII.

DE RUNDEREN VAN YARRAHAPPINI.


    "De wilde stugge kudde te drijven in de omheining ...
    Met een loopend vuur van zweepen en vurig hoefgetrap ...."


Pip kan nauwelijks slapen op een nacht, een maand na hunne aankomst,
daar hij dacht aan de vee-drijfjacht, die op het programma stond voor
den volgenden dag. Hij was aan het zoeken geweest naar de eene of
andere nieuwe bezigheid, want hij was een jongen, voor wien afwisseling
het zout van het leven was. In het begin was hij er zeker van geweest,
nooit het konijnenschieten vervelend te gaan vinden. Mr. Hassal had
hem het "aardigste, bovenste beste geweertje" gegeven, en Tettawonga
was den eersten dag met hem uitgegaan, en had zijne opgetogenheid,
dat hij er twee geschoten had, met groote minachting bejegend.

"In de boschjes, konijn genoeg. Jager kan gaan naar het noorden,
naar het zuiden, jager kan gaan waarheen hij wil. Bah, ieder goed
prikkeldraad doet, elk goed vergif doet. Bah!"

Maar Pip kon niet zoo spoedig ontmoedigd worden en dacht werkelijk,
dat hij den Yarrahappinischen staat een groot voordeel gedaan had,
door die twee zachte, vlugge, bruine diertjes te schieten. Hij nam
ze mee naar huis, en liet ze vol trots aan de meisjes zien, maakte
zijn volkomen schoon geweer schoon, en ging den volgenden dag met
zijne uitvallen voort.

Tettawonga nam zijne pijp van zijne lippen, toen hij hem weer zag,
en lachte, een luiden, gichelenden lach, die Pip rood deed worden
van drift.

"Morgen en morgen weer! Konijn nu gauw weg gaat. Jongen komt met groot
geweer, konijn dadelijk bang is, gaat onder den grond. Ha, ha, hi, hi!"

Pip begreep zijn gebrekkig Engelsch genoeg om te weten, dat met hem
den draak gestoken werd, en zeide hem boos: "zijn zottepraat voor
zich te houden."

Daarop schouderde hij het geweer, waarop hij zoo overmatig trotsch
was, en ging naar den anderen kant van de prikkeldraadomheining,
waar het gelukkig jachtterrein was van het kleine knaagdier, dat
Mr. Hassal belette rijk te worden.

Hij schoot er dien dag vijf, den volgenden vier, den daarop volgenden
zeven, maar na een tijdje begon het hem te vervelen, en ging hij op
vogels jagen, met meer plezier, maar minder zekerheid van de vangst.

Iederen dag was tot aan den rand gevuld met genietingen, en was het
alleen maar niet zoo ontzaglijk warm geweest, dan zou die eerste
maand te Yarrahappini er een geweest zijn, van volkomen tevredenheid
en geluk.

En nu was er de vee-drijfjacht!

Het ontbijt werd op den morgen van de groote gebeurtenis zeer vroeg
gebruikt; tegen half zes was het reeds afgeloopen, en Pip, in een
koorts van rusteloosheid, vertelde aan Mr. Hassal, dat hij er zeker
van was, dat zij te laat zouden zijn, en alles misloopen.

Judy had ijverig gepleit, om toestemming te krijgen mede te gaan, maar
iedereen zeide, dat hiervan geene sprake kon zijn--het werd zelfs in
twijfel getrokken, of het verstandig was Pip toe te staan het gevaar
onder de oogen te komen, dat onafscheidelijk is van het drijven van het
wildste gedeelte der kudde, dat van veraf gelegen weiden was opgejaagd.

Maar hij had zoo naar den dag verlangd, en zich zoo doelmatig gekleed,
dat Mr. Hassal niet het hart had, hem thuis te laten.

Hij kwam naar beneden om te ontbijten in een baaien hemd en een oude,
saaien broek, om zijn middel vastgemaakt met een lederen gordel, in
welken een ontbloot dolkmes, pas geslepen, los weg was gestoken. Geen
overreding kon hem er toe brengen eene jas te dragen, noch het mes
in de scheede te bergen.

Het grijze paard werd om het huis naar de trap der veranda gebracht,
evenals Mr. Hassal's prachtig rijdier. Mr. Gillet zat op een goed
onderhouden appelschimmel; hij had drie zweepen met houten handvat,
twee van wel zestien voet lang, de derde was korter, en deze bood
hij Pip aan.

Het gelaat van den jongen gloeide. "Hoera, Fizz!" riep hij uit, en hij
stond in de stijgbeugels op en zwaaide de zweep om zijn hoofd. "Wat
zou je er voor geven, om van plaats te ruilen?"

Hij drukte de sporen in de zijden van het paard en stortte zich
holderdebolder in een wilden galop den heuvel af.

Het was anderhalve mijl naar de omheinde grasvelden voor de kudden,
en daar heerschte de grootste opgewondenheid.

Pip kon niet begrijpen van waar al die mannen gekomen waren. Er
waren wel twintig of dertig drijvers; scheerders, die niets te doen
hadden; twee inboorlingen, buiten Tettawonga, die rookte en slaperig
en vergenoegd toekeek, en verscheidene andere werklieden der bezitting.

Op het eerste omheinde grasveld waren vijfhonderd stuks vee, die
daar den nacht te voren in gedreven waren, en die nu den aanblik
van een zee van wildzweepende staarten en hoorns aanboden.--Wat een
hoorns!--groote, gekromde, angstverwekkende hoorns, waarmede zij
elkander openreten en woedend bevochten, daar zij zagen, dat zij niet
bij den gemeenschappelijken vijand konden komen.

In het eerste oogenblik voelde Pip zich een weinig afkeerig de veilige
plaats op den rug van zijn paard te verlaten. Het gedreun van de
hoeven en hoorns, de wilde aanvallen, gedaan door de wanhopige dieren
op de omheining, deden hem verwachten, deze iedere minuut krakend te
zien bezwijken.

Maar al de anderen waren gaan zitten op de bovenste dwarslat van de
omheining, en keken neer op de verwoede dieren; daarom maakte hij
ten slotte zijne teugels aan een boom vast en trad omzichtig vooruit,
om dit voorbeeld te volgen.

Op een plotseling signaal van Mr. Hassal lieten de mannen zich aan
beide zijden aan den binnenkant der omheining zakken. Het doel was
een tweehonderd stuks vee in de aangrenzende versterkte omheining, van
welke het hek wijd open stond, te drijven. Pip was hoogst verwonderd
over den moed der mannen; voor een oogenblik had zijn hart in zijn
keel geklopt, toen de eene stier na den anderen zich een weg door
hen trachtte te banen; maar de lucht weergalmde van zweepgeklap en
van het geluid van stokslagen, en het eene beest na het andere trok
naar het midden terug, den kop druipend van bloed.

Toen holde een ontzaglijk groot zwart dier, met een gebrul, dat
den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek;
de geheele kudde kwam achter hem aan. Bliksemsnel vormden de mannen
achter hen eene rij, schreeuwend, gillend, klappend met de zweepen,
om ze vooruit te drijven. Pip vloog op, en hitste ze aan, geheel
buiten zich zelven van opwinding. Toen hield hij zijn adem weer in.

Mr. Hassal en een van de inboorlingen slopen behoedzaam vooruit,
langs den doorgang, door welken de onstuimige stroom van hoorns en
ruggen zich stortte. Een half dozijn krachtige slagen van de mannen,
en de laatste aanvoerder deinsde één oogenblik achteruit, de troep
achter zich terugdringend.

In dit oogenblik hadden de twee mannen de sluitboomen dichtgeschoven
en de kudde was in twee gedeelten verdeeld.

Wederom twee rijen drijvers, zweepgeklap, gebrul, bloed, hoorns,
huiden, en hoeven in de lucht, en een veertig- of vijftigtal was
binnen de derde omheining geborgen,--eene lange, nauwe ruimte met
eene opening aan het eind, leidende naar de eindafdeeling.

Pip leerde van Mr. Gillet het doel van deze afscheiding: sommige
der dieren waren bijna waardeloos, men had hen aan een opkooper
toegewezen voor een paar pond het stuk, enkel de waarde van de hoorns,
de huid en het vleesch. Andere waren voortreffelijke, vette beesten,
gereed voor den slager en de markt van Sydney. En andere weer bleken
buitengewoon schoone dieren van groote waarde als fokvee, en moesten
in een afzonderlijk perk gebracht worden.

De man bij den laatsten doorgang verrichtte bet hoogst gewichtige werk
van het uitkiezen. Hij was gewapend met een korten, dikken stok, en
terwijl de andere mannen de dieren naar hem toe dreven, besliste hij
bliksemsnel tot welke klasse zij behoorden. Een hevige slag op den
neus, eene vlugge opeenvolging van harde slagen tusschen de oogen,
en het meest woeste beest deinsde verblind terug waarheen de drijver
het zond. Den geheelen dag werd het werk voortgezet, en juist toen
de groote, warme, purperen schaduwen schuin over de vlakten begonnen
te vallen, verzekerden zij den laatsten sluitboom, was het gevecht
afgeloopen, en waren de dieren in de voor hen bestemde perken.

Pip at genoeg gezouten vleesch en ander voedsel om hem half dood
te maken, dronk meer thee dan waarover hij ooit beschikt had op
één avond in al zijn veertien jaar, slingerde zich in zijn zadel,
daarbij den oudsten drijver zoo goed mogelijk nadoende, en bedacht,
dat als hij slechts eene zwarte, leelijke pijp zooals Tettawonga
en de andere mannen kon hebben, zijn geluk volmaakt en hij een man
geworden zou zijn.

Hij kwam thuis "zoo moe als een hond", en vermaakte zijne zusters en
Bunby met een levendig verhaal van de gebeurtenissen van den dag,
terwijl hij breedvoerig uitweidde over zijne eigen kracht en de
menigvuldige gevaren, waaraan hij ontsnapt was.

Den volgenden dag reden Esther en Judy met de anderen naar de omheinde
grasvelden om vee te zien wegdrijven.

De besten van het gedeelte, die Mr. Hassal alleen verlangd had af te
scheiden, niet te verkoopen, waren door het hek naar buiten gedreven,
terug naar hunne vroegere velden en weiden.

De "landopeters", een honderd vijftig stuks, met een half dozijn
drijvers, gezeten op de beste paarden der bezitting, die voor
hen uitgezocht waren, werden bevrijd uit hunne opsluiting, in een
toestand van waanzinnige woede, met veel geklap van zweepen en gegil,
samengedreven tot eene kudde, en over de vlakte voortgejaagd in de
richting van den weg. En een uur of twee later werd de beste troep
slachtvee weggeleid, en wederom heerschte er rust op Yarrahappini.

Gedurende de twee dagen van opwinding hadden alle kinderen omtrent
hunne toekomst een besluit genomen. Zij hadden allen beroepen gekozen
van landelijken aard.

Pip was van plan drijver te worden en vee te merken en kudden op te
jagen, zijn geheele leven door. Judy besloot zijn aide-de-camp te zijn
op voorwaarde, dat hij haar in het zadel liet blijven, en haar eene
even lange zweep als hij had, verschafte. Meg dacht, dat het haar wel
zou aanstaan, den rijksten squatter van Australië te trouwen, en den
Gouverneur en den Premier te logeeren te krijgen voor jachtpartijen
en dergelijke dingen, en bals te geven, waarheen alle menschen uit
honderd mijlen in den omtrek zouden komen. Nell besloot, dat zij zeep
en kaarsen, zoowel gekleurde als ongekleurde zou maken, als zij tot
de jaren des onderscheids zou gekomen zijn, en Baby had grooten zin
kampen vol lieve lammertjes te houden, die nooit schapen werden.

Bunby geraakte over geen dezer plannen in vuur.

"Ik zou liever willen zijn, zooals Mr. Gillet!" zeide hij, en zijne
oogen keken droomerig.

"Daar zou ik voor danken. Geen boeken en cijfers! Geef mij een gedeelte
van Salt Bush, en eenige duizenden schapen!" zeide Pip.

"Hoor hij, hoor hij!" riep Judy er tusschen.

"Ezels!" zeide Bunby op een toon van groote minachting. "Bewaart
Mr. Gillet niet de sleutels van het magazijn?--denk dan toch eens
aan de krenten en vijgen!"



HOOFDSTUK XVIII.

DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO.


Esther was naar een bal gegaan, niet in eene lichte japon met groote
pofmouwen, met lagen hals, verrukkelijk schoon onder haar châle en
kanten, niet door den duisteren nacht naar eene zee van licht en
liefelijke muziek.

Zij was gegaan, in het heldere licht van den morgen, in eene linnen
japon met lichtblauw overhemd, een matrozenhoedje, en eene reisvoile.

Onder den bok, waarop Mr. Hassal zat, stond eene doos, waarin zich
eene mooie japon bevond van lichtgele zijde, opgemaakt met luchtig
chiffon. En daar waren gele schoenen en kousen, een veeren waaier in
eene hoedendoos op haar schoot, en een keurige onderrok met sleep,
versierd met allerliefste strookjes, die Meg hartelijker dan ooit
deed verlangen, groot te zijn. Maar geen van deze dingen zou nog in
de eerste uren worden gebruikt.

Het bal had plaats in eene woning, die de kleinigheid van vijf en
vijftig mijlen ver van Yarrahappini gelegen was, en dus had zij
natuurlijk tamelijk vroeg moeten vertrekken, om zich op haar gemak
te kunnen "mooi maken" zooals Pip dit noemde.

De kinderen zouden, als eene vergoeding daarvoor, dat zij aan dit
genoegen geen deel konden nemen, onder elkander een buitengewonen
picnic mogen houden.

In de eerste plaats was de plek, die zij daarvoor uitgekozen hadden,
veertien mijlen ver; in de tweede plaats zou de reis daarheen niet
in alledaagsche rijtuigen of op gewone paarden gemaakt worden, maar
op een sleeperswagen, getrokken door een span van twaalf ossen.

Een grenswachter had gemeld dat een prachtige gomboom, dien zij lang
den Koning der Koree's genoemd hadden, door eene hevige windhoos
omgewaaid was geworden, en Mr. Hassal beval dadelijk dat, hoe groot
de moeite ook zijn zou, hij weggehaald moest worden om eene soort
van dam dwars door het riviertje te Krangi-Bahtoo, de plaats, waar
men den picnic wilde houden, te vormen. De gevallen woudreus lag
twintig mijlen van het woonhuis, en zes mijlen van Krangi-Bahtoo;
en de afspraak was, dat de wagen het gezelschap veertien mijlen ver
zou rijden, dan den boom zou halen, en hem bij het riviertje brengen,
waar hij voorloopig kon blijven liggen, en vervolgens de kinderen in
de koelte van den avond weer als rijtuig zou dienen.

Wanneer het niet zijn plan geweest was zijne dochter op het bal
te vergezellen, zou Mr. Hassal zelf gegaan zijn om een oog op de
werkzaamheden te houden. Nu vertrouwde hij echter den grooten kar
aan vier mannen toe, en gelastte hun, een paar helpers te gaan halen,
wanneer zij aangekomen zouden zijn.

Krangi-Bahtoo--of Eendenwater, zooals wij, minder welluidend, zouden
zeggen--was de naam van den oorsprong van het riviertje, dat den
grond uitholde en een poel vormde, tot het zich juist op dit punt
een weg begon te banen, tusschen steile rotsen door en losse steenen,
waar de kangoeroes dartelden en met de jagers verstoppertje speelden,
terwijl het beschaduwd werd door blauwe gomboomen en roode gomboomen,
die zich in den blauwen hemel daarboven schenen te verliezen.

Tettawonga had verteld van een geest, die daar woonde, waar het
borrelende water een vijver vormde, een diepen schoonen vijver,
welks oevers door fijne varens sierlijk omlijst werd, en welks
waterspiegel de zware, dichte boomen, die hem als met een gordel
omgaven, weerkaatste.

Het water had daar leven gebracht, de zwarte zwaan bouwde zijn nest
tusschen het grasachtige riet, de wilde eend nam in zig-zag lijnen
zijn vlucht. In de boomen huisden de orgelvogel, de glansspreeuw,
eenige soorten van paradijsvogels, en vervulden de lucht met geluiden,
hoewel dan ook niet met liefelijk gezang. En de bruine, de zwarte, en
eene menigte andere vergiftige slangen gleden kronkelend tusschen de
gevallen bladeren en het gras, en hielden zich gereed, elken indringer
te ontvangen. En zoo kwam het, dat er eene voorwaarde verbonden was
aan den picnic, die den kinderen overigens zoo van harte gegund werd.

Een ieder mocht medegaan, en mocht op den ossenwagen meerijden,
maar de picnic moest op eenigen afstand van het ravijn gehouden
worden en niemand had verlof zich daarheen te begeven, op straffe
van oogenblikkelijk terug naar Sydney gezonden te worden.

Zij beloofden allen, dit bevel te zullen opvolgen. Mevrouw Hassal,
nietig als zij was, verstond de kunst, zich onvoorwaardelijk te
doen gehoorzamen.

Toen werd er een ongelooflijk aantal manden, volgepakt met allerlei
heerlijke eetwaren, op den wagen gezet.

Mr. Gillet zou medegaan, om de kinderen niet geheel onder elkaar te
doen zijn, en om op te passen dat niemand een zonnesteek kreeg.

Hij had Heine in den eenen zak als voorbehoedmiddel tegen de
verveling, die deze lange, ongewone dag misschien zou meebrengen;
een zwaarlijvigen, uitpuilenden Tennyson in den anderen, en een
pak Engelsche couranten onder zijn arm, toen hij op den wagen klom,
waar alle zeven reeds gezeten waren. Alle zeven? Zeker.

Judy had zonder den Generaal niet van de partij willen zijn, en had
gezegd "met haar leven er voor te zullen instaan," dat hem geene
ongelukken zouden overkomen.

Mr. Gillet keek bijna verstoord, toen hij het geheele troepje aanwezig
vond, zonder dat de tot ondeugendheid neigenden thuis bleven, of iemand
anders buiten hem zelven mee ging, die eenig gezag kon uitoefenen. Een
oogenblik twijfelde hij, onder de gegeven omstandigheden, aan zijn
persoonlijk overwicht.

Judy ving den weifelenden blik op.

"U zegt bij u zelven een gedicht op, Mr. Gillet!" zeide zij.

"Ik?" sprak hij, en keek verwonderd. "Werkelijk niet. Waarom denkt
u dat, Miss Judy?"

"Ik kan het duidelijk hooren!" zeide zij. "Uwe oogen vertellen er van,
en uw linker oor, om niet te spreken van de punten van uw snor."

"Judy!" riep verwijtend Meg, die door de eene of andere omstandigheid
buitengewoon stil was.

Hij wendde voor, boos te zijn--sloot zijne oogen, hield zijn linker
oor vast, en bedekte zijn snor.

"Wat zouden ze kunnen zeggen?" sprak hij.


    ""O, dat ik was waar 'k wilde zijn!
    Dan was ik niet, waar ik nu ben;
    Maar waar ik ben, daar moet ik zijn,
    En waar ik 't wilde, kan ik niet."


Meg, ik verzoek je vriendelijk uit te scheiden, met op mijne teenen
te trappen!"

En zoo werd Mr. Gillet zelfs vroolijk en spraakzaam, om te toonen,
dat hij zich amuseerde, en de ossen werden aangestoken door den
opgewekten geest, die achter hen heerschte, en bewogen zich een klein
weinig sneller voorwaarts dan slakken. Toen zij ongeveer tien mijlen
ver gekropen waren, begon de langzame beweging en de hitte, die op
hen neerviel, hen een weinig te kalmeeren.

"Als er niet iemand is, die een liedje zingt, of een verhaal vertelt,
of iets voordraagt, of een grapje vertoont, dan stap ik uit en prik
de ossen met mijn hoedenaald!" zeide Judy.

Zij stond op om hare stijf geworden beenen te ontspannen, en poogde
zelfs een pas-de-seul uit te voeren, maar een gleuf in den weg was
oorzaak, dat aan hare bewegingen alle bevalligheid ontbrak. Zij viel
weer op den wagen neer.

"Hoe zou u het vinden, als ik u eens eenige gedichten voorlas, Miss
Meg?" zeide Mr. Gillet.

Zijne hand tastte naar zijn zak, de groote, zware Tennyson werd te
voorschijn gehaald; maar Judy en Pip en Bunby en Nell en Baby deden
een kreet van verontwaardiging hooren.

"Dan zou ik nog liever uit willen stappen en de ossen en alles
voortslepen!" zeide Pip; dus werd het boek weer weggeborgen.

"Een verhaaltje over het een of ander," zeide Judy,--"over een
koekoeboerra, als u niets beter verzinnen kan!"

Zulk een vogel--met een deftig, geheimzinnig uiterlijk--zat op
eene haag aan den kant van den weg, en zoo kwam juist hij Judy in
de gedachten.

"Wel, u zou een vervelender verhaaltje kunnen hooren dan dat wat ik ken
over den koekoeboerra, of goboerra of landmansklok--of hoe u hem wil
noemen," zeide Mr. Gillet, en streek peinzend langs zijn snor; "maar
eigenlijk is Tettawonga de man, om deze oude legenden te vertellen;
wat ik u zal mededeelen, is dus maar een verhaal uit de tweede hand,
en vrij vertaald."

Judy zette zich tot luisteren, en wiegde den Generaal heen en weer,
om hem stil te houden.

"Wacht even tot ik deze vrucht naar hem heb geslingerd"--zeide Pip,
haalde er een uit zijn zak, en verdreef den vogel van de haag. "Hij
mocht eens de leugens, die er over hem verteld worden, hooren en zich
gekrenkt gevoelen."

"Voor vele, vele jaren," Judy trok den neus op bij dit ouderwetsche
begin, "voor vele, vele jaren," zeide Mr. Gillet, "toen dit jonge land
nog jonger was, en onvergelijkelijk veel schooner, toen Tettawonga's
voorvaderen dapper en sterk en gelukkig waren als zorgelooze kinderen,
toen hun verschrikkelijkste droom hun nog nooit van een tijd had
doen droomen zoo verschrikkelijk als de blanke man over hun ras zou
brengen, toen--"

"O, spaar ons de inleiding!" pruttelde Pip ongeduldig.

"Toen," vervolgde Mr. Gillet, "om kort te gaan, een Gouden Eeuw dit
land in zijn zonneschijn hulde, spreidden een jonge koekoeboerra
en zijn wijfje de vleugels uit, en vertrokken naar de purperen
bergen aan gene zijde der gomboomen. Iederen nacht en iederen
dag hielden zij eenigen tijd rust, om zich met wormen, hagedissen,
boschmuisjes en rupsen te voeden, hetgeen toen het eenige voedsel was
der koekoeboerra's. Op een dag, toen zij over een bilwy vlogen--wat
een klein stroompje is, Miss Judy--waren zij zeer verschrikt, toen zij
een wipparoo--de naam, dien Tettawonga aan eene slang geeft, Pip--over
een steen zagen liggen. Hare kop was opgeheven, haar mond wijd open,
en haar nek zeer opgeblazen, en juist boven den kop van het monster
fladderde, angstig klapwiekend en piepend, een mooi klein vogeltje,
dat de koekoeboerra dadelijk herkende als zijnde de jeeda, het kleine
blauwe winterkoninkje.

"De wipparoo scheen al het mogelijke te doen, om het aardige kleine
diertje, dat van vrees en opwinding bijna uitgeput was, angstig
te maken. Het vloog steeds naderbij, staarde onafgebroken in de
glinsterende oogen der slang, en ten laatste, met een doordringenden
schreeuw, viel het hulpeloos in zijne gapende kaak. De koekoeboerra's
waren zeer bedroefd, toen zij het treurige uiteinde van de arme
jeeda zagen, en vlogen vlug weg uit het gezicht van de vreeselijke
wipparoo. Weldra zagen zij haar echter haastig door het gras glijden,
zonder twijfel op weg naar haar hol na het uitgezochte maal. Zij
kwam langs een blok hout, dat langzaam lag te branden, en zoodra de
wipparoo dit ontdekt had, legde zij zich, daar zij zeer moede was,
er naast neer, en sliep den slaap des onrechtvaardigen.

"In haar droom zag zij de jeeda weer boven zich fladderen, en
plotseling haar kop ver omhoogstrekkende, opende zij haar vreeselijke
kaken--toen eensklaps het mooie, blauwe vogeltje er zich uit bevrijdde,
en ongedeerd vlug weg vloog."

"Heb ik van mijn leven!" zeide Bunby. "Ga voort; die was nog handiger
dan Jonas!"

"De koekoeboerra's waren zoo verheugd, toen zij de wonderbare redding
van de jeeda zagen, dat zij in een luid gelach uitbarstten--de eerste
keer, dat een vogel gelachen heeft. Toen zonk de groote, roode zon,
die Tettawonga en alle Koree's, Euroka noemen, weg achter de oranje
getinte bergen, en de wereld werd grijs.

"Een slanke, jonge Koree, die kwam aanwandelen, zag de wipparoo, en
met een slag van zijn sterke nulla-nulla, dat, vertaald, een knots is,
scheidde hij haar kop van haar lichaam."

"Ik zou haar om mijn hoofd gezwaaid en haar rug verbrijzeld hebben,
zooals Tettawonga doet!" zeide Pip. "Weet u zeker, dat hij het ook
niet zoo deed, Mr. Gillet?"

"Daar zou ik niet gaarne een eed op moeten doen," zeide deze heer,
"aangezien de Koree het tijdelijke met het eeuwige verwisseld
heeft, en dus niet als getuige kan opgeroepen worden. En verder: de
koekoeboerra's sluimerden den geheelen nacht in een dichtbijzijnden
boom; maar toen de zon weer begon haar boog langs den hemel te
beschrijven, ontwaakten zij met een lach op hunne lippen--snavels
moest ik zeggen, Miss Judy--want zij dachten er aan, hoe de jeeda
aan de onbarmhartige wipparoo ontsnapt was. En sedert dien tijd,
zoo sterk werkte dit voorval op hunne lachspieren, bij zonsopgang
en zonsondergang, en ook wel eens tusschen dien tijd, barsten deze
vreemdsoortige vogels in het lachen uit, dat u allen goed kent, en
wanneer zij eene slang zien, pakken zij haar met hunne sterke bekken
en dooden haar, als de Koree deed.

"Miss Meg, die zilverachtig groene gomboom voor u, duidt Eendenwater
aan."

Wat waren zij verheugd eindelijk te kunnen opstaan en hunne ledematen
op den grond uitstrekken. Niemand van hen had gedacht, dat met een
ossenspan rijden zoo vervelend, saai en ongemakkelijk was, als het
na de eerste paar mijlen bleek te zijn.

Toen zette de wagen zijn weg voort.

"Ik ben benieuwd of zij terug zullen zijn vóór zonsondergang, als zij
niet wat vlugger voortmaken," zeide Mr. Gillet; "het is nu tijd voor
den lunch."

Zij bevonden zich op een groot grasveld, dat aan eene zijde plotseling
naar het ravijn en het moerassige land afdaalde, hetwelk bekend was
onder den naam van "Eendenwater."

Groote boomen wierpen hun schaduw aan den eenen kant, en langs den
anderen bevond zich de omheining van prikkeldraad, die aantoonde,
dat zij zich nog niet van Yarrahappini verwijderd hadden; verder op
stond de eenzame hut van een der drijvers.

Zij gingen gezamenlijk naar hem toe, om hem te spreken en om zijne
eenzame woning te zien, vóór hij zich bij de mannen met den kar zou
gevoegd hebben.

Zij kwamen in eene kleine kamer, met een grooten haard en een
schoorsteen, waaraan een pan, een ketel, een kop en een lepel
hingen. Er stond een leger in eenen hoek, met een paar blauwe dekens er
op, eene houten tafel en een stoel in het midden van het vertrek. Bij
den haard was eene ruwe kast tegen den muur bevestigd. Zij was van eene
oude zeepkist gemaakt, en bestemd, om levensmiddelen te bergen. Aan
een spijker in de lage zoldering hing een zak van muskietengaas,
en de gonzende vliegen, die hem omgaven, gaven te kennen, dat hij
vleesch bevatte. De muren waren behangen met menig nummer van Het
geïllustreerde Nieuwsblad van Sydney en De Courant voor Stad en Land,
een courant van een maand oud lag op den stoel, waar de eigenaar hem
had neergeworpen.

De drijver was eene studie in bruine tinten: bruine, droomerige
oogen; bruin, stoffig haar; eene bruine, door de zon uitgedroogde
en verschrompelde huid, een bruine, onverzorgde baard, eene bruine
broek van geribd fluweel, en eene bruine jas.

Zijne pijp was evenwel zwart--zij zag er uit, alsof zij minstens
twintig jaar was gebruikt geworden.

"Zou u niet liever dichter bij het woonhuis willen zijn?" vraagde
Meg. "Is het hier niet eenzaam?"

"Daar merk ik niets van," zeide de bruine man tot zijne pijp of
zijn baard.

"Wat voer je wel uit als je niet in de velden bent?" vraagde Pip.

"Rooken," zeide de man.

"Maar Zondags, en 's avonds?"

"Rooken," zeide hij.

"Op Kerstdag," zeide Baby, vooruitdringend om dezen vreemden man te
zien, "wat doet u dan?"

"Rooken," antwoordde hij.

Judy wenschte te weten hoe lang hij in het kleine huis gewoond had,
en allen stonden versteld toen zij hoorden, dat hij zeven jaar lang
daarin den meesten tijd had doorgebracht.

"Verleer je wel eens niet het praten?" zeide zij met eene stem,
waaruit schrik en verbazing spraken.

Maar hij antwoordde kalm zijn baard dat er toch altijd de kat was.

Baby had haar reeds gevonden onder de petroleum-aetherkan, die als
emmer dienst deed, en het dier had haar op drie plaatsen gekrabd:
bruin, als haar baas, had zij kwaardaardige oogen, groote snorren en
was mager als een hout; maar eene genegenheid, die reeds jaren bestond,
verbond die beiden.

Mr. Gillet deelde hem Mr. Hassal's verlangen mede, dat hij de andere
mannen zou vergezellen en bij den boom helpen.

Hij trok een bruinen hoed over zijn voorhoofd en begaf zich naar
den ossenkar, die den kronkelenden weg opgekropen was tot bij den
heuveltop.

"Water van de ton, is dichterbij dan de rivier!" sprak hij tot zijne
pijp voor hij heenging, en zij vonden zijn watervoorraad en vulden
hun ketel voor den lunch.

De gebraden kippen en eendvogels van mevrouw Hassal smaakten
uitstekend, hoewel de zon haar best deed, ze zelfs op de schotels
nog te braden. En de appeltaart en abrikozengebakjes verdwenen snel,
en van de vruchtensalade, welke uit twee hermetisch gesloten flesschen
te voorschijn kwam, bleef geen lepelvol over.

Mr. Gillet had alles medegebracht om een meelkoek te bereiden, op
uitdrukkelijk verzoek, en maakte na den lunch daartoe aanstalten,
opdat zij den koek bij hun thee 's middags zouden kunnen nuttigen.

De koek werd zonder twijfel bewonderenswaardig vlug klaar gemaakt.

Mr. Gillet schudde eenvoudig eenig meel uit een zak op een bord,
voegde daar een weinig zout en wat water bij; toen kneedde hij dit
alles, vormde van het deeg een koek, en legde dezen op de asch van
het vuur, waarna hij hem met de warme, witte asch bedekte.

"Hoe vies!" zeide Nell, en trok haar mooi neusje op.

Maar toen hij gaar was, en Mr. Gillet hem opnam en de asch
verwijderde--zie! toen was hij luchtig en licht en prachtig wit.

Dus aten zij hem, en spraken vol geestdrift af, bij iederen volgenden
picnic in de grasvelden van Misrule zulk een koek te maken.

Zij vulden twee borden met eetwaren en zetten deze in de kast van den
bruinen man en Mr. Gillet legde zijne ongelezen Engelsche couranten
op den stoel naast de kast.

"Die courant is een maand oud," zeide hij, ootmoedig, ziende dat Meg
voor de eerste maal dien dag, hem glimlachend aankeek.



HOOFDSTUK XIX.

EEN LICHTBLAUW HAARLINT.


    "Zij in haar maagdelijke schoonheid
      Als een heiligenbeeld zoo rein--
    Hoe zouden die smarten en zonden,
      Voor haar gevaarlijk ooit zijn?"


Aanleiding tot de omstandigheid, dat onze aanminnige, bleeke Margaret
karig met hare glimlachjes was geweest, had dezelfde man, die alleen
ze miste, gegeven.

Eene warme vriendschap was in deze maand ontstaan tusschen het kleine,
bevallige meisje, dat met zulke heldere, blauwe oogen eene toekomst
tegemoet zag, die, dit gevoelde zij, schoon moest zijn, en den man,
welke zooveel doorleefd had, welke terug kon staren op een verleden,
dat zwart en treurig was door zijne eigen schuld.

Hij reed iederen dag met de meisjes uit, omdat mevrouw Hassal het
niet aangenaam vond, wanneer zij verre afstanden alleen aflegden;
en daar Judy haar paard zelden stapvoets liet loopen, en Meg het hare
niet kon laten galoppeeren, was het natuurlijk, dat hij den geheelen
tijd door aan de zijde der bedaarde en vreesachtige rijdster bleef.

"U herinnert mij aan een zusje van mij, dat gestorven is!" zeide
hij eens langzaam tot Meg, na een vertrouwelijk gesprek. "Misschien,
als zij nog in leven was, zou ik nu niet zoo verachtelijk zijn!"

Megs gelaat overtoog een hoogroode blos, en pijnlijk ontroerd keek
zij voor zich. Het kwam haar vreeselijk voor, dat hij zou weten,
dat zij niet onkundig was van zijne afdwalingen.

"Wie weet, of zij niet om u lijdt!" fluisterde zij zoo zacht, dat
hij haar nauwelijks verstaan kon, en toen deed hare vermetelheid
haar verbleeken, en zij liet haar paard een weinig sneller loopen,
om hare verschrikte blikken te verbergen.

Op den terugweg viel het lichtblauwe haarlint, dat haar vlecht hield
samengebonden, op den grond. Hij steeg af, en raapte het op. Meg
strekte hare hand er naar uit, maar hij maakte den strik los, en wond
het langzaam om zijne groote hand.

"Mag ik het houden?" zeide hij met zachte stem. "Als mijn blauwe
lint? Ik ken de voorwaarden, waartoe men zich daardoor verbindt."

"Als u daaraan zou willen denken--o, als u dat wilde ..." zuchtte
Meg meer, dan dat zij het sprak. Toen kwam Judy aangegaloppeerd,
en zij reden alle drie naast elkander naar huis. Het maakte haar zoo
gelukkig gedurende de warme, lange dagen, die nu volgden; voor een
meisje, dat juist het leven binnentreedt, kan er geen reiner, dieper
gevoel van vreugde bestaan, dan dat wat haar geschonken wordt door
het bewustzijn, dat zij een invloed ten goede uitoefent op een man
of eene vrouw, ouder dan zij zelve, bezoedeld en levensmoede. Arme
kleine Meg! In hare liefelijke, zonnige droomen had zij haar grooten
protégé gezien als wederom zijnde een man onder mannen, met opgeheven
hoofd zijne plaats in de wereld innemende, terugkeerende naar het
moederland en de jonkvrouw afhalende, die volgens hare vruchtbare
verbeeldingskracht daar geduldig op hem wachtte; en, dit alles omdat
zij, Meg Woolcot, zich zijner had aangetrokken, en hem den weg had
gewezen, dien hij moest volgen.

En toen ging zij zich in een hangmat in de veranda aan de achterzijde
van het huis wiegen, en al hare luchtkasteelen stortten in, en kwetsten
en verwondden haar in hun val.

Achter haar bevond zich eene dichte kruipende plant, en door de takken
en bladeren heen kon zij Tettawonga hooren praten met de keukenmeid.

"Mr. Gillet weer aan den gang!" zeide hij, en grijnsde met den kant
van zijn mond, waar de pijp niet was. Meg hief zich in doodelijken
schrik op. Sedert zij te Yarrahappini was, had zij deze uitdrukking
te dikwijls met betrekking tot werklieden van de bezitting hooren
gebruiken, om niet te weten, dat daaronder een aanval van hevige
drankzucht verstaan werd.

"Goede hemel! Dat verwondert me niets!" zeide de dienstbode. "Hij is
den laatsten tijd veel te matig geweest; ik denk, dat hij geprobeerd
heeft nuchter te blijven zoolang de logés er zijn, maar dat kan hij
toch niet volhouden! Wie heeft nu de sleutels?"

"Mevrouw Hassal," zeide hij. "Jij haar gaan helpen--hij zal vandaag
wel niet naar de magazijnen omzien, Mr. Gillet--hi, hi, ha, ha!"

Dat was er dus met hem gebeurd in die drie dagen, gedurende welke
zij hem niet gezien had! Zij had gehoord, dat hij in opdracht van
Mr. Hassal naar de naastbijwonende buren gereden was, maar had er
niet aan gedacht, dat hem zoo iets zou overkomen zijn. Den vijfden
dag had zij hem in de verte gezien, eens, toen hij uit de magazijnen
kwam en eens toen hij buiten zijne eigen deur stond te rooken, en
geen van beide keeren had zij iets buitengewoons aan hem waargenomen,
alleen misschien, dat zijne schouders iets meer gebogen waren.

Den zesden dag had de picnic plaats.

Even luchthartig en vroolijk als de anderen kon zij niet zijn, nu zij
zoo teleurgesteld, nu haar vertrouwen in de menschen zoo geschokt was.

Wat was hij zwak, dacht zij; hoe karakterloos! Al haar medelijden
had plaats gemaakt voor eene jeugdige, diepe verontwaardiging.

Zij had hem ternauwernood hare hand gereikt, toen zij elkander in den
morgen ontmoet hadden, en was gedurende den langen rit opzettelijk
koud en uit de hoogte tegen hem.

Na den lunch geraakte het gezelschap verspreid. Judy nam den Generaal
en ging met hem naar den kant der boomen; Pip en Bunby hielden zich
bezig met sprinkhanen vangen; Baby en Nell plukten wilde bloemen. Meg
knielde neer om de lepels en vorken in te pakken en de overgeschoten
eetwaren weer in de manden te leggen, om ze voor de mieren te
beveiligen.

"Dat zal ik wel doen--u ziet er zoo warm uit, Miss Meg; blijf u maar
kalm zitten!" zeide Mr. Gillet.

"Dank u, ik wil het liever zelf doen," antwoordde Miss Meg, met
ijskoude kalmte.

Zij keek hem niet aan, maar hare lippen stonden zoo strak, dat hij kon
vermoeden hoe toornig de blik harer heldere, blauwe oogen zijn moest.

Hij bood niet nogmaals zijne diensten aan, maar bleef haar met eene
raadselachtige uitdrukking op het gelaat aan zitten staren, terwijl
zij het een en ander inpakte. Toen zij bijna gereed was, haalde hij
iets uit zijn zak te voorschijn.

"Dit moet ik u terug geven," zeide hij, en overhandigde haar het blauwe
lint, keurig opgevouwen, maar daar, waar het gestrikt was geweest,
kreukels vertoonende.

Zij nam het aan zonder hare oogen op te slaan, verkreukelde het in
hare hand, en stak het in haar zak.

"Ik had bijna gehoopt, dat u het mij zou hebben laten behouden,
ondanks alles"--zeide hij, "als een talisman voor de toekomst, maar
uwe lippen zijn te streng, Miss Meg, dan dat ik deze hoop langer zou
kunnen koesteren."

"Het zou even vruchteloos zijn, als het geweest is!" antwoordde zij
stijf. Maar hare handen bewogen zich zenuwachtig, en zij pakte de
resten van een ham en van een confiturentaart samen in een mand.

"Dus behoef ik mij geene illusies te maken?" zeide hij.

"Het zou tot niets leiden!" herhaalde Meg, terwijl zij sinaasappels
en bananen met eene verhoogde kleur opraapte.

Hij begrijpt niet, hoe slecht hij geweest is, hij denkt, dat alles
maar dadelijk vergeven en vergeten moet zijn, dacht zij.

Hij ledigde langzaam den trekpot op den grond, sloot hem met zijn
zwart geworden deksel, en bond er eene courant om heen. Toen keek
hij weer naar haar, en de wijze, waarop haar zijdeachtig haar op haar
voorhoofd viel, deed hem aan zijn gestorven zusje denken.

"Ik smeek u mij het lint terug te geven, Miss Meg!" zeide hij.

Megs hart en hoofd kampten een hevigen strijd; haar hart was gevoelig
en warm, en zeide haar, het lint te voorschijn te halen, en het hem
dadelijk te geven; het hoofd sprak, dat hij zwaar gezondigd had, en dat
zij hem haar misnoegen moest laten blijken, zelfs wanneer zij hem ten
laatste zijn verzoek zou toestaan. Het hoofd behaalde de overwinning.

"Mijn invloed is klaarblijkelijk vruchteloos,--dat eindje lint zou
in de toekomst toch niets baten!" zeide zij zeer koud.

Hij leunde tegen den boom en gaapte, alsof het onderwerp hem verder
geene belangstelling inboezemde.

"U heeft gelijk!" zeide hij.

Meg had min of meer een gevoel van verslagenheid.

"Als u werkelijk veel aan het lint gelegen is, kan u het natuurlijk
hebben!" zeide zij uit de hoogte.

Zij nam het uit haar zak, en reikte het hem toe.

Maar hij deed geene poging het aan te nemen.

"Behoud het en bind er uw haar weer mede vast, juffertje!" zeide
hij. "Inderdaad, ik geloof ook niet, dat het van eenig nut zou zijn."

Meg ging met gloeiende wangen voort, alles, op te bergen, en hij
stopte zijne pijp en rookte, en sloeg haar al dien tijd lui gade.

"Het is wel vreemd," zeide hij, meer alsof hij bij zich zelf eene
opmerking maakte, dan dat hij tot haar sprak, "maar de vrouwen,
die er het zachtst uitzien, zijn bijna altijd het hardst."

Meg opende haar mond om te spreken, maar vond geene woorden, dus
sloot zij hem weer, en begon voor de vierde maal Mevrouw Hassal's
vorken te tellen.

"Zou u het mij kwalijk nemen, Miss Meg, als ik u een raad gaf, in
ruil voor alles, wat u voor mij deed?" zeide hij, nam zijne pijp
uit zijne mond en keek naar het zilveren beslag, alsof hij de daarop
gegraveerde letters wilde ontcijferen.

"Zeker niet!"

Zij legde het pakje neer en keek met kalme, verwonderde oogen tot
hem op. "Zeg wat u wil, ik zal het gaarne aanhooren."

Hij ging rechtop zitten, en speelde met het uiteinde van een riem,
terwijl hij sprak.

"U heeft broers," zeide hij, "eens zullen zij dingen doen, die
minder goed zijn,--want alleen vrouwen als u, Miss Meg, en engelen
kunnen altijd het rechte pad blijven bewandelen. Wees niet te hard
voor hen. Doe geene poging, om hen het onderscheid te laten merken
tusschen uwe deugd en hunne verdorvenheid. Zij zullen het duidelijk
genoeg zien, maar het zal hun niet aangenaam zijn, als gij er hen
opmerkzaam op maakt. Wees vriendelijk en vergevensgezind--zij zullen
zich zoo rampzalig gevoelen, als ge maar kunt wenschen. De wereld
heeft een eigenaardigen afkeurenden blik, en een onuitputtelijken
schat van liefdelooze woorden--zou men niet kunnen volstaan, met er
haar het monopolie van te laten?"

"O!" zuchtte Meg. Hare wangen waren donkerrood, en alle hoogheid was
uit hare houding verdwenen.

Hij wond met groote zorg den riem om niets en ging met zachte stem
voort:

"Veronderstel, dat Pip den een of anderen dag iets zeer verkeerds deed,
en dat de wereld steenen op hem wierp, tot hij gewond en gebroken
was. En veronderstel, dat hij, diep treurig, thuis kwam bij zijne
zusters. En Meg, die alles wat slecht is, verafschuwt, werpt nog eenige
kleine steentjes op hem, opdat de pijn hem eene les zou geven, welke
hij niet meer zou kunnen vergeten. En Judy, die bedenkt, dat hij haar
broer is en verdriet heeft, slaat hare armen om hem heen, en spreekt
hem moed in, en helpt hem weer den strijd met de wereld beginnen, en
voegt hem geen hard woord toe, noch ziet hem met een boozen blik aan,
want zij denkt, dat die hem reeds genoeg worden toegevoegd. Welke
zuster denkt u, Miss Meg, zal den meesten invloed hebben?"

Meg's kleine, liefelijke mond trilde, hare oogen waren strak
neergeslagen, omdat de tranen er uit zouden gesprongen zijn, als zij
zou hebben opgekeken.

"O!" zeide zij nogmaals. "O, wat ben ik slecht geweest--o!"

Zij bedekte het gelaat met hare handen, want een der snel opgewelde
tranen trilde aan hare wimpers.

Mr. Gillet legde den riem en de pijp neer, en keek naar haar met een
zachten, teederen blik.

"Ik ben meer dan tweemaal zoo oud als u, Miss Meg, bijna oud genoeg om
uw vader te zijn,--u vergeeft mij, nietwaar, dat ik u dit alles heb
gezegd? Ik dacht aan mijn zusje, dat gestorven is. Ik had nog eene
zuster, die was een jaar ouder, maar zij was hardvochtig--ééns maar
ging ik naar haar toe. Zij is eene der beste vrouwen van Engeland
nu, maar hare woorden zijn streng. Mijne kleine Miss Meg, ik kan de
gedachte niet verdragen, dat u misschien ook hardvochtig zou worden."

Dikke tranen waren tusschen de vorken gevallen. Meg schreide, omdat zij
wel moest bedenken, welk een hatelijk schepsel zij was. Eerst had Alan
haar de les gelezen, en over zijn zusje gesproken, en nu ook deze man.

Hij gaf een verkeerden uitleg aan haar zwijgen.

"Ik heb het recht niet, zoo tot u te spreken, omdat mijn leven alles
behalve onbevlekt is geweest, dat denkt u op het oogenblik, nietwaar,
Miss Meg?" zeide hij zeer treurig.

Meg liet hare handen vallen.

"O neen!" zeide zij. "O! hoe kan u op die gedachte komen? Ik vind het
alleen zoo vreeselijk, dat ik zoo slecht geweest ben!" Zij greep in
haar zak en nam er het lint uit.

"Wil u het terugnemen?" zeide zij.--"O, neem het, ik gevoel me anders
zoo schuldig. O, ik bid u, neem het!"

Zij keek naar hem met vochtige, smeekende oogen, en strekte de hand
met het lint naar hem toe.

Hij nam het, streek het glad, en legde het in zijn zakboek.

"God zegene u!" zeide hij, en de toon waarop hij deze woorden uitte,
deed Meg snikken.



HOOFDSTUK XX.

JUDY.


Over het gras vloog eene kleine, lichte gestalte, Judy in een rose
japonnetje met hare woeste krullen dansende om haar gelaat.

"Wil u zoo graag een zonnesteek krijgen--waar is dan toch uw hoed,
Miss Judy?" vraagde Mr. Gillet.

Judy schudde hare donkere haren.

"Dat kan ik heusch niet zeggen," antwoordde zij,--"de Generaal wil
eene banaan, en als jelui alle sinaasappels opgegeten hebt, bezwijk
ik binnen de eerste vijf minuten!"

Meg schoof den mand met vruchten over het servet naar haar toe,
en beproefde hare oogen door den rand van haar hoed te verbergen.

Maar Judy's schitterende, donkere kijkers hadden de vochtige wimpers
op het eerste gezicht ontdekt.

"U heeft zeker allerlei domme gedichten zitten voorlezen, waardoor Meg
is gaan schreien!" zeide zij, met een uitdagenden blik van Mr. Gillet
naar het boek op het gras. "U beiden moest u schamen, hoort dat
nu thuis op een picnic? In ieder geval heeft het sinaasappelen
uitgespaard!"

Zij nam een half dozijn groote sinaasappelen uit den mand, evenals
vier of vijf bananen, en liep met vluggen tred terug naar de boomgroep,
waar de Generaal in zijn linnen jurkje, juist kon gezien worden.

Hij zat kalm in den grond te wroeten en de aarde in zijn kleinen,
rooden mond te stoppen, toen zij met de bananen terugkwam.

Hij keek met een allerliefsten glimlach tot haar op.

"Baby!" zeide zij, en wierp zich op hem in een van hare ontstuimige
buien van teederheid--"baby!"

Zij kuste hem wel vijftig maal; het gevoel van liefde, dat zij voor
dit kleine, dikke, vuile ventje koesterde, overstelpte haar somstijds.

Toen trok zij hem op hare knie en veegde met een punt van zijn jurkje
zooveel mogelijk de aarde uit zijn mond.

"Narna," zeide hij, zich losworstelende, tot hij weer op den grond
zat; dus ontdeed zij eene groote gele banaan van de schil, en gaf
hem die in zijne kleine hand.

Hij at er iets van, en kneep de rest stijf tusschen zijne handjes,
daarop keek hij er vol genoegen naar, hoe het moes in kleine,
op wurmen gelijkende rolletjes tusschen zijne dikke vingertjes te
voorschijn kwam.

Toen smeerde hij het in zijn gezichtje, en wreef het zelfs over zijn
haar, terwijl Judy met haar vijfden sinaasappel bezig was.

Dus moest zij hem natuurlijk klappen geven, omdat hij zoo vies was,
of voorwenden dit te doen, wat op hetzelfde neerkwam. En toen moest
hij haar slaan, hetgeen niet bij voorgewende klappen bleef.

Hij sloeg haar met een stok, dien hij bij zich vond, hij beukte op
haar gezicht en rukte aan haar haar en liet zich zelf telkens op haar
neervallen, en dit alles zoo vol ijver en met zulk een grooten ernst,
dat zij, ook wanneer hij haar werkelijk pijn deed, niets kon doen
dan lachen.

"Dood?" zeide hij ten laatste angstig. En zij begon luid te schreien,
het gezicht in de handen en met schokkende schouders, zooals het
voor eene boetvaardige berouwhebbende past. En toen sloeg hij zijne
armpjes om haar hals, en pakte haar, en zeide "Ju-Ju" met een gedempt
stemmetje, en klopte haar op de wangen, en gaf haar wel honderd stijve,
natte zoentjes met zijn open mondje, tot zij weer bijgekomen was.

Daarop speelden zij krijgertje, en de Generaal viel wel twintig maal
op den grond, en schramde zijne knieën en zijne handen, en hief zich
weer op, en waggelde weer verder.

Plotseling bleef Judy stil staan; een insect was bezig zich in
haar pols te boren. Alleen de twee zwarte pooten staken nog buiten
haar huid uit, en geruimen tijd trok zij en trok zij zonder eenig
gevolg. Toen brak het insect in tweeën, en zij moest de eene helft
laten waar zij was, in de hoop dat grootmama er haar later wel van
zou kunnen bevrijden.

Twee of drie minuten lang was zij bezig geweest met hare pogingen,
om het dier te verwijderen, en toen zij opkeek was de Generaal een
eindje verder, en liep weg zoo vlug als zijne kleine dikke beenen dit
toelieten, altijd denkende, dat zij achter hem aan kwam. Juist, toen
zij weer begon te loopen, keek hij om, met schitterende, ondeugend
kijkende oogjes, en een lachend gezichtje, dat o! zoo vuil was.

En toen--ach God!

Het is zoo hard dit te moeten schrijven. Mijne pen vertelde tot nu
toe slechts zonnige tafereelen, en nu!

"Jij kleine ondeugd!" riep Judy, en deed, alsof zij zeer vlug
liep. Toen scheen de geheele wereld voor hare oogen te draaien.

Een boom stortte neer, een van de zware, hooge stammen, die reeds
lang geene bladeren meer droegen. Hij had den geheelen dag staan
wankelen, door en door vermolmd; nu kwam een windvlaag opzetten,
die hem neerstrekte. Een woesten, schorren kreet stootte Judy uit,
toen snelde zij voort, met uitgestrekte armen op het kleine ventje af,
dat met lachende oogen en lippen vlak op zijn dood afliep.

De slag deed de boomen rondom schudden, de lucht scheen te splijten.

Zij hadden het gehoord--al de anderen--den wilden kreet, en toen het
dreunende gekraak.

Hoe trilden hunne knieën! hoe bleek waren hunne gezichten, toen zij
allen naar de plaats, vanwaar het geluid gekomen was, snelden.

Zij wentelden hem van de kleine lichaampjes af--den langen
zilverachtigen stam, waarop de gom droog en dood in streepen
kleefde. Judy lag met het gelaat naar den grond en uitgestrekte armen.

En onder haar lag de Generaal, een beetje verdrukt, hoogst verbaasd,
maar volkomen ongedeerd.

Meg sloot hem één oogenblik in haar armen, maar zette hem toen neer,
en voegde zich bij de anderen, die vlak om Judy stonden.

O dat kleine, donkere, stille hoofd, dat onbeweeglijke lichaampje in
zijn rose, verkreukt kleedje, die kleine, magere, uitgestrekte handen!

"Judy!" zeide Pip, met smeekende, hevig angstige stem.

Maar het eenige antwoord was de wind in de kronen der boomen en de
hijgende ademhaling der anderen.

Mr. Gillet begreep, dat hij handelend op moest treden. Hij ging met
Pip naar de hut van den drijver, en zij namen de deur uit hare lederen
hengsels en droegen deze de heuvel af.

"Ik zal haar optillen," zeide hij, en sloeg zijne armen om de kleine
gestalte, lichtte haar langzaam, langzaam, zachtjes op, en legde haar
op de deur met het gelaat naar den hemel gericht.

Maar zij kreunde--o, hoe kreunde zij!

Pip, die, bij het eerste teeken van leven zijn keel als het ware had
voelen dichtknijpen, kon zich bijna niet meer goed houden, toen deze
korte, jammerende tonen over hare lippen kwamen.

Zij hieven de draagbaar op, en brachten haar naar de kleine hut op
den top van den heuvel.

En toen sprak Mr. Gillet, buiten de deur, tot Pip en Meg, die beiden
verslagen, door den schrik geheel verdoofd, schenen.

"Het zal uren duren, voor wij hulp kunnen krijgen, en het is nu vijf
uur!" zeide hij. "Pip, er woont een dokter te Boolagri, tien mijlen
van hier. Haal hem--loop den geheelen weg door hard. Ik zal terug
naar huis gaan--dat is veertien mijlen. Miss Meg, ik kan niet in
een ommezien terugzijn. Ik zal een rijtuig halen, de ossenkar gaat
te langzaam, en schudt te veel, hij kan niet dienen, ook al kwam hij
dadelijk terug, U moet bij haar blijven, en haar water geven als zij
daarom vraagt--dat is alles wat u voor haar doen kan."

"Zou zij dood gaan?" zeide Meg.

Hij dacht aan alles wat zou kunnen gebeuren alvorens hij hulp bracht,
en durfde haar niet onvoorbereid achterlaten.

"Ik denk, dat haar ruggegraat gebroken is," zeide hij zeer kalm. "Als
dit zoo is, dan is er geene hoop meer."

Pip snelde den weg op, waarlangs hij den dokter bereiken kon.

Mr. Gillet gaf nog een paar aanwijzingen, toen keek hij naar Meg.

"Alles hangt van u af; u moet kalm en bedaard blijven!" zeide
hij. "Verleg haar niet, blijf gedurig bij haar."

Hij begaf zich naar den weg, die naar beneden leidde.

Zij vloog hem achterna.

"Zou zij sterven terwijl u weg is?--en er niemand anders dan ik bij
haar blijft?"

Hare oogen staarden hem woest, vol doodelijken angst aan.

"God weet het!" zeide hij, en ging verder.

Het kwam hem bijna te wreed voor, het jonge meisje alleen achter te
laten, haar alleen zulke vreeselijke uren te laten doorbrengen.

"Help mij, goede God!" steunde zij, terwijl zij terugijlde, maar niet
naar de zware, laaghangende wolken keek. "Help mij, goede God! God,
help mij, help mij!"



HOOFDSTUK XXI.

TOEN DE ZON ONDERGING.


Welk een zonsondergang!

Van af den voet van den met gras begroeiden heuvel strekte zich een
vurig roode hemel uit, met purperen donzige wolken, die in banken
boven elkaar gestapeld waren, tot waar de wegstervende gloed in het
verbleekende blauw wegsmolt. De boomgroep was zwart van kleur geworden,
en strekte sombere, roerlooze, scherp tegen den oranjekleurigen
achtergrond uitkomende armen uit. De wind was geheel gaan liggen,
en de lucht drukte op alles, warm en bezwaard met de beklemmende
vreemde stilte van het bosch.

En op den top van den heuvel, in de deur van de kleine, bruine hut,
hare wijdgeopende oogen naar den heerlijk schoonen hemel geslagen,
lag Judy te sterven. Zij was nu zeer rustig, hoewel zij druk gesproken
had--gesproken over allerlei. Zij zeide hun, dat zij volstrekt geene
pijn had.

"Maar ik zal sterven, als ik opgelicht word," zeide zij.

Meg zat naast haar, neergehurkt op den grond. Zij had hare oogen
niet van het gezichtje afgewend, dat daar lag op een kussen van
regenmantels, zij had hare bleeke lippen geen enkele maal geopend om
een woord te zeggen.

Daarbuiten stonden onbeweeglijk de ossen en hunne gestalten teekenden
zich tegen den hemel af.--Judy zeide, dat zij er uit zagen als
opgezette dieren, die gephotografeerd moesten worden. Zij glimlachte
daarbij even, maar Meg zeide: "O, doe dat niet!" en kromp ineen.

Twee der mannen waren weggegaan, om hulp te zoeken, die zij toch niet
zouden vinden; de anderen stonden op eenigen afstand, en praatten
met gedempte stem tot elkander.

Er was voor hen niets te doen. De bruine man had gesproken--iets wat
zelden gebeurde.

Hij had den Generaal in slaap gesust, en hem op het leger gelegd en
de blauwe deken om hem heen geslagen. En toen had hij warme, sterke
thee gezet, en had met tranen in zijne oogen de kinderen gevraagd,
daarvan te drinken, maar geen enkele wilde dit doen.

Baby was op den grond in slaap gevallen, hare armen stijf om Judy's
rijglaars geslagen.

Bunby stond, met eene uitdrukking van ontzetting op zijn bleek
gelaat, achter de draagbaar. Zijne oogen waren op het haar van zijn
zusje gevestigd, maar hij durfde niet naar haar gezicht kijken, uit
angst voor wat hij daar zou zien. Nellie was geen oogenblik kalm,
nu eens liep zij naar de haag en keek den weg af, waarover reeds de
schaduwen van den avond zweefden, dan wierp zij zich achter de hut
met het gelaat op den grond en riep: "Maak haar beter, God! God,
maak haar beter, maak haar beter! O! kunt ge haar niet beter maken?"

De schaduwen rondom de kleine woning namen diepere tinten aan,
de omtrekken der buffels waren niet meer zichtbaar, slechts eene
onduidelijke zwarte massa lag daar tusschen de hut en den hemel. Achter
de boomen verglom het vurige schijnsel; hier en daar waren nog gele,
lichtende vlammen, maar de gloeiende zonneschijf was weggedoken,
en de purperen, luchtige sluier zonk in het niet.

De kreet van een pluvier verbrak de stilte, wild, klagend, snijdend
was het geluid. Meg huiverde en ging rechtop zitten. Judy's voorhoofd
werd vochtig, zij sperde de oogen wijd open, hare lippen beefden.

"Meg!" zeide zij met eene fluisterende stem, die de lucht doorkliefde;
"o, Meg, ik ben zoo bang! Meg, ik ben zoo bang!"

"God!" zeide Megs hart.

"Meg, zeg iets. Meg, help mij! Wat wordt het al donker, Meg; Meg,
ik kan niet sterven! O, waarom komen zij nog niet?"

Nellie vloog weer naar de haag, om daarop te fluisteren:

"Maak haar beter, God--o, ik smeek u, God!"

"Meg, ik kan niets bedenken om te zeggen. Kan jij niet iets zeggen,
Meg? Zijn er geen gebeden voor de stervenden in het gebedenboek?--Ik
ben het vergeten. Spreek toch, Meg!"

Meg's lippen bewogen, maar het was haar niet mogelijk een woord
te uiten.

"Meg, ik ben zoo bang! Ik kan aan niets anders denken, dan aan "wat
wij eenmaal zullen ontvangen", en dat is vergiffenis, nietwaar? En in
het Onze Vader komt ook niets voor, dat mij kan helpen. Meg, ik wilde,
dat wij naar de Zondagsschool gegaan waren en daar van allerlei geleerd
hadden. Wat wordt het al donker, Meg! O, Meg, houd mijne handen vast!"

"In den hemel zal het--niet--donker zijn!" spraken Megs lippen.

Zelfs wanneer zij iets zeggen kon, was het niets dan een gestamelden,
vroeger gehoorden zin, dien zij murmelde.

"Als er alles van goud en edelgesteenten is, dan wil ik er liever niet
heen!" Het kind begon nu te schreien. "O, Meg, ik wil liever blijven
leven! Hoe zou jij het vinden, Meg, om te sterven, als je nog maar
dertien jaar bent? Hoe eenzaam zal ik zijn zonder jelui allen. O,
Meg! o, Pip, Pip! o, Baby! Nell!"

De tranen stroomden over hare wangen, hare borst hijgde.

"O, zeg iets, Meg!--zeg een gezang op!--spreek toch!" De halve
inhoud van het boek der "Oude en Nieuwe gezangen" dwarrelde door
Megs gedachten. Welk kon zij uitkiezen, dat rust zou brengen in die
koortsachtige oogen, die met zulk een angstigen smeekenden blik op
haar gelaat gevestigd waren?

Toen opende zij de lippen:


    ""Kom slechts tot Mij, gij moeden,
    Dan geef 'k u zoete rust
    O, gij--""


"Ik ben niet moede, ik verlang niet naar rust!" zeide Judy, op
jammerenden toon.

En Meg begon weer:


    ""Mijn God, mijn Vader, als ik dwaal,
    Ver weg, langs 's levens doornig pad
    Leer mij dan de gelaten taal:
            Uw wil geschiede!""


"Dat is voor oude menschen," zeide de matte, zangerige stem. "Hij
kan niet verwachten, dat ik dit zal zeggen!"

Toen herinnerde Meg zich het schoonste van alle gezangen, en zeide
het eerste en het laatste couplet zonder een oogenblik te haperen, op:


    ""Verlaat mij niet, snel valt de avondstonde,
    De duisternis groeit aan; o Heer, verlaat mij niet.
    Als andre hulp ontbreekt, en alle bijstand vliedt,
    Helper der hulploozen, mijn God, verlaat mij niet!

    Houd Gij Uw kruisbeeld voor mijn brekend oog,
    Schijn door de duisternis, en richt mijn oog ten hemel!
    De dageraad breekt aan, en 't ijdele aardrijk vliedt
    In leven en in dood, o Heer, verlaat mij niet!"


"O, en Judy, liefste, wij vergeten, dat moeder in den hemel is,
Judy je zult niet alleen zijn! Herinner je je moeders oogen niet,
mijn kleine Judy?"

Judy werd kalm, en steeds kalmer. Zij sloot de oogen, zoodat zij de
toenemende duisternis niet bespeuren kon.

Megs armen waren om haar heen geslagen, Megs wang was tegen haar
voorhoofd gevlijd, Nell hield hare handen vast, Baby hare voeten,
Bunby's lippen waren op hare lokken. Zoo gingen zij met haar recht
op de Groote Vallei af, waar zelfs geen licht is voor aarzelende
kindervoeten.

De schaduwen waren koud, en legden zich kil om hunne harten; zij konden
den wind van de onbekende wateren op hunne voorhoofden voelen; maar
alleen zij, die op het punt stond naar genen oever over te steken,
hoorde het zachte geklots der golven.

Juist toen het water hare voeten bespoelde vertoonde zich eene gestalte
in de deur.

"Judy!" riep eene smartelijke stem, en Pip duwde hen op zijde en viel
naast haar neer.

"Judy, Judy, Judy!"

Het licht flikkerde nog eens op in hare oogen. Zij kuste hem eenmaal,
tweemaal met hare bleeke lippen; zij gaf hem hare beide handen,
en haar laatsten glimlach.

Toen streek de wind over hen allen, en, met eene plotselinge rilling,
ging zij heen.



HOOFDSTUK XXII.

HET LAATSTE HOOFDSTUK.


    "Zij scheen voor 't verdergaan des tijds
    Een wezen, niet bestand."

    "Zij heeft nu geen gevoel, geen kracht,
    Zij hoort, noch ziet nu meer;
    Maar wordt nu door de aardsche kracht
    Al draaiende in 't rond gebracht
    Met boom en rots en steen."


Zij gingen weer naar huis, zes kinderen, en Esther, die voortaan
ernstiger zou zijn, daar zij den prijs, die voor het leven van haar
kleinen, aangebeden zoon betaald was, nimmer zou kunnen vergeten. De
lucht van Yarrahappini scheen als een zware last op hen te drukken.

Toen dus de kapitein, die ijlings uit Sydney vertrokken was om zijn
arm klein meisje nog voor het laatst te zien, vraagde of zij liever
naar huis zouden willen gaan, antwoordden zij allen: "Ja!"

Er was een groen grasveld op den top van een heuvel achter het
woonhuis, en een groep acacia's, nu donkergroen, maar teeder getint
en bevallig in het voorjaar.

Daar legden zij kleine Judy neer. Om het grasperk liet Mr. Hassal
hooge, witte palen zetten; het grafje bevond zich aan den kant
der boomen.

De plek geleek op een klein kerkhof in een kinderland, waar er maar
één gestorven was.

Of op een mooi groen veld, met een klein bed.

Meg was verheugd, dat de verhevenheid naar het oosten gekeerd was;
de zon zonk achter haar weg--zoolang zij leefde kon zij niet meer naar
de oranje en gele en purperen tinten zien, die bij zonsondergang den
hemel kunnen kleuren. Maar ver in het oosten steeg de zon in stille
majesteit op, en het licht kwam langzaam naar den heuveltop in teeder
rose en trillend blauw en lichtend grijs, maar nooit in harde, gele
vlammen, die heete tranen in de oogen doen springen.

Toen zij Judy's rustplaats op den laatsten dag vaarwel zeiden, werd
deze kalm en liefelijk door den maan beschenen.

Allen plukten eenige halmpjes van de versche zoden, en gingen toen
heen. Niemand schreide, de kalme witheid der maan, de bleeke,
stralende sterren, de matte wind, die door de takken ruischte,
hielden hunne tranen terug tot zij het hek achter zich gesloten en
haar op den stillen heuveltop alleen gelaten hadden.

Zij gingen terug naar Misrule, een ieder om den levensdraad weer
op te nemen, en het weefsel voort te zetten, waaraan, God zij dank,
moet worden gewerkt, want anders zouden dagelijks de harten breken.

Meg was ouder geworden; zij zou nooit meer zóó jong zijn als zij was,
voor die roode zonsondergang zijn beeld in haar hart grifde.

In hare oogen was een dieper licht gekomen; zulke tranen, als zij
geweend had, verhelderen het oog, tot het leven eene duidelijker,
meer omvattende beteekenis krijgt.

Nellie en zij gingen den eersten Zondag na hunne terugkomst naar de
kerk. Aldith zat een paar banken verder, wuft als altijd, gekleed in
een kleurig toiletje, en coquet glimlachend naar de bank der Courtney's
kijkend, en naar de Graham's, die vlak achter dezen zaten.

Wat was Meg van haar vervreemd! Het scheen jaren geleden, dat zij al
hare aandacht aan den laatsten smaak voor hoeden gewijd had, aan den
snit van eene robe cloche en de beste methode om de handen blank te
maken. Jaren geleden, dat zij schuchtere pogingen had gedaan om zich
met flirten te vermaken. Jaren geleden, bijna, dat zij op Yarrahappini
het blauwe lint gegeven had, dat een grooteren invloed had dan zij
ooit vermoedde.

Alan keek naar haar van uit zijne bank--naar de kleine gestalte
in het treurige zwart der rouw, naar de vlecht, die het glanzende
haar samenvatte, maar welker eind niet meer gekruld was, naar den
zwaarmoedigen trek om de jonge lippen, den ernst der blauwe oogen. Hij
kon het zich bijna niet voorstellen, dat dit hetzelfde onnadenkende
meisje was, die den brief geschreven had, en door de duisternis
was komen sluipen om zijn weinig galanten jongeren broeder te
ontmoeten. Hij nam hare hand in de zijne, toen de kerk uit was; zijne
grijze oogen, die plotseling vochtig werden, vulden door hun warmen
blik de enkele woorden van deelneming aan, die hij stamelend uitsprak.

"Laten wij altijd vrienden blijven, Miss Meg!" zeide hij, toen zij
bij het hek van Misrule afscheid namen.

"Gaarne!" antwoordde Meg.

En deze hartelijke, oprechte vriendschap werd van schoone beteekenis
in hun beider leven, zij steunde Meg en maakte den jongen man zachter.

Pip werd weer vroolijk en opgeruimd als vroeger, zooals het ook den
jongen met het gevoeligste hart gaan zal, dank zij zijne jeugd; maar
somtijds kreeg hij plotseling een aanval van zwaarmoedigheid, en dan
verdween hij, er zich niet om bekommerende, of een spel cricket of
voetbal in vollen gang was, of wel hij stond van tafel op, als het
rumoer het hevigst was.

Bunby vertoonde aan de wereld een even morsig gezicht als vroeger,
en handen die zelfs nog smeriger waren, want in hem had zich in den
laatsten tijd eene neiging tot het machinevak geopenbaard, en in zijn
vrijen tijd maakte hij drukpersen--of wat daarvoor moest doorgaan--en
vreeswekkende en wonderbaarlijke machines, van een oude kachel en
eenige potten en roestige pannen, die hij voor het lot weggeworpen
te worden, gered had.

Maar hij vertelde nu niet meer zooveel leugentjes, de ondergaande
zon had zelfs in zijn jong hart een straal geworpen, en wanneer hij
op het punt was te zeggen: "Ik niet, ik ben het niet geweest, het
was niet mijne schuld!" dan verrees een rijkdom van donkere krullen
voor zijn oog, juist zooals hij ze dien avond had uitgespreid gezien,
toen hij zijne blikken er niet van af had durven wenden.

Hare beenen waren op het oogenblik een der hoofdonderwerpen van Baby's
gedachten, want zij was juist van korte kousjes tot lange gepromoveerd,
en allen, die zich deze gebeurtenis in hun eigen leven herinneren,
zullen begrijpen hoe gewichtig zij voor haar was.

Nell scheen iederen dag mooier te worden. Pip had de handen vol
met zijne pogingen om haar voor inbeelding te behoeden; wanneer
broederlijke op- en aanmerkingen iets kunnen baten, dan moet zij wel
altijd even nederig van zich zelf gedacht hebben, als wanneer zij
vuurrood haar en een hemelwaarts strevenden neus gehad had.

Esther zeide, dat zij wenschte ergens een paar jaren te kunnen koopen,
een ernstig uiterlijk en groote hoeveelheden waardigheid--dan zou er
eenige kans zijn, dat Misrule eindelijk bij zijn deftigen doopnaam
"Rivierzicht" genoemd werd.

Maar vreemd genoeg scheen niemand met dien wensch in te stemmen.

De kapitein rookte nooit meer zijn sigaar in de veranda op zijde van
het huis; het slecht onderhouden grasveld deed hem altijd denken aan
eene kleine gestalte in een rose japonnetje met een gedeukten hoed,
die in het blakerende zonlicht stond te maaien. Judy's dood deed hem
zijne zes overblijvende kinderen dierbaarder zijn dan ooit, maar hun
zijne genegenheid op hartelijker wijze toonen dan vroeger--daartoe
kon hij toch niet komen.

De Generaal werd iederen dag aardiger en liever. Het is geene
overdrijving, wanneer ik zeg, dat zij allen dit kleine wezentje in
zijne koninklijke jonkheid aanbaden, want het leven was hem tweemaal
geschonken geworden, en de tweede maal was het Judy's gave, en daarom
onschatbaar.

Mijne pen heeft zich moeielijk en langzaam bewogen onder het schrijven
van deze twee laatste hoofdstukken; zij weigert licht en vrij over
het papier te glijden, en dus zal ik haar, uit vrees u anders treurig
te stemmen, ter zijde leggen.

Een ander maal, als dit u welkom zou zijn, zal ik u gaarne van
mijne kleine Australiërs verder vertellen, een gering aantal jaren
overspringend.

Tot dien tijd, vaarwel en tot weerziens!



AANTEEKENING


[1] Naam van de vrouw van Punch (Jan Klaassen).





*** End of this LibraryBlog Digital Book "Zeven kleine Australiërs" ***


Copyright 2023 LibraryBlog. All rights reserved.



Home